Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429544 nr. 491

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 491 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 december 2013

Inleiding

Hierbij zend ik uw Kamer de rapportage «Cao-afspraken 2012», over de inhoudelijke ontwikkelingen van cao’s op een aantal terreinen waaronder de loonontwikkeling1. Van de gelegenheid maak ik tevens gebruik om u te informeren over de ontwikkelingen op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Daarnaast doe ik een enkele toezeggingen gestand middels deze brief.

Monitor duurzame inzetbaarheid

Het bevorderen van duurzame inzetbaarheid is wenselijk en noodzakelijk. Sociale partners in de Stichting van de Arbeid hebben op 9 juni 2011 in de «Beleidsagenda 2020» afspraken gemaakt waarmee zij de duurzame inzetbaarheid van werknemers en werkzoekenden willen bevorderen en de arbeidsparticipatie van oudere werknemers willen verhogen. Zij hebben zich daarbij ten doel gesteld dat de gemiddelde arbeidsparticipatie van 55-plussers in 2020 niet meer fundamenteel mag verschillen van de gemiddelde arbeidsparticipatie van 55-minners. Het moet normaal worden door te werken tot aan het pensioen.

De inzet van de Stichting van de Arbeid moet vorm krijgen door cao-afspraken en concrete activiteiten op de werkvloer. Destijds is afgesproken de ontwikkelingen in cao’s en praktijk te volgen. Op 29 november 2012 zijn de resultaten van het eerste monitorjaar (medio 2011 – medio 2012) naar de Tweede Kamer gestuurd. Ook het afgelopen jaar zijn de ontwikkelingen gevolgd. De cao-afspraken over duurzame inzetbaarheid zijn opgenomen als hoofdstuk 4 in de bijgevoegde Jaarrapportage cao-afspraken 2012; tevens is bijgevoegd het onderzoek van Ecorys naar de daadwerkelijk op bedrijfsniveau ondernomen activiteiten op het terrein van de drie pijlers van duurzame inzetbaarheid: gezondheid, scholing en mobiliteit2.

Het beeld dat uit de onderzoeken naar voren komt is dat de inspanningen ten aanzien van duurzame inzetbaarheid het afgelopen jaar op peil zijn gebleven. Dit betekent dat er in cao’s veel afspraken staan over gezondheid en scholing en in mindere mate over mobiliteit, maar dat er niet veel nieuwe afspraken zijn gemaakt. Ook geldt – net als het jaar daarvoor – dat veel onderzochte aspecten op de terreinen gezondheid, scholing en mobiliteit in de praktijk (veel) vaker voorkomen dan op grond van het aantal cao-afspraken zou worden verwacht.

Het lijkt er op dat de voortdurende crisis primair aandacht vraagt voor problemen op korte termijn en er minder ruimte is om extra inspanningen te verrichten met het oog op het realiseren van doelstellingen in 2020. In het licht van de (langer dan verwacht) aanhoudende crisis, is het op peil blijven van de feitelijke inspanningen in bedrijven gericht op duurzame inzetbaarheid positief te waarderen.

Tegelijkertijd is helder dat er – gelet op de ambitieuze doelstelling van de Stichting van de Arbeid – de komende periode nog een paar flinke stappen moeten worden gezet. Dit kan bijvoorbeeld – conform de advisering in de Beleidsagenda 2020 – door in de cao’s een concreet stappenplan op te stellen, waarin op basis van analyse doelstellingen worden geformuleerd, instrumenten worden benoemd en afspraken worden gemaakt over de voortgangsbewaking. Met een bewust en samenhangend beleid gericht op het structureel bevorderen van duurzame inzetbaarheid is het mogelijk de doelstelling in 2020, evenredige arbeidsparticipatie van 55-plussers, te realiseren. In dit licht stemt het hoopvol dat in steeds meer cao’s – inmiddels in circa de helft van de onderzochte cao’s – is afgesproken dat de invulling van een duurzaam inzetbaarheidsbeleid nader wordt onderzocht.

Kabinet en sociale partners hebben met het sociaal akkoord verder ingezet op verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen.

Ten eerste heeft het kabinet tot 2015 € 600 miljoen uitgetrokken voor de Regeling Cofinanciering Sectorplannen, waarmee partijen onder meer in kunnen zetten op het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van ouderen. In het kader van het ESF-programma 2014–2020 wordt nog bezien of met het oog op gezond en actief ouder worden ook een laagdrempelige regeling voor individuele bedrijven kan worden ingevoerd.

Ten tweede is met het sociaal akkoord 67 miljoen extra aan middelen vrijgemaakt voor het aan het werk helpen van werkloze ouderen.

Ten derde hebben kabinet en sociale partners voor de middellange termijn maatregelen afgesproken om de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren. De nadruk ligt hierbij sterk op het aan het werk houden en het zo nodig van werk naar werk helpen van werknemers.

Feit is dat ondanks de aanhoudende recessie CBS-cijfers laten zien dat de netto arbeidsparticipatie van 55-plussers de afgelopen twee jaar is gestegen, terwijl de totale netto participatie (15 tot 65 jarigen) in dezelfde periode is afgenomen. De positieve ontwikkeling voor 55-plussers lijkt te danken aan een combinatie van inspanningen door sociale partners / bedrijven en ondersteunend beleid door de overheid. Kabinet en Stichting van de Arbeid willen de inspanningen ten aanzien van het aan het werk houden en helpen van oudere werknemers voortzetten en waar nodig vergroten en zullen elkaar – op basis van de Beleidagenda 2020 en het sociaal akkoord – hierop blijven aanspreken.

Rapportage «Cao-afspraken 2012»

De rapportage «Cao-afspraken 2012» beschrijft de stand van zaken voor diverse cao-afspraken. Onderzocht is een steekproef waaronder circa 5,4 miljoen werknemers vallen.

Contractloonmutatie

De totale contractloonmutatie bedraagt in 2012 gemiddeld 1,6% op niveaubasis (2011: 1,5%). Bij een inflatie van 2,5% (CBS) in 2012, ligt de contractloonstijging dus duidelijk onder inflatie. Voor markt (1,6%), zorg (1,6%) en overheid (1,5%) ligt de contractloonstijging vrijwel op hetzelfde niveau. Naar economische sector bezien is de stijging het hoogst in de bouwnijverheid (2,3%) en het laagst in de landbouw en visserij (0,9%).

Financiële positie van cao-fondsen in 2012

Tijden de begrotingsbehandeling van 11 en 13 december 2012 heb ik toegezegd uw Kamer meer informatie te geven over de bedragen en aanwending daarvan van Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen. In de rapportage wordt hierop in hoofdstuk 9 ingegaan. Uit de jaarverslagen van 52 algemeen verbindend verklaarde cao-fondsen over het jaar 2012 blijkt dat deze fondsen € 438 miljoen hebben besteed (2011: € 530 miljoen). Daarvan ging 88% naar de doelstellingen van de fondsen en 12% naar beheer. De fondsen besteedden geld aan scholing (42%), werkgelegenheid (11%), arbeidsomstandigheden (5%), 17% aan andere cao-gerelateerde doelstellingen en 14% aan overige doelstellingen (zoals aanvullende uitkeringen). Aangezien de baten € 480 miljoen bedroegen, groeiden de reserves met € 42 miljoen tot € 479 miljoen.

Cao-fondsen

Zoals toegezegd in het Algemeen Overleg Arbeidsmarktbeleid van 31 oktober jongstleden ga ik in deze brief in op de vraag of de accountantsverklaringen behorende bij de jaarstukken van cao-fondsen al dan niet openbaar gemaakt dienen te worden op de website van SZW. De accountantsverklaringen zijn tot dusverre niet gepubliceerd via internet. Alle jaarstukken, inclusief accountantsverklaringen en verantwoordingen, liggen wel ter inzage ten kantore van het betrokken fonds en bij het Ministerie van SZW.

Naar aanleiding van de vraag van de Kamer heb ik bezien of er mogelijkheden zijn voor publicatie van accountantsverklaringen op de cao-website van het Ministerie van SZW. Gebleken is dat bij publicatie van accountantsverklaringen via internet rekening moet worden gehouden met specifieke administratieve vereisten en mogelijke risico’s op fraude. Ik ben voornemens om met de Stichting van de Arbeid afspraken te maken over de administratieve wijze waarop de accountantsverklaringen via internet kunnen worden gepubliceerd.

Eveneens heb ik in voornoemd Algemeen Overleg toegezegd in te gaan op de ervaringen tot nu toe met cao-fondsen en meer specifiek op de vraag of in de praktijk door de Minister wel eens is ingegrepen bij een fonds. Daarover merk ik het volgende op.

Bij de start van de jaarverslagenbeoordeling in 2002 zijn 8 cao-fondsen in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een (afdoende) reactie op evidente procedurele en inhoudelijke vragen naar aanleiding van het jaarverslag, waarbij te kennen was gegeven dat bij het uitblijven van een reactie binnen een bepaalde periode gestart zou worden met de intrekkingprocedure van het avv-besluit van het betreffende fonds. Van de 8 aangekondigde intrekkingprocedures zijn er 7 niet gestart omdat 6 fondsen binnen de gestelde termijn afdoende hebben gereageerd en 1 fonds op korte termijn opgeheven zou worden. De intrekkingprocedure van 1 fonds is binnen een week gestuit omdat alsnog een afdoende reactie werd ontvangen op de gestelde vragen. Sindsdien heeft een dergelijke situatie zich niet meer voorgedaan. Aan cao-fondsen gestelde vragen worden veelal adequaat en binnen de gestelde termijn beantwoord.

Tot slot heb ik u toegezegd in te gaan op de vraag in hoeverre intersectorale scholing wordt gefaciliteerd in de inrichting van cao-fondsen. In de rapportage cao-afspraken 2012 wordt in het hoofdstuk over duurzame inzetbaarheid uitgebreid aandacht besteed aan het onderwerp scholing. Ook wordt ingegaan op cao-afspraken over intersectorale scholing. Daaruit blijkt dat in slechts 2 van de cao’s uit de steekproef (n=100) sprake is van specifieke afspraken over intersectorale scholing. Daarbij dient wel opgemerkt geworden dat informatie over specifieke afspraken met betrekking tot intersectorale scholing in arbeidsvoorwaarden- en fondsencao’s, niet volledig recht doet aan de feitelijke ontwikkelingen die gaande zijn op dit gebied. In diverse sectoren is sprake van intersectorale scholingsactiviteiten die vanuit de betreffende sectorfondsen gefinancierd worden, zonder dat dit blijkt uit specifieke cao-afspraken hierover. Het voert te ver om hier alle projecten te benoemen die gaande zijn. Ik noem u daarom enkele voorbeelden.

In de bouwsector is het al enige jaren mogelijk voor iedereen om zich om te scholen naar een ander beroep via het loopbaantraject Bouw en Infra. Recent is in een intersectoraal samenwerkingsverband een fonds voor de creatieve industrie opgericht om de kennis en kunde breder te kunnen inzetten. En ook in het Techniekpact zijn afspraken gemaakt over het bevorderen van intersectorale mobiliteit.

Daarnaast is het van belang te beseffen dat zogenaamde sectorspecifieke scholing/functiegerichte scholing ook trainingen en opleidingen betreft die binnen andere sectoren bruikbaar en waardevol zijn. Tot slot merk ik hierover nog op dat ik verwacht dat de activiteiten op het gebied van intersectorale scholing een impuls zullen krijgen door de Regeling cofinanciering sectorplannen. In de ingediende plannen is dit reeds zichtbaar. Het actieteam van de Stichting van de Arbeid organiseert in het voorjaar van 2014 in het kader van de sectorplannen een conferentie over van-werk-naar-werk en intersectorale scholing.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer