29 540
Jaarverslagen over het jaar 2003

nr. 83
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2004

De vaste commissie van Justitie1 heeft de volgende vragen over het Jaarverslag 2003 van het ministerie van Justitie (29 540, nr. 12). De regering heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2004. De vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier voor deze lijst,

Van Bemmel

1

In hoeverre heeft de lagere instroom van vreemdelingen geleid tot een kwaliteitsslag bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en de Immigratie- Naturalisatiedienst (IND)?

De werkwijze van de IND en de daarbij gehanteerde kwaliteitseisen zijn niet afhankelijk gesteld van de omvang van de instroom.

Wat betreft de relatie van de lagere instroom en de kwaliteit inzake opvanglocaties zal uw Kamer, naar aanleiding van een eerdere toezegging van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tijdens het Algemeen Overleg veiligheid van vrouwen en meisjes in de opvang/ AMA's d.d. 16 maart 2004, op korte termijn een separaat antwoord ontvangen.

2

In hoeverre is de doelstelling om een buffercapaciteit van 5000 opvangplaatsen die binnen zeer korte termijn in gebruik kunnen worden genomen bij een plotselinge toename van bezetting gerealiseerd?

In 2003 was sprake van een sterk dalende vraag naar opvangcapaciteit. Deze daling lijkt zich gedurende 2004 door te zetten. Dientengevolge is momenteel sprake van overcapaciteit, waardoor tijdelijk geen behoefte bestaat aan formele buffercapaciteit.

3

Wanneer wordt het wetsvoorstel dat gebruik van AIVD-materiaal in het strafproces onder voorwaarden toestaat bij de Tweede Kamer ingediend?

Het wetsvoorstel is thans voor advies toegezonden aan de Raad van State. Gestreefd wordt naar indiening bij de Tweede Kamer in het najaar van 2004.

4

Hoeveel extra cellen zijn er gerealiseerd met de € 85,3 miljoen extra?

Het exogeen toegevoegde bedrag van € 85,3 miljoen is bestemd voor de opheffing van tekortkomingen in onderhoud, renovatie en vernieuwing van particuliere jeugdinrichtingen en voor de vervanging van gebruikersinstallaties.

Met het oog op de uitvoering van de nota Modernisering Sanctietoepassing (MST) is een deel van dit bedrag (meerjarig aflopend) ingezet ter medefinanciering van te realiseren capaciteit. Voor 2003 gaat het om een bijdrage van € 15 miljoen. Met het totaal aan MST-maatregelen zijn in 2003 2 675 extra plaatsen gerealiseerd.

5

Wat wordt bedoeld met antwoorden op informatievragen? Gaat het om vragen van burgers, bedrijven en instellingen of informatievragen van de Staten-Generaal?

Het betreft antwoorden van onderzoekers (WODC) op informatievragen van ambtenaren van de departementen van Justitie en BZK en medewerkers van uitvoeringsorganisaties zoals IND, DJI, politie enz.

6

Wat zijn de prestatie-indicatoren, streef- en realisatiewaarden bij de beleidsdoelstelling 2.1 «Het in stand houden van een goed functionerend rechtssysteem»?

Jaarlijks stellen de minister van Justitie en de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een wetgevingsprogramma vast dat geldt als prestatie-indicator voor «het in stand houden van een goed functionerend rechtssysteem». Streef- en realisatiewaarden zijn de beoogde data met betrekking tot de beoogde indiening van voorstellen en de inwerkingtreding ervan.

7

Is het wetsvoorstel extern klachtrecht rechterlijke organisatie inmiddels aan de Raad van State voor advies aangeboden?

Het wetsvoorstel met betrekking tot het extern klachtrecht rechterlijke organisatie is nog niet voor advies aan de Raad van State aangeboden, omdat het overleg hierover met de Hoge Raad der Nederlanden nog niet is afgerond. Naar verwachting zal dat dit najaar gebeuren.

8

Wanneer wordt het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand inzake aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip naar de Tweede Kamer gezonden?

Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand inzake aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip deze maand bij de Tweede Kamer wordt ingediend.

9

Is er reeds een advies uitgebracht door de Raad van State als het gaat om het wetsvoorstel strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij?

Ja, er is een advies uitgebracht door de Raad van State over het wetsvoorstel strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij. Inmiddels is dit wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (TK, 29 441, nrs. 1–2).

10

Heeft het ministerie van Justitie voldoende expertise in huis om de technische complexiteit van de Computercriminaliteit te doorgronden of worden externe deskundigen aangetrokken?

Het ministerie van Justitie zorgt ervoor dat voldoende expertise beschikbaar is voor de behandeling van onderwerpen op het terrein van computercriminaliteit. Het kan daarbij zowel gaan om de voorbereiding van wetgeving als om het formuleren van beleid en het behandelen van incidentele vragen. Waar nodig maakt het ministerie gebruik van de bijzondere expertise die bijvoorbeeld beschikbaar is bij de politie en het Openbaar Ministerie. Tenslotte wordt bij de voorbereiding van wetgeving een beroep gedaan op de bijzondere expertise van een externe deskundige.

11

Wanneer verwacht het kabinet dat het wetsvoorstel inzake de positie van het slachtoffer in het strafproces voldoende prioriteit heeft om voltooid te worden? Wat is de status van dit voorstel?

Het conceptwetsvoorstel versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces zal voor de zomer in consultatie worden gegeven aan die organen in de strafrechtspleging die hierbij betrokken zijn.

12

Welke ontwikkelingen in de wetenschap heeft het kabinet doen besluiten om het wetsvoorstel verplichte aids-test grondig te bewerken?

Inzichten over de snelheid die is geboden voor een beslissing over de toediening van profylactische medicatie en daarmee de snelheid waarmee de test op de verdachte moet worden uitgevoerd hebben aanleiding gegeven tot een andere opzet van de procedure. Voorts moet nog definitief uitsluitsel worden verkregen over de uitvoerbaarheid van het fylogenetisch onderzoek in Nederland. Dat is het onderzoek waarmee kan worden aangetoond dat een specifiek virus afkomstig van de verdachte daadwerkelijk is overgedragen op het slachtoffer.

13

Wat zijn de prestatie-indicatoren, streef- en realisatiewaarden bij de operationele doelstellingen bij beleidsdoelstelling 2.2 «Het bevorderen van de kwaliteit van de wetgeving»?

Voor de toetsing van ontwerpregelgeving zijn de volgende prestatie-indicatoren geformuleerd:

– Het aantal in een bepaald jaar afgeronde dossiers (wetsvoorstellen, ontwerp-amvb's, nadere rapporten (bij zwaar dictum Raad van State) en nota's van wijziging met inhoudelijke betekenis).

– Het aantal aangeboden en behandelde dossiers als deel van het totaal dat aangeboden had behoren te worden.

– Het tijdsverloop tussen aanbieding en eerste inhoudelijke reactie (afgezet tegen interdepartementaal afgesproken termijn van 10 werkdagen).

– Het resultaat van de toetsing.

De eerste drie indicatoren zijn eenvoudig te meten door telling van geregistreerde dossiers. Omdat de opmerkingen en het inhoudelijke resultaat van de toetsing per dossier nogal kunnen verschillen, is voor de vierde indicator een kwantificeringsmethode met weegfactoren nodig. Hiertoe worden de gemaakte opmerkingen in een dossier in een databank ingevoerd, gerubriceerd (bijvoorbeeld wetgevingstechniek, rechtmatigheid (afstemming op hogere regelgeving), effecten) en voorzien van een zwaarte-indicatie. De indicaties per gemaakte opmerking bepalen uiteindelijk het eindoordeel over het gehele dossier. Zo kunnen vele technische en op zichzelf lichte gebreken uiteindelijk toch tot een negatief oordeel over een dossier leiden. Hetzelfde geldt uiteraard voor een enkele fundamentele opmerking aangaande de rechtmatigheid.

Het rubriceren en categoriseren van de gemaakte opmerkingen bij dossiers beoogt het inzicht in de resultaten van de wetgevingstoetsing en aldus de beleidsverantwoording daarover te verbeteren. Daarnaast worden de resultaten van de wetgevingstoetsing benut voor het bepalen van inhoudelijke accenten in de toetsing en het verbeteren van het proces.

14

Wat wordt bedoeld met quick scans als het gaat om het beoordelen van regelgevingsvoornemens? Hoe werkt deze quick scan precies?

Zie vraag 16.

15

Wat wordt verstaan onder effectentoetsen en hoe worden deze precies uitgevoerd?

Zie vraag 16.

16

Door wie worden de wetgevingsrapporten gemaakt in geval van geschilpunten bij wetgevingsvoorstellen en ontwerp-amvb's? Is het instrument van het wetgevingsrapport nuttig gebleken in de twee gevallen waarin het is toegepast?

Een quick scan bevat een verantwoording van de instrumentkeuze bij beleidsvoornemens die tot regelgeving leiden. In een vastgesteld format worden door het eerstverantwoordelijke ministerie vragen beantwoord omtrent noodzaak van de voorgenomen regeling (mede in het licht van alternatieven om het gewenste beleidsdoel te bereiken) en omtrent de verwachte effecten van de regeling voor bedrijfsleven, milieu en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

De ministeries hebben het initiatief bij het opstellen van quick scans voor regelgevingsvoornemens. Zij dienen deze in bij het Meldpunt voorgenomen regelgeving, een samenwerkingsverband van de ministeries van EZ, VROM en Justitie. Daar wordt de quick scan beoordeeld en worden met het desbetreffende ministerie afspraken gemaakt over de bij verdere uitwerking van het voornemen in kaart te brengen effecten voor bedrijfsleven, milieu en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, de zogenoemde Bedrijfseffectentoets (BET), milieueffectentoets (MET) en uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets (U&H-toets). Deze toetsen bestaan uit een aantal gerichte vragen omtrent gevolgen van een voorstel voor bedrijven, grondstoffenstromen, en uitvoerings- en handhavingsapparaat (inclusief OM en rechterlijke macht). Ook indien de noodzaak of evenredigheid van een voorstel naar de mening van het Meldpunt onvoldoende vast staat, wordt aangegeven dat deze bij de uitwerking van het voorstel nader onderbouwd zal moeten worden. In de toelichting bij de regeling dient in een aparte paragraaf aandacht te worden besteed aan de effecten van de regeling.

In de fase van de wetgevingstoets door Justitie, voorafgaand aan besluitvorming in de ministerraad, wordt bezien of de afspraken omtrent het in kaart brengen van effecten en het eventueel nader onderbouwen van de noodzaak en evenredigheid van het voorstel voldoende zijn uitgevoerd. Indien geen overeenstemming op deze punten wordt bereikt, stelt Justitie een wetgevingsrapport op, waarin de resterende geschilpunten kort worden weergegeven. Dit wordt door het eerstverantwoordelijke ministerie meegezonden met de stukken naar de ministerraad.

Er wordt in het algemeen naar gestreefd om overeenstemming te bereiken over voorstellen. Het geringe aantal gevallen waarin een wetgevingsrapport is opgesteld, is dus niet direct een indicatie voor het nut daarvan. Integendeel, in de gevallen waarin een wetgevingsrapport is uitgebracht, heeft dit naar mijn mening een bijdrage geleverd aan de discussie in het kabinet over een voorstel.

17

Hoeveel dossiers zijn niet voorgelegd voor een wetgevingstoets? Kan uit het feit dat in bijna alle gevallen waar een wetgevingstoets is toegepast dit tot aanpassing van de voorgelegde stukken leidde, worden afgeleid dat het instrument van de wetgevingstoets bitter noodzakelijk is en in alle gevallen zal moeten worden toegepast? Wat zegt het grote aantal wijzigingen over de kwaliteit van het wetgevingsproces tot aan het moment van toetsing?

Omtrent het aantal dossiers dat niet ter toetsing is voorgelegd, zijn geen actuele cijfers beschikbaar. Overigens kan dit gebrek in alle gevallen worden goedgemaakt aangezien alle ministerraadsstukken houdende ontwerp-wetgeving de toetsende afdeling van mijn ministerie passeren. Op dat moment kan dan alsnog een toets plaatsvinden, eventueel parallel aan onderraads- of ministerraadsbehandeling.

Ik onderschrijf de mening van uw commissie dat de wetgevingstoets noodzakelijk is ter verhoging van de kwaliteit van ontwerpregelgeving. De toetsing biedt een mogelijkheid om met enige afstand van beleidsmatige en politieke wensen van het eerstverantwoordelijke ministerie, een voorstel kritisch te bezien. Omtrent de relatie tussen het aantal wijzigingen naar aanleiding van de wetgevingstoets en de kwaliteit van het wetgevingsproces tot aan het moment van toetsing kan ik geen uitspraken doen. De opmerkingen in het kader van de wetgevingstoetsing zijn zeer uiteenlopend van aard (beleidsmatig, juridisch, technisch) en daarmee ook de oorsprong van de geconstateerde gebreken. Wel heeft de Visitatiecommissie wetgeving in haar rapporten naar aanleiding van visitatie van de wetgevingsfunctie op de ministeries een aantal constateringen gedaan over de relatie tussen een goede samenwerking van beleidsmakers en wetgevers op een ministerie en de kwaliteit van het wetgevingsproces. Ik verwijs kortheidshalve naar deze rapporten en de kabinetsstandpunten daarbij (TK, 29 349).

18

Kan worden verduidelijkt welke projecten van de operatie Beter bestuur voor burger en bedrijf zijn opgezet dan wel gestopt? Wat is de reden van de stopzetting van deze operatie?

Zie vraag 20.

19

Wat wordt bedoeld met horizontale verantwoording als gesproken wordt over toezichtsinstrumenten en werkgroep onder leiding van Pennekamp?

Met horizontale verantwoording wordt bedoeld: het afleggen van verantwoording over activiteiten en prestaties door instellingen aan klanten, gebruikers of andere belanghebbenden, door middel van jaarverslagen, benchmarking, of andere instrumenten. Onderzocht wordt, in hoeverre de borging van publieke belangen gediend is met deze vorm van verantwoording en in welke gevallen en onder welke voorwaarden zij in de plaats kan treden van toezicht door de overheid.

20

Worden de rapporten van de commissies Zijlstra, Pennekamp en Joustra naar de Tweede Kamer gestuurd? Zo ja, wanneer zal dat gebeuren?

Onder de operatie Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf zijn 12 projecten gepland, t.w.

1. naar een effectievere overheid

2. benchmarken publieke prestaties

3. innovatie-kanskaarten

4. dienstverlening zonder bureaucratie

5. openingstijden publieke diensten

6. burgers kunnen beter kiezen

7. versneld starten van een onderneming

8. knelpunten gas- en windenergie

9. zorgplichten

10. andere toezichtsinstrumenten

11. doorlichting van ministeriële regelingen

12. doorlichting van regelingen van z.b.o.'s

Voor de voortgang van de eerst vier projecten is de minister van BZK eerstverantwoordelijk. Zijn projecten zijn alle omgevormd tot actiepunten in het kader van het programma Andere overheid.

Voor de projecten 5 t/m 8 is de minister van Economische zaken eerstverantwoordelijk. Het rapport «Versneld starten van een onderneming» is afgerond en met een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer gezonden. De andere drie rapporten zijn vrijwel afgerond en zullen binnenkort aan de Tweede Kamer worden gezonden.

De projecten 9 t/m 12 zijn door de minister van Justitie voortgezet. De projecten Zorgplichten (onder leiding van prof. Zijlstra), Andere toezichtsinstrumenten (onder leiding van drs. P. Pennekamp) en Doorlichting ministeriële regelingen (onder leiding van mr. T. Joustra) zijn afgerond. Het is de bedoeling dat het kabinet zeer binnenkort zijn standpunt bepaalt en dat de rapporten in de eerste week van juli aan de Tweede Kamer worden gezonden. De projecten «Zorgplichten» en «Andere toezichtsinstrumenten» zullen een vervolg vinden in de projecten die in het kader van het programma «Bruikbare rechtsorde» worden uitgevoerd.

Het programma Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf was een programma van het kabinet Balkenende I. Het kabinet Balkenende II heeft gekozen voor een zekere intensivering van de activiteiten in nieuwe programma's, t.w. Andere Overheid, Beperking administratieve lasten en Bruikbare rechtsorde.

21

Hoe komt het dat er bijna € 1 miljoen meer is uitgegeven aan het wetgevingsbeleid dan op de begroting stond?

Het verschil is geheel gelegen in het feit dat in de ontwerp-begroting 2003 de bijdrage van BZK ten behoeve van de Academie voor Wetgeving nog niet was opgenomen.

22

Kan worden aangegeven in kwantificeerbare- en controleerbare waarden in hoeverre de inspanningen op basis van de operationele doelstellingen behorende bij beleidsartikel 3.1 «Criminaliteitspreventie» daadwerkelijk hebben bij gedragen aan «een veilige en rechtvaardige Nederlandse samenleving»?

Tot beleidsartikel 3.1. behoren vier operationele doelstellingen:

– Het beperken van de gelegenheid om strafbare feiten te plegen, binnen, of misbruik te maken door middel van een rechtspersoon of organisatie.

– Het in goede banen leiden van kansspelen, door het beschermen van de consument, het tegengaan van gokverslaving en het tegengaan van criminaliteit.

– Een adequate afstemming en samenwerking op (inter-)nationaal, regionaal en lokaal niveau door bestuurlijke en andere relevante partners op het gebied van criminaliteitspreventie.

– Brede toepassing van (nieuwe) preventieve instrumenten of methoden door bestuurlijke en andere relevante partners.

Voor elk van deze operationele doelstellingen zijn in het jaarverslag productiecijfers en/of uitgevoerde projecten opgenomen. Projecten worden geëvalueerd, onder andere op indicatoren die relevant zijn voor criminaliteit en/of onveiligheidsgevoelens. Deze gegevens kunnen echter niet rechtstreeks vertaald worden naar hun effect op de veiligheid in de Nederlandse samenleving als geheel.

Hiervoor wordt in het kader van het veiligheidsprogramma een aantal monitors uitgevoerd. Zoals in de laatste Voortgangsrapportage over het Veiligheidsprogramma is aangegeven blijkt daaruit, dat het veiligheidsgevoel is toegenomen.

23

Waarom zijn bestuursorganen achtergebleven bij het van toepassing verklaren van de Wet Bevordering integere besluitvorming openbaar bestuur (BIBOB)?

In februari 2004 heeft het Bureau BIBOB een telefonische enquête gehouden onder bestuursorganen om in kaart te brengen wat de stand van zaken is bij de toepassing van de Wet BIBOB.

Bestuursorganen noemden diverse redenen waarom zij nog geen beleidslijn hadden vastgesteld. Voorbeelden hiervan zijn: gemeentelijke herindeling, tijdgebrek, geen prioriteit, geen noodzaak, nog bezig met inventariseren, wachten op buurgemeenten met het oog op regionale aanpak, te kleine gemeente, geen exploitatievergunningenstelsel en de prijs van het advies is te hoog.

Inmiddels zijn er met 48 bestuursorganen werkafspraken gemaakt en 44 bestuursorganen hebben een vastgestelde en bij het bureau geregistreerde beleidslijn.

24

Wat zijn de basis- en streefwaarden behorende bij de doelstelling «tegengaan van gokverslaving»?

Er is thans geen volledig gedocumenteerd en actueel beeld van de omvang en samenstelling van de groep gokverslaafden in Nederland, op grond waarvan dergelijke basis- en streefwaarden kunnen worden bepaald. Er bestaat slechts een gefragmenteerd beeld ten aanzien van verschillende soorten kansspelen. Mede daarom wordt in mijn opdracht een breed onderzoek naar gokverslaving gestart. De afgelopen maanden is daartoe een aanbestedingsprocedure gevolgd. De procedure bevindt zich nu in de eindfase. Het onderzoek zal vermoedelijk eind juni 2004 van start gaan en in het voorjaar van 2005 worden afgerond. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek (de facto een nulmeting) zullen basis- en streefwaarden voor het tegengaan van gokverslaving worden geformuleerd. Overigens bevatten de vergunningen van de landelijke aanbieders van kansspelen voorwaarden om onmatig speelgedrag te voorkomen. Voor kansspelen met grotere verslavingsrisico's, zoals casinospelen en speelautomaten, gelden aanvullende voorschriften.

25

Waarom wordt er bij de aanpassing van de Wet op de Kansspelen en onderliggende regelgeving niet naar gestreefd om beter te voldoen aan de betreffende operationele doelstelling «Het in goede banen leiden van kansspelen, door het beschermen van de consument, het tegengaan van gokverslaving en het tegengaan van criminaliteit»?

De wijziging van de Wet op de kansspelen is er bij uitstek op gericht om beter te kunnen voldoen aan de operationele doelstelling. De wetswijziging beoogt onder andere het tot stand brengen van een meer uniforme, meer toegankelijke en beter handhaafbare regelgeving, het concentreren van beleid binnen mijn ministerie, en de invoering van het bestuursrechtelijk instrumentarium om mede daardoor de doelmatigheid en doeltreffendheid van het toezicht te vergroten.

Voor meer informatie over de doelstelling van het kansspelbeleid verwijs ik naar de tweede voortgangsrapportage kansspelen van 31 maart 2003 (TK, 24 036, nr. 280). Omdat de omschrijving «in goede banen leiden van kansspelen» minder goed is te operationaliseren, is de doelstelling in de begroting voor 2004 (operationele doelstelling 5.1.12) gewijzigd in «het reguleren en beheersen van kansspelen, met bijzondere aandacht voor het beschermen van de consument, het tegengaan van gokverslaving en het tegengaan van illegaliteit en criminaliteit».

26

Wat is de oorzaak van het ontbreken van voldoende draagvlak bij de betrokken partners van de projecten opvoedingsondersteuning?

Eén van de aangekondigde acties in «Jeugd terecht» is het starten van pilots signaleringsgesprekken. De doelstelling daarvan is om enerzijds ouders nadrukkelijk te betrekken bij het justitietraject en anderzijds om gerichte aandacht te besteden aan de opvoedingsvaardigheden van de ouders, door met de ouders van aangehouden jongeren een gesprek te voeren om problemen op dat vlak te signaleren.

In het overleg met betrokken ketenpartners is gebleken dat op lokaal niveau reeds vele initiatieven op dit gebied bestaan. Van het starten van nieuwe experimenten wordt daarom geen meerwaarde verwacht. Om die reden is nu gekozen voor een praktijkonderzoek naar de effectiviteit van bestaande lokale voorbeelden van samenwerking tussen politie en justitie enerzijds en instellingen voor jeugd- en gezinshulpverlening- en zorg anderzijds. Langs deze weg wordt gezocht naar effectieve samenwerkingsvormen op het gebied van signalering van (gezins)-problematiek, naar aanleiding van politiecontacten van jeugdigen, en doorverwijzing naar de geëigende instanties.

27

Hoeveel van de Nederlandse gemeenten heeft een beleidsplan huiselijk geweld?

In 2003 is in opdracht van het ministerie van Justitie de stand van zaken bij de aanpak van huiselijk geweld geïnventariseerd (TK 28 345, nr. 6). Daarbij waren, behalve politie en Openbaar Ministerie, in totaal 37 gemeenten betrokken, met name centrumgemeenten voor de vrouwenopvang. Dat zijn over het algemeen grote of middelgrote gemeenten. Van deze centrumgemeenten bleek 70% (26 gemeenten) een beleid met betrekking tot de aanpak van huiselijk geweld te hebben; 69% daarvan (18 gemeenten) heeft dat beleid vastgelegd in een nota huiselijk geweld.

Van de kleinere gemeenten is niet bekend in welke mate zij een beleid of beleidsplan voor de aanpak van huiselijk geweld hebben.

28

Wanneer wordt verwacht dat er een wetsvoorstel voor uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld voor advies naar de Raad van State wordt gestuurd?

Het kabinetsstandpunt over een huisverbod aan plegers van huiselijk geweld is in de maak en zal de Kamer in ieder geval bereikt hebben vóór komende Prinsjesdag. Er zijn nog gesprekken gaande met actoren die betrokken zullen zijn bij de uitvoering van een eventuele wettelijke maatregel. De gesprekken gaan met name over de uiteindelijke vormgeving van de maatregel en de verantwoordelijkheden voor de uitvoering.

29

Hoe komt het dat het aantal Justitie in de Buurt (JIB) bureaus achter is gebleven bij het aantal waarvan in de begroting werd uitgegaan en zelfs gedaald is ten opzichte van 2002?

In de jaren voorafgaand aan 2003 werd uitgegaan van een jaarlijkse groei van het aantal JIB-bureaus met drie. Tussen de tijd van het indienen van een aanvraag voor een nieuw JIB-bureau en de daadwerkelijke start van een JIB-bureau zit meestal een periode van minimaal enkele maanden. De reden dat het aantal JIB-bureaus in 2003 niet is gegroeid heeft enerzijds te maken met het feit dat de parketten in de tweede helft van 2002 in afwachting waren van de nieuwe criteria die opgesteld zouden gaan worden naar aanleiding van het verschijnen van het landelijk evaluatieonderzoek. Vervolgens heb ik in de zomer van 2003 besloten tot een aangepaste en afgeslankte voortzetting van JIB (JIB nieuwe stijl), waarbij sprake dient te zijn van brede veiligheidssamenwerkingsverbanden en cofinanciering.

Vanwege de aan de OM-organisatie opgelegde financiële taakstelling 2003 heeft het parket te Haarlem begin 2003 besloten het JIB-bureau te Haarlem te sluiten per 01-09-2003. Dit verklaart de afname met één ten opzichte van 2002.

30

Wanneer wordt het onderzoek naar de relatie tussen straatgeweld en huiselijk geweld afgerond?

Het onderzoek zal naar verwachting in oktober 2004 gereed zijn.

Door problemen rond de gegevensverzameling, de noodzaak tot aanvullende informatie-inwinning en uitval van onderzoekers is de oplevering ten opzichte van de oorspronkelijke planning (mei 2004) enigermate vertraagd.

31

Betekent de onderuitputting op artikel 3.1.11 dat niet in 2003 verrichte inspanningen ten behoeve van «Criminaliteitspreventie: samenwerking met partners» in 2004 alsnog worden verricht? Wordt het budget van 2003 «verschoven» naar 2004?

Het merendeel van de voornemens die in 2003 niet tot uitvoering konden komen zal in 2004 alsnog worden verricht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de oprichting van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Het budget van 2003 wordt, conform de budgetdisciplineregels, niet verschoven naar 2004.

32

Kan de Tweede Kamer binnenkort de uitkomst van het inventarisatieonderzoek naar effectieve aanpakken van jeugdige veelplegers verwachten? Zo neen, wanneer dan wel?

In opdracht van mijn departement en in overleg met het Landelijk Platform Politiële Jeugdtaak is de onderzoeksgroep van de Nederlandse Politie Academie inmiddels gestart met het onderzoek met de werktitel «Effectieve aanpakken jeugdige veelplegers; Op zoek naar voorspellers van succes». Het onderzoek zal in december 2004 zijn afgerond.

33

Is de eindevaluatie van de projecten buurtbemiddeling gereed? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die evaluatie? Zo neen, wanneer worden de uitkomsten wel bekend?

De eindevaluatie van de projecten buurtbemiddeling is gereed. Het Landelijk Expertisecentrum Buurtbemiddeling stelt het evaluatierapport, vanwege de praktische bruikbaarheid, ter beschikking aan de reeds lopende projecten. Ook organisaties die een buurtbemiddelingsproject willen starten kunnen een exemplaar aanvragen.

De voornaamste uitkomsten van de evaluatie zijn:

– Er zijn 51 buurtbemiddelingsprojecten (peildatum 1 september 2003).

– 39 projecten zijn in de periode 2000–2002 gefinancierd met een startsubsidie van het ministerie van Justitie op basis van de Stimuleringsregeling Criminaliteitspreventie.

– 90% van de lokale betrokkenen (netwerkpartners, bemiddelden, bemiddelaars en coördinatoren) zijn tevreden of zeer tevreden over buurtbemiddeling.

– 49% van de geënquêteerde bemiddelden geeft aan dat buurtbemiddeling echt heeft geholpen.

– Verbeterpunten liggen onder meer op het vlak van een betere doorverwijzing door de netwerkpartners naar buurtbemiddeling en waarborgen voor de continuïteit van de projecten.

De eindevaluatie zal deze zomer aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

34

Kan in kwantificeerbare en controleerbare waarden worden aangegeven in welke mate de gepleegde inspanningen behorend bij het beleidsartikel slachtofferzorg daadwerkelijk hebben bij gedragen tot de beleidsdoelstelling «het herstel van vertrouwen en gevoel van veiligheid» bij de slachtoffers?

Er wordt van uitgegaan dat een goede bejegening en het informeren van slachtoffers bijdraagt aan het herstel van vertrouwen en gevoel van veiligheid bij de slachtoffers. Een direct causaal verband is echter moeilijk aantoonbaar. Mede daarom zal met ingang van 2005 een nieuwe operationele doelstelling worden gehanteerd.

35

Hoeveel aanvragen voor hulp zijn er in totaal bij de Vereniging Slachtofferhulp Nederland (SHN) binnengekomen?

In 2003 is in 114 977 zaken een hulpaanbod gedaan door Slachtofferhulp Nederland. In 84 212 zaken is het aanbod geaccepteerd. In totaal zijn 92 161 slachtoffers geholpen (in één zaak kunnen meerdere slachtoffers geholpen worden).

36

Waarom is het aantal geholpen slachtoffers SHN achtergebleven bij de doelstelling?

Het aantal geholpen slachtoffers in 2003 is met 3% gestegen ten opzichte van 2002. Voor de realisatie van de verwachte productie is SHN onder andere afhankelijk van doorverwijzing van slachtoffers door de politie. Slachtofferhulp Nederland overlegt met politie om nog dit jaar te komen tot een landelijk uniforme wijze van doorverwijzen. Daarnaast is Slachtofferhulp Nederland een naamsbekendheidscampagne gestart.

37

In hoeverre zegt de tevredenheid van slachtoffers over de informatievoorziening en de bejegening door politie, SHN en het Openbaar Ministerie (OM) iets over het bereiken van de beleidsdoelstelling «het herstel van vertrouwen en het gevoel van veiligheid» bij slachtoffers? Wordt er onderzoek gedaan naar de mate waarin deze beleidsdoelstelling is behaald?

Uit onderzoek is gebleken dat slachtoffers die slecht behandeld zijn binnen het justitiële systeem – of die dat als zodanig hebben ervaren – een negatiever beeld overhouden van politie en justitie. Dat is van invloed op hun bereidwilligheid om zich in de toekomst coöperatief op te stellen jegens deze organen en het heeft ook een ongunstige invloed op de mate waarin zij zich zelf voortaan overeenkomstig de wet gedragen.

Thans wordt er onderzoek gedaan naar de tevredenheid van slachtoffers onder andere met betrekking tot de bejegening door politie, OM en Slachtofferhulp Nederland. Het onderzoek zal in september 2004 worden afgerond.

38

Hoe luiden de meest recente tevredenheidscijfers over de bejegening van slachtoffers door politie, SHN en het OM? Hoe ontwikkelen deze cijfers zich?

De meest recente cijfers stammen uit 2001. Tevreden over de bejegening door de politie was 81% van de slachtoffers, door Slachtofferhulp Nederland 79% en door het OM 53%.

Op dit moment is een hernieuwd onderzoek naar de tevredenheid van slachtoffers met de strafrechtsketen in voorbereiding. De uitvoering van het onderzoek zal in september 2004 worden afgerond.

39

Hoeveel is de instroom van rechtbankzaken bij de arrondissementsparketten procentueel gestegen ten opzichte van vorig jaar?

Uit het overzicht «instroom en uitstroom zaken Openbaar Ministerie» op pagina 65 van het Justitiejaarverslag is te lezen dat de absolute instroom van rechtbankzaken met 19 000 zaken is gestegen. Dit is gelijk aan een procentuele stijging van 7,6%.

40

Hoeveel van de instroom bij kantonzaken betreffen zaken voor ontbinding van arbeidscontracten? Hoeveel van deze zaken stroomden in 2002 en hoeveel zullen dat er naar verwachting in 2004 worden?

De instroom van kantonzaken betreffende de ontbinding van arbeidscontracten (in repertoire ingeschreven arbeidszaken ex art. 7:685 BW) bedroeg in 2003 78 491 zaken, in 2002 waren dat er 68 331 en de verwachting (op basis van extrapolatie van de realisatie over de eerste vier maanden van 2004) is dat de instroom dit jaar ca. 71 600 zal bedragen.

41

Hoeveel extra zaken hadden de gerechten kunnen afdoen indien deze door het OM waren aangeleverd? Waarom zijn deze zaken niet aangeleverd?

Eind 2002 lag de vraag van het OM naar zittingscapaciteit 5 tot 6 procent boven de beschikbare capaciteit. Dit is gecorrigeerd en momenteel kunnen de rechtbanken het aanbod van het OM goed bijhouden. Het aanbod van zaken door het Openbaar Ministerie is in lijn met de beschikbare capaciteit van de rechtbanken.

42

Hoeveel klachten ex artikel 12 Sv zijn er in totaal over 2003 geweest?

In 2003 zijn er ruim 1 600 klachten ex artikel 12 Sv geweest (zie ook Jaarverslag Openbaar Ministerie 2003 pag 23).

43

Hoe groot is de gemiddelde opbrengst per plukze zaak? Hoeveel megazaken zijn afgerond?

In 2003 zijn 1569 uitspraken gedaan in Plukze-zaken. In 285 gevallen is de vordering afgewezen en in 1284 gevallen is sprake geweest van een gehele of gedeeltelijke toewijzing. In totaal is € 40,9 miljoen opgelegd (gemiddeld: € 31 854).

Megazaken:

Bedrag opgelegd boven € 100 000: 55 zaken in 2003

Bedrag opgelegd boven € 500 000: 17 zaken in 2003

Bedrag opgelegd boven € 1 000 000: 8 zaken in 2003

44

Worden voor het OM met ingang vanaf de komende begroting voor het jaar 2005 prestatiegegevens volgens de Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording (VBTB)-systematiek verstrekt? Zo neen, wanneer dan wel?

In de begroting 2005 zijn (net als in de voorgaande jaren) de klassieke productiecijfers van het Openbaar Ministerie opgenomen. Deze cijfers behelzen tal van gedifferentieerde input-, throughput- en output-indicatoren en zijn dan ook zeer goed bruikbaar in een resultaatgestuurde (VBTB-) organisatie. Bovendien sluiten de productiecijfers van het OM aan bij de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het Veiligheidsprogramma.

De klassieke productiecijfers geven informatie over de aard en omvang van de behandelde zaken («de goede zaken»), alsmede over de doorlooptijden etc. («de zaken goed doen»). Daarnaast zijn op deelgebieden specifieke indicatoren gedefinieerd (voorbeeld: ontnemingsnorm).

Aan de ontwikkeling van de doelmatigheidsnorm wordt nog gewerkt in het kader van de implementatie van het baten-/lastenstelsel.

45

Wat zijn de streef- en realisatiewaarden behorend bij operationele doelstelling 3.3.2?

De streef- en realisatiewaarden van zowel het Nederlands Forensisch Instituut (NFI, het Centraal Informatiepunt Onderzoek telecommunicatie (CIOT) en het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) staan vermeld in de tabel op pagina 68 van het Jaarverslag.

46

Waarom zijn er slechts 93 aanvragen voor cold cases verwerkt in plaats van de geplande 725?

In oude en koude zaken zijn aanzienlijk minder aanvragen voor DNA-onderzoek gedaan dan verwacht. Enerzijds is er sprake van een te optimistische inschatting van het aantal zaken (eind jaren 80, begin jaren 90) waarin DNA-onderzoek uitkomst zou kunnen of nog had moeten gaan bieden (bijvoorbeeld omdat zaken al waren opgelost of verjaard dan wel de dader was komen te overlijden). Anderzijds is de inspanning die het de politie en OM kost om oude dossiers en oud sporenmateriaal opnieuw op te zoeken en te bestuderen, onderschat. In het totaal zijn er 14«koude zaken» aangemeld, waarbij nieuwe stukken van overtuiging voor DNA-onderzoek zijn aangeboden. Tevens zijn er 104 «oude zaken» aangemeld. In die oude zaken verrichtte het NFI op stukken van overtuiging die in het verleden niet op DNA zijn onderzocht alsnog DNA-onderzoek. Van de in totaal 118 zaken die in 2003 zijn aangemeld zijn er 93 afgehandeld.

47

Hoeveel DNA-profielen van respectievelijk sporen en daders bevinden zich nu in de databank? Hoeveel zijn er bijgekomen en hoe verhoudt zich dat tot de planning?

Op 4 juni 2004, bevonden zich 20 658 DNA-profielen in de DNA-databank waarvan 15 735 DNA profielen van sporen en 4913 DNA-profielen van personen. Hiervan behoren er 247 toe aan TBS-patienten die op basis van vrijwilligheid hun DNA-profiel in de DNA-databank hebben laten opnemen.

In 2003 zijn 7743 DNA-profielen opgenomen in de DNA-databank. Ter verduidelijking het volgende: Niet elk DNA-onderzoek leidt tot een DNA-profiel dat in de DNA-databank kan worden opgenomen. In de DNA-databank worden alleen DNA-profielen opgenomen van verdachten, sporen en overleden slachtoffers en sinds kort ook van vrijwillig meewerkende veroordeelden. DNA-profielen van levende slachtoffers en getuigen worden niet in de DNA-databank opgenomen. Het DNA-profiel van een persoon wordt uit kwaliteitsoogpunt altijd in duplo bepaald, terwijl slechts één van beide identieke DNA-profielen in de DNA-bank wordt opgenomen. Ook wordt van de verschillende sporen die worden gevonden op de plaats van een delict die van één en dezelfde persoon afkomstig zijn, slechts één DNA-profiel in de DNA-databank opgenomen. Tenslotte worden DNA-profielen die te weinig bewijskracht hebben niet opgenomen in de DNA-databank.

48

Hoeveel en welke organisaties en instanties houden zich op Schiphol op enigerlei wijze bezig met de veiligheid? Wie coördineert de onderlinge afstemming? Welke gevolgen heeft het drugsbeleid op Schiphol voor de capaciteit voor andere veiligheidstaken?

Er zijn verschillende diensten die op Schiphol samenwerken op het brede gebied van veiligheid. Met betrekking tot de strafrechtelijke rechtshandhaving komen daarvoor in aanmerking de Koninklijke Marechaussee, waar het hun politietaak betreft, en de Nationale Recherche voor het uitvoeren van grootschalige onderzoeken. De hiervoor genoemde diensten hebben regelmatig overleg en vallen waar het de aansturing betreft onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. De activiteiten die op Schiphol worden uitgevoerd in het kader van de 100%-controles op drugskoeriers worden gezamenlijk uitgevoerd door douane en Koninklijke Marechaussee onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Zij dragen als zodanig bij aan de criminaliteitsbestrijding op en rond Schiphol.

49

Betekent de doelstelling van het Veiligheidsplan van vermindering van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met 20% tot 25% in de periode 2008–2010 dat er sprake kan zijn van een bandbreedte in deze doelstelling van 25% vermindering in 2008 tot 20% in 2010? Op welk percentage kan het kabinet in 2003 worden aangesproken en op welke percentages in de komende jaren? Kan het antwoord op deze vraag worden gegeven in de vorm van een tabel met daarin tot en met het einde van de huidige kabinetsperiode per jaar aangegeven welke percentages als doelstelling gelden?

Het kabinet beoogt met het Veiligheidsprogramma onder meer een forse reductie van criminaliteit en overlast in de openbare ruimte. In het Veiligheidsprogramma is dat vertaald in een heldere en ambitieuze doelstelling: de realisatie van een landelijke reductie van criminaliteit en overlast in het publieke domein met 20–25% in de periode 2008–2010 in vergelijking met de situatie in 2002.

Dit betekent dat in de periode van 2008 tot 2010 de hoofddoelstelling, een landelijke reductie van criminaliteit en overlast in de volle breedte met circa 20% tot 25%, moet zijn gerealiseerd.

Zowel ten aanzien van de omvang van de beoogde reductie als ten aanzien van de periode waarin deze gerealiseerd moet worden, is bewust gekozen voor enige reikwijdte (beoogde reductie tussen de 20% en 25%, zulks te realiseren in een periode met een reikwijdte van drie jaar). Er is echter geen sprake van een bandbreedte in de doelstelling van 25% vermindering in 2008 tot 20% in 2010.

Een groot aantal maatregelen uit het Veiligheidsprogramma zal pas op termijn effect sorteren.

De mate van criminaliteitsreductie door de jaren heen is dan ook sterk afhankelijk van (het moment van) de daadwerkelijke effectuering van de verschillende maatregelen. Sommige maatregelen worden vanaf 2003 in gang gezet. Andere maatregelen vergen een langere voorbereiding (bijv. maatregelen op het terrein van wetgeving, selectie en opleiding van personeel) en worden derhalve op een later moment geëffectueerd. De beoogde criminaliteitsreductie zal dus zeker niet van jaar op jaar een lineair verloop kennen. Veeleer is sprake van een groeipad: langs de weg der geleidelijkheid zal worden toegewerkt naar de beoogde vermindering van de criminaliteit met 20–25% in de periode 2008–2010 in vergelijking met de situatie in 2002.

Voor de jaren 2003 t/m 2006 zijn dan ook bewust geen afzonderlijk doelstellingen geformuleerd. Het in een tabelvorm jaarlijks weergeven van reductiestreefwaarden is derhalve niet geïndiceerd.

Het streven is er natuurlijk wel op gericht om op zo kort mogelijke termijn tot resultaten te komen. Wat dat betreft is het verheugend te kunnen constateren dat volgens de laatste CBS-slachtofferenquête (meting 2003) de objectieve veiligheidssituatie lijkt te zijn verbeterd (verdere afname van de vermogenscriminaliteit en een licht stabiliserend niveau van geweldscriminaliteit). Ook de subjectieve veiligheidssituatie laat een positieve ontwikkeling zien: uit de meeste recente meting van de Politiemonitor bevolking (2004) blijkt dat burgers zich de laatste jaren steeds veiliger voelen.

Tevens zullen wij in circa 50 probleemwijken van de 30 grootste gemeenten gaan meten of de aanpak succesvol is geweest, in die zin dat bekeken wordt of in die wijken de landelijk beoogde reductie van criminaliteit en overlast met 20–25% reeds in 2006 zichtbaar wordt.

Op deze zichtbaarheid kunnen zowel de minister van Justitie als de minister van BZK telkens worden aangesproken. In de voortgangsrapportages over het Veiligheidsprogramma wordt hierover stelselmatig gerapporteerd.

50

Wat houdt de pilot Landelijke Sporendatabank precies in?

Het betreft hier een experiment waarbij in pilotverband verbanden tussen de vingerafdrukkendatabank HAVANK (beheerd door het KLPD/DNRI) en de DNA-databank (beheerd door het NFI) zichtbaar en operationeel bruikbaar worden gemaakt.

Doordat bruikbare opsporingsinformatie vanuit een andere invalshoek tot stand komt (volgens het zogenaamde IGO-concept) en bovendien landelijk inzichtelijk wordt gemaakt, zal eveneens moeten worden onderzocht op welke wijze deze relatief eenvoudiger op te lossen zaken verder kunnen en moeten worden voorbereid voor vervolging door politie en OM. In mijn brief van 14 januari jl. (kenmerk 5260928/503) heb ik u hier uitvoeriger over geïnformeerd.

51

Wanneer is de verwachting dat een verdrag met België tot stand komt op het terrein van politiesamenwerking?

Ondertekening van het verdrag met de Beneluxlanden heeft plaats gevonden op 8 juni 2004.

52

Wanneer zal naar verwachting het instrument om te meten of doelen die bij de aanvang of tijdens de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel zijn gesteld ook daadwerkelijk zijn behaald, in gebruik kunnen worden genomen?

Dit instrument is nog niet beschikbaar maar in ontwikkeling. Gestart is met een onderzoek naar de eisen waaraan een dergelijk instrument moet voldoen. Ook wordt bezien welke zaken er bij de bureaus Jeugdzorg geregeld moet worden om het instrument te kunnen toepassen. De resultaten van dit vooronderzoek zijn in augustus 2004 beschikbaar. Vervolgens zal het meetinstrument daadwerkelijk ontwikkeld worden en zal het moeten worden uitgetest. De verwachting is dat de invoering in 2007 zijn beslag kan krijgen.

53

Hanteert het kabinet bij het werk van de Raad voor de Kinderbescherming een norm voor enerzijds de «kwalitatief goede wijze» en anderzijds het streven «binnen een zo kort mogelijke tijd» te werken? Zo ja, hoe luidt die norm? Is hier in 2003 aan voldaan? Zo neen, waarom niet?

Door de Minister van Justitie zijn kwaliteitsnormen voor de Raad voor de Kinderbescherming vastgesteld in Normen 2000 (laatstelijk aangepast op 1-5-2003). Hierin zijn ook normen voor doorlooptijden van de verschillende categorieën zaken opgenomen. Het natuurlijke spanningsveld tussen kwaliteit en doorlooptijd is in Normen 2000 zodanig geregeld, dat 80% van de zaken (op daarvoor afgesproken termijn) binnen die doorlooptijd moet zijn afgerond.

Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 55.

54

Hoe wordt het aantal gegrond verklaarde klachten bij de Raad voor de Kinderbescherming in scheidings- en omgangszaken van 1,4% verklaard, terwijl minder dan 1% de norm is? Welke actie wordt ondernomen om dit percentage terug te brengen?

Als norm voor het aantal gegrond verklaarde klachten bij de Raad voor de Kinderbescherming is vastgesteld 1% over alle categorieën samen. Er is bewust gekozen voor één norm, omdat het zaak is een beperkt aantal kengetallen te hanteren. Met 0,18% (over alle categorieën samen) blijft de Raad ruim onder de gestelde norm. Dat geldt ook wanneer civiele en strafzaken worden gesplitst.

Scheidings- en omgangszaken zitten met 1,4% inderdaad boven de vastgestelde norm. Dit is echter niet zo verwonderlijk. De Raad heeft immers uitsluitend te maken met zaken waarin ouders niet zelf tot afspraken over hun kinderen konden komen en waar vaak sprake is van een heftige strijd tussen hen beiden. Aan het eind van het traject is één van de ouders het vaak niet eens met het uiteindelijke advies van de Raad aan de rechter en de gevolgde procedure in het onderzoek. Om het percentage terug te dringen tracht de Raad via bemiddeling de ouders alsnog tot gezamenlijke afspraken te laten komen.

55

Kan het kabinet een nadere verklaring geven voor het achterblijven bij de begroting van de doorlooptijden voor alle soorten van onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming? Betekent de conclusie van het kabinet dat het afnemen van de formatie één van de oorzaken hiervan is, dat de bezuinigingen op de Raad voor de Kinderbescherming een rechtstreeks negatief gevolg hebben voor de doorlooptijden? Leidt dit de conclusie dat extra financiële middelen nodig zijn om de doorlooptijden te versnellen? Zo neen, waarom niet?

De doorlooptijden blijven achter door een combinatie aan factoren. Allereerst blijkt de instroom achteraf hoger te zijn dan de instroom waar bij het opstellen van de begroting 2003 is uitgegaan. Deze hogere instroom compenseert in negatieve zin de vorderingen die de Raad heeft gemaakt bij het terugdringen van de onderzoekstijd bij alle hoofdproducten. Daardoor is het lastig de wachtstapels weg te werken. Voor specifiek de strafzaken blijkt dat het totstandkomen van het casusoverleg meer inspanningen voor de ketenpartners met zich meebracht dan destijds werd verwacht. Tot slot heeft de implementatie van de noodzakelijke wijzigingen in de organisatie, normen, werkmethoden meer tijd meer gevergd dan ingeschat.

56

Tot welke «verbeteracties» leidt het klanttevredenheidsonderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming?

In 2002 is bij vijf vestigingen van de Raad, verspreid over het land, een eerste proef met het klanttevredenheidsonderzoek (KTO) gehouden. Doel van deze proef was in de eerste plaats het testen van de voor het KTO bij de Raad ontwikkelde vragenlijst.

Uit de proef kwam naar voren dat 80% van de benaderde ex-cliënten tevreden tot zeer tevreden was over de bemoeienis van de Raad. Daarnaast bleek, dat het met de gehanteerde vragenlijst niet mogelijk was concrete verbeterpunten uit de uitkomsten te destilleren.

Om die reden is een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, die wél concrete verbeterpunten kan opleveren. Deze vragenlijst zal vanaf september 2004 bij zes vestigingen van de Raad, verspreid over het land, worden toegepast.

57

Waarom zijn de resultaten van het onderzoek van de Inspectie voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening pas eind 2003 bekend geworden? Is de enige oorzaak dat er in 2003 niet gewerkt is aan verbetering van de kwaliteit van de voogdij?

In 2002 heeft de Inspectie een vooronderzoek gedaan bij één van de voogdij-instellingen. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek is het toetsingskader ontworpen voor het landelijk onderzoek bij alle 19 voogdij-instellingen. Dit onderzoek is begin 2003 gestart. Naast onderzoek naar een aantal dossiers zijn ook interviews afgenomen van voogdijpupillen, van ouders die uit de ouderlijke macht zijn ontzet of ontheven, en van medewerkers in de instellingen. Per instelling is een verslag opgesteld, dat ook met al die instellingen is besproken. Ten slotte heeft de Inspectie in september 2003 een landelijk verslag opgesteld.

De resultaten van het Inspectie-onderzoek waren noodzakelijk om te kunnen komen tot het opstellen van een integraal plan voor de verbetering van de voogdij.

Zie ook het antwoord op vraag 59.

58

Wanneer wordt de Tweede Kamer ingelicht over de verantwoording van de gezinsvoogdij-instellingen over 2003?

Op basis van Wet- en Regelgeving dienen de Gezinsvoogdij-instellingen hun verantwoording 2003, bestaande uit jaarverslag en jaarrekening, uiterlijk op 1 mei 2004 in te dienen. Een aantal instellingen heeft uitstel gevraagd en gekregen. Ik verwacht in het vierde kwartaal van 2004 alle informatie tot mijn beschikking te hebben.

59

Waarom hebben de voorgenomen activiteiten voor het verbeteren van de kwaliteit van de voogdij niet plaatsgevonden? Wat is er met het geld gebeurd dat hiervoor was uitgetrokken? Hoeveel was dat?

Er is gewacht op de resultaten van het door de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming uitgevoerde onderzoek naar de voogdij. Deze resultaten zijn in december 2003 aan Justitie aangeboden. De aanbevelingen van de Inspectie vormen de basis voor een integraal plan voor de verbetering van de voogdij. De belangrijkste elementen uit dit plan zijn de Tweede Kamer gemeld in de brief van 26-5-2004 (TK, 28 606, nr. 16).

Aanvankelijk waren er binnen begroting 2003 geen middelen beschikbaar voor de uitvoering van de hier bedoelde activiteiten. De uitvoering van het integraal plan voor de verbetering van de voogdij zullen pas in 2005 leiden tot financiële gevolgen. In het kader van het Hoofdlijnenakkoord (jeugd/preventie-enveloppe) zijn voor dat doel middelen uitgetrokken, namelijk € 0,5 miljoen in 2005 oplopend tot € 2,0 miljoen voor 2007 en volgende jaren.

60

Wat zij tot dusverre de resultaten van de sluitende aanpak bij het bestrijden van kindermishandeling?

Op 1 juli 2003 is in opdracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport door de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK) een start gemaakt binnen de vier regio's waar een sluitende aanpak gerealiseerd moet worden. Dat zijn de regio's Westelijke Mijnstreek, Zaansteek/Waterland, Flevoland en Amsterdam-Noord. De regio's gebruikten als basis enkele notities die door de landelijke projectmanagers zijn opgesteld, waaronder een overzicht van werkwijzen en methoden die zich inmiddels bewezen hebben en waarin stap voor stap het zorgcontinuüm wordt beschreven. In alle regio's wordt momenteel een onderzoek afgerond naar het bestaande aanbod van voorzieningen en naar knelpunten die een sluitende aanpak van kindermishandeling kunnen belemmeren. Het onderzoek kan worden omschreven als een procesevaluatie en een effectevaluatie. De vier regio's hebben, onder begeleiding van de landelijke projectmanagers, inmiddels de organisatie rond de pilots opgebouwd, ieder hun eigen plan van aanpak opgesteld en zijn begonnen met de uitvoering van de plannen.

61

Kunnen de grafiek en de tabel in figuur 2: Pupillen voogdij- en gezinsvoogdij-instelling nader worden toegelicht? Welke grootheid is in de Y-as gebruikt? Gaat het om aantallen of om euro's? Waarom staat dat er niet bij?

Nagelaten is om figuur 2 een duidelijke kop te geven. Figuur 2 had als titel moeten hebben: «Aantal maatregelen op 1 oktober pupillen voogdij- en gezinsvoogdij». Dan was duidelijk geweest dat de genoemde aantallen in de grafiek (grootheid in de Y-as) en in de tabel het aantal maatregelen op 1 oktober betreffen.

62

Waarom bleek het nog niet mogelijk gevalideerde beleidsinformatie zoals in- en uitstroomcijfers te presenteren? Als het ministerie deze gegevens elk kwartaal van de instellingen ontvangt, dan is het toch ook mogelijk deze in het jaarverslag te presenteren? Is het kabinet bereid deze gegevens alsnog aan de Tweede Kamer te verstrekken? Zo neen, waarom niet? Waarom is de eigen registratie van gegevens bij het ministerie anticiperend op de Wet op de jeugdzorg al op 1 januari 2003 beëindigd, terwijl op dat moment bekend was dat deze wet niet voor 1 januari 2004 in werking zou treden?

Bij de beoordeling van de beleidsinformatie die ik heb ontvangen over de eerste drie kwartalen van 2003 bleek dat de instroomcijfers onvoorziene en onverklaarbare stijgingen lieten zien. Overleg met het veld wees uit dat de belangrijkste oorzaken moesten worden gevonden in definitieproblemen en registratieproblemen bij de instellingen. Inmiddels is de beleidsinformatie over geheel 2003 binnen en blijkt dat over het jaar 2003 met name de beleidsgegevens over de Ondertoezichtstelling (OTS) onvoldoende betrouwbaar zijn. De gegevens over Voogdij, Voorlopige Voogdij en Jeugdreclassering bleken overeen te stemmen met de verwachtingen.

Samen met het veld is een traject gestart om de betrouwbaarheid van de beleidsgegevens over 2004 op het gewenste niveau te brengen. De verwachting is dat de maatregelen reeds in 2004 leiden tot eenduidige en betrouwbare beleidsinformatie.

De belangrijkste reden voor het opheffen van de eigen pupillenadministratie was dat een dubbele registratie, zowel door de individuele instellingen als door Justitie, niet doelmatig is. Daarbij kwam dat met de Wet op de Jeugdzorg de verantwoordelijkheid voor de subsidiering overgaat naar de Provincies en Grootstedelijke Regio's, waardoor in ieder geval een einde zou komen aan de pupillenadministratie. Leidend bij mijn beslissing de eigen administratie in 2003 op te heffen, was dat gesubsidieerde instellingen zelf verantwoordelijk moeten zijn voor het leveren van betrouwbare beleids- en verantwoordingsinformatie. Teneinde de betrouwbaarheid van de financiële informatie, die een belangrijke rol speelt bij de subsidieverstrekking, te kunnen verzekeren wordt van de controlerend accountant een rechtmatigheidsoordeel gevraagd. De wijze waarop hij tot dat oordeel dient te komen en de toleranties die daarbij gelden heb ik vastgelegd in een aangescherpt controleprotocol.

Aanvullend op de maatregelen om ook de beleidsinformatie op het gewenste niveau te brengen, wordt momenteel in het kader van de invoering van de Wet op de Jeugdzorg nader uitgewerkt op welke wijze jaarlijks objectief kan worden vastgesteld dat de beleidsinformatie voldoende betrouwbaar is.

De instroomgegevens over 2003:

 Begroot 2003Realisatie 2003
Instroom voogdij800973
Instroom Voorlopige Voogdij80330
Instroom Ondertoezichtstelling5 500N.B.
Instroom reguliere jeugdreclassering4 2405 588
Instroom ITB Harde Kern700398
Instroom ITB Criem1 000579

Toelichting bij de tabel:

Bij het opstellen van de begroting 2003 waren er geen realisatiecijfers over 2002 beschikbaar. Op basis van de realisatiecijfers over het jaar 2002 zijn in de begroting van 2004 de verwachtingen met betrekking tot de jeugdreclassering voor het jaar 2002 bijgesteld. De toename in de instroom van reguliere jeugdreclassering is naar boven bijgesteld en de toename in de instroom van ITB Harde Kern (Individuele Trajectbegeleiding) en ITB Criem is naar beneden bijgesteld.

De instroom voor reguliere jeugdreclassering moet worden toegeschreven aan de intensiveringen op het terrein van de aanpak van jeugdcriminaliteit. De instroom van ITB Harde Kern komt redelijk overeen met de verwachtingen op basis van de realisatie over 2002. De instroom voor ITB Criem is achter gebleven bij de verwachtingen op basis van de realisatie van 2002. Voor een verdere toelichting op de achtergebleven instroomcijfers ITB verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 67 en naar bladzijde 90 van mijn jaarverslag over 2003.

De instroom voor reguliere jeugdreclassering moet worden toegeschreven aan de intensiveringen op het terrein van de aanpak van jeugdcriminaliteit. De instroom van ITB Harde Kern komt redelijk overeen met de verwachtingen op basis van de realisatie over 2002. De instroom voor ITB Criem is achter gebleven bij de verwachtingen op basis van de realisatie van 2002. Voor een verdere toelichting op de achtergebleven instroomcijfers ITB verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 67 en naar bladzijde 90 van mijn jaarverslag over 2003.

63

Waarom is het geïnde bedrag op het gebied van wettelijke onderhoudstaken achtergebleven bij de doelstelling en zelfs gezakt ten opzichte van 2002?

De daling van het door het LBIO geïnde bedrag ten opzichte van de vordering wordt in de eerste plaats veroorzaakt door het gestegen aantal zaken in 2003. De vorderingen van deze zaken zijn op het jaar 2003 ingeboekt maar de inning van deze zaken zal voor een belangrijk deel pas na 2003 plaatsvinden omdat een betalingsregeling moet worden getroffen. In de tweede plaats is in 2003 een andere boekingswijze bij het LBIO ingevoerd die tot een daling van het percentage leidt. Deze veranderde boekingswijze was nog niet verdisconteerd in de norm zoals geformuleerd in de begroting 2003 waardoor de realisatie per definitie afwijkt van de begroting. De veranderde boekingswijze heeft tevens tot gevolg dat de inningspercentages in 2002 en 2003 niet geheel vergelijkbaar zijn.

64

Hoe verklaart het kabinet het forse verschil tussen het begrote percentage strafzaken bij de Raad voor de Kinderbescherming dat binnen de norm voor doorlooptijden wordt afgedaan (80%) en het gerealiseerde percentage (59%)? Wat is het effect van de bezuinigingen op dit percentage?

De doorlooptijden blijven achter door een combinatie aan factoren. Allereerst blijkt de instroom aan achteraf hoger te zijn dan de instroom waar bij het opstellen van de begroting 2003 is uitgegaan. Deze hogere instroom compenseert in negatieve zin de vorderingen die de Raad heeft gemaakt bij het terugdringen van de onderzoekstijd bij strafzaken. Daardoor is het lastig de wachtstapels weg te werken. Daarnaast blijkt dat het totstandkomen van het casusoverleg meer inspanningen voor de ketenpartners met zich meebracht dan destijds werd verwacht. Tot slot heeft de implementatie van de noodzakelijke wijzigingen in de organisatie, normen, werkmethoden meer tijd meer gevergd dan ingeschat.

Zie ook vraag 55.

65

Waarom heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2003 geen nadere uitwerking gegeven aan de ontwikkeling van nadere prestatie-indicatoren?

Ik ben van mening dat de huidige prestatie-indicatoren in begroting en verantwoording toereikend zijn om het parlement te informeren over de prestaties van de Raad. Voor zijn interne sturing heeft de Raad voor de Kinderbescherming overigens wel extra prestatie-indicatoren in ontwikkeling c.q. in gebruik genomen.

66

Wat waren en zijn de doelstellingen bij het aantal maatregelen Reguliere jeugdreclassering?

De algemene doelstelling van jeugdreclassering is het bieden van hulp en steun, begeleiding en toezicht en/of (verplichte) nazorg aan jeugdigen die met politie en justitie in aanraking zijn gekomen wegens het plegen van een strafbaar feit. Het gaat hierbij om: 1) het tegengaan dan wel het voorkomen van een (verdere) criminele carrière en 2) het vergroten van het handelingskader en/of het realiseren van een attitude- en gedragsverandering bij de betrokken jongeren.

Voor de realisatiecijfers voor reguliere jeugdreclassering verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 62.

67

Hoe is de onbekendheid met de trajecten Individuele Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern en ITB Criem en de niet-optimale samenwerking tussen de verschillende ketenpartners te verklaren? Op welke manier worden deze problemen aangepakt?

De onbekendheid waarover in het jaarverslag wordt gesproken betrof met name ITB Criem. De bekendheid met ITB Criem was naar verhouding iets minder groot doordat deze variant slechts in een beperkt aantal grote steden mocht/mag worden uitgevoerd. Aan deze situatie komt binnenkort een einde: in het kader van de uitvoering van het actieprogramma Jeugd Terecht zal ITB Criem binnen enkele maanden landelijk worden ingevoerd. Tevens zal een methodiekbeschrijving breed worden verspreid. Overigens heeft ITB Criem inmiddels al aan bekendheid gewonnen; in de meeste grote steden is het aantal zaken het afgelopen jaar gestegen.

Het probleem van de niet-optimale samenwerking heeft vooral zijn uitwerking gehad op de instroom bij ITB Harde Kern. Toepassing van deze vorm van ITB is in de uitvoering door de (jeugd)reclassering afhankelijk van sluitende afspraken met de ketenpartners. De politie speelt een rol in de controle en het OM moet snel kunnen handelen als een jongere de voorwaarden overtreedt. In de loop van 2003 is een start gemaakt om de samenwerking te verbeteren in reguliere overleggen zoals de Arrondissementale Platforms Jeugdcriminaliteit en de Justitiële Casus Overleggen. ITB Harde kern heeft zich in 2003 goed ontwikkeld en het aantal jongeren dat op deze wijze begeleid wordt is redelijk in overeenstemming met de streefwaarden van «Jeugd terecht».

68

Welke materiële uitgaven zijn door de gerechten uitgesteld? Wanneer zullen deze uitgaven alsnog gedaan worden?

In 2003 is door de gerechten ten aanzien van automatiseringsapparatuur en -programmatuur en meubilair en stoffering minder uitgegeven. Het gaat hierbij veelal om het uitstellen van investeringen ter vervanging. De verwachting van de Raad voor de rechtspraak is dat (een deel van) deze investeringen dit jaar en komend jaar alsnog worden gedaan.

69

Waar moet aangedacht worden als er wordt gesproken over een «meetsysteem van het rechterlijk functioneren»? Hoe werkt dit systeem?

Het meetsysteem van het rechterlijk functioneren is een systeem dat het gerechtsbestuur in staat stelt de kwaliteit van het rechterlijk functioneren in zijn gerecht voortdurend te meten. Op basis van die metingen is het gerechtsbestuur in staat de kwaliteit aantoonbaar en dus bespreekbaar te maken, zodat «kwaliteit» in evenwicht kan worden gebracht met «kwantiteit» bij besturing en financiering.

Het rechterlijk functioneren is onderscheiden in vijf gebieden, te weten:

– Onpartijdigheid en integriteit

– Deskundigheid

– Bejegening

– Rechtseenheid

– Snelheid en tijdigheid

De gebieden worden op hun beurt gemeten aan de hand van zogenoemde prestatie-indicatoren, d.w.z. kenmerken van een meetgebied waarover op een betrekkelijk eenvoudige en betaalbare manier gegevens te verzamelen zijn. Het verzamelen van gegevens gebeurt middels registratiesystemen, audits en klantwaarderingsonderzoeken. De gegevens leiden in onderling verband en samenhang tot een beeld van de prestaties van een gerecht op het betrokken meetgebied.

70

Hoe beoordeelt het kabinet de stijging en de redenen van de stijging van de doorlooptijden van strafzaken en het niet tijdig aanleveren van rapportages door ketenpartners, zoals door de Raad voor de Rechtspraak wordt aangegeven?

In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat de doorlooptijd van strafzaken in eerste aanleg is toegenomen. Politierechterzaken en strafzaken bij de kinderrechter worden sneller afgedaan. Ook slagen de strafsectoren van rechtbanken erin de vonnissen, waarbij hoger beroep is ingesteld, sneller uit te werken. Wel is de duur van behandeling van strafzaken bij de meervoudige kamer toegenomen.

Het is terecht dat de Raad voor de rechtspraak erop wijst dat strafrechtsectoren bij de rechtbanken maar ten dele de doorlooptijd van strafzaken in de hand hebben. Voldoende rechterlijke capaciteit en een hoge productie, zijn op zich geen garantie voor korte(re) doorlooptijden. Een belangrijke voorwaarde is een goed functionerende strafketen, waarin diverse betrokken partners zich houden aan deadlines en gemaakte afspraken. Om tot een betere ketenafstemming te komen, hecht het kabinet veel waarde aan de arrondissementale beraden. Deze zijn gaandeweg geëvolueerd van soms nog relatief vrijblijvende samenwerking, naar meer onderling bindend ketenoverleg.

71

Wat is de oorzaak van de grote stijging van het aantal ingestroomde civiele zaken? Wat is er gedaan om deze instroom te beperken? Hoeveel extra strafzaken hadden afgehandeld kunnen worden indien de extra civiele capaciteit hiervoor was ingezet?

Uit het jaarverslag van de Raad voor de rechtspraak 2003 blijkt dat een deel van de groei van de instroom van civiele zaken verband houdt met een verslechterde economische situatie in Nederland. Met name door een toename van het aantal faillissementen, ontbindingen van de arbeidsovereenkomst en een stijging van het aantal handelszaken voor de kantonrechter met een belang onder 5000 euro is de werklast bij de civiele sectoren van de gerechten in de afgelopen jaren toegenomen. Daarnaast is de instroom van zaken met betrekking tot het bewind over meerderjarigen, de BOPZ-zaken en de afgifte van «akten en verklaringen» in de afgelopen jaren gestegen. Omdat de stijging van het aantal ingestroomde civiele zaken juist voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door verslechterde economische omstandigheden is het niet goed mogelijk om voor deze categorieën zaken maatregelen te nemen, die de instroom zouden kunnen beperken.

De beantwoording van de vraag hoeveel extra strafzaken afgehandeld hadden kunnen worden is niet direct te beantwoorden. Niet alleen is van belang hoeveel strafzaken de Zittende Magistratuur (ZM) extra zou kunnen afdoen, maar de ZM is tevens afhankelijk van andere ketenpartners en dan met name het Openbaar Ministerie (OM). De lokale gerechten en de parketten maken jaarlijks afspraken middels de convenanten over de hoeveelheid en type zaken die het OM aanbrengt bij de ZM. Zoals aangegeven in mijn reactie op het jaarverslag van de rechtspraak d.d. 19 mei jl. (kenmerk 5286423/04) heeft de rechtspraak het aanbod van zaken vanuit het OM kunnen verwerken. Het is niet meer na te gaan wat het OM had kunnen aanbrengen in 2003 aan de ZM.

72

Kan het kabinet de resterende besparing van € 2 miljoen van 4.1.3. verklaren? Met welk doel is deze besparing uitgevoerd?

Het is mij niet duidelijk op welke passage in het jaarverslag u doelt wanneer u spreekt over een besparing van € 2 miljoen op artikel 4.1.3. Ik neem dan ook aan dat u doelt op de ca. € 2 miljoen hogere ontvangsten t.o.v. de oorspronkelijke begrotingsraming. Het betreft hier personeels gerelateerde ontvangsten die direct samenhangen met daaraan gekoppelde uitgaven zoals voor kinderopvang, pc-privé en het vervoersplan en daarnaast ontvangsten die gerelateerd zijn aan extra uitgaven bij de Centrale Justitiële Documentatiedienst t.b.v. specifieke projecten. Vanwege de variaties in deze uitgaven en daarmee samenhangende ontvangsten worden deze jaarlijks geraamd en daarmee gedurende het jaar bij suppletore wet gecorrigeerd in de budgettaire kaders. Het gaat hiermee dus niet om een mee- of tegenvaller, maar om een budgettaire correctie.

73

Kan het kabinet verduidelijken wat de doorlooptijden van de toevoegingen zijn? Kan tevens worden aangeven waar in het kengetallenoverzicht de afgegeven toevoegingen worden gepresenteerd?

De doorlooptijd van een toevoegingsaanvraag bij de Raden voor rechtsbijstand is een kwestie van enkele dagen.

De doorlooptijd van een toevoeging – van aanvraag tot feitelijke betaling – varieert van enkele weken tot een aantal jaren. Dit is afhankelijk van de lengte van de procedure of – indien het een adviestoevoeging betreft – de complexiteit van het probleem.

In het kengetallenoverzicht op pagina 101 staat het aantal afgegeven toevoegingen per rechtsgebied vermeld.

Het aantal asieltoevoegingen staat in dit overzicht niet vermeld, omdat de kosten van rechtsbijstand asiel worden toegerekend naar de instroom: in 2003 zijn er circa 33 500 asieltoevoegingen afgegeven.

74

Kan het kabinet nader verklaren waarom de toename van de productie van de stichtingen rechtsbijstand gelijk is aan de inkomensafhankelijke toevoegingen?

Bij de betreffende passage in de financiële verantwoording moet «is gelijk aan» worden gelezen als «evenals». De stichtingen zijn actief op het terrein van civiele- en bestuursrechtelijke zaken en in mindere mate reguliere strafzaken. De toename van de vraag op deze terreinen is zichtbaar bij zowel deze toevoegingen als bij de stichtingen.

75

Kan een onderscheid in cijfers gemaakt worden tussen het aantal particulieren en het aantal (ex-)ondernemers dat een beroep op de Wet schuldsanering natuurlijke personen doet?

Het aantal particuliere Wsnp-zaken bedroeg 7 539 en het aantal (ex-)ondernemerszaken 1471.

76

Waar duiden de percentages «Heenzendingen» in de tabel Prestatiegegevens op?

Door de opbouw van de tabel kan de indruk ontstaan dat de eerste reeks percentages betrekking zou hebben op de heenzendingen. Dit is dus onjuist.

De percentages in de tabel hebben betrekking op de onderliggende cijferreeksen. Zij geven aan hoe de aantallen IVO's en SOB's in de realisatie van 2003 zich percentueel verhouden tot de realisatie in 2002 respectievelijk de begroting van 2003.

77

Waarom is de streefnorm voor de crisisopvang onder toezicht gestelde jeugdigen niet gehaald? Wat wordt er concreet ondernomen om deze norm wel te halen?

De grote toename van het aantal crisisplaatsingen heeft ertoe geleid dat ondanks herbestemming van capaciteit voor deze categorie jeugdigen de norm niet geheel gehaald is. Bezien is hoe de tendens van als maar stijgende crisisplaatsingen gekeerd kan worden. Daartoe zijn verschillende evaluatieonderzoeken uitgevoerd. Tevens is een werkgroep ingesteld waarin ook vertegenwoordigers van de provincies en zorgleveranciers participeren. De werkgroep buigt zich over de optimalisering van het zorgaanbod voor ernstige gedragsgestoorde jeugdigen. De werkgroep rondt haar werkzaamheden op korte termijn af. Voor het zomerreces wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de evaluatieonderzoeken, de bevindingen van de werkgroep en de conclusies die daaraan worden verbonden.

78

Wat vindt het kabinet van het extreem lage percentage (3,5% terwijl 45% was verwacht) jeugdigen met een maatregel voor plaatsing in een jeugdinrichting (PIJ-maatregel) dat binnen een maand na het onherroepelijk worden van hun vonnis vanuit de opvanginrichting overgeplaatst kon worden naar een behandelinrichting? Waarop was de verwachte 45% gebaseerd? Waarom is deze verwachting bij lange na niet gehaald? Wat doet het kabinet om de volgens hem twee belangrijkste oorzaken (onvoldoende doorstroming van jongeren met een specialistische problematiek en het sterk gestegen aantal personen dat onder toezicht is gesteld) aan te pakken?

Het is teleurstellend dat slechts 3,5% van de jeugdigen met een pij-maatregel binnen de streefnorm van één maand na het onherroepelijk worden van het vonnis konden worden overgebracht naar een behandelinrichting. Het percentage van 45% was gebaseerd op de verwachting dat met een gelijkmatige toename van vraag en aanbod in de behandelinrichtingen de doelstelling in de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 23 april 2001 (TK, 27 400 VI) zou kunnen worden gerealiseerd. De grote toename van het aantal civielrechtelijke plaatsingen, het aantal jeugdigen dat is aangewezen op specialistische behandeling en de beperkte extramurale voorzieningen waarheen kan worden uitgestroomd verklaren de druk op de behandelinrichtingen. Er is een werkgroep ingesteld waarin ook vertegenwoordigers van de provincies en zorgleveranciers participeren. De werkgroep buigt zich over de optimalisering van het zorgaanbod voor ernstige gedragsgestoorde jeugdigen en zoekt naar alternatieven voor plaatsingen in justitiële jeugdinrichtingen. De werkgroep rondt haar werkzaamheden op korte termijn af.

79

Hoe verklaart het kabinet het aantal personen dat ondertoezicht is gesteld en binnen een week wordt geplaatst in een crisisopvang is gedaald van 80% in 2002 naar 78% in 2003, terwijl een stijging naar 100% was voorzien? Wat doet het kabinet om de streefnorm van 100% te bereiken?

De afname van 80% naar 78% ten opzichte van de beoogde stijging naar 100% van het aantal crisisplaatsingen binnen een week is geheel toe te schrijven aan de grote toename van het aantal crisisplaatsingen. Gezocht wordt naar alternatieven voor crisisplaatsing in justitiële jeugdinrichtingen.

80

Valt het grote verschil tussen het verwachte percentage (90%) en het werkelijke percentage jeugdigen met een PIJ-maatregel, dat in 2003 uitstroomde via een scholings- en trainingsprogramma of via proefverlof (21%) alleen te verklaren door «aanloopproblemen met deze nieuwe modaliteit»? Wat waren deze aanloopproblemen? Wat waren andere oorzaken?

Het tegenvallend aantal scholings- en trainingsprogramma's en proefverloven is te verklaren uit aanloopproblemen zoals gewenning aan een nieuwe modaliteit, beperkte erkenning van programma's, afspraken over de prijzen met ketenpartners. Daarnaast lijken in de praktijk de formele vereisten en de procedure belemmerend te werken. Daarom wordt onderzocht of de criteria en de procedure bijstelling behoeven met instandhouding van de kwaliteit om uitstroom via het aantal scholings- en trainingsprogramma's en proefverloven te bevorderen.

81

Hoe komt het dat het aantal jeugdigen dat te maken krijgt met nachtdetentie vrijwel alleen voor rekening komt van de beide inrichtingen waar deze vorm van detentie al enige jaren op experimentele basis voorkomt? Wat doet het kabinet om ervoor te zorgen dat nachtdetentie landelijk wordt ingevoerd?

Nachtdetentie is per september 2003 landelijk ingevoerd. Alle opvanginrichtingen hebben regionale convenanten gesloten met het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering. Het aantal nachtdetenties in het eerste kwartaal van 2004 bedroeg 65. Daarmee zijn de verwachtingen ruim gehaald. Naast het Joc en De Hartelborgt is nachtdetentie ten uitvoer gelegd in De Doggershoek, De Sprengen, 't Nieuwe Lloyd en De Heuvelrug. Gezien de korte periode sinds invoering en de ontwikkelingen zie ik thans geen aanleiding de mogelijkheden van nachtdetentie nadrukkelijker te bevorderen.

82

Waarom wordt overwogen om de streefnorm voor het aantal jeugdigen dat in de laatste fase van de straf of maatregel heeft deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma of via proefverlof, te verlagen? Waarop is die norm gebaseerd? Moet niet worden getracht aan de bestaande norm te voldoen? Zo ja, hoe? Zo neen, waarom niet?

De tegenvallende resultaten van het aantal deelnemers aan scholings- en trainingsprogramma's en proefverloven alsook de vergelijkbare ervaring met de penitentiaire programma's zijn aanleiding geweest voor een herbezinning op de streefnorm. De oorspronkelijke norm is gebaseerd op een beredeneerde aanname over het percentage van de jeugdigen dat scholings- en trainingsprogramma's niet afmaakt. Deze aanname blijkt niet realistisch.

Zie ook het antwoord op vraag 80.

83

Hoeveel capaciteit is in 2003 door personele problemen onttrokken?

Bij de justitiële jeugdinrichtingen waren gedurende de maanden januari t/m juni 2003 in totaal 46 plaatsen op personele gronden onttrokken en van juli t/m september in totaal 38 plaatsen. Dit betrof in hoofdzaak de reorganisatie van De Hunnerberg (38 plaatsen van januari t/m september). Bij De Hunnerberg spelen ook organisatorische redenen.

84

Wanneer zullen de resultaten van de oplossingsrichtingen voor de voortdurende TBS-passantenproblematiek beschikbaar zijn?

Er zijn drie oplossingsrichtingen voorgesteld voor de passantenproblematiek:

(i) tijdelijke capaciteitsuitbreiding met goedkopere plaatsen,

(ii) forensisch psychiatrisch toezicht verbeteren, en

(iii) behandelvoorzieningen in het gevangeniswezen creëren.

De tijdelijke capaciteitsuitbreiding heeft als resultaat 118 extra plaatsen die voor het overgrote deel in 2004 beschikbaar komen en naar verwachting in 2005 volledig zijn gerealiseerd. Het feit dat de plaatsen goedkoper zijn betekent niet dat er minder behandeling plaatsvindt.

Het forensisch psychiatrische toezicht is een pilot waarmee dit najaar wordt gestart. Naar verwachting levert de pilot in 2004 een extra instroom op van 5 tbs-patiënten: in totaal zal de pilot ruim 20 patiënten extra laten instromen waarmee de wachtlijst wordt verminderd.

De behandelvoorzieningen in het gevangeniswezen worden dit najaar in de vorm van een pilot ingevoerd en hebben naar verwachting in 2004 ongeveer 5 extra plaatsen tot gevolg: in totaal zal de pilot ongeveer10 extra plaatsen gaan opleveren.

Als beide pilots succesvol zijn worden het forensisch psychiatrisch toezicht en de behandelvoorzieningen in het gevangeniswezen in 2005 breder ingevoerd.

85

Wat is het verband tussen de doelstelling «reïntegratie strafrechtelijke justitiabelen» en de prestatiegegevens die op pagina 121 worden weergegeven? Wordt door de in de groeiparagraaf aangekondigde effectmeting daadwerkelijk voorzien in kwantificeerbare doelen en realisatiecijfers met betrekking tot reclassering?

De prestatiegegevens staan in direct verband met de operationele doelstelling «het bewerkstelligen van reïntegratie door gerichte advisering, begeleiding en toezicht van strafrechtelijke justitiabelen». De prestatiegegevens zijn de producten, die de reclasseringsorganisaties in opdracht van Justitie leveren aan de rechterlijke macht of de Dienst Justitiële Inrichtingen. Deze producten zijn gericht op het bezien en zo nodig mogelijk maken van activiteiten, die gericht zijn reïntegratie.

In het streven de effectiviteit van reclasseringsactiviteiten te verbeteren en inzichtelijk te maken worden thans in het programma «Terugdringen recidive» belangwekkende stappen gezet op het gebied van het ontwikkelen en toepassen van wetenschappelijk gefundeerd diagnose-instrumentarium en gedragsinterventies. Daarnaast zal in het kader van het zogeheten ontwikkeltraject reclassering een breed samengestelde werkgroep een advies uitbrengen over op welke wijze voor alle reclasseringsactiviteiten zo adequaat mogelijke effectmeting, inclusief kwantificeerbare doelen en realisatiecijfers, vorm kan krijgen.

86

Betekent het feit dat de resultaten van het evaluatie onderzoek naar Halt pas in 2005 bekend worden en het gestelde dat pas door dit onderzoek «relevante prestatie-indicatoren» beschikbaar zullen komen, dat er tot die tijd niets valt te zeggen over de effectiviteit van Halt?

Dit betekent inderdaad dat er voor 2005 geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken gedaan kunnen worden over de effectiviteit van Halt. In de loop van 2005 zal het wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van Halt gereed zijn.

87

Hoeveel procent van de aangeboden transacties wordt niet geaccepteerd? Welk gedeelte daarvan wordt afgedaan door de rechter? Tegen hoeveel procent van de bestuurlijk opgelegde boetes wordt beroep aangetekend bij de rechter? Wat is er gebeurd in de gevallen waarbij de boete niet betaald werd?

Uit cijfers van het Centraal Justitieel Incassobureau blijkt dat 36,9% van de transacties niet wordt betaald. Tegen boetes opgelegd volgens de WAHV systematiek dient eerst beroep te worden ingesteld bij de Officier van Justitie, in voorkomende gevallen is vervolgens beroep mogelijk bij de kantonrechter. Uit de cijfers blijkt dat de totale instroom van de WAHV 10 570 030 is geweest. Hiervan resulteert 3,2% in een beroep bij de Officier van Justitie. Van het totaal aantal zaken belandt uiteindelijk 0,3 % bij de kantonrechter.

Wanneer een boete in het kader van WAHV niet volledig betaald wordt binnen de daartoe gestelde termijn wordt getracht verhaal te nemen. Mocht dit niet tot betaling leiden dan kunnen een aantal dwangmiddelen worden toegepast, bijv. inname rijbewijs, buitengebruikstelling voertuig en gijzeling.

88

Waaraan is het te danken dat het Centraal Justitieel Incassobureau meer zaken ter inning aangeleverd kreeg dan begroot? Zal dit naar verwachting ook voor het begrotingsjaar 2004 gelden?

Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft in 2003 met name meer WAHV-zaken aangeleverd gekregen. Deze zaken krijgt het Centraal Justitieel Incassobureau ter verwerking van haar ketenpartners. Wanneer deze partners meer aanleveren zal het Centraal Justitieel Incassobureau, binnen haar mogelijkheden, meer verwerken.

Het aantal geplande zaken voor 2004 is in overleg met de ketenpartners tot stand gekomen. Dit betekent echter niet dat het uiteindelijk aantal verwerkte zaken, om bovenvermelde reden, hier niet van af zal kunnen wijken.

89

Op welke manier is de eenmalige extra bijdrage van € 20,3 miljoen aan de IND gefinancierd?

Door middel van een eenmalige extra bijdrage van het moederdepartement in 2003. In de periode 2004–2006 zal dit bedrag worden verrekend door de bijdrage van het moederdepartement met in totaal het zelfde bedrag te verlagen.

90

Kan het kabinet uiteenzetten welke wezenlijke veranderingen precies zijn doorgevoerd om de uitvoeringsorganisaties in de vreemdelingenketen te ontlasten? Zijn zij daadwerkelijk ontlast en heeft dit geleid tot een vermindering van het aantal procedures?

Het jaar 2003 heeft weinig ruimte gekend om te komen tot maatregelen die tot taakverlichting voor de uitvoeringsorganisaties leiden. Veeleer is in 2003 uitvoering gegeven aan extra taken, zoals de uitvoering van de zogeheten Eenmalige regeling voor langdurig in Nederland verblijvende uitgeprocedeerde asielzoekers en aan de beantwoording van brieven die naar aanleiding van een toezegging van de toenmalige minister voor V&I op 14 januari 2003 zijn ontvangen (de zogeheten 14–1 brieven).

Overigens is in 2003 wel het wetsvoorstel tot aanpassing van de rechterlijke toets vreemdelingenbewaring behandeld, tot en met de goedkeuring door uw Kamer van het voorstel in december 2003. Indien dit voorstel tot daadwerkelijke wetswijziging leidt, mag een zichtbare vermindering van het aantal beroepsprocedures worden verwacht. Dit zal ketenorganisaties als de Vreemdelingenkamer en de IND duidelijk ontlasten. Ook zijn er in 2003 de nodige verbeteringen in de informatievoorziening geïmplementeerd die er toe hebben geleid dat organisaties in de keten efficiënter informatie met elkaar kunnen uitwisselen.

91

Wanneer kan de implementatiewetgeving betreffende de Richtlijn Status voor langdurig ingezeten onderdanen van derde landen worden verwacht?

Op 6 juni 2003 is er een politiek akkoord bereikt op de richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Op 25 november 2003 is de richtlijn formeel aangenomen. De richtlijn is op 23 januari 2004 gepubliceerd. Dit betekent dat de richtlijn uiterlijk 23 januari 2006 geïmplementeerd dient te zijn. De verwachting is dat deze implementatietermijn wordt gehaald. De implementatie van deze richtlijn vergt een wijziging van wet- en regelgeving, met daarbij de vereiste adviestrajecten ( Raad van State, ACVZ). Op dit moment is een conceptwijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 in voorbereiding.

92

Kan het kabinet aangeven wat de resultaten zijn van de diverse gemeenschappelijke acties die in 2003 op het gebied van grensbeheer hebben plaatsgevonden?

Nederland heeft bijgedragen aan de realisatie van een tweetal risicoanalyses door het gemeenschappelijke risicoanalysecentrum (RAC) in Helsinki. De analyses vormden de basis voor de gemeenschappelijke operaties die door het luchtgrenscentrum (in oprichting), het landgrenscentrum, de zeehavencentra (in oprichting) en diverse lidstaten werden georganiseerd.

Het luchtgrenscentrum heeft een operationele actie gecoördineerd waarbij 13 luchthavens, onder meer ook Schiphol , zijn betrokken. De actie, van beperkte duur, was gericht op de onderkenning van illegale immigratie en/of mensensmokkel van Chinezen. In totaal zijn 2 mensensmokkelaars aangehouden, 19 valse documenten aangetroffen en 44 illegale immigranten onderkend. Verder is door het luchtgrenscentrum een gemeenschappelijk «Rule Book» samengesteld en zijn «Practical Instructions on Border Procedures» vastgesteld. Daarnaast is het EUBIN-systeem geïnstalleerd, waardoor informatie-uitwisseling tussen de grensbewakingsdiensten op de luchthavens mogelijk is.

In 2003 is verder een zevental maritieme grensbewakingsoperaties gehouden. Nederland heeft deelgenomen aan drie operaties. Een operatie in de Noorse wateren was gericht op kennisname van elkaars werkwijzen. Een tweetal operaties waaraan door Nederland met waarnemers werd deelgenomen, werd uitgevoerd bij de Spaanse Zuidkust/Ceuta/Melilla en bij de Italiaanse eilanden Lampedusa en Pantelleria. De Spaanse operatie stond in het teken van het ervaring opdoen met het gemeenschappelijk gebruik van voertuigen en vliegtuigen bij patrouilles, alsmede het gebruik van technisch geavanceerde apparatuur. Bij de actie zijn 18 boten onderschept met in totaal 465 illegale immigranten.

Het landgrenscentrum heeft een zevental gemeenschappelijke operaties gecoördineerd. Aan drie daarvan is deelgenomen door Nederland. Bij twee operaties was sprake van controle aan de oostgrens van Duitsland en Oostenrijk door gemengd samengestelde ploegen van grensbewakingsambtenaren. Bij een operatie werd in samenwerking met het centrum voor technologie (UK) de «Passive Millemetric Wave» apparatuur getest, voor de onderkenning van personen in afgesloten laadruimten van vrachtwagens. De resultaten van deze operaties zijn tot op heden nog niet bekend.

Door het gemeenschappelijk centrum voor opleidingen is een zogenaamd «Common Core Curriculum» samengesteld. Dit document bevat gemeenschappelijke gestelde opleidingseisen voor grensbewakingsambtenaren.

93

Kan het kabinet inzicht geven hoe de beleidsmatige beoogde scheiding tussen de opvangmodaliteiten voor alleenstaande minderjarige asielzoekers budgettair heeft uitgewerkt? Wat zijn de oorzaken van de problemen om een methodiek voor opvang in de zogenoemde terugkeervariant te ontwikkelen dan wel de campus te operationaliseren? Wat zijn de resultaten aangaande de zogenoemde integratievariant?

De gescheiden invoer van de opvangmodaliteiten voor alleenstaande minderjarige asielzoekers heeft in de loop van het verslagjaar geleidelijk plaatsgevonden en heeft geleid tot de inrichting van 8 transitielocaties. Het overgrote deel van de kostensoorten die betrekking hebben op ama's zijn gelijk aan die van volwassen asielzoekers. Dat wil zeggen dat de opvangkosten voor ama's integraal deel uitmaken van de totale uitgaven voor opvang. Dit heeft tot gevolg dat een uitsplitsing van de budgetten voor de ama's niet kan worden gemaakt. Wel zijn de kosten ten behoeve van de ama-campus in beeld gebracht. Dit is mogelijk omdat de ama-campus in pilotvorm tot stand is gekomen. In 2003 bedroegen de uitgaven inclusief de «normale» exploitatiekosten €10,3 miljoen. Het aandeel exploitatie bedroeg € 4,3 miljoen. Voor de aanleiding en evaluatie van de ama-campus verwijs ik u gaarne naar de ama-beleidsbrief van 1 mei 2001 (TK 27 062, nr.14) en de brief van 18 november 2002 (TK 27 062, nr. 19) en de brief van 22 december 2003, kenmerk 5248950/03/DJC.

94

Welke factoren zijn debet aan het grote verschil tussen de voorziene instroom (11 000) en de daadwerkelijke instroom in de AC procedure (4600)?

Het verschil tussen de voorziene instroom en de gerealiseerde instroom in de AC-procedure wordt voornamelijk veroorzaakt door het grote verschil tussen de geprognosticeerde en gerealiseerde totale instroom van asielzoekers in 2003 (25 000 vs. 11 600). Het gedeelte van de asielinstroom dat in 2003 daadwerkelijk op het Aanmeldcentrum een beslissing heeft gekregen lag met 40% nagenoeg op het niveau van de prognose voor dat jaar.

95

Kan het kabinet aangeven wat de overige redenen zijn geweest en wat de budgettaire gevolgen zijn van het hoger aantal afgehandelde bezwaarschriften dan verwacht, hetgeen mede veroorzaakt werd door de verlate invoering van de Veegwet II?

Naast de latere invoering van Veegwet II is ook de hoger dan geraamde productie van de vreemdelingenkamers in asielzaken aanleiding geweest voor een hoger aanbod asiel bezwaarzaken. In circa 16% van de gevallen dient naar aanleiding van de uitspraak van de rechter opnieuw een (bezwaar)beslissing door de IND genomen te worden.

De budgettaire gevolgen van 3 400 extra asiel bezwaarzaken voor de IND zijn: circa 30 fte's tegen een middenloonsom van € 50 000 is € 1,5 miljoen.

96

In hoeverre valt het lagere gerealiseerde aantal afgehandelde naturalisatieverzoeken te wijten aan de lagere personeelscapaciteit Naturalisatie?

Inderdaad hangt de lagere productie geheel samen met de beschikbare capaciteit bij Naturalisatie. De achterstanden lopen inmiddels sterk terug doordat organisatorische maatregelen zijn genomen.

97

Kan het kabinet nader toelichten waarom er in verband met de krimp van de opvangcapaciteit € 66,3 miljoen meer is uitgegeven? Wat is de verhouding tussen deze krimp en de onderbezetting in de opvang?

Als gevolg van onderbezetting van de centra is € 19 miljoen meer uitgegeven. De onderbezetting is ontstaan omdat in een centrum, nadat is aangekondigd dat het centrum wordt gesloten, geen nieuwe asielzoekers meer worden geplaatst. Het duurt enige weken voordat een centrum geheel leeg is en kan worden afgestoten. De vaste lasten worden dan niet meer gedekt door bezette plaatsen. Voor de overige kosten verbonden aan krimp is € 47,3 miljoen meer uitgegeven. Deze kosten worden onder meer veroorzaakt door het voortijdig opzeggen van contracten, het vervroegd afvloeien van personeel, het beëindigen van subsidierelaties met derden en afwaarderen van Materiële Vaste Activa.

98

Kan inzicht worden gegeven in de stijging van extra uitgaven aan ziektekosten voor asielzoekers terwijl de instroom is gedaald? Klopt het dat het gaat om asielzoekers die voor 2003 in Nederland verbleven en wier medische situatie bekend was? Is er een relatie met herkomstlanden, dan wel bepaalde ziekten of aandoeningen? Is er een relatie met toenemende verzoeken om verblijfsvergunningen om humanitaire redenen? Is er een plotselinge, niet te verklaren toename aan medische behandelingen? In hoeverre werken deze onvoorziene uitgaven door naar volgende jaren?

De bepalende factoren voor de stijgende ziektekosten bij asielzoekers zijn:

– Verblijfsduur: Asielzoekers die langer dan 3 jaar in de opvang verblijven veroorzaken gemiddeld 25% meer medische kosten dan asielzoekers die korter dan 3 jaar in de opvang verblijven. Deze meerkosten liggen met name op het gebied van GGZ-zorg en op het gebied van medicijngebruik (Psychofarmaca). Het percentage asielzoekers dat langer dan 3 jaar in de opvang verblijft is toegenomen van 30% in 2001, naar 40% in 2002 en naar 47% in 2003. De toename van de gemiddelde verblijfsduur in de opvang heeft derhalve een prijsopdrijvend effect.

– Stagnerende uitplaatsing van asielzoekers met hoge medische kosten: uit de door de zorgverzekeraar verstrekte gegevens is gebleken dat asielzoekers met een structureel hoge medische consumptie in 2000 en 2001 slechts sporadisch de opvang hebben verlaten. Pas in 2002 is de uitstroom van asielzoekers met hoge medische consumptie op gang gekomen, maar met 15% nog ver achter gebleven bij de gemiddelde uitstroom in die periode (ruim 30%). In 2003 is de uitstroom van deze groep »dure» asielzoekers toegenomen tot circa 30% maar blijft achter bij de gemiddelde uitstroom uit de opvang. Het gevolg is een absolute toename van het aantal asielzoekers met «dure» medische kosten (meer dan € 6500,– in 2003) van 1881 asielzoekers in 2002 tot 2092 asielzoekers in 2003. Hoewel de toename in absolute zin gering is, betekent dit in relatieve zin een toename van 44% wanneer afgezet tegen de gemiddelde bezetting in die jaren. De gemiddelde kosten in deze groep bedroegen € 21 350 per asielzoeker per jaar. Ruim 90% van deze asielzoekers met hoge medische kosten betrof asielzoekers die reeds vóór 2003 in Nederland zijn aangekomen.

– Instroom van dure doelgroepen: zowel in absolute als in totale aantallen valt een toename te constateren van asielzoekers met significante medische problematiek. Uit de analyse van de schadecijfers van de ziektekosten blijkt dat bij asielzoekers die op grond van artikel 64 Vw tot de opvang worden toegelaten, en bij quotum vluchtelingen de ziektekosten gemiddeld 3 maal zo hoog zijn. Het aantal personen uit die categorie is in 2003 zowel in relatieve als in absolute zin sterk toegenomen.

Over de relatie tussen kosten en herkomstlanden zijn geen gegevens beschikbaar. Over de relatie tussen kosten en bepaalde aandoeningen zijn geen gegevens beschikbaar met uitzondering van kosten samenhangend met dialyse. Het aantal dialysepatiënten is na een stijging van 60 asielzoekers in 2000 naar 79 asielzoekers in 2002, afgenomen naar 65 asielzoekers in 2003.

De relatie met de toename van het aantal asielzoekers dat op grond van artikel 64 tot de opvang wordt toegelaten en met het aantal quotum vluchtelingen is hiervóór reeds toegelicht. Voor beide groepen geldt dat medische factoren van doorslaggevende betekenis zijn voor toelating tot de opvang.

Naast de hierboven geschetste ontwikkelingen zijn er bij de analyse van de ziektekosten geen aanwijzigen voor een meer dan normale toename van medische behandelingen.

Een prognose van doorwerking van de onvoorziene uitgaven naar volgende jaren is niet te geven. Hierbij spelen onvoorspelbare gegevens een rol. Het betreft bijvoorbeeld de duur dat asielzoekers in de opvang zullen verblijven, het aantal asielzoekers dat zal worden toegelaten op basis van artikel 64 Vw, de uitstroom van asielzoekers met medische problematiek.

99

In hoeverre wordt de onderuitputting van de gelden, als gevolg van verminderde aantallen vreemdelingen die opvang genieten in Tijdelijke Noodvoorzieningen en decentrale opvang en lagere kosten aangaande de opzet van een ama-campus, besteed aan het vergroten van de veiligheid in de opvangcentra, in het bijzonder van vrouwen en minderjarigen?

Volgens de geldende subsidiebepalingen is het COA gerechtigd binnen de afgegeven subsidiekaders tot op zekere hoogte tekorten op budgetonderdelen te compenseren met overschotten op andere budgetonderdelen. In dit kader is voor de implementatie van maatregelen die voortvloeien uit het onderzoek naar de veiligheid van vrouwen en meisjes in de opvang een bedrag van € 850 000,- vrijgemaakt. De ama-campus betreft een meerjarige pilot. Een tekort met betrekking tot het ene jaar kan worden gecompenseerd met een overschot uit een ander jaar. Na afloop van de totale pilotperiode wordt de subsidie over de gehele periode vastgesteld.

100

Kan het kabinet de bekostigingssystematiek voor het COA toelichten?

In september 2000 heeft het kabinet besloten een bedrijfsvoeringsonderzoek uit te voeren bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers dat ondermeer tot doel had te komen tot een resultaatgericht besturingsmodel. De uitkomsten van dit onderzoek zijn weergegeven in het Rapport «Zoeken naar een kostprijsmodel voor een herkenbare sturingsrelatie» van 18 januari 2002. Op 14 juni 2002 heeft het kabinet aan de Voorzitter van de Tweede Kamer dit rapport aangeboden en het hierop betrekking hebbende kabinetsstandpunt kenbaar gemaakt.

Naar aanleiding van genoemd rapport zal de subsidierelatie ingrijpend worden veranderd.

De veranderingen hebben betrekking op de relatie Justitie-COA en wel met de rolverdeling eigenaar/opdrachtgever en opdrachtnemer, de inrichting van de COA-begroting, de relevante vermogensvorming, prestatie-indicatoren en de hierbij behorende kostprijzen.

101

Wat zijn de gronden voor afwijzing door de Europese Unie van 40% van de projectaanvragen aangaande integratie, vrijwillige terugkeer en opvang? Kan het kabinet de Tweede Kamer informeren over de goedgekeurde projectaanvragen?

Allereerst moet worden opgemerkt dat het niet de Europese Unie is die projectaanvragen goedkeurt of afwijst. De bevoegde autoriteit in Nederland is het Ministerie van Justitie, alwaar het Programmasecretariaat EVF is ondergebracht. De feitelijke beoordeling van de projecten vindt plaats in een interdepartementale stuurgroep aan de hand van formele en inhoudelijke toetsingscriteria. Die vloeien deels voort uit de Europese regelgeving terzake en deels uit nationaal te hanteren criteria. Over deze criteria wordt met potentiële projectindieners gecommuniceerd in een jaarlijks uit te brengen programmeringsdocument.

Dat in 2003 circa 40% van de ingediende projectaanvragen is afgewezen heeft als reden dat deze projectaanvragen niet voldeden aan één of meer van de gestelde formele of inhoudelijke toetsingscriteria, dan wel dat bij een onderlinge vergelijking van de projecten die wel aan die eisen voldeden andere projecten naar het oordeel van de stuurgroep «beter scoorden». Die onderlinge vergelijking was nodig omdat het aan subsidie gevraagde bedrag in 2003 het hiervoor door de Europese Unie aan Nederland ter beschikking gestelde bedrag overtrof.

Overigens is er in het Jaarverslag bij de volumegegevens van EVF een storende fout geslopen wat betreft de aantallen afgewezen projectaanvragen in 2001 en 2002. Die aantallen moeten respectievelijk luiden 18 en 19. De toegevoegde «1» betreft de verwijzing naar de bij de tabel behorende noot.

Het tweede deel van de vraag kan worden beantwoord met het navolgende overzicht van in 2003 gesubsidieerde organisaties.

Voorwaarden voor de opvang:

– S&O Stichting voor opvoedingsondersteuning

– Nationaal Jeugdfonds Jantje Beton

– Trans Psychosocial Organization

– Stichting WereldWijd

– Stichting Vluchtelingenwerk Midden-Gelderland

– Pharos, Kenniscentrum Vluchtelingen en Gezondheid

– Nationale Stichting ter Bevordering van Vrolijkheid

– SAMAH

Integratie:

– Belastingdienst/CICT

– Trans Psychosocial Organization

– Stichting Tweede Kans Computers

– Stichting BMP

– Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF

– Stichting Mondiale Samenwerking

– Pharos, Kenniscentrum Vluchtelingen en Gezondheid (2 projecten)

– Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF

– Stichting Vluchtelingenwerk Utrecht

– AMC/de Meren

– Verwey-Jonker Instituut

Vrijwillige terugkeer:

– Cordaid

– Stichting Vluchtelingenwerk Utrecht

– Internationale Organisatie voor Migratie

– XONAR minderjarige asielzoekers

102

Welke kosten waren gemoeid met de inzet van vrijgekomen politiepersoneel ter intensivering van het vreemdelingentoezicht? Wat zijn verhoudingsgewijs de bereikte resultaten?

De intensivering van het vreemdelingentoezicht heeft niet tot extra kosten geleid. De politiecapaciteit die vóór de taakoverdracht belast was met de uitvoering van toelatingstaken is voor de helft ingezet voor de intensivering van het vreemdelingentoezicht. Het budget behorend bij het andere deel is overigens beschikbaar gekomen voor de uitvoering van de overgedragen toelatingstaken door de IND.

Het jaar 2003 was voor de taakoverdracht enerzijds en de intensivering van het vreemdelingentoezicht anderzijds een overgangsjaar; de taakoverdracht – en daarmee het beschikbaar komen van capaciteit voor geïntensiveerd vreemdelingentoezicht – is in april 2004 afgerond. Van zichtbare resultaten in 2003 kan daarmee geen sprake zijn; deze worden per 2004 verwacht.

103

Wanneer zullen de strategiepapers zoals aangekondigd in de Terugkeernota van 21 november 2003 aan de Tweede Kamer worden toegezonden?

In de terugkeernota is uw Kamer gemeld dat de regering ten behoeve van een vergroting van de effectiviteit van het terugkeerbeleid strategieën zal ontwikkelen ten aanzien van een aantal prioriteitslanden.

Vooraleerst wordt opgemerkt dat de verantwoordelijkheid en de regierol bij het ontwikkelen van deze landenspecifieke strategieën is neergelegd bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Justitie participeert hierin.

Momenteel wordt per land in beeld gebracht wat exact de aard en omvang van de terugkeer problematiek is. Daarnaast wordt bezien hoe in het kader van het algehele beleid van de minister van Buitenlandse Zaken ten aanzien van deze landen kan worden bijgedragen aan terugkeer.

Naast de verdere ontwikkeling van de genoemde landenstrategieën, vindt er reeds regelmatig overleg plaats met buitenlandse autoriteiten over terugkeer van eigen onderdanen en andere migratieaangelegenheden. Dit gebeurt zowel door medewerkers van het Ministerie van Justitie als door medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als ook gezamenlijk.

104

Kan inzicht worden gegeven in de bestemmingslanden van de 2906 vreemdelingen die in samenwerking met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) geholpen zijn bij vrijwillige terugkeer?

De top 5 van landen van herkomst waarnaar in 2003 zelfstandig vertrek door middel van IOM heeft plaatsgevonden is als volgt:

Servië-Montenegro337
Angola227
Iran218
Bosnië195
Oekraïne173

105

Heeft de niet ten uitvoerlegging van de maatregel om illegaal verblijf strafbaar te maken financiële gevolgen? Zo ja, welke?

Het strafbaar stellen van illegaal verblijf zou mogelijk een signaalfunctie kunnen hebben. Het kabinet heeft echter overwogen dat de bestrijding van illegaal verblijf primair de feitelijke beëindiging van het verblijf vereist. Met het strafbaar stellen van illegaal verblijf zou, als het aankomt op hechtenis, het verblijf daarentegen echter zelfs worden verlengd. Gelet op de relatief geringe ernst van de strafbare gedraging en de beperkte capaciteit van OM en politie ligt het – gezien ook de capaciteit die nodig is voor handhaving van andere in de maatschappij als ernstig ervaren strafbare feiten – in de lijn der verwachting dat het handhavings- en vervolgingsbeleid selectief zouden zijn. Daarom heeft het kabinet overwogen dat vooralsnog niet zou moeten worden overgegaan tot strafbaarstelling van illegaal verblijf. Ten opzichte van de huidige situatie heeft dit geen financiële gevolgen.

106

Wat wordt er verstaan onder «geregistreerde verwijderingen»? Wat waren de personele kosten van de toegenomen inspanningen ten aanzien van illegalen?

De zogeheten «geregistreerde verwijderingen» omvatten zowel de situaties waarin wordt vastgesteld dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten, als de situaties waarin het niet langer aanwezig zijn van de vreemdeling administratief wordt vastgesteld.

De extra inspanningen ten aanzien van illegalen zien niet zozeer op extra personele inzet, maar op meer toegespitste aandacht voor de bestrijding van illegaal verblijf.

107

Waarom worden er geen onderhandelingen inzake terug- en overname overeenkomsten gevoerd met landen waar het merendeel van de asielzoekers vandaan komt?

De keuze van de landen waarmee wordt onderhandeld over terug- en overname wordt bepaald door een samenspel van factoren. Een lijst van landen die ten aanzien van terugkeer prioriteit krijgen is opgenomen in de Terugkeernota. Voor deze prioriteitslanden wordt momenteel nagegaan welk terugkeerinstrument het meest geëigend is. Afspraken op het gebied van terug- en overname behoren daarbij tot de mogelijkheden. Het aantal asielzoekers in Nederland dat afkomstig is uit het betreffende land weegt mee bij het antwoord op de vraag of het land prioriteit moet krijgen maar is, zoals hierboven is aangegeven, niet de enige factor. Nederland onderhandelt met een aantal landen van herkomst over terug- en overnameovereenkomsten in het kader van de BENELUX samenwerking. In dat samenwerkingsverband is een aantal overeenkomsten met belangrijke herkomstlanden tot stand gekomen. Bovendien is de Europese Commissie door de Lidstaten gemandateerd om te onderhandelen over terug- en overnameovereenkomsten. Daaronder bevinden zich ook voor Nederland belangrijke landen. Omdat de totstandkoming van terug- en overnameovereenkomsten over het algemeen veel tijd in beslag neemt, is met een aantal, voor terugkeer belangrijke, landen een Memorandum of Understanding overeengekomen om tot praktische en directe bilaterale samenwerking te komen op dit gebied. Tenslotte is de Nederlandse regering overeengekomen dat in beginsel in alle bilaterale overeenkomsten die door Nederland worden gesloten een terug- en overnameclausule zal worden opgenomen. Ook hiervoor is een lijst van prioriteitslanden vastgesteld.

Overigens is een deel van de asielzoekers afkomstig uit landen waarvoor een categoriaal beschermingsbeleid geldt. Dat betekent dat verwijdering door de Nederlandse overheid naar dergelijke landen om humanitaire redenen niet plaatsvindt. In die situatie kunnen ook onderhandelingen over terug- en overname (tijdelijk) niet aan de orde zijn.

108

Kan inzicht worden gegeven in de bestemmingslanden van de 55 600 personen waarbij de IND «activiteiten verrichtte ten behoeve van hun terugkeer»? Vallen diegenen die vrijwillig terugkeerden onder dit aantal?

Het land waarnaar verwijderd wordt, wordt niet geregistreerd in het systeem van de IND. In de meeste gevallen zullen de vreemdelingen zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. Voor de categorie ex-asielzoekers waren de belangrijkste landen van herkomst van de vertrokken personen Somalië, Iran, Irak, Angola, Joegoslavië, Turkije, China, Soedan, Sierra Leone, Afghanistan.

Voor de categorie verwijderde reguliere vreemdelingen en aangetroffen illegalen zijn de volgende 10 landen de meest belangrijke landen van herkomst: Turkije, Marokko, Polen, Bulgarije, Roemenië, Joegoslavië, Frankrijk, China, Algerije, Nigeria. Diegenen die vrijwillig terugkeerden vallen onder het aantal van 55 600 personen.

109

Kan inzicht gegeven worden in de bestemmingslanden van de 1701 personen die daadwerkelijk door de Koninklijke Marechaussee zijn uitgezet? Gaat het hier om personen die illegaal in Nederland verbleven of na hun asielprocedure uitzetbaar werden? In hoeveel gevallen ging het om personen die (mede) om verrichte misdrijven uitzetbaar werden? Zijn deze 1701 personen onderdeel van het totaal van 55 600 waarvan sprake is op pagina 143 en waarbij de IND activiteiten verrichtte ten behoeve van hun terugkeer?

Het gaat hier om vreemdelingen die in 2003 door de Koninklijke Marechaussee zijn uitgezet vanuit de Uitzetcentra. Omdat verwijderingen vanuit de Uitzetcentra niet als zodanig geregistreerd worden kan geen inzicht worden gegeven in de bestemmingslanden van deze specifieke groep. De genoemde 1701 personen maken inderdaad deel uit van de totale groep van 55 600 personen die met inzet van onder andere de IND zijn teruggekeerd. Voor een inzicht in de landen van herkomst van deze groep verwijs ik u naar het antwoord op vraag 108.

110

Wat was de gemiddelde bezettingsgraad van de plaatsen in de uitzetcentra? Hoe staat dit in verhouding tot het extra gebruik van politiecellen voor vreemdelingenbewaring en op welke wijze is dit extra gebruik bekostigd?

De gemiddelde capaciteit voor de uitzetcentra was voor 2003 geraamd op 200 plaatsen. De gemiddelde bezetting kwam mede door gefaseerde ingebruikname uit op 94 plaatsen. De hieruit afgeleide bezettingsgraad bedraagt bijna 50%. In 2003 zijn met de beschikbare plaatsen in de uitzetcentra 1701 verwijderingen gerealiseerd. De overcapaciteit is in 2003 veelal ingezet voor bewaring van arrestanten. Bekostiging hiervan vond plaats door herschikking in 2003 van middelen betreffende de uitvoering van de nota MST.

111

Waarom hebben de projectaanvragen met betrekking tot het stimuleren van de positieverbetering van etnische minderheden vertraging opgelopen? In hoeverre zorgt deze vertraging voor achterstand in het bereiken van actief en volwaardig burgerschap voor etnische minderheden?

In de Experimentele Stimuleringsregeling Opvang en Integratie Antilliaanse jongeren is een centrale rol toebedeeld aan lokale initiatiefnemers, waaronder gemeenten en corporaties. De projectaanvragen die door de initiatiefnemers in eerste instantie waren ingediend voldeden niet aan alle voorwaarden uit de subsidieregeling. Deze aanvragen zijn derhalve teruggestuurd aan de initiatiefnemers met het verzoek om alsnog aan te geven hoe aan alle voorwaarden van de regeling wordt voldaan.

Door de vertraging bij het indienen van de projectaanvragen zullen de projecten later van start gaan. Dit betekent dat het langer duurt voordat de doelgroep van de regeling, problematische Antilliaanse jongeren, bereikt en geholpen wordt.

112

Waaraan komt de onderuitputting van in totaal € 4,8 miljoen ten goede, die ontstond door vertraging bij het indienen van projectaanvragen?

De € 4,8 miljoen is, in lijn met de Comptabiliteitswet, teruggevloeid naar de algemene middelen. Dit is ook opgenomen in de Slotwet (TK, 29 586, nr. 2).

113

Kan het kabinet verklaren dat het aantal gestarte oudkomerstrajecten in de eerste helft van 2003 flink achterblijft bij het verwachte aantal? Hoeveel trajecten zijn er in 2003 afgerond?

Zie vraag 114.

114

Heeft het achterblijven van het aantal gestarte oudkomerstrajecten, en de daardoor lager uitgevallen kosten, geleid tot verhoogde kwaliteit van de trajecten?

Uit de gegevens, verzameld via de Monitor Inburgering, blijkt dat in de eerste helft van 2003 in totaal 5 746 oudkomers (5 309 in de G54 en 437 in de niet-G54) zijn gestart. Uit de voorlopige cijfers1 over de tweede helft van 2003 blijkt dat in totaal 13 568 oudkomers (11 973 in de G54 en 1 595 in de niet-G54) zijn gestart. Dit brengt het totaal aantal starters in 2003 op 19 314. Dit is hoger dan de streefwaarde van 18 000 starters zoals aangegeven in de Begroting 2003 (TK, 28 600 hoofdstuk VI, nr. 2, p. 278)

Het aantal afronders was in de eerste helft van 2003 in totaal 2 470 (2 461 in de G54 en 9 in de niet-G54). Uit de voorlopige cijfers van de tweede helft van 2003 blijkt dat in totaal 4 318 (4 243 in de G54 en 75 in de niet-G54) hun programma hebben afgerond. Dit brengt het totaal aantal afronders op 6 788 personen. Dit is veel lager dan het aantal van 12 000 dat als streefwaarde werd gegeven in de Begroting van 2003. Hier liggen verschillende oorzaken aan ten grondslag. De gemeenten zijn later dan verwacht grotere aantallen oudkomers een programma gaan aanbieden, de uitval was vooral in de eerste jaren hoger dan verwacht en de doorlooptijd van de programma's langer.

Onder de regeling inburgering oudkomers die van 1999 tot eind 2003 van kracht was waren gemeenten niet verplicht het jaarlijks ter beschikbaar gestelde budget in hetzelfde jaar te besteden. Er kan dus niet worden geconcludeerd dat de kosten lager zijn uitgevallen en de kwaliteit, op basis daarvan, zou zijn verhoogd.

115

Wat omvat de afspraken die met het COA zijn gemaakt over de start van de inburgering van vergunninghouders in de centrale opvang?

In aanloop naar inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel kan het COA aan vergunninghouders een op maatwerkgericht aanbod kan doen om met de inburgering in de opvang te beginnen. Het traject dat de vergunninghouders volgen vormt een voorloper op de door de gemeenten in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers uit te voeren inburgeringsprogramma's. Het COA zal zorg dragen voor het geven van Nederlandse taalles, en kennis van de Nederlandse samenleving. Tevens wordt zoveel mogelijk al in de opvang aan IDW (internationale diplomawaardering) en EVC (erkennen van elders verworven competenties) gedaan. Met COA is afgesproken dat het verrichten van inburgeringsactiviteiten in de opvang in geen geval mag leiden tot vertraging bij uitplaatsing. Om ervoor te zorgen dat de al in de opvang verrichte activiteiten aansluiten op (het aanbod van) de inburgering in de gemeente waar betrokkene wordt gehuisvest, krijgt iedere vergunninghouder een persoonlijk dossier mee dat tevens overhandigd wordt door het COA aan de gemeenten. Het project loopt door tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel in 2006.

116

Op welke wijze is de tegenvaller van € 26 miljoen wegens niet ontvangen inkomsten opgelost? Zijn hiertoe financiële middelen van andere onderdelen van de begroting overgebracht?

Zoals vermeld in de 2e suppletore begroting 2003, is deze tegenvaller het gevolg van het gewijzigde beleid van de regering zoals is vastgesteld in het Hoofdlijnenakkoord (HA). De eerder ingezette beleidslijn uit het Strategisch Akkoord (SA), die tot extra ontvangsten had moeten leiden is met het HA van de baan. Bij de 2e suppletore wet is dit gemeld. De tegenvaller is voor € 20 miljoen ten laste gekomen van de algemene middelen en voor € 6 miljoen ten laste van de inburgeringsgelden.

117

Wat is de reden/zijn de redenen dat de gemiddelde huisvestingstermijn per vergunninghouder langer is dan zes maanden?

Het ambitieniveau van de huisvesting van vergunninghouders binnen gemiddeld zes maanden is in 2003 nog te hoog gebleken. Reden hiervan is dat in totaliteit te weinig woonruimte door de gemeenten is aangeboden om de in de opvang verblijvende vergunninghouders tijdig te huisvesten. Bovendien slagen de vergunninghouders er zelf niet in binnen de streeftermijn woonruimte in een gemeente te vinden. Gemeenten en de eerste lijnstoezichthouders (provincies en kaderwetgebieden) hebben aangegeven dat een stagnerende woningmarkt in de gemeenten hier voor een belangrijk deel debet aan is. Daarenboven bestaat het aanbod van uit te plaatsen vergunninghouders voor het overgrote deel (ruim 70%) uit alleenstaanden, waarvoor passende huisvesting schaars beschikbaar komt. Tijdens het bestuurlijke overleg van 8 maart 2004 met de VNG, het IPO en de Kaderwetgebieden hebben alle ketenpartners nogmaals de maatschappelijke urgentie onderstreept om de vergunninghouders zo snel mogelijk vanuit de centrale opvangvoorzieningen in reguliere woonruimte in de gemeenten te huisvesten. Hierbij is de noodzaak erkend dat de achterstanden per 1 januari 2005 moeten zijn weggewerkt en dat tevens de taakstellingen van 2004 volledig gerealiseerd moeten zijn. Het rijk heeft benadrukt dat dit als een resultaatsverplichting voor alle gemeenten wordt beschouwd. De minister van VROM zal op basis van de gegevens per 1 januari 2005 bezien of in voorkomende gevallen de haar ter beschikking staande middelen ter zake de realisering van de wettelijke huisvestingstaakstelling zullen moeten worden ingezet.

118

Op welke wijze is invulling gegeven aan de meevaller van € 9 miljoen op de uitgaven voor de VVTV-uitkering (voorlopige vergunning tot verblijf)?

De uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de ex-Zorgwet VVTV worden uit het zgn. «generale budget» gefinancierd. Uit dit budget worden zowel tegenvallers als meevallers met betrekking tot de begrotingsuitvoering bekostigd. Deze meevaller vloeit derhalve terug naar 's Rijks schatkist.

119

Blijft het na intrekking van de Remigratiewet op enigerlei wijze mogelijk de remigratie te ondersteunen van personen die wensen terug te keren naar het land van herkomst en die dit niet zelfstandig kunnen realiseren? Zo ja, op welke manier?

Neen, dit is niet mogelijk. Het Kabinet ziet de remigratie als een persoonlijke keuze en een eigen verantwoordelijkheid van het individu. Daarbij ziet het Kabinet geen reden voor overheidsbemoeienis. Het Kabinet wil investeren in de integratie en niet in het remigreren naar het buitenland. Het hoofddoel is de eigen verantwoordelijkheid van de burger te benadrukken. Overigens worden de bestaande uitkeringen aan remigranten, die al in het buitenland verblijven, voortgezet.

120

Waarom zijn de programma-uitgaven op artikel 7.1 ruim € 22 miljoen lager uitgevallen dan begroot? Waarom zijn de apparaatsuitgaven ruim € 55 miljoen hoger dan begroot?

De lagere programma-uitgaven (€ 22,5 miljoen) worden in hun geheel en de hogere apparaatsuitgaven worden gedeeltelijk (€ 15,9 miljoen van de € 55,5 miljoen) verklaard door een technische correctie. Hierdoor zijn apparaatsuitgaven gerealiseerd (€ 15,9 miljoen) die op programma waren begroot (circa € 22,5 miljoen). Het betreft hier onder meer uitkeringen in het kader van onrechtmatige detentie en overige schadeloosstellingen.

De resterende verhoging van het apparaatsbudget (€ 39,6 miljoen) wordt met name veroorzaakt door:

– een herschikking van eerder opgelegde taakstellingen en oplossing van een aantal Justitieproblemen. Hiertoe is bij 1e suppletore begroting 2003 een verhoging aangebracht van € 12,7 miljoen;

– overlopende verplichtingen uit 2002, gefinancierd uit de eindejaarsmarge (circa € 12,0 miljoen);

– een desaldering van € 5,8 miljoen in verband met diverse extra werkzaamheden verricht voor diensten en producten, die zijn doorberekend aan derden en waar ontvangsten tegenover staan;

– de loon- en prijsbijstelling (circa € 1,9 miljoen);

– de huisvesting van Eurojust (€ 2,9 miljoen), de betaling van KLM-facturen (€ 2,5 miljoen) en de impactanalyse Shared Service Centre/ HRM (€ 0,7 miljoen).

121

Waar komen de extra gelden vandaan met betrekking tot de overschrijdingen op toelating asiel/regulier en integratie van minderheden (respectievelijk € 35,3 en € 19,8) en waar is het aan uitgegeven?

Voor operationele doelstelling 6.1.3 geldt dat de gelden zijn uitgegeven aan de uitvoering van de taken die door de Vreemdelingendiensten zijn overgedragen aan de IND (€ 10 miljoen). Daarnaast heeft de IND een eenmalige extra bijdrage ontvangen van € 20,3 miljoen om het negatief eigen vermogen, dat eind 2003 is ontstaan, weg te werken. De bijdrage aan de IND is voor de jaren 2004 t/m 2006 met een zelfde bedrag verlaagd. De overige gelden hebben o.a. betrekking op de reguliere loon- en prijsbijstelling 2003.

Verder blijkt uit het jaarverslag dat de uitgaven voor integratie € 19,679 miljoen meer bedroegen dan oorspronkelijk geraamd in de Ontwerpbegroting. Hieraan liggen de volgende mutaties ten grondslag:

Het budget voor «Integratie» (beleidsartikel 6.4) bij 3e nota van wijziging op de Justitie begroting van 2003 was € 314 205 000. Bij 1e suppletore wet is hieraan toegevoegd een bedrag van € 24,343 miljoen. Dit bedrag heeft voornamelijk betrekking op een taakstelling op inburgering die per abuis op de uitgaven in plaats van op de ontvangsten is geboekt. Bij 1e suppletore wet is dit gecorrigeerd. De gelden zijn uitgegeven aan inburgering.

Tevens is bij 2e suppletore wet per saldo € 2,683 miljoen aan het budget toegevoegd. Dit bedrag is een resultaat van verschillende desalderingen, meevallers en tegenvallers op de vier Operationele Doelstellingen van «Integratie». Voor de precieze verdeling van de gelden verwijs ik naar de 2e suppletore begroting 2003.

Bij Slotwet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 586, nr. 1) is een onderuitputting van € 7,347 miljoen aangemeld.

Samengevat geeft dit het volgende beeld:

1e suppletore wet€  24 343 000
2e suppletore wet€  2 683 000
Slotwet€ – 7 347 000
Totaal extra gelden genoemd in jaarverslag€ 19 679 000.

122

Waarom is het aantal aanspraken op de Stimuleringsregeling weerbaarheid tegen seksueel misbruik van kinderen zo ver achtergebleven bij de verwachting?

In 2000 en 2001 hebben respectievelijk 33 en 32 basisscholen gebruik gemaakt van de Stimuleringsregeling Criminaliteitspreventie om door middel van het Marietje-Kesselsproject kinderen in de groepen 7 en 8 te leren zich weerbaar op te stellen tegen (seksueel) machtsmisbruik.

Het aantal projecten in het basisonderwijs gaf grond voor de veronderstelling dat de in 2003 ontwikkelde lesmodule «Wendbare weerbaarheid», die geënt is op het Marietje-Kesselsconcept, zich in het voortgezet onderwijs in een vergelijkbare belangstelling zou mogen verheugen. In totaal hebben in 2003 elf middelbare scholen een subsidieverzoek ingediend, zeven aanvragen konden niet gehonoreerd worden omdat zij niet aansloten bij het Marietje-Kesselsconcept. Er is geen onderzoek verricht naar de oorzaak van het achterblijven van het aantal aanvragen.

123

Waaruit is de forse onderbesteding bij artikel 3.4.5. van € 17,4 miljoen, behalve door de € 6,4 miljoen onderbesteding op Jeugd Terecht, nog meer te verklaren? Welke projecten en activiteiten zijn hierdoor niet uitgevoerd in 2003? Wanneer wordt dit geld wel uitgegeven?

Het grootste deel van het verschil tussen de goedgekeurde begroting en de realisatie kan worden verklaard door begrotingsoverhevelingen naar andere operationele doelstellingen tot een totaal bedrag van € 12,2 miljoen. Met deze begrotingsmutaties zijn de verschillende ketenpartners gecompenseerd voor de kosten die zij hebben gemaakt in het kader van de uitvoering van het actieprogramma «Jeugd Terecht» in 2003. Dit verschil betreft dus niet een onderbesteding, maar wordt veroorzaakt door het feit dat de middelen van «Jeugd Terecht» in afwachting van een nadere verdeling zijn geraamd onder deze Operationele doelstelling, terwijl de verantwoording van de kosten heeft plaatsgevonden onder andere operationele doelstellingen waar de verschillende ketenpartners zijn ondergebracht.

Buiten de projecten in het kader van «Jeugd Terecht» (zie mijn antwoord op vraag 124), zijn geen andere projecten vertraagd of niet in uitvoering genomen.

124

Waarom is een bedrag van € 6,4 miljoen dat was bestemd voor het actieprogramma Jeugd Terecht in 2003 niet besteed? Welke projecten en activiteiten zijn niet uitgevoerd? Wanneer wordt het bedrag wel besteed?

De onderuitputting van € 6,4 miljoen op «Jeugd Terecht» is vooral veroorzaakt doordat ten opzichte van de oorspronkelijke raming een aantal projectplannen nog niet, later in de tijd of op beperktere schaal in uitvoering konden worden genomen. De voorbereidingen en het noodzakelijke overleg daarover met direct betrokkenen vergden meer tijd dan aanvankelijk was voorzien. Daarnaast bleek bij de nadere uitwerking van activiteiten dat de kosten daarvan lager uitvielen dan oorspronkelijk geraamd. Door de vertraging zullen deze acties later dan gepland in uitvoering worden genomen. Hiermee is in de geactualiseerde meerjarenraming van «Jeugd Terecht» rekening gehouden.

Het betreft met name de pilots signaleringsgesprekken, de toetsing preventieprogramma's en de aansluiting/bevordering interfaces.

125

Kan de kasschuif van € 1,5 miljoen naar 2004, die wordt gebruikt om een knelpunt in de meerjarenraming Jeugd Terecht op te lossen, nader worden verklaard? Waaruit bestaat dat knelpunt?

In de loop van 2003 bleek dat het budget voor «Jeugd Terecht» niet geheel zou worden uitgegeven als gevolg van vertragingen in de uitvoering. Die vertragingen zouden ertoe leiden dat kosten zouden verschuiven van 2003 naar 2004 en verdere jaren. Voor het belangrijkste deel konden die vertragingen opgevangen worden door middel van het actualiseren van de ramingen.

Voor het jaar 2004 resteerde evenwel een knelpunt van € 1,7 miljoen. Dat knelpunt kon worden opgelost door middel van een kasschuif met het programma Modernisering Sanctietoepassing (MST). Uit de onderuitputting «Jeugd Terecht» is een knelpunt in 2003 bij MST opgelost, terwijl een 2004 een tegenovergestelde boeking kon plaatsvinden.

126

Kan het bedrag van € 4,6 miljoen aan toedeling ketengelden voor rechtsbijstand worden verduidelijkt?

De € 4,6 miljoen is gebaseerd op de extra inzet van de ketenpartners in het kader van het Veiligheidsprogramma (politie, OM en ZM) en vertaalt zich voor de rechtsbijstand in een toename van het aantal (straf)-toevoegingen en piketten met respectievelijk 4200 en 3600 in 2003.

127

Kan het kabinet het effect verklaren van de overboeking van € 1,5 miljoen vanuit het ministerie van Financiën op de justitiebegroting? Betreft het een overboeking naar het ministerie van Justitie?

Sinds het voorjaar van 2003 vallen vrije beroepsgroepen, waaronder advocaten en notarissen, onder de meld- en identificatieplicht in het kader van de Wet melding Ongebruikelijke Transacties (Wet MOT) en de Wet Identificatie bij Dienstverlening (WID). Met het ministerie van Financiën is overeengekomen dat het Bureau Financieel Toezicht (BFT) aangewezen is als toezichthouder. Ten behoeve van dit toezicht is door het ministerie van Financiën in 2003 een bedrag van € 1,5 miljoen overgeheveld naar het ministerie van Justitie.

128

Hoe verhoudt het temporiseren van de capaciteitsuitbreiding in de sector Justitiële Jeugdinrichtingen (de verwachte capaciteit is bijgesteld van 2457 naar 2315) zich tot het gesignaleerde grote tekort aan behandelplaatsen? Waarom is het geld dat is bespaard met het temporiseren (€ 23,8 miljoen) niet binnen de sector Justitiële Jeugdinrichting gebleven, maar ingezet voor capaciteitsuitbreiding in het gevangeniswezen, het realiseren van een tweetal uitzetcentra en in het in stand houden van tijdelijke TBS-capaciteit?

Op basis van de prognoses 2002 is de capaciteitsbehoefte van de justitiële jeugdinrichtingen neerwaarts bijgesteld en is besloten tijdelijk beschikbaar gestelde capaciteit van het gevangeniswezen eerder terug te geven. Bij de prognoses 2003 bleek dat de capaciteitsbehoefte weer verder steeg.

Het aantal van 2 315 betreft de totale capaciteitsbehoefte van opvang- en behandelinrichtingen. Een iets lagere groei op de totale capaciteit laat onverlet dat de behoefte aan behandelinrichtingen stijgt.

Het geld is niet binnen de sector Jeugd gebleven, omdat de prognoses een lagere stijging aan plaatsen justitiële jeugdinrichtingen lieten zien. Het was derhalve opportuun de vrijvallende middelen in te zetten ter beperking van de capaciteitsnood bij de andere sectoren van de Dienst Justitiële Inrichtingen.

129

Zijn de extra uitgaven aan het COA à € 375,3 miljoen (voor zover die worden veroorzaakt door het hogere gemiddeld aantal asielzoekers (63 906)) te herleiden tot de procedure die is gevolgd na de speech van de toenmalige minister voor V&I op 14 januari 2003, de kamerdebatten hierover en de uiteindelijke eenmalige regeling?

Dit verband is niet te leggen. Niet uitgesloten kan worden dat de zogenaamde 14–01 brieven effecten hebben gehad op de bezetting van de centrale opvang. De populatie die is bedoeld met de 14–01 brieven vormt één van de oorzaken van de achterstanden en had niet uitsluitend betrekking op asielzoekers maar betrof ook regulier. Bovendien is niet te kwantificeren in hoeverre de 14–01 brieven hebben geleid tot onomkeerbare beslissingen door de uitvoeringsorganisaties en welke (financiële) gevolgen dit heeft gehad. In dit verband wordt verwezen naar de brief aan de Tweede Kamer van 23 januari 2004 (TK, 19 637, 29 344, nr. 793).

130

Wat wordt er verstaan onder Justitiebrede problematiek waar het gaat om de inzet van de loonbijstelling 2002?

In december 2002 waren nog middelen uit de loonbijstellingstranche 2002 centraal gereserveerd voor de dekking van de nog af te sluiten CAO Rijk over 2001–2002. Gezien het late tijdstip in het jaar, december 2002, is besloten om deze middelen nog niet te verdelen naar de budgethouders. In 2003 is besloten deze middelen in te zetten voor de Justitiebrede problematiek.

131

Wat zijn de effecten van de vacaturestop en stop op de inhuur van externen op de uitvoering van de taken van de IND? Om wat voor soort extern personeel gaat het hier? Is de expertise van dit personeel intern aanwezig?

De vacaturestop heeft effect gehad op een gedeeltelijk lagere afhandeling van het aantal naturalisatieverzoeken dan gepland (zie ook vraag 96).

De inhuurstop van externen heeft nauwelijks effect gehad op de afhandeling van aanvragen, omdat deze maatregel betrekking had op de inhuur van organisatiedeskundigen en ICT-deskundigen voor projecten. In 2003 is de IND gestart om ICT-medewerkers in dienst te nemen om zodoende de expertise te waarborgen en de financiële taakstelling te realiseren en de afhankelijkheid van extern advies te verminderen.

132

Wat is de reden dat de verantwoordelijkheid voor de subsidierelatie met het IOM door de IND is overgedragen aan de directie Vreemdelingenbeleid?

Met inachtneming van de neutrale en onafhankelijke positie van de IOM is IOM evenals de IND als uitvoeringsorganisatie werkzaam op het terrein van terugkeer. Met het oog hierop is het passend geacht de subsidierelatie niet langer bij een uitvoeringsorganisatie te beleggen, maar deze bij het bestuursdepartement onder te brengen.

133

Kan meer inzicht gegeven worden in de toename van openstaande vorderingen en derhalve de voorziening debiteuren bij de IND als gevolg van het niet betalen van leges? Is de toename hiervan vooral te herleiden tot een groter aantal personen dan tevoren verwacht dat niet betaalt, of door de hogere legeskosten bij een gelijkblijvend percentage personen dat niet betaalt? Welke consequenties heeft het niet voldoen van leges voor de inhoudelijke afhandeling van een aanvraag?

De toename van de openstaande vorderingen per 31 december 2003 is tot stand gekomen door enerzijds de introductie van het heffen van leges op verlengingen per 1 augustus 2002 en anderzijds door de verhoging van de leges per 1 januari 2003. De voorziening is als gevolg daarvan ook gestegen. Tevens zijn de leges voor verlengingen vaker dubieus dan de leges voor een eerste aanvraag/wijziging aangezien de vordering wordt opgenomen voordat betrokkene daadwerkelijk hiervoor een aanvraag indient (de acceptgiro wordt tegelijkertijd met het aanvraagformulier opgestuurd). Het niet (op tijd) betalen van de leges brengt met zich mee dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.

134

Heeft de nieuwe kostprijssystematiek waartoe de bestaande agentschappen per 31 december 2004 aan moeten voldoen consequenties voor de legeshoogte die op kostprijs dient te zijn gebaseerd? Hoe wordt deze kostprijs voortaan jaarlijks in de hand gehouden, op basis van welke vorm van indexering? Betekent het uitgangspunt, dat leges tegen kostprijs worden aangeboden, dat er niet meer op kostenbeheersing dient te worden gelet?

De aanpassingen van de leges zoals opgenomen in de brief van de Minister van V&I (d.d. 28-5-2004, kenmerk 5282048/04DVB) en het bijgevoegde onderzoeksrapport zijn onder meer gebaseerd op het nieuwe kostprijsmodel van de IND. In de brief wordt tevens voorgesteld om de leges te indexeren aan de hand van het gewogen gemiddelde van 2 indexcijfers zoals die jaarlijks door het CPB in het CEP gepubliceerd worden.

Het uitgangspunt dat leges tegen kostprijs worden aangeboden betekent niet dat niet meer op kostenbeheersing dient te worden gelet. De kostprijs vormt een belangrijke doelmatigheidsindicator van de IND. Het monitoren van die kostprijs in meerjarig perspectief zorgt er dus voor dat er voortdurend naar kostenbeheersing wordt gekeken.

Voor een uitgebreide toelichting op de relatie tussen de kostprijzen en de leges wordt verwezen naar de eerder genoemde brief over de «Nieuwe legessystematiek» zoals die onlangs aan de Tweede Kamer is gestuurd.

135

Om wat voor panden van de Rijksgebouwendienst gaat het als wordt gesproken over het afstoten van deze gebouwen binnen de contractperiode? Om wat voor termijn gaat het?

Het gaat om van de Rijksgebouwendienst gehuurde panden die onderdeel uitmaken van de justitiële inrichtingen van het Gevangeniswezen en de TBS. De panden worden in het kader van het uitbreidingsprogramma afgestoten omdat continuering ervan in bouwkundig en economisch opzicht niet langer rendabel is. Hiervoor in de plaats zijn in het uitbreidingsprogramma (grootschaliger) aan-, ver- en nieuwbouwprojecten opgenomen. De termijnen van afkoop van de in de voorziening opgenomen panden loopt tot en met 2008.

136

Hoe komt groot onderhoud terug in de begroting en jaarverslag?

In het Jaarverslag 2003 is aangegeven waarom (met ingang van 2003) is besloten de voorziening groot onderhoud op te heffen. Vanaf 2004 zullen de kosten van het groot onderhoud worden bestreden uit het reguliere exploitatiebudget en worden verantwoord in de (gemiddelde) dagprijzen.

137

Om hoeveel plaatsen gaat het als er wordt gesproken over capaciteitsuitbreidingen in het Gevangeniswezen die gefinancierd worden met de opbrengsten van het temporiseren van de uitbreiding in de sector Justitiële Jeugdinrichtingen en middelen uit de veiligheidsenvelop?

De beschikbare middelen bedroegen in 2003 circa € 24 miljoen en deze zijn ingezet ter medefinanciering van de integrale uitvoering van de nota MST. Er is derhalve geen directe relatie met de inzet van deze middelen voor een van de specifieke uitbreidingsmaatregelen uit de nota MST. Uitvoering van de nota MST leverde in het Gevangeniswezen overigens totaal 2675 extra plaatsen op.

Ondanks de in 2003 en sindsdien gerealiseerde uitbreidingen in het gevangeniswezen is nog immer sprake van een toenemende druk op de capaciteit. In de justitiebegroting voor 2005 zal ik aangeven welk beeld de actuele capaciteitsprognoses geven van de behoefte in de verschillende sectoren en op welke wijze ik aan die behoefte tegemoet zal komen. Dat zal enerzijds zijn door inzet van de middelen uit de Veiligheidsenveloppe tweede tranche ten behoeve van capaciteitsuitbreidingen, en anderzijds door substitutie en vraagvermindering.

In de tussenliggende periode blijft de inzet van noodventielen om de capaciteitsdruk te verlichten noodzakelijk. Het aantal Incidentele Versnelde Ontslagen (IVO's) ligt tot op heden op een vergelijkbaar niveau als in 2003 (eind mei ca. 2500); het aantal ambtshalve strafonderbrekingen is substantieel lager door de oormerking van bestaande celcapaciteit specifiek voor deze categorie. De grenzen van het toepassingsbereik van de IVO's volgens de huidige criteria zijn echter bereikt. Hierdoor zijn op korte termijn extra maatregelen onvermijdelijk. Ik heb daarom besloten tot de volgende getrapte aanpak. Iedere volgende stap wordt uitsluitend genomen wanneer en voor zolang de capaciteitsnood dit vergt.

Op de eerste plaats zal het geldende IVO-criterium dat ten minste 60% van de netto straf is ondergaan, worden toegepast over de gehele breedte van de huidige IVO-doelgroep. (Het criterium dat maximaal 90 dagen worden kwijtgescholden wordt gehandhaafd.) De tweede stap is dat incidenteel versnel ontslag ook zal kunnen plaatsvinden bij geweldsdelinquenten, die reeds met goed gevolg onbegeleid verlof hebben gehad. De geldende subjectieve IVO-criteria, zoals dat geen sprake mag zijn van ernstige psychiatrische problematiek, zijn hierbij vanzelfsprekend onverkort van kracht. Voorts dient het OM in elk afzonderlijk geval met IVO in te stemmen. In derde instantie volgt dan de toepassing van elektronische detentie bij geweldsdelinquenten die niet onder voornoemde categorie vallen maar die wel geschikt worden bevonden voor deze modaliteit. Is nog steeds sprake van tekorten, dan zal het aantal specifiek voor arrestanten bestemde celplaatsen worden teruggebracht van de 1 000 die nu beschikbaar zijn tot 800 à 900. De capaciteit die aldus vrijkomt wordt ingezet voor de reguliere gedetineerdenpopulatie.

Met deze aanpak wordt vermeden dat binnen de IVO-doelgroep een steeds groter deel van de straf zou moeten worden kwijtgescholden. Tot slot kan hiermee worden vastgehouden aan de belangrijke nullijn voor heenzendingen aan de voordeur.

138

Wat wordt verstaan onder «justitiebrede problematiek» en hoe moet in dit licht de compensatie gezien worden?

De justitiebrede problematiek die wordt bedoeld op pagina 249 van het departementaal jaarverslag 2003 bestaat onder meer uit:

– de efficiency- en volumetaakstelling uit het Strategisch Akkoord;

– de verwerking van de versnelling van de efficiency- en volumetaakstelling uit het Strategisch Akkoord;

– de versnelling van de subsidietaakstelling uit het Strategisch Akkoord;

– de aanvullende subsidietaakstelling uit het Strategisch Akkoord;

– de differentiatie justitiële en penitentiaire aanpak en reclassering uit het Hoofdlijnenakkoord;

– het restant problematiek veiligheidsplan;

– de tegenvallende kosten voor medische zorg gedetineerden.

De hierboven genoemde herschikkingen en taakstellingen zijn voor het merendeel proportioneel over de justitieorganisatie verdeeld.

139

Is de € 64 miljoen extra beschikbare gelden voor capaciteitsuitbreiding volledig afkomstig van de overheveling van de gelden dat ter beschikking van de sector Justitiële Jeugdinrichtingen zou komen en de veiligheidsenvelop?

Uit hoofde van het Strategisch Akkoord is voor de uitvoering van het Veiligheidsprogramma (onderdeel uitbreiding sanctiecapaciteit) in 2003 € 70 miljoen beschikbaar gesteld, waarvan € 64 miljoen voor DJI. Hieraan toegevoegd werden o.a. de middelen die binnen de begroting van DJI door reallocatie beschikbaar kwamen voor temporisering van capaciteitsuitbreiding van de Justitiële jeugdinrichtingen (circa € 24 miljoen, zie het antwoord op vraag 137).

140

Wat is de reden dat de uiteindelijke realisatie van de uitbreiding in de sector Justitiële Jeugdinrichtingen uitkomt op 2675 in plaats van 3229?

De uitkomst betreft de uitvoering van de nota MST en heeft geen betrekking op de sector Justitiële jeugdinrichtingen (zie nadere specificatie op blz. 257 van het Jaarverslag 2003). Het achterblijven van de realisatie bij de planning wordt voornamelijk veroorzaakt door vertraging in de oplevering van de capaciteitsuitbreiding en wegens aanloopproblemen bij de invoering van de maatregel twee-op-een-cel (– 160 plaatsen). Het achterblijven van de toepassing van elektronische detentie (ED) bij de planning kwam onder meer doordat de positionering van ED in het strafproces meer tijd vergde dan aanvankelijk was voorzien. Voorts diende overleg plaats te vinden met de ketenpartners inzake de problematiek rondom de uitkeringen aan gedetineerden met ED. In totaal is het aantal extramurale plaatsen (ED en basis penitentiaire programma's) in 2003 met 216 plaatsen achtergebleven. Ook de gefaseerde in gebruik name van de uitzetcentra leidde ertoe dat in 2003 de realisatie achter bleef bij de planning (ruim 100 plaatsen). Het betreft hier de gemiddelde capaciteit. Ultimo aantallen zijn in de voortgangsrapportage over de uitvoering van het Veiligheidsprogramma opgenomen. Daarin wordt duidelijk dat eind 2003 de vereiste aantallen zijn gerealiseerd.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (LPF), Griffith (VVD), Van der Laan (D66), Visser (VVD), Azough (GL) en vacature algemeen.

Plv. leden: Van Hijum (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Hermans (LPF), Örgü (VVD), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Karimi (GL) en Vergeer (SP).

* I.v.m. verbetering van het vetnummer.

XNoot
1

Begin juli wordt u de 8e voortgangsrapportage aangeboden in het kader van het Groot Project Inburgering Oudkomers. Hierin zijn de definitieve gegevens over het aantal starters en afronders opgenomen.

Naar boven