Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201329544 nr. 437

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 437 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 maart 2013

Hierbij bied ik u het onderzoek aan naar de uitstroom van werknemers uit de technische sector, dat onlangs door SEO Economisch Onderzoek is afgerond.1 Daarmee kom ik tegemoet aan de toezegging aan de Tweede Kamer die mijn ambtsvoorganger tijdens het Algemeen Overleg Arbeidsmarktbeleid heeft gedaan d.d. 28 juni 2012 (Kamerstuk 29 544, nr. 409) om de hoge uitstroom van jongeren uit de techniek te onderzoeken.

Het bedrijfsleven heeft al een aantal maal de noodklok geluid over de personeelsschaarste in de technische sector. Deze schaarste aan technici kan een bedreiging vormen voor de groeiambities van het bedrijfsleven en daarmee ook voor de economische groei en welvaart in Nederland op de langere termijn. Om de schaarste aan technisch personeel tegen te gaan is het, naast het aantrekken van personeel in de technische sector, minstens zo belangrijk het huidige personeel voor de sector techniek te behouden. Er waren signalen dat de technische sector minder goed in staat is zittend personeel vast te houden.

Het onderzoek dat ik heb laten verrichten, richtte zich daarom op de vraag of de uitstroom uit de technische sector daadwerkelijk hoger ligt dan in andere sectoren en wat de oorzaken van uitstroom zijn. In het onderstaande ga ik kort in op de uitkomsten van het onderzoek.

Uit het onderzoek blijkt dat het aantal werknemers in de technische sectoren2 dat jaarlijks van werkgever wisselt, ongeveer net zo groot is als in andere sectoren. Omdat er in technische sectoren zowel technische als niet-technische functies zijn, is het relevant specifiek te kijken naar het aandeel technici dat van baan wisselt. In dat opzicht is opvallend dat in de technische sectoren niet-technisch personeel, zoals ondersteunend personeel in economisch-administratieve functies, vaker van baan wisselt dan technisch personeel. Uit het onderzoek komt naar voren dat bijna 90% van de mensen die in een technische sector in een technische baan werkzaam waren, dat na een jaar nog zijn. Van de tien procent die gewisseld is, is een kwart naar een niet-technische functie gegaan; in of buiten de techniek.

Ook de veronderstelling dat de uitstroom van jongeren uit de technische sectoren groot is, wordt niet door de cijfers uit het onderzoek bevestigd. De mobiliteit van jongeren in de technische sectoren in de leeftijdscategorie 25–34 jaar is nagenoeg even groot als in de niet-technische sectoren (ongeveer 17 procent). Van de jongeren in de technische sectoren, die van baan veranderen blijft ruim de helft in de technische sector werken. Bijna een kwart kiest voor een baan buiten de technische sector.3 De rest stroomt om andere redenen uit.

Over het algemeen kan geconcludeerd worden dat leeftijd van invloed is op de mobiliteit: jongeren veranderen vaker van baan dan ouderen. Dat geldt voor alle sectoren.

Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de uitstroom van technici niet hoger is dan in andere sectoren. Juist het personeel in de techniek dat in technische functies werkt, is relatief honkvast. Dat de technische sectoren moeite hebben personeel vast te houden, geldt alleen voor niet-technisch personeel.

Het onderzoek biedt aanknopingspunten om de aandacht meer te richten op de groep opgeleide technici die ervoor kiezen om in een niet-technisch beroep aan de slag te gaan. De helft van de technisch opgeleiden (op alle niveaus) komen namelijk niet in een technische baan terecht. Het is van belang de redenen te kennen voor deze weglek en te achterhalen hoe groot de groep technisch opgeleiden is, die potentieel naar een technisch beroep kan worden bijgestuurd.

Ik zal dit in het kader van de uitwerking van het Techniekpact meenemen en tevens bezien welke instrumenten kunnen worden ingezet om jongeren, die gezien hun studiekeuze wel belangstelling hebben voor techniek, ook daadwerkelijk naar een technische baan te leiden.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Een sector is als technisch aangemerkt indien een sector meer dan 40% technische of exacte beroepen heeft. Dat komt neer op 1,4 miljoen mensen die werkzaam zijn in de techniek, waarvan 930 duizend mensen in een technische functie.

X Noot
3

Hierbij is geen uitsplitsing gemaakt naar functie, dus het gaat zowel om technische banen in niet-technische sectoren en om niet-technische banen in de technische sectoren.