29 540
Jaarverslagen over het jaar 2003

nr. 32
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 19 mei 2004

Gerealiseerde ontvangsten 2003 naar artikel

kst-29540-32-1.gif

Gerealiseerde uitgaven 2003 naar artikel

kst-29540-32-2.gif

INHOUDSOPGAVE blz.

A.Algemeen6
1.Voorwoord6
2.Dechargeverlening7
3.Leeswijzer9
   
B.Beleidsverslag13
4.Beleidsprioriteiten13
5.Beleidsartikelen36
6.Niet-beleidsartikelen129
7.Premiegefinancierde SocialeZekerheidsuitgaven139
8.Bedrijfsvoeringsparagraaf167
9.Toezichtsrelaties169
   
C.Jaarrekening175
10.Verantwoordingsstaten175
10.1.De verantwoordingsstaat van het Ministerie van SZW175
10.2.De samenvattende verantwoordingsstaat van de agentschappen177
11.Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten178
11.1.Toelichting bij de beleidsartikelen178
11.2.Toelichting bij de niet-beleidsartikelen206
11.3.Toelichting bij de agentschappen212
12.Saldibalans235
   
D.Bijlagen247
13.Bijlage 1: Leiding van het Departement en Organogram247
14.Bijlage 2: Aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer249
15.Bijlage 3: In 2003 uitgevoerde «Ex-ante Evaluatieonderzoeken»251
16.Bijlage 4: Lijst met gebruikte afkortingen252
17.Bijlage 5: Trefwoordenregister255

1. VOORWOORD

Voor u ligt het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het jaar 2003. In het jaarverslag leg ik mede namens staatssecretaris M. Rutte verantwoording af over de behaalde beleidsprestaties in 2003 in relatie tot de inzet van middelen: Hebben we bereikt wat we hebben beoogd, hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen en heeft het gekost wat we dachten dat het zou kosten?

In oktober 2002 is het kabinet demissionair geworden. Dit heeft geleid tot het uitschrijven van nieuwe verkiezingen op 22 januari 2003. Op 16 mei 2003 is het Hoofdlijnenakkoord tot stand gekomen op basis waarvan het huidige kabinet het beleid voor de komende jaren vorm geeft. Daarbij heeft de sterk verslechterde economische situatie tot een aantal aanvullende maatregelen geleid en op onderdelen tot een heroverweging van beleid.

Veel beleidsvoornemens, zoals in de begroting 2003 opgenomen, waren in de tussentijd in voorbereiding genomen. Omdat het Hoofdlijnenakkoord met name op het sociaal-economische beleidsterrein aansloot bij de voornemens van het Strategisch Akkoord van het vorige kabinet, kon vervolgens voortvarend aan de uitwerking worden begonnen.

In 2003 zijn belangrijke stappen gezet bij het op onderdelen herzien van de sociale zekerheid gericht op het waarborgen van een robuust sociaal stelsel op langere termijn. Daarbij moet onder andere gedacht worden aan de invoering van de nieuwe wet werk en bijstand en verlenging loondoorbetaling bij ziekte.

Verder is met het akkoord met sociale partners een belangrijk fundament gelegd voor economisch herstel en zijn afspraken gemaakt om samen op een aantal voor SZW belangrijke beleidsterreinen in 2004 in het Hoofdlijnenakkoord genoemde voornemens nader vorm te geven. Mede ook om die reden zijn een aantal beleidsvoornemens uit de begroting van 2003 aangehouden.

Hoewel beleid vaak in het middelpunt van de belangstelling van de media en de samenleving staat is de minister uiteraard ook verantwoordelijk voor een effectieve, efficiënte en doelmatige bedrijfsvoering. Ook hierover doe ik u verslag.

Met belangstelling wacht ik uw reactie op deze verantwoording af.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

2. DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2003 gevoerde financiële beheer van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Dit verzoek heeft betrekking op het financieel beheer dat samenhangt met de uitvoering van de departementale begroting.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

d. de departementale saldibalansen;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2003; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden;

b. de slotwet van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het jaar 2003 en de slotwet van het Spaarfonds AOW over het jaar 2003; de slotwetten zijn als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwetten zijn aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2003 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden;

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2003 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2003 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2003 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Mede namens

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

3. LEESWIJZER

3.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat, naast een algemeen deel met daarin een voorwoord, de dechargeverlening en de leeswijzer, uit een beleidsverslag en een jaarrekening. Het onderscheid tussen het jaarrekeningdeel en het beleidsverslag is van belang in verband met de reikwijdte van de accountantsverklaring.

De financiële informatie is opgenomen in de jaarrekening en valt onder de reikwijdte van de accountantsverklaring. De niet-financiële informatie valt niet onder de accountantsverklaring, maar is wel onderdeel van de accountantscontrole. Overigens zijn in voorkomende gevallen ook financiële gegevens in het beleidsverslag opgenomen om het beleid toe te lichten. Deze financiële informatie is ontleend aan de jaarrekening. De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven in het beleidsverslag vallen wel onder de accountantscontrole maar niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring.

1. Het beleidsverslag is opgebouwd uit de beleidsprioriteiten in 2003, de beleidsartikelen, de niet-beleidsartikelen, premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven, een bedrijfsvoeringparagraaf en een paragraaf over de toezichtrelaties.

In het onderdeel beleidsprioriteiten wordt verantwoord in hoeverre de beleidsdoelstellingen uit de beleidsagenda 2003 zijn behaald. Deze paragraaf geeft in samenvattende zin de belangrijkste onderwerpen van het jaarverslag 2003 aan. Met het lezen van deze paragraaf kan worden volstaan als men snel een beeld van de prestaties van SZW in 2003 wil hebben. Per beleidsprioriteit wordt de stand van zaken aangegeven.

De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Hetzelfde geldt voor de niet-beleidsartikelen die in dit jaarverslag zijn opgenomen. Daarnaast wordt in de premiegefinancierde sociale zekerheidsartikelen verantwoording afgelegd over de doelstellingen en instrumenten die worden gefinancierd met premiegelden. Deze premiegelden staan formeel niet op de begroting van het ministerie van SZW. Deze zijn voor de samenhang op het gehele terrein van de Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid opgenomen.

In de bedrijfsvoeringsparagraaf geeft de Minister de stand van zaken van de bedrijfsvoering van het ministerie van SZW in 2003 aan.

In de paragraaf Toezichtrelaties wordt kort ingegaan op het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (zbo'en) door de Inspectie Werk en Inkomen. Het verslag over de uitkomsten van de in 2003 uitgevoerde toezichtswerkzaamheden, ook met betrekking tot de gemeentelijke sociale diensten, wordt separaat door de Inspectie Werk en Inkomen uitgebracht en door de minister ter kennis van de beide Kamers der Staten-Generaal gebracht.

2. De jaarrekening is opgebouwd uit de verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW, de samenvattende verantwoordingsstaat van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI), de bij deze onderdelen behorende financiële toelichtingen en de saldibalans. In het onderdeel Jaarrekening van het departementaal jaarverslag worden de bestede middelen verantwoord.

In de departementale verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW wordt inzicht gegeven in de geraamde en gerealiseerde bedragen van de verplichtingen, de uitgaven en ontvangsten. De samenvattende verantwoordingsstaten van het Agentschap SZW en het Agentschap in oprichting IWI geven inzicht in de oorspronkelijk geraamde en in de gerealiseerde totalen van de baten en lasten, saldo van baten en lasten, totalen van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten.

In de financiële toelichting wordt per (niet-)beleidsartikel inzicht geboden in de met beleid samenhangende meerjarige bedragen van de aangegane verplichtingen, de gerealiseerde programma- en apparaatuitgaven en de gerealiseerde ontvangsten. Voor het behoud van het totaaloverzicht heeft SZW er voor gekozen de verdiepingsbijlage te integreren in de financiële toelichting. De financiële toelichting van beleid van het Agentschap SZW en het Agentschap in oprichting Inspectie Werk & Inkomen is in een aparte paragraaf van het departementaal jaarverslag opgenomen1. In de verantwoording van de Agentschappen staat het geven van inzicht in de omvang en de samenstelling van het vermogen en het behaalde resultaat centraal. De beleidsprestaties van de Agentschappen worden overigens niet in deze paragraaf verantwoord maar in het beleidsverslag.

De saldibalans geeft een overzicht van de financiële posten uit 2003 die naar 2004 moeten worden overgebracht.

Tot slot bevat het jaarverslag als bijlagen Leiding van het departement (bijlage 1), Aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer (bijlage 2), een overzicht van in 2003 uitgevoerde «ex ante evaluatie-onderzoeken» (bijlage 3), Lijst van gebruikte afkortingen (bijlage 4), Trefwoordenregister (bijlage 5). Een bronnenoverzicht zal op de internetsite van SZW worden geplaatst.

3.2 Specifieke aandachtspunten

Relatie met de Sociale Nota

Tegelijkertijd met het verschijnen van de begroting 2003 heeft SZW de Sociale Nota 2003 gepubliceerd. In het jaarverslag wordt tevens verantwoording afgelegd over de in de Sociale Nota beschreven beleidsvoornemens.

Afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften

Op twee punten wordt in dit jaarverslag afgeweken van de rijksbegrotingsvoorschriften.

1. De tabellen budgettaire gevolgen van beleid (zowel in het beleidsverslag als in het jaarrekeningdeel) wijken af van de voorgeschreven modellen. Omdat in de begroting 2003 binnen de geoperationaliseerde doelstelling nog geen uitsplitsing is gemaakt naar financiële instrumenten ontbreekt deze uitsplitsing eveneens in de tabellen in dit jaarverslag.

2. De tabellen uit de voorgeschreven verdiepingsbijlage zijn niet in een aparte bijlage opgenomen, maar voor het behoud van het totaaloverzicht geïntegreerd in de financiële toelichting bij de beleidsartikelen.

Belastinguitgaven en ESF-middelen

In dit jaarverslag streeft het ministerie van SZW een zo integraal mogelijke presentatie van beleid na. Daarom zijn ook de premiegefinancierde regelingen in een aparte paragraaf toegelicht. Ook bij de belastinguitgaven is getracht deze zoveel mogelijk bij de beleidsartikelen zichtbaar te maken in de toelichting op de operationele doelstellingen. Dit is gebeurd bij de beleidsartikelen.

De programmauitgaven voor ESF-3 en EQUAL lopen buiten begrotingsverband en zijn dus niet in de verantwoordingsstaat terug te vinden. De verantwoording over de doelstellingen die mede met Europese middelen worden bereikt is terug te vinden in de beleidsartikelen.

Beschikbaarheid van derdeninformatie

Voor de verantwoording over de in de begroting 2003 opgenomen prestatiegegevens is veelal informatie van derden nodig, zoals uitvoeringsorganen sociale zekerheid (UWV, CWI, SVB), gemeenten, CBS en Belastingdienst. Hierover zijn afspraken gemaakt met als gevolg dat een groot deel van de in de begroting 2003 opgenomen prestatie-indicatoren tijdig en op realisatiebasis worden verkregen. Van een groot aantal indicatoren zal de verantwoording echter nog voorlopig, dat wil zeggen op basis van een actuele raming, zijn.

Gegevens oude jaren

In de jaarverantwoording worden ook gegevens gepresenteerd over oude jaren. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze gegevens kunnen afwijken van gegevens die in vorige jaarverantwoordingen werden gepresenteerd.

Toedeling apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen

In de ontwerpbegroting 2003 heeft een toedeling van de begrote apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen plaatsgevonden. De realisatiegegevens worden op basis van dezelfde verdeelsleutel als bij de begroting 2003 aan de beleidsartikelen in het jaarverslag toegerekend.

Wet Bescherming Persoonsgegevens

Sinds 1 september 2002 is bij SZW een Functionaris voor de Gegevensbescherming (FG) aangesteld. Deze ziet toe op de toepassing en de naleving van de Wet Bescherming Persoonsgegevens binnen een organisatie. Uit een recent onderzoek is gebleken dat SZW geen volledig en actueel overzicht heeft van alle persoonsverwerkingen. Omdat het bijvoorbeeld niet duidelijk is of alle verplichte meldingen zijn gepubliceerd, voldoet SZW niet aan de eisen van de WBP. Binnen twee maanden zal binnen SZW een concreet voorstel worden ontwikkeld om deze situatie te doen verbeteren. Het jaarverslag 2003 van de FG is te verkrijgen via het mailadres wbp@minszw.nl.

MISSIE

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) staat voor het stimuleren van de werkgelegenheid, moderne arbeidsrelaties en een activerende sociale zekerheid. SZW ontwikkelt beleid dat goed uitvoerbaar en controleerbaar is.

De taken van SZW liggen op de volgende gebieden:

Werkgelegenheid en arbeidsmarkt

SZW bevordert de werkgelegenheid en het goed functioneren van de arbeidsmarkt. Daarbij richt SZW zich ook op minder kansrijke groepen zoals langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten en etnische minderheden.

Sociale zekerheid

SZW bevordert dat uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk opnieuw zelfstandig kunnen voorzien in hun bestaan. Voor mensen die niet zelf in staat zijn om door werk in hun eigen onderhoud te voorzien en voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, waarborgt SZW een inkomen.

Inkomens

SZW bevordert een evenwichtige inkomensverdeling. SZW is verantwoordelijk voor het vaststellen van het minimumloon en het sociaal minimum bij uitkeringen.

Arbeidsverhoudingen

SZW bevordert goede arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Daarbij gaat het zowel om het faciliteren en stimuleren van moderne arbeidsrelaties, als om de rechtsbescherming van werknemers.

Arbeidsomstandigheden

SZW bevordert veiligheid en gezondheid op het werk. Dit arbobeleid is mede gericht op preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, en op vroegtijdige reïntegratie.

Emancipatie

SZW bevordert het beleid dat gericht is op de emancipatie van mannen en vrouwen.

B. BELEIDSVERSLAG

4. BELEIDSPRIORITEITEN

Aan het werk, met minder regels

Samenvatting verantwoording over het jaar 2003

1. Centrale boodschap in 2003

Missie van SZW

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) staat voor het stimuleren van de werkgelegenheid, moderne arbeidsrelaties en een activerende sociale zekerheid. SZW ontwikkelt beleid dat goed uitvoerbaar en controleerbaar is.

Werken en langer werken moeten weer lonend worden; minder regels, minder bureaucratie. De sociale agenda van het kabinet Balkenende is erop gericht om meer ruimte te creëren voor het nemen van eigen verantwoordelijkheid zodat iedereen in staat is naar beste vermogen aan de verdere ontwikkeling van de Nederlandse samenleving bij te dragen. Maatwerk is geboden: sociaal voor wie niet kan en streng voor wie niet wil. In het beleid moeten meer prikkels worden ingebouwd om de eigen verantwoordelijkheid te stimuleren. Misbruik en fraude zullen krachtig bestreden moeten worden. Daartoe is een kwaliteitssprong in de uitvoering en handhaving van wet- en regelgeving nodig.

Ook de uitvoering verdient daarbij de aandacht. Sinds de implementatie van de Wet SUWI in 2002 is vooruitgang geboekt in de verdere ontwikkeling en professionalisering van de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid. De organisaties hebben voor dit transformatieproces echter nog tot 2006 nodig. Tijdens deze fase wordt tegelijkertijd gewerkt aan een kwaliteitsslag waarin interne processen en systemen verder worden geoptimaliseerd.

In de begroting 2003 en de Sociale Nota 2003 zijn de prioriteiten van het ministerie voor 2003 opgenomen. In deze samenvatting wordt eerst aangegeven wat daarvan is terechtgekomen. Vervolgens worden per beleidsterrein de belangrijkste ontwikkelingen op een rij gezet.

2. Topprioriteiten

Aanpak van de WAO

Doel: beperken instroom tot maximaal 25 000 volledig en duurzaam arbeidsongeschikten per jaar in 2006; uitgangspunt SER-advies;

Voor het eerst sinds 1996 is het aantal WAO'ers in 2003 gedaald, van 802 000 aan het begin van het jaar tot 786 000 aan het eind van het jaar. Oorzaak is een scherpe daling van de instroom, die daalde van 92 000 in 2002 naar 66 000 in 2003. Aan de scherpe instroomdaling hebben vermoedelijk bijgedragen de Wet Verbetering Poortwachter in combinatie met de volgroeiing van Pemba. Verder speelt de heersende laagconjunctuur mogelijk een rol, evenals de voortdurende publiciteit rond de aankomende stelselherziening.

Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de WAO-instroom sinds 1976. In 2003 is de laagste instroomkans uit de WAO-geschiedenis gerealiseerd. De grafiek toont echter ook aan hoe snel het tij kan keren in de WAO, want na het dal van 1995 volgde een langdurige groeispurt, die pas in 2002 gestuit werd.

Grafiek 1 Instroom WAO tussen 1976 en 2003

kst-29540-32-3.gif

bron: UWV, kroniek van de Sociale Verzekeringen.

Op 1 januari 2004 is de Wet verlenging loondoorbetaling bij ziekte in werking getreden. In deze wet is geregeld dat de ontslagbescherming van de werknemer wordt beperkt indien deze in de periode van loondoorbetaling wegens ziekte onvoldoende medewerking verleent aan reïntegratie.

Het kabinet gaat ervan uit dat bovenwettelijke aanvullingen in het tweede ziektejaar achterwege zullen blijven. Het kabinet vertrouwt op de inzet van sociale partners, zoals neergelegd in het akkoord van de Stichting van de Arbeid van oktober 2003.

Er zijn wijzigingsvoorstellen aangekondigd om de toegang tot de WAO te beperken tot degenen die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Het kabinet heeft hierover op basis van het najaarsakkoord advies gevraagd aan de SER en heeft het voornemen in 2004 de wetsvoorstellen tot herziening van de WAO in te dienen bij de Tweede Kamer. In de Begroting 2003 werd er nog van uitgegaan dat deze wijzigingsvoorstellen in 2003 zouden worden ingediend bij de Kamer.

Voor kleine bedrijven is per 1 januari 2003 de premiedifferentiatie feitelijk afgeschaft. Met ingang van 1 januari 2004 geldt voor kleine bedrijven een branchegewijze premiedifferentiatie.

De kabinetsinzet ten aanzien van het gezamenlijk met werkgevers en werknemers in branches sluiten van arbo-convenanten en het daarmee bijdrage aan preventie van verzuim en arbeidsongeschiktheid, geldt onverminderd. Eind 2003 is sprake van 51 arbo-convenanten (waarvan 48 zogenoemde eerste fase en 3 tweede fase convenanten).

Grotere effectiviteit van de uitvoering van de bijstand en een snellere bemiddeling en begeleiding naar werk

Doel: Toename met een kwart in 2006, van het percentage uitkeringsgerechtigden dat uitstroomt naar reguliere arbeid na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject. (onder voorbehoud van meetbaarheid).

De Wet Werk en Bijstand (WWB) is in 2003 bij het parlement ingediend en aangenomen, waardoor de wet kon ingaan per 1 januari 2004. De WWB geeft de gemeenten een maximale handelingsruimte bij de inzet van het activeringsinstrumentarium omdat één ongedifferentieerd, flexibel en vrij besteedbaar reïntegratiebudget is geïntroduceerd. Bovendien worden gemeenten door een nieuwe systematiek van budgettering van de bijstandslasten gestimuleerd om gerichter te investeren in het activerings- en handhavingsbeleid.

De sluitende aanpak voor de nieuwe instroom bij het reïntegratieproces voorkomt dat personen onnodig lang moeten wachten op terugkeer in de actieve arbeidsmarkt.

Grafiek 2: Nieuwe instroom ABW en WW met percentage sluitende aanpak

kst-29540-32-4.gif

a niet geheel vergelijkbaar met voorgaande jaren (zie tabel 2.3 bij beleidsartikel 2).

b de instroom ABW voor 2003 betreft een schatting.

bron: Onderzoek Sluitende Aanpak, Regioplan 2002.

De wetgeving met betrekking tot de reïntegratie als een beroep wordt gedaan op een werkloosheidsregeling is/wordt vereenvoudigd en gedereguleerd. Doel hiervan is vereenvoudiging van de uitvoering waardoor snellere besluitvorming mogelijk is en kostenbesparing optreedt. Het UWV krijgt meer beleidsvrijheid bij de inzet van reïntegratieactiviteiten. De regelgeving en uitvoering, waaronder aanbestedingsprocedures, bij het UWV zijn in het najaar van 2003 hierop aangepast.

Werken, zorgen en leren kunnen combineren tijdens de gehele levensloop

Doel: vermindering van het verschil tussen de gewenste en feitelijke opname van onbetaald verlof met een kwart in 2006 (onder voorbehoud van meetbaarheid).

In de Begroting 2003 is het voornemen van het vorige kabinet vermeld tot de introductie van de Basisregeling levensloop (de Verlofknip) in 2003. De Verlofknip bood een individuele spaarregeling die werd ondersteund door de overheid door middel van een bonus die wordt uitgekeerd bij opname van het spaartegoed ter financiering van onbetaald verlof. Het wetsvoorstel dat daartoe strekte is voor advies aan de Raad van State voorgelegd1. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen 2002 verzocht de Tweede Kamer2 om een levensloopregeling die anders dan de Basisregeling fiscaal is vormgegeven. Invoering van de Basisregeling levensloop lag daarop niet meer in de rede3. Het wetsvoorstel Basisregeling levensloop (de Verlofknip) is derhalve niet aan de Tweede Kamer toegestuurd.

De spaarloonregeling, de financiële tegemoetkoming voor langer durend verlof (de financieringsregeling loopbaanonderbreking in de Wet arbeid en zorg), alsmede de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof zouden met de introductie van de Verlofknip worden afgeschaft. Uitstel van de introductie van een levensloopregeling tot na 2003 betekende dat in 2003 de genoemde regelingen nog bleven bestaan.

In de Begroting 2004 wordt door het huidige kabinet een levensloopregeling aangekondigd die aansluit bij de bestaande fiscale verlofspaarregeling. Het kabinet gaf aan deze per 1 januari 2004 te willen introduceren. Naar aanleiding van het op 14 oktober 2003 bereikte Najaarsakkoord heeft het kabinet de Tweede Kamer evenwel aangegeven dat de introductie van de in de Begroting 2004 aangekondigde levensloopregeling wordt aangehouden, in afwachting van nader overleg tussen het kabinet en de Stichting van de Arbeid over de invulling van het gehele stelsel van fiscale faciliëring voor VUT/prepensioen en levensloop, met als doel het bereiken van overeenstemming in april 2004 over een per 1 januari 2006 in te voeren stelsel.

Kinderopvang

De invoering van de Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk) is uitgesteld van 1 januari 2004 naar 1 januari 2005. Aanleiding voor dit uitstel was een geraamd budgettair tekort op de Wbk, met name als gevolg van prijsstijgingen en een lagere werkgeversdeelname. In het Hoofdlijnenakkoord in 2003 is voor de Wbk een aanvullend bedrag van € 100 miljoen beschikbaar gesteld. Met inbegrip van dit bedrag is vervolgens een dekkend financieel kader getroffen. De invulling daarvan heeft zijn weerslag gekregen in de nota naar aanleiding van het nader verslag en in de tweede nota van wijziging (november 2003).

Tijdbeleid

Mede op basis van resultaten Stimuleringsmaatregel Dagindeling zijn 66 experimenten rond het thema Tijd gestart (flexibele werktijden, verruimde schooltijden, betere afstemming openingstijden en werktijden, lokale tijdinitiatieven, vervoer en tijd en ruimtelijke ordening). De looptijd van deze experimenten bedraagt 1,5 jaar. Financiering vindt plaats uit ESF-3 gelden. De resultaten van deze experimenten zullen worden gebruikt bij (voorbereiding van) beleid om de combinatie arbeid en zorg makkelijker te maken.

3. SZW in 2003 op hoofdlijnen

3.1 De economische situatie in 2003

Voor de Nederlandse economie was 2003 het somberste jaar sinds de recessie van begin jaren tachtig. Bij het opstellen van de begroting voor 2003 ging het kabinet er nog van uit dat de economie in 2003 met 1½% zou groeien (CPB, Macro-economische verkenning 2003). Die verwachting is niet bewaarheid. De economie kromp met 0,8% (CEP 2004). Daarmee was Nederland in 2003 een van de slechtst presterende landen in de Europese Unie. De groei in de 15 EU-landen (0,8%) bleef op zijn beurt ver achter bij de groei in de VS (3,1%) en Japan (2,7%).

De krimp van de Nederlandse economie is voor een belangrijk deel te wijten aan de slechte prijsconcurrentiepositie van exporterende bedrijven. De export nam niet toe met 5¼%, zoals in de MEV 2003 werd verwacht, maar slechts met 0,5%. Nederland is er niet in geslaagd te profiteren van de aantrekkende wereldhandel.

De exportdaling was niet de enige tegenvaller. Ook de consumptie viel tegen (1,3% krimp in plaats van 1½% groei). Hetzelfde geldt voor de bruto investeringen van bedrijven. Deze bleven niet constant, maar daalden met 4,0%.

Dankzij het Najaarsakkoord van 2002 namen de contractlonen in 2003 niet toe met 3¼%, zoals in de MEV 2003 werd geraamd, maar slechts met 2,7%. Ook de inflatie kwam een ½ procentpunt lager uit dan geraamd (2,1% versus 2½%). Ondanks de loonmatiging en de lagere inflatie verslechterde de prijsconcurrentiepositie van de binnenslands geproduceerde uitvoer twee keer zoveel als in de MEV werd geraamd (– 4,9% versus – 2¼%). Dit kwam vooral door de (conjuncturele) daling van de arbeidsproductiviteit. Samen leidden de tegenvallende arbeidsproductiviteit en de contractloonstijging tot een arbeidsinkomensquote die 3 procentpunt hoger is dan in de MEV werd geraamd. Hieruit blijkt dat de winstgevendheid van het bedrijfsleven duidelijk is verslechterd.

Mede als gevolg van de lage winstgevendheid van het bedrijfsleven is ook het EMU-saldo tegengevallen. Vooral de belastinginkomsten vielen lager uit dan geraamd. Uiteindelijk kwam het EMU-saldo volgens het CEP 2004 uit op – 3,0% van het BBP, wat 2,6 procentpunt slechter is dan in de MEV 2003 werd geraamd.

De sombere economische omstandigheden hadden ook hun weerslag op de arbeidsmarkt. De werkgelegenheid daalde met 0,6% ten opzichte van 2002. Dat is voor het eerst sinds 1983. Deze daling komt overeen met 53 duizend personen. De werkloosheid nam toe met 100 duizend personen, wat de grootste stijging is sinds 1982.

Tabel 1: Kerngegevens 2003 verwachting versus realisatie
 MEV 2003CEP 2004
Economische groei (%BBP)– 0,8
Contractloon marktsector (%)2,7
Consumentenprijsindex (%)2,1
Werkgelegenheid (in personen, % mutatie)– ¼– 0,7
Werkgelegenheid (mutatie in dzd personen)– 18– 53
Werkloosheid (% van de beroepsbevolking)55,1
Werkloosheid (in dzd personen)395396
Arbeidsinkomensquote (niveau, %)84½87,2
Arbeidsproductiviteit marktsector (mutatie in %)0,6
EMU-saldo (% BBP)– 0,4– 3,0

Bron: MEV 2003 en CEP 2004

3.2 Werkgelegenheid en arbeidsmarkt (zie ook de beleidsartikelen 1, 2, 3, 4, 17)

SZW bevordert de werkgelegenheid en het goed functioneren van de arbeidsmarkt. Daarbij richt SZW zich ook op minder kansrijke groepen zoals langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten en etnische minderheden.

Tabel 2: Kengetallen arbeidsmarkt
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Werkloze beroepsbevolking302 000396 000395 000
    
Werkloosheidspercentage   
• Totaal4%5% 
• Etnische minderheden10%15%Evenredige werkloosheidsontwikkeling als bij autochtonen
    
Arbeidsparticipatie   
• Totaal66%65%70% in 2010 (Lissabon)
• Jongeren tot 23 jaar29%29%Evenredige arbeidsparticipatie van jongeren in 2007
• Ouderen (55–64)38%39%+ ¾% elk jaar; 50% in 2030
• Vrouwen54%55%65% in 2010
    
Vacatures149 000109 000 
    
Duur wachtlijst Wsw14 maanden12 maandenMinder dan 12 maanden

Bron: CBS, WSW-monitor.

Tabel 2 geeft aspecten van de maatschappelijke situatie weer waarop door de Minister van SZW beleid wordt gevoerd. Tabel 3 geeft aan welke prestaties de Minister van SZW heeft geleverd om een arbeidsmarktbeleid te voeren conform de gewenste resultaten.

Tabel 3: Prestaties arbeidsmarktbeleid
RegelingenRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
CWI – preventiequote WW17,3%25%
CWI – preventiequote Abw45,6%25%
CWI – uitstroomquote WW fase 1 51,0%90 dagen
CWI – uitstroomquote Abw fase 1 50,4%90 dagen
    
Aantal gestarte reïntegratietrajecten (WW+ABW+NUG)90 00092 000113 700
WIW-dienstbetrekkingen29 34025 88026 850
WIW-werkervaringsplaatsen2 8702 0402 200
ID-banen (gemiddelde stand)50 42048 45049 842
Totaal Arbeidsmarkt172 630169 355192 592
    
Aantal gerealiseerde Wsw plaatsen87 00087 80088 320

– Met de preventiequote wordt aangegeven welk percentage klanten niet wordt overgedragen aan een ketenpartner.

– De uitstroomquote geeft een beeld van de uitstroom van werkzoekenden uit de klantgroep «met werkloosheid bedreigden/sollicitatieplichtigen» die niet in eerste instantie zijn afgevangen om de preventiequote en waarvan overdracht heeft plaatsgevonden naar de ketenpartner. Gemeten wordt het percentage dat binnen 6 maanden uit het CWI-bestand uitstroomt

Bron: CWI: vierde kwartaalverslag 2003.

Trajecten: Agenda voor de Toekomst, UWV, sluitende aanpak WIW-monitor, ID-monitor.

De preventiequote van het CWI ligt voor de Abw-doelgroep beduidend hoger dan het gestelde doel. De preventiequote voor de WW-doelgroep is daarentegen lager dan het gestelde doel. De helft van de fase 1 geïndiceerden stroomt binnen 6 maanden uit. Ten behoeve van reïntegratie van fase 2 en hoger geïndiceerden staan een aantal instrumenten ter beschikking. In aanloop naar de WWB is er naar gestreefd om het volume van de gesubsidieerde arbeid (en daarmee samenhangend het financieel beslag) zoveel mogelijk te reduceren. Dit om een zo groot mogelijke flexibele inzet van reïntegratiemiddelen te verkrijgen.

Bovengenoemde prestaties hebben de in tabel 4 opgenomen middelen gekost.

Tabel 4: Inzet middelen
Inzet middelen (x € 1 000)Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Centra Werk en Inkomen435 141429 560299 190
    
Sluitende reïntegratie688 597670 324647 209
WIW290 260132 039160 667
ID-banen979 394981 102938 603
Overige arbeidsmarktmiddelen   
Wsw2 075 6872 151 3082 077 081
    
Fiscale inzet   
Arbeidskorting voor ouderen73 000102 000101 000
    
Inzet EU-middelen   
ESF (doelstelling 3, ESF oud, Equal)45 686134 356 

Bron: SZW-administratie

3.3 Sociale zekerheid (zie ook beleidsartikelen 5, 6, 7, 8, 9, 15, 16, premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven 1, 2, 3, 4 en 5)

SZW bevordert dat uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk opnieuw zelfstandig kunnen voorzien in hun bestaan. Voor mensen die niet zelf in staat zijn om door werk in hun eigen onderhoud te voorzien en voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, waarborgt SZW een inkomen.

Tabel 5: Aantal verstrekte uitkeringen
 Realisatie 2002Realisatie 2003Raming Begroting 2003
Regeling   
• Werkloosheid173 000237 000273 000
• WAO802 000786 000814 000
• WAZ56 20056 50056 000
• Wajong134 400138 200137 000
• Bijstand (Abw<65, Ioaw, Ioaz)340 304347 738388 516
• AOW2 237 0002 232 0002 265 000
• ANW159 000153 000153 000
• AKW (aantal gezinnen)1 878 0001 906 0001 907 000
• Aantal trajecten REA57 5145 07952 000

Bron: UWV, SVB.

Zie premieartikel 3 voor een toelichting op het aantal trajecten REA. Voor wat betreft het aantal trajecten zij opgemerkt dat het contractjaar loopt van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 en verloopt in vier tranches. Vandaar dat tot nu toe slechts een laag aantal trajecten is gestart.

Het aantal WAO-uitkeringen is 28 000 lager uitgekomen dan geraamd in de begroting 2003. Hieraan ligt een complex aan factoren ten grondslag waarvan de in 2002 ingevoerde Wet Verbetering Poortwachter waarschijnlijk de belangrijkste is, waar ook de volgroeiing van Pemba, aankondigingseffecten van het nieuwe stelsel en arboconvenanten een rol spelen. Op de WAO is hierdoor een financiële meevaller van € 229 miljoen opgetreden.

Er is in 2003 sprake van een stijging van 65 000 WW-uitkeringen ten opzichte van 2002, waarmee de stijging vergelijkbaar is met die ten tijde van de vorige periode van laagconjunctuur (1992–1994).

Toch is het aantal WW-uitkeringen lager uitgekomen dan geraamd in de begroting 2003. De WW-raming is voor een belangrijk deel gebaseerd op de raming van het CPB van de werkloze beroepsbevolking. Ook het CPB heeft haar werkloosheidsraming in de loop van 2003 neerwaarts bijgesteld.

Voor 2003 zijn de uitgaven aan uitkeringslasten voor de bijstand achtergebleven bij de ramingen in begroting 2003. Dit komt voornamelijk doordat het aantal bijstandcliënten minder sterk is toegenomen dan werd verwacht. Ten opzichte van de geraamde ontwikkeling voor 2003 bleef de toename van het aantal Abw-uitkeringen aan mensen jonger dan 65 jaar met circa 38 000 uitkeringen sterk achter. Pas in het najaar 2003 leek zich een persistente toename in het volume voor te doen. Uiteindelijk is in 2003 het aantal bijstandsuitkeringen aan mensen jonger dan 65 jaar, Ioaw en Ioaz met circa 7 000 toegenomen ten opzichte van 2002.

Tabel 6: Inzet middelen
Inzet middelen ( x € mln)Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven SZW   
• WW2 8824 0354 089
• Wao/Wajong11 76512 25712 326
• Bijstand4 6334 8775 097
    
• AOW21 49222 52922 647
• ANW1 5611 5361 532
• AKW3 1973 2823 230
    
• Reïntegratie arbeidsgehandicapten775673539

Bron: SZW-administratie.

3.4 Inkomens (Sociale Nota)

SZW bevordert een evenwichtige inkomensverdeling. SZW is verantwoordelijk voor het vaststellen van het minimumloon en het sociaal minimum bij uitkeringen.

Het recente inzicht (op basis van het CEP 2004) in de koopkrachtontwikkeling van 2003 laat een verslechtering zien ten opzichte van de koopkrachtraming zoals opgenomen in de Sociale Nota 2003 (september 2002). De belangrijkste oorzaak van deze verslechtering is de ontwikkeling van lonen en prijzen. De raming van de prijsontwikkeling is met ¼%-punt neerwaarts bijgesteld van 2½% naar 2¼% en de raming van de loonontwikkeling is met ½%-punt neerwaarts bijgesteld van 3¼% naar 2¾%. Per saldo heeft deze bijstelling een negatief effect op de koopkrachtraming.

Een andere oorzaak voor de verschillen tussen de huidige inzichten en de cijfers zoals gepresenteerd in de Sociale Nota 2003 is de stijging van de nominale premie voor ziekenfondsverzekerden met € 168 (in plaats van de geraamde € 109). Daarnaast zijn ten opzichte van de beleidsvoornemens, zoals verwoord in de Sociale Nota 2003, enkele wijzigingen doorgevoerd. Het spaarloon is deels gehandhaafd, terwijl in de Sociale Nota 2003 het voornemen was om dit geheel af te schaffen. De koopkrachtontwikkeling voor werkenden is hierdoor iets gunstiger geworden. De AWBZ-premie voor werknemers is met 2,05% (in plaats van 1,8%) gestegen. De AWBZ-premie is per 1 juli 2003 met 0,5%-punt verhoogd, zodat deze op jaarbasis 0,25%-punt hoger uit is gekomen. Het tarief van de tweede belastingschijf is verlaagd met 1,25%-punt (in plaats van 1,7%). Verder is ook de AWf-premie voor werknemers verhoogd met 0,85%, terwijl in de Sociale Nota 2003 een verlaging van 0,2% was geraamd. Per saldo hebben genoemde effecten geleid tot een neerwaartse bijstelling van de koopkrachtraming voor alle groepen. De werkloosheidsval is ongeveer uitgekomen op de raming uit de Sociale Nota 2003.

Tabel 7 presenteert in de eerste en tweede kolom de koopkracht en armoedevalontwikkeling zoals die in de Sociale Nota 2003 voor 2003 werd verwacht. In de derde en vierde kolom is de koopkracht – en armoedevalontwikkeling weergegeven volgens de meest recente inzichten. In het standaard (generieke) koopkrachtbeeld wordt rekening gehouden met de mutatie in belasting- en premietarieven, gemiddelde contractloonontwikkeling en inflatie alsmede de veranderingen in ziektekostenpremies en kinderbijslag. De niet standaardeffecten zijn effecten van maatregelen die normaliter niet in het generieke beeld tot uitdrukking komen, zoals spaarloon en de feestdagenregeling. In 2003 hebben de niet standaardeffecten een belangrijke bijdrage geleverd aan de koopkrachtontwikkeling en daarom zijn deze apart weergegeven in onderstaande tabel (tweede en vierde kolom). In de tabel is te zien dat de vierde kolom (realisatie) een verslechterd koopkrachtbeeld (inclusief de niet standaardeffecten) weergeeft ten opzichte van de tweede kolom (raming).

Tabel 7: Statische koopkrachtontwikkeling 2003 (in procenten)
CategorieStandaardramingSN 2003Incl. niet stan-daardramingSN 2003Standaard realisatieInclusief niet standaard realisatie
Inactieven    
Sociale minima paar zonder kinderen– ¾– ¾– 1¾– 1¾
Sociale minima paar met kinderen0– ½– 1– 1¼
Sociale minima alleenstaand– ¼– ¼– 1– 1
AOW alleenstaand00– ¾– ¾
AOW paar00– 1– 1
AOW + 5000 euro paar½½– 1– 1
     
Actieven    
Minimumloon paar zonder kinderen¼– ½– ¾– 1½
Minimumloon paar met kinderen10¼– ¾
Minimumloon alleenstaand½– ½0– ½
Modaal paar met kinderen¼– 1¼¼– ½
2*modaal paar met kinderen¼– 1¾– 1½– 2½
tweeverdiener modaal/½modaal met kinderen¼–½– 1½– 2
Tweeverdiener 2*modaal/modaal met kinderen¼–½– 1½– 2
Werkloosheidsval*niveau 2003 in SN 2003realisatie 2003
Alleenstaande – 45 – 69
Alleenverdiener met kinderen – 560 – 555
Alleenstaande met kinderen + 600 + 572
Herintreder met kinderen + 2 615 + 2 603

* Werkloosheidsval: vooruitgang in euro's bij aanvaarden vanuit bijstand van baan op 100% WML (voor herintreder aanvaarden van baan op 60% WML, partner had al inkomen op minimumloonniveau).

Bron: MEV 2003, CEP 2004.

3.5 Arbeidsverhoudingen

SZW bevordert goede arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Daarbij gaat het zowel om het faciliteren en stimuleren van moderne arbeidsrelaties, als om de rechtsbescherming van werknemers.

Tijdens het Najaarsoverleg van 14 oktober 2003 is een sociaal akkoord bereikt tussen enerzijds sociale partners -verenigd in de Stichting van de Arbeid- en anderzijds het kabinet. Door de Stichting van de Arbeid werd hiertoe een verklaring inzake de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in 2004 en 2005 vastgesteld. De Stichting deed in deze verklaring onder andere een dringend beroep op CAO-partijen om in de voor 2004 te vernieuwen CAO's geen contractloonstijging en voor 2005 een tot nul naderende contractloonstijging overeen te komen. Met het oog op de economische situatie acht het kabinet een dergelijke meerjarige loonmatiging van groot belang. Gegeven de verklaring van de Stichting was het kabinet bereid de werkgevers en werknemers tegemoet te komen in hun wensen ten aanzien van de bijstelling van het aangekondigde kabinetsbeleid op een aantal terreinen. Deze bijstellingen zijn definitief vastgelegd in de Kabinetsverklaring van 18 november 2003. De Kabinetsverklaring bevat onder andere de volgende twee elementen.

Besloten is tot het aanhouden van de voorgenomen beëindiging van de fiscale facilitering VUT/prepensioen en de invoering van de voorgestelde levensloopregeling. Het kabinet en de Stichting van de Arbeid zijn daarnaast overeengekomen nader overleg te voeren over het gehele stelsel van fiscale facilitering ten behoeve van VUT/prepensioen en levensloop met als inzet het bereiken van overeenstemming in april 2004 over het per 1 januari 2006 in te voeren stelsel, alsmede eventuele overgangsregelingen.

Ten aanzien van de WAO heeft het kabinet aangegeven onder strikte voorwaarden bereid te zijn voor de volledig duurzaam arbeidsongeschikten in het nieuwe stelsel (met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2006) de uitkering te verhogen met 5%-punt, berekend over de grondslag voor de wettelijke uitkering en daarnaast de Pemba met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2006 te laten vervallen.

Tabel 8 Afspraken Najaarsoverleg 2003
Loonmatiging in 2004 en 2005
Nader overleg tussen kabinet en Stichting van de Arbeid over het gehele stelsel van fiscale faciliëring ten behoeve van VUT/prepensioen en levensloop
SER-adviesaanvrage inzake de WW
Vervallen van de aangekondigde anticumulatie WW
SER-adviesaanvrage inzake de WAO (met name over de thema's Arbeidsongeschiktheidscriterium, EGB en de positie van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie.
De uitkeringslasten voor de regeling WGA zullen worden verdeeld over werkgevers en werknemers
Voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikten die niet werken zal, na afloop van de loongerelateerde periode, in afwijking van de kabinetsplannen wel een uitkering blijven bestaan die niet getoetst wordt op de vraag of de partner van betrokkenen een inkomen heeft. Deze uitkering zal 70 procent van het wettelijk minimumloon bedragen, vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage.
de koppeling tussen lonen en uitkeringen: met ingang van 1 januari 2006 wordt de koppeling tussen lonen en uitkeringen volledig hersteld. Op grond van de oorspronkelijke afwijkingsgronden in de WKA zullen de uitkeringen in 2004 en 2005 worden bevroren.
Eenmalig een extra rijksbijdrage aan het ZFW ad € 200 miljoen teneinde de nominale ziekenfondspremie 2004 te beperken.

3.6 Arbeidsomstandigheden (beleidsartikel 13, 14)

SZW bevordert veiligheid en gezondheid op het werk. Dit arbobeleid is mede gericht op preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, en op vroegtijdige reïntegratie.

Voor een aantal belangrijke arbeidsrisico's zijn streefcijfers geformuleerd, in de begroting 2003 voor het risico werkdruk. Het streefcijfer voor dit risico (29,7%) is inmiddels in 2002 gerealiseerd.

De streefcijfers met betrekking tot de veiligheidsrapporten zware ongevallen (100%) zijn eveneens gerealiseerd.

Tabel 9: Kengetallen Arbeidsomstandigheden
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
• aantal afgesloten convenanten385140
• intentieverklaringen4548 
    
• inspecties AI (arbo-trajecten)14 00813 93416 441
• aantal ongevalsonderzoeken AI2 4812 2652 471

bron: SZW.

In het Strategisch Akkoord is voortzetting van de convenanten arbeidsomstandigheden (tweede fase) overeengekomen. In totaal zijn eind 2003 51 convenanten afgesloten, waaronder drie voor de tweede fase. De convenanten hebben een bereik van 3,3 miljoen werknemers.

De arbeidsinspectie heeft in 2003 ongeveer eenzelfde aantal Arbo-inspecties als in 2002 afgerond.

Tabel 10: Inzet middelen
Inzet middelenRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Begroting (x € 1 000)   
• convenanten20 29520 15847 847
• overige uitgaven2 52215 19917 958
    
Fiscaal (x € 1 mln)   
• Farbo-regeling profit en non-profit1577

bron: begroting: SZW; fiscaal: Miljoenennota.

3.7 Emancipatie (beleidsartikel 12)

SZW bevordert het beleid dat gericht is op de emancipatie van mannen en vrouwen.

38% van de vrouwen is economisch zelfstandig en verdient meer dan 70% van het minimumloon; dit is lager dan de streefwaarde van 48% voor 2003. De arbeidsparticipatie van vrouwen in 2003, te weten 55%, benadert de streefwaarde voor 2003 (56%). Bij laagopgeleide autochtone vrouwen en vrouwen van Turkse en Marokkaanse afkomst is de arbeidsparticipatie echter lager dan 40%.

Het aandeel vrouwen in de raden van bestuur, ambtelijke topfuncties, het lokale en provinciale bestuur en universitaire topfuncties is ook in 2003 nog steeds beperkter dan het streven van het kabinet.

Verder wordt 2003 gekenmerkt door veel geweld tegen vrouwen, ca. 200 000 vrouwen zijn slachtoffer van onder andere mishandeling (door de partner of ex-partner) en vrouwenhandel.

In 2003 zijn vele activiteiten op het emancipatieterrein verricht. Speerpunten in 2003 waren:

• Bestrijding van geweld tegen vrouwen;

• Emancipatie en integratie van vrouwen uit etnische minderheden;

• Taskforce «Vrouwen, Veiligheid en Conflict», ingesteld voor 3 jaar.

In 2003 vond de landelijke afsluiting plaats van de succesvolle Stimuleringsmaatregel dagindeling. Het evaluatierapport van het SCP Beter voor de Dag laat zien dat bijna 70% van de experimenten succesvol te noemen is. Mede op basis van resultaten van de experimenten Dagindeling zijn 66 experimenten rond het thema Tijd gestart en 93 via ESF-3 gericht op concrete oplossingen voor het beter combineren van arbeid en zorg.

4. Realisatie overige beleidsvoornemens

In de begroting 2003 is een overzicht opgenomen met daarin de acties die uit het Strategisch Akkoord voortvloeien. In tabel 11 staan de overige maatregelen genoemd en wordt ingegaan op het bereikte resultaat in 2003 of wordt de stand van zaken gemeld.

Tabel 11: Realisatie beleidsvoornemens 2003
Overige maatregelenBereikte resultaat in 2003
4.1 Verminderen armoedeval 
• Verhogen arbeidskortingMet ingang van 2004 is de arbeidskorting verhoogd van maximaal €1103 tot maximaal €1213 per jaar.
• Afschaffing SPAKVoorgenomen is een versnelde afschaffing in 2004.
• Afschaffing VLWVerloopt fasegewijs in vier jaar tot 2006
• Afschaffen categoraal bijstandsbeleid per 1/1/2004Gerealiseerd. Het betreft een gedeeltelijke afschaffing die van kracht is geworden bij de Wet Werk en Bijstand.
• Regeling inkomensondersteuning langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectiefGerealiseerd met het van kracht worden van de Wet Werk en Bijstand
• Beperken inkomensafhankelijke regelingenDoor de werkgroep HIAR zijn voorstellen gedaan een aantal inkomensafhankelijke regelingen te stroomlijnen. Het kabinet heeft gevraagd deze voorstellen nader uit te werken.
  
4.2 Beperken instroom en bevorderen uitstroom uit de werkloosheid
• Korting gouden handdrukken op WW per 1/1/2004In het kader van het Najaarsakkoord, waarbij sociale partners een bevriezing van de lonen in 2004 hebben afgesproken, is het voornemen ingetrokken om bovenwettelijke aanvullingen op de WW-uitkering te anticumuleren. Om de ontslagkosten voor werkgevers te beperken wil het kabinet gouden handdrukken wel aan een maximum verbinden.
• Verlenging feitelijk arbeidsverleden in de WW als bepalende factor voor duur uitkeringDe uitbreiding van de duur waarover het arbeidsverleden feitelijk wordt vastgesteld (in plaats van verondersteld) versterkt de band tussen de duur van de verzekering en de maximale uitkeringsduur. Het wetsvoorstel is in 2003 ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wijziging van de WW treedt naar verwachting per 1 januari 2005 in werking.
• Beperken vervolguitkering WW tot 1 jaarHet voornemen om de duur van de vervolguitkering voor de nieuwe instroom in de WW én voor bestaande (loongerelateerde) gevallen te beperken tot 1 jaar, is aangepast tot een algehele afschaffing van de vervolguitkering voor nieuwe instromers die op of na 11 augustus 2003 werkloos werden, dan wel van wie het ontslag plaatsvond na genoemde datum.Deze wijziging van de WW, waarmee de activerende werking van de WW is versterkt, is per 1 januari 2004 in werking getreden.
• Werkgeversbijdrage afvloeiing oudere werknemersHet wetsvoorstel is in de Tweede Kamer geamendeerd in een regeling voor premievrijstelling van werkgevers die oudere werknemers in dienst nemen (vanaf 50 jaar), dan wel houden (vanaf 55 jaar). Deze premievrijstellingregeling is per 1 januari 2004 in werking getreden.
• Herintredende vrouwen (70 000 herintredende vrouwen in 2002–2005)Medio 2003 is aan de Tweede Kamer het geactualiseerde plan van aanpak herintredende vrouwen aangeboden. Het afsluiten van regionale convenanten wordt als voornaamste instrument ingezet.
• Bevorderen arbeidsparticipatie etnische minderhedenIn 2003 zijn een aantal specifieke instrumenten ingezet: Raamconvenant Grote Ondernemingen, wet SAMEN, SPAG, Plan van aanpak Hoger opgeleide vluchtelingen. Maart 2004 wordt er een plan van aanpak naar de Tweede Kamer gestuurd waarin wordt aangegeven welke activiteiten de komende jaren worden uitgevoerd om de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden te verbeteren.
• Bevorderen arbeidsparticipatie laaggeschooldenPlan van aanpak jeugdwerkloosheid opgesteld. Taskforce Jeugdwerkloosheid is geïnstalleerd, budget voor drempelslechting is beschikbaar gesteld aan CWI. Bestaande fiscale faciliteit startkwalificatie voor werkgevers uitgebreid met voormalig werkloze jongeren (< 23)
• Bevorderen arbeidsparticipatie ouderenEind 2003 heeft de Taskforce Ouderen en Arbeid haar advies uitgebracht. Mede op basis van dit advies wordt in mei 2004 een kabinetsreactie naar de Kamer gestuurd.
• Sollicitatieplicht werklozen ouder dan 57,5 jaarPer 1 januari 2004 geldt voor WW-gerechtigden vanaf 57½ jaar weer een sollicitatieplicht.
• Wegnemen belemmeringen voor doorwerken na 65 jaarHet kabinet heeft besloten de AOW leeftijd niet te verhogen maar in plaats daarvan in te zetten op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van oudere werknemers (55–65 jaar)
• Hervorming van vaststelling en inning kinderalimentatie ouders bijstand per 1/1/2004In 2003 is in interdepartementaal verband (voortouw Justitie) een wetvoorstel herziening kinderalimentatie opgesteld.In 2003 is in de WWB en de Invoeringswet WWB alvast rekening gehouden met de invoering van een nieuw kinderalimentatiestelsel; alsdan vervalt bijstandsverhaal op ex-partners en kunnen gemeenten voor kinderalimentatie belanghebbende doorverwijzen naar het intermediair L.B.I.O. (art. 56 WWB). Invoering is voorzien in de tweede helft van 2004.
  
4.3 Aanpak Misbruik en fraude
• Aanscherpen handhavingsbeleidDoor vertraging in de uitvoering van het ID-programma is de taakstelling gedeeltelijk gerealiseerd.
  
4.4 Inkomensbeleid
• Invoering inkomensafhankelijke kinderkorting per 1/1/2005Een ambtelijke werkgroep inventariseert de mogelijke vormgeving van een stroomlijning van de kinderkortingen, dit mede in het kader van een bredere stroomlijning van inkomensafhankelijke regelingen.
• AOW-premieschuifIn het Hoofdlijnenakkoord is het voornemen om te komen tot een AOW-premieschuif komen te vervallen.
• Woonlandbeginsel AKWVooralsnog uitgesteld tot 1 januari 2005
  
4.5 Vereenvoudigen regelgeving bedrijven
• Plan van Aanpak vereenvoudiging regelgevingIn november 2002 aan Tweede Kamer aangeboden
• Vermindering administratieve lasten met 25%Nulmetingen zijn in december 2003 opgeleverd
• Harmonisatie loonbegripOnderdeel van Walvis/SUB-traject.Invoering per 1 januari 2006
• Belasting en premieheffing via 1 loket per 1 januari 2005 (efficiencywinst collectieve sector)Invoering per 1 januari 2006
• Onderzoek naar mogelijkheden om de WAZ af te schaffenVoorbereiding gericht op intrekking per 1 juli 2004 is in volle gang.
  
4.6 Pensioenen
• Nieuw pensioenconvenantNa het verschijnen van de begroting 2003 viel het kabinet Balkenende I. Daardoor kwamen de gesprekken met de sociale partners inzake een nieuw pensioenconvenant stil te liggen. Na de start van het Kabinet Balkenende II is er voor gekozen de pensioenproblematiek mee te nemen in voorjaarsakkoord en het najaarsakkoord van 2003.

5. Budgettaire consequenties

In de begroting 2003 is tevens aangegeven welk budgettair beslag de beleidsmaatregelen op het beleidsterrein van SZW met zich hebben meegebracht. In tabel 12 wordt ingegaan op de budgettaire realisatie in 2003.

Tabel 12: Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2003 (x € 1 mln)
Beleidsprioriteiten jaar 2003Art.nr.FinancieringOntwerp-begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
A Prioriteiten     
1 Aanpak WAO     
• Verminderen WAO-instroomP 2Premie– 100 – 230
      
2 Reïntegratie     
• Maximale budgettering FWI gemeentenB 2, 3, 5Begroting  
• Ongedifferentieerd reïntegratiebudget gemeentenB 2,3Begroting– 520 – 520
• Ongedifferentieerd reïntegratiebudget UWVP 3Premie– 130 – 130
      
3 Levensloop1     
• Invoering basisregeling levensloopB 11Begroting100– 1000
• Levensloop in relatie tot pensioenen Lastenreserve100– 1000
• Afschaffen (fiscale) subsidie verlofB 11Begr./Fiscaal– 150+ 145– 5
      
B Overige onderwerpen     
4.1 Verminderen armoedeval     
• Verhogen arbeidskorting Fiscaal600 600
• Afschaffing SPAK Fiscaal– 230 – 230
• Afschaffing VLW Fiscaal– 50 – 50
• Afschaffen categoraal bijstandsbeleid per 1.1.2004B 5Begroting  
      
4.2 Beperken instroom en bevorderen uitstroom uit de WW     
• Korting gouden handdrukken op WW per 1.1.2004P 1Premie  
• Verlenging feitelijk arbeidsverleden in de WW als bepalende factoren voor duur uitkering per 1.4.2003B 5,15 /P 1,2Begr./Premie  
• Beperken vervolguitkering WW tot 1 jaar Begr./Premie– 70+ 700
• Bevorderen arbeidsparticipatie etnische minderheden, laaggeschoolden en ouderenB 2Begroting9+ 914
• Sollicitatieplicht werklozen ouder dan 57,5 jaarP 1Premie– 80+ 800
• Hervorming van vaststelling en inning kinderalimentatie ouders bijstand per 1.1.2004B 5Begroting  
      
5 Aanpak Misbruik en fraude     
• Aanscherpen handhavingsbeleiddivBegr/Premie– 10 – 1
      
6 Inkomensbeleid     
• Invoering inkomensafhankelijke kinderkorting per 1.1.2005 Fiscaal  
• Woonlandbeginsel AKWB 9Begroting– 16+ 160
      
7 Vereenvoudigen regelgeving bedrijven     
• Belasting en premieheffing via 1 loket per 1.1.2005    

1 De in het Strategisch Akkoord aangekondigde beëindiging van de «subsidies verlof» zijn in 2003 in stand gebleven omdat de nieuwe Levensloopfaciliteit niet is ingevoerd. Alleen de in het wetsvoorstel Langdurig zorgverlof voorgestelde financiering Langdurend zorgverlof is wel blijvend geschrapt.

6. Bijzondere thema's

6.1 Administratieve lastendruk bedrijfsleven

In overleg met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en uitvoeringsinstanties zijn in 2003 voorstellen voor een reductie van deze administratieve lasten geïnventariseerd en geïmplementeerd.

Nulmetingen

Een belangrijke activiteit was de actualisering van de vier standaardkostenmodellen op de terreinen werknemersverzekeringen, arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsmarkt en bijstand. In opdracht van het ministerie zijn alle modellen geactualiseerd tot de situatie per ultimo 2002 en zijn de administratieve lasten herberekend naar het prijspeil 2002. De nog ontbrekende module voor de regelgeving inzake de kinderopvang is toegevoegd aan het model voor de arbeidsverhoudingen.

De uitkomsten van de nulmetingen arbeidsverhoudingen en arbeidsmarkt en bijstand zijn besproken met de gemengde commissie, waarin het bedrijfsleven en het UWV vertegenwoordigd zijn (Commissie Kuipers). Onderdeel van de bespreking waren de mogelijkheden tot lastenreductie.

In het kader van de nulmeting geformuleerde voorstellen op het gebied van aanvullende pensioenen zijn medio 2003 voor advies voorgelegd aan de pensioenpartners in de Stichting van de Arbeid.

De vier modellen vormen de basis voor de berekening van het aandeel van het ministerie bij de realisatie van de doelstelling van het kabinet om de administratieve lasten in deze kabinetsperiode met een kwart te verminderen ten opzichte van 2002. De omvang van de administratieve lasten als gevolg van SZW-regelgeving bedroeg ruim € 2,5 miljard, waarvan het overgrote deel op het terrein van de arbeidsomstandigheden (ruim 45%) en de werknemersverzekeringen (bijna 39%).

Tabel 13: Overzicht nulmetingen administratieve lastendruk bedrijfsleven
Wetgevingsdomeinx € 1 mln
Werknemersverzekeringen979
Arbeidsomstandigheden1 150
Arbeidsverhoudingen341
Arbeidsmarkt & bijstand63
Totaal2 533

Bron: nulmeting 2002 EIM

Internationale herkomst van administratieve lasten

Op basis van de spelregels administratieve lasten Miljoenennota 2004 is in kaart gebracht in welke mate de administratieve lasten van de SZW-regelgeving geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van Europese regelgeving of van de implementatie van internationale verdragen. Van de administratieve lasten op SZW-terrein blijkt bijna 64% nagenoeg volledig nationaal bepaald, terwijl 28% valt aan te merken als administratieve lasten die direct worden veroorzaakt door internationale regelgeving. Het restant (8%) is gedeeltelijk internationaal bepaald maar biedt substantiële ruimte voor eigen invulling.

Op het terrein van de arbeidsomstandigheden weegt het internationale element het zwaarst. Daar is 59% nagenoeg volledig internationaal bepaald en nog eens 16% gedeeltelijk. De administratieve lasten als gevolg van de werknemersverzekeringen zijn volledig nationaal bepaald. Bij arbeidsverhoudingen bedraagt de (gedeeltelijk) internationale component 11%. Op het terrein van de arbeidsmarkt is 24% als gedeeltelijk internationaal gerubriceerd.

Acties in 2003 gericht op lastenreductie

De in 2003 ondernomen acties tot vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven, zijn voor het merendeel een vervolg op in 2002 in gang gezette acties. Bij de werknemersverzekeringen is voortgang geboekt bij de parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen WALVIS en de complementaire aansluitingswet op het terrein van de belastingen. Tevens is de indiening voorbereid van het wetsvoorstel financiering sociale verzekeringen, waarmee de premie-inning voor de werknemersverzekeringen wordt opgedragen aan de Belastingdienst. De gezamenlijke voorstellen moeten leiden tot een vermindering van de administratieve lasten van uiteindelijk € 276 miljoen per jaar (prijspeil 2000). De eerste reducties worden in 2005 gerealiseerd.

In 2003 is gewerkt aan implementatie van de november 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden voornemens voor vermindering van de administratieve lasten op het terrein van arbeidsomstandigheden (TK 2002–2003, 24 036, nr. 271).

• Voorstellen in verband met een eenvoudiger totstandkoming van de RI&E zijn voorgelegd aan de Sociaal Economische Raad voor advies.

• De rapportage van het onderzoek naar de kennisinfrastructuur en de communicatiebehoeften van kleinere bedrijven is in november 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Het voorstel om artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 te laten vervallen was eind 2003 als onderdeel van een verzamelwet in behandeling bij het parlement.

• Als eerste aanzet voor beter gebruik van ICT is een website gemaakt waarmee bedrijven sneller in staat zijn hun RI&E te maken/bij te stellen.

De voornemens tezamen moeten uiteindelijk leiden tot een vermindering van de administratieve lasten met meer dan € 200 miljoen. Als vervolg op de nulmeting arbeidsomstandigheden is ook een onderzoek ingesteld naar de betekenis van de beleidsregels op dit terrein voor de administratieve lasten. De uitkomsten van dit onderzoek worden thans benut voor een integrale doorlichting van deze beleidsregels.

In december 2003 is ook de voortgangsrapportage inzake het Actieplan Vereenvoudiging SZW-regelgeving aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin zijn nieuwe voorstellen op het terrein van de arbeidsomstandigheden opgenomen met eveneens een positief effect op de administratieve lasten. Ook de expiratie van de Wet SAMEN en de intrekking van de Wet inschakeling werkzoekenden met ingang van 2004 hebben een lastenreducerend effect van per saldo € 9 miljoen.

Administratieve lasten als gevolg van PBO-regelgeving

In aansluiting op het Plan van aanpak voor de reductie van administratieve lasten dat november 2002 door de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer is aangeboden, heeft het ministerie van SZW een quick scan laten uitvoeren naar de administratieve lasten van de product- en bedrijfschappen. Eén van de producten van de quick scan is een meetinstrument dat door de bedrijfslichamen zelf kan worden gehanteerd om de administratieve lasten van de eigen verordeningen in de loop van 2004 integraal in kaart te brengen. Het beeld dat uit de quick scan naar voren komt is dat de administratieve lasten per schap en per type verordening sterk kunnen variëren. Om zicht te krijgen op de mogelijkheden tot lastenvermindering is de PBO's gevraagd analyse te doen verrichten en is de SER verzocht om hierbij een coördinerende rol te spelen.

Reducties en stijgingen als gevolg van de acties 2003

Naast de bovengenoemde grotere projecten is in de loop van het jaar 2003 een beperkt aantal wetswijzigingen in werking getreden met gevolgen voor de administratieve lasten. Ook is een enkele efficiencyverbetering gerealiseerd. Deze zijn samengevat in onderstaand overzicht. Deze voorstellen hebben in dat jaar geleid tot een daling van de administratieve lasten met bijna € 43 miljoen of 1,7%.

Daarnaast is in 2003 ook sprake geweest van enkele maatregelen die een beperkte stijging (€ 0,7 miljoen) tot gevolg hebben. Per saldo was in 2003 sprake van een lastendaling met € 42 miljoen.

Tabel 14: Overzicht gerealiseerde reducties en stijgingen 2003
WetgevingsdomeinInstrument/activiteitX € 1 mln
Reducties 42,7
WerknemersverzekeringenAfschaffen feestgeschenken regeling34,0
 Ketenaansprakelijkheid confectie0,1
ArbeidsomstandighedenRI&E website7,0
 Diversen0,2
ArbeidsmarktVergunningplicht WAADI1,4
   
Stijging 0,7
WerknemersverzekeringenAanscherping REA-subsidie0,6
 Overig0,1
   
Totale ontwikkeling lastendaling42,0

Bron: SZW

6.2 Aanpak misbruik en fraude

SZW beleidsbudget

Het SZW beleidsbudget voor handhaving (artikelen 1, 5 en 98) kent een onderverdeling naar geoormerkt budget op grond van het Strategisch Akkoord en Hoofdlijnenakkoord; geoormerkt budget ten behoeve van lopend beleid en budget ten behoeve van additionele handhavingsprojecten. Het Inlichtingenbureau, Internationale Fraudebestrijding en het project ID-kaart zijn voorbeelden van lopend beleid. Het oorspronkelijke budget voor 2003 bedroeg € 69,6 miljoen. Uiteindelijk is bijna € 48 miljoen besteed.

De oorzaak van de lagere uitgaven is hoofdzakelijk gelegen in vertragingen in de uitvoering van het handhavingsprogramma, waaronder de stimuleringsregelingen fraudebestrijding gemeenten en de afbouw van de regionale interdisciplinaire fraudeteams in het kader van de totstandkoming van een landelijk dekkend netwerk van interventieteams.

Strategisch Akkoord en Hoofdlijnenakkoord

In 2003 is gestart met de uitvoering van het handhavingsprogramma 2003–2006 teneinde de fraudetaakstelling uit het Strategisch Akkoord (netto € 120 miljoen in structurele situatie), te realiseren. In het Hoofdlijnenakkoord is hieraan nog een taakstelling van structureel € 20 miljoen toegevoegd. Voor 2003 was een netto opbrengst voorzien van in totaal ruim € 10 miljoen. Uit onderstaande tabel blijkt een realisatie van € 1,3 miljoen; de taakstelling is daarmee niet gerealiseerd. Belangrijkste oorzaak hiervan zijn vertragingen in de uitvoering van het handhavingsprogramma. Het programma omvat verscheidene maatregelen ter bestrijding van fraude en misbruik van regelgeving in de sociale zekerheid. Voor een uitgebreide toelichting op deze maatregelen en op het reeds lopende beleid verwijs ik u naar de integrale rapportage handhaving 2003 die in het vierde kwartaal 2004 zal verschijnen.

Tabel 15: Opbrengsten en uitgaven fraudetaakstelling Strategisch Akkoord 2003 (x € 1 mln)
 begroting 2003realisatie 2003
Opbrengsten  
bestrijding zwarte fraude21,414,9
bestrijding identiteitsfraude42,628,8
Totaal64,043,7
   
Uitgaven  
bestrijding zwarte fraude27,422,7
bestrijding identiteitsfraude26,019,7
Totaal53,442,4
Saldo (=netto opbrengsten)10,61,3

Bron: SZW-administratie

In 2003 zijn de volgende zaken ter bestrijding van zwarte fraude gerealiseerd:

– De regionale interdisciplinaire fraudeteams zijn omgevormd tot een landelijk dekkend netwerk van interventieteams.

– Er zijn 23 aanvragen ingediend voor de stimuleringsregeling voor intergemeentelijke opsporingssamenwerkingsverbanden. De uiterste inzenddatum hiervoor is nu verstreken.

– Voor de Tijdelijke stimuleringsregeling «intensivering opsporing en controle Abw» zijn inmiddels 44 aanvragen voor extra capaciteit toegewezen. Gemeenten kunnen nog tot 1 juli 2006 aanvragen indienen.

– In 2003 zijn op basis van risicoanalyse 4 779 fysieke controles zijn uitgevoerd. UWV heeft hiermee de doelstelling voor 2003 van het Handhavingsprogramma gerealiseerd.

– In september 2003 is de ministerraad akkoord gegaan met het wetsvoorstel bestuurlijke boete WAV.

– Er zijn 280 aanvragen (betreffende 323 gemeenten) ingediend op basis van de stimuleringsregeling «hoogwaardig handhaven».

– Eind 2003 heeft een onderzoeksbureau haar conceptbevindingen van het onderzoek betreffende uniformering handhavingsbegrippen en stroomlijning informatiesystemen aan SZW voorgelegd.

Voor de aanpak van identiteitsfraude, met name in het sofi-domein, hebben in 2003 de volgende acties plaatsgevonden:

– CWI heeft vanaf het 3e kwartaal 2003 handhaving gericht op de gehele keten van werk en inkomen opgepakt. Er zijn pilots gestart met gemeenten, er is een inventarisatie gemaakt van alle noodzakelijke handhavinginstrumenten en er wordt een samenhangend beleid ontwikkeld.

– UWV heeft in 2003 pilots gestart gericht op documentherkenning met behulp van Edison.

– Het opleiden van het baliepersoneel van CWI en UWV met betrekking tot identiteitsfraude is conform de jaarplannen in 2003 gestart.

– Het UWV heeft risicomodellen ontwikkeld op grond waarvan startende ondernemers in het eerste jaar worden bezocht. SZW heeft de folder «Wat U moet weten over vreemdelingen en Werk» verstuurd naar 700 000 werkgevers.

– UWV heeft een bestandsvergelijking uitgevoerd naar ID-fraude. Hieruit bleek dat ruim 4 500 sofinummers ten minste vier dienstverbanden hadden.

– SZW heeft een implementatiestudie laten uitvoeren naar de toepassing van een eerstedagsmelding. Aanbeveling is de melding in te bedden in het systeem van elektronische aangifte voor loonheffing en de premies en de polisadministratie. Vroegst mogelijke implementatiedatum is dan 1 januari 2006.

SIOD

In 2003 heeft de SIOD zich tot doel gesteld 65 onderzoeken af te ronden. Op basis van het handhavingsprogramma 2002–2006 wordt speciale aandacht gegeven aan de opsporing van identiteitsfraude, werkgeversfraude en zwarte fraude. Daarnaast hadden fraudemeldingen met een internationaal karakter een hoge prioriteit. De geraamde opbrengst van deze onderzoeken bedroeg € 10,2 miljoen.

Eind 2003 heeft de SIOD 68 opsporingsonderzoeken afgerond; 31 onderzoeken zijn nog in uitvoering. De afgeronde onderzoeken hebben geresulteerd in 84 processen-verbaal (pv's). Van de afgeronde onderzoeken hadden 16 onderzoeken betrekking op identiteitsfraude, 23 onderzoeken op werkgeversfraude en 29 onderzoeken op zwarte fraude. In totaal hadden drie onderzoeken betrekking op ESF-fraude en hadden 18 zaken een internationaal karakter.

De 84 processen-verbaal zijn overgedragen aan het Openbaar Ministerie. Het OM heeft besloten dat elke zaak voor dagvaarding in aanmerking komt. In twee zaken heeft de rechter inmiddels een vonnis uitgesproken.

Het totale benadelingsbedrag op basis van de 84 pv's komt uit op € 16,7 miljoen aan sociale verzekeringspremies (en ruim € 43 miljoen aan belastingen), waarmee de taakstelling voor 2003 is gerealiseerd. Indirecte effecten zijn niet in het totale benadelingsbedrag meegenomen.

De SIOD is in 2003 gegroeid van 168 naar 220 fte (= 232 personen). Hiervan was eind 2003 165 fte werkzaam bij de Recherche.

6.3 Uitvoeringskosten Sociale Zekerheid en financiering premiegefinancierde sociale zekerheid

Ontwikkeling uitvoeringskosten SUWI-organisaties 2003

De Wet SUWI heeft ingrijpende veranderingen aangebracht in de uitvoering van de sociale zekerheid. Naast een aantal al langer bestaande uitvoeringsorganisaties, is een aantal nieuwe organisaties gevormd met name UWV en CWI. Daarnaast is ook de bestuurlijke relatie tussen departement en uitvoeringsorganen gewijzigd. Gekozen is voor een sturingsrelatie op afstand waarbij de zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van een deel van de taken op het terrein van werk en inkomen. Deze sturingsrelatie wordt vormgegeven door een (inmiddels vastgelegde) planning- en controlcyclus. In jaarplannen, kwartaalverslagen en jaarverslagen worden de te bereiken doelen van de organisaties afgesproken, gemonitord en beoordeeld. Belangrijk instrument hierbij zijn de ontwikkelde uitvoeringsprestatie-indicatoren die kernachtig de prestaties van de diverse organisaties weergeven.

Hoewel reeds enorme vooruitgang is geboekt in de ontwikkeling en professionalisering, verkeren de uitvoeringsorganisaties zich nog veelal in een groeitraject. Eind 2001 zijn reeds bestuurlijke meerjarenafspraken gemaakt wat betreft het kostenniveau 2002–2005 van alle organisaties en is besproken hoe dit niveau geleidelijk kan worden bereikt. Zodoende is bij alle organisaties sprake van een transformatieproces dat naar verwachting in 2006 volledig zal zijn gerealiseerd. In dit proces wordt uitdrukkelijk ook de nodige aandacht besteed aan interne kwaliteitsverbetering van de processen en systemen van de organisaties.

Om de taakuitvoering van CWI, BKWI, IB, UWV en SVB in 2003 mogelijk te maken, is voor elke uitvoeringsorganisatie eind 2002 een budget vastgesteld.

De uitvoeringskosten CWI en BKWI worden geheel gefinancierd uit de Rijksbegroting. Op artikel 1 «Basisdienstverlening Werk en Inkomen» is hiervoor budget gereserveerd. Op dit artikel worden eveneens de realisaties van CWI en de realisaties van het BKWI verantwoord. In 2003 is aan CWI een rijksbijdrage beschikbaar gesteld ter hoogte van in totaal € 419 miljoen. De gerealiseerde uitvoeringskosten CWI bedragen € 389 miljoen, inclusief transformatieprojecten en kosten als gevolg van de boedelscheiding van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De resterende € 30 miljoen als onderdeel van de Rijksbijdrage CWI 2003 heeft betrekking op activiteiten en projecten die CWI in 2004 zal uitvoeren.

In 2003 is aan BKWI een Rijksbijdrage beschikbaar gesteld ter hoogte van € 10,7 miljoen. Middels een vrijval van het bestemmingsfonds ten behoeve van projecten zijn de gerealiseerde uitvoeringskosten BKWI ad € 12,2 miljoen op het begrote niveau gebracht.

Er is in 2003 een Rijksbijdrage uitvoeringskosten van € 4,5 miljoen aan IB beschikbaar gesteld. Daarnaast is gedurende 2003 voor in totaal € 2,7 miljoen voor projecten aan IB toegekend. Het budget voor de uitvoeringskosten IB maakt onderdeel uit van artikel 5.

De gerealiseerde uitvoeringskosten bedragen € 4,8 miljoen. Het verschil wordt verklaard uit onder andere hogere contractkosten van externe leveranciers. Voor het project Sectorloket is een bestemmingsreserve in 2003 opgenomen van € 2,3 miljoen, waarvan de activiteiten in 2004 voortgezet worden.

Per 1 april 2003 zijn alle 489 gemeenten aangesloten op het landelijke systeem van het Inlichtingenbureau. Alle gemeenten zijn nu in staat om met behulp van de elektronische signalen die het Inlichtingenbureau maandelijks aanlevert het gemeentelijke handhavingsbeleid inzake de bestrijding van witte fraude in te vullen en vorm te geven.

Het budget uitvoeringskosten UWV voor het jaar 2003 is in december 2002 vastgesteld op € 1 762,2 miljoen (waarvan € 1 588,7 miljoen reguliere kosten en € 173,5 miljoen kwaliteits- en transformatieprojecten). Voor 2003 betekent dit een kostenreductie van 11% in de reguliere uitvoeringskosten ten opzichte van het kostenniveau van 2001.

Vervolgens is ten tijde van de Voorjaarsnota € 50 miljoen vanuit 2002 doorgeschoven migratiegelden en € 23 miljoen projectbudget voor WALVIS/SUB aan het budget toegevoegd. Het totaalbudget uitvoeringskosten UWV bedraagt daarmee € 1 835 miljoen. Deze kosten worden voor ongeveer 97% door middel van premies gefinancierd.

Uit het jaarverslag blijkt dat het UWV in totaal € 1 847 miljoen aan uitvoeringskosten heeft besteed. Het verschil bestaat uit niet begrote kosten voor de premie-inning WAZ en invoering regelgeving, die rechtstreeks ten laste van de fondsen zijn gebracht.

Over het geheel genomen zijn de prestaties van het UWV conform de verwachtingen. Wel is onder invloed van de sterk gestegen instroom de rechtmatigheid bij de WW en de REA beneden de norm gebleven, waardoor de accountant hierover een verklaring met beperking heeft moeten afgeven. Bij de WAO is sprake van een beleidsmatig zeer gunstige ontwikkeling met een aanmerkelijk lagere instroom bij een gelijkblijvende uitstroom. In uitvoeringstermen betekent dit dat het UWV een gedeelte van het voorziene aantal werkzaamheden voor de instroomkeuringen niet heeft hoeven verrichten. Daar staat tegenover dat de eind 2002 bestaande achterstanden bij de herkeuringen in 2003 goeddeels zijn ingelopen.

De begrotingsgefinancierde regelingen TW, Wajong en Bia bevinden zich in het hoofdstuk 5 «Beleidsartikelen» in respectievelijk artikel 5, artikel 6 en artikel 7. De gegevens over de premiegefinancierde regelingen, te weten de WW, de ZW, de WAO, de WAZ en de REA, zijn vermeld in hoofdstuk 7 «Premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven» in respectievelijk premieartikel 1, premieartikel 2 en premieartikel 3.

Het beschikbare budget 2003 voor de SVB in de Rijksbegroting 2003 bedroeg € 216 miljoen, waarvan € 214 miljoen ten laste komt van SZW en € 2 miljoen ten laste van VWS (medische indicatiekosten TOG). Het uitvoeringsbudget van de SVB (inclusief medische indicatiekosten voor de TOG) voor 2003 is vastgesteld op € 225,5 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de structurele meerkosten van de TAS (per 1 januari 2003 is de regeling gewijzigd) en de toevoeging van de loon/prijsbijstelling 2003.

De gerealiseerde uitvoeringkosten SVB 2003 bedragen € 217,0 miljoen (inclusief medische indicatiekosten TOG € 218,8 miljoen). De gerealiseerde uitvoeringskosten 2003 vallen aanzienlijk lager uit dan het toegekende uitvoeringsbudget door lager uitvallende personeelskosten, voortvloeiende uit een terughoudende invulling van vacatures maar ook een dalend ziekteverzuim en lagere automatiseringskosten.

Door de SVB is de wijze van meten van onzekerheden in 2003 gewijzigd ten opzichte van 2002. Hierdoor zijn de rechtmatigheidscijfers 2002 en 2003 die in het jaarverslag zijn opgenomen niet met elkaar vergelijkbaar. De SVB heeft in 2003 de onrechtmatigheidspercentages ook met de oude methode gemeten. Alle wetten blijken dan eveneens verbetering te vertonen en alle wetten blijven binnen de wettelijke norm van 1%.

De begrotingsgefinancierde regelingen AKW en TOG (beleidsartikel 9) en TAS (beleidsartikel 14) bevinden zich in hoofdstuk 5, de premiegefinancierde regelingen ANW (premieartikel 4) en AOW (premieartikel 5) bevinden zich in hoofdstuk 7.

Premieontvangsten en vermogenspositie van de fondsen

De premie-inkomsten sociale verzekeringsfondsen zijn oorspronkelijk in de begroting 2003 geraamd op € 39,1 miljard in 2003. In tabel 16 is zichtbaar gemaakt dat deze inkomsten neerwaarts zijn aangepast tot € 38,4 miljard.

Sinds de begroting 2003 zijn deze premie-inkomsten aangepast uit hoofde van de definitieve premievaststelling voor 2003 en uit hoofde van nieuwe inzichten omtrent de ramingen. De premiepercentages voor 2003 zijn uiteindelijk anders vastgesteld dan in de begroting was opgenomen. Dit komt voort uit de gemaakte afspraken in het Najaarsoverleg eind 2002. De WAO-premie is 0,15%-punt hoger en de AWF-premie is 0,85% lager vastgesteld. Dit hing mede samen met de door het UWV hoger vastgestelde wachtgeldpremie van 1,3% in plaats van het voorziene niveau van 0,85%.

De premie-inkomsten zijn voorts neerwaarts aangepast door de verslechterde economische vooruitzichten onder andere tot uitdrukking komend in een neerwaartse aanpassing van de economische groei van 1½% conform de begroting tot naar huidig inzicht 0%.

Tabel 16: De premie-inkomsten conform de huidige inzichten afgezet tegen de ramingen ten tijde van de oorspronkelijke begroting voor 2003; in miljarden euro's.
 Begroting 2003Mutatie premie-percentageBijstelling ramingHuidige stand
Centrale fondsen    
SVB: volksverzekeringen20,30,0– 1,119,2
UWV: werknemersverzekeringen17,7– 0,4– 0,117,4
     
Decentrale fondsen    
UWV: wachtgeldverzekering1,10,60,11,8
     
Totaal39,10,2– 0,938,4

Bron: Januarinota SVB, UWV

In de begroting voor 2003 werd gerekend met een exploitatietekort van € 0,5 miljard en een vermogensoverschot van € 7,2 miljard. Dit beeld is aangepast door de andere premievaststelling (zie hiervoor) en de verstrekking van een rijksbijdrage aan het AOW-fonds van € 1,2 miljard ter oplossing van de tekorten en de nabetalingen van de fondsen aan het rijk ter grootte van € 1,0 miljard. Samen met de bijstellingen in het uitgavenbeeld en de aanpassing van normvermogens resulteert naar huidig inzicht een exploitatietekort van € 0,1 miljard en een vermogensoverschot van € 7,7 miljard.

Tabel 17: De exploitatie en vermogenspositie van de fondsen conform de huidige inzichten afgezet tegen de ramingen in de oorspronkelijke begroting; in miljarden euro's.
 Begroting 2003Mutatie premiepercentage, rijksbijdrageBijstelling raming, nabetalingHuidige stand
Exploitatiesaldi    
SVB: volksverzekeringen– 1,01,2– 1,1– 1,0
UWV: werknemersverzekeringen1,5– 0,4– 0,11,0
UWV: wachtgeldverzekering– 1,00,60,3– 0,1
Totaal– 0,51,4– 1,0– 0,1
     
Vermogenssaldi    
SVB: volksverzekeringen– 1,11,2– 1,2– 1,1
UWV: werknemersverzekeringen9,4– 0,4– 0,18,9
UWV: wachtgeldverzekering– 1,10,60,4– 0,2
Totaal7,21,4– 0,97,7

Bron: Jaarverslag SVB, UWV

5. BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen (CWI)

1.1 Algemene doelstelling

De Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) bevordert de werking van de arbeidsmarkt door het bij elkaar brengen van vraag en aanbod ten behoeve van werklozen, andere werkzoekenden en werkgevers. CWI zorgt voor een zodanige dienstverlening op het terrein van werk en inkomen dat werkzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en werkgevers hun vacatures op zo kort mogelijke termijn kunnen vervullen. Voorzover nodig wordt voor werkzoekenden een uitkeringsintake verricht.

Voor CWI was 2003 het tweede jaar na inwerkingtreding van SUWI. Het realiseren van de algemene doelstelling geschiedde in de context van voortgaande opbouw van de organisatie en verdere investering in de samenwerking binnen de SUWI-keten. Op beide punten is in 2003 vooruitgang geboekt.

De ontwikkeling op de arbeidsmarkt beïnvloedde in 2003 het realiseren van de algemene doelstelling in sterke mate: de matching van vraag en aanbod kwam onder sterke druk te staan door de oplopende werkloosheid. In het begin van het jaar leidde dat tot onevenredig veel aandacht voor administratieve handelingen (inschrijving en uitkeringsintake) ten koste van de dienstverlening voor werkgevers c.q. de bemiddeling. Door een intensivering van de dienstverlening richting werkgevers, het vacatureoffensief en verschuiving in menskracht werd dit gecorrigeerd. Vervolgens kon volgens het jaarplan 2003 worden gewerkt en werd door CWI een duidelijke stijgende lijn gevonden, tot uitdrukking komend in het veelal realiseren van de taakstellingen.

De dienstverlening richting werkgevers is vanaf maart 2003 fors geïntensiveerd door de implementatie van een nieuwe werkwijze, waarbij op iedere CWI-vestiging gewerkt wordt met vacatureteams, waarbij een persoonlijke, snelle en actieve dienstverlening centraal staat. Verder is een landelijk telefoonnummer ingevoerd waarop werkgevers vacatures kunnen melden. Daarnaast is in september 2003 het vacatureoffensief van start gegaan. Doel van het vacatureoffensief is om in de huidige situatie van oplopende werkloosheid in combinatie met een nog altijd groot aantal openstaande vacatures, in een aantal daarvoor geselecteerde sectoren door middel van extra bemiddelingsactiviteiten een substantieel extra, al dan niet moeilijk vervulbare vacatures te vervullen met werkzoekenden. De resultaten van de eerste tranche (tot en met 31 december 2003) zijn goed. CWI heeft ruim 90% van de taakstelling gerealiseerd. Door de deelnemende sectoren worden nu meer vacatures aangemeld dan voor het vacatureoffensief van start ging. Alleen de resultaten over de maand december vielen tegen. Dit kwam door een terugloop in het aanbod van vacatures en interne (automatiserings-)problemen bij CWI.

CWI bepaalt van alle personen die zich inschrijven de afstand tot de arbeidsmarkt (fasering). In 2003 is door CWI, in samenspraak met het Ministerie van SZW en de ketenpartners, een start gemaakt met het zoeken naar en alternatief voor de huidige fasering van werkzoekenden. Doel daarbij was een eenvoudiger systeem (met minder voorspelfouten) te ontwikkelen om voor werkzoekenden zo efficiënt mogelijk de kortste route naar werk te bepalen, waarbij de gezamenlijke effectiviteit van het totale ketenproces verbetert en waarbij CWI de rol als poortwachter verder versterkt. Concrete uitwerking is voor 2004 gepland.

Tabel 1.1: Overzicht beleidsevaluaties
Gedeelte van de algemene doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
Gehele artikel2002uiterlijk 2004SUWI

In 2003 heeft een evaluatieonderzoek plaatsgevonden naar de regionale platforms arbeidsmarktbeleid. Verder is een eerste evaluatie van SUWI uitgevoerd. Deze evaluatie richtte zich op de in artikel 86 SUWI genoemde onderwerpen: de werking van prikkels, de uitvoering van andere taken en de eisen die gesteld worden aan de reïntegratiecontracten. Conclusies van deze evaluaties worden bij artikel 17 beschreven.

CWI heeft vanaf het derde kwartaal 2003 handhaving in brede zin, dus ook gericht op de gehele keten van werk en inkomen, opgepakt. Er zijn pilots gestart met gemeenten, er is een inventarisatie gemaakt van alle noodzakelijke handhavingsinstrumenten en er wordt een samenhangend beleid ontwikkeld.

De externe accountant van CWI is in 2003 tot een positief oordeel gekomen over de getrouwheid en rechtmatigheid bij de jaarrekening 2002 van CWI, rekening houdend met de bevinding dat gedurende 2002 niet alle formeel aan te besteden verplichtingen ook daadwerkelijk zo zijn aanbesteed. De IWI doet geen uitspraak over de rechtmatigheid van CWI.

Ten aanzien van de jaarrekening 2003 CWI is de externe accountant van CWI tot een positief oordeel gekomen over de getrouwheid en rechtmatigheid. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

1.2 Operationele doelstellingen

1. Iedere bij de CWI ingeschreven werkzoekende krijgt passende activerende dienstverlening aangeboden in de vorm van bemiddeling naar werk, zodat werkzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Indien nodig, wordt een dossier ten behoeve van een aanvraag van een uitkering opgebouwd.

2. Iedere werkgever die bij de CWI een vacature aanmeldt krijgt passende dienstverlening aangeboden, hetzij via toegang tot de website Werk.nl, hetzij in de vorm van het actief aanbieden van geschikte kandidaten voor de vervulling van een vacature, zodat deze op zo kort mogelijke termijn vervuld wordt.

3. Uitkeringsdossiers worden binnen korte termijn opgebouwd, volledig gecontroleerd en overgedragen aan UWV of gemeenten. Werkdossiers (informatie en reïntegratieadvies) worden na de (her)fasering op heldere bruikbare wijze overgedragen aan UWV of gemeenten.

4. Als onderdeel van de CWI vormt het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) een verbindende schakel in de SUWI-keten door het onderhouden van voorzieningen en standaards waarmee de SUWI-organisaties gegevens op een efficiënte en betrouwbare manier kunnen uitwisselen.

Operationele doelstelling 1: Iedere bij de CWI ingeschreven werkzoekende krijgt passende activerende dienstverlening aangeboden in de vorm van bemiddeling naar werk, zodat werkzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Indien nodig, wordt een dossier ten behoeve van een aanvraag van een uitkering opgebouwd.

Tabel 1.2: Streefwaarden
DoelgroepCriteriumStreven 2003Realisatie 2003
Alle cliëntenPreventiequote25%WW – 17,3%
   Abw – 45,6%
    
Fase 1 cliëntUitstroomquote90 dagen (zie toelichting)WW 51,0%Abw – 50,4%
    
 Aandeel etnische minderheden in uitstroomquote t.o.v. aandeel autochtonenEvenredigBoven de evenredigheids-norm (18,5%)
    
Alle cliëntenRapportcijfer klanttevre- denheid (schaal 1–10)76,7

Bron: Kwartaalverslag 4e Kwartaal 2003, Jaarverslag 2003, CWI

In haar rol als poortwachter voor de WW en Abw voorkomt CWI pro-actief dat er onnodige uitkeringsaanvragen worden gedaan. Met de preventiequote wordt aangegeven welk percentage klanten niet wordt overgedragen aan een ketenpartner. Voor klanten met een bijstandsuitkering wordt de norm ruim gehaald, voor de klanten met een WW-uitkering niet. Belangrijkste reden daarvoor is dat de preventie onder Abw-ers hoog is, omdat er eerder afgezien wordt van het aanvragen van een uitkering. Bij de WW gebeurt dat minder, omdat er sprake is van een opgebouwd recht waar mensen een beroep op doen.

De uitstroomquote geeft een beeld van de uitstroom van werkzoekenden uit de klantgroep «met werkloosheid bedreigden/sollicitatieplichtigen» die niet in eerste instantie zijn afgevangen om de preventiequote en waarvan overdracht heeft plaatsgevonden naar de ketenpartner. Gemeten wordt het percentage dat binnen 6 maanden uit het CWI-bestand uitstroomt.

In het jaarplan 2003 heeft CWI voor een andere definitie van de uitstroomquote gekozen dan die in de begroting is opgenomen. In de SZW begroting ging het om het aantal werkzoekenden dat binnen 90 dagen is uitgestroomd. De definitie die CWI hanteert betreft het percentage werkzoekenden dat uitstroomt binnen 6 maanden na melding bij CWI. De normering hierbij is 60%. Deze definitie maakt het beter mogelijk om te komen tot een poortwachtersquote (preventie- en uitstroomquote samen). Het achterblijven bij de door CWI opgestelde norm van 60% is te verklaren door de verslechterde arbeidsmarkt. Sinds het totstandkomen van de norm is de opnamecapaciteit van de arbeidsmarkt (aantal vacatures) gekrompen en het aantal ontslagwerklozen toegenomen.

Klanttevredenheid bij werkzoekenden blijft iets achter bij de verwachting. Bereikbaarheid van de vestigingen, vriendelijkheid van medewerkers en gebruik van werk.nl scoorden positief. Over de bemiddeling waren de cliënten minder tevreden. Ook uniformiteit in de advisering en een goede dossier- en klantkennis kan worden verbeterd.

Operationele doelstelling 2: Iedere werkgever die bij CWI een vacature aanmeldt krijgt passende dienstverlening aangeboden, hetzij via toegang tot de website Werk.nl, hetzij in de vorm van het actief aanbieden van geschikte kandidaten voor de vervulling van een vacature, zodat deze op zo kort mogelijke termijn wordt vervuld.

Tabel 1.3: Streefwaarden
DoelgroepCriteriumStreven 2003Realisatie 2003
WerkgeverVervullingsquote van de vacatures60%33,8%
    
WerkgeverMarktbereik vacatures45%51,1%
    
WerkgeverRapportcijfer klanttevredenheid  
 (schaal 1–10)77,1

Bron: Kwartaalverslag 4e Kwartaal 2003, Jaarverslag 2003, CWI

CWI ondersteunt pro-actief of op verzoek van de werkgever de vacaturevervulling. Daarnaast acquireert het, om de rol van poortwachter effectief te kunnen vervullen, actief vacatures bij werkgevers.

De vervulling van vacatures is achtergebleven bij het streefcijfer voor 2003. CWI heeft in 2002 onderzoek gedaan naar de wijze waarop werkgevers werven. Op basis hiervan heeft CWI in zijn eigen jaarplan voor 2003 het streefcijfer bijgesteld naar 33%. Uit het onderzoek blijkt dat werkgevers vaak verschillende wervingskanalen gelijktijdig gebruiken. Daarnaast komt het voor dat vacatures worden gemeld, maar uiteindelijk niet worden opengesteld. Tot slot zijn er vacatures die moeilijk vervulbaar blijken omdat vraag en aanbod niet op elkaar zijn af te stemmen. In de eerste maanden van 2003 verliep de vacturevervulling stroef in verband met problemen bij de verwerking van de sterk gestegen klantenstroom; vervolgens is – na ingrepen in de organisatie – de realisatie sterk verbeterd. Vanaf september 2003 droeg het vacatureoffensief hieraan ook bij. De in 2003 ingezette versteviging van de vacaturevervulling voor werkgevers zal in 2004 verder worden doorgezet.

Met het marktbereik vacatures wordt aangegeven welk percentage van de totale vacaturemarkt voor CWI «beschikbaar is». CWI haalt in 2003 ruim de hiervoor gestelde norm.

De algemene waardering van werkgevers voor CWI is een cijfer van 7,1. Hiermee wordt de norm gehaald. Uit onderzoek is gebleken dat het op de hoogte gehouden worden over de stand van zaken door werkgevers als verbeterpunt wordt gezien. CWI pakt dit signaal op.

Operationele doelstelling 3: Uitkeringsdossiers worden binnen korte termijn opgebouwd, volledig gecontroleerd en overgedragen aan UWV of gemeenten. Werkdossiers (informatie en reïntegratieadvies) worden na de (her)fasering op heldere bruikbare wijze overgedragen aan UWV of gemeenten.

Tabel 1.4: Streefwaarden
DoelgroepCriteriumStreven 2003Realisatie 2003
N.v.t.Overdracht uitkeringsdossier aan gemeente of UWV= 8 dagen na aanvraagWW – 81,1%Abw – 95,6%
    
Gemeenten en UWVRapportcijfer klanttevredenheid (schaal 1–10)76

Bron: Kwartaalverslag 4e Kwartaal 2003, CWI

In het kader van haar verantwoordelijkheid als ketenpartner levert CWI tijdig en volledig gevalideerde en geverifieerde gegevens aan de ketenpartners aan. Voor de WW wordt tijdigheid gemeten op basis van het percentage dossiers dat binnen 8 werkdagen na het opstellen van het klantprofiel c.q. de eerste werkloosheidsdag aan het UWV wordt overgedragen. Voor de Abw-dossiers wordt gemeten het percentage dossiers dat binnen 8 werkdagen nadat de uitkeringsintake heeft plaatsgevonden, aan de gemeenten is overgedragen.

Door CWI is extra capaciteit ingezet om de tijdigheid WW, dat nu onder de norm ligt, op een hoger niveau te tillen. Daarnaast is door CWI richting SZW aangegeven het als een knelpunt te ervaren dat bij de WW er slechts 8 werkdagen beschikbaar zijn voor bemiddeling wanneer werkzoekenden zich pas op de eerste werkloosheidsdag melden. Dit punt wordt door CWI en SZW in 2004 gezamenlijk opgepakt.

De tevredenheid van ketenpartners over CWI ligt onder de norm. Onder leiding van SZW wordt hard gewerkt om de samenwerking tussen de ketenpartners te verbeteren. Dit heeft geresulteerd in het vastleggen van afspraken in het Programma Ketenresultaten 2003–2004.

Operationele doelstelling 4: Als onderdeel van de CWI vormt het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) een verbindende schakel in de Suwi-keten door het onderhouden van voorzieningen en standaards waarmee de Suwi-organisaties gegevens op een efficiënte en betrouwbare manier kunnen uitwisselen.

BKWI heeft als taak het beheer van centrale Suwinet-voorzieningen en de coördinatie van het beheer van decentrale (dat wil zeggen bij andere Suwinet-partijen berustende) voorzieningen. BKWI voert in samenwerking met de andere Suwinet-partijen het operationele beheer van Suwinet standaards (met name het Gegevensregister SUWI en het Stelselontwerp Suwinet). In 2003 lag grote nadruk op de ondersteuning van de projectmatige doorontwikkeling van de Suwi-keteninformatisering zoals neergelegd in het Programma Ketenresultaten 2003/2004. Dit betrof met name de uitwerking van werkproceskoppelingen tussen de partijen en de ondersteuning daarvan met Suwinet-functionaliteiten (Inkijk, Mail, Meldingen).

– In 2003 heeft het BKWI 376 adviezen met betrekking tot wijzigingen van afspraken en standards zoals vervat in de Regeling SUWI doorgevoerd;

– In 2003 is het aantal gebruikers van Suwinet toegenomen met 7 250 tot 18 831 eind 2003. Naast de aansluiting van de resterende vestigingen van CWI en UWV heeft 2003 in het teken gestaan van de aansluiting van met name gemeenten. De Suwinet-partijen hebben in 2003 Suwinet geraadpleegd met in totaal 1 379 343 inkijkacties.

1.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 1.5: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 200020012002Realisatie 2003Vastgestelde Begroting 2003Verschil 2003
Verplichtingen561 870497 467435 636430 078299 712130 366
Uitgaven561 870497 467435 613430 078299 712130 366
       
Apparaatuitgaven  472518522– 4
Personeel  43549542669
Materieel  372396– 73
       
Programma-uitgaven561 870497 467435 141429 560299 190130 370
CWI561 870497 467421 179411 289284 390126 899
BKWI  13 96210 67114 800– 4 129
Handhaving   7 60007 600
       
Ontvangsten158 8230033 052033 052

Bron: SZW-administratie

Centra voor Werk en Inkomen

De stand vastgestelde SZW-begroting 2003 is gebaseerd op de omvang van de basisdienstverlening van de voormalige Arbeidsvoorzieningorganisatie en de inzichten ten tijde van het opzetten van de SUWI organisatie. In juni heeft de minister van SZW deze financiële kaders die samen met de beleidsmatige kaders dienen als uitgangspunt voor het jaarplan CWI 2003 kenbaar gemaakt. Op basis hiervan heeft CWI in haar jaarplan 2003 invulling gegeven aan de wijze van dienstverlening aan zowel werkzoekenden als werkgevers.

De begroting CWI 2003, die als onderdeel van het jaarplan CWI 2003 deel uitmaakt van de afspraken die met de CWI zijn gemaakt, wijkt af van de initiële SZW-begroting die is gebaseerd op eerdere inzichten. De stand vastgestelde begroting van € 284,4 miljoen is voor een bedrag van € 17,6 miljoen naar boven bijgesteld. (Hiervan heeft € 11 miljoen betrekking op de loon- en prijscompensatie en € 6,6 miljoen op de uitvoering van taken uit het jaarplan CWI 2003). Tevens is de oorspronkelijke begroting 2003 aangevuld met een bedrag van € 40,2 miljoen ten behoeve van transformatieprojecten op het gebied van HRM, communicatie, huisvesting en ICT. De kosten waarmee CWI te maken heeft gehad als gevolg van de boedelscheiding van de voormalige Arbeidsvoorzieningorganisatie hebben eveneens geleid tot een aanpassing van de begroting. In totaal is voor de kosten van de boedelscheiding voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van € 51 miljoen aan de begroting toegevoegd.

Gedurende het jaar heeft CWI als gevolg van de verslechterde economische situatie te maken gehad met een toegenomen taaklast. Ten einde de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening te garanderen is de begroting 2003 aangepast voor een bedrag ter hoogte van € 16 miljoen. Daarnaast hebben de in 2003 opgestarte projecten in het kader van jeugdwerkloosheid (€ 3 miljoen) en handhaving (€ 4,7 miljoen) geleid tot aanpassing van de begroting.

BKWI

De projecten die het BKWI in het kader van de projectmatige doorontwikkeling van de SUWI-keteninformatisering uitvoert zijn neergelegd in het Programma Ketenresultaten. De initiële begroting van de projecten is hieraan aangepast. Een bedrag van € 3,5 miljoen is door middel van een kasschuif gereserveerd voor projecten in 2004 (€ 1,75 miljoen) en 2005 (€ 1,75 miljoen).

Ontvangsten

De ontvangsten 2003 hebben betrekking op de afrekening Jaarplan BKWI 2002 (€ 3 miljoen) en op de desaldering in het kader van de claim boedelscheiding Arbeidsvoorzieningorganisatie (€ 30 miljoen).

Beleidsartikel 2 Stimulering en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod

2.1 Algemene doelstelling

Het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie door het realiseren van een sluitende keten van reïntegratie voor nieuwe en langdurig werklozen; het wegwerken van kwalitatieve achterstanden van minder kansrijke werklozen en werkende werkzoekenden; het voor niet-actieven financieel aantrekkelijk maken zich op de arbeidsmarkt aan te bieden; het bevorderen van op minder kansrijke groepen gericht personeelsbeleid door werkgevers.

Voor de economische ontwikkeling is het van belang dat Nederland beschikt over een kwantitatief en kwalitatief toereikend arbeidsaanbod. Door een toename van het aantal duurzame plaatsingen van werkzoekenden kan een groter arbeidsaanbod worden bereikt. In 2003 was voorzien in extra aandacht voor de gelijke verdeling van arbeidsparticipatie van gedeeltelijk gehandicapten, etnische minderheden, vrouwen, laag opgeleiden en ouderen. Naast de arbeidsparticipatie was in 2003 ook de kwaliteit van het aanbod van zowel niet-participerenden als werkenden een aandachtspunt.

In tabel 2.1 worden de aantallen gestarte reïntegratietrajecten voor WAO, WW en ABW gepresenteerd. Het aantal gestarte trajecten WAO en WW is niet vergelijkbaar met het aantal gestarte trajecten ABW. Trajecten ABW worden door gemeenten verantwoord op basis van kalenderjaren, terwijl trajecten WAO en WW worden verantwoord op basis van contractjaren1. In de premieartikelen 1 en 3 wordt verder ingegaan op de resultaten van de gestarte trajecten. In beleidsartikel 2 wordt bij Agenda voor de Toekomst nader ingegaan op de realisatie van de afspraken met gemeenten.

Tabel 2.1: Aantallen gestarte reïntegratietrajecten
Regeling200120022003
WAO48 74557 514*5 079
WW17 01331 451*2 298
ABW/IOAW/IOAZ**11 12664 481***22 878

Bronnen: UWV en SZW

* Aantallen gestarte trajecten hebben betrekking op de eerste drie kwartalen van contractjaar 2003.

** De afspraken in het kader van de Agenda voor de Toekomst lopen voor 2001 vanaf 01-07-2001 tot 1-1-2002

*** De aantallen gestarte trajecten betreffen trajecten waarover in het kader van de Agenda voor de Toekomst verantwoording is afgelegd door gemeenten. De realisatie 2003 betreft een tussenstand voor de G-4 en G-26 (zie tabel 2.4)

In tabel 2.2 staan de middelen voor reïntegratietrajecten. Een uitgebreide toelichting op het gemeentelijk deel staat verderop in dit artikel bij de Agenda voor de Toekomst. Voor uitleg over het UWV-deel wordt verwezen naar de premieartikelen 1 en 3.

Tabel 2.2: Middelen voor reïntegratietrajecten1 (x € 1 mln)
 200120022003
WAO2180222212
WW2465662
ABW/IOAW/IOAZ/NUG3240*353**393
Totaal466631667

Bronnen: UWV en SZW

1 Uitgaven aan trajecten zijn inclusief scholing.

2 Uitgaven WAO en WW per kalenderjaar t hebben betrekking op declaraties van aangegane verplichtingen in jaren t t/m t-3, eveneens beslaan de uitgaven meer dan één contractjaar.

3 Voor de Agenda voor de Toekomst is voor 2002 en 2003 aan middelen een bedrag van respectievelijk 100 miljoen en 145 miljoen beschikbaar. Deze middelen zijn niet in dit overzicht betrokken, aangezien deze middelen zijn bedoeld als een extra impuls en geen structureel karakter dragen.

* De realisatie van scholing en activeringsmiddelen betreft een raming.

** Exclusief terugontvangsten.

Afgeronde evaluatieonderzoeken in 2003
OnderwerpConclusieVoortgang
Effecten van beleid en conjunctuur op Abw-volumeAanwijzingen dat op macroniveau naast conjunctuur ook onderdelen van het beleidsinstrumentarium invloed hebben gehad op de sterke daling van het aantal Abw-gerechtigden.13 augustus 2003 naar de Kamer gestuurd
   
Tijdelijke stimuleringsregeling bevordering activering en uitstroom uit Abw, IOAW of IOAZ dmv klantmanagementDe tijdelijke stimuleringsregeling levert een positieve bijdrage aan het bevorderen van activering en uitstroom.18 december 2003 naar de Kamer gestuurd
   
Equal programma NederlandPlannings- en capaciteitsproblemen hebben ten grondslag gelegen aan het niet goed uit de verf komen van de selectieperiode. Meer aandacht voor innovatie en mainstreaming. Voor kleine organisaties blijken administratieve eisen en regelgeving een probleem.19 december 2003 naar de Kamer gestuurd
   
Midterm-evaluatie ESF3De output blijft achter bij de beoogde output in het Enig Programmeringsdocument. Een uitzondering betreft de maatregel scholing en werkenden. Ten aanzien van de uitvoering kan worden opgemerkt dat organisatie langzaam op gang is gekomen. Inmiddels lopen procedures en processen beter.19 december 2003 naar de Kamer gestuurd
   
Asielzoekers en werkLopend, wordt april 2004 naar de Kamer gestuurd
   
Trendrapport reïntegratiemarkt 2004Lopend, voorziene einddatum oktober 2004
   
Evaluatie project seizoenarbeidLopend, voorziene einddatum april 2004
   
Slotevaluatie sluitende aanpakLopend, voorziene einddatum april 2004

2.2. Operationele doelstellingen

1. Nieuw ingeschreven volwassen werklozen die niet op eigen kracht werk kunnen vinden, krijgen binnen een jaar een aanbod voor activiteiten gericht op werk of sociale activering. Voor jeugdige werklozen (< 23 jaar) geldt een termijn van een half jaar.

2. Langdurig werklozen krijgen een aanbod voor activiteiten ter versterking van hun arbeidsmarktpositie.

3. Daling aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie in de beroepsbevolking.

4. Vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van doelgroepen.

Operationele doelstelling 1: Nieuw ingeschreven volwassen werklozen die niet op eigen kracht werk kunnen vinden, krijgen binnen een jaar een aanbod voor activiteiten gericht op werk of sociale activering. Voor jeugdige werklozen (< 23 jaar) geldt een termijn van een half jaar.\ {a;}Voor volwassenen was het streven voor 2003 om een volledige sluitendheid te bereiken, dat wil zeggen dat nieuw ingeschreven werklozen ofwel werk vinden, of binnen 12 maanden een aanbod hebben gekregen gericht op werk of sociale activering.

Tabel 2.3: Prestatie-indicatoren en streefcijfers sluitende aanpak nieuwe instroom1
DoelgroepCriteriumrealisatie 2001realisatie 2002streven 2003realisatie 2003
Nieuw ingeschreven werklozen < 23 jaarMate van sluitendheid aanpak werklozen100%100%100%100%
Nieuw ingeschreven werklozen volwassenenMate van sluitendheid aanpak werklozen287%84%100%83%
Nieuw ingeschreven werklozen volwassenenInstroom in langdurige werkloosheid220%24%15%25%
Nieuw ingeschreven werklozen met trajectDuurzame uitstroom3, 457%59%> 60%59%

Bronnen 2001 en 2002: Regioplan, onderzoeken sluitende aanpak; 2003: CBS en UWV, voorlopige cijfers 2003

1 Realisaties 2001 en 2002 bijgesteld met cijfers van ten onrechte buiten beschouwing gelaten groep (zie Regioplan: onderzoek 2002).

2 Vanaf 2002 cijfers inclusief weigeringen

3 Met duurzame uitstroom wordt bedoeld dat binnen 6 maanden na uitstroom geen inschrijving als werkzoekende meer plaatsvindt

4 Voor 2003 nog geen betrouwbaar cijfer bekend, raming op basis van 2002

Het kabinet streeft ernaar alle nieuw ingeschreven werklozen binnen 12 maanden uit te laten stromen naar werk of een aanbod te doen voor een reïntegratietraject. In hoeverre dit streven is gerealiseerd, wordt de «mate van sluitendheid» genoemd. De voorlopige cijfers laten zien dat de mate van sluitendheid voor de nieuwe instroom volwassenen in 2003 met 1 procentpunt is afgenomen ten opzichte van 2002. Het cijfer instroom in de langdurige werkloosheid in 2003 geeft een stijging van 1 procent aan ten opzichte van 2002. De cijfers tussen 2002 en 2003 zijn evenwel niet zonder meer vergelijkbaar.

De meetmethode naar het bereik van de Sluitende Aanpak is (zoals toegezegd in de nota TK 23 972 nr 63) in 2003 verbeterd. De cijfers over 2003 zijn zodoende nauwkeuriger dan de cijfers in 2002. Een verschil van 1 procent ligt in de onnauwkeurigheidsmarge van de gewijzigde rekenmethode.

Het streefcijfer van 100 procent sluitendheid is in 2003 niet gerealiseerd. De oorzaak hiervan ligt ondermeer in de stijgende werkloosheid in 2002 en in 2003. Het aandeel nieuwe werkzoekenden dat werk vindt zonder een reïntegratietraject nodig te hebben, neemt hierdoor af. Met ander woorden: de «spontane» uitstroom wordt minder. Nieuwe duurzaamheidcijfers over 2003 zijn nog niet beschikbaar. In het Kwartaalbericht September 2004 zal u over de duurzame uitstroom in 2003 geïnformeerd worden.

Operationele doelstelling 2: Langdurig werklozen krijgen een aanbod voor activiteiten ter versterking arbeidsmarktpositie.

WW-gerechtigden die vroegtijdig een reïntegratietraject verlaten, worden door UWV opnieuw opgeroepen. Wanneer blijkt dat er voldoende arbeidsmogelijkheden zijn, wordt de cliënt opnieuw doorverwezen naar een reïntegratietraject (tweede kans trajecten). In de afspraken rondom de aanbesteding van reïntegratie door UWV bij reïntegratiebedrijven is in 2003 extra aandacht geschonken aan tweede kans trajecten door deze als aparte groep aan te besteden.

In het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met de VNG en gemeenten afspraken gemaakt over de sluitende aanpak voor de nieuwe instroom en het zittende bestand. De sluitende aanpak voor nieuwe instroom is volgens gemeenten op orde. De gemeenten uit de G26 hebben een bestandsanalyse uitgevoerd naar het zittende bestand. Hierdoor kennen gemeenten hun bestand beter zodat er meer maatwerk mogelijk is voor een aanbod op een reïntegratietraject. De Tweede Kamer is op 19 december 2003 via de Tweede Voortgangsrapportage Agenda voor de Toekomst uitvoerig geïnformeerd over de stand van zaken.

In het kader van het realiseren van de sluitende aanpak worden diverse instrumenten ingezet:

1. Wet Inschakeling Werkzoekenden

Gemeenten hebben in 2003 het volume van WIW-dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen sterker laten dalen dan op basis van het beschikbaar gestelde bedrag nodig was. De licht lagere uitstroom uit dienstbetrekkingen ten opzichte van 2002 hangt mogelijk samen met de bezuinigingen op de ID-banen, waardoor de uitstroommogelijkheden uit de WIW beperkter zijn geworden. Een andere reden voor de lagere uitstroom is de teruglopende economie. In 2003 hadden gemeenten te maken met gedifferentieerde reïntegratiebudgetten. Vanaf 2004 kennen gemeenten één vrij besteedbaar reïntegratiebudget.

Tabel 2.4: Prestatiegegevens WIW-dienstbetrekkingen basis en werkervaringsplaatsen
    RealisatieBegrotingVerschil
 2000200120022003 (raming)420032003
Budget (x € 1 mln)      
Dienstbetrekkingen1285,2273,7252,7115,3120,82– 5,5
Werkervaringsplaatsen44,338,222,216,79,96,8
       
Uitstroom      
Uitstroom dienstbetrekkingen29%29%33%29%  
Uitstroom werkervaringsplaatsen63%64%58%59%  
       
Gemiddeld volume (in fte)3      
Dienstbetrekkingen35 73032 45029 34025 88026 850– 970
Werkervaringsplaatsen5 8904 0752 8702 0402 200– 160
       
Prijs (in euro's) per fte      
Dienstbetrekkingen8 2138 4868 8654 5004 500 
Werkervaringsplaatsen8 2138 4868 8658 0004 5003 500

Bron: SZW, WIW-monitor

1 exclusief Normbudget

2 In 2003 is het basisbedrag per dienstbetrekking verlaagd onder gelijktijdige verhoging van de normbedragen.

3 De realisatie is niet gelijk aan prijs x volume omdat het volume een jaargemiddelde betreft in personen, terwijl het bedrag is gebaseerd op realisaties in FTE's per halve maand.

4 Realisatiecijfers 2003 zijn gebaseerd op de door het EIM aangeleverde voorlopige jaarcijfers. Hierin zitten nog onzekerheden.

2. Agenda voor de Toekomst (inclusief klantmanagement).

In het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met gemeenten afspraken gemaakt om tot en met 2004 circa 300 000 trajecten te realiseren om bijstandsgerechtigden te activeren. Van deze trajecten moet in 2006 40% tot uitstroom naar werk hebben geleid. Voorlopige cijfers uit juli (G26) en oktober 2003 (G4) laten zien dat gemeenten bij de trajecten redelijk op koers liggen, zij het dat een aantal gemeenten nog een belangrijke slag moeten maken. Voorts blijkt dat de prestaties in 2003 vooral op de uitstroom uit trajecten naar werk achterblijven bij de overeengekomen aantallen. In het kader van de invoering van de Wet werk en bijstand en de conjuncturele ontwikkelingen is in overleg met de VNG besloten om gemeenten een jaar langer de tijd te geven om de trajectendoelstelling ook daadwerkelijk te halen. Met betrekking tot de uitstroomdoelstelling blijft 2006 de peildatum.

Tabel 2.5a: Prestaties Agenda voor de Toekomst 2002
  Trajecten  Uitstroom 
GemeentenRealisatieAfspraakVoortgangRealisatieAfspraakVoortgang
G426 93735 52576%4 3213 940110%
G2618 53324 12577%2 3972 333103%
Middelgrote en kleine gemeenten19 01133 70156%1 8813 35456%
Landelijk64 48193 35169%8 5999 62789%

Bron: Tweede voortgangsrapportage Agenda voor de toekomst

Tabel 2.5b: Tussenstand* Agenda voor de Toekomst 2003
  Trajecten  Uitstroom 
GemeentenRealisatieAfspraakVoortgangRealisatieAfspraakVoortgang
G413 58828 46848%2 4368 67028%
G269 29023 01340%1 3356 45921%

* G4 stand per 1 oktober 2003, G26 per 1 juli 2003

Bron: Tweede voortgangsrapportage Agenda voor de toekomst

3. Sectorale stimulansen/Raad voor Werk en Inkomen (RWI)

In het kader van het Hoofdlijnenakkoord is met betrekking tot de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers (SVWW) besloten per 1 september 2003 geen nieuwe aanvraagperiode meer open te stellen. Het beschikbare verplichtingenbudget voor de eerste en tweede tranche 2003 is volledig uitgeput. In 2003 zijn 56 projectaanvragen toegekend. De bestaande projecten hebben een looptijd tot uiterlijk 2006.

4. Kinderopvang alleenstaande ouders

De KOA-regeling is een van de instrumenten die gemeenten kunnen inzetten om uitstroom uit de bijstand te realiseren voor de groep alleenstaande ouders. In de begroting 2003 was als doelstelling opgenomen dat het verschil tussen de uitstroom uit de bijstand van alleenstaande ouders en die van andere bijstandgerechtigden in 2003 kleiner was dan in 2000. Gegevens over 2003 zijn echter nog niet beschikbaar. De economisch verslechterde omstandigheden hebben ten opzichte van de gemiddelde bijstandspopulatie in 2002 tot een sterkere daling van de uitstroom onder alleenstaande ouders geleid.

De regeling «kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders» voor 2003 (KOA-regeling 2003) is sterk vereenvoudigd. Deze vereenvoudiging had tot doel de administratieve lasten voor gemeenten te verminderen en gemeenten in staat te stellen om flexibeler kinderopvangplaatsen in te kopen. Daarentegen waren er in 2003 nog wel belemmeringen zoals wachtlijsten in de kinder- en buitenschoolse opvang. Momenteel is er nog geen zicht op de realisatie van de KOA-regeling 2003.

Tabel 2.6: Opgave subsidiabele kinderopvangovereenkomsten KOA 1999–2002
 1999 2000 2001 2002** 
 aantal*bedrag (x € 1000)aantal*bedrag (x € 1000)aantal*bedrag (x € 1000)aantal*bedrag (x € 1000)
hele-dagopvang1 46412 9651 61614 1541 48814 0251 63515 404
halve-dagopvang2871 6772861 6913332 0682821 750
buitenschoolse opvang2 83116 5443 42119 6373 30920 5763 72622 836
gastouderopvang1 8336 4971 9657 0231 8496 9671 7015 647
totaal6 41537 6837 28842 5056 97843 5487 34445 637
gedeclareerde subsidie 34 321 40 904 41 606 44 755

Bron: SZW

* Aantallen herleid tot voltijd en op jaarbasis in fte's

** Betreft de stand van zaken aan de hand van de door gemeenten ingediende opgaven. Bij de vaststelling kunnen nog correcties optreden.

5. Praktijkscholing

Conform de verwachting is de Hoofdelijk Versnelde Scholing van de Stichting Centrum Vakopleiding per 1 januari 2003 overgegaan naar de Regionale Opleidingscentra (ROC's). Zoals voorzien hebben de betrokken ROC's in 2003 subsidie ontvangen voor praktijkscholing volgens de methode van Hoofdelijk Versnelde Scholing (HVS).

Operationele doelstelling 3: Daling aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie (MBO-2 niveau) in de beroepsbevolking van 25–64 jaar.

In 2002 beschikt 26% van de beroepsbevolking van 25–65 jaar niet over een startkwalificatie en in 2001 27,4%.

Voor volwassen werkenden en werkzoekenden is het streven, gegeven de Europese ambities, dat in 2010 minder dan 20% van de beroepsbevolking van 25–64 jaar niet over een startkwalificatie beschikt. Daarvoor worden een fiscale faciliteit (WVA-onderwijs en WVA-startkwalificatie) en ESF-middelen ingezet.

Ten aanzien van de fiscale faciliteit gericht op scholing van voormalig werkloze werknemers van 23 jaar en ouder (WVA-startkwalificatie) is in 2003 ingezet op een grotere bekendheid van de regeling onder werkgevers.

Operationele doelstelling 4: Het vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van doelgroepen

1. Etnische minderheden

Als gevolg van de economische tegenwind is de werkloosheid onder zowel etnische minderheden als autochtonen opgelopen. De netto arbeidsparticipatie is voor beide groepen in 2003 gedaald. De meerjaren doelstelling om te komen tot een netto arbeidsparticipatie van 54% in 2005 blijft gehandhaafd. De doelstelling dat etnische minderheden niet onevenredig getroffen mogen worden door de verslechtering van de arbeidsmarkt is niet gehaald. Het werkloosheidspercentage voor etnische minderheden is meer gestegen dan het werkloosheidspercentage van autochtonen.

Tabel 2.7: Netto arbeidsparticipatie en werkloosheid vergeleken voor autochtonen en etnische minderheden, 1996–2003
 Netto arbeidsparticipatieWerkloosheidspercentage
 1996199719981999200020012002200319961997199819992000200120022003
%                
Totaal596062636465666587544345
Autochtonen616364666767686765433334
Etnische minderheden*4041444648505048222016141191015

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking

* De categorie etnische minderheden is gedefinieerd conform de Wet Samen; dit wijkt enigszins af van de door het CBS gehanteerde definitie voor niet-westerse allochtonen.

Grafiek 2.1: Netto arbeidsparticipatie autochtonen en etnische minderheden, 1996–2003

kst-29540-32-5.gif

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking

Grafiek 2.2: Werkloosheid autochtonen en etnische minderheden, 1996–2003

kst-29540-32-6.gif

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking

In aanvulling op het algemene beleid zijn in 2003 specifieke instrumenten ingezet om de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden te verbeteren, onder andere het Raamconvenant Grote ondernemingen, Stimuleringsprojecten Allochtone Groepen (SPAG) en het Plan van aanpak Hoger opgeleide vluchtelingen.

In maart 2004 wordt een plan van aanpak naar de Tweede Kamer gestuurd (conform motie Bruls e.a.) waarin wordt aangegeven welke activiteiten de komende jaren worden uitgevoerd om de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden te verbeteren.

2. Jongeren zonder startkwalificatie

Juni 2003 is een plan van aanpak naar de Tweede Kamer gestuurd om de jeugdwerkloosheid te bestrijden.

Als doelstelling is opgenomen om de jeugdwerkloosheid in de periode 2003–2007 niet meer te laten bedragen dan het dubbele van de totale werkloosheid. In verband met de conjunctuurgevoeligheid van de jeugdwerkloosheid is als doelstelling een bandbreedte opgenomen. Het jeugdwerkloosheidspercentage moet maximaal blijven binnen de 10 en 15%. Inzet van het kabinet is iedere werkloze jongere binnen een half jaar (weer) aan de slag en/of op school te krijgen zodat langdurige werkloosheid wordt voorkomen. Om deze doelstelling te bereiken worden diverse instrumenten ingezet onder andere creëren van leer/werkplekken, drempelslechting door CWI, de fiscale faciliteit wordt opengesteld voor jongeren onder de 23 jaar en er is een Taskforce Jeugdwerkloosheid ingesteld.

In 2003 zijn in negen gemeenten pilots uitgevoerd met als doel het verbeteren van de samenwerking bij de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Deze pilots hebben geresulteerd in een Handreiking Lokale Samenwerking Aanpak Jeugdwerkloosheid (www.handreikingjeugdwerkloosheid.nl) waarin praktijkvoorbeelden op het gebied van registratie, regionale samenwerking en de regierol van gemeenten centraal staan. De resultaten van deze pilots worden via de Taskforce jeugdwerkloosheid verspreid en geïmplementeerd.

Tabel 2.8: Werkloosheidspercentage onder jongeren gerelateerd aan de beroepsbevolking en in relatie tot het al dan niet hebben van een startkwalificatie, 2000–2003
GroepCriterium2000200120022003
TotaalWerkloos4345
15–22 jaarWerkloos891012
15–22 jaar zonder startkwalificatieWerkloos101012niet bekend

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking

3. Ouderen

Ondanks de verslechtering van de arbeidsmarkt is de arbeidsparticipatie van ouderen niet gedaald in tegenstelling tot die van de totale beroepsbevolking. Eind 2003 heeft de Taskforce Ouderen en Arbeid haar advies uitgebracht. Mede op basis van dit advies wordt in april 2004 een kabinetsreactie naar de Tweede Kamer gestuurd.

Tabel 2.9: Netto arbeidsparticipatie ouderen en totale bevolking, 1996–2003
 19961997199819992000200120022003
Totaal (15–64)5961626465656665
Ouderen (55–64)2628293134353839

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking

Fiscale uitgaven:

Tabel 2.10: Raming van belastinguitgaven arbeidskorting voor ouderen (x € 1 mln)
Maatregel2002begroting 2003realisatie 2003
Arbeidskorting voor ouderen73101102

Bron: Ministerie van Financiën

4. Herintredende vrouwen

De arbeidsparticipatie van vrouwen uit etnische minderheden is in 2003 ten opzichte van 2002 gestegen, ondanks de afname van de arbeidsparticipatie van de totale beroepsbevolking en van vrouwen.

Tabel 2.11: Percentage netto arbeidsparticipatie vrouwen, 2000–2003
 2000200120022003
Totaal64656665
Mannen77777775
Vrouwen52545455
Vrouwen etnische minderheden36414039

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking

Doelstelling van het kabinet is de netto-arbeidsdeelname van vrouwen te laten stijgen tot een niveau van 65% in 2010. Hernieuwde deelname aan betaalde arbeid van vrouwen zal daar aan bijdragen. Medio 2003 is aan de Tweede Kamer het Geactualiseerd plan van aanpak herintredende vrouwen aangeboden. Als voornaamste instrument ter stimulering van deelname aan betaalde arbeid van (allochtone) herintreedsters worden regionale convenanten met afspraken over aantallen plaatsingen op betaald werk tussen CWI, gemeenten en werkgevers ingezet. Voor ondersteunende communicatiecampagnes wordt tot een beperkte hoogte subsidie verleend. In 2003 zijn drie regionale convenanten herintredende vrouwen tot stand gekomen. Gevoegd bij convenantafspraken uit 2002 met partijen, zijn de volgende resultaten bereikt:

Tabel 2.12: Overzicht resultaten convenantafspraken herintredende vrouwen 2003
PartijafspraakResultaat
Centrum voor Werk en Inkomen2003: 
 • 23 000 instroom (12000*)20 776
 – waarvan 6900 (30%) fase 15 084 (24,5%)
 – waarvan 1035 (15%) etnische minderheid1 220 (23%)
 – waarvan 2520 naar werk binnen 6 maanden1 170**
St. O&O fonds Call Centers2002–2005: 
 • 150 plaatsingen op baan87
Nationale Winkelraad MKB-Ned2002–2003: 
 • 5000 melding vacatures35 540
Nederlands Verbond v.d.Groothandel2002–2005: 
 • 90 instroom114 in opleiding
Stichtingen Contractcatering2003–2004: 
 • 50 instroom0
Gemeente en CWI Den Haag2002–2003: 
 • 250 trajecten203
Gemeente en CWI Nijmegen e.o.2002–2003: 
 • arbeidsparticipatie vrouwen 56%57,9% (2002)
 250 trajecten160
Regio Zuidelijk Noord-Holland2003–2005: 
 • 795 plaatsing op vacatures271
 • 1460 plaatsingen op werk na reïntegratie392

Bron: Convenantpartners.

* Oorspronkelijke afspraak. Definitiewijziging per mei 2003 heeft geleid tot een ruimere doelgroep, Definitie thans: vrouwen niet werkend werkzoekend, > 23 jr. geen uitkering, geen schoolverlater.

** Voorlopig cijfer. Gaat uitsluitend om plaatsing op vacature van CWI. Gewerkt wordt aan koppeling met bestand UVW, waarna bemiddeling naar werk door CWI definitief is vast te stellen.

Tabel 2.13: Taakstelling convenanten
Doelgroepstreven 2002streven 2003realisatie 2003
Herintredende vrouwen5 00015 000*1 983

Bron: Convenantpartners

* Voorlopig cijfer.

Medio 2003 is de commissie Participatie Vrouwen uit Etnische Minderheden (commissie PaVEM) geïnstalleerd. In het voorjaar van 2004 brengt zij een werkplan uit waarin opgenomen doelstellingen en methoden, die er toe moeten leiden dat gemeenten tot een betere regie van de participatiebevordering van allochtone vrouwen komen.

2.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 2.14: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 148 1511 082 7111 732 137556 6691 178 699– 622 030
Uitgaven1 035 933977 9481 287 5171 132 5231 151 898– 19 375
       
Apparaatuitgaven136 13419 41524 04715 69925 562– 9 863
Personeel  4 0723 9263 436490
Materieel  212173600– 427
Agentschap SZW136 13419 41519 76311 60021 526– 9 926
       
Programma-uitgaven899 799958 5331 263 4701 116 8241 126 336– 9 512
Sluitende reïntegratie502 161565 398688 597670 324647 20923 115
Wiw dienstbetrekkingen en WEP344 700303 500290 260132 039160 667– 28 628
Praktijkscholing0096 07879 80764 82914 978
Doelgroepenbeleid3 14734 9149 51813 9729 1274 845
Kinderopvang abw49 79153 54757 60457 94484 854– 26 910
Sectorale stimulansen0014 20721 98236 322– 14 340
Casemanagers01 17499 586135 973116 98518 988
Subsidies en overige beleidsuitgaven006 4883 7504 695– 945
Voorlichting   229 229
Onderzoek en beleidsinformatie001 1328041 648– 844
       
Ontvangsten086 21840 673191 644167 20124 443

Bron: SZW-administratie.

Agentschap SZW

Het budget opgenomen in de begroting 2003 was gebaseerd op een geleidelijke kostenvermindering voor de afwikkeling van ESF oud tegenover een evenredige kostentoename voor de uitvoering van ESF 3 en EQUAL. De kostenvermindering voor afwikkeling ESF oud is met ruim € 8 miljoen veel omvangrijker geweest dan verwacht. Dit is vooral het resultaat van de grote afname van het aantal externe krachten dat aan de afwikkeling van ESF in 2003 heeft gewerkt. Daarnaast is tot halverwege het jaar 2003 het aantal medewerkers bij de nieuwe regelingen achtergebleven. In de loop van het jaar is het aantal subsidieaanvragen gestegen en is het aantal medewerkers eveneens gestegen.

Sluitende reïntegratie

De hogere realisatie wordt veroorzaakt doordat € 30 miljoen is toegevoegd aan het budget «WIW dienstbetrekkingen» in plaats van aan het budget voor maatregelen «Sluitende reïntegratie». Dit is bij de 1e suppletore begroting rechtgezet. De beschikbare budgetten worden maandelijks als een voorschot aan gemeenten uitgekeerd, wat na verantwoording door gemeenten kan leiden tot terugbetalingen aan het rijk. Deze terugbetalingen worden geboekt op de post ontvangsten. De lagere realisatie, die na correctie van de toevoeging van € 30 miljoen zichtbaar wordt, is ontstaan doordat in het kader van het sanctiebeleid voorschotten aan gemeenten (tijdelijk) niet zijn uitgekeerd.

Wiw dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen

Bij Nota van Wijziging (Tweede Kamer, 28 600, nr. 22) is € 30 miljoen toegevoegd aan het budget «WIW dienstbetrekkingen». Dit bedrag was echter bestemd voor maatregelen «Sluitende Reïntegratie». Bij de eerste suppletore begroting is dit bedrag overgeboekt van «WIW dienstbetrekkingen» naar «Sluitende Reïntegratie».

Tegenover de lagere realisatie vanwege het lagere aantal WIW-dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen dan begroot staat voor de werkervaringsplaatsen een hogere realisatie in middelen vanwege een bijstelling van de prijs per fte.

Praktijkscholing

Het in de begroting 2003 voor praktijkscholing gereserveerde budget van € 64,8 miljoen is bij voorjaarsnota verhoogd met € 15,4 miljoen. Deze middelen zijn toegevoegd om de kosten van de ontbinding en vereffening van de Stichting Centrum Vakopleiding te financieren. De extra uitgaven waren eerder voorzien en zijn via de eindejaarsmarge overgeheveld naar 2003. De kasuitgaven voor de praktijkscholing hebben per saldo € 79,8 miljoen bedragen. In verband met een driejarige toezegging aan de ROC's, is het verplichtingenniveau van de praktijkscholing in 2003 aanzienlijk hoger.

Kinderopvang

De realisatie op het KOA-budget is bijna € 27 miljoen lager dan de ontwerpbegroting. Dit komt ten eerste doordat bij voorjaarsnota de op dit budget beschikbare middelen voor de Agenda voor de Toekomst, circa € 18 miljoen, zijn overgeboekt naar het onderdeel casemanagers. Hiermee zijn de beschikbare middelen voor de Agenda voor de Toekomst op één budget samengebracht. Ten tweede is de onderuitputting in 2003 het resultaat van onderuitputting op de regelingen voor de jaren 2001 en 2002 die (groten)deels in 2003 zijn afgerekend. Als gevolg van de afrekensystematiek van de KOA-regeling zijn thans geen cijfers beschikbaar die een beeld kunnen geven van de uitvoering van de 2003-regeling. De 2003-regeling wordt pas eind 2004 afgerekend.

Doelgroepenbeleid

De hogere realisatie is veroorzaakt door de eindafrekening van het MKB-convenant, deze stond gepland voor 2002 maar is pas gerealiseerd in 2003.

Sectorale stimulansen en apparaatskosten RWI

De onderbenutting op dit onderdeel houdt verband met het niet openstellen van de derde tranche 2003 voor aanvragen SVWW. Er is in totaal circa € 22 miljoen uitgegeven. De uitgaven bestaan uit een bedrag van ruim € 9 miljoen voor apparaatskosten en circa € 13 miljoen voor SVWW.

Casemanagers (Agenda voor de Toekomst)

De realisatie ligt fors hoger dan voorzien in de ontwerpbegroting. Dit komt hoofdzakelijk door vertragingen die zijn ontstaan in 2002 waar het gaat om subsidieaanvragen en het indienen van jaarverantwoordingen door gemeenten. Dit is reeds in een vroeg stadium erkend en bij de 1e suppletore begroting is er € 48 miljoen toegevoegd aan het budget. Gedurende 2003 werd duidelijk dat er wederom sprake zou zijn van een vertragend effect richting 2004. Dit bood de mogelijkheid om € 20 miljoen uit het budget over te hevelen naar het Gemeentefonds voor het budget invoeringskosten WWB.

Ontvangsten

Aan de hand van de jaaropgaven 2001 van gemeenten is een nieuwe raming gemaakt van de ontvangsten WIW-scholing en activering. Bij najaarsnota bleek dat een deel van de terugontvangsten (€ 80 miljoen) pas in 2004 gerealiseerd zal worden.

2.4 Europese gelden

ESF 2000–2006

ESF is het voornaamste financiële instrument voor de Europese Unie om de strategische doelstellingen op het terrein van het werkgelegenheidsbeleid in concrete acties om te zetten. Ontvangsten en uitgaven van deze beleidsgelden vallen buiten begrotingsverband. ESF wordt ingezet ten gunste van onderstaande prioriteiten.

Tabel 2.15: ESF doelstelling 3 (bedragen x € 1 mln)
Prioriteit(2000–2006)
Sluitende aanpak608,0
Inzetbare beroepsbevolking787,7
Leven lang leren280,1
Technische bijstand52,5
Totaal1 728,3

Bron: SZW

Eind 2003 heeft de afrekening met de Europese Commissie ter afsluiting van het jaarbudget 2001 plaatsgevonden. Van het budget van 2001 is € 83 miljoen gedeclareerd. Dit betekent dat de Europese Commissie een bedrag van € 167 miljoen zal decommitteren. Om verdere onderbenutting tegen te gaan zijn in 2003 acties ingezet in een drietal categorieën: beleidsmatige verruiming, communicatie en regelgeving. Zoals uit de evaluatie ESF-3 blijkt, zijn de resultaten van de ESF-inzet nog onvoldoende meetbaar door het beperkte aantal afgeronde projecten.

ESF 1994–1999

De afwikkeling van de ESF periode 1994–1999 vindt plaats op twee niveaus: het niveau projecten-lidstaat en het niveau lidstaat-Europese Commissie. De afwikkeling van ESF-subsidies op het niveau projecten-lidstaat is – behoudens de nog lopende bezwaar- en beroepsprocedures – geheel afgerond. In het kader van de afwikkeling lidstaat-Europese Commissie heeft het Agentschap de laatste einddeclaraties op 27 maart 2003 bij de Europese Commissie ingediend. De eindafrekeningen door de EC worden eind maart 2004 verwacht.

EQUAL

Het doel van het ESF-EQUAL programma (2000–2006) is het via transnationale samenwerking stimuleren van nieuwe benaderingen voor de bestrijding van arbeidsmarktgerelateerde discriminatie en ongelijkheid van welke aard dan ook. Hiervoor wordt aan vernieuwende EQUAL-projecten budget toegekend. Positieve resultaten uit de projecten worden geïmplementeerd in het Nederlands arbeidsmarktbeleid. Ontvangsten en uitgaven van deze beleidsgelden vallen buiten begrotingsverband. Ten aanzien van de jaartranche 2001 van circa € 32 miljoen is eind 2003 een bedrag van € 29 miljoen gedeclareerd. Er is derhalve sprake van een decommittering van € 2,9 miljoen.

Tabel 2.16: EQUAL (bedragen x € 1 mln)
Prioriteit(2000–2006)
Verbeteren inzetbaarheid67,1
Ondernemerschap bevorderen31,9
Aanpassingsvermogen43,8
Gelijke kansen voor vrouwen en mannen43,1
Asielzoekers11,9
Technische bijstand10,6
Totaal208,4

Bron: SZW

Uitvoering

Binnen het ministerie wordt per jaar opdracht verstrekt aan het Agentschap SZW om de ESF-programma's uit te voeren. De cofinanciering van de uitvoering door SZW is opgenomen in de apparaatkosten Agentschap. Afrekeningen op de oude programma's en het verstrekken van subsidies op de nieuwe programma's betreft Europese beleidsgelden die buiten begrotingsverband moeten worden ontvangen en uitgegeven. Onderstaande tabellen geven het verloop in 2003 van de ontvangsten en uitgaven buiten begrotingsverband en de verplichtingen van de Europese regelingen van het Agentschap SZW weer (vanaf 2003 per regeling gespecificeerd).

Tabel 2.17: Ontvangsten en uitgaven Europese gelden buiten begrotingsverband (x € 1 000)
 20022003
Ontvangsten buiten begrotingsverband (door te betalen subsidies)  
ESF subsidies (doelstelling 3, oud en EQUAL)98 897 
ESF doelstelling 3 subsidies 73 418
ESF oud afwikkeling 98 151
Nog door te betalen vorderingen AGSZW45 686 
   
Uitgaven buiten begrotingsverband  
ESF doelstelling 3 subsidies 105 203
ESF oud afwikkeling 16 482
EQUAL subsidies 12 671
Door te betalen vorderingen AGSZW45 686 

Bron: SZW-administratie

Tabel 2.18: Verplichtingen AG SZW Europese regelingen (x € 1 000)
 Ultimo 2002Nieuw aangegaanBetaald of bijgesteldUltimo 2003
ESF nieuw (incl. Equal ultimo 2002)311 662294 512177 635359 609
EQUAL 3 55219 33553 146
ESF oud (inclusief Buesi)000 
     
Totaal verplichtingen AGSZW Europese regelingen311 662   

Bron: SZW-administratie

ESF-nieuw

Het Ministerie van SZW is voor de programmaperiode 2000–2006 aangemerkt als betalingsautoriteit voor ESF3 en Equal. Dit betekent dat de betalingen van de ESF3-middelen aan Nederland vanuit de Europese Commissie beschikbaar worden gesteld aan SZW. In het kader van de regelingen ESF3-nieuw en Equal gaat het Agentschap SZW verplichtingen aan en worden betalingen aan projectaanvragers verricht.

2.5 Groeiparagraaf

1. beleid sluitende aanpak nieuwe werkloosheid.

De gemeentelijke monitor scholing en activering (MOSA) is vanaf 2001 stapsgewijs ingevoerd bij de G25 (in 2001) en bij de rest van de G85 (vanaf 1-1-2002). In het Cijferonderzoek Sluitende Aanpak is wederom gebruik gemaakt van koppeling van MOSA-gegevens aan CWI-, Bijstands- en WW-bestanden. Het onderzoek (gemeentelijk deel) is nu door het CBS uitgevoerd. Het streven is om in de komende jaren in toenemende mate gebruik te maken van deze en andere koppelingsmogelijkheden bij het CBS. De MOSA zal overigens met ingang van 1-1-2005 in afgeslankte vorm bij alle gemeenten worden ingevoerd onder de naam Statistiek Reïntegratie door Gemeenten.

2. beleid arbeidsparticipatie doelgroepen

Met CBS en CWI zijn afspraken gemaakt over de levering van informatie over herintredende vrouwen. In de loop van 2004 zal deze informatie van CWI en CBS beschikbaar komen. Informatie van het CWI heeft betrekking op bemiddeling en instroom op betaald werk van herintredende vrouwen conform convenantsafspraken. Het CBS levert, op basis van de Enquête Beroepsbevolking, cijfers over het aantal herintredende vrouwen in zowel het onbenutte arbeidsaanbod als de instroom in de werkzame beroepsbevolking in 2002.

Beleidsartikel 3 Aanvullende werkgelegenheid

3.1 Algemene doelstelling

Het vergroten van het aanbod van laagbetaalde arbeidsplaatsen voor (langdurig) werklozen die (vooralsnog) geen andere baan op de reguliere arbeidsmarkt kunnen verkrijgen.

Als instrumenten voor deze regeling zijn beschikbaar de ID-banenregeling, de Schoonmaakregeling en de Stimuleringsregeling ID-banen. In het kader van het hoofdlijnenakkoord en de overgang naar de Wet werk en bijstand staat het beleid in het teken van deregulering en flexibilisering.

3.2 Operationele doelstellingen

1. Het terugdringen van de werkloosheid door middel van het realiseren van gesubsidieerde arbeidsplaatsen.

2. Het stimuleren van werkgevers om eenvoudige, laagbetaalde banen te creëren.

De In- en doorstroombanen zijn een instrument om langdurige werkloosheid terug te dringen. Personen uit de Abw die langer dan een jaar werkloos zijn of personen die daaraan gelijk zijn gesteld vormen de primaire doelgroep. Het Besluit ID-banen wordt uitgevoerd door gemeenten. De minister is verantwoordelijk voor de inhoud van de wet- en regelgeving, de financiering en het toezicht op de naleving.

Onder de nieuwe Wet Werk en Bijstand zijn de gemeenten geheel vrij in de keuze voor de inzet van instrumenten ten behoeve van de reïntegratie van de werkzoekenden. In de aanloop naar deze wet zijn de beperkingen voor de besteding van het budget voor de In- en doorstroombanen verminderd.

ID-banen blijken in de praktijk vaak eindstation en te weinig reïntegratie-instrument. Vooruitlopend op de WWB zijn in 2003 al maatregelen getroffen om beweging in het bestand van ID-banen te krijgen. Vanaf 2003 zijn de middelen voor de ID-banen als vrij besteedbaar budget aan de gemeenten ter beschikking gesteld en niet meer per baan op declaratiebasis.

In het Najaarsakkoord 2002 is met de sociale partners afgesproken om in samenhang met de bezuiniging op de gesubsidieerde arbeid € 170 miljoen in te zetten voor het regulier maken van 10 000 ID-banen. In vervolg daarop is in het voorjaar 2003 de Tijdelijke Stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen van start gegaan om uitstroom van ID'ers naar een reguliere baan te bevorderen.

Operationele doelstelling 1: Het terugdringen van de werkloosheid door middel van het realiseren van gesubsidieerde arbeidsplaatsen.

ID-banen

Tabel 3.1: Overzicht volume- en prijsgegevens ID-banen
 Realisatie 2000Realisatie 2001Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Gemiddeld aantal bezette banen gedurende het jaar (32-uurs eenheden)43 10047 01050 42048 45049 842
Waarvan:     
instroombanen43 09046 86550 04047 53547 948
doorstroombanen101453809151 894
      
Eindstand aantal bezette banen (32-uurs eenheden) 48 68052 80044 990 
Waarvan:     
instroombanen 48 47552 40044 140 
doorstroombanen 205400850 
Instroom in het jaar (personen) 10 81510 470855 
Uitstroom in het jaar (personen) 6 0805 5607 220 
waarvan uitgestroomd naar werk 2 1702 3404 190 
      
Kostprijs per eenheid € 17 844€ 19 083€ 19 3701€ 17 929

Bron: FEZ declaratiegegevens ID en ID-monitor 2003.

1 De nabetalingen 2002 en eerder zijn buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de kostprijs per eenheid omdat deze geen betrekking hebben op de in 2003 gerealiseerde banen.

De hogere gerealiseerde kostprijs per eenheid ten opzichte van de begroting vloeit voort uit een bedrag van € 45 miljoen dat vanuit het Wiw-S&A-budget extra aan het ID-budget is toegevoegd en aan de gemeenten is betaald terwijl de realisatie niet veel afwijkt van hetgeen begroot is. Overigens zijn de middelen voor de ID-banen in 2003 ten opzichte van eerdere jaren vrijer besteedbaar (in aanloop naar het flexibel reintegratiebudget) en kunnen daarmee ook voor andere reintegratieactiviteiten worden ingezet dan alleen de ID-banen. Het besluit ID-banen is inmiddels vervallen en het budget is onderdeel geworden van het reïntegratiebudget van de WWB.

Gemeenten hebben conform de taakstelling een vermindering van het aantal ID-banen gerealiseerd door uitstroom en een aanzienlijke afname van de instroom.

Het budget voor de Tijdelijke Stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen is niet volledig uitgeput omdat het aantal aanvragen pas later in 2003 op gang is gekomen. Daarom is ook door alle betrokken partijen, tevens medefinanciers van de regeling (vakbonden en gemeenten) besloten de stimuleringsregeling nog met een half jaar te verlengen tot 1 juli 2004.

Operationele doelstelling 2: Het stimuleren van werkgevers om eenvoudige, laagbetaalde banen te creëren.

RSP

Tabel 3.2: Overzicht RSP
 Realisatie 2001Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven (x € 1 mln)    
Totaal6 1646 6516 0577 496
RSP loonkostensubsidie5 9516 5115 8767 336
RSP uitvoeringskosten213140181160
     
Gemiddeld aantal bezette RSP-banen gedurende het jaar (32-uurs eenheden)612661577715
Subsidiebedrag€ 9 439€ 9 850€ 10 184€ 10 184

Bron: Administratieve gegevens FEZ.

Ten opzichte van de vastgestelde begroting 2003 zijn de kasuitgaven € 1,5 miljoen lager.

De realisatie van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren (RSP) is in 2003 achtergebleven bij de verwachtingen. Met de wijziging van de RSP per 1 januari 2003 is onder andere het aantal uren dat minimaal per week moest worden gewerkt om voor subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren in aanmerking te komen, verlaagd van 15 naar 12 uur. Gebleken is dat zowel nieuwe werknemers als oude werknemers (dit na afloop van de VLW) over het algemeen voor een kortere werkweek van 12 uur kiezen. Als gevolg hiervan is in 2003 het volume in 32-uurs eenheden afgenomen, terwijl het aantal werknemers nominaal wel is toegenomen.

VLW en SPAK

De VLW en SPAK zijn fiscale instrumenten. Het totale budgettaire beslag in 20031 van de vermindering langdurige werklozen (VLW) bedroeg € 130 miljoen. De kosten voor de specifieke afdrachtkorting (SPAK) in het jaar 2003 bedroegen € 620 miljoen.

3.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.3: Budgettaire gevolgen van het beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen760 989877 1781 925 25099 8831 051 634– 951 751
Uitgaven760 989877 178986 627999 0941 051 634– 52 540
       
Apparaatuitgaven  582514535– 21
Personeel  54548945336
Materieel  372582– 57
       
Programma-uitgaven760 989877 178986 045998 5801 051 099– 52 519
Instroom/doorstroom banen755 181871 014979 394981 102938 60342 499
Regeling schoonmaakdiensten particulieren5 8086 1646 6516 0577 496– 1 439
Stimuleringsregeling ID-banen   11 317105 000– 93 683
Voorlichting   104 104
       
Ontvangsten22 87115 74126 3309 84909 849

Bron: SZW administratie

Toelichting

ID-banen

Het verschil tussen de vastgestelde begroting 2003 en de gerealiseerde verplichtingen wordt veroorzaakt doordat in 2004 de ID-banen zijn opgegaan in de WWB, zodat er geen toekenningen ID-banen voor 2004 in 2003 hebben plaatsgevonden. Op de budgetten voor in- en doorstroombanen zijn in 2003 nabetalingen uit 2002 en eerdere jaren verricht.

RSP

Als gevolg van het achterblijven van subsidieaanvragen is € 1,5 miljoen minder gerealiseerd dan begroot.

Stimuleringsregeling ID-banen

De aanvragen voor de stimuleringsregeling ID banen zijn later op gang gekomen.

Beleidsartikel 4 Aangepast werken

4.1 Algemene doelstelling

Het bevorderen van de arbeidsparticipatie van personen die vanwege lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen alleen onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn; deze arbeid is gericht op behoud dan wel bevordering van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer, mede met het oog op het kunnen verrichten van arbeid onder normale omstandigheden.

De Wet sociale werkvoorziening (Wsw) is de voornaamste voorziening voor personen met lichamelijke, psychische of verstandelijke handicaps die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden aangepaste arbeid kunnen verrichten.

In 2003 zijn de eerste stappen genomen om de Wsw te moderniseren. Daarbij zijn de uitkomsten van de evaluatie van 2001 meegenomen alsmede het advies dat de Raad van Werk en Inkomen in juni 2003 uitgebracht heeft. Het kabinetsstandpunt over modernisering van de Wsw en het wetsvoorstel voor de overdracht van de indicatiestelling naar de CWI zijn in september aan de Tweede Kamer aangeboden. Onder het voorbehoud van aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is de CWI in juni gestart met een implementatietraject.

Met de handreiking «Sporen naar sturing op de Wsw» zijn de pilots Wsw in 2003 afgerond. In 1999 is SZW begonnen met deze pilots in een viertal gemeenten, met als voornaamste doel het vergroten van de regie van gemeenten ten aanzien van de Wsw. De leerervaringen uit de pilots leveren input voor het veranderingsproces in andere gemeenten. Gemeenten en SW-uitvoeringsorganisaties kunnen aan de hand van de in de handreiking vastgelegde procesmethodiek zelfstandig een regiedocument en een strategische nota opstellen en implementeren. Hiermee beschikken de gemeenten over hulpmiddelen voor het voeren van regie op de Wsw.

4.2 Operationele doelstellingen

1. Het realiseren van arbeid onder aangepaste omstandigheden voor diegenen die daarop zijn aangewezen en daarvoor zijn geïndiceerd.

2. Het bevorderen van arbeidsparticipatie van SW-werknemers in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving.

Operationele doelstelling 1: Het realiseren van arbeid onder aangepaste omstandigheden voor diegenen die daarop zijn aangewezen en daarvoor zijn geïndiceerd.

Tabel 4.1: Prestatiegegevens operationele doelstelling 1
DoelgroepCriteriumrealisatie 2001realisatie 2002realisatie 2003streven 2003
Wsw-geïndiceerdenverblijfsduur op de wachtlijstgem. 18 mnd.gem. 14 mnd. gem. 12 mnd.< 1 jaar
Wsw-geïndiceerdenrealisatie van het benodigde aantal arbeidsplaatsen97,4%96,8%98,6%100%

Bron: Wsw monitor, voorlopige volumeopgave Wsw en jaaropgave Wsw

In 2003 is 98,6% van de taakstelling in arbeidsplaatsen gerealiseerd. Hiermee is de realisatie hoger dan in 2002, waarin deze uitkwam op circa 97%. De stijging in 2003 is voor de helft het gevolg van de ten opzichte van 2002 verlaagde taakstelling (met 775 standaardeenheden (SE)) ter compensatie van wegvallende inkomsten in 2003 als gevolg van afbouw SPAK/VLW) en voor de helft het gevolg van groei in aantal gerealiseerde arbeidsplaatsen. Er hebben 38 gemeenten/schappen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid onderling taakstelling te ruilen (intercollegiale ruil), in totaal voor bijna 300 SE. Hiermee is uitvoering gegeven aan de tijdens de begrotingsbehandeling 2003 aangenomen motie Bruls (28 600, XV, nr. 59).

Wachtlijst en -duur

De gemiddelde wachtduur is afgenomen van gemiddeld 18 maanden eind 2001 naar gemiddeld 12 maanden eind 2003.

Tabel 4.2: Effectinformatie ontwikkeling werknemersbestand en wachtlijst (in personen)
 WerknemersbestandWachtlijstTotale doelgroep
199791 00020 380111 380
199890 10016 100106 200
199991 5008 650100 150
200092 5006 50099 000
200193 4005 70099 100
200294 9505 750100 700
200396 4008 400104 800

bron: Wsw jaarstatistiek, WSW jaaropgave en Wsw monitor voorlopige cijfers

De wachtlijstomvang is in 2003 toegenomen van 5 750 ultimo 2002 tot 8 400 ultimo 2003. De verwachte daling bij begroting 2003 is om een aantal redenen uitgepakt in een stijging. Belangrijkste oorzaak is de extra instroom in de wachtlijst, samenhangend met een toename in aanmeldingen. Factoren die hierbij een rol spelen zijn: actieve werving van gemeenten, verbeterde doorverwijzing, de teruglopende conjunctuur en veranderingen in de gesubsidieerde arbeid.

In 2003 is een begin gemaakt met de overdracht van de indicatie Wsw van gemeentelijke indicatiecommissies naar de CWI. Op 29 september is de wetswijziging daartoe ingediend (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 225).

Operationele doelstelling 2: Het bevorderen van arbeidsparticipatie van SW-werknemers in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving.

Tabel 4.3: Prestatiegegevens operationele doelstelling 2
DoelgroepCriteriumrealisatie 2001realisatie 2002realisatie 2003streven 2003
Nieuwe instromers WswAandeel dat geplaatst wordt in «Begeleid werken»8%8%7%25%

Bron: Jaaropgave en voorlopige volumeopgave Wsw van gemeenten

Als meest reguliere vorm van arbeid binnen de Wsw geldt begeleid werken. De met de VNG overeengekomen streefwaarde voor begeleid werken was in 2003 25% van het aantal nieuwe plaatsingen. Slechts 7% van het aantal nieuwe plaatsingen in de Wsw werd gerealiseerd op een begeleid werken plaats, een achteruitgang ten opzichte van 2002 van 1%. Dit kan te maken hebben met de verslechterde economische situatie, waardoor het moeilijker is om arbeidsgehandicapten bij reguliere werkgevers onder te brengen. De bij het Bestuurlijk Overleg in 2003 met de VNG gemaakte afspraak om concrete maatregelen te nemen zal in 2004 het kader van het moderniseringstraject Wsw vormgegeven worden. Het voornemen om met maatregelen te komen om effectiever te sturen op de realisatie van begeleid werken is ook opgenomen in het kabinetsstandpunt modernisering Wsw.

Het grootste deel van de personen met een Wsw-indicatie was in 2003 werkzaam bij een Wsw-bedrijf in een beschutte werkomgeving. Het betreft ongeveer 85% van de totale doelgroep. Ongeveer 14% is vanuit een dienstbetrekking bij de gemeente gedetacheerd bij een reguliere werkgever en 1% was werkzaam in het kader van begeleid werken. Er stroomden in 2003 300 personen uit naar regulier werk; in 2002 betrof dat nog 450 personen.

Tabel 4.4: Uitstroom Wsw naar bestemming
jaarreguliere arbeidziekte en WAOVut/ pensioenandere voorzieningander schapoverigTotaal
20007609861 426963691 6335 300
20016839451 4181573681 6805 250
20024501 0241 4671396491 7345 470
20033021 2531 5662034211 9055 650

Bron: Wsw-monitor.

4.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 4.5: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 929 8042 061 4492 144 3072 248 3652 077 678170 687
Uitgaven1 831 0241 949 5112 076 2792 151 8482 077 63374 215
       
Apparaatuitgaven  592541552– 11
Personeel  55551546847
Materieel  372684– 58
       
Programma-uitgaven1 831 0241 949 5112 075 6872 151 3072 077 08174 226
Wsw1 831 0241 949 5112 075 6872 151 3072 077 08174 226
       
Ontvangsten387 026390 615435 402458 934411 37247 562
Anticumulatiebepalingen369 792372 915393 544405 195411 372– 6 177
Uitvoering Wsw17 24417 70041 85853 739 53 739

Bron: SZW-administratie

Na de begrotingsbehandeling is een bedrag van € 16,5 miljoen toegevoegd aan het Wsw-budget en verdeeld over de gemeenten/schappen (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 81). De aanvankelijke verlaging van de taakstelling ten opzichte van 2002 met 1 500 SE is beperkt tot een verlaging van 775 SE. Daarnaast zijn de uitgaven van de Wsw hoger dan in de begroting 2003 geraamd, door de reguliere aanpassing van de uitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling. Er is € 2,5 miljoen toegevoegd aan de begroting in verband met een nabetaling over 2002 en er is € 1,8 miljoen overgeboekt naar het CWI in verband met de voorbereidingen voor de overdracht van de indicatie Wsw.

De ontvangsten op grond van de samenloop van WSW-loon met de arbeidsongeschiktheidsregelingen (anticumulatiebepalingen) zijn iets lager dan bij begroting geraamd. De ontvangsten uitvoering Wsw hebben vrijwel geheel betrekking op verrekening van subsidies uit eerdere jaren wegens een onderrealisatie in het aantal arbeidsplaatsen.

Tabel 4.6: Subsidies aan gemeenten voor de realisatie van werkplekken
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven (x € 1 miljoen)     
Wsw-decentraal (realisatie bij slotwet1 826,601 942,402 069,802 145,712 034
Wsw-centraal (realisatie bij slotwet)4,47,25,95,68,6
      
Taakgesteld volume87 50088 66089 82089 04088 320
Gerealiseerd volume85 82086 32087 00087 800 
      
Gemiddelde prijs (in euro's)     
Kosten per SE bij slotwet en begroting20 92621 98923 10924 16023 331
Kosten per SE na vaststelling20 86021 961   

Bron: SZW, Jaaropgaven en Voorlopige volume opgaven Wsw van gemeenten; voorlopige gegevens Wsw monitor.

De centrale uitgaven komen door overboekingen naar CWI en naar het decentrale budget (de 95% garantiemiddelen) en als gevolg van onderuitputting lager uit dan begroot. De decentrale uitgaven zijn door toevoegingen van centraal en van de reguliere toekenning van de arbeidsvoorwaardenruimte en door nabetalingen en teruggedraaide vaststellingen van eerdere jaren hoger uitgevallen dan bij begroting 2003.

De vaststelling 2001 heeft in 2003 plaatsgevonden. De uitgaven zijn voor 2001 € 53,7 miljoen lager vastgesteld ten opzichte van de begroting bij slotwet. Dit hangt vrijwel geheel samen met het achteraf terugvorderen van subsidie voor niet gerealiseerde arbeidsplaatsen. Per SE is in 2001 uiteindelijk € 21 961 uitgegeven.

Tabel 4.7: Budget, volume en uitkering Anticumulatiebaten
Artikelonderdeel-Omschrijving200020012002Realisatie 2003Begroting 2003
Anticumulatie baten (x € 1 miljoen)     
WAZ1,81,61,61,53,2
WAO133,4126,2134,4139,0147,9
Wajong232,5245,2257,6264,6260,2
      
Volume bespaarde uitkeringen (in 100)     
WAZ100100100100100
WAO17 50017 40017 50017 30017 600
Wajong22 80023 20023 70023 90023 600
      
Gemiddelde bespaarde uitkering (in euro's)     
WAZ14 74812 79013 42013 50024 600
WAO7 6877 2537 6808 0358 400
Wajong10 17810 56910 88511 09011 050

Bron: De ontvangsten zijn afkomstig van de SZW-administratie. De volume- en prijsgegevens zijn gebaseerd op voorlopige informatie van het UWV; definitieve gegevens komen pas medio 2004 beschikbaar.

De anticumulatieontvangsten zijn in 2003 netto licht gedaald, vooral als gevolg van de lagere ontvangsten wegens samenloop Wsw met WAO en WAZ. In 2003 is de bij de begroting verwachte volumestijging aan Wsw-ers die een WAO- of WAZ-uitkeringsrecht hebben, uitgebleven en zijn de volumes iets gedaald. De gemiddeld vrijvallende uitkeringen zijn ook iets gedaald. Bij de Wajongontvangsten zijn zowel ontvangsten als volume conform verwachting gestegen.

4.4 Groeiparagraaf

De voorgenomen inwinning in de Monitor Wsw vanaf 2003 van gegevens over detachering is gerealiseerd. Ook de voorgenomen inwinning van gegevens over ziekte en WAO ontvangsten van Wsw-ers is van start gegaan in 2003

Eind 2003 is een begin gemaakt met een onderzoek naar de kosten van een Wsw arbeidsplaats.

Beleidsartikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau

5.1 Algemene doelstelling

Het garanderen van een inkomensvoorziening op het sociaal minimum voor mensen die om uiteenlopende redenen niet (volledig) zelf kunnen voorzien in hun levensonderhoud, alsmede het bevorderen van het zo snel mogelijk weer zelf kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan; in het verlengde hiervan het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting;

De overheid ziet het als een zwaarwegende taak om degenen die om welke reden dan ook voor korte of langere tijd niet zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen voorzien, te ondersteunen. Voor deze inkomensgarantie aan diverse te onderscheiden categorieën personen zijn er in 2003 verschillende uitkeringsregelingen ingezet: de Algemene Bijstandswet (Abw), de Inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers resp. zelfstandigen (Ioaw resp. Ioaz) en de Toeslagenwet (Tw).

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 93,7 voor de TW. IWI beschouwt de rechtmatigheidspercentages per wet over 2002 als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controleprotocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage TW van 97,7. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

5.2 Operationele doelstellingen

1. Het op een adequaat niveau houden van de inkomenspositie van de minima.

2. Het realiseren van een activerend stelsel van sociale zekerheid door:

• het bevorderen van de maatschappelijke participatie van uitkeringsgerechtigden door met name uitstroom naar werk;

• het verkleinen van de armoedeval.

3. Het rijksbreed coördineren van het beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

4. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude door het ondersteunen van de uitvoering.

Operationele doelstelling 1: Het op een adequaat niveau houden van de inkomenspositie van de minima.

Het primaat voor het – zowel generieke als specifieke inkomensbeleid ligt bij het Rijk. Tot het generieke inkomensbeleid behoort de vaststelling van de hoogte van het wettelijke minimumloon, de uitkeringen en belasting- en premietarieven. Specifiek inkomensbeleid bestaat uit het aanbieden van voorzieningen ter dekking van specifieke kosten (zowel fiscaal als budgettair). Een van de redenen waarom in 2003 voorbereidingen zijn getroffen voor de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2004 is om de verantwoordelijkheid voor het inkomensbeleid eenduidiger bij het Rijk te beleggen. De mogelijkheid voor gemeenten om een eigen inkomensbeleid te voeren wordt op basis van deze nieuwe wetgeving ingeperkt. Dit om te voorkomen dat decentraal beleid indruist tegen de doelen die het kabinet stelt, bijvoorbeeld het verkleinen van de armoedeval.

Ook in 2003 volgden de normbedragen voor de diverse uitkeringen via een koppeling aan het minimumloon de algemene loonontwikkeling. Dit resulteerde in vaststelling van de in tabel 5.1 opgenomen bijstandsnormen. Tabel 5.2 geeft in vogelvlucht de koopkrachtontwikkeling van minima over de laatste jaren weer. De koopkrachtontwikkeling laat zien dat het netto besteedbare inkomen is gestegen (dus gecorrigeerd voor prijseffecten). Als gevolg van fiscale maatregelen is de koopkracht van ouderen met een minimuminkomen meer gestegen dan voor huishoudens met een minimuminkomen beneden de 65 jaar. Dit omdat ouderen geen uitzicht hebben op een inkomensverbetering door middel van het betreden van de arbeidsmarkt.

In 2003 is er op basis van het najaarsakkoord 2002 € 20 miljoen via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds beschikbaar gesteld voor een toeslag aan langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief. Uit onderzoek is gebleken dat ongeveer 90 procent van de gemeenten dit geld heeft ingezet ten behoeve van de doelgroep.

Gemeenten ontvangen via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds middelen voor de verlening van bijzondere bijstand en gemeentelijke inkomensondersteuning. In de periode januari tot en met augustus 2003 ontvingen 196 270 huishoudens één of meerdere keren verstrekkingen in het kader van de bijzondere bijstand. Dit is een stijging van ruim 5% ten opzichte van het aantal huishoudens in dezelfde periode in 2002.

Om burgers op de hoogte te stellen van de mogelijkheden die de verschillende uitkeringsregelingen bieden worden diverse communicatie-instrumenten ingezet door zowel de rijksoverheid als gemeenten: informatiefolders, informatie in lokale media en websites. In 2003 is er geen extra inzet gepleegd om niet-gebruik tegen te gaan.

Tabel 5.1 Bijstandsnormen in 2001, 2002 en 2003 (in euro's)
 alleenstaandeen-ouderpaar
Vastgestelde bijstandsnorm per 1 januari 2001525,91736,281 051,82
Vastgestelde bijstandsnorm per 1 juli 2001533,83747,361 067,66
Vastgestelde bijstandsnorm per 1 januari 2002549,91769,871 099,81
Vastgestelde bijstandsnorm per 1 juli 2002557,10779,931 114,19
Vastgestelde bijstandsnorm per 1 januari 2003567,79794,901 135,57
Vastgestelde bijstandsnorm per 1 juli 2003569,82797,751 139,64

Bron: SZW.

Tabel 5.2 Ontwikkeling koopkracht van minima 1995 – 2003 (1995 = 100)
 Minimum met kinderen 65-Minimum alleenstaande 65+
1995100100
2000104108
2003109113

Bron: Nationaal Actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting 2003, p. 9.

Operationele doelstelling 2: Het realiseren van een activerend stelsel van sociale zekerheid door:

het bevorderen van de maatschappelijke participatie van uitkeringsgerechtigden door met name uitstroom naar werk;

het verkleinen van de armoedeval.

Bovengenoemde operationele doelstelling slaat een brug naar beleidsartikel 2 waarin het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie centraal staat. In de verantwoording over de in beleidsartikel 2 opgenomen doelstellingen wordt ingegaan op de merites van onder andere het streven naar een Sluitende Aanpak en de prestatieafspraken voor de Agenda voor de Toekomst. De middelen die hiervoor beschikbaar zijn, worden ingezet om via het aanbieden van trajecten uitstroom naar werk te bevorderen.

In 2003 is de armoedeval gereduceerd door een verhoging van de arbeidskorting. Voor alleenstaanden is de armoedeval verkleind met gemiddeld 0,4%. Voor eenoudergezinnen ligt de gemiddelde afname op 4,6% en voor gezinnen met een kostwinner en kinderen op 3,5%. Daarnaast zullen de in 2003 verrichte inspanningen aan de WWB bijdragen aan een verdere afname van de armoedeval in 2004 in verband met de afschaffing van bepaalde categoriale regelingen.

Operationele doelstelling 3: Het rijksbreed coördineren van het beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

Afgelopen jaar heeft het armoedebeleid van het kabinet zijn beslag gekregen in het «Nationaal Actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting 2003» (NAP 2003). Het NAP 2003 is een onderdeel van de open coördinatiestrategie in de EU ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Het NAP 2003 is beoordeeld door de Europese Commissie en door andere lidstaten. Daaruit is gebleken dat Nederland in vergelijking met andere landen tot de kopgroep behoort wat betreft de meetbaarheid van beleidsinspanningen. De streefdoelen uit het NAP 2003 zijn geen additionele doelen: ze vinden hun weerslag in de doelstellingen die in de begrotingen van diverse departementen zijn opgenomen. Een zeer reële opbrengst van het NAP 2003 is daarom dat er nog meer dan in het verleden sprake is van samenhang tussen de inspanningen van de verschillende departementen op het terrein van het armoedebeleid.

In de begroting 2003 was als doel opgenomen om in 2005 een vermindering van het aantal huishoudens met problematische schulden te hebben van 10% ten opzichte van 2003. In de begroting 2003 was als streefdoel voor 2005 opgenomen «vermindering van het aantal huishoudens met problematische schulden van 10% t.o.v. 2003». In het Nationaal Actieplan Armoede en Sociale uitsluiting 2003 is aangegeven dat het streven allereerst is gericht op het in kaart brengen van het aantal huishoudens met problematische schulden over het peiljaar 2003. Er is immers landelijk op dit moment nog geen goed beeld van de omvang van de problematiek. Momenteel wordt door het IVA hiernaar onderzoek verricht. Verwacht wordt dat het onderzoek voor de zomer afgerond is.

Op 15 juli 2003 is de Tweede Kamer per brief op de hoogte gesteld over de voortgang van diverse trajecten naar aanleiding van de evaluatie Wet schuldsanering natuurlijke personen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 258, nr. 7). In oktober 2003 is er in samenwerking met het NIBUD een tweede campagne «Jongeren en schulden» gevoerd. De website die in beide campagnes een centrale rol vervulde is tijdens de tweede campagne 148 965 maal bezocht. Ter vergelijking: in de maand voor de start van de tweede campagne bedroeg het aantal hits 18 787.

Operationele doelstelling 4: Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude door het ondersteunen van de uitvoering.

Het tegengaan van misbruik en het bevorderen van spontaan naleven van regels is noodzakelijk om het maatschappelijke draagvlak voor de sociale zekerheid te blijven behouden. Uitgebreide informatie op het terrein van handhaving is opgenomen in de SZW handhavingsrapportages die jaarlijks aan de Tweede Kamer worden aangeboden. In tabel 5.3 staan de doelstellingen voor 2003, de indicatoren voor handhaving zijn in tabel 5.4 opgenomen. De volgende aanzienlijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden:

• Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt binnen het kader van de Agenda voor de Toekomst over handhaving. De integratie van fraude en preventie in het reguliere werkproces is beleidsmatig bij de meeste gemeenten succesvol afgerond.

• De nieuwe fraudestatistiek levert een completer beeld van de opsporing en afdoening van fraude door gemeenten.

• In 2003 zijn alle gemeenten aangesloten op het Inlichtingenbureau. De sofinummers van alle Abw-cliënten en hun partners zijn onderzocht op samenloop met een andere inkomstenbron bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, Informatie Beheergroep en de Belastingdienst.

• Voorbereidingen zijn getroffen om het Internationaal Bureau Fraude informatie (IBF) per 1 januari 2004 als verbindingsorgaan te laten fungeren voor gegevensuitwisseling tussen Nederlandse gemeenten en buitenlandse instanties op dit terrein.

Tabel 5.3: Streefwaarden operationele doelstelling 4
 Begroting 2003Realisatie 2003
Methodiek hoogwaardig handhavenMeer dan 50% van het totaal aantal gemeenten werkt in 2003 met deze methodiek.323 gemeenten hebben een aanvraag ingediend op basis van de stimuleringsregeling «Hoogwaardig Handhaven» (66% van de gemeenten).
   
Gebruik van de handleiding fraudealertheid van Stimulansz.Meer dan 30% van het totaal aantal gemeenten maakt in 2003 gebruik van de handleiding fraudealertheid.Een indicatie wordt gegeven door het aandeel gemeenten dat bij de subsidieaanvraag voor «Hoogwaardig Handhaven» heeft aangegeven het Fraudekompas in te (gaan) zetten. Dit betreft 178 gemeenten (36% van de gemeenten).
   
Achterstanden bij IB-signalenIn 2003 geen gemeenten met achterstanden bij het afhandelen van de IB-signalen.Uit onderzoek in september 2003 blijkt dat voor ruim 90% van de bijstandsklanten gemeenten de samenloopsignalen hebben «opgehaald»*.
   
Correcte aanlevering van fraudegegevensIn 2003 hebben gemeenten de fraudegegevens over 2002 correct aangeleverd.Het CBS vond het in 2003 verantwoord de fraudestatistiek te vullen, m.a.w. de aangeleverde informatie is voldoende accuraat geacht.

* Uit navraag door het Inlichtingenbureau blijken redenen van de niet-gebruikers te zijn: andere prioriteit, tijdelijk geen capaciteit of de rechtmatigheid wordt op een andere wijze getoetst.

Naast de bovengenoemde inspanningen in het gemeentelijke domein is er met betrekking tot de Toeslagenwet in 2003 gewerkt aan verbetering van de voorlichting, efficiëntere inzet van controlemiddelen, intensivering van de opsporing en aanscherping van de afdoening (opleggen van boetes, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen). In tabel 5.4 wordt de ontwikkeling voor zowel het gemeentelijk domein als de Toeslagenwet in beeld gebracht. Voor wat betreft de bijstand geeft deze tabel de resultaten uit de fraudestatistiek van het CBS waarin alleen gevallen zijn opgenomen die afdelingen bijzonder onderzoek hebben behandeld. Per 2002 is het mogelijk gegevens uit zowel de fraude- als debiteurenstatistiek te combineren waardoor een compleet beeld ontstaat van de geconstateerde fraude. Uit de gecombineerde cijfers blijkt dat gemeenten in 2002 43 860 en in 2003 ruim 35 000 fraudegevallen hebben geconstateerd. Het totale fraudebedrag bedroeg in 2002 € 100 miljoen en in 2003 € 90 miljoen. De cijfers voor 2003 zijn een SZW-raming op basis van cijfers van het CBS over het eerste half jaar van 2003. In 2002 wordt het hoge aantal fraudegevallen verklaard door een inhaalslag in de afhandeling van belastingsignalen. Met betrekking tot de strafrechtelijke afdoening moet de kanttekening worden gemaakt dat dit een registratie betreft van zaken waarbij het OM is ingeschakeld. In de genoemde percentages zijn zodoende ook zaken inbegrepen die niet ontvankelijk zijn verklaard.

Bij de Toeslagenwet is over de hele linie een toename waarneembaar. Voor deze ontwikkeling is (nog) geen verklaring beschikbaar.

Tabel 5.4: Indicatoren handhaving
Handhavingsketen BijstandIndicator2000200120022003*
Opsporingaantal geconstateerde fraudes13 27014 39017 17012 300
 totaal fraudebedrag (x € 1 mln.)54475851
 gemiddeld fraudebedrag (x € 1)4 0693 2663 3664 150
 aantal witte fraudes9 6608 48012 7807 100
 aantal zwarte fraudes8101 3509801 000
Afdoening% administratieve afdoening64%66%72%69%
 % strafrechtelijke afdoening17%16%10%13%
 % geen afdoening19%16%18%17%
 Incassoratio***15%15%15%15%
Toeslagenwet     
Opsporingaantal geconstateerde fraudes708653684816
 totaal fraudebedrag (x € 1 mln.)0,9nb1,01,3
 gemiddeld fraudebedrag (x € 1)1 209nb1 4621 582
Afdoeningaantal waarschuwingen96136**104**135
 aantal maatregelen226310**342**457
 aantal boeten519494547660
 aantal aangiftes/pv49192834

Bronnen bijstand: CBS bijstandsfraudestatistiek (1999 2002), (* = raming SZW op basis van cijfers CBS 1e halfjaar 2003)

Bronnen TW: jaarverslag SZW 2002, Jaarverslag UWV 2003.

** exclusief UWV USZO

*** betreft incasso van alle terugvorderingen; uit een eerste berekening van het CBS blijkt de incassoratio van alleen de fraudebedragen (periode oktober 2002–september 2003) eveneens circa 15% te zijn.

Tabel 5.5: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen4 057 3955 539 8734 790 8663 693 9565 099 562– 1 405 606
Uitgaven4 057 3954 473 3214 636 2804 880 5825 100 470– 219 888
       
Apparaatsuitgaven  3 1533 1843 10183
Personeel  2 9923 0642 529535
Materieel  161120572– 452
       
Programma-uitgaven4 057 3954 473 3214 633 1274 877 3985 097 369– 219 971
Gebudgetteerd deel Abw, Ioaw en Ioaz 1 089 4201 108 5791 242 1241 194 20247 922
Declaratie deel Abw, Ioaw en Ioaz3 745 0273 084 8533 190 1043 283 6243 503 389– 219 765
Toeslagenwet uitkeringen291 444274 630306 804304 543311 932– 7 389
Toeslagenwet uitvoeringskosten20 92424 4188 00710 74926 000– 15 251
Handhaving  18 66335 25240 938– 5 686
Langdurigheidstoeslag    20 000– 20 000
Subsidies en overige beleidsuitgaven  97098990881
Voorlichting   117 117
       
Ontvangsten81 90781 81727 90271 33222 68948 643
Ontvangsten algemeen   1 699 1 699
Ontvangsten Abw, Fonds Werk en Inkomen 026 35069 63322 68946 944
Ontvangsten Toeslagenwet001 552000

Bron: SZW-administratie

Abw, Ioaw en Ioaz

De uitgaven aan Abw, Ioaw en Ioaz in 2003 waren ruim € 160 miljoen lager dan begroot. De oorzaak zit voornamelijk in meevallers in de volumerealisaties. Ten opzichte van de geraamde ontwikkeling voor 2003 bleef de toename van het aantal Abw-uitkeringen aan mensen jonger dan 65 jaar met circa 38 000 uitkeringen sterk achter (circa 328 000 ten opzichte van een raming van circa 366 000). Pas in het najaar van 2003 leek zich een persistente toename in het volume voor te doen. Daarnaast is er bij Najaarsnota een meevaller wegens kasbeloop geboekt ter grootte van € 128 miljoen.

De daling in de uitkeringslasten is gedeeltelijk gecompenseerd voor koppeling van de bijstandsuitkeringen aan de loonontwikkeling (WKA). In totaal is door de koppeling € 175 miljoen extra uitgegeven. Dit heeft een verhoging van de gemiddelde uitkering tot gevolg gehad. Daarenboven is de gemiddelde uitkering verhoogd door de omstandigheid, dat het gebudgetteerde deel over een lager volume wordt verdeeld.

Aan bijstandsuitkeringen aan 65-plussers is circa € 4,5 miljoen meer uitgegeven dan begroot. Dit wordt voornamelijk verklaard door een hoger aantal uitkeringen (22 078 ten opzichte van 20 585 in de begroting). De toename in 2003 van het aantal uitkeringen is echter sterker dan de stijging van de uitgaven, waardoor de gemiddelde uitkering met € 211 lager uitvalt dan begroot (€ 5 897 ten opzichte van € 6 108 in de begroting).

De realisaties van het aantal uitkeringen aan zelfstandigen in 2003 zijn ruim € 2 miljoen lager dan verwacht. Het aantal uitkeringen was circa 1 000 lager ten opzichte van de begroting. Doordat de uitkeringslasten aan zelfstandigen over een geringer volume worden verdeeld, heeft dit een incidentele stijging in de gemiddelde uitkering tot gevolg gehad van circa € 5 800.

Het aantal verstrekte kredieten aan zelfstandigen is gehalveerd ten opzichte van de begroting. Ondanks een hoger gemiddelde krediet met € 691 (€ 6 577 ten opzichte van het begrote € 5 886) komen de kredietlasten ruim € 6 miljoen lager uit dan verwacht.

Toeslagenwet uitkeringen

De gerealiseerde uitkeringslasten komen uit op € 304,5 miljoen en zijn daarmee € 7,4 miljoen lager dan geraamd bij ontwerpbegroting. Dit wordt verklaard door zowel een lager gerealiseerd volume dan geraamd (92 000 versus 93 000) als een lagere gemiddelde uitkering dan geraamd (€ 3 296 versus € 3 362).

Toeslagenwet uitvoeringskosten

Het verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitvoeringskosten TW 2003 wordt verklaard doordat de begroting 2003 nog was gebaseerd op de resultaten 2001. De daling van de uitvoeringskosten TW in 2002 en 2003 ten opzichte van 2001 wordt verklaard door een wijziging van de toerekening van de uitvoeringskosten waardoor minder kosten aan de TW worden toegekend. In december 2002 zijn de met het UWV gemaakte budgetafspraken voor 2003 verwerkt. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Handhaving

Uit het budget voor handhaving zijn diverse activiteiten gefinancierd die gericht zijn op versteviging van handhaving in het gemeentelijke domein. De lagere realisatie dan begroot is grotendeels te verklaren uit vertraagde uitfinanciering van voorschotten aan gemeenten in het kader van diverse subsidieregelingen.

Langdurigheidstoeslag

In 2003 is er op basis van het najaarsakkoord 2002 twintig miljoen euro via een overboeking naar het Gemeentefonds beschikbaar gesteld voor een toeslag aan langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief.

Ontvangsten Abw, FWI

De ontvangsten naar aanleiding van de vaststellingen van de jaarverantwoordingen door gemeenten vallen aanzienlijk hoger uit dan oorspronkelijk begroot. Bij de 1e suppletore begroting zijn de begrote ontvangsten bijgesteld naar € 84,189 miljoen.

Tabel 5.6a: Volume- en prijsgegevens gebudgetteerd en declaratiedeel
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
Volumina     
Periodiek algemeen <65 (Abw, Ioaw, Ioaz)349 632340 304347 738388 516– 40 778
Waarvan: a. Abw < 65328 142318 492327 680  
b. Ioaw 18 81317 340  
c. Ioaz uitkeringen 2 9992 718  
Periodiek algemeen >= 6518 69920 70122 07820 5851 493
Toeslagen Abw262 900259 740260 036290 195– 30 159
Zelfstandigen algemeen1 9001 7001 4352 496– 1 061
Zelfstandigen krediet2 0001 3001 1242 311– 1 187
Abw inrichtingen4 0004 2344 3004 3000
Nederlanders in buitenland500675505590– 85
Onderzoeken zelfstandigen4 5005 2005 9975 300697
Onderzoeken Ioaz500319387500– 113
      
Gemiddelde prijzen (x € 1)     
Periodiek algemeen<659 54510 02910 3359 706629
Waarvan: a. Abw < 659 0789 85910 178  
b. Ioaw 12 20712 643  
c. Ioaz uitkeringen 14 39514 500  
Periodiek algemeen >= 655 4545 7175 8976 108– 211
Toeslagen Abw2 4502 7482 8402 589251
Zelfstandigen algemeen10 92412 23015 77610 0045 772
Zelfstandigen krediet5 5213 1156 5775 886691
Abw inrichtingen3 7924 1874 4794 180299
Nederlanders in buitenland4 9214 8765 1094 915194
Onderzoeken zelfstandigen1 3331 3251 4191 37544
Onderzoeken Ioaz1 2001 1578861 200314

Bron: SZW-administratie

Tabel 5.6b: Volume- en prijsgegevens Toeslagenwet
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
Volume (x 1 000 uitkeringjaren)90889293– 1
Gemiddelde uitkering (x € 1)*3 0633 4793 2963 362– 66
Uitvoeringskosten per uitkeringsjaar (x € 1)29091113277– 164

* exclusief Uitvoeringskosten; bron: UWV

5.4 Groeiparagraaf

Per 2004 is onder het WWB-regime sprake van een 100% budgettering, waarbij gemeenten meer beleidsvrijheid en bevoegdheden krijgen voor wat betreft de uitvoering van de bijstandsregelingen. De nadruk voor de rijksoverheid komt te liggen op verantwoordelijkheid voor de werking van het systeem. Dit betekent dat de rijksoverheid verantwoordelijk blijft voor de realisatie van de gewenste maatschappelijke effecten. De rijksoverheid stelt op hoofdlijnen duidelijke kaders en ziet toe op de handhaving ervan, maar laat de invulling ervan over aan de gemeenten. Dit zal de komende jaren tot uiting komen in de operationele doelstellingen, en de daarmee samenhangende prestatie-indicatoren en beschikbaar komende beleidsinformatie.

Beleidsartikel 6 Inkomensgarantie voor jongehandicapten

6.1 Algemene doelstelling

Het garanderen van een minimuminkomen voor alle jongeren die gehandicapt zijn, geen arbeidsverleden hebben en niet zelf in dat inkomen kunnen voorzien.

De Wajong voorziet in een inkomensgarantie op minimumniveau voor jonggehandicapten. Dit geldt voor jongeren, leerlingen, stagiairs en studenten tot 30 jaar, omdat zij nog geen arbeidsverleden hebben kunnen opbouwen. De beleidsevaluatie Wajong heeft niet plaatsgevonden, omdat de Wajong mee genomen wordt in de stelselherziening WAO.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 99,1 voor de Wajong. IWI beschouwt de rechtmatigheidspercentages per wet over 2002 als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controleprotocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage Wajong van 99,8. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

6.2 Operationele doelstellingen

1. Zorgdragen dat op doeltreffende en doelmatige wijze aan jonggehandicapten een Wajong-uitkering wordt verstrekt.

2. Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wajong door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Operationele doelstelling 1

Zorgdragen dat op doeltreffende en doelmatige wijze aan jonggehandicapten een Wajong-uitkering wordt verstrekt.

De hoogte van de Wajong-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt maximaal 70% van de (leeftijdsgebonden) grondslag. Deze grondslag is gebaseerd op het bruto minimum(jeugd)loon. In 2003 zijn geen wetswijzigingen aangebracht. Eind 2003 hebben 138 000 jonggehandicapten recht op een Wajong-uitkering.

Operationele doelstelling 2Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wajong door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Het UWV registreert de fraudeconstateringen inzake de Wajong in een samengevoegde arbeidsongeschiktheidsstatistiek. Deze is opgenomen in premieartikel 2 (Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid) van het onderdeel premiegefinancierde sociale verzekeringsuitgaven. Er zijn daarom geen afzonderlijke cijfers beschikbaar.

6.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 320 1321 462 8861 469 0421 641 9041 560 52781 377
Uitgaven1 320 1321 462 8861 469 0421 641 9041 560 52781 377
       
Apparaatuitgaven  971089315
Personeel  921047727
Materieel  5416– 12
       
Programma-uitgaven1 320 1321 462 8861 468 9451 641 7961 560 43481 362
Uitkeringslasten1 285 8571 421 2291 431 2751 596 1521 543 43452 718
Uitvoeringskosten34 27541 65737 67045 64417 00028 644
       
Ontvangsten4002316 655000

Bron: SZW-administratie

Wajong uitkeringen

De stijging van de uitkeringslasten Wajong in 2003 ten opzichte van 2002 wordt zowel verklaard uit de groei van het volume als de stijging van de gemiddelde uitkering. Een nadere verklaring staat onder tabel 6.2.

Uitvoeringskosten Wajong

De daling van de begrote uitvoeringskosten Wajong in 2003 ten opzichte van de realisatie uitvoeringskosten Wajong in 2002 wordt verklaard door de verwerking van de uit SUWI voortvloeiende efficiency-afspraken waardoor minder kosten aan de Wajong worden toegekend. Het in de begroting 2003 opgenomen cijfer was gebaseerd op onjuiste aannames en is reeds bij voorjaarsnota 2003 gecorrigeerd. Het verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitvoeringskosten Wajong 2003 wordt verklaard door een herverdeling van het budget uitvoeringskosten 2003 over de diverse fondsen op basis van uitvoeringsinzichten van UWV.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Tabel 6.2: Volume en prijsgegevens Wajong
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven Wajong (x € 1 mln)1 462,91 469,01 641,81 560,5+ 81,3
uitkeringslasten1 368,41 381,31 546,71 486,0+ 60,7
uitvoeringskosten41,737,745,617,0+ 28,6
REA-lasten52,849,949,457,5– 8,1
      
2. Bestand (x 1 000)     
in herleide uitkeringsjaren (incl. nuluitk.)124,3126,7129,8128,5+ 1,3
in personen (ultimo)130,6134,4138,2137,0+ 1,2
aantal nuluitkeringen7,57,37,2  
      
3. Hoogte gemiddelde uitkering     
per herleid uitkeringsjaar (in euro's)11 00910 90211 91611 564+ 352
      
4. Uitvoeringskosten     
per herleid uitkeringsjaar (in euro's )335298351133+ 218
In % van de uitkeringslasten3,0%2,7%2,9%1,1%+ 1,8%
      
5. Mate van arbeidsongeschiktheid     
percentage geheel arbeidsongeschikt98%98%98%98% 
percentage gedeeltelijk arbeidsongeschikt2%2%2%2% 
Gem. perc. arbeidsongeschiktheid99,0%98,9%98,8%97,5%+ 1,3%
      
6. Verzekerde populatie     
Wajong'ers als % bevolking1,25%1,28%1,31%1,29%+ 0,02%
      
7. Beperking van de instroom     
instroom als % aantal 17-jarigen3,8%4,2%4,4%3,8%+ 0,6%
resultaten claimbeoordeling     
– percentage afwijzing bij keuring13%12%14%13%+ 1%
– percentage geheel ao bij toekenning96%96%96%96% 
– percentage gedeeltelijk ao bij toekenning4%4%4%4% 
      
8. Bevorderen van de uitstroom     
uitstroomkans2,9%2,9%3,1%3,1% 
reden uitstroom     
– herstel19%21%22%20%+ 2%
– demografisch53%51%51%57%– 6%
– overig28%28%27%23%+ 4%

Bron: UWV (Maandoverzicht arbeidsongeschiktheidsuitkeringen januari t/m december 2003; 4e kwartaalverslag 2003; januarinota 2004).

De realisatie van de Wajong-uitkeringslasten is per saldo € 60,7 miljoen hoger dan de raming volgens de ontwerpbegroting 2003. De toename is het gevolg van de volgende ontwikkelingen:

* Een hogere gemiddelde uitkering dan geraamd bij ontwerpbegroting (+ € 45,7 miljoen). Aanpassing van de uitkeringslasten voor gestegen prijzen (indexeringen) is de belangrijkste oorzaak hiervan.

* Een hoger gerealiseerd volume dan geraamd. Het aantal herleide uitkeringsjaren ligt 1 300 hoger dan geraamd, wat een financiële tegenvaller van € 15,0 miljoen impliceert.

De totale uitkeringslasten (regulier en REA-lasten) komen derhalve € 52,6 miljoen hoger uit.

De gelden van het amendement Verburg (€ 11,5 miljoen) zijn conform de gewijzigde financieringsregeling fondsbelasting Wet Rea voorlopig ter beschikking gesteld aan het REA-fonds. De commissie werkend perspectief komt in 2004, zoals aan de Tweede Kamer is medegedeeld, met concrete aanbevelingen voor de besteding.

Het aantal Wajong'ers ontwikkelt zich de laatste jaren zeer gelijkmatig. De verwachting is dat bij onveranderd beleid het aantal Wajong'ers in 2030 zal zijn opgelopen tot rond de 200 000.

Beleidsartikel 7 Inkomensgarantie voor herkeurde arbeidsongeschikten

7.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het garanderen van inkomenszekerheid tot aan het sociaal minimum aan oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op basis van het na 1994 voor hen geldende arbeidsongeschiktheidscriterium worden afgeschat.

De Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA) heeft als doelstelling om de inkomensgevolgen van de toepassing van de aangescherpte arbeidsongeschiktheidscriteria volgens de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) voor bepaalde categorieën oudere werknemers te beperken door een (aanvulling tot) een minimuminkomen te garanderen. Gezien het tijdelijke karakter van deze wet, zijn er geen evaluatiebepalingen opgenomen in deze wet.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 93 voor de BIA. IWI beschouwt de onrechtmatigheidspercentages per wet over 2002 als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controleprotocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage BIA van 94,9. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

7.2 Operationele doelstellingen

1. Zorgdragen dat aan oudere herkeurde arbeidsongeschikten Bia-uitkeringen worden verstrekt.

2. Het voorkomen en tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Bia door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

1. Zorgdragen dat aan oudere herkeurde arbeidsongeschikten Bia-uitkeringen worden verstrekt.

De hoogte van een BIA-uitkering is gelijk aan een vervolguitkering in de WW. Een BIA-uitkering wordt verstrekt tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Aangezien voor het recht op uitkering onder andere het geboortejaar van belang is, loopt de regeling langzaam leeg. De wet BIA is een tijdelijke wet, welke vervalt met ingang van 1 december 2016. In 2003 zijn geen wetswijzigingen aangebracht.

Het UWV verstrekt de BIA-uitkeringen. Het UWV voert de wet BIA uit op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. SZW richt zich op de doelmatigheid van de uitvoering door het UWV.

2. Het voorkomen en tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Bia door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Het UWV registreert de fraudeconstateringen inzake de BIA in een samengevoegde werkloosheidsstatistiek. Deze is opgenomen in premieartikel 1 (Inkomensgarantie bij werkloosheid) in het onderdeel premiegefinancierde sociale verzekeringsuitgaven. Er zijn daarom geen afzonderlijke gegevens over 2003 en de jaren daarvoor bekend.

7.3. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen6 0206 7166 9706 9406 715225
Uitgaven6 0206 7166 9706 9406 715225
       
Apparaatsuitgaven  1921183
Personeel  1820155
Materieel  113– 2
       
Programmauitgaven6 0206 7166 9516 9196 697222
BIA-uitkeringen5 3206 0166 6006 5766 197379
BIA-uitvoeringskosten700700351343500– 157
       
Ontvangsten000000

Bron: SZW-administratie

Uitkeringen Bia

De gerealiseerde uitkeringslasten handhaven zich op het niveau van 2002. Het effect van de stijging van de gemiddelde uitkering wordt gecompenseerd door het effect van de volumedaling.

Uitvoeringskosten BIA

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Tabel 7.2: Volume en prijsgegevens BIA
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven BIA (x € 1 mln)6,06,87,06,96,7
• Uitkeringslasten5,36,06,66,66,2
• Uitvoeringskosten0,70,70,40,30,5
      
Gemiddeld jaarvolume (x 1 jaaruitkering)800850890857950
      
Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1)6 6937 1207 4167 6736 522
      
Uitvoeringskosten     
• Per jaaruitkering (x € 1)828781390350475
• In % van de uitkeringslasten12,7%11,0%5,3%4,5%7,3%

Bron: SZW-administratie, UWV

Uitkeringslasten

De uitkeringslasten 2003 komen uit op € 6,6 miljoen en zijn daarmee € 0,4 miljoen hoger dan geraamd. Het gerealiseerde volume ligt lager dan geraamd (857 versus 950). Dit wordt echter meer dan teniet gedaan door de hogere gemiddelde uitkering dan geraamd bij de ontwerpbegroting (€ 7 673 versus € 6 522).

Beleidsartikel 8 Inkomensgarantie voor kunstenaars

8.1 Algemene doelstelling

Het gedurende een beperkte periode bieden van inkomenszekerheid aan:

• aankomende kunstenaars, waardoor hen de mogelijkheid wordt geboden om zich in betrekkelijke rust voor te bereiden op de vestiging van een renderende, al dan niet gemengde, beroepspraktijk als kunstenaar;

• gevestigde kunstenaars die te kampen hebben met een terugval in inkomsten om hen daardoor in staat te stellen zich in betrekkelijke rust te concentreren op het wederom vestigen van een renderende, al dan niet gemengde, beroepspraktijk als kunstenaar.

In 2003 is bestuurlijke overeenstemming bereikt over het terugbrengen van het aantal centrumgemeenten dat de WIK uitvoert van 39 naar 20 per 1 januari 2004. Per provincie blijft er minimaal één centrumgemeente bestaan, waaronder alle gemeenten met een kunstvakopleiding. Daarnaast is een aanvang gemaakt met een wetsvoorstel voor een herziene WIK per 1 januari 2005. In het wetsvoorstel zullen een aantal onderdelen worden opgenomen die voortvloeien uit de evaluatie van de WIK, die in november 2002 aan de Kamer is aangeboden. Onderdeel van de herziening is om binnen het kader van de WIK activering mogelijk te maken en voorwaarden te verbinden aan de ontwikkeling van een renderende, al dan niet gemengde beroepspraktijk.

Tabel 8.1: Overzicht beleidsevaluaties
Gedeelte van de algemene doelstellingstartdatumEinddatumonderwerp
Geheel20012002Werking Wik

8.2 Operationele doelstellingen

1. Iedere kunstenaar die behoort tot de doelgroep van de WIK is van de mogelijkheden van de WIK op de hoogte.

2. Alle sociale diensten en CWI's zijn in voldoende mate op de hoogte van de mogelijkheden die de WIK biedt voor de doelgroep en verstrekken voorlichting over deze mogelijkheden c.q. bieden aan kunstenaars uit de doelgroep die dat wensen de gelegenheid een WIK-uitkering aan te vragen.

3. Fraude wordt zoveel mogelijk voorkomen. Gepleegde fraude wordt zo snel mogelijk aan het licht gebracht en afgehandeld.

Operationele doelstelling 1: Iedere kunstenaar die behoort tot de doelgroep van de WIK is van de mogelijkheden van de WIK op de hoogte.

Om de bekendheid van de WIK te bevorderen zijn in 2003 door de stichting Kunstenaars, Cultuur & Ondernemerschap (www.kunstenaarsenco.nl) diverse activiteiten ontplooid, onder meer het geven van voorlichting aan studenten van de kunstacademie, het uitgeven van voorlichtingsmateriaal, een telefonische helpdesk en een website. In de begroting 2003 staat een streefcijfer van 95% genoemd. Uit onderzoek in opdracht van het ministerie van OCW uit 2002 kwam naar voren dat 96% van de beeldend kunstenaars op de hoogte was van het bestaan van de WIK. Uit de antwoorden op een aantal inhoudelijke vragen bleek echter dat 31% van de respondenten globaal op de hoogte was van de mogelijkheden van de WIK. Uit een in 2003 door het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit van Maastricht (ROA) gehouden onderzoek onder academieverlaters (beeldend- en podiumkunstenaars) blijkt dat 89% van deze groep op de hoogte is van het bestaan van de WIK. Een kwart van hen blijkt globaal op de hoogte te zijn van de mogelijkheden die de WIK biedt. Bij het ten opzichte van 2002 lagere resultaat moeten de volgende kanttekeningen worden geplaatst. Op de eerste plaats is omwille van de continuïteit van het onderzoek in 2003 gebruik gemaakt van een andere bron dan in 2002. De reden hiervan is dat het in opdracht van OC&W in 2002 uitgevoerde onderzoek slechts om de 4 jaar plaatsvindt. Het ROA heeft dezelfde vraagstelling die is gehanteerd in 2002 onder een ander deel van de doelgroep onderzocht (uitsluitend academieverlaters), hetgeen de verklaring kan zijn voor het lagere resultaat. Het streven is om in de toekomst jaarlijks gebruik te maken van de onderzoeksgegevens van het ROA. Hierdoor zal er in de jaren na 2003 een betere vergelijking mogelijk zijn en beter zicht op het doelbereik van doelstelling 1.

Operationele doelstelling 2: Alle sociale diensten en CWI's zijn in voldoende mate op de hoogte van de mogelijkheden die de WIK biedt voor de doelgroep en verstrekken voorlichting over deze mogelijkheden c.q. bieden aan kunstenaars uit de doelgroep die dat wensen de gelegenheid een WIK-uitkering aan te vragen.

Informatie over de mate waarin deze doelstelling is gerealiseerd is niet beschikbaar. De in de begroting 2003 voorgenomen gerichte voorlichtingsactiviteiten naar gemeenten en CWI in 2003 hielden verband met de beoogde technische wijzigingen van de WIK als vervolg op conclusies uit de evaluatie van de WIK ultimo 2002. Ter voorkoming van beleidscumulatie voor gemeenten vanwege de invoering van de WWB in 2004 is besloten deze wijzigingen in de WIK pas door te voeren in de beoogde algehele herziening van de WIK vanaf 2005. De gerichte voorlichtingsactiviteiten in 2003 zijn daardoor beperkt gebleven tot de consequenties van het terugbrengen van het aantal centrumgemeenten WIK van 39 naar 20.

Operationele doelstelling 3: Fraude wordt zoveel mogelijk voorkomen. Gepleegde fraude wordt zo snel mogelijk aan het licht gebracht en afgehandeld.

Het voorkomen van fraude is van groot belang voor het maatschappelijke draagvlak voor deze voorziening. De centrumgemeenten kunnen onderdelen uit bestaande methodieken, zoals «Hoogwaardig Handhaven» inzetten voor de WIK (zie ook beleidsartikel 5, operationele doelstelling 4). Streefcijfers bij deze doelstelling zijn niet geformuleerd vanwege de beperkte omvang van de populatie van deze regeling.

8.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 8.2: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen42 63447 31253 85855 20742 48212 725
Uitgaven42 63447 31253 85855 20742 48212 725
       
Apparaatuitgaven  747273– 1
Personeel  7169627
Materieel  3311– 8
       
Programma-uitgaven42 63447 31253 78455 13542 40912 726
WIK Uitkeringslasten35 20940 96947 61549 42637 67111 755
WIK Uitvoeringskosten7 4246 3436 1695 7094 738971
       
Ontvangsten004 2411 53801 538

Bron: SZW-administratie

Uitkeringslasten

Ten laste van de begroting 2003 komen de declaraties over de eerste drie kwartalen van 2003 en het voorschot voor het vierde kwartaal 2003. De realisatie 2003 was aanzienlijk hoger dan oorspronkelijk geraamd. Dit is toe te schrijven aan een tweetal oorzaken:

1. De uitstroom uit de WIK bleek lager dan voorzien. Ultimo 2003 bedroeg het aantal WIK-uitkeringsgerechtigden 3 355 personen. Dat is 21% meer dan oorspronkelijk was geraamd.

2. Ten laste van 2003 hebben nabetalingen plaatsgevonden over 2001 en 2002 van in totaal € 15,5 miljoen. Deze betalingen houden voornamelijk verband met de brutering van WIK-uitkeringen. Brutering vindt in beginsel in het jaar volgend op het uitkeringsjaar plaats, nadat het jaarinkomen van de kunstenaar bekend is. Inmiddels wordt in de ramings- en bekostigingssystematiek zoveel mogelijk rekening gehouden met deze bruteringsuitgaven. Hierdoor zal de gemiddelde uitkering over 2004 lager uitvallen dan over 2003. In de herziene WIK speelt deze problematiek niet meer daar de WIK-uitkering bruto wordt verstrekt.

Tabel 8.3: Volume en prijsgegevens WIK
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven Wik (x € 1 mln)42,647,353,856,042,4
Uitkeringslasten36,941,447,649,437,9
Gemiddeld aantal personen3 9314 2194 1233 5713 700
Gemiddelde uitkering (in euro's)9 3879 81311 54413 84110 203
      
Uitvoeringskosten gemeenten (x € 1mln)4,14,24,34,02,8
Aantal personen4 1644 2444 2303 3552 770
Uitvoeringskosten per persoon (in euro's)998998998998998
      
Uitvoeringskosten Kunstenaars & CO (x € 1 mln)1,61,71,91,71,7
Vaste kosten0,70,90,80,8 
Variabele kosten0,90,91,10,9 
Volume toetsing (totaal per jaar)4 0223 2413 9443 4613 190
Prijs per toetsing227272272272272

Bron: SZW-administratie

De in tabel 8.3 vermelde gegevens hebben betrekking op de door SZW verrichte betalingen aan gemeenten. Het bedrag aan gemiddelde uitkering is vanwege de in 2003 plaatsgevonden hoge nabetalingen over 2001 en 2002 tot een bedrag van € 15,5 miljoen niet vergelijkbaar met voorgaande jaren. De centrumgemeenten zelf hebben in 2003 € 44,5 miljoen aan uitkeringslasten uitgegeven. Dit komt neer op een gemiddelde uitkering van € 12 461. Dit betreft de bruto uitkering, omdat, anders dan bij de Abw, de inkomsten van WIK-gerechtigden niet direct kunnen worden verrekend met de maandelijkse uitkering. Vorderingen wegens te veel genoten uitkering worden door gemeenten over meerdere jaren gespreid geïncasseerd.

Op 31 december 2003 ontvingen 3 355 kunstenaars een WIK-uitkering. Hiervan was 36% ingestroomd als academieverlater (2002: 29%) en 64% als gevestigd kunstenaar.

De uitvoeringskosten gemeenten betreffen een vast bedrag per kunstenaar (€ 998) per jaar. Voorschotten op uitvoeringskosten worden door gemeenten per kwartaal gedeclareerd op basis van het aantal uitkeringsgerechtigde ultimo dat kwartaal. Over het vergoedingsjaar wordt door de gemeente een einddeclaratie opgemaakt op basis van het aantal uitkeringsgerechtigden ultimo dat jaar onder verrekening van de kwartaaldeclaraties. In 2003 werd € 0,5 miljoen nabetaald over 2001 en 2002.

In 2003 heeft de stichting Kunstenaars & CO 3 461 beroepsmatigheidstoetsen gedeclareerd. Dit betroffen 1 599 instroomonderzoeken en 1 832 heronderzoeken.

8.4 Groeiparagraaf

In 2003 is een ontwerp voor een herziene WIK, de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) opgesteld. De MR heeft op 30 januari 2004 de staatssecretaris van SZW gemachtigd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. Het streven is dat de WWIK op 1 januari 2005 in werking treedt. In de ontwerpbegroting 2005 zullen nieuwe prestatie-indicatoren ten aanzien van de werking van de WWIK worden opgenomen.

Beleidsartikel 9 Tegemoetkoming in de kosten van kinderen

9.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bieden van een financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen aan ouders of verzorgers.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst SVB heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening SVB 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft SVB het onrechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 0,57 voor de AKW en 0,00 voor de TOG. IWI constateert dat de onrechtmatigheid in de wetsuitvoering in totaliteit door SVB ruim binnen de wettelijke norm van één procent is gebleven. Wel merkt IWI op dat sprake is van een relatief groot aantal formele fouten.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst SVB in het jaarverslag SVB 2003 een onrechtmatigheidspercentage van 0,01 (dit komt overeen met 0,33 conform de definitie in het jaarverslag SVB 2002) voor de AKW en 0,00 voor de TOG. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

9.2 Operationele doelstellingen

1. Zorgdragen dat ouders of verzorgers een tegemoetkoming ontvangen in de kosten van kinderen, waarbij rekening is gehouden met de verschillende levensfasen van kinderen en de daarmee verband houdende, stijgende uitgaven.

2. Zorgdragen dat ouders of verzorgers een tegemoetkoming ontvangen in kosten van thuiswonende gehandicapte kinderen.

3. Het beperken en voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van AKW- en TOG-uitkeringen door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Het CBS is gevraagd in 2003 op basis van de meest recente gegevens onderzoek te verrichten naar het deel van het inkomen dat gezinnen besteden aan hun kinderen. De resultaten worden in de loop van 2004 verwacht. Het betreft geen evaluatie van de wet zelf, maar aan de hand van de resultaten van dit onderzoek kan wel bezien worden of de leeftijdsdifferentiatie binnen de AKW aansluit bij de bestedingen van gezinnen aan kinderen in de betreffende leeftijdscategorieën.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen dat ouders of verzorgers een tegemoetkoming ontvangen in de kosten van kinderen, waarbij rekening is gehouden met de verschillende levensfasen van kinderen en de daarmee verband houdende, stijgende uitgaven.

In het kader van het Strategisch Akkoord was besloten om per 2003 het woonlandbeginsel in de AKW in te voeren en tot het stopzetten van kinderbijslag voor 16- en 17-jarigen, die geen erkend onderwijs volgen. De geraamde opbrengsten van de maatregel zijn in de Begroting 2004 naar beneden bijgesteld omdat enerzijds de maatregel op een lager aantal gerechtigden effect blijkt te hebben en anderzijds de besparing op de uitvoeringskosten beduidend lager uit blijkt te vallen. Van de genoemde maatregelen is tot 2005 afgezien.

Over het jaar 2003 is gemiddeld aan 1,9 miljoen gezinnen AKW uitgekeerd. Het gemiddeld aantal telkinderen over 2003 bedroeg 3,5 miljoen. Zowel de gemiddelde AKW-uitkering per telkind als het gemiddelde aantal telkinderen is ten opzichte van 2002 licht gestegen. Deze ontwikkelingen zijn in hoofdzaak demografisch bepaald.

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen dat ouders of verzorgers een tegemoetkoming ontvangen in kosten van thuiswonende gehandicapte kinderen.

Over het jaar 2003 is voor gemiddeld aan 24 641 kinderen een TOG-tegemoetkoming verstrekt. Dit is een opmerkelijke stijging ten opzichte van 2002. Hierop wordt in paragraaf 9.3 nader ingegaan.

Operationele doelstelling 3: Het beperken en voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van AKW- en TOG-uitkeringen door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

In 2003 is gewerkt aan verbetering van de voorlichting, efficiëntere inzet van controlemiddelen, intensivering van de opsporing en aanscherping van de afdoening (opleggen van boetes, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering én terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen).

In onderstaande tabel worden de resultaten van deze verbetering in beeld gebracht:

Het aantal aangiftes (bij een fraude van meer dan € 6 000) stijgt terwijl het aantal fraudesignalen bijna gelijk is. Het aantal overtredingen dat administratief wordt afgedaan is zelfs fors toegenomen, terwijl het gemiddelde fraudebedrag is afgenomen. Hoewel er nog sprake is van voorlopige cijfers mag voorzichtig worden geconcludeerd dat er meer overtredingen worden geconstateerd, dat deze waarschijnlijk in een vroeger stadium worden ontdekt én dat er waarschijnlijk sneller een sanctie wordt opgelegd.

Tabel 9.1: Overzicht Handhavingsketen beleidsartikel 9
onderdeel handhavings ketenIndicator of kengetal2000200120022003
controlefraudesignalen293250195238
opsporingaantal geconstateerde fraudes59764247
 gemiddeld fraudebedrag (x € 1)11 7368 62611 7488 918
afdoeningaantal waarschuwingen17 39523 15927 84932 711
 aantal maatregelen2 4742 5202 0674 903
 aantal boeten4 0375 2146 3447 317
 aantal aangiftes/pv47723634

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Trendrapportages Handhaving SVB 2000 en 2001 en 4e kwartaalverslag SVB 2003

In de begroting 2003 is bijzondere aandacht besteed aan de positie van 16- en 17-jarige studerende kinderen in Turkije en Marokko. Er zijn controles uitgevoerd in de jaren 2001 tot en met 2003. De controles hebben tot een aantal aanbevelingen geleid die een deel van de geconstateerde onrechtmatigheid kunnen voorkomen.

9.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.2: Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen3 010 5013 105 6113 218 3433 309 4073 248 27961 128
Uitgaven3 010 5013 105 6113 218 3433 309 4073 248 27961 128
       
Apparaatuitgaven  971089315
Personeel  921047727
Materieel  5416– 12
       
Programma-uitgaven3 010 5013 105 6113 218 2463 309 2993 248 18661 113
AKW-uitkeringen2 920 9463 010 8493 118 3893 207 0003 151 38655 614
AKW-uitvoeringskosten78 63976 98878 13875 00078 200– 3 200
TOG-uitkeringslasten9 89315 75319 81324 73716 5008 237
TOG-uitvoeringskosten1 0242 0211 9062 5622 100462
       
Ontvangsten10 0429 8923 17411 95927211 687

Bron: SZW-administratie

AKW

De realisatie van de AKW-uitkeringen is € 55,6 miljoen hoger dan de raming vooral als gevolg van aanpassing van de uitkeringslasten voor gestegen prijzen. De SVB heeft lagere voorschotten gevraagd voor de uitvoeringskosten AKW dan op basis van de begroting 2003 SVB kon worden verwacht. Hierdoor vallen de uitvoeringskosten in 2003 lager uit.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

TOG

De uitvoeringskosten van de TOG vallen hoger uit door een nabetaling met betrekking tot de uitvoeringskosten 2002.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten op uitkeringslasten AKW en TOG bedragen in 2003 € 7,4 respectievelijk € 0,4 miljoen. De gerealiseerde ontvangsten hebben volledig betrekking op afrekeningen 2002.

Met betrekking tot een correctie van uitvoeringskosten over 2002 is bij de TOG € 0,3 miljoen ontvangen en bij de AKW € 3,8 miljoen.

Tabel 9.3: Prestatiegegevens AKW
 Realisatie 2000Realisatie 2001Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven AKW (x € 1 miljoen)2 999,63 087,83 196,53 282,03 229,6
Uitkeringslasten12 911,02 996,03 098,03 188,63 136,4
– 0–5 jaar750,8775,8813,4841,2831,3
– 6–11 jaar1 059,11 083,81 100,91 098,81 087,0
– 12–17 jaar1 099,81 135,81 183,71 248,61 218,1
– 18–24 jaar21,41,0 0,00,0
Achteraf vastgestelde rechten10,915,821,419,416,0
Overige baten– 0,9– 1,0– 1,0– 1,0– 1,0
Uitvoeringskosten78,677,078,175,078,2
      
Volume AKW (x 1 000)     
– 0–5 jaar1 1691 1811 1941 2041 210
– 6–11 jaar1 1841 1911 1921 1821 190
– 12–17 jaar1 0711 0801 0961 1181 108
– 18–24 jaar21100
Aantal telkinderen (jaargemiddelde)3 426,03 454,03 483,03 504,03 508,0
Aantal gezinnen AKW (jaargemiddelde)1 837,01 861,01 878,01 906,01 907,0
      
Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1)     
Per telkind (jaargemiddelde)849867889910894
Per gezin (jaargemiddelde)1 5851 6101 6501 6731 645
      
Uitvoeringskosten AKW     
Per telkind (x € 1)2322232122
In % van de uitkeringslasten2,72,62,52,42,5

1 In het volume en/of de gemiddelde uitkering worden de bedragen die zijn gemoeid met de achteraf vastgestelde rechten niet meegeteld. Het betreft hier uitkeringslasten, waarvan bij de vaststelling van dat recht sprake is van een terugwerkende kracht van meer dan één kwartaal.

2 De categorie 18 tot en met 24 jaar betreft een kleine groep studerende jongeren, waarvoor via een overgangsregeling nog recht bestaat op kinderbijslag. In 2003 is nog slechts sprake van een naijl-effect, daarna is het volume nihil.

Bron: Jaarverslag 2002 SZW, Begroting 2003 SZW, kwartaalverslagen 2003 SVB, voorschotaanvragen SVB 2003.

AKW-uitkeringen

De realisatie van de AKW-uitkeringen is € 3 207 miljoen en is per saldo € 55,6 miljoen hoger dan de raming volgens de ontwerpbegroting 2003. De toename is het gevolg van de volgende ontwikkelingen:

• Een hogere gemiddelde uitkering dan geraamd bij ontwerpbegroting (+ € 55,8 miljoen). Aanpassing van de geraamde uitkeringslasten voor gestegen prijzen (indexeringen € 31 miljoen) is de belangrijkste oorzaak hiervan; daarnaast was een besparing op de uitkeringslasten ingeboekt door invoering van het woonlandbeginsel in de AKW (€ 16 miljoen); uitstel van invoering van deze maatregel tot 2005 is mede oorzaak van de hogere gemiddelde uitkering.

• Een afname van het aantal (tel)kinderen dat in aanmerking komt voor een kinderbijslag uitkering (– € 3,6 miljoen). Het volume zou nog lager uitgevallen zijn (met een geraamd effect van € 10 miljoen) indien niet was besloten het stopzetten van kinderbijslag voor 16- en 17-jarigen, die geen erkend onderwijs volgen, vooralsnog uit te stellen van 2003 naar 2005.

• Herziening naar aanleiding van uitvoeringsgegevens van uitkeringen met terugwerkende kracht (+ € 3,4 miljoen)

Tabel 9.4: Prestatiegegevens TOG
 Realisatie 2000Realisatie 2001Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Uitgaven TOG (x € 1 miljoen)10,917,821,727.318,6
Totale uitkeringslasten:9,915,819,824,716,5
uitkeringslasten8,512,415,019,515,9
uitkeringslasten met terugwerkende kracht1,43,44,85,20,6
uitvoeringskosten1,02,01,92,62,1
      
Volume TOG     
      
Aantal telkinderen (jaargemiddelde)11 97616 45619 65824 64120 500
      
Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1)     
Per telkind (jaargemiddelde)711753764791774
      
Uitvoeringskosten TOG     
Per jaaruitkering (x € 1)8312397106102
In % van de uitkeringslasten11,816,312,713,312,7

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Voorschotaanvragen SVB 2003.

TOG-uitkeringen

De realisatie van de TOG-uitkeringen is € 24,7 miljoen en is per saldo € 8,2 miljoen hoger dan de raming volgens de ontwerpbegroting 2003. De toename is het gevolg van de volgende ontwikkelingen:

• Door een hoger volume en indexaties van de TOG-uitkeringen is de uitkeringslast (p*q) € 3,6 miljoen hoger.

• De uitkeringen met terugwerkende kracht zijn € 4,6 miljoen hoger dan geraamd bij ontwerpbegroting.

Het aantal kinderen dat gebruik maakt van de (versoepelde) TOG-regeling 2000 is circa 20% hoger dan in de begroting. Naast de versoepeling van de regeling wordt ook verondersteld dat de eind 2002 uitgegeven brochure met een overzicht van bestaande compensatie-regelingen voor mensen met een chronische ziekte, handicap of hoge leeftijd een opwaartse invloed heeft gehad op het volume.

De nieuwe gevallen hebben vaak recht op een uitkering met terugwerkende kracht. De uitkeringen met terugwerkende kracht bedragen in 2003 totaal € 5,2 miljoen.

9.4 Groeiparagraaf

De prestatie-indicator incassoratio wordt verbeterd opdat deze vanaf 2005 (weer) beschikbaar is.

Voor de TOG zijn geen afzonderlijke indicatoren beschikbaar.

In 2003 is de set prestatie-indicatoren uitgewerkt met betrekking tot de SVB. Deze indicatoren zijn opgenomen in de mei-brief voor begrotingsjaar 2004. Met betrekking tot de aspecten handhaving en klantgerichtheid dienen de indicatoren nog nader te worden uitgewerkt.

Beleidsartikel 11 Bevorderen van mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren

11.1 Algemene doelstelling

Voorwaarden scheppen opdat mannen en vrouwen arbeid en zorg kunnen combineren.

Het kabinet vindt het van belang dat zorgverantwoordelijkheid en arbeidsparticipatie elkaar niet uitsluiten, maar combineerbaar zijn. Werkenden die dat wensen moeten de mogelijkheid hebben om tijdens hun arbeidzame leven naar eigen keuze te variëren in de tijd besteed aan arbeid en zorg. Het arbeid-en-zorgbeleid omvat mogelijkheden voor structurele aanpassing van de arbeidstijd aan zorgtaken (deeltijdarbeid) en mogelijkheden voor tijdelijke aanpassing (verlof) als mede financieringsregelingen die het combineren faciliteren.

Tabel 11.1: Overzicht beleidsevaluaties
Gedeelte van de algemene doelstellingstartdatumeinddatumOnderwerp
Operationele doelstelling 1: aanpassing arbeidsduur Februari 2004Evaluatie Wet Aanpassing Arbeidsduur

De in de begroting 2003 aangekondigde evaluatie van de Wet Aanpassing Arbeidsduur (WAA) zal in februari 2004 gereedkomen.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 96,2 voor de Wet Arbeid en Zorg (wat betreft de uitkeringen inzake adoptie- en pleegzorgverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof en de financieringsregeling loopbaanonderbreking). IWI beschouwt de rechtmatigheidspercentages per wet als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controleprotocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage Wet Arbeid en Zorg van 98,2. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

11.2 Operationele doelstellingen

De algemene doelstelling om werknemers (en waar nodig zelfstandigen) mogelijkheden te bieden om arbeid en zorg te combineren is als volgt geconcretiseerd:

1. Het bieden van adequate verlofvormen en mogelijkheden tot aanpassing van de arbeidsduur;

2. Het fiscaal faciliteren van de mogelijkheid om verlof op te nemen;

3. Het faciliteren van werknemers om verlof op te nemen via:

• het vergroten van de bekendheid met de (wettelijke) mogelijkheden en het verkleinen van het verschil tussen het door werknemers gewenste gebruik en het feitelijke gebruik van arbeid-en-zorgregelingen;

• een financiële bijdrage tijdens verlof onder bepaalde voorwaarden.

4. Het scheppen van adequate randvoorwaarden voor een toereikende kwaliteit en voldoende aanbod van kinderopvang.

Operationele doelstelling 1: Het bieden van adequate verlofvormen en mogelijkheden tot aanpassing van de arbeidsduur.

Met de Wet aanpassing arbeidsduur (van kracht sinds juli 2000) wordt werknemers een (geclausuleerd) recht gegeven op arbeidsduurvermindering of vermeerdering. Werkgevers zijn verplicht om een verzoek van een werknemer toe te staan, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. De WAA is niet van toepassing ten aanzien van werkgevers met minder dan 10 werknemers. Deze werkgevers moeten wel een regeling treffen voor het recht van werknemers op aanpassing van de arbeidsduur. Dat betekent dat zij aan het recht op aanpassing van de arbeidsduur een eigen invulling kunnen geven, maar dan op basis van goed werkgeverschap.

De evaluatie van de WAA is in 2003 gestart en zal in februari 2004 zijn afgerond. Deze evaluatie bestaat uit een aantal onderdelen: een empirisch onderzoek onder (grote en kleine) werkgevers, werknemers en ondernemingsraden, een jurisprudentieonderzoek en een CAO-onderzoek naar de afspraken over deeltijdarbeid zoals die in CAO's zijn opgenomen.

De Wet arbeid en zorg biedt werknemers (en op onderdelen ook zelfstandigen) een reeks van verlofregelingen op grond waarvan rechthebbenden tijdelijk (geheel of gedeeltelijk) de arbeid kunnen onderbreken ten behoeve van verschillende zorgtaken. Het betreft zwangerschaps- en bevallingsverlof; adoptieverlof; kraamverlof; calamiteitenverlof en kort verzuim verlof; kortdurend zorgverlof en ouderschapsverlof. Hieronder wordt ingegaan op het gebruik van zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkeringen, adoptieverlofuitkeringen en (betaald of onbetaald) ouderschapsverlof.

Met het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (zie groeiparagraaf) komen eerste gegevens over het gebruik van de overige verlofregelingen beschikbaar.

Tabel 11.2 toont het volume uitkeringen en het totaal aan uitgaven met betrekking tot het reguliere zwangerschaps- en bevallingsverlof. Hoewel sinds 1 december 2001 onderscheid gemaakt wordt tussen het beroep op de Ziektewet en op de Wet Arbeid en Zorg als gevolg van zwangerschaps- en bevallingsverlof, is in de statistieken dit verschil nog steeds niet goed zichtbaar. Een belangrijk deel van de toename van het aantal reguliere zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen tussen 2002 en 2003 wordt dan ook verklaard door een verbeterde registratie van het onderscheid tussen beroep op de Ziektewet en de Wet Arbeid en Zorg. Voor enkele sectoren kon echter ook in 2003 dit onderscheid nog steeds niet worden gemaakt. Het aantal uitkeringen aan vrouwelijke zelfstandigen blijft in 2003 nagenoeg constant. Deze uitkering worden betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

Tabel 11.2: Reguliere zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003a
Werknemers   
– aantal uitkeringen (x 1000)134144130
– uitgaven Vangnet Awf (x € 1 mln)791912,2b878,4
Zelfstandigen   
– aantal uitkeringen (x 1000)555
– uitgaven WAZ (x € 1 mln)212422

Bron: UWV, SZW

a In de begroting 2003 werd het volume nog uitgedrukt in uitkeringsjaren. Het in tabel 11.2 gepresenteerde volumecijfer wordt uitgedrukt in het aantal personen met een uitkering vanwege het reguliere zwangerschaps- en bevallingsverlof, zoals ook gepresenteerd in de begroting 2004.

b Voorlopig cijfer.

Het recht op (een) adoptieverlof(uitkering) is gecreëerd in de Wet Arbeid en Zorg. Het houdt in dat de adoptiefouders een individueel recht hebben op vier weken betaald verlof, met een uitkering die analoog is aan die voor zwangerschaps- en bevallingsverlof. Voor werknemers is de uitkering 100% van het dagloon (met een maximum), voor zelfstandigen maximaal 100% van het wettelijk minimumloon.

Het verschil tussen het gerealiseerde gebruik in 2003 en 2002 kan worden verklaard uit de toenemende bekendheid met de regeling vanaf de invoering hiervan eind 2001. Dit verklaart tevens het verschil tussen het gerealiseerde gebruik in 2003 en het geraamde gebruik in 2003. In de oorspronkelijke meerjarenraming (dat is ten tijde van de invoering van de regeling) van het gebruik van de adoptieverlofuitkeringen zoals gepresenteerd in de begroting 2003 was geen rekening gehouden met de onbekendheid van de regeling.

Tabel 11.3: Adoptieverlofuitkeringen
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Werknemers   
– aantal uitkeringen9801 2941 800
– uitgaven Awf (x € 1 mln)12,6b3,1
Zelfstandigen   
– aantal uitkeringen (x € 1 mln)0,000,2
– uitgaven WAZ (x € 1 mln)0,000,3

Bron: UWV, SZW

b Voorlopig cijfer.

Het gebruik van (betaald of onbetaald) ouderschapsverlof wordt gemeten door het CBS. Ouders hebben een individueel recht op onbetaald verlof van maximaal 13 maal hun arbeidsduur per week voor de zorg voor een kind onder de 8 jaar. De afgelopen jaren is het percentage gebruikers relatief constant gebleven. De (geringe) afname in het gebruik tussen 1999 en 2000 is, zoals in het Jaarverslag 2002 al werd vermeld, waarschijnlijk te danken aan een gewijzigde vraagstelling.

Tabel 11.4: Gebruik van ouderschapsverlof
 199920002001Raming 2002Raming 2003
Gebruik (x 1 000 personen)5855556064

Bron: CBS, SZW

Operationele doelstelling 2: Het fiscaal faciliteren van de mogelijkheid om verlof op te nemen.

Om werknemers te ondersteunen bij het financieren van onbetaald verlof, bestaat sinds 1 januari 2001 de fiscale verlofspaarregeling. Daarmee kan met fiscaal voordeel per jaar 10% van het bruto jaarloon worden gespaard op een speciale verlofspaarrekening. Over de inleg op de spaarrekening is geen belasting verschuldigd; die wordt pas geheven als het tegoed wordt opgenomen voor de financiering van verlof (de «omkeerregel»). Om gebruik te kunnen maken van de verlofspaarregeling moet de werkgever van de betreffende werknemer een verlofspaarregeling aanbieden. Niet bekend is in welke mate werkgevers de regeling aanbieden en in welke mate werknemers gebruik maken van de regeling. Tabel 11.5 toont dan ook het geraamde gebruik van de verlofspaarregeling. Wel is bekend dat in 2000 53% van de CAO's afspraken over verlofsparen bevatten (bron: Arbeidsinspectie 2002).

Tabel 11.5: Verlofsparen
 20022003
Aantal werknemers50 000100 000
Budgettair beslag (x € 1 mln)3162

Bron: Financiën en SZW

Noot: Cijfers betreffen ramingen

Operationele doelstelling 3: Het faciliteren van werknemers om verlof op te nemen via:

het vergroten van de bekendheid met de (wettelijke) mogelijkheden en het verkleinen van het verschil tussen het door hen gewenste gebruik en het feitelijke gebruik

een financiële bijdrage tijdens verlof onder bepaalde voorwaarden

In 2003 is er op uiteenlopende manieren ruimere bekendheid gegeven aan de verschillende verlofregelingen, onder meer via brochures, de szw-site (www.szw.nl) en de Verlofwijzer (www.verlofwijzer.szw.nl). In september werd een nieuwe uitgave van het magazine «Toptijd» uitgebracht. Hieraan gekoppeld is de site www.Toptijd.nu. Beide zijn geheel gewijd aan arbeid-en-zorgregelingen en experimenten Dagindeling. Van het magazine zijn circa 800 000 exemplaren verspreid via vrouwenbladen met een grote oplage. Ook is het magazine verzonden naar gemeentes, CWI's, consultatiebureaus, bibliotheken en huisartsen. Uit onderzoek naar het magazine en de site Toptijd blijken deze in een informatiebehoefte te voorzien. Met deze voorlichtingsacties was een bedrag van circa € 750 000 gemoeid.

Om vast te kunnen stellen of werknemers die gebruik wensen te maken van verlofregelingen (en daaraan gelieerde financieringsregelingen) ook daadwerkelijk hiervan gebruik (kunnen) maken, heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in 2002 in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgebreid onderzoek gedaan. Dit onderzoek kan worden gebruikt als een «nulmeting» van de discrepantie tussen gewenst en feitelijk gebruik van «arbeid-en-zorgarrangementen». Indien de ontwikkeling van dit verschil in de loop van de tijd kan worden gevolgd («monitoring»), zal duidelijk worden of het verschil kleiner is geworden. Voor 2003 zijn nog geen gegevens beschikbaar over de ontwikkeling van dit verschil.

Met de financieringsregeling loopbaanonderbreking – onderdeel van de Wet arbeid en zorg – wordt werknemers een financiële tegemoetkoming geboden bij langer durend verlof voor zorg of educatie. Voor het gebruik van de regeling geldt een aantal voorwaarden, waarvan de belangrijkste is dat de verlofganger vervangen dient te worden door een uitkeringsgerechtigde, herintreder of arbeidsgehandicapte. Deze eis geldt niet als de werknemer een tegemoetkoming vraagt voor palliatief verlof of verlof voor de zorg van een levensbedreigend ziek kind.

Het gebruik van deze financieringsregeling is het afgelopen jaar wel enigszins gestegen maar blijft onveranderlijk laag. Zie het Jaarverslag 2002 voor verklaringen van het lage gebruik.

Tabel 11.6: Aantal gebruikers Finlo 2001–2003
 20012002Realisatie 2003Raming 2003
Aantal gebruikers157132248500
Totale Finlo-uitkeringen Awf (x € 1 mln)0,20,20,3a0,5

Bron: SZW-administratie

a Voorlopig cijfer.

Operationele doelstelling 4: Het scheppen van adequate randvoorwaarden voor een toereikende kwaliteit en voldoende aanbod van kinderopvang.

Het jaar 2003 is het laatste van de looptijd van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (Rkb). De Rkb beoogt een uitbreiding van de kinderopvangcapaciteit per 31 december 2003 met 82000 plaatsen ten opzichte van de situatie in 1998. Toen kende de formele kinderopvang in Nederland een capaciteit van circa 94 000 plaatsen. De regeling richt zich op gemeenten en verstrekt een bijdrage per gerealiseerde capaciteitseenheid. In 2003 is in het kader van de Rkb ruim € 153 miljoen aan subsidies verstrekt aan gemeenten. De voortgang in de uitbreiding wordt jaarlijks via onderzoek gevolgd. Eind 2003 bedroeg de totale kinderopvangcapaciteit ruim 185 000 plaatsen. Dat is een uitbreiding met meer dan 91 000 plaatsen (97%) ten opzichte van de uitgangssituatie. Daarmee is de doelstelling van de Rkb, binnen het beschikbare budget, met 9000 plaatsen overtroffen. Een deel van de capaciteitsuitbreiding betreft autonome groei. De capaciteitsuitbreiding is relatief het grootst bij buitenschoolse opvang (319%). De gastouderopvangcapaciteit is in de periode 1998–2003 nauwelijks gegroeid.

Tabel 11.7: Realisatie uitbreiding opvangplaatsen
Kengetalnulmetingrealisatierealisatierealisatierealisatiebegrotingrealisatie
Aantal kinderopvangplaatsen1998200020012002200320032003 in % t.o.v. nulmeting
Hele dagopvang66 38079 29893 345107 211114 150 72%
Buitenschoolse opvang19 27837 64249 45854 99561 586 319%
Gastouderopvang8 2089 25211 38710 4479 552 16%
Totaal93 886126 192154 190172 653185 287175 88697%
Toename t.o.v. nulmetingnvt32 30660 30478 76791 40182 00097%

Bron: Netwerkburau Uitbreiding Kinderopvang, Monitor uitbreiding kinderopvang 2003, Den Haag, december 2003.

Een belangrijk element in de structuur van de kinderopvang is de betrokkenheid van werkgevers. Ontwikkelingen daarin zijn in 2003 via onderzoek in beeld gebracht1. Onderzocht zijn ontwikkelingen in CAO-afspraken en in het bereik onder werknemers. Medio 2003 kende 89% van de grote CAO's een regeling voor kinderopvang (68% in 2000). Bij de kleinere CAO's was dit aantal 51%. Circa 68% van alle werknemers kan beschikken over een bijdrage van de werkgever. Dat geldt voor 81% van de werknemers onder CAO en 17% van de werknemers zonder CAO.

In 2003 is opnieuw een aantal stappen gezet in de ontwikkeling en parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk). In april 2003 is de nota naar aanleiding van het verslag aangeboden aan de Tweede Kamer, samen met van een nota van wijziging2. In november 2003 gevolgd door de nota naar aanleiding van het nader verslag en een tweede nota van wijziging3. Op grond hiervan is het wetsvoorstel op een aantal punten aangepast en aangevuld. De belangrijkste wijzigingen betreffen: invoering van de Wbk per 1 januari 2005 in plaats van per 1 januari 2004, een vergroting van het budget voor de Wbk met € 100 miljoen, een tijdelijke in plaats van structurele compensatieregeling voor werknemers zonder werkgeversbijdrage, een uitbreiding van reikwijdte van de Wbk met de doelgroepen studenten, oudkomers en tienermoeders, het fixeren van de maximum uurprijs die voor een vergoeding in aanmerking komt en het toevoegen van een experimenteerartikel. De invoering van de Wbk wordt begeleid via een implementatieprogramma dat zich richt op ouders, kinderopvangorganisaties, gemeenten en sociale partners. In samenhang met de verkiezingen en kabinetsformatie 2003 zijn de activiteiten van het implementatieprogramma in de eerste helft van 2003 getemporiseerd en in het najaar van 2003 geïntensiveerd.

11.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.8: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen140151161 703164 629179 522– 14 893
Uitgaven140151153 358160 339179 522– 19 183
       
Apparaatuitgaven  18022517253
Personeel  17021614571
Materieel  10927– 18
       
Programma-uitgaven140151153 178160 114179 350– 19 236
Rijksbijdrage wet Finlo140151238373150223
Kinderopvang  152 691157 463179 200– 21 737
Basisregeling levensloop      
Onderzoek en beleidsinformatie  249663 663
Primair proces   1 160 1 160
Voorlichting   455 455
       
Ontvangsten004202

Bron: SZW-administratie

De uitgaven aan de Rijksbijdrage financiering loopbaanonderbreking (Finlo-regeling) vallen hoger uit dan geraamd vanwege het weer toegenomen gebruik van de Finlo-regeling waardoor ook de uitvoeringskosten van de regeling zijn toegenomen. Absoluut gezien blijft het gebruik van de regeling en daarmee ook de rijksbijdrage hieraan – zeer bescheiden.

Het verschil in de gerealiseerde en de begrote uitgaven voor kinderopvang hebben voor het grootste deel betrekking op de uitvoeringskosten van de Wbk door de Belastingdienst. Dit betreft de kosten die de Belastingdienst in het jaar voorafgaand aan de invoering van de Wbk moet maken voor de voorbereiding en voor het inrichten van een uitvoeringsorganisatie. Als gevolg van het uitstel van de invoering van de Wbk van 2004 naar 2005 worden deze kosten grotendeels in 2004 gemaakt in plaats van geheel in 2003. De beperkte, in 2003 gemaakte, kosten zijn overgeboekt naar de begroting van het Ministerie van Financiën.

Tabel 11.9: Budgettaire gevolgen van beleid – Fiscale uitgaven (bedragen x € 1 000)
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
Operationele doelstelling 1     
– Afdrachtskorting ouderschapsverlof18 00034 00042 00068 000– 26 000
Operationele doelstelling 2     
– Afdrachtsvermindering Kinderopvang92 000137 000162 000140 00022 000
– Buitengewone lastenaftrek105 000135 000123 000117 0006 000

Bron: Financiën

11.4 Groeiparagraaf

Voor het meten van de doeltreffendheid van de op dit terrein ingezette, faciliterende instrumenten (arbeid-en-zorgarrangementen) zijn gegevens nodig over de eventuele discrepantie tussen de behoefte aan en het gebruik van deze arrangementen. Deze data worden verzameld via een diepgaande studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau in opdracht van het ministerie van SZW. De resultaten van dit onderzoek werden aanvankelijk medio 2003 verwacht. De complexiteit van de dataverzameling en de vraagstelling en de uitgebreide analyses op de onderzoeksdata hebben gemaakt dat de resultaten nog niet beschikbaar zijn.

In 2003 zijn nieuwe ramingen ten behoeve van de Wbk uitgevoerd. Het betreft ramingen van de vraag, onderzoek naar de prijsontwikkeling, naar de prijsgevoeligheid en naar de inkomensverdeling. Deze gegevens vormen de basis voor een nieuwe kostenraming voor de Wbk zoals verwerkt in de Nota naar aanleiding van het nader verslag. Als gevolg van uitstel van de invoering van de Wbk van 2004 naar 2005 is de verdere uitwerking van de informatievraag (beleidsinformatie) naar 2004 opgeschoven.

Beleidsartikel 12 Coördinatie Emancipatiebeleid

12.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een pluriforme maatschappij waarin ieder, ongeacht sekse, in wisselwerking met andere maatschappelijke ordeningsprincipes zoals etniciteit, burgerlijke staat, validiteit en seksuele voorkeur, de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te verwerven en waarin vrouwen en mannen gelijke rechten, kansen, vrijheden en (sociale) verantwoordelijkheden kunnen realiseren.

Het emancipatiebeleid vindt plaats langs twee «sporen». Langs het ene spoor wordt in samenspraak met andere overheden en maatschappelijke organisaties nieuw beleid vanuit een overkoepelende visie ingezet op versnelling en verbreding van het emancipatieproces, door middel van agenderen, ondersteunen en monitoren. Langs het andere spoor wordt het man/vrouw-perspectief geïntegreerd in het reguliere beleid bij departementen, andere overheden en maatschappelijke organisaties. De voortgang en uitvoering van de algemene emancipatiedoelstellingen ligt bij de voor de verschillende beleidsterreinen verantwoordelijke bewindspersonen. De minister van SZW, als coördinerende bewindspersoon voor emancipatie, heeft tot taak te bevorderen dat problemen integraal worden beoordeeld en over de aanpak en de resultaten integraal aan het parlement wordt gerapporteerd.

Tabel 12.1: Overzicht beleidsevaluaties
Gedeelte van de algemene doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
2. Stimuleren van innovatief beleid en draagvlakverbreding.Voorjaar 1999Voorjaar 2003Eindrapport Stimuleringsmaatregel Dagindeling. Monitor Dagindeling

Het in de begroting 2003 aangekondigde kabinetsstandpunt Dagindeling zal in het voorjaar 2004 naar de Tweede Kamer gezonden worden.

12.2 Operationele doelstellingen

1. Het duurzaam integreren van emancipatiedoelstellingen in het rijksbrede kabinetsbeleid en in het beleid van de afzonderlijke departementen;

2. Het stimuleren van innovatief beleid en het bevorderen van vernieuwingen en draagvlakverbreding van de emancipatiedoelstellingen;

3. Het stimuleren van een zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen;

4. Het bevorderen van gelijke rechten, kansen, verantwoordelijkheden en vrijheden onder vrouwen en mannen.

Operationele doelstelling 1: Het duurzaam integreren van emancipatiedoelstellingen in het rijksbrede kabinetsbeleid en in het beleid van de afzonderlijke departementen (gender mainstreaming).

In 2003 zijn de voorbereidingen afgerond waardoor het kabinet in het voorjaar 2004 de onafhankelijke visitatiecommissie gender mainstreaming kan installeren. Deze commissie zal bij de departementen beoordelen in hoeverre gender mainstreaming in het beleid en uitvoering is verankerd en in hoeverre resultaten zichtbaar zijn gemaakt.

De commissie zal rechtstreeks aan de departementen rapporteren, de departementen zullen zonder tussenkomst van de coördinerend minister verantwoording aan de Kamer afleggen.

In 2006 moet het m/v-perspectief zijn ingebed in het beleidsproces (ontwerp en uitvoering) van alle departementen. Om de departementen hierbij te ondersteunen, zijn in 2003 verschillende instrumenten ontwikkeld en toegankelijk gemaakt, zoals het www.emancipatieweb.nl, een nieuwe handleiding Gender mainstreaming, het interactieve traject beleidsvorming en het met ingang van 2004 volledig digitaliseren van het magazine Op Gelijke Voet (OGV).

Operationele doelstelling 2: Het stimuleren van innovatief beleid en het bevorderen van vernieuwingen en draagvlakverbreding van de emancipatiedoelstellingen.

Emancipatie is een continu proces, dat onder directe invloed staat van de dynamiek van de samenleving. Dat leidt tot nieuwe beleidsvragen en innovatief beleid. Die beleidsvragen overstijgen in de regel de departementale grenzen. Innovatief beleid experimenteert, is vraaggericht en interactief. Uiteenlopende doelgroepen in de samenleving zijn op uiteenlopende niveaus en in heel verschillende tempo's betrokken bij het emancipatieproces.

Keuzevrijheid

In 2003 is in de sectoren zorg en onderwijs gestart met onderzoek naar de mate waarin werkgevers initiatieven willen nemen voor het actief voeren van een modern levensloopbeleid. Deze verkenning moet in 2004 leiden tot afspraken met sociale partners in branches en sectoren.

Via subsidieprojecten zijn jonge mensen gestimuleerd al in het begin van hun levensloop na te denken over de consequenties van keuzes die ze nu maken, op het gebied van leren, werken, relaties, zorgen en wonen. Vooral via internet zijn circa 40 000 allochtone en autochtone jongeren bereikt. De conclusie is dat beleid hierover gericht zou moeten zijn op het heden, zou moeten aansluiten bij hun motieven en handvatten dient te geven om ouders te betrekken. Daarnaast blijkt dat jongeren bewust bezig zijn met emancipatieonderwerpen.

In maart 2003 vond de landelijke afsluiting plaats van de Stimuleringsmaatregel dagindeling. Het evaluatierapport van het SCP Beter voor de Dag laat zien dat bijna 70% van de experimenten succesvol te noemen is. Dit sluit aan op de Monitor Dagindeling van Regioplan waaruit blijkt dat circa 70% van de afgeronde experimenten zelfstandig verder gaat en/of de resultaten zijn opgenomen in regulier beleid. De resultaten zijn overgedragen aan lokale autoriteiten, gemeenten, wethouders en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven.

Mede op basis van resultaten van de experimenten Dagindeling zijn 66 experimenten rond het thema Tijd gestart (flexibele werktijden, verruimde schooltijden, betere afstemming openingstijden en werktijden, lokale tijdinitiatieven, vervoer en tijd en ruimtelijke ordening) en 93 via ESF-3 gericht op concrete oplossingen voor het beter combineren van arbeid en zorg. In een door het SCP en het NWO gezamenlijk opgestarte Tijdmonitor worden fricties in de tijdordening in beeld gebracht en wordt specifiek aandacht besteed aan tijdpatronen van allochtonen. Verder is met drie kenniscentra op het gebied van Grote Steden, Sociaal Beleid en Ruimtelijke Ordening een traject gestart voor een Kennisplatform Dagindeling, Ruimte en Tijd om kennis rond onder meer het thema Tijd breed toegankelijk te maken. SZW werkt met EZ, VWS en BZK aan een zogenaamd B4-traject om te komen tot voorstellen voor verbetering van openingstijden van publieke en semi-publieke voorzieningen.

Resultaten van experimenten dagindeling in het landelijke gebied spelen een rol in de uitwerking van de Agenda Vitaal Platteland. Het NIZW verrichtte in 2003 onderzoek naar het aanwezige voorzieningenniveau in het landelijke gebied om het combineren van taken te vergemakkelijken. Daarnaast is gestart met de voorbereiding van de beoogde Stimuleringsimpuls Sociale Infrastructuur Landelijk Gebied.

In het kader van het Europese Gelijke Kansen Programma is in 2003 het project «Daily Routine Arrangements, from local practice to national policy» gestart. Er is gewerkt aan kennisuitwisseling over nationaal beleid en innovatieve locale praktijken voor het combineren van werk en gezin. De resultaten zijn in 2003 gepubliceerd in een nieuwsbrief die Europees verspreid is en in «good practices» bundels over nationale beleidsmaatregelen en praktische projecten. In oktober 2003 is het kabinetsstandpunt persoonlijke dienstverlening met een reactie op het MDW-II traject naar de Tweede Kamer gestuurd.

Emancipatiesubsidiebeleid

Het jaar 2003 was het laatste jaar van het «oude» subsidiebeleid, gebaseerd op de Subsidieregeling emancipatieondersteuning 1998. In het kader van deze regeling werd aan de volgende instellingen een (meerjarige) subsidie verleend ten behoeve van expertisevorming en draagvlakverbreding:

• E-Quality; in afwachting van een besluit over voortzetting van de subsidie werd een overbruggingssubsidie verleend; eind 2003 werd besloten tot voortzetting voor de periode 2004–2007. Mede op basis van een evaluatieonderzoek heeft E-Quality met ingang van 2004 als taak gekregen de departementen te ondersteunen bij gender mainstreaming.

• de Vrouwen Alliantie; de meerjaren subsidie aan deze organisatie loopt nog t/m 2004. In het jaar 2004 wordt besloten over voortzetting van de subsidie na 2004.

• het IIAV; de meerjaren subsidie aan deze organisatie loopt nog t/m 2004. In het jaar 2004 wordt besloten over voortzetting van de subsidie na 2004.

Daarnaast werden op grond van de subsidieregeling de in onderstaand overzicht aangegeven éénmalige subsidies verstrekt voor de twee voor 2003 vastgestelde actuele thema's en het jaarlijks terugkerende thema «opheffen van structurele belemmeringen»:

Tabel 12.2: Overzicht emancipatie subsidies 2003
 aanvragentoegekendafgewezenUitgaven
Eenmalige subsidies    
integratie, rechten en veiligheid351124610 504
participatie laagopgeleide vrouwen391623467 765
opheffen structurele belemmeringen802258825 499
Subtotaal154491051 903 768
Afrekeningen subsidies 2002 en volgende jaren   364 480
Subtotaal eenmalige subsidies   2 268 248
Meerjarige subsidies   4 536 951
Totaal:   6 805 199

Bron: SZW-administratie.

Operationele doelstellingen 3 en 4 : Het stimuleren van een zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen en het bevorderen van gelijke rechten, kansen, verantwoordelijkheden en vrijheden onder vrouwen en mannen

Tabel 12.3: Realisatie en streefwaarden 2003 «Zelfstandig bestaan vrouwen en mannen»
 realisatie 2003streven 2003
netto arbeidsparticipatie van vrouwen55%56%
economische zelfstandigheid vrouwen138% in 200048%
aandeel van vrouwen in totale inkomen uit arbeid132% in 200031%

Bron: netto arbeidsparticipatie: CBS, Enquête beroepsbevolking.

Bron voor cijfers 2000: SCP/CBS, Emancipatiemonitor 2002.

1 Realisatiecijfers verschijnen slechts eenmaal in de twee jaar

In 2003 bedroeg de arbeidsparticipatie van vrouwen van 55%. Dit ligt net onder de streefwaarde van 2003. Hierbij moet worden opgemerkt dat bij de streefwaarden voor de arbeidsparticipatie vrouwen geen rekening is gehouden met conjuncturele ontwikkelingen. Hierdoor kunnen cijfers voor afzonderlijke jaren tot 2010 neerwaarts of opwaarts afwijken van de weergegeven streefwaarden. Wat opvalt, is dat de arbeidsparticipatie van mannen in 2003 ten opzichte van de jaren daarvoor is gedaald, terwijl die van vrouwen is gestegen (zie tabel 2.11).

Tabel 12.4: Realisatie en streefwaarden 2003 «Gelijke rechten, kansen, verantwoordelijkheden en vrijheden onder vrouwen en mannen»
 RealisatieStreefwaarde 2003
aandeel van mannen in onbetaalde arbeid135% in 200037,4%
aandeel vrouwen in politieke functies235% in 200240%
aandeel vrouwen in hoge functies2:  
Profit sector3,9% in 20016%

Bron: emancipatiemonitor 2002

1 Realisatiecijfers verschijnen slechts eenmaal in de vijf jaar.

2 Realisatiecijfers verschijnen slechts eenmaal in de twee jaar.

Het in de begroting 2003 opgenomen, algemene streefcijfer voor vrouwen in de politiek is een gemiddelde van het aandeel vrouwen in verschillende bestuurslagen en gremia. Over 2003 is hierover geen nieuw cijfer beschikbaar. Wel kan de volgende ontwikkeling geconstateerd worden.

De verkiezingen in januari 2003 voor de Tweede Kamer en in maart 2003 voor de Eerste Kamer en Provinciale Staten hebben tot een hoger aandeel van vrouwen geleid in deze bestuurslagen. Het aandeel vrouwen in de regering bedraagt 38% (ministers 31%, staats-secretarissen 50%), in de Tweede Kamer 37% en in de Eerste Kamer 32%. Hieruit blijkt een vooruitgang ten opzichte van 2002, toen het aandeel vrouwen respectievelijk 18% (7%, 29%), 34% en 30% bedroeg.

EQUAL-programma van het Europees Sociaal Fonds (ESF)

Thema «doorbreking van de horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt»

In 2003 zijn verschillende acties uitgevoerd gericht op de doorstroming van vrouwen naar hogere posities. De resultaten van het Ambassadeursnetwerk zijn gepubliceerd in het boek «Vrouwelijke leiders zichtbaar». Verder is het ESF-Equalproject «Mixed – naar een betere m/v-balans op het werk» voortgezet. Daarbij stond vooral het experimenteren met de instrumenten in arbeidsorganisaties centraal. De voortgang van Mixed is o.a. toegankelijk gemaakt voor een breder publiek op de website www.mixed-equal.nl. Voorts is de benchmark en de website www.glazenplafondindex.nl opgeleverd, waarmee bedrijven zich kunnen vergelijken met andere organisaties.

In 2003 is gestart met de voorbereiding van een project dat is gericht op het doorbreken van de beroepenscheiding tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt: het samenwerkingsverband man/vrouw in beroep. Het doel is te komen tot een vernieuwende en integrale aanpak via samenwerking tussen departementen en organisaties op het terrein van arbeidsmarkt en onderwijs.

Hoe denken Nederlanders over de taakverdeling thuis?

Bekendheid met en waardering voor de multimediale campagne «Wiedoetwat» (onderdeel van «Mannen in de hoofdrol») hebben geleid tot een brede maatschappelijke discussie over de taakverdeling thuis. De campagne heeft ruim 55% van de Nederlandse bevolking bereikt. Via televisiecommercials is ingezet op het stimuleren van de zorgbetrokkenheid. Uit onderzoek na de commercials blijkt dat 77% van de vrouwen en 70% van de mannen van mening is dat mannen meer gestimuleerd zouden moeten worden om zorgverantwoordelijkheid op zich te nemen. Bijna 60% van de kijkers hebben de commercials positief gewaardeerd. Het tv-programma «Vaders» trok wekelijks circa een half miljoen kijkers, met een gemiddelde waardering van 7,3.

Bron: NFO Trendbox, Spot, Effective, Intomart.

Websites op emancipatieterrein

SZW heeft in 2003 verschillende websites geopend voor burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven:

www.emancipatieweb.nl

www.wiedoetwat.nl

www.mixed-equal.nl

www.glazenplafondindex.nl

www.ambassadeursnetwerk.nl

Thema «combinatie van arbeid en zorg» («Mannen in de Hoofdrol)

Campagne «Wiedoetwat.nl», zie inzet. In 2003 is voortgegaan met het onderzoek Werkende vaders, Zorgende mannen. Doel van het onderzoek is een bijdrage te leveren aan de doorbreking van de traditionele rolverdeling tussen vrouwen en mannen. Het onderzoeksrapport zal in 2004 worden opgeleverd.

Versterken veiligheid en rechten

Naar aanleiding van de motie Hirsi Ali c.s. (TK 28 600-XV, nr. 100) heeft de minister van SZW aan de Tweede Kamer op 2 december 2003 een notitie aangeboden (TK 29 200-XV, nr 37). De notitie presenteert een rijksbreed overzicht van de aanpak door de regering van het geweld dat in de notitie is genoemd, en beschrijft welke resultaten het kabinet samen met relevante partners, waaronder de gemeenten, wil bereiken.

Ter ontwikkeling van een Vrouwen Veiligheids Index (VVI) heeft het Verwey-Jonker Instituut in 2003 het rapport Veilige gemeenten waar vrouwen willen wonen. Een voorstudie naar lokale monitoring van vrouwenveiligheid opgeleverd. Het rapport dient als basis voor een in 2004 te starten Pilot VVI onder ca. zes gemeenten.

In oktober 2003 heeft de minister van SZW, mede namens de minister van V&I, een plan van aanpak voor de vergroting van de emancipatie en integratie van vrouwen en meisjes uit etnische minderheden naar de Tweede Kamer gestuurd. Het plan richt zich op vrouwen die reeds langere tijd in Nederland wonen of hier geboren zijn en met het beleid in de afgelopen jaren en het huidige beleid niet of nauwelijks worden bereikt. Het gaat hier voor een belangrijk deel om laagopgeleide vrouwen die niet of nauwelijks participeren in de maatschappij. Het SCP heeft in 2003 een studie verricht naar de doelgroep vrouwen uit etnische minderheden om uiteindelijk te komen tot profielen van de doelgroepen. Het rapport is eind januari 2004 naar de Kamer gestuurd.

In november 2003 heeft de minister van SZW mede namens de ministers van BuiZa, Defensie en BZK, de Taskforce «Vrouwen, Veiligheid en Conflict» ingesteld voor 3 jaar. Deze onafhankelijke Taskforce heeft tot doel op nationaal en internationaal niveau de rol van vrouwen te vergroten in conflictpreventie, conflictoplossing en op het terrein van naoorlogse wederopbouw.

12.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.5: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen16 99812 62810 59115 14714 472675
Uitgaven13 14714 31116 15216 25218 255– 2003
       
Apparaat-uitgaven  2 2302 4712 877– 406
Personeel  2 1092 3332 29637
Materieel  121138581– 443
       
Programmauitgaven13 14714 31113 92213 78115 378– 1 597
Emancipatiesubsidies8 1037 9156 3446 8058 304– 1 499
Dagindeling5 0456 3963 8522 1963 156– 960
Primair proces  2 7334 2633 341922
Voorlichting Meerjarenbeleidsplan  365178577– 399
Onderzoek en beleidsinformatie  628339 339
       
Ontvangsten501455620562

Bron: SZW-administratie

Het verschil tussen gerealiseerde en begrote uitgaven voor emancipatiesubsidies (€ 1,5 miljoen) heeft drie oorzaken. De regering heeft afgezien van het opstarten van het Infopunt Gelijke Behandeling waarvoor € 0,340 miljoen gereserveerd was. Verder hebben enkele budgettair neutrale herschikkingen binnen artikel 12 plaatsgevonden. Voorts is aan meerjarige subsidies minder uitgegeven dan in voorgaande jaren omdat de subsidierelaties met Toplink en Opportunity in bedrijf in 2002 beëindigd zijn. Aan Dagindeling is € 0,96 miljoen minder uitgegeven dan begroot, aangezien een aantal projecten pas in 2004 afgerekend zal worden in plaats van in 2003. Als gevolg van de herinrichting van het departement zijn budgetverantwoordelijkheden van een aantal uitgavencategorieën gewijzigd. Daartoe hebben enkele budgettair neutrale herschikkingen plaatsgevonden. Dit verklaart de begrotingsafwijkingen van Primair Proces, voorlichting meerjarenbeleidsplan en onderzoek en beleidsinformatie. De ontvangsten zijn ontstaan na afrekening van projectsubsidies uit voorgaande jaren.

Beleidsartikel 13 Verbetering arbeidsomstandigheden

13.1 Algemene doelstelling

Bevordering van goede en veilige arbeidsomstandigheden en realisatie van effectieve arbobeleidsvoering in arbeidsorganisaties, preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en reïntegratie bij uitval uit arbeid.

Tabel 13.1: Overzicht beleidsevaluaties
Onderdeel artikelstartdatumeinddatumOnderwerp
Algemene doelstellingMedio 2002Juni 2004Maatschappelijke kosten en baten arbeidsomstandigheden
Algemene doelstellingNajaar 2002Najaar 2004Evaluatie Arbowet/Arbobesluit

Evaluatieonderzoek van de Arbowet is in 2003 aanbesteed. Inbreng van sociale partners in het traject is van groot belang. In het evaluatieproces is daarin voorzien. De uitkomsten van het onderzoek worden verwerkt in een adviesaanvraag aan de Sociaal-Economische Raad.

In het kader van de maatschappelijke kosten en baten arbeidsomstandigheden worden thans – in aanvulling op inventarisaties van TNO Arbeid – studies gedaan naar de effecten van goede arbeidsomstandigheden op de arbeidsproductiviteit en naar causale relaties tussen maatregelen om arbeidsuitval te voorkomen en de effecten hiervan. De Kamer wordt uiterlijk juni 2004 geïnformeerd.

Farbo-regeling: In aansluiting op gegevens van de AI over de uitvoering is najaar 2003 kwalitatief onderzoek gestart.

13.2 Operationele doelstellingen

1. Vermindering van het aantal werknemers dat blootgesteld is aan arbeidsrisico's, te weten werkdruk, tillen en geluid, conform vastgestelde streefcijfers;

2. Het scheppen en onderhouden, mede door marktwerking, van voorwaarden voor beleidsvoering door het bedrijfsleven op het vlak van arbeidsomstandigheden, preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en vroegtijdige reïntegratie;

3. Het stimuleren van het bedrijfsleven tot verbetering van arbeidsomstandigheden, mede ter ondersteuning bij haar verantwoordelijkheid voor preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en voor vroegtijdige reïntegratie;

4. Ontwikkelen, vaststellen en voorschrijven van basisnormen en handhaving daarvan.

Operationele doelstelling 1: Vermindering van het aantal werknemers dat blootgesteld is aan arbeidsrisico's, te weten werkdruk, tillen en geluid, conform vastgestelde streefcijfers.

Tabel 13.2: Arbeidsrisico's en streefcijfers
Arbeidsrisico's en streefcijfer199719981999200020012002streven
Werkdruk       
aandeel blootgesteld aan werkdruk32%33%33%31%30%29%29,7% (2003)
Tillen       
aandeel blootgesteld aan tillen23%22%22%22%22%22%15,4% (2006)
Geluid       
aandeel blootgesteld aan schadelijk geluid10%9%10%10%10%10%5% (2006)

Bron: SZW, Nota arboconvenanten nieuwe stijl, 1999; CBS.

Cijfers over de realisatie 2003 zijn in juni 2004 beschikbaar.

Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid door werk moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Het terugdringen van blootstelling aan arbeidsrisico's kan hieraan een bijdrage leveren.

Werkdruk

In 2003 zijn verschillende inspectieprojecten gestart die zich specifiek richten op werkdruk. Ook zijn er in veel arboconvenanten afspraken gemaakt over verlaging van de werkdruk in een groot aantal sectoren. Het ziet ernaar uit dat de daling zich ook in 2003 voortzet. Het streefcijfer van 29,7% zal gezien de realisatie 2002 naar verwachting gerealiseerd worden.

Tillen (kracht zetten) en geluid

Een groot deel van werkend Nederland heeft te maken met de arbeidsrisico's tillen en geluid. Vooral tillen leidt tot een relatief hoge instroom in de WAO. Daarom zijn voor deze arbeidsrisico's in 1998 ambitieuze streefcijfers geformuleerd. Het streven is om in 2006 een forse vermindering van beiden te bewerkstelligen. Hoewel veel extra beleidsinzet is gepleegd in de vorm van arboconvenanten, onderzoek en verscherpte handhaving heeft dit nog niet tot een verlaging van de blootstelling aan tillen en geluid geleid.

De inzet op het arbeidsrisico geluid is het terugdringen van het aantal onbeschermd blootgestelden (dus werknemers die wel in een omgeving werken met meer dan 80 dB, maar bijvoorbeeld geen gehoorbescherming dragen). Om dit beter tot uitdrukking in het streefcijfer te laten komen is in de begroting 2004 een aangepast percentage gebruikt. In het huidige percentage wordt namelijk alleen het aantal blootgestelden weergegeven. Het streven van 50% vermindering is wel gehandhaafd.

Operationele doelstelling 2: Het scheppen en onderhouden, mede door marktwerking, van voorwaarden voor beleidsvoering door het bedrijfsleven op het vlak van arbeidsomstandigheden, preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en vroegtijdige reïntegratie.

Risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e)

Tabel 13.3: Beschikbaarheid schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie Arbeidsrisico's
Bedrijfsgrootte1998199920002001Realisatie 2002Streven 2003
Alle werkgevers38%42%54%74%78%90%
2–9 werknemers32%35%50%70%75%85%
10–99 werknemers61%66%75%88%92%95%
> 99 werknemers89%84%88%94%98%97%

Bron: Arbomonitor 2002 (Arbeidsinspectie)

Met SZW-subsidie is in maart 2003 de website rie.nl geopend. Werkgevers vinden hier algemene en branchespecifieke ri&e-modellen. Het Arboplatform heeft subsidie gekregen voor het elektronisch toegankelijk maken van meer branchemodellen. Cijfers over 2003 zijn nog niet beschikbaar.

Kwaliteitsborging producten, processen en systemen op de markt

Tabel 13.4 Prestatiegegevens Veiligheidsrapport (VR) zware ongevallen
PrestatiegegevenRealisatie 2002Realisatie 2003Streefcijfer 2003
% aantal ingediende VR t.o.v. aantal VR-plichtige bedrijven96%100%100%
% aantal VR waarover AI binnen wettelijke termijn heeft geoordeeld68% *100%100%

Bron: Arbeidsinspectie

* niet bekend of beoordeling in alle gevallen binnen de wettelijke termijn is gebeurd

In een aantal bedrijven zijn grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig (toxisch, brandbaar, explosief). In het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo) worden deze inrichtingen verplicht om een VR op te stellen. In totaal zijn er 173 VR-plichtige bedrijven.

In 2003 is gestart met een ex post evaluatie Brzo; de veiligheidsrapporten worden in deze evaluatie ook meegenomen.

Tabel 13.5: Certificatieregelingen
Terreinaantal wettelijke normenrealisatie 2001realisatie 2002realisatie 2003streven 2003
Arbeidsomstandighedenwet15*8111112
Warenwet**73566
Overig wetten***30003
Totaal2511161721

Bron: SZW

* t/m 2002: 12

** voorheen Wet gevaarlijke werktuigen

*** Bestrijdingsmiddelenwet en Kernenergiewet

Certificatieregelingen bevorderen dat producten, systemen of personen aan bepaalde kwalificaties voldoen. Drie regelingen, die volgens streven in 2003 afgerond zouden worden, zijn in dusdanig stadium dat in 2004 vaststelling van de regeling mogelijk is (stralingsdeskundige, oxide ethyleen en conventionele explosieven). In 2003 is besloten dat de certificatieregeling asbestverwijdering in gebouwen van VROM naar SZW gaat. De bestaande SZW-structuur maakt een betere effectuering van deze regeling mogelijk. Het kabinet heeft in 2003 een standpunt geformuleerd inzake gebruik van certificatie door de overheid, met intensieve bijdragen vanuit SZW.

Bevordering arbokennis en kennisinfrastructuur

Tabel 13.6: Beroepsziektemeldingen conform richtlijnen
 RealisatieRealisatieRealisatieRealisatieStreven
 20002001200220032002 e.v.
Beroepsziektemeldingen conform richtlijnen86%87%80%84%90%

Bron: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB)

Het achterblijven bij het streven komt vooral door inwerkproblemen met geaggregeerde meldingen uit de bouwsector en door meldingen in verband met rugklachten en psychische aandoeningen waarvoor nog geen meldingscriteria bestaan maar waarvan bedrijfsartsen melding belangrijk vinden; het NCvB verbetert criteria. Zonder meldingen uit de bouw komt de realisatie in 2002 resp. 2003 uit op 87%, resp. 92% (voorlopig cijfer).

SZW heeft in 2003 samen met VWS samenwerking tussen arbozorg en curatieve zorg gestimuleerd. Verder is in het kader van vermindering van ziekteverzuim en WAO-instroom gewerkt aan ontschotting van sociale zekerheid en gezondheidszorg. In juni en in december 2003 hebben bijeenkomsten met de veldpartijen betrokken bij preventie, verzuim en reïntegratie plaatsgevonden. Deze bijeenkomsten hebben geresulteerd in concrete werkafspraken met het veld, die in 2004 geëffectueerd worden.

In maart 2003 heeft staatssecretaris Rutte het Arbo Platform Nederland (AP-NL) ingesteld. In dit AP-NL nemen centrale sociale partners en andere landelijke organisaties initiatief voor het verbeteren van beschikbaarheid, toepasbaarheid en toegankelijkheid van arbokennis en- informatie. Het AP-NL is een bundeling van het voormalige Arbo Platform en het Nederlands Focal Point voor Veiligheid en Gezondheid op het werk. AP-NL is daarmee ook verantwoordelijk voor arbo.nl, de website en het netwerk in aansluiting op het Europese informatienetwerk. Het werk wordt mede aangestuurd vanuit een jaarlijks bestuurlijk overleg met de bewindspersoon, voor het eerst in oktober 2003.

Operationele doelstelling 3: Het stimuleren van het bedrijfsleven tot verbetering van arbeidsomstandigheden, mede ter ondersteuning bij haar verantwoordelijkheid voor preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en voor vroegtijdige reïntegratie.

Arboconvenanten

In arboconvenanten maken overheid en sociale partners in sectoren afspraken over vermindering van arborisico's en steeds vaker ook over verzuim- en reïntegratieproblematiek. Zoals aangekondigd in de SZW-begroting is met ingang van 2003 de focus van de arboconvenanten toegespitst op vermindering van verzuim en reïntegratie van zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Op grond van hun WAO-cijfers kwamen 42 sectoren in aanmerking voor een zogenaamd tweedefase convenant waarin een substantiële vermindering van verzuim en WAO centraal staat. Naar verwachting zal de helft van deze sectoren participeren aan de tweede fase. In 2003 zijn drie tweedefase convenanten getekend.

Tabel 13.7: Aantal intentieverklaringen en convenanten en gereserveerde middelen
 Stand ultimo 1999Stand ultimo 2000Stand ultimo 2001Stand ultimo 2002Stand ultimo 2003
Aantal intentieverklaringen 1e fase1130394546
Aantal intentieverklaringen 2e fase2
Totaal intentieverklaringen 1e & 2e fase1130394548
      
Aantal convenanten 1e fase28223848
Aantal convenanten 2e fase3
Totaal convenanten 1e & 2e fase28223851

Bron: SZW

In totaal is voor de eerste en tweede fase samen € 276 miljoen gereserveerd, waarvan door sectoren € 195 miljoen en door SZW € 81 miljoen.

Tabel 13.8: Intentieverklaringen en convenanten naar onderwerp, stand ultimo 2003
Prioritaire arbeidsrisico'sResterende IntentieverklaringenConvenanten
 TotaalTotaalHRZM
Tillen/fysieke belasting526197
Werkdruk434277
RSI015132
Schadelijk geluid2844
Oplosmiddelen2972
Allergene stoffen0871
Kwarts0220
Vroegtijdige reïntegratie/vermindering ziekteverzuim637307
WAO-uitstroom0220
Agressie en onveiligheid1880
Overig124149
     
Totaal excl. Dubbeling6513813
Werknemers onder bereik0,5 mln3,3 mln2,6 mln0,7 mln

HR=hoogrisico bedrijfstak, ZM=zelfmelder

Bron: SZW

Voor het stimuleren van werk voor arbeidsgehandicapten is in 2003 ingesteld de Commissie het Werkend Perspectief. Deze vervolgt het werk van de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid (Donner I) en de Commissie Arbeidsgehandicapten en Werk.

Grote ongevallen zoals Enschede en Volendam, maar ook recent de Amercentrale, onderstrepen het belang van veiligheid. In 2003 zijn twee projecten gestart als nieuwe instrumenten voor het stimuleren van sectorale sociale partners. Het project Versterking Arbeidsveiligheid richt zich op vermindering van het aantal arbeidsongevallen. Het project Versterking Arbeidsomstandigheden Stoffen (VASt) richt zich op vermindering van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, met behulp van een ketenaanpak (van producent tot gebruiker) in afspraken met branches. In beide projecten zijn in 2003 trajecten met branches opgestart. In 2004 zal dit verder uitgebouwd worden.

Farbo-regeling

De Farbo-regeling is een fiscale regeling die organisaties moet stimuleren om producten aan te schaffen die arbeidsomstandigheden van werknemers verbeteren. De top drie van in 2003 aangeschafte bedrijfsmiddelen door de non-profit sector is:

• Elektrisch in hoogte verstelbaar bed

• In hoogte verstelbare kinderstoel

• Bank/tafelcombinatie t.b.v. kinderverzorging

Tabel 13.9: Investeringsbedrag Farbo-regeling (x € 1 mln)
 strevenrealisatie
 200120022003200120022003
Non-profit sector streefcijfers en realisaties      
Positief geadviseerd door Arbeidsinspectie28451113*18*

Bron: Farbomonitor (Arbeidsinspectie)

* voorlopig cijfer

Het investeringsbedrag voor de Farbo-regeling is het totaal van goedgekeurde aankoopprijzen van verschillende bedrijfsmiddelen. In 2002 is het streefcijfer drastisch naar beneden bijgesteld doordat de belangstelling voor deze regeling in de non-profitsector achterblijft bij de ontwikkeling in de profitsector. Aan de toename in 2003 ten opzichte van 2002 en 2001 is te zien dat de Farbo-regeling ook aantrekt in de non-profitsector.

Tabel 13.10: Budgettair beslag Farbo-regeling (x € 1 mln)
 2001realisatie 20022003begroting 2003
Farbo-regeling Profit1514*6*5
Farbo-regeling Non-profit0,40,5*0,6*2

Bron: Arbeidsinspectie.

* voorlopig cijfer.

Het budgettaire beslag 2003 is voor een groot deel een prognose. Deze prognose is gebaseerd op ontwikkelingen in de afgelopen jaren voor nog in behandeling zijnde aanmeldingen. Hetzelfde geldt in geringe mate voor 2002. Het totale budgettaire beslag voor de Farbo-regeling is vrijwel gelijk aan de begroting. Bij de profit sector is sprake van een overschrijding van de oorspronkelijke begroting, terwijl bij de non-profit sector de realisatie achterblijft bij de verwachting.

Operationele doelstelling 4: Ontwikkelen, vaststellen en voorschrijven van basisnormen en handhaving daarvan.

De Arbeidsinspectie (AI) handhaaft de regels op het terrein van de arbeidsomstandigheden door middel van inspecties. Doel is te bereiken dat bedrijven zich aan de regelgeving houden en daarmee zorgen voor een veilig en gezond werkklimaat voor werkenden (en de omgeving van een bedrijf).

Daarbij wordt op basis van een risico-analyse prioriteit gegeven aan branches met de hoogste risico's.

In onderstaande tabel wordt weergegeven met welke frequentie de AI in bepaalde sectoren heeft geïnspecteerd. Gestreefd wordt in de richting van de streefcijfers van 2005 te bewegen.

Tabel 13.11: Inspectiefrequentie naar bedrijfsgrootte
Doelgroep/terreinAantal bedrijvenRisicoklasserealisatie 2003streven 2005
   aantal werknemersaantal werknemers
2–910–99>992–910–99>99
Landbouw en industrie20 000Hoog4,1%14,0%20,6%8%13%18%
 65 000Laag2,0%9,0%20,4%3%3%3%
Bouw72 000Hoog3,3%15,7%47,2%11%16%21%
 82 000Laag1,8%6,8%*6%6%6%
Overheid en dienstverlening5 000Hoog0,5%4,0%17,7%6%11%16%
 319 000Laag0,6%3,1%12,8%1%1%1%

Bron: Arbeidsinspectie

* Onvoldoende waarnemingen beschikbaar.

Uit de tabel blijkt dat de beoogde frequenties in vrijwel alle sectoren zijn gehaald. Uitzondering zijn de kleine bedrijven en de hoog-risicobedrijven met 10 tot en met 99 werknemers bij de overheid & dienstverlening. Een verschuiving van de grote naar de kleine bedrijven levert, gelet op het grote aantal kleine en het geringe aantal grote bedrijven, maar beperkt soelaas om de inspectiefrequenties in die categorie te vergroten. Wel is voorzien dat met de in gang gezette uitbreiding van de capaciteit de inspectiefrequenties in de kleinste bedrijven kan toenemen. Verder is sprake van vervuiling van gegevensbestanden van de Kamers van Koophandel; deze bestanden vormen de basis voor de berekening. Het in ontwikkeling zijnde Basisbedrijvenregister (BBR) – een interdepartementaal traject – moet ook voor de AI verbetering in deze bestanden opleveren.

Tabel 13.12: Frequentietabel inspecties bij bedrijven
DoelgroepCriteriumRealisatieStreven
 Aantal afgesloten interventietrajecten2001200220032003
BedrijvenArbo-trajecten *)13 77414 00813 93416 441
 Klachtonderzoek2 1782 1672 1452 165
 Ongevalsonderzoek2 5592 4812 2652 471
 Overig reactief2 0311 5061 191650
 Major Hazard Control62118503392

* exclusief arbeidstijdenwet/Bron: arbeidsinspectie

De eenheid voor de productie bij de AI is het aantal afgesloten interventietrajecten. Een interventietraject bevat alle bedrijfsbezoeken en administratieve handelingen die nodig zijn om te komen tot normconform gedrag bij bedrijven, d.w.z. tot alle geconstateerde overtredingen zijn opgeheven.

Het aantal afgesloten Arbo-trajecten is achtergebleven bij het streven voor 2003. Dit is te verklaren uit een hoger benodigde capaciteitsinzet voor trajecten werktijdverkorting (WTV) dan was verwacht en een niet geplande zeer grote capaciteitsinzet voor het onderzoek naar het ongeval in de Amercentrale.

Het aantal onderzoeken naar aanleiding van klachten van werknemers of belanghebbenden over arbeidsomstandigheden is nagenoeg gelijk met de raming. Het aantal onderzoeken naar aanleiding van ernstige arbeidsongevallen is licht gedaald. Mede door de complexiteit van het onderzoek in de Amercentrale is de capaciteitsinzet daarvoor echter aanzienlijk gestegen. De Tweede Kamer is door beantwoording van Kamervragen en een toelichting in een Algemeen Overleg van de VKC voor SZW op de hoogte gesteld van de aanpak en voortgang van het onderzoek. Over de oorzaken konden nog geen uitspraken worden gedaan. De eindrapportage wordt in het voorjaar van 2004 verwacht.

Circa 800 van de 1191 trajecten overig reactief in 2003 betreffen interventietrajecten voor aanvragen werktijdverkorting. Dit heeft vooral te maken met de vogelpest. Verder speelden in 2003 de economische recessie, SARS en de oorlog in IRAK een rol.

De voorgenomen reorganisatie van de AI is in 2003 uitgevoerd. Er zijn nu vier bedrijfstakdirecties van waar uit de inspectieteams landelijk worden aangestuurd. Daarnaast is er een directie Major Hazard Control (MHC) ingericht voor de beoordeling en handhaving van de grote gevaarlijke installaties en bedrijven ingevolge de BRZO-regelgeving en een directie voor de aanpak van illegale arbeid. Beide directies eveneens met een landelijke aansturing van de inspectieteams.

Na de start van de directie MHC is een omvangrijk traject in gang gezet ten aanzien van structurering, uniformering en kwaliteitsbevordering, mede gericht op het verwerven van een kwaliteitscertificaat conform ISO-9000:2000. In dit kader wordt ook gewerkt aan verbeteringen in de methodologie, het kennismanagement en het relatiemanagement.

Er is in 2003 een aantal rapporten aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit betreft onderwerpen als de aanwezigheid van onderhouds- en inspectiesystemen bij bedrijven en ongevalspreventie in de chemische procesindustrie.

13.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.13: Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen10 48914 58672 89594 314116 347– 22 033
Uitgaven7 29411 15570 31387 198119 766– 32 568
       
Apparaatuitgaven  47 49651 71853 961– 2 243
Personeel  40 02942 91334 3128 601
Materieel  7 4678 80519 649– 10 844
       
Programma-uitgaven7 29411 15522 81735 48065 805– 30 325
Convenanten arbeidsomstandigheden 10 40120 29520 15747 847– 27 690
Subsidies en overige beleidsuitgaven7 2947542 52215 19817 958– 2 760
Voorlichting   125 125
       
Ontvangsten2 2091 9854 9796 1155 0841 031

Bron: SZW-administratie

Het verschil tussen raming en realisatie van de convenanten in 2003 komt door een groot aantal herschikkingen en enkele overboekingen naar latere begrotingsjaren. Dit laatste heeft onder andere te maken met een langere doorlooptijd van de eerstefaseconvenanten en de daarmee samenhangende getemporiseerde opstart van de tweede fase (in overleg met sociale partners). Na verrekening van de genoemde herschikkingen/overboekingen, is het voor 2003 beschikbare verplichtingenbudget voor de arboconvenanten goeddeels uitgeput.

Het totale aantal per eind 2003 afgesloten convenanten is 51; dit is 11 meer dan in de begroting 2003 verwacht. Uit de tot nu toe afgesloten convenanten blijkt dat een convenant SZW gemiddeld ongeveer € 1,6 miljoen kost.

Het bij de begrotingsbehandeling 2003 aangenomen amendement Verburg voorziet in € 5 miljoen voor het stimuleren van de arboconvenanten en versterken van de Arbeidsinspectie. De extra stimulans door middel van arboconvenanten (€ 2 miljoen) is gerealiseerd via subsidies voor een kenniscentrum bij het CNV, voor het project «infrastructuur voor ergocoaches» in de sectoren Zorg en Welzijn en voor de website en het congres arboconvenanten.

Beleidsartikel 14 Tegemoetkoming asbestslachtoffers

14.1 Algemene doelstelling

De regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers geeft uitdrukking aan een maatschappelijke erkenning van het leed van asbestslachtoffers.

Na de evaluatie in 2002 is de regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS-regeling) op enkele punten aangepast. Per 1 januari 2003 is een voorschotregeling geïntroduceerd. Per 1 juli 2003 is de doelgroep uitgebreid; naast werknemers hebben ook huisgenoten, die via kleding van de werknemer aan asbeststof werden blootgesteld, recht op een voorschot op schadevergoeding door werkgever dan wel een eenmalige tegemoetkoming uit de TAS-regeling. Tevens is in de TAS-regeling opgenomen dat de eenmalige tegemoetkoming vanaf 2004 wordt geïndexeerd wanneer de ontwikkeling van het wettelijke minimumloon daartoe aanleiding geeft.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst SVB heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening SVB 2002. In haar jaarverslag geeft SVB het onrechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 3,50 voor de TAS. IWI constateert dat de onrechtmatigheid in de wetsuitvoering in totaliteit door SVB ruim binnen de wettelijke norm van één procent is gebleven.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst SVB in het jaarverslag SVB 2003 een onrechtmatigheidspercentage TAS van 0,00. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

14.2 Operationele doelstelling

Het voorzien in een eenmalige tegemoetkoming aan asbestslachtoffers met maligne mesothelioom, die vanwege het ontbreken van een aansprakelijke werkgever geen schadevergoeding meer kunnen krijgen langs civielrechtelijke weg, respectievelijk onder bepaalde voorwaarden aan nabestaanden.

Met de invoering van de voorschotregeling per 1 januari 2003 is, zo blijkt uit voorlopige SVB informatie, gerealiseerd dat in 2003 87% van de aanvragende slachtoffers bij leven een voorschot heeft gekregen op de schadevergoeding van de aansprakelijke werkgever dan wel de TAS tegemoetkoming. Uit de evaluatie van de regeling zoals deze luidde vóór 1 januari 2003 bleek dat circa 90% van de slachtoffers niet meer in leven was bij het ontvangen van een TAS tegemoetkoming of een schadevergoeding van de voormalige werkgever.

14.3. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 2283 3941 9703 7802 859921
Uitgaven1 2283 3941 9673 7802 859921
       
Apparaatuitgaven  3641365
Personeel  3035278
Materieel  669– 3
       
Programma-uitgaven1 2283 3941 9313 7392 823916
       
Regeling tegemoetkoming Asbestslachtoffers1 2283 3941 9313 7392 823916
       
Ontvangsten0002090209

Bron: SZW-administratie.

Tabel 14.2: Prestatiegegevens tegemoetkoming asbestslachtoffers
 RealisatieBegroting 2003
 200120022003VastgesteldNa wijziging TAS-regeling
Programma -uitgaven (x € 1 000)     
Eenmalige tegemoetkomingen1     
* SVB-uitgaven  3 494  
* SZW-uitgaven2 5251 5072 8362 1435 106
Uitvoeringskosten (SZW-uitgaven)8694249036801 117
Totaal SZW-uitgaven3 3941 9313 7392 8236 223
      
Volume (x 1)     
Aantal slachtoffers   400400
Aantal toekenningen15988220135320
Waarvan teruggestort door verrekening werkgever  40  
Aantal afwijzingen  13  
      
Gemiddelde uitgave (in euro's)     
Eenmalige tegemoetkoming15 88215 88215 88215 88215 882
Uitvoeringskosten5 4654 6403 8755 0403 490

Bron: SVB (realisatiegegevens volumes)

1 verschil tussen SVB- en SZW-uitgaven voor eenmalige tegemoetkomingen komt door verschillende wijze van administreren (SVB: baten-lasten; SZW: verplichtingen-kas)

Volgens de oorspronkelijke raming zouden in 2003 135 tegemoetkomingen worden toegekend. Door de introductie van de voorschotregeling per 1 januari 2003 en de uitbreiding van de doelgroep per 1 juli 2003 met huisgenoten werd deze raming verhoogd naar 320 tegemoetkomingen, inclusief overgangsgevallen bij inwerkingtreding van de voorschotregeling.

Feitelijk zijn in 2003 220 tegemoetkomingen verstrekt, waarvan 191 voorschotuitkeringen en 29 eenmalige uitkeringen. Van de voorschotten zijn er 40 in 2003 na succesvolle bemiddeling voor een schadevergoeding aan het slachtoffer door de werkgever teruggestort.

Het verschil tussen geraamde en gerealiseerde uitgaven in 2003 is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het lagere aantal toegekende tegemoetkomingen. Oorzaak is vooral een overschatting van het aantal voorschotten op grond van de overgangsbepaling (zie antwoord op vraag 30 in TK 2003–22004, 29 331, nr. 3). Deze verlaging is incidenteel van aard.

Ook afgezien van de overgangsgevallen is het aantal toekenningen lager dan geraamd, door een lager aantal aanvragen dan verwacht. Inmiddels zijn stappen gezet tot intensivering van de voorlichting over de TAS door het Instituut Asbestslachtoffers (IAS).

De SVB heeft in 2003 dertien aanvragen om een eenmalige tegemoetkoming afgewezen. Belangrijkste afwijzingsgronden waren dat de aanvraag verhaalbaar is op werkgever en dat de aanvraag te laat is ingediend.

Er is vanuit gegaan dat van de slachtoffers met maligne mesothelioom die een TAS-aanvraag indienen, ongeveer 40% van de werkgever een schadevergoeding krijgt. Bemiddelingstrajecten duren gemiddeld acht maanden. Een groot deel van de in 2003 gestarte bemiddelingstrajecten is dus nog niet afgerond, wat invloed heeft op het aantal in 2003 terugontvangen voorschotten.

De uitvoeringskosten zijn gestegen, vooral omdat de kosten van het IAS die leiden tot een negatief advies aan de SVB – anders dan voorheen – ook worden vergoed. Hiermee is overigens de financiële problematiek van het IAS opgelost.

De uitvoeringskosten van de TAS vallen lager uit dan begroot doordat de vergoeding van de uitvoeringskosten aan de SVB structureel één kwartaal achterloopt en de kosten over het vierde kwartaal 2002 relatief laag waren.

14.4 Groeiparagraaf

Stappen zijn gezet voor een evaluatie van de uitvoeringskosten, in het eerste kwartaal 2004, teneinde die beter in te kunnen schatten en de benodigde informatie voor de uitvoering scherper in beeld te brengen. Dit was voorzien voor 2003 maar uitgesteld omdat cijfers over geheel 2003 een betere basis vormen voor evaluatie en zo nodig verbetering van de informatievoorziening.

Beleidsartikel 15 Rijksbijdragen Sociale Fondsen

15.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het medebekostigen van de sociale verzekeringen uit de schatkist ter dekking of compensatie van de arbeidsongeschiktheidslasten van beroepsbeoefenaren; de premiederving wegens gemoedsbezwaren; de gedaalde premieopbrengsten voor de volksverzekeringsfondsen wegens fiscale wijzigingen; en de kosten verbonden aan het opheffen van het AOW-gat voor vrouwen van grensarbeiders.

Een deel van de sociale zekerheidsregelingen wordt gefinancierd door middel van premieheffingen. De geheven premies komen terecht in de diverse sociale fondsen. Omdat in sommige omstandigheden premieheffing niet wenselijk of mogelijk is, is in deze gevallen ervoor gekozen om deze fondsen te voorzien van een rijksbijdrage.

15.2 Operationele doelstellingen

1. Het medebekostigen van de arbeidsongeschiktheidslasten van beroepsbeoefenaren;

2. Het compenseren van de premiederving van de werknemersfondsen wegens gemoedsbezwaren;

3. Het compenseren van de premiederving van de volksverzekeringsfondsen wegens heffingskortingen;

4. Het opheffen van het AOW-gat van partners van grensarbeiders.

Operationele doelstelling 1: Het medebekostigen van de arbeidsongeschiktheidslasten van beroepsbeoefenaren.

SZW zorgt ervoor dat de rijksbijdrage aan het AfZ zodanig wordt vastgesteld dat deze voorziet in de benodigde resterende dekking indien de WAZ-premie die beroepsbeoefenaren inbrengen, onvoldoende is om hun arbeidsongeschiktheidslasten te dekken. Het voorschot op deze rijksbijdrage bedroeg in 2003 € 13,7 miljoen. De rijksbijdrage van 2003 zal in 2006 definitief vastgesteld kunnen worden aan de hand van gegevens van het UWV en de Belastingdienst.

De WAZ-premie wordt geïnd door de Belastingdienst en afgedragen aan het AfZ. De kosten hiervan bedroegen in 2003 € 3,9 miljoen. Dit bedrag wordt gesaldeerd met de hiervoor vermelde rijksbijdrage voor beroepsbeoefenaren. Het saldo wordt verstrekt als rijksbijdrage.

Operationele doelstelling 2: Het compenseren van de premiederving van de werknemersfondsen wegens gemoedsbezwaren.

SZW voorziet in rijksbijdragen aan de werknemersfondsen ter compensatie van de premiederving wegens aan werkgevers verleende vrijstelling tot premiebetaling uit hoofde van gemoedsbezwaren. Een compenserende rijksbijdrage is wenselijk omdat de uitkeringen aan werknemers met een gemoedsbezwaarde werkgever, gewoon uit de fondsen bekostigd worden.

In 2003 zijn 67 declaraties wegens gemoedsbezwaren aan werkgevers betaald, waarmee de bijdrage van SZW komt op € 1,7 miljoen.

Operationele doelstelling 3: Het compenseren van de premiederving van de volksverzekeringsfondsen wegens heffingskortingen.

Sinds 2001 worden de fondsen voor de volksverzekeringen gecompenseerd voor een daling van de premieopbrengst die een gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze compensatie is de zogeheten BIKK (Bijdrage in de Kosten van Kortingen).

Mede vanwege de verhoging van de AWBZ-premie per 1 juli 2003 is de verdeling van de rijksbijdrage BIKK over AOW, Anw en AWBZ gewijzigd. Tegenover een hogere rijksbijdrage AWBZ (begroting VWS) staat een lagere rijksbijdrage BIKK voor de AOW en de Anw (begroting SZW). In totaal gaat het om een bedrag van € 136,2 miljoen. Daarnaast is de BIKK voor de AOW en de Anw, op basis van nieuw geraamde heffingskortingen, met € 31,3 miljoen verlaagd. In totaal heeft er een bijstelling van 167,4 plaatsgevonden.

Operationele doelstelling 4: Het opheffen van het AOW-gat van partners van grensarbeiders.

De korting op het AOW-pensioen van vrouwen wier echtgenoot als grensarbeider in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd waren voor de AOW, wordt sinds 2002 niet langer toegepast. Dit geldt tevens voor de korting op de toeslag waarop de pensioengerechtigde echtgenoot recht heeft ten behoeve van zijn jongere partner gedurende de periode dat zij de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. In 2003 is € 11 miljoen uitgetrokken voor de compensatie van het AOW-gat.

15.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen40 46241 1982 732 0374 011 0274 177 814– 166 787
Uitgaven40 46241 1982 712 1374 011 0274 177 814– 166 787
       
Apparaatuitgaven  2402522484
Personeel  22924321033
Materieel  11938– 29
       
Programma-uitgaven40 46241 1982 711 8974 010 7754 177 566– 166 791
Rijksbijdrage WAZ*39 16139 67240 7569 7569 800– 44
Rijksbijdrage AOW-gat grensarbeiders   11 00011 0000
Premiebijdragen gemoedsbezwaarden1 3011 5261 6561 7191 089630
Bijdragen BIKK  2 669 4852 793 3002 960 677– 167 377
Rijksbijdrage Ouderdomsfonds   1 195 0001 195 0000
       
Ontvangsten0019 701000

Bron: SZW-administratie

* De realisaties over de jaren 2000 tot en met 2002 zijn met inbegrip van de gerealiseerde uitgaven inzake de rijksbijdrage sluitende aanpak WW. Vanaf 2003 is deze rijksbijdrage komen te vervallen.

In de realisatie 2002 is daarnaast opgenomen de rijksbijdrage AOW-gat grensarbeiders. Vanaf 2003 wordt deze rijksbijdrage separaat vermeld.

Rijksbijdrage WAZ

De realisatie stemt nagenoeg overeen met de ontwerpbegroting 2003. Deze rijksbijdrage is in 2003 op voorschotbasis verstrekt en zal in 2006 definitief vastgesteld kunnen worden aan de hand van gegevens van het UWV en de Belastingdienst. De definitieve vaststelling van de rijksbijdrage WAZ kan pas na afloop van een bepaald jaar plaatsvinden. In 2003 is de systematiek van de definitieve vaststelling aangepast, zodat het mogelijk wordt de definitieve vaststelling sneller te laten plaatsvinden. In het voorjaar 2004 zullen dientengevolge de bevoorschotte rijksbijdragen voor de jaren 1998 tot en met 2001 definitief worden vastgesteld.

Premiebijdrage gemoedsbezwaarden

Tabel 15.2: Prestatiegegevens premiebijdrage gemoedsbezwaarden
    RealisatieBegroting
 20002001200220032003
Vergoedingen werknemersverzekeringen in verband met vrijstelling wegens gemoedsbezwaren (x € 1 mln)1,31,51,71,71,1
Aantal premiedeclaraties8581846780
Gemiddeld declaratiebedrag (in euro's)15 30818 83519 71425 64513 750

Bron: SZW

De gerealiseerde uitgaven zijn over 2003 € 0,6 miljoen hoger dan geraamd bij ontwerpbegroting. Dit wordt volledig verklaard door een hoger gemiddeld declaratiebedrag dan geraamd (€ 25 645 ten opzichte van € 13 750). Het gerealiseerde volume daarentegen ligt lager dan geraamd bij de ontwerpbegroting.

Overigens is ten tijde van de ontwerpbegroting 2004 de raming structureel opwaarts bijgesteld naar € 1,7 miljoen.

Bijdragen BIKK

De hoogte van deze rijksbijdrage wordt in principe jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en de wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf. Voor 2003 heeft een combinatie van nieuwe geraamde heffingskortingen en de verhoging van de AWBZ-premie per 1 juli tot gevolg gehad dat de rijksbijdrage BIKK (BIKK AOW + BIKK Anw) per saldo met € 167,4 miljoen is verlaagd.

AOW-gat ex-grensarbeiders

De korting op het AOW-pensioen van vrouwen wier echtgenoot als grensarbeider in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd waren voor de AOW, wordt sinds 2002 niet langer toegepast. Dit geldt tevens voor de korting op de toeslag waarop de pensioengerechtigde echtgenoot recht heeft ten behoeve van zijn jongere partner gedurende de periode dat zij de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. Dientengevolge wordt met ingang van 2002 jaarlijks € 11 miljoen toegevoegd aan het Ouderdomsfonds.

Omdat de SVB in haar administratie geen onderscheid maakt naar deze gevallen, zijn geen realisaties bekend van het aantal gemiste verzekeringsjaren en de gemiddelde uitkering.

Rijksbijdrage tekort Ouderdomsfonds

Deze rijksbijdrage is toegevoegd via een nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2003. De rijksbijdrage voorziet in het opheffen van het vermogenstekort van het Ouderdomsfonds. De gerealiseerde uitgaven over 2003 stemmen overeen met de raming.

Beleidsartikel 16 Rijksbijdragen Spaarfonds AOW

16.1 Algemene doelstelling

Het waarborgen dat de AOW vanaf 2020 ondanks de vergrijzing betaalbaar blijft, in die zin dat de AOW-premie ten hoogste 18,25% bedraagt.

Door de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking neemt de druk op de AOW in de toekomst toe. Het Spaarfonds AOW is in 1998 ingesteld om de financierbaarheid van de AOW-uitgaven op langere termijn zeker te stellen. Vanaf 2020 kan het Ouderdomsfonds een beroep doen op middelen uit het Spaarfonds.

Het Spaarfonds AOW is geen daadwerkelijk fonds, in de eigenlijke betekenis van het woord. Het Spaarfonds bevat immers geen werkelijke vermogenstitels. Het fonds is de facto een registratie van een op specifieke titel afgeloste schuld.

16.2 Operationele doelstelling

Het reserveren van aanspraken op de schatkist ten behoeve van het Spaarfonds AOW

SZW draagt zorg voor de reservering van aanspraken op de schatkist. In de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) is een minimum groeipad vastgelegd. Op grond hiervan wordt de Rijksbijdrage ieder jaar met minimaal € 113,4 miljoen verhoogd. Naast de rijksbijdragen wordt het fonds ook gevoed door jaarlijkse rentebijschrijvingen.

Tabel 16.1: Prestatiegegevens Spaarfonds AOW (x 1 mln)
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003
Rijksbijdrage2 178,12 291,62 405,02 518,52 518,5
Rentebaten271,0403,5536,6680,2686,7
Vermogenspositie7 035,39 730,412 672,015 870,715 877,2

Bron: SZW

In 2003 is € 680,2 miljoen aan rente (4,88%) toegevoegd aan het Spaarfonds AOW. Het saldo van het Spaarfonds AOW bedraagt daardoor per 31 december 2003 € 15 870,7 miljoen.

Tabel 16.2: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen2 178 1452 291 5902 405 0732 518 5222 518 5166
Uitgaven2 178 1452 291 5902 405 0732 518 5222 518 5166
       
Apparaatuitgaven  3842366
Personeel  36403010
Materieel  226– 4
       
Programma-uitgaven2 178 1452 291 5902 405 0352 518 4802 518 4800
Rijksbijdrage Spaarfonds AOW2 178 1452 291 5902 405 0352 518 4802 518 4800
       
Ontvangsten000000

Bron: SZW-administratie

De gerealiseerde uitgaven in 2003 stemmen overeen met de ontwerpbegroting. Zie voor verdere toelichting op het AOW-spaarfonds het jaarverslag van het spaarfonds.

Beleidsartikel 17 SUWI

17.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bieden van ondersteuning in en het geven van sturing aan het transformatieproces van de oude uitvoeringsstructuur van de (publieke) arbeidsvoorziening en de sociale zekerheid naar een nieuw activeringsgericht uitvoeringsstelsel zoals neergelegd in de SUWI-wet.

Op 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) van kracht geworden. Dit artikel is specifiek gericht op de implementatie van het nieuwe stelsel, zijnde de tijdelijke kosten die specifiek gebonden zijn aan de opbouw van de nieuwe organisatie en de afwikkeling van de oude organisatie. De reguliere uitvoeringskosten worden verantwoord op de beleidsartikelen van betreffende regelingen (begrotings- en premiegefinancierd).

Uit de evaluatie van de werking van de prikkels blijkt dat het instrumentarium in opzet adequaat is om UWV, CWI en gemeenten te prikkelen tot het nastreven van SUWI-doelen. In de eerste evaluatie van de wet SUWI is gerapporteerd over de werking van prikkels bij de uitvoering, de uitvoering van de zogeheten andere taken door CWI, UWV en SVB en de contracteisen die worden gesteld op het gebied van reïntegratie. De evaluatie is op 21 mei aangeboden aan het parlement als onderdeel van de verantwoording over de bedrijfsvoering in het jaar 2002.

De eerste evaluatie SUWI gaat eveneens in op de uitvoering van andere taken door UWV, SVB en CWI. Op basis van deze evaluatie kan de conclusie worden getrokken dat de voorwaarden voor het uitvoeren van andere taken, zoals neergelegd in de SUWI-regelgeving, in de praktijk voldoen. Uitvoering van andere taken uit het publieke domein kan, mits de uitvoeringsinstanties voldoen aan nader omschreven criteria, door de minister van SZW worden goedgekeurd.

De evaluatie van de contracteisen leert dat de publieke opdrachtgevers op de reïntegratiemarkt (UWV en gemeenten) vorderingen maken met de vormgeving van de aanbesteding conform de vereisten van de SUWI en de nadere beleidsinvulling die daaraan is gegeven.

Om relevante partijen op de regionale arbeidsmarkt bij elkaar te brengen, is in artikel 23 Wet SUWI de bepaling opgenomen dat gemeenten door samenwerking met andere gemeenten op de regionale arbeidsmarkt de totstandkoming van regionale platforms (RPA) bevorderen. Het toenmalige kabinet heeft voor de ontwikkeling van de RPA's financiële middelen beschikbaar gesteld. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp SUWI heeft de Tweede Kamer in een motie (de motie Van der Vlies) bedongen, dat het «functioneren van de RPA's» na de beëindiging van de overheidssubsidie (eind 2003) voor de ontwikkeling van de platforms wordt geëvalueerd. Deze evaluatie is vervroegd en in mei 2003 aan de kamer aangeboden.

Uit het evaluatierapport zijn geen eenduidige conclusies te herleiden.

Met betrekking tot het doel van de RPA's wordt geconcludeerd dat de platforms daadwerkelijk functioneren als vehikel voor het bijeenbrengen van arbeidsmarktpartijen. De omvang zowel als de samenstelling is in degeest van de wet SUWI. Echter, het onderwijsveld participeert weinig in de RPA's. De afstemming van het regionale arbeidsmarktbeleid vindt plaats op een abstract niveau. Coördinatie van reïntegratiemiddelen binnen het platform ervaren veel aan het RPA deelnemende partijen als onmogelijk. Het bevorderen van een sluitende keten van dienstverlening heeft nauwelijks prioriteit gehad. Van echte meerwaarde is nog geen sprake; het netwerk levert concreet nog weinig op. Partijen verwachten wel dat op korte termijn meerwaarde wordt gerealiseerd aangezien veel platforms aan de vooravond staan van de start van concrete projecten.

17.2 Operationele doelstellingen

1. Het tijdelijk verstrekken van subsidies voor de inrichting van CWI;

2. Afwikkeling van de ontvlechting Arbeidsvoorziening Nederland (Arbvo);

3. Het tijdelijk verstrekken van subsidies ter stimulering van de inrichting van Bedrijfsverzamelgebouwen en van de coördinatie van de reïntegratiemarkt door middel van Regionale platforms;

4. Uitvoering van concrete projecten ter ondersteuning van de oprichting van CWI en UWV;

5. Afwikkeling van ESF-oud.

Operationele doelstelling 1

Het tijdelijk verstrekken van subsidies voor de inrichting van CWI.

In 2003 zijn vrijwel alle resterende CWI/SWI subsidies 1999–2001 afgehandeld.

Tabel 17.1: Overzicht SWI/CWI-subsidies
SWI/CWI-subsidiesrealisatie 2003raming 2003
aantal nog af te handelen subsidies1919
aantal afgehandelde subsidies1619

Bron: SZW-administratie

Operationele doelstelling 2

Afwikkeling van de ontvlechting Arbeidsvoorziening Nederland (Arbvo).

Nadat de ontvlechting van Arbeidsvoorziening door de verzelfstandiging van de verschillende bedrijfsonderdelen in 2002 feitelijk zijn beslag heeft gekregen, heeft 2003 vooral in het teken gestaan van de laatste fase van de opheffing van de arbeidsvoorzieningsorganisatie die naar verwachting in het laatste kwartaal van 2004 zal zijn gerealiseerd.

Bij aanvang 2003 was het liquidatietekort geraamd op € 467 miljoen waarvan € 58 miljoen nog niet budgettair was afgedekt. Bij Najaarsnota 2003 bleek dat op grond van de meest recente inzichten het liquidatietekort geraamd werd op € 512 miljoen. Bij Tweede suppletore begrotingswet is zowel het ongedekte deel (€ 58 miljoen) als de nieuwe claim van € 45 miljoen afgedekt en vervolgens betaald.

De effecten van eerdere uitgebreide administratieve herstel- en reconstructiewerkzaamheden hebben na de afkeurende accountantsverklaringen bij de jaarrekeningen over 2000 en 2001, voor de jaarrekening 2002 een positief effect gehad. De jaarrekening 2002, die in 2003 is afgewikkeld, had een (goedkeurende) accountantsverklaring met beperking. Voor de jaarrekening 2003 van de arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn er in beginsel geen belemmeringen meer voor een goedkeurende accountantsverklaring. Met de afwikkeling van de jaarrekening 2002 is tevens de (specifieke) verantwoording van de transformatiekosten afgewikkeld.

In het kader van de ontvlechting van de arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft het verzelfstandigde KLIQ het Onderhanden werk (OHW) voor een totaalbedrag van circa € 155 miljoen in 2003 afgerond. De hiermee in 2003 gemoeide betalingen bedroegen circa € 85 miljoen. Hiermee is het KLIQ-dossier voor wat SZW betreft budgettair afgewikkeld.

Operationele doelstelling 3

Het tijdelijk verstrekken van subsidies ter stimulering van de inrichting van Bedrijfsverzamelgebouwen en van de coördinatie van de reïntegratiemarkt door middel van Regionale platforms.

Het verstrekken van BVG-subsidies heeft onder andere door het late indienen van de aanvragen maar ook omdat in december 2002 de indientermijn met een jaar is verlengd, vertraging opgelopen. Uit de aanvragen blijkt dat de realisatie van de BVG-en veelal na 2003 zal plaatsvinden. De regeling werd uitgevoerd door het Agentschap SZW.

Tabel 17.2: Overzicht BVG-subsidies
BVGrealisatie 2003raming 2003
aantal ingediende vervolgsubsidies in 200375122
aantal ingediende vervolgsubsidies t/m 200375122
aantal beschikkingen in 200325122
aantal beschikking t/m 200325122

Bron: Agentschap SZW

De tijdelijke stimuleringsregeling regionale platforms had primair tot doel financiële ondersteuning te bieden bij de opzet van een landelijk netwerk voor RPA's. Nu dit doel conform de opzet is bereikt, wordt de tijdelijke stimuleringsregeling per 31 december 2003 beëindigd. Wel zullen de RPA's in projectvorm na 2003 nog worden ondersteund.

Operationele doelstelling 4

Uitvoering van concrete projecten ter ondersteuning van de oprichting van CWI en UWV.

De doelstelling is niet meer relevant. De projecten zijn in 2002 geheel afgehandeld. De resterende uitfinanciering van deze projecten heeft in 2003 zijn beslag gekregen.

Operationele doelstelling 5

Afwikkeling van ESF-oud.

Thans zijn nog niet alle eindafrekeningen van de programma's door de Europese commissie ontvangen. Naar verwachting vindt dit in het eerste kwartaal van 2004 plaats. De einddeclaraties betreffen een bedrag van circa € 1 118 miljoen waartegenover circa € 1 200 miljoen aan voorschotten zijn ontvangen, zodat naar verwachting € 82 miljoen moet worden terugbetaald. De dekking van de terugbetalingen aan Brussel vindt in beginsel plaats door de hiermee gemoeide middelen terug te vorderen van de aanvragers. Voorzover dit niet mogelijk is komen deze ten laste van de begroting van SZW. Voor 2003 is hiermee een bedrag gemoeid van € 28,6 miljoen. Tevens heeft nog een betaling aan de Europese Commissie plaatsgevonden ruim € 4 miljoen die betrekking heeft op de periode voor ESF-1994–1999. Agentschap SZW voert de regeling uit (zie beleidsartikel 2).

17.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 17.3: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen89 782592 342460 488240 09535 798204 297
Uitgaven28 926592 342456 404245 13736 101209 036
       
Apparaatuitgaven  1 9022 4882 025463
Personeel  1 6702 1121 717395
Materieel  11292308– 216
Agentschappen  1202840284
       
Programma-uitgaven28 926592 342454 502242 64934 076208 573
Facilitering oprichting CWI148 1 5362630263
Ontvlechting Arbvo3 242471 720278 507189 2330189 233
Ondersteuning vorming BVG'en 9981 5882 54725 000– 22 453
Coördinatie reïntegratiemarkt1 50111 2169 6458 8959 076– 181
ICT8 0396 3285 9498 57608 576
Overig 102 0808890090
– Afwikkeling SWI-projecten11 999     
– Overige projecten3 997     
Afwikkeling ESF-oud (Rapport Koning)  157 18933 045033 045
       
Ontvangsten0010 1281 05101 051

Bron: SZW-administratie

Voor de afwikkeling van de CWI/SWI-subsidies 1999–2001 zijn in de vastgestelde begroting 2003 geen middelen beschikbaar gesteld. Gedurende het jaar zijn door middel van herschikkingen binnen dit artikel middelen aan de begroting toegevoegd. Uiteindelijk is aan de nog openstaande subsidies een bedrag van € 0,2 miljoen uitgegeven.

Voor de liquidatie van de arbeidsvoorzieningsorganisatie is in 2003 circa € 189 miljoen uitgegeven. Dit bedrag had voor € 103 miljoen betrekking op een nog niet eerder gedekt deel van € 58 miljoen van het geraamde liquidatietekort en van € 45 miljoen die eerst bij Najaarsnota 2003 bekend werd. Voorts was een bedrag van circa € 85 miljoen gemoeid met de afwikkeling van het OHW van KLIQ. Zie voor meer uitgebreide informatie de toelichtingen bij de operationele doelstellingen 2 en 5.

Voor de uitvoering van de BVG regeling is € 25,0 miljoen beschikbaar, er is € 2,5 miljoen uitgegeven. De onderuitputting wordt veroorzaakt door de vertraging in de subsidieverlening. Tot eind 2003 konden de vervolgsubsidies in het kader van deze regeling worden aangevraagd. Slechts weinig subsidies konden in 2003 worden verleend. Gedurende het jaar is in dit verband reeds een bedrag van € 14,0 miljoen naar 2004 doorgeschoven. Aan het Agentschap is in 2003 € 0,2 miljoen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de BVG-regeling.

In de vastgestelde begroting 2003 waren voor de afwikkeling van VO-SUWI geen middelen beschikbaar. Gedurende het jaar is hiervoor € 11,0 miljoen beschikbaar gekomen. Uiteindelijk is in 2003 is € 8,6 miljoen uitgegeven voor de eindafrekening van nog openstaande facturen en verplichtingen van de VO-SUWI.

Met betrekking tot ESF-oud wordt het terug te betalen bedrag aan Brussel geraamd op € 82 miljoen waarvan ruim € 28 miljoen niet kan worden teruggevorderd van aanvragers. Voorts heeft ten laste van dit artikel een betaling plaatsgevonden met betrekking tot de afwikkeling van ESF oud over de periode van voor 1994 (€ 4,3 miljoen).

Tabel 17.4: Overboekingen vanuit de aanvullende post van Financiën naar de SZW-begroting (x € 1 000)
OverboekingBedrag
Transformatiekosten CWI34 900
Afwikkeling KLIQ15 400
Afwikkeling ESF58 700
Totaal109 000

Bron: SZW-administratie

Voor de afwikkeling van het zogenoemde OHW van KLIQ (zie ook operationele doelstelling 2), als onderdeel van de ontvlechting van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is voor het te betalen restant OHW € 15,4 miljoen toegevoegd en aan KLIQ betaald.

Voor de financiële afwikkeling van ESF '94-'99 is € 58,7 miljoen toegevoegd aan de SZW-begroting 2004; voor het grootste deel is dit bedrag gebruikt voor de terugbetaling aan Brussel van teveel ontvangen voorschotten en voorts voor een begrotingsmutatie met OC&W in dit kader, terwijl het restant is vrijgevallen.

6. NIET-BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 97. AFLOPENDE REGELINGEN

97.1 Algemene beleidsdoelstelling

Voor de financiële afwikkeling en verantwoording van een aantal afgesloten regelingen is in de begroting een aparte voorziening getroffen. Het gaat hier uitsluitend om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

97.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 97.1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen5383979717432142
Uitgaven8 9172 9801 032356214142
       
Apparaatuitgaven  303132– 1
Personeel  2930273
Materieel  115– 4
       
Programma-uitgaven8 9172 9801 002325182143
Financiële afwikkeling afgesloten regelingen174162404
Jeugdspaarwet8 7412 141    
Regeling ex mijnwerkers25 2071821820
Experimenten121 53   
Koopkrachtreparatie13     
IHS-banenpools 8355801390139
       
Ontvangsten001 32113 589013 589

Bron: SZW-administratie

Het verschil tussen de realisatie en de raming in de begroting 2003 is voornamelijk het gevolg van nabetalingen in het kader van de koopkrachtreparatie voor ex-banenpoolers met Individuele Huursubsidie (IHS) ad € 0,139 miljoen.

Bij de ontvangsten is op basis van afrekeningen € 13 miljoen aan restituties ontvangen.

ARTIKEL 98. ALGEMEEN

98.1 Karakter van de uitgaven

Op dit artikel worden apparaatuitgaven verantwoord die niet direct kunnen worden toegerekend aan één van de andere beleidsartikelen. Ook worden op dit artikel de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen programmauitgaven primair proces, subsidies, voorlichting, onderzoek en beleidsinformatie en handhaving verantwoord. Het gaat hier om middelen voor:

– de beleidsactiviteiten waarvoor in de begroting geen afzonderlijke beleidsartikelen zijn opgenomen;

– de ondersteunende diensten van dit departement;

– de bijdrage van het moederdepartement aan de baten-lastendienst IWI.

98.2 Totaal budgettair beeld

De apparaatuitgaven en de zogenaamde algemene programma-uitgaven primair proces, subsidies, voorlichting, onderzoek en beleidsinformatie en handhaving worden zowel op artikel 98 «Algemeen» als op een aantal beleidsartikelen geraamd en verantwoord. In totaal is in 2003 op artikel 98 € 229,2 miljoen uitgegeven. De apparaatuitgaven worden niet alleen op artikel 98 geboekt, maar ook op alle beleidsartikelen zijn apparaatuitgaven verantwoord. In tabel 98.6 wordt een totaalbeeld van deze uitgavencategorieën gepresenteerd. In deze paragraaf worden enkele uitgavenposten toegelicht.

Personeel

Tabel 98.1: Formatie en bezettingsontwikkeling (exclusief batenlastendiensten)
 200120022003
Formatie ultimo2 3943 0643 028
Vermindering formatie agv taakstelling SA– 112
Formatie batenlastendiensten124543543
    
Bezetting ultimo2 2852 9072 954
Bezetting gemiddeld2 2802 7352 927
    
Vacatures ultimo  74

Bron: SZW-administratie

Tabel 98.2: Personeelsbudgetten en realisaties (excl batenlastendiensten) x € 1 mln.
 200120022003
Budget113123113
Realisatie133147153
Gemiddelde realisatie per fte (x € 1 000)58,353,452,3

Bron: SZW-administratie

In 2003 bestond de gemiddelde formatie, inclusief de agentschappen, uit 3028 formatieplaatsen (fte). Dit is een daling met 36 fte ten opzichte van 2002. Als gevolg van de invulling van de taakstelling uit het Strategisch Akkoord (SA) is de formatie in 2003 met 112 fte ingekrompen. Daar stond een stijging van de formatie, onder andere als gevolg van het intensiveren van handhavingstaken bij AI en SIOD tegenover. De bezetting per 31 december 2003 bedroeg 2954 fte. Ten opzichte van 31 december 2002 (bezetting: 2907) is de bezetting gestegen met 47 fte. Het aantal vacatures per 31 december 2003 was 74 (2,4%).

In 2003 is € 144 miljoen uitgegeven aan personeelskosten. Dit is inclusief € 3,3 miljoen aan post-actieven. In dit bedrag zijn de batenlastendiensten niet begrepen. Daarnaast is voor € 9 miljoen uitgegeven aan inhuur van personeel (exclusief batenlastendiensten).

Materieel

Tabel 98.3: Realisaties materieel (x € 1 mln.)
 200120022003
Materieel29,734,633,5
Huisvesting23,343,629,3
Automatisering23,332,418,0
Bijdrage moederdepartement aan IWI36,635,7
    
Gemiddeld realisatie per fte (x € 1 000)   
Materieel13,012,711,4
Huisvesting10,215,910,0
Automatisering10,211,86,1

Bron: SZW-administratie

Onderzoek

De totale onderzoeksuitgaven bedragen € 11,2 miljoen. Een nadere verdeling over de beleidsterreinen is in onderstaande grafiek zichtbaar gemaakt.

Grafiek 98.1: Verdeling van de totale onderzoeksuitgaven 2003 (€ 11,220 miljoen) over de beleidsterreinen per DG

kst-29540-32-7.gif

Voorlichting

De totale voorlichtingsuitgaven 2003 bedragen € 6,3 miljoen. Het totaal bedrag dat aan voorlichtings-campagnes is uitgegeven beloopt ruim € 3 miljoen en is als volgt over de beleidsartikelen (terreinen) verdeeld.

Grafiek 98.2: Verdeling van de uitgaven voor voorlichting over beleidsterreinen in 2003

kst-29540-32-8.gif

Publieksinformatie

In 2003 zijn de volgende aantallen vragen door de afdeling Publieksinformatie afgehandeld:

– ruim 110 000 telefonische vragen binnengekomen op het gratis nummer 0800–9051

– 10 000 e-mail via met name het Algemeen loket (60%), de site van de Arbeidsinspectie (20%) en diverse andere loketten en Postbus 51 (overige 20%)

– 2 500 brieven van burgers

Grafiek 98.3: Verdeling van de gestelde vragen over de beleidsonderdelen SZW

kst-29540-32-9.gif

Subsidies

Tabel 98.4: Subsidies SZW conform subsidie-definitie Algemene Wet Bestuursrecht
x € 1 000Realisatie 2003Begroting 2003
2. Arbeidsmarktbeleid6490
2. Doelgroepenbeleid (exclusief SPAG)11 1729 127
2. EQUAL3 2570
2. PRB-regio's1174 695
5. Armoedebeleid, Nibud989908
11. Kinderopvang (flankerend beleid)4 1946 900
12. Institutionele subsidies emancipatie (E-quality, IIAV en Vrouwen Alliantie)4 5376 594
12. Projectsubsidies emancipatie2 2681 710
13. Arboconvenanten20 15747 847
13. Arbozorg en verzuimbeleid10 07010 012
13. Arbeidsveiligheid, Arbobeleid stoffen en preventie arbeidsuitval5 1287 946
97. Mijnwerkersfonds182182
98. Kwaliteit arbeidsverhoudingen7670
98. Antheus (werkgelegenheid regio Delfzijl)310
98. Reservebudget subsidies04 662
Totaal63 518100 583

Bron: SZW-administratie

In bovenstaande tabel zijn alleen de bedragen van de SZW-subsidies in 2003 opgenomen die vallen onder de subsidie-definitie van de Algemene Wet Bestuursrecht. «De aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan een betaling van aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten».

De totale uitgaven aan subsidies bedragen € 63,5 miljoen. De uitgaven zijn nagenoeg geheel gerealiseerd op de beleidsartikelen en worden dan ook daar beleidsmatig toegelicht.

Handhaving

In 2003 is totaal € 47,8 miljoen uitgegeven aan handhaving. Circa 90% is ten laste van de beleidsartikelen geboekt en 10% ten laste van artikel 98. Een deel van de handhavingmiddelen is direct gekoppeld aan extra inzet van Arbeidsinspectie en SIOD. Een groot deel van deze activiteiten wordt ten laste gebracht van de middelen op artikel 98. Voor een beleidsmatige toelichting wordt verwezen naar het hoofdstuk beleidsprioriteiten waar een integraal beeld van de handhaving is gepresenteerd.

98.4 Budgettaire gevolgen van beleid

In bovenstaande tabellen is zichtbaar gemaakt welke delen van de budgetten zijn toegerekend aan de beleidsartikelen. Onderstaand overzicht biedt inzicht in het totaal van de budgetten die niet zijn toebedeeld en dus op het artikel Algemeen zijn begroot en verantwoord. In overzicht 98.6 wordt een totaalbeeld gepresenteerd.

Tabel 98.5: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen259 130306 807228 402233 157232 645512
Uitgaven235 106274 153259 310228 942226 1602 782
       
Apparaatuitgaven180 325212 925232 528203 446168 93534 511
Personeel120 991135 81793 56396 59166 73229 859
Materieel24 20032 02726 31224 09522 4501 645
Huisvesting19 00022 75343 63929 01524 2364 779
Automatisering16 13422 32832 37118 02019 624– 1 604
Bijdrage moederdepartement aan IWI36 64335 72535 893– 168
       
Programma-uitgaven54 78161 22826 78225 49657 225– 31 729
Primair proces4 1004 8282 5265 3801 7813 599
Onderzoek & beleidsinformatie13 33812 31411 4029 4149 803– 389
Voorlichting4 9887 6966 9395 1175 336– 219
Subsidies14 39312 3859077984 662– 3 864
Handhaving17 96224 0055 0084 78735 643– 30 856
       
Ontvangsten3 6973 4557 6169 9161 7708 146

Bron: SZW-administratie

De apparaatuitgaven worden niet alleen op artikel 98 geboekt, maar ook op alle beleidsartikelen zijn apparaatuitgaven verantwoord. In tabel 98.6 wordt een totaalbeeld van alle apparaat- en overige beleidsuitgaven gepresenteerd en vervolgens worden de budgettaire ontwikkelingen toegelicht.

Personeel

Ten opzichte van de vastgestelde begroting zijn de gerealiseerde uitgaven ruim € 40 miljoen hoger. Een bedrag van € 25 miljoen heeft betrekking op een in de 1e suppletore begroting verwerkte budgettair neutrale correctie tussen Personeel en Materieel. Een aantal begrotingsmutaties was geparkeerd op het materieelbudget, terwijl de mutaties betrekking hadden op het personeelbudget.

Na verwerking van deze correcties is op basis van de nieuw berekende totale P&M uitgaven ook de toerekening naar de beleidsartikelen gecorrigeerd.

Het restant van de hogere uitgaven is toe te schrijven aan een aantal zaken zoals: de loonbijstelling, verdeling amendementgelden Verburg toegekend bij de begrotingsbehandeling, uitbreiding formatie onder andere uitvoering Strategisch Akkoord (overkomst kinderopvang, SIOD en AI), de eindejaarsmarge en de invulling van geparkeerde ombuigingstaakstellingen.

Materieel

Ten opzichte van de vastgestelde begroting zijn de gerealiseerde uitgaven ruim € 10 miljoen lager.

Rekening houdend met bovengenoemde correctie van € 25 miljoen uit de 1e suppletore begroting is een verschil ontstaan van € 15 miljoen. Dit verschil is in de loop van het jaar afgedekt met loon- en prijsbijstelling, verdeling amendementgelden, de eindejaarsmarge.

Overig (huisvesting, automatisering en bijdrage moederdepartement aan IWI)

Gedurende de uitvoering van de begroting zijn huisvestingsknelpunten naar voren gekomen en is het budget door middel van herschikkingen met € 6 miljoen verhoogd. De totale huisvestingsuitgaven in 2003 bedroegen € 29,5 miljoen.

De totale omvang van het automatiseringsbudget is tijdens de begrotingsuitvoering per saldo nauwelijks gewijzigd. Enerzijds is een kasschuif van ca – € 9 miljoen verwerkt als gevolg van vertraging in de planning van een nieuw informatiesysteem (OBIS). Anderzijds is het budget met een evengroot bedrag verhoogd voor overlopende verplichtingen (Eindejaarsmarge) en voor aan het Agentschap SZW doorbrekende kosten. De gerealiseerde onderuitputting is het gevolg van kleine verschuivingen in planning en het niet tijdig meer kunnen verwerken van ontvangen facturen van leveranciers in de administratie.

Op de Bijdrage van het moederdepartement aan IWI zijn relatief kleine afwijkingen gerealiseerd die het gevolg zijn van normale bedrijfsvoering.

Primair proces

De uitgaven Primair proces zijn € 5,8 miljoen hoger dan geraamd. Gedurende de begrotingsuitvoering is het budget voor de bekostiging van Primaire processen met € 8,8 miljoen verhoogd. De verhoging is tot stand gebracht door middel van herschikkingen binnen de bestaande budgetten. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget bedroeg € 13,9 miljoen. Ten tijde van de Najaarsnota is abusievelijk verzuimd het budget te verlagen, waardoor de gerealiseerde onderuitputting ad € 3,0 miljoen qua omvang aanzienlijk is uitgevallen.

Onderzoek

Gedurende de begrotingsuitvoering is het onderzoeksbudget met € 2,6 miljoen verhoogd. De verhoging is tot stand gebracht door middel van herschikkingen binnen de bestaande budgetten en uit de Eindejaarsmarge. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget bedroeg € 14,1 miljoen. De gerealiseerde onderuitputting op het onderzoeksbudget ten opzichte van de Najaarsnota bedraagt circa € 2,9 miljoen. Vertraging bij de indiening van einddeclaraties en omdat er minder projecten zijn afgerond zijn de belangrijkste oorzaken van deze onderuitputting.

Voorlichting

Het voorlichtingbudget is gedurende de begrotingsuitvoering met € 1,5 miljoen verhoogd. De verhoging is tot stand gebracht door middel van toevoeging uit de Eindejaarsmarge en herschikkingen binnen de bestaande budgetten. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget bedroeg € 7,4 miljoen. De gerealiseerde onderuitputting op het voorlichtingsbudget ten opzichte van de Najaarsnota wordt ondermeer veroorzaakt door het feit dat geplande voorlichtingsactiviteiten niet zijn doorgegaan. Daarnaast is er vertraging opgetreden in de uitvoering van enkele projecten.

Subsidies

De gerealiseerde onderuitputting op subsidies ad ruim € 37 miljoen treedt voornamelijk op bij de beleidsartikelen. Voor een toelichting hierop wordt naar deze beleidsartikelen verwezen.

Op artikel 98 is als gevolg van herschikkingen van geparkeerde subsidiegelden € 4 miljoen minder uitgegeven.

Handhaving

SZW voert een deel van de handhavingstaken (AI en SIOD) zelf uit. Deze diensten worden ten laste gebracht van de voor SZW beschikbaar gestelde Personele en materiele middelen.

De uitgaven handhaving zijn bijna € 29 miljoen lager dan oorspronkelijk geraamd. Ruim € 12 miljoen van de gereserveerde gelden had betrekking op apparaatuitgaven, primair proces, onderzoek etc. en is gedurende de uitvoering van de begroting overgeboekt naar de respectievelijke budgetten.

Daarboven zijn kasschuiven en ombuigingen (met behoud van fraudeopbrengsten) verwerkt. Er is een onderuitputting opgetreden omdat projecten niet zijn afgerond danwel goedkoper zijn uitgevoerd dan geraamd.

98.5 Groeiparagraaf

In 2003 is de toedeling van de apparaatuitgaven aan de beleidsartikelen gedurende de loop van het jaar geactualiseerd. De effecten hiervan zijn tijdens de uitvoering verwerkt. De methodiek van toerekening van apparaatuitgaven zal in de komende jaren steeds verder worden verfijnd.

Tabel 98.6: Totaaloverzicht gerealiseerde apparaat- en algemene programma-uitgaven 2003
 ApparaatuitgavenProgramma-uitgaven
 PersoneelMaterieelOverige*PrimairOnderzoekVoorlichtingSubsidiesHandhaving
1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen49523     7 600
2 Stim. en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod3 926173  80422915 195 
3 Aanvullende werkgelegenheid48925   104  
4 Aangepast en begeleid werken51526      
5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau3 064120   11798935 252
6 Inkomensgarantie voor jonggehandicapten1044      
7 Inkomensaanv. herkeurde arbeidsongeschikten201      
8 Tijdelijke inkomensgarantie kunstenaars693      
9 Tegemoetkoming in de kosten van kinderen1044      
10 Maatschappelijke participatie gehandicapten        
11 Bevordering comb. mogelijkh. arbeid en zorg2169 1 1606634554 110 
12 Coordinatie emancipatiebeleid2 333138 4 2633391786 805 
13 Verbetering arbeidsomstandigheden42 9138 805   12535 355 
14 Tegemoetkoming asbestslachtoffers356      
15 Rijksbijdrage sociale fondsen2439      
16 Rijksbijdrage AOW-spaarfonds402      
17 Struct. uitvoeringsorganisatie werk & inkomen2 11292      
         
97 Aflopende regelingen301    182 
98 Algemeen96 59124 09582 7605 3809 4145 1177984 787
99 Nominaal en onvoorzien0       
Totaal gerealiseerde uitgaven 2003153 29933 53682 76010 80311 2206 32563 43447 639
Vastgestelde Begroting 2003113 03944 45079 7535 12211 4515 913100 58376 581
Verschil 200340 260– 10 9143 0075 681– 231412– 37 149– 28 942

Bron : SZW administratie

ARTIKEL 99. NOMINAAL EN ONVOORZIEN

99.1 Karakter van de uitgaven

Op dit artikel worden de uitgaven geparkeerd voor onvoorziene uitgaven, loon- en prijsbijstelling.

De beschikbaar gestelde middelen voor de loon- en prijsontwikkelingen zijn gedurende de begrotingsuitvoering 2003 naar de in aanmerking komende begrotingsartikelen overgeboekt.

99.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 99.1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde Begroting
 20002001200220032003
Verplichtingen000012 179
Uitgaven000012 179
      
Programma-uitgaven000012 179
Onvoorzien00000
Loonbijstelling00004 193
Prijsbijstelling00007 986
      
Ontvangsten00000

Bron: SZW-administratie

7. PREMIEGEFINANCIERDE SOCIALE ZEKERHEIDSUITGAVEN

Premieartikel 1 Inkomensgarantie bij werkloosheid

1.1 Algemene beleidsdoelstellingen

1. Het garanderen van een inkomen aan werkloze werknemers.

2. Het terugdringen van vermijdbaar beroep op de WW.

3. Het bevorderen van de arbeidsdeelname van werkloze werknemers.

De Werkloosheidswet verzekert werknemers die – niet door eigen toedoen – werkloos worden, van een zelfstandige en individuele uitkering.

De WW streeft een sluitende aanpak na van uitkeringsgerechtigden die er niet in slagen op eigen kracht naar de arbeidsmarkt terug te keren of anderzijds niet binnen een periode van 12 maanden uit de uitkering stromen. Zij ontvangen binnen 12 maanden na aanvang van de werkloosheid een aanbod bestaande uit een traject danwel een andere instrument om de kans op werk te vergroten. Op basis van een evaluatie in 2003 is besloten de sluitende aanpak WW als beleidsdoel te handhaven. In het streven naar vereenvoudiging en deregulering wordt de sluitende aanpak niet in de Werkloosheidswet opgenomen, maar worden afspraken over de sluitende aanpak neergelegd in het jaarplan UWV. Deze afspraken zijn erop gericht de sluitende aanpak de komende jaren te verhogen.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 95,4 voor de WW. IWI beschouwt de rechtmatigheidspercentages per wet over 2002 als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controle protocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage WW van 93,1. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verslechtering.

De dalende rechtmatigheidsuitkomst moet worden bezien in het licht van de sterke toename van WW-aanvragen. UWV heeft binnen WW de prioriteit gegeven aan het wegwerken van de door deze toename opgetreden, achterstanden en de tijdigheid van de afdoening. Tevens heeft UWV prioriteit gegeven aan het reduceren van de openstaande posten. Naast korte termijnacties op kwaliteitsverbetering heeft UWV gerichte structurele maatregelen getroffen die op termijn tot resultaat moeten leiden.

Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

1.2 Operationele doelstellingen

1. Het verstrekken van WW-uitkeringen aan werkloze werknemers.

2. Het voorkomen van vermijdbaar gebruik door versterking van de financiële prikkels in de WW.

3. Het bevorderen van de reïntegratie van WW-gerechtigden.

4. Het versterken van de poortwachtersfunctie van de WW.

5. Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WW door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Operationele doelstelling 1: Het verstrekken van WW-uitkeringen aan werkloze werknemers.

De economische ontwikkeling heeft in 2003 zijn weerslag gehad op de WW. Het WW-volume is ten opzichte van 2002 toegenomen van 163 800 uitkeringsjaren naar 216 300 uitkeringsjaren in 2003.

Ultimo 2003 werden 280 300 WW-uitkeringen verstrekt aan 268 000 werknemers1. De totale lasten op grond van de WW bedroegen in 2003 in totaal € 4 740 miljoen. In tabel 1.5 is dit bedrag gesplitst in uitkeringslasten, uitvoeringskosten, bijdrage aan het REA-fonds en overige lasten2.

Operationele doelstelling 2: Het voorkomen van vermijdbaar gebruik door versterking van de financiële prikkels in de WW.

De WW is in 2003 meer activerend gemaakt door – onder meer – de afschaffing van de vervolguitkering en de herinvoering van de sollicitatieplicht voor oudere werknemers per 1 januari 2004.

Het wetsvoorstel dat er toe strekte om werkgevers een eigen bijdrage te laten betalen in de WW-lasten als zij een werknemer van 57½ jaar of ouder ontslaan, is bij de behandeling in de Tweede Kamer geamendeerd in een regeling voor premievrijstelling van werkgevers die oudere werknemers in dienst nemen, dan wel houden. Hiermee is een positieve prikkel voor werkgevers geïntroduceerd die de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers versterkt.

Per 1 januari 2004 geldt voor WW-gerechtigden vanaf 57½ jaar weer een sollicitatieplicht. Bij wijze van overgangsmaatregel zijn hiervan uitgezonderd:

– werknemers die op 1 mei 1999 al 57½ jaar of ouder waren én op 1 januari 2004 werkloos zijn;

– werknemers die op 31 december 2003 57½ jaar of ouder zijn én al langer dan 1 jaar werkloos3;

– werknemers die op 1 januari 2004 57½ jaar of ouder zijn en in 2003 werkloos zijn geworden als gevolg van verminderde arbeidsongeschiktheid.

Een structurele uitzondering is opgenomen voor werknemers die op de eerste werkloosheidsdag 64 jaar of ouder zijn.

In het kader van het Najaarsakkoord, waarbij sociale partners een bevriezing van de lonen in 2004 hebben afgesproken, is het voornemen ingetrokken om bovenwettelijke aanvullingen op de WW-uitkering te anticumuleren. Om de ontslagkosten voor werkgevers te beperken wil het kabinet de ontslagvergoedingen wel aan een maximum verbinden.

Operationele doelstelling 3: Het bevorderen van de reïntegratie van WW-gerechtigden.

WW-gerechtigden die niet in staat zijn zelf de weg naar de arbeidsmarkt te vinden, krijgen een traject of instrument aangeboden dat gericht is op het verkleinen of opheffen van de afstand tot de arbeidsmarkt. De trajecten worden aanbesteed door het UWV op basis van door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving.

De aanmeldingsperiode voor het contractjaar 2001 liep van 1 januari 2001 tot 1 april 2002. Gelet op de looptijd van trajecten zal de eindstand in het tweede kwartaal 2004 bekend zijn. De geraamde tussenstand per 1 januari 2004 geeft aan dat het normpercentage reeds is gehaald (40%). Het plaatsingpercentage is gestegen naar 46% en kan gezien het aantal lopende trajecten nog oplopen.

Tabel 1.1: Overzicht trajecten contractjaar 2001
OmschrijvingTussenstand 2003
1. Inkoop trajecten20 899
2. Aantal gestarte trajecten17 013
3. Aantal niet in traject3 886
4. Lopende trajecten634
5. Beëindigde trajecten16 379
6. Beëindiging met plaatsing7 770
7. Niet-plaatsing8 609
8. Plaatsingen in percentage46%
9. Normpercentage40%

Bron: Jaarverslag UWV 2003. Het betreft reïntegratietrajecten in het kader van verplichte aanbestedingen.

Voor het contractjaar 2002 liep de aanmeldingsperiode van april 2002 tot juli 2003. De meeste trajecten hebben een doorlooptijd van 9 maanden en een werkhervattingsperiode van 6 maanden. Dit verklaart het beperkte resultaat tot nu toe. Het normpercentage van de contracten die in 2002 zijn afgesloten, is 40%. Het behaalde percentage tot 31 december 2003 is 10%.

Tabel 1.2: Overzicht trajecten contractjaar 2002
OmschrijvingTussenstand 2003
1. Inkoop trajecten38 469
2. Aantal gestarte trajecten31 451
3. Aantal niet in traject7 018
4. Lopende trajecten23 691
5. Beëindigde trajecten7 760
6. Beëindiging met plaatsing3 019
7. Niet-plaatsing4 741
8. Plaatsingen in percentage10%
9. Normpercentage40%

Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2003 UWV.

Het contractjaar 2003 is recent gestart. De instroomperiode is van 1 juli 2003 tot 30 juni 2004. De aanbestedingsprocedure van 2003 is verdeeld in vier aanmeldingsperiodes. Tijdens de eerste periode (vanaf 1 juli 2003) zijn arbeidsgehandicapten aanbesteed. In oktober 2003 zijn de eerste WW gerechtigden voorgedragen voor een traject. De instroom in de trajecten in het laatste kwartaal van 2003 is groot. In 3 maanden tijd zijn 8 478 uitkeringsgerechtigden aangemeld voor een reïntegratietraject. De resultaten daarover zijn op dit moment nog niet bekend.

Tabel 1.3: Overzicht trajecten contractjaar 20031
OmschrijvingTussenstand 2003
1. Inkoop trajecten8 478
2. Aantal gestarte trajecten2 298
3. Aantal niet in traject6 180
4. Lopende trajecten2 284
5. Beëindigde trajecten14
6. Beëindiging met plaatsing1
7. Niet-plaatsing13
8. Plaatsingen in percentage0%
9. Normpercentage40%

Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2003 UWV.

1 Tijdens de contractjaren 2002 en 2003 zijn ook een aantal specifieke projecten gestart. De resultaten van deze projecten zijn niet opgenomen in deze contractjaren omdat voor deze groepen andere normpercentages gelden. Het betreft projecten in het kader van de vrije ruimte en tweede kans projecten.

Sluitende aanpak

Artikel 130 WW, waarin de bekostiging van de sluitende aanpak is geregeld, is in 2003 geëvalueerd. Daarbij is vastgesteld dat de realisatie van de taakstelling en de verantwoording daarover in de beginjaren (1999 en 2000) werden bemoeilijkt door een onduidelijke definitie van de doelgroep en een overlap met andere reïntegratiebudgetten. Daarnaast concludeerde de onderzoekers dat een effectievere en efficiëntere omgang met reïntegratiemiddelen is vereist om de effectiviteit op het gebied van verkorting van de WW-duur te waarborgen. Deze aanbevelingen worden meegenomen bij het opstellen van de aanbestedingsprocedure 2004.

Uit een evaluatie van de experimentele reïntegratie-instrumenten voor ontslagwerklozen bleek een geringe toegevoegde waarde bij het (terug) begeleiden van WW-gerechtigden naar de arbeidsmarkt.

Besloten is in 2003 de meeste «kleine» experimenten na afloop van de looptijd niet te verlengen. Alleen de experimenten met het instrument proefplaatsing en met de preventieve inzet van WW-gelden bij collectief ontslag zijn – in aangepaste vorm voortgezet.

Operationele doelstelling 4: Het versterken van de poortwachtersfunctie van de WW.

Om zijn rol als poortwachter van de WW beter te kunnen vervullen heeft het UWV in september 2003 een overeenkomst aangegaan met de CWI. Op grond van deze overeenkomst verstrekt de CWI vanaf december 2003 het UWV op diens verzoek adviezen over de vraag of de werkloze werknemer kan worden verweten dat hij zich niet adequaat tegen zijn ontslag heeft verzet.

Operationele doelstelling 5: Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WW door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

In 2003 is gewerkt aan verbetering van de voorlichting, efficiëntere inzet van controlemiddelen, intensivering van de opsporing en aanscherping van de afdoening (opleggen van boetes, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering én terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies).

In tabel 1.4 wordt de ontwikkeling in beeld gebracht:

Fysieke controles op basis van risicoanalyse zijn voor het eerst als handhavingsinstrument ingezet.

Het aantal geconstateerde fraudes alsook het aantal waarschuwingen, maatregelen en boeten is toegenomen. Voor deze ontwikkelingen is (nog) geen verklaring beschikbaar omdat ook rekening moet worden gehouden met de stijging van het aantal WW-uitkeringen.

Tabel 1.4: Overzicht Handhavingsketen WW
onderdeel handhavings ketenIndicator of kengetal2000200120022003
controlefysieke controles obv risicoanalyseNvtNvtNvt1 549
opsporingaantal geconstateerde fraudes11 1289 6149 01011 147
 totaal fraudebedrag (x € 1 mln)8,4nb8,88,3
 gemiddeld fraudebedrag (x € 1)756nb980747
afdoeningaantal waarschuwingen40 98742 004* 42 669* 49 497
 aantal maatregelen69 70469 542* 86 604* 97 654
 aantal boeten8 8087 1935 7748 150
 aantal aangiftes354207168158

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Jaarverslag UWV 2003.

* exclusief UWV USZO

1.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.5: Budgettaire gevolgen van beleid
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Totale lasten WW (x € 1 mln)      
• Uitkeringslasten2 0011 9912 3593 3933 393 
• Uitvoeringskosten459467523642696– 54
• Overige lasten12625127837231854
• Bijdrage aan REA234257391333205128
       
2. Volume (x 1 000)      
• aantal nieuwe uitkeringen275252325419450– 31
• aantal beëindigde uitkeringen302278287343355– 12
• gemiddeld aantal uitkeringen202172182248290– 42
• gemiddeld aantal personen met WW179166173237273– 35
• gemiddeld aantal uitkeringsjaren157151164216244– 28
• werkloze beroepsbevolking in personen2702483023963951
       
3. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1)12 82713 36214 14715 68713 9311 756
       
4. Uitvoeringskosten (x € 1)      
• per jaaruitkering2 9423 1283 2092 9682 857111
• in % van de uitkeringslasten23%23%22%19%21%– 2%
       
5. Aandeel werknemers vanaf 57,5 jaar      
• in % van het totaal aantal nieuwe uitkeringen5%5%5%4%5%– 1%
• in % van het totaal aantal lopende uitkeringen31%31%24%19%29%– 10%
       
6. Aandeel werkhervatting bij reden beëindigen      
• bij alle beëindigde uitkeringen55%49%52%52%50%2%
• bij beëindigde uitkeringen voor personen van 57,5 jaar13%12%13%14%13%1%
       
7. Aantal ingekochte trajecten1      
• sluitende aanpak   8 478228 000 

bron: UWV

1 Inclusief prestatiebudget.

2 Aantal heeft betrekking op contractjaar 2003; dit loopt van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004 (cijfer is voorlopig)

In tabel 1.5 valt een aantal zaken op. In de eerste plaats dat als gevolg van de sterk gestegen WW-populatie in 2003 de WW-lasten toenemen van € 3 551 miljoen in 2002 naar € 4 740 miljoen in 2003, dit is een stijging van 33%. Hiermee zijn de WW-lasten € 128 miljoen hoger dan begroot.

Een tweede aspect dat opvalt is de ontwikkeling van de gemiddelde uitkeringshoogte, deze stijgt van € 14 147 in 2002 naar € 15 687 in 2003 terwijl in de begroting een daling was verwacht. Een reden hiervoor, naast de reguliere indexering, is het samenstellingseffect van de populatie; in de sterk gestegen instroom in 2003 bevonden zich vermoedelijk relatief veel hoger opgeleiden. Deze sterk gestegen gemiddelde uitkeringshoogte is tevens de reden dat de totale WW-lasten hoger zijn dan begroot ondanks een achterblijvende volumestijging.

Daarnaast is het opvallend dat het aandeel ouderen in het totale WW-bestand is gedaald, kennelijk reageren ouderen minder op de verslechterde conjunctuur.

Uitvoeringskosten WW

De toename van de uitvoeringskosten WW in 2003 ten opzichte van 2002 wordt voornamelijk veroorzaakt door de groei van het aantal WW-aanvragen. Daarnaast is er bij Voorjaarsnota een aanvullend budget aan UWV toegekend ten behoeve van het fusieproces van UWV en ten behoeve van WALVIS. De feitelijke toename van het volume WW is lager dan begroot. Hierdoor zijn de werkelijke uitvoeringskosten WW navenant lager dan begroot.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is opgenomen in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4.

Premieartikel 2 Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid

2.1 Algemene beleidsdoelstellingen

1. Het garanderen van een inkomen aan:

a. zieke werknemers van wie de werkgever geen loondoorbetalingsverplichting heeft op grond van het BW, omdat er geen sprake (meer) is van een arbeidsovereenkomst;

b. zieke werknemers van speciale groepen;

c. arbeidsongeschikte werknemers en zelfstandigen

2. Het voorkomen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid

3. Het bevorderen van de arbeidsdeelname van arbeidsongeschikte werknemers en zelfstandigen

In 2003 is het parlement de evaluatie van de Wet beslistermijnen sociale verzekering toegezonden. Genoemde wet regelt de wettelijke termijnen waarbinnen de uitvoering moet beslissen op aanvragen voor uitkeringen (Wajong, WAO, WAZ, WW, TW, ZW, AOW, Anw, AKW). Naar aanleiding van deze evaluatie zijn maatregelen ter verbetering van de tijdigheid van beslissingen genomen.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 99,8 voor de WAO, 95,5 voor de WAZ en 90,9 voor de IWI beschouwt de rechtmatigheidspercentages per wet over 2002 als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controelprotocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage WAO van 100, WAZ 97,8 en ZW 92,7. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

2.2 Operationele doelstellingen

1. Het verstrekken van ZW-, WAO- en WAZ-uitkeringen

2. Het beperken van de instroom en het bevorderen van de uitstroom uit de ZW, WAO en WAZ

3. Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de ZW, WAO en Waz door middel van preventie, controle en opsporing.

Operationele doelstelling 1

Het verstrekken van ZW-, WAO- en WAZ-uitkeringen

De ZW-, WAO-, en WAZ-uitkeringen zijn door het UWV aan de rechthebbenden verstrekt op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. Het UWV handelt daarbij conform de eisen van rechtmatigheid.

a. In 2003 is het ZW-volume 103 000 uitkeringsjaren, evenveel als in 2002.

b. Ultimo 2003 hebben 786 000 personen een WAO-uitkering, een daling van 16 000 ten opzichte van eind 2002.

c. Ultimo 2003 hebben 56 500 personen een WAZ-uitkering, vrijwel evenveel als eind 2002.

Operationele doelstelling 2

Het beperken van de instroom en het bevorderen van de uitstroom uit de ZW, WAO en WAZ

SZW streeft naar het beperken van (de duur van) ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Het beleid is gericht op beperking van de instroom in en bevordering van de uitstroom uit de verzuim- en arbeidsongeschiktheidsregelingen. In dat kader is in 2002 de Wet verbetering poortwachter ingevoerd. Hoewel niet met zekerheid vast te stellen, lijkt de grote daling in de WAO-instroom die in 2003 was waar te nemen (66 000 nieuwe uitkeringen in 2003 tegen 92 000 in 2002) in ieder geval deels te danken aan de werking van Poortwachter.

In onderstaande grafiek wordt de omvang van de instroomdaling geïllustreerd:

Grafiek 2.1

kst-29540-32-10.gif

In 2003 is de Wet eigenrisicodragen Ziektewet inwerking getreden. De wet geeft werkgevers de mogelijkheid om zelf het risico te dragen voor het uitkeren van ziekengeld aan de beperkte groep werknemers voor wie geen loondoorbetalingsplicht bij ziekte geldt. In 2003 is van deze mogelijkheid zeer beperkt gebruik gemaakt.

Om de uitstroom uit de WAO en WAZ te bevorderen is er met betrekking tot de kwaliteit van de claimbeoordeling een verbetertraject in gang gezet. Hierdoor zijn in 2002 de achterstanden in de eindewachttijd beoordelingen weggewerkt en in 2003 de achterstanden in de herbeoordelingen met 90% gereduceerd.

Vanaf het tweede half jaar van 2003 past het UWV bij de wettelijke herbeoordelingen de procedure «kansrijke herbeoordelingen» toe. In 2003 heeft de eerste publicatie op grond van de Wet instroomcijfers WAO plaatsgevonden. Deze wet regelt de publicatie van de WAO-instroompercentages van grote bedrijven door het UWV. Doel van deze wet is dat werkgevers hun prestatie op het gebied van preventie en reïntegratie kunnen vergelijken met andere werkgevers in de sector, waardoor op het niveau van individuele bedrijven meer bewustwording over en aandacht voor de WAO-instroom ontstaat. In de media is veel aandacht geweest voor deze publicatie.

Daarnaast is bij Koninklijk Besluit geregeld dat in 2003 werkgevers met een totale loonsom tot vijfentwintig maal de gemiddelde landelijke loonsom feitelijk niet met premiedifferentiatie WAO worden geconfronteerd. Voor 2003 geldt voor hen een opslag of -korting van nihil op het rekenpercentage.

In 2003 heeft UWV de reïntegratietelefoon landelijk geïmplementeerd en zijn pilots uitgevoerd met betrekking tot de reïntegratie van langdurig arbeidsongeschikten. Ook heeft UWV vanaf oktober 2003 een pilot uitgevoerd met betrekking tot de dubbele keuring van jonge vrouwen met psychische klachten. Op 1 kantoor worden WAO-aanvragen van deze doelgroep dubbel beoordeeld. Landelijk worden WAO-aanvragen van deze doelgroep ter toetsing voorgelegd aan de stafverzekeringsarts en stafarbeidsdeskundige. De eindevaluatie van de pilots wordt in de zomer van 2004 verwacht.

Operationele doelstelling 3

Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de ZW, WAO (inclusief Wajong en Waz) door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

In 2003 is gewerkt aan verbetering van de voorlichting, efficiëntere inzet van controlemiddelen, intensivering van de opsporing en aanscherping van de afdoening (opleggen van boetes, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering én terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies).

In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling met betrekking tot de WAO (inclusief Wajong en WAZ) in beeld gebracht.

Fysieke controles op basis van risicoanalyse zijn in 2003 voor het eerst als handhavingsinstrument ingezet.

Waarschijnlijk als gevolg van genoemde verbeteringen is er een toename waarneembaar in het aantal geconstateerde fraudes en aantal boetes, evenals het aantal waarschuwingen. Het aantal maatregelen is gedaald. Voor deze ontwikkelingen is (nog) geen (nadere) verklaring beschikbaar.

Tabel 2.1: Handhaving WAO (inclusief Wajong en WAZ)
Onderdeel handhavings ketenIndicator of kengetal2000200120022003
Controlefysieke controles obv risicoanalyseNvtNvtNvt2 730
opsporingaantal geconstateerde fraudes2 7353 4815 3657 451
 totaal fraudebedrag (x € 1 mln)4,17,29,511,3
 gemiddeld fraudebedrag (in euro's)1 5032 0681 7621 522
Afdoeningaantal waarschuwingen10 04011 977* 13 827* 22 128
 aantal maatregelen7 9209 765* 10 156* 6 098
 aantal boeten1 0651 4322 6453 127
 aantal aangiftes/processen verbaal169218212283

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Jaarverslag UWV 2003

* exclusief UWV USZO

In tabel 2.2 wordt de ontwikkeling met betrekking tot de ZW in beeld gebracht:

Fysieke controles op basis van risicoanalyse zijn ook hier voor het eerst als handhavingsinstrument ingezet.

Voorlopige cijfers laten zien dat het aantal geconstateerde fraudes in de ZW met meer dan de helft is gedaald. Behalve bij de waarschuwingen is deze daling niet terug te vinden bij de boeten en in beperkte mate de maatregelen. Hiervoor is (nog) geen oorzaak bekend.

Tabel 2.2: Handhaving ZW
Onderdeel handhavingsketenIndicator of kengetal2000200120022003
Controlefysieke controles obv risicoanalyseNvtNvtNvt500
opsporingaantal geconstateerde fraudes9 74420 38132 44515 860
 totaal fraudebedrag (x € 1 mln)0,61,31,31,2
 gemiddeld fraudebedrag (in euro's)67644175
afdoeningaantal waarschuwingen8 97319 343* 29 147* 13 951
 aantal maatregelen22 17424 482* 26 532* 27 161
 aantal boeten2 3193,37795 7254 114
 aantal aangiftes/processen verbaal43221417

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Jaarverslag UWV 2003.

* exclusief UWV USZO

2.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 2.3: Budgettaire gevolgen van beleid en kengetallen Ziektewet
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven (x € 1 mln)     
• uitkeringslasten1 4071 4541 5471 567– 20
• uitvoeringskosten153201198146+ 52
      
2. Volume ZW-uitkeringen (x 1000)106103103117– 14
      
3. Gemiddelde uitkering (in euro's)13 27414 11715 01913 435+ 1 584
      
4. Uitvoeringskosten (in euro's)     
• Per jaaruitkering1 4431 9511 9221 248+ 674
• In % van de uitkeringslasten10,9%13,8%12,8%9,3%+ 3,5%

Bron: UWV Jaarverslag 2003

De uitkeringslasten ZW komen € 20 miljoen lager uit dan geraamd voor 2003. De gemiddelde uitkering is echter een stuk hoger uitgevallen dan verwacht. Het feit dat de uitkeringslasten toch lager uitvallen dan de raming is te danken aan een volumemeevaller van 14 000. Ten opzichte van 2002 is het volume gelijk gebleven (103 000). Wel zijn binnen de fondsen mutaties waarneembaar. Bij het Awf-fonds en UfO was sprake van een stijging van het volume, bij het Wgf daarentegen was sprake van een daling. Per saldo hielden deze veranderingen elkaar in evenwicht.

Het aantal ZW-uitkeringen aan werklozen is minder gestegen dan verwacht. Ook was er een daling van het aantal ZW-uitkeringen aan flexwerkers. Waarschijnlijk als gevolg van onder meer de Wet Verbetering Poortwachter en de geïntensiveerde arborol van het UWV zijn zowel de verzuimfrequentie als de verzuimduur afgenomen.

Uitvoeringskosten ZW

Het verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitvoeringskosten ZW 2003 wordt hoofdzakelijk verklaard door de verwerking van de in december 2002 met UWV gemaakte budgetafspraken voor 2003.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Tabel 2.4: Budgettaire gevolgen van beleid en kengetallen WAO
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven (x € 1 mln)     
• uitkeringslasten9 3179 6129 86910 098– 229
• uitvoeringskosten735734795725+ 70
• bijdrage aan REA274308261223+ 38
      
2. Bestand (x 1 000)     
• in herleide uitkeringsjaren (excl. nuluitk.)640647640654– 14
• in personen (ultimo)792802786814– 28
      
3. Hoogte gemiddelde uitkering (in euro's)14 55814 85515 42015 441– 21
      
4. Uitvoeringskosten     
• per herleid uitkeringsjaar (in euro's)1 1481 1341 2421 108+ 134
• in % van de uitkeringslasten7,9%7,6%8,0%7,2%+ 0,8%
      
5. Mate van arbeidsongeschiktheid     
• % geheel arbeidsongeschikt68,3%67,4%66,9%67,0%– 0,1%
• % gedeeltelijk arbeidsongeschikt31,7%32,6%33,1%33,0%+ 0,1%
• gemiddeld perc. arbeidsongeschiktheid80,8%80,4%80,0%80,3%– 0,3%
      
6. WAO'ers als % van de verzekerdenpopulatie12,1%12,1%11,8%12,2%– 0,4%
      
7. Beperking van de instroom     
• instroomkans1,61,41,01,6– 0,6
• resultaten claimbeoordeling     
– % afwijzing bij keuring30%30%31%29%+ 2%
– % geheel ao bij toekenning57%56%57%58%– 1%
– % gedeeltelijk ao bij toekenning43%44%43%42%+ 1%
• aandeel GDBM (medisch volledig ao)33%25%27%30%– 3%
      
8. Bevorderen van de uitstroom     
• uitstroomkans10,210,210,510,9– 0,4
• reden uitstroom     
– herstel41%45%44%42%+ 2%
– demografisch47%46%47%46%+ 1%
– overig12%9%9%12%– 3%
• % werkende arbeidsongeschikten     
– volledig arbeidsongeschikten15%15%15%15%0%
– gedeeltelijk arbeidsongeschikten55%55%56%57%– 1%

Bron: UWV (Maandoverzicht arbeidsongeschiktheidsuitkeringen januari t/m december 2003; Jaarverslag UWV 2003, Januarinota UWV)

Het jaar 2003 was een zeer gunstig WAO-jaar. De instroom in de WAO is gedaald van 92 000 in 2002 tot 66 000 in 2003, het laagste niveau sinds 1995. De instroomkans, het aantal nieuwe uitkeringen gedeeld door het aantal verzekerden is zelfs op het laagste peil in de geschiedenis van de WAO gekomen en is nu met 1,0% vrijwel gelijk aan de instroomkans bij de WAZ. Verantwoordelijk voor die instroomdaling is een complex van factoren, waarvan de belangrijkste zijn de in april 2002 ingevoerde Wet Verbetering Poortwachter, de inspanningen op arbo-gebied, de volgroeiing van de Wet Pemba en de aankondigingseffecten van de aankomende stelselherziening.

De uitstroom in 2003 bleef vrijwel gelijk aan het niveau van 2002. Hierdoor is het aantal WAO'ers voor het eerst sinds 1996 weer gedaald, tot 786 000 uitkeringen tegen 802 000 uitkeringen aan het begin van het jaar. Dit heeft geleid tot een financiële meevaller van bijna € 230 miljoen of 14 000 herleide uitkeringsjaren.

Uitvoeringskosten WAO

Het verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitvoeringskosten WAO 2003 wordt verklaard door het bij Voorjaarsnota 2003 toegekende aanvullende budget ten behoeve van het fusieproces van UWV en ten behoeve van WALVIS. Daarnaast wordt de stijging van de uitvoeringskosten WAO in 2003 veroorzaakt door een herverdeling van het budget uitvoeringskosten 2003 over de diverse fondsen op basis van uitvoeringsinzichten van UWV.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Tabel 2.5: Budgettaire gevolgen van beleid en kengetallen WAZ
 20012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven (x € 1 mln)     
• uitkeringslasten489493501510– 9
• lasten zwangerschapsuitkeringen19222421+ 3
• uitvoeringskosten64465347+ 6
• bijdrage aan REA25262220+ 2
      
2. Bestand (x 1 000)     
• in herleide uitkeringsjaren (excl. nuluitk)46,846,245,846,6– 0,8
• in personen (ultimo)55,856,256,556,0+ 0,5
• zwangerschapsuitkeringen5,35,25,05,3– 0,3
      
3. Hoogte gemiddelde uitkering (in euro's)10 44910 67111 09210 944+ 148
      
4. Uitvoeringskosten     
• per jaaruitkering (in euro's)1 3689961 1571 009146
• in % van de uitkeringslasten12,6%8,9%10,6%9,2%+ 1,4%
      
5. Mate van arbeidsongeschiktheid     
• % geheel arbeidsongeschikt62%63%62%62% 
• % gedeeltelijk arbeidsongeschikt38%37%38%38% 
• gemiddeld % arbeidsongeschiktheid82%82%81%81% 
      
6. WAZ'ers als % van de verz. populatie7,2%7,2%7,3%7,0%+ 0,3%
      
7. Beperking van de instroom     
• instroomkans0,91,00,90,9 
• resultaten claimbeoordeling     
– % afwijzing bij keuring26%24%27%27% 
– % geheel ao bij toekenning52%51%50%50% 
– % gedeeltelijk ao bij toekenning48%49%50%50% 
      
8. Bevorderen van de uitstroom     
• uitstroomkans13,513,211,912,7– 0,8
• reden uitstroom     
– herstel12%15%21%14%+ 7%
– demografisch62%65%69%68%+ 1%
– overig25%20%10%18%– 8%
• % werkende arbeidsongeschikten5%6%6%5%+ 1%

Bron: UWV (Maandoverzicht arbeidsongeschiktheidsuitkeringen januari t/m december 2003; Jaarverslag UWV 2003, Januarinota UWV)

Het aantal WAZ-gerechtigden is in 2003 vrijwel gelijk gebleven aan 2002. Er zijn dan ook slechts minieme verschillen tussen de realisaties en de ramingen uit de Begroting 2003.

Uitvoeringskosten WAZ

Het verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitvoeringskosten WAZ 2003 wordt enerzijds verklaard door de verwerking van de in december 2002 met UWV gemaakte budgetafspraken voor 2003. Anderzijds zijn door een herverdeling van het budget uitvoeringskosten 2003 over de diverse fondsen op basis van uitvoeringsinzichten van UWV meer uitvoeringskosten aan de WAZ toegekend.

In het bedrag zijn tevens de perceptiekosten WAZ begrepen. Dit zijn de kosten die de belastingdienst aan het UWV in rekening brengt voor de inning van de WAZ-premie.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

2.4 Groeiparagraaf

SZW werkt samen met het UWV aan het opstellen van prestatie-indicatoren ter sturing van de begrotings-, controle- en verantwoordingscyclus van het UWV. Hiervoor geldt een groeipad tot 2005 waarin de prestatie-indicatoren zoveel mogelijk afgestemd gaan worden tussen betrokken partijen.

Premieartikel 3 Reïntegratie arbeidsgehandicapten

3.1 Algemene beleidsdoelstellingen

1. Het bevorderen van de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten.

2. Voor iedereen die daarvoor in aanmerking komt, is een traject gericht op toeleiding naar of een aanbod van arbeid beschikbaar (sluitende aanpak).

De regering wil voorkomen dat arbeidsgehandicapten terugvallen of blijven steken in een uitkeringssituatie. De Wet op de Reïntegratie Arbeidsgehandicapten (Wet REA) stelt financiële middelen beschikbaar. Deze middelen worden aangewend voor een drietal (operationele) doelstellingen, die verder in dit hoofdstuk worden toegelicht. Ten eerste: het stimuleren van werkgevers om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen of te houden. Ten tweede: het stimuleren van arbeidsgehandicapten om werk in loondienst te aanvaarden dan wel als zelfstandig ondernemer te starten. Ten derde: het verkleinen/opheffen van de afstand tot de arbeidsmarkt, via de inzet van trajecten en andere reïntegratie-instrumenten, voor hen die nog niet in staat zijn om arbeid te vinden.

Het kabinet heeft het afgelopen jaar meerdere maatregelen genomen om de effectiviteit van de reïntegratietrajecten te bevorderen. In de aanbestedingsperiode 2003 zijn de trajecten op basis van (gedeeltelijke) resultaatsfinanciering aanbesteed, dat wil zeggen dat de uitbetaling van UWV aan reïntegratiebedrijven afhankelijk wordt gemaakt van het behaalde resultaat.

Daarnaast zijn er maatregelen genomen die de transparantie van de prijsvorming en daarmee de efficiëntie van de middeleninzet bevorderen. Zo geeft de geoffreerde prijs sinds 2003 een goed beeld van de uit te voeren activiteiten (bijvoorbeeld: scholing is in de trajectprijs opgenomen) en de daaraan verbonden kosten van alle activiteiten (nacalculatie is niet langer mogelijk). Bij de aanbesteding wordt gewerkt met homogene kleine klantgroepen. Dit bevordert het leveren van maatwerk en gaat afroming tegen. Voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt in de aanbesteding gewerkt met no cure less pay en is er de mogelijkheid om specialistische voorzieningen in het traject op te nemen.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst UWV heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening UWV 2002. In haar jaarverslag 2004 geeft UWV het rechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 94,6 voor de REA. IWI beschouwt de rechtmatigheidspercentages per wet over 2002 als indicatief, mede gezien de gewijzigde interpretatie van het huidige controleprotocol.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst UWV in het jaarverslag UWV 2003 een rechtmatigheidspercentage REA van 87,2. Ten opzichte van 2002 betekent dit een verslechtering. De dalende rechtmatigheidsuitkomst REA is een gevolg van de organisatorische veranderingen (samenvoeging) en de hiermee samenhangende onduidelijkheden met betrekking tot taken, verantwoordelijkheid en bevoegdheden. Voor REA-WW moet de rechtmatigheidsuitkomst worden bezien in het licht van dezelfde factoren als bij de WW vermeld. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

3.2 Operationele doelstellingen

1. Het stimuleren van werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen en/of te houden.

2. Het stimuleren van arbeidsgehandicapten om werk te aanvaarden.

3. Het verkleinen of het opheffen van de afstand van de arbeidsgehandicapte tot de arbeidsmarkt via de inzet van trajecten.

Operationele doelstelling 1: Het stimuleren van werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen en/of te houden.

Per 1 januari 2002 bevat de Wet REA een premiekortingsregeling en een meerkostenregeling voor de werkgever (dit in de plaats van de eerdere zogenoemde (her-)plaatsingsbudgetten en pakketten op maat).

Uit de verantwoordingsinformatie over jaar 2002 blijkt dat in 27 976 gevallen een besluit is genomen over de toekenning van premiekorting of meerkosten. Voor 16 962 personen is premiekorting toegekend en voor 2535 personen de meerkosten bovenop de premiekorting. Tot nog toe zijn 8479 aanvragen voor premiekorting en meerkosten afgewezen. Deze gegevens geven een stand weer tot oktober 2003. Over circa 1500 aanvragen is nog geen besluit genomen. Dit betekent dat het aantal toekenningen premiekorting en/of meerkosten nog kan oplopen. Aanvragen en toekenningen premiekorting en meerkosten over jaar 2003 zijn nog niet beschikbaar.

Door vertraging in de afhandeling door het UWV van de aanvragen van (her)plaatsingsbudgetten in 2001, zijn in 2003 nog 339 herplaatsingsbudgetten toegekend. In 2004 zullen er geen uitgaven voor herplaatsingsbudgetten meer zijn. De toekenningen van plaatsingsbudgetten en pakketten-op-maat in jaar 2002 (aanvraag ingediend in 2001) met een looptijd van drie jaar leiden ertoe dat de subsidies aan werkgevers tot en met 2004 doorlopen. Aan werkgevers is in 2003 voor 1 132 werknemers een loondispensatie toegekend, dat is 12% minder dan 2002.

Daarnaast worden werkgevers op nog een aantal punten gefaciliteerd. Zo kan de werkgever bijvoorbeeld gebruik maken van de zogenaamde no-riskpolis voor de arbeidsgehandicapte die hij in dienst neemt en waardoor hij gedurende 5 jaar restitutie van ziekengeld krijgt bij ziekmelding en kan hij door tijdelijke proefplaatsing vrijblijvend beoordelen of een nieuwe werknemer zijn functie aan kan.

Er is niet exact bekend hoeveel arbeidsgehandicapten hiervan gebruik maken. Wel is duidelijk uit de informatie vangnet ziektewet dat in 2003 maximaal 32 526 personen onder de groep overig vallen, waarin begrepen is de groep arbeidsgehandicapten die ziekengeld ontvangen. Totaal is in het jaar 2003 € 65 miljoen aan ziekengeld gedeclareerd door werkgevers als gevolg van ziekmeldingen van arbeidsgehandicapte medewerkers.

Tabel 3.1: Overzicht aantal toegekende REA-instrumenten
OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003
Premiekorting16 962niet beschikbaar
Meerkosten2 535niet beschikbaar
Loondispensatie*1 2811 132

Bronnen: UWV (Directie Inkoop Reïntegratie, oktober 2003); * Kwartaalverslag 4e kwartaal 2003 UWV.

Operationele doelstelling 2: Het stimuleren van arbeidsgehandicapten om werk te aanvaarden.

Arbeidsgehandicapten maken gebruik van voorzieningen, die zij kunnen aanvragen om hun werkzaamheden te kunnen uitoefenen of ter stimulering tot het behouden of aanvaarden van werk.

In tabel 3.2. wordt een overzicht gegeven van de toegekende wettelijke Rea-instrumenten in het jaar 2002 respectievelijk het jaar 2003. De toekenningen voor vervoersvoorziening, voorziening scholing en proefplaatsing of deelname activiteit dalen in 2003 ten opzichte van 2002. De overige voorzieningen als reïntegratie-uitkering bij scholing voor arbeidsgehandicapte werklozen, een persoonsgebonden budget en de persoonlijke ondersteuning vertonen een toenemend gebruik. Rekening houdend met het relatieve gebruik van alle voorzieningen nemen we in 2003 een daling waar ten opzichte van 2002. Deze daling zien we terug in het budgettaire beeld in tabel 3.6. De uitgaven aan de subsidies aan arbeidsgehandicapten dalen met € 14 miljoen in 2003 ten opzichte van 2002. Dit terwijl de uitgaven aan reïntegratie-uitkeringen bij scholing (i.e. onderdeel van de post uitkeringen REA in tabel 3.6) een toename in 2003 ten opzichte van 2002 vertonen.

Een verklaring van deze ontwikkeling kan gezocht worden in de conjuncturele neergang in 2003. Dit heeft geleid tot hogere werkloosheid (ook van arbeidsgehandicapten) en derhalve een lager gebruik van werknemersvoorzieningen. Daarentegen is juist het gebruik van reïntegratie-uitkeringen bij scholing van arbeidsgehandicapte werklozen toegenomen.

Tabel 3.2: Overzicht werknemersvoorzieningen
OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003
Voorziening scholing12 58510 684
Proefplaatsing en deelname activiteit3 1311 545
Reïntegratie-uitkering6 4647 239
Vervoersvoorziening leef en werk11 0038 246
Persoonlijke ondersteuning2 9893 708
Communicatievoorziening voor doven189217
Loonsuppletie9221 040
Persoonsgebondenbudget44129

Bron: Jaarverslag 2003 UWV.

Operationele doelstelling 3: Het verkleinen of het opheffen van de afstand van de arbeidsgehandicapte tot de arbeidsmarkt via de inzet van trajecten.

Vanaf 2002 wordt er door het UWV openbaar aanbesteed (in 2001 onder leiding van het toenmalige Lisv en vanaf 2002 door het UWV). In de jaren daarvoor gebeurde dat door de verschillende uitvoeringsorganisaties afzonderlijk. Voor het contractjaar 2001 liep de aanmeldingsperiode van januari 2001 tot april 2002. Gelet op de looptijd van trajecten zal de eindstand in het tweede kwartaal 2004 bekend zijn. De geraamde tussenstand in december 2003 geeft aan dat het normplaatsingspercentage voor het contractjaar 2001 al is gehaald (30%). Het plaatsingspercentage is gestegen naar 39% en kan gezien het aantal lopende trajecten (5 070) nog oplopen.

Tabel 3.3: Overzicht trajecten contractjaar 2001
OmschrijvingTussenstand 2003
1. Inkoop trajecten58 458
2. Aantal gestarte trajecten48 745
3. Aantal niet in traject9 713
4. Lopende trajecten5 070
5. Beëindigde trajecten43 675
6. Beëindiging met plaatsing18 805
7. Niet-plaatsing24 870
8. Plaatsingen in percentage39%
9. Normpercentage30%
10. Norm aantal trajecten50 000

Bron: Jaarverslag 2003, UWV.

Voor het contract 2002 liep de aanmeldingsperiode van april 2002 tot juli 2003. De meeste trajecten hebben een doorlooptijd van 9 maanden. Pas na zes maanden is een plaatsing duurzaam, vandaar dat het resultaat tot nu toe beperkt is, namelijk 12%. In de loop van dit jaar zal naar verwachting het percentage plaatsingen oplopen. Het normpercentage van de contracten die in 2002 zijn afgesloten, is 30%.

Tabel 3.4. Overzicht trajecten contractjaar 2002
OmschrijvingTussenstand 2003
1. Inkoop trajecten69 335
2. Aantal gestarte trajecten57 514
3. Aantal niet in traject11 8211
4. Lopende trajecten37 417
5. Beëindigde trajecten20 097
6. Beëindiging met plaatsing6 786
7. Niet-plaatsing13 311
8. Plaatsingen in percentage12%2
9. Normpercentage30%
10. Norm aantal trajectenn.v.t.

Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2003 UWV. Betreft reïntegratietrajecten verplichte aanbesteding.

1 Deze categorie betreft personen waarvan het plaatsingsplan nog niet is geaccordeerd (3 283) en personen die niet in traject zijn gegaan (uitval) (8 538).

2 Het contractjaar 2002 loopt van 1 april 2002 tot 1 juli 2003. Van de gestarte trajecten is 65% nog lopend. Het plaatsignsresultaat is derhalve een voorlopig cijfer.

Het contractjaar 2003 is recent gestart. De instroomperiode van dit jaar vangt aan op het moment dat de vorige periode afloopt, dat is in juli 2003. Vanaf die datum gaat het contractjaar 2003 lopen tot en met 30 juni 2004. De tussenstand per 31 december 2003 geeft een eerste plaatsingspercentage van 1% aan. Er is gezien de recente start van de trajecten nog geen oordeel te vormen over de resultaten van contractjaar 2003.

Tabel 3.5. Overzicht trajecten1 contractjaar 2003
OmschrijvingTussenstand 2003
1. Inkoop trajecten11 405
2. Aantal gestarte trajecten5 0792
3. Aantal niet in traject6 3263
4. Lopende trajecten4 959
5. Beëindigde trajecten120
6. Beëindiging met plaatsing37
7. Niet-plaatsing83
8. Plaatsingen in percentage1%
9. Normpercentage30%
10. Norm aantal trajectenn.v.t.

Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2003. Betreft reïntegratietrajecten verplichte aanbesteding.

1 Tijdens de contractjaren 2002 en 2003 zijn ook een aantal specifieke projecten gestart. De resultaten van deze projecten zijn niet opgenomen in deze contractjaren omdat voor deze projecten andere normpercentages zijn vastgesteld. Het betreft projecten in het kader van de Reïntegratietelefoon, projecten in het kader van het zittend bestand en Persoonsgebonden Reïntegratiebudget (PRB).

2 Het contractjaar loopt van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 en verloopt in vier tranches. Vandaar dat tot nu toe slechts een laag aantal trajecten is gestart.

3 Deze categorie betreft personen waarvan het plaatsingsplan nog niet is geaccordeerd (5 284) en personen die niet in traject zijn gegaan (uitval) (1 042).

3.3 Budgettaire gevolgen van beleid

De uitgaven aan trajecten ten opzichte van de begroting 2003 liggen €18 miljoen hoger dan geraamd in de Begroting 2003. Het verschil wordt verklaard door hoger dan verwachte netto trajectprijzen en door nadere afrekeningen van aangegane verplichtingen in voorliggende jaren 2001 en 2002. We merken op dat de uitgaven aan trajecten op kalenderjaarbasis niet gelijk lopen met het gestarte aantal trajecten op contractjaarbasis (dat immers over de kalenderjaargrens heenloopt). Dit betekent dat de verplichtingen op basis van een kalenderjaar betrekking hebben op meerdere contractjaren waarin trajecten worden gestart.

Aangezien voor de trajecten gestart voor 1 juli 2003 de scholing nog apart mocht worden gedeclareerd, zijn de uitgaven aan subsidies voor arbeidsgehandicapten hoger dan voorzien in de begroting 2003. De subsidie aan arbeidsgehandicapten voor persoonlijke ondersteuning, verklaart eveneens een deel van de hogere uitgaven (€ 24 miljoen) ten opzichte van de raming voor de begroting 2003. De uitkeringen REA zijn € 24 miljoen hoger dan geraamd. Dit komt onder meer door het hogere aantal personen dan geraamd dat in aanmerking komt voor de REA uitkering bij scholing. In de post uitkeringen REA zit eveneens verwerkt de ZW-uitkeringen behorend bij de no risk polis en de verstrekte loonsuppletie. Deze laatste twee posten leiden eveneens tot hogere uitgaven dan voorzien.

Het naijleffect van verstrekte (her)plaatsingsbudgetten en pakketten-op-maat aan werkgevers in 2001 en 2002 leidt tot een hogere uitgaaf (+ € 16 miljoen) aan subsidies voor werkgevers dan voorzien in de begroting voor 2003.

De totale lasten zijn ten opzichte van 2002 met 103 miljoen afgenomen.

Tabel 3.6: Budgettaire gevolgen van beleid REA
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven (x € 1 mln)      
• uitkeringslasten397571612582416166
• uitvoeringskosten11513316391123– 32
       
2. Instrumenten voor werkgevers (x € 1 mln)      
• subsidies aan werkgevers11215916457*4116
       
3. Instrumenten voor arbeidsgehandicapten (x € 1 mln)      
• uitkeringen REA87117126138*11424
• subsidies aan arbeidsgehandicapten87130153139*11524
       
4. Trajecten (x € 1 mln)      
• inkoop trajecten73103132142*12418
       
5. Overig (x € 1 mln)*386237106*2185
       
Totale lasten (x € 1 mln)512704776673539134
       
6. Instrumenten voor werkgevers      
• aantal personen met gebruik van premievrijstellingn.v.t.n.v.t.16 962niet beschikbaar  
       
7. Prestatiegegevens trajecten      
• aantal gestarte trajecten per contractjaar48 65848 74557 5145 07952 000 
• plaatsingspercentage (in %)30%39%12%1%  

Bron: Januari nota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2003–2004 (posten 1 t/m 5); Kwartaalverslagen, derde, vierde, kwartaal 2003 UWV (posten 6 t/m 7).

* De opdeling van de uitkeringslasten over de posten 2 t/m 5 is voorlopig. De posten 2 t/m 4 komen overeen met de Januarinota van het UWV maar zullen spoedig naar boven worden bijgesteld in aansluiting op de stand in de Jaarrekening 2003 ten koste van post 5.

De realisatie van de uitvoeringskosten REA zijn in 2003 lager dan in 2002. In de jaarrekening 2002 van het UWV werden de uitvoeringskosten Poortwachter aan het REA fonds toebedeeld. Vanaf 2003 worden deze kosten rechtsreeks aan het WAO fonds toegerekend.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Premieartikel 4 Inkomensgarantie voor nabestaanden

4.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het garanderen van een inkomen op minimumniveau aan nabestaanden voor wie het niet mogelijk is om zelfstandig in hun eigen levensonderhoud te voorzien.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst SVB heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening SVB 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft SVB het onrechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 1,98 voor de ANW. IWI constateert dat de onrechtmatigheid in de wetsuitvoering in totaliteit door SVB ruim binnen de wettelijke norm van één procent is gebleven.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst SVB in het jaarverslag SVB 2003 een onrechtmatigheidspercentage ANW van 0,12 (dit komt overeen met 0,96 conform definitie in het jaarverslag SVB 2002). Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

4.2 Operationele doelstellingen

1. Zorgdragen dat aan alleenstaande nabestaanden die niet zelfstandig in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, een nabestaandenuitkering op minimumniveau wordt verstrekt.

2. Zorgdragen dat aan de ouder of verzorger van een tot zijn huishouden behorende halfwees, een halfwezenuitkering op minimumniveau wordt verstrekt.

3. Zorgdragen dat aan wezen een leeftijdsafhankelijke wezenuitkering op minimumniveau wordt verstrekt die onafhankelijk is van hun inkomen.

4. SZW bevordert dat alle nabestaanden die aanspraak kunnen doen op een nabestaandenuitkering, ermee bekend zijn dat zij hierop recht hebben en dat zij hiervan gebruik maken.

5. Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Anw door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen dat aan alleenstaande nabestaanden die niet zelfstandig in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, een nabestaandenuitkering op minimumniveau wordt verstrekt.

In 2003 zijn de uitkeringsvoorwaarden van de Anw niet gewijzigd. De SVB heeft de nabestaandenuitkering uitgekeerd op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. In 2003 is aan 140 000 uitkeringsgerechtigden een nabestaandenuitkering op grond van de Anw verstrekt.

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen dat aan de ouder of verzorger van een tot zijn huishouden behorende halfwees, een halfwezenuitkering op minimumniveau wordt verstrekt.

In 2003 zijn de uitkeringsvoorwaarden van de Anw niet gewijzigd. De SVB heeft de halfwezenuitkering uitgekeerd op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving.

In 2003 zijn 10 000 louter halfwezenuitkeringen verstrekt. Van bovengenoemde 140 000 uitkeringsgerechtigden met een nabestaandenuitkering ontvingen bijna 17 000 gerechtigden ook een halfwezenuitkering.

Operationele doelstelling 3: Zorgdragen dat aan wezen een leeftijdsafhankelijke wezenuitkering op minimumniveau wordt verstrekt die onafhankelijk is van hun inkomen.

In 2003 zijn de uitkeringsvoorwaarden van de Anw niet gewijzigd. De SVB heeft de wezenuitkering uitgekeerd op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving.

In 2003 zijn 2 000 wezenuitkeringen verstrekt op grond van Anw.

Operationele doelstelling 4: SZW bevordert dat alle nabestaanden die aanspraak kunnen doen op een nabestaandenuitkering, ermee bekend zijn dat zij hierop recht hebben en dat zij hiervan gebruik maken.

De SVB heeft de afgelopen periode acties ondernomen ter verbetering van de klantcontacten in het kader van de Anw. Deze acties hebben aan het eind van 2003 hun beslag gekregen. In 2003 heeft de SVB nieuwe afspraken gemaakt over de aanlevering van GBA-berichten en zijn de systemen aangepast aan deze nieuwe procedure. De SVB attendeert vanaf 17 december 2003 nabestaanden op mogelijk Anw-recht.

Operationele doelstelling 5: Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Anw door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Met ingang van 1 januari 2000 is de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) in werking getreden. Om de rechtmatigheid van de in het buitenland uitbetaalde uitkeringen te waarborgen, bestaat alleen nog recht op uitkering voor mensen die wonen in een land waarmee een verdrag is gesloten dat handhavingsafspraken bevat. De Wet BEU kende een overgangstermijn van drie jaar voor lopende uitkeringsrechten. Deze termijn is inmiddels met een jaar verlengd (Wet van 10 december 2003, Stb. 524).

In 2003 is gewerkt aan verbetering van de voorlichting, efficiëntere inzet van controlemiddelen, intensivering van de opsporing en aanscherping van de afdoening (opleggen van boetes, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering én terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen).

In onderstaande tabel wordt deze ontwikkeling in beeld gebracht, waarbij enkele resultaten opvallen:

Het aantal overtredingen dat administratief wordt afgedaan is toegenomen, maar minder dan het aantal signalen dat aanleiding geeft voor een onderzoek. Het aantal geconstateerde fraudes (benadeling boven € 6 000) is behoorlijk gestegen; de stijging van het gemiddelde fraudebedrag de afgelopen jaren blijft doorgaan, maar minder snel.

Voor deze ontwikkelingen is (nog) geen verklaring beschikbaar.

Tabel 4.1: Overzicht Handhavingsketen Anw
Onderdeel handhavings ketenIndicator of kengetal2000200120022003
controlefraudesignalen8307006531 195
opsporingaantal geconstateerde fraudes210232282338
 gemiddeld fraudebedrag (x € 1)8 68910 99413 80915 229
afdoeningaantal waarschuwingen160383591492
 aantal maatregelen356484716756
 aantal boeten7536841 1241 258
 aantal aangiftes/pv200218273290

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Trendrapportages Handhaving SVB 2000 en 2001 en 4e kwartaalverslag SVB 2003

4.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2: Budgettaire gevolgen van beleid Anw
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven (x € 1 mln)      
• Uitkeringslasten1 5001 5131 5291 5001 507– 7
• uitvoeringskosten27,727,531,836,325,111,2
       
2. Volume (x 1 000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde)1391351301331258
Ingang recht voor 1 juli 1996      
Aantal uitkeringsgerechtigden96847472657
• Vrouwelijke nabestaanden85746563576
w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering876550
w.v. alleen nabestaandenuitkering76686058535
• Mannelijke nabestaanden11108972
w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering211110
w.v. alleen nabestaandenuitkering987862
       
Ingang recht na 1 juli 1996      
Aantal uitkeringsgerechtigden41495559590
• Vrouwelijke nabestaanden3642485152– 1
w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering56778– 1
w.v. alleen nabestaandenuitkering2833363940– 1
w.v. alleen halfwezenuitkering344550
• Mannelijke nabestaanden567871
w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering111110
w.v. alleen nabestaandenuitkering122330
w.v. alleen halfwezenuitkering344440
       
Wezenuitkeringen222220
       
3. Totaal aantal uitkeringsgerechtigden (x 1 000 personen, jaargemiddelde)1711661591531530
       
4. Doelmatigheid      
• Uitvoeringskosten per uitkeringsgerechtigde (in euro's)16216620023516471
• Uitvoeringskosten in % van de uitkeringslasten2%1%2%2,4%1,7%0,7%
• Gemiddelde uitkering (uitkeringslasten per uitkeringsjaar in euro's)10 79111 20711 76211 27812 056– 778

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Jaarverslag SVB 2003

De ontwikkeling in de volumes laat zich in belangrijke mate door demografische ontwikkelingen verklaren.

De hogere uitgaven met betrekking tot de uitvoeringskosten worden veroorzaakt door een wijziging in de interne verdeelsleutel tussen de wetten die de SVB uitvoert en een wijziging in de toedeling van de kosten naar aanleiding van de aanpassing van het jaarplan 2003.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in paragraaf 6.3 van hoofdstuk 4 opgenomen.

Premieartikel 5 Inkomensgarantie bij ouderdom

5.1 Algemene beleidsdoelstellingen

Het garanderen van een ouderdomspensioen op minimumniveau voor personen van 65 jaar en ouder en het garanderen van een toeslag op het ouderdomspensioen van de 65-plusser ten behoeve van zijn partner jonger dan 65 jaar die niet (volledig) in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

Rechtmatigheid

De interne accountantsdienst SVB heeft in 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening SVB 2002. In haar jaarverslag 2002 geeft SVB het onrechtmatigheidspercentage per wet aan, te weten 0,32 voor de AOW. IWI constateert dat de onrechtmatigheid in de wetsuitvoering in totaliteit door SVB ruim binnen de wettelijke norm van één procent is gebleven.

Ten aanzien van 2003 vermeldt de interne accountantsdienst SVB in het jaarverslag SVB 2003 een onrechtmatigheidspercentage AOW van 0,03 (dit komt overeen met 0,18 conform de definitie in het jaarverslag SVB 2002). Ten opzichte van 2002 betekent dit een verbetering. Begin mei 2004 brengt IWI haar definitieve oordeel uit.

5.2 Operationele doelstellingen

1. Het verstrekken van een AOW-pensioen op minimumniveau op basis van het aantal verzekerde jaren aan personen van 65 jaar en ouder;

2. Het verstrekken van een inkomensafhankelijke AOW-toeslag ten behoeve van de partner jonger dan 65 jaar;

3. Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de AOW door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Operationele doelstelling 1: Het verstrekken van een AOW-pensioen op minimumniveau op basis van het aantal verzekerde jaren aan personen van 65 jaar en ouder.

Zoals in de Begroting 2003 aangekondigd werd, is de AOW recent gewijzigd op het gebied van de verzekeringsplicht voor vrouwen die in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 gehuwd waren met personen die niet verzekerd waren voor de AOW. Door de automatische koppeling van de verzekeringsplicht van deze vrouwen aan die van hun echtgenoot, werden deze vrouwen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geconfronteerd met een korting op hun AOW-pensioen vanwege niet-verzekerde jaren van hun echtgenoot in voornoemde periode. De koppeling werd onredelijk geacht en is ongedaan gemaakt. Als gevolg van deze wetswijziging zijn (stand van zaken eind augustus 2003) 9 764 AOW-uitkeringen verhoogd. De meerkosten als gevolg van de wetswijziging worden geraamd op € 13 miljoen op jaarbasis.

Operationele doelstelling 2: Het verstrekken van een inkomensafhankelijke AOW-toeslag ten behoeve van de partner jonger dan 65 jaar.

In 2003 zijn de uitkeringsvoorwaarden inzake de AOW-toeslag niet gewijzigd. De SVB heeft de AOW-toeslag uitgekeerd op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving.

Operationele doelstelling 3: Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de AOW door middel van preventie, controle, opsporing en afdoening.

Met ingang van 1 januari 2000 is de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) in werking getreden. Om de rechtmatigheid van de in het buitenland uitbetaalde uitkeringen te waarborgen, bestaat alleen nog recht op uitkering voor mensen die wonen in een land waarmee een verdrag is gesloten dat handhavingsafspraken bevat. De Wet BEU kende een overgangstermijn van drie jaar voor lopende uitkeringsrechten. Deze termijn is inmiddels met een jaar verlengd (Wet van 10 december 2003, Stb. 524).

In 2003 is gewerkt aan verbetering van de voorlichting, efficiëntere inzet van controlemiddelen, intensivering van de opsporing en aanscherping van de afdoening (opleggen van boetes, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering én terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies).

In onderstaande tabel worden de resultaten van deze verbetering in beeld gebracht:

Het aantal aangiftes (bij een fraude van meer dan € 6 000) stijgt fors, verhoudingsgewijze zelfs meer dan het aantal fraudesignalen. Het aantal overtredingen dat administratief wordt afgedaan is sterk toegenomen, maar minder dan het aantal signalen. Het gemiddelde fraudebedrag is ook in 2003 toegenomen. Voor deze ontwikkelingen is (nog) geen verklaring beschikbaar.

Tabel 5.1: Overzicht Handhavingsketen AOW
Onderdeel handhavings ketenIndicator of kengetal2000200120022003
controleaantal fraudesignalen6384954601 336
opsporingaantal geconstateerde fraudes140106140285
 gemiddeld fraudebedrag (x € 1 mln)8 6448 47810 18111 737
afdoeningaantal waarschuwingen200364672823
 aantal maatregelen380382710788
 aantal boeten7596721 3261 782
 Aantal aangiftes/pv128100124211

Bron: Jaarverslag SZW 2002, Trendrapportages Handhaving SVB 2000 en 2001 en 4e kwartaalverslag SVB 2003

5.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.2: Budgettaire gevolgen van beleid AOW
 200020012002Realisatie 2003Begroting 2003Verschil 2003
1. Uitgaven (x € 1 mln)      
• Uitkeringslasten19 09920 28321 38922 42722 539– 112
• Uitvoeringskosten104,8104,5102,8101,5108– 6,5
       
2. Volume (x 1 000 uitkeringsjaren)      
• Aantal uitkeringen (jaargemiddelde)      
90% uitkering0,20,20,20,20,20.0
70% uitkering970967967966970– 4
waarvan partner <65 jaar201511990
waarvan overigen951953956957961– 4
50% uitkering1 2221 2451 2691 2661 295– 29
waarvan partner <65 jaar177182186163192– 29
waarvan overigen1 0451 0631 0831 1031 1021
Totaal2 1922 2132 2372 2322 265– 33
       
3. Aantal uitkeringsgerechtigden (x 1 000 personen) 2 320 2 3502 384 2 424 2 4231
       
4. Korting op AOW-uitkering i.v.m. niet verzekerde jaren      
• Aantal personen met korting267285305325325 
• Percentage personen met korting 12%13%13%13%0
• Gemiddelde korting47,9%48,3%48,5%49,9%48,7%1,2%
       
5. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1)8 7139 1669 56410 0489 95395
       
6. Uitvoeringskosten      
• Per jaaruitkering (x € 1)4544464548– 3
• In % van de uitkeringslasten0,5%0,5%0,5%0,5%0,5%0%

Bron: SZW bewerking van SVB-cijfers, jaarverslag SVB 2003

De lagere uitgaven met betrekking tot de uitvoeringskosten worden veroorzaakt door een wijziging in de interne verdeelsleutel tussen de wetten die de SVB uitvoert en een wijziging in de toedeling van de kosten naar aanleiding van de aanpassing van het jaarplan 2003.

Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten 2003 is in hoofdstuk 4 van dit jaarverslag opgenomen.

8. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Voor het jaarverslag over 2003 heeft deze paragraaf betrekking op het financieel- en het materieelbeheer en de daarvoor bijgehouden administraties.

SZW heeft in 2003 op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel beheer, het materieel beheer en de daartoe bijgehouden administraties, met inachtneming van de regels zoals die ook zijn samengevat in de Baseline financieel- en materieelbeheer. Dit heeft geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen, waarbij wel aangetekend zij dat de beoordeling van de managementrapportages uit de interne planning- en controlcyclus van SZW leidt tot de constatering dat op onderdelen van de bedrijfsprocessen risico's in de beheersing bestaan. Er zijn in dat verband geen onrechtmatigheden geconstateerd. Nadere verbeteracties vloeien hieruit voort op het volgende punt:

de financiële relaties tussen SZW en derden:

Er is vastgesteld dat met name de uitvoering van de financieel-administratieve processen met betrekking tot de financiële relaties met zelfstandige bestuursorganen, gemeenten, gesubsidieerde instellingen en andere organisaties waarmee SZW een financiële binding heeft, voor verbetering vatbaar zijn. In 2004 zullen verdere stappen worden gezet om die processen zodanig in te richten dat de risico's op het optreden van onvolkomenheden in die processen verder zullen worden beperkt. In 2003 zijn ten aanzien van de Wajong, Toeslagenwet en Bia al stappen ondernomen, die hebben geleid tot een nieuwe financieringsregeling per 1 januari 2004. Hierdoor worden de aansluitingsproblemen bij deze wetten, die het gevolg zijn van het hanteren van het kas/verplichtingen-stelsel bij de rijksoverheid en het baten/lastenstelsel bij het UWV, voorkomen.

In het verslagjaar hebben onder andere onderstaande activiteiten plaatsgevonden ter bevordering van de voortgang van een aantal (verbeter)trajecten die een bijdrage leveren aan de beheersing van de bedrijfsprocessen en die ook in 2004 nog aandacht krijgen:

1. De interne planning- en controlcyclus;

Het jaar 2003 is met name een «proefjaar» geweest, waarin nadere inbedding, evaluatie en aanscherping heeft plaatsgevonden. De ondersteunende functie van de planning- en controlcyclus is met ingang van 2004 verder verbreed naar (sturing van) de primair (beleids)processen in relatie met de daaraan gekoppelde bedrijfsvoeringsaspecten

2. Het contractbeheer, met inbegrip van de (Europese) aanbestedingen en de inventarisadministraties;

op deze onderdelen is in 2003 geïnvesteerd in het op orde brengen van de interne regelgeving en van de aansturing van en het toezicht op de uitvoering door de verschillende organisatie-onderdelen. In 2004 zal nadrukkelijk op de uitvoering van de regelgeving worden gestuurd.

3. De (tijdelijke) agentschappen;

Met ingang van 1 januari 2003 heeft het Agentschap SZW de definitieve agentschapstatus gekregen. Enkele verbeterpunten voortvloeiend uit de evaluatie van het proefdraaien van het Agentschap zijn voortvarend opgepakt en uitgevoerd binnen de reguliere kaders. IWI heeft de status van tijdelijke baten-lastendienst tot 1 januari 2005. In 2003 is verder gewerkt aan het agentschapsmodel, zodat tijdig wordt voldaan aan de instellingseisen ter verkrijging van de definitieve status van baten-lastendienst. In 2003 heeft een tussenmeting plaatsgevonden. De aandachtspunten van de meting zijn in uitvoering genomen.

4. M&O beleid SZW, regelingen uitgevoerd door het Agentschap SZW;

In het voorjaar 2003 is de nieuwe versie van de notitie Integraal M&O-beleid AG SZW beschikbaar gekomen. Hierbij is aandacht besteed aan het versterken van de samenhang tussen onderdelen van het M&O-beleid en het explicieter beleggen van de verantwoordelijkheid voor M&O-aspecten in de werkprocessen. Daarnaast zijn in 2003 de inspanningen voor begeleidings-, monitor- en controlebezoeken geïntensiveerd.

5. De uitvoering van de werknemersverzekeringen door de uitvoeringsorganisatie

De minister heeft afspraken gemaakt met CWI over de verdere ontwikkeling van de organisatie. In de zogenaamde kwaliteitsslag zijn afspraken gemaakt over het personeel en het financieel beheer.

In 2003 hebben de uitvoeringsorganisaties zich verantwoord over 2002 aan de hand van hun jaarverslag en jaarrekening. Daarnaast hebben zij over de voortgang van hun jaarplan 2003 gerapporteerd aan de hand van kwartaalverslagen. In het jaarplan UWV 2003 waren de wijzigingen in de geldende wet- en regelgeving voorzien. Wel heeft UWV in aanvulling op haar jaarplan het project Walvis-SUB ingebracht. Bijzonder aandachtspunt hierbij was handhaving en opsporingsbeleid. Met UWV, CWI en SVB zijn resultaatafspraken gemaakt in de vorm van uitvoeringsprestatie-indicatoren. Verder is onder aansturing van SZW het beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O-beleid) in het afgelopen jaar qua opzet en werking verder ontwikkeld, met name is goede voortgang gemaakt met het M&O-beleid voor de distribuerende functie.

De rechtmatigheid van de uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt opgepakt in een gezamenlijke werkgroep SZW/UWV die verdere invulling geeft aan de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering met bijzondere aandacht voor rechtmatigheid. De inhoud van de eindrapportage zal begin 2004 worden gepresenteerd.

9. TOEZICHTSRELATIES

9.1 Toezicht op zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak

In de Wet SUWI, die ingaande 2002 van kracht is, is ervoor gekozen om de toezichtsfunctie te positioneren als een aparte entiteit – de Inspectie Werk en Inkomen – binnen het ministerie van SZW. Het toezicht fungeert onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Van belang is dat het toezicht onafhankelijk is ten opzichte van het beleid en de uitvoering, zodat toezichtbevindingen niet worden beïnvloed door politiek-bestuurlijke afwegingen. Uit de Wet SUWI volgt dat:

– de minister niet treedt in de toezichtsbevindingen van de Inspectie;

– de toezichtsbevindingen openbaar zullen zijn, zodat het parlement en andere belanghebbenden ongeclausuleerd kennis kunnen nemen van de toezichtbevindingen;

– het meerjarenplan, het jaarplan, het jaarverslag, het verslag met betrekking tot de discriminatiecode en alle door de Inspectie relevant geachte rapportages door de Minister worden verzonden aan het parlement.

Het toezicht formuleert geen eigen normen, maar baseert zich op de normen die de wetgever in wetgeving heeft vastgelegd en de nadere regelgeving die op basis daarvan door de Kroon (AMvB's), minister (ministeriële regelingen) of verantwoordelijke uitvoeringsorganisaties (beleidsregels binnen de hun gegeven bevoegdheid binnen de kaders van wet- en regelgeving) wordt getroffen. Dit is – samen met het jaarplan van de zelfstandige bestuursorganen, zodra dit door de minister is goedgekeurd – het normenkader, dat door de Minister desgewenst nader kan worden ingevuld indien de normering uit oogpunt van beleid of toezicht nadere concretisering behoeft. Ook bestuurlijke afspraken, zoals het uit 2000 daterende «minderhedenconvenant», dat eind 2002 expireert kunnen het van rechtswege geldende normenkader nader inkleuren.

9.2 Inspectie Werk en Inkomen

Voor de uitvoering van de sociale zekerheid worden publieke gelden ingezet. Het is een kerntaak van Inspectie Werk en Inkomen om te beoordelen of de uitvoerende instanties en gemeentebesturen deze publieke gelden juist en gericht (in overeenstemming met de wet) besteden en in hoeverre zij de publieke doelen realiseren en/of bevorderen.

De Inspectie werk en inkomen (IWI) is een organisatie van het Ministerie van SZW en is belast met het toezicht (rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering) op:

– de aan de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), de Raad voor werk en inkomen (RWI), het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB) opgedragen taken;

– de aan gemeenten opgedragen taken bij en krachtens de Algemene bijstandswet of enige andere wet die in medebewind met de minister van SZW wordt uitgevoerd;

– de wijze waarop CWI, UWV en de SVB met elkaar en met gemeenten bij de uitvoering van de aan hen opgedragen taken samenwerken;

Verder houdt IWI namens de minister eveneens toezicht op het College voor de Toelating van de Bestrijdingsmiddelen en certificerende en keurende instanties op het terrein van arbeidsomstandigheden. De inspectie houdt toezicht op de Sociaal Economische Raad. De inspectie houdt ook toezicht op de uitvoering van de aan de Pensioen- en Verzekeringskamer opgedragen taken, voor zover deze vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister van SZW. Tot slot voert IWI enkele toezichtwerkzaamheden uit voor het College van zorgverzekeringen.

Het toezicht leidt tot een oordeel of en in welke mate de uitvoerende instanties en gemeentebesturen de beleidsdoelstellingen bereiken en tracht verklaringen te geven als dat niet het geval is. Voorts betreft het oordeel de wijze van uitvoering (rechtmatigheid en doelmatigheid, waaronder begrepen de doeltreffendheid). De toezichttaak van IWI1 spitst zich ten aanzien van de gemeentebesturen toe op het geven van landelijke oordelen over de uitvoering. Op basis van de oordelen kunnen de verantwoordelijke partijen maatregelen treffen.

Doel en missie IWI

De toezichthouder houdt op onafhankelijke wijze toezicht op de uitvoering van het beleid Werk en Inkomen. IWI is een professionele publieke dienst met oog voor de wensen die leven in de samenleving. De samenleving is gediend met een goede en transparante toezichthouder. De inzichten en oordelen van de inspectie zijn zo actueel mogelijk en worden publiek gemaakt in openbare rapporten. De inspectie draagt hierdoor bij aan de kwaliteit van uitvoering en beleid en bevordert zodoende het vertrouwen van burgers dat de overheid bereid is zichzelf op het terrein van werk en inkomen kritisch te bekijken.

Het toezicht is organisatorisch en inhoudelijk duidelijk gescheiden van het beleid, de sturing en de uitvoering. Het toezicht is echter zodanig ingericht dat de minister hiervoor wel verantwoordelijkheid draagt. De minister verantwoordt zich aan het parlement over de werking van het beleid, de uitvoering en het toezicht.

De Inspecteur-Generaal (IG) stelt onafhankelijk het jaarplan van de Inspectie vast na overleg met de Minister. De IG houdt daarbij rekening met de wensen en opvattingen van de uitvoering en andere belanghebbenden, maar IWI formuleert en publiceert haar bevindingen en oordelen onversneden. Over de uitvoering van haar jaarplan legt de Inspectie in een eigen jaarverslag verantwoording af.

Toezichtbeleid IWI

De uitvoerende instanties en de gemeentebesturen zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitvoering en de verantwoording daarover. De inspectie richt zich in haar onderzoek op de vraag of de doelstellingen van het beleid zijn gerealiseerd. Naast het beoordelen van de verantwoordingsrapportages van uitvoerende instanties en gemeentebesturen (rechtmatigheidonderzoek) wordt de toegevoegde waarde van de inspectie bij de beoordeling van de uitvoering steeds meer het risicogericht volgen van actuele ontwikkelingen en het doen van eigen onderzoek. De uitvoerende instanties verantwoorden zich rechtstreeks aan de minister. IWI beoordeelt deze verantwoordingsrapportages. IWI richt zich in toenemende mate op de beoordeling van de doeltreffendheid van uitvoerende instanties en gemeenten.

IWI streeft ernaar om met gezaghebbende oordelen de waarborging van de kwaliteit en deverantwoording in de sector te stimuleren. Signalen van IWI zijn gericht op verbetering van de uitvoering binnen het stelsel van werk en inkomen.

IWI werkt aan de hand van een instrumentarium dat haar activiteiten transparant maakt en de uitkomsten van onderzoek objectiveert. Om aan haar positie en rol nadere invulling te geven, ontwikkelt IWI toezichtbeleid. Dit maakt aan zowel de uitvoerende instanties en gemeente besturen als aan de bewindspersonen duidelijk hoe IWI wil opereren en welke doelen zij daarbij nastreeft. IWI heeft haar toezichtbeleid vastgesteld op 13 december 2002. De criteria en wettelijke normen waaraan IWI de uitvoering toetst, worden vastgelegd in zogenoemde toezichtkaders. IWI beschouwt deze als een gegeven; IWI ontwikkelt zelf geen normen.

Producten Jaarplan IWI 2003

Onderstaand overzicht van producten is ontleend aan het jaarplan IWI 2003. Achtereenvolgens is een opsomming opgenomen van de producten die IWI geleverd heeft. Een enkel product vloeit nog voort uit het jaarplan 2002. Hierna volgt een opsomming van de producten die IWI in aanvulling op het jaarplan heeft uitgebracht en tot slot de producten waarvan IWI de publicatie heeft uitgesteld tot 2004, heeft afgezien of waarvan door de actualiteit de strekking is gewijzigd.

Bij het van start gaan van de inspectie op januari 2002 bestond de formatie uit 419 fte. In augustus 2003 werd dit 362 fte en in 2004 gaat IWI terug naar 238 fte. Deze forse inkrimping heeft te maken met efficiency- en volumetaakstelling waarvoor de basis is gelegd in het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende en met de parlementaire besluitvorming over de Wet werk en bijstand. De voorbereiding op het nieuwe toezicht, de inkrimping en de hiermee gepaard gaande reorganisatie heeft in 2003 veel van de inspectie gevraagd. Hierdoor en door een aantal externe oorzaken is een deel van de geplande producten niet uitgebracht.

Producten 2003

Geleverde producten

Plannen, rapporten en stukken over de verrichtingen van IWI zelf:

Jaarverslag 2002

Jaarplan 2004

De rapporten over de kwaliteit van de uitvoering door de uitvoerende instanties en gemeentebesturen over diverse thema's, betreffende de kwaliteit van de uitvoering:

Jaarverslag 2002, incl. naleving van de non-discriminatiecode door CWI en UWV

Verantwoordingsgerichte onderzoeken 2002 UWV, CWI, IB/BKWI, RWI en SVB.

De ketens van werk en inkomen (Jaarplan 2002).

Over de uitvoering door gemeenten, c.a.:

Toetreding van sociale werkvoorzieningsbedrijven tot de reïntegratiemarkt (Jaarplan 2002).

Indicatiestelling sociale werkvoorziening (Jaarplan 2002).

De uitvoering van de Algemene bijstandswet in 2001; quick scan (Jaarplan 2002).

– Facetten van handhaving van de Algemene Bijstandswet (Jaarplan 2002).

De uitvoering van onderzoeken in het kader van de Algemene bijstandswet door de gemeente Rotterdam in 2002.

11e tot en met 13e voortgangsrapportage inzake realisatie bestuurlijke afspraken met Amsterdam.

De uitvoering van de Algemene bijstandwet in Amsterdam,

– De inschakeling van een private partij bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet door de gemeente Maarssen (Jaarplan 2002).

Eerste rapportage verscherpt toezicht Den Helder: de uitvoering van de ABW in Den Helder.

De uitvoering van de ABW in Haarlem.

Over de uitvoering door zelfstandige bestuursorganen:

Opzet financieel beheer Centrale organisatie werk en inkomen

– De decentrale aansturing van de Sociale Verzekeringsbank (Jaarplan 2002)

Afhandeling openstaande posten UWV (Jaarplan 2002).

Oordeel 2002 CKI's op het gebied van arbeidsomstandigheden

1e IWI toezichtrapportage inzake Walvis/SUB

IWI heeft in 2003 de volgende toezichtbaarheidstoetsen uitgebracht:

Regeling tot aanpassing van de regeling uitvoering en financiering WIW;

Beleidsregels financieel maatregelenbeleid Abw, IOAW en IOAZ;

Concept-besluit Dagloonregels;

Concept-besluit tot wijziging van het besluit Suwi;

Invoeringswet Wet werk en bijstand;

Concept-besluit tot wijziging van het boetebesluit sociale zekerheidswetten;

Concept-wijziging regeling SUWI m.b.t. uitbesteding werkzaamheden CWI, UWV, SVB, RWI en IB;

– Concept-regeling tot wijziging van de uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit WAV;

– Premiedifferentiatie eigen risico dragen WAO;

– Concept besluit tot wijziging van het reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea in verband met de nadere regeling van kostenvergoeding van scholing en opleiding;

– Concept wetsvoorstel verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003;

– Uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen;

– Nadere regelgeving Wet werk en bijstand;

– Wetsvoorstel Wet basisvoorziening kinderopvang;

– Concept-besluit tot wijziging van het Tijdelijk besluit preventieve inzet wachtgeldfondsen;

– Concept besluit Noodwet Arbeidsvoorziening;

Concept-wetsvoorstellen Wet financiering sociale verzekeringen en

Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen;

Anticumulatie ontslagvergoedingen werkloosheidswet;

Concept besluit experimenten Suwi;

Concept besluit tot wijziging van het besluit uitvoering WAV;

Concept wetsvoorstel vereenvoudiging (van enkele sociale verzekeringeswetten);

Concept besluit/regeling tot wijziging van het besluit Suwi en de regeling Suwi i.vm. Invoering IRO (individuele reintegratieovereenkomst);

Wetsvoorstel invoering bevoegdheid tot opschorten van de sociale zekerheidsuitkering bij niet tijdige verstrekking van controlegegevens door een buitenlandse instantie;

Concept-voorstel Wet einde toegang verzekering WAZ;

Beleidsregels financieel maatregelenbeleid IOAW, IOZ en Bbz 2004.

Producten uitgebracht, in aanvulling op het jaarplan 2003

– Toepassing WW bij SHB Havenpool Rotterdam BV

– Debiteurenbeheer collecterend proces UWV.

– Gemeentelijke eindejaarsuitkeringen aan minima in 2002.

– Loenen en de intake van bijstandsaanvragen.

– Gemeentelijk beleid en handhaving van de bijstandswetgeving bij woonwagenbewoners.

– Afspraken Centra voor Werk en Inkomen met de gemeenten Hoorn en Zaanstad.

Rapportage inzake Wet Arbeid Vreemdelingen:

– Werken met behoud van een Abw-uitkering in Amsterdam; Quick scan

Uitgestelde, geschrapte en gewijzigde producten

Uitgesteld naar 2004:

Toezicht op WAO herbeoordelingen;

Aansturing verzekeringsartsen door managers;

(Implementatie)Wet Verbetering Poortwachter;

Claimbeoordeling: verbetering poortwachter (effectonderzoek);

Oordeel werking poortwachterfunctie WW: arbeidsbemiddeling;

Uitvoering Wet Identificatieplicht.

Reïntegratiepraktijk arbeidsgehandicapten;

Systeemaudit ontslagtaak CWI;

Integrale beveiliging UWV;

Beoordeling kwaliteit informatievoorziening door UWV;

Oordeel over handhavingsbeleid UWV;

Rapportage verbetertrajecten SVB.

Geschrapt

– Rapportage onderzoek naar de bedrijfsvoering RWI

Oordeel over de uitvoering WKA WBA

Oordelen over de jaarlijkse trendrapportage UWV 2003

Rapport van bevindingen en conclusies College van zorgverzekeringen 2002

Oordeel 2002 College Toelating Bestrijdingsmiddelen

Voortgangsrapportage ICT-ontwikkelingen SVB

Toezicht op de totstandkoming bedrijfsverzamelgebouwen

Meegenomen in andere activiteiten

– Toezicht ICT op de keten

– Onderzoek kwaliteit van dienstverlening IB

Beoordeling financieel beheer UWV 2002/2003

Beoordeling voortgang en producten keteninformatisering 2003

Reorganisatie van het hoofdkantoor van de SVB

Tot slot

Op grond van artikel 38 lid 2 van de wet Suwi stelt IWI jaarlijks voor 1 mei een jaarverslag op over de uitkomsten van de toezichtwerkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit jaarverslag dient een integrale rapportage te bevatten van de bevindingen over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering door de uitvoerende instanties, alsmede van de wijze waarop deze samenwerken. Het verslag dient voorts de daaraan door de Inspectie verbonden conclusies ten aanzien van de werking van het stelsel te bevatten (artikel 4 Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen). Bedoeld jaarverslag wordt parallel aan dit document ter kennis gebracht van beide Kamers der Staten-Generaal.

Voor een inhoudelijke bespiegeling op de bevindingen van IWI over de kwaliteit van de uitvoering van de sociale zekerheid in 2003 en de wijze waarop IWI met de bevindingen is omgegaan, wordt derhalve kortheidshalve verwezen naar het jaarverslag van de Inspectie werk en inkomen.

9.3 Toezichtsrelaties/Wet Tes

De Wet TES verplicht de regering om eens per jaar de Staten Generaal in te lichten over ontvangen EG subsidies.

De Wet TES heeft betrekking op drie categorieën EG-subsidies:

– financiering van het gemeenschappelijk Landbouwbeleid

– subsidies uit Structuurfondsen

– overige EG-subsidies waarvoor de Staat der Nederlanden aansprakelijk is.

De directie Uitvoeringsbeleid coördineert de meldingen van de door de SUWI-organisaties ontvangen EG-subsidies aangaande de laatste categorie.

De Minister van Financien heeft, namens de overige betrokken ministeries, een rapportage «uitvoering Wet TES» (periode mei 2002–december 2002) in het najaar van 2003 naar de Staten Generaal verstuurd. Hierin is een overzicht gegeven van de binnengekomen meldingen. De directie UB heeft geen geldige meldingen ontvangen van EG-subsidies conform Wet TES en zijn derhalve ook niet vermeld in de rapportage.

Op basis van de opgedane ervaringen wordt thans de Wet TES door de Interdepartementale Werkgroep Implementatie Wet TES geëvalueerd.

De Staten Generaal zal in 2004 een rapportage «uitvoering Wet TES» ontvangen over de periode januari 2003–december 2003. Een concrete planning zal door de Interdepartementale Werkgroep Implementatie Wet TES worden vastgesteld.

10. Departementale verantwoordingsstaat (jaarverslag)

10.1 Departementale verantwoordingsstaat 2003 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Bedragen in EUR1000
  (1)(2)(3)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  VerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangsten
 TOTAAL21 855 47221 830 736608 38819 323 25421 879 136809 752– 2 532 21848 400201 364
           
 Beleidsartikelen         
01Basisdienstverlening Werk en Inkomen299 712299 712 430 078430 07833 052130 366130 36633 052
02Stimulering en Kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod1 178 6991 151 898167 201556 6691 132 523191 644– 622 030– 19 37524 443
03Aanvullende werkgelegenheid1 051 6341 051 634 99 883999 0949 849– 951 751– 52 5409 849
04Aangepast en begeleid werken2 077 6782 077 633411 3722 248 3652 151 848458 934170 68774 21547 562
05Algemene inkomensgararantie op minimumniveau5 099 5625 100 47022 6893 693 9564 880 58271 332– 1 405 606– 219 88848 643
06Inkomensgarantie voor jonggehandicapten1 560 5271 560 527 1 641 9041 641 904 81 37781 377 
07Inkomensaanvulling voor herkeurde Arbeidsongeschikten6 7156 715 6 9406 940 225225 
08Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars42 48242 482 55 20755 2071 53812 72512 7251 538
09Tegemoetkoming in kosten van kinderen3 248 2793 248 2792723 309 4073 309 40711 95961 12861 12811 687
10Maatschappelijke participatie van gehandicapten         
11Bevorderen van mogelijkheden om Arbeid en Zorg te combineren179 522179 522 164 629160 3392– 14 893– 19 1832
12Coördinatie emancipatiebeleid14 47218 255 15 14716 252562675– 2 003562
13Verbetering arbeidsomstandigheden116 347119 7665 08494 31487 1986 115– 22 033– 32 5681 031
14Tegemoetkoming asbestslachtoffers2 8592 859 3 7803 780209921921209
15Rijksbijdragen sociale fondsen4 177 8144 177 814 4 011 0274 011 027 – 166 787– 166 787 
16Rijksbijdragen spaarfonds AOW2 518 5162 518 516 2 518 5222 518 522 66 
17Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen35 79836 101 240 095245 1371 051204 297209 0361 051
 Niet-beleidsartikelen         
97Aflopende regelingen32214 17435613 58914214213 589
98Algemeen232 645226 1601 770233 157228 9429 9165122 7828 146
99Nominaal en onvoorzien12 17912 179    – 12 179– 12 179 

Mij bekend,

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

10.2 De samenvattende verantwoordingsstaat 2003 van de agentschappen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV)

Omschrijving x € 1 000Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Agentschap SZW   
Totale baten11 84416 2024 358
Totale lasten11 84416 1684 324
Saldo van baten en lasten03434
    
Totale kapitaalontvangsten01 9801 980
Totale kapitaaluitgaven110535425
    
Inspectie Werk en Inkomen   
Totale baten35 89340 1554 262
Totale lasten35 89340 6554 762
Saldo van baten en lasten0– 500– 500
    
Totale kapitaalontvangsten0178178
Totale kapitaaluitgaven316719403

11. FINANCIELE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN

11.1 Financiële toelichting bij de beleidsartikelen

In de financiële toelichting bij de beleidsartikelen wordt inzicht geboden in de met beleid samenhangende meerjarige bedragen van de aangegane verplichtingen, de gerealiseerde programma- en apparaatuitgaven en de gerealiseerde ontvangsten (horizontale toelichting). Niet alle verschillen worden toegelicht. De toelichting op de financiële gegevens in de jaarrekening zal alleen plaatsvinden als de verschillen groter zijn dan 10% van het begrotingstotaal of meer dan € 5 miljoen. Voor de apparaatuitgaven worden mutaties lager dan € 1 miljoen niet toegelicht.

Voor het behoud van het totaaloverzicht is er voor gekozen de tabellen voor de verdiepingsbijlage te integreren in de financiële toelichting bij de beleidsartikelen (verdiepingstabel).

Toedeling apparaatsuitgaven naar de beleidsartikelen

In de ontwerpbegroting 2003 zijn de begrote apparaatsuitgaven via verdeelsleutels toegedeeld naar de beleidsartikelen. Deze verdeelsleutels zijn ook gehanteerd bij de toedeling van de realisaties. De apparaatsuitgaven worden toegelicht in niet-beleidsartikel 98 Algemeen.

Beleidsartikel 1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 1 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen561 870497 467435 636430 078299 712130 366
Uitgaven561 870497 467435 613430 078299 712130 366
       
Apparaatuitgaven  472518522– 4
Personeel  43549542669
Materieel  372396– 73
       
Programma-uitgaven561 870497 467435 141429 560299 190130 370
CWI561 870497 467421 179411 289284 390126 899
BKWI  13 96210 67114 800– 4 129
Handhaving   7 60007 600
       
Ontvangsten158 8230033 052033 052

Bron: SZW-administratie

Toelichting op de verschillen

Centra voor Werk en Inkomen

1. Loon- en prijsbijstelling (€ 11 miljoen)

2. Uitvoering van de taken uit het jaarplan (€ 6,6 miljoen)

3. Transformatieprojecten voor onder andere HRM, communicatie, huisvesting en ICT (€ 40,2 miljoen)

4. Kosten voor de boedelscheiding van arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de jaren 2002 en 2003 (€ 51 miljoen).

5. De toegenomen taaklast als gevolg van de verslechtering van de economische situatie (€ 16 miljoen)

6. Diverse nieuwe projecten (€ 5 miljoen).

7 Overheveling middelen handhaving (– € 3 miljoen)

BKWI

1. De initiële SZW begroting voor de uitvoeringskosten van het BKWI en de uitvoering van projecten is aangepast aan het Programma Ketenresultaten 2003/2004. Een bedrag van € 3,5 miljoen voor projecten is doorgeschoven naar 2004 en 2005

Handhaving

1. Gedurende het jaar is de begroting aangepast voor een bedrag van € 4,6 miljoen voor het uitvoeren van aanvullende handhavingsprojecten, bovenop de overgeheven middelen van de programmauitgaven CWI (€ 3 miljoen).

Ontvangsten

1. De ontvangsten 2003 hebben betrekking op de afrekening Jaarplan BKWI 2002 (€ 3 miljoen) en op de desaldering in het kader van de claim boedelscheiding Arbeidsvoorziening (€ 30 miljoen).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 1
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)299 712299 7120
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)299 712299 7120
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)73 03273 0323 000
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)59 25759 25730 000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 1 923– 1 92352
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)430 078430 07833 052

Beleidsartikel 2 Stimulering en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 2 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 148 1511 082 7111 732 137556 6691 178 699– 622 030
Uitgaven1 035 933977 9481 287 5171 132 5231 151 898– 19 375
       
Apparaatuitgaven136 13419 41524 04715 69925 562– 9 863
Personeel  4 0723 9263 436490
Materieel  212173600– 427
Agentschap SZW136 13419 41519 76311 60021 526– 9 926
       
Programma-uitgaven899 799958 5331 263 4701 116 8241 126 336– 9 512
Sluitende reïntegratie502 161565 398688 597670 324647 20923 115
Wiw dienstbetrekkingen en WEP344 700303 500290 260132 039160 667– 28 628
Praktijkscholing0096 07879 80764 82914 978
Doelgroepenbeleid3 14734 9149 51813 9729 1274 845
Kinderopvang abw49 79153 54757 60457 94484 854– 26 910
Sectorale stimulansen0014 20721 98236 322– 14 340
Casemanagers01 17499 586135 973116 98518 988
Subsidies en overige beleidsuitgaven006 4883 7504 695– 945
Voorlichting   229 229
Onderzoek en beleidsinformatie001 1328041 648– 844
       
Ontvangsten086 21840 673191 644167 20124 443

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

Agentschap SZW

1. Omvangrijkere kostenvermindering ESF oud dan verwacht (– € 8 miljoen)

2. Kostentoename bij uitvoering van nieuwe regelingen bleef aanvankelijk achter bij de verwachting (– € 2 miljoen)

Sluitende reïntegratie

1. Overboeking van WIW dienstbetrekkingen naar sluitende reïntegratie (€ 30 miljoen)

2. Niet uitkeren van voorschotten aan gemeenten in het kader van sanctiebeleid (– € 7 miljoen)

Wiw dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen

1. Overboeking van WIW dienstbetrekkingen naar sluitende reïntegratie (– € 30 miljoen)

Praktijkscholing

1. Middelen toegevoegd voor de financiering van de ontbinding en vereffening van de Stichting Centrum Vakopleiding (€ 15 miljoen)

Kinderopvang Abw

1. Overboeking naar het onderdeel Casemanagers (Agenda voor de Toekomst) (– € 18 miljoen)

2. Onderuitputting op de regelingen voor de jaren 2001 en 2002 die (groten)deels in 2003 zijn afgerekend (– € 9 miljoen)

Sectorale stimulansen RWI

1. De derde tranche van de subsidieregeling SVWW is niet meer opengesteld (– € 14 miljoen)

Casemanagers (Agenda voor de Toekomst)

1. Middelen toegevoegd omdat in 2002 vertragingen zijn ontstaan waar het gaat om subsidieaanvragen en het indienen van jaarverantwoordingen door gemeenten (€ 48 miljoen)

2. Budget overgeheveld naar het Gemeentefonds ten behoeve van de invoeringskosten WWB (– € 20 miljoen)

3. Overboeking vanuit het onderdeel KOA (€ 18 miljoen)

4. Door gespreide betalingen bleek de realisatie bij najaarsnota lager dan begroot (– € 11 miljoen)

5. Het kasritme blijkt anders te verlopen dan aanvankelijk geraamd, daarom is er een kasschuif toegepast (€ 6,5 miljoen)

6. In 2003 heeft zich wederom vertraging voorgedaan, subsidieaanvragen en jaarverantwoordingen van gemeenten komen later binnen dan verwacht (– € 8 miljoen)

Ontvangsten

1. De raming voor de terugontvangsten WIW is opgehoogd (€ 115 miljoen)

2. Bij najaarsnota bleek dat een deel van de geraamde terugontvangsten pas in 2004 gerealiseerd zal worden (– € 80 miljoen)

3. Het overige verschil wordt veroorzaakt door lagere of latere ontvangsten dan aanvankelijk verwacht (– € 9 miljoen)

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 2
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)1 215 6991 190 898100 701
    
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr.22)– 37 000– 37 00050 000
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 78)0– 20000
Amendement (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 81)  16 500
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)1 178 6991 151 898167 201
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)205 35375 93567 600
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 33 860– 32 673– 32 645
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 793 523– 62 637– 10 512
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)556 6691 132 523191 644

Toelichting verplichtingenmutatie Slotwet

1. Met inwerkingtreden van de WWB per 1 januari 2004 kunnen verplichtingen in dat kader pas op dat moment worden aangegaan. Hiermee is bij het opstellen van de begroting 2003 geen rekening gehouden.

Beleidsartikel 3 Aanvullende werkgelegenheid

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 3 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen760 989877 1781 925 25099 8831 051 634– 951 751
Uitgaven760 989877 178986 627999 0941 051 634– 52 540
       
Apparaatuitgaven  852514535– 21
Personeel  54548945336
Materieel  372582– 57
       
Programma-uitgaven760 989877 178986 045998 5801 051 099– 52 519
Instroom/doorstroom banen755 181871 014979 394981 102938 60342 499
Regeling schoonmaakdiensten particulieren5 8086 1646 6516 0577 496– 1 439
Stimuleringsregeling ID-banen   11 317105 000– 93 683
Voorlichting   104 104
       
Ontvangsten22 87115 74126 3309 84909 849

Bron: SZW-administratie

Toelichting op de verschillen

ID-banen

1. In 2003 hebben de gemeenten een budget voor de Instroom/doorstroombanen ontvangen. De overschrijding van het macro budget wordt veroorzaakt doordat er in 2003 nog nabetalingen over 2002 en eerder hebben plaatsgevonden (€ 42,5 miljoen).

RSP

1. Als gevolg van achterblijven van subsidieaanvragen is minder gerealiseerd dan begroot(– € 1,5 miljoen).

Stimuleringsregeling ID-banen

1. De aanvragen van de stimuleringsregeling zijn later op gang gekomen (en daarmee de jaargrens overschrijdende betalingen) dan verwacht (€ 38,5 miljoen).

2. Daarnaast zijn er aanzienlijk minder ID-banen regulier gemaakt dan de gewenste 10 000 (€ 55,1 miljoen).

Ontvangsten

1. Bij de vaststelling van subsidies over eerdere jaren zijn voorschotten terug ontvangen (€ 9,8 miljoen).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 3
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)901 634901 6340
    
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 22)150 000150 000 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)1 051 6341 051 6340
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)1 5451 5450
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 27 928– 27 9282 645
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 925 368– 26 1577 204
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)99 883999 0949 849

Toelichting verplichtingenmutatie Slotwet

1. Met het intrekken van het besluit ID-banen in samenhang met het inwerkingtreden van de Wet Werk en Bijstand per 1 januari 2004 kunnen verplichtingen in dat kader niet meer worden aangegaan. Hiermee is bij het opstellen van de begroting 2003 geen rekening gehouden.

Beleidsartikel 4 Aangepast werken

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 4 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 929 8042 061 4492 144 3072 248 3652 077 678170 678
Uitgaven1 831 0241 949 5112 076 2792 151 8482 077 63374 215
       
Apparaatuitgaven  592541552– 11
Personeel  55551546847
Materieel  372684– 58
       
Programma-uitgaven1 831 0241 949 5112 075 6872 151 3072 077 08174 226
Wsw1 831 0241 949 5112 075 6872 151 3072 077 08174 226
       
Ontvangsten387 026390 615435 402458 934411 37247 562
Anticumulatiebepalingen369 792372 915393 544405 195411 372– 6 177
Uitvoering Wsw17 24417 70041 85853 739053 739

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

Wsw

1. Reguliere aanpassing van de uitgaven vanwege de loon- en prijsontwikkeling (€ 72,4 miljoen)

2. Nabetaling over 2002 (€ 2,5 miljoen)

3. Overboeking naar CWI wegens indicatiestelling Wsw (– € 1,8 miljoen).

4. Terugbetaling ontvangsten over eerdere jaren (€ 1,1 miljoen)

Ontvangsten

Anticumulatiebepalingen

1. Door stabilisatie van het volume zijn de ontvangsten op grond van de samenloop van Wsw-loon met de arbeidsongeschiktheidsregelingen (anticumulatiebepalingen) iets lager dan bij begroting geraamd. (– € 6,2 mln)

Uitvoering Wsw

1. De ontvangsten uitvoering Wsw hebben vrijwel geheel betrekking op verrekening van subsidies uit eerdere jaren wegens onderrealisatie arbeidsplaatsen. (€ 53,8 mln)

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 4
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)2 061 1782 061 133411 372
    
Amendement (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 81)16 50016 500 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)2 077 6782 077 633411 372
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 425)484850 000
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)73 05573 055– 900
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet97 5841 112– 1 538
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)2 248 3652 151 848458 934

Beleidsartikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 5 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen4 057 3955 539 8734 790 8663 693 9565 099 562– 1 405 606
Uitgaven4 057 3954 473 3214 636 2804 880 5825 100 470– 219 888
       
Apparaatuitgaven  3 1533 1843 10183
Personeel  2 9923 0642 529535
Materieel  161120572– 452
       
Programma-uitgaven4 057 3954 473 3214 633 1274 877 3985 097 369– 219 971
Gebudgetteerd deel Abw, Ioaw en Ioaz 1 089 4201 108 5791 242 1241 194 20247 922
Declaratie deel Abw, Ioaw en Ioaz3 745 0273 084 8533 190 1043 283 6243 503 389– 219 765
Toeslagenwet uitkeringen291 444274 630306 804304 543311 932– 7 389
Toeslagenwet uitvoeringskosten20 92424 4188 00710 74926 000– 15 251
Handhaving  18 66335 25240 938– 5 686
Langdurigheidstoeslag    20 000– 20 000
Subsidies en overige beleidsuitgaven  97098990881
Voorlichting   117 117
       
Ontvangsten81 90781 81727 90271 33222 68948 643
Ontvangsten algemeen   1 699 1 699
Ontvangsten Abw, Fonds      
Werk en Inkomen 026 35069 63322 68946 944
Ontvangsten Toeslagenwet001 552000

Bron: SZW-administratie

Toelichting

Abw, Ioaw en Ioaz

1. Herziene inzichten in het verband tussen conjunctuur en bijstand (– € 162 miljoen).

2. Meevallers in de uitvoering – met name volume (– € 276 miljoen).

3. Gedurende het jaar kan het budgetdeel niet neerwaarts worden aangepast (€ 75 miljoen)

4. Bijstelling van beleid (– € 15 miljoen).

5. De daling in de uitkeringslasten is gedeeltelijk gecompenseerd voor koppeling van de bijstandsuitkeringen aan de loonontwikkeling (€ 175 miljoen).

Toeslagenwet uitkeringen

1. Dit wordt verklaard door zowel een lager gerealiseerd volume dan geraamd (92 000 versus 93 000) als een lagere gemiddelde uitkering dan geraamd (€ 3 296 versus € 3 362).

Toeslagenwet uitvoeringskosten

1. Een wijziging van de toerekening van de uitvoeringskosten ten opzichte van de begroting 2003.

Handhaving

1. De onderuitputting handhaving is mede te verklaren uit vertragingen die zijn ontstaan bij het indienen van projectvoorstellen door gemeenten.

Langdurigheidstoeslag

1. In 2003 is er op basis van het najaarsakkoord 2002 via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds beschikbaar gesteld voor een toeslag aan langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief (€ 20 miljoen)

Ontvangsten Abw, FWI

1. De ontvangsten naar aanleiding van de vaststellingen van de jaarverantwoordingen door gemeenten vallen aanzienlijk hoger uit dan oorspronkelijk begroot.

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 5
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)5 134 0625 134 97022 689
    
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 22)– 18 000– 18 000 
Amendement (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 39)– 11 500– 11 500 
Amendement (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 42)– 5 000– 5 000 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)5 099 5625 100 47022 689
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)– 115 550– 116 45861 500
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 51 933– 79 3760
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 1 238 123– 24 054– 12 857
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)3 693 9564 880 58271 332

Toelichting verplichtingenmutatie Slotwet

3. Met inwerkingtreden van de WWB per 1 januari 2004 kunnen verplichtingen in dat kader pas op dat moment worden aangegaan. Hiermee is bij het opstellen van de begroting 2003 geen rekening gehouden.

Beleidsartikel 6 Inkomensgarantie voor jonggehandicapten

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 6 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 320 1321 462 8861 469 0421 641 9041 560 52781 377
Uitgaven1 320 1321 462 8861 469 0421 641 9041 560 52781 377
       
Apparaatuitgaven  971089315
Personeel  921047727
Materieel  5416– 12
       
Programma-uitgaven1 320 1321 462 8861 468 9451 641 7961 560 43481 362
Wajong uitkeringen1 285 8571 421 2291 431 2751 596 1521 543 43452 718
Wajong uitvoeringskosten34 27541 65737 67045 64417 00028 644
       
Ontvangsten4002316 655000

Bron: SZW-administratie.

Toelichting

Uitkeringslasten

1. Het aantal Wajong'ers is 1 300 hoger uitgevallen dan geraamd (€ 15 miljoen)

2. Aanpassing gemiddelde uitkering (€ 45,7 miljoen).

Uitvoeringskosten

1. Bij eerste suppletore begroting werden de uitvoeringskosten verhoogd op basis van het jaarplan UWV en gemaakte afspraken over doorwerkingen van volumes. (€ 28,6 miljoen)

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 6
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)1 549 0271 549 0270
    
Amendement (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 39)11 50011 500 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)1 560 5271 560 5270
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)25 30725 3070
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53 )47 90047 9000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet8 1708 1700
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)1 641 9041 641 9040

Beleidsartikel 7 Inkomensaanvulling voor herkeurde arbeidsongeschikten

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 7 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen6 0206 7166 9706 9406 715225
Uitgaven6 0206 7166 9706 9406 715225
       
Apparaatuitgaven  1921183
Personeel  1820155
Materieel  113– 2
       
Programma-uitgaven6 0206 7166 9516 9196 697222
Tbia uitkeringslasten5 3206 0166 6006 5766 197379
Tbia uitvoeringskosten700700351343500– 157
       
Ontvangsten000000

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

1. Het gerealiseerde volume ligt lager dan geraamd (857 versus 950). Dit wordt echter meer dan gecompenseerd door de hogere gemiddelde uitkering dan geraamd bij de ontwerpbegroting (€ 7 673 versus € 6 522).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 7
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)6 7156 7150
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)6 7156 7150
    
Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)1011010
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53 )3003000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 176– 1760
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)6 9406 9400

Beleidsartikel 8 Inkomensgarantie voor kunstenaars

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 8 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen42 63447 31253 85855 20742 48212 725
Uitgaven42 63447 31253 85855 20742 48212 725
       
Apparaatsuitgaven  747273– 1
Personeel  7169627
Materieel  3311– 8
       
Programma-uitgaven42 63447 31253 78455 13542 40912 726
WIK Uitkeringslasten35 20940 96947 61549 42637 67111 755
WIK Uitvoeringskosten7 4246 3436 1695 7094 738971
       
Ontvangsten004 2411 53801 538

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

WIK Uitkeringslasten

1. De gemiddelde uitkering bleek hoger dan voorzien. (€ 12,5 mln)

WIK Uitvoeringskosten

1. De uitstroom uit de WIK bleek lager dan voorzien. (€ 1 mln)

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 8
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)42 48242 4820
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)42 48242 4820
    
Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)660
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)11 30011 3001 300
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet1 4191 419238
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)55 20755 2071 538

Beleidsartikel 9 Tegemoetkoming in de kosten van kinderen

Horizontale ontwikkeling bij beleidsartikel 9 (bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen3 010 5013 105 6113 218 3433 309 4073 248 27961 128
Uitgaven3 010 5013 105 6113 218 3433 309 4073 248 27961 128
       
Apparaatuitgaven  971089315
Personeel  921047727
Materieel  5416– 12
       
Programma-uitgaven3 010 5013 105 6113 218 2463 309 2993 248 18661 113
AKW-uitkeringslasten2 920 9463 010 8493 118 3893 207 0003 151 38655 614
AKW-uitvoeringskosten78 63976 98878 13875 00078 200– 3 200
TOG-uitkeringslasten9 89315 75319 81324 73716 5008 237
TOG-uitvoeringskosten1 0242 0211 9062 5622 100462
       
Ontvangsten10 0429 8923 17411 95927211 687

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

AKW-uitkeringen

1. Hoger gemiddeld prijs dan geraamd. (€ 56 miljoen)

2. Lager volume dan geraamd (– € 3,6 miljoen)

3. Herziening uitkeringen met terugwerkende kracht (€ 3,4 miljoen)

AKW-uitvoeringskosten

1. De SVB heeft lagere voorschotten gevraagd.

TOG-uitkeringen

1. Door hoger volume en indexaties TOG uitkeringen is de uitkeringslast hoger (€ 3,6 miljoen).

2. De uitkeringen met terugwerkende kracht zijn hoger dan geraamd bij ontwerpbegroting (€ 4,6 miljoen)

TOG-uitvoeringskosten

1. Een nabetaling over 2002 zorgt voor hogere uitvoeringskosten dan in de begroting 2003.

Ontvangsten

1. Afrekeningen over het derde en vierde kwartaal 2002 en de nadere afrekening over jaar 2002 hebben geleid tot een ontvangstenboeking bij SZW voor wat betreft de uitkeringslasten (€ 7,8 miljoen).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 9
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)3 248 2793 248 279272
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)3 248 2793 248 279272
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)18 40718 4070
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)46 60046 6007 500
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 3 879– 3 8794 187
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)3 309 4073 309 40711 959

Beleidsartikel 11 Bevordering van combinatiemogelijkheden en arbeid en zorg

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 11 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen140151161 703164 629179 522– 14 893
Uitgaven140151153 358160 339179 522– 19 183
       
Apparaatuitgaven  18022517253
Personeel  17021614571
Materieel  10927– 18
       
Programma-uitgaven140151153 178160 114179 350– 19 236
Rijksbijdrage wet Finlo140151238373150223
Kinderopvang  152 691157 463179 200– 21 737
Basisregeling levensloop      
Onderzoek en beleidsinformatie  249663 663
Primair proces   1 160 1 160
Voorlichting   455 455
       
Ontvangsten004202

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

Rijksbijdrage wet Finlo

1. De uitgaven aan de Rijksbijdrage financiering loopbaanonderbreking (Finlo-regeling) vallen hoger uit dan geraamd vanwege het weer toegenomen gebruik van de Finlo-regeling waardoor ook de uitvoeringskosten van de regeling zijn licht toegenomen. (€ 0,2 miljoen)

Kinderopvang

1. De lagere uitgaven voor kinderopvang in 2003 hebben voor het overgrote deel betrekking op de uitvoeringskosten van de Wbk door de Belastingdienst. Als gevolg van het uitstel van de invoering van de Wbk van 2004 naar 2005 worden deze kosten grotendeels in 2004 gemaakt in plaats van geheel in 2003. De beperkte, in 2003 gemaakte, kosten zijn overgeboekt naar de begroting van het Ministerie van Financiën. (– € 21,8 miljoen)

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 11
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)277 372277 3720
    
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 22)– 99 850– 99 850 
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 78)20002000 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)179 522179 5220
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)– 14 062– 14 0620
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 202– 4 4520
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 629– 6692
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)164 629160 3392

Beleidsartikel 12 Coördinatie emancipatiebeleid

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 12 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen16 99812 62810 59115 14714 472675
Uitgaven13 14714 31116 15216 25218 255– 2003
       
Apparaatuitgaven  2 2302 4712 877– 406
Personeel  2 1092 3332 29637
Materieel  121138581– 443
       
Programma-uitgaven13 14714 31113 92213 78115 378– 1 597
Emancipatiesubsidies8 1037 9156 3446 8058 304– 1 499
Dagindeling5 0456 3963 8522 1963 156– 960
Primair proces  2 7334 2633 341922
Voorlichting Meerjarenbeleidsplan  365178577– 399
Onderzoek en beleidsinformatie  628339 339
       
Ontvangsten501455620562

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

Emancipatiesubsidies

1. Kleinere budgettaire mutaties onder andere als gevolg van het afzien van opstarten Infopunt Gelijke Behandeling, beëindigen subsidierelatie met Toplink en Oppurtunity in bedrijf en budgettair neutrale herschikking binnen artikel 12 (€ 1,5 miljoen)

Dagindeling

1. De eindafrekening van een aantal projecten zal in 2004 plaatsvinden in plaats van in 2003 (– € 1,0 miljoen)

Primair Proces, voorlichting meerjarenbeleidsplan en onderzoek en beleidsinformatie

1. Als gevolg van de herinrichting van het departement hebben er enkele budgettair neutrale herschikkingen plaatsgevonden.

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 12
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)14 47218 2550
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)14 47218 2550
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)1 2639860
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 129– 719265
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 459– 2 270297
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)15 14716 252562

Beleidsartikel 13 Verbetering arbeidsomstandigheden

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 13 (bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen10 48914 58672 89594 314116 347– 22 033
Uitgaven7 29411 15570 31387 198119 766– 32 568
       
Apparaatuitgaven  47 49651 71853 961– 2 243
Personeel  40 02942 91334 3128 601
Materieel  7 4678 80519 649– 10 844
       
Programma-uitgaven7 29411 15522 81735 48065 805– 30 325
Convenanten arbeidsomstandigheden 10 40120 29520 15747 847– 27 690
Subsidies en overige beleidsuitgaven7 2947542 52215 19817 958– 2 760
Voorlichting   125 125
       
Ontvangsten2 2091 9854 9796 1155 0841 031

Bron: SZW-administratie

Toelichting op de verschillen

Convenanten

1. Een kasschuif van middelen waardoor de budgettaire problematiek in 2003 is verlicht (€ 10 miljoen);

2. Een intertemporele verschuiving en verlaging van de geraamde uitgaven vooral veroorzaakt doordat de implementatie van enkele convenanten langzamer verloopt dan was gepland (€ 14,7 miljoen);

3. Een overboeking naar artikel 98 voor de apparaatuitgaven die samenhangen met de arboconvenanten 2e tranche en het amendement Verburg (€ 3 miljoen).

Subsidies en uitgaven

1. De uitgaven voor het onderdeel «subsidies en overige uitgaven» zijn lager dan geraamd. Dit is eveneens toe te schrijven aan diverse herschikkingen en overboekingen (€ 2,76 miljoen).

Ontvangsten

1. De opbrengst van de bestuurlijke boetes voor overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet zijn hoger uitgekomen dan geraamd (€ 1,0 miljoen).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 13
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)111 347114 7665 084
    
Amendement (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 42)5 0005 000 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)116 347119 7665 084
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)– 13 577– 13 577200
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 10 084– 14 075700
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet1 628– 4 916131
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)94 31487 1986 115

Beleidsartikel 14 Tegemoetkoming asbestslachtoffers

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 14 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen1 2283 3941 9703 7802 859921
Uitgaven1 2283 3941 9673 7802 859921
       
Apparaatuitgaven  3641365
Personeel  3035278
Materieel  669– 3
       
Programma-uitgaven1 2283 3941 9313 7392 823916
Regeling tegemoetkoming Asbestslachtoffers1 2283 3941 9313 7392 823916
       
Ontvangsten0002090209

Bron: SZW-administratie

Toelichting op de verschillen

1. Per 1 januari 2003 is de voorschotregeling geïntroduceerd, waardoor het overgrote deel van de slachtoffers dat zich aanmeldt bij leven een voorschot op de eventuele schadevergoeding door de werkgever ontvangt. Op 1 juli 2003 is de doelgroep uitgebreid met huisgenoten. Hierdoor zijn de kosten licht gestegen (€ 0,9 miljoen)

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 14
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)2 8592 8590
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)2 8592 8590
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)3 9013 9010
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 1 100– 1 1000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 1 880– 1 880209
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)3 7803 780209

Beleidsartikel 15 Rijksbijdragen sociale fondsen

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 15 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen40 46241 1982 732 0374 011 0274 177 814– 166 787
Uitgaven40 46241 1982 712 1374 011 0274 177 814– 166 787
       
Apparaatuitgaven  2402522484
Personeel  22924321033
Materieel  11938– 29
       
Programma-uitgaven40 46241 1982 711 8974 010 7754 177 566– 166 791
Rijksbijdrage WAZ39 16139 67240 7569 7569 800– 44
Rijksbijdrage AOW-gat grensarbeiders   11 00011 0000
Premiebijdragen gemoedsbezwaarden1 3011 5261 6561 7191 089630
Bijdragen BIKK  2 669 4852 793 3002 960 677– 167 377
Rijksbijdrage Ouderdomsfonds   1 195 0001 195 0000
       
Ontvangsten0019 701000

Bron: SZW-administratie.

* De realisaties over de jaren 2000 tot en met 2002 zijn met inbegrip van de gerealiseerde uitgaven inzake de rijksbijdrage sluitende aanpak WW. Vanaf 2003 is deze rijksbijdrage komen te vervallen.

In de realisatie 2002 is daarnaast opgenomen de rijksbijdrage AOW-gat grensarbeiders. Vanaf 2003 wordt deze rijksbijdrage separaat vermeld.

Toelichting op de verschillen

Bijdragen BIKK

1. Voor 2003 heeft een combinatie van nieuwe geraamde heffingskortingen en de verhoging van de AWBZ-premie per 1 juli tot gevolg gehad dat de rijksbijdrage BIKK (BIKK AOW + BIKK Anw) met € 167,4 miljoen is verlaagd.

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 15
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)2 982 8142 982 8140
    
Nota van wijziging (kmstk. 2002/03, 28 600 XV, nr. 22)1 195 0001 195 000 
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)4 177 8144 177 8140
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)– 31 280– 31 2800
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 135 466– 135 4660
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 41– 410
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)4 011 0274 011 0270

Beleidsartikel 16 Rijksbijdragen Spaarfonds AOW

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 16 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen2 178 1452 291 5902 405 0732 518 5222 518 5166
Uitgaven2 178 1452 291 5902 405 0732 518 5222 518 5166
       
Apparaatuitgaven  3842366
Personeel  36403010
Materieel  226– 4
       
Programma-uitgaven2 178 1452 291 5902 405 0352 518 4802 518 4800
Rijksbijdrage Spaarfonds AOW2 178 1452 291 5902 405 0352 518 4802 518 4800
       
Ontvangsten000000

Bron: SZW-administratie.

Zie voor een toelichting op het AOW-spaarfonds het jaarverslag over 2003 van het spaarfonds AOW.

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 16
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)2 518 5162 518 5160
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)2 518 5162 518 5160
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)330
    
Mutaties tweede suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie tweede suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet330
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)2 518 5222 518 5220

Beleidsartikel 17 Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen

Horizontale toelichting bij beleidsartikel 17 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen89 782592 342460 488240 09535 798204 297
Uitgaven28 926592 342456 404245 13736 101209 036
       
Apparaatuitgaven  1 9022 4882 025463
Personeel  1 6702 1121 717395
Materieel  11292308– 216
Agentschappen  1202840284
       
Programma-uitgaven28 926592 342454 502242 64934 076208 573
• Facilitering oprichting CWI148 1 536263 263
• Ontvlechting Arbvo3 242471 720278 507189 233 189 233
• Ondersteuning vorming BVG'en 9981 5882 54725 000– 22 453
• Coördinatie reïntegratiemarkt (RPA)1 50111 2169 6458 8959 076– 181
• afwikkeling VO-SUWI12 0366 3285 9498 576 8 576
• Overig 102 0808890 90
– Afwikkeling SWI-projecten11 999     
– Afwikkeling ESF-oud (Rapport Koning)  157 18933 045 33 045
       
Ontvangsten0010 1281 05101 051

Bron: SZW-administratie

Toelichting op de verschillen

Ontvlechting Arbvo

1. Voor de liquidatie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is in 2003 circa € 189 miljoen uitgegeven. Dit bedrag had voor € 103 miljoen betrekking op een nog niet eerder gedekt deel van het geraamde liquiditeitstekort. Voorts was een bedrag van circa € 85 miljoen gemoeid met de afwikkeling OHW van KLIQ.

Ondersteuning vorming BVG'en

1. Voor de uitvoering van de BVG-regeling is een bedrag van € 22,5 miljoen niet tot besteding gekomen. Dit hangt samen met vertraging in de subsidieverlening. Tot eind 2003 konden de vervolgsubsidies in het kader van deze regeling worden aangevraagd. Slechts weinig subsidies konden in 2003 worden verleend. Gedurende het jaar is in dit verband reeds een bedrag van € 14,0 miljoen doorgeschoven.

Afwikkeling VO-SUWI

1. Gedurende 2003 zijn middelen beschikbaar gesteld voor de afwikkeling van openstaande facturen en verplichtingen van de VO-SUWI. Uiteindelijk is in 2003 € 8,6 miljoen uitgegeven voor de eindafrekening van deze facturen en verplichtingen.

ESF-oud

1. Niet kunnen terugvorderen op aanvragers van deel claim Brussel (€ 28,5 miljoen).

2. Afwikkeling ESF-oud over periode voor 1994 (€ 4,5 miljoen).

Ontvangsten

1. Bij de ontvangsten is in 2003 minder ontvangen dan was voorzien. Bij eerste suppletore begrotingswet was een bedrag van € 38 miljoen voorzien. Het betreft de terugbetaling Sluitende Aanpak over de periode 1999–2001 bij Arbeidsvoorziening.

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 17
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)35 79836 1010
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)35 79836 1010
    
Mutaties eerste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk. 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie eerste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)89 41589 11238 500
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)151 160151 1602 613
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 36 278– 31 236– 40 062
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)240 095245 1371 051

11.2 Toelichting bij de niet-beleidsartikelen

Niet-beleidsartikel 97 Aflopende regelingen

Horizontale toelichting bij niet-beleidsartikel 97 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen5383979717432142
Uitgaven8 9172 9801 032356214142
       
Apparaatuitgaven  303132– 1
Personeel  2930273
Materieel  115– 4
       
Programma-uitgaven8 9172 9801 002325182143
Financiële afwikkeling afgesloten regelingen1741624 4
Jeugdspaarwet8 7412 141    
Regeling ex mijnwerkers25 2071821820
Experimenten121 53   
Koopkrachtreparatie13     
IHS-banenpools 835580139 139
       
Ontvangsten001 32113 589013 589

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

IHS-banenpools

1. In 2003 zijn er nabetalingen verricht in het kader van de koopkrachtreparatie voor ex-banenpoolers met individuele huursubsidie (IHS). (€ 0,1 miljoen)

Ontvangsten

1. Een van de afgesloten regelingen waarvoor op dit artikel een voorziening is gecreëerd voor de financiële afwikkeling is de voormalige regeling «Inkoop sociale diensten bij Arbvo». Op basis van afrekeningen is in 2003 terugontvangen (€ 13,6 mln).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 97
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)322140
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)322140
    
Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)330
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet13913913 589
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)17435613 589

Niet-beleidsartikel 98 Algemeen

Horizontale toelichting bij niet-beleidsartikel 98 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Verplichtingen259 130306 807228 402233 157232 645512
Uitgaven235 106274 153259 310228 942226 1602 782
       
Apparaatuitgaven180 325212 925232 528203 446168 93534 511
Personeel120 991135 81793 56396 59166 73229 859
Materieel24 20032 02726 31224 09522 4501 645
Huisvesting19 00022 75343 63929 01524 2364 779
Automatisering16 13422 32832 37118 02019 624– 1 604
Bijdrage moederdepartement aan IWI36 64335 72535 893– 168
       
Programma-uitgaven54 78161 22826 78225 49657 225– 31 729
Primair proces4 1004 8282 5265 3801 7813 599
Onderzoek & beleidsinformatie13 33812 31411 4029 4149 803– 389
Voorlichting4 9887 6966 9395 1175 336– 219
Subsidies14 39312 3859077984 662– 3 864
Handhaving17 96224 0055 0084 78735 643– 30 856
       
Ontvangsten3 6973 4557 6169 9161 7708 146

Bron: SZW-administratie

Personeel

1. Een deel heeft betrekking op een in de 1e suppletore begroting verwerkte budgettair neutrale correctie tussen Personeel en Materieel. Een aantal begrotingsmutaties was geparkeerd op het materieelbudget, terwijl de mutaties betrekking hadden op het personeelbudget (€ 25,2 miljoen)

2. Na verwerking van bovengenoemde correcties is op basis van de nieuw berekende totale P&M uitgaven ook de toerekening naar de beleidsartikelen gecorrigeerd (– € 9,3 miljoen).

3. De reguliere loonbijstelling (€ 3,6 miljoen).

4. Diverse begrotingsaanpassingen als gevolg van de verdeling amendementgelden Verburg toegekend bij de begrotingsbehandeling, uitbreiding formatie onder andere uitvoering Strategisch Akkoord (overkomst kinderopvang, WAV inspecteurs, SIOD en AI), de eindejaarsmarge en de invulling van geparkeerde ombuigingstaakstellingen (€ 10,4 miljoen).

Materieel

1. Een in de eerste suppletore begroting verwerkte budgettair neutrale correctie tussen Personeel en Materieel (€ 25,2 miljoen).

2. Na verwerking van bovengenoemde correcties is op basis van de nieuw berekende totale P&M uitgaven ook de toerekening naar de beleidsartikelen gecorrigeerd. Van het M-budget op artikel 98 is minder toeberekend aan de beleidsartikelen (€ 12,5 miljoen).

3. Diverse begrotingsaanpassingen als gevolg van de verdeling amendementgelden Verburg toegekend bij de begrotingsbehandeling, uitbreiding formatie onder andere uitvoering Strategisch Akkoord (overkomst kinderopvang, WAV inspecteurs, SIOD en AI), de eindejaarsmarge en herschikkingen ter oplossing van knelpunten die zijn opgetreden gedurende de begrotingsuitvoering (€ 14,3 miljoen).

Huisvesting

1. Gedurende de uitvoering van de begroting zijn huisvestingsknelpunten naar voren gekomen die door middel van herschikkingen zijn afgedekt (€ 3,4 miljoen).

2. Voor huisvestingskosten SIOD stonden middelen geparkeerd op het handhavingsbudget. Deze gelden zijn aan het huisvestingsbudget toegevoegd (€ 1,4 miljoen).

Automatisering

1. Een kasschuif verwerkt als gevolg van vertraging in de planning van een nieuw informatiesysteem (OBIS) (– € 9,0 miljoen).

2. Budgetverhogingen gedurende de uitvoering van de begroting voor onder andere overlopende verplichtingen (Eindejaarsmarge) en voor aan het Agentschap SZW doorbrekende kosten (€ 7,4 miljoen).

Bijdrage moederdepartement aan IWI

1. Op de Bijdrage van het moederdepartement aan IWI zijn relatief kleine afwijkingen gerealiseerd die het gevolg zijn van normale bedrijfsvoering.

Primair proces

1. Gedurende de begrotingsuitvoering is het budget voor de bekostiging van Primaire processen verhoogd (€ 3,6 miljoen).

Onderzoek

1. De onderzoeksuitgaven zijn lager dan geraamd. Gedurende de begrotingsuitvoering is het onderzoeksbudget verhoogd (€ 2,6 miljoen)

2. Aan de andere kant zijn er minder projecten afgerond, zodat er per saldo onderuitputting is opgetreden (€ 3,0 miljoen)

Voorlichting

1. Het voorlichtingbudget is gedurende de begrotingsuitvoering verhoogd (€ 1,5 miljoen)

2. Omdat geplande voorlichtingsactiviteiten niet zijn doorgegaan en vertraging is opgetreden in de uitvoering van enkele projecten, is onderuitputting opgetreden ten opzichte van de bijgestelde begroting (– € 1,7 miljoen).

Subsidies

1. Op artikel 98 stonden in de oorspronkelijke begroting middelen geparkeerd die tijdens de uitvoering van de begroting door middel van herschikkingen naar andere begrotingsartikelen zijn overgeboekt (– € 3,9 miljoen).

Handhaving

1. Een deel van de gereserveerde gelden had betrekking op apparaatuitgaven, primair proces, onderzoek en is gedurende de uitvoering van de begroting overgeboekt naar de betreffende budgetten (– € 12,5 miljoen).

2. Verschuivingen en ombuigingen (met behoud van fraudeopbrengsten) die gedurende de begrotingsuitvoering zijn verwerkt (– € 10,9 miljoen).

3. Er is een onderuitputting opgetreden omdat projecten niet zijn afgerond danwel goedkoper zijn uitgevoerd dan geraamd (– € 7,5 miljoen).

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 98
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)232 645226 1601 770
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)232 645226 1601 770
    
Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)16 17821 7813 523
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)12 1004 3402 335
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 27 766– 23 3392 288
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)233 157228 9429 916

Niet beleidsartikel 99 Nominaal en onvoorzien

Horizontale toelichting bij niet-beleidsartikel 99 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde Begroting
 20002001200220032003
Verplichtingen000012 179
Uitgaven000012 179
      
Programma-uitgaven000012 179
Onvoorzien00000
Loonbijstelling00004 193
Prijsbijstelling00007 986
      
Ontvangsten00000

Bron: SZW-administratie.

Toelichting op de verschillen

Loon- en prijsbijstelling

1. De beschikbaar gestelde middelen voor loon- en prijsontwikkelingen zijn gedurende de begrotings-uitvoering 2003 naar de in aanmerking komende begrotingsartikelen toegeboekt.

Verdiepingstabel bij beleidsartikel 99
x € 1 000VerplichtingenKasuitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (kmstk. 28 600 XV, nr. 1)12 17912 1790
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 86)12 17912 1790
    
Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 956, nr. 1)   
2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 425)148 050148 0500
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 29 331, nr. 1)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 53)– 159 931– 159 9310
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 298– 2980
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)000

11.3 Toelichting bij de baten-lastendiensten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de rekeningen van de Inspectie Werk en Inkomen en van het Agentschap SZW, bestaande uit de begrotingsstaat, een overzicht van baten en lasten, de balans per 31 december 2003, de ontwikkeling van het eigen vermogen en een kasstroomoverzicht. De agentschappen volgen hierbij de inrichtingseisen zoals die zijn opgenomen in de Comptabilteitswet en de Handleiding Agentschappen (artikel 6 van het Handboek Financiële Informatie en Administratie van de Rijksoverheid (HAFIR))

INSPECTIE WERK EN INKOMEN 2003

Inleiding

Per 1 maart 2004 zal de inspectie definitief worden ingericht met twee toezichtdirecties, te weten de directie Toezicht ZBO'en en de directie Toezicht Gemeenten. Daarnaast is er een directie Toezicht Algemeen waarin de toezichtondersteunende taken zoals strategie- en beleidsontwikkeling, planning en control en kwaliteitsborging zijn gebundeld. De afdelingen Juridische Zaken en Onderzoek zijn in de directie Toezicht Algemeen ondergebracht. De directies worden ondersteund door het Bureau Bedrijfsvoering op het gebied van personeel en financiën, documentaire informatie voorziening en facility management.

In het kader van de taakstellingen die, op grond van het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord van de kabinetten Balkenende I en II, aan de inspectie zijn opgelegd, dient de inspectie in totaal 181 fte's in te leveren. De formatie van IWI neemt af van 419 fte's in 2002 tot 238 fte's per 1 maart 2004. De gevolgen voor het toezicht van de invoering van de Wet Werk en Bijstand (WWB) per 1 januari 2004 zijn hierin verwerkt.

Het centrale kantoor van de inspectie is medio september 2003 verhuisd van Zoetermeer naar Den Haag. Daarnaast heeft de inspectie regionale kantoren in Amsterdam, Groningen, Arnhem, Eindhoven en Dordrecht. De vijf regiokantoren zullen als gevolg van de invoering van de WWB in de loop van 2004 gesloten worden.

De inspectie heeft vanaf 1 januari 2002 de tijdelijke status van batenlastendienst. Eind januari 2004 zijn alle instellingsproducten aan de toetsingscommissie verzelfstandiging voorgelegd. Het jaar 2004 wordt gebruikt om proef te draaien met het doel het verkrijgen van de definitieve status van batenlastendienst per 1 januari 2005. De jaarrekening 2003 is, evenals de jaarrekening 2002, conform het batenlastenmodel opgesteld.

(Alle bedragen die in deze jaarrekening zijn opgenomen zijn, tenzij anders is vermeld, in veelvouden van € 1 000.)

2 Balans per 31 december 2003 en toelichtingen

 Balans 31-12-2003Balans 31-12-2002
Activa  
Materiële vaste activa  
• Grond en gebouwen169
• Installaties en inventarissen768478
• Dienstauto's
Vlottende activa  
• Voorraden6
• Vorderingen4 31714 697
• Nog te ontvangen/vooruitbetalingen287
• Liquide middelen21 1494 803
   
Totaal activa26 52120 153
Passiva  
Vermogen  
• Exploitatiereserve1 476
• Onverdeeld resultaat–/- 5001 654
Langlopende schulden  
• Leningen
Voorzieningen17 67415 621
Kortlopende schulden  
• Crediteuren2 329513
• Nog te betalen5 5422 365
   
Totaal passiva26 52120 153

Toelichting op de balans

Waarderingsgrondslagen

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen verkrijgingspijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De afschrijvingstermijnen passen binnen de aangegeven eisen zoals opgenomen in het handboek Financiële Informatie en Administratie van de Rijksoverheid (HAFIR).

De overige balansposten worden gewaardeerd op de nominale waarde.

Activa

Materiële vaste activa

Verloopstaat materiële vaste activa
 grond en gebouweninstallaties en inventarissendienstauto's
Aanschaffingsprijs1 0351 44010
Cumulatieve afschrijvingen-/- 866-/- 962-/- 10
Boekwaarde 1-1-2003169478
    
Aanschafwaarde investeringen541
Afschrijvingen 2003-/- 169-/- 251
    
Boekwaarde 31-12-2003768

De investeringen in verbouwingen, technische installaties, meubilair en stoffering worden lineair in 8 jaar (12,5% per jaar) afgeschreven, de investeringen in kantoorapparatuur en dienstauto's in 5 jaar (20% per jaar). Investeringen in hard- en software, voor zover niet begrepen in de service level agreement ICT-basisdiensten, zullen in drie jaar (33,3% per jaar) worden afgeschreven. In de afschrijvingskosten is een versnelde afschrijving van € 61 000 opgenomen voor de vloerbedekking van het regiokantoor in Dordrecht.

De nieuwe investeringen betreffen voornamelijk inventaris en apparatuur voor het nieuwe gebouw CentreCourt, zoals de telefooninstallatie, audiovisuele apparatuur en meubilair.

Vlottende activa

De inspectie heeft een vordering van € 3 856 000 op het moederdepartement opgenomen in verband met de vorming van de voorziening voor reorganisatiekosten. Van deze vordering heeft € 653 000 een looptijd van minder dan een jaar. Het departement zal hiervoor in 2004 aanvullende middelen beschikbaar stellen uit het centrale budget voor flankerend beleid.

Daarnaast is een vordering ad € 272 000 opgenomen op het moederdepartement in verband met de voorgeschoten kosten van inrichting, voornamelijk meubilair, van het deel van het CentreCourt dat in gebruik is bij de Arbeidsinspectie.

Onder de nog te ontvangen bedragen/vooruitbetalingen is de lopende rente op uitstaande deposito's opgenomen voor € 193 000.

Liquide middelen

De liquide middelen betreffen de rekening-courant ad € 5,1 miljoen en de uitgezette deposito's ad € 16,0 miljoen met de afdeling Rijksbegroting Informatiecentrum van het Ministerie van Financiën.

Passiva

Vermogen

Onverdeeld resultaat

Het negatieve saldo van baten en lasten over 2003 ad € 0,5 miljoen is in de balans opgenomen als onverdeeld resultaat. Dit resultaat zal in 2004 ten laste van de exploitatiereserve worden gebracht.

Exploitatiereserve

De exploitatiereserve wordt gevormd voor het opvangen van incidentele negatieve exploitatieresultaten.

Verloopstaat exploitatiereserve
Stand 1-1-2003
Mutaties 20031 476
  
Stand 31-12-20031 476

De exploitatiereserve zal in 2004 met € 0,5 miljoen afnemen tot € 976 000 en blijft hiermee ruim binnen de in de regelgeving gestelde norm.

Voorzieningen

De voorzieningen betreffen:

– de voorziening voor wachtgeldverplichtingen voormalig Ctsv-medewerkers;

– de voorziening voor de reorganisatie van de inspectie in 2004;

– de voorziening voor incidentele huisvestingskosten die verband houden met de verhuizing van de inspectie van Zoetermeer naar Den Haag.

Voorziening voor wachtgeldverplichtingen voormalig Ctsv-medewerkers

Verloopstaat voorziening voor wachtgeldverplichtingen voormalige Ctsv'ers
Stand 1-1-200313 221
Wachtgeldkosten 2003-/- 1 670
Rentedotatie (over het gemiddelde saldo)249
Vrijval 2003 ten gunste van onverdeeld resultaat-/- 429
  
Stand 31-12-200311 371

Ultimo 2003 is de voorziening opnieuw gewaardeerd op grond van het actuele kostenniveau en de actuele looptijden. Bij de herwaardering is géén rekening gehouden met toekomstige loonontwikkelingen, noch met kortingen op de uitkeringen als gevolg van neveninkomsten van de uitkeringsgerechtigden. Verondersteld is dat de effecten hiervan op de wachtgelduitgaven elkaar compenseren.

Van deze verplichtingen heeft € 1,8 miljoen een looptijd van minder dan 1 jaar en € 3,4 miljoen een looptijd van meer dan 5 jaar. Op de uitgaven 2003 zijn de kortingen neveninkomsten voor een bedrag van € 278 000 in mindering gebracht.

Voor deze voorziening is een bedrag van € 13,9 miljoen van het departement ontvangen. Deze middelen zijn grotendeels op deposito gezet. De gegenereerde rentebaten over het gemiddelde saldo van de voorziening is aan de voorziening toegevoegd.

Het verschil in waardering ten opzichte van het administratieve saldo valt, conform de afspraak met het moederdepartement, vrij ten gunste van het onverdeelde resultaat.

Voorziening voor reorganisatie

De inspectie is per 1 maart 2004 gereorganiseerd als gevolg van de opgelegde taakstellingen (Stategisch Akkoord en Hoofdlijnenakkoord) en de gevolgen voor het toezicht van de invoering van de Wet Werk en Bijstand (WWB). In totaal dient de inspectie 181 fte's in te leveren. De formatie van IWI neemt af van 419 fte's in 2002 tot 238 fte's. Voor deze reorganisatie is ten laste van 2003 een voorziening gevormd.

Verloopstaat voorziening voor reorganisatie 2004
Stand 1-1-2003
Dotatie in verband met reorganisatie 1 maart 20046 303
  
Stand 31-12-20036 303

Als gevolg van deze reorganisatie is een groep medewerkers (tijdelijk) boven sterkte geplaatst, tot aan de FPU-leeftijd, of (voor zover bekend) tot de datum van vertrek bij de inspectie. Daarnaast is een groep medewerkers niet geplaatst en wordt voor deze groep, waar dit zinvol is, een outplacementtraject ingezet. Van deze verplichtingen heeft € 3,1 miljoen een looptijd van vermoedelijk minder dan 1 jaar en € 0,5 miljoen een looptijd van waarschijnlijk meer dan 5 jaar.

Op individueel niveau is een schatting gemaakt van de kosten die hiermee verband houden. De ingeschatte kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd:

Dotatie voorziening voor reorganisatie 2004
Tijdelijk boven sterkte geplaatste medewerkers (41)2 539
Niet geplaatste medewerkers (44)3 329
Outplacementtrajecten (30)200
Overige kosten flankerend beleid235
Totaal6 303

De kosten van de tijdelijk boven sterkte geplaatste medewerkers betreffen voornamelijk de kosten van loondoorbetaling tot het moment van ontslag. Vooruitlopend op de definitieve inrichting van de inspectie per 1 maart 2004 zijn in 2003 met een groep oudere medewerkers, van wie hun functie zal komen te vervallen, afspraken gemaakt over vervroegde uittreding. De per balansdatum openstaande verplichtingen ad € 845 000 zijn ten laste van flankerend beleid geboekt en als nog te betalen kosten in de balans opgenomen.

Voor de niet geplaatste medewerkers hebben de kosten eveneens voornamelijk betrekking op de kosten van loondoorbetaling tot het moment dat betrokkenen een nieuwe baan vinden, waarbij de looptijd per individu is ingeschat. In een aantal gevallen is tevens rekening gehouden met een werkloosheidsuitkering na afloop van de herplaatsingsperiode van 18 maanden.

De post overige kosten flankerend beleid is een stelpost voor onder meer de kosten van opleidingen, vertrekpremies voor medewerkers die buiten het departement een nieuwe baan vinden en de kosten van de tijdelijke doorloop van dienstauto's van medewerkers die binnen het departement een nieuwe betrekking aanvaarden.

Voorziening voor incidentele huisvestingskosten

Verloopstaat voorziening incidentele huisvestingskosten
Stand 1-1-20032 400
Onttrekking in 2003–/- 2 400
Stand 31-12-2003

De voorziening voor incidentele huisvestingskosten had betrekking op het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van het achtergelaten pand in Zoetermeer en de kosten van overlappende perioden van huur van de panden in de periode voor en na de verhuizing. De werkelijke incidentele huisvestingskosten ad € 3,8 miljoen hebben de voorziening overschreden met € 1,4 miljoen. Deze zijn verantwoord als buitengewone last.

Kortlopende schulden

De kortlopende schulden betreffen de openstaande crediteuren en de overlopende nog te betalen posten, waaronder de salariskosten over december 2003, de huurkosten van het CentreCourt over 2003 en het saldo van de opgebouwde vakantietoeslag per 31 december 2003.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Huurovereenkomsten gebouwen

De inspectie heeft huurcontracten voor de navolgende panden:

KantoorpandLooptijd totJaarlijkse huurlasten
Den Haag, Centre Court31 december 20123 450 000
Amsterdam, Radarweg 6031 augustus 2004147 000
Arnhem, Eusebiusplein 1a31 december 2004115 000
Dordrecht, Spuiboulevard 342–34431 december 2006115 000
Eindhoven, Zernikestraat 3–931 december 2004155 000
Groningen, Cascadeplein 2–1013 februari 2017161 000

De huurlasten van het CentreCourt zijn inclusief de BTW-compensatie over de bouwkosten en een opslag op de huur voor het inbouwpakket.

De huurovereenkomsten voor de panden in Amsterdam, Arnhem en Eindhoven lopen in 2004 af en zijn reeds opgezegd op de expiratiedatum. De panden in Dordrecht en Groningen zullen worden betrokken in een SZW-breed onderzoek naar de huisvesting in de regio's. Het onderzoek leidt tot een rapportage op grond waarvan keuzes gemaakt kunnen worden over de huisvesting van de diverse onderdelen van het departement.

Leaseovereenkomsten dienstauto's

Onder de mantelovereenkomst die het moederdepartement heeft met een leasemaatschappij heeft de inspectie leaseovereenkomsten gesloten voor de dienstauto's van (voornamelijk) ambulante medewerkers in de regio's. Ultimo het verslagjaar stonden 34 auto's onder contract met verschillende resterende looptijden. De jaarlijkse lasten, inclusief verzekering, bedragen circa € 250 000.

Overeenkomsten inhuur extern personeel

Ultimo het verslagjaar zijn er nog openstaande verplichtingen voor de inhuur van extern personeel voor een totaalbedrag van circa € 100 000. Daarnaast lopen nog extern uitbestede onderzoeken met een resterende verplichting van circa € 40 000.

3 Staat van baten en lasten 2003 en toelichtingen

Staat van baten en lasten 2003
 Begroting 2003Realisatie 2003Verschil
Baten   
Opbrengst moederdepartement35 89335 725-/- 168
Rentebaten145145
Buitengewone baten3 8563 856
Vrijval voorziening429429
Exploitatiebijdrage
Totaal baten35 89340 1554 262
    
Lasten   
Apparaatskosten   
• Personele kosten27 63225 512-/- 2 120
• Materiële kosten7 9457 055-/- 890
Afschrijvingskosten   
• Materieel316420104
Dotaties voorzieningen6 3036 303
Buitengewone lasten1 3651 365
Totaal lasten35 89340 6554 762
    
Saldo van baten en lasten-/- 500-/- 500

Toelichting op de staat van baten en lasten 2003

Baten

Opbrengst departement SZW

In de jaarrekening worden de realisaties vergeleken met het oorspronkelijke begrotingskader. In onderstaand overzicht is de ontwikkeling opgenomen van het oorspronkelijke budgettaire kader 2003 tot de gerealiseerde opbrengst moederdepartement.

Budgettair kader 2003
Oorspronkelijk budgettair kader 200335 893
  
Mutaties voorjaarsnota 2003: 
Bij: Extra huisvestingskosten CentreCourt1 900
Af: Wachtgeldvoorziening Ctsv-/- 1 610
Af: Taakstelling Regeerakkoord voor 2003-/- 2 700
Af: Bijdrage IWI aan budgettaire knelpunten moederdepartement-/- 330
Bij: Budget voor flankerend beleid300
  
Mutaties miljoenennota 2004 
Bij: Loonindexatie 2003681
Bij: Overdracht taak A&G 0,5 fte13
  
Mutaties najaarsnota 2003: 
Bij: Aanvullend budget flankerend beleid350
Bij: Terugontvangen storting t.b.v. voorziening reorganisatie178
Bij: Aanvullende middelen t.b.v. voorziening reorganisatie1 000
Bij: Aanvullend budget t.b.v. flexibel belonen50
  
Budgettair kader 200335 725

Rentebaten

De rentebaten betreffen de rekening-courant en de depositorekeningen bij de afdeling Rijksbegroting Informatiecentrum van het Ministerie van Financiën. De totale rentebaten belopen € 394 000. Hiervan heeft € 249 000 betrekking op de uitstaande middelen die verband houden met de voorziening voor wachtgeldverplichtingen van voormalige Ctsv-medewerkers. Dit bedrag is derhalve aan de voorziening toegevoegd.

De ontvangen rente op de rekening-courant en de depositorekeningen is gebaseerd op de renteaanschrijving van het Ministerie van Financiën die in het kader van de leen- en depositofaciliteit agentschappen twee keer per jaar wordt uitgebracht.

Buitengewone baten

De vordering op het moederdepartement betreffende de reorganisatievoorziening is in overleg met de eigenaar (SG) opgenomen en is in de resultatenrekening als buitengewone baat verantwoord.

Vrijval voorziening

De voorziening wachtgeldverplichtingen voormalige Ctsv-medewerkers wordt jaarlijks opnieuw gewaardeerd tegen actuele kosten en looptijden. Ultimo 2003 bleek het administratieve saldo € 429 000 hoger dan het geherwaardeerde saldo. Dit bedrag is daarom vrijgevallen.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten zijn als volgt te specificeren:

 Begroting 2003Realisatie 2003Verschil
Salarissen en sociale lasten22 17020 814-/- 1 356
Inhuur personeel en uitbestede projecten2 0692 010-/- 59
Voormalig personeel1 610-/- 1 610
Overige personele kosten1 7832 688905
Totaal personele kosten27 63225 512-/- 2 120

Salarissen en sociale lasten

De oorspronkelijke begroting voor salarissen en sociale lasten is, als gevolg van de aan de inspectie opgelegde taakstelling van het Regeerakkoord van kabinet Balkenende I, neerwaarts bijgesteld met € 2,7 miljoen. Daartegenover is hoofdzakelijk als gevolg van indexatie van de loonkosten een extra budget van € 0,7 miljoen van het departement ontvangen.

In 2003 was de formatie van de inspectie 369 fte's (in 2002 nog 419 fte's). De gemiddelde bezetting komt uit op circa 350 fte's tegen 378 fte's in 2002

Inhuur personeel en uitbestede projecten

Deze post omvat de kosten van inhuur van externe deskundigen, uitbestede projecten en uitzendkrachten. Op de kosten van uitzendkrachten komen de ontvangen ZW- en WAO-uitkeringen in mindering. De kosten van externe deskundigen kunnen voornamelijk worden toegeschreven aan de inhuur van ICT-deskundigen, deskundigen voor de begeleiding en uitvoering van diverse toezichtactiviteiten en interim-management.

De kosten van uitbestede projecten betreffen het onderzoek naar de reïntegratiepraktijk van arbeidsgehandicapten en het onderzoek naar de mogelijke verschillen in verzuimbegeleiding, arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en reïntegratie tussen allochtone en autochtone cliënten.

Voormalig personeel

In de oorspronkelijke begroting was rekening gehouden met de wachtgelduitgaven van voormalige Ctsv-medewerkers. Bij de voorjaarsnota 2003 is dit bedrag ad € 1 610 000 in mindering gebracht op het budgettaire kader. De kosten van voormalig personeel, voornamelijk wachtgeld, komen ten laste van de in de balans opgenomen voorziening.

Overige personeelskosten

De overschrijding op de uitgaven aan overige personeelskosten is toe te schrijven aan de kosten van flankerend beleid verband houdend met de formatietaakstelling van het kabinet Balkenende I. Deze kosten belopen in 2003 ruim € 1,3 miljoen.

Om het aantal gedwongen ontslagen te voorkomen zijn in 2003 afspraken gemaakt met individuele medewerkers die hun FPU-leeftijd dicht zijn genaderd en waarvan de functie in 2004, of kort daarna, zal komen te vervallen. De afspraken betreffen in veel gevallen vervroegde uittreding waarbij de FPU-uitkering tot een bepaald niveau is ingekocht door de inspectie. Daarnaast zijn de loonkosten van «om niet» gedetacheerde medewerkers ten laste van het flankerend beleid gebracht. Dit in de verwachting dat zij daar een nieuwe werkomgeving vinden.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn als volgt te specificeren:

 Begroting 2003Realisatie 2003Verschil
ICT/Automatisering2 0301 599-/- 431
Huisvesting3 3973 718321
Bureaukosten2 5181 738-/- 780
Totaal materiële kosten7 9457 055-/- 890

ICT/automatisering

De kosten van ICT/automatisering betreffen in hoofdzaak de kosten van de service level agreement ICT-basisdiensten die de inspectie heeft afgesloten met de directie Algemene Zaken van het kerndepartement.

Huisvestingskosten

In het oorspronkelijke begrotingskader was geen rekening gehouden met de verhuizing. Met de voorjaarsnota 2003 heeft de inspectie aanvullend budget gekregen voor de structurele stijging van de huurkosten van het huidige pand ten opzichte van het oude pand. De verhuizing is dan ook de oorzaak van de overschrijding.

De investeringen in het nieuwe pand, zoals wanden, vloerbedekking, bekabeling en verlichting worden als een opslag op de huurkosten gedurende 10 jaar aan de inspectie in rekening gebracht.

Bureaukosten

De bureaukosten betreffen de kosten van kantoorbenodigdheden, documentatie, communicatie en voorlichting, catering, dienstreizen en lease-auto's.

Afschrijvingskosten

Als gevolg van de verhuizing zijn alle activaposten die onlosmakelijk verbonden zijn met het oude pand in Zoetermeer tot de datum van de verhuizing naar Den Haag versneld afgeschreven. Dit zorgt voor een overschrijding op de begrote post voor afschrijvingen.

Op de vloerbedekking van het pand in Dordrecht is € 61 000 extra afgeschreven in verband met de opheffing van de regiokantoren in 2004.

De activaposten meubilair en apparatuur zijn meeverhuisd naar het nieuwe pand. De nieuwe investeringen in de telefooninstallatie, meubilair en apparatuur zijn uit eigen middelen gefinancierd en worden gedurende de gebruiksduur afgeschreven.

Buitengewone lasten

In september 2003 is het hoofdkantoor van de inspectie verhuisd van Zoetermeer naar Den Haag. In de balans per 31 december 2002 is een voorziening ad € 2,4 miljoen gevormd voor de incidentele huisvestingskosten die verband houden met de verhuizing, zoals de kosten van dubbele huur (kosten van leegstand) en het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van het pand in Zoetermeer. Uiteindelijk bleek de gevormde voorziening niet toereikend. De voorziening is geheel opgesoupeerd. De overige incidentele huisvestingskosten ad € 1,4 miljoen zijn verantwoord als buitengewone lasten.

4 Kasstroomoverzicht

 Realisatie 2003
1. Saldo rekening courant RHB 1 januari 20034 787
  
2. Totaal operationele kasstroom16 901
-/- Totaal investeringen-/- 541
+/+ Totaal boekwaarde desinvestingen
3. Totaal investeringskasstroom-/- 541
-/- Eenmalige uitkering aan moederdepartement-/- 178
+/+ Eenmalige storting door het moederdepartement178
-/- Aflossing op leningen
+/+ Beroep op leenfaciliteit
4. Totaal financieringskasstroom
  
5. Saldo rekening courant RHB 31 december 200321 147

In de oorspronkelijke begroting 2003 van de inspectie zelf is geen kasstroomoverzicht opgenomen.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom betreft grotendeels de vereffening van de vordering op het moederdepartement inzake de wachtgeldverplichtingenaan voormalige Ctsv-medewerkers. Daarnaast is hierin opgenomen de schuld aan het moederdepartement in zake de salariskosten over december 2003 en de huur van het CentreCourt over het gehele jaar 2003. De mutatie in de voorzieningen is hierop in mindering gebracht.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom betreft in hoofdzaak de nieuwe investeringen in de inrichting van het CentreCourt.

5 Overzicht vermogensontwikkeling

 Realisatie 2003
1. Eigen vermogen per 1 januari 20031 654
  
2. Saldo van baten en lasten-/- 500
  
3a. Uitkering aan het moederdepartement-/- 178
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van het eigen vermogen
3c. Overige mutaties
3. Totaal directe mutaties in het eigen vermogen–/- 178
  
4. Eigen vermogen per 31 december 2003976

In de oorspronkelijke begroting 2003 is geen overzicht vermogensontwikkeling opgenomen.

Het eigen vermogen, bestaande uit de exploitatiereserve en het onverdeelde resultaat, daalt in 2003 per saldo met € 678 000 tot € 976 000.

De uitkering aan het moederdepartement betreft de overwaardering van de voorziening voor wachtgeld van voormalig Ctsv-personeel per 31 december 2002.

Agentschap SZW

Grondslagen van waardering en resultaatbepaling

Het Agentschap SZW volgt bij de opstelling van de financiële verantwoordingen de inrichtingseisen zoals die zijn opgenomen in de Comptabiliteitswet.

Balans

Activa

Immateriële vaste activa

De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen. De investeringen worden in vijf jaar afgeschreven en zijn gefinancierd met een investeringslening bij het Ministerie van Financiën.

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen. De afschrijvingstermijn is gelijk aan de geschatte economische levensduur van de betreffende activa. De investeringen worden in drie jaar afgeschreven.

Debiteuren, overige vorderingen en overlopende activa

De vorderingen zijn gewaardeerd op nominale waarde. Voor de mogelijke oninbaarheid zijn geen voorzieningen getroffen.

Passiva

Agentschapvermogen

Voorzieningen

De voorziening verlofstuwmeer werd in 2002 bepaald door het totale aantal uren verlof te delen door de aanwezigheidsuren per fte. Vervolgens werd dit aantal vermenigvuldigd met de gemiddelde loonkosten per fte. De grondslag voor de gemiddelde loonkosten waren ontleend aan de handleiding overheidstarieven van het ministerie van Financiën. Aangezien de loonkosten per medewerker bekend zijn, heeft het Agentschap over 2003 de gemiddelde loonkosten volgens de handleiding van het ministerie van Financiën vervangen door de werkelijke loonkosten over 2003.

De voorziening pro-actief P-beleid is gewaardeerd op de te verwachten nominale kosten.

Crediteuren

De crediteuren hebben betrekking op de handelscrediteuren en zijn gewaardeerd op nominale waarde.

Overige schulden en nog te betalen kosten

De nog te betalen kosten zijn gewaardeerd tegen nominale waarde (contractwaarde) en zij hebben deels betrekking op periodieke kosten waarvan nog geen facturen zijn ontvangen en deels betrekking op de aflossingsverplichtingen inzake de afgesloten leningen.

Staat van baten & lasten

Baten

De omzet is gewaardeerd tegen opbrengstwaarde en wordt als gerealiseerd beschouwd in de periode waarin de diensten zijn verricht en/of de producten zijn geleverd.

Lasten

Lasten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Balans per 31 december 2003 (bedragen x € 1 000)
 Balans per 31 december 2003Balans per 31 december 2002
Activa  
Immateriële activa565344
Materiële activa  
• grond en gebouwen  
• installaties en inventarissen  
• overige materiële vaste activa12362
Voorraden  
Debiteuren71372
Nog te ontvangen1 396959
Liquide middelen5 0606 887
Totaal activa7 8578 323
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
• exploitatiereserve250250
• verplichte reserves  
• onverdeeld resultaat34 
Leningen bij het MvF1 753313
Voorzieningen1 228370
Crediteuren1 2881 467
Nog te betalen3 3045 924
Totaal passiva7 8578 323
Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003 (bedragen x € 1 000)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement11 84410 447– 1 397
Opbrengst overige departementen 8080
Opbrengst derden 
Rentebaten 2727
Buitengewone baten 
Exploitatiebijdrage 5 6485 648
Totaal baten11 84416 2024 358
    
Lasten   
Apparaatskosten   
• personele kosten8 14510 7312 586
• materiële kosten3 5404 209669
Rentelasten2618– 8
Afschrijvingskosten   
• materieel 4848
• immaterieel133118– 15
Dotaties voorzieningen 1 0001 000
Buitengewone lasten 4444
Totaal lasten11 84416 1684 324
    
Saldo van baten en lasten03434
Kasstroomoverzicht 1 januari tot en met 31 december 2003 (bedragen x € 1 000)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RIC 1 januari 20035306 8876 357
    
2. Totaal operationele kasstroom133– 3 272– 3 405
    
Totaal investeringen (-/-) – 448– 448
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 00
3. Totaal investeringskasstroom0– 448– 448
    
Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) 
Eenmalige storting door moederdepartement (+) 00
Aflossingen op leningen (-/-)133– 87– 220
Beroep op leenfaciliteit (+) 1 9801 980
5. Totaal financieringskasstroom– 1331 8932 026
    
5. Rekening-courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)5305 0604 530
Overzicht vermogensontwikkeling (x € 1 000)
 19992000200120022003 begroting2003 realisatie
1. Eigen vermogen per 1 januari   250250250
2. Saldo van baten en lasten     34
3a. Uitkering aan moederdepartement      
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen  250   
3c. Overige mutaties in eigen vermogen      
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen  2500  
4. Eigen vermogen per 31 december(1+2+3)00250250250284

Toelichting op de balans per 31 december 2003 (in € 1 000)

Vaste Activa

Immateriële Vaste Activa
 31 december 200331 december 2002
Aanschafwaarde begin boekjaar443354
Investeringen33989
Cumulatieve aanschafwaarde per balansdatum782443
Cumulatieve afschrijving begin boekjaar9922
Afschrijving in boekjaar11877
Cumulatieve afschrijving per balansdatum21799
   
Boekwaarde565344

De investeringen in de verslagperiode hebben betrekking op het ontwikkelen van programma's (€ 141) en de aanschaf van specifieke software voor het uitvoeren van regelingen (€ 173) en voor de bedrijfsvoering van het agentschap in het algemeen (€ 25).

Materiële Vaste Activa
 31 december 200331 december 2002
Aanschafwaarde begin boekjaar8012
Investeringen10968
Cumulatieve aanschafwaarde per balansdatum18980
Cumulatieve afschrijving begin boekjaar183
Afschrijving in boekjaar4815
Cumulatieve afschrijving per balansdatum6618
   
Boekwaarde12362

In de verslagperiode is geïnvesteerd in hardware. Daarnaast zijn de uren geïnvesteerd die nodig waren voor het activeren van de FileNet programmatuur op de server bij de afdeling FBGCI van het ministerie.

Voor de uitgevoerde en toekomstige investeringen zijn bij het Ministerie van Financiën twee leningen aangevraagd van in totaal € 1 980, waarvan een lening ad € 421 voor de aanschaf van materiële vaste activa en een lening ad € 1 560 voor de verkrijging van immateriële vaste activa. De leningen zijn toegekend en per 19 december 2003 zijn de gelden ontvangen.

Vlottende activa

Debiteuren
 31 december 200331 december 2002
Debiteuren m.b.t. Unit ESF-3 en Equal6650
Debiteuren m.b.t. Unit ESF 1994 – 19994072
Debiteuren m.b.t. Overige Opdrachten80
 71372

De post «debiteuren m.b.t. Unit ESF-3 en EQUAL» betreft vorderingen inzake de doorbelasting aan de directie ABG voor de periode november voor ESF-3 (€ 429) en december voor Equal (€ 236).

De post «debiteuren met betrekking tot Unit ESF 1994–1999» betreft vorderingen op enkele projectuitvoerders (€ 45) en een vordering wegens een openstaande creditnota op Kliq Reïntegratie (€ 8).

De post «debiteuren met betrekking tot overige opdrachten» betreft een vordering op het ministerie van Justitie voor de uitvoering van de regeling Europees Vluchtelingen Fonds (€ 8).

Nog te ontvangen
 31 december 200331 december 2002
Vooruitbetaalde kosten127245
Te ontvangen regelingsgelden1 0800
Door te berekenen kosten013
Overige overlopende activa1890
Rekening courant SZW0700
 1 396959

De vooruitbetaalde kosten hebben onder andere betrekking op afgesloten service overeenkomsten voor software (€ 10), aanvraagformulieren voor ESF3 (€ 33) en openbaarvervoerkaarten van het vaste personeel (€ 53).

De post te ontvangen regelingsgelden bestaat uit definitief af te rekenen omzet 2003. De belangrijkste posten zijn: te factureren ESF oud (€ 648), ESF-3 (€ 458) en te crediteren BVG (€ 55).

De overige overlopende activa bestaan geheel uit posten waarvoor nog creditnota's te ontvangen zijn.

Liquide middelen

Liquide middelen
 31 december 200331 december 2002
RC hoofdboekhouding Ministerie van Financiën5 0606 887
 5 0606 887

De Rekening Courant Mifi Beheersgelden heeft betrekking op de rekening-courant en leen- en/of depositorekening bij het Ministerie van Financiën. De rekening Courant Mifi Beheers-gelden is in de verslagperiode positief gebleven.

Passiva

Agentschapvermogen
 31 december 200331 december 2002
Exploitatie reserve250250
Onverdeeld resultaat340
 284250

Leningen bij het Ministerie van Financiën

Langlopende schulden
 31 december 200331 december 2002
Investeringen I 2002  
Hoofdsom5656
Waarvan kortlopend– 19– 19
Cumulatieve aflossing begin boekjaar00
Aflossing in boekjaar– 180
Cumulatieve aflossing per balansdatum00
   
Boekwaarde1937
   
Investeringen II 2002  
Hoofdsom344344
Waarvan kortlopend– 69– 69
Cumulatieve aflossing begin boekjaar00
Aflossing in boekjaar– 690
Cumulatieve aflossing per balansdatum00
   
Boekwaarde206275
   
Investeringen III 2003  
Hoofdsom4200
Waarvan kortlopend– 1400
Cumulatieve aflossing begin boekjaar 0
Aflossing in boekjaar 0
Cumulatieve aflossing per balansdatum 0
   
Boekwaarde2800
   
Investeringen IV 2003  
Hoofdsom1 5600
Waarvan kortlopend– 3120
Cumulatieve aflossing begin boekjaar  
Aflossing in boekjaar  
Cumulatieve aflossing per balansdatum  
   
Boekwaarde1 2480
   
Totaal Leningen1 753312

De materiele vaste activa zijn gefinancierd met de investeringslening I 2002 en investeringslening III 2003, de immateriële vaste activa met de investeringslening II 2002 en investeringslening IV 2003.

De looptijd van de Investeringslening I 2002 is drie jaar en het rentepercentage bedraagt 3,35%. Voor de investeringslening II 2002 is de looptijd vijf jaar en bedraagt het rentepercentage 3,72%.

De investeringslening III 2003 heeft een looptijd van 3 jaar en een rentepercentage van 2,69%. Investeringslening IV 2003 heeft een looptijd van 5 jaar met een rentepercentage van 3,22%.

Voorzieningen

Voorziening personeel
 31 december 200331 december 2002
Stand voorziening begin boekjaar370405
Mutatie in boekjaar858– 35
Stand voorziening per balansdatum1 228370

De voorziening voor personeel heeft betrekking op het pro-actieve P-beleid voor 2004 en de vakantierechten (verlofstuwmeer) van het personeel.

De mutatie betreft een dotatie aan de voorziening van € 1 000 in het kader van het pro-actieve P-beleid 2004, alsmede een vrijval van de voorziening verlofstuwmeer van -/- € 142

Het agentschap heeft de berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van het verlofstuwmeer aangepast.

Het effect van de wijziging voor de resultatenrekening (RR) is, op basis van een daling van het aantal uren in 2003 van 2802 waardoor de stand per 31 december 7339 uren is, als volgt weer te geven:

Voorziening verlofstuwmeer
 effect RRmethode 2003methode 2002
Stand per balansdatum 1.1.20030370370
Stand per balansdatum 31.12.200333228261
mutatie (vrijval voorziening)33142109

Schulden op korte termijn

Crediteuren

Crediteuren
 31 december 200331 december 2002
Crediteuren m.b.t. ESF 1994–1999661 262
Crediteuren m.b.t. ESF 2000 – 20061 222205
Betalingen onderweg0 
 1 2881 467

Nog te betalen

Overige schulden en overlopende passiva
 31 december 200331 december 2002
Externe medewerkers441329
Huisvesting463647
Salarissen584 
Vakantiegeld en eindejaarsuitkering192202
SLA automatisering en loonverwerking293538
Accountantskosten en juridische adviseurs68223
Nog te verrekenen beleid118
Overlopende passiva6751
Aflossingsverplichting lening I bj1919
Aflossingsverplichting lening II bj6969
Aflossingsverplichting lening III bj140 
Aflossingsverplichting lening IV bj312 
Vooruitontvangen bedragen37 
Regelingsgelden 3 888
 3 3045 924

Er zijn nog facturen te ontvangen voor de inhuur van externe medewerkers, huisvesting, vakantiegeld en eindejaarsuitkering, SLA automatisering en loonverwerking en accountantskosten en juridische adviseurs. De post salarissen bestaat uit de te betalen salarissen over de maand december. Dit is in januari 2004 voldaan.

«Nog te verrekenen beleid» heeft betrekking op bankkosten welke nog verrekend worden met de programmakosten.

De «Overlopende passiva» hebben betrekking op (geschatte) kosten voor met name de ontwikkeling van software en nog te ontvangen facturen over boekjaar 2003 met betrekking tot de ontwikkelsoftware van Filenet.

De vooruit ontvangen bedragen hebben betrekking op het uitvoeren van de herstelactie digitaliseren.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Verplichtingen die op grond van het toerekeningsbeginsel niet in de balans zijn opgenomen, maar die noodzakelijk zijn ten behoeve van een juiste beoordeling van de vermogenspositie van het Agentschap SZW, worden vermeld in deze paragraaf.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen (x € 1 000)
Huur- en servicekosten1 298
Kosten SLA ICT662
Kosten SLA P&O43
Totaal2003

Toelichting op de verantwoordingsstaat 2003 (in € 1 000)

Opbrengst moederdepartement

In de oorspronkelijke vastgestelde begroting hebben de opbrengsten betrekking op de regelingen ESF 2000–2006 (ESF-3, € 5 924 en Equal € 2 970), ESF 1994–1999 (€ 2 050) en de regelingen Bijstand Buitenland, Klantmanagement, Spag, BVG en RPA (in totaal € 900), samen € 11 844.

Het uiteindelijke afgesproken offerte bedrag in 2003 bedroeg € 9 001 en had betrekking op de regelingen ESF-2000–2006 (ESF-3 en Equal), Bijstand Buitenland, Klantmanagement, Spag, BVG, RPA en Sociale Activering. In de loop van 2003 is het Agentschap SZW gestart met de uitvoering van de regeling ID-banen en de Tijdelijke Stimuleringsregeling Samenwerkingsverband ABW. Deze nieuwe regelingen zijn niet in de begroting opgenomen.

De gerealiseerde opbrengst van € 10 447 is € 653 hoger dan de begroting, exclusief ESF 1994–1999, (€ 11 844 minus € 2 050 is € 9 794) en is hoofdzakelijk gegenereerd door de nieuwe regeling ID-banen.

Opbrengst overige departementen

De opbrengst overige departementen heeft betrekking op de regeling «Europees VluchtelingenFonds» (EVF) en is een opdracht van het Ministerie van Justitie. Met ingang van 1 januari 2003 is de regeling in behandeling genomen. De omzet voor de uitvoering van deze regeling bedraagt € 80.

Rente

De rentebaten heeft betrekking op de Rekening Courant Mifi Beheer. Het gehanteerde rentepercentage in 2003 was variabel. In de begroting is geen rekening gehouden met rentebaten.

Exploitatie bijdrage

In de begroting is geen rekening gehouden met een exploitatiebijdrage. De opbrengst voor de regeling ESF 1994–1999 (€ 2 050) is opgenomen bij de opbrengst moederdepartement.

In de realisatie bestaat de exploitatiebijdrage van € 5 648 uit een bijdrage voor het afwikkelen van ESF-3 1994–1999 van € 2 175 en een transformatiebijdrage van € 3 478.

De bijdrage voor het afwikkelen van ESF 1994–1999 heeft voor het grootste gedeelte (75%) betrekking op personele kosten.

De transformatiebijdrage heeft voor € 2 478 betrekking op kosten gemaakt in 2003 en voor € 1 000 op een dotatie aan de personeelsvoorziening.

Apparaatskosten, personele kosten

De kosten van het ambtelijke personeel zijn € 510 lager dan begroot, de kosten van extern ingehuurd personeel is € 3 096 hoger, zodat de realisatie in totaal € 2 586 hoger is dan begroot. De begrotingsoverschrijdingen worden veroorzaakt doordat contracten van externen langer lopen dan voorzien en nieuwe externe inhuur heeft plaatsgevonden die niet is begroot. Er zijn vooral ten behoeve van de uitvoering van de regeling Equal veel externen ingezet.

Daarnaast zijn externe medewerkers langer dan voorzien bezig met het aanpassen van de ICT dan wel bezetten nog reguliere functies in de organisatie waarvoor nog geen vervanging door ambtelijk personeel heeft plaatsgevonden.

In de eerste helft 2003 zijn ook enkele externen ingezet bij de organisatieontwikkelings-projecten.

Apparaatskosten, materiële kosten

Deze kosten hebben betrekking op huisvestingskosten (vestigingen Den Haag, Zwolle en Eindhoven), kantoorkosten, automatiseringskosten, voorlichting- en communicatiekosten en advies en onderzoek.

In de SLA voor huisvestingskosten van de vestiging Den Haag is een tarief per werkplek afgesproken. Het aantal werkplekken is bij deze vestiging gestegen, waardoor ook de kosten voor huisvesting hoger zijn dan begroot.

Ook de kantoorkosten zijn hoger dan begroot. Er zijn maatregelen genomen om de kantoorkosten te reduceren. Met ingang van 1 augustus 2003 is een vernieuwde inkoopprocedure van kracht, die voor een stringentere bewaking van budgetten zorgdraagt.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de afgesloten leningen I 2002, II 2002, III 2003 en investeringslening IV 2003. De leningen III en VI zijn met ingang van 11 december 2003 afgesloten.

Afschrijvingskosten, materieel en immaterieel

Deze afschrijvingskosten hebben hoofdzakelijk betrekking op vervolginvesteringen in het programma ESF-beheer en ontwikkelingskosten van het systeem File Net. Het File Net-systeem is in gebruik genomen voor de regeling ID-banen.

Dotaties voorzieningen

De voorziening voor personeel heeft betrekking op het pro-actieve P-beleid wat in 2004 uitgevoerd gaat worden.

Buitengewone lasten

In de begroting is geen rekening gehouden met buitengewone lasten.

Het gerealiseerde bedrag heeft betrekking op nagekomen afrekeningen over boekjaar 2002 van de regeling Spag (€ 22) en een einddeclaratie met betrekking tot het onderzoeksproject «Werkgelegenheids- en ScholingsObservatorium» (€ 22).

Toelichting op het kasstroomoverzicht 1 januari tot en met 31 december 2003

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in het werkkapitaal (mutaties in vlottende debetposten en kortlopende creditposten op de balans).

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is het totaal van de investeringen en de boekwaarde van de desinvesteringen. Met investeringen worden de uitgaven voor de aanschaf van vaste activa bedoeld. De investeringen hebben betrekking op immateriële activa en materiele activa.

Financieringskasstroom

De totale financieringskasstroom is het saldo van de posten eenmalige uitkering aan het moederdepartement, eenmalige storting door het moederdepartement, aflossingen op leningen en beroep op leenfaciliteit. De aflossing op leningen heeft betrekking op de aflossing van de lopende leningen. De aflossing vindt plaats op het einde van het boekjaar. Het beroep op leenfaciliteit heeft betrekking op investeringen in vaste activa.

12. SALDIBALANS PER 31 DECEMBER 2003

De cijfers in de toelichting zijn afgerond op duizend euro. De cijfers in de rekening van uitgaven worden afgerond op duizend euro naar boven. Voor de saldibalans en de toelichting daarop heeft het ministerie van Financiën geen afrondingsvoorschrift gegeven.

In de toelichting op de saldibalans zijn de cijfers in de specificaties systematisch afgerond. Hierdoor kunnen de individuele tellingen afwijken.

Saldibalans per 31 december 2003
DEBETUltimo 2003Ultimo 2002 CREDITUltimo 2003Ultimo 2002
 EURO1000EURO1000  EURO1000EURO1000
Uitgaven 2002 20 246 265 Ontvangsten 2002 588 271
Uitgaven 200321 879 126  Ontvangsten 2003809 752 
Liquide middelen4671    
-      
Rek.crt. Arbeidsvoorzieningsorganisatie136 134136 134 Rek.crt. Ministerie van Financiën20 939 05819 540 081
       
Uitgaven buiten begrotingsverband17 13248 884 Ontvangsten buiten begrotingsverband283 627303 002
Subtotaal (A)22 032 43720 431 354 Subtotaal (A)22 032 43720 431 354
       
Rechten00 Tegenrekening rechten00
       
Extra-comptabele vorderingen45 5549 663 Tegenrekening extra-comptabele vorderingen45 55449 663
       
Tegenrekening extra-comptabele schulden00 Extra-comptabele schulden00  
Voorschotten26 318 82632 414 951 Tegenrekening voorschotten26 318 82632 414 951
Tegenrekening      
Garantieverplichtingen114131 Garantieverplichtingen114131
       
Tegenrekening openstaande verplichtingen3 116 1665 881 280 Openstaande verplichtingen3 116 1665 881 280
Deelnemingen00 Tegenrekening deelnemingen00
Subtotaal (B)29 480 66038 306 024 Subtotaal (B)29 480 66038 306 024
Totaal (A + B)51 513 09758 737 378 Totaal (A + B)51 513 09758 737 378

De subtotalen in de balans hebben tot doel het onderscheid aan te geven tussen het intra-comptabele gedeelte (A) en het extra-comptabele gedeelte (B).

Het intra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de financiële gegevens van transacties die in directe relatie staan met de kasstromen die via de rekening-courant met het ministerie van Financiën worden bijgehouden.

Het extra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de overige rekeningen die met de sluitrekeningen in evenwicht worden gehouden.

Bij de subtotalen en totalen kunnen afrondingsverschillen optreden van 1 (€ 1 000).

Toelichting bij de saldibalans

Uitgaven/ontvangsten 2003

De departementale rekening van uitgaven en ontvangsten over het jaar 2002 is bij wet van 2 oktober 2003 vastgesteld (Staatsblad 423) en is in 2003 in de rekening-courant met het ministerie van Financiën afgewikkeld.

In verband hiermee zijn deze uitgaven en ontvangsten ultimo 2003 niet meer in de departementale boekhouding opgenomen.

Het verschil tussen de realisaties ontstaat door verschillende afrondingsmethodieken. In de departementale rekening worden de uitgaven artikelen op EURO 1000 naar boven afgerond, in de saldibalans wordt de rekenkundige methodiek gehanteerd.

UITGAVENTotaalDoorbelast20032002
Apparaatskosten (Personeel)153 298– 56 70796 59193 562
Apparaatskosten (Materieel)33 534– 9 43924 09526 312
Apparaatskosten (Overige)52 153052 15382 949
 238 985– 66 146172 838202 824
Beleidsuitgaven21 640 14166 14621 706 28920 043 441
Totaal hoofdstuk 15 van de rijksbegroting21 879 126021 879 12620 246 265
VERPLICHTINGEN20032002
Apparaatskosten (Personeel en Materieel)121 553180 290
Beleidsuitgaven19 201 69321 670 066
Totaal hoofdstuk 15 van de rijksbegroting19 323 24521 850 356
ONTVANGSTEN20032002
 809 752588 271
 UitgavenOntvangsten
Wet van 6 februari 2003, Stb. 86 (vastgestelde begroting)21 830 736608 388
Wet van 2 oktober 2003, Stb. 425 (1e suppletore wet)282 840224 323
Gewijzigd Voorstel van Wet, (2e suppletore wet)– 61 80813 813
Totaal toegestaan bij wet22 051 768846 524
4e wijzigingsvoorstel, slotwet– 172 632– 36 772
Realisatie volgens departementale rekening21 879 136809 752
Realisatie volgens de saldibalans21 879 126809 752

Liquide Middelen (€ 46)

 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Postbank concernblok00
Min. van Financiën concernblok00
Postbank 5527122222
Totaal verschuldigde girale liquide middelen2222
Departementale kas1844
Kassen kasvoorschothouders65
Totaal chartale liquide middelen2449
Totaal liquide middelen4671

Centraal en decentraal worden kassen aangehouden voor het doen van kleine materiële uitgaven. Het totaal saldo van de departementale kas sluit aan met het kasboek. De kasbeheerder heeft dit akkoord bevonden. Een kasvoorschothouder wordt bij beschikking aangewezen. Deze dient maandelijks een kasstaat in over de in een verslagmaand gedane uitgaven en/of ontvangsten. In totaal zijn 19 kasvoorschothouders aangesteld. De saldi met betrekking tot de concernblokrekeningen worden dagelijks afgeroomd.

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding (€ 20 939 058)

Dit is de rekening-courant van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten opzichte van het ministerie van Financiën. Het ministerie van Financiën stelt de door SZW uit te geven begrotingsgelden beschikbaar. Nadat de Rekening aan de Tweede Kamer is aangeboden en de Algemene Rekenkamer geen bezwaren heeft, die goedkeuring in de weg staan, wordt tot verrekening overgegaan. Het saldo stemt overeen met het dagafschrift van 31 december 2003 de daarop gecorrigeerde overloopposten en de verrekende uitgaven en ontvangsten over het jaar 2003 van de Rijkshoofdboekhouding van het ministerie van Financiën. Van deze overeenstemming is een saldo bevestiging afgegeven aan de departementale Accountantsdienst van het ministerie van Financiën.

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding Arbeidsvoorzieningsorganisatie (€ 136 134)

Dit bedrag is de begrotingsreserve betreffende ESF-gelden. Voor dit bedrag is een saldo bevestiging afgegeven aan de departementale Accountantsdienst van het ministerie van Financiën.

Uitgaven buiten begrotingsverband (€ 17 132)

 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Vorderingen Agentschap SZW5 41845 686
Dir. Coord. Eman. 4 Equal proj.4 814352
Personeelskst IWI4 4240
Intra-comptabele vorderingen1 4251 797
Personeelskst Agentschap6850
Af te dragen Omzetbelasting1500
Europese proj. Dir. Internationale Zaken9153
Personeelskosten6459
Te Verrekenen Huisvestingskosten628
Met derden te verr. Leiden0899
Vermindering afdr. Loonheffing019
ProJect Dir. R&A012
 17 13248 884

Ontvangsten buiten begrotingsverband (€ 283 627)

 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Begrotings reserve arbeidsvoorziening136 134136 134
Door te betalen Europees Sociaal Fonds-gelden132 66698 897
Nog door te betalen vorderingen Agentschap SZW5 41845 686
Afdracht Loonheffing4 3524 140
Afdracht Pensioenpremie1 3001 090
Dir. Int. Zaken 12 EEG proj.1 204905
FPU Standaard/Individueel830652
Te verr. Agentschap39520
Dir. Coord. Eman. 5 Equal proj.331542
Dir. P.O. & I. div. proj. m.b.t. personeelsbeleid176288
Academie1270
Focal Point Bilbao12377
Intercoach10769
Dir. Arbeidsverhoudingen 1 proj.990
Min. Van Justitie EVF840
Dir. W. & B. 5 sociale projecten7677
Dir. Arbeidsveiligh./-Gezondh. 3 proj.510
Dir. Arbeidsinspectie 2 projecten430
Te verrekenen Huisvestingskosten3824
Met derden te verrekenen3511
Personeelskosten310
Diverse Schulden740
Te verr. Personele en Materiele kst IWI014 060
Richtlijnontw. Bedr. Arts0222
Chipcard053
Campagne IGCZ011
Af te dragen Omzetbelasting04
Afdracht werkgeversverzekering USZO02
 283 627303 002

Openstaande rechten (€ 0)

Geen

Extra-comptabele Vorderingen (€ 45 554)

Dit onderdeel betreft de vorderingen die binnen de begrotingsactiviteiten zijn ontstaan. Onder het kopje ontvangen staan de werkelijke ontvangsten, de definitief buiten invordering gestelde, kwijtgescholden en de ingetrokken vorderingen.

 1 januari 2003ingesteldontvangenultimo 2003
t/m 2000236 43193
20012 304 4731 831
20027 123 5 8791 244
2003 183 654141 36742 287
 9 663183 654147 76345 554

Analyse

 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Saldo 1 januari9 66311 813
Ingesteld183 65460 419
Subtotaal (A)193 31772 232
Ontvangen139 05859 475
Definitief buiten invordering gesteld/kwijtgescholden/ingetrokken8 7053 094
Subtotaal (B)147 76362 568
Saldo 31 december (A–B)45 5549 663
 Percentage van het saldo Subtotaal A 2003Percentage van het saldo Subtotaal A 2002Bedrag 31-12-2003Bedrag 31-12-2002
Definitief buiten invordering gesteld/kwijtgescholden/ingetrokken4,50%4,28%8 7053 094
 Percentage van het saldo 2003Percentage van het saldo 2002 Bedrag 31-12-2003Bedrag 31-12-2002
Voorlopig buiten invordering gesteld2,58%2,04%1 174197
Dubieus1,06%5,63%485544

Dubieuze vorderingen zijn vorderingen die conform de regelgeving zijn overgedragen aan de landsadvocaat of het incassobureau Intrum Justitia. Als invordering niet haalbaar blijkt, bijvoorbeeld door gebrek aan financiële middelen, wordt een vordering gedurende vijf jaren voorlopig buiten invordering gesteld. Indien binnen die termijn geen verhaal mogelijk blijkt, wordt overgegaan tot definitief buiteninvorderingstelling.

Specificatie naar vorderingsgroep:

 1 januari 2003ingesteldontvangenultimo 2003
Algemene vorderingen1 84242 76818 17326 437
Subsidies6 09950 98740 92716 159
RSP1371 3492091 276
Bestuurlijke Boete8456 7976 4311 211
Credit-nota's15681 08281 030208
Vergoedingen40442773794
Invorderingskosten49644667
Personeel2014212734
Remigratieuitkeringen5502827
Rente2761814
Arbo-certificering150411
Bijstand6208
Diverse vorderingen929307
 9 663183 654147 76345 554

Extra-comptabele schulden. (€ 0)

Geen.

Voorschotten inclusief Agentschap SZW (€ 26 318 826)

In de saldibalans worden de voorschotten verantwoord die per 31 december 2003 openstaan. In de toelichting wordt inzicht gegeven in de ouderdom van deze voorschotten. Op grond van de comptabele regelgeving worden de voorschotten verdeeld naar jaren waarin ze zijn betaald. Voorschotten die in 2003 zijn verstrekt en die betrekking hebben op de regelingen 2002 worden derhalve in de toelichting op de saldibalans opgenomen als voorschotten 2003.

 SZWAgentschapTotaal
Saldo 1 januari31 998 829416 12232 414 951
Betaald14 870 167148 51715 018 684
Subtotaal46 868 996564 72747 433 635
Afgerekend20 805 082309 72721 114 809
Saldo 31 december26 063 914254 91226 318 826

Ministerie (€ 26 063 914)

 1 januari 2003verstrektafgerekendultimo 2003
t/m 20004 400 061 3 896 164503 897
200113 342 196 11 552 6191 789 577
200214 256 571 5 356 2998 900 273
2003 14 870 167 14 870 167
 31 998 82914 870 16720 805 08226 063 914
ArtOmschrijving t/m 2000200120022003ultimo 2003
1Basisdienstverlening Werk en Inkomen0047 421402 812450 233
2Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod105 145306 9351 133 6541 004 5622 550 296
3Aanvullende werkgelegenheid31 450169 119952 993986 7302 140 292
4Aangepast en begeleidwerken07 9642 070 3622 148 3784 226 704
5Algemene inkomensgarantie op minimumniveau87 014661 1104 150 5164 865 2499 763 890
6Inkomensgarantie voor Jonggehandicapten0001 641 7961 641 796
7Inkomensaanvulling voor herkeurde Arbeidsongeschikte0006 9196 919
8Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars8 61811 75843 07154 584118 031
9Tegemoetkoming in kosten van kinderen0003 304 9183 304 918
10Maatschappelijke participatie van gehandicapten00000
11Bevorderingen van combinatie mogelijkheden van arbeid en zorg195 910133 513146 084158 124633 632
12Coördinatie emancipatiebeleid4 1104 9537 5939 62726 284
13Verbetering arbeidsomstandigheden1 2093 58611 08132 12748 003
14Tegemoetkoming asbestslachtoffers1 164166123 0734 415
15Rijksbijdragen sociale fondsen22 23539 67229 7569 756101 419
16Rijksbijdragen spaarfonds AOW    0
17Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen17 146443 841299 323189 113949 422
97Aflopende regelingen22 4323 36132416826 284
98Algemeen7 4603 2006 91748 91566 492
99Nominaal en onvoorzien Rekeningen Buitenbegrotingsverband34001 1663 3164 885
Totaal 503 8971 789 5778 900 27314 870 16726 063 914
 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Saldo voorschotten26 063 91431 998 829

Buiten begrotingsverband (€ 4 885)

 t/m 2000200120022003ultimo 2003
Directie Arbeidsverhoudingen0420042
Directie Coordinatie Emancipatie007382 6143 353
Directie Internationale Zaken3348287348985
Directie Arbeidsveiligh./-gezondheid0004242
Directie Arbozorg & Verzuimbeleid000199199
Directie Werk & Bijstand01069113192
Directie Arbeidsm.Bel./Bijz.Groepen0071071
 34001 1663 3164 885
 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Saldo voorschotten RBB4 8852 766

Agentschap SZW (€ 254 912)

 ESFSubsidies DepartementTotaal
Saldo 1 januari375 98240 140416 122
Betaald86 86761 650148 517
Subtotaal462 849101 790564 639
Afgerekend309 7270309 727
Saldo 31 december153 122101 790254 912
 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Saldo voorschotten Agentschap SZW254 912416 122

Garantie verplichtingen (€ 114)

 Openstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Werkenrode (Deze garantie is afgegeven tot 2011)114131

Op deze garantieverplichting heeft het departement het recht van hypotheek tot maximaal de volledige hoofdsom plus 35%

Openstaande verplichtingen (€ 3 116 166)

 SZWAgentschapTotaal
Saldo 1 januari5 464 418416 8625 881 280
Aangegane verplichtingen in het verslagjaar19 325 740298 06819 623 808
Subtotaal (A)24 790 158714 93025 505 088
Tot betaling gekomen in het verslagjaar21 879 407196 97422 076 381
Negatieve bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen207 341105 201312 542
Subtotaal (B)22 086 748302 17522 388 923
Saldo 31 december (A–B)2 703 411412 7553 116 166

Ministerie (€ 2 703 411)

 Buitenbegrot. verbandBinnenbegrot. verbandOpenstaand ultimo 2003Openstaand ultimo 2002
Saldo 1 januari 5 464 4185 464 4184 005 883
Aangegane verplichtingen in het verslagjaar2 49519 323 24519 325 74021 850 355
Subtotaal (A)2 49524 787 66324 790 15825 856 238
Tot betaling gekomen in het verslagjaar28121 879 12621 879 40720 246 265
Negatieve bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen 207 341207 341145 555
Subtotaal (B)28122 086 46722 086 74820 391 820
     
Saldo 31 december (A–B)2 2142 701 1972 703 4115 464 418

Specificatie openstaande verplichtingen Ministerie

ArtOmschrijvingUltimo 2002Neg. BijstellingenAangegaan 2003Betaald 2003Bel.P&MRealisatie 2003Openstaand 2004 e.v.
1Basisdienstverlening Werk en Inkomen23429 560429 560517430 07723
2Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod1 062 78326 172552 5701 128 4234 0991 132 522460 757
3Aanvullende werkgelegenheid938 7163799 368998 579514999 09339 468
4Aangepast en begeleidwerken2 037 5894042 247 8242 151 3065412 151 8472 133 702
5Algemene inkomensgarantie op minimumniveau1 209 3131 1243 690 7714 877 3973 1844 880 58121 564
6Inkomensgarantie voor Jongehandicapten1 641 7961 641 7961081 641 904
7Inkomensaanvulling voor herkeurde Arbeidsongeschikte6 9196 919216 940
8Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars55 13555 1357155 206
9Tegemoetkoming in kosten van kinderen3 309 2983 309 2981083 309 407
10Maatschappelijke participatie gehandicapten
11Bevorderingen van combinatie mogelijkheden van arbeid en zorg150 138147 271164 404160 113225160 3387 158
12Coördinatie emancipatiebeleid5 8861 05112 67513 7802 47116 2523 730
13Verbetering arbeidsomstandigheden10 69166342 59635 48051 71787 19717 145
14Tegemoetkoming asbestslachtoffers443 7393 739413 78044
15Rijksbijdragen sociale fondsen19 90019 9004 010 7744 010 7742524 011 026
16Rijksbijdragen spaarfonds AOW2 518 4802 518 480422 518 522
17Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen9 5294 390237 891242 9332 203245 13796
97Aflopende regelingen1 452143324313551 271
98Algemeen18 3526 328299 303295 08866 146-228 94116 239
99Nominaal en onvoorzien
Totaal 5 464 418207 34119 323 24521 879 126021 879 1262 701 197

Artikel 2 Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod

Sub. Art. Ond.OmschrijvingUltimo 2002Openstaand 2003 e.v.
2.01.01Personeel00
2.01.02Materieel00
2.01.03Agentschap ESF14 50212 376
2.02.01Sluitende reïntegratie646 36224 937
2.02.02WIW dienstbetrekingen & WEP00
2.02.03Scholing HVS2 201126 134
2.02.04Minderhedenbeleid13 8195 281
2.02.05Kinderopvang AWB91 77727 495
2.02.06Sectorale stimulansen19 57667 853
2.02.07Casemanagers268 242195 020
2.02.97Subs. en Ov. beleidsuitgaven5 169925
2.02.98Voorlichting053
2.02.99Onderzoek & Beleidsinformatie1 134681
Totaal1 062 783460 757

De openstaande verplichtingen Scholing HVS (126 134) komen voor 63 miljoen tot betaling in zowel 2004 als 2005. Voor de regeling Sectorale Stimulansen zijn meerjaren verplichtingen (67 853) aangegaan t/m 2006. Deze regeling wordt uitgevoerd door het RWI. Het saldo verplichtingen Casemanagers (196 500) zijn aangegaan voor het project agenda voor de toekomst en deze zullen een kasbeslag krijgen in de jaren t/m 2006.

Artikel 3 Aanvullende werkgelegenheid

Sub. Art. Ond.OmschrijvingUltimo 2002Openstaand 2003 e.v.
3.01.01Personeel00
3.01.02Materieel00
3.02.01Instroom/doorstroom banen938 6030
3.02.02Regeling schoonmaak particulieren370
3.02.03Stim. Regeling ID-banen7639 468
3.02.98Voorlichting0 
Totaal938 71639 468

Dit zijn aangegane verplichtingen in 2003, die in 2004 tot betaling zullen komen. Deze regeling wordt uitgevoerd door het Agentschap SZW.

Artikel 4 Aangepast en begeleid werken

Sub. Art. Ond.OmschrijvingUltimo 2002Openstaand 2003 e.v.
4.01.01Personeel00
4.01.02Materieel00
4.02.01Wet sociale werkvoorziening2 037 5892 133 702
Totaal2 037 5892 133 702

De openstaande verplichtingen betreffen het in 2003 per brief toegezegde budget voor 2004 aan de werkvoorzieningschappen. Deze komen in 2004 tot betaling.

Artikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau

Sub. Art. Ond.OmschrijvingUltimo 2002Openstaand 2003 e.v.
5.01.01Personeel00
5.01.02Materieel00
5.02.01Budget-deel ABW, IOAW, IOAZ1 194 2635
5.02.02Declaratie-deel ABW, IOAW, IOAZ00
5.02.03Toeslagenwet00
5.02.04Bestuurl. afspr. ink. onderst.00
5.02.05Handhaving14 05121 097
5.02.97Subs. en Ov. beleidsuitgaven999437
5.02.98Voorlichting025
Totaal1 209 31321 564

Artikel 13 Verbetering Arbeidsomstandigheden (€ 17 145)

Sub. Art.Ond. OmschrijvingUltimo 2002Openstaand 2003 e.v.
13.02.01Arbeidsomstandigheden5 25410 247
13.02.97Subs. en Ov. beleidsuitgaven5 4386 868
13.02.98Voorlichting 30
Totaal 10 69117 145

Verplichtingen Agentschap SZW (€ 412 755)

 Verplichtingen AgentschapRegelingen Min. SZWOpenstaand ultimo 2003
Saldo 1 januari311 769105 093416 862
Aangegaan in verslagjaar298 068 298 068
Subtotaal (A)609 837105 093714 930
Tot betaling gekomen in verslagjaar196 974 196 974
Negatieve bijstelling van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen108105 093105 201
Subtotaal (B)197 082105 093302 175
Totaal (A–B)412 7550412 755

Deelnemingen. (€ 0)

Geen.

BIJLAGE 1

LEIDING VAN HET DEPARTEMENT

In de eerste maanden van 2003 bestond de politieke top van het ministerie uit minister A. J. de Geus en de staatssecretarissen M. Rutte en K. L. Phoa.

Bij het aantreden van het nieuwe kabinet op 27 mei 2003 zijn minister A. J. de Geus en staatssecretaris M. Rutte op hun post gebleven.

Binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid, is de staatssecretaris meer in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende de arbeidsmarkt, de arbeidsomstandigheden, de bijstand, de volksverzekeringen en de aanvullende pensioenen.

De ambtelijke top heeft in 2003 een groot aantal veranderingen ondergaan. Secretaris-Generaal R. Gerritse is met ingang van 1 maart overgestapt naar het Ministerie van Financiën. Vanaf die datum is hij door M. Ruys opgevolgd (eerst als waarnemer en vanaf 1 juli als Secretaris-Generaal).

De plaatsvervangend Secretaris-Generaal P. Veld is met ingang van 1 mei benoemd tot hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hij is op 1 juli opgevolgd door P. Hennephof.

Directeur-Generaal Sociale Verzekeringen en Arbeidsomstandigheden R. IJ. M. Kuijpers is op 1 juli benoemd tot Directeur-Generaal Management en Personeelsbeleid bij het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is per 1 januari 2004 opgevolgd door mw. J. A. M. Hilgersom.

Op 4 juli is de Directeur-Generaal Arbeidsmarktbeleid en Bijstand mw. W. H. van Leeuwen overleden. Zij is op 1 oktober opgevolgd door J. A. van den Bos.

Met ingang van 1 januari 2004 is het Directoraat-Generaal Uitvoeringsbeleid opgeheven. Het uitvoeringsbeleid is direct onder de verantwoordelijkheid van de Secretaris-Generaal gebracht. De overige taken zijn over de Directoraten-Generaal, Inspecteur-Generaal en de plaatsvervangend Secretaris-Generaal verdeeld.

Adresgegevens

Hoofdvestiging

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Anna van Hannoverstraat 4

2595 BJ Den Haag

Telefoon: 070 – 333 40 33

Internet: www.minszw.nl

Inspectie Werk en Inkomen (hoofdkantoor)

Prinses Beatrixlaan 82

Postbus 11563

2502 AN Den Haag

Telefoon: 070 – 304 44 44

Internet: www.iwiweb.nl

Agentschap SZW (Landelijk Bureau)

Wilhelmina van Pruisenweg 104

Postbus 93249

2509 AE Den Haag

Telefoon: 070 – 333 44 44

Internet: www.agentschapszw.nl

Organogram SZW per 1 januari 2004

kst-29540-32-11.gif

BIJLAGE 2

AANBEVELINGEN ALGEMENE REKENKAMER

In haar Rapport bij het jaarverslag van SZW over 2002 signaleerde de Algemene Rekenkamer onvolkomenheden in enkele aspecten van de bedrijfsvoering van SZW. De betreffende onderwerpen zijn door de AR samengevat in de zogenoemde Audit Action List, die in het Rapport bij het jaarverslag was opgenomen. De constateringen van de Algemene Rekenkamer hebben zonder uitzondering geleid tot de noodzakelijke verbetertrajecten. In het onderstaande wordt de stand van zaken toegelicht.

Audit Action List
AanbevelingToezeggingStand van zaken
De verlaging van de onrechtmatigheidspercentages sociale verzekeringen en de ontwikkelingen van een toereikend M&O- beleid voor de uitvoering waren nog niet voltooid.De AR beval een actieve rol in het toezicht en de sturing van de uitvoering van de sociale verzekeringen aan.Binnen afzienbare tijd zouden belangrijke initiatieven worden genomen, gericht op structurele verbetering.Aan de hand van zijn oordeel over het IWI-jaarverslag 2002 op dit gebied zou de minister bezien of en in hoeverre maatregelen noodzakelijk zijn.Een gezamenlijke werkgroep SZW/UWV heeft verdere invulling gegeven aan de verbetering van kwaliteit van de uitvoering, met bijzondere aandacht voor (andere benadering van) rechtmatigheid, M&O-beleid en Sociaal Medisch Hande- len. De eindrapportage van de werkgroep wordt begin 2004 gepresenteerd. Voor 2004 is een set prestatie-indicatoren (PI's) vastgesteld die de minister gaat gebrui- ken als stuur-instrumentarium. Eén van deze PI's is de rechtmatigheidsnorm van 99%. Deze PI's zijn door UWV in het jaarplan 2004 opgenomen. Het jaarplan is in 2003 goedgekeurd.
   
Het M&O-beleid bij het Agentschap SZW was voor verbetering vatbaar.In het voorjaar van 2003 zou een nieuwe versie van de notitie Integraal M&O- beleid van het Agentschap SZW beschikbaar komen. De inspanningen voor begeleidings-, monitor- en controlebezoeken zouden worden geïntensiveerd.De herziene versie van de notitie integraal M&O-beleid van het Agentschap SZW is in het voorjaar van 2003 gereed gekomen; de elementen uit het M&O- beleid meer samenhangend beschreven. Verder is het aantal bezoeken ter plaatse in 2003 sterk geïntensiveerd, en is de Interne controlefunctie bij het Agentschap SZW versterkt.
   
De opzet van de accountantscontroles bij het Agentschap SZW waren te weinig richtinggevend. De AR beval aan de controleaanpak inzichtelijk te maken en een verantwoordingsoverzicht op te stellen.Werkgroepen zouden de controleaanpak en de projectindeling uitwerken en vastleggen.De nodige (vervolg)acties zijn met succes afgerond.
   
De AR trof onvolkomenheden aan in het subsidiebeheer, en beval aan de beoordeling door de beleidsdirecties aan te scherpen. Tevens constateerde de AR onvolkomenheden bij de externe accountantscontroles bij de kleinere subsidieregelingen.Ook voor de «kleinere» subsidieregelingen zouden rapportage- en controleprotocollen worden voorgeschreven. De AD zou ook in 2003 op basis van risicoanalyse onderzoek ter plaatse doen bij de kleinere subsidieregelingen en bij deze regelingen gegeven accountantsverklaringen reviewen.De aandacht voor het subsidiebeheer is aangescherpt. Aan alle subsidieverlenende directies is gevraagd rekening te houden met de conclusies en aanbevelingen van de AR. Controle- en rappor- tage-protocollen zijn voorgeschreven voor alle subsidieregelingen.De reviews en onderzoeken ter plaatse bij met name «kleinere» subsidie-ontvan- gers en hun accountants laten een wisselend kwaliteitsniveau zien. Het effect van de extra aandacht zal vanaf 2004 zichtbaar worden.
Organisatorische maatregelen voor de uitvoering van de Wet toezicht Europese subsidies ontbraken. De AR beval aan adequate toezichtstructuren op te zetten.De gevraagde inrichting van de interne structuren zou in 2003 gestalte krijgen.In 2003 is een administratieve organisatie opgesteld waarin de taakverdeling, de procedure rond vastlegging van de meldingen en de follow-up is vastgelegd. SZW heeft in 2003 geen geldige meldin- gen van Europese subsidies ontvangen.
   
De voorwaarden ontbraken voor de vaststelling van de eindafrekening in de Rkb-regeling. De AR beval aan toetsbare voorwaarden te formuleren.De minister zou de gemeenten tijdig in het bezit stellen van een verantwoordingsformulier en een controleprotocol.Door nieuw beleid is enige vertraging opgetreden met de afronding van het controle-protocol voor de RKB-regeling (Regeling Uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse Opvang). Prioriteit is gegeven aan het afdekken van alle risico's bij de invoering van de nieuwe Regeling Uitkeringen Kinderopvang 2004. Wel is bij deze regeling reeds bij publicatie een compleet vaststellingstraject opgenomen. Thans wordt de laatste hand gelegd aan de eindafrekening van de RKB en het controleprotocol.
   
De coördinatie en aansturing van het toezicht op contractbeheer vertoonde onvolkomenheden. De implementatie van een geautomatiseerd contractenregister (Planon) verliep traag.Medio 2003 zou een nieuwe Regeling Contractbeheer worden vastgesteld. Achter de invoering van Planon zou meer vaart worden gezet.De nieuwe regeling voor het contractbeheer zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2004 in werking treden. Als onderdeel van de invoering zal ook het contractenregister van Planon onder de aandacht worden gebracht.
   
Niet in alle gevallen werden de Europese aanbestedings-procedures nageleefd, en er was onvoldoende centrale sturing op de naleving. De interne controle op de naleving moest worden verscherpt.De minister zou hier aandacht aan geven.Dit is gebeurd. De aansturing en de controle op de naleving zijn geïntegreerd in de P&C-cyclus over 2004.
   
Verplichtingen werden niet altijd tijdig in de administratie ingevoerd. Betalingen vonden niet altijd tijdig plaats.De regels zouden nog eens onder de aandacht worden gebracht. Er zou worden toegezien op de effectieve uitvoering daarvan.De regels zijn nogmaals binnen SZW onder de aandacht gebracht. Door het onderbrengen van administratieve en ondersteunende taken bij de Directie GOB, in samenhang met de implementatie van nieuwe procedures die daaruit voortvloeien, zal worden voorzien in maatregelen die de tijdige invoer van verplichtingen in de financiële administratie en de tijdigheid van betalingen moeten borgen.
   
De beleidsmatige toelichting in het jaarverslag was niet altijd deugdelijk. De minister moet zorg dragen dat aan de verslaggevingseisen wordt voldaan.GeenMeegenomen in Jaarverslag 2003

BIJLAGE 3

IN 2003 UITGEVOERDE «EX ANTE EVALUATIEONDERZOEKEN»

Naamgeving ex ante evaluatie
Artikel 2Raming uitbreiding WVA startkwalificaties met jongeren
 Raming van het aantal benodigde leerwerktrajecten ten behoeve van het plan van aanpak jeugdwerkloosheid
  
Artikel 4Anticumulatie ontvangsten (samenloop Wsw en Arbeidsongeschiktheidsregelingen) voor 2004
  
Artikel 5Belanghebbenden die na de loongerelateerde WW-uitkering in de bijstand instromen gedurende zes maanden geen vermogentoets te laten plaatsvinden
  
Artikel 9Aanpassing indexering AKW
 Achterwege laten bijzonder verhoging AKW-bijdragen
  
Artikel 13Wijzingen arbeidsomstandighedenbesluit
 Wijziging Besluit gebruik drukapparatuur
 Verzamelwet AV & ARBO
 Wijziging Veiligheidsinformatiebesluit in de Wet Milieugevaarlijke stoffen
 Vereenvoudiging RI&E
 Infractieprocedure & herziening arbodienstverlening
  
Premie-artikel 1WWOW
 Afschaffen VVU, inclusief overgangsrecht
 Ramingen voor adviesaanvraag SER toekomstverkenning WW
 Uitbreiding feitelijk arbeidsverleden/beperking verzorgingsforfait
 Verkorten vervolguitkering WW tot 1 jaar
 Sollicitatieplicht werklozen ouder dan 57½ jaar
  
Premie-artikel 2Verlenging loondoorbetaling bij ziekte
 Afschaffing WAZ
  
Premie-artikel 3Afschaffen REA uitkering bij scholing en proefplaatsing
 Stopzetten subsidie werkgever voor tweede spoor trajecten
  
GeenInvoering bestuurlijke boete in de ATW
 Aanpassing uitkering aan de ambtenarensalarissen
 Aanpassing uitkering daglonen Walvis

BIJLAGE 4

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AbwAlgemene bijstandswet
AfzArbeidsongeschiktheidsfonds Zelfstandigen
AIArbeidsinspectie
AKWAlgemene kinderbijslagwet
ANWAlgemene nabestaanden wet
AofArbeidsongeschiktheidsfonds
AOWAlgemene Ouderdoms Wet
ArboArbeidsomstandigheden
ArbvoArbeidsvoorzieningsorganisatie
ATWArbeidstijdenwet
AWBZAlgemene wet bijzondere ziektekosten
AwfAlgemeen werkloosheidsfonds
BBPBruto Binnenlands Produkt
BBRBasisbedrijvenregister
BbzBijstandsbesluit zelfstandigen
BEUWet Beperking Export Uitkeringen
BiaBeperking Inkomensgevolgen Arbeidsongeschiktheidscriteria
BIKKBijdrage in de Kosten van Kortingen
BKWIBureau Keteninformatisering Werk en Inkomen
BrzoBesluit risico's zware ongevallen
BuiZaMinisterie van Buitenlandse Zaken
BVGBedrijfsverzamelgebouwen
BZKMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CAOCollectieve Arbeidsovereenkomst
CBBSClaimbeoordeling en belastbaarheid van het sociaal medisch handelen
CBSCentraal Bureau voor de Statistiek
CEPCentraal Economische Planbureau
CPBCentraal Plan Bureau
CTSVCollege van toezicht sociale verzekeringen
CWICentra voor Werk en Inkomen
EAUExperimenten activering van uitkeringsgelden
ECEuropese Commissie
EKEerste Kamer
EMUEuropese Monetaire Unie
ESFEuropees Sociaal Fonds
EUEuropese Unie
EZMinisterie van Economische Zaken
FarboFiscale regeling arbeidsomstandigheden
FEZFinancieel-Economische Zaken
FinloWet Financiering Loopbaanonderbreking
FTEFulltime Equivalent
FWIFonds Werk en Inkomen
HVSHoofdelijk Versnelde Scholing
IADInterne Accountantsdienst
IASInstituut Asbestslachtoffers
IBInlichtingenbureau
IBFInternationaal Bureau Fraude Informatie
ICTInformatie en Communicatie Technologie
IHSIndividuele Huursubsidie
IOAWWet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZWet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
IROIndividuele Reïntegratie Overeenkomst
IWIInspectie voor Werk en Inkomen
KOARegeling Kinderopvang en buitenschoolse opvang vooralleenstaande ouders met kinderen in de Abw
MDWMarktwerking, Deregulering en wetgevingskwaliteit
MEVMacro Economische Verkenning
MKBMidden en kleinbedrijf
M&OMisbruik en oneigenlijk gebruik
NAPNationaal Actieplan
NCvBNederlands Centrum voor Beroepsziekten
NIBUDNationaal instituut voor budgetvoorlichting
OCWMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OfOuderdomsfonds
OGVOp Gelijke Voet
OHWOnderhanden Werk
PaVEMParticipatie Vrouwen uit Etnische Minderheden
PBOPubliek Rechterlijke Bedrijfsorganen
PRBPersoonlijk Reïntegratie Budget
REAReïntegratie Arbeidsgehandicapten
RfReïntegratiefonds
Rif'sRegionale interdisciplinaire fraudeteams
RKBRegeling Uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse opvang
ROCRegionale Opleidingscentra
ROPRaad voor het Overheidspersoneel
RPARegionale platforms arbeidsmarkt
RSPRegeling schoonmaakdiensten particulieren
RufRegeling uitvoering en financiering Wet Inschakeling werkzoekenden
RWIRaad voor Werk en Inkomen
RWTRechtspersonen met een wettelijke taak
SCPSociaal en Cultureel Planbureau
SERSociaal-Economische Raad
SPAGStimuleringsprojecten Allochtone Groepen
SPAKSpecifieke Afdrachtskorting
SUWIStructuur Uitvoering Werk en Inkomen
SVBSociale Verzekeringsbank
SVWWStimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers
SZASociale zekerheid en arbeidsmarkt
SZWMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TASTegemoetkoming Asbestslachtoffers
TBAWet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
TbiaWet bescherming inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
TKTweede Kamer
TNONederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
TOATaskforce Ouderen en Arbeid
TOGTegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen 2000
TWToeslagenwet
UVI'sUitvoeringsinstellingen
UWVUitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen
VAStVersterking Arbeidsomstandigheden Stoffen
VlwVermindering langdurig werklozen
VNGVereniging Nederlandse Gemeenten
VNOVereniging Nederlandse Ondernemingen
VRVeiligheidsrapport
VROMMinisterie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VUTVervroegde uittreding
VVIVrouwen Veiligheids Index
VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAJONGWet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jong Gehandicapten
WAOWet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
WAVWet Arbeid Vreemdelingen
WAZWet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen
WbkWet basisvoorziening kinderopvang
WEPWerkervaringsplaatsen
Wet SamenWet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden
WfvWet Financiering volksverzekeringen
WIKWet Inkomensvoorziening Kunstenaars
WIWWet inschakeling werkzoekenden
WKAWet Koppeling met afwijkingsmogelijkheid
WMLWet minimumloon
WSWWet sociale werkvoorziening
WTPWaarnemingen ter plaatse
WTVWerktijdverkorting
WWWerkloosheidswet
WWBWet Werk en Bijstand
ZboZelfstandige Bestuursorganen
ZWZiektewet

BIJLAGEN 5

TREFWOORDENREGISTER

Abw 19, 20, 31, 38, 40, 44, 59, 68, 71, 73, 74, 75, 86, 172

Activering 15, 44, 56, 58, 83, 124

Agenda voor de Toekomst 43, 47, 48

Agentschap SZW 10, 54, 57, 58, 126, 135, 167, 168, 177, 238

AOW-gat 119, 120, 121

Arbeid en Zorg 16, 25, 92, 93, 94, 96, 101, 104, 137, 175

Arbeidsaanbod 43, 58, 137, 175

Arbeidsgehandicapten 18, 21, 65, 112, 141, 154, 155, 156, 158, 159, 173

Arbeidsinspectie 24, 95, 97, 109, 112, 113, 114, 115, 132, 134

Arbeidsomstandigheden 23, 24, 27, 28, 29, 30, 107, 108, 109, 111, 112, 114, 115, 137, 169, 172, 175

Arbeidsongeschikten 13, 23, 80, 137, 148, 150, 152, 175

Arbo 24, 107, 109, 110, 114, 133

Armoedeval 21, 25, 27, 68, 69, 70

Asbestslachtoffers 116, 117, 118, 137, 175

Automatisering 36, 131, 134, 135

Bedrijfsverzamelgebouw 125, 126, 173

Bijstand 20, 21, 22, 25, 26, 27, 28, 38, 47, 48, 56, 57, 58, 59, 68, 69, 71, 72, 73, 75, 169, 171, 172

Dagindeling 16, 25, 95, 100, 101, 102, 105

Emancipatie 24, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 133, 137, 175

EQUAL 54, 56, 57, 58, 104, 133

ESF-3 16, 25, 56, 101, 233

Etnische minderheden 18, 24, 25, 27, 38, 43, 49, 50, 51, 52, 105

Experimenten 16, 25, 95, 101, 102, 129, 142, 172

Formatie 31, 32, 33, 37, 40, 54, 58, 64, 67, 69, 71, 75, 84, 95, 97, 98, 99, 105, 106, 110, 116, 118, 124, 126, 127, 128, 129, 130, 132, 134, 135, 155, 171, 173

For 13, 41

Fraudebestrijding 30

Gesubsidieerde arbeid 19, 59, 60, 64

Huisvesting 41, 131, 134, 135

Inlichtingenbureau 30, 71, 169

Inspectie Werk en Inkomen 9, 169, 173, 177

Kinderbijslag 22, 87, 90

Kinderopvang 16, 28, 48, 54, 55, 92, 96, 97, 98, 133, 135, 172

Koopkracht 21, 22, 69, 129

Koppeling 23, 40, 53, 58, 69, 73, 164

Kunstenaars 83, 84, 86, 137, 175

Kunste 83

Loonkosten 61

Misbruik en oneigenlijk gebruik 76, 80, 81, 87, 88, 139, 142, 146, 148, 160, 161, 164, 165, 168

Nabestaanden 116, 160, 161, 162

Ouderen 18, 19, 25, 27, 43, 51, 52, 69

Pensioen 12, 16, 20, 23, 26, 27, 28, 65, 120, 121, 164, 170

Raad voor Werk en Inkomen 48

Reïntegratie 14, 15, 19, 21, 23, 27, 37, 40, 43, 44, 45, 46, 53, 54, 55, 58, 59, 60, 107, 108, 110, 111, 124, 125, 126, 127, 139, 140, 141, 142, 147, 148, 154, 156, 157, 158, 171, 172, 173

Scholing 44, 49, 54, 55, 56, 58, 154, 156, 158, 172

SIOD 32, 130, 134, 135, 136

Sluitende aanpak 15, 44, 45, 46, 56, 58, 120, 139, 142, 144, 154

Sociale activering 45

Sociale fondsen 119, 137, 175

Sociale werkvoorziening 63, 171

SVB 11, 20, 33, 34, 35, 87, 88, 89, 90, 91, 116, 117, 118, 121, 124, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 168, 169, 171, 172, 173, 192

Toezicht 5, 9, 59, 167, 169, 170, 171, 172, 173, 213, 216, 221, 250, 251

Trajecten 19, 20, 24, 43, 44, 46, 47, 48, 53, 70, 112, 114, 118, 140, 141, 142, 144, 154, 155, 157, 158, 159, 167, 170, 173, 217, 250, 252

UWV 14, 15, 20, 27, 28, 31, 32, 33, 34, 35, 37, 40, 41, 43, 44, 45, 46, 67, 68, 72, 74, 75, 76, 77, 78, 80, 81, 92, 94, 119, 121, 124, 125, 126, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 149, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 159, 167, 168, 169, 171, 172, 173

Veiligheid 23, 24, 102, 104, 105, 109, 110, 111, 112, 133

Verlofregeling 93, 95, 96

Voorlichting 54, 62, 71, 73, 83, 84, 88, 95, 98, 105, 106, 115, 118, 129, 130, 131, 132, 134, 136, 137, 142, 148, 161, 165

Wachtlijsten 48

Werkloosheid 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 25, 36, 38, 40, 42, 45, 48, 49, 50, 51, 58, 59, 60, 81, 139, 140, 156, 172

WW 15, 19, 20, 21, 23, 25, 26, 27, 33, 38, 40, 43, 44, 46, 48, 55, 58, 59, 60, 62, 68, 70, 75, 80, 84, 86, 120, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 172, 173

Ziektewet 93, 147, 149, 155


XNoot
1

IWI heeft per 1 januari 2002 de tijdelijke agentschapstatus toegekend gekregen en mag hierdoor reeds een baten-lastenadministratie voeren. Vanaf 1 januari 2002 wordt door de Inspectie het reguliere instellingstraject doorlopen om aan de instellingsvoorwaarden te kunnen gaan voldoen, waarna de permanente agentschapsstatus kan worden verkregen.

XNoot
1

10 september 2002.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2002–2003, 28 600, nr. 13.

XNoot
3

Brief van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Tweede Kamer d.d. 6 december 2002.

XNoot
1

Contractjaren lopen niet synchroon met kalenderjaren. Looptijd contractjaren UWV: 2001 loopt van 1-1-2001 tot 1-4-2002, 2002 loopt van 1-4-2002 tot 1-07-2003 en 2003 loopt van 1-7-2003 tot 1-9-2004.

XNoot
1

Voorlopige cijfers.

XNoot
1

Arbeidsinspectie, Afspraken over kinderopvang in CAO's: een stand van zaken medio augustus 2003, Den Haag: SZW, augustus 2003.

XNoot
2

Kamerstukken II, 28 447, 2002–2003, nrs. 7 en 8.

XNoot
3

Kamerstukken II, 28 447, 2003–2004, nrs. 15 en 16.

XNoot
1

Een aantal WW-gerechtigden heeft twee of meer (deel)rechten.

XNoot
2

Een belangrijk onderdeel van de post «overige lasten» zijn de kosten voor reïntegratie (onder andere sluitende aanpak).

XNoot
3

De overgangsregeling wordt in 2004 uitgebreid met WW-gerechtigden die op 1 januari 2004 nog geen jaar werkloos zijn, en die onmiddellijk voorafgaand aan de WW-uitkering recht hadden op een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

XNoot
1

Vanaf 2001 wordt uitgegaan van het begrip contractjaar, het loopt van 1-01-2001 tot 1-04-2002. In het derde kwartaalverslag staat een tussenstand voor gestarte trajecten in contractjaar 2001.

Naar boven