nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 oktober 2005
Op 13 december 2004 heb ik met de algemene commissie voor Integratiebeleid
gesproken1 over mijn brief van 7 december
2004 inzake «de Herziening van het inburgeringsstelsel»2. In dat overleg heb ik met betrekking tot het opleggen
van een bestuurlijke boete in het nieuwe inburgeringsstelsel twee toezeggingen
gedaan. Het betreft de toezegging om te reageren op de suggestie om in het
nieuwe stelsel bij niet-nakomen van inburgeringsverplichtingen in plaats van
een bestuurlijke boete een dwangsom op te leggen. Voorts betreft het de toezegging
in te gaan op de juridische mogelijkheid van het opleggen van een bestuurlijke
boete in het geval van een resultaatverplichting en hierbij de uitspraak van
de voorzitter van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) over «bestuursrechtelijke
dwaling» te betrekken.
Bestuurlijke boete en dwangsom.
Zowel een boete als een dwangsom zijn bestuursrechtelijke sancties. Beide
sancties kunnen worden opgelegd, nadat personen een wettelijke verplichting
niet zijn nagekomen. Het doel van het opleggen van beide sancties is echter
verschillend.
Het doel van een dwangsom is een overtreding ongedaan te doen maken of
een verdere overtreding dan wel een herhaling hiervan te voorkomen. Bij het
opleggen van een dwangsom gaat het om een reparatoire of preventieve sanctie.
Dat betekent dat in beginsel niet of nauwelijks rekening behoeft te worden
gehouden met de persoon van de overtreder of met de vraag of de overtreder
schuld treft. De dwangsomoplegging mag er slechts op gericht zijn de burger
te laten doen wat hij volgens de wet toch al moet of moest doen. Verbeurte
van dwangsom geschiedt van rechtswege.
De bestuurlijke boete is een punitieve sanctie, waaraan het karakter van «vergelding»
toekomt. Het is een op de persoon gericht middel om de norm te bevestigen.
Het belangrijkste verschil met de dwangsom is dat voor het opleggen van een
bestuurlijke boete er sprake moet zijn van verwijtbaarheid, met
andere woorden de overtreder moet schuld treffen. Dit element acht ik van
doorslaggevende aard om bij het niet nakomen van een inburgeringsverplichting
een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke boete wordt door het
college alleen opgelegd indien er sprake is van verwijtbaar niet nakomen van
de inburgeringsverplichting.
Het college behoeft de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar zal steeds
aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moeten besluiten
of de verwijtbaarheid ontbreekt. Indien daarvan sprake is wordt geen bestuurlijke
boete opgelegd. Door de keuze voor de bestuurlijke boete als sanctie-instrument
in het inburgeringsstelsel wordt gewaarborgd dat geen sanctie wordt opgelegd
in gevallen waarin dat niet gepast is.
Juridische mogelijkheid van het opleggen van een bestuurlijke
boete in het geval van een resultaatsverplichting en de uitspraak van de ACVZ
over «bestuursrechtelijke dwaling»
De voorzitter van de ACVZ heeft mij meegedeeld, dat hij met zijn uitspraak
over «bestuursrechtelijke dwaling« duidelijk heeft proberen te
maken dat volgens de ACVZ het opleggen van een boete zonder dat sprake is
van verwijtbaarheid niet succesvol zal kunnen geschieden. Voorts dat in geval
van wel examen afleggen maar niet slagen het aantonen van verwijtbaarheid
meestal uiterst moeilijk zal zijn. Ook bij niet verschijnen zal rekening moeten
worden gehouden met de mogelijkheid van een aanvaardbare reden daarvoor.
Voorop zij gesteld dat de handhaving van de naleving van de inburgeringsplicht
los staat van de eigen verantwoordelijkheid die inburgeringsplichtigen hebben
ten aanzien van het behalen van het inburgeringsexamen. Deze eigen verantwoordelijkheid
betekent echter niet dat de naleving van de inburgeringsplicht niet getoetst
zal worden. Het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308,
nrs. 1–3) regelt verschillende sanctiemogelijkheden. De voornaamste
sanctie is, dat de gemeente een bestuurlijke boete oplegt indien niet binnen
de voorgeschreven termijn aan de inburgeringsplicht is voldaan. Deze boete
wordt herhaald – elke twee jaar – net zolang tot de inburgeringsplichtige
het examen heeft behaald. Het betreft hier het opleggen van een bestuurlijke
boete bij het niet-nakomen van een resultaatsverplichting. Een bestuurlijke
boete wordt echter alleen opgelegd, zowel bij een inspanningsverplichting
als bij een resultaatsverplichting, voor zover niet-nakoming ervan aan de
inburgeringsplichtige kan worden verweten. Dit geldt uiteraard ook voor het
opleggen van een bestuurlijke boete in het geval het inburgeringsexamen niet
is behaald. Op grond daarvan is in genoemd wetsvoorstel ook de mogelijkheid
van termijnverlenging opgenomen. Dit houdt in dat in het geval het niet behalen
van het inburgeringsexamen niet aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten,
het college de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald,
verlengt. Het opleggen van een boete blijft in dat geval vanzelfsprekend achterwege.
Indien het inburgeringsexamen vervolgens niet binnen de verlengde termijn
is behaald, wordt alsnog een bestuurlijke boete opgelegd, tenzij ook deze
keer de inburgeringsplichtige geen verwijt treft. In dat geval wordt de termijn
nogmaals verlengd.
Zoals al gesteld wordt een bestuurlijke boete opgelegd indien het college
geconstateerd heeft dat de inburgeringsplichtige het examen niet heeft behaald,
tenzij de inburgeringsplichtige geen verwijt treft. In het algemeen handelt
een inburgeringsplichtige niet verwijtbaar als hij bijvoorbeeld:
• tijdig en voldoende heeft meegewerkt aan de intake;
• tijdig een cursus heeft ingekocht die opleidt naar het vereiste
niveau voor het inburgeringsexamen, tenzij er sprake was van goede
redenen waardoor het tijdig inkopen van de cursus niet mogelijk of nodig was;
• een cursus heeft gevolgd en afgerond, tenzij er sprake was van
goede redenen waardoor het volgen en afronden van de cursus niet mogelijk
of nodig was;
• minstens één keer het examen heeft afgelegd, tenzij
er sprake was van goede redenen waardoor dit niet mogelijk was.
Het college bepaalt in het individuele geval of die uitzonderingssituatie
zich voordoet.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat het juridisch wel degelijk
mogelijk is om een bestuurlijke boete op te leggen in geval van niet-nakoming
van een resultaatsverplichting en dat geen sprake is van een «bestuursrechtelijke
dwaling».
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M. C. F. Verdonk