29 544
Arbeidsmarktbeleid

nr. 145
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 maart 2008

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft over de beleidsnota d.d. 21 december 2007 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Jeugd en Gezin over de werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar de navolgende opmerkingen en vragen ter beantwoording aan het kabinet voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op 27 maart 2008 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de vaste commissievoor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Wit

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Post

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Inhoud

1. Inleiding

2. Stand van zaken jongerenaanpak

3. Het doel van de werkleerplicht

4. Doelgroep werkleerplicht

5. Vormgeving werkleerplicht

  5a) Werkleeraanbod

  5b) Ondersteuning

  5c)Inkomensvoorziening bij werkleerplicht

  5d) Financieringssystematiek

6. Positionering van de werkleerplicht ten opzichte van de Wet werk en bijstand

7. Financiële paragraaf

8. Consultatie

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie staan zeer positief tegenover de introductie van een werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar. Met de regering zijn zij van oordeel dat een werkleerplicht de maatschappelijke positie van sommige jongeren aanzienlijk versterkt en bijdraagt aan een substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie van een groep jongeren die anders tussen wal en schip dreigen te raken.

Dat neemt niet weg dat de beleidsnota aanleiding vormt tot het stellen van enkele schriftelijke vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben over de beleidsnota «Werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar» een aantal vragen welke in dit verslag zijn opgenomen.

De leden van de SP-fractie hebben met verbazing kennis genomen van de beleidsnota werkleerplicht. De leden verbazen zich niet alleen over de ontbrekende analyse die aan de doelstelling vooraf zou moeten gaan, maar ook over de keuzes die worden gemaakt. Vanzelfsprekend is het belangrijk dat jongeren werken of leren. De onderliggende problemen waardoor jongeren nu niet altijd leren of werken zouden prioriteit moeten krijgen, waaronder problemen in het onderwijs, de slechte aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ontbrekende stageplekken en de ongewisse arbeidsmarktpositie van jongeren met flexcontracten. Bovendien vinden deze leden dat iedereen, ook jongeren, een beroep moet kunnen doen op bijstand. Voor meerdere onderwerpen doet het kabinet nog onderzoek of wint zij nog advies in. In het algemeen vragen de leden van de SP-fractie of het niet verstandiger zou zijn geweest om de uitkomst van onderzoeken en adviezen af te wachten, alvorens men met een onvolledig uitgewerkt voorstel komt.

De leden van de SP-fractie onderschrijven het belang dat jongeren aansluiting vinden op de arbeidsmarkt. Idealiter werken óf leren jongeren. Het kabinet schrijft terecht dat het grootste deel van de jongeren naar school gaat of werkt. Het gaat dus om de kleine groep die niet naar school gaat of werkt. Kan het kabinet een analyse maken van de oorzaken dat deze groep niet leert of werkt en daarbij betrekken: de magere ambitie van het kabinet dat slechts 50% van de jongeren een startkwalificatie moet behalen, het lage niveau van de startkwalificatie waardoor er nauwelijks aansluiting is op de arbeidsmarkt, de flexcontracten voor met name jongeren en de discriminatie waar vooral jonge allochtonen mee te maken hebben? Waarom zet het kabinet hier niet vol op in?

De leden van de SP-fractie vinden dat je alle oorzaken die jongeren belemmeren op de arbeidsmarkt of in het onderwijs eerst moet aanpakken alvorens je met goed fatsoen jongeren ergens toe kunt dwingen en het recht op een vangnet kunt afnemen. Deelt het kabinet deze mening?

Nogmaals, de leden van de SP-fractie erkennen dat arbeidsparticipatie jongeren kan beschermen tegen sociale problemen zoals armoede en sociale uitsluiting. Deelt het kabinet de mening dat niet alleen arbeidsparticipatie, maar ook inkomensbescherming in de vorm van een vangnet jongeren beschermt tegen deze sociale problemen?

Het kabinet spreekt over de werkleerplicht als een nieuw instrument voor gemeenten. Is het waar dat gemeenten aangeven dat dit niet nieuw is, maar dat zij al instrumenten hebben om jongeren te begeleiden naar de arbeidsmarkt? Wat precies kunnen gemeenten nu niet, wat met de werkleerplicht wel zou kunnen?

De leden van de fractie van de PVV hebben kennisgenomen van de brief over de uitwerking van de werk-leerplicht voor jongeren tot 27 jaar. Deze leden hebben over deze nota nog een aantal vragen.

Uit de nota blijkt onder meer dat het kabinet geen voorstander is van een generieke werk-leerplicht, dit op grond van een advies van de Raad van State inzake een eerder wetsvoorstel voor een dergelijke plicht tot 23 jaar. De Raad van State was hierbij zeer kritisch in zijn advies, welke kritiek zich met name richtte op de proportionaliteit en de doelmatigheid van een generieke plicht. Op basis van genoemd advies heeft het kabinet een voorkeur voor een leer-werkplicht tot 27 jaar waarbij jongeren zich vrijwillig melden voor een voorziening. Er is dus geen meldplicht.

De leden van de PVV-fractie vragen wat de zin van een leer-werkplicht is wanneer er in de praktijk geen sprake zal zijn van een verplichting voor jongeren om zich voor deze voorziening te melden.

De leden van de PVV-fractie vragen tevens hoe het kabinet het risico inschat dat jongeren, wanneer deze geen uitkering meer ontvangen, maar evenmin verplicht kunnen worden om deel te nemen aan de werk-leerplicht, hun toevlucht zoeken tot zwart werk of de criminaliteit om een inkomen te verwerven.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben over de beleidsnota «Werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar» een aantal vragen welke in dit verslag zijn opgenomen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beleidsnota «Werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar». Volgens deze leden is een hogere arbeidsparticipatie van jongeren zowel in het belang voor jongeren zelf als voor de maatschappij. Een goed middel daarvoor vinden deze leden het instrument van de werkleerplicht. Wel hebben zij nog enkele vragen.

2. Stand van zaken jongerenaanpak

De leden van de CDA-fractie vragen of preciezer kan worden uiteengezet hoe het kabinet de invoering van de werkleerplicht ziet in verhouding tot de invoering van campussen.

De leden van de SP-fractie vragen of de SER heeft geadviseerd om te komen tot een werkleerplicht waar voor jongeren het recht op bijstand alleen geldt als ze een werk/leer aanbod van de gemeente accepteren.

Om een meer sluitende aanpak te krijgen, wordt de maatregel van de werkleerplicht voor jongeren toegevoegd. De leden van de SP-fractie vinden dat een sluitende aanpak in een eerder stadium aangepakt moet worden. Hoe kan een sluitende aanpak worden gesuggereerd als eerder genoegen wordt genomen met slechts een halvering van het aantal vroegtijdig schoolverlaters. Kan het kabinet uitleggen waarom niet vol is ingezet op maatregelen die voorkomen dat jongeren school verlaten, meer dan de doelstelling van 50%?

Deze leden vragen hoe de leerwerkplicht voor jongeren die niet werken zich verhoudt met de stelling van dit kabinet dat jeugdwerkeloosheid geen prioriteit is, zoals verwoord in het algemeen overleg over jeugdwerkeloosheid op 11 oktober 2007.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de plannen tot de werk-leerplicht zich verhouden tot eerder gedane voorstellen, zoals het later keuren van jongeren voor een voorziening zoals de Wajong?

Is het kabinet nog immer voornemens om de keuringsleeftijd voor de Wajong te verhogen naar 27 jaar?

Hoe verhoudt de leer-werkplicht zich tot de principiële bezinning op de Wsw en de Wajong, die nu plaatsvindt?

Is de werk-leerplicht overbodig als de sluitende aanpak zou functioneren?

Hoewel de leden van de SGP-fractie het voorstel van de werkleerplicht steunen, vragen zij of en waarom de huidige instrumenten om jongeren uit een uitkering te krijgen niet afdoende bleken te zijn. Gemeenten hanteren nu toch ook al de zogenaamde workfirstaanpak, waarbij mensen die bijstand aanvragen begeleid aan het werk gezet, en vervolgens zo snel mogelijk weer richting een gewone baan begeleid worden?

3. Het doel van de werkleerplicht

De leden van de SP-fractie missen een uitgebreide beschouwing, achtergrond en argumentatie van de doelstelling. Het is deze leden onduidelijk waarom het kabinet dit doel nastreeft, waarom welke keuzes gemaakt worden. Kan het kabinet hier op ingaan?

Waarom wordt er gesproken over een plicht en niet over een recht op leren/werken?

Heeft het kabinet overwogen om de werkleerplicht in te voeren zonder het element dat jongeren niet langer een beroep kunnen doen op bijstand? Zoja, waarom is hier niet voor gekozen? Zo neen, wil het kabinet dit alsnog overwegen?

Wat verstaat het kabinet onder duurzame arbeidsparticipatie, met andere woorden hoe definieert het kabinet duurzaam en hoe wordt dat gemeten? Wat is naar mening van het kabinet het succesrecept voor duurzame arbeidsparticipatie? Wat is de reden dat jongeren met een startkwalificatie niet duurzaam participeren op de arbeidsmarkt? Op welke wijze denkt het kabinet via deze wetgeving de duurzame arbeidsparticipatie van de doelgroep te verhogen?

Wat is een vaste aansluiting op de arbeidsmarkt? Vindt het kabinet dat er bij een flexcontract, waardoor jongeren noodzakelijkerwijs van werkgever naar werkgever gaan, sprake is van een vaste aansluiting? Is het redelijk om jongeren met flexcontracten waarna ze na drie contracten weer (tijdelijk) op straat staan, een werkleerplicht op te leggen op straffe van geen bijstandsuitkering? Welk aandeel van de werkende jongeren tot 27 jaar heeft een vast contract? Welk aandeel heeft een flexcontract?

Hebben de meeste jongeren recht op een werkloosheidsuitkering of wordt erkent dat jongeren vaak vanwege flexcontracten, hun leeftijd en korte arbeidsverleden helemaal niet in aanmerking komen voor WW en bij tijdelijke werkloosheid altijd geconfronteerd worden met een werkleerplicht dus naar het oordeel van de leden van de SP-fractie geen ruimte hebben om zelf op maat gesneden werk te zoeken? De leden van de SP-fractie vragen het oordeel van het kabinet hierover?

Het kabinet licht in de beleidsnota toe dat het grootste deel van de jongeren naar school gaat of werkt. Waarom kiest het kabinet er dan voor om het recht op bijstand voor álle jongeren tot 27 jaar geheel te ontnemen?

Waarom is er gekozen van de leeftijd van 27 jaar?

Hoe houdbaar is de werkleerplicht in een periode van laagconjunctuur waarin de jeugdwerkloosheid toe zal nemen?

4. Doelgroep werkleerplicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat kennelijk de regering op grond van een kritisch advies van de Raad van State afziet van een generieke werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar met een meldplicht. Kan beargumenteerd worden uiteengezet waarom een dergelijke plicht nu ook kennelijk volgens de regering, in afwijking van eerdere voorstellen, disproportioneel en niet doelmatig zou zijn?

Op welke wijze denkt het kabinet de groep jongeren te bereiken die geen onderwijs volgen, geen baan hebben en geen uitkering ontvangen? Op welke wijze denkt het kabinet deze groep jongeren dan wel te laten participeren?

Klopt het dat wordt voorgesteld voor alle jongeren tot 27 jaar een werkleerplicht in te stellen als zij gebruik willen maken van een sociale voorziening? Betekent dit dat binnen deze groep ook alleenstaande ouders onder de 27 komen te vallen die wel een scholingsplicht maar geen sollicitatieplicht hebben? Kan al iets worden gezegd van de hoogte van de inkomensvoorziening? Wordt voorkomen dat een 28-jarige alleenstaande moeder met kinderen tot 5 jaar in een totaal andere voorziening met andere voorwaarden valt dan een 26-jarige alleenstaande moeder met kinderen jonger dan 5 jaar?

Gesteld wordt dat een leeraanbod moet worden aanvaard. Betekent dit dat een gemeente ook verplicht kan zijn een vorm van kinderopvang te bieden die aansluit bij het leeraanbod?

Kan introductie van de leerwerkplicht ertoe leiden dat sommige groepen jongeren die nu een beroep doen op de bijstand en bijvoorbeeld gehandicapt zijn straks onder een andere voorziening vallen en er daarmee behoorlijk op achteruit gaan? Datzelfde geldt voor jongeren met een Wsw-indicatie

De leden van de PvdA-fractie vragen of de groepen «alleenstaand» (56% van de jonge bijstandsontvangers) en «alleenstaande ouders» (35%) overlappende groepen of elkaar uitsluitende groepen zijn.

Welke redenen liggen ten grondslag aan de ontheffing van de sollicitatieplicht voor de genoemde 11% van de jongeren tot 27 jaar in de bijstand?

Welk percentage van de hele bijstandspopulatie zat ultimo 2005 in een re-integratietraject? Hoe verhoudt zich dit tot het percentage jongeren tot 27 jaar in een re-integratietraject?

Wordt de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders die onder de werkleerplicht gaan vallen, gelimiteerd in tijd (bijvoorbeeld 6 jaar)? Denk hierbij bijvoorbeeld aan een vrouw die op haar 19e en op haar 23ste een kind krijgt.

Waarom acht de regering het gerechtvaardigd andere re-integratievoorzieningen aan te bieden aan een jongeren die op hun 16e gehandicapt zijn geraakt (Wajong-re-integratie-instrumentarium), en aan een jongeren die op zijn 19e gehandicapt zijn geraakt (Werkleerplichtinstrumentarium)?

Op welke manier zullen gemeente en UWV samenwerken om gehandicapte jongeren (die niet in aanmerking komen voor de Wajong) een passend aanbod te doen met inachtneming van de mogelijkheden van de betrokkene, gezien de grote expertise waarover UWV beschikt?

Is het de bedoeling dat voor gehandicapten die niet tot werken in staat (zullen) zijn, en die niet in aanmerking komen voor de Wajong (bijvoorbeeld omdat zij op hun 18e in plaats van op hun 16e gehandicapt zijn geraakt), dezelfde regels gelden met betrekking tot inkomensvoorziening als voor overige jongeren die vallen onder de werkleerplicht, zelfs als de betrokken gehandicapten beschikken over een startkwalificatie? Kan het kabinet het hoe en waarom hiervan toelichten?

De werkleerplicht geldt alleen voor jongeren die zich melden bij de gemeente; beschikt de regering over informatie in hoeverre de werkleerplicht drempelverhogend werkt voor deze jongeren en is de regering van plan dit in de toekomst te monitoren?

Wat gebeurt er met jongeren die niet werken, niet naar school gaan en die zich niet bij de gemeente melden?

Hoe past de werkleerplicht in de sluitende aanpak voor kwetsbare jongeren in samenhang met het beleid om schooluitval tegen te gaan en om jongeren op het rechte pad te houden of terug te brengen?

De leden van de SP-fractie constateren dat er is afgezien van een meldplicht. Jongeren moeten zich vrijwillig melden. Deze leden vragen hoe vrijwillig dit is. Deelt het kabinet de mening dat jongeren eigenlijk geen keuze hebben? Immers, als zij zich niet vrijwillig melden hebben ze geen inkomen. Vindt het kabinet dat je dan nog kunt spreken over vrijwillig?

Er waren eind april 2007 circa 28 940 jongeren tot 27 jaar in de bijstand. Welk percentage is dit van het geheel aantal jongeren tot 27 jaar? Hoeveel van de jongeren in de bijstand heeft een handicap?

Hoe lang zijn jongeren aangewezen op een bijstandsuitkering? Hoeveel jongeren zijn langdurig aangewezen op bijstand zonder dat zij alleenstaande ouder zijn, een vrijstelling of een handicap hebben?

Hoeveel van de jongeren tot 27 jaar die ultimo 2005 in een re-integratietraject zaten zijn uitgestroomd naar duurzame arbeid?

Voor gehandicapte jongeren die niet onder Wajong vallen geldt dat maatwerk cruciaal is. Geldt dit niet voor de rest van de jongeren, zo vragen de leden van de SP-fractie.

De leden van de SP-fractie zijn grote voorstander van een ontheffing van de arbeidsplicht voor alleenstaande ouders in de bijstand. Zij vinden het echter onbegrijpelijk dat er nu opnieuw een verplichting komt in de vorm van het accepteren van een leeraanbod. Deze leden spreken liever van een leerrecht. Kan dit leeraanbod voor alleenstaande ouders nader uitgewerkt worden? In hoeverre heeft de alleenstaande ouder inspraak? Is er een maximaal opleidingsniveau dat aangeboden wordt of mogen alleenstaande ouders ook een universitaire graad halen als ze dat zouden willen? Of bepaalt de gemeente dit geheel eenzijdig? Hoe wordt er rekening gehouden met aanwezigheid en kosten van kinderopvang, schooltijden, de wens om voor eigen kinderen te zorgen?

Voor gehandicapte jongeren is het van belang dat het aanbod aansluit bij de mogelijkheden, aldus het kabinet. Deelt het kabinet de mening dat dit voor iedereen zou moeten gelden, ongeacht of iemand een handicap heeft. Hoe wordt er gewaarborgd dat een aanbod van de gemeente aansluit bij de jongeren?

Deelt het kabinet de mening dat de overheid een taak heeft om voor Wsw-geïndiceerden een beschermde werkplek te creëren/zoeken? Wat is de reden dat Wsw’ers nu niet zouden leren of werken? In hoeverre spelen de wachtlijsten in de Wsw hier een rol? Zou een werkleerplicht voor deze doelgroep niet absurd zijn en betekenen dat de huidige wijze waarop Wsw’ers naar een werkplek worden begeleid faalt?

Het kabinet wil eerst in kaart brengen in hoeverre jongeren nu al geactiveerd worden en voor welke jongeren dit onvoldoende (b)lijkt te zijn. De leden van de SP-fractie willen hier de vraag aan toevoegen of de activering ook heeft geleid tot duurzame arbeidsparticipatie. Zij vragen hoe het mogelijk is dat een werkleerplicht ontwikkeld wordt, terwijl er nog geen zicht is op bijvoorbeeld de mate waarin jongeren geactiveerd worden. Mocht blijken dat jongeren voldoende geactiveerd worden, ziet het kabinet dan af van de werkleerplicht?

Welke keuzevrijheid hebben jongeren bij het aanbod van leren of werken? Meer in het algemeen, welke rechten hebben de jongeren? Welke rechten hebben jongeren, bijvoorbeeld omdat het aanbod kwalitatief onder de maat is?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet in een overzicht kan aangeven welke groepen jongeren tot 27 jaar zullen worden uitgezonderd van de leer-werkplicht.

Welke groep jongeren wordt beoogd, wanneer wordt gesproken over jongeren die niet in aanmerking komen voor de Wajong maar wel «gehandicapt» zijn?

Vallen gehandicapte jongeren die niet in aanmerking komen voor de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening gehandicapten (Wajong) en derhalve een beroep hebben gedaan op de bijstand (WWB) per definitie onder de werk-leerplicht?

Behouden alleenstaande ouders met kleine kinderen wel bijstand, als ze scholingsplicht opgelegd krijgen, of moeten ze dan studiefinanciering aanvragen?

Waarom hebben niet alle jongeren in de WWB een re-integratietraject (54% zit in zo’n traject) en hoe verhoudt zich dit tot de sluitende aanpak, waartoe gemeenten verplicht zijn? 11% van de jongeren in de bijstand heeft een ontheffing van arbeidsverplichting. Wat zijn de redenen voor ontheffing?

Wat voor niet-uitkeringsgerechtigde jongeren onder de 27 jaar krijgen begeleiding bij re-integratie?

Vallen jongeren die via de sociale werkvoorziening werken en/of jongeren met een indicatie voor de Wet sociale werkvoorziening die op een wachtlijst staan, onder de werk-leerplicht?

De leden van de SGP-fractie merken op dat het kabinet aangeeft dat idealiter alleen jongeren die niet leren of werken onder het bereik van de werkleerplicht zouden moeten vallen, maar plaatst daarbij de kanttekening dat dit juridisch kwetsbaar is. De leden van de SGP-fractie vragen waarom het kabinet niet eerst oplossingen heeft gezocht voor de juridische haken en ogen aan een werkleerplicht. Hoe gaat het kabinet voorkomen dat jongeren die zich niet vrijwillig melden helemaal uit het oog verloren worden? De leden van de SGP-fractie vragen of het niet te vrijblijvend is voor jongeren die op dit moment ook al niet met de bestaande re-integratiemiddelen of activeringsinstrumenten worden bereikt?

De leden van de SGP-fractie waarderen het dat het kabinet inziet dat de positie van alleenstaande ouders speciale aandacht behoeft bij de vormgeving van de werkleerplicht omdat de zorgtaken voor kinderen bij hen een belangrijke plaats zullen innemen. De leden van de SGP-fractie betreuren het echter dat de leeftijdsgrens voor jongere kinderen is gesteld op vijf jaar. Is het kabinet bereid deze leeftijdsgrens alsnog te verhogen?

De leden van de SGP-fractie vragen op dit punt verder hoe het kabinet het verplicht accepteren van een leeraanbod voor alleenstaande ouders met kinderen gaat vormgeven. Houdt het kabinet daarbij rekening met de gezinssituatie en het combineren van de zorgtaken voor kinderen? Kan het kabinet een overzicht van de concrete maatregelen op dit punt geven?

De leden van de SGP-fractie waarderen dat ook rekening wordt gehouden met gehandicapte jongeren bij de vormgeving van de werkleerplicht. Toch hebben deze leden op dit punt nog ernstige zorgen. Want hoewel gemeenten aan de hand van de individuele situatie moeten beoordelen welk aanbod het beste past bij de jongeren – met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden – kan hierdoor heel gemakkelijk ongelijkheid ontstaan tussen verschillende gemeenten. Daarom vragen zij naar de visie van het kabinet op het invoeren van landelijke criteria, waardoor de plaatselijke uitvoering consistenter kan worden gemaakt.

5. Vormgeving werkleerplicht

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze onderscheid wordt gemaakt tussen jongeren die niet «kunnen en niet hoeven», bijvoorbeeld vanwege een handicap en jongeren die wel gebruik kunnen en moeten maken van de aangeboden leer-werk-voorziening. Wordt overwogen hiervoor ook verschillen in financiële zin te introduceren?

Wat is de positie van jongeren onder de 27 met een startkwalificatie die nu tijdelijk een beroep doen op de bijstand omdat ze gedurende een korte periode zonder werk zijn? Komen die onder de leerwerkplicht te vallen?

De leden van de SP-fractie vragen of alle gemeenten toegerust zijn om een werkleeraanbod te doen? Deelt het kabinet de mening dat kleine gemeenten en gemeenten in regio’s met hoge werkloosheid en een laag arbeidsaanbod het een stuk lastiger krijgen dan gemeenten in de Randstad? Welke oplossingen ziet het kabinet voor dit verschil?

Waarom is het werkleeraanbod primair de verplichting van de gemeente? Waarom geen verantwoordelijkheid van werkgevers en onderwijsinstellingen?

In welke gevallen zal een recht op inkomensvoorziening ontstaan los van de aanvaarding van werkleeraanbod? Kan een aantal voorbeelden worden gegeven?

Deelt het kabinet de mening dat gemeenten moeten wijzen op het belang van het halen van meer kwalificaties. Met andere woorden, meer dan een startkwalificatie alleen? Hoe groot acht het kabinet het risico dat gemeenten een startkwalificatie voldoende achten en jongeren alleen een werkaanbod doen, waardoor jongeren een voor de toekomst belangrijk kennisniveau missen?

Wat wordt het niveau van het inkomensdeel? Valt met deze hoogte van de inkomensvoorziening niet onder de armoedegrens en de «decent standards of living»?

Wat wordt concreet (in euro’s) gezien de hoogte van de inkomensvoorziening voor de diverse te onderscheiden groepen (leeftijd, uitzonderingspositie)?

De leden van de SP-fractie vragen waarom de bewindslieden vinden dat de hoogte van de studiefinanciering een sociaal minimum is, terwijl de minister van Onderwijs toegeeft dat de studiefinanciering te laag is en studenten een lening aanbiedt? De leden vragen of het kabinet op de hoogte is van het feit dat studenten fors moeten bijlenen of bijwerken om rond te kunnen komen tijdens de studiefinanciering. Moeten de jongeren in de werkleerplicht ook gaan lenen (bijvoorbeeld in kader van studiefinanciering) om rond te komen en hoe verhoudt dit zich met de campagne om lenen onder jongeren te ontmoedigen?

Worden jongeren die «worden betrokken in het arbeidsproces door middel van sociale activering» ook verplicht het aanbod van activering te aanvaarden? Betekent dit dat ook jongeren die een activeringsplicht krijgen opgelegd, maar dit weigeren, niet langer een beroep kunnen doen op bijstand?

Het eerste uitgangspunt dat wordt genoemd is dat strategisch gedrag moet worden voorkomen. Jongeren zouden hebben aangegeven niet te willen gaan studeren omdat zij er dan financieel op achteruit gaan en studiefinanciering moeten lenen. Is dit naar mening van de bewindslieden omdat deze jongeren niet willen studeren of omdat de drempel van lenen te hoog is en de hoogte van de studiefinanciering te laag om in levensonderhoud te kunnen voorzien?

Wat verstaat men onder «het redelijk in de pas lopen met wat jongeren ontvangen op basis van de wet studiefinanciering».

Is het feit dat internationale verdragen niet aangeven hoe hoog het sociaal minimum moet zijn op zich reden om het sociaal minimum van jongeren te verlagen? Welke visie heeft het kabinet op de hoogte van het sociaal minimum voor jongeren? Welke argumenten heeft het kabinet dat het sociaal minimum voor een jongere lager kan zijn dan voor een oudere?

Wat zijn de uitkomsten van het advies dat is ingewonnen bij de Commissie Gelijke Behandeling met betrekking tot leeftijdsdiscriminatie?

Als blijkt dat 60% tot 80% inkomsten te hebben na afhaken van de bijstandsaanvraag, is het dan juist dat de restantpercentages schommelen tussen de 20% en 40%? De leden van de SP-fractie vinden dit in tegenstelling tot de conclusie van gemeenten zeer alarmerend. Deelt het kabinet deze mening? Is deze groep afhakers niet juist de groep waar het kabinet zich op zou moeten richten als het gaat om verhoging van arbeidsparticipatie en voorkomen van sociale problemen? Waarom wordt er voor deze groep afhakers geen sluitende aanpak beoogd?

Deelt het kabinet de angst dat jongeren door het strenge regime van de werkleerplicht zich niet melden bij de Sociale Dienst en daarmee uit het zicht zullen verdwijnen? Welke maatregelen worden getroffen om dit effect teniet te doen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of jongeren het recht houden om eerst een startkwalificatie te halen, alvorens aan het werk gezet te worden.

Hoe gaat de gemeente ervoor zorgen dat jongeren niet uit beeld raken wanneer ze én geen bijstand meer kunnen aanvragen én geen meldlplicht krijgen?

Worden jongeren die nu onder de 27 jaar zijn én bijstand ontvangen verplicht de werk-leerplicht te aanvaarden? Zo neen, blijft de wet Werk en Bijstand voor hen van toepassing.

De werk-leerplicht is op basis van vrijwilligheid. Hoe realistisch is het om te verwachten dat jongeren zich vrijwillig gaan melden?

Is het kabinet van plan om een meldplicht in te stellen?

Op welk sociaal vangnet kunnen jongeren terugvallen die hun (reguliere) opleiding zojuist hebben afgerond, maar (nog) geen werk hebben gevonden?

Welk sociaal vangnet is voor jongeren tot 27 jaar toegankelijk, die na het succesvol afronden van het werk-leertraject over startkwalificaties beschikken, maar niettemin (tijdelijk) werkloos zijn?

5a. Werkleeraanbod

De leden van de CDA-fractie merken op dat terecht wordt ingezet op maatwerk op lokaal niveau. Dat veronderstelt dat een gemeente altijd in staat is dit maatwerk te leveren en een jongere een werkaanbod kan doen. Kan concreet worden toegelicht wat hieronder wel en niet wordt verstaan? Wat als de gemeente gedurende kortere of langere tijd niet in staat is een dergelijk aanbod te doen? Is de gemeente dan gehouden wel de inkomensvoorziening te verstrekken? Kan de jongere dan toch weer een beroep op de WWB doen? Denkt het kabinet dat het doen van een werkaanbod afdwingbaar moet zijn als de jongere onder het regiem van de werkleerplicht valt?

In de nota wordt toegelicht dat het werkaanbod kan bestaan uit regulier werk, met of zonder loonkostensubsidie, en waar dit niet mogelijk is: additioneel werk. Wat wordt onder «additioneel werk verstaan»? Betekent dit dat ook vrijwilligerswerk, stages en ander onbetaald werk hieronder vallen?

De werkleerplicht kan een extra beroep op het regulier onderwijs betekenen. Heeft het kabinet enig zicht op de mogelijke omvang daarvan en de consequenties voor het MBO in financiële zin?

Gesproken wordt over het veranderen van prikkels, bijvoorbeeld in de studiefinanciering? Kan dit ook betekenen dat invoering van de werkleerplicht kan leiden tot verlaging van de studiefinanciering?

Gesproken wordt over het in kaart brengen van het geheel van prikkels in het huidige systeem en bezien welke maatregelen nodig zijn: wanneer worden de resultaten hiervan aangeboden aan de Kamer?

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel van de jongeren tot 27 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen, niet over een startkwalificatie beschikken, uitgesplitst naar alleenstaande ouders en overigen? En hoe ligt dit bij jongeren tot 21 jaar?

Wat verstaat het kabinet in het kader van de werkleerplicht als additionele arbeid? Kan het kabinet dit illustreren met een voorbeeld?

Op welke feiten of omstandigheden is de vrees van het kabinet gebaseerd dat «studiefinanciering een alternatief wordt voor een uitkering»?

Wat gaat er concreet veranderen voor de niet-uitkeringsgerechtigde jongeren die thans van de gemeente ondersteuning krijgen bij re-integratie en die straks onder de werkleerplicht gaan vallen? Welke extra verplichtingen en faciliteiten krijgen zij bijvoorbeeld?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke wijze zal de gemeente bepalen wat voor een jongere als noodzakelijk voor duurzame arbeidsinschakeling wordt geacht en welke deskundige wordt hiervoor geraadpleegd?

Welke waarborgen zijn er dat de gemeenten deze plicht nakomen en een goed kwalitatief aanbod doen dat de jongeren ook daadwerkelijk verder helpt?

Wordt er een beroepsmogelijkheid tegen het aanbod van de gemeente ingeruimd wanneer blijkt dat na verloop van tijd blijkt het aanbod niet past bij de capaciteiten en/of de interesse van de desbetreffende Hoe vaak kan een jongere een aanspraak doen op de gemeentelijke plicht om een aanbod te doen, gezien het feit dat een aanbod van de gemeente niet per definitie een passend aanbod behoeft te zijn?

In welke gevallen zal een recht ontstaan op inkomensvoorziening los van de aanvaarding van een werk-leeraanbod?

Waaruit blijkt dat de noodzakelijke samenwerking tussen de gemeenten en het bedrijfsleven daadwerkelijk tot stand is gekomen c.q. tot stand zal komen?

Welke prikkels worden ingezet om strategisch gedrag van gemeenten en jongeren tegen te gaan?

Hoe wordt tegengegaan dat gemeenten geen aanbod doen en jongeren met lege handen komen te staan en komt er een noodvoorziening voor jongeren die zonder enige voorziening komen te staan?

Hoe gaan de gemeenten de extra begeleiding van jongeren (zoals het ontwikkelen van een aanbod) bekostigen? Krijgen zij hiertoe aanvullende middelen wanneer blijkt dat de kosten voor inkomensvoorzieningen en opleidingen groter zijn dan de besparingen die samenhangen met het afschaffen van de bijstand voor jongeren onder de 27 jaar?

5b. Ondersteuning

De leden van de CDA-fractie merken op dat factoren die de arbeidsinschakeling negatief beïnvloeden met behulp van zorg- en hulpverlening kunnen worden aangepakt. Gesteld wordt dat «mocht blijken dat dit tot extra kosten voor de zorg leidt dan zullen deze kosten afzonderlijk worden bezien». Wat wordt hiermee exact bedoeld? Komt er een pot «onvoorzien» in de nieuwe regeling waaruit deze kosten betaald kunnen worden?

De leden van de PvdA-fractie vragen op welk aggregatieniveau en wanneer de eventuele extra kosten voor de zorg die samenhangen met de werkleerplicht, zullen worden bezien?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke mogelijkheden het kabinet ziet voor «sociale activering» van groepen van wie de «productiviteit, om diverse redenen, structureel lager ligt dan het loon»

5c. Inkomensvoorziening bij werkleerplicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat binnen de werkleerplicht een aanvullende inkomensvoorziening wordt gecreëerd die toereikend en passend moet zijn en in de plaats komt van de inkomensvoorziening op grond van de WWB. Kan preciezer worden toegelicht wat wordt bedoeld? Onder welke voorwaarden acht het kabinet het kennelijk verdedigbaar dat een inkomensvoorziening toereikend en passend kan zijn en lager dan de inkomensvoorziening op grond van de WWB? Of wordt gedacht aan een niveau gelijk of hoger dan de WWB?

Is het voornemen om het advies van de Commissie Gelijke Behandeling in te winnen al omgezet in een adviesaanvraag? Wanneer zou het advies gereed kunnen zijn? hoe verhoudt het inwinnen van advies zich tot de uitspraak op bladzijde 11 dat het stellen van een leeftijdsgrens van 27 jaar niet strijdig zou zijn met leeftijdsdiscriminatie of het gelijkheidsbeginsel?

Kan preciezer worden toegelicht wat wordt bedoeld met de zin dat «in het kader van de werkleerplicht workfirst voor alle gemeenten gaat gelden voor jongeren tot 27 jaar»?

De leden van de PvdA-fractie vragen of vier tabellen met toelichting kunnen worden opgesteld waarin voor alle afzonderlijke leeftijden (18 t/m 26 jaar) de volgende gegevens worden vermeld (tabel 1: bruto bedragen in euro’s; tabel 2: netto bedragen in euro’s; tabel 3: percentage van het bruto minimum(jeugd)loon; tabel 4: percentage van het netto minimum-(jeugd)loon): minimum(jeugd)loon per maand, hoogte studiefinanciering (met uitsplitsingen naar: uitwonend, thuiswonend, beroepsonderwijs, hoger onderwijs, exclusief en inclusief maximale aanvullende beurs, lening), de hoogte van een Wajong-uitkering, de hoogte van de inkomensvoorziening voor alleenstaande voor wie de werkleerplicht geldt, en het nu nog geldende bijstandsbedrag, de hoogte van de inkomensvoorziening voor (echt)paren voor wie de werkleerplicht geldt, en het nu nog geldende bijstandsbedrag, de hoogte van de inkomensvoorziening voor alleenstaande ouders voor wie werkleerplicht geldt, en het nu nog geldende bijstandsbedrag.

Waaraan wordt afgemeten of een «leerwerkaanbod» onvoldoende middelen genereert om in het levensonderhoud te voorzien? Hoe wordt door het kabinet bepaald hoeveel middelen nodig zijn om in het levensonderhoud te voorzien en hoe zijn studies van het Nibud over de kosten van het levensonderhoud hierbij betrokken? Kan het kabinet hierbij meer in het bijzonder ingaan op de positie van de kinderen wier ouders een beroep doen op de werkleerplicht, en van wie het onwenselijk is dat zij opgroeien in armoede?

In hoeverre wordt de woonsituatie betrokken bij de norm voor de inkomensvoorziening?

Bij welke inkomenshoogte kan volgens het kabinet worden gesproken van «armoede» onder jongeren tot 27 jaar? Hoe verhoudt zich dit tot de armoedegrenzen zoals die worden gehanteerd door het SCP («lage-inkomensgrens», «budgetgerelateerde grens, niet-veel-maar-toereikendvariant» en «budgetgerelateerde grens, basisbehoeftenvariant»)?

Kan het kabinet toelichten hoe het mogelijk is dat de normen voor de inkomensvoorziening «nader bepaald worden», terwijl in de budgettaire berekeningen al met deze normen rekening is gehouden?

Kan het kabinet toelichten in hoeverre zij het wenselijk acht een inkomensvoorziening toe te kennen waarin de gemeente (nog) geen passend werk-leeraanbod heeft gedaan?

Voor ontvangers van studiefinanciering geldt (in vergelijking met de Wet werk en bijstand) een royale vrijstelling voor bijverdiensten (bijbaantjes et cetera); kan de regering toelichten welke vrijstelling voor inkomsten uit werk zij passend acht voor jongeren die vallen onder de werk-leerplicht?

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe hoog de (aanvullende) inkomensvoorziening wordt voor jongeren tot 27 die een werk-leertraject volgen.

Hoe wordt de verslechtering van de inkomenspositie van jongeren ondervangen, die reeds financiële verplichtingen zijn aangegaan (zoals het huren van een woning) en door het wegvallen van hun bijstandsuitkering hierdoor in financiële problemen kunnen komen, aangezien het bedrag van de studiefinanciering (en de aanvullende inkomensvoorziening) doorgaans lager is dan de bijstandsuitkering?

Is de hoogte van de studiefinanciering van jongeren die een werk-leertraject doorlopen evenals bij reguliere studenten gekoppeld aan het al dan niet uitwonend zijn en het inkomen van de ouders/verzorgers, en zo neen, welke verdeelsleutel zal dan worden toegepast?

Tot welk niveau wordt het loon aangevuld voor groepen die niet voldoende verdienen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien?

Wat is het oordeel van de Raad van State over het gegeven dat er een – lager – sociaal minimum voor een bepaalde leeftijdscategorie komt?

5d. Financieringssystematiek

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet een cijfermatig overzicht kan geven van de besparingen op het I-deel die bereikt kunnen worden als gevolg van invoering van de werkleerplicht voor zover deze voortkomen uit een vermindering van het aantal jongeren dat een beroep doet op de gemeente, en voor zover zij voortkomen uit verlaging van de inkomensvoorziening in vergelijking met de huidige bijstandsnormen (voor de jongeren die nog wel een beroep blijft doen op de gemeente).

6. Positionering werkleerplicht ten opzichte van de Wet werk en bijstand

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet de bezwaar- en beroepmogelijkheden kan beschrijven voor jongeren die het werkof leeraanbod dat de gemeente hun heeft gedaan, niet passend vinden? Kan het kabinet toelichten in hoeverre het wenselijk is een onafhankelijke beroepsinstantie in te stellen?

Is het de wens van het kabinet de WWB niet meer van toepassing te verklaren voor jongeren tot 27 jaar, en om hen onder een andere, nieuw op te stellen werkleerplichtwet te laten vallen?

Welke regels wil het kabinet van toepassing laten zijn voor jongeren tot 27 jaar met betrekking tot partnertoets, vermogenstoets, inkomenstoets en bijzondere bijstand?

De leden van de SP-fractie vragen welke kwantitatieve gegevens er zijn over de relatie tussen Work First en duurzame arbeidparticipatie?

7. Financiële paragraaf

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe het bedrag van 184 miljoen euro voor onderwijs- en inkomensvoorzieningen is opgebouwd. Om hoeveel jongeren gaat dit, hoeveel inkomen krijgen zij en hoeveel extra onderwijskosten zullen gemiddeld voor hen moeten worden gemaakt?

De leden van de SP-fractie vragen hoe de bezuinigingsdoelstelling van de werkleerplicht zich verhoudt tot het investeren in de toekomst van deze groep jongeren? Komt dit geldt ten goede aan het verbeteren en meer toegankelijk maken van het onderwijs?

8. Consultatie

De leden van de CDA-fractie merken op dat de werkleerplicht ook gaat over het aanbieden van opleidingen, gericht op het zo mogelijk behalen van een startkwalificatie of meer. Op welke wijze wordt het onderwijs bij de verdere uitwerking betrokken?

Hoe kan het dat de VNG, gegeven het bestuursakkoord, tot de conclusie komt dat de eerste contouren van de werkleerplicht de meerwaarde van dit instrument niet laten zien?

Gesteld wordt dat er nog meer consultatieronden plaats vinden: is hier al meer over te melden? Worden ook jongeren en hun organisaties geconsulteerd? Wat leveren deze consultaties op?

De leden van de SP-fractie vragen hoe het kabinet denkt over het standpunt van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die in de werkleerplicht geen instrument zien dat meerwaarde biedt voor jongeren?

De leden van de ChristenUnie vragen of er aanvullende maatregelen komen om te voorkomen dat zogenaamde niet-kunners onder de armoedegrens terecht komen.

Hoe zal worden bepaald of mensen een niet-kunner zijn?

II REACTIE VAN DE BEWINDSPERSOON

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft over de beleidsnota d.d. 21 december 2007 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Jeugd en Gezin over de werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar een aantal vragen en opmerkingen ter beantwoording aan het kabinet voorgelegd. Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van het schriftelijk verslag. In het verslag hebben de leden van de fracties van de PvdA, CDA, ChristenUnie, SP, PVV en SGP een aantal vragen gesteld welke in dit verslag zijn opgenomen. Hieronder zijn de antwoorden op deze vragen opgenomen. De volgorde van de beantwoording van de vragen wijkt in enkele gevallen af van de volgorde in het schriftelijke verslag teneinde de vragen zo veel mogelijk in samenhang te beantwoorden.

1. Inleiding

De leden van de SP-fractie vragen in het algemeen of het niet verstandiger zou zijn geweest om de uitkomst van onderzoeken en adviezen af te wachten, alvorens men met een onvolledig uitgewerkt voorstel komt. Zoals de leden van de SP-fractie aangeven doet het kabinet ten aanzien van meerdere aspecten nog onderzoek of wint het nog advies in. De leden van de SP-fractie vragen of het kabinet de mening deelt dat niet alleen arbeidsparticipatie, maar ook inkomensbescherming in de vorm van een vangnet jongeren beschermt tegen sociale problemen zoals armoede en sociale uitsluiting.

Mede in het licht van deze vraag heeft het kabinet – voordat wij tot verdere beantwoording van de vragen overgaan – de behoefte het concept achter de werkleerplicht nog eens neer te zetten.

Dit concept behelst dat jongeren idealiter werken óf leren. Het grootste deel van de jongeren gaat naar school of werkt. Goed geschoolde dan wel over voldoende kwalificaties beschikkende jongeren zullen makkelijker aan het werk komen. Arbeidsparticipatie en de daaruit gegenereerde inkomsten bieden de beste garantie tegen sociale problemen. Het moet de kracht van de werkleerplicht zijn dat zij jongeren zal mobiliseren en een stevige basis zal leggen voor hun toekomst. De werkleerplicht beoogt te voorkomen dat jongeren aan de onderkant van de samenleving blijven. Het gaat derhalve om een investering in toekomstige generaties. Het automatisme van een uitkeringsaanvraag mag nooit het perspectief zijn op jonge leeftijd. De werkleerplicht biedt jongeren de kans om uit sociaal isolement te raken, als ze daarin zitten, en om een zelfstandige positie in de maatschappij te verwerven. Net als in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) zal de gemeente hiertoe zo dicht mogelijk aansluiten bij de mogelijkheden van de jongeren. Er zijn al gemeenten die de bestaande instrumenten via een geconcentreerde directe aanpak ten aanzien van jongeren inzetten. Het streven van het kabinet is om deze succesvolle aanpak in de vorm van een werkleerplicht tot een algemene regeling te verheffen, zodat dit concept in het hele land wordt toegepast. In gevallen waarin het leren of werken geen mogelijke optie is blijft een inkomensvoorziening gegarandeerd. Maar wanneer jonge gezonde mensen niet willen leren of werken mag dit ons inziens niet inhouden dat zij recht hebben op bijstand. Onwil om te participeren verhoudt zich niet tot het recht op sociale solidariteit.

Met het concept van de werkleerplicht sluit het kabinet aan bij de aanbevelingen, gedaan in het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid «De verzorgingstaat overwogen». De raad wijst er op dat de noodzaak van een voldoende grote arbeidsparticipatie voor uitkeringsgerechtigden betekent dat ze zoveel mogelijk betrokken moeten blijven in leer- en werkprocessen omdat langdurig werkverzuim of werkloosheid vaak funest is voor toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. De WRR stelt in dit rapport voor om het recht op een uitkering voor werkloze jongeren te vervangen door een recht op werk of opleiding.

Het kabinet heeft de optie overwogen om de werkleerplicht te positioneren binnen het wettelijke kader van de WWB. Het kabinet wil echter van het beroep op bijstand geen automatisme meer maken. Er moet bij alle jongeren die niet actief zijn een sense of urgency ontstaan die inhoudt dat men op jonge leeftijd moet werken en/of leren voor zijn toekomst. Een aparte regeling benadrukt ook het uitgangspunt dat jongeren die van lichaam en geest gezond zijn niet in de bijstand horen. Stigmatisering van jongeren moet worden voorkomen; als er geen werk- of leeraanbod wordt gedaan vallen deze jongeren immers niet terug in de bijstand maar kunnen zijn een beroep doen op een eigen inkomensvoorziening. Het kabinet overweegt om deze redenen voor de werkleerplicht een afzonderlijke wettelijke regeling te treffen, die voor de doelgroep in de plaats treedt van de WWB.

De vragen van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben betrekking op de beleidsnota d.d. 21 december 2007. Het betreft geen wetsvoorstel. Het kabinet ziet deze beleidsnota als een goede mogelijkheid om het parlement in informeren over zijn denkrichting. Door het overleg hierover met uw Kamer wil het kabinet zicht krijgen op de elementen die bij de nadere uitwerking van de werkleerplicht moeten worden betrokken. Daaropvolgend wetstraject, met een gedetailleerd beeld in het geheel, biedt naar de mening van het Kabinet alle ruimte om specifieke elementen van de werkleerplicht toe te lichten. Met de uitkomsten van onderzoeken en gepleegde consultaties streeft het kabinet ernaar te komen tot een volledig uitgewerkt wetvoorstel.

De leden van de SP-fractie onderschrijven het belang dat jongeren aansluiting vinden op de arbeidsmarkt. Idealiter werken óf leren jongeren. Het kabinet schrijft terecht dat het grootste deel van de jongeren naar school gaat of werkt. Het gaat dus om de kleine groep die niet naar school gaat of werkt. Deze leden vragen of het kabinet een analyse kan maken van de oorzaken dat deze groep niet leert of werkt en daarbij betrekken: de magere ambitie van het kabinet dat slechts 50% van de jongeren een startkwalificatie moet behalen, het lage niveau van de startkwalificatie waardoor er nauwelijks aansluiting is op de arbeidsmarkt, de flexcontracten voor met name jongeren en de discriminatie waar vooral jonge allochtonen mee te maken hebben. Zij vragen verder waarom het kabinet hier niet vol op inzet.

De doelstelling van het kabinet is om in 2012 het aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters (VSV-ers) met 50% te hebben gereduceerd ten opzichte van het aantal nieuwe VSV-ers dat in 2002 is geteld. Voor jongeren tot 18 jaar geldt de kwalificatieplicht. Deze jongeren moeten tot hun 18e verjaardag onderwijs volgen dat leidt tot een startkwalificatie. Momenteel is het zo dat circa 87% van de jongeren van 18 tot en met 24 jaar een startkwalificatie heeft of bezig is onderwijs te volgen dat tot een startkwalificatie gaat leiden. Het kabinet streeft ernaar dit percentage in 2010 te hebben verhoogd tot 92% van de jongeren van 18 tot en met 24 jaar, conform de Lissabon-doelstellingen van de Europese Unie.

Het kabinet benadrukt dat indien discriminatie zich voordoet, dit niet wordt getolereerd en dat dit waar het kan bestreden moet worden. Mensen moeten niet beoordeeld worden op hun afkomst, maar op hun talenten. Er moet echter wel voorkomen worden dat niet te vaak wordt geconcludeerd dat er sprake is van discriminatie omdat uit de discriminatiemonitor blijkt dat scholing, taalachterstand en werkervaring vaker de oorzaak zijn van achterstanden op de arbeidsmarkt dan discriminatie. Op 13 december 2007 heeft de Staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief aan de Tweede Kamer (AV/IR/2007/39262) een plan van aanpak gepresenteerd om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Een nadere concretisering en invulling van de voorstellen wordt u in de komende periode toegezonden.

Daarnaast wordt vóór de zomer 2008 voor heel Nederland in kaart gebracht in hoeverre jongeren nu al geactiveerd worden om te leren en/of te werken en voor welke jongeren dit onvoldoende het geval (b)lijkt te zijn. Het doel hiervan is om meer zicht te krijgen op de jongeren van 12 tot en met 26 jaar die niet naar school gaan, geen baan hebben, en ook niet op zoek zijn naar werk of opleiding (of een combinatie), die soms voor ernstige overlast zorgen of af dreigen te glijden naar blijvende werkloosheid en/of criminaliteit en die met de gebruikelijke instrumenten niet worden bereikt.

Op de vraag van de leden van de SP-fractie of kabinet de mening deelt dat alle oorzaken die jongeren belemmeren op de arbeidsmarkt of in het onderwijs eerst moeten worden aangepakt alvorens je met goed fatsoen jongeren ergens toe kunt dwingen en het recht op een vangnet kunt afnemen, merken wij op dat het kabinet streeft naar een sluitende jeugdaanpak op het gebied van opvoeding, onderwijs en arbeidstoeleiding. Het wegnemen van belemmeringen op het terrein van de arbeidsmarkt of in het onderwijs hoort daaronder. Het kabinet benadrukt daarbij dat in het kader van de werkleerplicht dit vangnet in de vorm van een inkomensvoorziening in voorkomende gevallen blijft bestaan. Het recht op uitkering is echter geen uitgangspunt; het accent moet op werken en leren liggen. Hiermee wil het kabinet jongeren die niet leren en/of niet werken activeren en bijstandsafhankelijkheid tegen gaan.

Het kabinet spreekt over de werkleerplicht als een nieuw instrument voor gemeenten. Is het waar dat gemeenten aangeven dat dit niet nieuw is, maar dat zij al instrumenten hebben om jongeren te begeleiden naar de arbeidsmarkt en wat precies kunnen gemeenten nu niet, wat met de werkleerplicht wel zou kunnen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Hoewel de leden van de SGP-fractie het voorstel van de werkleerplicht steunen, vragen zij of en waarom de huidige instrumenten om jongeren uit een uitkering te krijgen niet afdoende bleken te zijn. Gemeenten hanteren nu toch ook al de zogenaamde workfirstaanpak, waarbij mensen die bijstand aanvragen begeleid aan het werk gezet, en vervolgens zo snel mogelijk weer richting een gewone baan begeleid worden, vragen de leden van de SGP-fractie.

In antwoord op deze vragen zou het kabinet willen benadrukken dat het uitvoeren van de werkleerplicht uiteraard dient aan te sluiten bij de huidige praktijk van gemeenten bij de begeleiding van jongeren naar onderwijs en/of werk. Hiertoe worden de gemeenten geen nieuwe afzonderlijke instrumenten aangereikt. Net als in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) zal de gemeente hierbij zo dicht mogelijk aansluiten bij de mogelijkheden van de jongeren. Er zijn al gemeenten die de bestaande instrumenten via een geconcentreerde directe aanpak ten aanzien van jongeren inzetten. Deze aanpak van gemeenten voor jongeren, het concept van de werkleerplicht, levert een betekenisvolle bijdrage aan het terugdringen van de jeugdwerkloosheid. Het streven van het kabinet is om deze succesvolle aanpak in de vorm van een werkleerplicht tot een algemene regeling te verheffen, zodat dit concept in het hele land wordt toegepast.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het kabinet het risico inschat dat jongeren, wanneer deze geen uitkering meer ontvangen, maar evenmin verplicht kunnen worden om deel te nemen aan de werkleerplicht, hun toevlucht zoeken tot zwart werk of de criminaliteit om een inkomen te verwerven. De leden van de PvdA-fractie vragen of de werkleerplicht alleen geldt voor jongeren die zich melden bij de gemeente en of de regering over informatie beschikt in hoeverre de werkleerplicht drempelverhogend werkt voor deze jongeren en of de regering van plan is dit in de toekomst te monitoren. De leden van de SGP-fractie vragen hoe het kabinet gaat voorkomen dat jongeren die zich niet vrijwillig melden helemaal uit het oog verloren worden. Als blijkt dat 60% tot 80% inkomsten te hebben na het niet doorzetten van de bijstandsaanvraag, is het dan juist dat de restantpercentages schommelen tussen de 20% en 40%, zo vragen de leden van de SP-fractie. Deze leden vinden dit in tegenstelling tot de conclusie van gemeenten zeer alarmerend en vragen of het kabinet deze mening deelt. Is deze groep afhakers niet juist de groep waar het kabinet zich op zou moeten richten als het gaat om verhoging van arbeidsparticipatie en het voorkomen van sociale problemen en waarom wordt voor deze groep afhakers geen sluitende aanpak beoogd, vragen zij voorts. Zij vragen verder of het kabinet de angst deelt dat jongeren door het strenge regime van de werkleerplicht zich niet zullen melden bij de Sociale Dienst en daarmee uit het zicht zullen verdwijnen en welke maatregelen worden getroffen om dit effect teniet te doen.

Het kabinet is in de beleidsnota expliciet ingegaan op dit vraagstuk. Daarbij is gekeken naar een recente analyse «Afhakers aan de poort» waarin de redenen waarom personen de aanvraag van een bijstandsuitkering niet doorzetten en de wijze waarop ze daarna in hun levensonderhoud voorzien. Uit het onderzoek blijkt dat velen op het moment van onderzoek inkomsten uit werk, studie of een uitkering hebben (60% tot 80%). De restantpercentages worden veelal gevormd door de categorie «onbekend» (waaronder de verhuisden). Het is niet juist om te concluderen dat een restpercentage van 20%-40% geen inkomsten heeft, er is in veel onderzoek namelijk sprake van non-response, waardoor van een deel van de respondenten onbekend is of zij inkomsten hebben en waaruit. Voor zover gemeenten conclusies uit bovengenoemde onderzoeken trekken achten zij de situatie bij niet doorgezette aanvragen niet alarmerend. Hoewel het lastig is om in de toekomst te kijken is de inschatting dat dit risico bij invoering van de werkleerplicht niet significant zal toenemen. Daarnaast heeft de Inspectie voor werk en inkomen (IWI) een onderzoek aangekondigd naar de poortwachterfunctie van de bijstand, en eventuele ongewenste effecten daarvan. Het gaat bij dit onderzoek zowel om mensen die hun aanvraag niet doorzetten als om mensen ten aanzien van wie de gemeente een negatieve beslissing neemt. De motieven van de mensen zelf én de rechtmatigheid van de gemeentelijke beslissingen komen dan aan de orde. Ook de consequenties voor het arbeidsmarktgedrag en de participatie in de samenleving worden onderzocht. Naar verwachting wordt dit onderzoek in december 2008 gepubliceerd. Hoewel dit onderzoek niet specifiek betrekking heeft op de werkleerplicht, kunnen wellicht daaruit voorzichtige conclusies worden getrokken die voor de werkleerplicht relevant zijn. Waar het gaat om schooluitval kunnen de uitkomsten van het IWI-rapport«Doorstart voor de schooluitvaller»1 en het daarin voorgestelde sluitende jongerenvolgsysteem van betekenis zijn.

2. Stand van zaken jongerenaanpak

De leden van de CDA-fractie vragen of preciezer kan worden uiteengezet hoe het kabinet de invoering van de werkleerplicht ziet in verhouding tot de invoering van campussen.

Op dit moment voert het programmaministerie van Jeugd en Gezin diverse pilots uit waarin de werking van de campusaanpak wordt bezien. Alvorens de relatie tussen de werkleerplicht en de invoering van campussen precies aan te geven, wil het Kabinet de uitkomsten van deze pilots afwachten. De eindrapportage over de resultaten van de pilots wordt medio 2010 verwacht.

De leden van de SP-fractie vragen of de Sociaal Economische Raad (SER) heeft geadviseerd om te komen tot een werkleerplicht waar voor jongeren het recht op bijstand alleen geldt als ze een werk/leer aanbod van de gemeente accepteren. De leden van CDA-fractie vragen of het klopt dat wordt voorgesteld voor alle jongeren tot 27 jaar een werkleerplicht in te stellen als zij gebruik willen maken van een sociale voorziening.

In antwoord op deze vragen merken wij eerst op dat met de werkleerplicht het recht op bijstand voor jongeren tot 27 jaar vervalt. Dit recht wordt vervangen door het recht op werken en/of leren. In een consultatief overleg over de werkleerplicht met de Staatssecretaris van SZW heeft de SER ook het punt over het vangnet voor jongeren ingebracht. Daarnaast is hierover ook gesproken tussen de Staatssecretaris van SZW en de FNV Jong. De Staatssecretaris van SZW heeft in deze overleggen duidelijk uiteengezet dat in gevallen waarin het leren of werken geen mogelijke optie is, een inkomensvoorziening gegarandeerd blijft. Maar wanneer jonge gezonde mensen niet willen leren of werken mag dit ons inziens niet inhouden dat zij recht hebben op verzilvering van bijstand. Onwil om te participeren verhoudt zich niet tot het recht op sociale solidariteit.

Om een meer sluitende aanpak te krijgen, wordt de maatregel van de werkleerplicht voor jongeren toegevoegd. De leden van de SP fractie vinden dat een sluitende aanpak in een eerder stadium aangepakt moet worden. Hoe kun je een sluitende aanpak suggereren als je genoegen neemt met slechts een halvering van het aantal vroegtijdig schoolverlaters. Deze leden vragen of de bewindslieden kunnen uitleggen waarom zij niet vol hebben ingezet op maatregelen die voorkomen dat jongeren de school verlaten, en volstaan met de doelstelling van 50%.

Het kabinet zet, naast curatieve maatregelen als de werkleerplicht, juist hard in op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. In de brief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten» van 30 november 2007 (TK 2007–2008, 26 695, nr. 2) wordt aangegeven welke acties ondernomen worden om het ingezette beleid om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan nog krachtiger uit te voeren. Wij streven ernaar om zoveel mogelijk jongeren een startkwalificatie te laten halen. In 2012 mogen er niet meer dan 35 000 nieuwe voortijdig schoolverlaters zijn, wat de helft minder is dan in 2002 (71 000). Wij zijn van mening dat dit al een enorme inspanning vergt. Vanzelfsprekend is het halen van een startkwalificatie voor iedereen van groot belang. Helaas is niet iedereen daartoe in staat. Er blijft altijd een groep over die geen startkwalificatie haalt vanwege complexe problematiek of cognitieve belemmeringen, maar die wel bereikt wordt via het traject passend onderwijs en andere maatregelen van het Kabinet, zoals de campusaanpak, veiligheid en armoedeproblematiek.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de leerwerkplicht voor jongeren die niet werken zich verhoudt met de stelling van dit kabinet dat jeugdwerkeloosheid geen prioriteit is, zoals verwoord in het algemeen overleg over jeugdwerkeloosheid op 11 oktober 2007.

In antwoord op deze vraag merkt het kabinet op dat het verkleinen van het aantal hardnekkige jeugdwerklozen onderdeel vormt van de kabinetsdoelstellingen. Wel is de Tweede Kamer meegedeeld dat het moeilijk is om absolute doelstellingen op te stellen voor het terugdringen van jeugdwerkloosheid omdat deze zeer conjunctuurgevoelig zijn. Bij de jeugd zijn groepen overgebleven met specifieke arbeidsmarktproblemen waarvoor maatwerk nodig is. Onze verwachting is dat met de uitvoering van de werkleerplicht hier flink aan wordt bijgedragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de plannen tot de werkleerplicht zich verhouden tot eerder gedane voorstellen, zoals het later keuren van jongeren voor een voorziening zoals de Wajong. Vervolgens vragen deze leden of het kabinet nog immer voornemens is om de keuringsleeftijd voor de Wajong te verhogen naar 27 jaar.

Het kabinet werkt op dit moment aan een plan van aanpak over de wijziging van de Wajong. Zoals in het kabinetsstandpunt (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 224, nr. 1) is aangegeven, wil het kabinet daarbij onderscheid maken tussen jongeren die geen enkel perspectief hebben op werk en jongeren die nog wel mogelijkheden op de arbeidsmarkt hebben of die zouden kunnen ontwikkelen. De eerste groep heeft zeer zware beperkingen en is daardoor vaak voor het leven aangewezen op inkomensondersteuning door de overheid. De Wajong biedt hen zekerheid en dat moet ook zo blijven. De plannen beogen de arbeidsparticipatie voor personen te bevorderen voor wie perspectief op arbeid niet is uitgesloten. Voor wat betreft deze aanpak zal worden aangehaakt aan de leeftijd in het kader van de werkleerplicht tot 27 jaar. Zoals met uw Kamer afgesproken zullen de plannen en concrete maatregelen met betrekking tot de Wajong in mei 2008 worden aangeboden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de werkleerplicht zich verhoudt tot de principiële bezinning op de Wsw en de Wajong die nu plaatsvindt. De leden van de SP-fractie vragen in dit verband of een werkleerplicht voor deze doelgroep niet absurd zou zijn en betekent dat de huidige wijze waarop Wsw’ers naar een werkplek worden begeleid faalt.

In antwoord op deze vragen merkt het kabinet op dat de fundamentele discussie over de Wsw momenteel plaatsvindt. Deze discussie staat op dit moment los van de werkleerplicht en het lijkt het kabinet zinvol om deze discussie maar ook de uitkomsten van de Wsw-commissie af te wachten. Zoals met uw Kamer afgesproken zullen de plannen en concrete maatregelen met betrekking tot de Wajong in mei 2008 worden aangeboden.Om die reden is het voorbarig om hierop in te gaan en geeft de beleidsnota alsnog aan dat deze kwestie nog nader wordt bezien.

3. Het doel van de werkleerplicht

De leden van de SP-fractie missen een uitgebreide beschouwing, achtergrond en argumentatie van de doelstelling. Zij vragen of het kabinet in kan gaan waarom het kabinet dit doel nastreeft, waarom beplaade keuzes gemaakt worden. Daarnaast vragen deze leden op welke wijze het kabinet denkt via deze wetgeving de duurzame arbeidsparticipatie van de doelgroep te verhogen.

In antwoord op de vraag van deze leden geven wij aan dat het doel van de werkleerplicht is het bevorderen van een duurzame arbeidsparticipatie van jongeren tot 27 jaar. Het streven is om jongeren te laten werken of leren of een combinatie van beide. Daarnaast beoogt het kabinet met de werkleerplicht te voorkomen dat jongeren een beroep moeten doen op bijstand of afhankelijk blijven van een uitkering. De inzet van de werkleerplicht is de kansen op duurzame arbeidsinschakeling te vergroten door de jongeren te activeren tot deelname aan het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten, en door te investeren in hun kennis en (werknemers-) vaardigheden. Via deze weg zal aan jongeren perspectief op toekomst en bescherming tegen armoede worden geboden. Ook in zijn hiervoor genoemd rapport wijst de WRR er op dat de noodzaak van een voldoende grote arbeidsparticipatie voor uitkeringsgerechtigden betekent dat ze zoveel mogelijk betrokken moeten blijven in leer- en werkprocessen omdat langdurig werkverzuim of werkloosheid vaak funest is voor toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. Zoals hierboven reeds aangegeven wil het kabinet deze kansen vergroten door aan jongeren het recht daarop te geven. In de kern beoogt de werkleerplicht dus om jongeren via werk- en leerprocessen te behoeden voor uitval die leidt tot het niet meer aan het werk komen op latere leeftijd. Het gaat om een investering in toekomstige generaties.

In antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie waarom er wordt gesproken over een plicht en niet over een recht op leren/werken wil het kabinet deze leden meegeven dat het voor jongeren inderdaad om een werkleerrecht gaat. Wij bezinnen ons nog op de definitieve benaming van deze maatregel; in de contourennota is de terminologie van het coalitieakkoord aangehouden als werktitel. Hierin heeft de plicht betrekking op de gemeente: de gemeente wordt verplicht om een aanbod te doen aan jongeren.

De leden van de SP-fractie vragen of het kabinet heeft overwogen om de werkleerplicht in te voeren zonder het element dat jongeren niet langer een beroep kunnen doen op bijstand en zo ja, waarom is hier niet voor gekozen. En zo neen, wil het kabinet dit alsnog overwegen, vragen deze leden. Het kabinet licht in de beleidsnota toe dat het grootste deel van de jongeren naar school gaat of werkt. Waarom kiest het kabinet er dan voor om het recht op bijstand aan álle jongeren tot 27 jaar te ontnemen, vragen zij voorts. De leden van de PvdA-fractie vragen of het de wens van het kabinet is de WWB niet meer van toepassing te verklaren voor jongeren tot 27 jaar, en om hen onder een andere, nieuw op te stellen werkleerplichtwet te laten.

In de beleidsnota over de werkleerplicht is aangegeven dat de optie is overwogen om de werkleerplicht te positioneren binnen het wettelijke kader van de WWB. Het is denkbaar dat de doelstellingen van de werkleerplicht ook met deze optie kunnen worden bereikt met als voordeel dat er geen nieuwe regeling tot stand komt. Het kabinet wil echter van het beroep op bijstand geen automatisme meer maken. Hiermee bereiken wij dat bij alle jongeren die niet actief zijn een sense of urgency ontstaat dat men op jonge leeftijd moet werken en/of leren voor zijn toekomst. Een aparte regeling benadrukt ook het uitgangspunt dat jongeren die van lichaam en geest gezond zijn niet in de bijstand horen. Bij de overweging speelt de vangnetfunctie van de bijstand een rol. Met de werkleerplicht tracht het kabinet te benadrukken dat het primair om activering gaat. Stigmatisering van jongeren moet worden voorkomen; als er geen werk- of leeraanbod wordt gedaan vallen deze jongeren immers niet terug in de bijstand maar kunnen zijn een beroep doen op een eigen inkomensvoorziening. Gelet op het vorenstaande, naast ook wetssystematische (een gebod jegens gemeente moet in de WWB zoveel mogelijk voorkomen worden), overweegt het kabinet voor de werkleerplicht een afzonderlijke wettelijke regeling te treffen, die voor de doelgroep in de plaats treedt van de WWB.

De leden van de fractie van SP vragen wat het kabinet verstaat onder duurzame arbeidsparticipatie, met andere woorden hoe definieert het kabinet duurzaam en hoe wordt dat gemeten. Deze leden vragen voorts wat naar mening van het kabinet het succesrecept is voor duurzame arbeidsparticipatie. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welke wijze de gemeente zal bepalen wat voor een jongere als noodzakelijk voor duurzame arbeidsinschakeling wordt geacht en welke deskundige hiervoor wordt geraadpleegd.

Het kabinet verstaat onder duurzame arbeidsparticipatie de arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd aan het werk zijn en arbeid verrichten die past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden bevordert. Hoewel de korte vakantiebanen en werkstages voor jongeren een betekenisvolle arbeidservaring leveren voor jongeren moet het streven zijn dat jongeren op arbeidsplaatsen terechtkomen waar hun talenten liggen. Om dit te kunnen bereiken is niet alleen de motivatie van jongeren van belang maar ook een goede beoordeling door de gemeente van kennis en vaardigheden van jongeren. Maatwerk kan hierbij worden beschouwd als de kritische succesfactor. Door maatwerk te bieden wordt het zelfvertrouwen en de motivatie in positieve zin geprikkeld, waardoor jongeren meer kansen ontplooien richting de arbeidsmarkt. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in dit verband onder maatwerk wordt verstaan maatwerk zoals in de WWB is bedoeld. Dit betekent dat de gemeente zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van verplichtingen maatwerk hanteert. De gemeente dient te kijken naar aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon toegesneden afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Het hanteren van maatwerk als uitgangspunt laat echter onverlet dat – eveneens aansluitend bij de WWB – algemeen geaccepteerd werk doorgaans een passend aanbod is.

De leden van de SP fractie vragen naar de reden waarom jongeren met een startkwalificatie niet duurzaam participeren op de arbeidsmarkt.

Jongeren die mét een startkwalificatie niet participeren op de arbeidsmarkt geven verschillende redenen aan: het volgen van een (deeltijd-) opleiding, zorg voor gezin of huishouden of ziekte/arbeidsongeschiktheid. Daarnaast zijn er ook jongeren die geen duidelijke reden hebben om niet te participeren1.

Uit Intraval onderzoek2 komt naar voren dat van de werkzoekende jongeren met een diploma de grootste groep jongeren, die op dat moment zonder werk zit, pech heeft. Zij komen op een slecht moment op de arbeidsmarkt. Drie jaar daarvoor hadden ze kunnen kiezen uit meerdere banen, nu moeten ze veel brieven schrijven in de hoop dat een werkgever hen een keer oproept voor een sollicitatiegesprek. Jongeren die de hele dag thuis zitten en niets om handen hebben, verliezen de kennis en de vaardigheden die ze nodig hebben om goed te functioneren op het werk. Het ontbreekt ze aan structuur en hoe langer de werkloosheid duurt, des te moeilijker het voor hen wordt om aan de slag te raken. Want als de economie aantrekt en er nieuwe banen bijkomen, moeten ze concurreren met een nieuwe groep schoolverlaters. Die zijn goedkoper en beter op de hoogte van de recente ontwikkelingen in het vakgebied.

De leden van de SP fractie vragen wat een vaste aansluiting op de arbeidsmarkt is en of het kabinet vindt dat er bij een flexcontract, waardoor jongeren noodzakelijkerwijs van werkgever naar werkgever gaan, sprake is van een vaste aansluiting. Is het redelijk om jongeren met flexcontracten waarna ze na drie contracten weer (tijdelijk) op straat staan, een werkleerplicht op te leggen op straffe van geen bijstandsuitkering, zo vragen deze leden. De leden vragen verder welk aandeel van de werkende jongeren tot 27 jaar een vast contract heeft en welk aandeel een flexcontract heeft. Hebben de meeste jongeren recht op een werkloosheidsuitkering of wordt erkend dat jongeren vaak vanwege flexcontracten, hun leeftijd en korte arbeidsverleden helemaal niet in aanmerking komen voor WW en bij tijdelijke werkloosheid altijd geconfronteerd worden met een werkleerplicht en naar het oordeel van de leden van de SP-fractie dus geen ruimte hebben om zelf op maat gesneden werk te zoeken, vragen de leden van de SP-fractie.

Bij brief d.d. 8 februari 2008 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn de vragen, die door de leden Leijten (SP) en Van Gent (Groenlinks) zijn gesteld over de positie van jong supermarktpersoneel met een flexibele arbeidsovereenkomst beantwoord, waarnaar het kabinet in dit verband graag verwijst (kenmerk: AV/IR/2008/44). Zoals in de antwoorden al is aangegeven, bestaat er ons inziens geen directe relatie tussen de werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar of een moeilijke aansluiting van jongeren op de arbeidsmarkt en de positie van jongeren met een flexibel contract. Het is eerder zo dat flexibele contracten voor jongeren als springplank fungeren bij het betreden van de arbeidsmarkt. Werkgevers hebben de mogelijkheid om flexibele arbeidsovereenkomsten te sluiten met (jonge) werknemers, ook al zijn de werkzaamheden structureel van aard. Waar een werknemer, bijvoorbeeld op grond van de ketenbepaling, meent aanspraak te hebben op een vaste arbeidsovereenkomst, is het aan de rechter om hierover een uitspraak te doen indien partijen er onderling niet uitkomen. Het aantal jongeren gesplitst naar flex- of vastcontract is niet bekend. De werkleerplicht is bedoeld voor jongeren die niet werken en niet leren maar dat graag willen. Geen enkele groep jongeren wordt hierbij bij voorbaat uitgesloten, ook niet de groep afkomstig uit de WW.

In antwoord op de vraag van de leden van de SP fractie waarom er gekozen is voor de leeftijd van 27 jaar en op de vraag van de leden van de CDA-fractie over het voornemen om het advies van de Commissie Gelijke Behandeling in te winnen en of dit al omgezet in een adviesaanvraag is, antwoordt het kabinet dat aan de Commissie Gelijke Behandeling op 22 januari jl. deze kwestie is voorgelegd. De leden van de CDA-fractie vragen voorts hoe het in te winnen advies zich tot de uitspraak op bladzijde 11 verhoudt dat het stellen van een leeftijdsgrens van 27 jaar niet strijdig zou zijn met leeftijdsdiscriminatie of het gelijkheidsbeginsel.

In de nota is door het kabinet aangegeven dat uit een eerste ambtelijke juridische verkenning naar voren komt dat deze strijd niet aanwezig wordt geacht. Op de vraag van deze leden wat de uitkomsten zijn van het advies dat is ingewonnen bij deze Commissie delen wij mede dat wij naar verwachting begin april de zienswijze van de Commissie kunnen ontvangen.

Hoe houdbaar is de werkleerplicht in een periode van laagconjunctuur waarin de jeugdwerkloosheid toe zal nemen, vragen de leden van de SP fractie.

De vraag naar de bestendigheid tijdens laagconjuctuur acht het kabinet zeer relevant. Naar de mening van het kabinet is er zeker sprake van houdbaarheid ook tijdens laagconjuctuur. De gemeenten hebben in het begin van de WWB ook goede resultaten geboekt met de jongerenaanpak. Daarnaast zullen jonge mensen met het oog op vergrijzing een schaars goed worden. Naar verwachting zal de werkleerplicht ook tegen de laagconjuctuur bestendig blijven, zij het dat enige conjuncturele invloed niet mag worden uitgesloten.

4. Doelgroep werkleerplicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering kennelijk op grond van een kritisch advies van de Raad van State afziet van een generieke werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar met een meldplicht en vragen of beargumenteerd kan worden uiteengezet waarom een dergelijke plicht nu ook kennelijk volgens de regering, in afwijking van eerdere voorstellen, disproportioneel en niet doelmatig zou zijn. De leden van de SGP-fractie merken op dat het kabinet aangeeft dat idealiter alleen jongeren die niet leren of werken onder het bereik van de werkleerplicht zouden moeten vallen, maar plaatst daarbij de kanttekening dat dit juridisch kwetsbaar is. De leden van de SGP-fractie vragen waarom het kabinet niet eerst oplossingen heeft gezocht voor de juridische haken en ogen aan een werkleerplicht.

In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie merken wij op dat een generieke plicht niet alleen de informatieplicht maar ook meldplicht inhield voor alle jongeren tot 23 jaar. Omdat het niet om een nader gespecificeerde groep jongeren ging kwam doelmatigheid en disproportionaliteit aan de orde. Concreet kwamen hier vragen aan de orde of je jongeren die van gespaard vakantiewerkgeld of op kosten van zijn of haar ouders rondreizen, kan verplichten in Nederland een baan of scholing te accepteren. Op basis van dit advies hebben wij vooralsnog niet gekozen voor een landelijke generieke werkleerplicht en een meldplicht voor jongeren. Het kabinet heeft wel de intentie met de voorgenomen werkleerplicht zoveel mogelijk jongeren te bereiken die niet leren en werken maar waarbij geen juridische belemmeringen zijn te verwachten.

Op welke wijze denkt het kabinet de jongeren te bereiken die geen onderwijs volgen, geen baan hebben en geen uitkering ontvangen en op welke wijze denkt het kabinet deze groep jongeren dan wel te laten participeren, vragen de leden van de CDA-fractie. De leden van de PvdA-fractie vragen aan het kabinet wat er met jongeren gebeurt die niet werken, niet naar school gaan en die zich niet bij de gemeente melden. Ook de leden van de ChristenUnie vragen hoe de gemeente ervoor gaat zorgen dat jongeren niet uit beeld raken wanneer ze én geen bijstand meer kunnen aanvragenén geen meldplicht krijgen. Deze leden vragen voorts of het kabinet van plan is om een meldplicht in te stellen. Deze leden stellen verder dat de werkleerplicht op basis van vrijwilligheid is. Hoe realistisch is het om te verwachten dat jongeren zich vrijwillig gaan melden, vragen deze leden. Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie of het niet te vrijblijvend is voor jongeren die op dit moment ook al niet met de bestaande re-integratiemiddelen of activeringsinstrumenten worden bereikt. De leden van de PVV-fractie vragen wat de zin van een werkleerplicht is wanneer er in de praktijk geen sprake zal zijn van een verplichting voor jongeren om zich voor deze voorziening te melden. Verder stellen de leden van de SP fractie vragen over de vrijwilligheid van de melding en of het kabinet de mening deelt dat jongeren eigenlijk geen keuze hebben. Immers, als zij zich niet vrijwillig melden hebben ze geen inkomen. Vindt het kabinet dat je dan nog kunt spreken van vrijwilligheid, vragen deze leden.

Het kabinet wil met de werkleerplicht alle jongeren die willen werken en/of leren daartoe het recht geven. Alle jongeren die ertoe bereid zijn kunnen zich tot de gemeente wenden. Hiertoe worden zij niet verplicht. De meeste jongeren willen graag leren of werken. Hoewel een plicht voor jongeren die niet leren en niet werken en geen uitkering ontvangen wenselijk zou zijn, zijn er grenzen aan overheidsdwang. Wel kunnen gemeenten deze jongeren in kaart brengen en proberen te activeren. Er zijn gemeenten die dit met succes doen en zij kunnen dit uiteraard blijven doen. Het kabinet verwacht dat de groep jongeren, die ondersteuning nodig heeft en niet zelfstandig kan participeren, zich op dat moment bij de gemeente zal melden. De jongeren die willen leren/werken of ondersteuning nodig hebben van de overheid zullen zich bij de gemeente ook blijven melden, te meer nu zij via de werkleerplichtregeling een afdwingbaar recht tegenover de gemeente zullen kunnen uitoefenen.

Leden van de CDA fractie vragen voorts of ook alleenstaande ouders onder de 27 onder de werkleerplicht komen te vallen die wel een scholingsplicht maar geen sollicitatieplicht hebben en hoe wordt voorkomen dat een 28-jarige alleenstaande moeder met kinderen tot vijf jaar in een totaal andere voorziening met andere voorwaarden valt dan een 26-jarige alleenstaande moeder met kinderen jonger dan vijf jaar.

Het kabinet streeft er naar voor wat betreft de inkomensvoorziening en het ontheffingenbeleid zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Wet werk en bijstand. Daarmee wordt naar de mening van het kabinet zoveel mogelijk voorkomen dat een alleenstaande ouder jonger dan 27 jaar met kinderen tot vijf jaar in een totaal andere voorziening met andere voorwaarden valt dan een alleenstaande ouder van 27 jaar en ouder met kinderen tot vijf jaar. Bij de nadere uitwerking van de werkleerplicht zal het kabinet deze groep, gelet op de combinatie van arbeid en zorg, met de nodige zorg tegemoet treden.

De leden van de CDA-fractie vragen of bij de verplichting een leeraanbod te aanvaarden dit betekent dat een gemeente ook verplicht kan zijn een vorm van kinderopvang aan te bieden die aansluit bij het leeraanbod.

Het kabinet acht het van belang dat de gemeente bij het leeraanbod rekening houdt met een verantwoorde invulling van de combinatie scholing en zorg. Bij de invulling van het leeraanbod kan de gemeente ondermeer de belastbaarheid van de alleenstaande ouder en de beschikbaarheid van kinderopvang in overweging nemen. In het kader van de re-integratie kan de gemeente kinderopvang als voorziening aanbieden.

De leden van de CDA-fractie vragen of introductie van de werkleerplicht ertoe kan leiden dat sommige groepen jongeren die nu een beroep doen op de bijstand en bijvoorbeeld gehandicapt zijn straks onder een andere voorziening vallen en er daarmee behoorlijk op achteruit gaan en of datzelfde geldt voor jongeren met een Wsw-indicatie. De leden vragen op welke wijze onderscheid wordt gemaakt tussen jongeren die niet «kunnen en niet hoeven», bijvoorbeeld vanwege een handicap en jongeren die wel gebruik kunnen en moeten maken van de aangeboden leer-werk-voorziening. Zij vragen of overwogen wordt hiervoor ook verschillen in financiële zin te introduceren. De leden van de PvdA fractie leggen de vraag voor of het de bedoeling is dat voor gehandicapten die niet tot werken in staat (zullen) zijn, en die niet in aanmerking komen voor de Wajong (bijvoorbeeld omdat zij op hun 18e in plaats van op hun 16e gehandicapt zijn geraakt), dezelfde regels gelden met betrekking tot inkomensvoorziening als voor overige jongeren die vallen onder de werkleerplicht, zelfs als de betrokken gehandicapten beschikken over een startkwalificatie. Zij vragen aan het kabinet om het hoe en waarom hiervan toe te lichten. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet in een overzicht kan aangeven welke groepen jongeren tot 27 jaar zullen worden uitgezonderd van de werkleerplicht. Zij vragen voorts of gehandicapte jongeren die niet in aanmerking komen voor de Wajong en derhalve een beroep hebben gedaan op de bijstand (WWB) per definitie onder de werkleerplicht vallen. De leden van de ChristenUnie vragen of er aanvullende maatregelen komen om te voorkomen dat zogenaamde niet-kunners onder de armoedegrens terecht komen. Deze leden vragen verder of jongeren die via de sociale werkvoorziening werken en/of jongeren met een indicatie voor de Wsw die op een wachtlijst staan, onder de werkleerplicht vallen.

De inzet van het kabinet is dat in principe alle jongeren tot 27 jaar die niet leren of werken, en die niet onder het bereik van andere voorliggende voorzieningen vallen, onder het bereik van de werkleerplicht vallen. De uitzonderingspositie binnen de werkleerplicht betreft een groep jongeren die niet in staat is om te leren en werken, zoals gehandicapte jongeren. Voor deze jongeren zal derhalve, los van het gemeentelijk aanbod, een inkomensvoorziening open staan.

Op dit moment werken wij de inkomensvoorziening voor jongeren nader uit. Daarbij merken wij op dat zwakke groepen zoals genoemd door de leden van de CDA- en PvdA-fracties bijzondere aandacht krijgen ook wat betreft hun financiële positie. Specifiek voor jongeren geldt dat de jongere pas voor een Wsw-indicatie in aanmerking komt als hij duurzaam niet in staat is om reguliere arbeid te verrichten, ook niet met inzet van re-integratievoorzieningen. In 2006 waren er 580 jongeren tot 27 jaar in de bijstand die geplaatst zijn op de Wsw-lijst. Met de wetswijziging van de Wsw per 1 januari 2008 is formeel geregeld dat personen die in het bezit zijn van een Wsw-indicatie worden vrijgesteld van re-integratie- en/of sollicitatieverplichtingen die voortvloeien uit een eventuele uitkering. In het kader van de werkleerplicht wordt bezien of ook deze groep jongeren onder de werking van de werkleerplicht zullen vallen. Net als bij (alleenstaande) ouders zal het kabinet deze groep met de nodige zorg tegemoet treden.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of de groepen «alleenstaand» (56% van de jonge bijstandsontvangers) en «alleenstaande ouders» (35%) overlappende groepen of elkaar uitsluitende groepen zijn, antwoorden wij dat dit elkaar uitsluitende groepen zijn. De rest bestaat uit (echt)paren en overige leefvormen.

Voorts vragen de leden van de fracties PvdA en ChristenUnie welke redenen ten grondslag liggen aan de ontheffing van de sollicitatieplicht voor de genoemde 11% van de jongeren tot 27 jaar in de bijstand. De leden van de PvdA-fractie vragen naar het percentage van de hele bijstandspopulatie dat ultimo 2005 in een re-integratietraject zat en hoe dit zich verhoudt tot het percentage jongeren tot 27 jaar in een re-integratietraject. De informatie over de redenen die ten grondslag liggen aan de ontheffing is bij het CBS niet beschikbaar. Het percentage dat van de hele bijstandspopulatie ultimo 2005 in een re-integratietraject zat, bedroeg 44%. Voor de bijstandsjongeren tot 27 jaar bedroeg dit circa 51% ultimo 2005.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders die onder de werkleerplicht gaan vallen, gelimiteerd wordt in tijd (bijvoorbeeld zes jaar). Zij denken hierbij als voorbeeld aan een vrouw die op haar 19e en op haar 23ste een kind krijgt.

Bij de ontheffing van de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar met een kind jonger dan vijf jaar die onder de werkleerplicht gaan vallen, zijn wij voornemens aansluiting te zoeken bij een andere maatregel in het coalitieakkoord. Voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar is namelijk in het coalitieakkoord afgesproken dat de arbeidsverplichting in de Wet werk en bijstand voor maximaal zes jaar wordt geschrapt in combinatie met de invoering van een scholingsplicht.

De leden van de PvdA-fractie leggen de vraag voor waarom de regering het gerechtvaardigd acht andere re-integratievoorzieningen aan te bieden aan jongeren die op hun 16e gehandicapt zijn geraakt (Wajong-re-integratie-instrumentarium), dan aan jongeren die op hun 19e gehandicapt zijn geraakt (werkleerplichtinstrumentarium). De leden van de ChristenUnie vragen welke groep jongeren wordt beoogd, wanneer wordt gesproken over jongeren die niet in aanmerking komen voor de Wajong maar wel «gehandicapt» zijn.

Voor de jongeren die arbeidsongeschikt worden voor hun 18e of tijdens hun studie, bestaat recht op een Wajong-uitkering en de daarbij horende re-integratievoorzieningen. De Wajong is een aparte voorziening voor jonggehandicapten, personen die niet in de gelegenheid zijn geweest deel te nemen aan betaalde arbeid. Om die reden zijn zij niet verzekerd voor de WIA. Uiteraard kan het voorkomen dat anderen, die niet jonggehandicapt of werknemer zijn, arbeidsongeschikt worden. Voor die personen is de bijstand een vangnet. Ook personen in de bijstand hebben recht op re-integratievoorzieningen die de gemeente verstrekt. Beide groepen, jonggehandicapte en personen die op een later moment arbeidsongeschikt worden terwijl zij geen werknemer zijn, door de overheid ondersteund bij hun re-integratie. Dit is overigens niet anders dan de huidige situatie en staat los van de werkleerplicht.

Op de vraag van de PvdA leden op welke manier gemeente en het UWV zullen samenwerken om gehandicapte jongeren (die niet in aanmerking komen voor de Wajong) een passend aanbod te doen met inachtneming van de mogelijkheden van de betrokkene, gezien de grote expertise waarover UWV beschikt, antwoordt het kabinet als volgt.

Het UWV heeft geen wettelijke taak voor gehandicapte jongeren van 18 jaar of ouder die geen recht op Wajong hebben. Het is de taak van gemeenten om deze jongeren te ondersteunen bij hun re-integratie. Zij werken daarbij samen met het CWI en in de Locaties voor Werk en Inkomen zal de locale samenwerking worden uitgebreid met het UWV. Daarnaast kunnen de gemeenten de expertise van het UWV inhuren voor bijvoorbeeld de keuring. Dit gebeurt al op experimentele basis.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de werkleerplicht past in de sluitende aanpak voor kwetsbare jongeren in samenhang met het beleid om schooluitval tegen te gaan en om jongeren op het rechte pad te houden of terug te brengen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de werkleerplicht overbodig is als de sluitende aanpak zou functioneren.

In antwoord op deze vragen merkt het kabinet op dat de werkleerplicht de sluitende aanpak versterkt. Het streven van de werkleerplicht is de huidige aanpak van jongeren door sommige gemeenten te laten codificeren in een regeling. Zo wijst de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid in zijn rapport «De verzorgingstaat overwogen» op de noodzaak van een voldoende grote arbeidsparticipatie voor uitkeringsgerechtigden. De WRR stelt in dit rapport voor om het recht op een uitkering voor werkloze jongeren te vervangen door een recht op werk of opleiding.

Daarnaast is het beleid om voortijdig schoolverlaten terug te dringen gericht op preventie: het voorkomen dat jongeren ongekwalificeerd de school verlaten. In de brief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten» van 30 november 20071 wordt aangegeven welke acties ondernomen worden om het ingezette beleid om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan nog krachtiger uit te voeren. Jongeren die toch uitvallen voordat ze een startkwalificatie hebben behaald, worden door de Leerplicht/Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van de gemeente zoveel mogelijk teruggeleid naar het onderwijs. Op basis van de kwalificatieplicht moeten jongeren tot 18 jaar een volledig onderwijsprogramma volgen dat is gericht op het halen van een startkwalificatie. Ook boven de 18 jaar wordt het belang van het halen van een startkwalificatie erkend. Als dat niet haalbaar is, worden jongeren naar de arbeidsmarkt geleid.

Er waren eind april 2007 circa 28 940 jongeren tot 27 jaar in de bijstand. Welk percentage is dit van het geheel aantal jongeren tot 27 jaar, vragen de leden van de SP-fractie.

Het aantal van 28 940 is het aantal huishoudens met bijstand. Voor een deel bestaan die huishoudens uit (echt)paren (naast alleenstaanden en alleenstaande ouders). Die moeten dus dubbel worden meegerekend en pas daarna kan gedeeld worden op het totaal aantal jongeren van 18 tot 27 jaar in Nederland (op 1 januari 2007 1 758 000). Het percentage jongeren in de bijstand is dan nog geen 2% van het totaal aantal jongeren van 18 tot 27 jaar in Nederland. Het is niet bekend hoeveel van de jongeren in de bijstand een handicap heeft. Wel is bekend dat het percentage bijstandsjongeren dat een ontheffing van de arbeidsverlichting heeft, eind 2006 11% bedraagt.

De leden van de SP fractie vragen hoe lang jongeren aangewezen zijn op een bijstandsuitkering en hoeveel jongeren langdurig aangewezen zijn op bijstand zonder dat zij alleenstaande ouder zijn, een vrijstelling of een handicap hebben. Als antwoord op de vraag is onderstaand tabel opgenomen over duur van de uitkering bij bijstandsjongeren tot 26 jaar.

Duur< 1 jaar1–2 jaar2–3 jaar3–4 jaar4–5 jaar> 5 jaar
Leeftijd aanvrager Jonger dan 21 jaar2 255855260201525
21 tot 23 jaar2 6351 3856203951705
23 tot 26 jaar4 1702 86020001 320820890
Totaal9 0605 1002 8801 7351 005920

Bron: CBS, derde kwartaal 2007.

In antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie hoeveel van de jongeren tot 27 jaar die ultimo 2005 in een re-integratietraject zaten, uitgestroomd zijn naar duurzame arbeid merken wij op dat voor deze groep geen exacte cijfers bekend zijn. Wel is een cijfer bekend voor de groep van 15–22 jaar die in de eerste helft van 2004 een reïntegratietraject is gestart. Hiervan bedroeg de duurzame uitstroom naar werk binnen 30 maanden na het traject 34%1.

Voor gehandicapte jongeren die niet onder Wajong vallen, geldt dat maatwerk cruciaal is. Geldt dit niet voor de rest van de jongeren, zo vragen de leden van de SP-fractie. Voor gehandicapte jongeren is het van belang dat het aanbod aansluit bij de mogelijkheden, aldus het kabinet. Deelt het kabinet de mening dat dit voor iedereen zou moeten gelden, ongeacht of iemand een handicap heeft en hoe er gewaarborgd wordt dat een aanbod van de gemeente aansluit bij de jongeren, vragen deze leden. De leden van de ChristenUnie vragen welke waarborgen er zijn dat de gemeenten deze plicht nakomen en een goed kwalitatief aanbod doen dat de jongeren ook daadwerkelijk verder helpt. De SP leden vragen of het kabinet de mening deelt dat gemeenten moeten wijzen op het belang van het halen van meer kwalificaties, derhalve meer dan een startkwalificatie alleen. Daarnaast vragen deze leden hoe groot het kabinet het risico acht dat gemeenten een startkwalificatie voldoende achten en jongeren alleen een werkaanbod doen, waardoor jongeren een voor de toekomst belangrijk kennisniveau missen.

Het kabinet benadrukt dat voor alle jongeren maatwerk het uitgangspunt blijft. Dit betekent dat de gemeente per situatie beoordeelt wat bij de jongere past; bij gehandicapte jongeren zijn gezondheid en belastbaarheid vooral van belang. Uiteraard zijn de wensen van jongeren daarbij ook belangrijk in die zin dat de motivatie van jongeren ook een element is om een aanbod succesvol te maken. Voor jongeren die reeds over een startkwalificatie beschikken staat het de gemeente uiteraard vrij bij het doen van dit aanbod om deze jongeren te wijzen op het belang van het halen van hogere kwalificaties. Het realiseren van betere kwalificaties is daarbij niet een doel op zich. Het is een middel dat leidt tot een betere inschakeling in het arbeidsproces. Bovendien is een prikkel voor een verbetering van de arbeidsmarktpositie van jongeren niet alleen aanwezig bij de jongere maar ook bij de gemeente zelf. De gemeente heeft er een belang bij dat de positie van jongeren verbetert; daarmee wordt immers voorkomen dat de jongere na zijn 27ste alsnog in de bijstand belandt.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet of het de mening deelt dat de overheid een taak heeft om voor Wsw-geïndiceerden een beschermde werkplek te creëren/zoeken. Wat is de reden dat Wsw’ers nu niet zouden leren of werken en in hoeverre de wachtlijsten in de Wsw hier een rol spelen, vragen deze leden.

Het realiseren van aangepaste arbeid voor de Wsw-doelgroep, alsook de voorwaarden waaronder die arbeid wordt verricht, is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Uitgangspunt hierbij is dat een Wsw-plaats wordt gerealiseerd die past bij de mogelijkheden en capaciteiten van de Wsw-geïndiceerde zelf. Om Wsw-geïndiceerden die op de wachtlijst staan in afwachting van een met Wsw-budget gefinancierde plek alvast te activeren is met de wetswijziging van de Wsw per 1 januari 2008 geregeld dat hiervoor re-integratiemiddelen van gemeenten en UWV mogen worden ingezet.

Het kabinet wil eerst in kaart brengen in hoeverre jongeren nu al geactiveerd worden en voor welke jongeren dit onvoldoende (b)lijkt te zijn. De leden van de SP-fractie willen hier de vraag aan toevoegen of de activering ook heeft geleid tot duurzame arbeidsparticipatie. Zij vragen hoe het mogelijk is dat een werkleerplicht ontwikkeld wordt, terwijl er nog geen zicht is op bijvoorbeeld de mate waarin jongeren geactiveerd worden. Mocht blijken dat jongeren voldoende geactiveerd worden, ziet het kabinet dan af van de werkleerplicht, vragen deze leden.

Het voornemen om jongeren eerst in kaart te brengen hangt samen met de vraag over het bereik van de werkleerplicht en niet zozeer met de vraag over al dan niet het invoeren van de werkleerplicht. De werkleerplicht wordt juist ingevoerd om huidige succesvolle aanpakken ten aanzien van de jongeren in regelgeving neer te leggen waardoor uitrol over het hele land wordt bereikt. Daarnaast kijkt het kabinet in het kader van campussen breder dan alleen de jongeren die nu in een bijstandsuitkering zitten. Om beter zicht te krijgen op de samenstelling en kenmerken van verschillende groepen jongeren is nader onderzoek vereist. Het kabinet zal u hierover nader informeren voor de zomer van 2008.

De leden van de SP-fractie vragen naar de keuzevrijheid van jongeren bij het aanbod van leren of werken. Meer in het algemeen, welke rechten hebben de jongeren, vragen deze leden en verder vragen zij welke rechten jongeren hebben, bijvoorbeeld omdat het aanbod kwalitatief onder de maat is. De fractieleden van de ChristenUnie vragen eveneens of er een beroepsmogelijkheid tegen het aanbod van de gemeente wordt ingeruimd wanneer blijkt dat na verloop van tijd blijkt het aanbod niet past bij de capaciteiten en/of de interesse van de desbetreffende jongere.

Zoals in het kader van de WWB zal de gemeente bij het aanbod zo dicht mogelijk aansluiten bij de mogelijkheden en de opleiding van de jongeren. De gemeente bepaalt op grond hiervan het aanbod: een werkaanbod, een leeraanbod, of een combinatie van beide. De nieuwe regeling van de werkleerplicht zal inhouden dat jongeren een tegen de gemeente afdwingbare aanspraak op een werk- of leeraanbod zullen krijgen, met als spiegelbeeld een plicht van de gemeente om terzake een aanbod te doen, afgestemd op de omstandigheden waarin de individuele jongere verkeert. In de verkenning die het kabinet op dit moment uitvoert naar het geheel aan prikkels in de systemen bij gemeenten en onderwijsinstellingen is onder andere het waarborgen van een goed aanbod onderwerp van onderzoek. Voor jongeren is bezwaar en beroep tegen een aanbod op grond van de werkleerplicht uiteraard mogelijk.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of alleenstaande ouders met kleine kinderen bijstand behouden als ze een scholingsplicht krijgen opgelegd of dat deze ouders dan studiefinanciering moeten aanvragen.

Lang niet alle alleenstaande ouders met kleine kinderen zijn in staat en bereid een langdurige voltijdse middelbare beroepsonderwijs-opleiding (mbo) te volgen. Mocht dat toch het geval zijn en een alleenstaande ouder met jonge kinderen een opleiding gaat volgen waarvoor een beroep op studiefinanciering openstaat, dan dient deze voorziening inderdaad te worden aangevraagd. De studiefinanciering geldt namelijk als een toereikende en passende voorliggende voorziening die voorgaat op zowel de Wet werk en bijstand als op de inkomensvoorziening zoals voorzien in de werkleerplicht. Overigens kunnen alleenstaande ouders in aanmerking komen voor een eenoudertoeslag op de studiefinanciering.

Voorts vragen de leden van de ChristenUnie waarom niet alle jongeren in de WWB een re-integratietraject hebben (54% zit in zo’n traject) en hoe zich dit verhoudt tot de sluitende aanpak, waartoe gemeenten verplicht zijn.

Niet alle jongeren zitten op een traject, omdat gemeenten dat voor hen in verband met een kosteneffectieve aanwending van de W-middelen niet nodig achten dan wel omdat ze reeds een traject achter de rug kunnen hebben. De sluitende aanpak geldt voor jongeren tot 23 jaar en niet tot 27 jaar, de leeftijdsgrens waar de voorgenomen werkleerplicht vanuit gaat. Dus beide groepen zijn niet vergelijkbaar. Overigens was de sluitende aanpak in 2005 voor bijstandsjongeren 59% tegen 46% in 2004 en 44% in 2003.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de kenmerken voor niet-uitkeringsgerechtigde jongeren onder de 27 jaar die begeleiding krijgen bij re-integratie.

In antwoord op deze vragen merkt het kabinet op dat deze gegevens niet bekend zijn. Wel zijn de kenmerken van 24 320 niet uitkeringsgerechtigde jongeren tussen 15 en 22 jaar die in 2005 en 2006 binnen 12 maanden na inschrijving in 2005 bij het CWI, begeleiding bij re-integratie1 ontvingen bekend en luiden als volgt: 13 540 van deze jongeren zijn man en 10 780 vrouw en 16 860 autochtoon, 2050 westers allochtoon en 5430 niet-westers allochtoon. Meer kenmerken zijn op basis van bestaande rapportages op dit moment niet beschikbaar.

De leden van de SGP-fractie waarderen het dat het kabinet inziet dat de positie van alleenstaande ouders speciale aandacht behoeft bij de vormgeving van de werkleerplicht omdat de zorgtaken voor kinderen bij hen een belangrijke plaats zullen innemen. Zij betreuren het echter dat de leeftijdsgrens voor jongere kinderen is gesteld op vijf jaar en vragen of het kabinet bereid is deze leeftijdsgrens te verhogen. De leden van de SGP-fractie vragen zich op dit punt verder af hoe het kabinet het verplicht accepteren van een leeraanbod voor alleenstaande ouders met kinderen gaat vormgeven. Zij vragen of daarbij rekening wordt gehouden met de gezinssituatie en het combineren van de zorgtaken voor kinderen. De leden van de SP-fractie zijn grote voorstander van een ontheffing van de arbeidsplicht voor alleenstaande ouders in de bijstand. Zij vinden het echter onbegrijpelijk dat er nu opnieuw een verplichting komt in de vorm van het accepteren van een leeraanbod. De leden van de SP-fractie spreken liever van een leerrecht. Zij vragen of dit leeraanbod voor alleenstaande ouders nader uitgewerkt kan worden, in hoeverre de alleenstaande ouder bij dit leeraanbod inspraak heeft, ook bij het een maximale opleidingsniveau dat wordt aangeboden. De leden van de SP-fractie vragen daarnaast op welke wijze rekening wordt gehouden met de aanwezigheid en de kosten van kinderopvang, de schooltijden en de wens om voor de eigen kinderen te zorgen.

Het kabinet merkt in antwoord op de vragen van de SGP-fractie op dat bij het vaststellen van de leeftijdsgrens van vijf jaar is aangesloten bij een andere maatregel in het coalitieakkoord. Voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar is namelijk in het coalitieakkoord afgesproken dat de arbeidsverplichting in de Wet werk en bijstand voor maximaal zes jaar wordt geschrapt in combinatie met de invoering van een scholingsplicht. Bij het vaststellen van genoemde leeftijdsgrens is aangesloten bij de leeftijdsgrens van de leerplicht. De achterliggende gedachte is dat de activering van alleenstaande ouders juist eenvoudiger wordt wanneer de kinderen de leerplichtige leeftijd van 5 jaar bereiken. Het kabinet acht een verhoging van de leeftijdsgrens niet verantwoord, omdat daarmee een te lange periode het vanzelfsprekende uitgangspunt wordt verlaten dat financiële zelfstandigheid de voorkeur heeft boven uitkeringsafhankelijkheid. Een verhoging van de bedoelde leeftijdsgrens leidt ertoe dat de aansluiting met de arbeidsmarkt verloren gaat en een te grote afstand tot arbeidsmarkt ontstaat. Gelet op de voorgaande is het kabinet niet voornemens deze leeftijd te verhogen.

Het kabinet overweegt ter uitwerking van bovengenoemd coalitieakkoordmaatregel aan de alleenstaande ouder met kinderen jonger dan vijf een recht op ontheffing van de arbeidsverplichting te verlenen. Tegenover dit recht staat een scholingsplicht. Het recht op een ontheffing van de arbeidsverplichting en de scholingsplicht zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het voldoen aan de scholingsplicht is een voorwaarde voor het verkrijgen van de ontheffing van de arbeidsverplichting.

Een startkwalificatie is een belangrijke succesfactor voor het verkrijgen c.q. behouden van een duurzame baan, voor voldoende inkomen en voor een volwaardige plek in de samenleving. Gelet op het belang van een startkwalificatie ligt het in de rede voor alleenstaande ouders die dat niveau nog niet hebben en voor wie dat haalbaar is de scholingsplicht in te vullen met een opleiding tot startkwalificatieniveau. Voor een perspectiefrijke aanpak is aansluiting bij de interesses van de ouder, erkenning van verworven competenties en persoonlijke begeleiding van belang. Een hoger niveau dan startkwalificatieniveau behoort tot de mogelijkheden. Het realiseren van betere kwalificaties is daarbij niet een doel op zich. Het is een middel dat leidt tot een betere inschakeling in het arbeidsproces.

In het licht van dit recht op ontheffing van de arbeidsverplichting acht het kabinet zorgtaken uitsluitend voor de zorg voor kinderen tot vijf jaar als zodanig geen reden de scholingsplicht niet op te leggen. Dit laat onverlet dat het kabinet van mening is dat de gemeente bij het opleggen van de scholingsplicht rekening houdt met een verantwoorde invulling van de combinatie scholing en zorg. Bij de invulling van de scholingsplicht kan de gemeente ondermeer de belastbaarheid van de alleenstaande ouder en de beschikbaarheid van kinderopvang in overweging nemen. Ook kan zij in het kader van de re-integratie kinderopvang als voorziening aanbieden. Zorgtaken voor bijvoorbeeld gehandicapte of moeilijk opvoedbare kinderen of voor mantelzorg acht het kabinet een dringende reden op grond waarvan een ontheffing van de scholingsplicht kan worden verleend.

De leden van de SGP-fractie waarderen dat ook rekening wordt gehouden met gehandicapte jongeren bij de vormgeving van de werkleerplicht. Toch hebben deze leden op dit punt nog ernstige zorgen. Want hoewel gemeenten aan de hand van de individuele situatie moeten beoordelen welk aanbod het beste past bij de jongeren – met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden – kan hierdoor heel gemakkelijk ongelijkheid ontstaan tussen verschillende gemeenten. Daarom vragen zij naar de visie van het kabinet op het invoeren van landelijke criteria, waardoor de plaatselijke uitvoering consistenter kan worden gemaakt.

Het kabinet merkt op dat bij de werkleerplicht maatwerk het cruciale uitgangspunt is. En de gemeente is bij uitstek de instantie die in staat is om deze te leveren. De gemeente heeft de vrijheid om te bepalen wat voor de betreffende jongere, afhankelijk van de persoonlijke situatie, als noodzakelijk kan worden aangemerkt voor de duurzame arbeidsinschakeling. Om die reden achten wij het niet wenselijk vanuit het Rijk voor te schrijven welk gemeentelijke aanbod in een individueel geval moet worden ingezet.

5. Vormgeving werkleerplicht

De leden van de CDA-fractie vragen naar de positie van jongeren onder de 27 met een startkwalificatie die nu tijdelijk een beroep doen op de bijstand omdat ze gedurende een korte periode zonder werk zijn. In antwoord op de vraag of de leerwerkplicht ook van toepassing is op deze jongeren antwoorden wij bevestigend. De jongeren die niet leren en/of werken, al dan niet in het bezit van een startkwalificatie, hebben recht op een werkleeraanbod. Overigens zal het niet vaak voorkomen dat jongeren die tijdelijk zonder werk zitten een beroep moeten doen op bijstand, zij zullen immers vaak een beroep op de WW kunnen doen.

De leden van de SP-fractie vragen of alle gemeenten toegerust zijn om een werkleeraanbod te doen. Deelt het kabinet de mening dat kleine gemeenten en gemeenten in regio’s met hoge werkloosheid en een laag arbeidsaanbod het een stuk lastiger krijgen dan gemeenten in de Randstad en welke oplossingen ziet het kabinet voor dit verschil, vragen zij.

Het kabinet erkent dat het voor gemeenten die vacaturetekorten hebben en veel werkloosheid kennen inderdaad lastiger zal zijn om een aanbod te kunnen doen richting jongeren. De vraag is of dit risico zich zal voordoen bij jongeren. Er is in geen enkele regio een tekort aan vacatures op dit moment. Daarnaast betekent de komst van de (meer) regionale arbeidsmarkt en de invoering van het concept van de Locatie voor Werk en Inkomen dat kleinere gemeenten qua re-integratie veel effectiever en slagvaardiger kunnen handelen. Het formuleren van oplossingen lijken dan ook vooralsnog niet nodig.

Waarom is het werkleeraanbod primair de verplichting van de gemeente en waarom geen verantwoordelijkheid van werkgevers en onderwijsinstellingen, vragen de leden van de SP-fractie. De leden van de CDA-fractie merken op dat terecht wordt ingezet op maatwerk op lokaal niveau. Dat veronderstelt dat een gemeente altijd in staat is dit maatwerk te leveren en een jongere een werkaanbod kan doen. De CDA-leden vragen naar concrete toelichting hierop.

De gemeente is bij uitstek een instantie die in staat is om een werkaanbod te leveren. De gemeente is lokaal gemakkelijk te benaderen. Daarnaast is de gemeente in staat om maatwerk te leveren. De gemeente kan bepalen welk aanbod het beste past bij jongeren en wat voor de betreffende jongere, afhankelijk van de persoonlijke situatie, als noodzakelijk kan worden aangemerkt voor de duurzame arbeidsinschakeling (maatwerk). Waar een inkomensvoorziening noodzakelijk is, keert de gemeente deze uit. De gemeente doet dit al in het kader van de WWB en zal deze expertise ook bij de werkleerplicht blijven inzetten. Het ligt voor de hand dat de gemeente bij het aanbod samen optrekt met andere spilfactoren bij de werkleerplicht zoals werkgevers en onderwijsinstellingen.

De SP-leden vragen het kabinet of jongeren die «worden betrokken in het arbeidsproces door middel van sociale activering» ook verplicht worden het aanbod van activering te aanvaarden. Deze leden vragen of dit betekent dat ook jongeren die een activeringsplicht krijgen opgelegd, maar dit weigeren, niet langer een beroep kunnen doen op bijstand.

In antwoord op de vraag van deze leden benadrukt het kabinet dat jongeren het recht hebben op het aanbod. Dit aanbod kan ook bestaan uit sociale activering. Bij acceptatie ontstaat het recht op de bijbehorende inkomensvoorziening, in geval jongeren uit het aanbod niet voldoende middelen genereren. Bij de werkleerplicht bestaat dus alleen recht op een inkomensvoorziening als de jongere het gemeentelijke aanbod accepteert.

Het eerste uitgangspunt dat wordt genoemd is dat strategisch gedrag moet worden voorkomen. Jongeren zouden hebben aangegeven niet te willen gaan studeren omdat zij er dan financieel op achteruit gaan en studiefinanciering moeten lenen. Is dit naar mening van de bewindslieden omdat deze jongeren niet willen studeren of omdat de drempel van lenen te hoog is en de hoogte van de studiefinanciering te laag om in levensonderhoud te kunnen voorzien, vragen de leden van de SP-fractie.

Het kabinet deelt de mening niet dat jongeren niet gaan studeren, omdat zij zouden moeten lenen. Van de scholieren die niet verder gaan studeren, geeft slechts 2% als belangrijkste reden aan dit niet te doen vanwege de opbouw van een studieschuld of de onzekere financiële situatie. De leenmogelijkheden in de studiefinanciering zijn een goede manier om de toegankelijkheid van het onderwijs te faciliteren en zijn een eigen investering in de opleiding. Voor de niveaus 1 en 2 van de Beroepsopleidende Leerweg (BOL-opleiding) is de studiefinanciering een gift, voor de niveaus 3 en 4 en het hoger onderwijs wordt de studiefinanciering een gift na het behalen van het diploma. Er is een grote giftcomponent in de studiefinanciering, studenten kunnen een klein deel lenen, maar dat kan ook door werken worden verkregen. Voor studenten die minder rendement uit hun studie halen zijn er soepele terugbetalingsvoorwaarden die rekening houden met hun financiële situatie. Het kabinet vindt het van belang dat studenten goed worden voorgelicht over de voorwaarden van de lening. Daarom wordt er veel aandacht aan besteed dat er voldoende informatie over de leenvoorziening bij de IB-Groep beschikbaar is.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of jongeren het recht houden om eerst een startkwalificatie te halen, alvorens aan het werk gezet te worden.

De inzet van het kabinet is om zoveel mogelijk jongeren een startkwalificatie te laten behalen. Hiertoe is de kwalificatieplicht tot 18 jaar ingevoerd. In het geval dat jongeren onder de werkleerplicht in staat zijn en bereid zijn om de startkwalificatie te halen zal dat tot de mogelijkheden behoren. De gemeente zal het aanbod in samenspraak met de jongere doen. De werkleerplicht introduceert echter geen recht op een startkwalificatie. Bij de werkleerplicht is dat geen doel op zich, maar het blijft een goed middel om jongeren uit te rusten voor de toekomst.

De leden van de ChristenUnie vragen of jongeren die nu onder de 27 jaar zijn én bijstand ontvangen verplicht worden de werkleerplicht te aanvaarden. Zo neen, blijft de WWB voor hen van toepassing?

Het kabinet heeft hiervoor aangaande het aspect vrijwilligheid aangegeven dat de jongeren niet verplicht worden om een aanbod te aanvaarden. De jongeren die nu onder de 27 jaar zijn en bijstand ontvangen rekenen wij als potentiële doelgroep van de werkleerplicht. Naar verwachting zullen zij zich wenden tot de gemeente voor een aanbod. Daarbij merken wij op dat voor bestaande gevallen het kabinet voornemens is een beperkte overgangsregeling te treffen.

5a. Werkleeraanbod

De leden van de CDA en PvdA-fractie vragen wat volgt als de gemeente gedurende kortere of langere tijd niet in staat is een dergelijk aanbod te doen en of de gemeente dan wel gehouden is om de inkomensvoorziening te verstrekken. De leden van de CDA-fractie vragen zich in het verlengde hiervan af of de jongere dan toch weer een beroep op de WWB doet. In dit verband vragen tevens de leden van de fractie van de ChristenUnie zich af hoe wordt tegengegaan dat gemeenten geen aanbod doen en jongeren met lege handen komen te staan en of er een noodvoorziening komt voor jongeren die zonder enige voorziening komen te staan.

In antwoord hierop geeft het kabinet aan dat in dat geval de gemeente gehouden is om de inkomenspositie van jongeren te bezien, en waar nodig ook de inkomensvoorziening te verstrekken. Het beroep op de WWB is dan niet aan orde.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of het kabinet denkt dat het doen van een werkaanbod afdwingbaar moet zijn als de jongere onder het regiem van de werkleerplicht valt merkt het kabinet op dat de nieuwe regeling van de werkleerplicht zal inhouden dat jongeren een tegen de gemeente afdwingbare aanspraak op een werk- of leeraanbod zullen krijgen, met als spiegelbeeld een plicht van de gemeente om terzake een aanbod te doen, afgestemd op de omstandigheden waarin de individuele jongere verkeert.

In de nota wordt toegelicht dat het werkaanbod kan bestaan uit regulier werk, met of zonder loonkostensubsidie, en waar dit niet mogelijk is: additioneel werk. Wat wordt onder «additioneel werk verstaan» vragen de leden van de CDA- en PvdA-fractie zich af en vragen naar een voorbeeld (bv of vrijwilligerswerk, stages en ander onbetaald werk hieronder vallen).

Als reactie op deze vraag wil het kabinet aangeven dat het additionele werk geen gewoon werk mag inhouden. Het kan worden beschouwd als een springplank naar het regulier werk. Met additionaliteit bedoelt het kabinet dat het een speciaal gecreëerde functie of een reeds bestaande functie betreft die een uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Activiteiten kunnen niet het karakter hebben van gewone productieve arbeid en kunnen niet alleen gericht zijn op het realiseren van het bedrijfsdoel van de werkgever. De werkzaamheden kunnen van velerlei aard zijn. Het kan gaan om activiteiten die van nut zijn voor degene voor wie de werkzaamheden worden verricht of de samenleving en/of om activiteiten die alleen nuttig zijn voor het welzijn en de ontwikkeling van betrokkene zelf.

Gesproken wordt over het veranderen van prikkels, bijvoorbeeld in de studiefinanciering. In dit verband vragen de leden van de CDA-fractie of dit ook kan betekenen dat invoering van de werkleerplicht kan leiden tot verlaging van de studiefinanciering. Gesproken wordt over het in kaart brengen van het geheel van prikkels in het huidige systeem en bezien welke maatregelen nodig zijn. Deze leden vragen wanneer de resultaten hiervan worden aangeboden aan de Kamer. De leden van de CDA-fractie merken verder op dat de werkleerplicht ook over het aanbieden van opleidingen gaat, gericht op het zo mogelijk behalen van een startkwalificatie of meer. Op welke wijze wordt het onderwijs bij de verdere uitwerking betrokken wordt door deze leden gevraagd.

Het is nadrukkelijk niet de bedoeling de studiefinanciering te verlagen. Waar het wel om gaat is te bevorderen dat deelnemers met studiefinanciering ook de daadwerkelijke intentie hebben om een (voltijdse) opleiding te volgen en die af te sluiten met een diploma. Zo wordt tevens voorkomen dat studiefinanciering een alternatief wordt voor een uitkering. Daarbij is het goed de huidige prikkels in de studiefinanciering in ogenschouw te nemen. Op dit moment wordt de studiefinanciering in de BOL niveaus 1 en 2 uitgekeerd in de vorm van een gift en bestaat er een beperkte sanctie op afwezigheid. Verkend wordt momenteel of een meer lik-op-stuk benadering, die zich richt op aanwezigheid, een betere prikkelwerking heeft. In de verkenning worden onderwijsinstellingen en de MBO-raad geraadpleegd. Deze verkenning zal worden meegenomen in het kader van wetsvoorstel voor de werkleerplicht.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel van de jongeren tot 27 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen, niet over een startkwalificatie beschikken, uitgesplitst naar alleenstaande ouders en overigen. Zij vragen tevens hoe dit ligt bij jongeren tot 21 jaar.

Deze uitsplitsing is niet voorhanden in de standaard CBS-tabellen over deze materie. Met betrekking tot jongeren tot 21 jaar zijn gegevens niet beschikbaar, wel met betrekking tot bijstandsjongeren van 15 tot en met 24 jaar (zie CBS Webmagazine 14 november 2007): daarvan beschikt 74% niet over een startkwalificatie in 2005.

Op welke feiten of omstandigheden is de vrees van het kabinet gebaseerd dat «studiefinanciering een alternatief wordt voor een uitkering» vragen de leden van de PvdA-fractie. De fractieleden van de ChristenUnie vragen welke prikkels worden ingezet om strategisch gedrag van gemeenten en jongeren tegen te gaan.

Er zijn signalen van ROC’s waarin wordt aangegeven dat jongeren, die zich tot de gemeente wenden, worden doorverwezen naar een mbo-opleiding terwijl een regulier opleidingsprogramma op dat moment voor hen geen geschikt traject is. Daarnaast komen er signalen van ROC’s dat er jongeren zijn die zich alleen inschrijven voor een mbo-opleiding omdat ze dan studiefinanciering kunnen ontvangen. Voor niveau 1 en 2 van het mbo (BOL) wordt de studiefinanciering verstrekt in de vorm van een gift en gelden beperkte aanwezigheidseisen. Op die manier kan de studiefinanciering een alternatief worden voor een uitkering. Dit vinden wij onwenselijk en onze inzet is om dit strategische gedrag te voorkomen. Bovendien kan door de invoering van de werkleerplicht voor een deel van de jongeren het wellicht aantrekkelijker worden om zich rechtstreeks bij een ROC in te schrijven alleen omdat zij dan studiefinanciering kunnen ontvangen. Het kabinet is om die reden een verkenning gestart om te bepalen welke prikkels nodig zijn om dit strategische gedrag tegen te gaan. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in het wetsvoorstel werkleerplicht.

De leden van de PvdA fractie vragen wat er concreet gaat veranderen voor de niet-uitkeringsgerechtigde jongeren die thans van de gemeente ondersteuning krijgen bij re-integratie en die straks onder de werkleerplicht gaan vallen. De vraag is verder welke extra verplichtingen en faciliteiten zij krijgen.

In de huidige situatie, zo antwoorden wij aan deze leden, is de gemeente op grond van de WWB verplicht een verordening vast te stellen met betrekking tot de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen die daarop zijn gericht. Dit betreft ook niet-uitkeringsgerechtigden. Zij hebben in huidige situatie geen individueel opeisbare aanspraken terzake van ondersteuning tegen de gemeente. Deze aanspraken ontstaan slechts, voor zover de gemeenten daarin in de genoemde verordening voorzien. De werkleerplicht zal inhouden dat jongeren – ook niet-uitkeringgerechtigden – die niet leren en/of werken een ten opzichte van de gemeente afdwingbare aanspraak op een werkleeraanbod zullen krijgen, met als spiegelbeeld een plicht van de gemeente om terzake een aanbod te doen, afgestemd op de omstandigheden waarin de individuele jongere verkeert.

Hoe vaak kan een jongere een aanspraak doen op de gemeentelijke plicht om een aanbod te doen, gezien het feit dat een aanbod van de gemeente niet per definitie een passend aanbod behoeft te zijn, zo vragen de fractieleden van de ChristenUnie.

De werkleerplicht geeft de jongeren het recht op een aanbod. De inzet is om dit recht niet te limiteren behoudens de leeftijdsgrenzen die aan dit recht gebonden zijn.

Waaruit blijkt, zo vraagt de CU-fractie, dat de noodzakelijke samenwerking tussen de gemeenten en het bedrijfsleven daadwerkelijk tot stand is gekomen c.q. tot stand zal komen?

Om daadwerkelijk een werkaanbod te doen aan aanvragers zal het nodig zijn dat gemeenten, meer dan nu het geval is, afspraken gaan maken met erkende leerbedrijven voor leerwerkbanen of met reguliere werkgevers. De tekortsectoren bieden in dit geval uitermate goede perspectieven. Wij zullen gemeenten wijzen op deze perspectieven.

De vraag hoe de gemeenten de extra begeleiding van jongeren (zoals het ontwikkelen van een aanbod) gaan bekostigen, werd door de leden van de ChristenUnie-fractie gesteld. Tevens wilden zij weten of de gemeenten hiertoe aanvullende middelen krijgen wanneer blijkt dat de kosten voor inkomensvoorzieningen en opleidingen groter zijn dan de besparingen die samenhangen met het afschaffen van de bijstand voor jongeren onder de 27 jaar.

Op dit moment wordt nog gewerkt aan een analyse van de kosten en baten voor gemeenten. De uitkomsten hiervan zullen in het budgettaire beeld van de werkleerplicht worden verwerkt.

5b. Ondersteuning

De leden van de CDA-fractie merken op dat factoren die de arbeidsinschakeling negatief beïnvloeden met behulp van zorg- en hulpverlening kunnen worden aangepakt. Gesteld wordt dat «mocht blijken dat dit tot extra kosten voor de zorg leidt dan zullen deze kosten afzonderlijk worden bezien». De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat hier exact mee wordt bedoeld en of hiervoor een pot «onvoorzien» wordt gecreëerd. Ook de leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd op welk aggregatieniveau en wanneer de eventuele extra kosten zullen worden bezien.

Vanzelfsprekend is het moeilijk om te bezien of sprake is van extra zorg- en hulpverlening, die ook tot daadwerkelijk hogere zorgkosten leidt. Op macroniveau zal hier bijvoorbeeld nauwelijks een uitspraak over te doen zijn. Daarom zullen we bij de evaluatie van de werkleerplicht hier afzonderlijk aandacht aan besteden. Op basis van de feitelijke ontwikkelingen kan op dat moment een besluit worden genomen over hoe moet worden omgegaan met eventuele extra kosten.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke mogelijkheden het kabinet ziet voor «sociale activering» van groepen van wie de «productiviteit, om diverse redenen, structureel lager ligt dan het loon».

In de beleidsnota is ingegaan op de groep jongeren met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het is belangrijk om ook deze groep te betrekken in het arbeidsproces door middel van sociale activering. Gemeenten zijn actief op het terrein van de aanpak van deze groep jongeren en dit kunnen zij blijven voortzetten. Ook bij de mogelijkheden voor de sociale activering benadrukken wij dat het uitvoeren van de werkleerplicht uiteraard dient aan te sluiten bij de huidige praktijk van gemeenten bij de begeleiding van jongeren. Hiertoe worden voor de gemeente geen nieuwe instrumenten aangereikt.

5c. Inkomensvoorziening bij werkleerplicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat binnen de werkleerplicht een aanvullende inkomensvoorziening wordt gecreëerd die toereikend en passend moet zijn en in de plaats komt van de inkomensvoorziening op grond van de WWB. Deze leden vragen preciezer toe te lichten wat wordt bedoeld.

Voorts vragen deze leden onder welke voorwaarden het kabinet het kennelijk verdedigbaar acht dat een inkomensvoorziening toereikend en passend kan zijn en lager dan de inkomensvoorziening op grond van de WWB. Of, zo vragen deze leden, wordt gedacht aan een niveau gelijk of hoger dan de WWB?

In antwoord hierop delen wij mee dat wij met de werkleerplicht het instrumentarium ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid willen versterken. Daartoe willen wij het recht op bijstand vervangen door een recht op ondersteuning bij scholing en werk. Onder omstandigheden, die in de antwoorden op andere vragen aan de orde komen, kan het zijn dat het recht op ondersteuning bij scholing en werk niet leidt tot het verkrijgen van (voldoende) inkomsten. Voor die situaties wordt binnen de leerwerkplicht een inkomensvoorziening beoogd die los staat van de Wet werk en bijstand. De verwijzing naar het criterium «toereikend en passend» uit artikel 15, eerste lid, WWB geeft aan dat die inkomensvoorziening recht moet doen aan de omstandigheden en mogelijkheden binnen de specifieke context van de werkleerplicht zodat aanvaardbaar is te achten dat de doelgroep geen beroep op de WWB kan doen voor algemene bijstand. De bedragen waar toepassing van dit criterium toe leidt, zijn afhankelijk van de waardering van vorenbedoelde omstandigheden en mogelijkheden.

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of preciezer kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met de zin dat «in het kader van de werkleerplicht workfirst voor alle gemeenten gaat gelden voor jongeren tot 27 jaar» lichten wij toe dat inmiddels door meer dan 80% van de gemeeenten gebruik wordt gemaakt van deze aanpak. Dit concept sluit aan bij de werkleerplicht in zoverre dat de werkactiviteiten de jongeren dichter bij de arbeidsmarkt brengen. Deze activiteiten kunnen worden aangeboden in het kader van een breed programma met andere elementen zoals begeleiding, scholing, maar ook het oplossen van schuldenproblematiek en andere sociale knelpunten. Cruciaal daarbij is dat dit aanbod zo in zo vroeg mogelijk stadium wordt ingezet zodat wordt voorkomen dat jongeren onnodig lang in uitkering blijft.

De leden van de PvdA-fractie vragen of vier tabellen met toelichting kunnen worden opgesteld waarin voor alle afzonderlijke leeftijden (18 t/m 26 jaar) de volgende gegevens worden vermeld (tabel 1: bruto bedragen in euro’s; tabel 2: netto bedragen in euro’s; tabel 3: percentage van het bruto minimum(jeugd)loon; tabel 4: percentage van het netto minimum(jeugd)loon): minimum(jeugd)loon per maand, hoogte studiefinanciering (met uitsplitsingen naar: uitwonend, thuiswonend, beroepsonderwijs, hoger onderwijs, exclusief en inclusief maximale aanvullende beurs, lening), de hoogte van een Wajong-uitkering, de hoogte van de inkomensvoorziening voor alleenstaande voor wie de werkleerplicht geldt, en het nu nog geldende bijstandsbedrag, de hoogte van de inkomensvoorziening voor (echt)paren voor wie de werkleerplicht geldt, en het nu nog geldende bijstandsbedrag, de hoogte van de inkomensvoorziening voor alleenstaande ouders voor wie werkleerplicht geldt, en het nu nog geldende bijstandsbedrag.

In antwoord op deze vraag zijn onderstaande tabellen opgenomen met de bijbehorende verwijzingen.

Toelichting:

• Alles afgerond op gehele getallen;

• De bedragen van WML en WWB zijn per 1 januari 2008;

• De bedragen van de Wajong-uitkering zijn gebaseerd op het gemiddelde van 2008;

• Voor de 21- en 22-jarigen is in de WWB nog een verlaging mogelijk via de gemeentelijke verordening;

• De definitieve bedragen van de inkomensvoorziening werkleerplicht (WLP) zijn nog niet bekend;

• De bijstandsgerechtigden onder de 21 jaar zijn geen loonheffing verschuldigd;

• Bij de bijstandsnormen is uitgegaan van de maximale toeslag van 20% WML.

• Bruto en netto studiefinanciering zijn gelijk, niet leeftijdsafhankelijk en niet afhankelijk van het minimumloon.

• De hoogte van de Wajong-uitkering is gekoppeld aan het minimumjeugdloon, maar Wajongers tot 23 jaar hebben eveneens recht op een tegemoetkoming en alle Wajongers hebben recht op een fiscale korting en fiscale aftrek van de buitengewone uitgaven. Dit is verwerkt in tabel 1 en 2.

• Bruto bijstandsbedragen zijn berekend door netto bedragen met opslagfactor van 1,3408 te vermenigvuldigen. In verband met netto-netto koppeling worden bruto-bedragen niet officieel berekend.

• Bedragen Wajong-er zijn voor alleenstaande; kan je niet vergelijken met WWB voor bv. echtpaar, omdat Wajonger dan TW krijgt

• Overigens is een openbaar vervoervoorziening een onderdeel van de studiefinanciering.

kst-29544-145-1.gif
Tabel 2netto-bedragen 2008, incl vt18 jaar19 jaar20 jaar21 jaar22 jaar23–26 jaar
minimum jeugdloon per maand alleenstaande6066837839051 0441 200
studiefinanciering      
beroepsonderwijs uitwonend maximaal709709709709709709
 basis236236236236236236
 aanvullend315315315315315315
 lening158158158158158158
beroepsonderwijs thuiswonend maximaal526526526526526526
 basis727272727272
 aanvullend296296296296296296
 lening158158158158158158
hoger onderwijs uitwonend maximaal763763763763763763
 basis256256256256256256
 aanvullend228228228228228228
 lening280280280280280280
hoger onderwijs thuiswonend maximaal580580580580580580
 basis929292929292
 aanvullend209209209209209209
 lening280280280280280280
Wajong-uitkering excl. TW531607683756841944
WLP alleenstaand      
bijstand alleenstaand (70%)218218218882882882
WLP echtpaar      
bijstand echtpaar4364364361 2601 2601 260
WLP alleenstaande ouder      
bijstand alleenstaande ouder4704704701 1341 1341 134

Toelichting:

• Bij de berekening van het referentieminimumloon, waar de bijstandsnormen op gebaseerd zijn, is rekening gehouden met 2x de algemene heffingskorting.

• WML betreft netto bedrag, rekening houdend met witte tabel. Uitkeringen zijn berekend volgens groene tabel.

kst-29544-145-2.gif
Tabel 4% netto WML18 jaar19 jaar20 jaar21 jaar22 jaar23–26 jaar
bruto minimum jeugdloon per maand108%111%113%115%117%120%
netto minimum jeugdloon per maand6066837839051 0441 200
studiefinanciering      
beroepsonderwijs uitwonend maximaal117%104%91%78%68%59%
 basis39%35%30%26%23%20%
 aanvullend52%46%40%35%30%26%
 lening26%23%20%17%15%13%
beroepsonderwijs thuiswonend maximaal87%77%67%58%50%44%
 basis12%11%9%8%7%6%
 aanvullend49%43%38%33%28%25%
 lening26%23%20%17%15%13%
hoger onderwijs uitwonend maximaal126%112%97%84%73%64%
 basis42%37%33%28%24%21%
 aanvullend38%33%29%25%22%19%
 lening46%41%36%31%27%23%
hoger onderwijs thuiswonend maximaal96%85%74%64%56%48%
 basis15%13%12%10%9%8%
 aanvullend34%31%27%23%20%17%
 lening46%41%36%31%27%23%
wajonguitkering excl. TW88%89%87%84%81%79%
WLP alleenstaand      
bijstand alleenstaand36%32%28%97%84%74%
WLP echtpaar      
bijstand echtpaar72%64%56%139%121%105%
WLP alleenstaande ouder      
bijstand alleenstaande ouder78%69%60%125%109%95%

Bij de analyse van de tabellen 3 en 4 dient rekening te worden gehouden met het volgende:

• Bij de berekening van het referentieminimumloon, waar de bijstandsnormen op gebaseerd zijn, is rekening gehouden met 2x de algemene heffingskorting. Bij de berekening van het netto-minimumloon is echter slechts rekening gehouden met 1x de algemene heffingskorting.

• Daarnaast is er nog onderscheid tussen witte tabel (voor werkenden) en groene (belasting)tabel (voor uitkeringen).

Bovenstaande aandachtspunten zijn erg belangrijk, met name als verklaring voor de merkwaardige percentages in de tabellen 3 en 4. In veel gevallen is de vergelijking niet mogelijk.

Of een «leerwerkaanbod» (on)voldoende middelen genereert om in het levensonderhoud te voorzien wordt afgemeten aan de hoogte van de inkomensvoorziening in het kader van de werkleerplicht. Dit in antwoord op de betreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie.

Ons antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie hoe door het kabinet wordt bepaald hoeveel middelen nodig zijn om in het levensonderhoud te voorzien en hoe studies van het Nibud over de kosten van het levensonderhoud hierbij zijn betrokken, luidt als volgt.

Het kabinet streeft naar een inkomensvoorziening die recht moet doen aan de omstandigheden en mogelijkheden binnen de specifieke context van de werkleerplicht. In de eerste plaats gaat het er hierbij om dat de prioriteit van de werkleerplicht primair gericht op het aanbod aan jongeren: werken of leren of een combinatie ervan. Dat zijn binnen de leerwerkplicht dan ook de eerst aangewezen inkomensbronnen, waarmee in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien. De inkomensvoorziening binnen de leerwerkplicht is dus niet een doel op zich, maar bedoeld voor uitzonderingssituaties. Behoudens in de situatie van niet-kunners (waarop wij hierna nader ingaan) zal het beroep op de inkomensvoorziening van (zeer) tijdelijke aard zijn. Dit is een belangrijk element bij de bepaling van de hoogte van de inkomensvoorziening van de groep jongeren die kunnen werken en/of leren. Voor deze groep is voorts van belang dat er geen «stelselconcurrentie» optreedt met de studiefinanciering én dat er een zo sterk mogelijke financiële prikkel is om aan de slag te gaan. Studies van het Nibud over de kosten van levensonderhoud kunnen bij de bepaling van de hoogte van de inkomensvoorziening worden betrokken voor zover daarin rekening is gehouden met de specifieke situatie binnen de werkleerplicht. Algemene studies naar de kosten van levensonderhoud kunnen de aansluiting missen met doel en strekking van de werkleerplicht.

Naar aanleiding van de betreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie gaan wij in dit verband in het bijzonder in op de positie van de kinderen wier ouders een beroep doen op de werkleerplicht, en van wie het onwenselijk is dat zij opgroeien in armoede. Bij kinderen is het met name van belang dat zij gelijke kansen krijgen om te participeren in de samenleving. Het kabinet zet daar verschillende instrumenten voor in. Onder meer krijgen gemeenten ruime bevoegdheden om gezinnen met kinderen te ondersteunen met in natura voorzieningen. Ook zijn er extra middelen beschikbaar om arme kinderen te laten participeren. Daarnaast is van belang een verantwoorde combinatie van arbeid, zorg en scholing. Deze doelstellingen willen wij ook hanteren bij de inkomensvoorziening in de werkleerplicht. Zoals wij ook de verantwoordelijkheid van de ouder(s) willen stimuleren om in hun onderhoud en dat van hun kinderen te voorzien, mede gelet op de voorbeeldrol van ouders.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie in hoeverre de woonsituatie wordt betrokken bij de norm voor de inkomensvoorziening delen wij mee dat het in de rede ligt om, zoals ook bij de bijstand en de studiefinanciering gebeurt, onderscheid te maken tussen uit- en thuiswonende jongeren.

De vraag van de leden van de PvdA-, en SP-fractie bij welke inkomenshoogte volgens het kabinet kan worden gesproken van «armoede» onder jongeren tot 27 jaar en hoe dit zich verhoudt tot de armoedegrenzen zoals die worden gehanteerd door het SCP («lage-inkomensgrens», «budgetgerelateerde grens, niet-veel-maar-toereikendvariant» en «budgetgerelateerde grens, basisbehoeftenvariant»), is niet in algemene zin te beantwoorden. Armoede is niet alleen een financiële kwestie. Het heeft vooral te maken met een gebrek aan toekomstperspectief en kansen om mee te doen in de samenleving.

Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, waarvan wij de woon- en gezinssituatie en groeimogelijkheden in het inkomen bij de inkomensvoorziening betrekken. De definitievraag is in die zin van secundair belang bij de doelstelling van de werkleerplicht dat wij beogen armoede in de breedste zin te voorkomen door uitkeringsafhankelijkheid tegen te gaan en perspectief te bieden op de arbeidsmarkt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af hoe het mogelijk is dat de normen voor de inkomensvoorziening «nader bepaald worden», terwijl in de budgettaire berekeningen al met deze normen rekening is gehouden.

In het Coalitieakkoord is op basis van enkele voorlopige veronderstellingen een bedrag gereserveerd voor extra kosten voor leren en voor een inkomensvoorziening, waarbij deze laatste in de pas liep met de studiefinanciering. De definitieve vaststelling van de normen vindt pas plaats bij nadere uitwerking.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat voor ontvangers van studiefinanciering geldt (in vergelijking met de Wet werk en bijstand) een royale vrijstelling voor bijverdiensten (bijbaantjes et cetera). Zij vragen toe te lichten welke vrijstelling voor inkomsten uit werk zij passend acht voor jongeren die vallen onder de werkleerplicht.

Bij de vrijstelling voor inkomsten voor jongeren die vallen onder de werkleerplicht is voor ons, zoals vaker aangegeven, de specifieke situatie binnen de werkleerplicht van belang. Waar het de inkomensvoorziening betreft onderscheidt de werkleerplicht zich op belangrijke punten van de studiefinanciering. De inkomensvoorziening is een uitzondering op de hoofdregel van werken en/of leren waarop, anders dan bij de studiefinanciering, veelal slechts een kortdurend beroep zal worden gedaan. Voorts hoeft voor de voorziening niet geleend te worden, wordt geen ouderlijke bijdrage gevraagd en moet er een zo groot mogelijke financiële prikkel zijn om uitkeringsafhankelijkheid tegen te gaan en zelf aan de slag te gaan. Gezien de aard en de doelstelling van de werkleerplicht, alsmede de onderlinge verschillen tussen de werkleerplicht en de studiefinanciering, is er voor ons geen aanleiding voor een inkomensvrijstelling.

Welke regels wil het kabinet van toepassing laten zijn voor jongeren tot 27 jaar met betrekking tot partnertoets, vermogenstoets, inkomenstoets en bijzondere bijstand, vragen de leden van de PvdA-fractie.

Voor genoemde toetsen willen wij aansluiting zoeken bij de WWB, met dien verstande dat bij de inkomenstoets geen vrijstelling geldt. Bij de bijzondere bijstand mag geen onderscheid worden gemaakt naar de aard van het inkomen. Dat impliceert de werkleerplicht geen wijziging met zich meebrengt voor het recht op bijzondere bijstand voor jongeren tot 27 jaar.

In antwoord op de vraag van de leden van de fracties van CDA, PvdA, ChristenUnie en SP naar de hoogte van de (aanvullende) inkomensvoorziening bij de werkleerplicht, delen wij mee dat wij in dit stadium geen concrete bedragen voor ogen hebben. Door het overleg over de beleidsnota met uw Kamer en de consultatieronden willen wij zicht krijgen op de elementen die bij de bepaling van de hoogte van de inkomensvoorziening moeten worden betrokken. De door de fracties gestelde vragen en de daarop door ons gegeven antwoorden zijn daarbij van grote betekenis, maar leiden wat ons betreft nu nog niet tot concrete bedragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de verslechtering wordt ondervangen van de inkomenspositie van jongeren, die reeds financiële verplichtingen zijn aangegaan (zoals het huren van een woning) en door het wegvallen van hun bijstandsuitkering hierdoor in financiële problemen kunnen komen, aangezien het bedrag van de studiefinanciering (en de aanvullende inkomensvoorziening) doorgaans lager is dan de bijstandsuitkering.

Zoals eerder in de beantwoording is aangegeven, zijn met betrekking tot de hoogte van de inkomensvoorziening op dit moment geen concrete bedragen te noemen. Bij gevolg zijn er op dit moment geen concrete uitspraken te doen over inkomensverslechtering. In algemene zin merken wij op dat inkomensterugval inherent is aan sociale voorzieningen bij werkloosheid en dat de impact daarvan in belangrijke mate wordt bepaald door de individuele omstandigheden van de betrokkene.

Is de hoogte van de studiefinanciering van jongeren die een werk-leertraject doorlopen evenals bij reguliere studenten gekoppeld aan het al dan niet uitwonend zijn en het inkomen van de ouders/verzorgers, en zo neen, welke verdeelsleutel zal dan worden toegepast is de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie.

In antwoord op deze vraag geven wij aan dat de studiefinanciering alleen aan de orde is bij studenten die een voltijd BOL-opleiding in het mbo volgen of een opleiding in het hoger onderwijs. Jongeren die een werk-leertraject (BBL) in het mbo volgen kunnen geen aanspraak maken op studiefinanciering. Hierin wordt geen wijziging aangebracht.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat het oordeel is van de Raad van State over het gegeven dat er een – lager – sociaal minimum voor een bepaalde leeftijdscategorie komt. Op dit moment is bedoeld oordeel ons niet bekend, omdat de Raad van State nog niet om advies ter zake is gevraagd.

De leden van de fracties van SP en ChristenUnie vragen in welke gevallen een recht op inkomensvoorziening zal ontstaan los van de aanvaarding van werkleeraanbod en om hier een aantal voorbeelden van te geven. Als de jongere een werkleeraanbod aanvaardt, ontstaat er recht op inkomensvoorziening. Bij weigering bestaat er geen recht op inkomensvoorziening. Los van het aanbod ontstaat er wel een recht op de inkomensvoorziening in de volgende gevallen:

• Jongeren die wegens een ziekte of (volledige) handicap niet in staat zijn om te leren of werken. Het gaat om de groep die niet aan de criteria voor Wajong voldoet en op dit moment aangewezen is op de bijstand.

• Het werkleeraanbod genereert onvoldoende middelen om in het levensonderhoud te voorzien. De gemeente vult dan het inkomen van jongeren aan tot maximaal de bijbehorende norm van de inkomensvoorziening. Hierbij kan men denken aan jongeren die stage lopen waardoor ze tijdelijk niet in staat zijn om (voldoende) inkomen te genereren.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de bewindslieden vinden dat de hoogte van de studiefinanciering een sociaal minimum is, terwijl de minister van Onderwijs toegeeft dat de studiefinanciering te laag is en studenten een lening aanbiedt. De leden vragen of het kabinet op de hoogte is van het feit dat studenten fors moeten bijlenen of bijwerken om rond te kunnen komen tijdens de studiefinanciering.

De studiefinanciering kent een normbudget dat bestaat uit een deel voor de kosten voor levensonderhoud, een deel studiekosten en een deel onderwijsbijdrage. De totaal beschikbare studiefinanciering (basisbeurs, aanvullende beurs, OV-Studentenkaart en leenmogelijkheden) is gelijk aan dit normbudget. Het normbudget voor levensonderhoud is een lumpsumbedrag waarvan een student met gemiddeld bestedingspatroon kan rondkomen.

In 2002 heeft de toenmalige minister van OCW geconcludeerd dat de ontwikkeling van de (normbedragen) studiefinanciering de jaren ervoor voldoende is geweest (zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 28 januari 2002 ter aanbieding van het onderzoek «inkomenspositie van studenten» OCW-2-115, NDS6253). Sinds 2002 zijn de normbedragen jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de inflatie. Daarmee is het normbudget op voldoende niveau en deelt het kabinet niet de mening dat de studiefinanciering veel te laag is om te voorzien in de kosten.

De leden van de SP-fractie vragen of de jongeren in de werkleerplicht ook moeten gaan lenen (bijvoorbeeld in kader van studiefinanciering) om rond te komen en hoe verhoudt dit zich met de campagne om lenen onder jongeren te ontmoedigen. Als een jongere een opleiding gaat volgen waarbij recht bestaat op studiefinanciering, is het voor dat recht niet van belang of de jongere al dan niet via de werkleerplicht aan die opleiding is gaan deelnemen. De werkleerplicht brengt geen wijziging in de condities waaronder al dan niet geleend kan worden in het kader van de studiefinanciering. Deze vorm van lenen valt niet onder de vormen waar de campagne om lenen onder jongeren te ontmoedigen op is gericht.

Bij de inkomensvoorziening in het kader van de werkleerplicht ligt lenen niet voor de hand. Enerzijds omdat het beroep op die voorziening door kunners in de regel van korte duur zal zijn waardoor een lening een onevenredige administratieve belasting voor de gemeente betekent. Anderzijds doordat niet-kunners voor langere tijd op een inkomensvoorziening vanuit de overheid zijn aangewezen zonder vooruitzicht op inkomensverbetering die adequaat is om een lening af te lossen.

Wat verstaat men onder «het redelijk in de pas lopen met wat jongeren ontvangen op basis van de wet studiefinanciering».

Met het redelijk in de pas lopen wordt bedoeld dat de trend in de ontwikkeling van de inkomensvoorziening voor jongeren overeen kan komen met de trend in de levensonderhoudsnorm van de Wet studiefinanciering 2000.

Is het feit dat internationale verdragen niet aangeven hoe hoog het sociaal minimum moet zijn op zich reden om het sociaal minimum van jongeren te verlagen, zo stellen de leden van de SP-fractie. Deze leden vragen naar de visie van het kabinet op de hoogte van het sociaal minimum voor jongeren en verder vragen zij welke argumenten heeft het kabinet dat het sociaal minimum voor een jongere lager kan zijn dan voor een oudere.

Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Het gegeven, dat internationale verdragen niet aangeven hoe hoog het sociaal minimum moet zijn, betekent slechts dat het staten vrij staat de hoogte van dit sociaal minimum op basis van eigen inzichten zelf te bepalen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen op welk sociaal vangnet jongeren kunnen terugvallen die hun (reguliere) opleiding zojuist hebben afgerond, maar (nog) geen werk hebben gevonden dan wel na het succesvol afronden van het werk-leertraject over startkwalificaties beschikken, maar niettemin (tijdelijk) werkloos zijn. Primair geldt in deze situaties het uitgangspunt dat de jongere zelf tijdig actie onderneemt om vóór het afronden van de opleiding c.q. het werk-leertraject actie onderneemt om regulier werk te verkrijgen. Mocht dit onverhoopt niet lukken dan kan een werkaanbod worden gedaan in het kader van de werkleerplicht en kan langs die weg in het levensonderhoud worden voorzien.

Hoe zal worden bepaald of mensen een niet-kunner zijn, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. De beoordeling van de capaciteiten en beperkingen in een individueel geval is aan de gemeenten met al dan niet inschakeling van een externe onafhankelijke deskundige.

5d. Financieringssystematiek

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet een cijfermatig overzicht kan geven van de besparingen op het I-deel die bereikt kunnen worden als gevolg van invoering van de werkleerplicht voor zover deze voortkomen uit een vermindering van het aantal jongeren dat een beroep doet op de gemeente, en voor zover zij voortkomen uit verlaging van de inkomensvoorziening in vergelijking met de huidige bijstandsnormen (voor de jongeren die nog wel een beroep blijft doen op de gemeente).

De bruto besparing op het I-deel bedraagt 365 miljoen; hierbij is uitgegaan van ruim 28 940 bijstandsgerechtigden, met een gemiddelde (bruto) jaaruitkering van 12 600 euro. De kosten voor de nieuwe inkomensvoorziening zijn afhankelijk van de definitieve vormgeving van deze voorziening. Voor de kosten hiervan en de eventuele extra kosten voor onderwijs is een bedrag van € 184 mln. gereserveerd.

6. Positionering werkleerplicht ten opzichte van de Wet werk en bijstand

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet de bezwaar- en beroepmogelijkheden kan beschrijven voor jongeren die het werkof leeraanbod dat de gemeente hun heeft gedaan, niet passend vinden. Deze leden vragen ook of het kabinet kan toelichten in hoeverre het wenselijk is een onafhankelijke beroepsinstantie in te stellen.

De mogelijkheden voor bezwaar en beroep tegen gemeentelijke beslissingen blijft bestaan conform de huidige situatie: de jongere kan de bestaande rechterlijke gang bewandelen tegen de beschikking van de gemeente waarin het aanbod aan jongere wordt gedaan. In antwoord op vraag over het instellen van een onafhankelijke beroepsinstantie merkt het kabinet op dat die instantie niet nodig is omdat een dergelijke instantie al bestaat, te weten de administratieve rechter.

De leden van de SP-fractie vragen welke kwantitatieve gegevens er zijn over de relatie tussen WorkFirst en duurzame arbeidparticipatie.

Uit de benchmark WorkFirst Werkt in opdracht van Divosa1 (maart 2007) komt naar voren dat de uitstroom naar werk van de onderzochte WorkFirst-projecten gemiddeld 45% bedraagt. Maar er zijn verschillen: zo blijken projecten met nieuwe instroom als doelgroep betere resultaten te geven (51%) dan de andere projecten (39%).Op de duurzaamheid van de uitstroom gaat de benchmark niet in.

7. Financiële paragraaf

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet kan toelichten hoe het bedrag van 184 miljoen euro voor onderwijs- en inkomensvoorzieningen is opgebouwd en om hoeveel jongeren het gaat, hoeveel inkomen zij krijgen en hoeveel extra onderwijskosten gemiddeld zullen worden gemaakt. CDA-fractie stelt dat de werkleerplicht een extra beroep op het regulier onderwijs betekenen. De leden vragen of het kabinet enig zicht heeft op de mogelijke omvang daarvan en de consequenties voor het MBO in financiële zin.

In het kader van het Coalitieakkoord zijn destijds ramingen gemaakt voor de werkleerplicht, waarbij voor de onderwijs- en inkomensvoorzieningen een bedrag werd geraamd van circa 245 miljoen euro. Omdat het aantal jongeren in de WWB fors is gedaald, is zowel de geraamde besparing in het I-deel als de reservering voor onderwijs- en inkomensvoorziening naar beneden bijgesteld. Voor de reservering is thans nog 184 miljoen beschikbaar. Deze is derhalve nu nog gebaseerd op de veronderstellingen uit het Coalitieakkoord. Bij de uitwerking van de werkleerplicht is een aantal veronderstellingen inmiddels aangepast en wordt een aantal andere elementen (zoals de normensystematiek) nog uitgewerkt. Zodra een en ander is uitgewerkt, zullen wij de financiële onderbouwing nader toelichten.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de bezuinigingsdoelstelling van de werkleerplicht zich verhoudt tot het investeren in de toekomst van deze groep jongeren. Zij vragen verder of dit geld ten goede komt aan het verbeteren en meer toegankelijk maken van het onderwijs.

De middelen die ten goede komen aan de onderwijsbegroting hebben ten doel de extra instroom in het mbo die als gevolg van de invoering van de werkleerplicht kan optreden op te vangen.

8. Consultatie

Hoe kan het dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), gegeven het bestuursakkoord, tot de conclusie komt dat de eerste contouren van de werkleerplicht de meerwaarde van dit instrument niet laten zien, vragen de leden van de CDA-fractie. De leden van de SP-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet denkt over dit standpunt van de VNG.

In antwoord op deze vraag geven wij aan dat de volgende uitgangspunten van de werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar opgenomen zijn in het genoemde bestuursakkoord:

– het creëren van een voorziening, waarmee gemeenten zorgen dat jongeren niet in de bijstand komen;

– de gemeenten worden verplicht een leer/werk-aanbod te doen, voor jongeren die

– een beroep op de gemeente doen; en

– er wordt aansluiting gezocht bij de financieringssystematiek van de WWB.

De VNG blijft nauw betrokken bij de uitwerking van de werkleerplicht en de bijbehorende ramingen en zal in dat proces met een uitgebreidere reactie komen.

Gesteld wordt dat er nog meer consultatieronden plaats vinden: is hier al meer over te melden, vragen de leden van de CDA-fractie zich af. Worden ook jongeren en hun organisaties geconsulteerd en wat leveren deze consultaties op vragen zij in dit verband. Het kabinet is voornemens om met bepalende actoren in het kader van de werkleerplicht in gesprek te gaan: gemeenten maar ook onderwijsinstellingen en belangenorganisaties.

Zoals hierboven aangehaald zal de VNG bij het uitwerkingsproces betrokken blijven. Daarnaast zijn in het kader van de verkenning over de werking van de prikkels in het huidige systeem zijn gemeenten tijdens de SZW gemeentedagen geconsulteerd over de uitgangspunten van de werkleerplicht. Ook jongeren en hun organisaties maken een deel uit de consultatieronde: zo zal de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) worden geraadpleegd. Daarnaast zal de MBO-raad en de vereniging van de leerplichtambtenaren worden betrokken bij uitwerking van de werkleerplicht. De beleidsnota is eveneens besproken in de Stichting van de Arbeid. Daarnaast is overleg gevoerd met de FNV Jongeren naar aanleiding van een door FNV en FNV Jong opgestelde brief aan uw Kamer. Tijdens dit gesprek zijn de voornemens van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de werkleerplicht nader toegelicht. De FNV Jong blijft betrokken bij de verdere uitwerking. CNV en CNV jongeren hebben eveneens gereageerd op de beleidsnota. In de brief gericht aan uw Kamer ondersteunen zij de voorgenomen werkleerplicht als een eerste stap in de richting van de uitwerking van de Lissabon-doelstellingen en de afspraken uit de participatietop over dit onderwerp. Hoewel CNV en CNV Jongeren een aantal kritische kantekeningen bij de werkleerplicht plaatst – waarop in dit verslag is ingegaan – is het CNV het eens met het principe van een werkleerplicht als dit betekent de verplichting van de gemeente om elke jongeren onder de 27 een passend aanbod van leren of werken te bieden.

De geluiden van de gemeenten naar aanleiding van de gemeentedagen zijn gemengd: het merendeel van de gemeenten gaf aan dat de voorgenomen aanpak nu al gangbaar is. In het algemeen gaven gemeenten aan behoefte te hebben aan een verplichtend instrument ten behoeve van de jongeren die niet in beeld zijn, de zogenaamde thuisblijvers. Overigens gaat een deel van de gemeenten ook zonder dat zij een juridisch dwangmiddel hebben succesvol aan de slag met deze groep. Zo brengen sommige gemeenten deze jongeren in kaart, waarna ze hen een aantrekkelijk aanbod doen (verleiding in plaats van dwang). Een ander signaal dat duidelijk naar voren kwam uit gemeenteland (maar ook vanuit het CWI en onderwijsinstellingen) is het belang van zo vroeg mogelijke signalering van de problemen bij schoolgaande jongeren en het belang van een sluitend systeem van onderwijs.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), De Wit (SP), voorzitter, Van Gent (GL), Hamer (PvdA), Blok (VVD), Nicolaï (VVD), Van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), ondervoorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den Heuvel (CDA), van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Karabulut (SP) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gerkens (SP), Vendrik (GL), Heerts (PvdA), De Krom (VVD), Weekers (VVD), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Sterk (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), Lempens (SP), Cramer (CU), Biskop (CDA), Kamp (VVD), Joldersma (CDA), Fritsma (PVV), Tang (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gesthuizen (SP) en Heijnen (PvdA).

XNoot
1

Kamerstukken II, 26 695, nr. 41.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2006–2007, 29 544, nr. 81.

XNoot
2

Intraval, kwalitatief onderzoek Niet-participerende jongeren, 2007.

XNoot
1

Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 26 695, nr. 2.

XNoot
1

CBS, Tweede vervolgmeting uitstroom naar werk, 2007.

XNoot
1

Dit is inclusief actieve verwijzingen naar vacatures door de CWI.

XNoot
1

P. 45.

Naar boven