29 540
Jaarverslagen over het jaar 2003

nr. 30
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT (XIV)

Aangeboden 19 mei 2004

Ontvangsten verdeeld over de (beleids)artikelen (realisatie 2003)

kst-29540-30-1.gif

Uitgaven verdeeld over de (beleids)artikelen (realisatie 2003)

kst-29540-30-2.gif

Inhoudsopgave

A. ALGEMEEN6
    
1. Voorwoord6
    
2. Dechargeverlening7
    
3. Leeswijzer8
    
B. Beleidsverslag10
    
4. Beleidsbeschouwing op hoofdlijnen10
  Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 200324
    
5. Beleidsartikelen26
 01Versterking landelijk gebied26
 02Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)44
 03Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)54
 04Economische perspectiefvolle agroketens61
 05Bevorderen duurzame productie73
 06Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid89
 07Kennisontwikkeling en innovatie98
 08Kennisvoorziening105
 09Kennisverspreiding110
    
6. Niet-beleidsartikelen118
 10Nominaal en onvoorzien118
 11Algemeen119
    
7. Bedrijfsvoering122
C. Jaarrekening128
    
8. Verantwoordingsstaten128
8.1 De verantwoordingsstaat van het Ministerie van LNV128
8.2 De samenvattende verantwoordingsstaat van de agentschappen129
    
9. Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten130
9.1 Toelichting bij de beleidsartikelen130
9.2 Toelichting bij de niet-beleidsartikelen136
    
10. Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat van de agentschappen137
  Bureau Heffingen137
  LASER154
  Plantenziektenkundige Dienst172
  Voedsel en Waren Autoriteit185
  Voedsel en Waren Autoriteit/Keuringdienst van Waren194
  Voedsel en Waren Autoriteit/Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees206
    
11. Saldibalans216
    
Bijlage 1:Verdiepingsbijlage224
Bijlage 2:Europese geldstromen229
Bijlage 3:Aanbevelingen Algemene Rekenkamer en M&O-beleid236
Bijlage 4:Lijst met gebruikte afkortingen238

A. ALGEMEEN

1. VOORWOORD

Hierbij bied ik u het LNV-jaarverslag 2003 aan. Het verslagjaar 2003 is een bijzonder jaar. Het huidige kabinet legt verantwoording af over de begroting 2003 die door het vorige kabinet bij uw Kamer is ingediend. Ten tijde van de vaststelling van de begroting had dat kabinet inmiddels de demissionaire status.

Een andere bijzonderheid is de naamsverandering van het ministerie met de komst van het nieuwe kabinet. Landbouw, Natuurbeheer en Visserij behoort tot het verleden. Sinds 1 juli 2003 staat de afkorting LNV voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De nieuwe naam doet meer recht aan de verantwoordelijkheid van de minister van LNV voor de voedselketen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dr. C.P. Veerman

2. DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit decharge te verlenen over het in het jaar 2003 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

1. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

2. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

3. de financiële informatie in de jaarverslagen;

4. de departementale saldibalansen;

5. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

6. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2003; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden;

b. de slotwet van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het jaar 2003; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd; het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2003 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden;

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2003. opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2003 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2003 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001);

het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

3. LEESWIJZER

Het jaarverslag over het jaar 2003 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bestaat uit de volgende onderdelen:

– Voorwoord

– Dechargeverlening

– Leeswijzer

– Beleidsprioriteiten

– Beleidsartikelen

– Niet-beleidsartikelen

– Bedrijfsvoeringsparagraaf

– Verantwoordingstaten en de financiële toelichting daarop

– Saldibalans

Daarnaast maken vier bijlagen onderdeel uit van het jaarverslag, bestaande uit de verdiepingsbijlage, een toelichting op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij de verantwoording van voorgaande jaren, de bijlage Europese geldstromen en een bijlage met een lijst van afkortingen.

In deze leeswijzer wordt verder ingegaan op een aantal specifieke invullingen van het jaarverslag.

De begroting 2003 is door het vorige kabinet (Balkenende I) ingediend en deels in demissionaire status uitgevoerd. De in de begroting 2003 opgenomen beleidsagenda is sterk geënt op het Strategisch Akkoord van dat kabinet. Dit Strategisch Akkoord is in 2003 achterhaald door het Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet (Balkenende II). Dit betekent dat een 1-op-1 verantwoording van de beleidsagenda 2003 in het jaarverslag niet zinvol is. In de verantwoorde beleidsprioriteiten van dit jaarverslag is daarom vooral gefocust op beleidsmatig relevante zaken die in 2003 met name de aandacht van LNV hebben gevraagd en die aansluiten op het beleid van het huidige kabinet. De verslaglegging over deze beleidsprioriteiten heeft het karakter van een beleidsbeschouwing gericht op resultaten. De antwoorden op de zgn. HHH-vragen in dit verband zijn terug te vinden in hoofdstuk 5 over de beleidsartikelen. Daar wordt ingegaan op de doelbereiking en de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid. De gegevens, waarop de verantwoording hierover is gebaseerd, zijn ontleend aan reguliere prestatiegegevens of evaluatieonderzoek.

Bij de toerekening aan de beleidsartikelen van de gerealiseerde LNV-bijdrage aan de uitvoerende diensten is niet de verdeling gehanteerd die in de begroting 2003 is opgenomen. Uitgegaan is van de verdeling van de budgetten over de beleidsartikelen, zoals die luidde na verwerking van de mutaties die gedurende de begrotingsuitvoering in 2003 hebben plaatsgevonden.

Omdat de verantwoording van de uitgaven met betrekking tot het Plattelandsontwikkelingsplan en de Europese structuurfondsen meer beleidsterreinen beslaat wordt hierop apart ingegaan in de bijlage Europese geldstromen. In dit hoofdstuk is ook een overzicht van de uitgaven en ontvangsten van de Europese Unie in het kader van het markt- en prijsbeleid opgenomen.

In de toelichting bij de verantwoordingsstaten (hoofdstuk 10) zijn conform de voorschriften dezelfde tabellen budgettaire gevolgen van beleid opgenomen, als onder de beleidsartikelen. Een zekere overlap was hierdoor niet te vermijden. De geringe verschillen tussen de totalen saldibalans en verantwoordingstaat betreffen afrondingsverschillen.

In het jaarverslag wordt tevens ingegaan op de relevante overzichtscontructies. Op de eerste plaats is dit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). De uitgaven die LNV jaarlijks doet in het kader van internationale samenwerking worden in beleidsartikel 11 «Algemeen» verantwoord.

Daarnaast heeft LNV deelgenomen aan de overzichtsconstructies (GIOS) en (ISV). De uitgaven die met deze overzichtsconstructies zijn gemoeid, zijn verantwoord onder beleidsartikel 1 .

B. BELEIDSVERSLAG

4. BELEIDSBESCHOUWING OP HOOFDLIJNEN

De overheersende gebeurtenis van 2003 was de uitbraak van klassieke vogelpest of Aviaire Influenza (AI) in het vroege voorjaar. Zij trof de Nederlandse pluimveehouderij in het hart. Opnieuw was een grootscheepse bestrijdingsactie van een dierziekte nodig om een virus de baas te worden. De gevolgen waren enorm: voor honderden ondernemers, voor de werkgelegenheid en de positie van de gehele commerciële keten waaruit de sector is opgebouwd en voor tal van hobbydierhouders.

Met inzet van velen werd de crisis het hoofd geboden en na ruim twee maanden bedwongen. Dat gebeurde met inachtneming van de geldende Europese kaders inzake bestrijding van dierziekten.

Als alternatieve bestrijdingsmethode kon vaccinatie helaas niet worden toegepast. Vaccineren zou pas na ten minste drie weken bescherming hebben geboden tegen het virus en er zou meerdere malen gevaccineerd dienen te worden alvorens het effectief zou zijn geweest. Vaccinatie zou in dat geval de verspreiding van het virus niet tegen zijn gegaan. De Europese Commissie gaf wel toestemming voor het vaccineren van gevoelige dieren in dierentuinen.

Nadat de uitbraak was bedwongen konden beperkende maatregelen voor de export worden opgeheven (voor een uitgebreidere beschrijving van de bestrijding van de AI-uitbraak wordt verwezen naar het jaarverslag 2003 van het Diergezondheidsfonds).

De AI-crisis vormde een extra prikkel om te komen tot een breed maatschappelijk debat over de toekomst van de intensieve veehouderij. Mijn inzet daarbij is geweest tot afspraken te komen met betrokken maatschappelijke partijen: over veranderingen die moeten plaatsvinden, maar ook over hun verantwoordelijkheden om daadwerkelijk tot verandering te komen.

Niet alleen de draconische maatregelen bij uitbraken van besmettelijke dierziekten als varkenspest, MKZ en nu AI vormden aanleiding tot dat debat. Dierenwelzijn en niet in de laatste plaats de gevolgen voor milieu, natuur en landschap vormden evenzeer grond tot herbezinning. Een herbezinning die ik nadrukkelijk heb geplaatst in de context van «vitale, duurzame land- en tuinbouw» (zie mijn brief van 20 juni 2003, TK 2002–2003, 28 973, nr. 1).

In het kader van het maatschappelijk debat vond in het najaar een reeks van activiteiten plaats: een belevingsonderzoek, het peilen van de mening van burgers via advertenties en een interactieve website, een scholenwedstrijd, regiodebatten, sectordebatten, een stadsdebat en een groot en indringend slotdebat. Op 19 december kon een Kabinetsstandpunt naar de Tweede Kamer worden verzonden. In deze brief is een gedeeld toekomstperspectief geschetst, werd het initiatief hoofdzakelijk bij bedrijven en organisaties gelegd en werd voor de overheid de rol van richting wijzen en ruimte bieden beschreven. Die omvat ook het in beweging brengen van partijen en het faciliteren van bewegers.

Een hoofdpunt vormde het mestbeleid en de wijze waarop Nederland aan de eisen van de Nitraatrichtlijn moet voldoen. Centraal stond de onderhandeling met de Europese Commissie over de zgn. derogatie. Ter zake werd in de zomer een voorlopig akkoord bereikt. Dat gebeurde hangende de Hofuitspraak inzake het MINAS-stelsel als instrument om te voldoen aan de Nitraatrichtlijn.

Op 2 oktober oordeelde het Hof van Justitie negatief over MINAS. Rekening houdend met een dergelijk scenario en in lijn met het voorlopige akkoord met de EC was inmiddels een nieuw actieprogramma mest in voorbereiding genomen.

Eind december is het derde Nederlandse actieprogramma inzake de Nitraatrichtlijn aan de Europese Commissie aangeboden. Het programma beschrijft de hoofdlijnen van het nieuwe mestbeleid, dat per 1 januari 2006 van kracht moet worden. Tevens is een interimprogramma voor de jaren 2004–2005 opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze het huidige beleid tot 2006 zal worden voortgezet. De Commissie heeft in dit verband aangegeven geen versoepelingen voor de jaren 2004–2005 toe te staan. De nadere invulling van zowel het actieprogramma als het interimprogramma zijn mede bepalend voor het realiseren van de derogatie.

De positie van de agrarische sector in de samenleving

Het kabinet wil in deze kabinetsperiode komen tot een manier van handelen die meer dan tot nu toe leidt tot waardering van diensten die agrarische ondernemers leveren aan de samenleving.

Dit past in de nagestreefde geleidelijke verbreding – ook op Europese schaal – van landbouwbeleid naar plattelandsbeleid, waarbij ik het in Vitaal en samen omschreven drielagenmodel als uitgangspunt hanteer. Kernbegrippen daarbij zijn:

• Ruimte voor ondernemerschap binnen randvoorwaarden. Hierbij past een overheidsrol, die zich richt op het bieden van ruimte en op faciliteren;

• Compensatie voor ondernemers in gebieden met natuurlijke handicaps, vanwege het niet concurrerend kunnen produceren;

• Beloning voor specifieke diensten, gericht op realisatie van maatschappelijke wensen die verder gaan dan in een normale ondernemerspraktijk mag worden verwacht.

Deze benadering sluit in hoge mate aan bij de ontwikkelingen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Plattelandsbeleid.

Voor het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is 2003 een historisch jaar geweest. Met de afronding van de midterm review, waarmee de ontkoppeling van de ondersteuning van de productie een feit werd, is de lijn naar een verder marktgericht beleid voortgezet. De hervorming komt tegemoet aan de internationale kritiek op het GLB, met name wat betreft de handelsverstoring die ermee gepaard gaat. Ook is de verwachting dat milieubelangen in het nieuwe beleid beter gegarandeerd zijn. Zo zal de prikkel tot extra productie zijn weggenomen en zorgen de extra voorwaarden aan de inkomenstoeslagen (cross compliance) voor een betere handhaving van het milieubeleid.

Nederland heeft de plannen tot wijziging van het beleid van harte ondersteund. Deze kwamen ook overeen met de Nederlandse wensen het beleid marktgerichter en minder kostbaar te maken. Duidelijk is geworden dat Nederland door velen in de EU nog steeds gezien wordt als een land dat bruggen kan slaan tussen de behoudende en meer hervormingsgezinde landen. Die houding zal zeker van pas komen bij het komende voorzitterschap van Nederland in de 2e helft van 2004.

Duurzaamheid

Een vitale duurzame landbouw vergt continuïteit en perspectief. Daarvoor zijn gezonde, toekomstgerichte bedrijven nodig. Bedrijfsovername door jonge ondernemers is al vele jaren een moeilijke zaak. In 2003 werd een nieuwe subsidieregeling voor bedrijfsplannen van jonge boeren twee keer opengesteld. In de eerste openstelling werden 380 van de 1280 aanvragen gehonoreerd, de tweede openstelling leverde 2143 aanvragen op. Een stimuleringsmaatregel voor innovatieve jonge starters werd in de praktijk vorm gegeven door verbetering van de faciliteiten van het Borgstellingsfonds voor jonge starters.

Gewasbeschermingsbeleid

Het aspect duurzaamheid is ook een belangrijke factor in het gewasbeschermingsbeleid. Een duurzamer gewasbeschermingspraktijk vergt een bredere toepassing van geïntegreerde gewasbescherming en gunstige condities voor een duurzaam en effectief middelenpakket. Die doelen vergen een gezamenlijke aanpak van betrokken partijen. In 2003 is daarover een convenant gesloten. Met het actieprogramma dat daarvan deel uitmaakt, is een belangrijke basis voor die samenwerking gecreëerd. In het licht van de nieuwe aanpak en van andere inzichten van het huidige kabinet over rollen en verantwoordelijkheden, is het plan uit de nota Zicht op gezonde teelt verlaten om overheidsregels op te stellen volgens welke bedrijven zich zouden moeten certificeren.

Een meer algemeen punt van zorg is de voortdurende spanning die zich in de tweede helft van 2003 tussen de convenantspartijen heeft opgebouwd. Begin 2004 heeft dit geleid tot het afhaken van de Stichting Natuur en Milieu. De overige partijen hebben besloten de ingezette lijn niettemin door te zetten.

Biologische landbouw

Bij de stimulering van biologische landbouw stonden versterking van de marktontwikkeling en de opschaling van de ketens centraal. De omschakelingspremie voor primaire producenten werd in 2003 niet opengesteld. De door betrokken partijen gezamenlijk opgezette opschaling van de biologische varkensvleesketen kreeg zijn beslag. De consumptie lijkt te stijgen, zij het niet in de mate die tevoren was geschat, zodat aan de productiekant problemen ontstaan. Uit monitoring blijkt dat de primaire sector minder groeit dan gedacht. De cijfers laten een negatieve groei zien wat betreft het aantal hectares en aantal bedrijven. Het aandeel biologische landbouw ten opzichte van het totale areaal blijft gelijk, omdat dit ook is teruggelopen.

De mediacampagne «Biologisch, eigenlijk heel logisch» werd in 2003 aangescherpt voortgezet. Het bedrijfsleven haakte daarop in met het aanbieden van biologische producten op de winkelvloer. Voor onder meer aardappelen, groente en fruit (AGF), vlees en zuivel werden plannen (incl. winkeldemonstraties, voorlichting en promotie) goedgekeurd en uitgevoerd. In 2004 zal de totale aanpak bij de stimulering van biologische landbouw worden geëvalueerd.

Vitaliteit en concurrentiekracht, kennis en innovatie

De aanpak van de transitie naar een duurzame landbouw gaat uit van een samenhangende en evenwichtige verbetering op alle aspecten van duurzaamheid, dus op ecologische, sociale en economische aspecten. Daartoe zullen bedrijven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en overheden elkaar in grote en kleinere samenwerkingsverbanden moeten vinden. Vanuit de eigen verantwoordelijkheden zullen deze partijen daarin actief moeten investeren. Het ketenaspect neemt daarbij een belangrijke plaats in: zowel als het gaat om sturing op productie als om prikkels richting en vanuit de consument. Ondernemerschap en innovatie alsmede lokatie en logistiek zijn daarnaast factoren van betekenis.

Ten aanzien van ketens is de beleidsinzet gericht op versterking en transparantie, onder andere door de benutting van ICT. Het experimenteerbudget voor een zestal ketenpilots wacht nog op de afronding van de EU-staatssteun-procedure.

Bevordering van ondernemerschap en innovatie vindt mede plaats door gebruik te maken van voorlopers. Hieraan is invulling gegeven via gerichte openstellingen van de Demoregeling en van de Kaderregeling Kennis en Advies. Daarnaast werd met onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven een nieuw Programma Praktijknetwerken opgezet: voor de uitwisseling van gegevens en ervaringen én voor praktijk- en innovatiegerichte ontwikkeling van kennis en onderzoek. Ook het aangekondigde bedrijvenplatform ten behoeve van transparantie in ketens (Platform ICT en Transparantie) is officieel ingesteld.

De betekenis van Wageningen UR op het gebied van kennis en innovatie is toegenomen door samenwerking met andere kennisinstellingen en het bedrijfsleven. Dit bevordert de maatschappelijke benutting van onderzoek. De innovatie van in de «groene» sectoren actieve bedrijven krijgt hiermee een extra stimulans. Het succesvolle innovatieve karakter van het «groene» bedrijfsleven komt onder meer tot uitdrukking in de toekenning van de «Ei van Columbus» prijzen (een initiatief van de ministeries van VROM, EZ, OCW, VenW en SZW om duurzame producten en projecten te stimuleren) in vier categorieën: bedrijven, dienstverlenende organisaties, onderwijsinstellingen en duurzame bedrijfsvoering.

Handhaving van een duurzame betekenis van het Wageningse kenniscomplex vergt evenwel meer. Ontwikkeling van strategische expertise is onontbeerlijk om – ook op de internationale kennismarkt – de vooraanstaande en kansrijke rol te kunnen spelen die past bij het streven naar versterking van de kenniseconomie. In 2003 zijn daarom afspraken gemaakt om de structurele middelen voor de kennisbasis in de komende jaren te verhogen ten koste van het budget voor direct beleidsondersteunend onderzoek.

De resultaten van de door LNV gefinancierde kennis, inclusief de kennisontwikkeling, worden toegankelijk gemaakt op het virtuele informatie- en communicatieplatform «Kennisplatform LNV». Dit platform is ontwikkeld vanuit «Groen Kennisnet» waarvan binnen het groene onderwijs veel gebruik wordt gemaakt.

In 2002 is de Visie Agrologistiek door de Tweede Kamer goedgekeurd. De Visie probeert een oplossing te bieden voor het congestieprobleem in de agrologistiek. Het Platform Agrologistiek moet de Visie uitvoeren en heeft in 2003 9 innovatieve voorbeeldprojecten gekozen. De leden zijn directeuren uit overheid en bedrijfsleven. De projecten worden door de leden van het Platform begeleid en ondersteund. Zo adopteren een aantal platformleden een project. Op die manier wordt er per project maatwerk geleverd met een mix van publiciteit, raad en daad (via netwerken van het platformlid), onderzoek en kennisoverdracht. Er wordt niet met subsidies gewerkt en het bedrijfsleven is initiatiefnemer en trekker van de projecten. Deze vernieuwende manier van werken van LNV samen met Verkeer en Waterstaat heeft in 2003 de InAxis-prijs gewonnen voor het beste idee om de werking van het rijk te verbeteren.

In het agrarisch onderwijs was in 2003 sprake van een stijgend aantal leerlingen/studenten in alle sectoren (met uitzondering van het onderdeel beroeps opleidende leerweg). De dialoog tussen het onderwijsveld en LNV heeft een nieuwe impuls gekregen. Er is een conferentie georganiseerd met het onderwijsveld over «vakdepartementaal leren» met als doel het versterken van de interactie tussen LNV-beleid en het groene onderwijs. Als gezamenlijke speerpunten zijn benoemd samenwerking onderwijs en bedrijfsleven in de regio en betere benutting van onderzoeksresultaten in de praktijk door tussenkomst van het onderwijs.

De voor de herstructurering van de glastuinbouw belangrijkste stimuleringsregelingen zijn de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG) en de Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (STIDUG).

De RSG is in 2003 niet opengesteld. Wel zijn aanvragen uit eerdere openstellingen afgehandeld die hebben geleid tot nieuw glas in 2003. Ondanks het feit dat de RSG in 2003 niet is opengesteld, blijft het eindstreefbeeld van de regeling, 1 000 ha nieuw glas in 2006, binnen handbereik dankzij de nog aanwezige financiële ruimte en belangstelling bij individuele tuinders. 20 Gewasgroepen zijn in 2003 gestart met energiemanagement. Overigens verbeterde de energie-efficiency in de glastuinbouw het afgelopen jaar met 2%-punt.

Op 1 april 2003 heeft de EU negen geslachten snijbloemen inspectie-plichtig verklaard. Nederland importeert jaarlijks ongeveer 3 miljard stelen van deze bloemen (waarde ca. € 750 mln.). Traditionele inspectie van een dergelijk volume producten zou leiden tot zeer hoge keuringskosten en veel logistiek oponthoud voor het bedrijfsleven en een groot beslag leggen op de inspectie capaciteit van de Plantenziektenkundige Dienst (PD). Omdat veel snijbloemen een laag fytosanitair risico vormen heeft de PD in Brussel met succes gepleit voor het relateren van de inspectie intensiteit aan het fytosanitair risico dat aan een bepaald product-land combinatie kleeft. Om dat systeem bij een dergelijk groot volume product hanteerbaar te maken was het noodzakelijk om een geautomatiseerd systeem te ontwikkelen voor berichtenverkeer tussen het bedrijfsleven, de PD en de douane. Onder hoogspanning is met gemeenschappelijke inspanning dit systeem (CLIENT) ontwikkeld. Inmiddels wordt circa 97% van de snijbloemen elektronisch aangemeld en administratief afgehandeld. Het gemiddelde inspectiepercentage lag in 2003 op 20%.

Begin jaren 90 is rond het vliegveld van Belgrado een kevertje opgedoken (afkomstig uit Amerika) dat schadelijk is voor de maïsteelt. De natuurlijke verspreiding van deze maïswortelkever gaat met ca. 40 tot 80 km/jaar. Echter door versleping via mensen of machines kunnen grote afstanden worden overbrugd. Sinds 1997 heeft de PD vallen uitstaan met lokstoffen en daarnaast is een draaiboek opgesteld hoe te handelen bij een vondst. In augustus 2003 werden bij Aalsmeer 2 kevertjes aangetroffen. Dankzij het draaiboek kon zeer snel tot uitroeiing worden overgegaan. Maïs vertegenwoordigt een waarde van zo'n € 1500 per hectare, de totale waarde in Nederland beloopt dan ruim € 300 miljoen. Wanneer de kever zich zou vestigen en er geen maatregelen genomen worden, kan de schade aanzienlijk zijn; tientallen procenten schade zijn dan te verwachten. In de VS wordt deze kever de «Billion dollar bug» genoemd, omdat de jaarlijkse opbrengstderving (schade en bestrijdingskosten) daar naar schatting 1 miljard dollar bedraagt.

Voorts is in 2003 gewerkt aan de subsidieregeling Nieuwe Agrarische Schadeverzekeringen 2003 waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend door verzekeraars die een schadeverzekering introduceren voor schade die wordt veroorzaakt door zware regenval.

Administratieve lasten

In 2003 heeft de vermindering van administratieve lasten zich voortgezet met 8,4% (minus € 36,3 mln.). Een groot deel van deze reductie is mogelijk gemaakt door het schrappen of wijzigen van regelgeving. Ook zijn de door Mw. Sorgdrager voorgestelde adviezen in 2003 grotendeels uitgevoerd. Verder hebben acties op het gebied van ICT en het vergemakkelijken van uitvoering hun vruchten afgeworpen. Voorbeelden hiervan zijn de toename van het gebruik van managementpakketten in de sector (Bedrijfsregister I&R), de gewijzigde Vrijstellingsregeling artikel 42a Meststoffenwet en de gewijzigde regeling Verlaging forfaitaire productienormen voor enkele categorieën rundvee en geiten 2003. Een overzicht van het verloop in de administratieve lasten voor het bedrijfsleven wordt gegeven bij artikel 11 van dit jaarverslag.

Sinds mw. Sorgdrager haar rapport «Lastige Lasten» presenteerde, is duidelijk geworden dat LNV met alle wetten en regelingen tezamen ruim € 430 mln. aan administratieve lasten veroorzaakte (excl. de administratieve lasten van subsidies).

De prioriteitstelling voor vermindering van administratieve lasten is verder vergroot. De regering heeft in het Hoofdlijnenakkoord afgesproken dat de administratieve lasten voor burgers en bedrijfsleven in de periode 2003–2007 met 25% moeten worden verminderd ten opzichte van 2003. Daartoe heeft LNV in 2003 het totaal aan administratieve lasten van haar eigen wet- en regelgeving in kaart gebracht; alsmede de internationale herkomst van administratieve verplichtingen. Van deze administratieve lasten is 32% van Europese oorsprong, 54% is Europees met een nationale invulling. Verder is 14% van de administratieve lasten puur nationaal.

Ook heeft LNV in 2003 een Gemengde Commissie in het leven geroepen, die adviseert over reductiemogelijkheden. Deze commissie heeft medio maart 2004 gerapporteerd en aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen zullen de basis vormen voor de vermindering van administratieve lasten tot 2007 en voor de concrete aanpak van de vermindering van administratieve lasten. De vermindering van administratieve lasten zal plaatsvinden langs de lijnen van «minder regels», «makkelijker maken» en tot slot de lijn van «toezicht op toezicht» en «ketenomkering». In 2003 is hiermee een goede basis gelegd voor de vermindering van administratieve lasten de komende jaren.

CLIENT

Het programma CLIENT is gericht op het importerend en exporterend bedrijfsleven, PD, RVV en Douane met als doel administratieve en logistieke processen voor grenscontroles op landbouwgoederen te verbeteren en te digitaliseren. Het elektronische aanmeldingsysteem voor inspectieplichtige fytosanitaire goederen, die via Schiphol worden aangevoerd, is op 1 april 2003 in gebruik genomen. Na de start met snijbloemen op Schiphol is deze werkwijze ook ingevoerd voor vracht via Douane-Zuid en Douane-West. Het elektronisch aanmelden van veterinaire partijen bevindt zich momenteel in de testfase en zal begin 2004 over de volle breedte zijn ingevoerd.

Duurzaamheid in breder perspectief

Zoals in Vitaal en Samen aangeduid: duurzame landbouw staat niet op zichzelf. De kern van de beleidsopgave van LNV bevat daarnaast en in samenhang daarmee het realiseren van een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een hoogwaardig voedselaanbod, waarbij ingespeeld wordt op de wensen van burgers inzake wonen, werken en vrije tijd.

Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

De grote mogelijkheden voor grondaankopen in 2002 en de ombuigingen op het verwervingsbudget voor de EHS in 2003 (minus € 70 miljoen) hebben ertoe geleid dat in 2003 de grondaankopen moesten worden afgeremd door het instellen van een biedingenstop en het opschorten van de koopplicht. In 2003 zijn alleen de grondaankopen gerealiseerd waarvoor in 2002 juridische of bestuurlijke verplichtingen waren aangegaan. Er konden in 2003 geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan.

In december 2003 is een voorlopige versie van de landelijke natuurdoelenkaart naar de Tweede Kamer gestuurd. Ook zijn er eind 2003 bestuurlijke afspraken gemaakt met de provincies over de prioritering, de tracés, de hectareverdeling en het ecologisch ambitieniveau van 12 robuuste verbindingen. De implementatie start vanaf 2004.

Met het beschikbaar komen van de intensiveringsgelden vanaf 2004 voor de EHS en de reconstructie in het kader van het Hoofdlijnenakkoord is eind 2003 de biedingenstop opgeheven en per 1 januari 2004 de koopplicht hersteld.

De inrichting is met name achtergebleven voor de reservaatsgebieden. Dit wordt veroorzaakt doordat de afronding van de klassieke landinrichtingsprojecten vertraging heeft opgelopen. De komende jaren zullen er wel meer ingerichte hectares reservaatsgebieden worden gerealiseerd omdat in 2003 van een aantal grote projecten de werkzaamheden in uitvoering zijn genomen. Een taskforce van provincies, IPO en LNV is eind 2003 ingesteld om de mogelijkheden te onderzoeken van een versnelling van de afronding van klassieke landinrichtingsprojecten.

In 2003 is een begin gemaakt met de implementatie van de omslag van minder verwerving naar meer beheer als middel om de EHS te realiseren. Uit de intensiveringsgelden voor de EHS en de reconstructie zijn eveneens extra middelen gereserveerd voor agrarisch en particulier natuurbeheer. De omslag naar met name meer particulier beheer heeft tijd nodig en zal de komende jaren geleidelijker worden vormgegeven. De eerstkomende jaren zal daarom nog fors op grondaankopen worden ingezet om voldoende tempo te kunnen houden bij het realiseren van de EHS.

Met de provincies zijn afspraken gemaakt over voorfinanciering van grondaankopen voor de EHS, alsmede over de realisatie van 27 000 ha. robuuste verbindingen.

Via de Samenwerkingsafspraak Veiligheid en Natte Natuur werken VenW en LNV bij het realiseren van natte natuur nauw samen. Dit dient een dubbel doel: grotere veiligheid tegen het water naast kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. In 2003 kreeg met name de inrichting een impuls via investeringen in Noord-Nederland, de Zuid Hollandse Delta en het IJsselmeergebied. Voor het project in de Zuid Hollandse Delta werd van de EU een POP-bijdrage ontvangen.

Overigens was 2003 een succesvol POP-jaar. In 2003 zijn de door de EU beschikbaar gestelde middelen namelijk meer dan volledig uitgeput.

De grote belangstelling voor de subsidieregelingen van Programma Beheer, in het bijzonder de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, zette ook in 2003 door. De netto areaaluitbreiding was in 2003 ruim 2 500 ha: 1 000 ha meer dan het jaar ervoor.

In 2003 konden voor collectief weidevogelbeheer geen nieuwe aanvragen worden gedaan (overigens konden wel aanvragen worden gedaan voor uitbreidingen van reeds bestaande collectieve aanvragen in verband met areaaluitbreidingen). De in Nederland gehanteerde werkwijze van uitbetaling van beheersvergoedingen in het kader van collectief agrarisch natuur- en landschapsbeheer (binnen de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer) waren niet in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Commissie op dit vlak. De vergoedingen voor deze pakketten mochten niet langer rechtstreeks aan agrarische natuurverenigingen worden uitgekeerd. In 2003 is de werkwijze gewijzigd en zijn de collectieve weidevogelpakketten aangepast. Betalingen worden nu rechtstreeks aan de eindbegunstigde betaald. In 2004 kunnen weer nieuwe verplichtingen worden aangegaan.

In 2003 is de eerste tussentijdse evaluatie van Programma Beheer afgerond en aangeboden aan de Tweede Kamer. Naar aanleiding van de evaluatie is de revisie van Programma Beheer gestart. In de eerste tranche van deze revisie is Programma Beheer vereenvoudigd voor aanvragers en uitvoerders en zijn (technische) pijnpunten weggenomen. Ook is gewerkt aan het verlagen van de uitvoeringskosten. In 2004 zullen de eerste resultaten hiervan zichtbaar worden.

In 2004 wordt een tweede tranche van de revisie uitgewerkt en doorgevoerd, wederom in nauwe samenwerking met de beheerders.

Natuurkwaliteit

In 2003 is een belangrijke stap gezet ten aanzien van de implementatie van de Europese verplichtingen in het kader van de Habitatrichtlijn: In mei 2003 heeft Nederland zijn definitieve aanmelding van te beschermen gebieden onder die richtlijn afgerond en 141 gebieden aangemeld. De Europese Commissie heeft deze aanmelding als voldoende gekwalificeerd, met de kanttekening dat er voor de Economisch Exclusieve Zone van de Noordzee (buiten de territoriale wateren) aanvulling noodzakelijk is. Wat betreft de juridische implementatie van de Europese richtlijnen is Nederland in 2003 achtergebleven bij de verplichtingen. De wijzigingsvoorstellen voor de Natuurbeschermingswet zijn in december 2003 voor de eerste maal in de Tweede Kamer besproken. De Tweede Kamer heeft nog geen conclusies getrokken; afronding van de besprekingen en de stemming over amendementen en moties zijn voor 2004 gepland.

De kosten van Soortenbeschermingsplannen die in uitvoering zijn, blijken hoger dan de gemiddelde kosten per plan die bij het opstellen van het Meerjarenplan in 2000 werden geraamd. Oorzaak is dat voor sommige soorten zoals de hamster een zeer intensief programma aan maatregelen moest worden opgezet om de soort voor uitsterven op het Nederlandse grondgebied te behouden. Ook voor andere plannen, waaronder het soortbeschermingsplan moerasvogels blijken de kosten hoger dan gemiddeld.

Om de voortgang van de uitvoering niet in gevaar te brengen en de medefinanciering van de provincies veilig te stellen, is er in 2003, na overleg met de provincies en de soortbeschermingsorganisaties, voor gekozen het opstellen van nieuwe plannen te temporiseren.

Er is, na goede samenspraak en wisselwerking met de betrokken groeperingen een Beleidskader Faunabeheer tot stand gekomen, waarin evenwicht wordt gevonden tussen wildbeheer en jacht.

De kosten van het Faunafonds bestaan voornamelijk uit tegemoetkomingen in schade die door beschermde dieren wordt veroorzaakt aan de landbouw. De schade is afhankelijk van diverse factoren (aantal dieren, locaties en gewassen waarop zij neerstrijken, het weer). Kortom, de schadetegemoetkomingsregeling is een regeling waarvan de kosten zich tevoren moeilijk laten ramen. In 2003 is het aantal beschermde dieren dat schade veroorzaakte (met name ganzen en smienten) fors toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit leidde tot hogere taxatiekosten en meer schade-uitkeringen.

Reconstructie

In maart 2003 hebben Rijk, reconstructieprovincies en VNG een bestuurlijke afspraak (Krokusakkoord) over de reconstructie ondertekend. Het akkoord bevat onder andere afspraken over financiële inspanningen van genoemde partijen in de reconstructie. Tevens is een start gemaakt met de uitvoering van de reconstructie in de vorm van een aantal urgente projecten (uitvoeringsprogramma 2003).

Nadat het Kabinet in de zomer heeft besloten extra middelen beschikbaar te stellen voor de reconstructie is gewerkt aan het urgentieprogramma 2004.

Met de 6 pilots reconstructie (2000–2003) is belangrijke ervaring opgedaan met integrale planvorming en uitvoering in de reconstructie. Ze hebben o.a. geleerd dat de gebiedsgerichte aanpak een goede is om rijksdoelen te realiseren en dat andersom het realiseren van integrale rijksdoelen gebaat is met een impuls op gebiedsniveau. De pilots hebben tevens bijgedragen aan een groot breed draagvlak voor reconstructie.

Voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn

Door in de naam van het Ministerie het aspect voedselkwaliteit op te nemen heeft het kabinet mede tot uitdrukking willen brengen dat de rijksoverheid de eisen, die de burger stelt aan de kwaliteit van zijn voedselpakket, meer dan ooit serieus neemt. In het beleidsprogramma voor deze regeerperiode heb ik aangegeven hoe het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet wordt doorvertaald naar het LNV-beleid.

Een eerste stap daarbij is de brief geweest waarin ik samen met mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heb aangegeven hoe wij de verdere ontwikkeling en positionering van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) gestalte willen geven.

Wij zullen de taken van de VWA op het gebied van wetenschappelijk gegevens, gebaseerd op onderzoek en risicobeoordeling, met een volledige waarborging van de onafhankelijkheid ten opzichte van het departement nader regelen. De Tweede Kamer heeft op 13 november 2003 hiermee ingestemd. Bevestigd is dat deze regeling de taken van de VWA op het gebied van het Staatstoezicht op grond van de Gezondheidswet onverlet laat.

De VWA maakt op grond van het Koninklijk Besluit van 2 juni 2003 deel uit van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. LNV houdt toezicht op de continuïteit en de kwaliteit van de organisatie en bedrijfsvoering van de VWA, alsmede op de doelmatige en rechtmatige besteding van middelen door de VWA. De VWA maakt overigens daarnaast met de Ministers van LNV respectievelijk VWS afspraken over de inhoudelijke opdrachtverlening door LNV en VWS.

De VWA heeft in 2003 een aantal adviezen c.q. risicobeoordelingen uitgebracht. De belangrijkste hadden betrekking op dioxines in diervoer, acrylamide en boldenon. Ad hoc is onder meer geadviseerd over malachietgroen in gekweekte zalm, lasalocide in eieren, nifursol als ontraden diergeneesmiddel en furazolidon in garnalen. Daarnaast zijn de eerste twee deelprojecten van het project Ketenanalyse Diervoedersector en het project met betrekking tot kruiscontaminatie dierlijke eiwitten in diervoeders afgerond en gerapporteerd.

Voor de borging van de kwaliteit van diervoeders is de totstandkoming van de Kaderwet Diervoeders van groot belang. Normstelling, maar ook controle en handhaving hebben er een beter fundament door gekregen.

De VWA heeft in het najaar 2003 haar Meerjarenvisie 2004–2007 gepresenteerd. Aan de hand van een omgevingsanalyse over de belangrijkste trends en ontwikkelingen voor de komende tijd heeft de VWA 20 inhoudelijke prioriteiten gedefinieerd, rekening houdend met de beleidsprioriteiten van het Kabinet.

In voorgaande jaren heeft het doden van gezonde dieren ter bestrijding van dierziekten grote maatschappelijke weerstand opgeroepen. In 2003 is dan ook nadrukkelijk inzet gepleegd om bij het bestrijden van dierziekten in de toekomst te voorkomen dat gezonde dieren gedood moeten worden. De Nederlandse inzet is er op gericht geweest vaccinatie als instrument voor dierziektebestrijding internationaal geaccepteerd te krijgen. In 2003 heeft LNV dit probleem in EU- en OIE-verband geagendeerd. Mede door Nederlandse inspanningen is de Europese richtlijn voor bestrijding van mond- en klauwzeer aangepast en is voor klassieke varkenspest de discriminerende test behorende bij het markervaccin goedgekeurd. Resultaat is dat EU lidstaten onder voorwaarden mogen gaan vaccineren bij uitbraken van mond- en klauwzeer en varkenspest. Dit betreft de inzet van vaccinatie als bestrijdingsinstrument en niet als preventief instrument. Ook voor AI is een aanpassing van de bestrijdingsrichtlijn in voorbereiding. De inzet van de Europese Commissie is erop gericht deze onder het Nederlandse Voorzitterschap af te ronden. In de position paper over deze richtlijn wordt onder andere aandacht besteed aan de mogelijkheden voor vaccinatie van hobbydieren.

In 2003 is langs drie lijnen een aanvang gemaakt met de herziening van het destructiebestel. Ten eerste is de bijproductenverordening in werking getreden. Tevens is een begin gemaakt met het programma «alternatieve verwerking slachtafvallen». In 2004 zullen drie pilotprojecten worden uitgevoerd (voor de sectoren rund, varken en pluimvee). De Europese aanbesteding hiervan is in 2003 afgerond. Tenslotte heeft een evaluatie van nationale wet- en regelgeving plaatsgevonden met als uiteindelijk doel marktbelemmeringen weg te nemen.

In het kader van het Programma preventieve diergezondheid is een voorstel uitgewerkt waarmee de nadruk op preventie in de aanpak van de diergezondheid wordt vergroot. Op basis van de gegenereerde informatie kon in 2003 een voorstel worden gedaan aan de sector dat aansluit bij de wensen van het bedrijfsleven en kan rekenen op een toenemend draagvlak. In het voorstel is een afweging gemaakt tussen verantwoordelijkheid van overheid en sector, draagvlak, administratieve lasten en risico's voor de dier- en volksgezondheid. De uiteindelijke besluitvorming zal begin 2004 plaatsvinden, waarna aan de uitwerking van dit besluit zal worden begonnen. Wel is in dit kader al een aantal regelingen aangepast in 2003.

Ten aanzien van de ontwikkeling van een nieuw systeem voor Identificatie & Registratie (I&R) voor landbouwhuisdieren is na overleg met de sectoren in 2003 besloten om te starten met de nieuwbouw van één deelsysteem, het I&R-systeem voor runderen. Voor varkens, schapen en geiten zal voorlopig geen nieuw I&R-systeem worden gebouwd. Als gevolg van een besluit van de Raad van Ministers van Landbouw in december 2003 zal de elektronische identificatie en centrale registratie van schapen en geiten pas in 2008 worden ingevoerd.

Aan de Tweede Kamer is eind oktober 2003 een herijking van het dierenwelzijnsbeleid gezonden. In deze herijking ligt de nadruk op het level playing field en op het faciliteren en stimuleren van de sector. In 2003 is er naar gestreefd om op Europees niveau een hoog dierenwelzijn te bereiken. Vooral op het onderdeel transport is hier sterk op ingezet. Verwacht wordt dat de transportverordening in 2004 gereed komt.

In EU verband werd in 2003 een akkoord bereikt over de harmonisatie van de veterinaire eisen bij het intracommunautair verkeer van gezelschapdieren. In het kader van de implementatie van deze verordening startte eind 2003 de communicatie richting burger, uitvoerende diensten en potentiële uitgevers van het gestandaardiseerde EU-paspoort.

Visserij

In 2003 is een nieuwe basisverordening in werking getreden als eerste stap in de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. De sinds 1999 stelselmatig gekozen inzet voor Nederlandse opvattingen over instandhoudingsbeleid en visstandbeheer vormt een belangrijk fundament.

In de nieuwe basisverordening zijn de voorzorgaanpak en de ecosysteembenadering expliciet opgenomen. Meerjarige herstelplannen en beheersplannen staan centraal.

Voor de vlootcapaciteit worden referentiewaarden per lidstaat vastgelegd. Er is geen sprake meer van jaarlijks verplichte reductiepercentages voor de vloot. De situatie van de visbestanden en de daaruit voortvloeiende beperkende maatregelen zullen bepalen of er voor de visser economisch perspectief is. Dit bepaalt voor de visser de keuze om door te gaan met het uitoefenen van zijn beroep dan wel gebruik te maken van saneringsmogelijkheden. Er is afgesproken dat investeringssubsidies bij de nieuwbouw van vissersschepen per eind 2004 worden afgeschaft. Tot en met 31 december 2004 mag onder voorwaarden steun worden gegeven voor nieuwbouw van vaartuigen tot 100 GT.

Tot eind 2004 mogen vissers hun gesaneerde vaartuigen verkopen aan landen buiten de EU die een visserijovereenkomst hebben met de Gemeenschap. Hierbij dienen passende garanties te worden gegeven voor instandhouding en beheer van visbestanden.

Evaluatieprogramma Schelpdiervisserij in de kustwateren 1999–2003 (EVA II).

Het definitieve evaluatierapport is op 11 december 2003 gepresenteerd en naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarbij zijn ook de uitgangspunten voor het nieuwe beleid geformuleerd.

Als gevolg van de vertraagde oplevering van het wetenschappelijke syntheserapport hebben ook het communicatietraject en de formulering van nieuw beleid vertraging opgelopen. In januari 2004 zijn in het kader van een maatschappelijke consultatie, vier sessies in verschillende delen van het land georganiseerd. Naast de maatschappelijke consultatie hebben ook twee bestuurlijke consultaties plaatsgevonden.

Tevens is een Beleidsadviesgroep ingesteld die zal adviseren in het verdere proces van beleidsontwikkeling. In deze Beleidsadviesgroep zijn het visserijbedrijfsleven en de natuurbeschermingsorganisaties vertegenwoordigd. Zoals gemeld zal het nieuwe beleid naar verwachting aan het einde van het tweede kwartaal van 2004 de Tweede Kamer bereiken.

De Internationale agenda

WTO

Als belangrijk ijkpunt voor de WTO-onderhandelingen gold de in september 2003 gehouden WTO Conferentie in Cancún. Tijdens deze Ministeriële Conferentie zou een grote stap voorwaarts in de huidige Doha Development Ronde gezet moeten worden, zodat per 1 januari 2005 de implementatie van een nieuw WTO landbouwakkoord van start zou kunnen gaan. Het is echter niet gelukt om tijdens de WTO conferentie in Cancún dat resultaat te boeken. Te grote verschillen in de verwachtingen (en onderhandelingsposities) van de aan de WTO-onderhandelingen deelnemende landen, veranderingen in internationale (geo-)politieke verhoudingen, en organisatorische onvolkomenheden zijn de hoofdoorzaken van het mislukken van de onderhandelingen. Door de vertraging in het onderhandelingsproces, dat hierdoor is ontstaan, ligt het niet in de verwachting dat er voor 2005 tot een nieuw akkoord zal worden gekomen.

Om tot verwezenlijking van duurzame ontwikkeling te komen, is een wederzijdse versterking van handel, milieu en ontwikkeling cruciaal. Daaraan zal de huidige WTO-Ronde, invulling moeten geven. De inzet van LNV op het terrein van «non-trade concerns» heeft in ieder geval bijgedragen aan het handhaven van de ambities van de Nederlandse regering. De Europese Commissie heeft in de onderhandelingen stevig het belang van de «non trade concerns» onderstreept.

WSSD Partnership Markttoegang

In 2002 heeft Nederland in het kader van de implementatie van de afspraken van de World Summit on Sustainable Development (WSSD) het publiek/private partnerschip betreffende vergroting van de markttoegang van producten uit ontwikkelingslanden geïnitieerd. Doel is het opbouwen van capaciteit in een zevental partnerlanden om te kunnen voldoen aan kwaliteitseisen op het vlak van voedselveiligheid, fytosanitair/veterinair en milieu. In 2003 zijn de productgroepen geselecteerd: voor Indonesië en Maleisië richt het partnership zich trilateraal op palmolie, garnalen en groenten/fruit. Vietnam heeft aangegeven het partnership te willen richten op garnalen. Op basis van besprekingen met Uganda, Tanzania en Zambia zijn projecten geïdentificeerd gericht op de kwaliteit en markttoegang van tuinbouw-producten. Alle landen waarderen het Nederlandse initiatief zeer, aangezien niet slechts eisen worden gesteld aan de import van producten, maar intensief wordt samengewerkt om te komen tot een goede kwaliteit van producten in de gehele keten van productie in de partnerlanden, internationale handel en consumptie in Nederland. Het is tot op heden het eerste en enige Nederlandse partnership dat tot uitvoering is gekomen.

Biodiversiteit

Aangezien Nederland gastland en voorzitter was van de 6e Conferentie van Partijen bij het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (COP-6), vervulde Nederland in 2003 het voorzitterschap bij dit verdrag tot aan de zevende Conferentie van Partijen in Kuala Lumpur, Maleisië (februari 2004). Als zodanig heeft LNV een leidende rol vervuld in de implementatie van de afspraken die op dit vlak tijdens de WSSD zijn gemaakt, met name op het gebied van de start van onderhandelingen over een internationaal regime inzake de toegang tot genetische bronnen en de eerlijke verdeling van de opbrengsten daarvan, en een werkprogramma over beschermde gebieden. In dat kader heeft Nederland intersessionele bijeenkomsten voorgezeten van alle verdragspartijen inzake het strategisch plan van het verdrag, genetische bronnen, verdere integratie van de belangen van inheemse volkeren in de implementatie van het verdrag, richtlijnen voor duurzaam gebruik van biodiversiteit en technologieoverdracht aan ontwikkelingslanden. Het voorzitterschap is wereldwijd als zeer succesvol bestempeld.

Met het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal 2002–2006 (BBI) heeft Nederland in 2003 haar actieve bijdrage en initiërende rol in internationaal verband aan een wereldwijde aanpak van een duurzame ontwikkeling en behoud van biodiversiteit weten te continueren.

Ook in 2003 is ingezet op deelname aan en het beïnvloeden van internationale besluitvorming, op kennisoverdracht en op ondersteuning van projecten in het buitenland.

Dit wordt geïllustreerd met de actieve bijdrage van Nederland in een aantal internationale gremia (o.a. de 3e Wereld Water Forum (Kyoto, maart), IWC (Berlijn, juli) en IUCN's 5e World Park Congres (Durban)) Een speciale bijeenkomst over de rol van beschermde gebieden en ecologische netwerken in het biodiversiteitbeleid werd door Nederland in Den Haag (juni) georganiseerd.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)

In februari 2003 vond de door LNV en de OESO georganiseerde conferentie «Changing dimensions of the Food Economy: Exploring the policy issues» plaats. De conferentie is bezocht door 200 vertegenwoordigers van wetenschap, overheid en bedrijfsleven. Het doel was tweeledig:

a) het bediscussiëren van mondiale issues in de voedselindustrie en

b) trends in de trend in onderwerpen aan te dragen die de komende jaren de agenda van OESO-lidstaten zullen bepalen en daarmee tevens een plaats moeten krijgen in het OESO-werkprogramma.

MVO vormde de rode draad van de conferentie. De uitkomsten worden verwerkt tot een rapport van het secretariaat van de OESO aan het landbouw comité, dat uiteindelijk beslist over het werkprogramma.

De LNV-organisatie

Zowel in het Strategisch Akkoord van 2002 als het Hoofdlijnenakkoord 2003 staat het thema «minder beleid, minder regels, minder inzet» centraal. In 2003 zijn verdere stappen gezet op het transitiepad dat op basis van de zgn. Houtskoolschets is uitgestippeld.

Onderdeel ervan is het streven de uitvoeringsorganisaties om te vormen tot agentschappen.

In dat verband heeft de Kamer eind 2003 er mee ingestemd dat de Dienst Landelijk Gebied met ingang van 1 januari 2004 de agentschapstatus heeft. Tevens is de Kamer akkoord gegaan met het tijdelijk agentschap Dienst Regelingen, waar het Bureau Heffingen, LASER, de Dienst Basisregistraties en het LNV-loket in opgaan. De voorbereiding van de omvorming van de AID tot agentschap is inmiddels in volle gang.

Met de overgang van de beheersverantwoordelijkheid voor de VWA van VWS naar LNV keerde de RVV in 2003 terug in de LNV-organisatie. Eerder was het RVV-personeel per 1 januari 2003 van LNV naar VWS overgegaan.

De VWA, waarvan naast de RVV ook de Keuringsdienst van Waren (KvW) en de centrale eenheid VWA deel uitmaken, heeft nog de status van tijdelijk agentschap. Aanvankelijk was voorzien om de werkmaatschappijen KvW en RVV geleidelijk naar elkaar toe te laten groeien. De buitenwereld wil snel één loket gerealiseerd zien. Ook het VWA-personeel is gebaat bij maximale duidelijkheid. Daarnaast dwingen de bezuinigingen tot versnelling van het integratieproces. Om deze redenen is medio 2003 het Opbouwproject 2006 gestart dat een volledige integratie beoogt van de werkmaatschappijen KvW en RVV in de VWA per 1 januari 2006. Dan zal ook sprake zijn van één nieuw agentschap VWA.

Per 1 september 2003 zijn de aanvankelijk bij de verschillende ministeries in Den Haag en Voorburg gevestigde onderdelen van de VWA gezamenlijk gehuisvest. Ook is het proces van shared services hierdoor versneld op gang gekomen. Zo is de centrale meldkamer voor calamiteitenbeheersing operationeel gemaakt volgens een vernieuwd kwaliteitssysteem.

De administratieve overgang van het personeel hebben de Ministeries van LNV en VWS op 2 december 2003 geregeld in het Sociaal Statuut zodat met ingang van 1 januari 2004 het gehele personeel van VWA, KvW en RVV in dienst is van LNV.

Ook buiten het terrein van de uitvoering zijn inmiddels veranderingen gerealiseerd of vergaand voorbereid. De samenvoeging van de regionale beleidsdirecties tot één directie Regionale Zaken heeft per 1 januari 2004 zijn beslag gekregen. De voorbereiding van de bundeling van ICT-taken in één dienst is zover gevorderd dat gestreefd wordt naar realisering per 1 januari 2005.

Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2003
Beleidsprioriteiten 2003Bedragen * € 1 000Artikel nr.Ontwerp-begroting 2003Nadere mutaties 2003Realisatie 2003
Belangrijkste (mutaties in) beleidsmatige prioriteiten    
1. EHS2,3269 00625 402294 408
2. Reconstructie110 176– 5 8054 371
3. Biologische landbouw513 314– 3 25710 057
4. Mest- en mineralenbeleid5182 708– 98 88583 823
5. Gewasbescherming56 599– 3 8112 788
6. Visserij4,526 385– 6 58519 800
7. Voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn5,662 88237 417100 299
8. Kennis en innovatie7312 1713 927316 098
     
Nieuwe prioriteiten 2003   
9. Agrologistiek/Transparantie en ICT4360360
10. Vogelpest (AI)5,6265 075265 075

Hieronder is de procentuele verdeling van de realisatie van de uitgaven en ontvangsten over de (beleids)artikelen weergegeven.

Grafiek 1: Ontvangsten verdeeld over de (beleids)artikelen

kst-29540-30-3.gif

Grafiek 2: Uitgaven verdeeld over de (beleids)artikelen

kst-29540-30-4.gif

5. BELEIDSARTIKELEN

01 Versterking landelijk gebied

Versterking van het landelijk gebied is gericht op kwaliteitsverbetering en het in onderlinge samenhang versterken van de verschillende functies in het landelijk gebied. Deze doelstelling valt uiteen in de volgende operationele doelen (OD):

• Gebiedenbeleid (1.11): een verbetering van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur;

• Reconstructie (1.12): een integrale aanpak van specifieke problemen in de concentratiegebieden;

• Landelijk Natuurlijk (1.13): de verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap in het landelijk gebied;

• GIOS (1.14): bevorderen van groen in en om de stad;

• Recreatie (1.15): het verder ontwikkelen van gevarieerde recreatiemogelijkheden.

• Internationaal natuurlijk (1.16): een structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit.

De uitvoering van dit beleidsartikel steunt voor een groot deel op de verwervings- in inrichtingactiviteiten van de Dienst Landelijk Gebied (DLG). Daarnaast komen deze activiteiten terug in beleidsartikel 2 (Ecologische Hoofdstructuur).

Inrichting

De realisatie van inrichting vindt plaats in het kader van projecten met een meerjarig karakter (2013 voor GIOS; 2018 voor EHS). De tabel biedt een samenvattend overzicht van inrichtingsdoelstellingen uit zowel Landelijk Gebied (artikel 1) als EHS (artikel 2). In 2003 is de meeste inrichting gerealiseerd bij ruimtelijke structuur en vrijwillige kavelruil, allebei onderdeel uitmakend van Gebiedenbeleid (operationeel doel 1.11): tezamen ruim 22 500 ha. De grootste resterende taakstellingen (per eind december 2003) liggen bij de inrichting van droge EHS (operationeel doel 2.13): totaal bijna 120 000 ha.

Samen met de provincies heeft LNV in 2003 een Task Force Landelijk Gebied ingesteld die mede tot taak heeft het tempo in de afronding van landinrichtingsprojecten te verhogen.

Tabel inrichting realisatie 2003
Prestaties in haTaakstellingenRestant taakstellingBegrotingRealisatieRestanttaakstelling
(tenzij anders vermeld)GIOS t/m 2013per 1 jan 20032003per 31 dec 2003per 1 jan 2004
 EHS t/m 2018 AfgerondOnderhandenAfgerondOnderhanden 
01 Versterking Landelijk Gebied       
1.11 Gebiedenbeleid       
– Ruimtelijke structuur35 000590 00017 890627 110
– Vrijwillige kavelruil10 000 4 8301 310
1.13 Landelijk Natuurlijk       
– Bosuitbreidingslocaties3 0001 61850500136291 605
– Bos en landschap26 83023 1562402 5501702 48922 986
1.14 GIOS       
– Recreatiebos9 0805 5081501 6003511 70 25 157
– Staatsbos4 0402 40350700427292 361
– Groene verbindingen450 km425 km10 km25 km1 km34 km424 km
1.15 Recreatie       
– Inrichting recreatie2 090 km1 439 km100 km700 km51 km545 km1 389 km
02 Realisatie EHS       
2.13 Inrichting droge EHS1       
– Reservaat100 00063 9791 60016 00043013 31363 549
– Natuurontwikkeling50 00042 2928009 0004999 61641 793
– Robuuste verbindingen13 50013 5002000313 500
2. Inrichting natte EHS       
– Natte natuur (inclusief V&W)7 0006 7787171 7942923 8806 486

1Nieuwe natuur is versleuteld over reservaat- en natuurontwikkeling (zie beleidsartikel 2)

Grafiek 3: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-5.gif

01.11 Gebiedenbeleid

Onder deze begrotingscategorie zijn opgenomen investeringen in de verbetering van de landbouwkundige structuur en de algemeen ruimtelijke structuur. Realisatie vindt plaats middels een aantal instrumenten (zie kader), waarvan het algemene LNV instrumentarium (inrichting; vrijwillige kavelruil) en de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB) de belangrijkste zijn. Het toepassingsgebied van beide loopt uiteen:

• LNV instrumentarium, is gericht op aanpassing van de verkavelingstructuur en aanpassing van wegen en waterlopen.

• Bij SGB gaat het om maatregelen die passen binnen het Uitvoeringscontract tussen Rijk en Provincies.

Streefwaarden
Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 ruimtelijke structuur9 250 ha ingericht17 890 ha35 000 ha ingericht
2 ruimtelijke structuur9 046 ha kavelruil4 830 ha10 000 ha kavelruil
3 ruimtelijke structuur en  Diverse projecten
fysieke leefomgeving039 projectenvia SGB-regeling

Prestatiegegevens

  Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatiesPrestatieUitgavenx 1 000PrestatieUitgaven x 1 000PrestatieBudget x 1 000
1 Landinrichtings-instrumentariuma Afgerond: 70 944 57 970 67 056
ha inrichting9 250 17 890 35 000 
  ha kavelruil9 046 4 830 10 000 
        
 b Onderhanden:      
  ha inrichting645 000 627 110 590 000 
  ha kavelruil8 343 1 310 0 
        
2– Stadsmeierrechten11 800
3 SGB aantal projecten 1 346 15 509 5 213
 a afgerond0 39  
 b onderhanden0 356  
4 Stimuleringskader aantal projecten124 817236 110506 663
5 Diversen Uitfinanciering01 986

LNV Instrumentarium (inrichting en kavelruil)

De uitgaven voor landinrichting en vrijwillige kavelruil tezamen (€ 58 mln.) zijn onder de raming (€ 67 mln.) gebleven.

Door de eindoplevering van lopende projecten is per 31 december 2003 de oppervlakte onderhanden met bijna 18 000 ha gedaald en is er ook 18 000 ha gerealiseerd. Er zijn in 2003 geen nieuwe projecten in uitvoering (onderhanden) genomen.

De voorraad lopende projecten (onderhanden) per ultimo december 2003 is 37 000 ha hoger dan begroot, terwijl de realisatie (afgerond) 17 000 ha lager is dan verwacht. Een en ander hangt direct samen met de opgelegde taakstellingen, waardoor er minder uitgaven zijn gerealiseerd. Daarnaast is er sprake van uitlopende procedures.

De kavelruil op vrijwillige basis is in 2003 aanmerkelijk lager (4 830 ha) dan in 2002. Deze verlaging komt (mede) doordat de grondmobiliteit in 2003 is afgenomen (terughoudend aankoopbeleid van het rijk). Tegen het eind van 2003 is het aantal aanvragen voor kavelruil echter weer toegenomen.

Stadsmeierrechten

Namens de ministeries van VROM en EZ is een bijdrage van € 11,8 mln. vergoed aan de gemeente Groningen voor de afkoop van stadsmeierrechten voor de herinrichtingwet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

SGB

Met de uitvoering van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid is, na een lange aanloopperiode, in 2002 begonnen. De SGB heeft een meerjarig karakter, gebaseerd op opeenvolgende vierjaarlijkse uitvoeringscontracten tussen het Rijk en de Provincies.

In 2002 en 2003 zijn subsidiebeschikkingen afgegeven voor respectievelijk € 7,3 mln en € 21,6 mln. Daartegenover staan uitgaven in 2003 van totaal € 15,5 mln. Hiervan is € 3,7 mln, is besteed aan de afronding van 39 projecten en de financiering van 356 lopende projecten (onderhanden). Een bedrag van € 11,8 mln is gestort in het Groenfonds.

Stimuleringskader

Er zijn in totaal 27 projecten minder gerealiseerd dan begroot. Dit heeft te maken met de grote omvang van de toegewezen projecten. Het beschikbare budget is licht onderbenut gebleven.

Diversen

De regelingen WCL (Waardevolle Cultuurlandschappen), Gebeve (anti verdrogingmaatregelen) en NUBL (Nadere Uitwerking Brabant Limburg) zijn reeds eerder gesloten. Er vindt alleen nog uitbetaling plaats van bestaande verplichtingen.

Doelgroepen

De verbetering van de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is bedoeld voor alle gebruikers van het landelijk gebied.

Beleidsinstrumenten

• Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied Rijk-provincies

• Landinrichtingsinstrumentarium

• Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB)

• Stimuleringskader

01.12 Reconstructie varkenshouderij/kwaliteitsimpuls zandgebieden

Op 1 april 2002 is de Reconstructiewet concentratiegebieden in werking getreden. Reconstructie beoogt het bevorderen van een goede ruimtestructuur van concentratiegebieden, speciaal voor landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur. Rijk en Provincies zijn in 2003 gestart met de voorbereiding (12 plannen). Er vindt goed overleg plaats tussen het Rijk en de reconstructieprovincies en -commissies en via de provincies met de gemeenten en de waterschappen. In 2003 zijn er geen plannen vastgesteld of ter goedkeuring aangeboden. Wel hebben Rijk, reconstructieprovincies en VNG bestuurlijke afspraken gemaakt over de reconstructie. Naast afspraken over de uitvoering van projecten in het urgentieprogramma 2003 zijn er afspraken gemaakt over ieders financiële inzet bij de uitvoering van de reconstructieplannen en over een benutting van 10 miljoen euro D2-middelen (EU-bijdrage) in 2004. Mijlpaal was het beschikbaar stellen van intensiveringmiddelen door het kabinet Balkenende II.

Als uitvloeisel van het zogenoemde Krokusakkoord van maart 2003 is in het voorjaar gestart met de uitvoering van het urgentieprogramma 2003, bestaande uit een experiment met de opkoop van 16 urgente knelgevallen intensieve veehouderij en uit projecten gericht op de extensivering van de melkveehouderij. Deze onderdelen lopen vooruit op de uitvoering van de integrale reconstructieplannen.

Streefwaarden
Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Pilots (gebieden)6 afgerond
2 Voorbereiden (Reconstructieplannen)012 onderhanden12

Volgens planning zijn de pilots afgerond in 2002. Echter, er is nog wel ruilgrond voorhanden. Met de Provincie Gelderland is reeds afgesproken dat de verkoopopbrengsten uit de ruilgronden, weer opnieuw ingezet worden voor reconstructiedoeleinden.

De reconstructieplannen zijn in 2003 een voor een opgestart en per ultimo 2003 zijn alle 12 projecten in ontwikkeling (onderhanden).

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatieUitgavenx 1 000PrestatieUitgaven x 1 000PrestatieBudgetx 1 000
1. Pilots (gebieden)6 afgerond8 4731 311
2. Opstellen plannen 2 877 2 060 10 176
– afgerond  0 12 
– onderhanden  12 0 
3 NUBLuitfinanciering1 000  

Op 3 onderdelen zijn uitgaven gedaan ten behoeve van reconstructie.

• Er is in 2003 € 1,3 mln. uitgegeven aan afhandeling van afgeronde proefprojecten (pilots).

• Daarnaast is begonnen met de voorbereiding van 12 reconstructieplannen. O.a. in verband met kabinetsformatie heeft dit onderdeel vertraging opgelopen en is er ruim € 8 mln. minder uitgegeven dan begroot.

• In het kader van de uitfinanciering van NUBL is nog € 1 mln. uitbetaald. De laatste betalingen zijn voorzien in 2004.

Doelgroepen

De verbetering van de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is bedoeld voor alle gebruikers van het landelijk gebied.

Beleidsinstrumenten

• Reconstructiewet concentratiegebieden

• Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium

• Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB)

• Experiment opkoop urgente knelgevallen Intensieve Veehouderij

• Bestuurlijke afspraken extensivering melkveehouderij

01.13 Landelijk Natuurlijk

Als gevolg van bezuinigingen voortvloeiend uit het Strategisch Akkoord (2002) en het Hoofdlijnenakkoord (2003) zijn een aantal streefwaarden en prestaties niet gerealiseerd.

Nadruk in 2003 heeft gelegen op vereenvoudiging, beperking en concentratie van de rijksbetrokkenheid bij de kwaliteitsontwikkeling van het landelijk gebied. In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland zal dit zijn beslag krijgen in de Nationale Landschappen en stimulerend instrumentarium m.b.t. landschapskwaliteitsontwikkeling. De bijdrageregeling voor het opstellen van gemeentelijke landschapsontwikkelingsprogramma's is een succes. Er zijn 67 subsidiebijdragen aan gemeenten of samenwerkende gemeenten toegekend. De doorlooptijd is ca. 2 jaar.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Operationaliseren van kernkwaliteiten van landschappen gereedgereed
2 Voltooide studies offensieve landschapsstrategie04 gestart, afronding in 20044
3 Opgestelde landschapsontwikkelingsplannen door gemeenten 67 gestart, 0 afgerond15
4 Proeftuinen kwaliteitsimpuls landschap:   
– verwerving (zie onderstaande opmerking)86 ha
– uitvoering  392 ha
5 Graadmeter voor AgrobiodiversiteitIn ontwikkelinggereed
6 Uitbreiding natuur en landschap in het landelijk gebied buiten EHS, excl. Kwaliteitsimpuls landschap1)1)4 000 ha
7 Aantal opgestelde/uitgevoerde soortenbeschermingsplannen4/42/44/4

1 realisatie is verantwoord op beleidsartikel 3 (streefwaarde 2).

Ad. 1

De kernkwaliteiten worden opgenomen in de Nota Ruimte. Uitwerking als informatieve kwaliteitsagenda voor o.a. provincies en gemeenten vindt plaats in 2004.

Ad. 2

Studies Offensieve Landschapsstrategie lopen uit in de tijd en worden in 2004 afgerond.

Ad. 4

De Proeftuinen Kwaliteitsimpuls Landschap zijn stilgelegd in het kader van de bezuinigingen. Slechts enkele eerder verplichte hectares zijn gerealiseerd.

Ad. 7

Het opstellen van nieuwe Soortenbeschermingsplannen is in 2003 getemporiseerd vanwege stijgende kosten bij de uitvoering van reeds vastgestelde plannen, en ten behoeve van de herintroductie van de otter en de hamster.

Prestatiegegevens

  Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatiePrijs per eenheidUitgaven (x 1 000)PrestatiePrijs per eenheidUitgaven (x 1 000)PrestatiePrijs per eenheidBudget(x 1 000)
1 Verwerving kwaliteitsimpuls landschap   00 086 ha€ 38 0003 254
2 Uitvoering kwaliteitsimpuls landschap   5 911  169392 ha 3 395
3 Opstellen landschapsontwikkelingsplannen   108  43515€ 107 0001 600
4 Verwerving bosuitbreidingslocaties in landinrichting 106 ha€ 46 9154 973109€ 36 5413 983104 ha€ 38 0003 983
5 Verwerving overig bos/landschap in landinrichting 83 ha€ 18 3251 52175€ 35 4002 65570 ha€ 38 0002 655
6 Inkomenscompensatie bos op landbouwgrond 2 289 ha€ 6521 4922 306 ha€ 6431 4841 970 ha€ 8121 600
7 Inrichting bosuitbreidingslocaties in landinrichting   422  825  3 771
– afrondinga17 ha  13 ha  50 ha  
– onderhandenb659 ha  629 ha  500 ha  
8 Inrichting overig bos/landschap in landinrichting   10 751  10 846  12 461
– afrondinga209 ha  170 ha  200 ha  
– onderhandenb2 680 ha  2 489 ha  2 350 ha  
Groene lijnelementen          
– afrondinga40 km  206 ha     
– onderhandenb2 190 km  1 996 ha     
Blauwe lijnelementen          
– afrondinga46 km  106 km     
– onderhandenb828 km  716 km     
9 Bosaanleg op landbouwgrond 285 ha€ 4 5861 307594 ha€ 3 0961 8391 390 ha 2 500
10 Beheer bestaand bos, natuurterreinen en landschap 52 509 ha€ 23212 168      
– beheerd door SBBa    63 662 ha 10 771  9 341
– beheerd door PNB'sb   61 876 ha€ 1006 18865 000€ 1006 500
11 Weidevogelbeheer 24 869 ha€ 1533 79320 815 ha€ 1813 74920 000 ha€ 56111 220
12 Beheer wintergasten en natuurbraak 15 430 ha€ 1832 82215 883 ha€ 1983 14418 000 ha€ 1723 109
13 Regeling draagvlak natuur   2 623  3 041  3 319
14 Landschapsbeherende stichtingen 12 4 11812 4 32312 3 630
15 Soortenbeschermingsplannen 4 2 1492 1  8535 1 815
16 Belvedere   2 929  0  2 722
17 Faunafonds   5 966  10 063  3 400

Toelichting:

Ad. 1 en 2 De proeftuinen in het kader van de kwaliteitsimpuls landschap zijn in de loop van 2003 stopgezet.

Ad 6. Het betreft hier uitfinanciering van reeds in het verleden aangegane verplichtingen. Er worden geen nieuwe verplichtingen meer aangegaan.

Ad. 7. Uitgaven vormen onderdeel van 8.

Ad. 8. In de verantwoording van de prestaties wordt onderscheid gemaakt in gerealiseerde hectares en gerealiseerde groene en blauwe lijnelementen in kilometers.

Ad 9. In 2003 is circa 800 ha minder bos op landbouwgrond gerealiseerd dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het ontbreken van de vergunningen die vereist zijn als landbouwgrond wordt omgezet in natuurgroen (functieverandering.) Naar aanleiding van de evaluatie van Programma Beheer is de methode tot het verkrijgen van de vergunningen vergemakkelijkt, dit zal echter pas zijn effect hebben op de uitgaven in 2005. De uitgaven betreffen zowel de betalingen voor de waardedaling van de grond als de kosten voor de inrichting van de terreinen.

Ad 10. De hectaren die bij Staatsbosbeheer in beheer zijn worden verantwoord onder 3.11.

Ad 11. In 2003 zijn iets meer weidevogelhectares gerealiseerd dan begroot. Daar tegenover staat dat iets minder «regulier» agrarisch natuur en landschapsbeheer is gerealiseerd (verantwoord onder 3.11.) De kosten voor het weidevogelbeheer zijn lager dan begroot, omdat agrariërs iets meer dan ingeschat voor goedkopere weidevogelpakketten hebben gekozen.

Ad 12. Er behoefden in 2002 minder ganzengedoogovereenkomsten (wintergasten) te worden afgesloten dan begroot. Het aantal overeenkomsten zal de komende jaren waarschijnlijk toenemen door het in de zomer van 2003 afgesproken Beleidskader Faunabeheer.

Ad. 15 Realisatie van soortenbeschermingsplannen blijft iets achter. De kosten van soortenbeschermingsplannen die in uitvoering zijn blijken hoger dan de gemiddelde kosten per plan die bij het opstellen van het Meerjarenplan in 2000 werden geraamd. Om de voortgang van de uitvoering niet in gevaar te brengen en de medefinanciering van de provincies veilig te stellen, is er in 2003, na overleg met de provincies en de soortbeschermingsorganisaties, voor gekozen het opstellen van nieuwe plannen te temporiseren.

Ad. 16 Het budget van € 2,7 mln. is in de loop van het jaar naar de begroting van OC&W overgeheveld.

Ad. 17 Faunafonds: In 2003 is het aantal beschermde dieren dat schade veroorzaakte (met name ganzen en smienten) fors toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit leidde tot hogere taxatiekosten en meer schade-uitkeringen. De stijging van de kosten wordt hierdoor geheel verklaard.

Doelgroepen

• Staatsbosbeheer

• Alle particulieren en organisaties, waaronder agrariërs (natuurlijke personen en rechtspersonen), die in aanmerking komen voor de subsidieregelingen onder Programma Beheer (SAN en SN)

Beleidsinstrumenten

• Programma Beheer (Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, Subsidieregeling natuurbeheer, Regeling organisatiekosten samenwerkingsverbanden)

• Ganzengedoogovereenkomsten

• Regeling Natuurbraak

• Regeling Snelgroeiend Bos op Landbouwgrond (SBL) (aflopend)

• Regeling Draagvlak Natuur

• Regeling Belvedère

• Landschapsontwikkelingsplannen

• Regeling Platform Soortenbeschermingsplannen

01.14 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad (GIOS)»

Het Operationele Doel GIOS heeft als doelstelling het bevorderen van groen in en om de stad. Het gaat hierbij om de volgende zaken:

• In 2003 is het principe «Rood-Groenbalans» verder uitgewerkt: bij de ontwikkeling van nieuwe rode functies moet het groen gelijktijdig en integraal in de planning en financiering en realisatie worden meegenomen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat andere overheden en private partners eigen inhoudelijke en financiële verantwoordelijkheid en initiatieven nemen.

• LNV draagt € 11 mln. bij voor Investeringsimpuls Stedelijke Vernieuwing (ISV2) ten behoeve van het grootschalig groen in stedelijk gebied. De gebiedsplannen VINAC zijn eveneens beoordeeld en vastgesteld.

Streefwaarden

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 SGR   
a. Verwerving gronden497 ha462 ha516 ha
b. Inrichting37 ha staatsbos42 ha50 ha staatsbos
 157 ha recreatiebos351 ha150 ha recr.bos
    
2 Groene verbindingen5 km1 km10 km

De streefwaarden hebben alleen betrekking op groen om de stad en zijn ontleend aan de taakstelling uit het Structuurschema Groene Ruimte (SGR). De streefwaardes zijn gehaald en in het geval van recreatiebos zelfs ruim overschreden. Dat houdt verband met de relatief grote beschikbaarheid van gronden ten behoeve van bosaanleg.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentPrestatieUitgaven x 1 000PrestatieUitgavenx 1 000PrestatieBudget x 1 000
1 LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium      
a. Verwerving (incl. Randstadgroenstructuur)497 ha28 965a462 ha28 799a516 ha30 485a
Gemiddelde prijs (in €/ha) (71 300) (62 200) (59 000)
b. Inrichting 2 427 9 325 7 292
b1. Afgerond      
– Staatsbos ingericht37 ha 42 ha 50 ha 
– recreatiebos ingericht157 ha 351 ha 150 ha 
– Groene verbindingen 1 km 10 km 
b2. Onderhanden:      
– Staatsbos1 030 ha 729 ha 700 ha 
– recreatiebos1 648 ha 1 702 ha 1 600 ha 
– groene verbindingen 34 km 25 km 
2 Groene Hart Impuls (projecten)483 442492 932603 267
3 Stimuleringskader VLG 04 24301 297
4 Overig: bosaanleg (PPS)4630589

a) exclusief extern aandeel van Ministerie VROM

LNV Instrumentarium (Verwerving en inrichting)

Voor GIOS zijn zowel de instrumenten verwerving als inrichting van toepassing.

• De realisatie van de verwerving (inclusief Randstadgroenstructuur) is € 1,7 mln. lager uitgevallen dan begroot. De reden hiervan is de aankoopstop voor natuur en recreatie die gold voor een deel van 2003.

• De realisatie van de inrichting is € 2,0 mln. hoger uitgevallen dan voorgaande jaren. Feitelijk betekent dit dat er vooruitgang is geboekt in de feitelijke realisatie van groen in en om de stad.

Het algemene beeld van het GIOS programma loopt echter nog danig achter op de planning.

VINAC (4e Nota Ruimtelijke Ordening Actualisering) is een recente aanvulling op de vigerende ambities van GIOS en is definitief afgesproken in 2003. De eerste VINAC resultaten zullen naar verwachting eerst in 2004 worden opgeleverd.

De prijs voor verwerving is in de begroting (2003) standaard gesteld op 59 000 € per ha. In 2003 is het gemiddelde uiteindelijk uitgekomen op 62 200 €/ha. Een en ander is het gevolg van de (autonoom) gestegen grondprijzen in de stedelijke omgeving. In 2002 was de gemiddelde prijs hoger in verband met de aanwezigheid van relatief veel afgeschreven gebouwen (rijp voor de sloop) op de verworven gronden.

Groene Hart Impuls

De oorspronkelijk afgesproken verplichtingenruimte is volledig benut. In 2003 zijn daarom geen nieuwe verplichtingen meer aangegaan. Er vindt uitsluitend nog afronding plaats van eerder gestarte projecten: in 2003 ging het om 49 projecten en om € 2,9 mln aan uitgaven.

Stimuleringskader VLG

Dit stimuleringskader is al eerder stopgezet. Het betreft hier afbetaling van lopende projectverplichtingen (uitfinanciering). In 2003 heeft er verhoogde uitfinanciering plaatsgevonden.

Overig

Hieronder valt bosaanleg via Publiek Private Samenwerking (PPS). Het gaat om de aanleg van ruim 500 ha bos in 6 regio's (budget € 2,3 mln). In 2003 zijn hiervoor geen uitgaven gedaan. Voor PPS staat er nog een beperkt deel (€ 0,5 mln) open aan verplichtingen bij lopende projecten (uitfinanciering) tot en met 2007. Tot nu toe hebben vijf regio's het bos definitief opgeleverd. De overblijvende regio heeft nog tot eind 2007 mogelijkheid tot finale oplevering.

Doelgroepen

Groen in de stad

• aanbod ten behoeve van recreanten op minder dan 500 m van de woning voor de burgers van de G30 steden en de omliggende gemeenten.

Groen om de stad

• aanbod ten behoeve van recreanten binnen 5 km van de woning

Beleidsinstrumenten

Groen in de stad

• Stadsconvenanten Rijk-individuele steden gebaseerd op het Grote Steden Beleid (GSB),

• De Wet Stedelijke Vernieuwing (getekend december 1999) en

• Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV 1 en 2).

Groen om de stad:

• Bufferzoneconvenant VROM-LNV (1996);

• Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium;

• Regeling Kwaliteitsimpuls Groene Hart.

01.15 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied

Het recreatieprogramma is vastgelegd in een drietal documenten: Beleidsbrief Toerisme en Recreatie (2001), Toeristisch Recreatief actieprogramma (2002) en het Structuurschema Groene Ruimte (2002). Het programma omvat:

• Verbeteren van de toegankelijkheid van het landelijk gebied, bijvoorbeeld door het stimuleren van de openstelling van agrarische grondgebieden of het in ere herstellen van kerkpaden.

• Realisering van landelijke netwerken voor wandelen, fietsen en varen.

• Bevorderen van kennis en deskundigheid op het gebied van recreatie.

• Beheer van voorzieningen in natuur-, bos- en recreatiegebieden.

Streefwaarden

OmschrijvingRealisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Verbeteren toegankelijkheid:  
– verwerven grond88 ha83 ha
– inrichten (aanleg paden)51 km100 km
– inrichten vlakelementen13 ha
   
2. RVR: Landelijke routenetwerken348 km290 km
3 Beheer recreatieve voorzieningen natuur en bosgebieden (per 31/12/03)219 967 ha222 403 ha
4 RVR: Overige versterking recreatie sector  
– projecten met innovatief karakter1630
– projecten ter bevordering kennis en deskundigheid (KIC)4545

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentPrestatieUitgaven x € 1 000PrestatieUitgaven x € 1 000PrestatieBudget x € 1 000
1. LNV Verwerving- en landinrichting- instrumentarium      
a. Verwerving tbv recreatievoorzieningen61 ha3 00988 ha3 17483 ha3 174
(gemiddelde prijs in € /ha) (49 300) (36 100) (38 000)
b. Inrichting paden en vlakelementen 4 138 3 808 7 622
– afgerond paden41 km 51 km 100 km 
– onderhanden paden584 km 545 km 700 km 
– afgeronde vlakken 13 ha  
– onderhanden vlakken 318 ha  
2. RVR: Landelijke routenetwerken 2 567 a) 2 403a 1 743
a. wandelen (incl. SNLW)150 km 180 km 180 km 
b. fietsen260 km 88 km 90 km 
c. varen (incl. bijdrage V&W)20 km 80 km 20 km 
3. Beheer recr. voorzieningen (per 31 dec)hectares21 571hectares22 064hectares21 569
a. Staatsbosbeheer210 190 212 815 213 563 
b. Midden-delfland & Grevelingen8 480 7 152 8 840 
4. RVR: Overige versterking recreatiesectorProjecten3 991Projecten4 086Projecten3 071
a. Projecten met innovatief karakter30 16 30 
b. Bevorderen kennis en deskundigheid (KIC)45 45 45 

a incl. Bijdrage V&W (0,681 mln €) voor vaarroutes.

SNLW: Subsidieregeling Netwerk Landelijke Wandelpaden

LNV Instrumentarium (Verwerving en inrichting)

Bij Recreatie zijn verwerving en inrichting van toepassing.

• In 2003 is het gehele beschikbare bedrag benut voor het realiseren van aankopen, waarvan een groot deel is benut voor verwerven van extra ruilgronden.

• De inrichtingsinvesteringen in dit beleidsonderdeel betreffen voornamelijk de realisatie van kilometers recreatiepaden (fietspaden en wandelpaden). De budgetrealisatie op dit terrein is lager dan geraamd (begroting 2003). De realisatie van beleidsprestaties op dit beleidsveld ligt evenwel op een vergelijkbaar niveau als het voorgaande jaar.

De gemiddelde prijs is in 2003 begroot 38 000 €/ha. Deze prijzen hebben uitsluitend betrekking op agrarische gronden. Deze vertonen de laatste jaren een dalende tendens. De gemiddelde grondprijzen van 2002 (49 300 €/ha) en 2003 (36 100 €/ha) passen daarmee in dit beeld. De prijzen in de tabel geven overigens geen compleet beeld van Nederland. LNV komt later in het jaar standaard terug bij de Tweede Kamer met een complete, afzonderlijke rapportage van de agrarische grondprijzen.

Landelijke routenetwerken

In 2003 is er in totaal 348 km bijgekomen aan nieuw netwerk. Daarmee is er per 31 december 2003 in totaal 8896 km netwerk voorhanden. De uiteindelijke doelstelling van de routenetwerken is 12000 km in 2012. De prestaties zijn mede gebaseerd op de bijdrage van Ministerie van V&W inzake vaarroutes.

Overigens is het budget ook ten goede gekomen aan het opwaarderen van oude routes door het verdiepen van vaarroutes, het verhogen van bruggen (Stichting Recreatietoervaart Nederland), en herstel van en extra infrastructuur rondom bestaande fiets- en wandelroutes (Landelijk Fietsplatform; Wandelplatform).

Beheer recreatieve voorzieningen

Aan het eind van 2003 beheerde SBB minder oppervlak dan voorzien. Per 31 december is in totaal 212 815 ha bij SBB in beheer voor recreatievoorzieningen. Naast SBB, spelen ook de twee Rijksrecreatieschappen een rol bij het beheer van recreatieve voorzieningen.

Overige versterking recreatie sector

In 2003 is opdracht gegeven aan het Kennis- en Informatiecentrum (Stichting Recreatie) voor de uitvoering van 45 projecten. Daarnaast hebben andere organisaties nog eens 16 projecten met een innovatief karakter uitgevoerd. Deze laatste prestatie is duidelijker lager dan geraamd doordat het budget is besteed aan een tweetal relatief grote LNV projecten op dit onderdeel in 2003, te weten de Agenda Vitaal Platteland (AVP) en de bijdrage aan de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportbond (KNHS).

Doelgroepen

16 miljoen Nederlanders, met in het bijzonder aandacht voor kinderen, ouderen, gehandicapten en allochtonen.

Beleidsinstrumenten

• Bestuursovereenkomst en uitvoeringscontract(en) gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied

• LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium

• Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB)

• Regeling Versterking Recreatie (RVR)

• Subsidieregeling Netwerk Landelijke Wandelpaden (SNLW)

• Rijksbijdrage Staatsbosbeheer

• Deelname Wet Gemeenschappelijke Regelingen (Rijksrecreatieschappen)

01.16 Internationaal natuurlijk

De internationale ministeriele verklaringen, het aannemen van resoluties, aanbevelingen, samenwerkingsprogramma's en bilaterale afspraken in het kader van internationale overeenkomsten dragen bij aan de structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit.

Voor de Europese samenwerking op het gebied van natuur- en biodiversiteitwaarden vormde ook in 2003 de Pan-Europese Biologische en Landschaps Diversiteits Strategie (PEBLDS) van de Raad van Europa het belangrijke kader. Aan het concept van het Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) werd met inzet van Nederland verder vorm gegeven. In het kader van het actieplan Natuurbeheer Midden- en Oost Europa 2001–2004 werden de activiteiten op het gebied van natuur- en biodiversiteitsamenwerking met Midden- en Oost Europese landen voortgezet.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Aantal MOU's445
2 Aantal startende internationale natuurprojecten757575

Overeenkomstig het actieplan Natuurbeheer Midden- en Oost Europa 2001–2004 is de uitvoering van de werkprogramma's in het kader van de Memorandum of Understanding (MoU) met Hongarije, Polen, Rusland en Oekraïne voortgezet. Uitbreiding van het aantal MoU's in 2003 werd niet opportuun geacht.

In het kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal zijn 75 internationale natuurprojecten gefinancierd uit middelen die op de begroting van het ministerie van LNV staan en uit middelen die onderdeel uitmaken van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS.) De projecten zijn uitgevoerd in samenwerking met de departementen BUZA/OS, V&W, VROM, EZ en OCW.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentUitgaven x 1 000Uitgaven x 1 000Budgetx 1 000
1 Internationale natuurprojecten en contributies2 0121 9542 146

Met de financiële middelen zijn de geplande internationale natuurprojecten en de contributies voor internationale verdragen en organisaties (Biodiversiteitsverdrag, CITES, UNESCO Werelderfgoedverdrag, Ramsar, Bonn Conventie en relevante Agreements (AEWA, Eurobats, ASCOBANS) Bern Conventie, IWC, Europarc, Planta Europa, Wetlands International, IUCN) gerealiseerd.

Binnen de uitgaven vallen ook de kosten van de werkzaamheden van het CITES-bureau en de kosten van in beslag genomen planten- en diersoorten.

Doelgroepen

• doellanden

• multilaterale organisaties

• non-governementele organisaties

• de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.

Beleidsinstrumenten

Voor de realisering van de doelstellingen in het kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal zijn in 2003 de volgende beleidsinstrumenten ingezet:

• Internationale verdragen en richtlijnen binnen de EU op het gebied van natuurbescherming: Biodiversiteitsverdrag, Ramsar Conventie, CITES, Bonn Conventie en Agreements, Bern Conventie, UNESCO Werelderfgoedverdrag, OSPAR, IWC, UNFF, Antarctica, Pan-Europese Biologische en Landschaps-diversiteitsstrategie (PEBLDS), EU-Vogelrichtlijn, EU-Habitatrichtlijn, EU-Kaderrichtlijn Water, Milieuaansprakelijkheidsrichtlijn.

• Overeenkomsten met internationale organisaties (IUCN, Birdlife International, Eeconet Action Fund, Plantlife International, UNEP, Wetlands International), pre-accessie landen en MoU's.

• Projectsubsidies in het kader van het ontwikkelen van het Europees natuurbeleid, w.o. de ontwikkeling van een Pan-Europees Ecologisch Netwerk; de natuurontwikkeling in Midden- en Oost Europa; natuurontwikkeling buiten Europa in kader van ontwikkelingsamenwerking.

• Besluit Natuurbeheer in Midden- en Oost Europa,

• Contributies aan internationale organisaties en secretariaten van internationale verdragen op gebied van natuurbescherming

• Vertegenwoordiging in en bijdragen aan internationale gremia

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in € 1 000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN278 670275 250231 183+ 44 067
UITGAVEN302 528320 914299 572+ 21 342
Programma-uitgaven228 682245 902251 638– 5 736
     
U0111 Gebiedenbeleid81 94693 37578 932+ 14 443
– Landinrichting 69 77067 296+ 2 474
– SGB 15 5095 213+ 10 296
– Stimuleringskaders/Gebeve/NUBL 8 0966 663+ 1 433
– Strategisch Akkoord: efficiency-/volumetaakstelling 0– 240+ 240
U0112 Reconstructie varkenshouderij/kwaliteitsimpuls zandgebieden11 3504 37110 176– 5 805
– Reconstructie pilots 1 311+ 1 312
– Reconstructie uitvoering 2 06010 176– 8 117
– Uitfinanciering NUBL 1 000+ 1 000
U0113 Landelijk Natuur62 80165 36880 275– 14 907
– Rijksbijdrage SBB 10 7719 341+ 1 430
– Verwerving 6 6389 892– 3 254
– Landinrichting 11 66116 241– 4 580
– Programma Beheer 6 89221 441– 14 549
– Overig beheer 26 36518 235+ 8 130
– Overige regelingen 3 0415 125– 2 084
U0114 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad«35 29745 29942 930+ 2 369
– Verwerving 15 69722 884– 7 187
– Randstadgroenstructuur 13 1027 601+ 5 501
– Inrichting 9 3257 292+ 2 033
– Groene hart impuls 2 9323 267– 335
– Stimuleringskader VLG 4 2431 297+ 2 946
– Overig (PPS-bosaanleg) 0589– 589
U0115 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied35 27635 53537 179– 1 644
– Verwerving 3 1743 1740
– Inrichting 3 8087 622– 3 814
– Landelijke routenetwerken 2 4031 743660
– Rijksbijdrage SBB 20 65720 162+ 495
– Rijksrecreatieschappen 1 4071 4070
– Overig versterking sector 4 0863 071+ 1 015
U0116 Internationaal natuurlijk2 0121 9542 146– 192
– Internationale natuurprojecten en contributies 1 9542 146192
     
Apparaatsuitgaven73 84675 01247 934+ 27 078
U0121 Apparaat72 68571 58046 817+ 24 763
U0122 Agentschappen1 1613 4321 117+ 2 315
     
ONTVANGSTEN84 61390 09184 563+ 5 528

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Het hoger bedrag aan aangegane verplichtingen houdt o.m. verband met extra aangegane verplichtingen ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB), waarvoor verplichtingenruimte beschikbaar is gesteld door de Ministeries van VROM en V&W. De verschillen bij de programma-uitgaven zijn toegelicht bij de prestatiegegevens per operationele doelstelling.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen in € 1 000
>Begroting 2003Realisatie 2003 
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven
1 Personeel DLG1812,035,528 816823,749,440 692
2 Personeel GRR51,767,53 48964,060,13 847
3 Personeel DN21,858,21 26835,457,22 024
4 Personeel AID44,046,12 02741,152,62 112
5 Materieel  10 241  17 539
6 Overig personeel  976  5 366
7 Bijdrage aan Laser  1 117  3 432
       
Totaal apparaatsuitgaven  47 934  75 012

1 De prijs per eenheid en het budget in de begroting 2003 betrof indicatieve ramingen. Het budget is in de loop van 2003 bijgesteld.

Het hogere realisatiebedrag houdt o.m. verband met extra uitvoeringskosten door de Dienst Landelijk Gebied op het gebied van Reconstructie en de uitvoering van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid. Voorts zijn extra uitgaven gedaan voor derden waartegenover ook hogere ontvangsten zijn gerealiseerd.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen in € 1 000
 Begroting 2003Realisatie 2003
Totaal84 56390 091
Landinrichtingsrente40 16142 383
Bijdragen van derden26 63825 607
EU-ontvangsten11 5578 101
Overige ontvangsten6 20714 000

Toelichting

De onderdelen Landinrichtingsrente en Bijdragen van derden zijn inkomsten die via het instrument landinrichting worden gerealiseerd.

Het hogere realisatiebedrag bij onderdeel «overige ontvangsten» houdt verband met extra ontvangsten bij de Dienst Landelijk Gebied waartegenover tevens hogere uitgaven zijn gedaan. De EU-ontvangsten zijn achter gebleven bij de raming. Deze ontvangsten hebben betrekking op het Plattelandsontwikkelingsplan (POP). Voor een totaalbeeld van het POP wordt verwezen naar de bijlage Europese geldstromen.

Evaluaties

In 2003 zijn de volgende onderzoeken afgerond:

OD 01.12 Kaderregeling pilots reconstructiegebieden;

OD 01.13 De werking van Programma Beheer;

OD 01.13/15 Evaluatie van de doeltreffend-/matigheid van SBB;

OD 01.13/16 Evaluatie van de effecten van het natuurbeleid;

OD 01.15 Evaluatie openstelling landelijk gebied (DP3).

Kaderregeling pilots (ex post)

De 6 pilots reconstructie zijn in 2002 afgerond. De evaluatie van de pilots is in 2003 afgerond en in mei toegezonden aan de Tweede Kamer.

Enkele conclusies:

• De pilots hebben bijdragen aan het creëren van draagvlak in de gebieden.

• De financiële impuls van het Rijk heeft bijgedragen aan financiële bijdragen van andere partijen (multiplier).

• De gebiedsgerichte aanpak draagt bij aan integraliteit van planvorming en -uitvoering.

• Ook een intensieve communicatie in en met de streek (bijvoorbeeld met een gebiedsmakelaar) draagt bij aan het creëren van draagvlak.

• De pilots zijn een goede ervaring geweest voor de planvorming in de reconstructiegebieden.

• Onderuitputting van het budget is ontstaan door de beperking dat alleen bestaande instrumenten konden worden gebruikt, en de korte uitvoeringsperiode (3 jaar). Dit is een (te) korte periode in gebiedsgerichte processen.

Verzelfstandiging Staatsbosbeheer (organisatie onderzoek)

Deze evaluatie vloeit voort uit de Wet Verzelfstandiging Staatsbosbeheer. De evaluatie is verricht door een externe commissie. Het onderzoek is in 2003 uitgevoerd en het rapport is in januari 2004 aangeboden. De rapportage is naar het parlement gezonden. Voor 1 mei 2004 zal LNV met een reactie komen.

De commissie oordeelt dat de doelen van de verzelfstandiging van SBB nog niet zijn gehaald, maar dat de ontwikkelingen sinds de verzelfstandiging in de goede richting zijn gegaan.

• De organisatie moet meer los moet komen te staan van het ministerie van LNV.

• De gewenste doelmatigheid- en efficiencyverbetering van SBB is niet aantoonbaar. Wel zijn de voorwaarden aanwezig, dan wel wordt er aan gewerkt om ze te creëren.

• Vermaatschappelijking is door SBB voortvarend ter hand genomen, maar zeker nog niet afgerond. De te bereiken doelen op dit vlak dienen te berusten op meetbare prestaties.

• De gewenste vergroting van de eigen inkomsten (naast de bijdrage LNV) is niet significant gerealiseerd.

De commissie vraagt zich daarbij af of de tijd voor het realiseren van de doelen sinds de verzelfstandiging niet te kort is geweest.

02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)

Er wordt een samenhangend netwerk gerealiseerd van kwalitatief hoogwaardige natuurterreinen, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), met als doel:

– het veilig stellen van soorten en ecosystemen;

– productie van schoon water, plantaardige en dierlijke producten, CO2-vastlegging;

– bescherming van landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;

– het voldoen aan recreatieve behoeften;

– het creëren van een aantrekkelijk leefklimaat en vestigingsklimaat.

De EHS vindt zijn grondslag in het SGR en bestaat uit verschillende soorten terreinen: bestaande natuurterreinen, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, beheersgebieden, de Noordzee, grote wateren en rivieren.

In het kader van het Hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet besloten tot een uitgavenintensivering van € 700 miljoen in deze kabinetsperiode voor de realisatie van de EHS en de reconstructie. Met deze uitgavenintensivering en de structurele beschikbaarheid van € 250 miljoen vanaf 2008, ligt naar de huidige inzichten de realisatie van de EHS binnen bereik.

Grafiek 4: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-6.gif

02.11 Verwerving droge EHS

Als gevolg van de ombuiging door het vorige kabinet moest voor 2003 een biedingenstop worden ingesteld voor de verwerving van gronden voor de EHS en de koopplicht worden opgeschort. Dit heeft geleid tot een tijdelijke stagnatie in de realisatie van de EHS. Ook is in het vorige kabinet besloten om de EHS te realiseren door middel van meer beheer door agrariërs en particuliere grondeigenaren en minder door verwerving van de gronden. Deze beleidslijn wordt door het nieuwe kabinet voortgezet, maar zal geleidelijker worden vormgegeven. Van de restanttaakstelling voor verwerving van reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en robuuste verbindingen op 1-1-2004 zal nog 60% worden gerealiseerd door middel van verwerving en 40% worden gerealiseerd door particulier en agrarisch (natuur)beheer. Met het beschikbaar komen van middelen in het kader van de uitgavenintensivering is in het laatste kwartaal van 2003 de biedingenstop opgeheven en de aankoop van gronden weer op gang gekomen.

Het kabinet heeft ervoor gekozen om het verwervingsbudget alleen in te zetten voor de realisatie van nieuwe natuur en niet voor de aankoop van bestaande natuurterreinen, behoudens in zeer specifieke gevallen.

De uitgavenintensivering van dit kabinet valt vooral in de tweede helft van de kabinetsperiode (2006 en 2007). Met de provincies zijn afspraken gemaakt over voorfinanciering van grondaankopen voor de EHS. Door deze constructie kan de grondverwerving voor de EHS ook in de eerstkomende jaren worden geïntensiveerd en kan de veiligstelling van soorten en gebieden weer voortvarend worden opgepakt. Wat betreft de ruimtelijke samenhang van de EHS zijn eind 2003 bestuurlijke afspraken gemaakt met de provincies over de realisatie van 27 000 hectare robuuste verbindingen in 2018.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
1 Robuuste verbindingen te verwerven513 ha26 ha810 ha
2 Bestaand bos en andere natuurterreinen (restant taakstelling) te verwerven2 109 ha893 ha572 ha
3 Uitbreiding EHS met functiewijziging (excl. Robuuste verbindingen) te verwerven5 321 ha3 316 ha3 479 ha

De realisatie verwerving droge EHS ligt wat betreft robuuste verbindingen en uitbreiding EHS met functiewijziging onder de streefwaarde. De oorzaak hiervoor is de in 2003 ingestelde biedingenstop voor de verwerving van EHS gronden en de opschorting van de koopplicht. In 2003 zijn alleen de grondaankopen gerealiseerd waarvoor in 2002 juridische of bestuurlijke verplichtingen waren aangegaan. Er konden in 2003 geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan. De vertraging wordt ingehaald in de komende jaren door het beschikbaar komen van de intensiveringsgelden voor EHS en reconstructie.

Ten aanzien van bestaand bos en andere natuurterreinen wordt de oorspronkelijke streefwaarde overschreden als gevolg van de realisatie van voor 2003 aangegane verplichtingen.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x 1 000Aantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x 1 000Aantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x 1 000
1 Verwerving robuuste Verbindingen513 ha€ 38 58319 79326 ha38 6711 005810 ha€ 38 00030 780
2 Afronding bestaande Natuurterreinen2 109 ha€ 4 81510 154893 ha6 7135 995572 ha€ 15 0008 587
3 Verwerving reservaten2 596 ha€ 30 26578 5671 536 ha38 67159 4361 749 ha€ 38 00066 451
4 Verwerving natuurontwikkeling2 725 ha€ 28 52777 7341 780 ha38 67168 7961 730 ha€ 38 00065 747

Ad 1 t/m 4: In het Strategisch akkoord is het budget voor aankoop natuur verlaagd met € 70 mln. In de prestaties in de begroting 2003 was hiermee nog geen rekening gehouden. Daartegenover heeft een intertemporele kasschuif plaatsgevonden van € 44 mln. waarmee het budget voor 2003 is verhoogd.

• Verwerving van gronden ten behoeve van de realisatie droge EHS wordt medegefinancierd door de provincies. Tevens dragen de ministeries van VROM en V&W bij aan de verwerving van droge EHS. Deze middelen zijn niet verwerkt in het budgettaire beeld, maar wel gekoppeld aan de gerealiseerde prestatiecijfers in de bovenstaande realisatie. De gemiddelde kosten per hectare zijn daardoor hoger dan in bovenstaande tabel weergegeven, omdat in de uitgaven alleen het LNV-aandeel in de prestaties wordt verantwoord.

• Een deel van de verwerving van de droge EHS wordt gerealiseerd met cofinanciering vanuit de Europese POP-gelden. In 2003 is € 18,5 mln. aan cofinanciering verkregen, die zijn doorberekend in de prestaties.

• De gemiddelde kosten per hectare zijn ondanks de grondprijsdaling in 2003 lichtelijk hoger uitgevallen dan begroot. Dit wordt veroorzaakt doordat in 2003 uitsluitend gronden zijn verworven op basis van biedingen uit 2002 en eerdere jaren, waarbij een hogere prijs van toepassing was.

• De gemiddelde kosten per hectare voor verwerving van bestaande natuurterreinen zijn in 2003 lager uitgevallen omdat voornamelijk grote, relatief goedkope aankopen bestaande natuur zijn gedaan.

Doelgroepen

• Staatsbosbeheer (SBB)

• Particuliere natuurbeschermingsorganisaties: Vereniging Natuurmonumenten en de 12 provinciale Landschappen

Beleidsinstrumenten

• Voor Staatsbosbeheer (SBB) en particuliere natuurbeschermingsorganisaties directe rijksfinanciering via aankopen door de Dienst Landelijk Gebied

• Voor zowel SBB als de particuliere nb-organisaties via doorlevering van gronden uit het grondbezit van het Bureau Beheer Landbouwgronden aan de eindbeheerders (SBB of natuurbeschermingsorganisatie).

02.12 Verwerving natte EHS

Deze operationele doelstelling heeft samen met artikel 02.14 betrekking op het in oppervlakte en kwaliteit versterken van de voor Nederland karakteristieke natte natuur in 2010 en het waarborgen van een duurzaam gebruik. Realisering van deze doelstelling vindt plaats middels financiering met ICES2-middelen en vormt onderdeel van de Samenwerkingsafspraak Veiligheid & Natte Natuur tussen het ministerie van LNV en V&W.

Door het instellen van de biedingenstop, is het beleid er in 2003 op gericht geweest die aankopen te realiseren waarvoor in 2002 juridische of bestuurlijke verplichtingen waren aangegaan. Dit heeft ertoe geleid dat er mede vanwege een beperkt aankoopbudget in 2003, slechts in beperkte mate grondaankopen zijn gedaan in de Zuid-Hollandse Delta, waar Deltanatuur ontwikkeld zal worden. In 2004 en 2005 is het streven de in 2002 ingezette lijn verder op te pakken, om daar waar zich unieke kansen voordoen grond voor de realisatie van natte natuur te verwerven, die kansen ook daadwerkelijk te benutten.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Natte natuur449 ha50 ha71 ha

In 2003 is minder grond verworven dan gepland. Vanwege het instellen van de biedingenstop, zijn in 2003 alleen grondaankopen gerealiseerd waarvoor in 2002 juridische of bestuurlijke verplichtingen waren aangegaan.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000AantalprestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000
1 Verwerving terreinen         
Natte natuur449 ha€ 39 56317 76450 ha€ 38 0005 36071 ha€ 38 0002 692

Op de artikelen 02.12 en 02.14 worden de middelen voor ICES Natte Natuur verantwoord. Jaarlijks vindt een verdeling plaats tussen verwerving (02.12) en inrichting (02.14). Daarnaast is er een POP-subsidie ontvangen en direct besteed aan de realisatie van hectares.

Doelgroepen

• Staatsbosbeheer

• Particuliere natuurbeschermingsorganisaties, waaronder Vereniging Natuurmonumenten en de provinciale landschappen

Beleidsinstrumenten

• Voor Staatsbosbeheer directe rijksfinanciering via aankopen door DLG;

• Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% rijksfinanciering via de regeling particuliere nb-organisaties;

• Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% provinciale financiering via de provinciale subsidieregelingen voor aankoop van gronden.

02.13 Inrichting droge EHS

Het beleid in 2003 is er op gericht geweest het functioneren van de EHS te versterken door het vergroten van de ruimtelijke samenhang. Ten behoeve van de opheffing van fysieke barrières is met het Ministerie van Verkeer en Waterstaat gewerkt aan een Meerjarenprogramma Ontsnippering, waarin het opheffen van knelpunten van de EHS met Rijksinfrastructuur tot 2010 wordt geprogrammeerd. In het kader van de uitgavenintensivering EHS zijn nu ook extra middelen vrijgemaakt voor de ontsnippering van de robuuste verbindingen en voor de inrichting van de robuuste verbindingen in 2018.

In het jaar 2003 is voortgang geboekt met de reeds ingezette landinrichtingsprojecten en zijn tevens nieuwe verplichtingen aangegaan voor toekomstige jaren. De hieraan gekoppelde beleidsprestaties worden in vier jaar tijd gerealiseerd.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Percentage taakstelling ontsnippering gerealiseerd7%10%10%
2 Robuuste verbindingen in te richten0 ha3 ha onderhanden200 ha onderhanden
3 Uitbreiding EHS met functiewijziging (excl.robuuste Verbindingen) in te richten1 249 ha1 765 ha2 400 ha
  26 213 ha onderhanden 

Grootschalige inrichting van robuuste verbindingen was nog niet mogelijk omdat de robuuste verbindingen eerst moeten worden begrensd door de provincies en vervolgens de aangekochte gronden in planvorming moeten worden genomen.

In de categorie Uitbreiding EHS met functiewijziging zijn in de realisatiecijfers 2003 tevens de hectares meegenomen die zijn ingericht via het Natuuroffensief of via de Subsidieregeling Natuurbeheer.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentAantal prestatiesTotale Uitgaven (x € 1 000)Aantal prestatiesTotale Uitgaven (x € 1 000)Aantal prestatiesTotale Uitgaven (x € 1 000)
1 Inrichting robuuste verbindingen      
– onderhanden6 ha73 ha80200 ha1 360
2 Inrichting reservaten      
– afronding651 ha 430 ha 1 600 ha 
– onderhanden16 862 ha9 21114 955 ha8 66016 000 ha13 750
3 Inrichting natuurontwikkeling      
– afronding598 ha 499 ha 800 ha 
– onderhanden      
Inrichting nieuwe natuur11 901 ha9 42911 258 ha11 9549 000 ha13 294
– afronding  176 ha   
– onderhanden  3 284 ha3 584  
Inpassing bestaande natuur      
– afronding  138 ha   
– onderhandenEcologische verbindingszones  3 069 ha1 138  
– afronding  207 km   
– onderhanden  3 284 km1 970  

De inrichting is voor sommige doelen achtergebleven (reservaatsgebieden), terwijl op andere beleidsdoelen de realisatie nagenoeg overeenkomt met de planning (natuurontwikkelingsgebieden/nieuwe natuur.) Het achterblijven van de inrichtingsprestaties voor reservaatsgebieden wordt veroorzaakt doordat de afronding van de klassieke landinrichtingsprojecten vertraging heeft opgelopen. De komende jaren zullen er wel meer ingerichte hectares reservaatsgebieden worden gerealiseerd omdat in 2003 van een aantal grote projecten de werkzaamheden in uitvoering zijn genomen.

De nog lopende inrichtingsprojecten in het kader van het Natuuroffensief zijn in 2003 afgesloten. De feitelijke oplevering en daarmee het realiseren van de prestatie, vindt deels nog plaats in 2004. Hiermee wordt een belangrijke impuls gegeven aan de realisatie van nieuwe natuur.

De realisatie van inrichting vindt plaats in het kader van projecten met een meerjarig karakter. Dit heeft als consequentie dat de jaarlijks bestede budgetten niet direct gekoppeld kunnen worden aan de in dat jaar gerealiseerde beleidsprestaties. De prestaties zijn immers grotendeels gerealiseerd met in voorgaande jaren bestede middelen. Bij de gerealiseerde prestaties wordt daarom inzicht geboden in de volgende beleidsprestaties:

– afronding: De daadwerkelijk in het verslagjaar gerealiseerde beleidsprestaties;

– onderhanden werk: Het onderhanden werk is gebaseerd op de aangegane verplichtingen. Dit zijn alle beleidsprestaties waarvoor verplichtingen zijn aangegaan en die in de komende jaren gerealiseerd zullen worden.

Daarnaast wordt in bovenstaande tabel inzicht gegeven in de inpassingmaatregelen voor bestaande natuur. Het gaat om reeds bestaande natuurterreinen waarvoor geen inrichtingskosten worden gemaakt maar in voorkomende gevallen anti-verdrogingsmaatregelen moeten worden getroffen. De gemaakte kosten voor aanleg van ecologische verbindingszones, hier weergegeven in het gerealiseerde aantal kilometers, zijn gemaakt op basis van in het verleden aangegane bestuurlijke verplichtingen.

Doelgroepen

• Staatsbosbeheer

• particuliere natuurbeschermingsorganisaties: de Vereniging Natuurmonumenten en de 12 provinciale Landschappen

Beleidsinstrumenten

• Inrichting via het instrument van landinrichting

02.14 Inrichting natte EHS

Deze operationele doelstelling heeft samen met artikel 02.12 betrekking op het in oppervlakte en kwaliteit versterken van de voor Nederland karakteristieke natte natuur in 2010 en het waarborgen van een duurzaam gebruik. Realisering van deze doelstelling vindt plaats middels financiering met ICES2-middelen en vormt onderdeel van de Samenwerkingsafspraak Veiligheid & Natte Natuur tussen het ministerie van LNV en V&W. De realisatie van natte natuur betekent enerzijds een kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied en anderzijds veiligheid tegen het water. Voor die veiligheid is het ministerie van V&W primair verantwoordelijk. Door op het terrein van natte natuur goed samen te werken, realiseren LNV en V&W op een optimale manier hun doelen.

De realisatie van inrichting vindt plaats in het kader van projecten met een meerjarig karakter. Hierdoor kunnen de jaarlijks bestede budgetten niet direct gekoppeld worden aan de in dat jaar gerealiseerde beleidsprestaties. In 2003 is het accent gelegd op inrichtingsprojecten in Noord Nederland, de Zuidhollandse delta en het IJsselmeergebied.

Streefwaarden

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
In te richten natte natuur52 ha292 ha717 ha

In 2003 is de inrichting van natte natuur fors op gang gekomen in vergelijking met de realisatie in 2002. In 2003 is er een POP-subsidie van 1,3 mln ontvangen voor een project in de Zuid-Hollandse Delta, waardoor er meer budget kon worden besteed. Het aantal daadwerkelijke hectares waarbij de inrichting is afgerond, is echter achtergebleven bij de streefwaarde doordat procedures in de uitvoeringsfase meer tijd vergen dan gepland; daarentegen is een groot aantal hectares momenteel in inrichting. De bijbehorende beleidsprestaties (afronding inrichting) worden in de komende jaren geleverd

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentAantal prestatiesTotale Uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesTotale Uitgaven x € 1 000AantalprestatiesTotale Uitgaven x € 1 000
1 Inrichting terreinen natte natuur      
– afgerond52 ha 292 ha 717 ha 
– onderhanden3 246 ha3 1773 880 ha6 2611 794 ha8 516

Op de artikelen 02.12 en 02.14 worden de middelen voor ICES Natte Natuur verantwoord. Jaarlijks wordt bekeken hoe de verdeling tussen verwerving (02.12) en inrichting (02.14) moet worden gemaakt.. Hoewel de realisatie van inrichting fors op gang is gekomen, is de prestatie inrichting afgerond onder de streefwaarde gebleven.

Doelgroepen

• Staatsbosbeheer

• Vereniging Natuurmonumenten

• De provinciale landschappen

• Particuliere beheerders van natuurterreinen

• Rijkswaterstaat

• Waterschappen

Beleidsinstrumenten

• Inrichting via het LNV-inrichtingsinstrumentarium, met name landinrichting;

• De kwaliteit van natte natuur wordt gestuurd door gebruik te maken van de natte bouwstenen van de Landelijke Natuurdoelenkaart;

• Daarnaast worden in afspraken met beheerders (o.a. Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat) natte natuurwensen verwerkt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in € 1 000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN281 048184 672156 964+ 27 708
Waarvan garantieverplichtingen9 1009 0769 0760
UITGAVEN243 900195 530152 669+ 42 861
Programma-uitgaven225 836174 239141 177+ 33 062
     
U0211 Verwerving droge EHS186 248135 232101 565+ 33 667
– Verwerving  171 565 
– Strategisch Akkoord minder aankoop natuur  – 70 000 
U0212 Verwerving natte EHS17 7645 3602 692+ 2 668
– Verwerving  2 692 
U0213 Inrichting droge EHS18 64727 38628 404– 1 018
– Landinrichting  28 404 
U0214 Inrichting natte EHS3 1776 2618 516– 2 255
– Landinrichting  8 516 
     
Apparaatsuitgaven 21 29111 492+ 9 799
U0221 Apparaat 19 22610 831+ 8 395
U0122 Agentschappen 2 065661+ 1 404
     
ONTVANGSTEN22 07341 0046 258+ 34 746

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

De verschillen tussen de begroting en de realisatiecijfers zijn voor wat betreft de programma-uitgaven toegelicht bij de verschillende operationele doelstellingen.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen in € 1 000
 Begroting 2003Realisatie 2003
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven
1 Personeel DLG1)155,735,55 525240,349,411 873
2 Personeel DN38,358,22 23043,757,22 499
3 Materieel  2 804  3 649
4 Overig personeel  272  1 205
5 Bijdrage aan Laser  661  2 065
Totaal apparaatsuitgaven  11 492  21 291

DLG1) De prijs per eenheid en het budget in de begroting 2003 betrof indicatieve ramingen. Het budget is in de loop van 2003 bijgesteld.

De hogere uitgaven houden met name verband met extra uitgaven bij de Dienst Landelijk Gebied. Behalve voor hogere uitvoeringskosten zijn tevens vanuit de programma-onderdelen middelen beschikbaar gesteld om het budget van DLG in overeenstemming te brengen met het offerte-bedrag voor 2003. Tevens zijn de uitvoeringskosten bij de baten-lastendienst LASER hoger uitgevallen als gevolg van meer werkzaamheden op het gebied van subsidietoezeggingen.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen in € 1 000
 Begroting 2003Realisatie 2003
Totaal6 25841 004
Bijdragen van derden3 17419 536
EU-ontvangsten2 65020 874
Overige ontvangsten434594

De hogere realisatie bij «bijdragen van derden» wordt voor € 12 mln. veroorzaakt door een vertraagde ontvangst uit het Groenfonds voor het realiseren van natte natuurprojecten. Dit bedrag is in 2003 ontvangen i.p.v. 2002. De uitgaven voor deze projecten zijn wel in 2002 gedaan. Voorts zijn voor ca. € 18 mln. meer EU-gelden ontvangen in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan voor verwerving.

Onderstaande tabel geeft inzicht in de realisatiecijfers over 2003 en de restanttaakstellingen grondverwerving, weergegeven in de diverse beleidscategorieën en na doorberekening van de omslag van minder verwerving naar een groter aandeel beheer om de EHS te realiseren. De realisatiecijfers bestaan uit hectares die zijn aangekocht en doorgeleverd aan Staatsbosbeheer en de Particuliere terreinbeherende organisaties, het aantal hectares dat binnen de begrenzing van de gebiedsplannen is aangekocht en het aantal hectares ruilgrond van het Bureau Beheer Landbouwgronden dat is toe te rekenen aan de eindcategorieën. T.a.v. de EHS betreft het gronden waarvoor in 2002 reeds verplichtingen waren aangegaan. In 2003 is er beduidend minder grond aangekocht dan in 2002.

Verwervingsdoelstellingen worden mede gefinancierd vanuit autonome middelen van de provincies. Daarnaast leveren de ministeries van VROM en Verkeer en Waterstaat voor diverse programma's een financiële bijdrage. Hierdoor ontstaat er geen één op één relatie tussen uitgaven en gerealiseerde hectares

Realisatiecijfers over 2003 en de restant taakstellingen grondverwerving in hectares
BeleidscategorieRestanttaakstellingper 1-1-2002Resultaat Verwerving 2002Restanttaakstelling per 1-1-2003Planning Verwerving 2003Resultaat Verwerving 2003Restanttaakstelling per 1-1-2004Restant taakstelling na omslag per 1-1-2004
Reservaat30 7802 59628 1841 7491 53626 64815 989
Natuurontwikkeling28 0502 72525 3251 7301 78023 54514 127
Bestaand Natuurterrein18 0502 10915 94157289315 04801)
Recreatie en Staatsbos5 4404974 9435164624 4812 689
Bosuitbreidinglocaties1 3501061 2441041091 135681
Bos, landschap & kwaliteitsimpuls 1e tranche6 260836 17770756 1023 661
Recreatie1 400611 33983881 251751
Natte natuur2 6254492 17671502 1262 126
Robuuste verbindingen 1e tranche13 36051312 8478102612 8217 693
Totaal107 3159 13998 1765 7055 01993 15747 717

1 Met ingang van 2004 wordt geen bestaand natuurterrein meer gekocht, behoudens specifieke gevallen.

03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)

Er wordt een samenhangend netwerk beheerd van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur. Een belangrijke kern hiervan wordt gevormd door 17 nationale parken en een grensoverschrijdend park. Ook historische buitenplaatsen, multifunctioneel bos en gebieden met agrarisch natuurbeheer vormen een onderdeel van de EHS. In samenwerking met de provincies wordt de omslag van verwerving naar beheer geïmplementeerd door aanpassing van de natuurgebiedplannen en stimulering van particulieren en agrariërs met betrekking tot deelname aan Programma Beheer. Ook beheer van bezoekerscentra, educatie en voorlichting vormen een onderdeel van het beheer.

Grafiek 5: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-7.gif

03.11 Beheer van de EHS

De operationele doelstelling omvat – binnen de door internationale verdragen vastgestelde voorwaarden – het realiseren van de natuurdoelen zoals vastgesteld op de natuurdoelenkaart, het beheer van bos en andere droge natuur, het beheer van natte natuur en het nakomen van internationale verdragen.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Toename 2003 geraamd
1 Uitbreiding beheer droge natuur excl. robuuste verbindingen7 451 ha4 370 ha5 000 ha
2 Uitbreiding beheer natte natuur74 ha130 ha
3 Uitbreiding agrarisch natuurbeheer2 565 ha4 000 ha

Toelichting

Ad 1. Realisatie van de uitbreiding is inclusief de hectares verantwoord op art 1.13. De uitbreiding droge natuur (excl. Robuuste verbindingen) is opgebouwd uit: 4 024 ha door DLG overgedragen aan de terreinbeherende organisaties, 346 ha SN functieverandering natuur. Het aantal wijkt af van de raming. Dit is veroorzaakt door de biedingenstop voor de verwerving van de EHS en de opschorting van de koopplicht.

Ad 2. Hoewel in 2003 voor 292 ha de inrichting is afgerond, is 74 ha hiervan in beheer overgedragen. Het resterend areaal zal in 2004 in beheer worden overgedragen, na afronding van eventuele beheersplannen.

Ad 3. De realisatie is lager dan geraamd vanwege het feit dat de collectieve SAN pakketten in 2003 niet geheel aansloten op de Brusselse regelgeving.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000
1 Beheer bestaand bos, natuurterreinen en landschap428 284 ha€ 15968 048429 991 ha€ 15365 615425 000 ha€ 16369 261
– beheerd door SBB   209 860 ha 43 602205 000 ha 46 829
– beheerd door PNB's of via SN   220 575 ha 22 013220 000 ha€ 10022 432
2 Agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer63 678 ha€ 48931 13152 863 ha€ 63233 39653 000 ha€ 56129 733
3 Onderhoud historische parken en tuinen260 2 448266 2 306260 1 342
4 Herstel historische parken en tuinen8 1367 15335 276
5 Particulier natuurbeheer en functiewijziging745 ha€ 1 4501 080      
6 Beheer Natuurbeschermingswet6 666 ha€ 1971 314  1 500175 gebieden 1 095
7 Bijdrage nationale parken117 000 ha€ 374 30717 parken 4 88917 parken 5 016
8 Overlevingsplan bos en natuur274 proj.6 040250 proj 5 556300 proj.6 557  
9 Beheer natte natuur302€ 91217      
10 Specifieke thema's  6 493  6 754  2 549

Toelichting

Ad 1. De prestaties beheerd door SBB staan volledig verantwoord in deze tabel (3.11), het budget is echter verdeeld over 1.13, 1.15 en 3.11. Naast het reguliere beheer door PNB's wordt onder dit onderdeel het aantal ha particulier natuurbeheer verantwoord, conform de begroting 2003. In 2003 is op 752 ha particulier natuurbeheer betalingen verricht. Ook de 522 ha waarop in 2003 nog betalingen zijn verricht vanwege uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen in het kader van experimenten met particulier natuurbeheer worden hieronder verantwoord.

Ad 2: De realisatie van het aantal hectaren agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer sluit nauw aan bij het begrote aantal hectaren. De kosten wat hoger omdat agrariërs iets vaker voor kwalitatief betere, en dus duurdere paketten in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (SAN) hebben gekozen. Het amendement Schreijer-Pierik is gebruikt voor het aangaan van nieuwe verplichtingen agrarisch natuurbeheer (zie hoofdstuk beleidsprioriteiten, onder «subsidieregeling agrarisch natuurbeheer»). De hiermee samenhangende uitgavenverhoging loopt door tot en met 2008.

Ad 3: In 2003 waren zes historische buitenplaatsen meer aangesloten dan aanvankelijk verwacht.

Ad 4: Hier worden de prestaties uitgedrukt in het aantal uitgekeerde projectsubsidies voor het herstel van parken en tuinen. In de begroting 2003 is het aantal aanvragen voor deze projectsubsidies opgenomen in plaats van het aantal te verwachten goedgekeurde projectsubsidies binnen het budget. Het goedgekeurde aantal komt overeen met de realisatie van 2002.

Ad. 5: Particulier natuurbeheer staat verantwoord onder 1.

Ad. 6: Bij dit onderdeel zijn naast hectares ook proceskosten voor de implementatie NB-wet verantwoord.

Ad. 8 De uitvoering van 50 projecten in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) is doorgeschoven naar 2004.

Staatsbosbeheer

Bedragen in € 1 000
 Realisatie 2003Begroting 2003
 Aantal prestatiesTotale uitgavenAantal prestatiesTotale uitgaven
1. Terreinbeheer    
1a. Doeltypebeheer Natuur, Bos en Landschap209 860 ha30 484205 764 ha28 353
1b. Doeltypebeheer Recreatie211 503 ha21 579207 332 ha20 958
1c. Bijzondere kosten6 974 8 380
2. Voorlichting, Educatie en Vermaatschappelijking16 788 16 342
3. Overige Producten en Bedrijfsonderdelen3 018 3 095

In de begroting 2003 is een te laag aantal hectaren doeltype beheer natuur, bos en landschap en doeltype beheer recreatie opgenomen. Dit had moeten zijn 210 437 en 212 005 ha respectievelijk voor doeltypenbeheer natuur, bos en landschap en doeltypenbeheer recreatie. Hiermee vergeleken is de realisatie iets achtergebleven. Dit is veroorzaakt door de biedingenstop voor de verwerving van de EHS en de opschorting van de koopplicht. Van het totaalbedrag van € 78,8 mln. heeft LNV € 75,0 mln. bijgedragen conform het contract met SBB vanuit de operationele doelstellingen 01.13, 01.15 en 03.11. Daarnaast zijn voor € 3,8 mln. additionele opdrachten verstrekt.

Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (SAN)

Voor de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer is € 23,7 mln. als plafond gepubliceerd (zie tabel.) Er is voor meer dan het beschikbare budgetplafond aan aanvragen ingediend. Geen van de ingediende aanvragen is afgewezen op budgettaire gronden. Uiteindelijk is voor € 42,8 mln. aan subsidie toegekend. Hiervoor is het amendement Schreijer-Pierik ingezet. Het percentage afwijzingen is met 23% beduidend minder dan in 2002. De belangrijkste redenen voor afwijzing van aanvragen was dat de aanvraag niet in overeenstemming was met het gebiedsplan.

Er is een belangrijke netto-uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer gerealiseerd, nl. 2565 ha, bijna 1000 ha meer dan in 2002.

Bedragen in € 1 000
Titel budgetContinuïteit beheer RBON*Overig beheerUitbreidingen op bestaande collectieve aanvragenTotaal
Gepubliceerd plafond19 4003 2501 00023 650
Oppervlakte ingediend (ha)7 5749 67823317 485
oppervlakte goedgekeurd (ha)6 7846 53018413 498
Bedrag goedgekeurd21 04221 40631742 765
% goedgekeurde oppervlakte90677977

* regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling

N.B. De aantallen hectares onder «oppervlakte goedgekeurd» betreffen hectares waarop in 2003 subsidieverplichtingen zijn aangegaan. Dit wijkt dus af van de hectares onder prestaties (zie beleidsartikel 1 en 3), aangezien het daar gaat om hectares waarop in 2003 betalingen verricht zijn.

N.B. De aantallen hectares onder «oppervlakte goedgekeurd» betreffen niet alleen nieuwe aanvragen maar ook mutaties op in eerdere jaren aangegane beschikkingen, zoals uitbreidingen, en sanctioneringen en beschikkingen op basis van bezwaarschriften.

N.B. Naast verplichtingen op de budgetplafonds in de tabel zijn door uitbreidingen en herbeschikken in 2003 verplichtingen aangegaan op de «oude» budgetplafonds «SAN landschap» en «Groene Hart en Waterland» voor respectievelijk € 83,3 mln. en € 54,6 mln.

Subsidieregeling Natuurbeheer

Voor de Subsidieregeling natuurbeheer is een plafond van € 43,0 mln. gepubliceerd (zie tabel) In 2003 is voor meer dan het beschikbare subsidieplafond aan aanvragen ingediend. Uiteindelijk is voor € 64,5 mln. aan subsidie-verplichtingen aangegaan.

Belangrijkste redenen voor afwijzingen waren:

• de beheerseenheid voldoet niet aan oppervlakte, lengte, breedte of aantal-eis-van het pakket;

• de aangevraagde beheerseenheid cumuleerde met andere subsidies.

In het kader van de revisie van Programma beheer zijn bovenstaande afwijzingsgronden bekeken en indien beleidsmatig gewenst, aangepast.

In 2003 is in het voorjaar een aantal aanvragen functiewijziging en inrichting in eerste instantie afgewezen om budgettaire redenen. Deze zijn later echter alsnog in behandeling genomen nadat er in het Regeerakkoord van Balkenende II extra middelen voor de EHS zijn toegewezen. Op alle technisch juiste aanvragen is hierdoor alsnog positief beschikt.

Bedragen x € 1000
Titel budgetBeheer continuïteit TBOBeheer overigrecreatieInrichting blijvend bosInrichting natuurFunctieverandering bosFunctieverandering natuurTotaal
Gepubliceerd plafond19 0001 0002 2325002 2256 0006 00036 957
Oppervlakte ingediend (ha)23 4311 22312 6167241 48871662440 822
Oppervlakte goedgekeurd (ha)21 4091 09611 24834499246134635 896
Bedrag goedgekeurd12 3011 0401 5361 8935 75925 24316 77764 549
% goedgekeurde oppervlakte9190894867645687

N.B. De aantallen hectares onder «oppervlakte goedgekeurd» betreffen hectares waarop subsidieverplichtingen zijn aangegaan. Dit wijkt dus af van de hectares onder prestaties (zie beleidsartikel 1 en 3), aangezien het daar gaat om hectares waarop betalingen verricht zijn.

N.B. De aantallen hectares onder «oppervlakte goedgekeurd» betreffen niet alleen nieuwe aanvragen maar ook mutaties op in eerdere jaren aangegane beschikkingen, zoals uitbreidingen, en sanctioneringen en beschikkingen op basis van bezwaarschriften.

Het aantal aanvragen voor particulier natuurbeheer (het omvormen van landbouwgrond naar natuur) is toegenomen ten opzichten van 2002. In 2003 zijn op 346 ha verplichtingen aangegaan, in 2002 slechts op 257. De toename geldt eveneens voor het aantal aanvragen voor subsidieverandering voor de aanleg van bos op landbouwgronden. In 2002 was op 284 ha verplichtingen aangegaan, in 2003 waren op 461 ha nieuwe verplichtingen aangegaan. De groei is waarschijnlijk veroorzaakt door meer bekendheid met de regeling en het ter beschikking komen van de vergunningen die noodzakelijk zijn om functieverandering te realiseren.

In samenwerking met de koepelorganisaties zijn projecten gestart om de deelnamebereidheid te bevorderen. Het verkrijgen van de juiste vergunningen is ook een knelpunt. In de eerste tranche van de revisie van Programma Beheer, die in 2003 is uitgevoerd, is een deel hiervan reeds weggenomen en in de tweede tranche van de revisie (2004) zal de inspanning om dit knelpunt weg te nemen worden gecontinueerd. Het resultaat van deze aanpassingen zal effect hebben op de verplichtingen vanaf 2004 en 2005.

Doelgroepen

• Staatsbosbeheer

• Alle particulieren en organisaties, waaronder agrariërs (natuurlijke personen en rechtspersonen), die in aanmerking komen voor de subsidieregelingen onder Programma Beheer (SAN en SN)

• Beheerders van als monument geregistreerde historische parken en tuinen

• Eigenaren/gebruikers Nb-wetprojecten

Beleidsinstrumenten

• Internationale afspraken vastgelegd in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Ramsar-conventie, Verdrag inzake Biologische Diversiteit

• Wettelijke verankering van Vogel en Habitatrichtlijn in de Flora en faunawet, de Natuurbeschermingswet plus SGR

• Programma Beheer (Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, Subsidieregeling natuurbeheer, Regeling organisatiekosten samenwerkingsverbanden)

• Natuurdoelenkaart

• Convenanten voor terreinbeherende organisaties

• Regeling versterking bos/natuur (VNBBL)

• Regeling nationale parken

• Regeling historische buitenplaatsen

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN170 574174 662141 329+ 33 333
UITGAVEN141 795135 269139 785– 4 516
Programma-uitgaven118 576120 169127 829– 7 660
     
U0311 Beheer van de EHS118 576120 169127 829– 7 660
– Rijksbijdrage SBB 43 60246 829– 3 227
– Programma Beheer 55 34664 042– 8 696
– Beheer nationale parken 4 8895 016– 127
– Overlevingsplan Bos en Natuur 5 5566 557– 1 677
– Overige beheersregelingen 10 7765 385+ 6 067
     
Apparaatsuitgaven23 21915 10011 956+ 3 144
U0321 Apparaat 5 7915 582+ 209
U0322 Agentschappen 9 3096 374+ 2 935
     
ONTVANGSTEN3 9338 14614 583– 6 437

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Het hogere bedrag aan gerealiseerde verplichtingen heeft betrekking op in 2003 reeds aangegane verplichtingen voor het tijdig kunnen realiseren van de uitgaven in 2004 in het kader van de beleidsintensivering uit het Hoofdlijnenakkoord.

De lagere uitgaven bij Programma Beheer houden verband met het feit dat in het begroting een bedrag van € 12 mln. is verwerkt op grond van het amendement Schreijer-Pierik. Hiervan komt € 10 mln. echter in latere jaren tot betaling.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven
1 Personeel DLG1)76,335,52 70757,649,42 844
3 Personeel DN26,958,31 56930,857,11 760
5 Materieel  1 180  640
6 Overig personeel  126  547
7 Bijdrage aan Laser  6 374  9 309
Totaal apaaraatsuitgaven  11 956  15 100

DLG1) De prijs per eenheid en het budget in de begroting 2003 betrof indicatieve ramingen. Het budget is in de loop van 2003 bijgesteld.

De hogere realisatie wordt voornamelijk veroorzaakt door extra uitvoeringskosten bij de baten-lastendienst LASER voor regelingen ressorterend onder het subsidiestelsel «Programma Beheer».

Evaluatie

Afgeronde ex-post evaluatieonderzoeken

OD 03.11 Evaluatie van de doeltreffend-/matigheid van SBB (DN). Het evaluatierapport over de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer is op 30 januari 2004 naar het parlement gezonden.

OD 03.11 De werking van Programma Beheer (DN). Het rapport van de externe tussentijdse evaluatie van Programma Beheer is op 5 juni 2003 -vergezeld van een beleidsreactie op het rapport- aan de Tweede Kamer aangeboden. Afgelopen jaar is een deel van de conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie omgezet in concrete beleidsaanpassingen. Hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd in een brief op 10 oktober 2003. Een tweede tranche aanpassingen vindt plaats in 2004. Verder wordt jaarlijks bij de begroting de Natuurbalans gepresenteerd waarin inzicht wordt verschaft in de staat van de natuur in Nederland.

04 Economische perspectiefvolle agroketens

De algemene beleidsdoelstelling is de bevordering van duurzame en vitale agroketens. De overheid ziet zich geplaatst voor de uitdaging om de condities te scheppen waaronder de agrosector zich duurzaam kan ontwikkelen en rekening houdt met maatschappelijke wensen. Dit doet zij onder meer door:

• het stimuleren en faciliteren van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

• het stimuleren van vernieuwing in de keten op gebieden van duurzaamheid, marketing, kwaliteit, garantiesystemen en differentiatie in niche markten zoals streek- en biologische producten;

• de inzet van het exportinstrumentarium (inclusief de instrumenten van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken);

• het ondersteunen van belangrijke processen van herstructurering in de veehouderij, de glastuinbouw en de visserij.

Op deze wijze draagt de overheid bij aan (her)nieuw(d) perspectief voor de agrosector en blijft de Nederlandse agrosector internationaal concurrerend op vooral hoog ontwikkelde markten.

Grafiek 6 Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat.

kst-29540-30-8.gif

04.11 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex

Bilaterale Economische Samenwerking

Het programma Bilaterale Economische Samenwerking heeft geleid tot nieuwe contacten en relaties tussen de Nederlandse agribusiness en buitenlandse partners. Deze contacten en relaties zijn gelegd en versterkt door handelsmissies, deelname aan vakbeurzen en handelscontactbijeenkomsten. Voor het eerst werd met een collectieve inzending deelgenomen aan de BioFach te Neurenberg, de grootste vakbeurs ter wereld op het gebied van biologische producten. Hiermee werd de stimulans om over te schakelen op biologische productie ook aan de internationale afzetkant versterkt. Het instrument Landbouwwerkgroep/High Level Meeting is met name ingezet in landen waar de overheid (nog) een belangrijke stempel drukt op de internationale bedrijfslevenactiviteiten. Via seminars en trainingscentra werd kennis overgedragen over de Nederlandse Agribusiness.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)

Om het bedrijfsleven te stimuleren MVO als een pijler van ondernemen te beschouwen is de MVO-stimuleringsprijs uitgereikt tijdens de conferentie «Maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal perspectief: grensverleggend ondernemen». Daarnaast heeft in samenwerking met de OESO de conferentie «Changing dimensions of the Food Economy: Exploring the policy issues» plaatsgevonden.

De Meerjarenafspraken Energie-Efficiency (MJA2)

De meerjarenafspraken energie-efficiencyverbetering in de Nederlandse voedings- en genotmiddelenindustrie zijn het afgelopen jaar nader geconcretiseerd. Veel bedrijven en branches hebben het afgelopen jaar hun (geactualiseerde) Energiebesparingplannen (EBPs) 2001–2004 bij Novem en hun Meerjarenplannen (MJPs) bij LNV ingediend. Zij implementeren ook al een groot aantal voorgenomen maatregelen (investeringen) en activiteiten (bijv. energiezorg). De 4 ingediende MJP's zijn goedgekeurd. EZ heeft mede namens LNV in oktober 2003 de door Novem verzorgde monitoringsrapportage 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Co-innovatieprogramma Duurzame Ketens

Het co-innovatieprogramma «Duurzame Agro Food Ketens» loopt sinds eind 2001 en wordt uitgevoerd door de Stichting Agro Keten Kennis (AKK). Het programma richt zich op het realiseren van verduurzaming van productie en consumptie via ketenbenadering. In 2003 zijn 12 nieuwe projecten van start gegaan. Reeds afgeronde projecten hebben o.a. geleid tot een forse reductie van de uitval in de groente en fruitketen, vergroting van het marktaandeel duurzame groente in retail en foodservice, het vermarkten van consumeerbaar sap geproduceerd vanuit nevenstromen, verwaarding van nevenstromen uit de varkensketen en tot het vergroten van de ketentransparantie op het gebied van duurzaamheid.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
Gerealiseerde bilaterale agro-economische samenwerkings-activiteiten74%75%75%
Geaccordeerde energiebesparingsplannen van de in 2002 toegetreden bedrijven (EBP)80% 100%
Geaccordeerde meerjarenplannen van de toegetreden branches (MJP)80%100%

Het oorspronkelijke programma Bilaterale Economische Samenwerking 2003 werd voor 75% uitgevoerd.

Van de in 2002 ingediende EBP's door de deelnemende bedrijven is 80% geaccordeerd; dit komt overeen met 99 bedrijven. Het verschil met de streefwaarde 2003 voor EBP's vloeit voort uit een overschrijding van de termijnen voor indiening van het EBP door de overige bedrijven (25 bedrijven).

Van de toegetreden branches is 80% van de MJPs geaccordeerd. Het verschil van 20% wordt veroorzaakt door het feit dat het opstellen van het MJP door de vleessector vertraging heeft opgelopen als gevolg van de vogelpest en de sanering in de vleessector. Inmiddels zijn de bedrijven gestart met het uitvoeren van de plannen. Hierop zijn ook de doelstellingen voor de begroting van 2004 afgestemd.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale UitgavenAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale UitgavenAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven
Bilaterale economische samenwerking (projecten)12829,63 79311326,32 97012030,03 597
Masterplan Duitsland  3 385  161  
Energie  1 585  1 465  1 617
Agrologistiek    360  
CLIENT  1 470  1 286  
Overige (projecten)2137,9795854,54352051,21 023

Er zijn minder projecten uitgevoerd in het kader van de Bilaterale economische samenwerking en Overige (projecten) en de gemiddelde prijs per project is lager uitgevallen dan geraamd. Niet uitgevoerde activiteiten uit het oorspronkelijke programma Bilaterale economische samenwerking werden vervangen door projecten die in de loop van het jaar ontstonden en beter pasten bij de ontwikkelingen in de betreffende markten. Daarnaast zijn op dit terrein als gevolg van de oorlog in Irak en de uitbraak van SARS minder projecten uitgevoerd in Azië en het Midden Oosten.

In het kader van de afronding van het Masterplan Duitsland is in 2003 nog € 0,2 mln. betaald. De uitgaven in het kader van de Agrologistiek betreffen met name het voorzitterschap van het Platform en enkele onderzoeken en haalbaarheidstudies om pilots vlot te trekken.

In het kader van het project Controles op Landbouwgoederen bij Im- en en Export naar een Nieuwe Toekomst (CLIENT) is in 2003 € 1,3 mln. uitgegeven. Hiermee was in de begroting geen rekening gehouden.

Doelgroepen

Nederlandse productie-, verwerkings-, distributie- en handelsbedrijven van agrarische (food en non-food) producten. Buitenlandse overheden, instituties en bedrijven. Maatschappelijke organisaties.

Beleidsinstrumenten

• Bilaterale Economische Samenwerking: trainingscentra/steunpunten, seminars, workshops en symposia, handelsmissies, handelscontactbijeenkomsten, matchmaking, Landbouwwerkgroepen en groepsdeelname aan vakbeurzen. Ondersteuning van markttoegang heeft plaatsgevonden door middel van marktanalyses en sectorstudies. Daarnaast hebben onderhandelingen plaatsgevonden over het slechten van veterinaire en fytosanitaire handelsbelemmeringen;

• Energie: Meerjarenafspraken ingezet, waarin per sector specifieke energie efficiencydoelstellingen zijn vastgesteld;

• Agrologistiek: pilots en een platform;

• Client.

Evaluatie

In 2003 is het project Masterplan Duitsland/Nachbarland Niederlande geëvalueerd. Het project, dat als doel had de beeldvorming van Nederlandse producten en van Nederland als agrarisch herkomst land te verbeteren, vond plaats tussen 1998 en 2002 en betrof een unieke samenwerking tussen private en publieke partijen. Binnen deze samenwerking is veel gebruik gemaakt van wederzijdse kennis van de Duitse markt. Uit metingen bleek dat het imago tussen 1998 en 2000 verbeterde, maar in 2002 en 2003 weer onder druk is komen te staan. Voedselcrises als BSE, MKZ, MPA en Dioxine spelen hierin een belangrijke rol. Op thema's waar Nachbarland Niederlande heeft ingezet is de erosie minder groot. In dit licht is het eindoordeel over de gevoerde campagne dan ook positief.

04.12 Herstructurering (melk)veehouderij

In de begroting voor 2003 is geen concrete doelstelling voor de herstructurering van de (melk)veehouderij opgenomen. In het in februari 2003 afgesloten Krokusakkoord tussen Rijk, de provincies en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (over het urgentieprogramma 2003 in het kader van de reconstructie) is afgesproken dat er in 2003 ruimte is om pilotprojecten extensivering melkveehouderij te starten. De pilotprojecten hebben het doel ervaring op te doen met manieren om de problematiek effectief aan de pakken. De provincies hebben de verantwoordelijkheid extensiveringsprojecten aan te leveren. Bij de Dienst Landelijk Gebied zijn 9 pilotprojecten ingediend. De beoordeling van de projecten was eind 2003 nog niet afgerond.

Begin 2004 zal de ronde van pilotprojecten worden geëvalueerd, waarna besluitvorming over de inzet van de Koopmansgelden voor de komende jaren kan plaatsvinden.

Om de inplaatsing van grondgebonden melkveehouderijbedrijven in het gebied Veenkoloniën te bevorderen en om perspectief te bieden aan bedrijven, die vanwege milieuoverwegingen moeten wijken in kwetsbare gebieden, is een subsidie van € 2,3 mln. toegezegd voor een pilotproject.

Ter begeleiding van de herstructurering van de (melk)veehouderij zijn flankerende maatregelen ontwikkeld onder andere in de vorm van een sociaal economisch plan (SEP) voor de veehouderij en een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV). Het doel van het SEP Veehouderij is om veehouders te begeleiden bij het maken van plannen voor de toekomst van het bedrijf (bedrijfsontwikkeling of bedrijfsbeëindiging) met omscholing en andere hulp bij het vinden van ander werk en inkomen. Vanaf september 2002 bevindt het SEP zich in een afbouwfase en in 2003 is het SEP afgesloten. In de periode 2000 t/m 2003 hebben bijna 10 000 ondernemers een beroep gedaan op het SEP. Dit komt overeen met één derde van het potentiële aantal ondernemers (30 000), dat als doelgroep was gedefinieerd. Er zijn door de deelnemende ondernemers ruim 19 000 verschillende producten afgenomen. Ca. één derde van de gestarte trajecten kende een vervolgaanvraag. De activiteiten van het SEP Veehouderij zijn eind 2003 geëvalueerd. De conclusies worden meegenomen in de evaluatie meststoffenwet (2004), aangezien het SEP was opgesteld als flankerend beleid voor de herstructurering en mestbeleid.

Diensten SEP (per programma)Aantal aanvragen 2000 t/m 2003
Keuze begeleidingsgesprekken3 891
Nazorg Keuze begeleidingsgesprekken1 338
Advisering/bedrijfsdoorlichting4 209
Acceptatie verwerking1 031
Beëindiging/afbouw/schuldsanering1 261
Heroriëntatie/doorstart542
Begeleiding arbeidsmarkt KLIQ/oriëntatie ondernemerschap/MKB1 278
Doorgaan: vernieuwing bedrijfsvoering/innovatie921
Jongerencoaching894
Nazorg coaching515

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
InstrumentRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
RBV 1e tranche79 3644 088
Sociaal Economisch Plan/IOZV5 5963 464
Overige uitgaven w.o. nitraat8 55010 8995 052

In het kader van de uitfinanciering van de eerste tranche van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) en het Sociaal Economisch Plan (SEP)/Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV) is € 4,1 mln. respectievelijk € 3,5 mln. uitgegeven. Deze middelen zijn ter beschikking gesteld vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S-fonds) voor de Landbouw. Voor een totaaloverzicht van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken wordt verwezen naar operationele doelstelling 05.12. De hogere uitgaven onder Overige betreffen het vanuit de begroting van VROM beschikbaar stellen van € 6,8 mln. ten behoeve van de extensiveringsprojecten en de experimenten knelgevallen intensieve veehouderij. Deze middelen zijn gestort in het O&S fonds voor de Landbouw en zullen in latere jaren voor dit doel worden ingezet.

Doelgroepen

O.a. (melk)veehouders en overige grondeigenaren in kwetsbare gebieden.

Beleidsinstrumenten

1e openstelling van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV), Sociaal-economisch plan (SEP) en Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV).

04.13 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie

De voor de herstructurering van de glastuinbouw belangrijkste stimuleringsregelingen zijn de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG) en de Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (STIDUG).

De RSG is in 2003 niet opengesteld in verband met de invulling van de subsidietaakstelling. Wel zijn aanvragen uit eerdere openstellingen behandeld, die hebben geleid tot nieuw glas in 2003. Ondanks het feit dat de RSG in 2003 niet is opengesteld, blijft het eindstreefbeeld van de regeling, 1 000 ha nieuw glas in 2006, binnen handbereik.

Voor drie projecten is in 2003 STIDUG-subsidie toegekend voor een bedrag van € 26 miljoen. Hiermee is nu in totaal aan 6 projecten subsidie toegekend. Het oorspronkelijke subsidieplafond van € 20 miljoen is met € 6 miljoen opgehoogd om een volwaardige en duurzame uitvoering van de projecten mogelijk te maken. De STIDUG wordt niet jaarlijks opengesteld en de uitvoeringsperiode bedraagt 4 á 5 jaar; dit heeft tot gevolg dat een kalenderjaar een onvolledig beeld geeft van het verloop van de regeling.

Met de toekenning van deze drie projecten kan een goede stap gezet worden in de richting van het eindstreefbeeld. Voorwaarde is wel dat na een aanloopfase kavels voor glastuinbouwbedrijven gerealiseerd gaan worden.

 Realisatie 2002Realisatie 2003 
 RSGSTIDUGRSGSTIDUG
Ingediende aanvragen198500
Goedgekeurde aanvragen127003
Ingetrokken en afgewezen aanvragen70101
Nog in behandeling1400
Aangegane verplichtingen x 1 mln.9,1040026
Hectare o.b.v. aangegane verplichtingen20600710
Totaal gerealiseerde hectare t/m 2002 resp. 2003 (cumulatief) ca.6000637710

Streefwaarden

Perspectiefvolle en duurzame landbouw
InstrumentRealisatie t/m 2002Realisatie 2003Begroting 2003
RSG-regeling (nieuw glas)600 ha.37 ha.170 ha.

Implementatie energiebesparingsbeleid

Met betrekking tot energie is vastgelegd:

SectorEfficiency verbeteringAandeel Duurzame energie 
 20052010Realisatie t/m 200220052010Realisatiet/m 2002
Glastuinbouw t.o.v. 1980 65%50% 4%0,3%
Paddestoelen t.o.v. 199520% 16,3%5% 2,5%
Bloembollen t.o.v. 199522% 15,1%4% 0,97%

Toelichting:

Glastuinbouw

Het betreft de realisatie van de energie-efficiëntie door de glastuinbouw in 2002. De monitoringsrapportage loopt een jaar achter in verband met het verzamelen en bewerken van de bnodigde informatie. De glastuinbouw is in 2002 50% energie-efficiënter dan in 1980 en 2%-punt efficiënter ten opzichte van 2001. De glastuinbouw verbetert de energie-efficiëntie geleidelijk in de afgelopen jaren. De 50% energie-efficiëntieverbetering in 2002 ligt 3%-punten onder de geplande verbetering. De achterstand is 1% punt hoger dan in 1997, het jaar waarin de doelen afgesproken zijn, maar t.o.v. 2000 is 3% ingelopen op de achterstand. De efficiëntieverbetering is negatief beïnvloed door de in 1997 niet voorziene:

• negatieve effecten van de liberalisering van de energiemarkt op de ontwikkeling van restwarmte en het gebruik van warmte van Warmte-KrachtKoppelingen (WKK's) van energiebedrijven;

• sterke ontwikkeling van belichte teelten onder invloed van marktontwikkelingen.

Tegelijkertijd hebben tuinders meer in energiebesparende technieken geïnvesteerd dan verwacht, mede onder invloed van de hogere gemiddelde gasprijs en de verruiming van de Energie Investeringsaftrek (EIA). Dit heeft de efficiëntieverbetering positief beïnvloed.

In 2003 is een monitoringssystematiek ontwikkeld waarmee het aandeel duurzame energie in de glastuinbouw bepaald kan worden. De monitoring start in 2004.

Meerjarenafspraken energie Paddestoelen

De energie-efficiëncy is in 2002 met 16,3% verbeterd ten opzichte van 1995. Ten opzichte van 2001 is de energie-efficiëncy met 3,6%-punt verbeterd. Het aandeel duurzame energie is 2,5%. In 2002 is het aantal bedrijven dat groene stroom inkoopt, gestegen.

Voor wat betreft de energie-efficiëncy ligt de paddestoelensector 2%-punten voor op schema. Het aandeel duurzame energie is in 2002 0,7%-punt gestegen ten opzichte van 2001. Desondanks ligt de sector 1%-punt achter op schema.

Meerjarensafspraken energie Bloembollen

De energie-efficiëncy is in 2002 met 15,1% verbeterd ten opzichte van 1995. Ten opzichte van 2001 is de energie-efficiëncy met 4,6% verbeterd. Het aandeel duurzame energie is 0,97%. Van het aandeel duurzame energie bestaat het merendeel uit ingekochte groene elektriciteit en opgewekte windenergie.

Voor wat betreft de energie-efficiëncy ligt de bloembollensector licht achter op schema. Het aandeel duurzame energie is in 2002 0,3%-punt gestegen ten opzichte van 2001.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003*
InstrumentAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale UitgavenAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale UitgavenAantal prestatiesGem. kosten per prestatieTotale Uitgaven
RSG95 ha. 454 241      
RSG investeringen     2 900236 ha.4510 266
RSG Braak     1 11640 ha.451 815
STIDUG    6 19727536,39 733
Energie en demoregeling  164  1 784  2 548
IRG/RROG  4 162  4 064  908
Diverse     785  225

* Incl. Nota van Wijziging

De realisatie betreft voornamelijk de uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen. De lagere uitgaven in het kader van de RSG worden voor een groot deel veroorzaakt doordat de RSG niet in 2003 is opengesteld. Er is tevens sprake van vertraging in de uitgaven in het kader van de Stidug, als gevolg van het feit dat de ingediende projecten uit de tweede openstellingsperiode later zijn beoordeeld dan gepland. Bovendien is uit de eerdere openstelling van de Stidug gebleken, dat een wijziging in het kasritme is opgetreden, waardoor de betalingen vooruit in de tijd worden geschoven. Voor de RSG en de Stidug geldt dat de geleverde prestaties (onder «streefwaarden») zijn gerelateerd aan de verplichtingen, die zijn aangegaan.

In het kader van de Infrastructuurregeling Glastuinbouw (IRG) en de Regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden (RROG) is € 4 mln. uitgegeven. Hiermee zijn verbeteringen in de infrastructuur in de glastuinbouwgebieden Westland en omgeving Rijnsburg bewerkstelligd. Hiervan is € 3 mln. ter beschikking gesteld vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S-fonds) voor de Landbouw (brandstofcompensatiegelden).

Doelgroepen

Het herstructureringsbeleid voor de glastuinbouw onderscheidt als doelgroepen de individuele ondernemer (RSG) en gemeenten, waterschappen, provincies en tuinbouwbedrijfsleven op gebiedsniveau (IRG en STIDUG).

Beleidsinstrumenten

Subsidies: RSG, Stidug, IRG, Energie en demoregeling

04.14 Herstructurering visserij

In 2003 is het visserijbeleid gericht geweest op het verminderen van de vangstcapaciteit van de visserijvloot. Capaciteitsvermindering van de visserijvloot is een van de pijlers onder het zeevisserijbeleid dat is gericht op een duurzaam beheer van visbestanden.

Streefwaarden

In 2003 is de omvang van de zeevisserijvloot teruggebracht met 3 548 BT om in de zeevisserij evenwicht tussen de te vangen hoeveelheden vis en de vangstcapaciteit van de vloot te stimuleren. Als streefwaarde was gesteld 2 200 BT.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatieTotaleUitgaven x € 1 000PrestatieTotale Uitgaven x € 1 000PrestatieTotale Uitgaven x € 1 000
Vlootstructuurbeleid/capaciteitsvermindering3 935 bt10 8893 548 bt7 2622 200 bt5 501
Technische maatregelen en onderzoek 839  
Samenwerkingsovereenkomst 2 847  
Overige   3 255 

In 2002 zijn verplichtingen aangegaan voor de sanering van ruim 7 000 brutoton. Dit was het resultaat van 2 saneringstranches. De eerste tranche van 3 935 BT is in 2002 volledig uitbetaald. De tweede tranche van 3548 BT is in 2003 uitbetaald. In 2003 is geen saneringsronde opengesteld. Sinds het in werking treden van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), in januari 2003 is er geen sprake meer van jaarlijks verplichte reductiepercentages voor de vloot, maar worden referentiewaarden per lidstaat vastgelegd. Per saldo zijn de streefwaarden voor 2002 en 2003, in totaal 4400 BT, ruimschoots gehaald.

In het kader van de capaciteitsvermindering is vanuit de brandstofcompensatiemiddelen ca. € 6 mln. uitgegeven aan de opkoop van boten, € 0,9 mln. aan de opkoop van licenties en € 0,4 mln. in het kader van de regeling vervroegde uittreding van vissers. Het restant ad € 3,2 mln. is gestort in het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S-fonds) voor de Visserij. Omdat het hier geoormerkte brandstofmiddelen betreft, zullen deze middelen in latere jaren worden ingezet voor onder meer vlootstructuurbeleid en capaciteitsvermindering.

Doelgroepen

Schipper-eigenaren, reders en opvarenden van vissersschepen.

Beleidsinstrumenten

Saneringsregelingen, gefinancierd met middelen uit de brandstofcompensatie en uit het Europese Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). Combinatie van sanering van scheepscapaciteit en regulering van de visserij-inspanning via een systeem van zeedagen. De aantallen uitgegeven zeedagen zijn gerelateerd aan de toegestane hoeveelheden te vangen vis.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN110 08199 22068 32730 893
UITGAVEN178 73282 61967 10115 518
Programma-uitgaven127 68052 49142 28410 207
     
U0411 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex11 0286 6776 237440
– Bilaterale economische samenwerking 2 9703 597– 627
– Masterplan Duitsland/Nachbarland    
Niederlande 161 161
– Energie 1 4651 617– 152
– Client 1 286 1 286
– Overig 7951 023– 228
U0412 Herstructurering (melk)veehouderij93 51018 4515 05213 399
– RBV 4 0884 088
– Overig 14 3635 0529 311
U0413 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie8 56716 84625 495– 8 649
– RSG 4 01612 081– 8 065
– Stidug 6 1979 733– 3 536
– Energie en demoregeling 1 7842 548– 764
– Inrichting 4 0649083 156
– Overig 785225560
U0414 Herstructurering visserij14 57510 5175 5005 017
– Vlootstructuurbeleid 10 5175 5005 017
     
Apparaatsuitgaven51 05230 12824 8175 311
U0421 Apparaat23 50819 62520 816– 1 191
U0422 Baten-lastendienst27 54410 5034 0016 502
     
ONTVANGSTEN118 26516 6953 94912 746

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

De hogere verplichtingen zijn voor € 15 mln. toe te schrijven aan de Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (STIDUG). Deze verplichtingen waren voorzien voor 2002, maar zijn door de late openstelling in 2002 pas in 2003 aangegaan.

De hogere uitgaven laten zich voor € 8,3 mln. verklaren door de uitfinanciering van de eerste tranche van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) en het Sociaal Economisch Plan (SEP)/Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV). Deze middelen waren niet begroot en zijn ter beschikking gesteld vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S-fonds) voor de Landbouw. Daarnaast is in 2003 vanuit de begroting van het Ministerie van VROM € 6,8 mln. beschikbaar gesteld ten behoeve van de extensiveringsprojecten en de experimenten knelgevallen intensieve veehouderij. Deze middelen zijn gestort in het O&S fonds voor de Landbouw en zullen in latere jaren voor dat doel worden ingezet. Op het terrein van de herstructurering glastuinbouw is ruim € 8 mln. minder uitgegeven, voornamelijk veroorzaakt doordat de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG) niet in 2003 is opengesteld. Vanuit de brandstofcompensatiemiddelen voor de visserijsector is € 3 mln. gestort in het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S fonds) voor de Visserij. Deze middelen zullen in latere jaren worden ingezet voor onder meer vlootstructuurbeleid en capaciteitsvermindering. De hogere uitgaven baten-lastendienst worden toegeschreven aan een hogere bijdrage aan LASER.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
 Gemiddelde sterkteGemiddelde PrijsBudgetGemiddelde sterkteGemiddelde prijsUitgaven
Personeel DLG1,235,0420,849,443
Personeel DL42,253,72 26741,456,12 324
Personeel IH32,853,51 75644,253,92 381
Personeel AID262,947,412 460195,452,610 282
Materieel  4 256  4 148
Overig apparaat*  35  447
Bijdrage aan LASER  4 001  10 503
Totaal apparaatsuitgaven  24 817  30 128

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven

Als gevolg van extra werkzaamheden in het kader van de Vogelpest (artikel 6) is er door de Algemene Inspectiedienst in 2003 minder inzet geweest op dit beleidsterrein.

Bij de directie Industrie en handel zijn de uitgaven ambtelijk personeel in 2003 hoger dan geraamd, omdat meer inzet nodig was voor de uitvoering van de opgedragen taken.

De hogere bijrage aan LASER ad € 6 mln. betreft een aanvulling op het uitvoeringsbudget voor de uitvoering van nationale en EU-maatregelen.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
EU-ontvangsten Reg. Structuurverb. Glastuinbouw (RSG)2 062590
EU-ontvangsten/FIOV1 7001 700
Overige ontvangsten18714 405
Totaal3 94916 695

In het kader van de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG) is € 1,4 mln. minder ontvangen, doordat de regeling niet in 2003 is opengesteld. De overige ontvangsten betreffen de middelen die vanuit het O&S-fonds ter besschikking zijn gesteld voor de uitfinanciering van de 1e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV), het Sociaal Economisch Plan (SEP)/Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV), de Infrastructuurregeling Glastuinbouw (IRG) en de Regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden (RROG). Uit de verkoop van gronden in het kader van de RROG is € 1,5 mln. ontvangen.

05 Bevorderen duurzame productie

Algemene doelstelling is de bevordering van duurzame productie door sectoren in de land-, tuinbouw en visserij. Voor de laatstgenoemde sector betekent dit specifiek het bevorderen van een visserij die rekening houdt met de draagkracht van het ecosysteem in het water.

Grafiek 7: Procentuele verdelingen gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-9.gif

05.11 Bevorderen biologische landbouw

De doelstelling van de Beleidsnota biologische landbouw 2001–2004 is de ontwikkeling naar een op eigen kracht internationaal concurrerende duurzame sector, die midden in de samenleving staat en toonaangevend is in Europa. De invalshoek, die daarbij is gekozen, is een vraaggerichte benadering. De belangrijkste beleidsspeerpunten betreffen professionalisering van vraaggerichte ketens, transparante en sluitende ketens, kennisontwikkeling en- verspreiding en stimulering van de biologische primaire productie.

De samenwerking tussen ketenpartijen binnen het kader van de Task Force heeft veel in beweging gezet. Initiatieven zijn en worden ontwikkeld en in de tussentijds evaluatie spreken de leden van de Task Force hun waardering voor deze werkwijze uit. Het resultaat van deze initiatieven is niet in alle gevallen op de korte termijn merkbaar en voor een deel afhankelijk van externe factoren (bijv. economisch klimaat). De marktpartijen melden echter een positieve ontwikkeling van de afzet van biologische producten.

Uit de EKO-monitor (LEI) blijkt dat het marktaandeel van de belangrijkste productgroepen in 2003 als volgt was: aardappelen, groente en fruit (AGF) 3,7%, zuivel 2,6%, brood 1,8%, vlees 2,0% en overig food 0,9%.

Uit de monitoring van de prestatiegegevens blijkt echter dat de primaire sector minder groeit dan gepland. De cijfers laten een negatieve groei zien wat betreft het aantal hectares en aantal bedrijven. Het aandeel biologische landbouw ten opzichte van het totale areaal blijft gelijk, omdat dit ook is teruggelopen.

Streefwaarden

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
Groei in ha4 884– 7448 000–11 000
Groei in aantal bedrijven50– 38320–400
% biologische landbouw (ha) op totaal areaal landbouw   
  2,2%2,7%–3%

Bron: LEI in samenwerking met Stichting Skal.

De geformuleerde kwalitatieve doelstelling uit de Beleidsnota kan worden vertaald in een kwantitatieve richtinggevende streefwaarde van 10% biologisch areaal in 2010. Zowel het areaal biologisch (inclusief omschakeling) als het aantal bedrijven, is in 2003 teruggelopen. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat er in 2003 een aantal bedrijven met relatief veel hectares (te weten natuurgrond) is gestopt en daar slechts een beperkt aantal bedrijven voor in de plaats is gekomen, die ook qua omvang kleiner waren (met name de varkenshouderij) dan de uittreders.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
InstrumentPrestatiesRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
PublieksvoorlichtingTv-spots/prints1 6321 857726
Platform biologicaBeleidsondersteuning368475408
Professionalisering van de ketensProjecten/Processen1 5872 4043 403
Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV)Bedrijven1 0262 569
RSBP 4 1144 0975 700
Kwaliteitszorg 558120508
Kaderregeling Kennis & Advies  78

Toelichting

Vanuit het bedrijfsleven is aangegeven dat er behoefte was aan voorlichting over biologische producten op de winkelvloer en opleidingen voor het winkelpersoneel. Daarop is besloten aan te haken bij de mediacampagne «Biologisch, eigenlijk heel logisch». Het bedrijfsleven kan nu gebruik maken van producten, die in het kader van de algemene mediacampagne zijn ontwikkeld. Hiertoe is een deel van de middelen, beschikbaar voor professionalisering van de ketens, ingezet voor de mediacampagne (publieksvoorlichting).

Doordat een aantal bedrijven is gestopt met biologische productie, zijn de uitgaven in het kader van de Regeling Stimulering Biologische Productiemethode (RSBP) lager uitgevallen. De uitgaven in het kader van de Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV) hebben betrekking op de uitfinanciering van de 1e openstelling en zijn lager dan geraamd, doordat investeringen zijn uitgesteld. De lagere uitgaven Kwaliteitszorg worden veroorzaakt doordat een deel van de eindafrekeningen lager is uitgevallen.

Doelgroepen

Het beleid met betrekking tot de biologische landbouw richt zich op alle actoren die een bijdrage kunnen leveren aan de groei en de verdere professionalisering van de keten, te weten: de primaire sector, andere relevante partijen in de keten, consumenten.

Beleidsinstrumenten

De volgende instrumenten zijn ingezet:

• Professionalisering van de ketens: ondersteuning opschaling op basis van ketensamenwerking en verdere professionalisering van de biologische keten en uitvorming conform de doelstellingen;

• Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw;

• Mediacampagne;

• Kennisontwikkeling en -verspreiding: onderzoek t.b.v. de biologische landbouw bij de WUR en andere instituten;

• Kaderregeling Kennis en Advies;

• Mogelijkheid gebruikmaking fiscale instrumenten o.a. Groenregeling: 54 aanvragen voor biologische landbouw met een projectvermogen van € 28 882 704,– (t/m 1 oktober 2003);

• Borgstellingsfonds;

• Subsidie Biologica;

• Monitoringssysteem;

• Regeling Stimulering Biologische Productiemethode;

• Investeringsregeling Biologische Varkens;

• Kwaliteitszorg.

05.12 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen

Duurzame landbouw

Binnen de brede opdracht van de verduurzaming van productie, consumptie en de daarvoor noodzakelijke aanpassingen en systeemwijzigingen, werden voor 2003 een drietal streefwaarden benoemd, alsmede een tweetal instrumenten. De realisering was als volgt.

Het overbruggen van de kloof tussen boer, burger en overheid, het aanspreken van partijen en het bij elkaar brengen van mensen en partijen kregen in 2003 met name vorm met het maatschappelijk debat over de intensieve veehouderij. Daarnaast is de opzet van en de LNV-inzet in nieuwe verbanden als het transitiecollege glastuinbouw en een vergelijkbaar verband in de zuivel van belang gerealiseerd. Tenslotte is een project voor jonge boeren gefinancierd. Na een onderzoek van voor- en nadelen is voorlopig afgezien van een tenderregeling voor projecten van maatschappelijke organisaties. Dit met het oog op de relatieve lange tijd van voorbereiding en uitvoering, alsmede de hoge uitvoeringskosten op het beperkte beschikbare budget. In plaats daarvan wordt een toetsingskader ontwikkeld om projecten op ad hoc basis te honoreren.

Het inrichten van een bedrijvenplatform t.b.v. transparantie in ketens heeft metterdaad zijn beslag gekregen. Dit Platform ICT en Transparantie is officieel ingesteld.

Aan bevordering ondernemerschap en innovatie, mede door gebruik te maken van voorlopers, is invulling gegeven via gerichte openstellingen van de Demoregeling en van de Kaderregeling Kennis en Advies. Daarnaast werd met DLO en bedrijfsleven een nieuw Programma Praktijknetwerken opgezet: voor de uitwisseling van gegevens en ervaringen én voor praktijk- en innovatiegerichte ontwikkeling van kennis en onderzoek.

Vestigingssteun voor jonge innovatieve bedrijfsopvolgers

Voor het stimuleren van het maken van ondernemingsplannen door jonge boeren, is in totaal een bedrag van € 1,9 mln. gereserveerd. In 2002 is de eerste openstelling van de maatregelen (Kaderregeling Kennis en Advies) geweest (12 december 2002–28 maart 2003). Hiervoor werden 1280 aanvragen ingediend, waarvan er 380 zijn gehonoreerd. In het kader van de tweede openstelling (november 2003) zijn 2143 aanvragen ingediend. Hiervoor is een budget van € 0,7 mln. beschikbaar.

De stimuleringsmaatregel voor innovatieve jonge starters die aanvankelijk was voorzien als een investeringssubsidieregeling, is vervangen door soepele faciliteiten voor jonge starters in het kader van het Borgstellingsfonds voor de landbouw (zie brief aan de Tweede Kamer van 15 november 2002). De jonge starters betalen een provisie van 1% in plaats van de gebruikelijke 3%. Tevens is het maximumbedrag waarvoor ze een garantie van het Borgstellingsfonds kunnen krijgen, verhoogd van € 0,450 mln. naar € 1,2 mln.

De middelen die voor de investeringssubsidieregeling waren voorzien, worden in het Borgstellingsfonds gestort en de aanvraagmogelijkheid voor de soepelere faciliteiten is op 1 januari 2004 geopend.

Op milieugebied

Mineralenaangiftesysteem/MINAS-stelsel

De milieunormen voor het gebruik van dierlijke mest zijn in de huidige Meststoffenwet als verliesnormen gedefinieerd. Op basis van de MINAS-aangiftes kan worden vastgesteld of agrarische ondernemers binnen de verliesnormen (voor stikstof en fosfaat) zijn gebleven. De MINAS-aangiftes over 2002 dienden vóór 1 september 2003 te zijn ingediend. Inmiddels zijn ca. 82000 aangiftes ontvangen. Dit aantal komt overeen met het aantal aangiftes dat over 2001 is ingediend. Uit een voorlopige beoordeling van deze aangiftes blijkt dat ca. 11 000 mestnummers fosfaatheffing moeten betalen en ca. 10 000 mestnummers een stikstofheffing. Ca. 5 000 mestnummers zal zowel fosfaat- als stikstofheffing moeten betalen. Dat betekent dat maximaal 16 000 mestnummers (20% van het totaal aantal aangiftes) mogelijk heffing moeten betalen, m.a.w. voldoen in 2003 niet aan de verliesnormen. Overigens kan overschrijding van de verliesnormen (waardoor heffing moet worden betaald) in het ene jaar verrekend worden met een opgebouwd saldo (negatieve heffing als gevolg van onderschrijding van de verliesnormen) in een ander jaar. Deze verrekenmogelijkheid gold tot voor kort voor een periode van 3 jaar. In verband met het oplossen van het MINAS-gat (dat ontstaat als bedrijven een MINAS-heffing moeten betalen, terwijl alle mest van het bedrijf is afgevoerd) is deze verrekenperiode verruimd tot 8 jaar. M.a.w. verrekening is mogelijk voor de gehele periode dat MINAS van kracht zal zijn (1998–2006).

Mestafzetovereenkomsten/MAO-stelsel

Om zoveel mogelijk evenwicht op de mestmarkt te bewerkstelligen, is het MAO-stelsel ingevoerd. In 2003 zijn ca. 40 000 mestafzetovereenkomsten afgesloten. Daarvan hebben de mestproducenten voor 85 miljoen kg N afzet gecontracteerd en hebben de mestafnemers zich vastgelegd om ca. 108 miljoen kg N te accepteren. Dit betekent dat er op basis van het MAO-stelsel geen mestoverschot is geweest in 2003. De veronderstelling in de begroting 2003 was dat het draagvlak voor de mestregelgeving zou toenemen door het verminderen van de administratieve lasten en het aanvaarden van de derogatie door de Europese Commissie. De administratieve lasten zijn weliswaar verminderd, maar de derogatie is (nog) niet aanvaard. Bovendien heeft de vernietigende uitspraak van het Europese Hof niet bijgedragen aan een herstel van het draagvlak.

Kennisontwikkeling en -verspreiding

Het programma voor kennisontwikkeling en -verspreiding (de nitraatprojecten) zit in de afrondende fase. De nitraatprojecten hebben in 2003 kennis en inzicht opgeleverd over diverse bodemprocessen en over de mineralenverliezen op diverse type bedrijven, zowel voorlopers als gangbare bedrijven. Deelnemers aan de projecten hebben een vergaande vermindering van de stikstof- en fosfaatverliezen gerealiseerd. Daarnaast hebben agrariërs individueel en in groepsverband, kennisbonnen gekregen waarmee zij informatie konden inkopen voor het realiseren van de doelen in het mestbeleid. Het programma zal worden afgesloten met een evaluatie en een symposium in het voorjaar van 2004. In het licht van een ingrijpende stelselwijziging per 2006 zal worden nagedacht over een eventuele voortzetting.

Streefwaarden

De schatting van het mestoverschot in 2003, zoals opgenomen in de begroting voor 2003, is uitgevoerd om de gevolgen van de voorgenomen verliesnormen voor 2003 in beeld te brengen. In de wijziging van de Meststoffenwet, die begin dit jaar door de Tweede Kamer is aangenomen, zijn de verliesnormen voor 2003 op het niveau van 2002 vastgesteld. Omdat de verliesnomen voor 2003 pas definitief zijn na goedkeuring van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer, is het werkelijke mestoverschot voor 2003 nog niet vast te stellen. Mede gelet op de bovengenoemde resultaten van het MAO-instrument, ligt het niet voor de hand dat er in 2003 daadwerkelijk een mestoverschot is geweest.

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
Minas: percentage bedrijven zonder overschrijding van de verliesnormen80%*100%

* zie toelichting onder Minas

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
InstrumentRealisatie 2002AantalPrijs per prestatieRealisatie2003Begroting 2003*
Bedrijfsplannen 2201,83941 749
Overige w.o. duurzame landbouw en kennisontwikkeling25 967  23 5829 265
RBV14 489  59 847172000

* Incl. Nota van Wijziging

De financiering van de bedrijfsplannen is ondergebracht in de Kaderregeling Kennis en Advies. In het kader van de eerste openstelling (eind 2002/begin 2003) voor de starters is in 2003 € 0,4 mln. uitgegeven.

In het kader van het kennisontwikkelings- en verspreidingstraject zijn uitgaven gedaan ten behoeve van de zgn. nitraatprojecten (€ 9,8 mln.). Een deel van de middelen was geraamd in de begroting en een deel is ter beschikking gesteld vanuit het Ontwikkeling- en Saneringsfonds voor de Landbouw.

Ten behoeve van het Uitvoeringsprogramma Innovatie Landbouw Noord-Nederland is € 2,2 mln. uitgegeven. Dit programma beoogt de vernieuwing en versterking van de landbouw in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe te bevorderen.

In 2003 zijn diverse subsidieregelingen in het kader van het Stimuleringskader Markt- en Concurrentiekracht afgewikkeld en uitbetaald.

In de begroting 2003 was rekening gehouden met de gehele uitfinanciering van de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Uiteindelijk is in 2003 bijna € 60 mln. betaald. In 2004 wordt het restant van de 2e tranche betaald.

De resultaten van de eerste en tweede tranche RBV zijn verwerkt in de berekening van het resterende mestoverschot. In het onderstaande overzicht zijn de aanvragen, de verplichtingen en de betalingen t/m 2003 cumulatief weergegeven. De verplichtingen en uitgaven in het kader van de eerste tranche zijn verantwoord op operationele doelstelling 04.12, van de tweede tranche op operationele doelstelling 05.12.

Stand RBV 1 + 2 per 31-12-2003
Opkoop fosfaatONTVANGEN AANVRAGENVERPLICHT t/m 31-12-03UITBETAALD in 2003** 
 aantal kgFosfaat Forfaitair x 1 mlnschatting fofaatproductie obv normen 2003begrote uitgaven x 1 mln EUROaantal kg fosfaat forfaitair x 1 mlnschatting fofaatproductie obv normen 2003verplicht x 1 mln EUROaantal kg fosfaat forfaitair x 1 mlnschatting fosfaatproductie obv normen 2003betaald x 1 mln EURO
varkens*13,68,2214,410,56,3165,9   
kippen8,06,4124,05,84,689,5   
kip/rund0,00,00,00,10,12,1   
rundvee0,80,812,70,40,46,0   
korting bij doorhaling0,00,00,0– 0,1– 0,1– 1,9   
TOTAAL22,415,4351,116,711,3261,64,33,163,9
RBV 1e tranche11,17,4183,97,95,2131,30,20,24,1
RBV 2e tranche11,38,0167,28,86,1130,34,12,959,8
          
* varkensrechten1,8 mln  1,4 mln     

** uitbetaald t/m 2002: 143, 4 mln.; 1e tranche 128,9 mln. en 2e tranche 14,5 mln.

In het kader van de RBV is op 6 090 aanmeldingen 22,4 mln kilo forfaitaire fosfaat aangeboden aan de overheid (opgave op aanvraagformulier). De subsidieverlening is nagenoeg afgerond. Tot en met 31-12-2003 is op 4 576 aanmeldingen subsidie verleend. Circa 780 aanvragers hebben zich teruggetrokken en ongeveer 710 aanvragen zijn afgewezen of waren niet ontvankelijk. Uitgedrukt in kilo's forfaitair fosfaat komt dit overeen met ca. 17 mln. Bijna 80% van de aangeboden rechten wordt uit de markt gehaald.

In het kader van de eerste tranche RBV hebben 2 van de 2700 bedrijven met een subsidieverlening het bedrijf nog niet beëindigd. Voor de tweede tranche geldt dit voor 315 van de 1876 bedrijven. In het kader van de Evaluatie Meststoffenwet 2004 zal ex post de bijdrage van de RBV aan de reductie van het mestoverschot worden geëvalueerd.

Doelgroepen

Innovatieve agrarische ondernemers, met name in de intensieve veehouderij en jonge bedrijfsopvolgers. Specifiek voor het mestbeleid betreft dit in principe alle veehouderijen en akkerbouwbedrijven, intermediairs (m.n. mestvervoeders), mestverwerkende bedrijven en mestexporteurs.

Beleidsinstrumenten

• Mestafzetovereenkomsten;

• Mineralenheffing MINAS;

• Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV);

• Kennisontwikkeling en -verspreiding (nitraatprojecten);

• Handhaving en controle

• Ondernemersplannen

• Borgstellingsfonds

05.13 Een duurzamer gewasbeschermingspraktijk

In het licht van de nieuwe aanpak voor een duurzamere gewasbeschermingspraktijk en gewijzigde inzichten van het kabinet over rollen en verantwoordelijkheden, is het plan verlaten, zoals voorzien in de nota Zicht op gezonde teelt, om overheidsregels op te stellen volgens welke bedrijven zich zouden moeten certificeren. Dat besluit, gevoegd bij de vereiste inzet van de Algemene Inspectiedienst (AID) voor de bestrijding van vogelpest, heeft er ook toe geleid dat versterking van de handhaving is uitgesteld tot 2004.

De nieuwe aanpak voor duurzame gewasbescherming is uitgewerkt in een beleidsnota, die in het voorjaar 2004 aan de Tweede Kamer zal kunnen worden aangeboden.

In het licht van het bovenstaande is het subdoel «Geïntegreerde gewasbescherming op gecertificeerde bedrijven» niet bereikt. Dit doel wordt in de praktijk niet meer nagestreefd. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd.

Het tweede subdoel «lagere milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen» is behaald. Sinds 1995 is er sprake van een gestage vermindering van milieubelasting.

Met het oog op de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming, is in 2003 gestart met enkele demonstratieprojecten en praktijknetwerken. De verbeterde werkwijze van het CTB heeft ertoe geleid dat alle achterstanden bij de beoordeling van aanvragen zijn weggewerkt. Een punt van zorg blijft de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een kleine toepassing. Middelen die beschikbaar waren om de totstandkoming van dossiers voor aanvragen voor toelating van dergelijke middelen te ondersteunen, konden slechts voor een beperkt deel worden uitgegeven, hangend de staatssteunprocedure.

Streefwaarden

Als streefwaarde was gesteld dat in 2005 90% en in 2003 ten minste 10 000 bedrijven werken op basis van een gewasbeschermingsplan en dat deze vervolgens worden gecertificeerd. De hiervoor geschetste heroverweging heeft er toe geleid dat de ontwikkeling van een overheidskader voor certificering is gestaakt.

De beschikbaarheid van middelen die volledig zijn getoetst aan alle criteria die worden gesteld in de EU gewasbeschermingsrichtlijn draagt mede bij aan het realiseren van een duurzame gewasbeschermingspraktijk. Dit kan gaan om middelen die thans niet op de markt zijn en waarvan vaststaat dat deze volledig voldoen aan de gestelde eisen t.a.v. volksgezondheid, arbeidsbescherming en milieu (beoordeling stoffen), maar het betreft ook uitbreiding van het toepassingsgebied van middelen die reeds beschikbaar zijn op de Nederlandse markt naar andere teelten (uitbreiding toepassing). Op deze wijze kunnen de getallen geïnterpreteerd worden als een maat voor het op duurzame wijze oplossen van onder andere landbouwkundige knelpunten. Tot en met het 3e kwartaal 2003 zijn er 24 stoffen beoordeeld en is voor 11 middelen uitbreiding van toepassing aangevraagd.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatiesGem. kosten per prestatieTotaleUitgaven x € 1 000PrestatiesGem. kosten per prestatieTotaleUitgaven x € 1 000PrestatiesGem. kosten per prestatieTotaleUitgaven x € 1 000
Kennisontwikkeling  1 163    1 815
Fonds kleine toepassingen    20 aanvr€ 45 400908
Toelatingsbeleid GNO's2 aanvr€ 34 00068  7 aanvr€ 129 714908
Biologische GNO's       771
Gewasbeschermings-plannen/certificering     10 000€ 1251 250
Demoprojecten geïnt. gewas-bescherming     5€ 50 000250
Demoprojecten geïnt. on- kruidbestrijding     4€ 50 000200
Overige w.o. handhaving en diverse projecten     1 181  225
Werkzaamheden Kwaliteits Controlebureau voor Groenten en Fruit (KCB)  182  182  272
College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB)  3 135  1 425  

Als gevolg van het in 2003 door de overheid en maatschappelijke organisaties ondertekende «Afsprakenkader Gewasbeschermingsbeleid» hebben diverse projecten uit de nota Zicht Op Gezonde Teelt vertraging opgelopen. Hierdoor zijn in 2003 geen verplichtingen aangegaan en geen uitgaven gedaan in het kader van de beleidsinstrumenten Kennisontwikkeling, Fonds Kleine Toepassingen en Toelatingsbeleid (biologische) gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong (GNO's), Gewasbeschermingsplan-nen/certificering en Demoprojecten geïntegreerde gewasbescherming en onkruidbescherming. De uitgaven onder Overige betreffen vnl. de uitfinanciering van verplichtingen vanuit voorgaande jaren in het kader van nota Zicht op Gezonde Teelt. Het gaat om praktijkproeven, die door de Dienst Landbouwvoorlichting en het Centrum voor Landbouw en Milieu zijn uitgevoerd.

Van de bijdrage in 2003 aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) is voor € 1,1 mln. bijgedragen door de ministeries van SZW, VROM en VWS.

Doelgroepen

Gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen.

Beleidsinstrumenten

• Diverse projecten;

• KCB-controlewerkzaamheden;

• CTB-werkzaamheden.

05.14 Verbeteren dierenwelzijn

Dierenwelzijn

Aan de Tweede Kamer is een herijking van het dierenwelzijnsbeleid gezonden. In deze herijking ligt de nadruk op het level playing field en op het faciliteren en stimuleren van de sector. Ook is ten aanzien van het welzijn van gezelschapsdieren aangegeven dat de inzet van LNV zeer beperkt wordt. In 2003 is er naar gestreefd om op Europees niveau een hoog dierenwelzijn te bereiken. Vooral op het onderdeel transport is hier sterk op ingezet. Verwacht wordt dat de transportverordening in 2004 gereed komt.

Zeldzame landbouwhuisdierrassen

De Regeling Zeldzame landbouwhuisdierrassen is in 2002 voor de 2e keer opengesteld. De verplichtingen hiervoor zijn in 2003 aangegaan. De regeling kent een werkingsduur van 5 jaar. Er is in 2003 aan totaal 270 relaties subsidie uitbetaald.

Noodfonds Vogelpest

Het MKZ-fonds is in 2003 uitgebreid in het kader van de volgelpest en opengesteld voor bedrijven die als gevolg van de vogelpest failliet dreigen te gaan. Ultimo 2003 waren er 206 aanvragen ingediend.

Sociaal-economische begeleiding pluimveehouders (AI)

Snel na de uitbraak van de Vogelpest heeft het kabinet middelen ter beschikking gesteld voor de sociaal-economische begeleiding van pluimveehouders. Er is een plan van aanpak SEP Pluimveehouderij ontwikkeld en uitbesteed. Vervolgens brak de Vogelpest ook in Noord Brabant en Limburg uit. LNV heeft zich garant gesteld, zodat in dat gebied een even effectieve begeleiding zou kunnen worden opgezet. De doelgroep blijkt kleiner te zijn dan de aanvankelijk geschatte ca. 1500 ondernemers, nl. 1000. Er is een minder grote deelname geweest dan verwacht, ook al is er een goede belangstelling geweest. De belangstelling blijkt per programmaonderdeel ook te verschillen. Voor de laagdrempelige huiskamerbijeenkomsten, als de individuele coaching voor het vervolgtraject: hoe op de korte termijn verder te gaan, blijkt wel weer meer belangstelling. Uit de sfeerverslagen blijkt dat de pluimveehouders zich positiever uiten over de menselijker bejegening door RVV en AID dan tijdens de MKZ.

Streefwaarden

De streefwaarden met betrekking tot Aanpak welzijnsonvriendelijke methoden zijn niet gehaald. Dit wordt onder meer veroorzaakt doordat regelgeving niet meer wordt gezien als het aangewezen instrument. Wel zijn ten aanzien van de «aanpak welzijnsonvriendelijke methoden» productschapsverordeningen opgesteld, die op een aantal terreinen welzijnsonvriendelijke methoden aanpakken.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
InstrumentRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Diverse regelingen1 1281 161611
Bijdrage aan Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming182182182
In Beslaggenomen Goederen (IBG)675694308
Noodfonds Vogelpest4 084
SEP Pluimveehouderij1 071

De hogere uitgaven onder diverse regelingen betreffen vnl. de uitvoering van het Honden- en Kattenbesluit. Verder vallen onder diverse regelingen de uitfinanciering van de Regeling Zeldzame landbouwhuisdierrassen. In het kader van de Regeling In Beslaggenomen Goederen (IBG) is € 0,7 mln. uitgegeven. Dit is een open-einderegeling d.w.z. dat alle onder de werkingssfeer van deze regeling vallende in beslag genomen goederen, moeten worden afgehandeld. Er zijn van de uiteindelijk 1100 geprognotiseerde af te wikkelen deponeringen daadwerkelijk 1098 afgewikkeld.

In 2003 is € 4 mln. gestort in het Noodfonds Vogelpest en in het kader van de sociaal-economische begeleiding van pluimveehouders is ruim € 1 mln. uitgegeven.

Doelgroepen

Het dierenwelzijnsbeleid richt zich op de veehouder, de handelaar en de verkoper van gezelschapsdieren. Daarnaast wordt aan de burger een belangrijke rol toegekend, zowel die van consument van dierlijke producten als die van eigenaar van een gezelschapsdier.

Beleidsinstrumenten

De instrumenten bevorderen van dierenwelzijn in internationaal verband en onderzoek zijn voor dit beleidsterrein ingezet. Het opheffen en voorkomen van welzijnsonvriendelijke methoden heeft gedeeltelijk vorm gekregen in productschapsverordeningen.

Nationale regelgeving op basis van EU-richtlijnen (o.a. GWWD).

05.15 Ecologisch duurzame visserij

In 2003 is het beleid gevoerd om te komen tot

• Een verantwoorde zee- en kustvisserij die is gebaseerd op de voorzorgsbenadering en die de gevolgen voor het ecosysteem beperkt;

• Een beheerste schelpdiervisserij met behoud en herstel van natuurlijke biotopen, alsook met voldoende voedsel voor bedreigde vogels;

• Een integraal visstandbeheer op de (Staats)binnenwateren.

Streefwaarden

1. Duurzaam beheer van visbestanden: In december van elk kalenderjaar vindt in Brussel besluitvorming plaats over maximale vangsthoeveelheden vis (TACs en quota) door de Europese Raad van Visserijministers.

De visquota voor Nederland en de uitputting daarvan in 2003 geven het volgende beeld: (aantallen in tonnen):

SoortGebiedQuotum 2003Uitputting 2003Uitputtingspercentage 2003
TongNoordzee13 15512 65897
ScholNoordzee27 38627 352100
KabeljauwNoordzee2 6192 30088
HaringNoordzee77 93380 284103
WijtingNoordzee1 6911 43985
MakreelNoord/Westelijke wateren28 12527 32897
HorsmakreelWestelijke wateren53 36951 67797

2. Duurzame benutting van de bestanden buiten de Europese wateren: In 2001 hebben de EU en Mauritanië een visserijovereenkomst gesloten, waarin ook voor de Nederlandse vloot vangstmogelijkheden zijn ondergebracht. Om ook in Mauritaanse wateren duurzame visserij te bevorderen zijn de activiteiten van de Nederlandse schepen met onderzoek begeleid. Het gaat daarbij om bestandsonderzoek en bevordering van selectieve visserij. Dit laatste met name ter voorkoming van ongewenste bijvangsten van dolfijnen.

3. Verdere ontwikkeling van meer selectieve visserijtechnieken in de zeevisserij, afronding ontwikkelingsfase van de elektropulskor: de ontwikkelingsfase van de elektropulskor is eind 2003 afgerond en heeft voldoende bouwstenen opgeleverd voor de ontwikkeling van een prototype, waarmee in 2004 praktijkproeven aan boord van een bedrijfsvaartuig zullen worden gedaan.

4. Behoud en herstel van natuurlijke biotopen en het voorkomen van voedselgebrek voor vogels als gevolg van de schelpdiervisserij in de Waddenzee en Oosterschelde. Streefwaarde: 2000–4000 hectare stabiele mosselbanken in 2003. Er is een areaal van ca. 2 500 hectare mosselbanken. De streefwaarden dienen feitelijk beschouwd te worden als criteria op basis waarvan besloten wordt om een visserij al of niet open te stellen. In 2003 is het beleid van voedselreservering voor vogels conform de daarvoor geldende afspraken uitgevoerd. In de Oosterschelde was minder dan de grenswaarde van 4,1 mln. kg kokkels aanwezig. Om de aanwezige voorraad te reserveren als voedsel voor vogels, is geen vergunning verleend voor de kokkelvisserij in de Oosterschelde. In de Waddenzee is wel vergunning verleend voor de mechanische kokkelvisserij in de open gebieden.

Omschrijving streefwaardeBegroting 2003Realisatie 2003
Reservering hoeveelheid kokkelvlees op de platen in de Oosterschelde4,1 mln. kg.2,45 mln. kg
Reservering hoeveelheid schelpdiervlees op de platen in de Waddenzee10 mln. kg.7,42 mln. kg.

5. Landelijk dekkend netwerk van Visstandbeheercommissies (VBC's): Er is sprake van een vrijwel volledig dekkend netwerk van gerealiseerde VBC's en VBC's in oprichting (i.c. 17 VBC's op de staatswateren en 21 VBC's op de niet-staatswateren).

6. Overeenstemming over de economische benutting van schubvis: de landelijke organisaties voor sport- en beroepsvisserij hebben in samenwerking met de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij en het ministerie van LNV een gezamenlijke handleiding met richtlijnen voor benutting ontwikkeld. Met deze richtlijnen kunnen de visrechthebbenden in de Visstandbeheercommissies planmatig en onderbouwd bepalen of er kan worden geoogst, welke soorten en hoeveel. Besluitvorming of deze richtlijnen worden toegepast blijft de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de visrechthebbenden in de Visstandbeheercommissies.

7. Reductie vogelsterfte IJsselmeer: In 2003 is geëxperimenteerd met aangepaste visserijmethoden. Dit heeft geleid tot minder bijvangsten van watervogels en geeft voldoende aanleiding hiermee door te gaan in 2004.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
InstrumentPrestatieRealisatie 2003Begroting 2003
Samenwerkingsovereenkomst met Mauritanië; bestandsinzichten in niet-Europese waterenSelectievere Vistechnieken/bestandsinzichten2,82,8
Verbetering van de binnenvisserijVerzelfstandiging OVB uitgesteld0,96,4
Technische maatregelen en onderzoekExperimenten pulskor en overig technisch onderzoek1,34,7
Verbeteren bestandsinzichten door efficiënter gebruik van informatie uit de visserijsector (F-project)Betere bestandsinzichten en meer draagvlak bij de sector0,10,8
Innovatie visserijInnovatieve projecten0,82,0
Overig FIOV-maatregelenDiverse3,44,2

In verband met het voornemen tot verzelfstandiging van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) waren de ontvangsten en uitgaven (€ 5,6 mln.) met betrekking tot visakten in de begroting geraamd. Als gevolg van het uitstellen van de verzelfstandiging zijn zowel de uitgaven als de ontvangsten niet in 2003 gerealiseerd.

De ten behoeve van de ontwikkeling van de elektropulskor geplande praktijkproef op een bedrijfsvaartuig is verschoven naar medio 2004.

Ten behoeve van de sanering van vaartuigen en de opkoop van licenties was op deze operationele doelstelling € 5 mln. geraamd. De verantwoording heeft plaatsgevonden op OD 04.14.

De uitgaven die in 2003 niet zijn gedaan in het kader van Samenwerkingsovereenkomst (€ 1,3 mln.), Verbetering binnenvisserij (€ 0,4 mln.) en overige FIOV-maatregelen (€ 3,3 mln.) zijn gestort in het O&S fonds voor de Visserij. Deze middelen zullen in latere jaren worden ingezet voor duurzame ecologische visserij.

Doelgroepen

De doelgroepen waarop het beleid van toepassing was, zijn o.a. het visserijbedrijfsleven en zijn organisaties, sportvissers en hun organisaties, VBC's (visstandbeheerscommissies), niet-gouvernementele organisaties.

Beleidsinstrumenten

Verantwoorde zee- en kustvisserij:

• Bestandsonderzoek. Monitoring van visbestanden levert jaarlijks indicatoren voor het behoud en herstel van visbestanden. De International Council for the Exploration of the Seas (ICES) heeft uit verschillende bronnen gegevens bijeengebracht over de situatie van de visbestanden. Nederland heeft hieraan een bijdrage geleverd. De gegevens zijn gebruikt bij de vaststelling in december van de maximale vangsthoeveelheden vis (Total Allowable Catch – TACs en quota) door de Europese Raad van Visserijministers.

• Afgifte van publieke en privaatrechtelijke vergunningen voor visserij op de kust- en binnenwateren. In 2003 zijn circa 3000 vergunningen uitgegeven

• Het beheer van de individuele vangsthoeveelheden door groepen vissers (co-management).

• Voor naleving van nationale en Europese regels zijn controles op zee, bij aanlanding en in de keten uitgevoerd. De controles op zee vinden plaats in kustwachtverband.

• In overleg met sectorvertegenwoordigers en betrokken onderzoeksinstanties is een meerjarig project ontwikkeld. Dit project is gericht op het verbetering brengen in de bestandsbeoordeling (met name schol en tong), het efficiënter gebruiken van informatie uit de visserijsector zelf en het verbeteren van de communicatie over onderzoeks- en visserijgegevens. Het project heeft bestandsschattingen en een inventarisatie van discards opgeleverd.

• Om de duurzaamheid van deze visserijen in het kader van de overeenkomst met Mauretanië te bevorderen, worden de visserijactiviteiten met onderzoek begeleid. Het onderzoek richt zich op de toestand van de belangrijkste bestanden en op bevordering van de selectiviteit van de visserij. Dit met name ter voorkoming van visserij op ondermaatse vis en ter voorkoming van ongewenste bijvangsten van zeezoogdieren.

• Onderzoek naar visserijtechnieken, met bijdrage van de Europese Unie, die selectiviteit bevorderen, het (benthische) ecosysteem ontlasten dan wel de duurzaamheid op andere wijze bevorderen.

Beheerste schelpdiervisserij in de kustwateren:

• Het verlenen van vergunningen op grond van de Visserijwet en de Natuurbeschermingswet aan de hand van de volgende criteria:

• Permanente gebiedssluiting: in de Waddenzee is 26% van de droogvallende platen gesloten; in de Oosterschelde 14%. Daarnaast is in de Waddenzee 5% van de meest kansrijke litorale gebieden voor het ontstaan van stabiele mosselbanken additioneel gesloten.

• Voedselreservering voor vogels in de Waddenzee: ten behoeve van scholeksters en eidereenden wordt 10 miljoen kg schelpdiervlees op de platen en 8,6 miljoen kg schelpdiervlees in het sublitoraal gereserveerd. Een deel van de hoeveelheid in het sublitoraal mag in de vorm van Spisula in de Noordzeekustzone aanwezig zijn.

• Voedselreservering voor vogels in de Oosterschelde: Ten behoeve van de scholeksters wordt 4.1 mln kg kokkelvlees gereserveerd.

Integraal visstandbeheer (Staats)binnenwateren:

• De benutting van schubvis in de binnenwateren op basis van het instrument economische benutting.

• Illegale visserij op de binnenwateren is bestreden door middel van gerichte acties in Friesland, Randmeren en Benedenrivieren door Algemene Inspectiedienst (AID), Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en de regiopolitie.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN266 206156 916139 28317 633
UITGAVEN151 326211 480315 036– 103 556
Programma-uitgaven55 695113 143224 707– 111 564
     
U0511 Bevorderen biologische landbouw8 25910 05713 314– 3 257
– Stimulering van de biologische primaire productie 4 0975 700– 1 603
– Professionalisering van de ketens 2 4043 403– 999
– Platform biologica 47540867
– Publieksvoorlichting 1 8577261 131
– Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV) 1 0262 569– 1 543
– Kwaliteitszorg 120508– 388
– Overig 78 78
U0512 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen40 45683 823182 708– 98 885
– RBV 59 847172 000– 112 153
– Overig 23 97610 70813 268
U0513 Een duurzamer gewasbeschermingspraktijk4 5482 7886 599– 3 811
– Aanpassing kennisbeleid/monitoring    
evaluatie  – 1 815– 1 815
– Kleine toepassingen en GNO's 1 816– 1 816
– Diversen ZOGT 1 1812 696– 1 515
– Bijdrage aan KCB en CTB 1 6072721 335
– Overige    
U0514 Verbeteren dierenwelzijn1 9857 1921 2015 991
– LID 182182
– IBG 694408286
– Overig 6 3166115 705
U0515 Ecologisch duurzame visserij4479 28320 885– 11 602
– Samenwerkingsovereenkomst 2 8642 79074
– Verbetering van de binnenvisserij 9386 400– 5 462
– Technische maatregelen en onderzoek 5 48111 695– 6 214
     
Apparaatsuitgaven95 63198 33790 3298 008
U0521 Apparaat36 49832 17233 099– 927
U0522 Baten-lastendienst59 13366 16557 2308 935
     
Ontvangsten47 67780 624201 875– 121 251

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Van de hogere verplichtingen in 2003 heeft € 6 mln. betrekking op het Uitvoeringsprogramma Innovatie Landbouw Noord-Nederland (vernieuwing en versterking van de landbouw in de noordelijke provincies), en € 9 mln. op het Noodfonds Vogelpest, waarvan € 6 mln. voor de garantstelling door LNV.

De lagere uitgaven zijn bijna geheel toe te schrijven aan de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). In de begroting 2003 was rekening gehouden met de gehele uitfinanciering van de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Uiteindelijk is in 2003 ca. € 112 mln. minder betaald. In 2004 wordt het restant van de 2e tranche betaald. Tegenover de lagere uitgaven staan lagere ontvangsten uit het O&S-fonds voor de Landbouw. Daarnaast is sprake geweest van hogere uitvoeringskosten (Bureau Heffingen).

De lagere uitgaven Bevorderen biologische landbouw worden grotendeels veroorzaakt door een lagere uitfinanciering van de Regeling StimuleringBiologische Productiemethode (RSBP), doordat een aantal bedrijven is gestopt, alsmede een vertraging in de uitfinanciering van de Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV).

Als gevolg van het in 2003 door de overheid en maatschappelijke organisaties ondertekende «Afsprakenkader Gewasbeschermingsbeleid» zijn er in 2003 minder uitgaven gedaan met betrekking tot het gewasbeschermingsbeleid. Van de bijdrage in 2003 aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) is voor € 1,1 mln. bijgedragen door de ministeries van SZW, VROM en VWS. In de loop van 2003 zijn onder «Verbeteren dierenwelzijn» de uitgaven ondergebracht voor het Noodfonds Vogelpest en het Sociaal Economisch Plan Pluimveehouderij.

Een deel van de uitgaven (€ 5 mln.) ten behoeve van de sanering van vaartuigen en de opkoop van licenties was in de begroting op dit artikel geraamd, maar is uiteindelijk verantwoord op artikel 4. Als gevolg van het uitstellen van de verzelfstandiging van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) zijn de ontvangsten en uitgaven (€ 5,6 mln.) met betrekking tot visakten niet in 2003 gerealiseerd.

De hogere uitgaven baten-lastendienst worden toegeschreven aan hogere bijdragen aan LASER en de PD.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
 Gemiddelde sterkteGemiddelde PrijsBudgetGemiddelde sterkteGemiddelde prijsUitgaven
Personeel DL42,153,82 26741,456,72 347
Personeel Visserij *104,253,15 530104,454,25 655
Personeel AID343,651,017 511282,952,614 889
Materieel  7 416  7 778
Overig apparaat**  375  1 503
Bijdrage aan Bureau Heffingen  42 681  43 119
Bijdrage aan de Plantenziektenkundige dienst  12 258  17 717
Bijdrage aan LASER  2 291  5 329
Totaal apparaatsuitgaven  90 329  98 337

* Gemiddelde sterkte en prijs ambtelijk personeel Visserij wijkt af van ontwerp-begroting. Dit is juiste aantal en bedrag.

** Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven

Als gevolg van extra werkzaamheden in het kader van de Vogelpest (artikel 6) is er door de Algemene Inspectiedienst in 2003 minder inzet geweest op dit beleidsterrein.

De bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst (PD) is € 5,5 mln. hoger dan begroot, doordat de tariefsverhoging niet geheel en later is doorgevoerd dan voorzien, door aanzuivering van het eigen vermogen, door meer werkzaamheden voor het moederdepartement (monitoren van ziekten en plagen in bos- en natuurgebieden) en door hogere huisvestingskosten.

De hogere bijdrage aan LASER betreft een aanvulling op het uitvoeringsbudget voor de uitvoering van nationale en EU-maatregelen.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV)172 00060 470
Mineralenheffing7 2611 898
Duurzame Visserij12 5017 240
Overige (w.o. EU-ontvangsten)10 11311 016
Totaal201 87580 624

Er is in 2003 minder ontvangen vanuit het Onwikkelings- en saneringsfonds (O&S-fonds) voor de landbouw ten behoeve van de uitfinanciering van de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Als gevolg van de aanpassing van de aan- en afvoernormen van mineralen in varkens(mest) alsmede de verlenging van de verrekeningstermijn van de heffing van 3 naar 6 jaar zijn de ontvangsten in het kader van de Mineralenheffing lager dan geraamd. De lagere ontvangsten duurzame visserij worden veroorzaakt doordat, als gevolg van het uitstellen van de verzelfstandiging van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB), de ontvangsten met betrekking tot visakten niet zijn gerealiseerd.

06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid

Dit artikel betreft de borging van de voedselveiligheid, stimulering van de voedselkwaliteit en verbetering van de diergezondheid. Het ministerie van LNV stelt zich in de eerste plaats ten doel dat de consument erop kan vertrouwen dat voedsel voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid en kwaliteit. Tweede doelstelling is dat de veiligheid van dierlijke producten groot is, het gezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel verder wordt verhoogd en dierziekten worden voorkomen en effectief bestreden. Overheid, producenten en consumenten hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheid.

Grafiek 8: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-10.gif

06.11 Bewaking en verhoging van het diergezondheidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten

In EU verband is in 2003 een aantal belangrijke richtlijnen en verordeningen vastgesteld, waaronder de nieuwe mond- en klauwzeer bestrijdingsrichtlijn, richtlijnen t.a.v. I&R schapen en geiten, zoönosenbestrijding en -monitoring en een wijziging van de hormonenrichtlijn. Tevens zijn de veterinaire eisen bij intracommunautair verkeer van gezelschapdieren geharmoniseerd en is in het kader van de implementatie van deze verordening eind 2003 gestart met een communicatietraject richting burger, uitvoerende diensten en bedrijfsleven. In het kader van de Hygiëneverordening is gewerkt aan verdere harmonisatie van de controle op Trichinella in vlees, waarbij de verantwoordelijkheid meer bij de varkensvleesketen zelf komt te liggen.

Als resultaat van de overeenstemming die de Chief Veterinary Officer heeft kunnen bereiken met derde landen zijn de belemmeringen voor de export van zuivelproducten en vlees als gevolg van partieel ruimen van bedrijven bij een BSE besmetting weggenomen. Het bedrijfsleven maakt daardoor sinds 1 maart 2003 gebruik van de reeds langer bestaande mogelijkheid om over te gaan op partieel ruimen en komt daarmee tegemoet aan de maatschappelijke wens om het vernietigen van gezonde dieren te voorkomen. Daarbij is de BSE monstername geprivatiseerd, waardoor de kosten voor het bedrijfsleven omlaag kunnen.

De goedkeuring die is verkregen voor het gebruik van de markertest voor varkenspest biedt de mogelijkheid om noodvaccinatie in te zetten als bestrijdingsmiddel bij een uitbraak van varkenspest. Het contract met DLO-Intervet voor de productie en distributie van het mond- en klauwzeer vaccin is afgesloten, waardoor de beschikbaarheid van het vaccin wordt gegarandeerd.

In 2003 is tevens uitwerking gegeven aan de beleidsstrategie hobbydierhouderij, onder meer door acties in gang te zetten op het gebied van I&R, (non-)vaccinatiebeleid, communicatie en preventieve diergezondheid.

Samen met de Productschappen en LTO is in 2003 besloten om het bestaande convenant m.b.t. het Diergezondheidsfonds te laten doorlopen in de periode 2005 tot 2010.

Realisatie streefwaarden

De volgende kwalitatieve streefwaarden waren opgenomen in de begroting 2003:

1. In 2003 wordt een programma voor preventieve diergezondheid opgezet, gericht op verhoging van het inzicht in, en verbetering van het omgaan met dierziekterisico's.

2. Scrapie-programma: eind 2003 is 35% van fokkerij populatie TSE-ongevoelig. Eind 2004 is dit percentage 50%.

3. Het streven is in 2004 de eerste versie van een nieuw I&R-systeem voor runderen, alsmede voor schapen en geiten, op te leveren en in de periode 2005/2006 het nieuwe I&R-systeem voor varkens op te leveren.

4. Huidige EU dierziektevrije status handhaven.

5. Crisisorganisatie op peil houden d.m.v.:

a. ontwikkelen en openbaar maken van beleidsdraaiboeken voor de meest relevante (besmettelijke) dierziekten;

b. ontwikkelen en aanpassen van alle wettelijk voorgeschreven rampenplannen;

c. oefenen van de dierziektencrisisorganisatie.

1. Programma preventieve diergezondheid:

Diverse activiteiten in het kader van het programma preventieve diergezondheid hebben geresulteerd in een door de betrokken actoren en organisaties gedeeld beeld van de risico's, uitgangspunten en doelen van een toekomstig preventief diergezondheidsbeleid. Op basis van dit beeld is een beleidsvoorstel uitgewerkt waarin de nadruk ligt op preventie in de aanpak van de diergezondheid en een vermindering van de administratieve lastendruk. De uiteindelijke besluitvorming zal begin 2004 plaatsvinden. Wel is in dit kader in 2003 al een aantal regelingen aangepast.

2. Scrapie-programma:

Per 1 oktober 2003 is de bestrijding van scrapie bij schapen gestart. Dit leidt tot het ruimen van de niet-resistente dieren op bedrijven. Na introductie van het verplicht inzetten van resistente rammen in 2004 zal het aantal scrapiebesmettingen naar verwachting afnemen. De beoogde 35% ongevoelige rammen in het scrapie-fokkerijprogramma zal niet geheel worden gehaald. Door technische problemen bij de laboratoriumtest konden minder schapen worden getest op erfelijke aanleg. Door krimp kan de sector echter met minder ongevoelige rammen toe. Een eventueel tekort aan ongevoelige rammen zal worden gecompenseerd door extra testen buiten de fokkerijpopulatie, te weten op slachtlambedrijven. Het fokkerijprogramma, dat in 2003 op vrijwillige basis werd uitgevoerd, zal in 2004 een verplichtend karakter krijgen.

3. Nieuwbouw I&R-systeem:

In 2003 is voor het I&R-systeem voor runderen de informatieanalyse afgerond en de systeemontwikkeling gestart. Daarnaast wordt een deelsysteem ontwikkeld voor het relatie- en locatiebeheer voor houderijen van runderen, varkens, schapen en geiten. Hoewel enige vertraging is opgelopen in de systeemontwikkeling, is de verwachting dat de oorspronkelijke overall planning zal kunnen worden gerealiseerd. Voor varkens, schapen en geiten zal voorlopig geen nieuw I&R-systeem worden gebouwd. Als gevolg van een besluit van de Raad van Ministers van Landbouw in december 2003 zal de elektronische identificatie en centrale registratie van schapen en geiten pas in 2008 worden ingevoerd.

4. EU dierziektevrije status:

Op basis van de resultaten van de in EU-verband voorgeschreven monitoringprogramma's heeft Nederland de «vrij» status voor de verschillende dierziekten met een jaar kunnen verlengen. De monitoringprogramma's die op basis van Europese regelgeving zijn voorgeschreven worden aangevuld met de Nederlandse basismonitoring door de GD; deze is conform plan van aanpak uitgevoerd.

5. Crisisorganisatie dierziektebestrijding:

De uitbraak van de Aviaire influenza (AI) en de aanpassing van de bestrijdingsrichtlijn mond- en klauwzeer zijn er de oorzaak van dat de planning voor de crisisorganisatie dierziektebestrijding niet kon worden gehaald en de voorgenomen verbetering van de beleidsdraaiboeken vertraging heeft opgelopen. Het opstellen van het beleidsdraaiboek voor vogelpest en Newcastle Disease (NCD) is evenmin van de grond gekomen en de geplande grootschalige oefening is niet uitgevoerd.

Prestatiegegevens

  Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatieAantalAantal
OnderzoekNulmeting huidig gezondheidsniveau11
    
VoorlichtingsprogrammaDiverse voorlichtingsactiviteiten  
    
BasismonitoringSecties8 18415 000
  (58 683 bepalingen)(76 000 bepalingen)
 Bedrijfsbezoeken/adviezen1 4653 700
 Telefonisch consult10 2525 000
    
Monitoring varkenspestSecties3 6467 400
  (2 067 bedrijven)(4 000 bedrijven)
    
Monitoring WildOnderzoek wilde zwijnen267300
    
Scrapie-programmaErfelijkheidstesten70 000100 000
    
Identificatie en registratieOntwikkelen van een I&R-systeem, opgebouwd uit drie deelsystemen1 3 (runderen, varkens en schapen en geiten)
    
Bewakingsprogramma's(Prevalentie-)onderzoek Brucellose, Leucose, Brucella Meltensis± 25 000 bedrijven, ± 85 000 monsters19 000 bedrijven
    
DraaiboekenOpstellen nieuwe draaiboeken0 3 (AI, NCD, Brucellose)
 Verbeteren bestaande draaiboeken03 (MKZ, KVP, AVP)
    
CrisisoefeningUitvoeren van grootschalige oefening bestrijding dierziekten01

Basismonitoring:

De basismonitoring is afhankelijk van vrijwillige inzendingen en telefoongesprekken door veehouders en practici. In 2002 en 2003 is een verschuiving waarneembaar van secties naar telefonische consulten. In 2003 zijn 19 gevallen van BSE gemeld. Gelet op de incubatietijd van BSE zal pas over enkele jaren sprake kunnen zijn van een daling van het aantal besmette dieren en kan de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid worden bepaald. Naar aanleiding van een voorgenomen wijziging van de OIE-definitie van vogelpest heeft de EU besloten het voorkomen van de laag pathogene variant in de lidstaten te onderzoeken. In Nederland is dit onderzoek naar aanleiding van de uitbraak van vogelpest uitgebreid naar een onderzoek onder een groot aantal pluimveebedrijven (meer dan 25 000 monsters).

Monitoring varkenspest:

Om bij een uitbraak van varkenspest zo snel mogelijk te kunnen ingrijpen is ook in 2003 het monitoringprogramma varkenspest voortgezet.

Scrapie-programma:

Het fokkerijprogramma bevatte minder erfelijkheidstesten in 2003 dan beoogd vanwege technische problemen bij de laboratoriumtest. Er zijn in 2003 totaal 51 positieve schapen gemeld in de monitoring.

Prestatiegegevens keuringsactiviteiten RVV 2003

Ter keuring aangeboden dieren, in aantallen
 aantal aangeboden dierenaantal aangehoudenaantal afgekeurd
OmschrijvingVerwachtGerealiseerdVerwachtGerealiseerdVerwachtGerealiseerd
Artikel 10 runderen500 000517 00037 50048 0402 5003 713
Artikel 10 kalveren1 350 0001 266 00021 60021 180405294
Artikel 10 varkens15 294 000*13 699 00039 000171 0003 00010 212
Artikel 10 schapen/geiten600 000518 0009 00010 7446 000138
Artikel 4 varkens305 000299 00070 00015 10330596
Bijzondere slachtplaatsen145 00092 300116 00051 5698 7004 426

* In de ontwerpbegroting 2003 is abusievelijk een verwacht aantal aangeboden varkens van 30 mln. opgenomen.

Doelgroepen

Alle professionele en particuliere dierhouders en houders van gezelschapsdieren, transportsector, slachthuizen, verzamelcentra, controlerende instanties en burgers (zoönosen).

Beleidsinstrumenten

Voorlichtingsprogramma en nulmeting preventieve diergezondheid, Basismonitoring en andere monitoringprogramma's, EU bewakings- en bestrijdingsprogramma's, I&R, draaiboeken crisisorganisatie, omgevingsanalyse vermaatschappelijking dierziektebestrijding, onderzoek, regelgeving en tarieven (BSE privatisering monitoring).

06.12 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselkwaliteit

In 2003 is met het project «Kijkje in de keten» stevig ingezet op het vergroten van de transparantie van productieprocessen en de openbaarheid van controleresultaten vlees. Door deze inspanning is dit thema zowel nationaal als internationaal op de agenda gezet.

In overleg met betrokkenen uit het bedrijfsleven is invulling gegeven aan traceerbaarheidsvereisten in de agrofoodketen. Het daaruit voortvloeiende standpunt is aan de Europese Commissie gezonden en dient als basis voor de Nederlandse inzet voor verdere besprekingen in EU-verband, die ertoe moeten leiden dat het traceerbaarheidsartikel uit de General Food en Feed Law nader wordt ingevuld. Dit EU-overleg zal begin 2004 van start gaan en naar verwachting doorlopen tijdens het Nederlands voorzitterschap. Naast traceerbaarheid is bedrijfsgestuurde risicobeheersing in de agrofoodketen een belangrijk instrument voor de beheersing van voedselveiligheidsrisico's. LNV richt zich hierbij vooral op de primaire agrarische sectoren en wil de huidige praktijk in overeenstemming brengen met toekomstige voedselveiligheidsrichtlijnen. Hiertoe is in 2003 samen met de primaire sector een inventarisatie van de huidige praktijk m.b.t. systemen voor bedrijfsgestuurde risicobeheersing uitgevoerd.

Realisatie Streefwaarden

In de begroting 2003 waren de volgende streefwaarden opgenomen:

1. In 2006 wordt de veiligheid van het voedsel (in de productieketen) gewaarborgd door veilige productieprocessen en voedselproductieketens. Voor elk van de 8 sectoren, waaronder rundvee (vlees), varkens, zuivel, legkippen (eieren) en de biologische landbouw is dan minimaal één ketengarantiesysteem operationeel dat voldoet aan een aantal kwaliteitseisen. In 2003 is in tenminste één sector een privaat ketengarantiestelsel operationeel.

2. In 2003 wordt een nieuw systeem van risicomanagement opgezet t.b.v. het reduceren van de voedselveiligheidsrisico's. De ontwikkeling en het (her)inrichten en implementeren van monitoringsystemen maakt hier onderdeel van uit.

3. Handhaven van het huidige niveau van voedselveiligheid door toezicht en controle op wet en regelgeving (door de VWA/RVV).

1. Ketengarantiesystemen:

Sinds 2002 loopt een pilot in de pluimveevleesketen met een operationeel ketengarantiesysteem. Activiteiten ter stimulering van ketengarantiesystemen hebben zich in 2003 daarnaast toegespitst op het uitdragen van het concept van ketengarantiesystemen.

2. Nieuw systeem van risico-management:

In het kader van de ontwikkeling van een nieuw systeem voor risicomanagement t.b.v. het reduceren van voedselveiligheidsriscio's (ERIS prototype) is in internationaal verband een werkgroep opgezet voor de ontwikkeling van een beslissystematiek t.b.v. de beoordeling van vroegtijdige signalen van mogelijke risico's op het gebied van de voedselveiligheid. De ontwikkeling van een nieuw systeem voor risico-mangement in Europees verband is daarmee een belangrijke stap verder gekomen, maar nog niet ten volle gerealiseerd. De (her)inrichting en implementatie van monitoringssystemen is een belangrijk speerpunt voor 2004.

3. Controle en handhaving:

AID, VWA/RVV en COKZ hebben controles uitgevoerd op de naleving van de nationale en Europese regelgeving. Dit betreft onder meer de veterinaire controle op import, de keuring van en controle op levend vee, vlees en vleesproducten, dierlijke bijproducten en diervoeders. Voor zover de tarieven voor de controle en handhaving door de VWA/RVV niet kostendekkend waren of de wettelijke taken niet tarifeerbaar zijn, heeft LNV een bijdrage verleend in de uitvoeringskosten.

Prestatiegegevens

  Realisatie 2003Begroting 2003
InstrumentPrestatieAantalAantal
KetengarantiesysteemPilot pluimvee11
 Operationeel ketengarantiesysteem01
    
Bestrijdingsprogramma SalmonellaRuiming besmette koppels1212
    
OnderzoekInventarisatie van risico's in verschillende schakels van de productieketen  
    
MonitoringEmerging Risk Identification System (ERIS) operationeel prototype1 
    
ConsumentenplatformUitwerking aanbevelingen, evt. beleidsacties43
    
Communicatie en voorlichting VCNConsumentenonderzoek, informatievoorziening via internet, telefonische informatiedienst, media en lesmateriaal  
    
Handhaving en toezichtControles en keuringen door VWA, AID en COKZ  

Consumentenplatform:

In 2003 heeft het Consumentenplatform gesproken over de visserij, duurzame voedselproductie en toekomstbeelden voor de voedselproductie. Met het platform is een extra ingelaste bijeenkomst geweest in het kader van het debat over de toekomst van de intensieve veehouderij. In oktober 2003 is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over het beleidsmatige vervolg van de bijeenkomsten van het platform.

Communicatie en voorlichting VCN:

In 2003 zijn diverse voorlichtingscampagnes gevoerd gericht op voedselveiligheid en de naamsbekendheid van het VCN. Uit metingen blijkt dat de naamsbekendheid van het VCN in de periode 2001–2003 met ruim 30% is toegenomen, onder meer door TV-spotjes in het voor- en najaar. Tevens is in 2003 een samenwerkingsovereenkomst getekend tussen het VCN en de VWA.

Doelgroepen

Voedselproducenten (primaire sector en andere partijen in de productieketen), certificerende organisaties en consumenten(organisaties).

Beleidsinstrumenten

Ketengarantiesystemen, Consumentenplatform, Risicomanagement, waaronder risicobeoordeling en onderzoek, monitoring en bestrijding, handhaving en toezicht en communicatie en voorlichting.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN264 325424 69890 418334 280
Waarvan garantieverplichtingen    
UITGAVEN257 926419 35690 418328 938
Programma-uitgaven103 974360 09761 681298 416
     
U0611 Bewaking en verhoging van het diergezond- heidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten83 654304 26225 192279 070
– Preventieve diergezondheid 7962 023– 1 227
– I&R 3 6886 000– 2 312
– Monitoringsprogramma's 7 2566 1691 087
– Handhaving EU dierziektevrije status 3 5484 500– 952
– Crisisorganisatie dierziektebestrijding 4 4836 500– 2 017
– BSE 000
– Storting in DGF 000
– Vogelpest (AI) 259 919259 919
– Schikking fokverbod KVP 24 07024 070
– Overig 502502
U0612 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselkwaliteit20 32055 83536 48919 346
– Ketengarantiesystemen 8003 003– 2 203
– Risicomanagement 6 3314 0002 331
– Handhaving niveau van veiligheid 8 8409 486– 646
– Voedselveiligheid (BSE/destructie) 37 87020 00017 870
– Overig 1 994 1 994
     
Apparaatsuitgaven153 95259 25928 73730 522
U0621 Apparaat153 95233 85619 05514 801
U0622 Baten-lastendienst 25 4039 68215 721
     
ONTVANGSTEN170 36349 91238 07711 835

Toelichting

De hogere verplichtingen en uitgaven worden in belangrijke mate verklaard door de uitgaven voor de bestrijding van de Vogelpest. De kosten van de bestrijding zijn dominant aanwezig in de uitgaven van het Diergezondheidsfonds en worden daar ook verantwoord. Totaal is voor de Vogelpest in 2003 € 259,9 mln. uitgegeven. Hiervan is € 253,9 mln. toegevoegd aan het DGF (incl. € 92 mln. voorfinanciering van de EU-ontvangsten).

Naar aanleiding van een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB), waarin is geoordeeld dat er geen wettelijke grondslag is voor de fokverboden die gedurende de varkenstpestcrisis 1997/1998 zijn ingesteld, is een groot aantal schadeclaims (circa 700) ingediend. In 2003 heeft de landsadvocaat een voorstel opgesteld om deze claims, voor wat betreft de vermeerderingsbedrijven, in der minne te schikken. Bij Najaarsnota is een bedrag van € 60,0 mln. uitgetrokken ter vergoeding van de schadeclaims. In 2003 zijn de schikkingsbedragen betaald aan 430 bedrijven, totaal € 24,1 mln.

Daarnaast laten de hogere uitgaven zich voor € 17,9 mln. verklaren door voedselveiligheid (BSE/destructie). Dit wordt veroorzaakt doordat in 2003 de kosten voor het plan van aanpak diermeel en de kosten van het verwerken van kadavers 1e kwartaal 2001 zijn betaald, voor in totaal € 9,3 mln., waarvoor € 6,2 mln. vanuit het DGF is ontvangen. Verder zijn nagekomen kosten van onder meer BSE-testen (€ 1,3 mln.) betaald. Tenslotte is een betaling inzake het ophalen en verwerken van kadavers van € 4,5 mln., welke was voorzien voor 2002, ten laste van 2003 gekomen.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven
1 Personeel VVA77,359,44 58891,965,86 044
2 Personeel AID104,645,44 748193,652,610 189
3 Personeel BRD11,652,861217,155,8954
4 Personeel RVV     4 865
5 Materieel  8 763  10 575
6 Overig apparaat*  344  1 229
7 Bijdrage aan de VWA  9 682  25 403
Totaal apparaatsuitgaven  28 737  59 259

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven

De hogere uitgaven voor ambtelijk personeel AID worden veroorzaakt door extra werkzaamheden in het kader van de AI-uitbraak.

De hogere bijdrage aan de VWA, ad € 15,7 mln., houdt verband met de terugkeer van de VWA van het ministerie van VWS naar het ministerie van LNV en hogere uitgaven voor uitvoering van regelingen door de VWA/RVV. De uitgaven voor het ambtelijk personeel RVV zijn onder meer veroorzaakt door vakantie-uitkeringen 2002 van de VWA/RVV, welke nog ten laste kwamen van LNV.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
Totaal38 07749 912
EU-ontvangsten MKZ33 22729 714
Afkoop vaste activa RVV4 8501 127
Ontvangsten keuringsgelden RVV0
Ontvangsten VVA (o.a. I&R)11 813
BSE-testen512
Overige ontvangsten6 746

De EU-ontvangsten voor MKZ zijn in 2003 € 3,5 mln. lager uitgevallen dan oorspronkelijk geraamd. De lagere ontvangsten met betrekking tot de afkoop vaste activa RVV houdt verband met een lagere waarde van de vaste activa per balansdatum 1 januari 2003. Door de overname door LNV van alle taken m.b.t. I&R van de GD en de PVE worden hogere ontvangsten gerealiseerd. Daarnaast zijn subsidiegelden terugontvangen (ontvangsten VVA). De overige ontvangsten betreffen met name de bijdrage vanuit het DGF voor de vernietiging van oude diermeelvoorraden (€ 6,2 mln.).

07 Kennisontwikkeling en innovatie

Het ontwikkelen van kennis die van meerwaarde is voor het identificeren en benutten van de ontwikkelings-mogelijkheden van de agrofoodsector en de groene ruimte.

Grafiek 9: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-11.gif

07.13 Kennisbasis

Het instandhouden van een voor LNV relevante kennisinfrastructuur door middel van het ontwikkelen van strategische expertise, die bijdraagt aan de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte in een zich permanent ontwikkelend proces.

In 2003 is gewerkt aan verdere kwaliteitsverbetering van de voor het onderzoek relevante instituten binnen Wageningen UR. Visitaties van onder meer het LEI, ATO en Alterra hebben plaatsgevonden. Op basis van verbeterplannen wordt voortgaande kwaliteitsverhoging nagestreefd en bereikt. Vastgesteld kan worden dat de streefwaarden op dit terrein in 2003 zijn gehaald.

De richting van de kennisbasis op hoofdlijnen is vastgelegd in het Strategische Plan 2003-2006 van Wageningen UR. Dit plan is geen statisch geheel en wordt op basis van regelmatige strategische conferenties met deelname van maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, de kenniswereld en het beleid geactualiseerd. De inhoudelijke strategische planning op het niveau van kenniseenheid wordt hiermee meer dynamisch ingevuld dan via een eenmalige bureaucratische goedkeuringsprocedure. Vanaf 2004 wordt het budget voor de verdere ontwikkeling van de kennisbasis van WUR verruimd waardoor tevens de mogelijkheden voor andere partijen, waaronder het bedrijfsleven maar ook andere kennisinstellingen, om samenwerkingsrelaties met Wageningen UR aan te gaan worden verbeterd. De benodigde ruimte wordt mede ingegeven door de uitkomsten van de visitaties van de afzonderlijke instituten als het marktconform invullen van de R&D component.

Streefwaarden

De kwaliteit van de kennisbasis wordt langs de volgende lijnen beoordeeld:

• De inzet van de middelen voor Strategische Expertise Ontwikkeling bij DLO wordt beoordeeld door middel van goedkeuring van het strategisch plan dat daartoe door DLO wordt opgesteld.

• De kwaliteit van de betrokken kennisinstellingen wordt periodiek getoetst door middel van visitaties/audits van de onderzoeksinstellingen. Er wordt gestreefd naar een positieve beoordeling van tenminste 80% van het onderzoek verricht binnen instituten. Deze norm geldt voor de eind 2003 uitgevoerde visitaties en beoordelingen.

• Alle leerstoelgroepen van Wageningen Universiteit worden eens per zes jaar door een internationaal panel van deskundigen gevisiteerd. De wetenschappelijke kwaliteit, productiviteit, relevantie en levensvatbaarheid van het onderzoek binnen het betreffende vakgebied wordt volgens de systematiek van de VSNU op prestaties beoordeeld en afgezet tegen die van andere universiteiten. LNV streeft naar een positieve beoordeling van tenminste 80% van de leerstoelgroepen van Wageningen Universiteit.

• Alle onderzoekscholen van Wageningen Universiteit door de KNAW beoordeeld op de thematische organisatie van onderzoek en de kwaliteit van opleiding van jonge onderzoekers. Deze beoordeling, welke bij een positieve uitkomst leidt tot de status van formeel erkend instituut, vindt elke 6 jaar plaats. Wageningen Universiteit kent 6 onderzoekscholen, waarbinnen alle onderzoek is georganiseerd. LNV streeft naar een positieve beoordeling van tenminste 80% van de onderzoekscholen van Wageningen Universiteit.

RealisatieStrategisch plan

In 2002 heeft Wageningen UR een Strategisch Plan 2003–2006 opgesteld. Dit plan is door de minister van LNV goedgekeurd.

Visitaties/audits

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Percentage positieve beoordelingen100%100%80%

Visitaties van de instituten Alterra en ATO hebben geleid tot een advies tot verruiming van de kennisbasis van DLO. Hieraan wordt inmiddels gewerkt.

Beoordeling leerstoelgroepen en onderzoekscholen

Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Percentage positieve beoordelingen100%100%80%

Er was eind 2003 (evenals eind 2002) geen sprake van negatieve beoordelingen gedurende de voorafgaande zes jaar.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
WU Basisvoorziening onderzoek/Investeringen/ICT     74 971  72 096
Wageningen Universiteit promoties   19680,415 7591968416 388
WU Onderzoekscholen   69985 99064992 995
Penvoerderschap ISRIC     1 059  1 021
DLO onderzoekuren strategische expertise     20 288  19 816

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet opgenomen.

Toelichting

De verdubbeling van de bijdrage per onderzoekschool is een gevolg van een verschuiving doordat een OCW-conform bedrag voor «vernieuwingsimpuls» groot € 3,0 mln. in de begroting was opgenomen binnen de WU basisvoorziening. De vernieuwingsimpuls wordt besteed binnen onderzoeksscholen en is opgezet om postdocs ruimere kansen op een positie in het onderzoek te bieden.

Onderstaande tabel geeft inzicht in de verdeling van de promoties over vakgebieden

 EPSVLAGWIASMGSPE&RCWIMEKEldersTotaal
200023292216432329185
200131441620442626207
relevant voor bekostiging 2003 (het gemiddelde van totaal 2000 en totaal 2001)196

EPS: Onderzoekschool Experimentele Plantwetenschappen.

VLAG: Onderzoekschool Voeding, Levensmiddelen- en Agrobiotechnologie.

WIAS: Wageningen Instituut voor Dierwetenschappen.

MGS: Masholt Graduate School (Maatschappij en gedragwetenschapen).

PE&RC: C.T. de Wit Onderzoeksschool (Productie Ecologie & Beheer van Natuurlijke hulpbronnen).

WIMEK: Wageningen Instituut voor Milieu en Klimaatonderzoek.

Elders: Met name bij onderzoekschool CERES: Centre for Resource Studies for human Development

Doelgroepen

Doelgroepen zijn overheid, wetenschap, onderwijs, maatschappelijke groeperingen en bedrijfsleven.

Beleidsinstrumenten

• Bekostingsbesluit Wageningen Universiteit gebaseerd op de Wet Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW).

• Regeling subsidie Stichting DLO.

Stimuleringsprogramma's voor wetenschappelijk en technologisch onderzoek op strategische speerpuntenzijn opgenomen onder U07.14 Beleidsondersteunend onderzoek als onderdeel van het instrument Stimuleringsprogramma.

07.14 Beleidsondersteunend onderzoek

De doorvoering van structurele bezuinigingen op onderzoek bij de Stichting DLO betekent dat, in ieder geval vooralsnog, afgezien wordt van een substantiële toename in de aanbesteding op de open kennismarkt. In de begroting en meerjarenraming 2004 is vastgelegd dat het budget hiervoor de komende jaren wordt geconsolideerd.

De waardering voor de resultaten van beleidsondersteunend onderzoek bij de Stichting DLO is onverminderd hoog. Uit monitoring van de voortgang van onderzoeksprogramma's alsmede ex post evaluaties (over 2002) wordt een gemiddelde score van 3,5 tot 4 behaald op een schaal van 5. De benutting en de mogelijke doorwerking van de resultaten van onderzoek zijn daarin opgenomen. De meting van deze waardering maakt het mogelijk om de vinger te leggen op de beperkte wat zwakkere prestaties, die vervolgens aangepakt worden. Er is geen reden aan te nemen dat het gerealiseerde percentage voor 2003 veel zal afwijken van dat van 2002.

De middelen die ingezet zijn t.b.v. het stimuleringsprogramma hebben resultaten opgeleverd in de vorm van rapporten van instellingen als NWO, RIVM, Louis Bolk Instituut, de onafhankelijke Technology Assesment Stuurgroep en internationaal bijvoorbeeld CIP in Peru. Ook in 2003 is hiermee bereikt dat onderzoek is gestimuleerd dat in samenwerking tussen kennisinstituten tot stand komt. Bruggen tussen verschillende disciplines in de kennisarena werden hiermee geslagen op belangrijke terreinen als landbouw en milieu, ethiek en (dierlijke) productie en biologische landbouw.

Streefwaarden en realisatie

Beleidsondersteunend onderzoek levert verkenningen, oorzaak- en gevolganalyses, methodiekontwikkeling en evaluaties op, veelal in de vorm van rapporten en publicaties. Het genereert conceptontwikkeling of onderbouwt beleid en uitvoering. Deze producten lenen zich voor beoordeling van de mate waarin is beantwoord aan vooraf gestelde vragen en bepaling van de bruikbaarheid en het gebruik. Het percentage positieve oordelen van het totaal aantal oordelen geeft de score. Er wordt gestreefd naar een score van minimaal 80%. De gegevens zijn verkregen als reguliere prestatiegegevens.

Realisatie beoordeling beleidsondersteunend onderzoek vanuit het beleidsdomein voedsel en groen

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Percentage positieve beoordelingen95%P.M.80%

Het resultaat van de beoordeling 2003 komt in mei 2004 beschikbaar.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
DLO onderzoekprogramma's   631 912120 437711 520107 908
DLO bouwtaken en integratievergoeding     15 664 24 411 
Stimuleringsprogramma projecten  18 379  17 771  13 876
Innovatienetwerk groene ruimte en agrocluster (InnovatieNetwerk)  4 254  3 280  2 353
Open programmering onderzoek12139,51 6741593,31 400109829 817

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet (geheel) opgenomen.

Toelichting

* De hogere realisatie van de DLO onderzoeksprogramma's en het stimuleringsprogramma is met name het gevolg van loonbijstelling en budgetverhogingen samenhangende met de uitvoering van projecten in opdracht van de Directie Landbouw van het ministerie.

* DLO bouwtaken en integratievergoeding:de nieuwbouw proefstation Bleiswijk is in 2003 niet gestart.

Het budget voor het InnovatieNetwerk is verhoogd als gevolg van een afspraak in voorgaande jaren. De prestaties waren al gebaseerd op dat niveau. De bijdrage aan InnovatieNetwerk betreft een vorm van input-financiering waarbij de afspraak is gemaakt dat er in 2005 een evaluatie en verantwoording plaatsvindt.

Het begrote aantal projecten open programmering betreft de al in 2002 lopende projecten; Op dat moment kon nog geen inzicht worden gegeven van in 2003 aan te besteden projecten. Er is € 1,4 mln. besteed voor 15 meerjarige onderzoeksprojecten die zijn opgedragen na aanbesteding op een open kennismarkt. De projecten hebben een omvang van € 0,05 tot € 0,8 mln. Van in voorgaande jaren aanbestede onderzoeksprojecten is er in 2003 één afgerond, terwijl er vijf nieuwe zijn opgestart. In verband met bezuinigingen is in 2003 een beperkt aantal nieuwe onderzoeksprojecten aanbesteed.

Doelgroepen

Doelgroepen zijn overheid, wetenschap, onderwijs, maatschappelijke groeperingen en bedrijfsleven.

Beleidsinstrumenten

• Regeling Subsidie Stichting Dienst DLO, voor (routine)onderzoek, verkenningen en beleidsstudies.

• Stimuleringsprogramma beleidsondersteunend onderzoek.

• Innovatienetwerk Groene ruimte en Agrocluster.

• Open programmering: beleidsondersteunend onderzoek aanbesteed in een open kennismarkt.

07.15 Wettelijke onderzoekstaken (WOT)

In wettelijke verplichtingen en internationale verdragen zijn onderzoeksverplichtingen voor LNV opgenomen, waarvoor uitvoeringsovereenkomsten worden afgesloten. Van in totaal 7 door LNV af te sluiten uitvoeringsovereenkomsten zijn er 3 gerealiseerd:

• diergezondheid;

• MKZ-vaccin productie-eenheid en MKZ-noodvoorraden;

• genetische bronnen en biodiversiteit.

Het doel om grotere duidelijkheid in inhoud, aansturing en financiering, mede gekoppeld aan een stabiel toekomstperspectief, te verkrijgen is hiermede op deze terreinen bereikt.

Streefwaarden en realisatie

Het streven is er op gericht de wettelijke onderzoekstaken voor eind 2004 onder te brengen in uitvoeringsovereenkomsten.

Er is nu sprake van 7 clusters van wettelijke onderzoekstaken. De gegevens zijn verkregen als reguliere prestatiegegevens.

Aantal clusters van wettelijke onderzoekstaken welke zijn ondergebracht in uitvoeringsovereenkomsten

OmschrijvingRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
Aantal afgeronde uitvoeringsovereenkomsten 34

Een vierde voor 2003 geplande uitvoeringsovereenkomst voor voedselveiligheid is nog niet vastgesteld vanwege de noodzaak om te komen tot nadere afspraken over inhoud en financiële dekking. Voornemen is deze overeenkomst 1 april 2004 af te ronden.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
DLO clusters WOT   74 75033 25066 00936 053

Het lager bestede bedrag dan begroot is een gevolg van het feit dat WOT-taken nog deels bij beleidsondersteunend onderzoek zijn ondergebracht.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002*Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN419 649343 756311 05132 705
UITGAVEN310 276316 098312 1713 927
Programma-uitgaven301 896309 869306 4503 419
     
U0713 Kennisbasis 118 067112 3165 751
– Bekostiging WU 97 77992 5005 279
– DLO, strategisch onderzoek 20 28819 816472
U0714 Beleidsondersteunend onderzoek 158 552158 081471
– Stimuleringsprogramma's 17 77113 5924 179
– Bijdrage Innovatienetwerk 3 2802 353927
– Bijdrage DLO 136 101132 3193 782
– Open programmering onderzoek 1 4009 817– 8 417
U0715 Wettelijke onderzoekstaken 33 25036 053– 2 803
     
Apparaatsuitgaven8 3806 2295 721508
U0721 Apparaat8 3806 2295 721508
     
ONTVANGSTEN13 47416 17121 581– 5 410

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet (geheel) opgenomen.

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Hogere uitgaven dan geraamd in de begroting 2003 zijn grotendeels het gevolg van aan dit artikel toegevoegde loon- en prijsbijstelling € 3,4 mln.

De hogere verplichtingen zijn een gevolg van het opnieuw vastleggen van een deel van de DLO-bijdrage 2003. Deze technische mutatie was nodig vanwege de wijziging in de budgetstructuur ingaande 2003 waarbij de bijdrage DLO is toegedeeld aan drie artikelonderdelen.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003 
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven
1 Personeel DWK7055,23 86555,663,34 668
2 Personeel Innovatienetwerk10,581,08509,870,2688
3 Materieel  825  636
4 Overig apparaat  181  237
Totaal apparaatsuitgaven  5 721  6 229

De apparaatsuitgaven van de beleidsartikelen 7 (Kennisontwikkeling en innovatie), 8 (kennisvoorziening) en 9 (kennisverspreiding) zijn onder dit beleidsartikel gebracht en hebben betrekking op de beleidsdirectie Wetenschap en Kennisoverdracht en het Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster. Verschillen tussen begroting en realisatie zijn als volgt te verklaren:

• Van de uitgaven personeel DWK is € 1,15 mln. besteed aan herplaatsingskandidaten DLO. Met dit feit is rekening gehouden bij de berekening van de prijs per eenheid.

• Er is € 0, 3 mln. (8,9 fte's) overgeheveld naar OCW in het kader van de overgang van de Inspectie groen onderwijs.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
Totaal  
Rente en aflossing DLO9 7419 745
Ontvangsten O&S-fonds i.v.m. nieuwbouw proefstation Bleiswijk9 100 
FES-ontvangsten2 7234 248
Div. ontvangsten onderzoek 1 770
Ontvangsten apparaat INGRA 65
Ontvangsten apparaat DWK17343
Totaal ontvangsten21 58116 171

Verschillen tussen begroting en realisatie zijn als volgt te verklaren:

• De storting vanuit het O&S-fonds voor de nieuwbouw Bleiswijk heeft niet plaatsgevonden in verband met vertraging van de nieuwbouw.

• De hogere FES-ontvangsten betreffen het doorschuiven van eerder voor 2002 geraamde uitgaven.

• Diverse ontvangsten onderzoek hebben betrekking op ontvangsten van DLO vanwege herplaatsingskandidaten, projectontvangsten van instellingen en voor de afrekening van projecten.

Evaluatie

Evaluatie OD 07.14 Open programmering onderzoek:

Uit de evaluatie van het in 2003 doorlopen vraagarticulatietraject (bedoeld om scherpere meer gerichte kennisvragen af te leiden uit LNV beleidsvraagstukken) is naar voren gekomen dat de aanpak werkt. Verbeterpunten zijn meer aandacht voor themavaststelling, verbeteren instructies met betrekking tot procedure en het verkorten, versnellen en vereenvoudigen van het vraagarticulatieproces.

M&O beleid

Misbruik en oneigenlijk gebruik wordt ondermeer tegengegaan door vooraf duidelijke subsidievoorwaarden te stellen. Voorwaarden en controles zijn in 2003 aangescherpt. De instellingsaccountant dient dan te verklaren dat voldaan is aan de geldende wet- en regelgeving. Ten slotte wordt bij de beoordeling van prestaties t.b.v. eindafrekeningen nagegaan of voldaan is aan de subsidievoorwaarden. In 2004 wordt een inhaalslag afgerond met betrekking tot eindafrekening openstaande verplichtingen.

08 Kennisvoorziening

Het verzorgen van groen voorbereidend, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, alsmede universitair onderwijs door het waarborgen van een stelsel van LNV-onderwijs.

08.11 Voorzieningen groen onderwijs

Voor wat betreft het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen door toezicht op de opzet en het functioneren van kwaliteitszorg- en accreditatiesystemen:

• Alle instellingen beschikken over een systeem voor kwaliteitszorg. De kwaliteitszorg functioneert bij meer instellingen «naar behoren» dan opgenomen als streefwaarde.

• De Inspectie LOK voor het groene onderwijs is in 2003 onderdeel geworden van de Inspectie Onderwijs. Hierdoor is in samenhang met het overige onderwijs een integraal toezicht mogelijk geworden op de opzet en het functioneren van de systemen voor kwaliteitszorg in het groene VMBO en beroepsonderwijs en het accreditatiesysteem voor het groene hoger onderwijs.

Voor wat betreft het waarborgen van continuïteit in het aanbod van groen voorbereidend, middelbaar en hoger beroepsonderwijs alsmede universitair onderwijs door adequate bekostiging en toezicht en monitoring van financiële kengetallen:

a. De bekostiging van het groen onderwijs vond plaats volgens het wettelijk kader, geldende regelingen en afspraken.

b. Waar relevant is voor adequate bekostiging en toezicht afgestemd met OCW:

– Er is gestreefd naar aansluiting van de wijze van bekostiging van het groene onderwijs op de bekostiging van het overig onderwijs. Er is bijvoorbeeld een OCW-conform BaMa2-model voor bekostiging Wageningen Universiteit geïntroduceerd.

– De uitbesteding bekostiging groen onderwijs aan Cfi is vormgegeven.

– Er is samengewerkt in het kader van het «Vervolgonderzoek Rekenschap».

De solvabiliteit en liquiditeit waren bij meer instellingen dan in 2002 redelijk tot goed op orde.

Streefwaarden en realisatie

A Aantal «groene instellingen» dat beschikt over een kwaliteitszorgsysteem
Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 WO/HBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem100%100%100%
2 MBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem100%100%95%
3 VMBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem55%100%50%

De kwaliteit van alle opleidingen WO/HBO-groen wordt gewaarborgd via accreditatie door de Nederlandse Vlaamse Accreditatie Organisatie op basis van beoordelingen in visitatierapporten.

De kwaliteit van alle opleidingen VMBO en MBO-groen wordt periodiek beoordeeld door de Inspectie van het onderwijs.

B Aantal «groene instellingen» waar het kwaliteitszorgsysteem naar behoren functioneert
Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 WO/HBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem75%100%75%
2 MBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem66%58%50%
3 VMBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem33%42%25%

Alle door LNV bekostigde opleidingen WO/HBO groen zijn per 1-1-2004 geaccrediteerd. Daarbij is vastgesteld dat alle WO/HBO-groeninstellingen een functionerend kwaliteitszorgsysteem hebben.

Zowel MBO als VMBO scoren hoger dan de streefwaarde voor 2003. Volgens de zogenaamde «kwaliteitskaart» daalde het aantal scholen die voor de VMBO-opleiding prestaties boven verwachting leverden. Uit het onderwijsverslag 2003 van de Inspectie van het onderwijs blijkt dat de invoering van de kwaliteitszorg in het groene VMBO en MBO soms nog onvoldoende draagvlak heeft bij de docenten en het onderwijsondersteunend personeel.

C Alle instellingen voor «groene opleidingen» dienen de solvabiliteit en de liquiditeit redelijk tot goed op orde te hebben
Omschrijving streefwaardeRealisatie 2002Realisatie 2003Streefwaarde 2003
1 Aantal WO-groen instellingen111
2 Aantal HBO-groen instellingen566
3 Aantal MBO/VMBO-groen instellingen81012

De solvabiliteit wordt redelijk tot goed beoordeeld als het eigen vermogen (inclusief egalisatierekening, exclusief voorzieningen) meer dan 10% bedraagt van het totaal vermogen. Bij alle instellingen is dit het geval. De liquiditeit is redelijk tot voldoende wanneer de vlottende activa tenminste 60% bedragen van de kortlopende schulden. Bij 2 AOC's is dit niet het geval. Er is wel sprake van een verbetering ten opzichte van realisatie 2002.

Prestatiegegevens

Bedragen x € 1000
InstrumentRealisatie 2002Realisatie 2003Begroting 2003
1 Wetenschappelijk onderwijs32 27335 24431 395
2 HBO-groen52 44952 60049 012
3 MBO-groen en VMBO-groen315 002334 717307 858
4 ASC-subsidie (Afrika Studie Centrum)651669626
 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
Wageningen Universiteit basisvoorziening     20 811  17 908
Wageningen Universiteit component 1e jaars   6923,682 5447023,722 609
Wageningen Universiteit component getuigschriften   51123,2711 88951221,2510 878
HBO-groen (aantal studenten)   8 4166,2552 6008 4005,8349 012
AOC's BOL (aantal deelnemers)   15 3095,1378 60715 1005,0476 168
AOC's BBL (aantal deelnemers)   8 2232,7022 2008 3502,6522 151
AOC's VMBO/LWOO (aantal leerlingen)   12 1948,0798 43712 3007,2589 212
AOC's overig VMBO (aantal leerlingen)   21 5805,37115 98021 6004,88105 415
AOC's (niet gebaseerd op leerlingaantal)     19 493  14 912

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet opgenomen.

Toelichting

Behalve bij het onderdeel BOL (beroeps opleidende leerweg) is er bij alle sectoren sprake van stijgende leerling/studentaantallen.

Doelgroepen

Onderwijsinstellingen.

Diegenen die onderwijs genieten binnen de LNV-instellingen.

Diegenen die gebruik maken van binnen de LNV-instellingen gekwalificeerden.

Beleidsinstrumenten

Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) op basis waarvan het hoger en wetenschappelijk onderwijs worden bekostigd.

Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) op basis waarvan AOC's (VO en MBO) worden bekostigd.

Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) op basis waarvan scholengemeenschappen en mavo's worden bekostigd.

Wet op het Onderwijs Toezicht (WOT) op basis waarvan het toezicht wordt uitgevoerd.

Afspraken met betrekking tot (gelijke) bekostiging van onderwijs LNV t.o.v. OCW en maatregelen ter verbetering van verantwoording, toezicht en controle.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN416 550513 614391 191122 423
UITGAVEN400 375423 230391 19132 039
Programma-uitgaven400 375423 230391 19132 039
     
U0811 Voorzieningen groen onderwijs400 375423 230391 19132 039
– Bekostiging WU, onderwijs32 27335 24431 3953 849
– Bekostiging HBO-groen52 44952 60051 3121 288
– Bekostiging VMBO/MBO groen315 002334 717307 85826 859
– ASC-subsidie65166962643
     
ONTVANGSTEN801339182157

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Hogere uitgaven dan geraamd in de begroting 2003 zijn met name het gevolg van:

• Loon- en prijsbijstelling € 12,5 mln.

• Arbeidsmarktbeleid (van Rijngelden) € 10,0 mln.

• Stijging van te bekostigen prestaties ten opzichte van begrotingsstand € 9,5 mln.

• Het doorvoeren van het amendement Atsma/Mosterd voor het hoger onderwijs € 2,3 mln.

Hogere verplichtingen dan geraamd in de begroting 2003 zijn met name het gevolg van:

• In 2003 was extra verplichtingenbudget nodig omdat de verplichting voor de rijksbijdrage 2003 hoger beroepsonderwijs niet in 2002 is aangegaan omdat de daarvoor benodigde bekostigingsinformatie van het ministerie van OCenW pas begin 2003 beschikbaar kwam. Daarom zijn in 2003 de verplichtingen voor de rijksbijdragen hoger beroepsonderwijs voor zowel 2003 als 2004 vastgelegd € 50,0 mln.

• Loon- en prijsbijstelling € 25,5 mln.

• Arbeidsmarktbeleid («van Rijngelden») € 21,4 mln.

• Het vastleggen van de verplichtingen voor de normatieve bekostiging IPC's geschiedt met ingang van 2003 ten laste van artikel 8 € 10,3 mln.

• Stijging van te bekostigen prestaties ten opzichte van de begrotingsstand € 10 mln.

• Het doorvoeren van het amendement Atsma/Mosterd voor het hoger onderwijs € 4,6 mln.

Evaluatie

Er zijn in 2003 geen evaluatieonderzoeken uitgevoerd.

M&O beleid

Bij bekostiging wordt in principe gelijke bekostiging met OCW in acht genomen.

In 2001 is door de accountantsdienst van het ministerie van OCW onderzoek gedaan naar mogelijke onregelmatigheden bij universiteiten, hoger beroepsonderwijs en beroeps- en volwasseneneducatie. De uitkomsten van dit onderzoek zijn voor de ministers van OCW en LNV aanleiding geweest om een commissie opdracht te geven een breed en diepgaand onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in deze sectoren te voeren, de commissie Vervolgonderzoek Rekenschap. De landbouwonderwijsinstellingen (Wageningen universiteit, het hoger agrarisch onderwijs en de agrarische opleidingscentra) vallen ook onder dit onderzoek. De commissie bracht op 1 april 2004 haar eindrapport uit. OCW en LNV bereiden een beleidsreactie voor die aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. De uitkomst van het verwachte kamerdebat zal richtinggevend zijn voor de verdere aanpak. Naar aanleiding van het eerdere «zelfreinigend onderzoek» is voorjaar 2003 het «Aktieplan Rekenschap» door OCW en LNV aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit aktieplan bevat maatregelen ter verheldering van wet- en regelgeving en ter verbetering van verantwoording, toezicht en controle.

09 Kennisverspreiding

De (toekomstige) doelgroepen in het agrofoodcomplex en de groene ruimte breed inzetbaar kwalificeren en gekwalificeerd houden voor arbeidsmarkt en maatschappij alsmede het uitwisselen van kennis en informatie tussen het ministerie van LNV en maatschappelijke doelgroepen met het oog op de voorbereiding en de realisatie van het LNV-beleid.

Grafiek 10: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-12.gif

09.16 Vakdepartementaal onderwijsbeleid

Streefwaarden en realisatie

Output van de doelstelling is het feitelijk handelen van actoren in overeenstemming met LNV-beleid, voorzover ten gevolge van opleiding. Deze output is echter pas op termijn zichtbaar. Wel kan in kwalitatieve zin worden verantwoord over de inzet van de verschillende instrumenten. De gegevens zijn verkregen als reguliere prestatiegegevens.

In het kader van vakdepartementaal onderwijsbeleid zijn:

• 10 nieuwe VIA-projecten en 30 nieuwe cursussen goedgekeurd;

• de eerste gedachten over een nieuwe regeling «Vakinhoudelijke stimulering groen onderwijs» geformuleerd;

• Met IPC-Groene ruimte afspraken gemaakt in het kader van de verzelfstandiging.

• Middelen ingezet in het kader van het overig vakdepartementaal beleid, m.n. voor kwalificering voor de arbeidsmarkt, internationalisering en het hoger onderwijs.

Via-regeling, regeling cursusonderwijs, regeling praktijkleren.

Gestreefd wordt naar het aansluiten van de beleidsinstrumenten via-regeling, cursusonderwijs en praktijkleren op LNV-beleid. De middelen voor vakdepartementaal onderwijsbeleid worden grotendeels aan deze drie onderdelen besteed. In 2004 worden deze beleidsinstrumenten geëvalueerd. Het is de bedoeling dat VIA-regeling en regeling Groen cursusonderwijs opgaan in één nieuwe regeling voor vakinhoudelijke stimulering van het groene onderwijs, dit mede met het oog op de vermindering van de administratieve lastendruk. In 2003 is hiervoor een eerste aanzet gegeven.

Overige subsidies en regelingen in het kader van vakdepartementaal onderwijsbeleid

Kwalificering voor de arbeidsmarkt:

Als resultaat van het project Brainport t.b.v. de AOC's, is een omslag gerealiseerd naar compentiegericht onderwijs voor de LNV-terreinen. De resultaten zijn in het boek «Onderwijsvernieuwing & groen onderwijs» uitgegeven. Een conferentie is gehouden met het onderwijsveld om resultaten te delen en inzicht te verwerven in toekomstige ontwikkeling.

Het project Employability door Stichting opleidingsfonds leerlingwezen land- en tuinbouw (Sollt) is vertraagd gestart. Het bleek moeilijker dan verwacht vertrouwen en medewerking te verkrijgen van deelnemende bedrijven. Dit vertrouwen is noodzakelijk om reële inzichten te verwerven in de ontstaansvraag naar benodigde competenties voor beroepen op het terrein van landbouw en natuurlijke omgeving.

Het project onderwijs interface (Helicon-opleidingen) is gestart. Doel van het project is na te gaan op welke wijze onderwijsinstellingen in mbo/hbo kunnen bijdragen aan projecten van bedrijfsleven en overheid op het gebied van herstructurering van het landelijk gebied. Tevens wordt bezien of en hoe de expertise die wordt opgedaan in deze projecten weer wordt benut in het reguliere onderwijs.

Een EVC-project (EVC: Erkenning Verworven Competenties) in samenwerking met het bedrijf Frico is met succes afgerond. Met het project is bewezen dat intervisie als opleidings- en examenmethodiek uitvoerbaar is. De schriftelijke rapportage volgt in maart 2004.

Een EVC-project in samenwerking met de Vereniging Hoveniers en Groenvoorzieners heeft tot uitreiking van diploma's in maart 2004 geleid. Een nieuwe werkwijze tussen Wellant College en mkb-instellingen is daarmee bewezen.

Internationalisering:

Eind 2001 is voor het HAO ca. € 0,5 mln. beschikbaar gesteld. De gezamenlijke instellingen hebben een activiteitenplan opgesteld en uitgevoerd voor het jaar 2002/2003. De plannen zijn gericht op versnelde internationalisering van de groene inhoud van het curriculum middels curriculumontwikkeling en internationale kennisvernieuwing van staf (ook mobiliteit). De projecten zijn gestart in september 2002; resultaten zijn nog niet bekend.

In 2003 hebben vier AOC's projecten uitgevoerd op het gebied van internationalisering. De projecten zijn nog niet afgerond; resultaten zijn nog niet bekend.

LNV heeft bijgedragen aan twee projecten over de vernieuwing van de inhoud van groene opleidingen en kenniscirculatie: «Het Groene Onderwijskennisspel» en een «Europea Conferentie» die in het kader staan van kenniscirculatie en competentiegericht leren voor voedsel en groen. Het nut van de projecten zit in het feit dat een breed internationaal publiek (en ook in aantallen omvangrijke groep) kennis neemt en werkt aan groene/LNV onderwerpen.

Overige projecten voor het hoger agrarisch onderwijs:

Voor de totstandkoming van de Holding Van Hall Larenstein is een laatste termijn van € 0,9 mln. beschikbaar gesteld. Voor de projecten HAO.com (een meerjarig ICT-project) en DUCO/PROMITT (meerjarig project voor vernieuwing lerarenopleidingen) werd in totaal € 2,5 mln. beschikbaar gesteld.

Doelgroepen

Zij die groen onderwijs genieten en zij die betrokken zijn (o.a. werkzaam) bij maatschappelijke activiteiten op de aandachtsgebieden van LNV.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
Projecten VIA-regeling (aantal projecten)  76921531 105202004 004
Projecten cursusonderwijs  01051,5153301073 202
Regeling praktijkleren (aantal leerlingen AOC's)  25 440  25 833  25 962
Overig subsidies Vakdepartementaal (aantal regelingen/afspraken)   342628 9103443014 605

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet (geheel) opgenomen.

Toelichting

Via-regeling: Het betreft meerjarige opdrachten met een omvang van € 0,04 tot € 0,4 mln. Op basis vande criteria van de regeling (o.a. aansluiting bij het LNV-beleid) zijn op advies van de Via beoordelings-commissie bij LASER 10 nieuwe VIA-projecten goedgekeurd (aanvraagronde 2002). De regeling is in 2003 niet opengesteld in verband met een opgelegde taakstelling. De voortgang van de projecten wordt door LASER bewaakt.

Cursus-regeling: Het betreft meerjarige opdrachten met een omvang van € 0,04 tot € 0,2 mln. In 2003 zijn op basis van de criteria van de regeling op advies van de beoordelingscommissie Groen cursusonderwijs bij LASER 30 nieuwe cursussen goedgekeurd. De voortgang van de cursussen wordt door LASER bewaakt.

Praktijkleren: Het budget praktijkleren dat opgenomen is in de begroting 2003 bestaat uit een deel dat rechtstreeks wordt toegekend aan de IPC's en een vraaggestuurd budget voor de AOC's. In de begroting 2004 wordt het budget gesplitst in deze twee posten. Het budget dat in 2003 aan de AOC's werd toegekend (12,5 mln.) is gebaseerd op praktijkleren voor 23 513 leerlingen (BOL en BBL). Aan IPC-Groene Ruimte zijn in het kader van de verzelfstandigingsafspraak middelen ad € 1 mln. beschikbaar gesteld.

Overige subsidies vakdepartementaal: Het betreft gedeeltelijk meerjarige afspraken met een omvang van € 0,02 tot € 2 mln.

Beleidsinstrumenten

Via-regeling: met de regeling wordt een aanvullende inhoudelijke vernieuwing vanuit het beleidsdomein voedsel en groen gestimuleerd.

Cursusonderwijs: met dit onderwijs wordt gestimuleerd dat betrokkenen in het domein voor voedsel en groen nieuwe kennis en informatie over de inhoudelijke ontwikkelingen kunnen vergaren. De nota's van het ministerie van LNV zijn hierbij leidend. Voor cursussen wordt subsidie gegeven om deelname te stimuleren. De kwaliteit van de cursussen wordt gewaarborgd doordat alleen onderwijsinstellingen de LNV-cursus mogen aanbieden. De thema's voor deze cursussen zijn onder meer: maatschappelijk verantwoord ondernemen, voedsel, voedselveiligheid, biotechnologie, dierenwelzijn, milieu, biodiversiteit, natuur, plattelandsontwikkeling, visserij en ecologie, omgaan met water, energie, CO2 en gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Praktijkleren. Met dit instrument wordt gestimuleerd dat lerenden in groene opleidingen ook in de praktijk leren onder meer door praktijkweken te organiseren. Over de uitvoering wordt door de onderwijsinstellingen verantwoording afgelegd op basis van vooraf ingestelde doelen per instelling.

Overige subsidies en regelingen in het kader van vakdepartementaal onderwijsbeleid.

09.17 Algemeen onderwijsbeleid

In het kader van algemeen onderwijsbeleid:

• zijn regelingen en afspraken in het groene onderwijs zowel qua inhoud als bestedingen overeenkomstig OCW uitgevoerd;

• zijn bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld de leerroute Track21, uitgevoerd waarbij LNV voorop loopt;

• heeft de onderwijsinspectie ten aanzien van het groene onderwijs een positief jaarverslag afgegeven.

Streefwaarden en realisatie

Streefwaarde is het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs. Onderwijskundige ontwikkelingen binnen het groene onderwijs moeten zijn afgestemd op ontwikkelingen binnen het overig onderwijs.

Indien ontwikkelingen binnen het groene onderwijs passen in het streven naar kwaliteitsverbetering schroomt LNV niet voorop te lopen.

Maatregelen om de afstemming tussen de schoolsoorten vmbo-groen en mbo-groen te verbeteren, ongediplomeerde uitstroom uit het vmbo-groen te verminderen, en het aantal examens in het vmbo te verlagen zijn gerealiseerd. OCW-regelingen en afspraken zijn in het groene onderwijs zowel qua inhoud als bestedingen overeenkomstig uitgevoerd. De gegevens zijn verkregen als reguliere prestatiegegevens.

Overige regelingen in het kader van algemeen onderwijsbeleid voor VMBO/MBO-groen

Groene beroepskolom:

De impulsregeling groen onderwijs 2000–2003 heeft geleid tot een groot aantal projecten op school- en landelijk niveau. De projecten zijn over het algemeen voorspoedig verlopen. De impulsregeling groen onderwijs wordt als onderdeel van de landelijke impuls kwantitatief en kwalitatief gemonitord. De doorloop vmbo-mbo binnen het groen onderwijs kan nog worden verbeterd.

Invoering van leerwerktrajecten in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo-groen. Leerwerktrajecten zijn een bijzondere leerroute (meer praktijk en minder theorie) binnen de basisberoepsgerichte leerweg. Het gaat vooral om jongeren met een andere leerstijl: de lerende doeners. Het betreft integratie van theorie en praktijk. Elf van de twaalf AOC's hebben groen licht gegeven voor leerwerktrajecten.

De resultaten van het project Track 21 worden geïmplementeerd. Voor risicoleerlingen is een vieri.p.v. vijfjarige leerroute ontwikkeld van vmbo t/m niveau 1 mbo. Leerlingen die niet in staat zijn een vmbo-diploma te behalen worden in staat gesteld het mbo-niveau 1 diploma te halen, waardoor een aanzienlijk aantal nu gediplomeerd i.p.v. ongediplomeerd uitstroomt. In samenwerking met OCW is gewerkt aan het formaliseren van deze leerroute wat heeft geleid tot tijdelijke regelgeving m.b.t. de «assistentroute».

Er is een project opgestart voor doorlopende leerlijnen groen vmbo-mbo onderwijs. Doelstelling is het ontwikkelen van doorlopende leerlijnen vmbo groen en het invoeren van competentiegericht leren in het vmbo/mbo-groen. Bovendien wordt in 2008 het aantal examens in het vmbo-groen aanzienlijk gereduceerd.

Kwaliteitsverbetering van examens:

Invoering centrale examens in het vmbo-groen. In 2003 namen alle vmbo-groen scholen in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg het centraal examen (CE), het centraal praktisch examen (CPE) en de centrale integratieve eindtoets (CIE) af. Het centraal examen in het vmbo-groen is goed verlopen zowel organisatorisch, inhoudelijk als qua resultaat.

Examinering Kennis Centrum Examinering (KCE) is samen met OCW in een regeling vastgelegd die moet leiden tot verbetering van examens mbo in 2004 e.v.

KCE projecten voor scholen en Aequor. Project de Groene Standaard is afgerond en erkend als exameninstrumentarium door KCE. Helicon en Wellant zijn in de laatste fase van het project FOCUS. De rapportage wordt verwacht in februari 2004. De Holland-Maasgroep heeft een EVC-project afgerond en een handboek ontwikkeld. Rapportages worden begin 2004 beoordeeld door KCE.

Ontwikkelen van een nieuwe examenvorm CSPE dat een samentrekking is van het centraal schriftelijk examen (CSE) en het centraal praktisch examen (CPE). Door de koppeling van theorie-vragen aan doe-opdrachten sluit CSPE beter aan bij het abstractieniveau van de basisberoepsgerichte leerling. In april en mei 2003 zijn de eerste pilot-examens CSPE «Bloembinden en -schikken» en «Groene ruimte» afgenomen. Voor de groene leerling in de basisberoepsgerichte leerweg biedt het CSPE een groot voordeel door de directe koppeling tussen vaktheorie en praktijk.

Overige regelingen:

Regeling specialistenopleiding. De problematiek dat specialistenopleidingen uit het Overzicht van Diploma's en Certificaten niet aansloten op die van KS2000+ en dat daarvoor bijscholing nodig was heeft niet geleid tot aanvragen van scholen. De regeling lijkt daarmee voor het tweede (van de drie jaar dat hij loopt) overbodig.

Arbeidsmarktmonitoren STOAS en Stichting LIBER zijn uitgevoerd en op schrift gesteld.

Regelingen ICT

Van de ICT uitgaven is 40% besteed in het kader van OCW-conforme regelingen. Overige ICT-uitgaven betreffen met name projectsubsidies aan AOC's voor innovatieve ICT-rijke onderwijsprojecten (ICT-impuls 2003), Groen Kennisnet en AOC's on Line. Een klein deel van het ICT-budget is bestemd voor HAO en Wageningen Universiteit vanwege een samenhangende ontwikkeling voor het groene onderwijs als geheel.

Uit de ICT-monitor 2002/2003 blijkt dat onderwijskundig gebruik van ICT binnen de AOC's achterblijft. ICT wordt ingezet bij 18% van de AOC-opleidingen en 36% van de BVE-opleidingen. Ook het aantal ICT-werkplekken is t.o.v. BVE minder: 1 PC op 10 deelnemers bij het AOC vs. 1 op 6 bij ROC's. AOC's onderscheiden zich positief t.o.v. BVE wat betreft aansluiting op kennisnet (85% vs. 50%).

Aantal deelnemers, gebruik en bestuurlijk draagvlak voor Groen Kennisnet zijn in 2003 gestaag gegroeid.

In het vigerende beleid (Onderwijs on Line) lag de nadruk op gebruik van ICT en de randvoorwaarden (de ICT-vaardigheid van studenten en docenten en de beschikbaarheid van ICT-werkplekken en internetvoorzieningen). Komende jaren gaat het om benutting van ICT(-infrastructuur) voor het faciliteren van individuele leer- en werktrajecten, te monitoren in termen van aantal studenten. Het daadwerkelijk gebruik van groen kennisnet door gebruikers (studenten, docenten, e.d.) én aanbieders van informatiediensten is een maat voor het succes. In het kader van het ICT-beleid 2003–2006 (najaar 2003) zijn hiervoor streefwaarden geformuleerd die nog met de instellingen moeten worden afgestemd.

Overige regelingen in het kader van algemeen onderwijsbeleid voor VMBO/MBO/HO-groen

Internationalisering:

Subsidiebijdrage aan EU-internationaliseringsprogramma's Leonardo/Socrates. Dit programma kent een aantal proefprojecten in het kader van de versterking van het beroepsonderwijs (afstemming onderwijs-beroepsveld) en mobiliteitsprojecten.

LNV draagt ook bij aan het (OCW) BAND-programma: Bilaterale Austauch Niederlanden-Deutschland; hieraan hebben Nederlandse en Duitse leerlingen deelgenomen.

Subsidiebijdrage aan HO-steunpunten in het buitenland; LNV heeft bijgedragen aan twee steunpunten in Indonesië en China. HO-instellingen kunnen tegen betaling gebruik maken van deze steunpunten. Zij komen dan ook in aanmerking voor een beurzenprogramma (DELTA).

Beschikbaar maken voor het groene onderwijs van «Nieuwe subsidieregeling nationale programma's voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs». De regeling is gericht op leerlingen van (v)mbo en lerarenopleidingen, leerkrachten en opleiders en is bedoeld om de Europese en internationale oriëntatie en daarmee samenhangende deskundigheid te vergroten. Het betreft de programma's Plato+, PITON en PLUVO. De regeling gaat in 2004 voor LNV van start en loopt tot en met 2006.

LNV draagt net als OCW, Buza en EZ bij aan Holland Know How, alumnitijdschrift voor buitenlandse studenten die in Nederland hebben gestudeerd.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
Regelingen en overige afspraken WU alg.   0002422843
Regelingen en overige afspraken HBO alg.   72541 781143194 430
Regelingen en overige afspraken VMBO/MBO alg.   233949 0552199421 035
Regelingen en overige afspraken ICT  8 22371 2508 74779946 960

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet (geheel) opgenomen.

Toelichting

De inzet van middelen was conform de inzet van OCW. De onderwijsinspectie heeft ten aanzien van de ontwikkelingen binnen groene onderwijs een positief jaarverslag afgegeven.

Doelgroepen

Zij die onderwijs genieten binnen door LNV bekostigde onderwijsinstellingen.

Beleidsinstrumenten

ICT-regelingen en overige afspraken ICT.

Overige OCW-conforme regelingen en afspraken t.b.v. onderwijskundige vernieuwing.

09.18 Voorlichting

Er zijn 8 voorlichtingsprojecten opgestart en 2 afgerond.

Streefwaarden en realisatie

Output van de doelstelling is het feitelijk handelen van actoren in overeenstemming met LNV-beleid, voorzover ten gevolge van kennisdoorstroming.

Opdrachtnemers dienen elk kwartaal rapportages in met daarin opgeleverde producten en diensten, producten in ontwikkeling, beleidssignalering en (wijzigingen in) planning en begroting. De rapportages worden gecontroleerd op inhoudelijke en financiële consequenties door beleidsdirecties en LASER en indien nodig vindt bijstelling plaats van het project. De output is echter pas op termijn zichtbaar. In 2004 wordt geëvalueerd. Twee projecten, namelijk «zware metalen in meststoffen» en «Besluit glastuinbouw 2002» zijn in 2003 afgerond. Er zijn nieuwe projecten opgestart voor «Kennistransfer overlevingsplan Bos en natuur», «Energie glastuinbouw», en «Crisis naar Kans deel II». De gegevens zijn verkregen als reguliere prestatiegegevens. Het streven is te komen tot één nieuwe regeling voor vakinhoudelijk stimulering van het onderwijs.

Prestatiegegevens

 Realisatie 2002*Realisatie 2003Begroting 2003 
InstrumentAantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)AantalPrijs per eenheid (x € 1 000)Budget (x € 1 000)
Voorlichting  5 989302146 4272072614 529

Toelichting

Er is € 5,5 mln. besteed voor 34 meerjarige voorlichtingsprojecten die zijn opgedragen na aanbesteding op een open kennismarkt. De projecten hebben een omvang van € 0,04 tot € 4 mln. Van in voorgaande jaren aanbestede voorlichtingsprojecten zijn er in 2003 twee afgerond, terwijl er acht nieuwe zijn opgestart. In verband met een taakstelling is in 2003 een beperkt aantal voorlichtingsprojecten aanbesteed.

DLV adviesgroep heeft werkzaamheden uitgevoerd in het kader van de subsidierelatie (€ 0,6 mln.)

Doelgroepen

Actoren binnen het LNV-beleidsdomein (producenten, consumenten en kenniswerkers op het gebied van voedselvoorziening en groene ruimte).

Beleidsinstrumenten

Voorlichtingsopdrachten: met de opdrachten worden voorlichtingsprojecten voor het domein voedsel en groen gefinancierd. De nota's van het ministerie van LNV zijn hierbij leidend.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2002*Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN106 40971 64992 542– 20 893
UITGAVEN83 13462 41992 538– 30 119
Programma-uitgaven82 16862 01192 258– 30 247
     
U0916 Vakdepartementaal onderwijsbeleid 36 00144 886– 8 885
– VIA-regeling 1 1053 895– 2 790
– Regeling cursusonderwijs 1533 120– 2 967
– Regeling praktijkleren 25 83325 962– 129
– Overig vakdepartementaal 8 91011 909– 2 999
U0917 Algemeen onderwijsbeleid 19 58333 254– 13 671
– Overige regel. WU, Alg. 0843– 843
– Overige regel. HBO-groen, Alg. 1 7814 430– 2 649
– Overige regel. VMBO/MBO-groen, Alg. 9 05521 035– 11 980
– Regelingen ICT8 2238 7476 9461 801
U0918 Voorlichting5 9896 42714 118– 7 691
     
Apparaatsuitgaven966408280128
U0922 Agentschappen966408280128
     
ONTVANGSTEN1 83994045895

* Vanwege een wijziging van de budgetstructuur in 2003 is een vergelijking van de realisatiecijfers 2002 niet (geheel) opgenomen.

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Lagere verplichtingen en uitgaven dan geraamd in de begroting 2003 zijn het gevolg van:

• Loonbijstelling € 2,6 mln.

• Voor de budgettaire verwerking van de aanvullende besluiten genoemd in de brief aan de TK over de LNV-begroting (TK 28 600 XIV, nr. 112) is het budget verlaagd met € 14,3 mln.

• Overheveling middelen arbeidsmarktbeleid («van Rijngelden») -/€ 10,0 mln.

• Dekking bijstelling rijksbijdragen Voortgezet Onderwijs en de Wageningen Universiteit -/- € 6,8 mln.

Gerealiseerde ontvangsten waren hoger dan begroot. Van OCW werden bedragen ontvangen in het kader van regelingen algemeen onderwijsbeleid. Ook in het kader van eindafrekening werden extra ontvangsten gerealiseerd.

Evaluatie

Er waren in 2003 geen evaluaties aan de orde.

M&O beleid

Misbruik en oneigenlijk gebruik wordt ondermeer tegengegaan door vooraf duidelijke subsidievoorwaarden te stellen. Voorwaarden en controles zijn in 2003 aangescherpt. De instellingsaccountant dient daarbij te verklaren dat voldaan is aan de geldende wet- en regelgeving. Ten slotte wordt bij de beoordeling van prestaties t.b.v. eindafrekeningen nagegaan of voldaan is aan de subsidievoorwaarden. In 2004 wordt een inhaalslag afgerond met betrekking tot eindafrekening openstaande verplichtingen.

6. Niet-beleidsartikelen

10 Nominaal en onvoorzien

Dit artikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Budgettaire gevolgen «Nominaal en Onvoorzien»

Bedragen x € 1000
10 Nominaal en OnvoorzienBegroting 2003Realisatie 2003
1. Verplichtingen10 8660
2. Uitgaven10 866 
• Loonbijstelling5 5260
• Prijsbijstelling5 1620
• Onvoorzien1780

Toelichting

De restanten loon- en prijsbijstelling 2002, die in de begroting 2003 zijn opgenomen,zijn toegedeeld naar de relevante artikelen. De in 2003 toegekende loon- en prijsbijstelling is eveneens toegedeeld naar de relevante artikelen en daardoor niet zichtbaar in de bovenstaande tabel.

11 Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma opgenomen dit niet vallen onder de voorgaande beleidsartikelen. Dit betreft: de apparaatsuitgaven van staf- en andere directies van het departement, uitgaven in het kader van actieplan emancipatie, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen.

Grafiek 11: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2003 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29540-30-13.gif

Budgettaire gevolgen «Algemeen»

Bedragen x € 1000
11 AlgemeenBegroting 2003Realisatie 2003
1. Verplichtingen189 826*287 051
2. Uitgaven189 958*287 320
   
2.1 Apparaatsuitgaven148 121*238 376
U 11.21 Apparaat128 441*204 863
U 11.22 Baten-lastendienst19 68033 513
2.2 Programma uitgaven41 83748 944
U 11.11 Emancipatie221*60
U 11.13 Internationale contributies7 4357 471
U 11.14 Uitvoering van EU-maatregelen34 18141 413
   
3. Ontvangsten245 756389 150
M 11.14 Uitvoering EU-maatregelen235 684370 197
M 11.21 Apparaatsontvangsten10 07218 953

* In de stand begroting is het amendement Schreijer-Pierik (28 600 XIV, nr. 71), ten behoeve van agrarisch natuurbeheer en particulier natuurbeheer in de EHS, budgettair verwerkt.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003 
 Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaalGemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel1 40057,58 05421 54861,895 728
Materieel budget  67 193  109 135
Stelpost ombuiging SA 2002  – 19 294  0
Bijdrage aan Laser  19 680  33 513
Totaal apparaatsuitgaven  148 121  238 376

Toelichting apparaatsuitgaven

De personeelssterkte en -uitgaven hebben betrekking op de medewerkers van LNV die niet direct gerelateerd kunnen worden aan een beleidsartikel, zoals de stafdirecties, de regio- en projectdirecties, de directies Juridische Zaken en Internationale Zaken, het Expertisecentrum LNV (EC-LNV), de Dienst Basis Registratie (DBR) en de Dienst het LNV-Loket.

De toename van de gemiddelde sterkte kwam met name voort uit een aantal organisatorische verschuivingen. Dit betrof het onderbrengen van een I&R-unit afkomstig van de Gezondheidsdienst voor Dieren bij de DBR. Daarnaast is het LNV-Loket als zelfstandige eenheid vorm gegeven. De medewerkers van het LNV-Loket zijn afkomstig van diensten die in de begroting 2003 onder beleidsartikelen waren ondergebracht. Ook heeft de vermindering van de inhuur van externen geleid tot een eenmalige uitbreiding van het personeelsbestand voor ICT. Tenslotte is de loonbijstelling budgettair verwerkt.

Het materiele budget is in het begrotingsjaar dienovereenkomstig aangepast. Daarnaast is het apparaatsbudget verhoogd met de prijsbijstelling (een deel van 2002 en 2003). Op advies van de RGD zijn bouwkundige en beheersmatige voorzieningen bij de diverse LNV locaties aangebracht. Het betrof de kantoren van EC-LNV en de AID, alsmede het hoofdgebouw. Tenslotte zijn er extra uitgaven verricht ten behoeve van het adequaat functioneren van het ICT-complex van LNV.

De ombuigingen op het apparaatsbudget die volgden uit het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende I zijn in de begroting 2003 op een stelpost op artikel 11 geplaatst. Bij voorjaarsnota 2003 is deze stelpost gecompenseerd uit de apparaatsonderdelen van de diverse beleidsartikelen, alsmede het apparaatsbudget van artikel 11.

De mutatie van circa € 14 mln. bij het agentschap LASER betreft een aanvulling op het uitvoeringsbudget voor de uitvoering van nationale- en EU-maatregelen, alsmede het aflossen van een vordering.

Toelichting op de programma uitgaven

Emancipatie

In het kader van het diversiteitsbeleid zijn werkwijzen en thematieken ontwikkeld, waardoor mensen minder buiten gesloten worden en er meer appél op hun eigen verantwoordelijkheid kan worden gedaan. Dit heeft o.a. geresulteerd in een EC rapport:»Sociaal emotionele begeleiding en psychosociale hulpverlening bij dierziekte crises». Tevens zijn bijdragen geleverd aan de stimuleringsimpuls sociale infrastructuur en het project «New Neighbours».

Internationale contributies

Op dit artikelonderdeel zijn diverse contributieverplichtingen verantwoord die het ministerie van LNV voldoet uit hoofde van het Nederlands lidmaatschap van internationale organisaties die zich bewegen op het beleidsterrein van LNV. De contributie aan de FAO (Food and Agricultural Organisation) van de Verenigde Naties is veruit de grootste van de op dit artikelonderdeel verantwoorde internationale contributies. De FAO-contributie wordt toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), het cluster van buitenlanduitgaven en -ontvangsten op de rijksbegroting.

Uitvoering van EU maatregelen

Op dit artikelonderdeel worden uitgaven samenhangend met de uitvoering van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie verantwoord. Het gaat daarbij om interventiekosten, medebewindskosten en de uitgaven uit hoofde van de apurementprocedure. De hogere uitgaven houden met name verband met hogere interventiekosten als gevolg van de sterk gestegen interventievoorraden. Daarnaast zijn hogere uitgaven gedaan voor apurement in verband met correcties rundveepremies 2002.

Administratieve lasten

In onderstaande tabel worden weergegeven de ondernomen acties die in 2003 hebben geleid tot een reductie (of toename) van administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De reductie in 2003 is uitgekomen op 8,4%, waarmee de streefwaarde van 6,25% ruimschoots bereikt is. Dit betreft een nadere uitwerking van het onderdeel administratieve lasten, zoals dat onder de beleidsbeschouwing is opgenomen.

DatumRegelingActieWijziging AL in €
01-01-03Bedrijfsregister I&R: Toename van gebruik managementpakketten in de sector. Deze gebruikers houden 30% tot 40% van de dieren en kunnen met het managementpakket eenmalige mutaties doorvoeren die voor zowel bedrijfsregister als database worden gebruikt. Sectorale ontwikkeling– 5 458 356
01-01-03Regeling verlaging forfaitaire productienormen voor enkele categoriën rundvee en geiten 2003Wijziging– 5 600 000
01-01-03Vrijstellingsregeling artikel 42a MeststoffenwetWijziging– 10 000 000
01-01-03Wijzigingsregeling reductie administratieve lasten mestregelgevingWijziging– 13 500 000
01-01-03Regeling erkenning monsternemers Meststoffenwet (publ. 23-12-2002, in werking per 01-01-2003)Wijziging– 308 200
01-01-03Regeling uitvoering heffingen en verrekening MeststeffenwetWijziging– 34 000
25–01-03Wijziging regeling varkensleveringenWijziging– 33 000
30–03-03Regeling electronische indiening GDI 2003Wijziging– 56 000
25-04-03Wijziging regelgeving preventie maatregelenWijziging– 325 000
24-05-03Wijziging Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000Wijziging+ 195 000
25-05-03Wijziging Regeling Invoer, uitvoer en verkeer van plantenWijziging– 175 000
03-07-03Wijziging Vrijstellingsregeling art. 2 Diergeneesmiddelenwet 1999Wijziging– 30 000
09-07-03Wijziging Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en gemedicineerde voedersWijziging+ 275 000
03-08-03Vrijstellingsregeling art.20 Besluit Erkenning tussenpersonen, mestverwerkers en exporteurs MeststoffenwetWijziging– 249 000
01-10-03Wijziging Regeling Registratie diergeneesmiddelen 1995Wijziging– 250 000
06-10-03Wijziging Hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 en tarieven Gezondheid en WelzijnswetWijziging+ 56 000
15-10-03Wijziging Zeedagenregeling 2003Wijziging+ 62 000
30-10-03Wijziging Regeling Landbouwgrond MeststoffenwetWijziging– 450 000
11-11-03Regeling administratieve verplichtingen meststoffenwetWijziging– 60 000
11-11-03Regeling Landbouwgrond MeststoffenwetWijziging– 348 000
25-12-03Wijziging Regeling RunderspermaWijziging– 5 520
 Totale wijziging in administratieve lasten – € 36 294 076
 Percentage wijziging t.o.v. de stand van 31/12/2002 (€ 430 miljoen) Minus 8,4%

Toelichting Ontvangsten

Uitvoering van EU-maatregelen

De ontvangsten op dit artikel hebben met name betrekking op de landbouwheffingen. Per saldo is € 115 mln. meer aan landbouwheffingen ontvangen, waarbij sprake is van een volume-effect. Voorts zijn op dit artikel de ontvangen vergoedingen van de EU, voor de uitvoering van EU-landbouwmaatregelen van het gemeenschappelijk landbouw beleid verantwoord.

Apparaatsontvangsten

Dit artikelonderdeel betreft de ontvangsten van door directies en diensten geleverde diensten en verrichte werkzaamheden. Per saldo is sprake van een hogere ontvangst van circa € 8 mln. Dit saldo is met name veroorzaakt door doorbelastingen van ICT-services aan ZBO's en agentschappen, detacheringsovereenkomsten, ouderbijdragen voor de kinderopvang en restitutie premiebetalingen.

7. Bedrijfsvoering

Belangrijke kwaliteitsverbeteringen binnen de bedrijfsvoering

In het najaar van 2002 is het Parlement geïnformeerd over de invulling van de taakstelling die is opgelegd door het Kabinet Balkenende I (Kamerstuk 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 3). In deze brief is gewezen op het belang van de vergroting van de efficiency en de stroomlijning van de bedrijfsvoeringsprocessen en de voornemens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op dit vlak. Onder het motto«slank en slagvaardig» is hiertoe de meerjarige operatie «LNV in verandering» in gang gezet. In 2003 zijn de eerste resultaten geboekt. De operatie heeft zowel betrekking op het beleid als op de LNV-organisatie.

In de eerste plaats is het LNV-beleid doorgelicht. Het doel was het aanscherpen van het zicht op de rol en de verantwoordelijkheid die LNV heeft voor verschillende maatschappelijk vraagstukken («need to act») en bovenal op welke wijze LNV de taakstellingen voor LNV kan realiseren. Ook is een gemengde commissie van bedrijfsleven en overheid ingesteld die adviseert over de wijze waarop LNV de administratieve lasten met tenminste 25% kan verminderen. Op basis van de doorlichting en de adviezen ten aanzien van de administratieve lasten zijn reeds of zullen nog (politieke) keuzes gemaakt moeten worden. Over de voortgang en nog te maken keuzes wordt het Parlement in het voorjaar van 2004 separaat geïnformeerd.

Daarnaast zijn in 2003 de mogelijkheden van de bundeling van ondersteunende functies (de zgn. PIOFAH-functies) verkend om door schaalvergroting verbetering van kwaliteit en efficiency te halen. Dit heeft binnen LNV per 1-1-2004 reeds geleid tot een bundeling van een aantal taken op het terrein van personeelsbeheer, dit als voorportaal voor het rijksbrede HRM-SSC.

Op het gebied van ICT heeft LNV in 2003 aanvullende maatregelen genomen. Zo is in 2003 gewerkt aan de voorbereiding van de oprichting van de Dienst ICT-uitvoering LNV waarin de uitvoerende taken op het gebied van ICT-Services, applicatieontwikkeling en applicatiebeheer binnen LNV gebundeld zullen worden. Tevens is een toetsingscommissie ingesteld die alle investeringsvoorstellen op het gebied van ICT toetst op de noodzaak van uitvoering op korte termijn, het hanteren van standaarden, het samenwerken met andere vergelijkbare trajecten en het presenteren van een sluitende business case. Mede aan de hand van het advies van toetsingscommissie wordt op departementaal niveau besloten over ICT-investeringen.

Ook heeft in 2003 op het organisatorische vlak een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden. Zo zijn de vijf regionale LNV-directies samengevoegd in één directie Regionale Zaken. Verder is het agentschapstraject van de Dienst Landelijk Gebied in 2003 afgerond. Daarnaast kan vermeld worden dat besloten is een aantal uitvoerende diensten van LNV samen te voegen in de Dienst Regelingen LNV i.o. (DRL i.o.). Over het agentschapstraject van de DRL i.o. is het Parlement reeds geïnformeerd (Kamerstuk 2003–2004, 29 246, nr. 3).

De impact van deze wijzigingen zal eerst in 2004 en volgende jaren volledig zijn beslag gaan krijgen. Gedurende 2003 is LNV er echter al in geslaagd een forse stap te zetten richting realisatie van de volumetaakstelling ten aanzien van de personele bezetting. Deze taakstelling komt voort uit het Strategisch Akkoord plus de aan het Parlement gemelde maatregelen van LNV. De realisatie is, onder andere door de ingestelde vacaturestop, uitgekomen op 327,5 fte.

Een andere belangrijke organisatorische verandering betreft de komst van de Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA). De VWA is met ingang van 27 mei 2003 beheersmatig onder de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV komen te vallen. In feitelijke zin heeft de overdracht van het personeel op 1 januari 2004 zijn beslag gekregen.

Terugblik op aandachtspunten LNV begroting 2003

In de LNV-begroting 2003 is ingegaan op de wijze waarop «Het referentiekader Mededeling over de bedrijfsvoering» van het Ministerie van Financiën binnen het Ministerie van LNV wordt geïmplementeerd en de rol van de bedrijfsvoeringsonderzoeken daarbij. Het doel van het referentiekader sluit aan bij één van de doelstellingen van de operatie «LNV in verandering», namelijk het versterken van de bedrijfsvoering.

De werking van het bestaande bedrijfsvoeringsinstrumentarium wordt versterkt door te focussen op de belangrijkste bedrijfsvoeringrisico's. Dit betekent dat alle bedrijfsprocessen niet over één kam kunnen worden geschoren. Het uitgangspunt is dat de werklast, onder andere veroorzaakt door de interne administratieve verplichtingen, in verhouding dient te staan tot de te beheersen risico's. Er wordt gestreefd naar maatwerk per bedrijfsproces. Dit is de reden dat is afgezien van het opstellen van één referentiekader bedrijfsvoering voor alle bedrijfsprocessen. Hiermee wordt het risico op het ontstaan van een afvinkcultuur ook verminderd.

Bovenstaande sluit aan bij het LNV-besturingsmodel waarbij het sturen op hoofdlijnen en integraal management centraal staan. De bestuursraad-LNV stelt de kaders voor de bedrijfsvoering. Hiertoe maakt de kwaliteit van de bedrijfsvoering onderdeel uit van de jaarplancyclus binnen LNV.

De Auditdienst (AD) levert een belangrijke bijdrage aan het versterken van de kwaliteit van de bedrijfsvoering. De AD voert volgens een vaste aanpak bedrijfsvoeringsonderzoeken uit naar het financieel en materiaal beheer bij directies en diensten van LNV (baseline-onderzoek). Daarnaast voert de AD onderzoeken uit op een aantal LNV-brede thema's, die jaarlijks op basis van een risicoafweging worden bijgesteld. Deze thema's betreffen belangrijke verbeterprogramma's en risico's binnen LNV. Besluitvorming over de programmering vindt plaats in het departementale auditcomittee. Deze bedrijfsvoeringsonderzoeken vormen voor de bestuursraad-LNV en de stafdirecties één van de instrumenten bij de invulling van hun verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering binnen LNV.

Aandachtspunten in de bedrijfsvoering

In 2002 vielen reeds het financieel en materieel beheer en de totstandkoming van de beleidsinformatie onder de reikwijdte van de mededeling over de bedrijfsvoering (MBV). Conform het in de begroting van 2003 geformuleerde groeitraject heeft de bedrijfsvoeringsparagraaf (voorheen MBV) in het jaarverslag 2003 ook betrekking op bijzondere aandachtspunten ten aanzien van personeelsmanagement, informatiebeheer en systemen van sturing en beheersing.

Systemen van sturing en beheersing

Wat betreft de systemen van sturing en beheersing worden binnen LNV drie systemen onderscheiden. Dit betreft:

• Management control systemen bij directies

• Departementale planning en control cyclus (jaarplan- en begrotingscyclus)

• Systematiek van aansturing van uitvoerende organisaties

Eén van de uitgangspunten in het LNV-besturingsmodel is het sturen op hoofdlijnen en resultaat. LNV hanteert het principe van integraal management. Dit houdt in dat tussen de bestuursraad-LNV en LNV-directeuren jaarlijks afspraken worden gemaakt over de concreet te behalen prestaties en de op langere termijn beoogde effecten. De jaarplan- en begrotingscyclus en de systematiek van aansturing van uitvoerende diensten vormen hiervoor het kader. De directeur van een directie/dienst is daarmee verantwoordelijk voor het «in control zijn» op de bedrijfsprocessen van het eigen organisatieonderdeel. Functionerende management control systemen zijn hiervoor onontbeerlijk.

Binnen LNV zijn de inspanningen vooral gericht op het verbeteren van de werking van de systemen. De opvatting van de bestuursraad-LNV is dat de bedrijfsvoeringsmaatregelen in verhouding dienen te staan tot het te beheersen risico. Voor het draagvlak is het van belang om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Verder is er aandacht voor het versterken van de sturingscultuur. Het gaat hierbij bijvoorbeeld over het aanscherpen van begrippen als goed opdrachtgever- en opdrachtnemerschap en het verder inhoud geven aan het thema resultaatverantwoordelijkheid. Hiertoe wordt in 2004 onder regie van de bestuursraad-LNV een verbeterprogramma doorgevoerd.

Voor wat betreft de aansturing van externe uitvoerende organisaties die niet tot de LNV-organisatie behoren, is blijvende aandacht nodig. Het gaat hier om zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's).

Sinds een aantal jaren is binnen LNV sprake van een verhoogde aandacht voor deze aansturingsrelaties. In december 2002 zijn door de bestuursraad LNV de afspraken ten aanzien van de sturing en toezicht van de uitvoering vastgelegd. De aansturende beleidsdirectie is primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitvoering. Het rijkstoezicht dat apart is gepositioneerd binnen LNV, voert systeemtoezicht uit op de sturingsrelatie en op de goede uitvoering van de publieke taken. In 2003 zijn de rijksbrede kaders rondom (Rijks)toezicht geïmplementeerd, met name op de onderwerpen van de scheiding van het beleid en het rijkstoezicht en de onafhankelijke positionering van het toezicht.

Financieel en materieel beheer

In het kader van de mededeling over de bedrijfsvoering zijn in het jaarverslag 2002 aandachtspunten geformuleerd op het terrein van het financieel en materieel beheer. Deze aandachtspunten waren:

1. Onderhoud en werking Administratieve Organisatie;

2. Kwaliteit van financiële informatie;

3. Kwaliteit van beleidsinformatie (prestatiegegevens);

4. Interne budgetdiscipline;

5. Beheer openstaande voorschotten;

6. Toezicht op de uitvoering van het Gemeenschappelijk regionaal structuurbeleid.

Ad punt 1 tot en met 4

Op alle bovengenoemde aandachtspunten zijn in 2003 verbeteracties ingezet. De punten 1 tot en met 4 behoeven geen bijzondere aandacht meer in 2004.

Ad 5. Beheer openstaande voorschotten

Het toezicht en beheer van lang openstaande voorschotten blijft in 2004 een bijzonder aandachtspunt. In 2003 is de volle aandacht gegeven aan de afwikkeling van openstaande voorschotten. De verwachting is dat in 2004 de openstaande voorschotten significant kunnen worden gereduceerd. Het merendeel van de openstaande voorschotten zal in de eerste helft van 2004 worden afgewikkeld. Een klein deel is in 2003 afgerond. Ter voorkoming van gelijksoortige situaties in de toekomst zijn de bestaande regels omtrent het voorschottenbeheer via een geïntegreerde departementale richtlijn aangescherpt.

Ad 6. Toezicht op de uitvoering van het Gemeenschappelijk regionaal structuurbeleid

De in het jaarverslag 2002 aangekondigde verbeteracties zijn gerealiseerd zodat er sprake is van een verbeterde beleidsmatige aansturing en coördinatie door het departement.

Het toezicht op de door de Europese Structuurfondsen medegefinancierde projecten blijft evenwel een bijzonder aandachtspunt. De reden hiervan is dat uit in 2003 ontvangen jaarrapportages van de provincies over de uitvoering van de regionale Europese programma's blijkt dat meer aandacht nodig is voor uitvoering en evaluatie van controles ter plaatse door een onafhankelijke auditor. Het gaat om de zogenoemde 5%-controle in de periode 2000–2006. LNV zal onder andere via de regionale Comité's van Toezicht dit aandachtspunt bewaken.

Implementatie wijzigingen GBCS-Verordening

Een nieuw aandachtspunt is de tijdige implementatie van wijzigingen in het geïntegreerde beheers- en controlesysteem (GBCS). In het kader van de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid heeft de Europese Commissie ultimo 2003 de eisen voor het beheer van aanvraaggegevens aangescherpt. LNV heeft de implementatie krachtig ingezet. Het implementatietraject is complex vanwege het nog ontbreken van nadere interpretatie door de Europese Commissie en de betrokkenheid van meerdere betaalorganen. De verplichte korte implementatietijd (per 1 januari 2005) maakt dit een bijzonder punt van aandacht. Een daartoe speciaal ingesteld departementaal begeleidingsteam volgt deze implementatie.

Informatiebeheer

Op het gebied van Informatiebeveiliging is in 2003 een aantal lacunes geconstateerd. Er zijn passende maatregelen genomen die in 2004 voor aanzienlijke verbeteringen gaan zorgen.

Personeelsmanagement

Zoals eerder gemeld, ligt LNV goed op schema bij de realisatie van de volumetaakstelling ten aanzien van de personele bezetting. Gezien de feitelijke aanvragen voor gebruik van de FPU+-regeling, zal dat naar verwachting ook in 2004 zo blijven. Er is voor 2004 een subtiel evenwicht gewenst tussen het nog handhaven van een vacaturestop, instroom waar noodzakelijk en interne mobiliteit. Er is een bureau voor de begeleiding van herplaatsingskandidaten in het leven geroepen om boventalligen weer zo snel mogelijk aan het werk te helpen. De FPU+-uitstroom en de vacaturestop zullen leiden tot een wat meer in het middengebied samengebalde leeftijdsopbouw van het personeelsbestand. De komende jaren zal, bij de te verwachten verminderde uitstroom ná de FPU+periode, extra inspanning nodig zijn om toch een voldoende aanwas van jongere medewerkers te kunnen realiseren.

C. JAARREKENING

8. Verantwoordingsstaten

8.1 De verantwoordingsstaat van het Ministerie van LNV

Departementale verantwoordingsstaat 2003 van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (XIV)Bedragen in € 1 000
 (1)(2)(3) 
ArtOmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  VerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangsten
 TOTAAL1 822 9802 061 305616 8692 531 4882 454 235693 072708 508392 93076 203
           
 Beleidsartikelen1 622 2881 860 481371 1132 244 4372 166 915303 922622 149306 434– 67 191
1Versterking landelijk gebied231 183299 57284 563275 250320 91490 09144 06721 3425 528
2Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)156 964152 6696 258184 672195 53041 00427 70842 86134 746
3Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)141 329139 78514 583174 662135 2698 14633 333– 4 516– 6 437
4Economisch perspectiefvolle agroketens68 32767 1013 94999 22082 61916 69530 89315 51812 746
5Bevorderen duurzame productie139 283315 036201 875156 916211 48080 62417 633– 103 556– 121 251
6Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid90 41890 41838 077424 698419 35649 912334 280328 93811 835
7Kennisontwikkeling en innovatie311 051312 17121 581343 756316 09816 17132 7053 927– 5 410
8Kennisvoorziening391 191391 191182513 614423 230339122 42332 039157
9Kennisverspreiding92 54292 5384571 64962 419940– 20 893– 30 119895
           
 Niet-beleidsartikelen200 692200 824245 756287 0 51287 320389 15086 35986 496143 394
10Nominaal en onvoorzien10 86610 866    – 10 866– 10 8660
11Algemeen189 826189 958245 756287 051287 320389 15097 22597 362143 394

8.2 De samenvattende verantwoordingsstaat van de agentschappen

Samenvattende verantwoordingsstaat 2003 inzake agentschappen van het Ministerievan Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV)Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijke vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Agentschap Bureau Heffingen   
Totale baten43 87746 6422 765
Totale lasten43 87744 702825
Saldo van baten en lasten01 9401 940
    
Totale kapitaalontvangsten6 8002 202– 4 598
Totale kapitaaluitgaven12 3768 691– 3 685
    
Agentschap LASER   
Totale baten43 73276 87933 147
Totale lasten43 73279 43735 705
Saldo van baten en lasten0– 2 558– 2 558
    
Totale kapitaalontvangsten5 0136 5781 565
Totale kapitaaluitgaven8 2635 910– 2 353
    
Agentschap Plantenziektenkundige Dienst   
Totale baten24 02328 5274 504
Totale lasten24 02327 9643 941
Saldo van baten en lasten0563563
    
Totale kapitaalontvangsten1 1343 5312 397
Totale kapitaaluitgaven2 0382 257219
    
VWA/Centrale Eenheid*   
Totale baten14 25814 421163
Totale lasten14 25813 593– 665
Saldo van baten en lasten0828828
    
Totale kapitaalontvangsten8 5008 107– 393
Totale kapitaaluitgaven8 9508 295– 655
    
VWA/Keuringsdienst van Waren   
Totale baten69 86975 3845 515
Totale lasten70 00477 0447 040
Saldo van baten en lasten– 135– 1 660– 1 525
    
Totale kapitaalontvangsten3 1767 6514 475
Totale kapitaaluitgaven6 94612 4555 509
    
Agentschap Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees**   
Totale baten106 782116 6939 911
Totale lasten106 782118 27611 494
Saldo van baten en lasten0– 1 583– 1 583
    
Totale kapitaalontvangsten8 870840– 8 030
Totale kapitaaluitgaven11 855910– 10 945

* De stand «Oorspronkelijk vastgestelde begroting» betreft voor de VWA/CE de stand zoals is opgenomen in/vastgesteld met de 1e suppletore begroting 2003.

** De stand «Oorspronkelijk vastgestelde begroting betreft voor de VWA/RVV de stand zoals is opgenomen in/vastgesteld met de LNV-begroting 2003.

9. Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten

9.1 Toelichting bij de beleidsartikelen

01 Versterking landelijk Gebied

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN275 250231 183+ 44 067
UITGAVEN320 914299 572+ 21 342
Programma-uitgaven245 902251 638– 5 736
U0111 Gebiedenbeleid93 37578 932+ 14 443
U0112 Reconstructie varkenshouderij/kwaliteitsimpuls zandgebieden4 37110 176– 5 805
U0113 Landelijk Natuur65 36880 275– 14 907
U0114 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»45 29942 930+ 2 369
U0115 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied35 53537 179– 1 644
U0116 Internationaal natuurlijk1 9542 146– 192
Apparaatsuitgaven75 01247 934+ 27 078
U0121 Apparaat71 58046 817+ 24 763
U0122 Agentschappen3 4321 117+ 2 315
    
ONTVANGSTEN90 09184 563+ 5 528

Het hoger bedrag aan aangegane verplichtingen houdt o.m. verband met extra aangegane verplichtingen ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB), waarvoor verplichtingenruimte beschikbaar is gesteld door de Ministeries van VROM en V&W.

De hogere uitgaven op operationele doelstelling U0111 hangen samen met extra uitgaven ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB). Voorts is namens de ministeries van VROM en EZ is een bijdrage vergoed aan de gemeente Groningen voor de afkoop van stadsmeierrechten voor de herinrichtingwet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

De lagere uitgaven op doelstelling U0113 houden onder meer verband met het feit dat de uitgaven ten behoeve van de kwaliteitsimpuls landschap in de loop van 2003 zijn stopgezet en minder uitgaven voor weidevogelbeheer.

Het hogere realisatiebedrag bij de apparaatsuitgaven houdt o.m. verband met extra uitvoeringskosten door de Dienst Landelijk Gebied op het gebied van Reconstructie en de uitvoering van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid. Voorts zijn extra uitgaven gedaan voor derden waartegenover ook hogere ontvangsten zijn gerealiseerd.

02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN184 672156 964+ 27 708
Waarvan garantieverplichtingen9 0769 0760
UITGAVEN195 530152 669+ 42 861
Programma-uitgaven174 239141 177+ 33 062
U0211 Verwerving droge EHS135 232101 565+ 33 667
U0212 Verwerving natte EHS5 3602 692+ 2 668
U0213 Inrichting droge EHS27 38628 404– 1 018
U0214 Inrichting natte EHS6 2618 516– 2 255
Apparaatsuitgaven21 29111 492+ 9 799
U0221 Apparaat19 22610 831+ 8 395
U0122 Agentschappen2 065661+ 1 404
    
ONTVANGSTEN41 0046 258+ 34 746

Op het budget voor Verwerving droge EHS zijn in de loop van het jaar middelen toegevoegd ad € 44 mln. voor 2003 ten laste van latere jaren ter compensatie van de ombuiging uit het Hoofdlijnenakkoord van € 70 mln. Dit verklaart de hogere uitgaven op U0211. Uiteindelijk is ca. € 10 mln. onbesteed gebleven.

De hogere uitgaven bij het onderdeel Apparaat houden met name verband met extra uitgaven bij de Dienst Landelijk Gebied. Behalve voor hogere uitvoeringskosten zijn tevens vanuit de programma-onderdelen middelen beschikbaar gesteld om het budget van DLG in overeenstemming te brengen met het offerte-bedrag voor 2003. Tevens zijn de uitvoeringskosten bij de baten-lastendienst LASER hoger uitgevallen als gevolg van meer werkzaamheden op het gebied van subsidietoezeggingen.

De hogere realisatie bij de ontvangsten worden onder meer veroorzaakt door een vertraagde ontvangst uit het Groenfonds voor het realiseren van natte natuurprojecten. Dit bedrag is in 2003 ontvangen i.p.v. 2002. De uitgaven voor deze projecten zijn wel in 2002 gedaan. Voorts zijn meer EU-gelden ontvangen in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan voor verwerving.

03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN174 662141 329+ 33 333
UITGAVEN135 269139 785– 4 516
Programma-uitgaven120 169127 829– 7 660
U0311 Beheer van de EHS120 169127 829– 7 660
Apparaatsuitgaven15 10011 956+ 3 144
U0321 Apparaat5 7915 582+ 209
U0322 Agentschappen9 3096 374+ 2 935
    
ONTVANGSTEN8 14614 583– 6 437

Het hogere bedrag aan gerealiseerde verplichtingen heeft betrekking op in 2003 reeds aangegane verplichtingen voor het tijdig kunnen realiseren van de uitgaven in 2004 in het kader van de beleidsintensivering uit het Hoofdlijnenakkoord.

De lagere uitgaven bij Programma Beheer houden verband met het feit dat in het begroting een bedrag vabn € 12 mln. is verwerkt op grond van het amendement Schreijer-Pierik. Hiervan komt € 10 mln. echter in latere jaren tot betaling.

De hogere realisatie bij de apparaatsuitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door extra uitvoeringskosten bij de baten-lastendienst LASER voor beschikkingen ten behoeve van regelingen ressorterend onder het subsidiestelsel «Programma Beheer».

De lagere ontvangstenrealisatie wordt veroorzaakt door minder EU-bijdragen in het kader van het Plattelands Ontwikkelingsplan. De EU is alleen bereid een bijdrage te verstrekken indien er sprake is van een 1 op 1 subsidierelatie. De onderhavige beheerssubsidies worden echter voor een deel aan de agrarische natuurverenigingen verstrekt en daarna pas verdeeld onder de agrariërs. Tegenover deze lagere ontvangstenrealisatie staan hogere EU-ontvangsten bij beleidsartikel 2.

04 Economische perspectiefvolle agroketens

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN99 22068 32730 893
UITGAVEN82 61967 10115 518
Programma-uitgaven52 49142 28410 207
U0411 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex6 6776 237440
U0412 Herstructurering (melk)veehouderij18 4515 05213 399
U0413 Herstructurering glastuinbouw16 84625 495– 8 649
U0414 Herstructurering visserij10 5175 5005 017
Apparaatsuitgaven30 12824 8175 311
U0421 Apparaat19 62520 816– 1 191
U0422 Baten-lastendienst10 5034 0016 502
    
ONTVANGSTEN16 6953 94912 746

De hogere verplichtingen zijn voor € 15 mln. toe te schrijven aan de Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (STIDUG). Deze verplichtingen waren voorzien voor 2002, maar zijn door de late openstelling in 2002 pas in 2003 aangegaan.

De hogere uitgaven laten zich voor € 8,3 mln. verklaren door de uitfinanciering van de eerste tranche van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) en het Sociaal Economisch Plan (SEP)/Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV). Deze middelen waren niet begroot en zijn ter beschikking gesteld vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S-fonds) voor de Landbouw. Daarnaast is in 2003 vanuit de begroting van het Ministerie van VROM € 6,8 mln. beschikbaar gesteld ten behoeve van de extensiveringsprojecten en de experimenten knelgevallen intensieve veehouderij. Deze middelen zijn gestort in het O&S fonds voor de Landbouw en zullen in latere jaren voor dat doel worden ingezet. Op het terrein van de herstructurering glastuinbouw is ruim € 8 mln. minder uitgegeven, voornamelijk veroorzaakt doordat de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG) niet in 2003 is opengesteld. Vanuit de brandstofcompensatiemiddelen voor de visserijsector is € 3 mln. gestort in het Ontwikkelings- en Saneringsfonds (O&S fonds) voor de Visserij. Deze middelen zullen in latere jaren worden ingezet voor onder meer vlootstructuurbeleid en capaciteitsvermindering. De hogere uitgaven baten-lastendienst worden toegeschreven aan een hogere bijdrage aan LASER.

05 Bevorderen duurzame productie

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN156 916139 28317 633
UITGAVEN211 480315 036– 103 556
Programma-uitgaven113 143224 707– 111 564
U0511 Bevorderen biologische landbouw10 05713 314– 3 257
U0512 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen83 823182 708– 98 885
U0513 Een duurzamer gewasbeschermingspraktijk2 7886 599– 3 811
U0514 Verbeteren dierenwelzijn7 1921 2015 991
U0515 Herstructurering visserij9 28320 885– 11 602
    
Apparaatsuitgaven98 33790 3298 008
U0521 Apparaat32 17233 099– 927
U0522 Baten-lastendienst66 16557 2308 935
    
Ontvangsten80 624201 875– 121 251

Van de hogere verplichtingen in 2003 heeft € 6 mln. betrekking op het Uitvoeringsprogramma Innovatie Landbouw Noord-Nederland (vernieuwing en versterking van de landbouw in de noordelijke provincies), en € 9 mln. op het Noodfonds Vogelpest, waarvan € 6 mln. voor de garantstelling door LNV.

De lagere uitgaven zijn bijna geheel toe te schrijven aan de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). In de begroting 2003 was rekening gehouden met de gehele uitfinanciering van de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Uiteindelijk is in 2003 ca. € 112 mln. minder betaald. In 2004 wordt het restant van de 2e tranche betaald. Tegenover de lagere uitgaven staan lagere ontvangsten uit het O&S-fonds voor de Landbouw. Daarnaast is sprake geweest van hogere uitvoeringskosten (Bureau Heffingen).

De lagere uitgaven Bevorderen biologische landbouw worden grotendeels veroorzaakt door een lagere uitfinanciering van de Regeling Stimulering Biologische Productiemethode (RSBP), doordat een aantal bedrijven is gestopt, alsmede een vertraging in de uitfinanciering van de Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV).

Als gevolg van het in 2003 door de overheid en maatschappelijke organisaties ondertekende «Afsprakenkader Gewasbeschermingsbeleid» zijn er in 2003 minder uitgaven gedaan met betrekking tot het gewasbeschermingsbeleid. Van de bijdrage in 2003 aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) is voor € 1,1 mln. bijgedragen door de ministeries van SZW, VROM en VWS. In de loop van 2003 zijn onder «Verbeteren dierenwelzijn» de uitgaven ondergebracht voor het Noodfonds Vogelpest en het Sociaal Economisch Plan Pluimveehouderij.

Een deel van de uitgaven (€ 5 mln.) ten behoeve van de sanering van vaartuigen en de opkoop van licenties was in de begroting op dit artikel geraamd, maar is uiteindelijk verantwoord op artikel 4. Als gevolg van het uitstellen van de verzelfstandiging van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) zijn de ontvangsten en uitgaven (€ 5,6 mln.) met betrekking tot visakten niet in 2003 gerealiseerd.

De hogere uitgaven baten-lastendienst worden toegeschreven aan hogere bijdragen aan LASER en de PD.

06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN424 69890 418334 280
Waarvan garantieverplichtingen   
UITGAVEN419 35690 418328 938
Programma-uitgaven360 09761 681298 416
U0611 Bewaking en verhoging van het diergezondheidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten304 26225 192279 070
U0612 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselkwaliteit55 83536 48919 346
    
Apparaatsuitgaven59 25928 73730 522
U0621 Apparaat33 85619 05514 801
U0622 Agentschappen25 4039 68215 721
    
ONTVANGSTEN49 91238 07711 835

De kosten voor Vogelpest (AI) zijn uitgekomen op € 259,9 mln. Hiervoor waren geen uitgaven begroot. Deze uitgaven zijn grotendeels aan het DGF toegevoegd.

Daarnaast is € 24,1 mln. aan uitgaven gedaan met betrekking tot de schikking fokverbod Klassieke Varkenspest (KVP). Aanleiding hiervoor is het onverbindend verklaren van de Regeling fokverbod II 1997 door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB). De overheid treft nu schikkingen met de veehouders die de Staat aansprakelijk hebben gesteld voor de geleden schade.

De uitgaven voor destructie hebben € 33,6 mln. bedragen. De uitgaven hadden betrekking op het volgende:

– In 2003 bedroeg de overheidsbijdrage voor het ophalen en verwerken van kadavers over 2003 en restantbetalingen over 2002, volgend uit de definitieve eindafrekening, € 18,5 mln.

– Daarnaast is voor € 9,3 mln. aan uitgaven gedaan in verband met het plan van aanpak diermeel en de kosten van het verwerken van kadavers 1e kwartaal 2001. Hiervoor was nog een bedrag van € 6,2 mln. beschikbaar in het DGF.

– Verder zijn nagekomen kosten van o.a. BSE-testen 2001 betaald voor in totaal € 1,3 mln.

– Tenslotte is een uitgave van € 4,5 mln., inzake het ophalen en verwerken van kadavers, niet ten laste van 2002 maar ten laste van 2003 gekomen.

De hogere apparaatsuitgaven hebben enerzijds te maken met de hogere personele kosten in verband met de AI crisis. Anderzijds is in verband met de terugkomst van de VWA/CE € 14,9 mln. uitgegeven. Hiervoor was geen budget in de begroting opgenomen.

Met name de door LNV overgenomen taken m.b.t. I&R van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en de productschappen (PVE) hebben tot hogere ontvangsten geleid van € 9,7 mln.

07 Kennisontwikkeling en innovatie

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN343 756311 05132 705
UITGAVEN316 098312 1713 927
Programma-uitgaven309 869306 4503 419
U0713 Kennisbasis118 067112 3165 751
U0714 Beleidsondersteunend onderzoek158 552158 081471
U0715 Wettelijke onderzoekstaken33 25036 053– 2 803
    
Apparaatsuitgaven6 2295 721508
U0721 Apparaat6 2295 721508
    
ONTVANGSTEN16 17121 581– 5 410

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Hogere uitgaven dan geraamd in de begroting 2003 zijn grotendeels het gevolg van aan dit artikel toegevoegde loon- en prijsbijstelling € 3,4 mln.

De hogere verplichtingen zijn een gevolg van het opnieuw vastleggen van een deel van de DLO-bijdrage 2003. Deze technische mutatie was nodig vanwege de wijziging in de budgetstructuur ingaande 2003 waarbij de bijdrage DLO is toegedeeld aan drie artikelonderdelen.

08 Kennisvoorziening

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN513 614391 191122 423
UITGAVEN423 230391 19132 039
Programma-uitgaven423 230391 19132 039
U0811 Voorzieningen groen onderwijs423 230391 19132 039
    
ONTVANGSTEN339182157

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Hogere uitgaven dan geraamd in de begroting 2003 zijn met name het gevolg van:

• Loon- en prijsbijstelling € 12,5 mln.

• Arbeidsmarktbeleid (van Rijngelden) € 10,0 mln.

• Stijging van te bekostigen prestaties ten opzichte van begrotingsstand € 9,5 mln.

• Het doorvoeren van het amendement Atsma/Mosterd voor het hoger onderwijs € 2,3 mln.

Hogere verplichtingen dan geraamd in de begroting 2003 zijn met name het gevolg van:

• In 2003 was extra verplichtingenbudget nodig omdat de verplichting voor de rijksbijdrage 2003 hoger beroepsonderwijs niet in 2002 is aangegaan omdat de daarvoor benodigde bekostigingsinformatie van het ministerie van OCenW pas begin 2003 beschikbaar kwam. Daarom zijn in 2003 de verplichtingen voor de rijksbijdragen hoger beroepsonderwijs voor zowel 2003 als 2004 vastgelegd (€ 50,0 mln)

• Loon- en prijsbijstelling € 25,5 mln.

• Arbeidsmarktbeleid («van Rijngelden») € 21,4 mln.

• Het vastleggen van de verplichtingen voor de normatieve bekostiging IPC's geschiedt met ingang van 2003 ten laste van artikel 8 € 10,3 mln.

• Stijging van te bekostigen prestaties ten opzichte van de begrotingsstand € 10 mln.

• Het doorvoeren van het amendement Atsma/Mosterd voor het hoger onderwijs € 4,6 mln.

09 Kennisverspreiding

 Realisatie 2003Vastgestelde begroting 2003Verschil
VERPLICHTINGEN71 64992 542– 20 893
UITGAVEN62 41992 538– 30 119
Programma-uitgaven62 01192 258– 30 247
U0916 Vakdepartementaal onderwijsbeleid36 00144 886– 8 885
U0917 Algemeen onderwijsbeleid19 58333 254– 13 671
U0918 Voorlichting6 42714 118– 7 691
    
Apparaatsuitgaven408280128
U0922 Agentschappen408280128
    
ONTVANGSTEN94045895

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Lagere verplichtingen en uitgaven dan geraamd in de begroting 2003 zijn het gevolg van:

• Loonbijstelling € 2,6 mln.

• Voor de budgettaire verwerking van de aanvullende besluiten genoemd in de brief aan de TK over de LNV-begroting (TK 28 600 XIV, nr. 112) is het budget verlaagd met € 14,3 mln.

• Overheveling middelen arbeidsmarktbeleid («van Rijngelden») -/€ 10,0 mln.

• Dekking bijstelling rijksbijdragen Voortgezet Onderwijs en de Wageningen Universiteit -/- € 6,8 mln.

Gerealiseerde ontvangsten waren hoger dan begroot. Van OCW werden bedragen ontvangen in het kader van regelingen algemeen onderwijsbeleid. Ook in het kader van eindafrekening werden extra ontvangsten gerealiseerd.

9.2 Toelichting bij de niet-beleidsartikelen

10 Nominaal en onvoorzien

 RealisatieBegrotingVerschil
1. Verplichtingen010 866– 10 866
2. Uitgaven 10 866– 10 866
• Loonbijstelling05 526– 5 526
• Prijsbijstelling05 162– 5 162
• Onvoorzien0178– 178

In het jaar 2003 is het restant van de loon- en prijsbijstelling 2002 alsmede de loonbijstellingstrance 2003 voor een totaal bedrag van € 46 mln. toegedeeld naar de relevante artikelen.

In het jaar 2003 is het toegewezen bedrag prijsbijstelling 2003 van circa € 6 mln., zijnde 40% van de totale prijsbijstellingstranche 2003, toegedeeld naar de relevante artikelen.

11 Algemeen

 RealisatieBegrotingVerschil
1. Verplichtingen287 051189 826*97 225
2. Uitgaven287 320189 958*97 362
    
2.1 Apparaatsuitgaven238 376148 121*90 255
U 11.21 Apparaat204 863128 441*76 422
U 11.22 Baten-lastendienst33 51319 68013 833
2.2 Programma uitgaven48 94441 8377 107
U 11.11 Emancipatie60221*– 161
U 11.13 Internationale contributies7 4717 43536
U 11.14 Uitvoering van EU-maatregelen41 41334 1817 232
    
3. Ontvangsten389 150245 756143 394
M 11.14 Uitvoering EU-maatregelen370 197235 684134 513
M 11.21 Apparaatsontvangsten18 95310 0728 881

* In de stand begroting is het amendement Schreijer-Pierik (28 600 XIV, nr. 71) budgettair verwerkt.

Ten opzichte van de begroting 2003 is sprake van € 97 mln. hogere uitgaven op dit artikel, waarvan € 90 mln. hogere apparaatsuitgaven en € 7 mln. hogere programma uitgaven.

10 Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat van de agentschappen

Bureau Heffingen

Algemeen

Bureau Heffingen (BHf) is een agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, dat belast is met de uitvoering van wet- en regelgeving op het gebied van het mestbeleid. BHf wil als uitvoeringsorganisatie de logische schakel zijn tussen beleid en doelgroepen en gaat voor een effectieve uitvoering van beleid. Opdrachtgevers mogen rekenen op een efficiënte wijze van uitvoering van de wet- en regelgeving, doelgroepen mogen rekenen op een klantgerichte service. In het type werk van BHf zijn twee belangrijke componenten te onderscheiden:

• Het omzetten van wet- en regelgeving in administratieve processen;

• Het registreren en beoordelen van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van die wet- en regelgeving.

Ter ondersteuning van de uitvoering van het mestbeleid is in de loop der jaren een aantal instrumenten ingezet. Door middel van de inzet van het instrument Rechten is beoogd een plafond aan te brengen in het houden van dieren (via mestproductie-, varkens- en pluimveerechten). Mineralen Aangiftesysteem (Minas)kijkt naar het totale mineralenmanagement van het boerenbedrijf. Het systeem werd in 1998 ingevoerd. Aan de ene kant wordt geregistreerd hoeveel mineralen de boer aanvoert (voer en kunstmest) en aan andere kant wordt gemeten hoeveel er weer uitgaat (mest, dieren en producten). Om de norm van 50 mg nitraat per liter grondwater te kunnen halen, heeft de regering in 2002 het stelsel van mestafzetovereenkomsten (MAO) ingevoerd. Iedere veehouder dient door middel van een mestafzetovereenkomst aan te geven hoe de afvoer van mest is geregeld. Voor het stelsel van mestafzetovereenkomsten houdt Nederland twee normen aan: op een hectare landbouwgrond mag 170 kg stikstof afgezet worden en op grasland 250 kg stikstof (normen 2003). Naast de uitvoering van de drie genoemde stelsels had BHf in 2003 nog een aantal andere taken in haar werkpakket. Deze taken bestonden uit:

• Uitvoering van de Wet herstructurering varkenshouderijen;

• Opkoopregeling varkensrechten en de Regeling beëindiging veehouderijtakken;

• Uitvoeren van de Regeling administratieve voorschriften bestrijdingsmiddelen;

• Financiering identificatie en registratie (FIER)

• Leveren van inbreng bij vormgeving van het nieuwe mestbeleid en de totstandkoming van regelgeving en het verschaffen van gegevens ter beoordeling van de effectiviteit van het gevoerde beleid.

Daarnaast zijn er inspanningen geleverd ten aanzien van de volgende ontwikkelingen:

– Vermindering van de administratieve lastendruk

Bhf heeft in haar plan «Vermindering administratieve lastendruk: hoe nu verder» aangegeven hoe zij wil komen tot vermindering van de administratieve lastendruk. Hiervoor zijn aanpassingen in de weten regelgeving nodig. In 2003 is een aantal ontwikkelingen afgerond danwel ingezet om de lastendruk te verlagen:

Project Nieuw mestbeleid: Het project Nieuw mestbeleid ondersteunt de vorming van het nieuwe Mestbeleid. Dit beleid is gericht zijn op verlaging van de uitvoering- en administratieve lasten. BHf speelt hierin een belangrijke rol, als partner in beleid

Project Automatische Gegevens Registratie (AGR): Doel van het project (afgerond per 1 maart 2003) was de verbetering op het gebied van mesttransporten. Uit de quick-scan van het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) blijkt dat het nieuwe vervoersbewijs de administratieve lasten voor de sector heeft verlaagd met een bedrag tussen de € 2,5 en 4,0 miljoen.

– Klantgerichtheid in ons uitvoeringsproces

Klantgerichtheid staat bij BHf hoog op de agenda. In 2003 zijn enkele initiatieven genomen waardoor Bhf de klant beter van dienst kan zijn. (Pilot)project Integrale dossier afhandeling: Bij de uitvoering van de regelgeving wordt in de processen de relatie met de boer centraal gesteld. Daarom is op basis van het rapport «Op weg naar een integrale klantafhandeling» een pilot opgezet waarin de klant één aanspreekpunt heeft voor zijn dossier. Zo kan de klant efficiënter worden geholpen. Project Administratieve Lastenverlichting MINAS: In september 2002 is met veertien boeren een pilot gestart. Via internet kregen de boeren inzicht in hun eigen gegevens. Daarnaast kregen zij de mogelijkheid de MINAS-aangifte volledig elektronisch in te sturen. Uit de gehouden evaluaties blijkt dat alle betrokken partijen tevreden zijn over de behaalde resultaten.

– Uniformering van de werkprocessen

De veranderingen binnen en buiten BHf hebben ertoe geleid dat de werkprocessen tegen het licht zijn gehouden. In 2003 zijn de nieuwe processen ingericht volgens het nieuwe bedrijfsmodel, dat in 2002 is ontwikkeld. Hetzelfde geldt voor de bestaande processen die in 2003 zijn gewijzigd. In het project Dataprotocol is een standaard ontwikkeld en opgeleverd om elektronisch gegevens uit te wisselen met onze klanten. Het protocol is een transportmechanisme dat los staat van de inhoudelijke werkprocessen. Het Dataprotocol is in eerste instantie ingezet om digitaal vervoersbewijzen te kunnen versturen. Mesttransporteurs hebben massaal van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Daarnaast zijn diverse laboratoria en veevoederleveranciers geïnteresseerd in de mogelijkheid om elektronisch gegevens aan te kunnen leveren.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De waardering en resultaatbepaling hebben plaats gevonden met inachtneming van de algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan perioden, continuïteit en bestendige gedragslijn. Voor zover niet anders vermeld, zijn de activa en passiva verantwoord tegen nominale waarde.

Vaste Activa

Waardering geschiedt inclusief BTW.

De immateriële en materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. Afschrijvingen vinden plaats op basis van de geschatte gebruiksduur waarbij de restwaarde is gesteld op nul.

Resultaat

De resultaten zijn berekend op basis van aanschaffingsprijs, waarbij de baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de normale bedrijfsvoering.

Beheerscommissie

Bureau Heffingen voert namens de gezamenlijke inwonende rijksdiensten (Beheerscommissie) het materiële en financiële beheer over het Rijkskantorencomplex Mandemaat 3. De hieruit voortvloeiende vorderingen en schulden zijn in de balans van Bureau Heffingen opgenomen. Bureau Heffingen heeft in dit kader feitelijk een kassiersfunctie. Namens de Beheerscommissie is in de afgelopen jaren inventaris aangeschaft. Deze inventaris is op de balans van Bureau Heffingen geactiveerd voor dat gedeelte waarvoor Bureau Heffingen ten tijde van de aanschaf gebruiker was van het Rijkskantorencomplex, en derhalve betaalde.

Balans per 31 december 2003

Bedragen x € 1000
 31-dec-0331-dec-02
Activa  
Immateriële vaste activa  
* ontwikkeling maatwerk software2 5505 296
* ontwerp formulieren1495
* standaardsoftware409300
Materiële vaste activa  
* verbouwingen1 4331 779
* installaties en inventaris1 1871 741
* hardware2 1311 872
Debiteuren1134 027
Overige vorderingen en overlopende activa203611
Liquide middelen10 1347 688
Totaal activa18 17423 409
   
Passiva  
Eigen vermogen  
* algemene reserve1 8311 276
* saldo exploitatie boekjaar1 9402 218
Langlopende schulden  
* lening Ministerie van Financiën4 4216 335
Voorzieningen00
Kortlopende schulden  
* aflossingsverplichtingen < 1 jaar4 1165 061
* crediteuren1 1622 027
* overige schulden en overlopende passiva4 7046 492
Totaal passiva18 17423 409

Toelichting

Vaste activa

De vaste activa bestaan uit activa die gedurende meerdere jaren een bijdrage leveren aan het «productieproces» bij Bureau Heffingen en dientengevolge een bijdrage leveren aan toekomstige opbrengsten van Bureau Heffingen.

De afname in de activa is ontstaan door per saldo lagere investeringen ten opzichte van de afschrijvingen. Er is vnl. geïnvesteerd in hardware en pc 's (€ 1,6 mln.) alsmede in standaard software (€ 0,3 mln.).

De investeringen in hardware betreffen met name de investering in de uitbreiding van file servers (€ 0,4 mln.) en in de renovatie van het computercentrum (€ 0,2 mln.). De investeringen in pc 's bestaan uit de overgenomen Compaq pc 's door de afkoop van leasecontracten (€ 0,6 mln.) en de investering in nieuwe pc 's (€ 0,2 mln.). De investeringen in standaard software bestaan met name uit servicemanagement software, MS project licenties en software voor open VMS en Windows (€ 0,3 mln.).

Investeringen

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Immateriele vaste activa   
Ontwikkeling maatwerk software3 59391– 3 502
Ontwerp formulieren2600– 260
Standaard software334282– 52
Subtotaal4 187373– 3 814
    
Materiele vaste activa   
Verbouwingen880– 57– 937
Installaties en inventaris62423– 601
Hardware1 1091 628519
Subtotaal2 6131 594– 1 019
    
Totaal investeringen6 8001 967– 4 833

In 2003 is minder geïnvesteerd dan gepland. Dit houdt verband met het instellen van de Dienst Regelingen.

Immateriële vaste activa

Bedragen x € 1000
 ontwikkeling maatwerk softwareontwerp formulierenstandaard softwareTotaal
Aanschafwaarde17 2961 41793419 647
Cumulatieve afschrijvingen120001 32263413 956
Boekwaarde per 31 dec 20025 296953005 691
     
Mutaties 2003:    
Bij: investeringen910282373
Af: boekwaarde desinvesteringen0000
Afschrijvingen2 837811733 091
Totale mutaties– 2 746– 81109– 2 718
     
Aanschafwaarde17 3871 4171 21620 020
Cumulatieve afschrijvingen14 8371 40380717 047
Boekwaarde per 31 dec 20032 550144092 973

De immateriële vaste activa bestaan uit aan derden betaalde ontwikkelingskosten voor maatwerk software en formulieren en ingekochte standaard software. De afschrijvingstermijn is gesteld op drie jaren.

Materiële vaste activa

Bedragen x € 1000
 verbouwingeninstallaties en inventarishardwareTotaal
Aanschafwaarde3 3554 7305 34813 433
Cumulatieve afschrijvingen1 5762 9893 4768 041
Boekwaarde per 31 dec 20021 7791 7411 8725 392
     
Mutaties 2003:    
Bij: investeringen– 57231 6281 594
Af: boekwaarde desinvesteringen0000
Afschrijvingen2895771 3692 235
Totale mutaties– 346– 554259– 641
     
Aanschafwaarde3 2894 7536 97615 018
Cumulatieve afschrijvingen1 8563 5664 84510 267
Boekwaarde per 31 dec 20031 4331 1872 1314 751

De materiële vaste activa hebben betrekking op verbouwingen, inventaris en installaties en hardware. Als grens voor het activeren is een bedrag van € 454,= per factuur gehanteerd. Voor verbouwingen is deze grens gesteld op € 11 344,= per project. De afschrijvingstermijnen zijn respectievelijk 10, 5, 4 en 3 jaar.

Vlottende activa

Debiteuren

Bedragen x € 1000
 31-dec-0331-dec-02
Vorderingen Bureau Heffingen833 954
Vorderingen Beheerscommissie3073
Saldo debiteuren1134 027

De debiteuren zijn volledig als kortlopend te beschouwen. De afname van de post debiteuren wordt met name veroorzaakt door de afloop van de vordering op het moederdepartement LNV van € 3,9 mln. in 2003 (doorberekening aantal projecten en kosten aan specifieke LNV-onderdelen). De afloop van deze vordering is als volgt te specificeren: vanuit het exploitatiesaldo 2002 is de uitkering aan het moederdepartement ad € 1,7 mln. verrekend en het moederdepartement heeft € 2,2 mln. van haar LNV-bijdrage 2003 bestemd voor de aflossing van de openstaande vordering.

Overige vorderingen en overlopende activa

Bedragen x € 1000
 31-dec-0331-dec-02
Vooruitbetaalde kosten134589
Nog te ontvangen Beheerscommissie510
Salaris-/cursus voorschotten1822
Totaal203611

Vooruitbetaalde kosten zijn die kosten, die betrekking hebben op het jaar 2004, maar waarvan de betaling reeds voor 31 december 2003 heeft plaatsgevonden.

Liquide middelen

De specificatie van de liquide middelen is:

Bedragen x € 1000
 31-dec-0331-dec-02
Kas00
Rabobank00
Rekening courant Ministerie van Financiën10 1347 688
Saldo liquide middelen10 1347 688

Passiva

Eigen vermogen

Bedragen x € 1000
 Saldo exploitatieAlgemene reserveAgentschapsvermogen
Stand per 31 dec 20022 2181 2763 494
Saldo exploitatie boekjaar 20031 940 1 940
Uitkering aan moederdepartement– 1 663 – 1 663
Bestemming resultaat vorig boekjaar– 5555550
Stand per 31 december 20031 9401 8313 771

Het verloop van het eigen vermogen is als volgt:

In 2003 is vanuit het exploitatie saldo 2002 € 1,7 mln. aan het moederdepartement LNV uitgekeerd. Het resterende exploitatie saldo 2002 (€ 0,6 mln.) is toegevoegd aan de algemene reserve.

Het totaal eigen vermogen voor resultaatbestemming geeft een positief saldo van € 3,8 mln. Bhf stelt voor om het positieve resultaat over 2003 ad € 1,9 mln. uit te keren aan het moederdepartement. Na definitieve besluitvorming zal e.e.a. in de balans worden verwerkt.

Langlopende schulden

Bedragen x € 1000
Overzicht leningenLooptijdRenteStand leningOpgenomenAflossingenStand leningKortlopendStand lening
 in jarenpercentageper 31/12/'02in 2003in 2003per 31/12/'03deel < 1 jaarexcl.kortlopend per 31/12/'03
Lening conv-237010/5/35,001 0660365701264437
Lening len2000–01–2370105,5521102618526159
Lening len2000–02–23705,675,092860951919596
Lening len2000–03–23703,674,851 57701 577000
Lening len2001–01–2370105,14180216214
Lening len2001–02–237054,637460187559187372
Lening len2001–03–237034,432 69201 3461 3461 3460
Lening 2002–01104,6730003027030240
Lening 2002–0253,725000100400100300
Lening 2002–0333,354 00001 3332 6671 3331 334
Lening 2003–30053,2201101129
Lening 2003–30132,6902 19102 1917311 460
Totaal  11 3962 2025 0618 5374 1164 421

Betreft leningen van het Ministerie van Financiën, welke in 2000, 2001, 2002 en 2003 zijn aangegaan.

In december is gebruik gemaakt van de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën. Hierdoor is€ 2,2 mln. aan liquide middelen beschikbaar gekomen. De kortlopende aflossingsverplichting (€ 4,1 mln.) is verantwoord onder de kortlopende schulden. De langlopende schulden zijn per saldo afgenomen tot € 4,4 mln. (langlopende deel).

Kortlopende schulden

De kortlopende schulden zijn onderverdeeld in aflossingsverplichtingen < 1 jaar, crediteuren en nog te betalen.

De aflossingsverplichting (< 1 jaar) van de langlopende schulden bedraagt € 4,1 mln. en is verantwoord onder de kortlopende schulden.

De samenstelling van de post crediteuren is als volgt:

Bedragen x € 1000
 31-dec-0331-dec-02
Crediteuren Bureau Heffingen1 1422 024
Crediteuren Beheerscommissie203
Totaal crediteuren1 1622 027

De post crediteuren bestaat vnl. uit nog te betalen facturen van externen, drukwerkkosten, portikosten en telefoonkosten.

De samenstelling van de post overige schulden en overlopende passiva is als volgt:

Bedragen x € 1000
 31-dec-0331-dec-02
Aanspraken op vakantiegelden685714
Interim-regeling ziektekosten190189
Openstaande vakantiedagen387377
Declaraties medewerkers Bureau Heffingen414
Nog te ontvangen facturen2 2183 449
Kosten beheerscommissie170
Vooruitontvangen «leges»49294
Vooruitontvangen bijdragen1 1541 455
Totaal4 7046 492

De post nog te ontvangen facturen ad € 2,2 mln. heeft geheel betrekking op in 2004 te ontvangen facturen over 2003.

De vooruitontvangen «leges» hebben betrekking op leges die in 2003 door veehouders zijn betaald voor de behandeling van overdracht van mestproductierechten dan wel varkensrechten of pluimveerechten waarvan de afhandeling van de overdracht in 2004 plaats zal vinden. De ontvangen leges waarvan de afhandeling in 2003 heeft plaats gevonden zijn opgenomen als baten in 2003.

Onder de vooruitontvangen bijdragen is opgenomen de voorschotbijdrage van DBR voor 2004 (€ 0,3 mln.) en de vooruitontvangen bijdrage LNV moederdepartement voor 2004 (€ 0,9 mln.). Zie toelichting baten, opbrengst moederdepartement.

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Huurovereenkomsten

Bureau Heffingen is gehuisvest in de huurpanden Mandemaat 2, 3 en 4 en in een huurpand aan de Schepersmaat 4. In het navolgende overzicht zijn de huurverplichtingen vanaf 2004 weergegeven.

Bedragen x € 1000
 2004200520062007
Huurcontracten3 1552 9989620

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003

Bedragen x € 1000
 Oorspronkelijk vastgestelde begroting*RealisatieVerschil
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
Baten   
opbrengst moederdepartement42 68141 213– 1 468
specifieke opbrengsten LNV onderdelen5784 5473 969
opbrengst derden482776294
rentebaten136106– 30
Totale baten43 87746 6422 765
    
Lasten   
apparaatskosten   
* personeel17 38917 927538
* materieel14 11515 8081 693
* huisvesting4 7645 201437
rentelasten614440– 174
afschrijvingskosten materieel2 1822 23553
afschrijvingskosten immaterieel4 8133 091– 1 722
Totale lasten43 87744 702825
    
Saldo01 9401 940

Toelichting

Bureau Heffingen heeft in 2003 een positief resultaat van € 1,9 mln. gerealiseerd.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement (bijdrage LNV) is in 2003 ten opzichte van de begroting LNV per saldo met € 1,5 mln. verlaagd naar € 41,2 mln. De LNV-bijdrage aan Bureau Heffingen, die is verantwoord onder beleidsartikel 5, is € 1,9 mln. lager dan de opbrengst moederdepartement in bovenstaande verantwoordingsstaat. De oorzaak hiervan is dat € 2,2 mln. van de LNV-bijdrage is bestemd voor de aflossing van de openstaande vordering. Daarnaast is in 2002 al € 1,2 mln. door LNV bijgedragen voor werkzaamheden (verzenden aangiften, mestvervoersbewijzen, brochure MAO) die uiteindelijk in 2003 zijn uitgevoerd en van de LNV-bijdrage in 2003 zal voor € 0,9 mln. aan werkzaamheden in 2004 worden uitgevoerd.

Specifieke opbrengsten LNV onderdelen

De specifieke opbrengsten LNV onderdelen hebben vnl. betrekking op doorberekende kosten en diensten aan Dienst Basisregistraties (€ 1,7 mln.), Het LNV Loket (€ 1,8 mln.) en VVA (€ 0,5 mln.).

Opbrengst derden

De post opbrengst derden heeft voor € 0,5 mln. betrekking op de vergoedingen die veehouders moeten betalen voor de behandeling van overdracht van mestproductierechten dan wel varkens- en pluimveerechten (leges). De leges dienen vooraf te worden voldaan. Daarnaast zijn er nagekomen baten van € 0,3 mln. in 2003 verantwoord, waarvan de overdrachten al in 2002 waren afgehandeld.

Rentebaten

De rentebaten ad € 0,1 mln. hebben betrekking op de rentevergoeding over het saldo van de rekening-courant bij het Ministerie van Financiën en de rentevergoeding over tijdelijk in deposito ondergebrachte gelden. In 2003 bedroeg de creditrente van de rekening-courant gemiddeld 1,3%.

Lasten

De totale lasten bedragen € 44,7 mln. Ten opzichte van de oorspronkelijk vastgestelde begroting houdt dit een verhoging in van € 0,8 mln. Deze verhoging wordt veroorzaakt door uitgevoerde werkzaamheden voor andere LNV onderdelen. Hier staan ook extra opbrengsten tegenover. (zie post specifieke opbrengsten LNV onderdelen).

Personeel

De personele lasten bestaan uit de uitgaven voor vast en tijdelijk personeel (gemiddeld 403 fte's) en uitzendkrachten (gemiddeld 18 fte's). De externen (gemiddeld 49 fte's) worden verantwoord onder materieel. Het gemiddeld salaris voor vast en tijdelijk is met € 42 968 per fte 7% hoger dan begroot.

Materieel

De materiële lasten bestaan uit:

• € 7,9 mln. automatiseringskosten. Deze kosten bestaan uit: diensten derden (€ 5,0 mln.), licenties, onderhoud hard- en software (€ 1,4 mln.) en leasekosten en afkoopkosten contract pc's (€ 1,4 mln.);

• € 4,1 mln. logistieke kosten. Deze kosten bestaan vnl. uit: kosten afleveringsbewijzen (€ 1,0 mln.) en (ontwerp)drukwerk – en portikosten (€ 2,7 mln.);

• € 3,8 mln. algemene materiële lasten. Deze kosten bestaan uit: extern/interim personeel (€ 1,0 mln.), uitbesteding telefonie (€ 0,9 mln.), opleidingen (€ 0,6 mln.) en kosten organisatie ontwikkeling en arbodienst (€ 0,3 mln.), reiskosten (€ 0,4 mln.) en kopieerkosten en kantoorbenodigdheden (€ 0,2 mln.).

Huisvesting

Onder de huisvestingslasten (€ 5,2 mln.) zijn o.a. verantwoord: huur gebouwen en service kosten (€ 3,1 mln.), doorbelaste exploitatie kosten beheer Mandemaat (€ 0,8 mln.), abonnements/ge-sprekskosten vaste en mobiele telefonie (€ 0,5 mln.) en bewaking – en receptiekosten (€ 0,4 mln.).

Afschrijvingskosten

Door de lagere investeringen in met name maatwerk software en hardware zijn de afschrijvingslasten lager dan oorspronkelijk begroot.

Bedragen x € 1000
 BegrotingRealisatieVerschil
Immateriële vaste activa   
Ontwikkeling maatwerk software4 4972 837– 1 660
Ontwerp formulieren13881– 57
Standaard software178173– 5
Subtotaal4 8133 091– 1 722
    
Materiele vaste activa   
Verbouwingen380289– 91
Installaties en inventaris713577– 136
Hardware1 0891 369280
Subtotaal2 1822 23553
    
Totaal afschrijvingen6 9955 326– 1 669

Het kasstroomoverzicht

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
1. Rekening-courant RIC 1 januari 20037 9677 688– 279
2. Totaal operationele kasstroom6 9958 9351 940
Totaal investeringen (-/-)– 6 800– 1 9674 833
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)000
3. Totaal investeringskasstroom– 6 800– 1 9674 833
Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)0– 1 663– 1 663
Eenmalige storting door moederdepartement (+)000
Aflossingen op leningen (-/-)– 5 576– 5 061515
Beroep op leenfaciliteit (+)6 8002 202– 4 598
4. Totaal financieringskasstroom1 224– 4 522– 5 746
5. Rekening-courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)9 38610 134748

Zie voor een toelichting op de investeringen de toelichting op de balans.

Overzicht meerjarige vermogensontwikkeling

Bedragen x € 1000
 1999200020012002Begroot 2003Realisatie 2003
Eigen vermogen per 1/12 0123 356– 1 3171 2761 0313 494
saldo van baten en lasten209– 1 3171 2762 21801 940
directe mutaties in het      
Eigen vermogen:      
– uitkering aan moederdepartement     – 1 663
– vermogensbijdrage door moederdepartement1 1353 2731 317   
– overige mutaties – 6 629    
Eigen vermogen per 31/123 356– 1 3171 2763 4941 0313 771

Het totaal eigen vermogen geeft een positief saldo van € 3,8 mln. Bhf stelt voor om het positieve resultaat over 2003 ad € 1,9 mln. uit te keren aan het moederdepartement. Na definitieve besluitvorming zal e.e.a. in de balans worden verwerkt.

Prestaties/Kengetallen en Indicatoren

In dit hoofdstuk worden kengetallen en indicatoren weergegeven die een indruk geven van de uitvoering van het beleid door Bureau Heffingen.

Ten behoeve van de planning en verslaglegging zijn voor 2003 afspraken opgesteld met DL. In het jaarplan van BHf zijn de productenkaders, die deel uitmaken van instrumentafspraken opgenomen. Het jaarplan is besproken met DL en bestuursraad. Het jaarplan is formeel goedgekeurd in het najaarsgesprek.

In een protocol zijn de afspraken vastgelegd tussen de beleidsdirectie (aansturing en coördinatie van het beleidsproces) en BHf (uitvoering van de onder het protocol vallende beleidsinstrumenten) inzake de te volgen procedure bij de totstandkoming en het onderhouden van opdrachten.

Begroting 2003
Productenkader 2003Product Eenheden x 1 000Uren x 1 000Lasten Totaal x 1 000Uren per ProducteenheidLasten per Producteenheid
Minas1 12451929 5750,4626
Rechten331226 0583,74186
Ov. Wet- en regelgeving5072310,145
MAO421418 0133,34190
Overig
Totaal1 24978943 8770,6335
Realisatie 2003
Productenkader 2003Product Eenheden x 1 000Uren x 1 000Lasten Totaal x 1 000Uren per ProducteenheidLasten per Producteenheid
Minas1 02851727 2830,5027
Rechten171345 2748,08310
Ov Wet- en regelgeving24115310,4722
MAO481287 1462,66149
Overig4135
Subtotaal1 11779440 3690,7136
Dienstverlening 634 333  
Totaal 85744 702  

Toelichting

Begroting 2003/realisatie 2003

• Producteenheden

De werkelijke producteenheden liggen 11% lager dan begroot. De oorzaak zit met name in de producten mestafleveringsbewijzen en grondgebruikverklaringen; deze waren wel meegenomen in de begroting 2003, maar zijn sinds 1 januari 2003 vervallen. Daarnaast is in de realisatie de leges (begroting: 7 300 leges) niet meegenomen bij de producteenheden.

• Uren

De bestede uren aan Overige Wet- en regelgeving en Overig zijn hoger dan de begroting BHf 2003. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door extra inzet op bestrijdingsmiddelen en vogelpest.

De instrumentafspraken Minas en Mestafzetovereenkomsten zijn lager uitgevallen. Voor Minas is de lagere productie gepaard gegaan met een daling in de bestede uren ten opzichte van de begroting BHf 2003. Voor Mestafzetovereenkomsten is er minder capaciteit besteed aan handhavingwerkzaamheden in het kader van dag- en jaarplafond MAO.

Met betrekking tot bovenstaande analyse dient te worden opgemerkt dat de uren te besteden aan dienstverlening in de begroting 2003 zijn verdeeld over de instrumentafspraken en apart is weergegeven

• Lasten

De hogere lasten zijn voornamelijk toe te schrijven aan uitgevoerde werkzaamheden voor andere LNV-dienstonderdelen (DBR, LNV-loket, VVA).

Algemeen

MinasAangifte Minas

In de begroting 2003 is uitgegaan van 90 000 verwerkte aangiften minas. In het jaarplan 2003 is dit vervolgens bijgesteld naar 150 000 aangiften, omdat BHf met ingang van het aangiftejaar 2003 alle achterstanden wil hebben weggewerkt.

Voor de aangiftejaren 1998 en 1999 is deze doelstelling gerealiseerd. Van de resterende aangiften 1998, 1999 (< 1%) is een statusbericht verzonden.

Het is niet gelukt om de aangiftejaren 2000 en 2001 volledig en 2002 voor 70% af te handelen. De afhandeling van dit deel van de Minasaangifte is door de toegenomen complexiteit van de wet- en regelgeving vastgelopen. Een combinatie van wijzigingen in de verrekeningstermijn (van 3, naar 6, naar 8 jaar) en overige uitzonderingen/verbijzonderingen op de wet- en regelgeving maakt dat de programmatuur niet langer toereikend is voor een geautomatiseerde afhandeling.

AangiftejaarOntvangen (geldige) aangiftenPercentage gereed
1998105 33699,8%
199996 02699,5%
200082 46697,2%
200184 86880,4%
200281 82643,0%

Mestafleveringsbewijzen

Vanaf 1 januari 2003 is het mestafleverbewijs (MAB) vervangen door het vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM). Zie ook de beschrijving van het project AGR onder Algemeen. In 2003 zijn er nog ruim 200 000 MAB's ontvangen. Deze zijn nagenoeg allemaal binnen de daarvoor gestelde termijn afgehandeld. Per 01–01-2004 stopt de ontvangstregistratie van de MAB's. Formulieren, die na deze datum worden ontvangen, zullen worden ingeboekt als brief.

In 2003 is slechts 70% van het aantal geplande VDM's ontvangen (ca 390 000 stuks). Aanwijsbare oorzaken voor het lagere aantal zijn de Vogelpest (transportverboden en mest uit de markt) en de Opkoopregeling (minder mestaanbod). Waarschijnlijk heeft de «zwarte mest» ook nog invloed gehad.

Minas gat

In mei 2003 is het voorstel voor de vereiste wetswijziging voor de tweede fase van het project Minas-gat aan de Tweede Kamer aangeboden. Vanwege het verlengen van de verrekentermijn van 3 naar 6 jaar en de gecreëerde extra bezwaarmogelijkheid, komt het totale offertebedrag Minas gat (fase 1 én fase 2) uit op ruim € 1,6 mln. In februari 2004 zijn de producten geïmplementeerd.

RechtenTransactieformulieren

In 2003 zijn enkele voorstellen voor vereenvoudiging van het Rechtenstelsel geïmplementeerd. Dit heeft geresulteerd in een forse verlaging van het aantal af te handelen formulieren. In 2003 zijn 14 438 formulieren afgehandeld Hiervan is 89% binnen de doorlooptijd afgehandeld. De voorraad op 1 januari 2004 bestaat uit 495 formulieren.

Grondregistraties

In de Stuurgroep Implementatie Mestbeleid is het besluit genomen dat de registratie van grondmutaties na 1 januari 2003 zou worden overgedragen van BHf naar DBR en de voor controle en handhaving benodigde gegevens van DBR zouden worden betrokken.

Omdat de gezamenlijke voorbereidingen meer tijd in beslag hebben genomen dan aanvankelijk was geschat, is bovengenoemde wijziging een jaar uitgesteld en gaat nu gelden voor de formulieren van 2004 en later. Dit had wel tot gevolg dat het aantal afgehandelde grondmutatieformulieren en -brieven ruim 30% hoger was dan ingepland.

Conversie Rechten

Voor 2003 waren geen uren gepland voor het afhandelen van conversiezaken, omdat in 2002 alle bedrijven al waren geconverteerd. Dit gold zowel voor de Wet Herstructurering Varkenshouderij (WHV) als de Herstructurering Pluimveehouderij (HPV).

Naar aanleiding van een uitspraak van de rechter en een beoordeling van een commissie van Wijzen zijn er nog enkele extra taken uitgevoerd in het jaar 2003, te weten Hardheidsgevallen3 (HH3) en Verklaring Feitelijke Uitbreiding.

Er zijn 255 formulieren ontvangen in het kader van HH3 en er hebben zich 175 bedrijven aangemeld voor de Verklaring Feitelijke Uitbreiding. Eén op de vier bedrijven kwam in aanmerking voor de HH3, meer dan de helft van de bedrijven kwam in aanmerking voor de uitbreiding van varkensrechten. In totaal zijn er 830 conversies opnieuw uitgevoerd (WHV 719, HPV 111).

Voor zowel de WHV en HPV zijn de voorwaardelijke rechten omgezet naar definitieve rechten Er zijn in totaal 391 bedrijven beoordeeld voor de WHV en 49 bedrijven voor de HPV. Voor de HPV staan nog 262 bedrijven met voorwaardelijke pluimveerechten geregistreerd bij Bureau Heffingen.

Regeling beëindiging veehouderijtakken (opdrachtgever: LASER)

In 2003 liepen de tranches RBV1 en RBV2 naast elkaar. De eerste tranche is nagenoeg afgerond. Van de 2645 aanmeldingen voor de RBV2 zijn er tot nu toe 1884 aanvragen goedgekeurd door LASER. In totaal zijn er in 2003 ruim 1000 van de verwachte 2000 verzoeken doorhalen afgehandeld door BHf. Dat is minder dan verwacht, maar dit is afhankelijk van de deelnemers.

Overige wet- en regelgevingRegistratie Europees meldpunt Voor Overbrenging Afvalstoffen (EVOA)

Het product «registratie EVOA» is in het eerste halfjaar 2003 aangehouden i.v.m. de vogelpest. Ondanks een forse inhaalslag in het 2e halfjaar, zijn de aantallen verwerkt (79%) achtergebleven bij de begroting.

Registratie Bestrijdingsmiddelen

In 2003 is extra capaciteit besteed aan het product Bestrijdingsmiddelen. Er is in 2003 nieuwe programmatuur gebouwd en opgeleverd waardoor de formulieren sneller en efficiënter verwerkt konden worden.

Mestafzetovereenkomsten (MAO)

In 2003 voor het eerst volledig toetsend op de grond geregistreerd in de Basisregistratie Percelen (BRP), zou MAO gaan bewijzen dat de theorie ook in de praktijk klopt. De opzet van het proces is getoetst aan de praktijk en heeft de test goed doorstaan. De uitkomst van het proces bracht echter de nodige problemen; er waren in 2003 ruim 30% (10 000 stuks) negatieve servicemeldingen (60% van de oorzaak bij de klant, 40% bij LNV). Na het uitvoeren van een scan op de toetsingsystematiek en het aanleveren van bruikbare grondbestanden voor MAO is de stand van zaken op 31 december 2003 92% positieve servicemeldingen.

Erkenningen tussenpersonen, mestverwerkers & exporteurs

De tussenpersonen, mestverwerkers & exporteurs (TME) vormen een belangrijke groep in het stelsel MAO. Om de communicatie met deze groep te verbeteren heeft iedere TME voor 2003 een vast aanspreekpunt gekregen. Als extra service werd de betreffende TME, voordat negatieve servicemeldingen werden verzonden, op de hoogte gesteld. De TME kreeg dan een aantal dagen de tijd om herstelacties uit voeren, om het evenwicht tussen producentkant en afnemerskant te herstellen. Ook de banden met de Cultuurtechnische werken en grondverzet, Meststoffendistributie en Loonwerken in de Agrarische sector in Nederland (Cumela) werden verstevigd door regelmatig overleg en bezoek van jaarvergaderingen, bijeenkomsten enz. De sector is nadrukkelijk uitgenodigd om mee te denken over verbetering van het MAO-stelsel.

Klassieke Vogelpest

De impact van de Klassieke Vogelpest op de reguliere productie is beperkt gebleven. Wel heeft BHf ondersteuning verleend aan Het LNV-Loket om de bereikbaarheid voor de reguliere processen te waarborgen.

Telefoon

Het uitgangspunt voor 2003 is dat alleen de 3de lijns telefoongesprekken (dossierniveau) worden afgehandeld door Bureau Heffingen. De 1ste en 2de lijns telefoongesprekken worden door het LNV-Loket afgehandeld.

Realisatie 2003 (3de lijns)
DivisieAanbodAfgehandeldBereikbaarheidServicelevel
Rechten10 2359 37192%87%
Heffingen17 28816 16093%81%
Registraties & Invordering23 62123 00889%80%
Totaal51 14448 53991%82%

De norm voor bereikbaarheid is 95% en voor het servicelevel 80%. In tegenstelling tot vorig jaar heeft BHf de norm voor het servicelevel in 2003 wél gehaald. De norm voor bereikbaarheid is net niet gerealiseerd als gevolg van de piekdrukte aan de telefoon i.h.k.v. Minas (mei, augustus) en de perikelen rond de servicemelding MAO.

Uit de analyse van het LNV-loket blijkt dat het aantal telefoontjes voor de 3e lijn BHf daalt. Dit is op zich een logische trend, aangezien:

a. de achterstanden zijn weggewerkt;

b. de internetsite in toenemende mate in een informatiebehoefte voorziet;

c. de medewerkers van het Loket steeds meer gesprekken op het scheidsvlak 1/2e en 3e lijn zelf af kunnen doen.

Realisatie 2003 (1ste/2delijns) LNV-Loket

DivisieAfgehandeld
Rechten19 470
Heffingen60 079
Registraties & Invordering54 726
Totaal134 275

Klachten

Er zijn in totaal 104 klachten ingediend Op 31/12/2003 zijn er geen klachten meer in voorraad.

KlachtenAantal ingediendAantal afgehandeld
Rechten3333
Minas4851
MAO2325
Totaal104109

Bezwaar & Beroep

DivisieIngediendAfgehandeldToegekendAfgewezen
Rechten16836524%76%
Minas10 3199 44385%15%
MAO303515%85%
Totaal10 4549 84382%18%

Beroepen

DivisieIngediendAfgehandeldToegekendAfgewezen
Rechten769712%88%
Minas161870%100%
MAO540%100%
Totaal2421886%94%

Als gevolg van aanpassingen in de wet- en regelgeving heeft BHf wijzigingen moeten doorvoeren in het geautomatiseerde afhandelproces van de Minas aangifte. Door deze prioriteitstelling liep BHf het risico dat de doelstellingen uit het jaarplan voor de bezwaren Minas niet werden gerealiseerd. Om het dilemma te doorbreken van hoge voorraden en de beschikbaarheid van uitzendkrachten maar geen programmatuur, wilde BHf bezwaren deels handmatig verwerken. Het inrichten van dit proces blijkt echter mede afhankelijk van de Minasaangifteprogrammatuur ten aanzien van verrekening. Aangezien deze programmatuur niet meer in 2003 operationeel is geworden, schuift de handmatige verwerking van bezwaren Minas door naar 2004. De doelstelling uit het jaarplan 2003 is derhalve niet gerealiseerd. In 2003 zijn 9 443 (76%) van het aantal afgesproken bezwaren Minas (12 500) afgehandeld. De eindvoorraad op 31 december 2003 bedroeg 11 804 bezwaarschriften Minas.

De inzet op bezwaren en beroepen van het Rechtenstelsel kwam nagenoeg overeen met het jaarplan. Wel zijn er meer bezwaren afgehandeld dan begroot, maar daarentegen zijn er minder beroepen afgehandeld.

Dienstverlening

Onder dienstverlening wordt verstaan de werkzaamheden (diensten) die BHf uitvoert ten behoeve van andere (LNV-)diensten (LNV loket, DBR, AID en VVA). Deze werkzaamheden worden ook gefinancierd door de betreffende dienst.

Voeding- en Veterinaire Aangelegenheden (FIER)

In opdracht van VVA verzorgt BHf de inning van heffingen in het kader van de «Regeling identificatie en registratie van dieren». Het aantal te verzenden facturen is in 2003 achtergebleven bij de geoffreerde 307 000. In totaal zijn ca 200 000 facturen verzonden. Hierdoor zijn de kosten ruim € 270 000 lager uitvallen.

LASER

Algemeen

LASER is een uitvoerende overheidsdienst van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van vanaf 16 oktober 1995 erkend betaalorgaan voor de uitvoering van Europees beleid door de Europese Unie. Op 20 juli 1998 is middels het instellingsbesluit aan LASER de status van agentschap verleend. (Staatscourant, nr. 150/pag.4; LASER/981 673). De instellingsbeschikking LASER is met ingang van 1 januari 1999 in werking getreden. De bestuursraad van het ministerie van LNV is de eigenaar van LASER.

Kerntaak van LASER is de uitvoering van regelingen op het terrein van de primaire landbouw, verwerkende industrie, bos, landschap en recreatie. LASER is «huisuitvoerder» van regelingen van het ministerie van LNV. De beleidsdirecties van het ministerie van LNV zijn de grootste opdrachtgevers van LASER. Laser werkt daarnaast tevens voor andere departementen, provincies en gemeenten.

De regelingen die LASER uitvoert, hebben in veel gevallen betrekking op de uitvoering van financiële regelingen in de vorm van subsidies, interventies en garanties. Ook worden op grond van wettelijke bepalingen vergunningen verstrekt en ontheffingen verleend. Advies over de uitvoerbaarheid van regelingen maakt deel uit van het werk. In noodsituaties is LASER onder meer actief op het terrein van crisisbeheersing en de uitvoering van schaderegelingen zoals de uitvoering van de Wet Tegemoetkoming Schade bij rampen en zware ongevallen (WTS). Het totale werkterrein van LASER is daarmee zeer gevarieerd en onderhevig aan wisselende politiek-maatschappelijke accenten.

Begin maart 2003 is in Nederland de uitbraak van Aviaire Influenza (Vogelpest) geconstateerd. In de bestrijding en de afhandeling van de schadeloosstelling heeft LASER een belangrijke rol. Begin maart is hiertoe onder leiding van de crisismanager LASER de crisisorganisatie binnen LASER opgericht. LASER heeft in het kader van de bestrijding en afhandeling verschillende taken gedaan waaronder het opstellen van de declaratie naar de EU, de managementinformatie voor crisisorganisatie LNV en in samenwerking met de direct betrokken uitvoerende diensten de inkoop van diverse diensten en betaling van uitvoeringslasten. Daarnaast heeft LASER aan aantal regelingen uitgevoerd welke direct verband houden met de bestijding van de Aviaire Influenza zoals de Compartimenteringsregelingen en Opkoopregeling. De afhandeling van declaraties die betrekking hebben op de Uitbraak van Aviaire Influenza heeft een uitloop naar 2004

Het jaar 2003 heeft voor LASER naast Dierziektebestrijding ook in het teken gestaan van het voornemen om met Bureau Heffingen, Dienst Basisregistraties en het LNV Loket te gaan fuseren tot DRL. De Strategische Ondernemingsvisie van Dienst Regelingen geeft als missie het optimaliseren van de uitvoering van haar taken. Hierbij staan internationale deskundigheid, slagvaardigheid, het zijn van een Partner in Beleid en Top betaalorgaan en het leveren van maatwerk centraal.

Naast de activiteiten rondom de fusie en de A.I. crisis, heeft LASER zich ook gericht op de Fischler-voorstellen, het herstructureren van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB). De kern van het akkoord is dat de inkomenssteun die boeren ontvangen, wordt losgekoppeld van de productie. Vanaf 2005 worden deze bedragen uitgekeerd in de vorm van een bedrijfstoeslag. In 2003 is begonnen met het traject om dit te implementeren. LASER speelt hierin als uitvoerder een belangrijke rol bij het opstellen van verschillende scenario's van implementatie.

Grondslagen van Waardering en Resultaatbepaling

Inleiding

In de instellingsbeschikking LASER zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de taken, de financiële aansturing, de financiële verantwoording en de jaarverslaggeving van LASER. De wettelijke grondslag voor de verantwoording is vastgelegd in de Comptabiliteitswet en in de wegwijzers Baten-Lastendienst (onderdeel van het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid). Bij de voorschriften is aansluiting gezocht met de voorschriften die zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek 2, titel 9.

Balans

De waarderingsgrondslagen luiden als volgt:

– Voor zover niet anders vermeld worden activa en passiva verantwoord tegen nominale waarde;

– Immateriële en materiele vaste activa worden gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs onder aftrek van afschrijvingen, bepaald op basis van de economische levensduur van de activa; afschrijvingen geschieden lineair en tijdsevenredig over het jaar;

– Debiteuren worden gewaardeerd tegen nominale waarde en indien noodzakelijk onder aftrek van een voorziening;

– Voor verplichtingen en risico's, samenhangend met de bedrijfsvoering, waar geen toekomstige opbrengsten tegenover staan, worden voorzieningen gevormd;

– Incidentele investeringen in inventaris en installaties met een aanschafwaarde van minder dan € 2 269,– worden niet geactiveerd, maar als kosten geboekt. Indien meerdere aankopen tegelijk, bestaande uit items onder deze minimumgrens, plaatsvinden, vindt activering plaats voor zover het totale bedrag groter of gelijk is aan € 22 689,–

– Dit jaar zijn voor het eerst ook PC's geactiveerd. Om een goede aansluiting met de inventaris-administratie te waarborgen, is iedere PC geactiveerd.

Rekening van Baten en Lasten

De regelingen die LASER uitvoert voor de opdrachtgevers zijn de producten van LASER. LASER voert ca. 150 regelingen uit.

Voor de omzet bepaling worden de integrale kosten per regeling bepaald. Hierop wordt voor de LNV opdrachtgevers de korting op basis van de voorcalculatie in mindering gebracht.

LASER factureert niet rechtstreeks aan de opdrachtgevers in het moederdepartement, maar verrekent de omzet met het LASER bijdrage artikel dat beheerd wordt door de Directie Financieel Economische Zaken van het departement.

De baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben.

Balans per 31 december 2003

Bedragen x € 1000
 20032002
Activa  
Immateriële activa5 78410 534
Materiële activa  
* grond en gebouwen  
* installaties en inventarissen1 8852 383
* overige materiële vaste activa1 0311 644
Voorraden  
Debiteuren4 1173 875
Nog te ontvangen1 8788 511
Liquide middelen17 88647
Totaal activa32 58126 994
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
* exploitatiereserve3 2212 461
* verplichte reserves  
* onverdeeld resultaat– 2 558760
Leningen bij het MvF9 45310 826
Voorzieningen2081 772
Crediteuren7 3984 409
Nog te betalen14 8596 766
Totaal passiva32 58126 994

Toelichting op de Balans

De balans wordt gepresenteerd vòòr resultaatbestemming. Naar aanleiding van de verantwoordingsvoorschriften wordt het onverdeeld resultaat onder het Eigen Vermogen gerubriceerd.

Vaste Activa

Immateriële vaste activa:

De specificatie van de immateriële vaste activa luidt als volgt:

Bedragen x € 1000
 Applicaties ProgrammatuurLicentiesVaste activa in aanbouwTotaal
Aanschafwaarde18 1013834 89023 374
Cumulatieve afschrijvingen12 61922112 840
Boekwaarde 1 januari 20035 4821624 89010 534
Investeringen:    
Investeringen2 168284 2 452
Afschrijvingen2 1371642 301
 31120 151
Desinvesteringen:    
Correctie Aanschafwaarde– 10 – 4 890– 4 900
Correctie Afschrijvingen1  1
Totaal mutaties21120– 4 890– 4 749
Aanschafwaarde20 259667 20 926
Cumulatieve afschrijvingen14 757385 15 142
Boekwaarde 31 dec. 20025 502282 5 784
Afschrijvingspercentage25%33,3%  

Applicaties programmatuur

Onder deze immateriële vaste activa zijn opgenomen de aan derden betaalde kosten voor ontwikkeling van maatwerk software. De belangrijkste investeringen betreffende aanpassingen in de programmatuur voor de verbetering van gegevensinwinning en registratie ten behoeve van het primair proces. Daarnaast is het bedrijfsregistratie systeem aangepast naar een effectievere en efficiëntere vorm van invoeren van mutaties.

Applicaties worden afgeschreven over 4 jaar. De restwaarde is gesteld op nihil. Uitgaven gemaakt voor onderhoud van programmatuur worden ten laste van de resultatenrekening gebracht indien ze 10% van de aanschafwaarde van de betreffende programmatuur niet overstijgen. Zijn de betreffende out-of-pocket kosten wel meer dan 10% van de aanschafwaarde, dan worden deze geactiveerd, indien de totale uitgaven meer dan € 45 378,bedragen.

In 2003 zijn in het kader van een wijziging in het Gemeenschappelijk Beheers en Control Systeem (GBCS-verordening) investeringen gedaan in applicaties. Deze investeringen worden op basis van geschatte levensduur in 3 jaar afgeschreven. In 2003 is de helft van de kosten van de investering afgeschreven. In 2004 en 2005 wordt elk jaar 25% van het investeringsbedrag afgeschreven.

Licenties

Deze post wordt gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs, onder aftrek van de afschrijvingen. Het betreft voornamelijk licenties die gebruikt worden op de servers en kantoorautomatisering. De restwaarde is gesteld op nihil. De afschrijvingstermijn voor licenties is 3 jaar.

Vaste activa in aanbouw:

Onder deze post zijn de per balansdatum nog niet afgeronde (IT-)projecten opgenomen. Deze post is vrijwel geheel afgeboekt als bijzondere last in 2003. De oorzaak hiervan is het stopzetten van de ontwikkeling van een ondersteunend systeem als gevolg van LNV-brede regelgeving omtrent te volgen ontwikkelmethodologieën. Uit voorzichtigheidsoverwegingen is besloten het geheel in één keer ten laste van het resultaat te nemen.

Materiële vaste activa:

De specificatie van de vaste materiële activa luidt:

Installaties en inventaris:

Bedragen x € 1000
 Kantoor-InventarisKantoor machinesMachines en installatiesTransport middelenTotaal
Aanschafwaarde3 0812 107691105 889
Cumulatieve afschrijvingen1 9221 22935323 506
Boekwaarde 1 januari 20031 15987833882 383
Investeringen:     
Investeringen10011872 290
Afschrijvingen299394772772
 – 199-276-5-2– 482
Desinvesteringen:     
Correctie Aanschafwaarde – 51  – 51
Correctie Afschrijvingen 35  35
Totaal mutaties– 199– 292– 5– 2– 498
Aanschafwaarde3 1802 174763106 127
Cumulatieve afschrijvingen2 2201 58843044 242
Boekwaarde 31 dec. 200396058633361 885
Afschrijvingspercentage14,30%33,30%14,30%20,00% 

Hardware:

Bedragen x € 1000
 HardwarePC's 4 jaarTotaal
Aanschafwaarde2 8332 833
Cumulatieve afschrijvingen1 1891 189
Boekwaarde 1 januari 20031 6441 644
Investeringen:   
Investeringen8126134
Afschrijvingen73314747
 – 725112– 613
Desinvesteringen:   
Correctie Aanschafwaarde   
Correctie Afschrijvingen   
Totaal mutaties– 725112– 613
Aanschafwaarde2 8411262 967
Cumulatieve afschrijvingen1 922141 936
Boekwaarde 31 dec. 20039191121 031
Afschrijvingspercentage33,3%25% 

Installaties en inventaris:

Deze post bevat het totaal van de kantoorinventaris (afschrijving 7 jaar), kantoormachines (afschrijving 3 jaar), machines en installaties (afschrijving 7 jaar) en transportmiddelen (afschrijving 5 jaar). Waardering geschiedt tegen verkrijgingprijs of vervaardigingprijs verminderd met een lineaire afschrijving gebaseerd op de economische levensduur van de activa. Er wordt een restwaarde van nihil gehanteerd.

Hardware:

Deze post wordt gewaardeerd tegen verkrijgingprijs of vervaardigingprijs verminderd met een lineaire afschrijving. Er wordt een restwaarde van nihil gehanteerd. Onder deze post wordt de informatieverwerkende apparatuur (UR-machines en servers) opgenomen. De afschrijvingstermijn is 3 jaar.

PC's Zoals vermeld in de waarderingsgrondslagen is deze post voor het eerst dit jaar geactiveerd. Deze post wordt gewaardeerd tegen verkrijgingprijs verminderd met een lineaire afschrijving over een periode van 4 jaar. Er wordt een restwaarde van nihil gehanteerd.

Vlottende activa

Debiteuren:

Specificatie van het debiteurensaldo excl. Vordering op LNV:

Bedragen x € 1000
 31-12-200331-12-2002
Debiteuren4 1173 875

Het debiteurensaldo is licht gestegen ten opzichte van 2003. De stijging wordt veroorzaakt door de toevoeging van de vorderingen uit hoofde van de activiteiten van de Grondkamers. De Grondkamers zijn per 1 januari 2003 overgegaan naar LASER.

Ouderdomsanalyse Debiteurensaldo:

< 30 dagen2 603
30–60 dagen239
60–90 dagen184
90–120 dagen25
120–360 dagen1 052
360 dagen52
  
Totaal4 117

Nog te ontvangen:

Specificatie van de overlopende activa is als volgt:

Bedragen x € 1000
 31-12-200331-12-2002
Nog te verzenden facturen1 247129
Overige overlopende activa en vorderingen91490
Waarborgsommen7283
Vooruitbetaalde kosten297759
Kasvoorschotten6561
Vooruitbetaalde facturen106126
Subtotaal1 8781 648

Vordering op LNV:

Het totaal van de vordering op LNV is als volgt opgebouwd:

Bedragen x € 1000
 31-12-200331-12-2002
Vordering uit hoofde van DGF184
Vordering uit hoofde van LNV Bse701
Vordering uit hoofde werkpakket LNV5 978
Subtotaal6 863
Totaal Nog te ontvangen1 8788 511

Liquide middelen:

LASER heeft een eigen rekening courant met de Rijkshoofdboekhouding. De liquide middelen zijn vrij opneembaar.

Bedragen x € 1000
 31-12-200331-12-2002
Rekening courant Rijkshoofdboekhouding17 88342
Kas34
Bank 0
Kruisposten 1
Totaal17 88647

De hoge stand Rekening courant Rijkshoofdboekhouding per 31-12-2003 heeft een drietal oorzaken. Ten eerste is er een bedrag ad € 4,2 mln. foutief op deze rekening-courant gestort. Deze gelden hadden moeten worden overgemaakt naar de programmagelden administratie, in plaats van de baten-lasten administratie van LASER. Daarnaast is er € 6,0 mln. ontvangen van LNV uit hoofde van het werkpakket 2002. Tenslotte is € 6,2 mln. te veel ontvangen van LNV uit hoofde van het werkpakket 2003. De bevoorschotting van LNV is geschied op basis van de prognose die LASER heeft afgegeven bij Najaarsnota.

De hoge bevoorschotting wordt veroorzaakt door het achterblijven van de realisatie voor het Borgstellingsfonds en een aantal interventieregelingen, namelijk de openbare en particuliere opslagregelingen. Verder bleven de reguliere werkzaamheden in het kader van dierziektebestrijding achter bij de verwachting vanwege de effecten van de Aviaire Influenza crisis.

Passiva

Eigen Vermogen:

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 1999–2003

Bedragen x € 1000
 1999200020012002Begroting 2003Realisatie 2003
1. Eigen vermogen per 1 januari3 8522 5511 6842 4612 4613 221
2. Saldo van baten en lasten577364777760 – 2 558
3a. Uitkering aan moederdepartement0– 1 231    
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen vermogenvermogen      
3c. Overige mutaties in eigen vermogen221     
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen221– 1 231    
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)4 6501 6842 4613 2212 461663

De daling in het eigen vermogen van de baten-lastendienst LASER ad €2 099 000,– per ultimo 1999 naar primo 2000 wordt verklaard door de conversie die heeft plaatsgevonden in het kader van de wijziging in de financiering van agentschappen per 1 januari 2000.

Het resultaat over het boekjaar 2003 van € 2 558 000 negatief is in mindering gebracht op het eigen vermogen. Er resteert een eigen vermogen van € 663 000. Formeel moet deze resultaatsbestemming nog door de Bestuursraad goedgekeurd worden.

Voorzieningen:

De samenstelling en het verloop van de voorzieningen in 2003 ziet er als volgt uit:

Bedragen x € 1000
VoorzieningStand per 31-12-2002 (in euro) (A)Dotatie 2003 (B)Uitputting 2003 (in euro) (C)Vrijval 2003 (in euro) (D)Stand per 31-12-2003 (in euro) (E)=(A)-(B)+(C) (D)
Reorganisatie:     
– O&O 11 046 151 01318
– O&O 2455 04550
Subtotaal1 501 151 46818
Wachtgeld126 42084
Groot onderhoud panden145 186859
Grondkamers Deventer 6417047
Totaal1 77264921 536208

De reorganisatievoorzieningen zijn dit jaar vrijwel volledig vrijgevallen. Met de vorming van Dienst Regelingen was er geen grondslag meer voor handhaving. De vrijval in de voorziening Groot onderhoud is conform de afspraken over de afbouw ervan. Deze post wordt in 3 jaar tot nul gebracht.

Als gevolg van de overname van de Grondkamers Deventer per 1 januari 2003 is er een voorziening opgenomen voor toekomstige bovenproportionele reiskosten voor medewerkers van de Grondkamers. De voorziening voor wachtgeld betreft ex-werknemers die met een wachtgeldregeling uit dienst zijn getreden.

Lening bij het Ministerie van Financiën:

Ten behoeve van de financiering van de investeringen in 2003, is een lening aangegaan bij het Ministerie van Financiën ter hoogte van € 1 663 000. Waarvan € 43 000 voor een periode van 3 jaar tegen een interest percentage van 2,69% per jaar, € 1 550 000 voor een periode van 4 jaar tegen een interest percentage van 2.98% en € 70 000 voor een periode van 7 jaar tegen een interest percentage van 3.70%. Het restant van de langlopende schulden bestaat uit nog af te lossen leningen bij het Ministerie van Financiën, die in 2001 en 2002 zijn aangegaan om de investeringen in die jaren te financieren.

Kortlopende schulden:

Crediteuren:(bedragen x € 1 000,–)

Dit betreft de schuld aan leveranciers welke bedraagt € 7 398.

Het bedrag wordt voor € 4,2 mln. verklaard door gelden die op 30-12-2003 foutief op de rekening-courant van LASER zijn geboekt. Deze gelden hadden moeten worden overgemaakt naar de programmagelden administratie, in plaats van de baten-lasten administratie van LASER.

Nog te betalen:

Overlopende passiva en overige schulden:

Deze post is als volgt opgebouwd:

Bedragen x € 1000
 31-12-200331-12-2002
Nog te ontvangen facturen2 8891 930
Verlofuren en vakantierechten1 3061 492
Nog af te dragen aan LNV017
Schuld uit hoofde werkpakket LNV6 1650
Interim-uitkering340326
Regeling Sabatical Leave1953
Vooruitontvangen bedragen3 3291 454
Overige overlopende passiva en schulden8111 494
Totaal14 8596 766

De Schuld uit hoofde van werkpakket is een gevolg van het feit dat de gerealiseerde omzet lager uit is gevallen dan het ontvangen voorschot van LNV uit hoofde van het werkpakket 2003. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de post liquide middelen onder de balans.

Nog te ontvangen facturen

Deze post betreft schulden die betrekking hebben op de prestaties die in 2003 geleverd zijn, maar in 2004 gefactureerd en betaald worden. Deze post is tegen nominale waarde opgenomen.

Vooruit ontvangen bedragen

Vooruit ontvangen bedragen bestaat uit voorschotten die LASER ontvangt van verschillende landen om taken ten behoeve van Preaccessie uit te voeren.

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Onderstaand zijn de niet in de balans opgenomen financiële verplichtingen vermeld. Opgemerkt wordt dat een deel van de hier genoemde verplichtingen zogenaamde verborgen kosten betreffen, omdat LNV deze tot nu toe niet heeft doorbelast aan LASER.

Verplichting huurovereenkomst

De kantoorruimten van de verschillende vestigingen van LASER worden gehuurd van de directie Informatiemanagement & Facilitaire Aangelegenheden. De totale jaarhuur bedraagt circa € 3,8 mln. De stand van de jaarhuur is gebaseerd op gegevens uit 2003.

Het totale huurbedrag 2003 is hoger dan voorzien ten tijde van de jaarrekening 2002. Dit vindt zijn oorzaak voornamelijk in het feit dat Deventer een extra locatie heeft moeten huren voor het project LARIS en dat de overname van Grondkamers heeft plaats gevonden.

Het huurbedrag 2003 laat een stijging voor alle vestigingen zien, met uitzondering van Groningen. Deze stijging heeft te maken met de CPI index, een correctie voor inflatie. Groningen heeft de huur van een van haar panden opgezegd.

Overzicht huurbedragen

Bedragen x € 1000
VestigingBedrag 2003Bedrag 2004Expiratie datum
Totaal Groningen887 036800 92713-feb-17
Totaal Deventer919 766938 88030-jun-06
Totaal Diemen431 856440 83031-dec-05
Totaal Dordrecht443 256452 46730-jun-05
Totaal Roermond700 555715 11330-jun-06
Totaal Den Haag445 145454 39631-dec-13
Totaal Huurbedrag LASER3 827 6143 802 613 

Rekening van Baten en Lasten

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003

Overzicht huurbedragen

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement34 40460 48326 079
Opbrengst overige departementen8924 8563 964
Opbrengst derden2 4256 0673 642
Rentebaten7129– 42
Buitengewone baten 9191
Verborgen opbrengsten5 9405 353– 587
Totaal baten43 73276 87933 147
    
Lasten   
Apparaatskosten   
* personele kosten22 19341 68719 494
* materiële kosten10 44423 57713 133
Rentelasten603421– 182
Afschrijvingskosten   
* materieel1 2071 519312
* immaterieel3 1682 301– 867
Dotaties/Vrijval voorzieningen79– 1 536– 1 615
Buitengewone lasten 6 3096 309
Verborgen lasten6 0385 159– 879
Totaal lasten43 73279 43735 705
Saldo van baten en lasten0– 2 558– 2 558

Toelichting op de Rekening van Baten en Lasten

LASER heeft in 2003 een negatief resultaat van 2,56 mln gerealiseerd. In het onderstaande worden de diverse posten nader toegelicht.

Opbrengst moederdepartement

Opbrengsten per opdrachtgever:

Bedragen x € 1000
 Realisatie 2003Realisatie 2002
Directie Landbouw38 92540 036
Directie Implementatie Mestbeleid (PIM) 3 497
Directie Natuurbeheer10 93010 992
Directie Internationale Zaken3 7794 374
Directie Wetenschap en Kennisoverdracht406719
Directie Groene Ruimte en Recreatie68153
Directie Voedings- en veterinaire aangelegenheden1 4811 723
Diergezondheidsfonds4 6912 628
GL2 583
Overige opdrachtgevers203277
Totaal60 48366 982

Per saldo blijkt dat de omzet van LASER (en daarmee de kosten voor LNV) in 2003 gedaald zijn van € 67,0 mln naar € 60,5 mln. Met name het opdrachtenpakket voor de Directie Landbouw, en de Directie Groene Loket is in 2003 gedaald. Dit wordt niet gecompenseerd door de extra inkomsten vanuit het Diergezondheidsfonds voor de uitvoering van de Vogelpest.

Opbrengst overige departementen en derden

Deze post betreft voornamelijk de opbrengsten uit hoofde van de regelingen Preaccessie, Wet Tegemoetkoming Schade en werkzaamheden ten behoeve van de Stichting Financiële Hulpverlening (als gevolg van de Vuurwerkramp in Enschede).

Buitengewone baten

Deze post bestaat voornamelijk uit ontvangen omzet voor WTS 1999–2001 van Binnenlandse Zaken.

Verborgen kosten en opbrengsten

In deze post staan de in de tarieven doorberekende verborgen kosten.

De kosten gemoeid met de uitvoering worden per product (regeling) gecalculeerd en door middel van tarieven doorberekend aan de opdrachtgever. De door te berekenen tarieven zijn gebaseerd op de integrale kostprijs. De integrale kostprijs van LASER omvat naast de reguliere personele en materiële exploitatiekosten en afschrijvingskosten – zogenaamde verborgen kosten. Dit zijn kosten die gemaakt worden ten behoeve van de bedrijfsvoering van LASER, doch waarvan de uitgaven ten laste komen van andere directies of diensten binnen LNV (betreft onder andere kosten JZ, AID, AD, FEZ). Deze verborgen kosten worden via de tarieven alleen aan opdrachtgevers buiten LNV doorberekend maar niet aan de opdrachtgevers binnen het ministerie.

Binnen LNV worden deze verborgen opbrengsten teruggegeven in de vorm van een korting.

Personele kosten

Deze post bevat met name de salarissen van de ambtenaren en de kosten van de inhuur van uitzendkrachten.

Gespecificeerd zien de personele kosten er als volgt uit:

Bedragen x € 1000
 20032002
Ambtelijk Personeel31 38528 275
Inhuur Derden Direct7 59013 029
Inhuur Derden Indirect2 4902 958
Personeelskosten222922
Totaal41 68745 184

Inhuur Derden Direct bestaat uit de inhuur van derden die hebben gewerkt aan specifieke regelingen. Inhuur Derden Indirect zijn kosten van inhuur voor ondersteunende taken.

Materiële kosten

Gespecificeerd zien de kosten er als volgt uit:

Bedragen x € 1000
 20032002
Regelingsgebonden materiele kosten en diensten7 72710 434
Automatiseringskosten3 6973 163
Bureaukosten2 4332 686
Huisvestingskosten2 4522 222
Overige materiële kosten7 2686 625
Totaal23 57725 130

Huisvestingskosten

Hieronder vallen onder andere huurkosten, schoonmaakkosten, onderhoud installaties, energiekosten, etc.

Onderstaand vindt u een onderverdeling van de huurkosten 2003 die door LASER en door de directie Informatiemanagement & Facilitaire Aangelegenheden zijn betaald. De door LASER betaalde huurbedragen zijn onderdeel van de post huisvestingskosten bij de materiële kosten. De door IFA betaalde (en niet doorbelaste) kosten zijn onderdeel van de zogenaamde verborgen kosten.

Huurkosten 2003 voor huisvesting (bedragen x € 1000
 20032002
Door baten-lastendienst te betalen/te verrekenen:  
• Door LASER betaald aan IFA1 036863
• Door IFA betaald (en niet aan baten-lastendienst doorbelast)2 7922 704
Totaal3 8283 566

Overige Materiele kosten

De overige materiele kosten bestaan uit reiskosten (€2,7 mln.), drukwerk en communicatie (€2,5 mln), verplaatsingskosten (0,7 mln.), opleidingskosten (€1,0 mln.) en catering en abonnementen (0,4 mln.)

Rentelasten

De rentelasten ad € 0,4 mln. vloeien voort uit het aangegane beroep op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten (voor zowel materiële als immateriële vaste activa) worden lineair bepaald rekening houdend met de restwaarde van het vast actief.

Bedragen x € 1000
 20032002
Afschrijvingen materieel  
• inventaris/installaties772568
• hardware747479
Afschrijvingen immaterieel2 3011 865
Totaal afschrijvingskosten3 8202 912

Voorzieningen

Voor voorzieningen heeft er over 2003 een vrijval plaatsgevonden ad € 1 535 674. Dit heeft betrekking op de reorganisatievoorziening, waar ten gevolge van de voorgenomen fusie geen grondslag meer voor is. Zie voor een onderbouwing van de balanspost voorzieningen de toelichting op de balans.

Buitengewone lasten

Deze post bestaat voor €4,9 mln. uit de eerder onder de Vaste activa in aanbouw toegelichte afboeking. Daarnaast heeft € 1,0 mln. betrekking op kosten die dit jaar zijn gemaakt voor aanbouw van toekomstige vaste activa, waarvan uiteindelijk is besloten deze als buitengewone last op te nemen. De oorzaak hiervan is het stopzetten van de ontwikkeling van een ondersteunend systeem als gevolg van LNV-brede regelgeving omtrent te volgen ontwikkelmethodologieën. Uit voorzichtigheidsoverwegingen is besloten het geheel in één keer ten laste van het resultaat te nemen. De overige buitengewone lasten ad. € 0,4 mln hebben betrekking op een in 2002 ten onrechte verantwoorde omzet van de grondkamers, welke in 2003 ten laste van het resultaat wordt gebracht.

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RIC 1 januari 20036 75242– 6 710
2. Totaal operationele kasstroom4 02217 17313 151
(-/-) Totaal investeringen– 5 013– 2 8752 138
(+) Totaal boekwaarde desinvesteringen 4 9154 915
3. Totaal investeringskasstroom– 5 0132 0407 053
(-/-) Eenmalige uitkering aan moederdepartement   
(+) Eenmalige storting door moederdepartement   
(-/-) Aflossingen op leningen– 3 250– 3 035215
(+) Beroep op leenfaciliteit5 0131 663– 3 350
4. Totaal financieringskasstroom1 763– 1 372– 3 135
5. Rekening-courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)7 52417 88310 359

Toelichting op het Kasstroomoverzicht

In het kasstroomoverzicht worden de gerealiseerde bedragen vergeleken met de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2003. De gerealiseerde kasstroom uit investeringsactiviteiten is lager dan voorzien in de oorspronkelijk begroting. Belangrijkste oorzaak hiervoor is dat er minder is geïnvesteerd als gevolg van de investeringstop die in het begin van het jaar 2003 aangekondigd is.

Het saldo liquide middelen is verklaard onder de post liquide middelen in de balans.

Resultaatbestemming

Het vaststellen van de financiële verantwoording en resultaatbestemming is de verantwoordelijkheid van de Bestuursraad van LNV. De financiële verantwoording, de accountantsverklaring en het voorstel voor resultaatbestemming worden voorgelegd aan de portefeuillehouder van LASER in de Bestuursraad.

LASER heeft dit jaar een verlies geleden van € 2,56 mln. Formeel moet nog worden besloten over de bestemming van dit resultaat.

Overige Gegevens

Kengetallen

Prestaties en doelmatigheidskengetallen

In tabel 10.1 zijn de producten van LASER (i.c. de regelingen) onderverdeeld naar 9 categorieën. Voor iedere categorie is aangegeven tot welke output desbetreffende producten leiden. In de kolom «Realisatie 2002» zijn de kengetallen weergegeven zoals deze zijn opgenomen in de jaarrekening 2002. Daarnaast zijn in de kolom «Realisatie 2003» de gerealiseerde kengetallen voor 2003 weergegeven.

Tabel 10.1 Realisatie 2002 en realisatie 2003
  Realisatie 2002Realisatie 2003 
CategorieOutputAantal regelingenIntegrale kosten (x mln.)Integrale kosten (€) per prestatieSubsidie omvang (x € mln.) Aantal regelingenIntegrale kosten (x € mln.) Integrale kosten (€) per prestatieSubsidie omvang (x € mln.)
Subsidie regeling EUSubsidieverstrekking5237.951413692935.98123409
Subsidie regelingen NationaalSubsidieverstrekking436.63265107433.01142166
Stimulerende regelingenSubsidieverstrekking192.531 11324231.8754825
Vergunningsregelingen (NAT)Afgifte vergunning242.37420192.09561
Algemene Departementale Regelingen 0000203.20700275
Registrerende regelingenVerzamelen en verstrekken van gegevens93.0526064.87370
Adviserende regelingenVerstrekken van adviezen2712.269161511.15548
  Realisatie 2002Realisatie 2003 
CategorieOutputAantal regelingenIntegrale kosten (x mln.)Integrale kosten (€) per regelingSubsidie omvang (x € mln.) Aantal regelingenIntegrale kosten (x € mln.) Integrale kosten (€) per regelingSubsidie omvang (x € mln.)
Marktordeningsregelingen (EU)Aan- en verkoop inteventieproduc- ten74.94705 831117164.00249 57063
OverigDivers175.79340 7183151.1778 0130
Niet structureleWTS,OSR,        
RegelingenVuurwerk,AI,        
 MKZ en BSE205.48274 23961259.27370 8348

In tabel 10.2 zijn de producten van LASER (i.c. de regelingen) op dezelfde wijze verdeeld als in tabel 10.1. In de kolom beginvoorraad gaat het om het totaal aantal bezwaarschriften dat per 01-01-2003 nog in behandeling is.

Bezwaarschriften

Tabel 10.2 Bezwaarschriften en Beroepsschriften 2003
CategoriePrestatiesBegin voorraad in 2003Aantal ingediend in 2003In 2003 afgehandeldIn 2003 toegekendIn 2003 afgewezen
Subsidie regeling EUSubsidieverstrekking3 8233 5114 9541 6273 317
Subsidie regelingen NationaalSubsidieverstrekking394133468157329
Stimulerende regelingenSubsidieverstrekking46921071691
Vergunningsregelingen (NAT)Afgifte vergunning1008513417117
Registrerende regelingenVerzamelen en verstrekken van gegevens00000
Adviserende regelingenVerstrekken van adviezen08725
Marktordeningsregelingen (EU)Aan- en verkoop interventieproducten63737433
OverigDivers20202
Niet structurele regelingenWTS & OSR20426316810068
Totaal 4 5754 1295 8771 9233 962

Beroepsschriften

CategorieBegin voorraad in 2003Aantal ingediend in 2003VerweerZittingenUitspraakGegrondOngegrond
Subsidie regeling EU0194155113962670
Subsidie regelingen Nationaal055562434430
Stimulerende regelingen01487716
Vergunningsregelingen (NAT)02313131028
Registrerende regelingen0000000
Adviserende regelingen0000000
Marktordeningsregelingen (EU)026260000
Overig0000000
Niet structurele regelingen0445027281711
Totaal035630818417550125

Beheersmatige indicatoren

In tabel 10.3 onderscheidt LASER de volgende indicatoren om het financieel beheer te kunnen monitoren. Deze indicatoren geven inzicht in de betreffende ontwikkeling over de jaren heen.

Tabel 10.3 Beheersmatige indicatoren
 200020012002Begroot 2003Realisatie 2003
Gemiddeld uurtarief (€)52,7952,9353,7759,3460,04
Resultaatontwikkeling (x € 1000)364777760 – 2 558
Flexibiliteit personele inzet0,380,290,290,250.28
Productiviteit Ambtelijk Personeel (%)74,476,775,676,577,2
Gemiddelde Tijdsinzet per Aanvraag1,111,592,080,971,66
Gemiddelde Uitvoeringskosten per Aanvraag71,30117,46137,2172,30103,67

* De gemiddelde tariefontwikkeling wordt gerelateerd aan de gemiddelde uurprijs die door LASER wordt gehanteerd bij het bepalen van de kosten per regeling.

** De indicator resultaatontwikkeling heeft betrekking op de resultante van de baten en lasten (realisatie). Voorcalculatorisch zijn de baten en lasten in evenwicht.

*** De flexibiliteit is gedefinieerd als de formatieve inzet van uitzendkrachten en contractanten gedeeld door de totale formatieve bezetting.

Prestaties en Uitvoeringskosten per Beleidsartikel

In tabel 10.4 zijn het aantal prestaties van LASER (i.c. de regelingen) met bijbehorende uitvoeringskosten per beleidsartikel weergegeven.

Tabel 10.4 Prestaties en Uitvoeringskosten per Beleidsartikel
 Uitvoeringskosten (x € 1000)Aantal Regelingen 
 20012002Realisatie 2003Begroting 200320012002Realisatie 2003Begroting 2003
Artikel 1        
Versterking Landelijk Gebied2 7841 1121 9381 11729363535
Artikel 2        
Verwerving en Inrichting EHS 7020661 101
Artikel 3        
Beheer EHS6 02110 2379 1346 37415132013
Artikel 4        
Economisch Perspectiefvolle Agroketens9 5285 4441 4074 00124191519
Artikel 5        
Bevorderen Duurzame Productie3 6138 9485 6942 29129252625
Artikel 6        
Voedselveiligheid, Voedselkwali-teit en Diergezond-heid7 432 5 940 12 26 
Artikel 9        
Kennis Verspreiding5989104072804454
Artikel 11        
Algemeen (=EU)26 38719 93035 96719 68030294929
Totaal56 36347 28360 48334 404143127176126

Plantenziektenkundige Dienst

Algemeen

De opdracht die de Plantenziektenkundige Dienst (PD) als agentschap heeft is het weren, bestrijden en beheersen van ziekten en plagen in de plantaardige sector. Dit om een duurzame, concurrerende en veilige land- en tuinbouw te bevorderen, de handel zoveel mogelijk ongestoord te laten plaatsvinden en het Nederlandse landschap in stand te houden. Een duurzame, veilige en concurrerende land- en tuinbouw betekent onder andere minder gebruik en minder afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen. Het voorkómen, dan wel beperken van ziekten en plagen levert daaraan een belangrijke bijdrage.

De PD voert deze taak uit in het kader van de Plantenziektenwet, de Bestrijdingsmiddelenwet, Europese regelgeving en internationale verdagen. Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is en voor beleidsondersteuning ten behoeve van LNV ontvangt de PD een bijdrage van het ministerie. Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel van toepassing is, brengt de PD een in beginsel kostendekkend tarief (retributie) in rekening. Daar waar de dienst, afgeleid van zijn kerntaken, opdrachten voor de derden uitvoert in concurrentie, gelden marktconforme tarieven.

De PD bewaakt en bevordert de plantgezondheid in Nederland en internationaal door import en export inspecties van planten en plantproducten en door het (doen) monitoren, uitroeien en beheersen tijdens de teelt en in de groene ruimte. Door de PD werden in 2003 113 000 controles importcertificaten (+ 150% t.o.v. 2002), 250 000 afgifte exportcertificaten (– 15%) uitgevoerd. Voorts werden 18 500 monsters (+ 5%) onderzocht. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is en 142000 (+ 26%) keer een bezoek gebracht aan bedrijven of objecten. Daarnaast adviseert de PD LNV bij de beleidsvorming op het fytosanitair terrein inclusief de gewasbescherming.

Op 1 april 2003 heeft de EU negen geslachten snijbloemen inspectie-plichtig verklaard. Nederland importeert jaarlijks ongeveer 3 miljard stelen van deze bloemen (waarde ca. 750 miljoen euro). Traditionele inspectie van een dergelijk volume producten zou leiden tot zeer hoge keuringskosten en veel logistiek oponthoud voor het bedrijfsleven en een groot beslag leggen op de inspectie capaciteit van de PD. Omdat veel snijbloemen een laag fytosanitair risico vormen heeft de PD in Brussel met succes gepleit voor het relateren van de inspectie intensiteit aan het fytosanitair risico dat aan een bepaald product – land combinatie kleeft. Om dat systeem bij een dergelijk groot volume product hanteerbaar te maken was het noodzakelijk om een geautomatiseerd systeem te ontwikkelen voor berichtenverkeer tussen het bedrijfsleven, de PD en de douane. Onder hoogspanning is met gemeenschappelijke inspanning dit systeem ontwikkeld. Inmiddels wordt zo'n 97% van de snijbloemen elektronisch aangemeld en administratief afgehandeld. Het gemiddelde inspectiepercentage op zendingniveau lag in 2003 op 20%.

In 1992 is vanuit Amerika rond het vliegveld van Belgrado een kevertje opgedoken dat schadelijk is voor de maïsteelt. De natuurlijke verspreiding van deze maïswortelkever gaat met ca. 40 tot 80 km/jaar. Echter door versleping via mensen of machines kunnen grote afstanden worden overbrugd. Sinds 1997 heeft de PD vallen uitstaan met lokstoffen en daarnaast is een draaiboek opgesteld hoe te handelen bij een vondst. In augustus 2003 werden bij Aalsmeer 2 kevertjes aangetroffen. Dankzij het draaiboek kon zeer snel tot uitroeiing worden overgegaan. Maïs vertegenwoordigt een waarde van zo'n € 1500 per hectare; totale waarde in Nederland beloopt dan ruim € 300 miljoen. Wanneer de kever zich zou vestigen en er geen maatregelen genomen worden, kan de schade aanzienlijk zijn; tientallen procenten schade zijn dan te verwachten. In de VS wordt deze kever de «Billion dollar bug» genoemd, omdat de jaarlijkse opbrengstderving (schade + bestrijdingskosten) daar naar schatting 1 miljard dollar bedraagt.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De grondslagen zijn ten opzichte van het vorige boekjaar niet gewijzigd. De waardering en resultaatbepaling hebben plaatsgevonden met inachtneming van algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan periodes, continuïteit en bestendige gedragslijn. In beginsel luiden alle bedragen tegen nominale waarde en/of op basis van historische uitgaafprijzen.

Vaste activa

De immateriële en materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen.

Vorderingen

De vorderingen zijn opgenomen tegen nominale waarde verminderd met de noodzakelijk geachte voorziening voor mogelijke oninbaarheid.

Resultaatbepalingsgrondslagen

De resultaten zijn berekend op basis van historische kostprijzen, waarbij de baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de reguliere bedrijfsvoering.

Balans per 31 december 2003

Bedragen x € 1000
 Balans 2003Balans 2002
Activa  
Immateriële activa1 4431 011
Materiele activa  
– grond en gebouwen 
– installaties en inventarissen1 3901 429
– overige materiele vaste activa (hardware)561465
Debiteuren2 2391 802
Nog te ontvangen2 2981 520
Liquide middelen4 594428
Totaal activa12 5256 655
   
Passiva  
Eigen vermogen  
– exploitatiereserve– 1 337562
– verplichte reserve1 4431 011
– onverdeeld resultaat563– 2 167
Leningen bij MvF4 6852 614
Voorzieningen1 181185
Crediteuren9921 078
Nog te betalen4 9983 372
Totaal passiva12 5256 655

Activa:

Materiële en Immateriële Activa

Bedragen x € 1000
 Hardware 3 jaarSoftware 5 jaarInventaris/Installaties 10 jaarTotaal
Aanschaffingsprijs1 7811 7972 7416 319
Cumulatieve afschrijvingen1 3177861 3123 415
Boekwaarde per 01-01-20034641 0111 4292 904
     
Mutaties boekjaar 2003:    
Bij: investeringen4437942601 497
aansluiting activa module  2222
Af: -diefstal/Ass.Eigen Risico33
-afschrijvingen3433623211 026
Totaal mutaties97432– 39490
     
Aanschaffingsprijs2 2212 5913 0237 835
Cumulatieve afschrijvingen1 6601 1481 6334 441
Boekwaarde per 31-12-20035611 4431 3903 394

Immateriële vaste activa

De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De immateriële vaste activa bestaan uit voor de PD ontwikkelde software. De waardering vindt plaats tegen de hiervoor aan derden betaalde gelden. De afschrijvingstermijn is gesteld op 5 jaar.

De stijging wordt met name veroorzaakt door de ontwikkeling van het werkbeheers- en volgsysteem Prisma, o.a. noodzakelijk om een eenduidige koppeling te borgen tussen geïnspecteerd object en laboratoriumuitslag, en de ontwikkeling van Landeninformatie op Internet, een systeem waardoor alle exporteisen van derde landen steeds up to date op internet beschikbaar zijn.

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. Afhankelijk van de economische/technologische levensduur wordt een afschrijvingstermijn gehanteerd van 3 tot 10 jaar. Om de aansluiting met de subadministratie vaste activa te behouden heeft er een positieve correctie van € 22 210 plaatsgevonden. De bij een inbraak ontvreemde hardware is voor de restwaarde van € 2 972 afgeschreven ten laste van de voorziening Assurantie Eigen Risico.

Debiteuren

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Debiteuren2 2641 827
Af: voorziening dubieuze debiteuren2525
 2 2391 802

De inspectieplicht snijbloemen heeft een toename van het saldo debiteuren tot gevolg gehad. Vanwege het nieuw geïntroduceerde tarief zijn diverse debiteuren een bezwaarprocedure gestart en wachten daarom met betalen.

De debiteuren zijn volledig als kortlopend te beschouwen. Uit ervaringsgegevens is gebleken dat een voorziening ter hoogte van € 25 000 voldoet om het gemiddelde debiteurenrisico te dekken.

Nog te ontvangen/vooruitbetalingen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Personeel– 2– 2
Nog te factureren omzet2 2281 448
Vooruitbetaalde kosten7274
 2 2981 520

De post nog te ontvangen bestaat voor het grootste deel uit nog te factureren opbrengsten over uitgevoerde diensten van met name december 2003, die in januari 2004 zijn gefactureerd. Ten opzichte van 2002 zijn de na balansdatum gefacureerde bedragen nu gerubriceerd onder Nog te factureren omzet in plaats van onder Debiteuren.

Liquide middelen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Kassen5837
Rekening courant Ministerie van Financiën4 536391
 4 594428

De liquide middelen voor totaal € 4 594 129 bestaan uit de Rekening Courant bij het Rijks Informatiecentrum (RIC) ter waarde van € 4 535 724 en de kassen in de PD-locaties, exclusief betalingen onderweg.

Passiva:

Vermogen

Bedragen x € 1000
 Exploitatie reserveVerplichte ReserveOnverdeeld ResultaatAgentschaps-Vermogen
Stand per 1-1-20035621 011– 2 167– 594
Overboeking– 1 8994322 030563
Uitkering door moederdepartement  700700
Stand per 31-12-2003– 1 3371 443563669

De verplichte reserve heeft betrekking op de in de balans geactiveerde immateriële vaste activa. In het jaar 2003 is € 0,7 mln. ontvangen van het moederdepartement ter aanvulling van het eigen vermogen.

Het resultaat 2003 is voorlopig opgenomen als onverdeeld resultaat vooruitlopend op de definitieve bestemming door het moederdepartement.

Leningen van de baten-lastendienst bij het ministerie van Financiën

Bedragen x € 1000
Stand per 1-1-20032 614
Aflossingen– 760
Leningen afgesloten in 20032 831
Stand per 31-12-20034 685

Op de leningen is de Regeling Leen- en depositofaciliteit agentschappen 2003 van toepassing.

Het rentepercentage is afhankelijk van de looptijd van de leningen en varieert van 2,69% tot 5,55%.

De looptijd van de leningen is afhankelijk van de economische levensduur van de te financieren vaste activa. Met een beginstand van € 2 613 967, een beroep op de leenfaciliteit van € 2 831 000 en een aflossing van € 760 263, is de stand op 31 december 2003 € 4 684 705 als schuldrest. De lening, die in 2003 is opgevraagd, is voor € 1 496 899 gebruikt voor investeringen in automatisering en laboratoriumapparatuur. Vanwege o.a. de uitstel van investering in verband met de overgang naar een ander tijdschrijffsysteem is € 1 334 101 beschikbaar in 2004 voor het doen van geplande investeringen.

Voorzieningen

Bedragen x € 1000
 WachtgeldenReorganisatieAssurantie eigen risicoTotaal
Stand per 01-01-20031006025185
Dotaties31 00331 009
Onttrekkingen–/- 3–/- 7–/- 3–/- 13
Stand per 31-12-20031001 056251 181

De voorziening Reorganisatie, opgehoogd naar € 1 056 000, is opgevoerd ter dekking van de kosten als gevolg van reorganisaties van de Buitendienst en Shared Services. Door in de Buitendienst te concentreren in vier districtskantoren, kunnen specialisatie naar sectoren, maximale concentratie van management, ondersteuning en klantcontact gerealiseerd worden. Hiermee kan efficiency, effectiviteit en continuïteit ook in de toekomst gewaarborgd worden. De introductie van Shared Services HRM, vloeit voort uit het kabinetsbesluit. De concentratie van personeelsregistratie en salarisadministratie rijksbreed brengen externe begeleiding, ondersteuning en opleidingskosten met zich mee. De voorziening Assurantie eigen risico is gehandhaafd op € 25 000. De voorziening Wachtgelden van € 100 000, is ter dekking van de wachtgeldverplichtingen voor personeel.

Crediteuren (kortlopende schulden)

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Crediteuren9921 078
 9921 078

Kortlopende schulden zijn opgebouwd uit crediteuren ter waarde van € 1 043 988, onder aftrek van betalingen onderweg € 51 968.

Nog te betalen/vooruitontvangen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Personeel1 4661 320
Vooruitvangen omzet moederdepartement2000
Werkkapitaal1 1112 052
Overige421
 4 9983 372

De balanspost Personeel betreft voornamelijk opgebouwde rechten op vakantiegeld, verlofdagen en interim-vergoeding (ZK-regeling). De vooruitontvangen omzet van het moederdepartment bedraagt € 2 mln. Daarnaast bestaat deze balanspost uit ontvangen voorschotten, na aftrek van bestede kosten, voor internationale samenwerkingsprojecten per saldo € 463 699 en voor software-ontwikkeling (Client) en schadevergoedingen € 647 599. Laatste onderdeel van deze balanspost is overige nog te betalen kosten 2003 ter waarde van € 421 293.

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Baten   
Opbrengst moederdepartement12 25815 0172 759
Opbrengst overige departementen   
Opbrengst derden11 76513 5101 745
Totaal baten24 02328 5274 504
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– vast personeel13 18915 3302 141
– variabel personeel2 0841 516– 568
– materiele kosten5 0135 928915
– huisvesting2 6022 995393
Afschrijvingskosten   
– materieel709664– 45
– immaterieel247362115
Rentelasten13414612
Dotaties voorzieningen451 023978
Totaal lasten24 02327 9643 941
    
Saldo van baten en lasten0563563

De Plantenziektenkundige Dienst heeft in 2003 een positief resultaat van € 0,6 mln. gerealiseerd.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement heeft betrekking op de vergoeding voor de dienstverlening ten behoeve van het ministerie van LNV. De hogere bijdrage wordt veroorzaakt doordat de tariefsverhoging niet geheel en later is doorgevoerd dan voorzien, door meer werkzaamheden voor het moederdepartement en door hogere huisvestingskosten.

De LNV-bijdrage aan de PD, die is verantwoord onder beleidsartikel 5, is € 2,7 mln. hoger dan de opbrengst moederdepartement in bovenstaande verantwoordingsstaat. De oorzaak hiervan is dat een aantal voor in 2003 geplande werkzaamheden pas in 2004 wordt uitgevoerd (€ 2 mln.) en dat ter aanzuivering van het eigen vermogen in 2003 € 0,7 mln. door het moederdepartement is bijgedragen.

Opbrengst derden

De opbrengsten derden zijn te specificeren in Import & Exportinspecties (€ 8,4 mln.), Reduced Checks (€ 2,8 mln.), Diagnostiek (€ 0,2 mln.) en Overige € 2,1 mln.). De gerealiseerde opbrengst derden is 15% hoger dan begroot en 36% hoger dan de realisatie van 2002. Dit is veroorzaakt door de uitbreiding van inspectieplichtige snijbloemen en door de aanpassing van de tarieven.

Lasten

De lasten als geheel over 2003 zijn 16% hoger uitgevallen dan oorspronkelijk begroot. Om optimaal aan te sluiten bij de logistiek van het bedrijfsleven, hebben diverse investeringen plaatsgevonden in de organisatie, waaronder reorganisaties van beleids- en uitvoerende afdelingen, een kennisinhaalslag en investering in kwaliteitszorg. Daarnaast is een aanvang gemaakt met de herziening van het inspectieregiem. Als gevolg hiervan laten personele lasten ten opzichte van de oorspronkelijke begroting een stijging zien van 10%. Ten opzichte van de realisatie van 2002 is er slechts een lichte lastenstijging van 5%. Deze bescheiden stijging ten opzichte van 2002, is het resultaat van terughoudendheid in personele en materiële uitgaven.

Apparaatskosten

De kosten voor personeel kunnen als volgt worden gespecificeerd

Bedragen x € 1000
 20032002
Vast personeel15 33014 533
Detacherings- en uitzendkrachten1 5161 892
Totaal personeel16 84616 425

Afschrijvingskosten

De kostenpost afschrijvingen kan als volgt worden gespecificeerd:

Bedragen x € 1000
 20032002
Afschrijvingen immaterieel362183
Afschrijvingen immaterieel  
Inventaris/installaties321195
Computerapparatuur343293
Totaal afschrijvingen1 026671

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2003

Bedragen x € 1000
   (1)(2)(3)=(2)-(1)
  OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
1. Rekening-courant RIC 1 januari 2003– 200391591
2. Totaal operationele kasstroom9562 8711 915
 (-/-)– Totaal investeringen– 1 134– 1 497– 363
 (+)– Totaal boekwaarde desinvesteringen   
3. Totaal investeringskasstroom– 1 134– 1 497– 363
 (-/-)– Eenmalige uitkering aan moederdepartement   
 (+)– Eenmalige storting door moederdepartement 700700
 (-/-)– Aflossing op leningen– 904– 760144
 (+)– Beroep op leenfaciliteit1 1342 8311 697
4. Totaal financieringskasstroom2302 7712 541
5. Rekening-courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)– 1484 5364 684

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 1999–2003

Bedragen x € 1000
 1999200020012002Begroting 2003Realisatie 2003
1 Eigen vermogen per 1/13 8978131 6452 2901 177– 594
2 Saldo van baten en lasten– 625832973– 2 167 563
3a uitkering aan moederdepartement  – 350– 717 
3b bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen    700 
3c overige mutaties in eigen vermogen– 707 22  
3 Totaal directe mutaties in het eigen vermogen707 – 328– 717 700
4 Eigen vermogen per 31/12 (1+2+3)2 5651 6452 290– 5941 177669

Prestaties en indicatoren

Kosten per productgroep

Bedragen x € 1000
ProductgroepBegroting 2003Realisatie 2003
Weren en vrijwaren van Q-organismen en kwaliteit8 61014 828
Fytosanitair (uitroeien, beheersen en monitoren van Q-organismen)5 5734 845
Kennis en Expertise2 7902 303
Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen924808
Detectie en identificatie van Q-organismen3 5802 753
Beleidsondersteuning2 4052 153
Toezicht (keuringsdiensten)141274
Totaal kosten24 02327 964

De totale kosten zijn op basis van de urenrealisatie per productgroep toegerekend naar productgroepen. Circa 53% van de kosten worden gemaakt voor de producten weren en vrijwaren. De fytosanitaire producten «uitroeien, beheersen en monitoren» nemen 17% voor hun rekening. Het overige deel van de kosten komt voor rekening van de overige productgroepen. Opgemerkt moet worden dat deze toerekening van kosten verder verfijnd kan worden als rekening wordt gehouden met het (relatief) dure laboratorium dat op de productgroepen «kennis en expertise» en «detectie en identificatie van Q-organismen» drukt.

Prestaties (aantallen)

ProductProductgroep20012002Begroting 2003Realisatie 2003
1 Inspecties importzendingen Inspecties reduced checks Weren van Q organismen en kwaliteit46 28765 52444 00059 70253 645
2 Gewaarmerkte exportcertificatenVrijwaren van Q organismen en kwaliteit242 508287 502249 000244 193
3 Bedrijfsbezoeken (bedrijfsbezoeken) Weren, Vrijwaren, uitroeien, beheersen en monitoring*135 10588 000173 288
4 Mutaties besmetverklaringenMonitoring3701 082500181
5 Monstername bruinrot/ringrotMonitoring71 7038 32485 0008 528
6 Diagnostische inzendingen Diagnose en identificatie57 5295 28870 0004 933
7 Adviesuren landbouwkundige deugdelijkheidGeïntegreerde Gewasbescherming1 6321 9132 3001 265
8 Verstrekte vergunningenGeïntegreerde Gewasbescherming37 66413 82320 0008 760

* Gegevens niet beschikbaar

1 Inspecties importzendingen: iedere import- of exportpartij bestaat uit één of meerdere zendingen (een homogene partij bloemen, planten of fruit die vergezeld gaat van een fytosanitair certificaat). Het jaar 2003 laat een stijging van het aantal afgegeven import- en exportcertificaten zien ten opzichte van voorgaande jaren. Deze stijging is met name het gevolg van de introductie van certificaten voor snijbloemen. Verder was een daling van de handel verwacht. Derhalve ligt de begroting aan de hoge kant.

2 Ten aanzien van het aantal gewaarmerkte exportcertificaten zijn er geen bijzonderheden.

3 inspectiebezoeken fytosanitair: ook hier is de hoge realisatie het gevolg van de introductie van reduced checks: volgens EU richtlijn moest in beginsel een minimum 10% per product/land combinatie worden geïnspecteerd.

4 Besmetverklaringen: het aantal gevonden besmetverklaringen ligt lager dan begroot. Er zijn dit jaar minder besmetverklaringen stengelaaltjes uitgevaardigd.

5/6 De afwijkingen monstername bruinrot/ringrot en diagnostische inzendingen worden verklaard doordat de activiteiten met betrekking tot bruinrot/ringrot zijn overgedragen aan de NAK/Agro. Hier was bij het opstellen van de begroting geen rekening mee gehouden.

7 Het aantal advies-uren voor het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) ligt lager dan begroot. De oorzaak is gelegen in de dalende vraag vanuit het CTB. Veel van de te beoordelen dossiers werden door het CTB niet volledig bevonden, en derhalve niet aan de PD aangeboden voor vervolg.

8 Het aantal afgegeven vergunningen ligt lager dan begroot.

Doelmatigheid

Inzet arbeidscapaciteit (%)
 2001 (%)2002 (%)Begroting 2003 (%)Realisatie2003 (%)
Bruto capaciteit100100100100
Bezettingsgraad (= netto capaciteit)83,98385,982
Afwezigheid (verlof en ziekte)16,11714,118
Netto capaciteit100,0100,0100,0100,0
Primair proces64,957,065,261
Management en beheer28,034,027,039
Kennis- en methodenontwikkeling7,19,07,8*

* Met ingang van 1 januari 2003 maakt kennis en methoden ontwikkeling deel uit van het primaire proces

De verschillen tussen begroting en realisatie worden met name veroorzaakt doordat de implementatie van de reorganisatie meer tijd heeft gekost dan aanvankelijk ingeschat. Verder speelt afwezigheid als gevolg van verlof en ziekte een rol. Tot slot zijn er veel vacatures pas aan het einde van het jaar 2003 opgevuld.

Gemiddelde duur prestaties (in uren)

 20012002Begroting 2003Realisatie 2003
Inspectie weren Q en kwaliteit***1,40,80,6
Inspectie vrijwaren Q en kwaliteit*10,30,8
Verstrekken vergunning0,30,50,50,6

* Met ingang van 1 januari 2002 wordt de duur van een inspectiebezoek geregistreerd; historische gegevens zijn niet voorhanden

** Exclusief reduced checks

De duur van een bezoek vrijwaren (export) ligt nog steedds hoger dan begroot maar is, in vergelijking met het jaar 2002, wel wat afgenomen. De realisatie is exclusief de administratieve afhandeling van de inspecties, maar inclusief reistijd. De realisatie van een inspectie weren ligt lager dan begroot. Het verstrekken van een vergunning is nagenoeg gelijk gebleven met het jaar 2002.

Doeltreffendheid

Wering schadelijke organismen20012002Begroting 2003Realisatie 2003
Aantal geïnspecteerde zendingen46 28765 52445 000113 347
Aantal geweerde zendingen155198250345
Percentage geweerde zendingen0,3%0,3%0,6%0,3%

Het aantal geïnspecteerde zendingen is, overeenkomstig het aantal inspectiebezoeken, toegenomen als gevolg van de introductie van inspecties voor snijbloemen. Ondanks de toename van het aantal geïnspecteerde zendingen heeft dit niet geleid tot een hoger aantal vondsten Q organismen.

Kwaliteit

 200120022003
Klaagschriften768
Aantal afgehandeld767
Aantal gegrond verklaard340
Beroeps- en bezwaarschriften   
Aantal uitspraken9637
Afgewezen (%)100100100
Toegekend (%)000

Er zijn 8 klaagschriften ontvangen waarvan 7 afgehandeld en 1 nog onderhanden. Gedurende het jaar zijn 1 beroepschrift en 1 bezwaarschrift ingetrokken. Ten aanzien van beroepen gaat het in 12 gevallen om dezelfde zaak: telers zijn maatregelen aangezegd, omdat ze in het seizoen 2002 hebben beregend met oppervlaktewater dat in de loop van het teeltseizoen besmet bleek met bruinrot.

Volume en prijsindicatoren activiteit exportinspectie en importinspectie (excl inspecties van aardappelen en bloembollen)

 Volume 1 t/m 3e/4e kwartaalPrijs 2003 in €: t/m 3e/4e kwartaal
Inspectie voorrijtarief (gedeclareerd)61 362/18 85630,25/33,28
Inspectie eenheden import63 060/15 00919,70/21,67
Inspectie eenheden export (1=15 minuten)56 566/16 17719,70/21,67

* Hierin zijn ook de lagere voorrijtarieven van de veiling verwerkt en de hogere tarieven voor overwerk (avond, zaterdag en zondag)

Voedsel en Waren Autoriteit

Inleiding

De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) bestaat uit drie onderdelen: de Centrale Eenheid (VWA/CE), de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees (VWA/RVV) en de Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW). De verantwoording van de VWA bestaat daarom uit drie afzonderlijke paragrafen. Het budget voor de VWA/KvW staat op de VWS-begroting (artikel 11B). Het budget voor de VWA/CE en de VWA/RVV staat op de LNV-begroting (Beleidsartikel 6 «Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid»).

Op grond van het Koninklijk Besluit van 2 juni 2003, houdende overgang van het beheer van de Voedsel en Waren Autoriteit (staatsblad 2003, 240) is de Minister van LNV met ingang van 27 mei 2003 beheersverantwoordelijke geworden voor de VWA.

(Tijdelijk)Agentschap VWA/CE

Algemeen

Een belangrijk aandachtspunt voor 2003 was het oprichten van de VWA/CE en samen met de centrale staven van de VWA/KvW en de VWA/RVV te huisvesten op één locatie. Ter uitvoering hiervan zijn de vier directies van de Centrale Eenheid op basis van een vastgesteld organisatie- en formatieplan ingesteld. In het najaar van 2003 zijn de betreffende functies daadwerkelijk ingevuld. Tevens heeft de huisvesting op één locatie plaatsgevonden.

De VWA/CE heeft drie belangrijke taken: toezicht houden, onderzoek/risicobeoordelingen uitvoeren en communicatie verzorgen/advies geven. Deze taken zijn uitgewerkt in de VWA-meerjarenvisie 2004–2007, die is afgestemd met de eigenaar (LNV) en de opdrachtgevers (LNV en VWS), alsmede met een groot aantal maatschappelijke organisaties.

1. Toezicht

In 2002 is een gezamenlijk pilot van de VWA/CE en VWA/KvW gestart genaamd «effectieve handhaving». In 2003 heeft dat tot een aantal concrete resultaten geleid. Zie het VWS-jaarverslag (artikel 11 B) voor een nadere toelichting.

2. Onderzoek en Risicobeoordeling

Op grond van de verantwoordelijkheid voor het adviseren op basis van wetenschappelijk gefundeerde risicobeoordelingen, zijn in 2003 adviezen aan LNV en VWS uitgebracht t.a.v.: gehalte dioxine in broodmeel dat verwerkt is in diervoeders; lood in gras als gevolg van kleiduivenschieten; de aanwezigheid van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (pak's) in voordrooggras vanuit bermen; malachietgroen in zalm; blackhead; furazolidon; SEM en lasalocide.

Zowel vanuit de handhavingverantwoordelijkheid als vanuit de verantwoordelijkheid voor risicobeoordelingen vormen groeibevorderaars een aandachtspunt van de VWA. Door de VWA is een voorstel ingebracht in een expertbijeenkomst te Brussel voor het toezicht op het illegaal gebruik van boldenon (hormonen die de groei van kalveren bevorderen).

Microbiologische contaminanten (bijvoorbeeld STEC, Campylobacter, Salmonella, Eterobacter, Sagasaki) vormen een risico voor de volksgezondheid, deze bacteriën kunnen ernstige ziekteverschijnselen veroorzaken bij de mens. In internationaal verband is een nota over microbiologische criteria opgesteld. Voor enkele van deze bacteriën (STEC) is een risicobeoordeling en voorstel voor maatregelen opgesteld.

Tot op heden wordt bij de normstelling voornamelijk uitgegaan van op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde normen en nultoleranties. Bij deze benadering kunnen echter steeds meer kanttekeningen worden gezet. Enerzijds omdat vanwege de technologische ontwikkelingen de mogelijkheden om stoffen te kunnen detecteren zijn toegenomen, anderzijds omdat ook andere maatschappelijke factoren kunnen meewegen bij de vaststelling van de normen. De VWA/CE heeft dit onderwerp in discussie gebracht.

Om het inzicht in nieuwe potentiële risico's en/of zich ontwikkelende risico's te vergroten zijn diverse projecten uitgevoerd. Het resultaat van een internationale workshop over acrylamide in levensmiddelen is samengevat in een white paper dat is aangeboden aan de EFSA. Daarnaast is een advies uitgebracht aan VWS en LNV. Op grond van de bevindingen is aanvullend onderzoek gestart. Uit dit onderzoek blijkt dat, in tegenstelling tot wat werd verwacht, het afbakken van patat op een lagere temperatuur dan gebruikelijk is, niet tot een hoger vetgehalte leidt. Het eerdere advies van de VWA om goudgeel als norm voor het afbakken te hanteren blijft hiermee gehandhaafd.

In het kader van de beheersing van risico's in de voedselketen is gestart met een grondige ketenanalyse en risicobeoordeling van de diervoedersector. Doel is om de risico's voor de volksgezondheid (inclusief zoönosen) aan te duiden en de hiaten in de kwaliteitsborging vast te stellen. Ook wordt, in opdracht van het ministerie van LNV, nagegaan in hoeverre, met gebruikmaking en koppeling van al bestaande registraties, een bedrijfsmonitoringssysteem kan worden ontwikkeld dat een signalerende functie kan vervullen bij het opsporen van problemen op bedrijfsniveau.

De risico's van toenemende antibiotica resistentie zijn in kaart gebracht. Uit het uitgebrachte rapport blijkt dat het gebruik van antibiotica en de residuen in menselijke voeding de nodige risico's voor de toekomst met zich meebrengt. De VWA gaat verder met (internationale) uitwerking en agendering.

Internationale samenwerking is essentieel als het gaat om het pro-actief kunnen signaleren en beoordelen van nieuwe potentiële risico's. VWA voert daarom het EU 6e kader onderzoeksproject PERIAPT uit om te komen tot een internationaal overheidsnetwerk voor deze pro-actieve opsporing van nieuwe en/of zich ontwikkelende risico's op het terrein van de voedselveiligheid.

3. Communicatie en voorlichting

De VWA en de Stichting Voedingscentrum Nederland hebben een samenwerkingsovereenkomst getekend. Deze overeenkomst is met name bedoeld om met inachtneming van ieders rol in het communiceren over veilig en gezond voedsel, ervoor te zorgen dat de consument zo optimaal mogelijk wordt geïnformeerd. Beide organisaties maken gebruik van elkaars deskundigheid en vullen elkaar, waar nodig, aan. Vanuit het «samen sterk» principe wordt de consument bediend. Het is de bedoeling dat door eenduidige informatieverstrekking het vertrouwen van de burger in de veiligheid van ons voedsel toeneemt.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De waardering en resultaatbepaling hebben plaatsgevonden met inachtneming van algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan periodes, continuïteit en bestendige gedragslijn.

Vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschafwaarde inclusief omzetbelasting onder aftrek van lineaire afschrijvingen.

Vorderingen

De vorderingen zijn opgenomen tegen nominale waarde.

Resultaatbepalingsgrondslagen

De resultaten zijn berekend op basis van aanschafwaarde, waarbij baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de reguliere bedrijfsvoering.

Balans per 31 december 2003

Bedragen x € 1000
 Balans 2003Balans 2002*
Activa  
Immateriële activa  
Materiële activa  
– grond en gebouwen  
– installaties en inventarissen7 84435
– overige materiële vaste activa  
Voorraden  
Debiteuren7380
Nog te ontvangen322617
Liquide middelen12 8132
Totaal activa21 717654
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
– exploitatiereserve3535
– verplichte reserves  
– onverdeeld resultaat8280
Leningen bij het MvF8 1070
Voorzieningen  
Crediteuren10 5400
Nog te betalen2 207619
Totaal passiva21 717654

* Onder balans 2002 is de definitieve openingsbalans opgenomen, die is vastgesteld bij de 1e suppletore wet 2003.

Toelichting op de balans

Activa

Materiële activa:

De materiële activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen op basis van de verwachte economische levensduur. Voor de aanschaffingen die zijn gedaan via de Rijksgebouwendienst (RGD) (ca. € 6 mln.) heeft activering plaatsgevonden op basis van een voorlopige afrekening. In 2004 zal bij de oplevering, de definitieve afrekening en de definitieve activering plaatsvinden.

Voor de diverse materiële activa zijn de volgende (lineaire) afschrijvingstermijnen gehanteerd, gebaseerd op de verwachte economische levensduur:

– Soft- en hardware 3 jaar

– Hulpapparatuur 5 jaar

– Inventaris/inrichting gebouw 10 jaar

Bedragen x € 1000
 Soft- en hardware 3 jaarInventaris/inrichting gebouw 10 jaarTotaal
Aanschaffingsprijs38442
Afschrijvingen707
Boekwaarde per 01-01-200331435
    
Mutaties boekjaar 2003   
Bij: – investeringen5047 7928 296
Af: – desinvesteringen   
– afschrijvingen96391487
Totaal mutaties4087 4017 809
    
Aanschaffingsprijs5427 7968 338
Cumulatieve afschrijvingen103391494
Boekwaarde per 31-12-20034397 4057 844

Debiteuren

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Debiteuren7380
Af: voorziening dubieuze debiteuren00
Saldo debiteuren7380

De debiteuren (€ 737 695) vloeien voornamelijk voort uit diensten geleverd aan de VWA/KvW (€ 552 000) en VWA/RVV (€ 182 000).

Nog te ontvangen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Te vorderen LNV1430
Te vorderen VWS17617
Te vorderen salarissen KvW840
Vooruitbetaalde kosten780
Saldo nog te ontvangen322617

De post te vorderen van LNV heeft betrekking op de door de VWA/CE voorgefinancierde gelden ten behoeve van het voedingscentrum.

Liquide middelen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Kas10
Rijkshoofdboekhouding (RIC)12 8122
Saldo liquide middelen12 8132

De post Rijkshoofdboekhouding (RIC) is grotendeels opgebouwd uit de afgeroepen lening bij het ministerie van Financiën (€ 8,1 mln.) ten behoeve van de investerings- en projectkosten voor de inrichting van nieuwbouw. Het hoge saldo is een gevolg van de nog te betalen facturen (zie de post Crediteuren) en de nog te betalen kosten (zie de post Nog te betalen).

Passiva:

Eigen vermogen

Bedragen x € 1000
 ExploitatiereserveVerplichte reservesOnverdeeld resultaatEigen vermogen
Stand per 1-1-200335  35
Resultaat 2003  828828
Stand per 31-12-200335 828863

Het resultaat 2003 (€ 828 000) is voorlopig opgenomen als onverdeeld resultaat vooruitlopend op de definitieve bestemming door het moederdepartement.

Leningen bij het Ministerie van Financiën

Bedragen x € 1000
Lening uit het jaarHoofdsomSchuldrestRentepercentageRestant looptijd in jaren
2003 (Inventaris)7 3757 3754,2110
2003 (Soft- en hardware)7327322,693
Stand leningen bij MvF8 1078 107  

Dit betreft de leningen afgesloten bij het ministerie van Financiën ter financiering van de bovenstaande investeringen. Op de leningen is de Regeling leen- en depositofaciliteit agentschappen 2003 van toepassing. Het rentepercentage is afhankelijk van de looptijd en varieert van 2,69% tot 4,21%.

Er hebben nog geen aflossingen plaatsgevonden, daar de lening in november 2003 is afgeroepen.

Crediteuren

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Crediteuren10 5400
Saldo crediteuren10 5400

In deze post (saldo € 10 539 803) zijn de volgende grote posten te onderscheiden:

– RGD: € 6 759 520, in verband met investerings- en projectkosten voor inrichting van nieuwbouw;

– VWA/KvW: € 2 123 085, in verband met door VWA/KvW vooruitbetaalde huurkosten van VWA/CE;

– VCN: € 423 000, in verband met nog te betalen budgetbijdrage.

Nog te betalen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Nog te betalen kosten2 018619
Personeel1890
Saldo nog te betalen2 207619

Onder de post Nog te betalen kosten (saldo € 2 206 719) zijn de volgende grote posten te onderscheiden:

– Servicekosten aangaande de huisvesting: € 293 000;

– Investerings- en projectkosten voor inrichting nieuwbouw: € 657 800;

– Geleverde diensten door VWA/RVV: € 300 000.

De post Personeel betreft de opgebouwde rechten op vakantiegeld en de tegemoetkoming in de ziektekosten.

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement14 25814 2571
Opbrengst overige departementen   
Opbrengst derden 3939
Rentebaten 1717
Buitengewone baten 108108
Exploitatiebijdrage   
Totaal baten14 25814 421163
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten4 7385 191453
– materiële kosten6 5085 584– 924
– huisvesting2 4002 299– 101
Rentelasten1500– 150
Afschrijvingskosten   
– materieel46248725
– immaterieel  0
Dotaties voorzieningen  0
Buitengewone lasten 3232
Totaal lasten14 25813 593– 665
    
Saldo van baten en lasten0828828

Algemene toelichting:

De baten-lasten begroting 2003 van de VWA/CE was niet in de VWS begroting 2003 opgenomen. Bij 1e suppletore wet 2003 is de baten-lasten begroting 2003 van de VWA/CE 2003 opgenomen en vastgesteld. Omwille van helderheid bij de verklaring van de verschillen is er voor gekozen om in de kolom «Oorspronkelijk vastgestelde begroting» laatstgenoemde stand aan te houden. Dit geldt ook wanneer in onderstaande toelichting van begroting(sstand) wordt gesproken.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De bijdrage van het moederdepartement heeft betrekking op de uitvoering van de drie hoofdtaken van de VWA/CE: toezichthouden, onderzoek/risicobeoordelingen uitvoeren en de communicatie verzorgen/advies geven. Bij de 2e suppletore wet is het budget voor de VWA/CE overgeheveld van VWS naar LNV. Het budget is in 2003 relatief hoog in verband met hoge incidentele kosten die te maken nieuwe huisvesting.

Opbrengst derden

Dit betreft co-financiering door de Europese Commissie voor Europese projecten in onder meer Roemenië en Slowakije. Deze projecten hebben te maken met het begeleiden van nieuwe toetredende lidstaten die moeten voldoen aan EU-richtlijnen met betrekking tot voedselveiligheid.

Rentebaten

Dit betreft de rente die is bijgeschreven op de lopende rekening bij het Ministerie van Financiën.

Buitengewone Baten

Deze bate betreft onder meer een bijdrage van de VWA/KvW en de VWA/RVV aan de VWA/CE voor het publicitaire jaarverslag VWA 2002.

Lasten

Personele kosten

In de begroting is uitgegaan van een last voor personeel van € 4,738 mln. De uiteindelijke realisatie voor 2003 komt uit op € 5,191 mln. De personele kosten zijn hoger doordat:

• er een snellere invulling van vacatures bij de VWA/CE heeft plaatsgevonden dan werd verwacht.

• het definitieve Organisatie- en Formatieplan pas per 1 oktober 2003 ingevuld werd en niet, zoals de verwachting was, per 1 juli 2003. Zodoende is langer gebruik gemaakt van gedetacheerd en ingehuurd personeel.

Materiële kosten

De realisatie van de materiële kosten is lager dan geraamd. Dit heeft vooral te maken met lagere verhuiskosten en lagere kosten die nodig waren voor de inrichting van het nieuwe gebouw.

Huisvesting

Bij de oorspronkelijke begroting is een inschatting gemaakt van de huurkosten van de RGD. De nu aangegeven realisatie is op basis van een voorlopig huurcontract van de RGD. De huurkosten zijn lager uitgevallen dan verwacht. De belangrijkste reden hiervoor is dat het nieuwe pand op een later moment werd betrokken, dan vooraf gepland.

Rentelasten

In 2003 is een lening aangegaan bij het Ministerie van Financiën voor de bekostiging van de nieuwe huisvesting. De rentelasten zijn lager dan verwacht, omdat de lening op een later tijdstip is afgeroepen dan gepland. Aangezien de lening pas in december 2003 is gestort zijn er nog geen rentelasten in 2003.

Afschrijvingskosten

Deze kostenpost is toegelicht in de tabel bij de materiële activa (toelichting op balans).

Buitengewone lasten

Deze hebben betrekking op kosten van het voorafgaand boekjaar.

Saldo van baten en lasten

De VWA/CE heeft in 2003 een positief resultaat van € 828 000 behaald. Dit heeft vooral te maken met de lagere materiële kosten in verband met de verhuizing. De komende tijd zal binnen LNV besluitvorming plaatsvinden over de bestemming van het resultaat.

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting*RealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RIC 1 januari 2003022
2. Totaal operationele kasstroom45012 99912 549
Totaal investeringen (-/-)– 8 500– 8 295205
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)000
3. Totaal investeringskasstroom– 8 500– 8 295205
Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)000
Eenmalige storting door moederdepartement (+)000
Aflossingen op leningen (-/-)– 4500– 450
Beroep op leenfaciliteit (+)8 5008 107– 393
4. Totaal Financieringskasstroom8 0508 10757
5. Rekening-courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)012 81312 813

* De stand «Oorspronkelijk vastgestelde begroting» betreft de stand zoals is opgenomen in/vastgesteld met de 1e suppletore wet.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom is hoger dan gepland. Op 31 december 2003 is een groot aantal facturen door de VWA nog niet betaald. Het betreft met name facturen die betrekking hebben op huisvestingkosten en gedetacheerd personeel.

Investeringskasstroom

Er zijn minder investeringen gedaan dan vooraf werd ingeschat. Een klein deel van de investeringen is uitgesteld naar 2004.

Financieringskasstroom

In 2003 heeft de VWA/CE geen leningen afgelost. Dit heeft met name te maken met de late afroep van de leningen bij het Ministerie van Financiën.

Overzicht vermogensontwikkeling over 2003

Bedragen x € 1000
 Begroting 2003Realisatie 2003
1. Eigen vermogen per 1 januari3535
2. Saldo van baten en lasten 828
3a. Uitkering aan moederdepartement 0
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen  
3c. Overige mutaties in eigen vermogen00
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen00
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)35863

* Met «begroting 2003» wordt de stand van de begroting 2003 bedoeld, zoals is opgenomen in/vastgesteld met de 1e suppletore wet 2003.

Maximaal toelaatbaar eigen vermogen

Het maximaal toelaatbare eigen vermogen bedraagt 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen 3 jaar. De VWA/CE is in 2003 ingesteld. Op basis van de omzet over 2003 (€ 14,421 mln.) zou het eigen vermogen € 0,721 mln. mogen bedragen. In overleg met het moederdepartement wordt een nadere bestemming van het onverdeelde resultaat bepaald.

Voedsel en Waren Autoriteit/Keuringdienst van Waren

Algemeen

De Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW) is sinds 2000 een agentschap. Organisatorisch bestaat de VWA/KvW uit een Algemene Directie en vijf regionale diensten.

Aan elke regionale dienst is, naast een basistakenpakket, een speciaal aandachtsgebied toegewezen. Deze aandachtsgebieden dienen ter ondersteuning van de landelijke uitvoering van toezicht en opsporing.

De regionale diensten beschikken over eigen laboratoria. Monsters, die door de controleurs worden genomen, kunnen binnen korte tijd worden onderzocht. Deze organisatievorm maakt snel en gericht ingrijpen mogelijk en levert daarmee een bijdrage aan de (gezondheids)bescherming van de Nederlandse bevolking.

Planning & Controlcyclus

De VWA/ KvW kent een planning & control cyclus waarin jaarlijks het Meerjarenplan wordt geactualiseerd en het Jaarplan en de Kadernotitie worden opgesteld. Deze geven de bedrijfsvoeringkaders voor het komende planjaar aan. Het bovenstaande is tot en met het verslagjaar het uitgangspunt geweest voor de jaarlijkse managementafspraak (MA) met het ministerie van VWS. In deze managementafspraak is een activiteitenplan opgenomen dat gerelateerd is aan de overeengekomen concerndoelstellingen met als output het aantal uit te voeren inspecties en het aantal te onderzoeken monsters. Aan dit activiteitenplan is een voorcalculatorisch budget gekoppeld dat is gebaseerd op de voorcalculatorische (integrale) kostprijzen van de producten inspecties en monsters. Daarnaast is er een (lump-sum) programmabudget ter beschikking gesteld voor de projectgestuurde afdeling Signalering.

In 2003 hebben zich in navolging van 2002 op het gebied van de bedrijfsvoering de nodige ontwikkelingen voorgedaan. De belangrijkste hiervan is de volgende:

Risicoprofiel

Het risicobeleid van de VWA/KvW is in 2002 vastgesteld en onderkent zowel maatschappelijke, politieke, personele als exploitatierisico's alsmede de maatregelen die getroffen moeten worden teneinde deze risico's af te dekken. In 2003 is het risicoprofiel (risico-analyse) aangepast aan de nieuwe VWA-kaders en aan de relatie met het ministerie van LNV. De overgang naar het ministerie van LNV heeft ertoe geleid dat het onderscheid tussen de eigenaar en de opdrachtgever in de aansturing van de VWA/KvW duidelijker wordt. Het streven is de komende tijd een nieuw risicobeleid te ontwikkelen. Dit zal worden opgesteld in samenspraak met de eigenaar (LNV) en de opdrachtgever (VWS).

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De waardering en resultaatbepaling hebben plaatsgevonden met inachtneming van algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan periodes, continuïteit en bestendige gedragslijn. In beginsel luiden alle bedragen tegen nominale waarde en/of basis van historische uitgaafprijzen.

Vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschafwaarde inclusief omzetbelasting onder aftrek van lineaire afschrijvingen.

Vorderingen

De vorderingen zijn opgenomen tegen nominale waarde.

Resultaatbepalingsgrondslagen

De resultaten zijn berekend op basis van aanschafwaarde, waarbij baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de reguliere bedrijfsvoering.

Balans per 31 december 2003

Bedragen x € 1000
 Balans 2003Balans 2002
Activa  
Immateriële activa  
Materiële activa  
– grond en gebouwen  
– installaties en inventarissen18 95413 007
– overige materiële vaste activa  
Voorraden  
Debiteuren546123
Nog te ontvangen/Vooruitbetaald4 3793 384
Liquide middelen2 1266 245
Totaal activa26 00522 759
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
– exploitatiereserve3 1163 132
– verplichte reserves  
– onverdeeld resultaat– 1 660– 16
Leningen bij het MvF16 56811 872
Voorzieningen2 4732 881
Crediteuren2 9322 182
Nog te betalen/Vooruitontvangen2 5762 708
Totaal passiva26 00522 759

Toelichting bij de balans

Activa

Materiële activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen historische aanschafwaarde, verminderd met afschrijvingen. De afschrijving is gebaseerd op de verwachte economische levensduur, waarbij de volgende (lineaire) afschrijvingstermijnen zijn gehanteerd.

– Soft- en hardware 3 jaar

– Dienstauto's 5 jaar

– Hulpapparatuur 5 jaar

– Inventaris (incl. labapparatuur) 10 jaar

Over de in 2003 aangeschafte activa is de helft van de jaarlijkse afschrijving berekend. Vaste activa met een resterende levensduur kleiner dan één jaar worden op nul gewaardeerd.

Bedragen x € 1000
 Soft- en hardware 3 jaarDienstauto's 5 jaarLabapparatuur 10 jaarInventaris 10 jaarTotaal
Aanschaffingsprijs4 6473 25419 2413 95931 101
Cumulatieve afschrijvingen3 8401 30010 6862 26818 094
Boekwaarde per 01-01-20038071 9548 5551 69113 007
      
Mutaties boekjaar 2003     
Bij: – investeringen3 1703293 0133 3379 849
– desinvestering afschrijvingen446942 5497253 814
Af: – afschrijvingen9746391 4355053 553
– desinvestering aanschafprijs4541332 7498274 163
Totaal mutaties2 188– 3491 3782 7305 947
      
Aanschaffingsprijs7 3633 44919 5056 46936 786
Cumulatieve afschrijvingen4 3681 8449 5722 04817 832
Boekwaarde per 31-12-20032 9951 6059 9334 42118 954

De boekwaarde van de activa is voor 87% gefinancierd met behulp van lange termijn leningen die zijn aangetrokken bij het ministerie van Financiën.

Debiteuren

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Debiteuren546123
Af: voorziening dubieuze debiteuren00
Saldo debiteuren546123

De debiteuren (saldo € 545 549) vloeien hoofdzakelijk voort uit verstrekte exportverklaringen die worden gewaardeerd tegen nominale waarde.

Nog te ontvangen/Vooruitbetaald

Nog te ontvangen:

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Vordering VWS7502 180
Vordering op VWA/CE2 1120
Diversen1500
Saldo Nog te ontvangen3 0122 180

De vordering op VWS ad € 2 180 000 op 1 januari 2003 bestond uit drie onderdelen:

• huurcompenstatie 2001 ten gevolge van extra huurlasten (herindexatie);

• vooruitbetaalde gelden aan VWS ten behoeve van afdracht aan de RGD;

• vooruitbetaalde gelden aan VWS ten behoeve van huisvestingskosten nieuwe huisvesting.

De vordering op VWA/CE per 31 december 2003 heeft te maken met vooruitbetaalde huurkosten aan de RGD die te makenhebben met de VWS/CE. De post diversen betreft vorderingen op LASER (BSE) en andere externe organisaties (o.a. in verband met uitleen van personeel).

Vooruitbetaald:

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Voorschotten personeel144136
PC-privé project843
Transitoria1 201989
Waarborgsommen1436
Saldo Vooruitbetaald1 3671 204

De realisatie voor de post Transitoria betreft onder meer de kosten voor het vervoerplan en abonnementen en kosten automatisering die contractueel vooruitbetaald zijn.

Liquide middelen

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Kas78
Rijkshoofdboekhouding (RIC)2 1196 237
Totaal2 1266 245

De liquide middelen voor totaal € 2 126 136 bestaan uit de Rekening Courant bij het Rijks Informatiecentrum (RIC) ter waarde van € 2 118 642 en de kas van de VWA/KvW.

Passiva

Eigen vermogen

Bedragen x € 1000
 ExploitatiereserveVerplichte reservesOnverdeeld resultaatEigen vermogen
Stand per 1-1-20033 116  3 116
Resultaat 2003  – 1 660– 1 660
Stand per 31-12-20033 116 – 1 6601 456

Het voorstel is om het onverdeeld resultaat ten laste van het eigen vermogen te brengen.

Leningen bij het Ministerie van Financiën

Bedragen x € 1000
Stand per 1-1-200311 872
Aflossingen– 2 606
Leningen afgesloten in 20037 302
Stand per 31-12-200316 568

Het rentepercentage van de leningen varieert van 2,69% tot 5,55%. De leningen van 2003 zijn in september 2003 (€ 2 500 000) en eind december 2003 (€ 4 802 000) afgeroepen.

Overzicht leningen

Bedragen x € 1000
Lening (jaar en doel)HoofdsomSchuldrestRentepercentage (%)Restant looptijd in jaren
1995 alle categorieën65404,440
1996 alle categorieën6661985,221,5
1997 alle categorieën5542125,222,5
1998 alle categorieën206915,223,5
1999 alle categorieën2621295,224,5
2000 Lab apparatuur2 0421 4295,557
2000 Dienstauto's5452185,092
2000 Inventaris6814775,557
2000 Soft- en hardware1 54304,850
2001 Lab apparatuur1 3611 0895,168
2001 Hulp apparatuur6355085,168
2001 Dienstauto's5453274,43
2001 Inventaris4543635,168
2001 Soft- en hardware1 1343783,941
2002 Lab apparatuur2 1251 9135,399
2002 Dienstauto's5404324,944
2002 Soft- en hardware3052034,652
2002 Lab apparatuur1 1561 0404,679
2002 Dienstauto's2241793,724
2002 Soft- en hardware120803,352
2003 Lab apparatuur1 4751 4754,2210
2003 Verv. Middelen2502503,225
2003 Ov. Vaste middelen75753,225
2003 Soft- en hardware7007002,733
2003 Lab apparatuur2 6352 6354,2110
2003 Verv. Middelen62623,225
2003 Soft- en hardware2 1052 1052,693
Totaal23 05416 568  

Voorzieningen

Uit een door de VWA/KvW uitgevoerde risicoanalyse is naar voren gekomen dat het agentschap risico's loopt die niet door de kostprijsvergoeding van het ministerie van VWS worden gedekt. Teneinde het weerstandsvermogen van het agentschap op peil te houden en het ministerie van VWS voor financiële tegenvallers te behoeden is hiervoor, destijds in samenspraak met het ministerie van VWS, een risicobeleid ontwikkeld. Op basis van het risicobeleid zijn er voorzieningen getroffen voor wachtgelden, claimrisico en assurantie eigen risico.

Wachtgeldvoorziening

De hoogte van de voorziening wachtgelduitkering is zo reëel mogelijk geschat en vastgesteld op basis van nominale waarde. Naar aanleiding van de afspraken in het regeerakkoord is besloten het indexatiepercentage te verlagen van 3 naar 2%. Dit heeft geresulteerd in een onttrekking aan de voorziening groot € 131 541. Daarnaast heeft er in verband met een toename van het aantal wachtgelders een dotatie plaatsgevonden ad € 327 753. Deze bedragen salderen tot een toevoeging van € 196 212.

Claimrisico/Assurantie eigen risico

Op basis van het risicobeleid zijn er voorzieningen getroffen voor claimrisico en assurantie eigen risico voor een bedrag van respectievelijk: € 264 406 en € 52 000. Beide voorzieningen zijn in 2002 gevormd.

Inzake de voorziening claimrisico is er weinig vooruitgang te melden in de lopende zaken. De verwachting is dat de juridische procedures in 2004 afgerond zullen worden.

Bedragen x € 1000
 WachtgeldenClaimrisicoAssurantie eigen risicoTotaal
Stand per 1-1-20032 564265522 881
Uitkeringen– 604   
Dotaties328   
Onttrekkingen– 132   
Stand per 31-12-20032 156265522 473

Crediteuren

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Crediteuren2 9322 181

Dit betreft de handelscrediteuren.

Nog te betalen/vooruitontvangen:

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Personeel1 8231 808
Inhuur personeel256216
Energiekosten35207
Onderhoudscontracten24101
Bureau Bestuurlijke Boetes en Oost-Europa cursussen062
Nog te ontvangen facturen bestellingen resp. declaraties223134
Diverse (posten < € 25)91180
Overige ontvangsten1240
Saldo Nog te betalen/vooruitontvangen2 5762 708

De post Personeel betreft de opgebouwde rechten op vakantiegeld (€ 1 519 964) en de tegemoetkoming in de ziektekosten (€ 303 148).

Onder de overige ontvangsten is onder andere verantwoord een bedrag groot € 115 825 dat als subsidie ontvangen is voor het ISI stappen voorwaarts project.

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst moederdepartement   
Opbrengst overige departementen (VWS)69 05272 5723 520
Opbrengst derden8171 383566
Rentebaten04444
Buitengewone baten01 3851 385
Exploitatiebijdrage   
Totaal baten69 86975 3845 515
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten45 56350 1284 565
– materiële kosten13 29914 4711 172
– huisvesting6 0256 918893
Rentelasten862645– 217
Afschrijvingskosten   
– materieel4 0053 553– 452
– immaterieel000
Dotaties voorzieningen250196– 54
Buitengewone lasten01 1331 133
Totaal lasten70 00477 0447 040
    
Saldo van baten en lasten– 135– 1 660– 1 525

Baten

Opbrengst overige departementen (VWS)

De opbrengst overige departementen heeft betrekking op de bijdrage van het ministerie van VWS aan de VWA/KvW. Op basis van een jaarlijkse managementafspraak (MA) met het ministerie van VWS worden afspraken gemaakt met als output het aantal uit te voeren inspecties en het aantal te onderzoeken monsters. Hieraan is een voorcalculatorisch budget gekoppeld dat is gebaseerd op de voorcalculatorische (integrale) kostprijzen van de producten inspecties en monsters. Daarnaast is er een (lump-sum) programmabudget ter beschikking gesteld voor de projectgestuurde afdeling Signalering.

De opbrengst overige departementen is als volgt opgebouwd:

Bedragen x € 1000
OmschrijvingBedrag
Vergoeding productie conform MA71 907
Overproductie vergoeding VWS231
Extra budget intensivering DHT500
Efficiencykorting– 943
Opbrengst Bureau Bestuurlijke Boetes877
Totaal72 572

Het ministerie van VWS heeft de vergoeding voor de meerproductie bepaald op € 230 848 en bij 2e suppletore wet deze middelen beschikbaar gesteld.

De overige opbrengsten van het ministerie van VWS betreft de vergoeding voor het Bureau Bestuurlijke Boetes (€ 877 058). Deze opbrengst is feitelijk een exploitatievergoeding op basis van nacalculatorische kosten. Deze opbrengst is niet begroot bij de berekening van de kostprijs van een inspectie- en monstername en staat los van de in rekening gebrachte opbrengsten van de primaire omzet bij het ministerie van VWS.

Onderstaand overzicht vergelijkt de geleverde productie met de managementafspraak. In de managementafspraak is ten behoeve van het voorgenomen activiteitenplan een budget overeengekomen van € 73,58 miljoen, waarvan € 71,91 miljoen door het ministerie van VWS is gefinancierd. Het verschil tussen voornoemde bedragen wordt gefinancierd door derden. Voor de te onderscheiden producten wordt een tarief berekend dat is gebaseerd op de integrale kostprijs waarop de begrote opbrengsten derden in mindering zijn gebracht.

Bedragen x € 1000
ProductAantallenOmzet
 ManagementafspraakRealisatie 
Food inspecties103 766104 52020 063
Non-food inspecties10 72611 0934 128
Veterinair/techn. inspecties8 70310 6017 625
Import partij beoordeling2 5933 5344 781
Inspecties Drank en Horeca wet23 26025 8671 264
Sub totaal Inspecties149 048155 61537 861
    
Microbiologische handhavingmonsters52 03554 2857 012
Chemische handhavingmonsters63 52565 09410 227
Monsters centrale handhaving8 3208 3774 107
Sub totaal monsters123 880127 87821 346
    
Signalering  12 700
    
Totaal generaal 2003272 928283 49371 907

Opbrengst derden

De VWA/KvW kent opbrengsten uit laboratoriumwerk, het organiseren van ringonderzoeken, het vervaardigen van standaard referentie materialen en uit het verstrekken van exportverklaringen. De realisatie van de opbrengsten derden bedraagt € 0,689 mln. en bestaat uit opbrengsten certificaten, SRM monster, Ringonderzoeken. De realisatie van de incidentele ontvangsten bedraagt € 0,694 mln. De belangrijkste post van deze incidentele ontvangsten is externe detachering van bovenformatief personeel.

Bedragen x € 1000
Omschrijving 
Opbrengst Certificaten568
Opbrengst SRM monsters51
Opbrengst Ringonderzoeken70
Overige ontvangsten694
Totaal Opbrengst derden1 383

Rentebaten

De rentebaten bestaan uit de ontvangen rente over het saldo op de rekening courant RIC en de rente over een termijndeposito. Het gemiddeld saldo op de rekening courant RIC bedroeg € 4,3 mln. dat bij een gemiddelde rente van 1,76% heeft geresulteerd in een bate van € 38 045. De termijndeposito heeft een bate van € 5 916 opgeleverd, bij een rente van 2,29%.

Buitengewone baten

De buitengewone baten vertegenwoordigen een waarde van € 1 385 379. In de baten voorgaande jaren is onder andere verantwoord een creditnota van de RGD inzake teveel betaalde huur over voorgaande jaren, groot € 950 250.

Bedragen x € 1000
Baten betreffende voorgaande jaren1 001
Opbrengst projecten38
Boekwaarde van de afgestoten vaste activa66
Brandschade vergoeding65
Uitgeleend personeel198
Diversen17
Totaal buitengewone baten1 385

Lasten

Apparaatskosten

De hogere personele en materiële kosten t.o.v. de begroting worden voornamelijk veroorzaakt door de uitvoering van werkzaamheden in het kader van de drank- en horecawet, de tabakswet en werkzaamheden in het kader van bestrijding van bioterrorisme.

Personele kosten

De personeelskosten bestaan uit salarissen, overige personele kosten en flankerend beleid. Daarnaast zijn hier de personele kosten voor de uitgevoerde taak van Bureau Bestuurlijke Boetes verantwoord.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit: chemicaliën en utensiliën, reis- en verblijfkosten, bureau-, huisvesting-, onderhoud- en autokosten, uitbestede signaleringskosten, alsmede kosten voor flankerend beleid (verhuis- en reiskosten) en automatiseringskosten. Tevens zijn hier verantwoord de materiële kosten voor de uitgevoerde taak van het Bureau Bestuurlijke Boetes.

Huisvesting

Op deze post zijn de huurkosten van de diverse regiokantoren verantwoord. De huurkosten voor de nieuwe panden in Eindhoven en Zwijndrecht zijn verantwoord op basis van voorlopige opgaven van de RGD.

Rentelasten

Gedurende het jaar 2003 vigeerden er 24 leningen waarover gemiddeld 5% rente is betaald (€ 606 407). De rentelasten van de rekening courant RIC bedragen € 38 713. Het gemiddelde debetsaldo bedroeg € 2 mln. en de gemiddelde rente was 3,8%.

Afschrijvingskosten

Voor een specificatie van de afschrijvingskosten wordt verwezen naar de toelichting op de balans.

Dotaties voorzieningen

Er is per saldo een dotatie als gevolg van een toename van het aantal wachtgelders. Zie toelichting op de balans.

Buitengewone lasten

De buitengewone lasten bedragen € 1 132 978. De kosten afkoop personeel zijn als bijzondere last verantwoord omdat er in 2002 geen passende voorziening getroffen kon worden. Reden hiervoor was dat de hoogte van de toekomstige verplichting toen niet exact vastgesteld kon worden.

De buitengewone lasten zijn als volgt gespecificeerd.

Bedragen in € 1000
Lasten voorgaande jaren147
Afkoop personeel621
Desinvestering vaste activa349
Diverse posten16
Totaal Buitengewone lasten1 133

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten bedraagt € 1,66 mln. negatief. Dit verlies heeft vooral te maken met de afvloeiing van drie personeelsleden (circa € 621 000) en de niet gerealiseerde efficiencytaakstelling (€ 943 000). De komende tijd zal binnen LNV besluitvorming plaatsvinden over de wijze waarop met het resultaat zal worden omgegaan.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Voor 2004 bedragen de totale huurverplichtingen € 6 364 119.

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RIC 1 januari 20035 9076 237330
2. Totaal operationele kasstroom3 870686– 3 184
Totaal investeringen (-/-)– 3 176– 9 849– 6 673
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)0349349
3. Totaal investeringskasstroom– 3 176– 9 500– 6 324
Eenmalige uitkering aan VWS (-/-)   
Eenmalige storting door VWS (+)   
Aflossingen op leningen (-/-)– 3 770– 2 6061 164
Beroep op leenfaciliteit (+)3 1767 3024 126
4. Totaal Financieringskasstroom– 5944 6965 290
5. Rekening-courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)6 0072 119– 3 888

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom is sterk negatief vanwege het saldo van baten en lasten, de negatieve mutatie in de voorzieningen en de negatieve mutaties in het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom wijkt sterk af omdat investeringen die waren gepland voor 2002 in 2003 zijn gepleegd. Het betreft onder meer de investeringen in de gebouwen in Zwijndrecht en Eindhoven en de investeringen in ISI.

Financieringskasstroom

De financieringskasstroom laat een positief bedrag zien. Dit wordt verklaard door een hoger beroep op de leenfaciliteit dan gebudgetteerd.

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 2001 tot en met 2003

Bedragen x € 1000
 20012002Begroting 2003Realisatie 2003
1. Eigen vermogen per 1 januari5 0673 1322 8783 116
2. Saldo van baten en lasten– 63– 16– 135– 1 660
3a. Uitkering aan VWS– 1 872000
3b. Bijdrage VWS ter versterking van eigen vermogen vermogenvorming0000
3c. Overige mutaties in eigen vermogen0000
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 1 872000
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)3 1323 1162 7431 456

Maximaal toelaatbaar eigen vermogen

Het maximaal toelaatbare eigen vermogen bedraagt 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen 3 jaar. Op basis van de omzet over 2001 (€ 66,54 mln.), 2002 (€ 73,23 mln.) en 2003 (€ 73,96 mln.) mag het eigen vermogen € 3,562 mln. bedragen. Het eigen vermogen per 31 december 2003 (na resultaat) bedraagt € 1,456 mln. Er vindt zodoende geen afroming plaats aangezien het vermogen onder de 5%-norm blijft.

Voedsel en Waren Autoriteit/Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

Algemeen

De VWA/RVV is in 2003 baten en lastendienst geworden. Organisatorisch bestaat de VWA/RVV uit de Centrale Directie en vijf regionale diensten.

Het producten en dienstenpakket van de VWA/RVV bestaat uit het verrichten van keuringswerkzaamheden, het houden van controles en audits, dierziektebestrijding en beleidsondersteunende werkzaamheden. Deze producten en diensten vinden hun oorsprong in de Nederlandse wetgeving (o.a. de Vleeskeuringwet, de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en de Warenwet) en in een aantal Europese richtlijnen en verordeningen. De VWA/RVV onderscheidt vier hoofdproducten, te weten: (1) het verlenen, verlengen of intrekken van erkenningen, (2) controle en toezicht, (3) het verstrekken van (export)certificaten en (4) dierziektebestrijding.

Overgang baten-lastendienst

Een belangrijk aandachtspunt in 2003 was het functioneren als baten-lastendienst. Om dit proces goed te bewaken is veel energie gestoken in de verdere ontwikkeling van controllerstaken zoals het bewaken van de begroting, het bewaken van de uitvoering van de bezuinigingstaakstellingen en het realiseren van adequate managementinformatie. Duidelijk is geworden dat de overgang naar baten-lastendienst meer was dan een boekhoudkundige operatie. Op grote schaal is bewustwording gestimuleerd teneinde de cultuuromslag naar een outputgestuurde bedrijfsvoering te realiseren.

Uitbraak van de Aviaire Influenza

Op 22 augustus heeft de Minister de vervoersbeperkingen binnen de Gelderse Vallei opgeheven. Hiermee werden de laatste bescherming- en toezichtgebieden vrijgegeven. De uitbraak van de AI heeft veel personele capaciteit gekost, zowel in de primaire als in de ondersteunende processen van de crisisbestrijding.

Bedrijfssluitingen

De druk op de kosten werd versterkt door opnieuw tegenvallende marktontwikkelingen. Zo zijn er een groot aantal faillissementen en bedrijfssluitingen geweest en is de bedrijfsdrukte structureel gedaald. Na de AI crisis is ook de pluimveesector nog niet hersteld. Daarnaast zijn er nog steeds een groot aantal bedrijven die als gevolg van de krimp in de sector met sluiting worden bedreigd. Door de terugloop in het werkaanbod is de boventalligheid in het primaire werk opgelopen tot 70 à 80 FTE.

Toekomst roodvleeskeuring

De Europese Commissie bereidt voorstellen voor die de uitbesteding van een deel van de primaire roodvleeskeuring aan het bedrijfsleven mogelijk maakt. Deze voorstellen passen in het streven van de VWA/RVV om te komen tot de constellatie van toezicht op de controle. Daarop vooruitlopend is een «positionpaper» opgesteld waarin het standpunt van de VWA/RVV is opgenomen om de bandkeuring in een stichting te positioneren. Deze uitgangspunten zijn vertaald in een intentieverklaring die op 22 september door de VWA, LNV en het bedrijfsleven is ondertekend.

Privatisering BSE monstername

LNV heeft met het bedrijfsleven overeenstemming bereikt over de privatisering van de BSE monsterneming. Per 1 mei 2003 is het transport van de monsters geprivatiseerd en op 3 november is het complete BSE-programma door KDS overgenomen. Per 31 december 2003 is het bureau monstername van de VWA/RVV volledig ontmanteld.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De waardering en resultaatbepaling hebben plaatsgevonden met inachtneming van algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan periodes, continuïteit en bestendige gedragslijn. In beginsel luiden alle bedragen tegen nominale waarde en/of basis van historische uitgaafprijzen.

Vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschafwaarde inclusief omzetbelasting onder aftrek van lineaire afschrijvingen.

Vorderingen

De vorderingen zijn opgenomen tegen nominale waarde.

Resultaatbepalingsgrondslagen

De resultaten zijn berekend op basis van aanschafwaarde, waarbij baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de reguliere bedrijfsvoering.

Balans per 31 december 2003

Bedragen x € 1000
 Balans 2003Balans 2002*
Activa  
Immateriële activa00
Materiële activa  
– grond en gebouwen  
– installaties en inventarissen1 2861 127
– overige materiële vaste activa  
Voorraden1 1581 165
Debiteuren8 7639 154
Nog te ontvangen/Vooruitbetaald7 7845 918
Liquide middelen– 3212
Totaal activa18 95917 376
   
Passiva  
Eigen Vermogen  
– exploitatiereserve2 8000
– verplichte reserves00
– onverdeeld resultaat– 1 5830
Leningen bij het MvF1 7211 127
Voorzieningen00
Crediteuren7 7528 394
Nog te betalen/Vooruitontvangen8 2697 855
Totaal passiva18 95917 376

* Onder balans 2002 is de definitieve openingsbalans opgenomen.

Toelichting op de balans

Algemene toelichting

Risicobeleid

In het kader van de interne verzelfstandiging tot een baten-lastendienst VWA/RVV is het risicobeleid conform de criteria van het Ministerie van Financiën uitgewerkt in het document Risicobeleid. De geïnventariseerde risico's zijn verwerkt tot:

– Financiële gevolgen die niet gekwantificeerd worden naar balansposten maar wel toegewezen zijn naar verantwoordelijken;

– Balansposten die gekwantificeerd worden bij het opstellen van de balans;

– Niet uit de balans blijkende verplichtingen.

Het risico voor claims van vóór 1 januari 2003 is afgedekt door een garantstelling door de departementsleiding van LNV.

Activa

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen aanschafwaarde inclusief BTW, verminderd met de cumulatieve lineaire afschrijvingen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat:

– Het actief langer dan 1 jaar wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering van de RVV;

– Het economische eigendom ligt bij de RVV;

– De aanschafwaarde van de individuele goederen gelijk of groter is dan € 1 000.

Voor de diverse materiële activa zijn de volgende (lineaire) afschrijvingstermijnen gehanteerd, gebaseerd op de verwachte economische levensduur:

– Automatiseringsapparatuur 3 jaar

– Inventaris en meubilair 5 jaar

– Installaties LRVV 5 jaar.

De boekwaarde van de materiële vaste activa is als volgt:

Bedragen x € 1000
 Automatiseringsapparatuur 3 jaarInventaris en meubilair 5 jaarInstallaties LRVV 5 jaarTotaal
Aanschaffingsprijs370 2751 786 3991 695 6303 852 304
Cumulatieve afschrijvingen219 8671 035 9811 469 6892 725 537
Boekwaarde per 01-01-2003150 408750 418225 9411 126 767
     
Mutaties boekjaar 2003    
Bij: – investeringen425 077239 2950664 372
Af: – afschrijvingen155 190251 39797 453504 040
Totaal mutaties269 887– 12 102– 97 453160 332
     
Aanschaffingsprijs795 3522 025 6941 695 6304 516 676
Cumulatieve afschrijvingen375 0571 287 3781 567 1423 229 577
Boekwaarde per 31-12-2003420 295738 316128 4881 287 099

In 2003 was de totale aanschafwaarde van de investeringen € 664 372. Er hebben in 2003 geen desinvesteringen plaatsgevonden. Het totaal aan afschrijvingen in 2003 op de activa bedraagt € 504 040. In totaal bedraagt de boekwaarde van de materiële vaste activa per 31-12-2003 € 1 287 099.

Voorraden

De voorraden bestaan uit de voorraad certificaten ad € 1 088 791 en de voorraad chemicaliën ad € 68 723.

Debiteuren

De totale debiteurenstand ultimo 2003 bedraagt € 9 440 181. Hiervan betreft € 7 340 181 debiteuren bedrijfsleven en € 2 100 000 ministerie van LNV. Er is een voorziening gedoteerd dubieuze debiteuren van € 677 000.

Bedragen x € 1000
 31-12-200301-01-2003
Debiteuren9 4409 154
Af: Voorziening dubieuze debiteuren6770
Saldo debiteuren8 7639 154

De voorziening ad € 677 000 is toereikend om de dubieuze debiteuren (faillissementen, vertrokken naar buitenland) ad € 588 000 af te boeken.

De debiteurenpositie op 31-12-2003 kan als volgt worden gespecificeerd:

Bedragen x € 1000
Debiteuren bedrijfslevenBedrag
Debiteuren 0–30 dagen6 505
Debiteuren 30–60 dagen1 742
Debiteuren > 60 dagen1 193
Totaal9 440

Nog te ontvangen

Deze post is als volgt opgebouwd.

Bedragen x € 1000
 31-12-2003
Nog te verrekenen BTW228
Nog te factureren omzet7 152
Voorschotten404
Saldo Nog te ontvangen7 784

Nog te verrekenen BTW

De post nog te verrekenen BTW, ad € 228 426, bestaat uit de met LNV te verrekenen BTW voor de inhuur van keuringsassistenten en practitioners. Voor de inhuur van deze fee-earners is een beroep gedaan op het BTW compensatiefonds van het ministerie van Financiën.

Nog te factureren omzet

Het onderhanden werk, ad € 7 151 592, betreft: (1) de per balansdatum nog te versturen facturen met een werkbondatum in 2003 ad € 6 415 987 en (2) de afrekening regelingsafspraken LNV/DGF ad € 735 595.

Voorschotten

De voorschotten ad € 403 642 kunnen als volgt worden gespecificeerd:

– vooruitbetaalde bedragen leveranciers ad € 225 122;

– voorschot NS jaarkaarten 2004 ad € 128 820;

– voorschotten personeel ad € 49 700.

Liquide middelen

De liquide middelen is per 31 december € 32 311 negatief. De liquide middelen kunnen als volgt worden gespecificeerd:

– rekening courant ministerie van Financiën ad € 38 193 negatief;

– kasgeld ad € 5 882.

Passiva

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van de RVV bedraagt € 1 217 326. Dit bedrag bestaat uit een exploitatiereserve ad € 2 800 000 welke door LNV in 2003 aan het eigen vermogen van de RVV is toegekend middels verlaging van de uit de openingsbalans resterende schuld. Het onverdeelde resultaat ad€ 1 582 674 negatief is als zodanig op de balans opgenomen.

Lening ministerie van Financiën

De lening van Financiën ad € 1 720 792 betreft de financiering van de investeringen van de activa van de VWA/RVV.

Het verloop van de lening is als volgt:

Saldo per 1 januari 2003 (openingsbalans) € 1 127 271

Aangetrokken lening 2003 € 839 500

Afgelost op lening € 245 979

Saldo 31-12-203 € 1 720 792

In de lening is een bedrag ad € 483 000 voor investeringen in ICT systemen opgenomen. In overleg met de accountantsdienst zijn deze investeringen op grond van het voorzichtigheidsbeginsel niet geactiveerd. Deze leningen worden dan ook in 2004 vervroegd afgelost.

Crediteuren

De post crediteuren ad € 7 752 210 bestaat uit de reguliere handelscrediteuren per 31-12-2003 ad € 3 510 106, de nog te betalen kosten crediteuren ad € 3 666 292, de nog te betalen rentekosten ad € 405 000 en reiskosten ad € 170 812.

Vooruitontvangen bedragen

Deze post bestaat uit de bedragen die de VWA/RVV op voorschotnota's heeft ontvangen en waarvan de definitieve afrekening lager is, dan wel nog moet plaatsvinden. De post ad € 1 453 297 kan als volgt worden gespecificeerd:

– afrekening DGF declaratie Vogelpest € 361 809

– afrekening I&H regelingsafspraak Cliënt € 366 488

– vooruitontvangen bijdrage P&O € 75 000

– vooruitontvangen bijdrage LNV € 650 000

Totaal vooruitontvangen bedragen € 1 453 297

Nog te betalen kosten

Deze post bestaat uit de volgende elementen:

– vakantiegeld en tegemoetkoming ziektekosten 2003 € 3 141 497

– nog te betalen compensatieverlof en afbouw verlof € 2 424 976

– nog te betalen kosten overwerk € 354 477

– nog te betalen kosten LNV € 894 202

Totaal nog te betalen kosten € 6 815 152

Totaal vooruitontvangen bedragen/nog te betalen kosten € 8 268 449

De nog te betalen kosten LNV bedroegen eind 2003 € 894 202. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: bij vaststelling van de openingsbalans bedroegen de nog te betalen kosten LNV € 3 928 565. Van dit bedrag is € 2 800 000 aangewend ter aanvulling van het eigen vermogen. Daarnaast is € 918 612 ingezet ten behoeve van de regelingsafspraken 2003 en is de schuld verminderd in verband met verrekening I&H (€ 305 176). Daarnaast heeft de VWA/RVV bij de overgang naar baten-lastendienst de debiteuren aan LNV overgedragen. De schuld aan LNV is met het hiervoor ontvangen bedrag (€ 989 425) weer verhoogd.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

De niet uit de balans blijkende verplichtingen betreffen de:

• huurkosten RGD ad € 4 500 000.

• onderhoudskostencontracten apparatuur LRVV ad € 120 000.

• leasecontracten Unilease ad € 685 000.

• fiscalisering reiskosten 2002 ad € 486 604. Tegenover deze verplichting staat een vordering voor hetzelfde bedrag op de medewerkers VWA/RVV. De fiscalisering reiskosten 2003 is nog niet bekend. Tegenover deze verplichting staat een vordering op hetzij de medewerkers VWA/RVV hetzij het ministerie van LNV daar afspraken zijn gemaakt dat de fiscale last als gevolg van reispatronen AI door LNV worden gedragen.

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2-(1)
 Oorspronkelijke begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst LNV9 68212 9763 294
Opbrengst LNV/VWS monstername BSE3 9433 943
Opbrengst DGF3 1007 2664 166
Opbrengst ministerie van VWS4 1234 123
Opbrengst derden92 50078 465– 14 034
Overige opbrengsten1 5001 720220
Buitengewone baten
Bijdrage exploitatie8 2008 200
Totaal baten106 782116 6939 912
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– Personele kosten78 00086 507– 8 507
– Materiële kosten20 67525 399– 4 724
– Huisvesting2 8004 5851 785
Rente lasten322447125
Afschrijvingskosten   
– materieel2 9855042 481
– immaterieel   
Dotaties voorzieningen20006771 323
Buitengewone lasten157– 157
Totaal lasten106 782118 276– 11 494
    
Saldo van Baten en lasten0– 1 583– 1 583

Baten

Opbrengsten LNV

De bijdrage van LNV in 2003 is hoger dan geraamd, met name door extra werkzaamheden en het compenseren van de inkomstenderving ten gevolge van de uitbraak van AI.

Opbrengsten monstername BSE

De opbrengsten zijn totaal € 3,943 mln. LNV en VWS betalen ieder de helft.

Opbrengsten DGF

De totale opbrengsten DGF bedragen € 7 266 000. De opbrengsten hebben voor circa € 5,9 mln. met AI te maken en de rest (circa € 1,3 mln.) met bijdragen voor uitgaven op het terrein van andere verdenkingen, uitbraken en monitoringsactiviteiten.

Totaal zijn er 983 verdenkingen en uitbraken geweest, waarvan 658 als gevolg van de Aviaire Influenza.

Opbrengsten VWS

De opbrengsten VWS zijn hoger dan begroot. Oorzaak hiervan is het ontbreken van de tariefgrondslag bij de VWS wetgeving waardoor geleverde producten en diensten niet in rekening konden worden gebracht bij het bedrijfsleven.

Opbrengsten derden

In 2003 heeft de VWA/RVV te maken gehad met een krimpende markt (daling van de bedrijfsdrukte, sluiting van slachterijen en afname van slachthaken). Dit heeft ertoe geleid dat de opbrengsten derden circa € 14 mln. lager waren dan geraamd. Ook hier geldt dat een belangrijke oorzaak is gelegen in de uitbraak van de AI, waardoor sprake is geweest van substantiële inkomstenderving.

Exploitatiebijdrage

De exploitatiebijdrage bedraagt in totaal € 8,2 mln. LNV heeft circa € 6,3 mln. hieraan bijgedragen en VWS € 1,8 mln. De eerste € 6,2 mln. is betaald op basis van de verdeelsleutel 70% LNV en 30% VWS. De laatste € 2 mln. heeft LNV betaald, waarvan € 0,6 mln. een voorschot was voor de VWS-bijdrage.

Lasten

Personele kosten

De totale personele kosten bedragen in 2003 € 86 507 000 en bestaan uit de volgende posten:

Lonen en salarissen € 68,9 mln.

De kosten van lonen en salarissen zijn aanzienlijk hoger dan gepland. Dit wordt veroorzaakt door de uitbetaling van overwerk als gevolg van de AI uitbraak, vertragingen in uitstroom van personeel alsmede door een lagere correctie van het saldo nog te betalen CV/GV. Totaal is het personeelsbestand met 105 FTE gekrompen van 1 432 FTE op 1 januari 2003 naar 1 327 FTE op 31-12-2003.

Diverse P-kosten ad € 1,4 mln.

Inhuur practitioners ad € 4,6 mln.

Inname keuringsassistenten ad € 8,2 mln.

Uitzendkrachten ad € 3,3 mln.

Materiële kosten

In onderstaande tabel is een specificatie van de materiële kosten opgenomen.

Bedragen x € 1000
OmschrijvingBegrootRealisatie 2003
Inhuur derden4 5004 463
Reis- en verblijfskosten6 1506 558
Opleidingskosten2000642
Kantoorkosten5 6305 900
Onderzoekskosten RIKILT1 5003 074
Specifieke kosten VWA/RVV4 7004 459
Algemene kosten275303
Totaal materiële kosten24 75525 399

Inhuur derden

Ondanks het feit dat een bedrag ad € 0,5 mln. niet is geactiveerd, maar direct van het resultaat is gebracht, blijven de kosten binnen het budgettaire kader. Een groot aantal contracten is beëindigd. Met name de kosten voor inhuur van ICT zijn lager dan begroot.

Reis, verblijf, representatie kosten

De reis- en verblijfkosten zijn hoger als gevolg van de AI. De prognose van reguliere reiskosten blijft wel binnen het gestelde budgettaire kader. Gezien het materiële belang blijft aandacht voor deze kostenpost noodzakelijk.

Opleidingskosten

Vanwege de AI zijn een groot deel van de opleidingen getemporiseerd. De kosten bedragen € 0,6 mln.

Kantoorkosten

De kantoorkosten ad € 5,9 mln. zijn hoger dan begroot. Oorzaak hiervan is hogere datacommunicatiekosten van de ISDN/huurlijnen.

Onderzoekskosten RIKILT

De onderzoekskosten RIKILT zijn fors hoger dan geraamd. Oorzaak hiervan is de hogere import uit derde landen. Deze kosten worden dan ook gedekt vanuit de hogere opbrengsten import derde landen.

Specifieke kosten

De specifieke kosten betreffen de kosten van materiaal voor het LRVV, dienstkleding en ICT.

Dotatie aan voorzieningen

Er is een bedrag ad € 677 000 aan voorzieningen gedoteerd. Deze dotatie is bestemd voor de afboeking van dubieuze debiteuren (mede in kader van het grote aantal faillissementen).

Saldo van baten en lasten

Het exploitatieresultaat over 2003 is € 1,653 mln. negatief. Oorzaak hiervan is:

– de prognose van externe opbrengsten is gewijzigd door de sluitingen, het lagere aanbod in het artikel 10 slachterijen en de AI crisis. De omzet is hierdoor ruim € 2,6 mln. lager dan begroot. LNV heeft voor circa € 2,0 mln. aan compensatie geboden voor de inkomstenderving. De totale tegenvaller bedraagt derhalve € 0,6 mln.;

– het (mede op advies van de AD) niet activeren van kosten voor systeemontwikkeling ad € 0,5 mln. Dit bedrag is derhalve in één keer ten laste van het resultaat gebracht;

– de opname van CV en verlofuren is mede door de AI crisis lager dan verwacht. Hierdoor is een bedrag ad € 0,5 mln. niet van de balans afgeboekt, maar ten laste van het resultaat gebracht.

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2003

Bedragen x € 1000
 (1)(2)(3)=(2-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie met oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RIC 1 januari 2003000
2. Totaal operationele kasstroom2 98532– 2 953
Totaal investeringen (-/-)– 4 020– 6643 356
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)000
3. Totaal investeringskasstroom– 4 020– 6643 356
Eenmalige uitkering aan ministerie van LNV (-/-)– 4 85004 850
Eenmalige storting door ministerie van VWS (+)000
Aflossingen op leningen (-/-)– 2 985– 2462 739
Beroep op leenfaciliteit (+)8 870840– 8 030
4. Totaal financieringskasstroom1 035594– 441
5. Rekening-courant RIC per 31 december 20030– 38– 38

Toelichting:

Per 31-12-2003 is het saldo op de rekening courant € 38 000 negatief. Bij het saldo rekening-courant ministerie van Financiën is de afroming saldo draairekening € 428 654 positief meegenomen, daar deze in 2003 van de bankrekening is afgeroomd en pas in 2004 is gestort op de rekening courant.

De totale operationele kasstroom bedraagt € 32 000 positief. De investeringskasstroom is aanzienlijk lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door een zeer terughoudend investeringsbeleid in 2003. De totale investeringen zijn ruim € 3,3 mln. lager dan begroot. Het totale beroep op de leenfaciliteit 2003 voor nieuwe investeringen bedraagt € 0,84 mln. De investeringen op de openingsbalans, ad € 1,127 mln., zijn aan LNV betaald.

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 2002–2003

Bedragen x € 1000
 20022003 begroting2003 realisatie
1. Eigen vermogen 1/1 00
2. Saldo van baten en lasten 0– 1 583
Directe mutaties in het eigen vermogen   
3a) uitkering aan ministerie van VWS 00
3b) bijdrage door ministerie van VWS ter versterking van het eigen vermogen 00
3c) directe mutaties in het eigen vermogen p.m.2 800
3d) overige mutaties p.m.0
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen p.m. 2 800
4. Eigen vermogen 31 december (1+2+3)001 217

Toelichting:

De VWA/RVV is met ingang van 1-1-2003 een agentschap. Vergelijkbare cijfers over 2002 zijn derhalve niet beschikbaar. De VWA/RVV is gestart zonder eigen vermogen. In 2003 is door LNV een vermogensstorting ad € 2,8 mln. gedaan door verlaging van de schuld aan LNV. Het exploitatietekort ad € 1,583 mln. negatief is als onverdeeld resultaat op de balans opgenomen. Het totale eigen vermogen per balansdatum bedraagt derhalve € 1,217 mln. Dit is ruim onder het maximum ad 5% van de omzet.

11. SALDIBALANS

2.1 Saldibalans per 31 december 2003

(bedragen x 1)
1)Uitgaven ten laste van de begroting 20032 454 230 323 2)Ontvangsten ten gunste van de begroting 2003693 067 722
3)Liquide middelen22 967 978    
4)Rekening-courant RIC0 4a)Rekening-courant RIC2 319 918 724
5)Uitgaven buiten begrotingsverband(=intra-comptabele vorderingen)590 628 995 6)Ontvangsten buiten begrotingsverband(=intra-comptabele schulden)54 840 850
7)Openstaande rechten0 7a)Tegenrekening openstaande rechten0
8)Extra-comptabele vorderingen2 450 971 114 8a)Tegenrekening extra-comptabele vorderingen2 450 971 114
9a)Tegenrekening extra-comptabele schulden516 556 9)Extra-comptabele schulden516 556
10)Voorschotten4 297 451 450 10a)Tegenrekening voorschotten4 297 451 450
11a)Tegenrekening Garantieververplichtingen222 297 902 11)Garantieverplichtingen222 297 902
12a)Tegenrekening openstaande Verplichtingen1 991 879 000 12)Openstaande verplichtingen1 991 879 000
13)Deelnemingen0 13a)Tegenrekening deelnemingen0
 Totaal12 030 943 318  Totaal12 030 943 318

2.2 Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften wordt afgeweken, wordt dit nader toegelicht.

Conform het gestelde in de Regeling Departementale Begrotingsadministratie (RDB) zijn geen tussenrekeningen en rekening-courantverhoudingen met dienstonderdelen opgenomen. Zo zijn de rekening-courantverhoudingen met de dienstonderdelen verdeeld over de liquide middelen.

Toelichting per balanspost

Balanspost 1 Uitgaven ten laste van de begroting 2003 2 454 230 323

De uitgaven over 2003 komen overeen met de Rekening en zijn gespecificeerd in het jaarverslag van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), onderdeel verplichtingen en uitgaven.

Balanspost 2 Ontvangsten ten gunste van de begroting 2003 693 067 722

De ontvangsten over 2003 komen overeen met de Rekening en zijn gespecificeerd. in het jaarverslag van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), onderdeel ontvangsten.

Balanspost 3 Liquide Middelen 22 967 978

De post liquide middelen is onder andere samengesteld uit de saldi van de aan de kasbeheerders en kasvoorschothouders verstrekte gelden.

Hierin is opgenomen o.a. het saldo per 31 december 2003 van het Groenfonds ad. 19 238 872.

Balansposten 4. Rekening-Courant RIC-Financiën 2 319 918 724

Deze post geeft de vordering- en schuldverhouding weer tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Financiën per 31 december 2003.

Toelichting

 Bedrag
Het saldo rekening courant met het Ministerie van Financiën is als volgt samengesteld: 
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 919 561 577
EOGFL-Garantie400 357 147
  
Totaal2 319 918 724

Balanspost 5 Uitgaven buiten begrotingsverband 590 628 995

Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die niet ten laste van de begrotingbehoeven te worden gebracht. Dit omdat deze uitgaven met derden kunnen worden verrekend.

Specificatie

 Bedrag
Algemeen975 055
Vordering landbouwheffing7 992 131
Verrekenen BTW ivm MKZ24 785 439
Te verrekenen projecten112 934 633
Gefinancierde interventievoorraad36 588 320
EU EOGFL Garantie uitgaven407 353 417
  
Totaal590 628 995

Deze uitgaven zullen naar verwachting in 2004 worden verrekend.

Te verrekenen projecten

Een bedrag van 59 mln heeft betrekking op de RBV. Dit zijn uitgaven die zijn gemaakt in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) onderdeel subsidie voor de afbraak van de voor deze veehouderijtakken bestemde bedrijfsgebouwen. Deze uitgaven worden volledig verrekend met de Provincies.

EU EOGFL Garantie-uitgaven

In de onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de totaalbedragen van uitgaven en ontvangsten met betrekking tot het EOGFL-Garantie, van de jaren waarvan de declaraties nog niet door de Europese Commissie zijn vastgesteld.

EOGFL-garantieBoekjaarLNVBoekjaar 2002LNVBoekjaar 2003Uitgaven totaalOntvangsten EUNog te ontvangen
2003404 411 256955 933 6711 360 344 9271 359 713 295631 632
2004 406 721 785406 721 785 406 721 785
Totaal404 411 2561 362 655 4561 767 066 7121 359 713 295407 353 417

De EOGFL-uitgaven 2004 hebben betrekking op de (declaratie)maanden november en december 2003 en zijn ontvangen in januari en februari 2004.

Het saldo van het bedrag over 2003 ad. € 631 632 zullen met de goedkeuring van de jaardeclaratie van het betreffende jaar worden verrekend.

Gefinancierde interventievoorraad:

Beginvooraad39 162 145
Inkopen705 499
Verkopen– 4 135 012
Waardevermeerdering855 688
Eindvoorraad36 588 320

Balanspost 6 Ontvangsten buiten begrotingsverband 54 840 850

Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die niet ten gunste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat deze ontvangsten met derden kunnen worden verrekend.

Specificatie

Bedragen x € 1000
 Bedrag
Algemeen10 460 331
EU projecten Brussel26 546 021
EU EOGFL Garantie: Beschikbare gelden voor uitkeringen in het kader van SLOM4 743 940
Contante waarborgen produktschappen6 172 430
Af te dragen loonheffing en sociale premies6 918 128
Totaal54 840 850

De ontvangsten zullen naar verwachting in 2004 worden verrekend.

Balanspost 8 Extra Comptabele Vorderingen 2 450 971 114

De extra comptabele vorderingen hebben betrekking op nog te ontvangen middelen, welke voortvloeien uit uitgaven die ten laste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend, alsmede opgelegde mestheffingen.

Specificatie

 Totaalbedrag
Mineralenboekhouding Bureau Heffingen22 895 731
Landbouwgronden1 419 030 723
Leningen155 041 927
Gestelde zekerheden575 461 125
Vorderingen betaalorganen tbv EOGFL-Garantie97 916 176
Te vorderen douanerechten van bedrijfsleven67 426 793
Algemeen113 198 639
 2 450 971 114

Toelichting landbouwgronden:

Het saldo bestaat voornamelijk uit een langlopend renteloos voorschot van € 867 mln. Daarnaast is er een bedrag ad € 428 mln. nog te vorderen uit hoofde van Landinrichtingsrenten, welke in het algemeen in 26 jaar worden geïnd. Voorts heeft Dienst Landelijk Gebied nog € 123 mln. te vorderen uit hoofde van landinrichtingsprojecten.

Toelichting leningen:

 Bedrag
St. Groninger landschap34 674
WUR (Stichting DLO)124 210 058
WUR Praktijkonderzoek25 592 622
WUR IAC/ILRI5 204 573
Totaal155 041 927

Gestelde zekerheden

BetaalorgaanSpecificatie
HPA215 192 472
PZ217 720 746
PVVE40 506 320
PT77 164 947
LASER24 876 640
Totaal575 461 125

Balanspost 9 Extra comptabele schulden 516 556

De extra comptabele schulden hebben betrekking op nog te verrichten uitgaven, welke voortvloeien uit ontvangsten die ten gunste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend.

 Bedrag
Verschuldigd aan EU516 556

Balanspost 10 Voorschotten 4 297 451 450

Onder voorschotten wordt verstaan de vooruit verstrekte gelden, welke op 31 december 2003 nog niet waren verrekend.

(x € 1000)
Beleidsartikelen20032002200120001999 en eerderTotaal
01 Versterking Landelijk gebied49 23236 54126 95215 78632 071160 582
02 Verwerving en inrichting EHS7 72422 78519 1151314 37454 129
03 Beheer EHS56 27544 34428 29810 3399 667148 923
04 Econ.pers.volle agroketens16 18989 47263 4655 53127 928202 585
05 Bevord. Duurzame productie98 61940 52013 3439 18164 620226 283
06 Bevorderen voedselveiligheid64 09919 94512 9636 1597 494110 660
07 Kennisontwikkeling305 708106 017130 634122 683480 0021 145 044
08 Kennisvoorziening423 174400 231352 313336 360350 2491 862 327
09 Kennisverspreiding61 60378 80248 55934 00154 940277 905
11 Algemeen39 36731 60335 5616611 821109 013
Totaal1 121 990870 260731 203540 8321 033 1664 297 451
(x € 1000)
Verloop van de voorschotten gedurende het dienstjaar 2003Bedrag
Beginstand 1 januari3 566 817
Verstrekte voorschotten +1 121 990
Eindafgerekende voorschotten –/-391 356
Eindstand 31 december4 297 451

Medebewindskosten: Op deze post zijn de nog niet afgerekende voorschotten inzake de medebewindkosten opgenomen. Bij de vaststelling van de definitieve bijdrage zullen de voorschotten worden afgeboekt.

(x € 1000)
  Bedrag
Stand 1-1-2003 81 325
Bij:31 401 
Af:-/-12 914 
  18 487
Stand 31-12-2003 99 812
(x € 1000)
ProductschapOmschrijving200320022001200019991998 evTotaal
HPAVs.medebewind13 71213 39313 428   40 533
PZVs.medebewind7 2467 1267 517   21 889
PVVEVs.medebewind6 3686 8098 391   21 568
PTVs.medebewind3 4323 4214 304   11 157
PVIVIVs.medebewind6438287126616201 2014 665
 Totaal31 40131 57734 3526616201 20199 812

Openstaande voorschotten

Voorschotten transacties en subsidies die nog definitief afgerekend dienen te worden.

In afwachting op de bevindingen uit het uit te brengen rapport van de Commissie Vervolgonderzoek Rekenschap zijn in 2003 geen voorschotten aan onderwijsinstellingen definitief afgerekend.

Balanspost 11 Garantieverplichtingen 222 297 902

Garanties

Voor de samenstelling wordt verwezen naar paragraaf 2.3, de staat van garantieverplichtingen.

Balanspost 12 Openstaande verplichtingen 1 991 879 000

Het saldo van de openstaande verplichtingen per 31 december 2003 kunnen vanaf 2004 tot betaling leiden.

(x € 1000
HoofdbeleidsterreinenStand per 01-01-2003In 2003 aangegaan +Negatieve bijstelling -/-Uitgaven -/-Stand per 31-12-2003
01 Versterking landelijk gebied590 453275 24933 293320 914511 495
02 Verwerving/inrichting EHS141 066175 5953 864195 529117 268
03 Beheer EHS306 785174 6618 862135 269337 315
04 Econ.pers.voll.agroketens57 20099 2193 87282 61869 929
05 Bevord.duurz.produktie200 844156 91629 548211 479116 733
06 Bevord.voedselveiligheid19 834424 6982 517419 35622 659
07 Kennisontwikkeling291 691343 75541 679316 098277 669
08 Kennisvoorziening5319 734513 6140423 229410 119
09 Kennisverspreiding32 38371 6482 48062 41939 132
11 Algemeen303287 05123287 31912
Subtotaal1 960 2932 522 406126 1382 454 2301 902 331
Buiten begrotingsverband292 40523 587131 30895 13689 548
Totaal generaal2 252 6982 545 993257 4462 549 3661 991 879

2.3 DE STAAT VAN GARANTIE-VERPLICHTINGEN

Garantie verplichtingen per 31 december 2003

(bedragen x € 1000)
Bel. Artikela) ten behoeve vanb) aanIngangs datumlooptijd in jarenMaximaal verleendLopende verplichting
04a) Stichting Borgstellingsfonds voor de Land- en Tuinbouw  92 200 00050 008 000
 Subtotaal artikel  92 200 00050 008 000
      
02a) Rente en aflossingen van leningen inzake aankoop van natuurgebieden en landschappen    
 b) AMEV16-05-1994145 134 1862 368 637
 b) St. Notarieel Pensioenfonds20-06-1994208 448 6636 029 877
 b) Alg. Spaarbank voor Nederland01-04-1992303 630 2423 097 615
  05-06-1992304 537 8023 873 484
 b) Internationale Nederlanden17-02-1994305 445 3634 640 456
  21-04-1994185 877 4493 767 084
  12-12-1994302 268 9012 014 151
  24-01-199730907 561827 365
 b) Algemeen burgerlijk pensioenfonds21-12-1989202 722 6812 081 280
  16-07-1990302 722 6812 214 131
  27-05-1994303 176 4622 781 962
  15-09-1994303 630 2423 200 865
  10-02-1995304 084 0223 701 685
  14-09-1995302 268 9012 020 330
  24-01-1996304 537 8024 075 997
  28-03-1996304 537 8024 101 801
  11-07-1997196 096 8754 858 071
  26-05-1998303 176 4622 918 238
 b) Bank Nederlandse Gemeenten22-05-1995203 176 4622 843 681
  01-04-1997304 084 0223 701 976
  02-06-1997185 912 1484 549 749
  22-07-1997204 056 1413 282 571
  22-12-1997302 722 6812 468 743
  22-10-1998304 991 5824 578 325
  15-03-1999304 084 0223 809 377
  15-04-1999104 168 1502 689 458
  15-06-199953 527 483752 302
  30-06-1999202 362 5062 040 904
  01-07-1999302 722 6812 533 807
  30-01-2001202 834 5172 663 168
  28-02-2001309 075 6048 808 849
  01-10-2001205 230 0004 910 627
  19-11-2001309 075 0008 776 264
  24-12-2002109 100 0009 100 000
  18-09-20032018 513 81918 513 819
  16-12-2003309 076 0009 076 000
 b) ASF Graf.Bedr./Telegraaf/Fortis15-12-1997202 359 6571 908 522
 b) Würtembergische Hypothekenbank14-01-20005932 380400 004
 b) Ned. Waterschaps Bank01-09-20021012 942 44312 542 443
 Subtotaal artikel  194 151 395168 523 618
08a) Gebouwen en terreinen voorgesubsidieerde scholen Agrarisch onderwijs  13 800 5913 527 659
 a) Gebouwen Stichting Studenten huisvesting in Deventer  748 737238 625
 Subtotaal artikel  14 549 3283 766 284
 Totaal generaal  300 900 723222 297 902

BIJLAGE 1:

VERDIEPINGSBIJLAGE

01 Versterking landelijk gebiedVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)234 176302 56584 563
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)– 2 993– 2 993 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)231 183299 57284 563
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)– 3 762– 3 858 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)– 3 762– 3 858 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)37 98923 8837 446
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)37 98923 8837 446
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet9 8401 317– 1 918
4. Vast te stellen mutatie slotwet9 8401 317– 1 918
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)275 250320 91490 091
02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)VerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst.2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)156 964152 6696 258
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)   
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)156 964152 6696 258
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)37 89337 89312 000
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)37 89337 89312 000
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)– 7 109– 6 181 
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)7 109– 6 181 
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 3 07611 14922 746
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 3 07611 14922 746
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)184 672195 53041 004
03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)VerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)129 329127 78514 583
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)   
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 71)12 00012 000 
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 37)   
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)141 329139 78514 583
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)1 270– 8 730 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)1 270– 8 730 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)2 4102 410 
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)2 4102 410 
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet29 6531 804– 6 437
4. Vast te stellen mutatie slotwet29 6531 804– 6 437
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)174 662135 2698 146
04 Economisch perspectiefvolle agroketensVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)64 02662 8003 949
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)4 3014 301 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)68 32767 1013 949
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)25 149– 1 133 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)25 149– 1 133 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)3 55116 1542 651
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)3 55116 1542 651
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet2 19349710 095
4. Vast te stellen mutatie slotwet2 19349710 095
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)99 22082 61916 695
05 Bevorderen duurzame productieVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)139 589315 342201 875
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)– 306– 306 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)139 283315 036201 875
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)11 02512 776 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)11 02512 776 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)– 16 288– 17 373– 11 833
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)– 16 288– 17 373– 11 833
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet22 896– 98 959– 109 418
4. Vast te stellen mutatie slotwet22 896– 98 959– 109 418
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)156 916211 48080 624
06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheidVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)90 52990 52938 077
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)– 111– 111 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)90 41890 41838 077
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)262 772262 76719 700
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)262 772262 76719 700
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)90 51790 517– 807
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)90 51790 517– 807
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 19 009– 24 346– 7 058
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 19 009– 24 346– 7 058
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)424 698419 35649 912
07 Kennisontwikkeling en innovatieVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)311 335312 45521 581
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)– 284– 284 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)311 051312 17121 581
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)– 4 6134 1181 824
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)– 4 6134 1181 824
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2003–2004, 29 329, nr. 1)67 4961 8861 114
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)67 4961 8861 114
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 30 178– 2 077– 8 348
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 30 178– 2 077– 8 348
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)343 756316 09816 171
08 KennisvoorzieningVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)388 891388 891182
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)   
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 71)   
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 37)2 3002 300 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)391 191391 191182
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)63 10113 101256
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)63 10113 101256
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)55 43214 546– 112
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)55 43214 546– 112
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet3 8904 39213
4. Vast te stellen mutatie slotwet3 8904 39213
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)513 614423 230339
09 KennisverspreidingVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)95 44395 43945
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)– 601– 601 
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 71)   
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 37)– 2 300– 2 300 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)92 54292 53845
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)37 048– 36 973 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)– 37 048– 36 973 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)11 82511 350281
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)11 82511 350281
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet4 330– 4 496614
4. Vast te stellen mutatie slotwet4 330– 4 496614
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)71 64962 419940
10 Nominaal en OnvoorzienVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)10 86610 866 
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)   
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)10 86610 866 
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)7 4857 485 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)7 4857 485 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)– 18 173– 18 173 
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)– 18 173– 18 173 
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 178– 178 
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 178– 178 
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)00 
11 AlgemeenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2003 (kmst. 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 94)201 832201 964245 756
Nota van wijziging (kmst. 28 600 XIV, nr. 38)– 6– 6 
Amendement (kmst. 28 600 XIV, nr. 71)– 12 000– 12 000 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2003, 78)189 826189 958245 756
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 937 XIV, nr. 1)63 67663 67621 427
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, 408)63 67663 67621 427
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst.2003–2004, 29 329, nr. 1)13 40213 29078 807
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 79)13 40213 29078 807
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet20 14720 39643 160
4. Vast te stellen mutatie slotwet20 14720 39643 160
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2003 (1+2+3+4)287 051287 320389 150

BIJLAGE 2

Europese geldstromen

Het nationaal landbouwbeleid hangt nauw samen met het Europese landbouwbeleid. In deze bijlage wordt een samenhangend overzicht geboden tussen de nationale doelstellingen van LNV, zoals weergegeven in de diverse beleidsartikelen en het Europese beleid. Op deze wijze wordt inzicht verschaft in de vertaling van het Europese beleid in nationaal beleid, de nationale inzet binnen de Europese Unie en de Europese geldstromen die buiten het nationale begrotingsverband lopen. De nadruk in deze bijlage ligt op het plattelandsbeleid, het structuurbeleid en het markt- en prijsbeleid.

Plattelandsbeleid

Tabel 1. Programma-uitgaven voor het jaar 2003; begroting vs realisatie (in € mln.)
 Begroting 2003Realisatie 2003 
Financieringsbron plattelandsbeleidLNVOverig*waarvan gedekt door EU-bijdrage +LNVOverig*waarvan gedekt door EU-bijdrage +
– Duurzame landbouw50,3949,0518,2781,8749,2232,86
– Natuur en landschap43,9220,1922,0419,7046,1416,54
– Waterbeheer14,8817,809,278,0033,299,31
– Diversificatie0,402,881,0600,660,12
– Recreatie en toerisme0,008,983,1409,922,57
– Leefbaarheid0,0013,354,67029,077,04
– Andere acties   00,970,71
Totaal109,59112,2558,45109,57169,2769,15

* Overig, zijnde provincies, gemeenten, waterschappen en private partijen

+ Dit betreft dekking voor zowel LNV als overige uitgaven

In Tabel 1 zijn de gerealiseerde financieringsstromen voor het jaar 2003 die samenhangen met het plattelandsbeleid afgezet tegen de begroting 2003. Uitgaven en ontvangsten voor plattelandsbeleid die zijn ondergebracht in het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) worden voor wat betreft de uitgaven door LNV en de bijbehorende co-financiering door de EU uit EOGFL-Garantie (ontvangsten) op de LNV-begroting verantwoord.

In het POP zijn zes prioritaire beleidsthema's te onderscheiden, waaronder maatregelen conform Verordening (EG) nr 1257/1999. Ter uitvoering van de maatregelen uit de Verordening, worden rijksregelingen en provinciale programma's ingezet. In de tabel is een overzicht gegeven van de Rijks- en overige bijdragen voor het POP alsmede de bijdragen van de EU daarin. De overige bijdragen betreffen bijdragen van provincies, gemeenten, waterschappen en private partijen. De EU-bijdrage wordt wat betreft de bijdrage aan de rijksregelingen op de begroting van LNV op diverse artikelen verantwoord.

Uitvoering POP in 2003

De realisatiecijfers over het jaar 2003 zijn afkomstig van de twee betaalorganen voor het POP, namelijk LASER en DLG. In 2003 is voor het POP € 69,15 mln aan EU-middelen besteed, een overschrijding van ruim € 9 mln ten opzichte van het beschikbare gestelde EU-budget voor 2003 (€ 59,5 mln). De verwachting is dat Brussel deze extra uitgaven zal goedkeuren vanwege onderuitputting in andere Europese lidstaten.

Naar aanleiding van de gerealiseerde onderuitputting in 2002 (ca € 9 mln) is in samenwerking met de betaalorganen een analyse gemaakt van de oorzaken van de onderuitputting en zijn in de vergadering van het Comité van Toezicht POP een aantal maatregelen besproken om onderuitputting in 2003 e.v. tegen te gaan.

Zo is besloten bij de provinciale programma's een ruime mate van overprogrammering toe te passen om zoveel mogelijk te waarborgen dat ook bij uitval en vertraging van projecten minimaal volledige uitputting van het budget bereikt wordt.

POP-onderdelen waar de uitputting in 2003 achterbleef bij de verwachting waren onder meer Provinciaal Programma Waterbeheer, Provinciaal Programma Bevordering van toeristische en ambachtelijke activiteiten, Landinrichting kavelaanvaarding, Landinrichting ontsluiting en de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid, onderdelen diversificatie en waterbeheer.

Onderdelen van het POP waar de uitputting de oorspronkelijke planning overtrof waren onder meer de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer, de Regeling Bedrijfshervestiging en -beëindiging, Provinciaal Programma Dienstverlenende instanties basiszorg en Provinciaal Programma Milieubehoud.

Daarnaast is evenals in 2001 en 2002 tegen het eind van het POP-uitvoeringsjaar 2003 besloten, om de op dat moment tegenvallende POP-uitgaven voor enerzijds het provinciale programma en anderzijds het Rijksprogramma, te compenseren door extra inkomsten in het kader van de grondverwerving (Verwerving Staat en de Regeling Particuliere Terreinbeherende organisaties).

Ondanks de gerealiseerde overschrijding in 2003 blijft maximale aandacht voor uitputting van de Europese POP-gelden dan ook geboden.

De gerealiseerde «andere acties» betreft onder meer de mid-term evaluatie van het POP, die in 2003 met EU-cofinanciering is uitgevoerd door bureau Ecorys-NEI in opdracht van het Regiebureau POP. Verder is onder deze post de uitfinanciering van de «moderniseringsrichtlijn» opgenomen.

Ter illustratie de realisatie van lidstaat Nederland in vergelijking met de overige EU-lidstaten.

Tabel 2. Realisatie POP-uitgaven EU-lidstaten (bedragen * € 1 000)
 BeschikkingRealisatie 2003OnderbestedingOverbestedingRealisatie in%
België57 37947 000– 10 379 81,91%
Denemarken49 80050 160 360100,72%
Duitsland803 840804 555 715100,09%
Griekenland150 395137 878– 12 517 91,68%
Spanje510 701501 159– 9 542 98,13%
Frankrijk801 385833 770 32 385104,04%
Ierland341 000340 995– 5 100,00%
Italië683 248661 184– 22 064 96,77%
Luxemburg13 78817 827 4 039129,29%
Nederland59 50069 363 9 863116,58%
Oostenrijk460 000458 524– 1 476 99,68%
Portugal169 156151 751– 17 405 89,71%
Finland314 000347 262 33 262110,59%
Zweden163 890165 050 1 160100,71%
Engeland169 233150 567– 18 666 88,97%
Totaal4 747 3164 737 044– 92 05681 78499,78%

EU-Structuurfondsen

Tabel 3. Programma-uitgaven voor het jaar 2003; begroting (in € mln.)
Begroting  
FinancieringsbronStructuurbeleidEULNVProvinciesTotaal
     
– D2 Oost- en Zuid Nederland31,220,226,978,3
– FIOV (incl. FIOV-Flevoland)7,26,9pm14,1
– Leader +13,60,019,833,4
Totaal52,027,146,7125,8

In Tabel 3 zijn de begrote financieringsstromen voor het jaar 2003 die samenhangen met het structuurbeleid weergegeven. Ten aanzien van de Structuurfondsen draagt LNV primaire verantwoordelijkheid voor een aantal (deel)programma's voor Doelstelling 2. Deze programma's ontvangen vanuit de EU een bijdrage uit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO). Rijk en lokale overheden nemen het nationale gedeelte voor hun rekening. Daarnaast is LNV verantwoordelijk voor het Communautaire initiatief Leader +. Tenslotte draagt LNV de verantwoordelijkheid voor het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV).

Informatievoorziening Structuurfondsen 2000–2006

Met als doel de Kamer het verlangde inzicht te geven in de totale financieringsstromen van de Structuurfondsen hebben de verantwoordelijke bewindspersonen besloten om ieder najaar (september) een overzicht aan de Tweede Kamer te sturen. In een door de Staatssecretaris van Economische Zaken aangeboden brief wordt per Structuurfonds inzicht verschaft in de totale omvang van begrote versus gerealiseerde geldstromen. Naast een specifieke toelichting op geconstateerde verschillen in planning en realisatie wordt ook een algemene toelichting opgenomen ten aanzien van het uitgeoefende toezicht door de departementen.

In reeds in 2001 afgesloten convenanten tussen LNV en provincies zijn naast taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden ook heldere afspraken gemaakt over de informatievoorziening. Met deze informatie vanuit de provincies moeten de betreffende beleidsdirecties binnen LNV het inzicht verkrijgen over een rechtmatige en doelmatige aanwending van EU-subsidies.

Ten tijde van het opstellen van dit jaarverslag waren de financiële rapportages inzake D2 en Leader+ van de betrokken provinciale betaalautoriteiten (nog) niet beschikbaar. In dit jaarverslag wordt met betrekking tot de Structuurfondsen D2 en Leader+ darhalve slechts kwalitatieve informatie over de realisatie 2003 worden gegeven. Kwantitatieve informatie volgt in het najaar.

D2

Halverwege 2001 heeft de Europese Commissie de Enkelvoudige Programmeringsdocumenten (EPD) Oost en Zuid voor de periode 2000–2006 goedgekeurd. De EPD's kennen reconstructie- en economische maatregelen, waarbij de provincies verantwoordelijk zijn voor de uitvoering. Formeel is verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Staat en de betreffende provincie geregeld in convenanten. Voor het EPD-Oost is de Minister van LNV eerstverantwoordelijk, voor EPD-Zuid is dat de staatssecretaris van EZ. Naar aanleiding van onderzoek (audit PriceWaterhouseCoopers) naar de Nederlandse uitvoeringsopzet van de Structuurfondsen, is naar voren gekomen dat budgetten en instrumenten van LNV moeilijk te koppelen zijn aan het D2 programma.

Inmiddels heeft LNV het initiatief genomen om de samenhang te verbeteren, inclusief de relatie met POP; uiteraard heeft LNV ook een actieve rol voor de betrokken Provincies bewerkstelligd.

Met het oog op een beperkte voortgang hebben de Comités van Toezicht van Zuid en Oost eind 2003 besloten om voor het budgetjaar 2004 middelen over te hevelen van de LNV georiënteerde maatregelen naar de economische maatregelen. Het gaat om respectievelijk € 7,8 miljoen voor Oost en € 5,4 miljoen voor Zuid.

Teneinde de vertragingen in de Reconstructie tegen te gaan heeft het Rijk voor Reconstructie een UrgentieProgramma (UP) gestart voor de periode 2003–2007. Hierin zit voor € 165 miljoen extra aan Rijksmiddelen. Verder is in bestuurlijk overleg met Provincies afgesproken dat in 2004 voor € 10 miljoen aan D2 middelen wordt gekoppeld aan het Urgentieprogramma.

Alhoewel definitieve cijfers op dit moment nog niet beschikbaar zijn, ziet het ernaar uit dat voor 2003 er sprake is van een uitputting van de EU-bijdrage voor D2.

Leader+

De Leader+ programma's zijn eind juli/begin augustus 2001 door de Europese Commissie goedgekeurd. Beheers- en betaalautoriteiten voor de programma's zijn respectievelijk het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (Noord), provincies Overijssel (Oost), Flevoland (West) en Noord-Brabant (Zuid). Om de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Staat en de desbetreffende Provincies goed te regelen zijn convenanten afgesloten tussen beide partijen. Het communautair initiatief Leader+ richt zich vooral op gebiedsgebonden, geïntegreerde en experimentele strategieën voor plattelandsontwikkeling, waarbij het initiatief ligt bij partijen in het gebied.

Bij Leader+ is cofinanciering op jaarbasis van Ministerie van LNV te verwaarlozen: de nationale cofinanciering vindt hoofdzakelijk plaats door provincies, gemeenten en private partijen. Alhoewel definitieve cijfers op dit moment nog niet beschikbaar zijn, ziet het ernaar uit dat voor 2003 er sprake is van een uitputting van de EU-bijdrage voor Leader+.

FIOV

Het Europese Structuurfonds FIOV (Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij) draagt bij aan structuurmaatregelen in de visserijsector. Nederland kent twee programma's (EPD's); EPD-FIOV Nederland buiten doelstelling 1 gebied en het EPD-Flevoland (doelstelling 1 gebied). Het EPD-Flevoland wordt gefinancierd uit diverse structuurfondsen, waaronder het FIOV. Het ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de uitvoering van het Flevoland-programma, maar de minister van LNV is eindverantwoordelijke voor het FIOV-gedeelte.

De structurele aanpassing van de Nederlandse visserijvloot is één van de belangrijke zwaartepunten binnen het EPD-FIOV. Ook in 2003 is een saneringsregeling opengesteld: «Regeling capaciteitsvermindering rondvisvisserij 2003» (geheel Nederland). Voorts zijn diverse meerjarige onderzoeken naar duurzamere visserijtechnieken gefinancierd.

Voor het gehele programma buiten doelstelling 1 gebied, is eind 2003 circa 30% van de beschikbare FIOV-middelen gecommitteerd. Uit de evaluatie die in de tweede helft van 2003 heeft plaatsgevonden, blijkt dat het programma daarmee op schema ligt.

Markt- en prijsbeleid

Tabel 4. Programma-uitgaven voor het jaar 2003; begroting vs realisatie (in € mln.)
 Begroting 2003Realisatie 2003 
FinancieringsbronMarkt- en prijsbeleidEULNVOverig*EULNVOverig*
Premieregelingen136n.v.t.n.v.t.150n.v.t.n.v.t.
Nationale enveloppe17n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.
Interventies en restituties941n.v.t.n.v.t.1 141n.v.t.n.v.t.
       
Totaal1 094n.v.t.n.v.t.1 291n.v.t.n.v.t.

* Overig, zijnde provincies, gemeenten, waterschappen en private partijen

In Tabel 4 zijn de gerealiseerde financieringsstromen voor het jaar 2003 die samenhangen met het markt- en prijsbeleid, afgezet tegen de begroting 2003.

De stijging in de programma-uitgaven van het markt- en prijsbeleid wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van de exportrestituties. Met name de exportrestituties in de zuivelsector hebben in 2003 een aanzienlijke stijging laten zien. Dit is een gevolg van enerzijds een verhoging van de restitutieprijzen door de Europese Commissie en anderzijds het aantrekken van met name de botermarkt.

De ontvangsten uit hoofde van de landbouwheffingen worden onder beleidsartikel 11 verantwoord.

De uitgaven uit hoofde van het markt- en prijsbeleid betreffen voornamelijk betalingen wegens exportsubsidies, hectaresteun en dierpremies. Deze worden ten laste van het EOGFL-garantie gebracht en worden buiten begrotingsverband verantwoord. Ten aanzien van het markt- en prijsbeleid is LNV verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering.

De nationale uitvoering van markt- en prijsbeleid is aan stringente Europese voorwaarden verbonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. De omvang van financiële correcties (apurement) geeft een indicatie van rechtmatigheid van de uitvoering. In beleidsartikel 11 worden de uitgaven voor apurement nader toegelicht.

Tabel 5. Ontvangsten uit hoofde van heffingen en douanerechten op landbouwproducten in 2003 (x € 1 mln)
 BegrotingRealisatie
Douanerechten op landbouwproducten  
Hoofdproductschap Akkerbouw23,29,7
Productschap Zuivel0,4 
Productschap Vee, Vlees en Eieren0,82,9
Productschap Tuinbouw  
Douane175,6300,7
Sub-totaal200313,3
   
Productieheffingen  
Bijdrage in de opslagkosten van suiker0 
Productieheffing suiker2931,5
Productieheffing isoglucose en insuline10,7
Sub-totaal3032,2
   
Totaal douanerechten en productieheffingen230345,5

In Tabel 5 is een overzicht van de Eigen Middelen van de Europese Unie opgenomen voorzover het de douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen betreft. Een overzicht van alle bijdragen van de lidstaat Nederland is te vinden in de verantwoording van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Er is beduidend meer (€ 115,5 mln) aan heffingen geïnd dan oorspronkelijk geraamd. Hier is sprake geweest van een volume-effect.

Tabel 6. Prestatiegegevens m.b.t. de uitvoering van het markt- en prijsbeleid
2003BegrotingRealisatie 
Landbouwproducten en superheffingmutatiesaantal aanvragen (x 1 000)Restitutie uitgaven (x € 1 mln)belang per aanvraag (x € 1,–)aantal aanvragen (x 1 000)Restitutie uitgaven (x € 1 mln)belang per aanvraag (x € 1,–)
Akkerbouw      
Restituties, productiesteun en invoer van akkerbouwproducten653305 077682193 221
Restituties voor verwerkte grondstoffen in voedselproducten12510080012371577
       
Zuivelproducten en melk      
Restituties en veredeling van zuivelproducten583005 172575199 105
Uitvoercertificaten5  5  
Invoercertificaten9  17  
Superheffing50  51  
       
Vlees en eieren      
Exportrestituties25803 2003010333
Invoerformulieren20  18  
Certificaten12  13  
Slachtpremies kalveren23417 00023417 000
(aantal premiabele kalveren)   (675)  
       
Groenten en fruit      
Exportrestituties en marktordening10353 50055811 600
Certificaten9  2  
       
Margarine, vetten en oliën      
In- en uitvoerformulieren/certificaten      
       
Totaal aantal aanvragen (x 1 000)390  391  
OmschrijvingBegrotingRealisatie
Totaal aantal aanvragen (x 1 000)390391
Uitgaven medebewind (x € 1 mln.)31,031,4
Totale personeelsinzet medebewind in mensjaren428416
Berekend gem. aantal aanvragen per mensjaar911940
Berekende gem. uitvoeringskosten per aanvraag (x € 1,–)7980
Berekende gem. uitgaven per mensjaar (x € 1 000)7275
Apurement (x € 1 mln.)00

BIJLAGE 3

AANBEVELINGEN ALGEMENE REKENKAMER EN M&O-BELEID

Verantwoording over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer in het Rapport bij het jaarverslag 2002 Ministerie van LNV en het beleid ten aanzien van het misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O-beleid).

Het proces van accountantscontrole:

De Algemene Rekenkamer constateerde over 2002 dat het proces van accountantscontrole een aantal gebreken kende. Met name de toegankelijkheid en transparantie van de dossiers van de departementale Auditdienst schoten tekort. De Algemene Rekenkamer beval aan om de toegankelijkheid en transparantie van dossiers te verbeteren.

Reactie LNV:

De Algemene Rekenkamer heeft in de «Secretarisbrief» van 4 december 2003 (betreft eerste bevindingen Rechtmatigheidsonderzoek 2003) aangegeven dat bij de beoordeling van de planningsfase van de accountantscontrole op een aantal punten, waarin 2002 nog sprake was van onvolkomenheden, concrete verbeteringen zijn doorgevoerd. Bij de uitvoering van de controles zal de dossiervorming een blijvend punt van aandacht zijn.

Beleidsinformatie:

De Algemene Rekenkamer stelde over 2002 vast dat de inhoudelijke invulling van VBTB bij het ministerie van LNV voor verbetering vatbaar was. De inhoudelijke betrokkenheid van de beleidsdirecties liet nog te wensen over. De Algemene Rekenkamer beval aan de betrokkenheid van de beleidsdirecties van LNV bij het VBTB-proces te vergroten.

Reactie LNV:

Beleidsdirecties en uitvoerende diensten hebben het voortouw bij de inhoudelijke invulling van de beleidsbegroting en beleidsverantwoording. Er lopen bij veel directies projecten om het VBTB-gehalte te verhogen inclusief een heroverweging van de begrotingsinrichting. De aanpak van de beleidsinformatie is verbeterd. De beleidsdirecties hanteren een verbetermonitor om de verdere voortgang van het groeitraject verbetering beleidsinformatie te bewaken.

Administratieve organisatie:

Bij een aantal beleids- en stafdirecties constateerde de Rekenkamer dat de beschrijving van de administratieve organisatie (AO) niet meer actueel was. De Algemene Rekenkamer beval aan dat de beschrijving van de administratieve organisatie hoge prioriteit moet krijgen.

Reactie LNV:

Een deel van de betrokken directies bij LNV is, in samenwerking met FEZ, bezig met het actualiseren van de administratieve organisatie. Voor een aantal directies heeft, gezien de lopende reorganisaties en het opzetten van de shared service HRM, het actualiseren van de AO voorlopig nog geen zin.

Reviewbeleid:

De Rekenkamer stelde vast dat beleidsdirecties niet over een reviewbeleid beschikten. De Algemene Rekenkamer beval aan dat het opstellen van een reviewbeleid hoge prioriteit moest krijgen.

Reactie LNV:

De beleidsdirecties passen in overleg met de Auditdienst het reviewbeleid toe. FEZ werkt momenteel (in nauw overleg met de Auditdienst) aan een algemene kaderstelling reviewbeleid met een meer gestructureerde terugkoppeling van de resultaten en aanbevelingen aan de beleidsverantwoordelijke directie.

Contractbeheer:

De Algemene Rekenkamer signaleerde over 2002 diverse gebreken in het departementale contractbeheer en de naleving van het Besluit contractbeheer.

Reactie LNV:

Binnen het ministerie van LNV is bij een groot aantal directies en diensten inmiddels een contractenadministratiepakket geïmplementeerd. Dit geldt in ieder geval voor de uitvoerende diensten. Bij een aantal – met name – beleidsdirecties is de implementatie van dit pakket nog niet gereed. Het streven is er op gericht dit voor eind 2004 te hebben voltooid, zodat heel LNV van dit pakket gebruik zal maken.

De instructies ten aanzien van het beheer van gesloten overeenkomsten en de daaraan ten grondslag liggende aanbestedingsdossiers zijn in het afgelopen jaar aangescherpt en maken thans expliciet deel uit van de toezichtstructuur van LNV, die onder andere is uitgewerkt in het Toetsingskader Financieel en Materieelbeheer.

Misbruik en Oneigenlijk gebruik (M&O-beleid)

Dit beleid is in de Handleiding Financiële Regelingen en de Kwaliteitsstappen beleidsvoornemens neergelegd en sluit aan op de relevante wetgeving (Algemene Wet Bestuursrecht, Kaderwet e.d.) en de handleiding ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Directie Audit en Toezichtbeleid (ATB). De handleiding schrijft voor dat, wanneer er sprake is van een financiële regeling met een risico van misbruik en oneigenlijk gebruik door eindbegunstigden, een analyse van risico's van onrechtmatigheden in de uitvoering van de ontwerpregeling verplicht is (controlememorandum). De risico's, de beheersmaatregelen en de bijbehorende uitvoeringskosten kunnen aanleiding zijn de ontwerpregeling te vereenvoudigen of anderszins aan te passen.

Het beleid is ook gericht op het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van financiële regelingen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het betreft hier de exportrestitutie-, Interventie-, Mac Sharry-, en overige GLB-steunregelingen. Voor de communautaire regelingen bepaalt de Europese Unie in belangrijke mate de invulling van het te voeren M&O-beleid. Deze invulling is vastgelegd in voorschriften voor:

– het toepassen van een communautair sanctiebeleid;

– het gestructureerd melden van onregelmatigheden.

In diverse regelingsspecifieke verordeningen is het controlebeleid opgenomen. Deze voorschriften vormen voor de uitvoering van controles de norm.

De directie FEZ ziet toe op de naleving van het M&O-beleid binnen LNV. Dit toezicht wordt enerzijds ingevuld via de jaarlijkse interne mededeling van LNV-directeuren over de kwaliteit van de financiële bedrijfsvoering en anderzijds door middel van eigen waarnemingen.

BIJLAGE 4

LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN

ActalAdviescollege toetsing administratieve lasten
ADAudit Dienst
AEWAAfrican-Eurasian Waterbird Agreement
AGRAutomatische Gegevens Registratie
AIAviaire influenza
AIDAlgemene Inspectiedienst
AKKAgro Keten Kennis
AmvBAlgemene Maatregel van Bestuur
AOCAgrarische Onderwijs Centra
AO-PAdministratieve Organisatie Personeel
ASCAfrika Studie Centrum
ASCOBANSAgreement on the Conservation of Small Cetacians of the Baltic and North Seas
ATOAgrotechnologisch Onderzoek
AVPAgenda Vitaal Platteland
BANDBilaterale Austauch Niederlanden-Deutschland
BBLBeroepsbegeleidende Leerweg
BHFBureau Heffingen
BOLBeroeps Opleidende Leerweg
BRBSBedrijfsRegistratie en BeheersSyteem
BRDBureau Registratie Diergeneesmiddelen
BSEBovine Spongiform Encephalopathy
BUZAMinisterie van Buitenlandse zaken
CBBCollege van beroep voor het bedrijfsleven
CBDControle Bureau Dierlijke Sector
CECentraal Examen
CfiCentrale Financiën Instellingen
CIEcentrale integratieve eindtoets
CITESConverntion on International Trade in Endangered Species
CLIENTControles op Landbouwgoederen bij Im- en Export naar een Nieuwe Toekomst
COKZCentraal Orgaan Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel
CPECentraal Praktisch Examen
CPSCentraal praktisch examen
CSPECentraal Schriftelijk Pilot-Examen
CSECentraal schriftelijk examen
CTBCollege Toelating Bestrijdingsmiddelen
CVOChief Veterinary Officer
DBRDienst Basisregistraties
DGFDiergezondheidsfonds
DHTDrank- en Horecatoezicht
DLDirectie Landbouw
DLGDienst Landelijk Gebied
DLODienst Landbouwkundig Onderzoek
DNDirectie Natuur
DRLDienst Regelingen LNV
DWKDirectie Wetenschap en Kennisoverdracht
EBPEnergiebesparingplannen
ECEuropese Commissie
EC-LNVExpertise-centrum
EFROEuropees Fonds Regionale Ontwikkeling
EFSAEuropean Food Safety Authority
EHSEcologische Hoofdstructuur
EIAEnergie Investeringsaftrek
EOGFLEuropees Oriëntatie en Garantie Fonds voor de Landbouw
EPDEnig Programmerings Document
ERISEmerging Risk Identification System
EUEuropese Unie
EVCErkenning van elders Geworven competenties
EVOAEuropees medspunt Voor Overbrenging Afvalstoffen
EZEconomische Zaken
FAOFood and Agricultural Organisation van de Verenigde Naties
FIERFinanciering Identificatie En Registratie
FIOVFinancieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij
GDGezondheidsdienst voor Dieren
GeBeVeGebiedsgerichte Bestijding Verdroging
GGO'sGenetisch Gemodificeerde Organismen
GNOGewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong
GRRDirectie Groene Ruimte en Recreatie
GSBGrote Steden Beleid
HAOHoger Agrarisch Onderwijs
HGISHomogene Groep Internationale Samenwerking
HH3Hardheidsgevallen 3
HPVHerstructurering Pluimveehouderij
I&RIdentificatie en Registratie
IBVInvesteringsregeling Biologische Varkenshouderij
ICESInterdepartementale Commissie Economische
ICTInformatie Communicatie Technologie
ID-DLOInstituut voor Dierhouderij en Diergezondheid van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek
IFAInformatiemanagement en Facilitaire Aangelegenheden
INGRAInnovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster
IOZVInkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij
IPCInnovatie Praktijkcentra
IRGInfrastructuurregeling Glastuinbouw
ISIIntegratie van selectielijsten in het informatiebeheer
ISVInvesteringsimpuls Stedelijke Vernieuwing
IUCNInternational Union for Conservation of Nature
IWCInternational Whaling Commitee
IZInternationale Zaken
JZJuridische Zaken
KCBKwaliteits Controlebureau Groenten en Fruit
KCEKennis Centrum Examinering
KCRKwaliteitsControle Rundveehouderij
KICKennis en Innovatiecentrum
KLPDKorps Landelijke Politiediensten
KNAWKoninklijke Nederlandse Academie voor de Wetenschappen
KNHSKoninklijlke Nederlandse Hippie Sportbond
KvWKeuringdienst van Waren
LANLocal Area Netwerk
LASERLandelijke Service bij Regelingen
LNVLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
LRVVLaboratorium VWA/RVV
LTOLand- en Tuinbouw Organisatie
LWOOLeerweg Ondersteunend Onderwijs
M&OMisbruik en oneigenlijk gebruik
MAManagement Afspraak
MABMestafleverbewijs
MAOMestafzetovereenkomst
MBOMiddelbaar Beroeps Onderwijs
MINASMineralen aangiftesysteem
MJA'sMeerjarenafspraken
MJPMeerjarenplannen
MKZMond- en Klauwzeer
MoUMemorandum of Understanding
MPAMedroxy-progestron-acetaat
MVOMaatschappelijk Verantwoord Ondernemen
NCDNewcastle's Disease
NUBLNadere Uitwerking Brabant/Limburg
NWBNational Bestuursakkoord Water
O&SOntwikkelings- en Saneringsfonds
OBNOverlevingsplan Bos en Natuur
OCWMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
ODOperationele doelstellingen
OIEOffice International des Epizoäties
OLGOpenstelling Landelijk Gebied
OSPAROslo and Paris Conventions for the Prevention of Marine Pollution
OVBOrganisatie ter verbetering van de Binnenvisserij
PDPlantenziektenkundige Dienst
PEBLDSPan-Europese Biologische en Landschaps Diversiteits Strategie
PEENPan Europees Ecologisch Netwerk
PITONProgramma voor internationaler talenonderwijs
PLUVOProgramma voor de uitwisseling van leerlingen in het voortgezet onderwijs
PNBParticuliere Natuurbescherminsorganisaties
POPPlattelandsontwikkelingsplan
PPSPubliek Private Samenwerking
PVEProductschappen Vee Vlees en Eieren
RBVRegeling Beëindiging Veehouderij-takken
RGDRijksgebouwen Dienst
RICRijks Informatiecentrum
RLGRaad voor het Landelijk Gebied
RROGRegeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden
RSGRegeling Structuurverbetering Glastuinbouw
RVLRegeling Varkensleveringen
RVRRegeling Versterking Recreatie
RVVRijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees
SANSubsidieregeling agrarisch natuurbeheer
SARSSevere Acute Respiratory Syndrome
SBBStaatsbosbeheer
SBLStimulering Bosuitbreiding op Landbouwgronden
SEPSociaal Economische Plan
SGBStimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid
SGRStructuurschema groene ruimte
SKVStichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalverhouderij
SMKStimuleringskader
SNSubsidieregeling Natuurbeheer
SNLWSubsidieregeling Netwerk Landelijke Wandelpaden
SRMSpecifiek risicomateriaal
STECShiga toxine-producerende Escherichia coli
STIDUGStimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden
TACsTotal Allowable Catch
TMETussenpersonen, mestverwerkers & exporteurs
TSETransmissible Spongiform Encephalopathies
UNESCOUnited Nations Educational, Scientific and Cultural Organization
UNFFUN Forum on Forests
UPUrgentie Programma
VBCVisstandbeheercommissie
VCNStichting Voedingscentrum Nederland
VDMVervoersbewijs dierlijke meststoffen
VINACVierde Nota Ruimtelijke Ordening
VLGVernieuwing Landelijk Gebied
VMBOVoortgezet Middelbaar Beroeps Onderwijs
VNBBLVersterking natuur- en bosbeheer bij landgoedeigenaren
VNBLVersterking Bos- en Landgoedeigenaren
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VNSUVereniging Samenwerking nederlandse Universiteiten
VOVoortgezet Onderwijs
VROMMinisterie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
VVAVoedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid
VWA/CEVoedsel en Waren Autoriteit/Centrale eenheid
VWSMinisterie van Verkeer en Waterstaat
WCLWaardevolle Cultuurlandschappen
WEBWet Educatie en Beroepsonderwijs
WHVWet Herstructurering Varkenshouderij
WHWWet Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
WKKWarmte-KrachtKoppeling
WO/HBOWetenschappelijk Onderwijs/Hoger Beroeps Onderwijs
WOTWettelijke Onderzoeks Taken
WTOWorld Trade Organisation
WTSWet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen
WUWageningen Universiteit
Naar boven