29 540
Jaarverslagen over het jaar 2003

nr. 24
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER (XI)

Aangeboden 19 mei 2004

Realisaties ontvangsten naar beleidsartikelen voor 2003 (bedragen in € 1000)

kst-29540-24-1.gif

Realisaties uitgaven naar beleidsartikelen voor 2003 (bedragen in € 1000)

kst-29540-24-2.gif

INHOUDSOPGAVE

A.ALGEMEEN6
   
VOORWOORD6
   
DECHARGEVERLENING7
   
LEESWIJZER9
   
B.BELEIDSVERSLAG11
   
BELEIDSPRIORITEITEN11
ADMINISTRATIEVE LASTEN VOOR HET BEDRIJFSLEVEN36
BELEIDSARTIKELEN39
 Artikel 01. Strategische beleidsontwikkeling en monitoring39
 Artikel 02. Betaalbaarheid van het wonen53
 Artikel 03. Duurzame woningen en gebouwen67
 Artikel 04. Fysieke Stedelijke Vernieuwing81
 Artikel 05. Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving90
 Artikel 06. Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden95
 Artikel 07. Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau103
 Artikel 08. Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden116
 Artikel 09. Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband121
 Artikel 10. Verbeteren nationale milieukwaliteit131
 Artikel 11. Tegengaan klimaatverandering en emissies143
 Artikel 12. Beheersen milieurisico's van stoffen, afvalstoffen en straling168
 Artikel 13. Handhaving183
 Artikel 14. Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en ministerie van Algemene Zaken199
NIET-BELEIDSARTIKELEN200
 Artikel 15. Algemeen200
 Artikel 16. Nominaal en onvoorzien208
 Bedrijfsvoeringsparagraaf209
 Mededeling over de Bedrijfsvoering209
 Bedrijfsvoeringsprioriteiten210
C.JAARREKENING212
VERANTWOORDINGSSTATEN212
FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN214
TOELICHTING BIJ DE BELEIDSARTIKELEN214
 Artikel 01. Strategische beleidsontwikkeling en monitoring214
 Artikel 02. Betaalbaarheid van het wonen215
 Artikel 03. Duurzame woningen en gebouwen217
 Artikel 04. Fysieke Stedelijke Vernieuwing218
 Artikel 05. Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving220
 Artikel 06. Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden221
 Artikel 07. Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau223
 Artikel 08. Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden225
 Artikel 09. Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband226
 Artikel 10. Verbeteren nationale milieukwaliteit227
 Artikel 11. Tegengaan klimaatverandering en emissies228
 Artikel 12. Beheersen milieurisico's van stoffen, afvalstoffen en straling230
 Artikel 13. Handhaving231
 Artikel 14. Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en ministerie van Algemene Zaken232
TOELICHTING BIJ DE NIET-BELEIDSARTIKELEN233
 Artikel 15. Algemeen233
 Artikel 16. Nominaal en onvoorzien234
HET AGENTSCHAP «RIJKSGEBOUWENDIENST»234
   
BIJLAGE 1 
Verdiepingsbijlage288
   
BIJLAGE 2 
De saldibalans van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer291
   
BIJLAGE 3 
Aanbevelingen Algemene Rekenkamer302

A. ALGEMEEN

VOORWOORD

Het begrotingsjaar 2003 stond in het teken van de overgang van het kabinet Balkenende I naar Balkenende II. De eerste helft van 2003 werd gekenmerkt door de demissionaire status van het kabinet. Het kabinet regeerde door maar had ermee rekening te houden dat een aantal onderwerpen door het parlement controversieel waren verklaard, waaronder de Nota Ruimte. Het tweede deel van 2003 werd met name gekenmerkt door de overgang van het strategisch akkoord naar het hoofdlijnenakkoord. Met daarbij omvangrijke bezuinigingsoperaties die voortvloeiden uit zowel het strategisch akkoord als het hoofdlijnenakkoord. Op de begroting 2003 van VROM werd om te beginnen voor €27,8 mln omgebogen op subsidies, inhuur van externen en overhead oplopend naar € 472 mln in 2007 en latere jaren.

Het inhoudelijke accent in de komende jaren komt onder meer terug in de doelstellingen uit het Beleidsprogramma 2004–2007 Balkenende II. Zoals het ruimtelijk investeren en ruimte geven aan ontwikkelingen, vitalisering van steden, duurzame ontwikkeling en duurzame productieketens.

Over deze veelal meerjarige doelstellingen en prioriteiten en de daarvoor uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde tussenresultaten zullen de bewindslieden van VROM zich in het voorliggende en latere jaarverslagen tijdens deze kabinetsperiode naar het parlement verantwoorden.

Voor de uitvoering van het kabinetsbeleid is het van belang om het probleemoplossend vermogen van de samenleving én dat van de overheid te stimuleren. De komende jaren ligt het accent bij VROM dan ook op haar ontwikkelkracht. Dit leidde reeds tot de volgende prioriteiten in 2003. VROM wil zich richten op de problemen die de burger ervaart. VROM legt meer accent op het scheppen van voorwaarden voor een betere leefomgeving en spreekt burgers, organisaties en bedrijven aan op hun eigen verantwoordelijkheid. VROM saneert overbodige regelgeving en maakt de regels die nodig blijven begrijpelijk, uitvoerbaar, fraudebestendig en handhaafbaar. VROM versterkt de handhaving van de wet- en regelgeving op de terreinen van ruimte, wonen en milieu. VROM gaat ten slotte meer accent leggen op de uitvoering van beleid en op een sterkere rol voor provincies en gemeenten.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker

DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer decharge te verlenen over het in het jaar 2003 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

• het gevoerde financieel en materieelbeheer;

• de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

• de financiële informatie in de jaarverslagen;

• de departementale saldibalansen;

• de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

• de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

• van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige Jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

• het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2003; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

• de slotwet van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over het jaar 2003;

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

• Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2003 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

• De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2003 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2003 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2003 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 84, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001);het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker

mede namens

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

LEESWIJZER

Algemeen

Het jaarverslag 2003 is het tweede jaarverslag waarvan de opstelling plaatsvindt in VBTB-termen. In het jaarverslag van VROM over 2003 is getracht een aantal verbeteringen ten opzichte van 2002 aan te brengen. Binnen de beleidsprioriteiten en de beleidsartikelen concentreren de verbeteringen zich met name rondom het vergroten van de transparantie met betrekking tot de bereikte resultaten, het verbeteren van de informatie over de beleidsprestaties, het standaardiseren van de wijze van verantwoorden en ten slotte het terugbrengen van de omvang van het jaarverslag.

Het vergroten van de transparantie en het verbeteren van de informatie over de prestaties verschaft inzicht in de bereikte resultaten in 2003. Bij het lezen van deze resultaten moet in acht worden genomen dat de meeste van de VROM-doelen een meerjarig perspectief hebben. Hierdoor kan wel gerapporteerd worden over uitgevoerde acties en tussenresultaten, maar dikwijls niet over eindresultaten.

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

• De opbouw van het jaarverslag

• Toelichting op enkele onderdelen van het beleidsverslag

• Vervallen bijlagen

1. De opbouw van het jaarverslag

De opbouw van het jaarverslag 2003 volgt de Rijksbegrotingsvoorschriften en is onderverdeeld in een algemeen gedeelte, een beleidsverslag en een jaarrekening. In het beleidsverslag staat centraal het door het ministerie van VROM gevoerde beleid. De opgenomen informatie is daarom hoofdzakelijk van niet-financiële aard.

In de jaarrekening vindt presentatie plaats van de financiële gevolgen van het gevoerde beleid.

2. Toelichting op enkele onderdelen van het beleidsverslag

Van het beleidsverslag worden hieronder de volgende onderdelen toegelicht:

• De beleidsprioriteiten

• De beleidsartikelen

• De bedrijfsvoeringsprioriteiten

Beleidsprioriteiten

In de beleidsagenda 2003 werd in een aparte paragraaf 2.4. toegezegd dat de burger op een aantal terreinen de werking van het VROM-beleid zou ondervinden. Waar mogelijk is wordt daarover verslag gedaan bij de verantwoording over de prioriteiten. In aanvulling daarop wordt na de prioriteiten nog apart gerapporteerd over de thema's Burger en Milieu, vereenvoudiging bouwregelgeving en de digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen (DURP).

Invulling van de motie Vendrik geschiedt op de volgende wijze:

Onder iedere prioriteit is een tabel met de budgettaire stand, de mutaties en de realisatie opgenomen. Deze cijfers zijn niet rechtstreeks te genereren uit de VROM administratie, aangezien er geen vastleggingen per prioriteit plaatsvinden. De gepresenteerde cijfers zijn verkregen uit extra-comptabele administraties en/of betreffen schattingen. Tenslotte worden onder iedere prioriteit concluderende opmerkingen opgenomen op basis van de bereikte resultaten.

Nieuw in het onderdeel beleidsprioriteiten is de paragraaf over de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Hierin wordt aangegeven welke dossiers hebben geleid tot een reductie en welke dossiers hebben geleid tot een toename van de administratieve lasten. Tevens is aangegeven wat VROM in 2003 heeft gedaan om te komen tot een reductie van de administratieve lasten in de toekomst.

Beleidsartikelen

In de beleidsartikelen1 wordt teruggeblikt op de begroting. Dit betekent dat op een samenhangende wijze getracht wordt antwoord te geven op de volgende WWW-vragen:

• Wat willen we bereiken? – Het antwoord «Hebben we bereikt wat we hebben beoogd?» is terug te vinden na de beschrijving van de algemene doelstelling van het beleidsartikel onder het kopje «Het doelbereik 2003». Dit doelbereik is afgeleid van het doelbereik op operationeel niveau. «Het doelbereik 2003» op operationeel niveau is terug te vinden na de beschrijving van de operationele doelstelling,

• Wat gaan we daarvoor doen? – Het antwoord «Hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen?» is terug te vinden onder het kopje «De beleidsprestaties 2003»,

• Wat mag het kosten?- Het antwoord «Heeft het gekost wat we dachten dat het zou kosten?» is terug te vinden onder het kopje «Budgettaire gevolgen van beleid». In tegenstelling tot de gedetailleerde tabellen die gepresenteerd worden in de jaarrekening, vindt in het beleidsverslag d.m.v. grafieken presentatie plaats van de uitgaven op artikelniveau, uitgesplitst naar programma en apparaat. Daarnaast worden de opmerkelijke verschillen, op grote lijnen, tussen de begroting en realisatie toegelicht. Toelichtingen op detailniveau zijn, indien relevant, terug te vinden in de jaarrekening.

In de beleidsartikelen worden, indien relevant, onder het operationeel doel de uitkomsten opgenomen van de uitgevoerde evaluatie.

Naast de bedrijfsvoeringsprioriteiten is in deze paragraaf de mededeling bedrijfsvoering 2003 opgenomen.

3. Vervallen bijlagen

Teneinde de omvang van het jaarverslag te reduceren zijn de trefwoordenlijst en de afkortingenlijst vervallen.

B. BELEIDSVERSLAG

Beleidsprioriteiten

Inleiding

Het hoofdlijnenakkoord leidde tot nieuwe accenten in de prioriteiten en in de werkwijze. Accenten zijn onder meer sterke steden met een gevarieerd woningaanbod en een vitaal platteland dat het eigen karakter behoudt en niet op slot gaat. Voor een duurzame ontwikkeling een balans tussen materiële en sociale verbetering en de kwaliteit van de leefomgeving.

Voor het realiseren hiervan heeft VROM afgelopen jaar gewerkt aan het vernieuwen van de strategie. Minder nota's en meer uitvoering van beleid, versterken handhaving, sanering van regelgeving en vereenvoudiging van procedures.

Ondanks de wisseling van de wacht en de aandacht die deze vernieuwingen vergde, heeft VROM in 2003 veel gedaan. Besloten is tot een Nota Ruimte met een sterker accent op decentralisatie en ontwikkelingsplanologie dat kenbaar is gemaakt in de stellingnamebrief. De voorbereidingen voor de invoering van de emissiehandel in broeikassen zijn gestart met een wijziging van de wet milieubeheer en een nationaal allocatieplan voor emissierechten. In het actieprogramma duurzame ontwikkeling heeft het kabinet de koers uitgezet voor het werk aan duurzame ontwikkeling. Met het actieprogramma herstructurering is een versnelde aanpak van 56 prioriteitswijken in de steden mogelijk. Ingestelde aanjaagteams op 10 locaties hebben reeds in een aantal gevallen een zichtbaar versnellend effect op de nieuwbouw van woningen. De bestuurlijke uitvoeringsovereenkomst voor het sleutelproject Den Haag is getekend. De oplossing van de knelpunten in de externe veiligheid verloopt volgens schema bijv. voor de knelpunten infrastructuur en de spooremplacementen. De nalevingstrategie stelt de VROM-Inspectie in staat tot scherpere prioritering van de handhaving om gezondheids- en veiligheidsrisico's voor de burger te verkleinen.

Bovendien heeft het beheer van de organisatie de vereiste aandacht gekregen. De interne organisatie van de huursubsidie is inmiddels op orde. Over 2003 is een goedkeurende accountantsverklaring verkregen.

Hieronder wordt verantwoord over de geformuleerde prioriteiten in de beleidsagenda van de begroting 2003. In de loop van het jaar kwamen daar de actuele onderwerpen nieuwbouw van woningen en modernisering huurbeleid bij. Per prioriteit zijn het nagestreefde doel uit de begroting 2003, de uitgevoerde acties en het bereikte resultaat weergegeven. Hieruit blijkt dat er veel op de rails is gezet. De resultaten zijn soms nog wat mager. Dat komt vooral omdat veel van de VROM-doelen in de Beleidsagenda 2003 een meerjarig perspectief hebben. Hierdoor kan wel gerapporteerd worden over de uitgevoerde acties en tussenresultaten die inzichtelijk moeten maken of de juiste weg is ingeslagen maar nog niet over eindresultaten. Anderzijds heeft de kabinetswisseling tot vertragingen geleid.

VROM heeft het goede voornemen de komende jaren de prioriteiten zodanig te formuleren dat die in een begrotingsjaar ook gerealiseerd kunnen worden.

Thema: I. Stad en Land

Prioriteit I.1 Nota Ruimte/Aanpassing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening

Doel:

Vaststellen en realiseren van de visie op de ruimtelijke ontwikkeling. Het accent ligt op het voeren van een ruimtelijk dynamisch ontwikkelingsbeleid waarin de medeoverheden een volwaardige plaats hebben.

Actie:

De Stellingnamebrief werd opgesteld en besproken met de vaste kamercommissie VROM. Door de val van kabinet Balkenende I is er in 2003 geen Nota Ruimte en uitvoeringsprogramma aan de Tweede kamer aangeboden.

In het Hoofdlijnenakkoord is de sturingsfilosofie uit de Stellingnamebrief aangescherpt. Daarin kwam meer ruimte voor provincies, gemeenten en marktpartijen en een duidelijke afbakening van taken tussen Rijk en anderen. Besloten werd één nota Ruimte uit te brengen met een eigen uitvoeringsagenda en met een sterker accent op decentralisatie en ontwikkelingsplanologie.

Resultaat:

Er is een eerste belangrijke stap gezet om de visie Ruimtelijke Ontwikkeling vast te leggen in de nieuwe Nota Ruimte en te realiseren.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
285675

Bron: Nota Ruimte/Aanpassing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening: kostenplaats 410 004 «Nota Ruimte, aanpassing 5e Nota (juridische regioadvisering)», kostenplaats 410 005 «Uitvoeringsprogramma Vijfde Nota» en 410 002 «5e Nota».

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 1.2.1.1

Prioriteit I.2 Herstructurering en transformatie van wijken en nieuwbouw

Doel:

De verloedering van wijken en gevoelens van onveiligheid bestrijden. De stedelijke leefomgeving aantrekkelijker maken, ook voor mensen met een midden- en hoger inkomen. Daarom moet geïnvesteerd worden in de openbare ruimte en worden probleemwijken geherstructureerd en getransformeerd. Bij die fysieke aanpak hoort ook luchtverontreiniging, geluid en externe veiligheid. Voldoende nieuwbouw is hierbij van groot belang. Een kwantitatief en kwalitatief evenwicht tussen vraag en aanbod op iedere regionale woningmarkt. Een woningtekort in 2010 van 1,5–2,0% in plaats van de verwachte 2,3% bij ongewijzigd beleid.

Om de sociaal-economische problemen in de wijken op te lossen, vereenvoudigt en stroomlijnt het Rijk de regelgeving en pakt zo mogelijk fiscale belemmeringen aan.

De doorstroming in de studentenhuisvesting moet worden bevorderd.

Actie:

In 2003 zijn vorderingen gemaakt bij de herstructurering en transformatie van wijken. Het Actieprogramma Herstructurering (TK 2002–2003, 28 600 XI, nr. 88 en TK 2003–2004 29 200 XI, nr. 17) legde de basis voor een versnelde aanpak van 56 prioriteitswijken die in 2003 zijn geselecteerd in de G-30 gemeenten. Het Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (IPSV) is in 2003 vooral ingezet voor deze 56 wijken. Voor de komende periode (2005–2009) is het Beleidskader ISV-II en (begin 2004) de verdeling van middelen uitgewerkt.

Eind september zijn aanvullende maatregelen aangekondigd om de bouwproductie te versnellen (TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 3). De stagnatie in de bouwproductie maakte het noodzakelijk de ambitie voor het aantal gereed te komen nieuwbouwwoningen voor de periode 2005–2010 naar beneden bij te stellen naar ca. 400 000. Door de kabinetswisselingen is het niet gelukt om definitieve verstedelijkingsafspraken te maken. Dit gebeurt in 2004 alsnog. In het kader van de Taskforce Woningbouwproductie zijn op 10 nieuwbouwlocaties aanjaagteams ingesteld.

Voor 2004 zijn de volgende maatregelen in gang gezet: gemeenten en provincies krijgen meer mogelijkheden om in de ruimtebehoefte voor wonen te voorzien (uitwerking via de Nota Ruimte); een spoedwet om problemen met planschade eenvoudiger op te lossen; aanpassingen van regelgeving over geluid, bodembescherming, bouwstoffenbesluit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en onderdelen van de Wet ruimtelijke ordening; overleg met OCW en LNV over de Nederlandse invulling van recente Europese richtlijnen betreffende de mogelijkheden voor woningbouwproductie.

De Tweede Kamer is nader geïnformeerd over de voortgang bij de vereenvoudiging en stroomlijning van regelgeving (TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 7).

In 2003 is een plan van aanpak over studentenhuisvesting gepresenteerd (TK 2003–2004 29 299 XI, nr. 19). Vergroting van het aanbod en stimulering van de doorstroming op lokaal niveau worden bereikt door de inzet van leegstaande woningen die op de nominatie staan gesloopt te worden (een bij de Tweede Kamer ingediende wijziging van de Leegstandswet moet dit mogelijk maken) zoals campuscontracten en voormalige COA-eenheden voor asielzoekers. Een wetsvoorstel dat tijdelijke huurcontracten voor studenten mogelijk maakt is aan de Raad van State voorgelegd.

Resultaat:

Met het Actieprogramma Herstructurering en het beleidskader ISV-2 (en de verdeelsleutel) is een solide basis gelegd voor een versnelde aanpak van 56 prioriteitswijken en voor continuiteit in het beleid voor stedelijke vernieuwing. Luchtverontreiniging en geluid leiden bij de invulling van het beleidskader voor ISV-2 tot afrekenbare afspraken met de gemeenten. Daarnaast speelt externe veiligheid een rol bij de invulling van ISV-2.

In 2003 is de woningbouwproductie prominenter op de agenda gekomen; het beleid hiervoor wordt geïntensiveerd. De aanjaagteams hebben er reeds toe geleid dat op een aantal locaties tussen locale/regionale partijen concrete afspraken zijn gemaakt over een versnelling van de woningbouwproductie.

Wat betreft de studentenhuisvesting is besloten de afspraken op lokaal niveau niet alleen op doorstroming maar ook op vergroting van het aanbod te richten. Met de voorgestelde maatregelen in voornoemd plan van aanpak wordt dit resultaat naar verwachting bereikt.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
5 3213364 986

Beleidsmatige consequenties

Beleidsintensivering : zie artikelen 4 en 5

Prioriteit I.3 Sleutelprojecten (inclusief publiek-private samenwerking in relatie tot de sleutelprojecten)

Doel:

Een verscheidenheid aan stedelijke milieus door intensiveren en combineren van functies. Maximaal gebruik maken van de mogelijkheden van de best ontsloten stadsdelen. De integrale ontwikkeling van zes stationslocaties (i.c. de Nieuwe Sleutelprojecten) tot hoogwaardige openbaar vervoerknooppunten en zes toplocaties voor wonen, werken en voorzieningen.

Actie:

De voortgangsrapportage Nieuwe Sleutelprojecten 2003 werd 16 december 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden (VROM 030984). Met gemeenten en overige betrokken partijen is zeer intensief samengewerkt aan de planvorming van de sleutelprojecten en de voorbereiding van de uitvoeringsafspraken. Tijdens de planvorming zijn de plannen aan de burger voorgelegd voor informatievoorziening en inspraak.

Resultaat:

De ontwikkeling van de NSP is door het Rijk actief ondersteund met geld, kennis en een strakke coördinatie van de interdepartementale besluitvorming. Belangrijke mijlpalen zijn de positieve toetsing van de projecten in Arnhem en Breda, de architectenselectie in Rotterdam en het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst over het sleutelproject Den Haag. De uitvoeringsafspraken tussen Rijk en andere gemeenten worden later dan gepland afgerond vanwege gemeentelijke planvorming en het sluitend maken van de financiering. Dit heeft geen gevolgen voor de concrete uitvoering van de projecten. Voor alle projecten met uitzondering van Amsterdam Zuidas, worden in 2004 de uitvoeringsovereenkomsten afgesloten.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
1 5001 340

Bron: Sleutelproject (inclusief publiek-private samenwerking in relatie tot de sleutelprojecten: kostenplaats 419 003 «Nieuwe Sleutelprojecten».

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: Verdere informatie op artikel 6.2.1.2

Prioriteit I.4. Externe veiligheid

Doel:

Structurele oplossingen voor bestaande veiligheidspunten/knelpunten voortvloeiend uit gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Afrekenbare kwaliteitseisen voor vergunningverlening en handhaving.

Actie:

In het project Ketenstudie LPG, ammoniak en chloor is intensief samengewerkt met de publieke en private partijen. De data voor de inventarisatie en analyse van de drie productketens zijn voor een groot deel samen met de brancheorganisaties verzameld en gevalideerd. Ook de kosten-baten analyse is vastgesteld.

De afgesproken opleverdatum van november 2003 is niet gehaald. De nieuwe opleverdatum is februari 2004. De betrokken partijen onderschrijven de kosten-baten analysemethode, gebruikte data en de doorgerekende maatregelen.

Het project oplossen knelpunten in de Infrastructuur Externe Veiligheid (project KIEV) verloopt volgens schema. De meeste geplande bestuurlijke afspraken met provincies, gemeenten en private partijen zijn gemaakt. In 2004 wordt dit project afgerond.

Het project PAGE (Plan van Aanpak Goederen Emplacementen over verplaatsen van spoorwegemplacementen uit stadskernen) is in uitvoering volgens schema.

De aanwijzing van twee vuurwerkconcentratiegebieden is voorbereid. VROM gaf invulling aan haar faciliterende rol. In 2003 werd geen vuurwerkconcentratiegebied aangewezen. Of dat nog gebeurt, hangt mede af van de belangstelling van marktpartijen voor de daadwerkelijke realisatie.

De saneringoperatie van vuurwerkopslagplaatsen van professioneelen consumentenvuurwerk kwam op gang. Een wijziging van het Vuurwerkbesluit is voorbereid en vrijwel afgerond.

In de tweede voortgangsbrief aan de Tweede Kamer betreffende het Externe Veiligheidsbeleid (VROM 021 002) staat hoe de middelen uit het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende I worden ingezet.

Resultaat:

Verschillende structurele oplossingen voor bestaande veiligheidspunten/knelpunten zijn gerealiseerd of dichterbij gekomen. Tot nu toe is het gelukt de doelstelling voor het project Ketenstudie LPG, ammoniak en chloor uit te voeren. Begin 2004 wordt duidelijk welke maatregelen het best in de praktijk ingevoerd kunnen worden. De meeste knelpunten in de Infrastructuur Externe Veiligheid worden opgelost.

De externe veiligheidsproblematiek op vier van de veertien spooremplacementen is zonder inzet van maatregelen en middelen opgelost. Uitvoering van PAGE-maatregelen leidde op de emplacementen Rotterdam-IJsselmonde, Maastricht en Arnhem Goederen tot een oplossing. Met AKZO is een convenant over de chloortransporten gesloten. Dit betekent dat op het emplacement Hengelo het extern veiligheidsprobleem sterk afneemt. Ook over de oplossing voor de emplacementen in Sittard en Sas van Gent is overeenstemming bereikt. De noodzaak tot uitplaatsing van de emplacementen Venlo en Roosendaal is door externe factoren vervallen.

De saneringsoperatie van vuurwerkopslagplaatsen wordt in 2004 afgerond.

Met de wijziging van het Vuurwerkbesluit worden zowel handhaving als uitvoering van het besluit vergroot. De burger zag in 2003 opslag van professioneel vuurwerk in zijn leefomgeving verdwijnen. Ook zag de burger bedrijven die consumentenvuurwerk opslaan en/of verkopen, veiligheidsmaatregelen treffen aan de opslagplaatsen.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
  4 758

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 7.2.4

Prioriteit I.5 Levensloopbestendig wonen

Doel:

Vanwege de vergrijzing en om te voorzien in de vraag naar flexibele (woonzorg)arrangementen moeten levensloopbestendige woningen en wooncomplexen gecreëerd worden. In 2015 moeten er circa 480 000 volledig toegankelijke woningen toegevoegd zijn aan de bestaande voorraad. Ook levensloopbestendige kernen moeten gehandhaafd blijven.

Actie:

Door de Kabinetswisseling zijn er geen verstedelijkingsafspraken gemaakt over ouderenhuisvesting, wonen en zorg. Het voorgenomen experiment met het persoonsgebonden budget woonzorg – welzijn is niet uitgevoerd. Uit de verkennende periode bleek dat een dergelijk experiment nu niet het juiste middel is om het concept van vraagsturing in het domein van wonen, zorg en welzijn verder te vormen. De burger merkt er dan voorlopig ook niets van.

Over toegankelijkheid stuurde VROM samen met VWS op 15 september een brief aan de Tweede Kamer (TK 2002–2003, 26 631, nr. 57) met afschrift aan de doelgroepen. De kwantitatieve opgave is ook op andere manieren uitgedragen (congressen etc.). Financieel is bijgedragen aan het internet portaal wonen, zorg en welzijn, een onderzoek naar de mogelijkheden om de geschiktheid van eengezinswoningen voor ouderen te verbeteren, IGLO+ en het projectplein wonen, zorg en welzijn op de BOUWRAI 2004. Besloten is de realisering van de nultredenwoningen als prestatie-eis in het ISV-2 op te nemen.

In opdracht van VROM en VWS heeft het innovatieprogramma Wonen en Zorg een brochure («Handreiking personenalarmering en domotica voor ouderen») uitgebracht.

Volgens voornemen deelde de Minister van VROM met de Staatssecretaris van VWS eind 2003 bij brief aan de Tweede Kamer mee dat de Wet gelijke behandeling met het domein wonen wordt uitgebreid. (22 december 2003, TK 2003–2004, 29 355, nr. 3).

VWS startte samen met SZW, Financiën en VROM het project Visie op vergrijzing en het integrale ouderenbeleid. Het plan van aanpak is eind 2003 aan de Tweede kamer verzonden (TK 2003–2004, 29 398, nr. 1). Hierin komen de gevolgen van de vergrijzing voor de levensloopbestendigheid van kleine kernen aan de orde.

Resultaat:

«Bereiken» is een zaak van lange adem. Er is voortgang geboekt betreffende toegankelijkheid. Het gevoel van urgentie is versterkt. Dit blijkt uit de positieve reacties op de brief aan de Kamer van 15 september 2003, concrete plannen in de sector, veel aandacht hiervoor in vakbladen en plannen ter zake door provincies. Nagegaan wordt of het bouwen van woningen in kleine kernen in ruimere mate kan worden toegestaan.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
234+ 203438

Beleidsmatige consequenties

Beleidsintensivering: Verdere informatie op artikel 5

Prioriteit I.6 Tegengaan illegaal verblijf en bewoning door illegalen

Doel:

Inzicht verkrijgen in de illegale bewoning van vooral de stedelijke woningvoorraad. In samenwerking met Justitie bezien welke maatregelen genomen kunnen worden om dit tegen te gaan.

Actie:

In 2003 werd de monitor onrechtmatige bewoning afgerond. In 2004 krijgt dit een vervolg door met verschillende gemeenten de aanpak te bespreken. Er startte een onderzoek dat een kwantitatief en kwalitatief beeld geeft van de huisvestingssituaties van illegalen in Nederland en de consequenties daarvan voor de directe woonomgeving. Dit onderzoek wordt begin 2004 afgerond. De resultaten daaruit worden gebruikt bij de integrale kabinetsnotitie over de aanpak illegalen.

Resultaat:

Met de monitor ontstond inzicht in de mate waarin gemeenten onrechtmatige bewoning aanpakken.

De maatregelen komen in 2004 aan de orde.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
251– 112138

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 2

Prioriteit I.7.Het vitale platteland; integraal beleid gericht op leefbaarheid van het landelijk gebied

Doel:

Een prettige leefomgeving in een ruimtelijk, economisch en sociaal krachtig platteland. Daarbij voor alle gewenste functies de vereiste milieukwaliteit realiseren.

Actie:

Door de kabinetswisseling en de koppeling met de Nota Ruime zijn de Agenda en Meerjarenprogramma Vitaal Platteland later klaar. Het huidige schema voorziet een gelijktijdige publicatie met de Nota Ruimte in het voorjaar van 2004.

Ook het maken van afspraken over Investeringen Landelijk Gebied loopt trager dan gepland. Belangrijkste reden hiervoor is het in een latere fase toetreden van IPO, VNG en de Unie van Waterschappen aan de projectorganisatie.

In 2003 zijn in EU-verband afspraken gemaakt over de herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Er is een nieuw mestbeleid geformuleerd waarmee Nederland aan de EU-Nitraatrichtlijn voldoet. Definitieve parlementaire behandeling van het nieuw geformuleerde mestbeleid is in 2004. Voor de overgang naar duurzame landbouw is met betrokken partijen een werkprogramma opgesteld. VROM heeft in 2003 via het ministerie van LNV financiële bijdragen geleverd aan het urgentieprogramma extensivering melkveehouderij in kwetsbare gebieden, experimenten van verplaatsing van intensieve veehouderijbedrijven voor de reconstructie van concentratiegebieden en voor gebiedsgericht beleid om de milieukwaliteit in het landelijk gebied te verbeteren.

Resultaat:

We verwachten dat met de acties de voorwaarden voor de feitelijke verbetering van de leefomgeving in het landelijk gebied 2004 alsnog geschapen worden. Realisering van genoemde doelen is een lange termijnvraagstuk.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
3828

Bron: Integraal beleid gericht op de leefbaarheid van het landelijk gebied (inclusief landbouw): kostenplaats 483 002 «Kaderstelling Uitvoeringsprogramma; Groen».

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikelen 8 en 10

Prioriteit I.8.Het vitale platteland; meer ruimte op het platteland

Doel:

Gemeenten op het platteland mogelijkheden geven de eigen bevolkingsgroei op te vangen.

Actie:

Er zijn beleidsbrieven naar de Tweede Kamer gezonden over de problematiek van de permanente bewoning van recreatiewoningen (TK 2003–2004, 29 200 – XI, nr. 22)en de huisvesting van ouderen in te verbouwen schuren en/of andere bijgebouwen (TK 2002–2003, 28 600 XI, nr. 86).

Resultaat:

Een belangrijk beleidskader vormt de Nota Ruimte die nog in voorbereiding is. Het voornemen is echter niet onopgemerkt gebleven. Er zijn signalen dat gemeenten en provincies alvast willen anticiperen op de voorgenomen verruiming. De verwachting is dat het beleid zal leiden tot verruimde mogelijkheden voor wonen op het platteland zonder nieuwe verstening van het buitengebied.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
2027

Bron: Meer ruimte op het platteland: kostenplaats 426 005 «Kaderstelling Uitvoeringsprogramma; Rood» en kostenplaats 483 002 «Kaderstelling Uitvoeringsprogramma; Groen».

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 8

Thema II Duurzame ontwikkeling

Prioriteit II.1.Uitvoering van het Nationaal Milieubeleidsplan 4

Doel:

Blijven werken aan duurzame energievoorziening, landbouw, mobiliteit en een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bedrijven en burgers prikkelen om duurzaam te produceren en te consumeren op deze gebieden. Risico's voor gezondheid voorzien, beheersen en voorkomen.

Actie:

In 2003 is het Kabinet gestart met een onderzoek naar maatregelen om het belastingstelsel te vergroenen. De tijdsplanning is zo gekozen dat maatregelen in het Belastingplan 2005 opgenomen kunnen worden. Daarnaast is een onderzoek gestart naar de mogelijkheden van decentrale vergroening.

Begin 2003 was de eindrapportage van het onderzoek «Milieueffecten van indirecte subsidies» af. Deze rapportage is per brief van 11 juni 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden (VROM 030 385). De daarin voorgestelde vervolgaanpak is ook opgenomen in het nationale deel van het Actieprogramma duurzame ontwikkeling (duurzame daadkracht).

Voor het voorzien, beheersen en voorkomen van gezondheidsrisico's wordt volgens schema het actieprogramma Gezondheid en Milieu uitgewerkt. In 2003 zijn de voorstellen van de Commissie voor een nieuw Europees Stoffenbeleid in de EU besproken. Eind oktober 2003 diende de Europese Commissie de voorstellen voor een Europese verordening «REACH» in bij de Europese Raad en het Europees Parlement. In mei 2003 werd een conceptversie gepubliceerd waar veel reacties op kwamen. Medio november 2003 startten de besprekingen in raadskader onder Italiaans voorzitterschap. Deze zijn nog bezig en worden onder de volgende voorzitters voortgezet. De Nederlandse inbreng is in lijn met de eerder met de Tweede Kamer geaccordeerde uitgangspunten betreffende de Strategie Omgaan Met Stoffen (SOMS).

Resultaat:

Het is niet meetbaar vast te stellen of één en ander duurzamer is geworden of hoe gezondheidsrisico's zijn beperkt. Wel dragen alle ondernomen acties conform de afspraken bij aan de duurzaamheiddoelstellingen voor de lange termijn.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
4290

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikelen 1 en 11 en in de verantwoording van de departementen Financiën en EZ.

Prioriteit II.2 Ruimte voor duurzaam ondernemen

Doel:

Het bedrijfsleven eigen verantwoordelijkheid geven voor de reductie van de milieubelasting.

Actie:

In maart 2003 was het evaluatierapport over de toepassing van het instrument milieuconvenant klaar. Dit werd in mei 2003 aangeboden aan de Tweede Kamer (VROM 030 316). Een Kabinetsstandpunt betreffende de evaluatie en een visie op het toekomstig gebruik van het instrument convenant in het milieubeleid wordt in 2004 afgerond.

Twee wetsvoorstellen zijn ondergebracht in één wetsvoorstel met de naam «Integrated Pollution Prevention and Control (IPPC) »-richtlijn. Dit maakt ook de vergunning op hoofdzaken/vergunning op maat, mogelijk. Het voorstel ligt eind 2003 bij de Raad van State, behandeling in de Tweede Kamer is in 2004.

Resultaat:

De invoering van het wetsvoorstel IPPC vergroot de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven en geeft de overheid de mogelijkheid om voor bedrijven minder gedetailleerde regels te stellen.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
   

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikelen 1 en 11

Prioriteit II.3 Nationale strategie voor duurzame ontwikkeling

Doel:

Duurzame ontwikkeling op wereldschaal waarvoor een Actieprogramma duurzame ontwikkeling wordt opgesteld en uitgevoerd.

Actie:

Als gevolg van de afspraken in Johannesburg is een Actieprogramma duurzame ontwikkeling uitgebracht met een nationaal en een internationaal deel. Het nationale deel is in juli 2003 aan het Parlement aangeboden (VROM 030 480). Hierin staat een toelichting over wat het Kabinet onder duurzame ontwikkeling verstaat en hoe aan duurzame ontwikkeling gewerkt wordt. Naast een overzicht van instrumenten worden ook illustratieprogramma's en een overzicht met acties opgenomen. De lopende Experimenten duurzame ontwikkeling in besluitvormingstrajecten zijn in de afrondende fase. Bij het opstellen van de indicatoren duurzame ontwikkeling ontstond vertraging omdat de indicatoren gebaseerd worden op de door het RIVM uit te brengen duurzaamheidverkenning. De op de eerste duurzaamheidverkenning te baseren indicatoren worden in 2004 verwacht.

Resultaat:

Het Actieprogramma duurzame ontwikkeling is opgesteld, aan de Tweede Kamer aangeboden en de uitvoering is begonnen.

Via de experimenten duurzame ontwikkeling ontstaat inzicht hoe in enkele beleidstrajecten met duurzaamheidaspecten wordt omgegaan en wat daaruit kan worden geleerd.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
149262

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikelen 1

Prioriteit II.4 Duurzame energiehuishouding

Doel:

6% reductie emissie broeikasgassen over de periode 2008–2012 t.o.v. 1990.

Actie:

In 2003 verbeterde de stimulering van groene stroom. Om de problemen door de generieke fiscale stimulering op te lossen, zette het Kabinet de vrijstelling van groene stroom in de regulerende energiebelasting in 2003 om in een verlaagd tarief. De uniforme fiscale producentenvergoeding voor binnenlandse en buitenlandse groene stroom is vervangen door de regeling Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP). Met deze gerichte stimuleringsregeling wordt op een kosteneffectieve manier de productie van binnenlandse groene stroom gestimuleerd en wordt langdurige zekerheid geboden aan binnenlandse investeerders.

In 2003 is de tijdelijke Energiepremieregeling (EPR) gepubliceerd, uitgevoerd door energiebedrijven in opdracht van VROM. De regeling is gedefiscaliseerd waarmee hij kosteneffectiever werd. Per 16 oktober 2003 is deze regeling ingetrokken wegens het bereiken van het subsidieplafond. De sluiting van de EPR en de bezuinigingsplannen voor de EPR 2004 zorgden voor een hausse aan aanvragen in de sluitingsfase. Door de explosieve stijging van aanvragen wordt een overschrijding voorzien van het beschikbare budget. Binnen de begroting 2003 is nog € 22 mln gevonden voor aanvulling van het oorspronkelijke EPR-budget.

De inspanningen voor de internationale aanpak van het klimaatprobleem (Kyoto) zijn verricht. De Nederlandse interdepartementale delegatie droeg in de aanloop naar de 9de Conferentie der Partijen bij het Klimaatverdrag (COP 9) binnen en buiten de EU actief bij aan de besluitvorming op deze COP. Dit onder meer op het gebied van koolstofvastlegging (sinks) als projectactiviteit onder het Clean Development Mechanism (CDM), de verdere vormgeving van de VN klimaatfondsen voor ontwikkelingslanden (opgericht in 2001), het budget van het secretariaat van het VN Klimaatverdrag, de ontwikkeling van nationale registers voor emissiehandel, de resultaten van de Executive Board van het CDM, de rol van het internationale luchtvaart- en scheepvaartsector in het klimaatbeleid en de toekomstige institutionele relatie tussen de COP (Partijen bij het Klimaatverdrag) en de COP/MOP (Partijen bij het Kyoto Protocol).

De Nederlandse delegatie droeg actief bij aan het initiëren en motiveren van informele discussies over de noodzaak en de mogelijke vormen van een internationaal regime na 2012.

Vanwege afspraken in het Hoofdlijnenakkoord is het beleid aangepast op punten die voor het klimaatbeleid van belang zijn zodanig dat Nederland aan haar internationale verplichtingen kan voldoen. Dit betreft het langer openhouden van Borssele, vervanging van de fiscale stimulering van duurzame energie met een subsidieregeling, aanpassing van de energie-investeringsaftrek, verhoging van de regulerende energiebelasting, aanpassing van de energiepremieregeling en diverse maatregelen betreffende verkeer en vervoer. Het effect van deze aanpassingen op de emissieontwikkeling is onderzocht waarbij het netto effect in 2010 verwaarloosbaar bleek. In de Milieubalans 2003 is geconcludeerd dat met het nu vastgestelde beleid Nederland aan haar Kyoto-verplichting kan voldoen.

In 2003 begonnen de voorbereidingen voor de invoering van emissiehandel in broeikasgassen in Nederland. Belangrijkste activiteiten betreffen het wijzigen van de Wet milieubeheer en het opstellen van een nationaal allocatieplan voor emissierechten. Door het kabinet Balkenende II is de eerdere doelstelling over de centrale Borssele gewijzigd in: «het maken van afspraken over het sluiten van de centrale wanneer de technische ontwerplevensduur in 2013 is geëindigd». Er kwam een plan van aanpak om in onderling overleg met het bedrijf (EPZ) tot een afspraak te komen en een concept wetsvoorstel wordt op ambtelijk niveau voorbereid. Naar verwachting wordt dit voorstel eind 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Resultaat:

Voor het lopende beleid liggen de lange termijndoelstellingen op schema. Er zijn geen concrete doelen voor 2003 benoemd. Het Kyoto-doel om emissies met 6% te reduceren betreft de periode 2008–2012. De binnenlandse emissies zijn de afgelopen 5 jaar redelijk constant gebleven rond het niveau van 219 Mton (het doel van de binnenlandse beleidsinspanning). De CO2-emissies stijgen licht maar worden door een afname in de uitstoot van de overige broeikasgassen methaan (CH4), lachgas (N2O) en de fluorverbindingen (HFK's, PFK's en SF6) gecompenseerd.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
Totaal 608+7041 312
waarvan:  
Duurzame energie 5677041 271
Borselle 4141

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikelen 3., 11., 12

Prioriteit II.5 Moratorium gasboringen Waddenzee

Doel:

Een balans voor de Waddenzee tussen het openbare belang van de gasvoorziening, de daarmee samenhangende economische belangen en het belang van een adequate bescherming als uniek en nagenoeg natuurlijk ecosysteem.

Actie:

Onder de verantwoordelijkheid van de minister van EZ startte begin 2003 de voorbereiding van de gasbrief. Door de val van het kabinet Balkenende 1 zijn deze werkzaamheden stilgelegd. In het Hoofdlijnenakkoord van Balkenende 2 staat opnieuw een passage over waddengas waarin een moratorium voor de Waddenzee voor 10 jaar op schuin boren wordt aangekondigd. Het kabinet stelde in oktober 2003 de Adviesgroep Waddenzeebeleid in om hierover advies uit te brengen aan de ministers van VROM, EZ en LNV.

Resultaat:

Door de val van het kabinet is in 2003 geen moratorium bereikt. In jhet voorjaar van 2004 komt de Adviesgroep Waddenzeebeleid met een advies. Daarna wordt mede op basis van dat advies en het Hoofdlijnenakkoord een aangepast deel 3 van de PKB Derde Nota Waddenzee opgesteld.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
20113

Bron: Moratorium gasboringen Waddenzee: kostenplaats 433 002 «PKB Waddengebied»

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 9

Thema III. Stroomlijning instrumentarium

Prioriteit III.1 Herijking regelgeving

Doel:

Onnodige regelgeving terugdringen en de administratieve lastendruk verminderen.

Actie:

VROM deed in 2003 een voorstel voor concrete terreinen van wetgeving waar vereenvoudiging of sanering gewenst is. In oktober 2003 zijn deze herijkingsvoorstellen aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 29 200 XI, nr. 7). In de brief van december 2003 (kamerstuk PM) legden de bewindslieden het meerjarenprogramma herijking aan de Kamer voor. Hierin staat een algemeen tijdschema met de projecten waaraan prioriteit wordt gegeven en de projecten die later volgen. VROM onderzocht ook de mogelijkheden het aantal beslissingen per project verder te beperken, procedures te stroomlijnen en de zogenoemde «actio popularis» af te schaffen. Deze elementen zijn meegenomen in de herijkingbrief aan de Kamer. In de herijkingbrief is geconstateerd dat bij wijziging van de Algemene Wet Bestuursrecht al besloten was de «actio popularis» in het milieurecht af te schaffen.

Er startte in 2003 een gezamenlijk project van het Openbaar Ministerie en VROM waarin een methodiek werd bedacht waardoor al in een vroeg stadium de handhaafbaarheid van milieuregelgeving onder de aandacht van beleidsmakers wordt gebracht. Regelgeving die niet te handhaven is, is ongewenst en onnodig. De methodiek wordt begin 2004 afgerond.

Resultaat:

De basis voor de met de Tweede Kamer te voeren discussie over herijking is gelegd. VROM vindt na het doorlichten van de regelgeving dat er van de 400 regelingen 100 kunnen worden geschrapt en 100 kunnen worden samengevoegd. Verder blijkt dat er veel mogelijkheden zijn om de administratieve lasten en bestuurslasten te verminderen door toepassing van ICT. De uitvoering van de voorstellen moet nog starten; gewerkt wordt aan een wetgevingsprogramma voor 2004 en latere jaren.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
3180.5316

Bron: Betreffen opgegeven cijfers van de directoraten Wonen en Milieu

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet

Prioriteit III.2: Versnelling besluitvorming grote projecten

Doel:

Een Rijksprojectenprocedure voor het kabinet waarmee zij de regie van de besluitvorming over grote investeringsprojecten van nationaal belang van begin tot eind in eigen hand houdt.

Actie:

De procedure wordt onderdeel van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In 2003 is de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer voortgezet.

Resultaat:

Door de verlenging van en verschuiving in de parlementaire behandeling treedt de procedure nu op 1 februari 2004 in werking.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003

Bron: Budget, mutatie en realisatie 2003 zijn geboekt op kostenplaats 411 001 «Fundamentele Herziening Wet op de Ruimtelijke Ordening», zie prioriteit III. 3. Herziening Wet Ruimtelijke Ordening.

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet

Prioriteit III.3 Herziening Wet Ruimtelijke Ordening (incl. Besluit op de Ruimtelijke Ordening)

Doel:

Meer daadkracht van de overheid door een vereenvoudiging en versnelling van procedures, meer inzicht en vertrouwen van de burger in het handelen van de overheid.

Actie:

Het wetsvoorstel WRO is 23 mei 2003 ingediend bij de Tweede Kamer. De voorbereidingen van het nieuwe Besluit RO liepen door de kabinetswisseling in juni en de hoorzitting in de Tweede Kamer vertraging op.

Resultaat:

Zolang het wetsvoorstel niet in werking is getreden, wordt de burger niet geraakt door de effecten ervan. Vooruitlopend hierop is bepaald dat de wet vijf jaar na inwerkingtreding wordt geëvalueerd. Daarin wordt onder meer aandacht besteed aan de vraag of het wetsvoorstel een positief effect heeft gehad op de daadkracht van de overheid en het vertrouwen van de burger in de overheid.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
210209

Bron: Herziening Wet op de Ruimtelijke Ordening: kostenplaats 411 001 «Fundamentele Herziening Wet op de Ruimtelijke Ordening».

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 1, paragraaf 2.1.2

Prioriteit III.4 Herziening Wet Milieubeheer

Doel:

Grotere beleidsvrijheid voor gemeenten krijgt een wettelijke basis; vergroten van de eigen verantwoordelijkheid voor ondernemers bij vergunningverlening; wettelijke basis voor het instrument emissiehandel; professionalisering van de handhavingorganisaties en consequente handhaving van milieuregelgeving (zie hiervoor thema V: handhaving).

Actie:

De resultaten van het project Stad en Milieu zijn in wet- en regelgeving verankerd. In 2003 is een wetsvoorstel opgesteld voor een structurele regeling van Stad en Milieu waardoor alle gemeenten de mogelijkheid krijgen om onder voorwaarden af te wijken van bepaalde milieunormen. Hierin is specifiek voor het landelijk gebied ook de ammoniak- en stankregelgeving meegenomen. Het wetsvoorstel is eind 2003 ter advisering aan de Raad van State gezonden (p.m.). Het streven was de structurele regeling per 1 januari 2004 in te laten gaan. Dat bleek niet haalbaar. Nu wordt inwerkingtreding medio 2004 verwacht.

Het instrumentarium geluidshinder is gemoderniseerd op twee onderdelen: 1) De implementatie van de EU-richtlijn omgevingslawaai en 2) een gefaseerde invoering van de modernisering instrumentarium geluidbeleid (MIG)Ad 1) Betreffende de EU-richtlijn omgevingslawaai is in 2003 een wetsvoorstel voor wijziging van de Wet Geluidhinder aan de Kamer aangeboden (2 september 2003, Kamerstukken II, 2002–2003, 29 021, nrs. 1–3). Hiermee wordt de richtlijn in de Nederlandse wetgeving opgenomen. De Algemene maatregel van Bestuur bij het wetsvoorstel is dit jaar opgesteld en deze is aan de Raad van State voor advies aangeboden (december 2003, p.m.). Wanneer de AmvB voor de invoeringsdatum van de EU (18 juli 2004) gereedkomt, wordt voldaan aan de verdragsrechtelijke verplichtingen van Nederland. Ad 2) In 2003 is een wetsvoorstel voorbereid waarmee de eerste stappen tot modernisering van de Wet Geluidhinder worden gezet.

Doel van het wetsvoorstel Wijziging Wet Geluidhinder is het geluidbeleid en de geluidsituatie voor een deel van Nederland voor de EU in kaart te brengen. Dit gebeurt met de geluidkaart en het actieplan. Bovendien wordt een nieuwe dosismaat geïntroduceerd (Lden) en moeten we de communicatie naar de burger over kaart en plan intensiveren.

De Wet milieubeheer is herzien (4 wetsvoorstellen). Twee wetsvoorstellen zijn ondergebracht in één wetsvoorstel; implementatie IPPC. Dit ligt eind 2003 bij de Raad van State, behandeling in de Tweede Kamer is in 2004. Het voorontwerp van het Wetsvoorstel Emissiehandel is gepubliceerd in de Staatscourant (2003; nr. 47) en ter kennisname verzonden aan de Tweede Kamer. Het voorstel ligt eind 2003 bij de Raad van State, behandeling in de Tweede Kamer is in 2004. Het wetsvoorstel handhavingstructuur is op 10 oktober 2003 in de Ministerraad behandeld en is in november 2003 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt (TK 2003–2004, 29 285, nrs.1–2).

Resultaat:

De structurele regeling voor Stad en Milieu in 2004 is een belangrijke bijdrage aan vergroting van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Door decentralisatie van hogere waarden-besluiten in de gewijzigde Wet Geluidhinder wordt de gemeentelijke beleidsvrijheid vergroot. Dit geldt ook voor de mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties te kunnen afwijken van de (maximale) grenswaarden. Met de wetsvoorstellen die 2004 in de Kamer worden behandeld, wordt invulling gegeven aan wat we uiteindelijk willen bereiken. Het onderwerp wettelijke status voor belangrijke beginselen wordt niet verder in procedure gebracht.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
650417

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 1, paragraaf 2.1.2

Prioriteit III.5 Herziening bouwregelgeving

Doel:

Vergunningen en procedures waar een burger of ondernemer bij het bouwen mee te maken heeft beter op elkaar afstemmen. Het gaat hierbij o.a. om bestemmingsplannen, welstandseisen, sloopvergunningen en milieuvergunningen. Doel is het versnellen van de doorlooptijd van procedures en beperking van de administratieve lastendruk voor de bouwpraktijk. Er wordt gestreefd naar een betere dienstverlening aan burgers en ondernemers die willen bouwen.

Actie:

Het eerste wijzigingspakket Woningwet en het Bouwbesluit (Staatsblad 2002, 409, 410,411) trad op 1 januari 2003 in werking. De proefprojecten voor een betere informatievoorziening over vergunningen en procedures en een betere dienstverlening aan de burger startten in 2003. Gemeenten begonnen met het opstellen van welstandnota's. Er wordt gebruik gemaakt van één uniform formulier voor het indienen van alle bouwaanvragen. Tevens is eind van het jaar een voorstel tot wijziging van de Woningwet per 1 januari 2005 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2003–2004, 29 392, nrs. 1–2).

Resultaat:

Door de Woningwetswijziging van 1 januari 2003 is er een toename van vergunningvrij bouwen en is de vergunningprocedure eenvoudiger en sneller geworden waarbij tegelijkertijd de administratieve lasten voor burgers en bedrijven zijn afgenomen.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
4 9674994 467

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 3, paragraaf 2.1

Prioriteit III.5a Modernisering huurbeleid 2004

Doel:

Invulling geven aan het huurbeleid dat moet gaan gelden vanaf 1 juli 2005. De voornemens voor dit beleid zijn vastgelegd in de huurbrief van 14 september 2001.

Actie:

In de Commissie Huurbeleid is gepoogd overeenstemming te bereiken over het huurbeleid lange termijn. VROM heeft contouren voor het huurbeleid lange termijn opgesteld waarbij het functioneren van de woningmarkt en de betaalbaarheid van het wonen centraal staan.

Resultaat:

In november 2003 zijn de contouren voor het nieuwe huurbeleid lange termijn aan de Kamer gezonden.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
227– 19830

Beleidsmatige consequenties

Beëindigd: verdere informatie op artikel 2, paragraaf 2.1.2

Thema IV. De burger centraal

Prioriteit IV.1 Eén loket benadering voor inkomensafhankelijke regelingen

Doel:

In het Strategisch Akkoord van het eerste Kabinet Balkenende stond het voornemen een nieuw zorgstelsel in te voeren. Tegelijkertijd werd gestreefd naar stroomlijning van de inkomensafhankelijke regelingen en het creëren van één uitvoeringsloket voor inkomensafhankelijke subsidies (BG 2003 pag. 17). Inmiddels is in het Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet Balkenende aangegeven dat het inkomensbeleid wordt gekenmerkt door een verdere aanpak van de armoedeval en verdere stroomlijning van inkomensafhankelijke regelingen, vooral voor zorg, kinderen en wonen.

Actie:

In 2003 bracht een interdepartementale werkgroep het rapport «Samen uitvoeren?» uit. Hierin staat een onderzoeksverslag naar de mogelijkheden om door samenvoeging van inkomensafhankelijke regelingen voordelen te bereiken betreffende rechtmatigheid, klantgerichtheid, -vriendelijkheid en doelmatigheid.

Resultaat:

Er wordt een afzonderlijk juridisch kader (Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen) gecreëerd. Belangrijke algemeen gehanteerde definities en begrippen (inkomensbegrip, huishoudbegrip, peiljaar, tijdvak, etc.) en een aantal algemene zaken die van belang zijn voor inkomensafhankelijke regelingen worden daarin vastgelegd. Administratieve procedures zoals de aanvraagprocedure en de bezwaarprocedure worden zoveel mogelijk geharmoniseerd. In 2003 koos het kabinet er voor om het actuele inkomen als uitgangspunt in de wet te hanteren. Het belangrijkste argument hiervoor is dat aangesloten wordt bij de actuele draagkracht van de aanvrager en een vangnetregeling overbodig wordt. De effecten worden in 2004 in kaart gebracht.

Een aan de belastingdienst gelieerde uitvoeringsinstelling voert per 1 januari 2005 de Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK) en per 1 januari 2006 de zorgtoeslag uit. De aan de belastingdienst gelieerde uitvoeringsinstelling gaat ook de huursubsidie uitvoeren. Gekoerst wordt op overheveling van de uitvoering per 1 januari 2006, maar als het organisatorisch haalbaar en zinvol is, kan dit ook al per 2005.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
15 0222215 000

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigde voortzetting: verdere informatie op artikel 2, paragraaf 2.1.5

Prioriteit IV.2 Hervorming van de huursubsidie

Doel:

In het Strategisch Akkoord is de aanpak van de armoedeval een belangrijk thema. In het verlengde daarvan zijn maatregelen voorgesteld over inkomensafhankelijke regelingen. Voor VROM betekende dit in het bijzonder de hervorming van de huursubsidie. Doelstelling was om in 2003 voorstellen uit te werken voor een hervorming van de individuele huursubsidie waarbij, naar analogie van de zorgtoeslag, meer aansluiting wordt gevonden bij een genormeerde huur in plaats van de feitelijke huur.

Actie:

Na het Hoofdlijnenakkoord kwam meer nadruk te liggen op de budgettaire problematiek van de Huursubsidie en het gebrek aan beweging in de woningmarkt. Daarom is in 2003 gewerkt aan bredere voorstellen die deze beweging moeten vergroten en de betaalbaarheid moeten garanderen. Mogelijkheden worden gezocht in meer vrijheid in het huurbeleid voor verhuurders, een sterkere relatie tussen prijs en kwaliteit van de huurwoning en een grotere verantwoordelijkheid voor verhuurders voor de betaalbaarheid van de huursubsidie.

Resultaat:

Het voornemen was hierover in 2003 de Tweede Kamer te informeren. Nu de verschillende mogelijkheden om hier invulling aan te geven nog worden onderzocht, zal de Tweede Kamer in 2004 worden geïnformeerd.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
9.309.3

Beleidsmatige consequenties

Geëxtensiveerd: verdere informatie op artikel 2, paragraaf 2.1

Prioriteit IV.3 Particulier opdrachtgeverschap

Doel:

Een groter aandeel van de woningbouw realiseren via particulier opdrachtgeverschap.

Actie:

Het Infocentrum Eigen Bouw (incl. Kavelbank) voor burgers, gemeenten en bouwers startte op 6 september 2003 (met VROM-bijdrage tot 1-1-2006). Hierdoor wordt VROM ontlast van het grootste deel van de voorlichting- en stimuleringsfunctie m.b.t. eigenbouw. Verder zijn in 2003 experimenten uitgevoerd, voorbeeldprojecten opgezet en is veel aandacht besteed aan kennisverspreiding.

Resultaat:

Het is nog te vroeg om te spreken van meetbare toename van de woningbouw via particulier opdrachtgeverschap door de acties in 2003. Over de jaren 1998 – 2002 is geen stijging van het aandeel eigenbouw in de woningproductie aantoonbaar. Onder invloed van minder rooskleurige economische perspectieven zou er sinds 2001 zelfs van een daling sprake kunnen zijn. Daarnaast zijn op de VINEX locaties (die sinds 1998 goed op gang komen) het overgrote aandeel van de bouw voor rekening komt van projectontwikkelaars op door hen verworven gronden.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
206.2827.01 033

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: Verdere informatie op artikel 3, paragraaf 2.3.1

Prioriteit IV.4 Verkoop huurwoningen aan zittende bewoners intensiveren

Doel:

De verkoop van huurwoningen aan zittende bewoners intensiveren.

Actie:

Het onderzoek «De koopwoning nabij» is aan de Kamer aangeboden. Mede op aandrang van het rijk zijn er prestatieafspraken gemaakt tussen woningcorporaties en gemeenten over o.a. de verkoop van huurwoningen.en tijdens de verstedelijkingsgesprekken zijn, als onderdeel van de Intentieafspraken, afspraken gemaakt over de verkoop van huurwoningen. In het Beleidskader ISV-II zal worden voorgeschreven dat de gemeenten in hun Meerjarenontwikkelingsprogramma's 2005–2009 (MOP's 2005–2009) het beoogde aantal omzettingen van huurwoningen in koopwoningen opnemen.

Resultaat:

De gemeenten moeten zich in 2010 verantwoorden over de in de MOP's opgenomen prestaties. Vanaf 2005 wordt periodiek de voortgang gemonitord.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
12.312.30

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 2, paragraaf 2.2.1

Prioriteit IV.5 Afschaffen onroerende zaakbelasting voor woningen

Doel:

Afschaffing van de OZB voor woningen om algemene inkomenseffecten van de invoering van het zorgstelsel te compenseren. Het Kabinet bevordert dat verhuurders het voordeel van de afschaffing van de OZB (eigenarendeel) doorsluizen naar de huurders.

Actie:

Het bewonersdeel OZB op woningen wordt per 1 januari 2005 afgeschaft.

In het Hoofdlijnenakkoord is niet voorzien in afschaffing van het eigenarendeel OZB. Hierdoor kon geen uitvoering worden gegeven aan het voornemen van het voorgaande kabinet om te bevorderen dat verhuurders het voordeel van afschaffing van het eigenarendeel OZB doorsluizen naar de huurders.

Resultaat:

De afschaffing van het bewonersdeel OZB op woningen per 1 januari 2005 is een lastenverlichting voor de burgers die rechtstreeks voortvloeit uit maatregelen zoals die in het Hoofdlijnenakkoord zijn voorgesteld.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet

Thema V. Handhaving

Prioriteit V.1 Effectievere handhaving door scherpere prioriteitsstelling

Doel:

Gezondheids- en veiligheidsrisico's verkleinen voor burgers en samenleving. De VROM-Inspectie wil risicogericht en flexibel werken door scherper prioriteren van haar activiteiten.

Actie:

Op initiatief van de VROM-Inspectie ontwikkelde VROM een nalevingstrategie (NLS). De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zijn hierin verwerkt. Met de NLS worden VROM-breed afspraken gemaakt over het stellen van de juiste prioriteiten, de wijze van uitvoering en de manier van verantwoording. De brochure voor de nalevingstrategie werd in september 2003 onder alle externe relaties en eigen medewerkers verspreid.

Resultaat:

Met de ontwikkeling en invoering van de nalevingstrategie kan de Inspectie activiteiten scherper prioriteren en daardoor meer risicogericht en flexibeler werken. Het afnemen van genoemde risico's kan op basis van de resultaten in 2003 nog niet gesteld worden.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
563– 243196

Bron: De vermelde bedragen zijn exclusief kosten van het ambtelijk apparaat en gebaseerd op de financiële administratie van de VROM-Inspectie.De gerealiseerde programma-uitgaven zijn lager dan geraamd omdat: er temporisering heeft plaatsgevonden; sommige verplichtingen doorlopen in 2004 en later; de implementatiekosten voor een beperkt deel niet in 2003 maar in 2004 gemaakt zullen worden; van de ontwikkeling van de omgevingsverkenner in de toen bedoelde vorm is afgezien; de kosten voor effectievere handhaving door scherpere prioriteitstelling lager waren dan begroot; de internationale INECE-activiteiten slechts gedeeltelijk zijn gestart in 2003.

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: verdere informatie op artikel 13, paragraaf 2.1

Prioriteit V.2: Verbeterde internationale samenwerking milieuhandhaving

Doel:

Intensivering van de samenwerking met omringende landen betreffende milieuwethandhaving.

Actie:

Nederland organiseerde in oktober 2003 een succesvolle Implementation and Enforcement of Environmental Law (IMPEL) conferentie waar de deelnemers spraken over de toekomst van inspecties, nieuwe instrumenten als convenanten en milieumanagementsystemen en over good practices. IMPEL is een informeel netwerk van milieu-inspecties van de lidstaten van de EU. Doel is onder meer gelijk op te gaan bij het uitvoeren van EU-regelgeving. Kennisuitwisseling, samenwerkingsprojecten en trainingsprogramma's zijn daarbij de middelen. IMPEL werkt nauw samen met het zusternetwerk, het Associated Countries (AC)-IMPEL. De AC zijn de landen die in 2004 of later toetreden tot de EU. Al deze landen, plus Noorwegen wonen de halfjaarlijkse plenaire bijeenkomsten bij en participeren in de werkgroepen.

Eind juni 2003 vond met succes de jaarlijkse handhavingconferentie van «IMPEL/Trans Frontier Shipments of Waste» plaats in Praag. Doel hiervan was vooral de nieuw toetredende landen tot de Europese Unie te betrekken bij de handhavinginspanningen van de EVOA. Ruim 65 vertegenwoordigers uit EU- en niet EU-staten namen deel. Er kwam terugkoppeling van lopende handhavingactiviteiten en er zijn diverse handhavingprojecten gedefinieerd waarbij de VROM-Inspectie ook betrokken is. Deze worden in de loop van 2004 gestart.

In september 2003 startte de feitelijke uitvoering van meer handhavingactiviteiten in zes zeehavens. De resultaten tot nu toe zijn bemoedigend. In maart 2004 verschijnt het rapport en gezien de eerste resultaten wordt een voorstel gedaan voor een vervolgproject.

Resultaat:

Door de diverse ontplooide activiteiten en nieuwe projecten in 2003 is een intensievere samenwerking betreffende milieuhandhaving de komende tijd gegarandeerd.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
355– 9688

Bron: Zie voetnoot onder prioriteit V.1.

Beleidsmatige consequenties

Impel wordt ongewijzigd voortgezet en project zeehavens wordt geïntensiveerd: verdere informatie op artikel 13, paragraaf 2.8

Prioriteit V.3: Tussengemeentelijke oplossingen en regelingen

Doel:

Een verdere professionalisering van de milieuwethandhaving door alle overheden op basis van het project «Professionalisering van de Milieuhandhaving». Streven is om per 1 januari 2005 het afgesproken kwaliteitsniveau gehaald te hebben.

Actie:

Alle overheden voerden inmiddels een nulmeting uit (juni 2003). Er zijn door alle overheden verbeterplannen opgesteld en ingeleverd bij de provinciale regisseurs. Vanaf eind 2003 is de uitvoering van deze verbeterplannen begonnen. Ook de VROM-Inspectie heeft haar verbeterplan opgesteld en laten vaststellen door de Minister en de Staatssecretaris. Het is vervolgens ter informatie aan het IPO gezonden.

Resultaat:

De provinciale regisseurs concluderen dat het niveau van de handhaving in het algemeen een forse stap vooruit maakt als alle voorgenomen verbeteracties daadwerkelijk uitgevoerd zijn. Die verbetering kost een forse inspanning waarvoor de aandacht niet mag verslappen.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003

Bron: Zie voetnoot onder prioriteit V.1.

Beleidsmatige consequenties

Ongewijzigd voortgezet: Verdere informatie op artikel 13, paragraaf 2.8

Prioriteit V.4: Intensivering fraudebeleid

Doel:

Misbruik van regelgeving tegengaan.

Actie:

De interdepartementale nota Fraudebeleid (FINEC) is niet ingevoerd omdat er ook in 2003 geen financiën beschikbaar kwamen. Dat geldt ook voor de bestandenkoppeling binnen VROM tussen DG Wonen en de VROM-Inspectie. Voor huursubsidiefraude is een zeer beperkte formatie beschikbaar om een kleine 400 zaken per jaar aan te pakken. Ook is in beperkte mate zaakgericht onderzoek gedaan naar fraude. Samen met DG Wonen is actie ondernomen om zicht te krijgen op de naleving van de Huursubsidiewet in het algemeen en omvang van de huursubsidiefraude in het bijzonder. Hier wordt onderzoek naar gedaan door de Universiteit van Utrecht. Dit onderzoek wordt begin 2004 afgerond.

Resultaat:

De nadruk van het fraudebeleid ligt op de subsidieregelingen. In 2003 is de inzet voor een adequaat fraudebeleid te beperkt geweest.

Financiële consequenties (*€1000)
Stand begroting 2003Nadere mutatiesRealisatie 2003
300– 24945

Bron: Zie voetnoot onder prioriteit V.1.

Beleidsmatige consequenties

Beleidsintensivering: verdere informatie op artikel 13, paragraaf 2.8

Wat heeft de burger van VROM gemerkt?

In aanvulling op hetgeen reeds bij de prioriteiten zelf is aangeduid nog het volgende.

Burger en Milieu:

In 2003 werden negen projecten gestart en grotendeels afgerond over beleidsvernieuwingen in het milieubeleid. Doel was om de interactie tussen beleidsmakers en burgers over concrete beleidsvragen te bevorderen. Er waren panels en werkgroepen met burgers, webfora, interviews en debatten met de staatssecretaris over deze negen projecten. 14 projecten van maatschappelijke organisaties zijn ondersteund in het kader van de «subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (SMOM)». In deze projecten is op een vernieuwende wijze de betrokkenheid van burgers georganiseerd. Er was in het algemeen veel aandacht voor communicatie door lunchbijeenkomsten, een conferentie en informatieverstrekking via nieuwsbrieven en artikelen. Met al deze initiatieven kwam in 2003 de interactie tussen beleidsmakers en burgers goed op gang. In totaal waren er ongeveer 4 000 burgers bij de genoemde initiatieven betrokken.

Vereenvoudiging bouwregelgeving (wijziging Woningwet/bouwbesluit)

Op 1 januari 2003 wijzigde de Woningwet waardoor de burger minder vaak een vergunning hoeft aan te vragen voor het verbouwen van een woning. De meldingsprocedure kwam hierbij te vervallen en de categorie bouwvergunningvrije bouwwerken verruimde. Door deze wetswijziging werd in veel gevallen de vergunningsprocedure sneller en eenvoudiger waardoor de administratieve lasten voor de burger beperkt worden. Bovendien wordt voortaan gebruik gemaakt van één uniform formulier voor het aanvragen van bouwvergunningen. Door deze wetswijziging zijn gemeenten verplicht om een welstandsnota te maken waardoor het voor de burger op voorhand duidelijk is aan welke welstandscriteria een bouwaanvraag moet voldoen. Als laatste relevant punt voor de burger zijn in deze wijzigingsronde verschillende voorschriften voor nieuwbouw geschrapt zoals de verplichte telefoon-, radio- en tv-aansluitingen. De aangekondigde wijziging van de Woningwet ter verbetering van het toezicht, controle en handhaving van de bouwregelgeving per 1 januari 2004 verschoof naar 1 januari 2005.

Digitale Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen

In het project Digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen (DURP) werkt VROM samen met VNG, provincies en koepelorganisaties. DURP stimuleert gemeenten, provincies en rijksoverheden hun ruimtelijke plannen digitaal te maken en aan elkaar, burgers en bedrijven beschikbaar te stellen. De afgelopen jaren is op basis van proeven, onderzoeken en voorbeeldprojecten bij gemeenten, provincies en departementen een eisenprogramma opgesteld. Begin 2004 wordt bepaald of deze eisen vrijblijvend blijven of in een de wet (mogeljik Wro/Bro) worden verankerd. Veel gemeenten zijn al begonnen met het invoeren van de standaarden. Provincies en departementen staan in de startblokken. Als alle overheden hier daadwerkelijk toe overgaan, zijn er grote voordelen voor de burger. Bestemmingsplannen zijn dan bijvoorbeeld ook buiten kantooruren te raadplegen. Iedere burger kan thuis de plannen van de gemeenten, provincies en departementen in relatie tot elkaar bekijken. Daarnaast kunnen digitale plannen gecombineerd worden met andere informatie zoals kapvergunningen, bouwaanvragen en milieuvergunningen.

Administratieve lasten voor het bedrijfsleven

1. Overzicht gerealiseerde redcutie AL voor het bedrijfsleven in 2003

Wet- of regelgevingTotale AL van de wet of regelActieReductie in €Reductie1 in procenten
Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken32 924 500Het aantal categorieën bouwwerken waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd is verminderd.– € 11 300 000– 0,67%
Totaal32 924 500 – € 11 300 000– 0,67%

2. Overzicht toename van AL voor bedrijfsleven als gevolg van nieuw beleid in 2003

Wet- of regelgevingTotale AL van de wet of regelActieToename in €Toename2 in procenten
Besluit financiële zekerheid milieubeheer Dit besluit strekt te uitvoering van met name artikel 8.15, eerste lid onder a en b, van de Wet milieubeheer€ 1 000 0000,06%
Besluit detectie radioactief besmet schroot Besluit strekt tot het verplicht stellen van het gebruik van apparatuur voor de detectie van radioactief besmet schroot en het stellen van financiële zekerheid voor de kosten van het verwijderen van radioactief besmet metaalschroot.€ 3 137 1820,19%
Regeling materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening Regeling dient ter omzetting in nationaal recht van artikel 10 van richlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Unie€ 643 5000,04%
Regeling uitvoering Verordening in- en uitvoer gevaarlijke chemische stoffen Uitvoering verordening (EG) nr. 304/2003€ 5 0000,00%
Wijziging Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffenPMImplementatie richtlijn nr. 98.81/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 1998€ 4 5950,00%
Totaal€ 4 785 682 € 4 790 2770,29%

1Reductie en toename is weergegeven als percentage van de totale administratieve lasten voor het bedrijfsleven uit VROM wet- en regelgeving.

3. Kwalitatieve toelichting

In 2003 heeft de nadruk gelegen op het meten van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven voortvloeiend uit VROM wet- en regelgeving en het identificeren van reductiemogelijkheden. Als gevolg van afspraken die in het Hoofdlijnenakkoord zijn gemaakt, heeft VROM een nulmeting uitgevoerd met peildatum 31-12–2002. Voor alle wet- en regelgeving van het Ministerie van VROM is dus berekend wat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zijn. Gebleken is dat het VROM wet- en regelgeving €1,7 miljard aan administratieve lasten veroorzaakt bij het Nederlandse bedrijfsleven. Het grootste deel hiervan wordt veroorzaakt door de Wm-vergunning, de 8.40 AmvB's, de bouwvergunning en de uitvoering van de Wet milieugevaarlijkes stoffen.

Tevens heeft VROM de internationale herkomst van de regelgeving laten onderzoeken. Gebleken is dat 8% van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven uit de wet- en regelgeving van VROM volledig bepaald wordt door EU-regelgeving. 36% van de administratieve lasten uit de VROM wet- en regelgeving heeft een Europese component, maar is nationaal ingevuld. De overige 56% van de administratieve lasten is het gevolg van nationale wet- en regelgeving.

Naast het meten van de administratieve lasten is in 2003 een voortvarend begin gemaakt met het identificeren van reductiemogelijkheden. Het zoeken naar reductiemogelijkheden heeft integraal onderdeel uitgemaakt van de herijkingsoperatie. De herijkingsoperatie was bedoeld om na te gaan of de gestelde beleidsdoelen op het terrein van VROM met minder, eenvoudiger en beter gestroomlijnde regels zou kunnen worden gerealiseerd, waardoor de uitvoering en handhaving van die regels zou kunnen worden verbeterd. Hierin is de doelstelling van het kabinet om in de periode 2003 t/m 2006 te komen tot een reductie van de administratieve lasten met 25% meegenomen.

Samen met het bedrijfsleven is de VROM wet- en regelgeving systematisch doorgelopen. Waar mogelijk en wenselijk is een voorstel gedaan hoe de administratieve laten kunnen worden gereduceerd. Op 17 oktober heeft het Ministerie van VROM hierover een brief gestuurd naar de Tweede Kamer. Op verzoek van de Tweede Kamer heeft het Ministerie van VROM op 23 december een Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving gestuurd. De herijking heeft een reductie van de administratieve lasten (uit VROM wet- en regelgeving) voor het bedrijfsleven van 25% in de periode 2004–2008 tot gevolg.

Naast plannen voor de toekomstige reductie heeft VROM in 2003 ook een reductie van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven gerealiseerd middels het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken. Als gevolg van dit besluit hoeft voor minder bouwwerken een vergunning te worden aangevraagd hetgeen een vermindering van de administratieve lasten van € 11,3 miljoen voor het Nederlandse bedrijfsleven betekent.

Naast deze reductie heeft VROM ook te maken gehad met een aantal toenames van de administratieve lasten. Deze zijn met name het gevolg geweest van het omzetten in nationaal recht van EU-richtlijnen.

Per saldo heeft het Ministerie van VROM een reductie van circa € 6,5 miljoen gerealiseerd.

Beleidsartikelen

Artikel 01. Strategische beleidsontwikkeling en monitoring

1.1. Algemene doelstelling

Het ministerie van VROM staat voor de zorg voor duurzame kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat in 2003 om aanpassing en vooral uitwerking van de grote nota's. Aangevuld met de uitwerking van de Nota Grondbeleid en de wetgevingstrajecten van de Wet Milieubeheer en de herziening van de Wet ruimtelijke ordening. Bovendien om beperking van regelgeving, stroomlijning van procedures en wegnemen van belemmeringen voor andere partijen in het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van het VROM-beleid.

1.2. Operationele doelstellingen

1.2.1. Operationele doelstelling «Strategische beleidsontwikkeling»

1.2.1.1 Grote nota's

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Nota Mensen wensen wonen 
In 2003 zullen de in 2002 gemaakte intentieafspraken over het verstedelijkingsbeleid tot 2010 met regionale en lokale bestuurders worden bekrachtigd.Nee
Prestaties van de corporaties m.b.t. de verkoop huurwoningen en bijdrage aan transformatie van wijken in de steden.Gedeeltelijk
  
Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening 
Explicatie van het rijkstoetsingskader voor structuurvisies c.q. streekplannen en regionale structuurplannen van respectievelijk provincies en kaderwetgebieden en voor de rijkstaak met betrekking tot toetsing van bestemmingsplannenNee
  
Uitvoeringsprogramma 5e Nota Ruimtelijke Ordening 
Opstellen tweede editie van het UitvoeringsprogrammaNee
Rapportage over de voortgang van het eerste Uitvoeringsprogramma Vijfde Nota 
  
Wet Milieubeheer 
Aanbieden 4 wetsvoorstellen tot wijziging van de Wet Milieubeheer aan de Tweede KamerGedeeltelijk
  
Handhaving 
Behandeling in Tweede Kamer van Wetsvoorstel handhavingsstruktuurGedeeltelijk
  
Transities 
Ontwikkelen van een set procesindicatoren en methodiek voor monitoring van de voortgang van transitiesNee
In het najaar uitbrengen van een departementaal voorbereid voortgangsoverzicht aan de Tweede Kamer over transitiesJa
  
De implementatie van het programma van de Nota Grondbeleid betreft: 
GrondexploitatieregelingGedeeltelijk
Wet voorkeursrecht gemeentenJa
OnteigeningswetNee
PlanschadeNee
Kenniscentrum GrondbeleidNee
Convenant Gemeentelijk GrondprijsbeleidGedeeltelijk
  
Nationale Strategie Duurzame Ontwikkeling 
Opstellen hernieuwde Nationale Strategie voor Duurzame OntwikkelingJa
Uitvoeren implementatie Rijksoverheidverkenning waaronder het ontwikkelen van een set van indicatoren voor duurzame ontwikkeling en het uitvoeren van experimenten met een duurzame ontwikkelingsbeoordelingGedeeltelijk

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Nota Mensen Wensen Wonen

In de Nota Mensen Wensen Wonen is een beleids- en wetgevingsprogramma opgenomen om de beoogde doelstellingen en beleidsvoornemens van de Nota te realiseren het bekrachtigen van de intentieafspraken over het verstedelijkingsbeleid tot 2010. In het kader van deze afspraken dienen de corporaties o.a. prestaties te leveren voor de verkoop van huurwoningen en een aanmerkelijke bijdrage te leveren aan de transformatie van wijken.

Bekrachtiging intentieafspraken

Bij brief in september 2003 (TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 3) is de Tweede Kamer in kennis gesteld van de redenen voor het omzetten van de beoogde, definitieve verstedelijkingsafspraken (2000–2010) in woningbouwafspraken (2005–2010). Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar artikel 4.

Verkoop huurwoningen en transformatie van wijken

In het kader van GSB/ISV zijn, op voorspraak van de G-30, 56 prioritaire herstructureringswijken aangewezen. Bij brief van 6 november 2003 (TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 17 «Voortgang Actieprogramma Herstructurering en inzet corporatiemiddelen») is de Tweede Kamer nader in kennis gesteld van de voortgang in de (vervolg)aanpak in deze 56 prioritaire wijken en de inzet van corporatiemiddelen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar artikel 4.

• Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening1

Het voornemen de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening aan te passen op basis van de visie uit het Strategisch Akkoord heeft een vervolg gekregen in de opstelling van de Stellingnamebrief en is besproken met de Vaste Kamercommissie VROM. Door de val van het Kabinet Balkenende I heeft het nieuwe Kabinet Balkenende II ingezet op verdergaande integratie van Rijksbeleid, decentralisatie en dus minder beleidsnota's. Vanwege de voorgenomen integratie van de ruimtelijke aspecten van platteland en infrastructuur zal er in 2004 één integrale Nota Ruimte worden uitgebracht. De coördinatie is in handen van VROM. Voorafgaand aan de behandeling in het kabinet vindt momenteel een overlegronde plaats.

• Uitvoeringsprogramma Vijfde Nota

Het uitvoeringsprogramma Vijfde Nota is gekoppeld aan de Nota Ruimte. Doordat de aanpassing van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening in 2003 niet heeft plaatsgevonden, is het uitvoeringsprogramma niet vastgesteld.

• Wet Milieubeheer: Aanbieden 4 wetsvoorstellen tot wijziging van de Wet Milieubeheer aan de Tweede Kamer.

Twee wetsvoorstellen (zelfregulering binnen kaders en verdere implementatie IPPC-richtlijn) zijn ondergebracht in één wetsvoorstel verduidelijking IPPC/vergunning op hoofdzaken. Het voorstel ligt eind 2003 bij de Raad van State, behandeling in de Tweede Kamer is in 2004 voorzien. Het wetsvoorstel bevatte tot voor kort ook een onderdeel dat strekt tot codificatie van een aantal beginselen van milieurecht. In overleg tussen VROM en Justitie is besloten het gedeelte dat betrekking heeft op beginselen niet verder in procedure te brengen.

Het voorontwerp van het Wetsvoorstel Emissiehandel is gepubliceerd in de Staatscourant (2003; nr. 47) en ter kennisname verzonden aan de Tweede Kamer. Het voorstel ligt begin 2004 bij de Raad van State, behandeling in de Tweede Kamer is in 2004 voorzien.

Het wetsvoorstel tot implementatie van de Richtlijn strategische milieubeoordeling heeft vertraging opgelopen vanwege de herijkingsoperatie en vanwege de relatie met de Vogel- en Habitat Richtlijn. Het zal in 2004 aan de Raad van State worden aangeboden.

• Handhaving: Behandeling in Tweede Kamer van Wetsvoorstel handhavingsstruktuur

Het wetsvoorstel handhavingsstruktuur is op 10 oktober 2003 in de Ministerraad behandeld en is in november 2003 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt (kamerstuk 2003/2004, 29 285) Afronding zal in 2004 plaatsvinden.

• Transities

Ontwikkelen van een set procesindicatoren en een methodiek voor monitoring van de voortgang van transities.

In 2003 is de methodiek om de voortgang van transities te kunnen monitoren niet gerealiseerd. De departementen hebben de eisen aan een monitoringssystematiek voor transities verder verkend en er is gezocht naar een pilot om zo'n systematiek te ontwikkelen. Een methode voor de evaluatie van de voortgang en monitoring van de transities moet ondermeer informatie opleveren over de aangrijpingspunten om het transitieproces te beïnvloeden en de rol van maatschappelijke actoren. Voor de pilot wordt aangesloten bij het door het Milieu- en Natuurplanbureau RIVM (MNP) afgeronde project op het gebied van landbouw en voeding. Het MNP is nu gevraagd deze systematiek verder uit te werken.

In het najaar uitbrengen van een departementaal voorbereid voortgangsoverzicht aan de Tweede Kamer over transities.

Mede namens de ministers die het voortouw hebben in de NMP-4 transities heeft VROM op 5 november 2003 een voortgangsbericht over de transities naar de Tweede Kamer gestuurd (Niet-dossierstuk 2003–2004, VROM030 830).

• Nota Grondbeleid

De implementatie van het programma van de Nota Grondbeleid is in 2003 verder ter hand genomen. In maart 2003 is de «Derde Voortgangsbrief uitwerking Nota Grondbeleid» aan de Tweede Kamer toegezonden (Tweede Kamer 2002–2003, 27 581, nr. 17). In december heeft in de Tweede Kamer een Algemeen Overleg over het Grondbeleid plaatsgevonden. Een hoofdthema binnen VROM is ontwikkelingsplanologie. Omdat bovenlokale grondbeleidsinstrumenten, zoals onteigening, voorkeursrecht en verevening binnen dit thema een belangrijk aspect vormen is besluitvorming hierover in 2003 in voorbereiding genomen.

Grondexploitatieregeling

Voorbereidingen zijn getroffen om te komen tot de invoering van de Grondexploitatieregeling, welke deel zal gaan uit maken van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Via de bouwvergunning en het bestemmingsplan wordt het instrumentarium aanzienlijk versterkt zonder dat dit leidt tot extra bestuurlijke en administratieve lasten, resp. tot vertraging in de woningbouwproductie. Het gaat hierbij om onder meer het kostenverhaal, de sociale woningbouw, het in handen krijgen van gronden bestemd voor openbare ruimte en het realiseren van een groter aandeel eigenbouw binnen een locatie. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel uiterlijk medio 2004 voorgelegd aan de Raad van State voor advies en vervolgens ingediend bij de Tweede Kamer.

Wet voorkeursrecht gemeenten

De reikwijdte van de Wet voorkeursrecht gemeenten is in 2003 verbreed. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer hebben er mee ingestemd dat voortaan alle gemeenten het voorkeursrecht zullen kunnen toepassen. De inwerkingtreding is voorzien op 1 februari 2004. De Wet voorkeursrecht gemeenten is ook betrokken geweest bij de Herijking van de VROM-wetgeving. Vanaf 2004 zal gewerkt worden aan stroomlijning van de procedures in de wet.

Onteigeningswet

De Onteigeningswet wordt integraal gewijzigd. Zoals onder meer is aangegeven bij de behandeling van de VROM Begroting 2004 in de Tweede Kamer, vereist de complexiteit van deze wet veel voorbereidingstijd om te komen tot een wetsontwerp dat bij de Tweede Kamer kan worden aangeboden. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in 2005 aan de Tweede Kamer voorgelegd.

Planschade

Door het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2003 (Nunspeet) is het sluiten van overeenkomsten over het afwentelen van planschade onmogelijk geworden. Naar aanleiding hiervan is een wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorbereid. Door deze wetswijziging (artikel 49a WRO, die naar verwachting medio 2004 in werking treedt) wordt een expliciete wettelijke basis aan deze overeenkomsten gegeven.

Kenniscentrum Grondbeleid

De instelling van een Kenniscentrum Grondbeleid blijft vooralsnog achterwege. Tijdens het AO Grondbeleid op 9 december 2003 is aangegeven dat de behoefte van gemeenten en ontwikkelaars aan een Kenniscentrum Grondbeleid minder groot is dan ten tijde van de opstelling van de Nota Grondbeleid werd verondersteld. Daarnaast zijn de afgelopen jaren meerdere kenniscentra opgericht.

Door het Kabinet is hierover nog geen definitief besluit genomen. In de naar verwachting medio 2004 uit te brengen «Vierde Voortgangsbrief uitwerking Nota Grondbeleid» zal hierover uitsluitsel worden gegeven.

Beleidsevaluaties 2003

Naar concurrentiebevordering op ontwikkelingslocaties is een vervolgonderzoek ingesteld. Door VROM is hieruit geconcludeerd dat een verplichting tot marktselectie in concurrentie dient te worden afgewezen. Ook naar het instrument Stedelijke herverkaveling is een vervolgonderzoek gedaan. Beleidsmatige conclusies uit dit vervolgonderzoek moeten nog worden geformuleerd. De resultaten van beide vervolgonderzoeken worden betrokken bij een te formuleren kabinetsstandpunt dat in 2004 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. In december 2001 is het Convenant Gemeentelijk Grondprijsbeleid gesloten tussen VROM, VNG, Neprom en NVB. De uitwerking van dit convenant is in 2003 gemonitord. Hieruit is gebleken dat het convenant bij 85% van de geïnterviewde gemeenten bekend is, maar door slechts 1/3 deel wordt toegepast. Met de andere convenantpartijen wordt overlegd om te komen tot een betere voorlichting van gemeenten. Ook Wordt een eventuele wijziging van het convenant bekeken als gevolg van de evaluatie van het convenant, die in 2004 plaatsvindt.

Convenant Gemeentelijk Grondprijsbeleid

In december 2001 is het Convenant Gemeentelijk Grondprijsbeleid gesloten tussen VROM, VNG, NEPROM en NVB. De uitwerking van dit convenant is in 2003 gemonitord. Hieruit is gebleken dat het convenant bij 85% van de geïnterviewde gemeenten bekend is, maar door slechts 1/3 deel wordt toegepast. Met de andere convenantpartijen wordt overlegd om te komen tot een betere voorlichting van gemeenten, maar ook over eventuele wijziging van het convenant naar aanleiding van de evaluatie van het convenant in 2004.

Nationale Strategie voor Duurzame OntwikkelingOpstellen hernieuwde Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling

Op 16 juli 2003 is het nationale deel van het Actieprogramma duurzame ontwikkeling naar het parlement gestuurd (Niet dossierstuk 2003–2004 VROM 030 480). Het actieprogramma is tot stand gekomen met inbreng van bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en andere overheden.

Uitvoeren implementatie Rijksoverheidverkenning waaronder het ontwikkelen van een set van indicatoren voor duurzame ontwikkeling en het uitvoeren van experimenten met een duurzame ontwikkelingsbeoordeling.

Bij het opstellen van de indicatoren duurzame ontwikkeling is vertraging ontstaan omdat de indicatoren gebaseerd zullen worden op de door het RIVM uit te brengen duurzaamheidsverkenning. Medio 2004 komt de eerste duurzaamheidsverkenning uit.

De lopende experimenten duurzame ontwikkeling in besluitvormingstrajecten zijn in de afrondende fase. De experimenten zijn gekoppeld aan een beleidsverkenning (LNV: Toekomst veenweidegebieden), een ruimtelijk plan (VROM:Integraal Ontwikkelingsplan Almere) en een participatief veranderingsproces (EZ: Transitie Biomassa Internationaal). Via deze experimenten ontstaat inzicht hoe in deze trajecten met duurzaamheidsaspecten is omgegaan en wat daar uit kan worden geleerd.

1.2.1.2. Wetgeving

Herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

Het wetsvoorstel voor de Wet op de Ruimtelijke Ordening (TK 28 916) is 23 mei 2003 ingediend bij de Tweede Kamer. De Vaste Commissie voor Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van de Tweede Kamer heeft 10 september 2003 een hoorzitting over het wetsvoorstel gehouden. Ten behoeve daarvan heeft de commissie maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, bestuurders en vertegenwoordigers uit de wetenschap uitgenodigd een schriftelijke reactie te geven op het wetsvoorstel. Vervolgens heeft de commissie op 1 december 2003 een wetgevingsoverleg gehouden.

De voorbereidingen van het nieuwe Besluit Ruimtelijke Ordening en de Invoeringswet hebben door de kabinetswisseling in juni 2003 en de behandeling van het wetsvoorstel ruimtelijke ordening in de Tweede Kamer enige vertraging opgelopen. De Tweede Kamer zal begin 2004 antwoord krijgen op een aantal in het wetgevingsoverleg gestelde vragen.

De Vaste Commissie voor Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van de Tweede Kamer heeft 10 september 2003 een hoorzitting gehouden over het wetsvoorstel Wro. Ten behoeve daarvan heeft zij maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, bestuurders en vertegenwoordigers uit de wetenschap uitgenodigd een schriftelijke reactie te geven op het wetsvoorstel. Naar aanleiding hiervan zijn in diverse kranten en vakbladen persberichten verschenen. In het najaar van 2003 hebben verschillende commerciële instellingen aandacht besteed aan het wetsvoorstel.

De Woonwet

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Woonwetnee
Wijziging BBSHnee

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Woonwet

De melding van de Woonwet bij de Europese Commissie in Brussel ten aanzien van de vraag of hier sprake zou kunnen zijn van meldingsplichtige staatssteun aan corporaties is ingetrokken. Hiertoe is besloten na een eerste oriënterend gesprek met de Europese Commissie en na ontvangst van het negatieve advies van de Raad van State.

De Woonwet is in het kader van het Herijkingproject VROM-regelgeving doorgelicht. Zie de brief aan Tweede Kamer van 17 oktober 2003 Herijking van de VROM-regelgeving» (kamerstuk II, 2003–2004, 29 200 XI, nr. 7). Het wetsvoorstel van een nieuwe Woonwet is ingetrokken. Het beoogde doel «nieuwe ordeningswet» uit de nota MWW wordt niet bereikt ondanks de daaraan ten grondslag liggende ambities. In het wetsvoorstel zijn namelijk niet alle bepalingen betreffende de rolverdeling tussen partijen op het terrein van het wonen opgenomen (zo is bijvoorbeeld de Huisvestingswet er niet in opgenomen). Nieuwe elementen uit het wetsvoorstel ten aanzien van corporaties respectievelijk zeggenschap huurdersorganisaties worden geregeld in bestaande regelgeving (te weten: de Woningwet en het Besluit beheer sociale huursector respectievelijk de Wet op het overleg huurders verhuurder). Ook wordt er in de bestaande regelgeving geen nieuwe planfiguur (woonvisie) gecreëerd naast de structuurvisie (in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de structuurvisie is facultatief voor alle bestuurslagen) en het meerjarig ontwikkelingsprogramma (MOP, verplicht voor de ISV-gemeenten). Er wordt bezien hoe het visie- en uitvoeringsgedeelte van een woonvisie gekoppeld kan worden aan voornoemde bestaande planfiguren.

• Wijziging BBSH

Mede in het licht van Europese regelgeving en fiscale wijzigingen is beoogd in 2003 te komen tot eenduidig toetsbare regeling ten aanzien van de woningcorporaties. Mede als gevolg van de kabinetswisseling en een, in het licht van het Hoofdlijnenakkoord, aan de Tweede Kamer toegezegde heroverweging van de eind 2002 voorgestelde wijzigingen in het Besluit beheer sociale huursector, is het niet gelukt de beoogde wijzigingen nog in 2003 in procedure te brengen. De voorgenomen wijzigingen richten zich o.a. op het toesnijden van het BBSH op de Europese richtlijnen inzake transparantie en mededinging, en op de invoering van de Vennootschapsbelasting voor commerciële activiteiten van corporaties. Eind 2003 is een begin gemaakt met de uitwerking van laatstgenoemd voornemen. De voornemens voor de wijziging van het BBSH zijn begin 2004 naar de Tweede Kamer gezonden. Naar verwachting zullen de wijzigingen van het BBSH in het najaar 2004 naar de Kamer worden gestuurd. Wet voorkeursrecht gemeenten en Grondexploitatiewet: zie par. 1.2.1.1«Nota Grondbeleid».

1.2.2. Operationele doelstelling «Monitoring en kennisontwikkeling»

1.2.2.1. Monitoring en onderzoek

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Systematische monitoring: 
Onderzoekspublicaties:Ja
WBO 2002/2003Ja
KWR 2000Ja
Verdere ontwikkeling energiebesparingsmodel woningvoorraadJa
Monitoring van ontwikkeling op het terrein van: 
De woningvoorraad en woningbehoefteJa
NieuwbouwJa
De bewoner in de huur en koopsectorJa
Wonen en energieverbruikJa
Leefstijlen en leefbaarheidJa
Stedelijke vernieuwingJa
VBTB monitoringssysteemJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Onderzoekspublicaties:

• WBO 2002/2003

Op 1 juli 2003 zijn de gegevens van het Woningbehoefte Onderzoek 2002 beschikbaar gekomen voor het uitvoeren van beleidsanalyses. De eerste WBO-publicatie «Beter thuis in wonen» is medio september verschenen. Eind 2003 zijn twee themapublicaties afgerond te weten «Gescheiden markten?» en «Nieuwbouw en herstructurering». Met het samenstellen van nog 4 themapublicaties is in 2003 begonnen. Deze zullen in 2004 worden uitgebracht. Om een actueel inzicht te verkrijgen in de toekomstige vraag- en aanbodontwikkelingen op de woningmarkt op middellange termijn is opdracht gegeven om een nieuwe woningbehoefteprognose te maken met het prognosemodel «Socrates» op basis van de nieuwe cijfers en inzichten uit het WBO 2002.

• KWR 2000

Na het uitbrengen van een viertal publicaties met resultaten van de Kwalitatieve Woningregistratie (KWR) 2000 in 2002, is in 2003 nog een drietal KWR-deelstudies verricht. Het betreft een studie naar de motieven van woningeigenaren om (niet) te investeren in energiebesparing; een studie naar het stookgedrag van huishoudens in relatie tot het energieverbruik; en een studie naar het belang van leefstijlen voor de verklaring van woonwensen. De resultaten van deze studies worden meegenomen in de «Evaluatie klimaatbeleid gebouwde omgeving». Deze evaluatie wordt in 2004 gepubliceerd.

• Monitoring

Naast bovengenoemde studies geven de volgende in 2003 gereed gekomen publicaties inzicht in de ontwikkelingen op het terrein van het wonen:

Cijfers over wonen 2003;

Monitor nieuwe woningen (kwartaaluitgave);

Uitwerking inhoudelijke monitor stedelijke vernieuwing;

Bewoners nieuwe woningen 2002.

Verdere ontwikkeling energiebesparingsmodel woningvoorraad

In opdracht van VROM heeft Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) het energiemodel voor de sector huishoudens verder verbeterd. Het model is operationeel en zal in de komende tijd worden ingezet in het kader van de referentieraming van energie en emissie voor 2010 en 2020. Dit ten behoeve van de tweede Evaluatienota Klimaatbeleid die voor 2005 is voorzien.

• VBTB-monitoringssysteem

Het VBTB monitoringsysteem is operationeel en wordt nu jaarlijks geactualiseerd met de nieuwe begrotingsgegevens.

Ruimtelijk Planbureau

Het RPB is van start gegaan op 1 januari 2002. In 2003 zijn de eerste zes projecten afgerond. In het voorjaar verschenen «scenario's voor de ruimtelijke toekomst», een studie over de gevolgen van energiebeleid voor de ruimtelijke context en het eindresultaat van het ontwerpatelier «Naar Zee». In het najaar verschenen studies over «landelijk wonen», over de gevolgen van informatie- en communicatietechnologie voor het vestigingsbeleid van bedrijven en de «ruimtelijke verkenningen». De verkenningen stonden in het teken van «de ongekende ruimte», ten gevolge van de afstand tussen beleid en maatschappelijke praktijk.

In 2003 werd de basis gelegd voor een aantal studies die in de eerste maanden van 2004 zullen verschijnen, waaronder een studie over de gevolgen van de EU voor de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland, over bereikbaarheid en over ontwikkelingsplanologie, alsmede de Ruimtemonitor, waarvan de naam inmiddels is veranderd in «Staat van de ruimte».

Als het nationale kennisinstituut voor de ruimte organiseerde het Ruimtelijk Planbureau in 2003 voor de tweede maal een (druk bezochte) ruimteconferentie. «Ruimte in debat», het periodiek van het RPB waarin actuele thema's door medewerkers worden bediscussieerd, verscheen zesmaal. In samenwerking met De Balie organiseerde het Ruimtelijk Planbureau in 2003 een lezingencyclus over het thema «mondialisering en ruimte», waarvoor een zestal vooraanstaande denkers is uitgenodigd. Deze lezingencyclus loopt door tot begin 2004. Bovendien is in 2003 de ruimtemonitor op de website van start gegaan.

Zowel van de genoemde rapporten als van het eigen periodiek werd regelmatig melding gemaakt in de media. Daarnaast namen verschillende medewerkers van het RPB nadrukkelijk deel aan het publieke debat over de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, zowel voor radio en TV, als in kranten, weekbladen, wetenschappelijke tijdschriften, als in gesproken vorm op congressen.

De prestaties RPB 2003

PrestatieRealisatie
OnderzoeksrapportenJa
• Ruimtelijke VerkenningenJa
• Mens, tijd en ruimteNee
• Internationalisering en EUJa
• GrondmarktNee
• Stedelijke vitaliteitNee
• Verstedelijking open ruimte (Landelijk wonen)Ja
• BereikbaarheidJa
• Nieuwe sturingsmodellen (ontwikkelingsplanologie)Ja
• Afwegingskader voor ruimtelijke effectenJa
• Modellering ruimtegebruikNee
• Scenario's voor ruimtelijke toekomst (niet begroot in 2003)Ja
• Naar Zee (niet begroot in 2003)Ja
• ICT en Ruimte (niet begroot in 2003)Ja
• Energie en ruimte (niet begroot in 2003)Ja
  
Themaberichten en RPB periodiekJa
Publicaties in (vak)tijdschriftenJa
Presentaties en lezingenJa
Aandacht in landelijke pers en vakbladenJa
InterviewsJa

Toelichting:

• Onderzoeksrapporten

De rapporten die in 2003 niet zijn verschenen, worden in 2004 gepubliceerd met uitzondering van «Mens, tijd en ruimte» dat als onderzoeksproject is geschrapt.

• Overige prestaties

Er zijn 52 publicaties van RPB medewerkers verschenen in (vak)tijdschriften, er zijn 52 lezingen en presentaties gehouden, er zijn minimaal 63 nieuwsberichten over het RPB verschenen (plus 18 columns van de directeur RPB in het Financieel Dagblad) en er zijn 12 interviews verstrekt.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Milieubalans 2003Ja
Circa 150 bijdragen van het RIVM in de vorm van rapporten, beoordelingen en adviezen.Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Milieubalans 2003:

Deze wordt jaarlijks gepubliceerd en aangeboden aan de Tweede (TK 2002–2003 28 663 nr. 5, 27 mei 2003) en de Eerste Kamer.

• Circa 150 bijdragen van het RIVM in de vorm van rapporten, beoordelingen en adviezen:

Enkele rapporten worden in 2004 definitief afgerond. Er is echter geen sprake van een «boeggolf» aan projecten die de uitvoering van het programma voor 2004 in gevaar brengt. De overgang van het RIVM op het baten-lasten stelsel heeft hier mede aan bijgedragen.

1.2.2.3 Overig

Internationale volkshuisvestingsinstellingen: Activiteiten in het kader van «internationale volkshuisvestingsinstellingen betreffen de naleving van aangegane internationale verplichtingen:

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Evaluatie SHPJa
Samenwerking Oost-EuropaJa
Bijdrage aan VN-HabitatJa
World Summit on Sustainable Development (WSSD)Ja
Voorbereiding EU-voorzitterschapJa
Internationale studie over garantiestructuren in de woningbouwJa
ECE Committee on Human SettlementsJa
Samenwerking Zuid-AfrikaJa
Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS)Ja
MATRA-projectenJa
Housing statistics in the EUJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Evaluatie SHP

In de tweede helft van 2003 is met het ministerie van Buitenlandse Zaken besloten tot het houden van een evaluatie van de Stichting Habitat Platform (SHP). Deze evaluatie moet leiden tot een strategisch plan voor de komende jaren dat erop gericht is de effectiviteit van het nationale en internationale werk van SHP te verhogen.

• Samenwerking Oost-Europa

In 2003 werden bijeenkomsten georganiseerd door het in maart 2003 opgerichte Habitat Platform Midden- en Oost-Europa. Daaruit bleek veel belangstelling te bestaan, met name bij Nederlandse gemeenten, voor voortzetting van samenwerking met gemeenten in Midden- en Oost-Europa.

• Bijdrage aan VN-Habitat

De reguliere bijdrage aan VN-Habitat te Nairobi werd gecontinueerd. Tevens werd een bijdrage verleend aan een Habitat onderzoeks- en trainingsproject van het Centre on Housing Rights and Evictions (COHRE) te Genève ter bevordering van de erfrechtpositie van vrouwen in relatie tot wonen in Afrika en het Midden-Oosten.

• World Summit on Sustainable Development (WSSD)

In vervolg op de World Summit on Sustainable Development (WSSD) werd een begin gemaakt aan het uitwerken van een drietal prioriteiten (te weten: water; sanitatie; en menselijke nederzettingen) door de Commission on Sustainable Development (CSD).

• Voorbereiding EU-voorzitterschap

Er werden voorbereidingen getroffen voor de tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap te houden Europese ministersconferentie over «duurzame hoogbouwrenovatie in de woningbouw en herstructurering van wijken». Er is onderzoek gestart en er hebben enkele internationale bijeenkomsten plaatsgevonden om deze problematiek in kaart te brengen en de raakvlakken tussen EU-regelgeving en woonprogramma's in de EU-toetredingslanden na te gaan. Met het collega-ministerie van Tsjechië is een informele samenwerking op dit terrein gestart

• Internationale studie over garantiestructuren in de woningbouw

Medewerking is verleend aan een internationale studie over garantiestructuren in de woningbouw. Deze studie wordt ondernomen door diverse Nederlandse volkshuis-vestingsinstellingen en de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG).

• ECE-Committee on Human Settlements

De betrokkenheid van DGW bij het werk van de Committee on Human Settlements van de Verenigde Naties Economische Commissie voor Europa (ECE) is voortgezet.

• Samenwerking Zuid-Afrika

De samenwerking van DGW met het Zuid-Afrikaanse Ministerie voor Huisvesting resulteerde in een «Social Housing Policy Document». Eind december werden Nederlandse deskundigen gecontracteerd door DGW om uitwerking te geven aan genoemd «Social Housing Policy Document». De advisering is gecontinueerd vanuit de VNG en Aedes – die met DGW als partners in het Memorandum of Understanding tussen Nederland en genoemd ministerie optreden.

• INTA en Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS)

Bijdragen werden verstrekt aan de INTA te Den Haag en aan enkele post-doctorale opleidingen van het Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS) te Rotterdam.

• MATRA-projecten

In 2003 heeft DGW over een zestal MATRA-projectaanvragen aan het ministerie van BuZa geadviseerd op het gebied van wonen en stedelijke ontwikkeling in diverse Midden- en Oost-Europese landen.

• Housing Statistics in the EU

Medewerking werd verleend aan Denemarken bij de opstelling van de 2003-uitgave van «Housing Statistics in the European Union», die in december 2003 gereed kwam. Hierdoor wordt het mogelijk om een internationaal profiel van de Nederlandse woonsituatie in Europees vergelijkend verband te maken.

SEV, NETHUR

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
SEV: Afsluiting van de volgende projecten:Ja
Opplussen woningen; 
Intelligente en duurzame wijken; 
Wijkgebonden leefbaarheidprojecten; 
Context gebonden architectuur; 
Duurzaam bouwen (en de consument); 
Allergeenarme woningenJa
  
SEV: Start nieuwe projecten en programma's:Ja
Oprichting Informatiecentrum eigen bouw (ICEB; zie ook par. 1.2.1.1); 
Wat beweegt de Woningmarkt; 
«Ruimzicht»; 
Het IWZ-project «Vraagsturing en cliëntparticipatie». 
  
NETHUR: 
Afronding projecten uit voorgaande jarenJa
Starten nieuwe projecten 5 onderzoeken en essaysJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

SEV: Afsluiting van de volgende projecten:• Opplussen van woningen

In 1997 introduceerde de SEV het experimentenprogramma «opplussen in het kwadraat». Dat is het comfortabeler en veiliger maken van de bestaande woningvoorraad, zodat bewoners er langer zelfstandig kunnen blijven wonen, ook als hun motoriek minder wordt. In 1993 is de experiment-status van het programma opgeheven en gaat de markt op eigen kracht verder. Als afsluiting van het project heeft de SEV een inspiratieboek gepubliceerd met een praktische ervaringen en goede raad voor toekomstige Opplusprojecten.

• Intelligente en duurzame wijken

Het programma ID-wijk is eind 2000 gestart en in 2003 afgerond. Er is een onderzoek uitgevoerd onder 9 ID-wijken en 10 potentiële ID-wijken om de stand van zaken op een rij te zetten, de succesfactoren te identificeren en de kansrijke toepassingen te bepalen. Het project ID-wijk is afgesloten met een handreiking om praktische richtlijnen te bieden en suggesties te geven voor het opzetten en beheren van locatiegerichte websites zoals die van buurten, wijken en dorpen

• Wijkgebonden leefbaarheidsbudgetten

In 2000 is samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gestart met het stimuleringsprogramma Wijkgebonden Leefbaarheidsbudgetten. In dit programma is via een aantal pilots geëxperimenteerd met het Wijkgebonden Leefbaarheidsbudget. Het doel hiervan is het vergroten en versterken van de betrokkenheid van actoren, in de wijk waaronder de bewoners. Het programma is in 2003 afgesloten. In opdracht van de SEV zijn de pilots geëvalueerd. Begin 2004 zijn de resultaten van dit evaluatieonderzoek gepubliceerd.

• Contextgebonden architectuur

De ambitie tot regiospecifieke architectuur richt zich op cultuurhistorie, landschappelijke elementen, hedendaagse plaatsgebonden behoeften en mentaliteit. Om de kansen en mogelijkheden van regiospecifieke architectuur te onderzoeken hebben de SEV, VROM en het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SFA) een project opgezet. Dit resulteerde in een publicatie met beschouwingen van deskundigen en inspirerende ideeën en ontwerpen voor zes locaties.

• Duurzaam bouwen (en de consument)

Aan de hand van tien voorbeeldprojecten is inzichtelijk gemaakt dat architecten reeds tijdens het ontwerpproces kunnen bepalen hoe, wanneer en in welke mate voor duurzame oplossingen en milieuprestaties wordt gekozen. Het in 2003 verschenen Variantenboek bevat een methode waarmee op overzichtelijke wijze de milieubelasting van een ontwerp kan worden berekend.

• Allergeenarme woningen

In Barendrecht zijn veertig allergeenarme woningen gebouwd. Hiermee zijn de eerste ervaringen met allergeenarm bouwen in Nederland opgedaan. Het project «allergeenarme woningen» is een initiatief van de GGD Rotterdam en omstreken. De SEV heeft zorggedragen voor de evaluatie van het realisatieproces.

SEV: Start nieuwe projecten en programma's:• Informatiecentrum eigen bouw (ICEB)

In 2003 is met medewerking van de SEV het Informatiecentrum eigen bouw (ICEB) opgericht, een samenwerkingsverband tussen de Vereniging Eigen Huis, Architectuur Lokaal en de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), ondersteund door het ministerie van VROM. Elk van deze drie organisaties heeft bijzondere kennis en expertise op het gebied van particulier opdrachtgeverschap en zal de komende jaren activiteiten voor particulieren of professionals organiseren. Daarnaast verzorgt het Bouwcentrum Expo de kaveldatabank.

• «Wat beweegt de Woningmarkt»

De aftrap voor het programma «Wat beweegt de Woningmarkt» is gegeven tijdens een landelijke manifestatie op 24 september 2003. Dit programma heeft als doel samen met partners een creatief platform voor experimenten tot stand te brengen.

• «Ruimzicht»

Met het programma «Ruimzicht» wil de SEV verkennen op welke manier het wonen en een verbrede agrarische bedrijvigheid kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het landelijk gebied. Doel is het behoud en de versterking van cultuurhistorie, nieuwe natuur, ecologische verbindingen en waterberging en tegelijkertijd toegankelijk maken van afgeschermd landschap.

• Vraagsturing en cliëntparticipatie

In het project «Vraagsturing en cliëntparticipatie» dat samen met IWZ/VEBO gestalte zal krijgen wil de SEV experimenten ondersteunen voor de onderlinge afstemming van het beleid op het gebied van wonen, zorg en welzijn met inbegrip van de afstemming van woningtoewijzing en zorgindicatie.

NETHUR:

In 2003 zijn de thema's, waar Nethur-onderzoekers op konden inschrijven met onderzoeksprojecten, dezelfde gebleven ten opzichte van 2002. Het betreft:

1. Maakbaarheid en flexibiliteit in het wonen;

2. Betaalbaarheid en toegankelijkheid van de woningmarkt;

3. Vergrijzing en woningmarkt;

4. Zeggenschap en besluitvorming over de woonomgeving;

5. SEV: Start nieuwe projecten en programma's;

6. Culturele identiteit van het wonen.

In totaal zijn 3 onderzoeksprojecten toegekend, te weten:

1. Dr. M. E. A. Haffner: Appel voor de dorst? Vermogen van ouderen op de woningmarkt;

2. Drs. P. Neuteboom e.a.: Korte en lange termijn evenwicht op de woningmarkt;

3. Prof. Dr. C. H. Mulder: Ouderen, zorg, familienetwerk en woningmarktgedrag.

In 2003 zijn 3 onderzoeksprojecten uit de voorgaande periode afgerond, nl.:

1. Drs. A. van Diepen e.a.: De woningvraag in de vraaggestuurde markt;

2. Drs. S. Dormans e.a.: De verbeelding van de stad;

3. Prof. Dr. G. de Kam e.a.: Een hele opgave, over sociale cohesie als motief bij stedelijke herstructurering.

1.3 Groeiparagraaf

 Realisatie
Vijfde Nota 
Afronding monitoringssysteemNee
Uitvoeren nulmetingNee
Omwerken nulmeting naar indicatoren en streefwaardenNee
Verwerken indicatoren en streefwaarden in begroting 2004Nee
Uitvoeringsprogramma Vijfde Nota 
Afspraken maken met LNV en V&W over de verantwoordelijkheidsverdeling m.b.t onderwerpen uit de Vijfde NotaNee

Toelichting:

• Vijfde Nota

De afgelopen periode zijn er een aantal ontwikkelingen geweest die van invloed zijn op de verantwoording over het VROM-beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Zo is de PKB Vijfde Nota niet vastgesteld door de Staten-Generaal maar aangepast aan het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkende I

In verband met de bovengeschetste onzekerheid over het uiteindelijke beleid is het monitoringssysteem niet afgerond en was het niet zinvol om in 2003 een nulmeting uit te voeren als referentie voor de voortgangsbeschrijving ten aanzien van de beleidsdoelen van de ruimtelijke ordening de komende jaren. Bij vaststelling van de PKB Nota Ruimte in 2004 zal VROM in 2004 ten behoeve van de begroting en verantwoording, een systeem van monitoring en evaluatie ontwikkelen gebaseerd op de beleidsdoelen die in de nota zullen staan verwoord. Dit systeem zal zich primair richten op het doelbereik, de inspanningen van VROM en de doorwerking daarvan bij andere overheden.

• Uitvoeringsprogramma Vijfde Nota

Door de val van het kabinet is ook het uitvoeringsprogramma in 2003 niet van de grond gekomen. Daarom zijn er geen afspraken gemaakt met LNV en V&W over de verantwoordelijkheidsverdeling met betrekking tot de onderwerpen uit de Vijfde Nota.

1.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-3.gif

Toelichting:

Het verschil tussen de oorspronkelijke begrote programma-uitgaven en de realisatie is met name verklaarbaar uit de operationele doelen (zie deel C. Jaarrekening: toelichting beleidsartikel 01):

1. Strategische beleidsontwikkeling en dan met name het instrument Nationaal initiatief voor duurzame ontwikkeling. Bij zowel de eerste als de tweede suppletore begroting vond een verhoging plaats van resp. € 3 302 mln en € 1 200 mln.

2. Monitoring en kennisontwikkeling en dan met name het instrument Bijdrage RIVM. Bij de suppletore begrotingen vond een budgetverhoging naar €41 373 mln. Bedoelde verhoging is gerelateerd aan het Meerjaren Activiteiten Programma.

Artikel 02. Betaalbaarheid van het wonen

2.1 Algemene doelstelling

VROM faciliteert binnen maatschappelijke randvoorwaarden een vrije betaalbare woonkeuze voor alle burgers in zowel de huur- als de koopsector. Voor mensen die op grond van hun inkomen onvoldoende in staat zijn om zelf in hun vrije woonkeuze te voorzien, draagt de overheid zorg voor een betaalbare woning die voorziet in hun maatschappelijk gerechtvaardigde vraag. Om deze doelstelling te bereiken wordt deze uitgewerkt in drie operationele doelstellingen:

2.2.1 Betaalbare woonkeuze huren, waarbij rekening wordt gehouden met het verminderen c.q. tegengaan van de armoedeval;

2.2.2 Betaalbare woonkeuze kopen;

2.2.3 Versterking van de positie van de burger bij huur en koop.

Het doelbereik 2003

Op basis van de informatie per operationeel doel kan worden geconcludeerd dat de positie van huurders is verbeterd. In de koopsector is de zeggenschap van de eigenaar bewoners versterkt en zijn de vermogensrisico's voor de burgers verkleind. De bevordering van het eigenwoningbezit heeft de hoge koopprijzen tegen gekregen.

2.2 Operationele doelstellingen

2.2.1. Operationele doelstelling «Betaalbare woonkeuze huren»

De meeste mensen zijn goed in staat zelf voor huisvesting zorg te dragen. Echter, een deel heeft daartoe nog altijd minder goede mogelijkheden. Als een probleemloze en evenwichtige verhouding tussen huurders en verhuurders niet vanzelfsprekend in de markt tot stand komt, kan de overheid onder voorwaarden nadere regels hanteren (consumentenbescherming en versterking zeggenschap). Ook worden er door de overheid mogelijkheden gecreëerd om kwalitatief goede betaalbare huurwoningen voor huishoudens met lagere inkomens toegankelijk te maken. De instrumenten die daarvoor worden gehanteerd zijn:

2.2.1.1 Huurwetgeving;

2.2.1.2 Huur(prijs)beleid;

2.2.1.3 Huurgeschillenbeslechting;

2.2.1.4 Woonruimteverdeling;

2.2.1.5 Huursubsidie(wet).

Het doelbereik 2003

In 2003 is door middel van het instrumentarium de betaalbaarheid van het huren door de huursubsidie en het inflatievolgende huurbeleid op peil gebleven. Ook is de positie van de huurders versterkt en is de zeggenschap over zijn woning vergroot met de inwerkingtreding van het nieuwe huurrecht per 1 augustus 2003. Voor de bijzondere groepen als studenten is een aanzet gegeven tot het oplossen van schaarste aan woonruimte. Wat betreft de geschillenbeslechting zijn verbeteringen bewerkstelligd maar zijn nog niet alle toezeggingen nagekomen. De uitvoering van de huursubsidie heeft in 2003 een verdere professionalisering ondergaan waar de huursubsidieontvanger de nodige voordelen van heeft ondervonden.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
2.2.1.1 Huurwetgeving 
Herziening boek 7.4 BW en uitvoeringswet huurprijzen woonruimteJa
Besluitvorming over ontwikkeling wetgeving initiatiefrecht huurdersJa
Monitor gemeenten en corporaties m.b.t. studentenhuisvestingJa
Uitvoeren onderzoek naar vraag & aanbod en tekorten van studentenhuisvestingJa
Opzet van vervolg pilot Utrecht in drie studentenstedenJa
  
2.2.1.2 Huurprijsbeleid 
Uitbrengen van de huurbrief en van de huur MGJa
Nieuw stelsel referentiehuren en meerjarige prijsafsprakenNee
  
2.2.1.3 Huurgeschillen 
Uitbrengen visie over toekomst beslechting huurgeschillenNee
22000 toetsingen door VROM van de huurprijs bij nieuwe huursubsidieaanvragenNee
Terugbrengen doorlooptijd van 70% van de huurgeschillen naar maximaal 4 maandenZie toelichting
Verbeteren bereikbaarheid: bij 90% van de telefonische oproepen waarbij de klant niet kiest voor een automatisch antwoord maar kiest voor persoonlijk contact, komt dit contact tot stand.Ja
Professionalisering voorlichting: 80% van de vragen direct beantwoordJa
Nulmeting van maatschappelijk rendement huurcommissiesJa
Nulmeting in welke mate zijn de huurcommissies en haar taken bekend onder huurders en verhuurdersNee
  
2.2.1.4 Woonruimteverdeling 
Verslag Huisvestingswet aan Tweede KamerNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

2.2.1.1 Huurwetgeving

• Herziening boek 7.4 BW en initiatiefrecht huurders

Op 1 augustus 2003 is titel 7.4 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte in werking getreden. Aanvankelijk was beoogd 1 januari 2003 maar invoering is vertraagd vanwege een aanpassing die samenhing met het tegengaan van illegale onderhuur. De positie van de huurder is ten opzichte van de verhuurder verbeterd. Door het gewijzigde huurrecht heeft de huurder vanaf 1 augustus 2003 meer mogelijkheden gekregen om zijn woonsituatie te verbeteren. Hij mag bijvoorbeeld zelf verbeteringen in zijn huis aanbrengen (de zogenaamde zelf aangebrachte voorzieningen), of op kosten van de verhuurder gebreken verhelpen. Het nieuwe huurrecht geldt niet alleen voor nieuwe, maar ook voor alle bestaande huurovereenkomsten. Het landelijk overleg Huurders Verhuurders (LOHV) is gevraagd om met voorstellen inzake het initiatiefrecht te komen. Het LOHV heeft hier geen voorstellen ontwikkeld en ook VROM ziet geen aanleiding om zelf met een uitwerking te komen.

• Studenten

In 2003 is een plan van aanpak over studentenhuisvesting aan de Tweede Kamer gezonden (TK 29 299 XI, nr. 19). Het gaat hierbij om de vergroting van het woonruimteaanbod en het stimuleren van de doorstroming. Kern van de aanpak vormt het creëren van een scherp beeld op lokaal niveau over de opgave. Dit moet resulteren in daadwerkelijke afspraken op lokaal niveau over vergroting van het aanbod en het stimuleren van de doorstroming. Ondersteunende maatregelen daarbij zijn een wijziging van de Leegstandwet waardoor het mogelijk wordt om een woning in afwachting van sloop tot maximaal 5 jaar tijdelijk te verhuren en een wetsvoorstel dat tijdelijke huurcontracten voor studenten mogelijk maakt. Om de huisvesting van studenten te bevorderen zijn corporaties op hun verantwoordelijkheid aangesproken.

• Pilots Studentenhuisvesting

Als vervolg op de pilot in de gemeente Utrecht die in 2002 is afgerond zijn in het voorjaar van 2003 3 pilots studentenhuisvesting van start gegaan in de steden Groningen, Haarlem en Tilburg. De geselecteerde steden zijn alle op eigen wijze, in meer of mindere mate, actief om de huisvesting van studenten te bevorderen. In een drietal bijeenkomsten (per stad) heeft VROM samen met de betrokken lokale partijen geprobeerd inzicht te krijgen in de woningmarkt voor studenten en mogelijkheden te onderzoeken ter vergroting van het aanbod. De opgedane ervaringen in de pilotsteden zullen input gaan leveren voor een Congres Studentenhuisvesting dat medio 2004 plaats zal gaan vinden.

• Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA)

In veel studentensteden zijn investeringsplannen ontwikkeld om het tekort aan studentenhuisvesting te verminderen. Om in de behoefte op korte termijn te voorzien, is bevorderd dat studentenhuisvesters gebruik gaan maken van de voormalige asielzoekerscentra van het COA.

Door tussenkomst van VROM levert het COA voormalige asielzoekerscentra-eenheden aan Kences (de overkoepelende organisatie van studentenhuisvesters). Kences zal deze verplaatsbare eenheden geheel inzetten voor de huisvesting van studenten. In 2003 heeft VROM hiertoe richting studentenhuisvesters een financiële bijdrage aangekondigd die in 2004 en 2005 zal worden toegekend.

2.2.1.2 Huur(prijs)beleid

• Uitbrengen huurbrief en meerjarige prijsafspraken.

In het voorjaar van 2003 heeft de Commissie Huurbeleid getracht voorstellen te doen om invulling te geven aan het huurbeleid vanaf 1 juli 2005. De voornemens voor dit beleid waren vastgelegd in de huurbrief van 14 september 2001. Gebleken is dat in de commissie geen overeenstemming kon worden bereikt over het huurbeleid op lange termijn. Daarop zijn in november 2003 voorstellen aan de Tweede Kamer gezonden over de contouren van het huurbeleid voor de lange termijn [Kamerstukken II 2003/04, 27 926 nr. 14]. Centraal daarbij staat het functioneren van de woningmarkt en de betaalbaarheid van het wonen. In het voorjaar 2004 zullen uitgewerkte voorstellen aan de Tweede Kamer worden gepresenteerd.

2.2.1.3 Huurgeschillenbeslechting

• Uitbrengen visie over toekomst beslechting huurgeschillen

Deze prestatie richtte zich op het ontwikkelen van een visie over de toekomst van de huurcommissies, waarbij uitgegaan werd van de huidige structuur. In de loop van 2003 is echter een bredere heroriëntatie op de positionering van de huurgeschillenbeslechting in gang gezet. De beoogde uitkomst hiervan is het op afstand van het Rijk plaatsen van de geschillenbeslechting. In het licht van deze bredere heroriëntatie is de ontwikkeling van een visie voor de huurcommissies binnen de huidige structuur gestopt. De bredere heroriëntatie zal pas in het voorjaar van 2004 worden uitgebracht. Er is voor gekozen om over de verschillende richtingen die in deze verkenning aan de orde zullen komen en de daaruit voortvloeiende gevolgen eerst zorgvuldig overleg te voeren met de betrokken organisaties.

• Afhandeling van 22000 haalplichtzaken

Het uitgangspunt was dat er in 2003 circa 22000 haalplichtverklaringen zouden worden gevraagd en afgegeven. Er werd echter al rekening gehouden met 5 000 tot 10 000 aanvragen meer die moesten worden afgehandeld in 2003. Er zijn in 2003 ongeveer 26 680 haalplichtverklaringen aangevraagd. Het aantal afgehandelde aanvragen bedraagt 14 208. Deze productie betreft voornamelijk aanvragen die in 2002 zijn ontvangen. Om deze achterstand in productie structureel op te lossen, is geëxperimenteerd met een andere behandelwijze van deze aanvragen. Als deze behandelwijze voldoet, zal een belangrijke versnelling in de afhandeling van deze aanvragen kunnen worden gerealiseerd.

• Terugbrengen doorlooptijd van 70% van de huurgeschillen naar maximaal 4 maanden.

Dit voornemen is nader ingevuld door middel van een toezegging aan de Tweede Kamer op 9 april 2003. De toezegging houdt in dat:

1. In de loop van 2003 de wettelijke termijn van nieuwe zaken wordt gehaald;

2. De oude zaken begin 2004 zullen zijn weggewerkt.

Op basis van deze toezegging worden zaken die na 31 juli 2003 zijn ontvangen en onder de nieuwe wetgeving vallen zo veel mogelijk afgedaan binnen de wettelijke termijn. Omdat deze termijn begint na het verstrijken van de termijn voor legesbetaling, kunnen de eerste resultaten hiervan begin 2004 worden gemeten. Met de nieuwe wetgeving per 1 augustus 2003 is ook een wettelijke termijn van vier weken geïntroduceerd voor het doen van een voorzittersuitspraak. Bijna 60% van de zaken die dit betreft is in 2003 binnen deze termijn afgedaan. De afdoening van zaken die onder de nieuwe wetgeving vallen heeft een hogere prioriteit gekregen dan het afdoen van de oude zaken. Dit is het gevolg van een gewijzigde prioriteitsstelling binnen het ministerie, mede als gevolg van het Hoofdlijnenakkoord. Hierdoor is in 2003 een beperkt deel van de oude zaken afgedaan.

• Verbeteren telefonische bereikbaarheid huurcommissies

Doelstelling was om bij minimaal 90% van de klanten die kiezen voor persoonlijk telefonisch contact, dit contact ook werkelijk te laten plaatsvinden. Deze doelstelling is gerealiseerd en bovendien komt dit contact ruim binnen de normtijd tot stand.

• Professionalisering voorlichting

De hieraan verbonden doelstelling was dat minimaal 80% van de vragen direct door het secretariaat van de huurcommissies kon worden beantwoord. Deze doelstelling is gerealiseerd.

• Nulmetingen «maatschappelijk rendement» en «bekendheid met taken huurcommissies»

In 2003 is een breed opgezet onderzoek uitgevoerd naar het maatschappelijk rendement van de huurcommissies en de bekendheid van de huurcommissies en hun taken, in combinatie met een aantal onderzoeksvragen die voortkomen uit kamervragen. Er is onderzoek gedaan naar het effect van huurgeschillenbeslechting op concreet gedrag van verhuurders ten aanzien van de woning die het betreft en ten aanzien van andere soortgelijke woningen. Verder is onderzocht in hoeverre verhuurders rekening houden met uitspraken van Huurcommissies bij het vaststellen van algemeen beleid. Conform het verzoek van de Tweede Kamer zullen de onderzoeksresultaten aan de Kamer worden aangeboden in het kader van het huurbeleid voor de lange termijn in de eerste helft van 2004. Samen met het onderzoek naar het maatschappelijk rendement is een meting verricht naar de mate waarin verhuurders rekening houden met uitspraken van Huurcommissies bij het vaststellen van algemeen beleid.

2.2.1.4 Woonruimteverdeling

• Verslag Huisvestingswet aan Tweede Kamer

Als gevolg van het belang van de discussie over segregatie en differentiatie van wijken heeft het verslag van de Huisvestingswet vertraging opgelopen en zal nu begin 2004 naar de Tweede Kamer worden gezonden. Hierbij zal ook een brief met beleidsmatige consequenties worden gezonden. De uitvoering van de in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigde mogelijkheid voor gemeenten om in het landelijk gebied om te mogen bouwen voor de eigen bevolkingsaanwas zal, voor zover dat invloed heeft op de Huisvestingswet, hierbij aan de orde komen.

• Onrechtmatige bewoning

In 2003 is de monitor onrechtmatige bewoning afgerond. Hiermee is inzicht ontstaan in de mate waarin gemeenten onrechtmatige bewoning aanpakken. In de 4 grote gemeenten lopen verschillende projecten. Veel kleine gemeenten hebben nog geen beleidsaanpak ontwikkeld. In 2004 krijgt dit een vervolg door met verschillende gemeenten de te volgen aanpak te bespreken.

2.2.1.5 Huursubsidiewet

De Huursubsidiewet heeft als voornaamste doel om mensen met lagere inkomens te voorzien van goede en betaalbare huisvesting.

De drie pijlers uit de Huursubsidiewet zijn:

2.2.1.5.1 Betaalbare huurlasten;

2.2.1.5.2 Medeverantwoordelijkheid verhuurders;

2.2.1.5.3 Vereenvoudiging regelgeving en uitvoering.

2.2.1.5.1 Betaalbare huurlasten

De ontwikkeling index van het netto inkomen na kale huurlasten (ninki) zegt iets over het aantal euro's dat een huishouden met huursubsidie van de netto-inkomensverbetering overhoudt na aftrek van de huurlasten en bijtelling van de huursubsidiebijdrage. Kale huurlasten zijn de huurlasten verminderde met de huursubsidiebijdrage.

De netto-huurquote is dat deel van het netto-inkomen dat wordt besteed aan huurlasten verminderd met de huursubsidiebijdrage.

Voor subsidiejaar 2002/2003 is het rekeninkomen van 2001 bepalend. Daarmee heeft de huursubsidie te maken gehad met de effecten van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er kon niet zonder ongewenste effecten op de hoogte van de huursubsidiebijdrage worden overgegaan van het belastbaar inkomen naar verzamelinkomen. Hiervoor is een correctie op het verzamelinkomen gebruikt. Het begrip gecorrigeerde verzamelinkomen onder de Wet inkomstenbelasting 2001 is een zo goed mogelijke benadering van het belastbaar inkomen onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Bij de bepaling van beide indicatoren wordt een schatting gemaakt van het netto-inkomen op basis van het rekeninkomen, dat bepalend is voor de hoogte van de huursubsidiebijdrage. De relatie tussen belastbaar inkomen en netto-inkomen onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is anders dan de relatie tussen gecorrigeerd verzamelinkomen en netto-inkomen onder de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor de berekening van het netto-inkomen is een technische correctie toegepast. Hierdoor is de vergelijkbaarheid tussen jaren niet meer exact hetzelfde.

Tabel 2.1 Ninki voor categorieën huursubsidie-ontvangers
 1999/20002000/20012001/20022002/2003
Alleenstaanden 65-105,4109,1112,8121,7
Meerpersoons 65-106,2109,6113,2123,1
Alleenstaanden 65+108,4111,6114,7120,8
Meerpersoons 65+107,9111,3114,5119,6
 106,6110,0113,6121,4

Bron: Huursubsidiebestanden DGW/IBS, diverse subsidiejaren

De ninki laat een sterke verbetering van de nominale inkomens na kale huurlasten zien voor huishoudens met huursubsidie. Het streven om de ninki gelijk te laten zijn aan de ninki in huursubsidiejaar 2000/2001 en in ieder geval niet lager dan de ninki in 1999/2000 is succesvol geweest.

Gemiddeld hadden de huishoudens met huursubsidie een geschatte netto-inkomensverbetering van € 712. De huurlasten op jaarbasis zijn gemiddeld € 136 gestegen en de gemiddelde huursubsidiebijdrage op jaarbasis is gestegen met € 30, zodat de nominale inkomens na kale huurlasten een verbetering laten zien van gemiddeld € 606.

Alle categorieën laten een stijging van de ninki zien. Daarin is de toename van het netto-inkomen een belangrijke factor. Bij de ouderenhuishoudens is tevens de stijging van de gemiddelde huursubsidiebijdrage als gevolg van een stijging van het aantal huishoudens met een minimuminkomen opvallend. Deze daling wordt met name toegeschreven aan de verruiming van de mogelijkheid van aftrek van bijzondere kosten terzake ouderdom. Hierdoor daalt het rekeninkomen voor de bepaling van de huursubsidiebijdrage.

Bij de meerpersoonshuishouden tot 65 jaar is opvallend dat de gemiddelde huursubsidiebijdrage is gedaald. Dit is vanwege het afschaffen van de kindertoeslag. De kindertoeslag is fiscaal gecompenseerd. De compensatie komt tot uitdrukking in het geschatte netto-inkomen.

De netto-huurquote is verbeterd. Een kleiner deel van het geschatte netto-inkomen wordt uitgegeven aan kale huurlasten. Het beeld voor de meerpersoonshuishouden tot 65 jaar is afwijkend. Dit is met name toe te schrijven aan het afschaffen en fiscaal compenseren van de kindertoeslag. Het bedrag dat daarmee was gemoeid was ca € 130 op jaarbasis.

Tabel 2.2 Netto-huurquote voor categorieën huursubsidie-ontvangers
 1999/20002000/20012001/20022002/2003
Alleenstaanden 65-25,9%25,6%25,7%24,8%
Meerpersoons 65-18,4%18,2%18,3%18,3%
Alleenstaanden 65+23,1%22,9%22,9%22,4%
Meerpersoons 65+19,3%19,1%18,7%18,2%
 21,8%21,6%21,6%21,2%

Bron: Huursubsidiebestanden DGW/IBS, diverse subsidiejaren

Beperking armoedeval

Met het kengetal huursubsidiedruk, zoals voor het eerst opgenomen in de Ontwerpbegroting 2003, wordt inzichtelijk gemaakt hoe jaarlijkse aanpassingen van de Huursubsidiewet effect hebben op de inkomensverbetering van huishoudens met huursubsidie.

Daarbij wordt, van gestandaardiseerde situaties middels cases voor alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens (tot 65 jaar) met huursubsidie, berekend welk deel van de netto inkomensverbetering door toetreding op de arbeidsmarkt teniet wordt gedaan door verlies aan huursubsidie.

De parameters van de huursubsidie waren op het moment van schrijven van de begroting 2003 reeds vastgesteld en zijn daarna niet meer gewijzigd. In de Ontwerpbegroting 2004 is de huursubsidiedruk voor het tijdvak 2003/2004 aan de reeks toegevoegd.

De huursubsidiedruk is niet op basis van realisatiecijfers herberekend. Derhalve komen de percentages overeen met de in de Ontwerpbegroting 2003 opgenomen percentages.

Tabel 2.3 Uitvoering van de huursubsidie
 RealisatieBegroting
Huursubsidie2002/20032002/2003
 (CR 34)(CR 34)
Aantal positieve beschikkingen1 009 589973 000
Gemiddelde bijdrage1 5951 510

Toelichting:

Het aantal positieve beschikkingen bij de huursubsidie is ten opzichte van de begroting toegenomen.

Mogelijke oorzaken van het hogere aantal kunnen zijn:

– hogere instroom van eerste aanvragen; en

– verandering van peildatum huishouden Huursubsidiewet.

Per 1 juli 2002 is de peildatum van het huishouden vervallen voor het tijdvak 2002–2003. Hierdoor komen huishoudens waarvan het inkomen zodanig daalt, door verandering van de huishoudsamenstelling gedurende het tijdvak, niet meer in aanmerking voor de Vangnetregeling maar voor de reguliere huursubsidie. Het aantal huishoudens met huursubsidie stijgt hierdoor met ca. 5 000 tot 10 000.

Opgemerkt wordt dat het aantal positieve beschikkingen lager zou zijn geweest als rekening was gehouden met later afgegeven nihilbeschikkingen. Dit is echter om administratief technische redenen niet mogelijk.

De hogere gemiddelde bijdrage in de kolom realisatie is een gegeven vanuit de administratie. Dit betreft een gemiddelde bijdrage uitsluitend gebaseerd op aantallen initiële toekenningen, exclusief later doorgevoerde verlagingen. In de administratie kunnen de bedragen voor verlagingen, intrekkingen niet gekoppeld worden aan aantallen en derhalve gemiddelde toekenningen.

Bij het opstellen van de ramingen wordt wel uitgegaan van aantallen verlagingen en intrekkingen (terugvorderingen).

2.2.1.5.2 Medeverantwoordelijkheid verhuurders

De medeverantwoordelijkheid van gemeenten voor de omvang van de huursubsidie-uitgaven is vormgegeven met de prestatienormering c.q. de verhuisnorm. De verhuisnorm bepaalt dat per gemeente hoogstens vier procent van de in een tijdvak gedane huursubsidietoekenningen als gevolg van verhuizingen betrekking heeft op woningen met een huur boven de aftoppingsgrens. Met betrekking tot de verhuisnorm is aan negentien gemeenten voor een totaalbedrag van € 97 650 een bijdrage opgelegd, omdat zij de landelijke norm van vier procent in hun gemeente hebben overschreden. Van deze negentien gemeenten hebben twee gemeenten een bezwaarschrift ingediend. Eén bezwaarschrift is ongegrond verklaard en een bezwaarschrift is gedeeltelijk gegrond verklaard. Bovendien is er door één gemeente verzocht om ambtshalve herziening. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Oorspronkelijk kende de prestatienormering ook een op de verhuurders gerichte uitgavennorm met betrekking tot de bijdrageontwikkeling. Deze uitgavennorm wordt na de uitspraak van de Raad van State in november 2002 niet meer door VROM uitgevoerd en zal uit de Huursubsidiewet worden verwijderd. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State is aan 235 verhuurders de opgelegde boete die betrekking heeft op huursubsidiejaar 1998/1999 terugbetaald. In totaal is € 7,8 mln terugbetaald. Deze verhuurders hebben ook een wettelijke rentevergoeding uitbetaald gekregen van € 1,4 mln. In 2003 zijn, in afwachting van de ontwikkeling rondom de modernisering van het huurbeleid geen voorstellen gedaan voor aanpassing en aanscherping op het terrein van de bijdrageontwikkeling.

2.2.1.5.3 Vereenvoudiging regelgeving

Tot en met het subsidiejaar 2002/2003 gold voor jongeren tot 23 jaar dat het recht op huursubsidie in twee jaar werd afgebouwd als zij de maximale huurgrens voor jongeren overschreden. Per subsidiejaar 2003/2004 is de afbouw van subsidie bij overschrijding van de maximale huurgrens voor jongeren tot 23 jaar afgeschaft. Voor continuanten tot 23 jaar geldt nu dat het recht op huursubsidie (tot de maximale huurgrens voor jongeren) volledig behouden blijft.

Algemene Wet Inkomensafhankelijke regelingen

Gestart is met de voorbereiding van de overgang van de uitvoering van de huursubsidieregeling per 1 januari 2006, of eerder indien zinvol, naar een aan de Belastingdienst gelieerde instelling. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is in de maak. Behalve de huursubsidie zullen ook de eigen bijdrageregelingen rechtsbijstand, intramurale zorg en thuiszorg, de kinderopvangregeling, de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, de studiefinanciering en de zorgtoeslag vallen onder de Awir. In deze wet worden overeenkomstige begrippen en procedures van verschillende regelingen geharmoniseerd. Dit levert naast efficiëntievoordelen bij de uitvoering van de regelingen ook voordelen voor de burger die te maken zal krijgen met eenduidige begrippen en procedures. Om maximale doelmatigheidswinst te realiseren zal in het afzonderlijk juridisch kader (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) belangrijke algemeen gehanteerde definities en begrippen, en een aantal algemene zaken die van belang zijn voor inkomensafhankelijke regelingen worden vastgelegd. Ook worden administratieve procedures, zoals de aanvraagprocedure, zoveel mogelijk geharmoniseerd.

Uitvoering

Na de ernstige problemen die zich in de zomer van 2002 bij de uitvoering van de huursubsidie hebben voorgedaan, is een groot aantal maatregelen genomen om ten eerste de knelpunten van het subsidiejaar 2002–2003 zo spoedig mogelijk op te lossen en ten tweede te voorkomen dat bij de uitvoering van het subsidiejaar 2003–2004 deze situatie zich opnieuw zou voordoen. De Tweede Kamer is via vier voortgangsrapportages geïnformeerd over de maatregelen en de effecten ervan. Mede door deze maatregelen is het tijdvak 2003/2004 goed van start gegaan. Huishoudens zijn op tijd op de hoogte gesteld van de hoogte van de subsidiebijdrage en vervolgens is deze op tijd betaald. Ook de telefonische bereikbaarheid van het ministerie is vergroot. Huishoudens met vragen over huursubsidie in het algemeen en over afhandeling van hun aanvraag in het bijzonder kunnen terecht op internet, bij een gratis 0800-informatienummer (via een voice-responce) dan wel een 0900-nummer (waar men een telefonist aan de lijn krijgt) of bij een van de inmiddels circa 600 Huursubsidie InformatiePunten.

Geconcludeerd kan worden dat met de ingang van coderegeling 35 (tijdvak 2003/2004) de vierjarige EOS-operatie tot een goede afronding is gekomen. De modernisering van de uitvoering is een feit. De EOS-operatie van aanloop tot afronding wordt geëvalueerd en daarvan zal verslag worden gedaan in het jaarverslag van de Huursubsidiewet over het tijdvak 2002/2003.

Huursubsidie InformatiePunten (HIP's)

Het aantal Huursubsidie InformatiePunten is in 2003 fors toegenomen. Daar waar er op 1 juli 2002 nog sprake was van een pilot op 6 lokaties waren er eind 2002 38 HIP's operationeel. Eind 2003 zijn dat er inmiddels een bijna 600. Aan de toezegging aan de Tweede Kamer dat er op 1 juli 2003 tenminste 300 Huursubsidie InformatiePunten operationeel zouden zijn, is dus ruimschoots voldaan.

Tabel 2.4: Aantallen en kosten beschikte aanvragen
 Realisatie   BegrotingVerschil
 200020012002200320032003
Kosten (in EUR1mln)      
Apparaatskosten VROM:37,641,039,650,334,715,6
Kostenvergoeding verhuurders17,215,25,50,4 0,4
Declaratiekosten Gemeenten Vangnetregeling17,316,46,18,77,61,1
Totaal kosten72,172,651,259,442,317,1
       
Aantal beschikte aanvragen      
aantal beschikkingen huursubsidie1 054 5771 263 7971 331 4281 195 701969 000226 701
aantal beschikkingen vangnet42 83440 55034 35639 29041 4122 122
aantal beschikkingen GEW472114n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.
aantal beschikkingen BEWn.v.t.3662022028 8008 598
       
Totaal aantal aanvragen1 097 8831 304 8271 365 9861 235 1931 019 212215 981
Kosten per aanvraag (in EUR1)66563848426

Bron: In de aantallen (realisatie 2003) zitten ook «nihiltoekenningen», te weten 159 492 bij huursubsidie, 10 582 bij vangnet en 33 BEW begrepen.

Toelichting:

De overschrijding van het budget bij de apparaatskosten van VROM is voornamelijk het gevolg van de extra uitgaven voor het pakket van maatregelen, «Uitweg» genaamd, die herhaling van de problemen bij de uitvoering van de huursubsidie van de zomer van 2002 in 2003 moesten voorkomen. De belangrijkste maatregelen waren het uitbreiden van de capaciteit van het callcenter en het doorvoeren van systeemtechnische aanpassingen ter verbetering van de gegevensuitwisseling met de zogeheten primaire bronnen (Belastingdienst, GBA en de verhuurders). Verder zijn er extra tijdelijke krachten in dienst genomen voor de hogere instroom van eerste aanvragen.

Voor bovengenoemde aanpassingen is het budget zowel met 1e als 2e suppletore begroting verhoogd.

Ten aanzien van de kostenvergoeding verhuurders was ten tijde van het opstellen van de begroting 2003 de verwachting dat geen budget meer benodigd was in 2003. Met het herstellen van een geconstateerde systeemfout bleek echter alsnog eenmalig een gering budget van € 0,4 miljoen nodig te zijn.

De realisatie van de uitvoeringskosten van de gemeenten voor de Vangnetregeling is hoger dan geraamd o.a. als gevolg van de eindafrekeningen op oude coderegelingen.

2.2.2. Operationele doelstelling «Betaalbare woonkeuze kopen»

Van alle bewoners hebben eigenaar-bewoners de meeste zeggenschap over en verantwoordelijkheid voor de woning. Het beleid is gericht op verdere groei van het eigenwoningbezit, het verbeteren van de keuzevrijheid en het invulling geven aan het sociale koopbeleid.

Om dit te realiseren staan de volgende instrumenten ter beschikking:

2.2.2.1 Verkoop van huurwoningen

2.2.2.2 Nationale Hypotheek Garantie

2.2.2.3 De Wet bevordering eigenwoningbezit

Het doelbereik 2003

2003 heeft een forse stijging van het aantal NHG toekenningen laten zien, waarmee het vermogensrisico voor een grotere groep burgers is beperkt en de stabiliteit van de woning- en hypothekenmarkt is versterkt. De bevordering van het eigenwoningbezit door middel van de Wet Bevordering EigenWoningbezit is niet van de grond gekomen. Mede daarom is in het kader van de herijking regelgeving voorgesteld de Wet BEW af te schaffen.

2.2.2.1 Verkoop van huurwoningen

In de Nota Mensen, Wensen, Wonen is de ambitie opgenomen om te komen tot circa 65% eigen woningbezit in 2010, voor zover burgers dat wensen. Het gaat daarbij niet alleen om nieuwbouw, maar vooral om verkoop van huurwoningen.

In de brief van 30 september 2003 aan de Tweede Kamer is aangegeven dat de verstedelijkingsafspraken kunnen worden omgezet in woningbouwafspraken; het onderwerp «verkoop huurwoningen» is daarvan geen onderdeel. Sturing hierop vindt plaats via het in 2003 opgestelde beleidskader ISV 2. In de Meerjaren Ontwikkelings Programma's (MOP's), die de gemeenten in het kader van ISV 2 opstellen, is een betere balans tussen vraag en aanbod op de woningmarkt de outputdoelstelling op het gebied van wonen. In dat kader dient de gemeente duidelijkheid te geven over de verhouding huur/koop (naar prijsklasse) binnen de totale voorraad en over het aantal omzettingen huur/koop.« Verder is in 2003 het onderzoek «een koopwoning nabij» met daarin een analyse van de redenen van het achterblijven van de verkoop naar huurwoningen naar de Kamer gestuurd.

2.2.2.2 Nationale Hypotheek Garantie

In 2003 zijn voor het eerst in het bestaan van het Waarborgfonds Eigen Woningen circa 10 000 garanties verstrekt voor het verbeteren van woningen, dit mede als gevolg van het aanpassen van de normen en voorwaarden op dit punt met ingang van 1 januari 2003. In totaal zijn circa 70 000 garanties verstrekt, mede als gevolg van de in 2003 aangepaste normen en voorwaarden. Hiermee is de neergaande trend van het aantal verstrekte garanties in 2003 doorbroken. Tevens is in 2003 besloten de normen en voorwaarden in 2004 zodanig verder te wijzigen dat een verdere verantwoorde toename van het aantal te verstrekken garanties gestalte kan krijgen. Zo wordt bijvoorbeeld de kostengrens verhoogd van € 225 000 naar € 230 000 en heeft een verdere stroomlijning om de normen en voorwaarden in overeenstemming te brengen met de gangbare praktijken bij de financiële instellingen plaatsgevonden.

2.2.2.3 Wet bevordering eigenwoningbezit

In de begroting 2003 is een totaal aantal van 8 800 beschikkingen geraamd, terwijl er slechts zo'n 169 beschikkingen zijn afgegeven. Voorgenomen is dat «voor het einde van 2004», conform de wettelijke verplichting, de Wet Bevordering EigenWoningbezit zal worden geëvalueerd. De uitkomst van het herijkingproces verwoord in de brief [TK 2003–2004 29 200 XI, nr. 7] ten aanzien van de Wet BEW is dat deze zal worden «ingetrokken, omdat het doel van de regeling niet wordt bereikt». In reactie op de motie Geluk [TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 38] zal een visie worden gepresenteerd op de bevordering van het eigen woning bezit. De aangekondigde afschaffing van art. 22 is in gang gezet maar is per 1 januari 2004 niet gerealiseerd, omdat in afwachting van het herijkingproces de procedure vooralsnog is stopgezet.

2.2.3. Operationele doelstelling «Versterking van de positie van de burger bij huur en koop»

Voor individuele kopers en huurders is het soms moeilijk een vuist te maken in de interactie met marktpartijen, corporaties en overheden over plannen en beslissingen over de woning of de woonomgeving. Om de positie van de burger te versterken worden de volgende acties ondernomen:

2.2.3.1 Aanpassing(en) in wet- en regelgeving

2.2.3.2 Ondersteunen belangenverenigingen

2.2.3.3 Experimenten

Het doelbereik 2003

In 2003 is door projectsteun aan scholings- en exploitatiebijdragen ondersteuning geboden aan belangengroeperingen waarmee de positie van de burger is versterkt. Op het terrein van de vereniging van eigenaren is veel werk in onderzoek en monitoring gestoken. Tot concrete beleidsvoorstellen heeft dit echter nog niet geleid.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Intentieafspraken met marktpartijen appartementenmarktJa
Beleidsvoorstellen VVEJa
Afhandelen 50 geschillen met behulp van mediationJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

2.2.3.1 Aanpassing(en) in wet- en regelgeving

• Intentieafspraken met marktpartijen appartementenmarkt en beleidsvoorstellen VVE

In 2003 zijn ten behoeve van de Verenigingen van Eigenaren (VvE's) de VvE beheerders door VROM op hun verantwoordelijkheid aangesproken om tot een eenduidig kwaliteitskeurmerk voor deze sector te komen. Dit heeft geleid tot een certificatie van beheer en administratiekantoren. Wat betreft een pilot gebundeld individueel lenen voor appartementseigenaren: dit traject blijkt heel leerzaam voor alle participanten. De duur van de pilot is, op verzoek van de deelnemende gemeenten het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (de SVN), verlengd tot en met 2004. Dit is budgetneutraal gebeurd. Daarbij wordt, met medewerking van het WEW, gekeken naar de mogelijkheden van toepassing van NHG bij onderhoud aan de gezamenlijke bouwdelen. De resultaten van de pilot zullen in 2005 bekend worden. Voor het verder ontwikkelen en uitvoeren van de monitor van de appartementenmarkt wordt aangesloten op de in 2004 af te ronden WBO/KWR onderzoeken. Het voorstel tot «Wijziging van titel 5.9 (Appartementsrechten) van het Burgerlijk Wetboek», dat op 24 september 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden en op 26 november 2002 tot vragen aan de Minister van Justitie heeft geleid van de vaste commissie voor Justitie, is (in afwachting van de beantwoording van die vragen) in 2003 nog niet door de Tweede Kamer behandeld.

2.2.3.2 Ondersteunen belangenverenigingen

Om de positie van de burger te versterken, verstrekt VROM een bijdrage aan de Vereniging Eigen Huis, de Nederlandse Woonbond en aan het Landelijk Contact Vrouwen Adviescommissies. De Vereniging Eigen Huis (VEH) verzorgt ten behoeve van (aspirant)eigenaren van woningen een aantal cursussen, gericht op o.a. de koop van een eengezinswoning/appartement, het beter laten functioneren van Verenigingen van Eigenaren, etc. Dergelijke cursussen zijn niet uitsluitend toegankelijk voor leden van de VEH, maar evenzeer voor niet-leden. Met deze scholingsactiviteiten versterkt de VEH de burger die zich op de koopwoningmarkt begeeft/bevindt. VROM verstrekt in deze scholingsactiviteiten een projectbijdrage aan de VEH. In 2003 bedroeg de projectbijdrage € 42 201,56.

De Woonbond zet zich in voor de belangen van huurders. Voor het jaar 2003 had de Woonbond de volgende projecten in haar werkplan opgenomen:

• Het nieuwe stelsel van referentiehuren;

• Het nieuwe huurrecht;

• Herstructurering en wijkvernieuwing;

• Kennisverrijking en deskundigheidsbevordering huurdersorganisaties.

Lopende het jaar heeft de Woonbond over deze projecten gerapporteerd. In 2003 heeft de Woonbond een scholingsbijdrage ontvangen van € 194 488 en een exploitatiebijdrage van € 1 048 136.

De Stichting Landelijk Contact van de VAC's (LC VAC) is het kennis- en servicecentrum voor lokaal opererende VAC's die al meer dan vijftig jaar op vrijwillige basis de belangen van de (anonieme) woonconsument behartigen door te ijveren voor verbetering van de integrale woonkwaliteit. Voor deze lokale VAC's is het van belang dat zij kunnen terugvallen op een landelijk centrum voor informatie, ondersteuning, scholing en voorlichting en het actueel houden en verspreiden van de gezamenlijke kennis. Het LC VAC is voor 2003 een projectbijdrage toegekend van in totaal € 252 000 deels via artikel 3. Daarnaast is het LC VAC voor 2003 een scholingsbijdrage verstrekt van € 26 600. Deze financiële steun heeft bijgedragen aan de totstandkoming van een aantal producten zoals de VAC-kwalitieitswijzer renovatie, mediapublicaties ter profilering van de lokale VAC's, de richtlijnen voor wonen, zorg en welzijn en een scholingsprogramma. In 2003 heeft de minister van VROM mede naar aanleiding van een Kamervraag besloten voor de jaren 2004–2007 een nieuwe meerjarenafspraak met het LC VAC te maken over een (aflopende) financiële bijdrage. De principetoezegging is gedaan onder voorwaarde dat de LC VAC-organisatie een professionaliseringsslag maakt.

2.2.3.3. Experimenten

• MDW project Positie van de koper op de Nieuwbouwmarkt

Het kabinet constateert in de nota Mensen, Wensen, Wonen1 dat de keuzevrijheid op de woningmarkt te wensen overlaat. Deze problematiek heeft het kabinet ertoe gebracht in het kader van de operatie Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW) een onderzoek te starten naar de knelpunten voor de consument bij de koop van een nieuwbouwwoning. De werkgroep heeft het rapport in 2002 afgerond. Mede als gevolg van de politieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren (kabinetswisselingen) heeft het maken van een gedragen kabinetsstandpunt flinke vertraging opgelopen. Dit neemt niet weg dat een aantal aanbevelingen van de werkgroep met name wat betreft de geschillenbeslechting door VROM is overgenomen.

• Mediation

Bij de Huurcommissies is een pilot afgerond met betrekking tot de afhandeling van geschillen door middel van mediation. Er zijn door middel van mediation 50 geschillen behandeld, waarvan er 49 zijn afgehandeld. De pilot is feitelijk beëindigd in 2003. Begin 2004 zal bezien worden welke conclusies getrokken kunnen worden en op welke wijze mediation bij huurgeschillen kan worden gecontinueerd.

2.3 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-4.gif

Toelichting:

Bij artikel 2 is sprake van een overuitputting. Dit is met name te wijten aan de instrumenten: «Huursubsidie» en de «Afkoop NWI's». Echter, ook de ontvangsten van huursubsidie waren hoger dan geraamd. Verdere informatie kunt u vinden in de Jaarrekening.

Artikel 03. Duurzame woningen en gebouwen

3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Bij de totstandkoming en verbetering van woningen en gebouwen wordt gestreefd naar duurzame kwaliteit. Hierbij ligt de nadruk op de afstemming van de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiebesparing en milieubelasting van de woning of het gebouw op de maatschappelijke behoefte. Binnen deze hoofddoelstelling is, op globaal niveau, invulling gegeven aan de volgende operationele doelstellingen:

3.2.1 Garanderen van een minimale kwaliteit van woningen en gebouwen;

3.2.2 Verbeteren van de kwaliteit van woningen en gebouwen en stimuleren van innovatie;

3.2.3 Bevorderen van de invloed van de burger bij de totstandkoming van woningen;

3.2.4 Coördinatie bouwbeleid.

Het doelbereik 2003

Om kwaliteitsborging van bouwwerken te kunnen garanderen is gewerkt aan verbetering en vereenvoudiging van de bouwregelgeving. Vermindering van de regeldruk (invoering Bouwbesluit 2003 en verandering in bouwvergunningprocedures) en verbetering van de mogelijkheid tot handhaving van regels (wijziging Woningwet 2004) zijn hier uitwerkingen van. Diverse onderzoeken aangaande brandveiligheid hebben input geleverd voor het verder vormgeven van het beleid op dit terrein. Langs verschillende wegen is het particulier opdrachtgeverschap gestimuleerd. Vanuit Europa komt de nodige regelgeving waarmee in 2003 is gestart c.q. voortgezet met de implementatie ervan in de Nederlandse bouwregelgeving (Energieprestatie in gebouwen, tunnelveiligheid, Richtlijn bouwproducten, Eurocodes e.d). Het aantal aanvragen voor de EnergiePremieRegeling overtrof ruimschoots de verwachtingen.Op basis van de Parlementaire enquête Bouwnijverheid is de functie van coördinerend bouwminister door onze minister beëindigd.

3.2 Operationele doelstellingen

3.2.1 Operationele doelstelling «Garanderen van een minimale kwaliteit van woningen en gebouwen»

De basis voor de bouwregelgeving is vastgelegd in de Woningwet. Dit betreft zowel het bouwvergunningproces als de handhaving ervan. In het Bouwbesluit is in bouwtechnische voorschriften de minimale kwaliteit voor bouwwerken vastgelegd. In de beleidsbrief over de toekomst van de bouwregelgeving (Agenda bouwregelgeving 2002–2006, TK 2001–2002, 28 325, nr.1) is een drietal wijzigingspaketten bouwregelgeving aangekondigd. Het eerste wijzigingspakket over de verandering in de bouwvergunningprocedures en het aanscherpen van het wettelijk kader welstand in de Woningwet, is op 1-1-2003 (Stb.2001, nrs. 518 en 410) in werking getreden. Een gewijzigd Bouwbesluit maakte eveneens onderdeel uit van dit wijzigingspakket.

Het doelbereik 2003

Zoals hiervoor aangegeven is er een aantal belangrijke stappen genomen om te komen tot verbetering en vereenvoudiging van de regelgeving. Deze dragen bij aan vermindering van de regeldruk en een betere serviceverlening aan burgers en bedrijven. Dit zal zijn weerslag moeten hebben in verlaging van de administratieve lasten bij zowel de verleners als aanvragers van vergunningen. Deze indicator wordt dan ook nog verder ontwikkeld. Ook verbetering van de handhaving van de bouwregelgeving zal bijdragen aan het garanderen van de minimale kwaliteit van woningen en gebouwen.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
3.2.1.1 Woningwet 
Wijziging Woningwet 2004Nee
Start pilots project Servicegericht WerkenJa
Start praktijkproef «Woningprofiel»Ja
Start praktijkproef gecertificeerde Bouwbesluit-toetsJa
  
3.2.1.2. Kwaliteitseisen gebouwen: Bouwbesluit 
Wijziging Bouwbesluit 2004Nee
  
3.2.1.3. Europa 
Voorbereiding implementatie Europese richtlijnen en normenJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

3.2.1.1 Woningwet

• Wijziging Woningwet 2004

Het tweede pakket wijzigingen is voor de Woningwet vooral gericht op het verbeteren van de handhaving van de bouwregelgeving. Gemeenten krijgen daarom de verplichting een handhavingsbeleid bouwregelgeving op te stellen. Hierover moeten zij vervolgens periodiek rapporteren aan de gemeenteraad. De inwerkingtreding hiervan is voorzien op 1-1-2005. De publicatie van de wijziging is daarmee opgeschoven naar 2004. Het desbetreffende wetsvoorstel is eind 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 2003–2004, 29 392, nrs. 1 t/m 4). De inwerkingtreding van het derde pakket wijzigingen is voorzien in 2006. De omvorming van de Woningwet in relatie tot de «herijking VROM-regelgeving» (zie verslaglegging prioriteit III.1) wordt hierin o.a. voorbereid en is in 2003 opgestart.

• Start pilots project servicegericht werken

Begin 2003 is gestart met het project Servicegericht Werken waarbinnen de pilots handhavingsbeleid bouwregelgeving, stimuleren samenwerking gemeenten en servicegericht bouw- en woningtoezicht vallen. Tevens is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd voor het instellen van een «digitale vindplaats Bouw & Woningtoezicht». Het doel van dit project is het verbeteren van kwaliteit van de uitvoering van de bouwregelgeving door gemeenten, waaronder ook handhaving valt.

• Start praktijkproef «Woningprofiel»

Het gebouwdossier heeft als doel inzicht te bieden in de feitelijke kwaliteit van een bestaand gebouw middels een actuele en betrouwbare beschrijving van de relevante bouw- en gebruiksaspecten van het gebouw. In het najaar van 2003 is gestart met de praktijkproef t.a.v. woningen («woningprofiel»). Doel hiervan is om te bezien in hoeverre de gegeven doelstellingen met toepassing van het idee van het woningprofiel kunnen worden gerealiseerd. Tevens wordt gekeken welke kosten hieraan zijn verbonden. Eind 2004 zal de gehele proef worden geëvalueerd op basis waarvan wordt besloten of – en zo ja, hoe dit in een wettelijke verplichting zal worden opgenomen.

• Normering/certificering

VROM verkent de mogelijkheden om de kwaliteit van bouwaanvragen te verbeteren door toepassing van certificering. Hiertoe is een concept-Beoordelingsrichtlijn (BRL) ontwikkeld. In het najaar van 2003 is gestart met een praktijkproef gecertificeerde Bouwbesluit-toets. Op basis van de uitkomsten van deze praktijkproef wordt bekeken of en zo ja, hoe de bouwvergunningprocedure hierop wordt aangepast.

3.2.1.2 Kwaliteitseisen gebouwen: Bouwbesluit

• Wijziging Bouwbesluit 2004

Het tweede wijzigingspakket bouwregelgeving bevat eveneens aanpassingen in het Bouwbesluit en is een volgende stap naar een meer gebruiksvriendelijke bouwregelgeving. Uitgangspunt is hierbij vermindering van de regeldruk. Naar aanleiding van prioriteit III.1 «Herijking regelgeving» uit de beleidsagenda van de begroting 2003, is ook sprake van verdergaande afstemming met technische regelgeving van andere departementen. Tenslotte zijn er nog een beperkt aantal nieuwe voorschriften opgenomen en bestaande voorschriften geactualiseerd; zijn een aantal inconsistenties en onbedoelde neveneffecten weggenomen en technische onvolkomenheden hersteld. Verwacht wordt dat het pakket in het voorjaar 2004 naar de Raad van State wordt gestuurd. Streven is om deze wijziging op 1-1-2005 van kracht te laten worden. Daarmee is de publicatie van de wijziging verschoven naar 2004.

3.2.1.3 Europa

• Implementatie van de volgende Europese richtlijnen.

– «Energieprestaties in gebouwen»: Deze is op 4 januari 2003 gepubliceerd (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. 2002/91/EG van het Europese Parlement & Raad). Hierdoor worden energieprestatie-certificaten voor gebouwen verplicht. Bij implementatie van deze richtlijn wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium, zoals de EnergiePrestatie Norm (EPN) en het EnergiePrestatie Advies (EPA);

– «Tunnelveiligheid»: Er is een richtlijn tunnelveiligheid van kracht voor spoor en er wordt gewerkt aan eenzelfde soort richtlijn voor autotunnels. Voorschriften voor tunnelveiligheid moeten in 2006 in de Nederlandse regelgeving zijn opgenomen;

• De volgende Europese normen zijn in het kader van de EU marktharmonisatie voor de bouw in Nederlandse bouwregelgeving geïmplementeerd:

– «Richtlijn bouwproducten»: productnormen welke leiden tot CE-markering. In 2003 is gestart met een handhavingstraject CE-markering (VROM Inspectie) en voorlichting CE-markering op de VROM site;

– «Eurocodes»: een norm op bouwwerkniveau voor constructieve veiligheid;

– «Euroklassen»: een norm op bouwwerkniveau voor brandveiligheid; en

– Bouwfysische normen voor geluid en energie.

3.2.2 Operationele doelstelling «Verbeteren van de kwaliteit van woningen en gebouwen en stimuleren van innovatie»

VROM stelt zich tot doel bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit van woningen en overige gebouwen boven het minimumniveau zoals dat is vastgelegd in het Bouwbesluit. Dit gebeurt tevens via het stimuleren van innovatie die bijdraagt aan het verbeteringen van gebouwen of het bouwproces. De beleidsinzet in 2003 heeft zich geconcentreerd op de onderwerpen: CO2-reductie gebouwde omgeving, verantwoord materiaalgebruik, gezondheid in gebouwen en brandveiligheid.

Het doelbereik 2003

Duurzaam bouwen is verder geïntegreerd in bestaand beleid. Er is meer inzicht ontstaan in de Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving en de vraagstukken over Brandveiligheid. De voorbereiding en uitvoering van de EPR en met name de vervroegde sluiting daarvan heeft tot grote beleidsinspanningen geleid op dit instrument. De evaluatie van het Klimaatbeleid in de Gebouwde Omgeving is nog niet afgerond. Voor loden leidingen komt het behalen van de doelstelling in zicht maar nog niet zeker is of hier extra beleidsinspanning voor nodig is.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
3.2.2.1 Duurzaam bouwen 
Uitvoering projectenprogramma Duurzaam Bouwen 2003Ja
  
3.2.2.1.a Vermindering milieubelasting door toepassing van materialen in gebouwen 
Publicatie methode kwantificering milieueffecten gebouwde omgevingNee
Publicatie Praktijkrichtlijnen mbt milieueffecten gebouwde omgevingNee
Vierde tranche Industrieel, Flexibel en Demontabel (IFD) bouwenJa
  
3.2.2.1.b Gezondheid in gebouwen 
Afgeven saneringsbeschikkingen loden leidingenJa
  
3.2.2.1.c CO2-reductie Gebouwde Omgeving 
Afhandeling van circa 190 000 aanvragen in het kader van de EnergiepremieregelingJa
Uitschrijven tender energiebesparing bij lagere inkomensgroepen (Teli)Ja
Bezien inzet generieke instrumenten voor stimulering EPA in utiliteitsbouwJa
Ontwikkeling Instrumenten voor beslissers in de utiliteitsbouw i.h.k.v. DuboJa
Uitvoering Programma Innovatieve Technieken Rijkshuisvesting (PIT)Ja
Uitvoering Kompas voor energiebewust wonen en werkenJa
Evaluatie koepelprogramma CO2-reductie gebouwde omgeving 2002Ja
  
3.2.2.3 Brandveiligheid 
Publicatie onderzoek omvang brandcompartimentenJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

3.2.2.1 Duurzaam bouwen

In de begroting 2003 is aangegeven dat de programmatische aanpak Duurzaam Bouwen per eind 2003 zou worden beëindigd. Aldus is geschied. Conform de beleidsbrief Duurzaam Bouwen (TK 2001–2002 24 280 en 26 603, nr.22) wordt Duurzaam Bouwen in het reguliere beleid t.a.v. bouwen en wonen geïntegreerd. De speerpunten daarbij zijn: 1. verantwoord materiaalgebruik; 2. gezondheid in gebouwen; en 3. CO2-reductie in de gebouwde omgeving.

• Platform Bewoners en Duurzaam Bouwen

VROM neemt deel aan en ondersteunt via medefinanciering het Platform Bewoners en Duurzaam Bouwen. Dit Platform heeft in 2003 diverse projecten uit het projectenprogramma Duurzaam Bouwen voor VROM uitgevoerd. Eind 2003 is het advies van het Platform Bewoners en Duurzaam Bouwen gereedgekomen. Het advies, getiteld «Integreer in de staande praktijk!» bestaat uit een heldere beleidsmatige analyse en een zogenoemde marsroute voor de komende jaren. Hierin wordt vanuit de optiek van de betrokken belangenorganisaties aangegeven hoe zij gefaciliteerd kunnen/moeten worden bij het integreren van Duurzaam Bouwen, gezondheid, energiebesparing en materialenkennis in hun reguliere infrastructuur en in hun contacten met de bewoner.

3.2.2.1.a Vermindering milieubelasting door toepassing van materialen in gebouwen

• Publicatie methode kwantificering milieueffecten gebouwde omgeving

Om de milieubelasting in milieueffecten te kunnen kwantificeren heeft het Nederlands Normalisatie-Instituut (NEN) mede in opdracht van VROM gewerkt aan de ontwikkeling van een bepalingsmethode (=normalisatie) voor het materiaalgebonden milieuprofiel. Vanwege een verschil in inzicht bij de verschillende brancheorganisaties in de bouw over de uitwerking van de bepalingsmethode is de ontwikkeling van deze norm gestopt en daarmee ook publicatie komen te vervallen.

• Publicatie praktijkrichtlijnen milieueffecten gebouwde omgeving

VROM heeft aan het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) drie mogelijkheden voorgelegd voor de vermindering van de milieubelasting door toepassing materialen in gebouwen. Het OPB koos voor de mogelijkheid om eisen aan gebouwen op landelijk niveau te stellen. Eind 2003 is vanuit het OPB een voorstel gekomen voor een praktijkproef waarin ervaring wordt opgedaan met het specificeren van milieueffecten van materiaal- en energiegebruik en gezondheid in gebouwen.

• Vierde tranche Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen (IFD)

Medio 2003 heeft de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) in opdracht van VROM de vierde en laatste tender uitgeschreven van het demonstratieprogramma IFD. Het budget van deze tranche bedraagt € 2,55 miljoen. De tender was opengesteld tot 9 januari 2004 en heeft ca. 90 inzendingen opgeleverd. In mei 2004 worden de nominaties daaruit bekend gemaakt. Het programma, met een totaalbudget van € 13,7 miljoen, beoogt opdrachtgevers in de woning- en utiliteitsbouw, zowel nieuwbouw als renovatie, ertoe te stimuleren als regel te kiezen voor IFD-bouwen. In de drie eerste tranches zijn ca. 270 inzendingen ontvangen waarvan ongeveer 80 projecten de voorbeeldstatus ontvingen. Begin 2004 zijn naar verwachting 30 voorbeeldprojecten afgerond. Daarom is eind 2003 het kennisoverdrachtprogramma IFD dat in opdracht van VROM wordt uitgevoerd als onderdeel van het programma opgestart.

3.2.2.1.b Gezondheid in gebouwen

• Saneringsbeschikkingen Loden leidingen

Met het oog op het verlagen van het gezondheidsrisico van met name zuigelingen, wordt met de uitvoering van de stimuleringsregeling «saneren loden drinkwaterleidingen» het vervangen van dergelijke leidingen gestimuleerd. In 2003 is het aantal woningen waarin loden drinkwaterleidingen zijn vervangen achtergebleven ten opzichte van de verwachtingen. Lag dat aantal in 2002 nog op 2 481, in 2003 ging het om 1 953 woningen. In vergelijking met vorig jaar is het gemiddelde subsidiebedrag per woning nagenoeg gelijk gebleven. Bezien zal worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de streefcijfers 2005 te halen.

• Actieprogramma gezondheid in gebouwen

In 2003 is opdracht gegeven voor het inventariseren van de gezondheidstechnische kwaliteitsaspecten van de bestaande woningvoorraad. De opdracht is een van de acties uit het actieprogramma Gezondheid en Milieu waarvan de uitvoering in 2003 is gestart en dat in nauw overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt uitgevoerd (zie ook artikel 12.2).

3.2.2.1.c CO2-reductie Gebouwde Omgeving

Voorbereidingen zijn getroffen voor het vaststellen van een streefwaarde voor het CO2-emissieniveau in de gebouwde omgeving in de periode 2008–2012. Hiertoe is een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (TK 2003–2004 28 240 nr. 4) (zie begrotingsartikel 11.2.2.2). Na vaststelling kan de huidige streefwaarde voor CO2-reductie komen te vervallen. In 2003 zijn door Novem effecten instrumentmonitorrapporten voor Klimaatbeleid voor de Gebouwde Omgeving opgeleverd. De rapporten bieden vooral meer inzicht in de structuur en aangrijpingspunten in de utiliteitsbouw en de resultaten van beleidsinstrumenten zoals EPN en EPA in de woningbouw en penetratiegraden van energiebesparende maatregelen in de sector Gebouwde Omgeving. Daarnaast hebben de rapporten input geleverd voor een doorlichting van het Klimaatbeleid voor de Gebouwde Omgeving.

• Energiepremieregeling

De EPR is in 2003 in subsidievorm en met een lager budget gecontinueerd. Ondanks dat de EPR-lijst geschoond is van maatregelen met een hoog freerider gehalte, bleek de regeling dermate populair dat de regeling medio oktober vroegtijdig moest worden beëindigd. Op 31 december 2003 zijn 260 000 aanvragen behandeld en uitbetaald. Daarmee is de doelstelling van 190 000 ruimschoots gehaald. Het eindbeeld van totale (over)uitputting van de regeling zal medio 2004 duidelijk zijn. Hierover is en wordt de Tweede Kamer separaat geïnformeerd. (VROM briefnr.: DBO 200 313 0814 d.d. 19-12-2003).

• Tender Energiebesparing bij lagere inkomensgroepen

Begin 2003 is de tweede Tender Energiebesparing bij lagere inkomensgroepen (huishoudens met een besteedbaar inkomen lager dan € 12 660) uitgeschreven (Stc. 38, d.d. 24–2-2003). Hiervoor zijn zo'n 30 plannen (advisering, ondersteuning of aanbrengen kleine voorzieningen) ingediend waarbij energiebesparing bij lagere inkomensgroepen gestimuleerd wordt. Na een beoordeling is aan 8 projecten subsidie toegekend (in totaal € 2 354 900). De projecten uit de eerste tender zijn inmiddels allemaal gestart maar zullen pas in 2004 tot resultaten leiden.

• EnergiePrestatieAdvies utiliteitsbouw

In het laatste kwartaal van 2003 is een prototype (b-versie) van de EPA voor de utiliteitsbouw (EPA-U) gereed gekomen. In 2004 zal de EPA-U worden getest in een pilot-programma waarna de methode op de markt zal worden gebracht. Met de ontwikkeling van de generieke EPA-U wordt vooruitgelopen op de verplichtingen i.h.k.v. de Europese richtlijn EPD (Energy Performance Directive) (zie 3.2.1).

• Programma Innovatieve Technieken rijkshuisvesting (PIT)

PIT (2002–2007) maakt deel uit van de uitvoeringsnota klimaatbeleid. Doelstelling is CO2-reductie in rijksgebouwen door middel van toepassing van experimentele innovatieve technieken. Breder doel is om de ervaringen met deze technieken te delen met de markt, zodat de kansen van deze CO2-reducerende technieken vergroot worden.

Er zijn in 2003 door de Rijksgebouwendienst (RGD) vijf haalbaarheidsstudies verricht, onder andere naar de mogelijkheid van natuurlijke ventilatie bij de nieuwbouw van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Momenteel worden door de RGD technieken onderzocht op hun mogelijke toepasbaarheid, zoals:

1. Het gebruik van LED-verlichting voor de belichting van museale objecten;

2. Het ophangen van een geveldoek aan hoogbouw;

3. Speciale isolerende binnenverf; en

4. Ondergrondse toevoer van ventilatielucht.

Plaatsing van een windturbine op het dak van museum Naturalis te Leiden heeft een positieve uitkomst opgeleverd. Daarnaast is de zogenaamde vacuümbeglazing voor monumenten reeds toegepast.

• Koepelprogramma, klimaatconvenant en Regionale Duboconsulenten

Het «Koepelprogramma CO2-reductie in de Gebouwde Omgeving» is voortgezet onder de naam «Kompas voor energiebewust wonen en werken». Het doel van dit programma is om toepassing van CO2-reducerende maatregelen te stimuleren in woningbouw en utiliteitsbouw. De doelgroepaanpak is hierbij gehandhaafd. De resultaten van het Koepelprogramma over 2002 zijn zeer uiteenlopend. Enkele resultaten zijn:

1. Klimaatbeleid is op de agenda gezet bij bijna de helft van de gemeenten;

2. Het programma heeft bijgedragen aan stimulering van EPA's bij woningbouwcorporaties;

3. Instrumenten voor benadering van de doelgroepen institutionele beleggers en projectontwikkelaars zijn ontwikkeld;

4. Particuliere opdrachtgevers nemen energetische kwaliteit mee bij het ontwerp van de woning;

5. Diverse brochures, workshops en monitoring- en onderzoeksrapporten zijn geproduceerd en op de website gepresenteerd.

• Uitvoering Kompas voor energiebewust wonen en werken

Het Kompas zal in 2004 worden gecontinueerd en daartoe heeft in de tweede helft van 2003 een herijking van de opgedragen activiteiten plaatsgevonden. Het financiële beslag van de werkzaamheden die in 2003 zijn uitgevoerd bedraagt ca € 14 mln. Het programma wordt uitgevoerd door Novem en wordt actief aangestuurd door VROM. In 2002 is binnen begrotingsartikel 11 (Tegengaan klimaatverbandering en emissies), de Subsidieregeling BANS Klimaatconvenant, geopend. De werving en begeleiding van gemeenten voor subsidieaanvragen worden uitgevoerd binnen het Novem-programma Kompas. De werving is in 2003 trager verlopen dan gepland. De verwachting is dat de doelstelling in 2004 toch zal worden gerealiseerd. In 2003 heeft de samenwerking tussen klimaatadviseurs van het Kompasprogramma en de Regionale Duboconsulenten (RDC'n) verder vorm gekregen in onderlinge afstemming van benadering/tools, wijze van communiceren en benaderen van gemeenten. Eind 2003 waren in 10 provincies 19 van de beoogde 24 RDC'n werkzaam. Hiermee wordt in 35% van de gemeenten ondersteuning geboden bij het maken van een implementatieplan duurzaam bouwen.

3.2.2.2 Architectuurbeleid

Bij begroting 2003 is reeds aangegeven dat vanuit het beleidsterrein wonen het architectuurbeleid niet meer specifiek zal worden ondersteund. Het afgelopen jaar zijn dan ook geen nieuwe activiteiten gestart. Wel zijn of worden de in de Architectuurnota aangekondigde initiatieven afgerond. Als resultaten kunnen worden genoemd: de beeldwijzer woonmilieutypen («Wonen à la carte»), beeldregie particulier opdrachtgeverschap («Het beeld aan banden») en regiospecifieke architectuur («Sprekend of vanzelfsprekend?»).

3.2.2.3 Brandveiligheid

In 2003 heeft het onderwerp brandveiligheid de nodige aandacht gevraagd. Niet zozeer het aanscherpen van regels, als wel het naleven ervan staat daarbij centraal. Ter voorbereiding van beleidsontwikkeling op dit terrein zijn diverse onderzoeken uitgevoerd.

1. Onderzoek grote brandcompartimenten (PRC Bouwcentrum, d.d. 1 april 2003): Dit in 2003 verschenen onderzoek heeft betrekking op de in het Bouwbesluit opgenomen beperking van brandcompartimenten tot 1 000 m2. Brandcompartimenten in gebouwen zijn veelal omvangrijker. Aanbeveling van het onderzoek is een werkwijze op te stellen hoe men tot veilige grote brandcompartimenten kan komen. Deze aanbeveling is overgenomen;

2. Onderzoek brandveiligheid hoogbouw (V2bo d.d. 30 januari 2003): Dit onderzoek is mede in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken uitgevoerd. Voor gebouwen hoger dan 70 meter kent het Bouwbesluit geen prestatie-eisen. De aanbeveling om in overleg met de brandweren uit de grote steden een richtlijn op te stellen is overgenomen;

3. Onderzoek brandveiligheid Kamerverhuur (TNO mei 2003): Mede in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken is onderzoek gedaan naar de brandveiligheid van kamerverhuur in woningen. De uitkomst is dat het Bouwbesluit voldoende garanties biedt. De mogelijkheid wordt bezien of en hoe in kader van de gebruiksvergunningverlening in specifieke situaties gebruikseisen op te nemen zijn;

4. Onderzoek «Brandveiligheid Gezondheidszorggebouwen (TNO, februari 2003): Hierin is onderzocht tegen welke kosten alternatieve invulling van de Bouwbesluiteisen voor brandveiligheid in gezondheidszorggebouwen voor bedgebonden patiënten mogelijk is. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beraadt zich op de uitkomsten;

5. Onderzoek veiligheid gas- en elektra-installaties (PRC Bouwcentrum, d.d. 7 januari 2003): Naar aanleiding van een aantal explosies in woningen in de zomer en het bovengenoemd rapport is intensief overleg gevoerd over de verbetering van het toezicht op de veiligheid van dergelijke installaties in woningen. Het overleg heeft geleid tot overeenstemming tussen VROM en de VNG over de verantwoordelijkheden op dit vlak en een pakket maatregelen voor de komende jaren. Een massamediale campagne gericht op de bewustwording van burgers ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor veilig gebruik en goed onderhoud van gas en elektra-installaties in woningen is eind 2003 gestart.

Overige projecten in het kader van brandveiligheid:

Vertaling EU-normen voor materiaalgedrag bij brand: In 2003 zijn de EU-normen vertaald voor de Nederlandse situatie, gepubliceerd (Stc. 101 d.d. 27 mei 2003). Met diverse uitvoeringspartijen is uitvoerig gesproken over het Bouwbesluit 2003. In de praktijk bleek de toepassing van bezettingsgraadklassen tot onduidelijkheid te leiden. In samenwerking met het ministerie van BZK en diverse andere betrokkenen is een ministeriele circulaire (MG 2003–19 d.d. 17 juli 2003) uitgebracht ter verduidelijking.

3.2.3 Operationele doelstelling «Bevorderen van de invloed van de burger bij de totstandkoming van woningen»

De toekomstige kwaliteit van woningen en gebouwen is gebaat bij een grotere diversiteit en eigenheid. Door het opdrachtgeverschap van bewoners te bevorderen, streeft VROM naar duurzame kwaliteit. Daarnaast wordt door zeggenschap in brede zin marktwerking in de bouw en de betrokkenheid van burgers bij de bouw gestimuleerd. Hetzelfde geldt voor een effectieve arbitrage van geschillen.

Het doelbereik 2003

Burgers kunnen beschikken over een informatiecentrum Eigenbouw. Er wordt nog gewerkt aan de verruiming van de mogelijkheden voor Eigenbouw. Voor geschilbeslechting bij nieuwbouwwoningen kan de burger in de loop van 2004 terecht bij één loket.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Uitvoering bestuurlijke afspraken over meer particulier opdrachtgeverschap in gemeenten of stadsgewesten zoals verwoord in TK-brief van maart 2002Nee
Vastleggen van particulier opdrachtgeverschap in grondexploitatie bouwlocatiesNee
(Financiële) ondersteuning bij het tot stand komen van één loket van arbitrage voor geschillen in de bouwJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Particulier Opdrachtgeverschap

In de begroting 2003 is vastgelegd dat de bevordering van particulier opdrachtgeverschap zal plaatsvinden door bestuurlijke afspraken en vastlegging in de Grondexploitatiewet. Uitwerking van de afzonderlijke instrumenten voor eigenbouw door midden- en lage inkomens is daarmee komen te vervallen. In het Actieplan Verhoging Woningproductie is bepaald dat het particulier opdrachtgeverschap toch gestimuleerd zal worden. Dit gebeurt in programmatische zin, bij het bestuurlijk overleg over de woningbouwafspraken 2005–2010 en door reservering van circa 10% van het BLS-budget om extra productie in de eigenbouw te stimuleren. De methodiek voor de inzet van deze premie is inmiddels uitgewerkt.

Op 6 september 2003 is het InfoCentrum Eigen Bouw van start gegaan. Dit centrum richt zich op burgers, gemeenten en bouwers. Het InfoCentrum ontvangt bijdragen van VROM van in totaal € 1 000 000 bestemd voor de 4 dragende kennisinstellingen (SEV, Architectuur Lokaal, Bouwcentrum Expo en Vereniging Eigen Huis). Met deze bijdrage is de exploitatie tot 1-1-2006 geregeld. Hierdoor wordt het ministerie van VROM ontlast van veel van de voorlichtings- en stimuleringsactiviteiten m.b.t. eigenbouw.

Er is onderzoek verricht naar «Particulier Opdrachtgeverschap in Stedelijke Vernieuwing», naar de eigenbouwpraktijk in Groningen en Den Haag («Op maat gemaakt» VROM, april 2003) en er is een brede enquête onder bewoners en ambtenaren in tien gemeenten in de provincie Gelderland («Eigenbouw in aanbouw» VROM, oktober 2003) uitgevoerd. Het onderzoek en de enquête hebben geleid tot inzicht in diverse opgeleverde projecten en tonen een aantal «best practices» waarbij (collectieve) eigenbouw een antwoord geeft op knelpunten als betaalbaarheid, herstructurering en duurzaam ontwerpen door bewoners.

In het kader van de uitvoering van de Nota Grondbeleid zijn de principes vastgelegd voor een Convenant Grondprijsstelling gericht op grondprijsberekening bij eigenbouw en cascobouw zodat grondprijsvaststelling zal plaatsvinden op basis van de residuële waardemethode. Dit is gebeurd in overleg met de VNG, Vereniging Eigen Huis en een aantal organisaties uit de bouwwereld. Voorts is gewerkt aan de wettelijke regeling voor de grondexploitatie, waarmee gemeenten meer instrumenten krijgen om ruimte te scheppen voor eigenbouw. Een voorontwerpwet is gezonden aan koepelorganisaties en deskundigen. Naar aanleiding van hun commentaar wordt de voorontwerpwet aangepast.

• Geschillenbeslechting in de bouw

Op verzoek van VROM is door partijen in de nieuwbouwmarkt (producenten- en consumentenorganisaties) in samenwerking met het Garantie Instituut Woningbouw (GIW) en de Raad van Arbitrage voor de bouw (RvA) vanaf begin 2003 gewerkt aan de totstandkoming van één loket voor geschilbeslechting voor de kopers van een nieuwbouwwoning. Vooralsnog alleen voor woningen gebouwd onder GIW-garantie (circa 85% van de woningen). Daarmee komt een einde aan de situatie dat bij behandeling van geschillen arbitragezaken worden doorverwezen van het ene instituut naar het andere. Ook wordt hiermee de doorlooptijd van behandeling van diverse typen geschillen verkort. Door het hanteren van een vast drempelbedrag voor de bijdrage aan arbitragekosten zal de drempel voor het aanvragen van arbitrage door de koper worden verlaagd.

3.2.4 Operationele doelstelling «Coördinatie bouwbeleid»

VROM was tot de parlementaire enquête bouwnijverheid het algemene aanspreekpunt voor de bouwsector op kabinetsniveau. Naar aanleiding van het eindrapport van de Parlementaire Enquête Commissie Bouwnijverheid (TK 2002–2003 28 244 nr. 5–6) heeft het kabinet besloten de overheidsrollen voortaan strakker te scheiden. E.e.a. heeft op 24 november 2003 formeel zijn beslag gekregen. Concreet houdt dit in dat:

1. de functie van de minister van VROM als coördinerend minister voor de bouw is beëindigd;

2. de bouwsector net als de overige sectoren de minister van Economische Zaken als «aanspreekpunt» krijgt.

Daarnaast heeft het kabinet besloten dat de minister van VROM voortaan de coördinerend minister t.a.v. het aanbesteden in de bouw is, maar dan alleen voor de rijksoverheid als opdrachtgever. De Tweede Kamer is op 8 september 2003 over deze rolwisseling geïnformeerd.

Het doelbereik 2003

De functie van de minister van VROM als coördinerend bouwminister is beëindigd. Zij behoud haar coördinerende taak voor aanbesteding van bouwprojecten van de Rijksoverheid. In 2003 zijn alle activiteiten in het kader van Coördinatie bouwbeleid nog uitgevoerd en afgerond.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Rapportage aanpak knelpunten in relatie tussen bouwsector en overheidJa
Rapportage functioneren bouwsector in samenhang met bouwenquêteJa
Secretariaat enquête BouwnijverheidJa
Evaluatie UAR 2001Nee
Uitvoering stimuleringsovereenkomst leerling-bouwplaatsen in de rijkshuisvestingJa
Nota bouwprognosesJa
Evaluatie «vrouwen in de bouw»Ja
Inzichtelijk maken van beleidsmatige en financiële consequenties van Europese maatregelenJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Parlementaire enquête bouwnijverheid

Het eindrapport van de enquêtecommissie is in maart 2003 door het parlement unaniem geaccepteerd. Daarna heeft het kabinet zijn reactie op het eindrapport aan de Tweede Kamer toegezonden (TK 2002–2003 28 244 nr. 24). In juni 2003 is het parlementaire debat over de kabinetsreactie afgerond met het aannemen van 9 moties. De interdepartementale afstemming rond de enquête is toen omgezet in een overleg over de uitvoering van toegezegde acties en aangenomen moties op het gebied van aanbesteden. In dit overleg zijn naast de vier bouwdepartementen ook de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het InterProvinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) vertegenwoordigd, omdat de meeste acties en moties op dit terrein direct van invloed zijn op het aanbestedingsbeleid van de bij hen aangeslotenoverheidsorganisaties.

In september 2003 en in oktober 2003 is de voortgang van de acties respectievelijk de moties aan de Tweede Kamer gemeld (TK 2002–2003 28 244 nr. 54 resp. TK 2003–2004 28 244 55).

In het kader van normalisatie van de betrekkingen tussen overheid en de bouwsector na de enquête is een notitie opgesteld «Perspectief voor de bouw». Dit betrof een coproductie van EZ, V&W en VROM. Deze perspectiefschets gaat de basis vormen van een veranderingsproces in de bouw waarbij een Regieraad wordt ingesteld om dit proces gaande te houden en de voortgang te bewaken.

• Evaluatie Uniform Aanbestedingsreglementen (UAR) 2001

In de kabinetsreactie op het eindrapport van de enquêtecommissie werd onder andere aangekondigd dat het UAR 2001 niet in 2003 wordt geëvalueerd en dat op korte termijn het UAR EG 1991 en het UAR 2001 aangepast worden om zo dit instrument meer aan te laten sluiten bij de wensen van de overheid als inkoper. In dit wijzigingsproces zijn alle bouwdepartementen en ook VNG, IPO en UvW betrokken. Naar verwachting zal begin 2004 het gewijzigd UAR geïmplementeerd zijn.

• Leerling bouwplaatsen

In maart 2003 is het onderzoek naar het rendement van de subsidieregeling Leerlingbouwplaatsen opgeleverd door het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid. Dit evaluatieonderzoek is in opdracht van Coördinatie Bouwbeleid en de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid uitgevoerd. Op grond van de positieve bevindingen van het onderzoek heeft de minister van VROM besloten de subsidieregeling te continueren.

Tabel: 3.1 Gerealiseerde leerlingbouwplaatsweken
 Realisatie 2000Realisatie 2001Realisatie 2002Realisatie 2003
Aantal leerling-bouwplaatsweken19 02618 51518 77418 654
Aantal leerlingen2 7182 6452 6822 664
Subsidie per leerling-bouwplaatsweek€ 46€ 47€ 47€ 47

• Nota bouwprognoses

De jaarlijkse bouwprognoses worden met de Bouwprognoses 2003–2008 gecontinueerd. Deze prognoses zijn in opdracht van de Rijksgebouwendienst door TNO opgesteld. Zij zijn in december 2003 naar de Eerste en Tweede Kamer gezonden.

• EG Beraad voor de Bouw

In het kader van het Nederlandse EU voorzitterschap, dat plaatsvindt in de tweede helft van 2004, zijn in 2003 door het Beraad nieuwe contacten gelegd en de banden met de bestaande contacten aangehaald. Op basis hiervan is concrete vooruitgang geboekt bij de internationale afstemming van de volgende onderwerpen:

1. de invoering van de Europese richtlijn Energie Prestaties van Gebouwen;

2. de inzet voor de herziening van de Europese harmonisatie richtlijn bouwproducten;

3. de komende implementatie van de herziene Europese richtlijnen voor het aanbesteden van overheidsopdrachten.

• Vrouwen in de bouw

Deze subsidieregeling wordt momenteel geëvalueerd. Deze evaluatie is opgedragen door de Rijksgebouwendienst en de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid.

Op grond van deze evaluatie zal een besluit genomen worden over de continuering van deze subsidieregeling na 2003.

3.3 Beleidsevaluaties

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Uitvoering Klimaatbeleid Gebouwde OmgevingNeen; 2004
TeliJaTempo aanpassenDoor middel van dit jaarverslag
UARNeenUAR wel aanpassenTK 2002–2003 28 244 nr. 24
LeerlingbouwplaatsenJaVoortzettenDoor middel van dit jaarverslag
Vrouwen in de bouwNeen; 2004

Uitvoering klimaatbeleid Gebouwde Omgeving: In 2003 is uitvoering van het Klimaatbeleid voor de Gebouwde Omgeving doorgelicht op doeltreffendheid en doelmatigheid. Bij het opstellen van dit jaarverslag waren de resultaten hiervan nog niet beschikbaar:

TELI: Op basis van de evaluatie is besloten om 2004 in te lassen als tussenjaar. Eerst zal worden bezien wat de resultaten van de lopende projecten zijn, alvorens wordt gestart met de volgende tender;

UAR: Op basis van de evaluatie zal het UAR worden aangepast om het instrument beter te laten aansluiten bij de wensen van de overheid als inkoper;

Leerlingbouwplaatsen: Uit het onderzoek kwamen positieve bevindingen met betrekking tot het rendement. Op basis daarvan is besloten de regeling voort te zetten;

Vrouwen in de bouw: Het onderzoek is in 2003 uitgevoerd. De resultaten worden in de loop van 2004 verwacht.

3.4 Groeiparagraaf

In de begroting 2004 is een structureel en integraal programma voor evaluatieonderzoeken met betrekking tot duurzame woningen en gebouwen opgenomen.

Garanderen minimale kwaliteit van woningen en gebouwen

In 2003 was sprake van ontwikkeling van twee indicatoren («betere toepassing en uitvoering vergunningprocedures door gemeenten» en «vermindering administratieve lasten») met betrekking tot het bouwvergunningproces. Voortschrijdend inzicht leert dat dit weinig zinvol is. Beide indicatoren moesten uiteindelijk bijdragen aan inzicht in administratieve lasten. Naar aanleiding van het onderzoek naar de administratieve lasten in het bouwvergunningproces (Actal) zal gewerkt worden aan één indicator en streefwaarde hiervoor. Het streven is er op gericht deze in de begroting 2005 beschikbaar te hebben.

Verbeteren van de kwaliteit van woningen en gebouwen en stimuleren van innovatie

Zoals reeds in de Nota van Wijziging van de begroting 2003 was aangegeven, was beschikbaarheid van een streefwaarde in 2003 niet voorzien. Als gevolg van de ontwikkelingen zoals omschreven in paragraaf 3.2.2. zal in 2004 meer bekend worden over een alternatieve methoden voor kwantificering van milieueffecten in de gebouwde omgeving waaronder de milieueffecten door toepassing van materialen.

3.5 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-5.gif

Toelichting:

Bij artikel 3 is sprake van een overuitputting. Dit is met name te wijten aan de instrumenten: «Programma Energiebudgetten» en «Energiepremieregeling». Verdere informatie treft u aan in de Jaarrekening.

Artikel 04. Fysieke Stedelijke Vernieuwing

4.1. Algemene doelstelling

Om het sociale, economische en culturele draagvlak te waarborgen dienen de steden een aantrekkelijk woonmilieu en vestigingsklimaat te zijn voor alle inkomensgroepen en voor bedrijven. In het kader van het Grotestedenbeleid (GSB-beleid) is een integrale aanpak (fysieke ingrepen, sociale structuur, economisch klimaat) nodig van in beginsel alle wijken die zonder nadere inspanning niet voldoen aan deze (toekomstige) kwaliteitsvraag. Stadsvernieuwing, gericht op de fysieke achterstanden in vooroorlogse wijken, voldoet niet meer. De sociale aspecten van het wonen worden in artikel 5 nader beschouwd. In de Jaarverslagen van de overige GSB-departementen zijn de andere onderdelen van het GSB-beleid (economie, sociaal en veiligheid) opgenomen.

Wat betreft VROM, vindt uitwerking van deze algemene doelstelling plaats in de volgende, onlosmakelijk met elkaar verbonden, operationele doelstellingen:

4.2.1 Het bevorderen van de fysieke stedelijke vernieuwing door de herstructurering van de bestaande woningvoorraad in wijken en buurten; en

4.2.2 Het bevorderen van een kwantitatief en kwalitatief evenwicht tussen vraag en aanbod op de regionale woningmarkt door nieuwbouw, in en aan de stad.

Het doelbereik 2003

Op basis van de informatie per operationeel doel kan worden geconcludeerd dat de beoogde tempoverhoging in de herstructurering en de productieversnelling van de nieuwbouw dit jaar nog niet zijn bereikt. Wel is hiervoor een solide basis gelegd.

4.2 Operationele doelstellingen

4.2.1. Operationele doelstelling «Herstructurering»

Het beleid richt zich op het doen toenemen van de kwaliteit van woningen en openbare ruimte, met name in aandachtswijken. Woningcorporaties die in het kader van stedelijke vernieuwing een grote taak hebben, dienen deze voortvarend op te pakken. In 2003 is in het bijzonder ingezet op een tempoverhoging van de herstructurering, met name in 56 prioritaire wijken. Onder andere bij brief van november 2003 («Voortgang Actieprogramma Herstructurering en inzet corporatiemiddelen», Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 17) is de Tweede Kamer hiervan in kennis gesteld.

Het doelbereik 2003

In 2003 is een solide basis gelegd voor een versnelde aanpak van 56 prioriteitswijken en voor continuïteit in het beleid voor de stedelijke vernieuwing. In 15 van de 56 wijken zijn tussen betrokken, lokale partijen prestatieafspraken inzake doelstellingen, programma's en (financiële) verantwoordelijkheden gemaakt. Van de overige wijken wordt verwacht dat daar uiterlijk aan het einde van 2004 de prestatieafspraken zijn gemaakt. Daadwerkelijke effecten van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV-beleid) zullen pas op langere termijn kunnen worden gemeten. In 2005 wordt, op basis van de ISV- en GSB-monitor, over de ontwikkeling van de stedelijke vernieuwing gerapporteerd. Mede naar aanleiding van het door de Algemene Rekenkamer ingestelde onderzoek naar de rol van VROM bij het stedelijk vernieuwingsbeleid is het ISV voor de komende ISV-meerjarenperiode (2005–2009) aangepast. Uit het Woningbehoefte Onderzoek 2002 (WBO 2002) blijkt dat de noodzaak om de herstructurering voort te zetten, groot is.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Actieprogramma Herstructurering, waarbij concrete voorstellen aangekondigd worden inzake o.a. aanjagen binnenstedelijke vernieuwing, stroomlijning van wettelijke procedures en fiscale faciliteiten (voorjaar 2003)Gedeeltelijk
Afspraken maken over: 
Wijkaanpak (40–60 prioritaire wijken) in kader van ISV-II/GSB;Ja
Sociale aspecten van de transformatie (ouderenhuisvesting en wonen-zorg);Zie artikel 5
Voorstellen voor de inzet van het maatschappelijk kapitaal door corporaties in herstructureringsgebieden (via vormen van matching/colle- giale financiële steun)Ja
Inzet van impulsteams om processen (in prioritaire wijken) vlot te trekkenJa
Rapportage over monitor pilots Publiek-Private Samenwerking (PPS) en Wijkontwikkelings-maatschappijen (WOM) (najaar 2003)Ja
Verantwoordingstraject ISV-I wordt voorbereidJa
Beleidskader ISV-II (2005–2009) wordt uitgewerkt. Tegelijkertijd zal de verdeling van de ISV-II middelen worden vastgesteld (verdeelsleutel ISV-II).Gedeeltelijk
Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing(IPSV) wordt met name ingezet in prioritaire wijkenJa
Rapportage toekenningen tweede ronde IPSV (begin 2003)Ja
Met provincies nadere afspraken maken om (in aanvulling op afspraak G4 en G26) geaggregeerd naar provinciaal niveau, in 2005 te rapporteren over vier parameters die een indicatie geven voor het succes van de stedelijke vernieuwing in de niet-rechtstreekse programma gemeentenJa
Communicatie in het kader van de stedelijke vernieuwing wordt verbeterdJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Actieprogramma Herstructurering; stroomlijning wettelijke procedures en fiscale faciliteiten. Het in het Actieprogramma Herstructurering aangegeven concept van herstructureringszones wordt via drie afzonderlijke trajecten uitgewerkt:

a. Fiscaliteiten

Onder voorwaarden kan vrijstelling worden verkregen van «dubbele» overdrachtsbelasting bij Wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM's). De betreffende regeling is begin 2004 in de Staatscourant gepubliceerd en is, met terugwerkende kracht, per 1 januari 2003 van toepassing.

Daarnaast is in het Belastingplan 2004 een voorstel opgenomen voor de afschaffing van een overgangsregime voor artikel 10 van de Wet Belastingherziening 1950. Met deze maatregel worden enkele fiscale belemmeringen voor stedelijke herstructurering weggenomen.

Voorts is onderzocht in hoeverre fiscale knelpunten de herstructurering belemmeren en welke mogelijkheden er op dit vlak kunnen worden geboden. Dit heeft in 2003 nog niet tot concrete resultaten geleid.

b. Wet- en regelgeving

De aanpak van ervaren knelpunten bij herstructurering (en nieuwbouw) m.b.t. wet- en regelgeving van VROM en andere departementen is in gang gezet. (zie o.a. brief van september 2003, «Acties verhoging woningbouwproductie», Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 3). Het betreft met name de herijking VROM-regelgeving (Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 7), een generieke wettelijke regeling Stad en Milieu, en een gemeentelijke coördinatieregeling.

c. Stedelijke herverkaveling

Naar invoering van het instrument Stedelijke herverkaveling is in 2003 nader onderzoek gedaan. Het Kabinetsstandpunt wordt in 2004 aan de Tweede Kamer voorgelegd.

• Prioritaire wijken; matching/collegiale financiële steun

Bij brief van november 2003 is de Tweede Kamer in kennis gesteld van de voortgang in de aanpak in 56 prioritaire wijken en de matching van corporatiemiddelen («Voortgang Actieprogramma Herstructurering en inzet corporatiemiddelen», Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 17). In 15 van deze 56 wijken zijn tussen betrokken lokale partijen prestatieafspraken inzake doelstellingen, programma's en (financiële) verantwoordelijkheden gemaakt. Van de overige wijken wordt verwacht dat daar in de loop van, maar uiterlijk aan het einde van 2004 de prestatieafspraken zijn gemaakt. Wat betreft collegiale financiële steun is in 2003 aan de corporatiesector met klem gevraagd om te komen tot effectieve maatregelen en concrete stappen. In voornoemde brief is naar aanleiding van verschillende initiatieven van de sector geconstateerd dat matching nu, waar nodig, tot uitvoer moet komen. Hierbij is het accent gelegd op de 56 wijken. Aangegeven is dat zo nodig wordt gekoerst op aanwijzingen van VROM aan vermogende woningcorporaties om de herstructureringsopgave te laten slagen. Als proeve voor de sector, wat betreft matching, is de studentenhuisvesting benoemd. Bij het niet welslagen van deze aanpak wordt het gebruik van vereenvoudigde projectsteun onontkoombaar geacht.

• Impulsteams

In 15 van de 56 wijken zijn Impulsteams (VROM-accountmanagers en externe deskundigen) actief. Deze Impulsteams bieden o.a. procesmatige en inhoudelijke ondersteuning, met name bij het maken van prestatie-afspraken. Indien nodig blijven deze teams, na ondertekening van de prestatieafspraken, ook ondersteuning verlenen tijdens de uitvoering hiervan. Medio 2004 zal een tussen-evaluatie van het effect van Impulsteams beschikbaar zijn.

• Monitor pilots PPS/WOM

In november 2003 is een eindrapportage over WijkOntwikkelingsMaatschappijen (WOM's) gereedgekomen en is een tweetal handreikingen voor betrokken partijen bij de herstructurering uitgebracht. Het rapport geeft inzicht in succes- en faalfactoren bij de vorming van een WOM. In alle situaties is lokaal maatwerk nodig.

• Verantwoording Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing, eerste periode (ISV-I)

In het kader van de voorbereiding van de verantwoording van ISV-I heeft afstemming plaatsgevonden met de G-30 en het IPO. Tevens heeft afstemming plaatsgevonden met BZK/GSB-II, o.m. over de afrekenbaarheid van ISV-I. In 2004 worden met de gemeenten de meetbare prestaties op een rij gezet.

• Beleidskader ISV-II en verdeelsleutel ISV-II

Het Beleidskader ISV-II en de verdeelsleutel ISV-II zijn, in overleg met betrokken partijen, in 2003 nader uitgewerkt. In het voorjaar van 2004 zal de Tweede Kamer in kennis worden gesteld van het Beleidskader ISV-II en de voorlopige indicatieve verdeling van het ISV-II budget voor de G-30 en de provincies (periode 2005–2009).

• Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (IPSV)

Het IPSV-budget is in 2003 met name ingezet in de 56 prioritaire wijken. Toedeling van de budgetten heeft in december 2003 plaatsgevonden. Belangrijk criterium hierbij is geweest in hoeverre sprake is van een sterke relatie tussen de fysieke en sociale oplossingen en de mate van betrokkenheid van bewoners hierbij. In januari 2003 is de Tweede Kamer in kennis gesteld van de toekenningen IPSV, tweede ronde (VROM030044, 23-1-2003)

• Parameters stedelijke vernieuwing

De afspraken met de provincies (in aanvulling op de afspraken met de G-4 en de G-26) over de parameters voor het meten van het succes van stedelijke vernieuwing zijn ambtelijk voorbereid en zullen naar verwachting begin 2004 bestuurlijk worden bekrachtigd. De in de Begroting 2002 en 2003 genoemde parameters blijven gehandhaafd. Het streven is dat eind 2004 voor iedere parameter een aantoonbare vooruitgang (ten opzichte van de meetwaarden in 1998 en 2000) is geboekt. In 2005 wordt over de ontwikkeling van de stedelijke vernieuwing, mede aan de hand van deze parameters, gerapporteerd. De parameters zijn: verschil vraag en aanbod op de woningmarkt en naar woonmilieu; tevredenheid t.a.v. verschillende (kwaliteits)factoren in de woonomgeving en percentage midden en hoge inkomens (zie ook 4.3, ISV-monitor).

• Communicatie

In 2003 is, in overleg met betrokken partijen, een Actieplan Communicatie ISV-II opgesteld. Dit betreft onder meer: regionale voorlichtingsbijeenkomsten, infobladen en aanpassing van de I(P)SV-website.

4.2.2 Operationele doelstelling «Nieuwbouw, in en aan de stad»

Het beleid richt zich op het voorzien in de (kwantitatieve en kwalitatieve) woningbehoefte door middel van uitbreidingsnieuwbouw en vervangende nieuwbouw, in het bijzonder in de stedelijke regio's. Een grotere nieuwbouwproductie is ook van belang om ruimte te scheppen voor de herstructurering van de bestaande woningvoorraad. Tegen de achtergrond van de achterblijvende nieuwbouw is het beleid in kwantitatief opzicht bijgesteld. Bij brief van september 2003 («Acties verhoging woningbouwproductie», Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 3) is de Tweede Kamer hiervan in kennis gesteld. Wat betreft kwaliteit richt het beleid zich ondermeer op: 1. een toename van het aandeel middeldure en dure woningen in bestaand stedelijk gebied, 2. bevordering verkoop huurwoningen (artikel 2), 3. vergroting eigen woningbezit (65% in 2010; artikel 2), 4. bevordering ouderenhuisvesting en verzorgd wonen (artikel 5), en 5. meer particulier opdrachtgeverschap (artikel 3). Daarnaast richt het beleid zich op de verdere implementatie van het programma van de Nota Grondbeleid, omdat voor de uitvoering van het (ruimtelijk en) woonbeleid een adequaat instrumentarium voor het grondbeleid essentieel is (zie artikel 1).

Het doelbereik 2003

In 2003 is de woningbouwproductie prominenter op de agenda gekomen. Op een aantal locaties zijn tussen betrokken partijen concrete afspraken gemaakt over een versnelling van de woningbouwproductie. Bij voornoemde brief van september 2003 (Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 3) is inzicht gegeven in de voortgang van de woningbouw. Daarin is ook melding gemaakt van de voortgang in de uitvoering van het Actieprogramma Taskforce Woningbouw. De rapportage over de voortgang verstedelijking VINEX wordt voorjaar 2004 aan de Tweede Kamer aangeboden. De reikwijdte van de Wet voorkeursrecht gemeenten is in 2003 verbreed.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
In 2003 definitieve verstedelijkingsafspraken tot 2010 met 20 regio's over o.m.:Nee
Vergroting van de omvang van de woningproductie en een sterkere sturing op tijdige uitvoering daarvan; 
Particulier opdrachtgeverschap; 
Vergroting eigen woningbezit/verkoop huurwoningen.Zie artikel 3
Het Rijk stimuleert en gemeenten dragen er zorg voor dat de corporaties zich committeren aan de verstedelijkingsafspraken via het sluiten van parallelle convenantenZie artikel 2Nee
Integrale verstedelijkingsrapportage aan Tweede Kamer (eind 2003) over:Gedeeltelijk
De resultaten van de definitieve verstedelijkingsafspraken tot 2010; 
Uitvoering verstedelijking VINEX; 
Voortgang woningproductie; 
Resultaten Task Force Woningbouwproductie. 
Ook in 2003 worden aanjaagteams woningbouw ingezet ten einde op uitleglocaties de woningproductie te versnellen.Ja
Gemeenten en provincies moeten meer mogelijkheden krijgen om in hun ruimtebehoefte voor wonen te voorzien. Gemeenten in het landelijk gebied krijgen meer mogelijkheden om voor de natuurlijke aanwas te bouwen.Nee
In relatie tot woningbouw, dienen aanpassingen van wet- en regelgeving plaats te vinden ten aanzien van geluid, bodembescherming, bouwstoffenbesluit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en onderdelen van de Wet ruimtelijke ordening.Gedeeltelijk
In overleg met OCW en LNV zal worden bezien hoe te voorkomen dat recente Europese richtlijnen (archeologie, Vogel- en Habitatrichtlijn) de woningproductie beperken.Ja
In samenwerking met provincies en gemeenten wordt de beschikbare streek- en bestemmingsplancapaciteit voor woningbouw tot 2010 onderzocht.Gedeeltelijk

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Verstedelijkingsafspraken; convenanten

Bij voornoemde brief van september 2003 (Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 3) is de Tweede Kamer in kennis gesteld van de redenen voor het omzetten van de beoogde definitieve verstedelijkingsafspraken (2000–2010) in woningbouwafspraken (2005–2010). Gelet op de afgelopen jaren opgetreden stagnatie in de bouwproductie is de ambitie voor het aantal gereed te komen nieuwbouwwoningen in de periode 2005–2010 bijgesteld naar ca. 380 000 tot 420 000 (= ca. 80 000 per jaar). Bij de naar verwachting in de eerste helft van 2004 af te sluiten woningbouwafspraken zal de nadruk liggen op het maken van harde afspraken over aantallen te bouwen woningen opdat het woningtekort in 2010 maximaal 1,5–2,0% bedraagt. Bij ongewijzigd beleid zou dit, naar verwachting, 2,3% bedragen.

• Integrale verstedelijkingsrapportage

Bij voornoemde brief van september 2003 aan de Tweede Kamer is inzicht gegeven in de voortgang van de woningbouw. Daarin is ook melding gemaakt van de voortgang in de uitvoering van het Actieprogramma Taskforce Woningbouw. Medio 2004 wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd over voornoemde woningbouwafspraken. De rapportage over de voortgang verstedelijking VINEX wordt voorjaar 2004 aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Aanjaagteams

Op 10 uitleglocaties in de G-30 zijn aanjaagteams (VROM-accountmanagers en externe deskundigen) actief. Dit heeft ertoe geleid dat op een aantal locaties tussen lokale/regionale partijen concrete afspraken zijn gemaakt over een productieversnelling en/of processen zijn vlot getrokken. Een eerste inventarisatie van potentiële, nieuwe locaties is in 2003 uitgevoerd.

• Ruimtebehoefte

Conform het Hoofdlijnenakkoord wordt deze doelstelling nader uitgewerkt in de Nota Ruimte. In 2003 is bezien in hoeverre, wat betreft het toewijzen van woningen, de Huisvestingswet dit kan faciliteren (zie artikel 2).

• Aanpassingen wet- en regelgeving

Herijking VROM-regelgeving

Bij brief (Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 7) is de Tweede Kamer hiervan in kennis gesteld. Bij de aanpassingen die het eerst worden aangepakt, heeft het belang van de woningbouwproductie prioriteit gekregen.

Stad & Milieu

Er is een generieke wettelijke regeling van Stad & Milieu (als opvolger van de Experimentenwet Stad en Milieu) voorbereid, die in de loop van 2004 in werking zal treden. Vanaf dat moment wordt aan alle gemeenten, in plaats van de huidige 25 experimenteergebieden, de mogelijkheid geboden om onder voorwaarden af te wijken van bepaalde (milieu)regelgeving.

Gemeentelijke coördinatieregeling

Vooruitlopend op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening – en de eventuele invoering van een integrale VROM-vergunning – is een gemeentelijke coördinatieregeling in de – concept – generieke regeling van Stad & Milieu opgenomen. Gemeenten kunnen hiermee (woningbouw)projecten versneld realiseren door de totstandkomings- en uitvoeringsbesluiten (zoals wijziging bestemmingsplan, bouw- en sloopvergunningen) tegelijkertijd te laten doorlopen en de beroepsprocedure(s) te bundelen.

• Europese richtlijnen

Het met het Ministerie van OCW gevoerde overleg heeft ertoe geleid dat het wetsvoorstel ter implementatie van het verdrag van Malta (archeologie) niet langer een extra, aparte vergunningsfiguur kent maar zoveel mogelijk aansluit bij bestaande procedures, zoals de bouwvergunning. Daarmee wordt een extra (procedurele)belasting bij de woningbouwproductie voorkomen. Medio 2003 is door LNV aan de Europese Commissie een opgave verstrekt van gebieden waar de Vogel- en Habitat-richtlijn van toepassing is. Daadwerkelijke aanwijzing van deze gebieden vindt plaats via de Nota Ruimte, en de daaruit af te leiden streekplannen.

• Streekplan en bestemmingsplancapaciteit

Het onderzoek is in december 2003 afgerond. Begin 2004 is over de resultaten hiervan aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

4.3 Beleidsevaluaties 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Rijksbeleid Stedelijke Vernieuwing; rol VROM Algemene RekenkamerSturing en beheersing moeten beterDoelstellingen meetbaarder formuleren;Verbetering Monitor ISV;Behoefteraming kosten en opbrengsten;Verbetering verantwoordingTK 2003–2004, 29 211, nr. 1–2
Evaluatie IPSVGoed instrument om proces- sen te verbeteren en/of te versnellenn.v.t.VROM 0300238 (16-4-2003)
ISV-monitorMonitorstructuur wordt aangepastn.v.t.n.v.t.
Woningbehoefteonderzoek 2002 (WBO 2002)Statistisch woningtekort sterk opgelopen;Behoefte aan nultrede woningen neemt fors toe;Eigen woningbezit (54%) neemt jaarlijks toe;Huurquote en koopquote stabiel.Woningproductie moet omhoog;Verschuiving woningvraag van koop naar huur conjunctureel;Herstructurering voortzettenVROM 030653 (23-9-2003);TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 20;TK 2003–2004, 27 926, nr. 14
Monitor PPS/WOM-pilotsInzicht in succes-en faalfactorenLokaal maatwerk nodign.v.t.
Concurrentiebevordering op ontwikkelingslocatiesVerplichting tot markt-selectie in concurrentie afwijzenn.v.tIn 2004
Stedelijke herverkavelingn.v.t.n.v.tIn 2004

Toelichting beleidsevaluaties 2003

• ISV

September 2003 heeft de Algemene Rekenkamer gerapporteerd over haar onderzoek naar de rol van VROM bij het stedelijk vernieuwingsbeleid (Tweede Kamer 2003–2004, 29 211, nr. 1–2). De kritiek van de Rekenkamer richt zich op de sturing en de beheersing van rijkswege en de mogelijkheden van de Tweede Kamer om het proces te volgen en te beïnvloeden. In de reactie van VROM wordt deze kritiek deels weersproken en deels verwezen naar de aanpassingen voor komende ISV-meerjarenperiode (2005–2009). Deze reactie is verwerkt in voornoemde brief van de Rekenkamer aan de Tweede Kamer.

• IPSV

Begin 2003 is een evaluatie van het IPSV uitgevoerd. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd (VROM 0300238, 16-4-2003). Uit deze evaluatie blijkt o.m. dat IPSV in het algemeen gezien wordt als een goed instrument om processen binnen de stedelijke vernieuwing te verbeteren en/of te versnellen.

• ISV-monitor

In 2003 is onderzoek uitgevoerd naar verbetering van de (inhoudelijke) ISV-monitor. Dit heeft geleid tot een aangepaste monitorstructuur voor de eerste ISV beleidsperiode, te implementeren bij de eerstvolgende herhalingsmeting in 2004. De aanpassing betreft de opzet en invulling van het indicatorenstelsel inzake de fysieke en sociaal-economische ontwikkeling in wijken, alsmede de tevredenheid van bewoners met hun woon- en leefmilieu. Uit de ISV-monitor kan worden opgemaakt in hoeverre de uitvoering van de MeerjarenOntwikkelingsProgramma's (MOP's) op schema ligt. Aangevuld met de GSB-monitor geeft dit een goed inzicht in de effecten van herstructureringsmaatregelen. De monitor zal in 2004/2005 worden aangepast aan het Beleidskader ISV-II (zie ook 4.2.1, parameters stedelijke vernieuwing).

• WBO

Het Woningbehoefte Onderzoek 2002 heeft inmiddels geresulteerd in een kernpublicatie en twee deelpublicaties (zie artikel 1). De publicaties leveren een ondersteuning van het beleid zoals uiteengezet in de beleidsbrieven die in het najaar van 2003 aan de Tweede Kamer zijn gestuurd («Woonbeleid en differentiatie van wijken», Tweede Kamer 2003–2004, 29 200 XI, nr. 20; «Huurbeleid voor de lange termijn» Tweede Kamer 2003–2004, 27 926, nr. 14). De belangrijkste uitkomsten zijn: 1. dat in verband met het hoge woningtekort de woningproductie omhoog moet; 2. dat er een duidelijke verschuiving in de woningvraag van koop naar huur is (van belang voor de bouwprogrammering); en 3. dat de noodzaak om de herstructurering voort te zetten groot is.

• Monitor PPS/WOM-pilots

In november 2003 is een eindrapportage over WijkOntwikkelingsMaatschappijen (WOM's) gereedgekomen en zijn een tweetal handreikingen voor betrokken partijen bij de herstructurering uitgebracht. Dit naar aanleiding van de in 2002 gestarte 6 WOM-pilots en 2 WOM-uitvoeringsprojecten, die in het kader van IPSV een bijdrage hebben ontvangen. Het rapport geeft inzicht in succes- en faalfactoren bij de vorming van een WOM. In alle situaties is lokaal maatwerk nodig.

• Concurrentiebevordering op ontwikkelingslocaties; Stedelijke herverkaveling

Naar concurrentiebevordering op ontwikkelingslocaties is een vervolgonderzoek ingesteld. Door VROM is hieruit geconcludeerd dat een verplichting tot marktselectie in concurrentie dient te worden afgewezen. Ook naar het instrument Stedelijke herverkaveling is een vervolgonderzoek gedaan. Beleidsmatige conclusies uit dit vervolgonderzoek moeten nog worden geformuleerd. De resultaten van beide vervolgonderzoeken worden betrokken bij een te formuleren kabinetsstandpunt dat in 2004 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.

4.4 Groeiparagraaf 2003

 Realisatie
In de Begroting 2004 zal een integraal programma voor evaluatieonderzoeken m.b.t. de in de begroting opgenomen doelstellingen worden opgesteld.Gedeeltelijk
Het streven is erop gericht dat in 2003 (monitor)gegevens beschikbaar zijn over vervangende nieuwbouw, uit uitbreidingsnieuwbouw en het aandeel middeldure en dure woningen in bestaand stedelijk gebiedGedeeltelijk

Toelichting groeiparagraaf 2003

• Evaluatieonderzoeken

In de Begroting 2004 zijn alle beleidsvelden onder artikel 4 in de evaluatieplanning opgenomen. De geplande en reeds in gang gezette evaluaties, in combinatie met de beschikbare indicatoren en streefwaarden dekken echter nog niet alle voorgeschreven aspecten van evaluatieonderzoeken af. Oorzaak hiervan is dat nog niet alle operationele doelstellingen volledig zijn voorzien van streefwaarden en (tussen)doelen, en dat een aantal beleidsinstrumenten nog ontwikkeld moet worden, inclusief de bijbehorende evaluatiebepalingen. Op basis van deze herijking zal in de Begroting 2005 een aangepaste planning van beleidsevaluaties worden opgenomen.

• Monitorgegevens

In 2003 zijn (monitor)gegevens beschikbaar gekomen over uitbreidingsnieuwbouw en vervangende nieuwbouw (en de bouwkosten daarvan) in bestaand stedelijk gebied.

4.5 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-6.gif

Toelichting:

Bij artikel 4 is sprake van een onderuitputting. Dit is met name te danken aan het instrument: «Investeringen Stedelijke Vernieuwing». Meer informatie is te vinden in de Jaarrekening.

Artikel 05. Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving

5.1. Algemene doelstelling

Het ministerie van VROM wil een bijdrage leveren aan vergroting van de sociale kwaliteit van het wonen en van de woonomgeving. Bij het wonen gaat het vooral om vergroting van de zelfredzaamheid en keuzemogelijkheden voor en vraagsturing door burgers die zorg of begeleiding nodig hebben. Bij woonomgeving gaat het om het vergroten van de tevredenheid van bewoners met hun buurt en wijk.

Uitwerking van deze algemene doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

5.2.1 Het voor wonen en zorg bevorderen van voldoende aanbod en van voldoende kwaliteit, waarbij de keuze van de burger centraal staat; en

5.2.2 Het bevorderen van de leefkwaliteit van wijken.

Het doelbereik 2003

Op basis van de (hierna te behandelen) informatie per operationeel doel kan de conclusie getrokken worden dat zeker voortgang is geboekt. Met name is het gevoel van urgentie voor de kwantitatieve opgave in het veld versterkt. Voor de bevordering van de leefkwaliteit van wijken is kennis over de sociaalfysieke aanpak van wijken ontwikkeld en breed verspreid onder betrokken overheden en (markt)partijen.

5.2. Operationele doelstellingen

5.2.1 Operationele doelstelling «wonen en zorg»

Als gevolg van de vergrijzing en de steeds mondiger en zelfstandiger wordende burger, is er een toenemende vraag naar woonzorgarrangementen, zowel in hoeveelheid als in variatie. Om hierover een uitspraak te doen, wordt gekeken of er voldoende aanbod is (5.2.1.1), het aanbod van voldoende kwaliteit is (5.2.1.2) en de burger voldoende keuzevrijheid heeft (5.2.1.3).

Het doelbereik 2003

5.2.1.1 Voldoende aanbod: bevordering van het beschikbaar komen van meer volledig toegankelijke woningen voor mensen die wegens hun leeftijd of beperkingen hier behoefte aan hebben

De uitvoering van dit beleid ligt op schema: de in de Begroting 2003 opgenomen activiteiten zijn uitgevoerd. Het gevoel van urgentie in het veld is versterkt. Dit is onder meer op te maken uit de positieve reacties uit het veld op de gezamenlijke brief van 15 september 2003 (TK 2002–2003, 26 631, nr. 57) aan de Tweede Kamer van de Minister van VROM en de Staatssecretaris van VWS over de kwantitatieve opgave. Deze brief heeft veel aandacht in de vakpers gehad. Ook zijn er veel concrete plannen in het veld om een breed scala aan woonzorgarrangementen te realiseren. Als laatste punt kunnen de plannen terzake van de provincies genoemd worden. De daadwerkelijke productie van toegankelijke woningen en zorgwoningen in het verslagjaar is op dit moment niet bekend. Hierop zal worden ingegaan in de rapportage van het onderzoek Bewoners Nieuwe Woningen (verschijnt medio 2004). Ook de prestaties van de corporaties geven hier inzicht in. Over de prestaties van de corporaties op het terrein van wonen en zorg wordt de Kamer apart geïnformeerd.

5.2.1.2 Het aanbod moet van voldoende kwaliteit zijn

Alhoewel moeilijk meetbaar, bestaat het beeld dat op dit terrein voortgang is geboekt. Uit de vakpers valt op te maken dat er steeds meer projecten komen waar vormen van domotica zijn toegepast. Het betreft toepassingen van ICT ten behoeve van meer veiligheid, comfort en betere zorg en dienstverlening. Ook heeft in dit verband positief gewerkt dat in de 4e en laatste tender van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling er 76 projecten met ICT-toepassingen en domotica zijn toegekend.

5.2.1.3 Er moet voldoende keuzevrijheid zijn voor de burger

In het algemeen heeft keuzevrijheid minder prioriteit gekregen. Immers gebleken is dat de kwantitatieve opgave zodanig van omvang is dat daaraan de hoogste prioriteit gegeven moet worden. Derhalve is afgezien van het ontwikkelen van een indicator op dit punt.

Na een verkennende periode is besloten dat er géén experiment met woonzorg-persoonsgebondenbudgetten wordt uitgevoerd. Uit de uitgevoerde verkenning bleek dat een dergelijk experiment niet het juiste instrument is om het concept van vraagsturing in het domein van wonen, zorg en welzijn verder vorm te geven. Het bleek dat er hoge kosten en een lange doorlooptijd verbonden zijn aan een dergelijk experiment, waarvan de waarde niet op voorhand vaststaat. Vraagsturing en keuzevrijheid blijft wel een belangrijke invalshoek bij de grote beleidstrajecten in de zorg, het welzijn en in het wonen (zoals de hervorming van de huursubsidie). Wel is van belang te melden dat in het verslagjaar de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling expireerde nadat de 3e en 4e tender in 2003 zijn gepubliceerd. Deze regeling beoogde onder meer vraagsturing te stimuleren. Over de resultaten van deze regeling zal de Kamer medio 2004 apart geïnformeerd worden. Echter uit het feit dat in totaal meer dan 500 projecten gesubsidieerd zijn, waarbij vraagsturing een subsidievoorwaarde was, mag geconstateerd worden dat vraagsturing een flinke impuls heeft gekregen.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Definitieve verstedelijkingsafspraken maken met betrekking tot ouderenhuisvesting en wonen en zorg.Nee
De kwantitatieve opgave toegankelijke woningen communiceren.Ja
Domotica: voorlichting en kennisoverdracht, minimaal één voorlichtingsactiviteit.Ja
Uitbreiding Wet gelijke behandeling met het domein wonenNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

Definitieve verstedelijkingsafspraken

Als gevolg van de Kabinetswisseling zijn er in 2003 geen verstedelijkingsafspraken gemaakt.

De kwantitatieve opgave communiceren

Op dit punt is een groot aantal activiteiten ontplooid. Allereerst is onderzoek uitgevoerd naar de kwantitatieve opgave, hetgeen een kwantitatieve opgave van 395 000 toegankelijke woningen voor 2015 aan het licht bracht. Tevens is een communicatiestrategie ontwikkeld, die als hoofdlijn heeft de communicatie vooral te richten op de intermediaire organisaties. Beide lagen ten grondslag aan de bovengenoemde brief aan de Tweede Kamer over dit onderwerp. Deze brief is vervolgens met een begeleidend schrijven toegezonden aan alle gemeenten, provincies, zorgkantoren, corporaties en de consumentenorganisaties die geraadpleegd zijn in het kader van het communicatieplan. Ook is de boodschap inzake de kwantitatieve opgave op diverse congressen en symposia nadrukkelijk voor het voetlicht gebracht. Tot slot is nog van belang dat in de 4e tender van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling de totstandkoming van zorgsteunpunten (zorginfrastructuur) een prioriteit was. In de 4e tender zijn 35 van deze projecten gesubsidieerd.

Domotica

Het Innovatieprogramma Wonen en Zorg heeft in opdracht van VROM en VWS de brochure «Handreiking personenalarmering en domotica voor ouderen» uitgebracht. Daarnaast is de 4e tender van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling van belang. Hierin was personenalarmering gekoppeld aan centrale deurontgrendeling een prioriteit. In de 4e tender zijn 28 van deze projecten gesubsidieerd.

Uitbreiding Wet gelijke behandeling

De beleidsbrief waarin de uitbreiding van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte met het domein wonen wordt aangekondigd, is eind 2003 aan de Tweede Kamer (TK, 2003–2004, 29 255, nr. 3) gezonden. De verwachting is dat de wijziging zelf in 2005 van kracht zal worden.

5.2.2 Operationele doelstelling «Leefkwaliteit van wijken»

Om de leefkwaliteit te bevorderen is het noodzakelijk sociale, economische en fysieke interventies beter op elkaar af te stemmen.

Het doelbereik 2003

Aangezien het Rijk zelf echter geen uitvoerende partij is, is gekozen voor een bijdrage in de vorm van kennisontwikkeling en kennisspreiding over de zogenaamde sociaalfysieke (wijk)aanpak en solide agendering van deze manier van werken. Gezamenlijk met VWS heeft VROM daartoe voor de jaren 2003 en 2004 het «Kennisprogramma Sociaal-fysieke wijkaanpak» opgezet. In dit kader zijn in 2003 twee publicaties uitgebracht die breed zijn verspreid en via internet zijn op te vragen. Tevens hebben in het kader van dit programma een wijkbezoek, een expertmeeting en een werkconferentie «sociaal-fysiek» plaatsgevonden. De belangstelling voor de publicaties en de activiteiten is dermate overweldigend geweest dat van een succesvol bereik van de doelgroepen mag worden gesproken.

Daarnaast is de sociaal-fysieke aanpak als (nieuw) prestatieveld opgenomen in de GSB/ISV convenantsperiode 2005–2009. Hiermee is deze thematiek definitief geagendeerd binnen de stedelijke vernieuwing. De resultaten tonen dat de sociaal-fysieke aanpak breed aandacht heeft gekregen en via het ISV een vaste plek op het netvlies van de gemeenten heeft.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Selectie van 4–8 wijken waar sociaal-fysieke wijkaanpak wordt toegepast en verder uitgewerkt t.b.v. kennisontwikkelingJa
Kennis over sociaal-fysieke wijkaanpak beschikbaar stellen aan gemeenten middels handreikingJa
Definitieve verstedelijkingsafspraken maken met betrekking tot leefkwaliteitNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

Selectie wijken

Als onderdeel van het Kennisprogramma is onderzoek gedaan naar de sociaal-fysieke wijkaanpak van een zestal gemeenten. De resultaten zijn verwerkt in een handreiking die breed is verspreid.

Kennis beschikbaar stellen

Binnen het Kennisprogramma Sociaal-fysieke wijkaanpak zijn in 2003 volgens planning twee publicaties opgeleverd (de bij ad. 1 genoemde aanpak in zes gemeenten en een «Leidraad sociaal-fysieke wijkaanpak»). Daarnaast zijn een werkconferentie en een wijkbezoek georganiseerd. Al deze bijeenkomsten zijn zeer druk bezocht.

Definitieve verstedelijkingsafspraken

Als gevolg van de Kabinetswisseling zijn er in 2003 geen verstedelijkingsafspraken gerealiseerd.

5.3. Groeiparagraaf 2003

 Realisatie
Opstellen programma voor evaluatieonderzoekJa
Indicator ontwikkelen voor voldoende aanbodJa
Één of meer indicatoren voor keuzevrijheid ontwikkelenNee

Toelichting

• Opstellen programma voor evaluatieonderzoek

Dit programma is opgenomen in de begroting van VROM van 2004.

• Indicator ontwikkelen voor voldoende aanbod

Deze indicator alsmede de streefwaarde is opgenomen in de begroting van VROM van 2004.

• Één of meer indicatoren voor keuzevrijheid ontwikkelen

Als gevolg van een heroverweging van het beleid op het terrein van wonen en zorg is de nadruk komen te liggen op de kwantitatieve opgave.

5.4. Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-7.gif

Toelichting:

Bij artikel 5 is sprake van een onderuitputting. Dit is met name te danken aan de volgende instrumenten: «Woonzorgstimuleringsregeling» en «Sociale vernieuwing». Meer informatie hierover treft u aan in de Jaarrekening.

Artikel 06. Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden

6.1. Algemene doelstelling

De kwaliteit van de inrichting van stedelijke en te verstedelijken gebieden moet beter voorzien in de gedifferentieerde vraag naar ruimte voor uiteenlopende vormen van wonen, werken, voorzieningen, groen, recreatie, sport en infrastructuur. Daarbij moet rekening gehouden worden met eisen die verband houden met gezondheid en veiligheid. De gedifferentieerde vraag laat zich vertalen in verschillende typen stads- en dorpsmilieus. Om dit te bereiken is gekozen voor intensivering, functiecombinatie en transformatie.

Uitwerking van deze algemene doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

6.2.1. Verbeteren stedelijke inrichting

6.2.2. Versterken cultuurhistorische identiteit

6.2.3. Stimuleren architectonische kwaliteit

Het doelbereik 2003

In 2003 zijn de nodige processtappen gezet die bijdragen aan de implementatie van het beleid. Het doelbereik zal na vaststelling van de Nota Ruimte gemonitored en geëvalueerd worden.

6.2 Operationele doelstellingen

6.2.1 Operationele doelstelling «Verbeteren stedelijke inrichting»

Het verbeteren van de stedelijke inrichting is vooral een opgave voor (samenwerkende) gemeenten, provincies en marktpartijen. De inzet van VROM richt zich op:

– bestuurlijke overeenkomsten

– nieuwe sleutelprojecten

– intensief en meervoudig ruimtegebruik

– duurzame ontwikkeling van stedelijke netwerken.

Het doelbereik 2003

De geboekte vooruitgang bij de Nieuwe Sleutelprojecten heeft de uitvoering op het gewenste kwaliteitsniveau dichterbij gebracht. Deze projecten zullen uiteindelijk ieder een bijdrage leveren aan het verbeteren van de stedelijke inrichting. De vertraging die is opgetreden bij het vastleggen van de resultaten in bestuurlijke afspraken gaat niet te koste van de planning van de concrete uitvoering.

Het project KIEV heeft geleid tot zicht op oplossingen voor de meeste knelpunten, maatregelen om de risico's te reduceren zijn geïdentificeerd en afspraken daarover zijn of worden gemaakt. De uitvoering van KIEV projecten op zodanige wijze dat zij bijdragen aan verbetering van de stedelijke inrichting, is hierdoor in 2003 dichterbij gekomen.

De vaststelling van de Beleidsregeling BIRK in 2003 en de voortgang bij de behandeling van projectvoorstellen heeft geleid tot zicht op projecten die zullen bijdragen aan verbetering van de stedelijke inrichting en zonder BIRK niet of niet met de gewenste kwaliteit, tot uitvoering zouden kunnen komen.

6.2.1.1. Bestuurlijke overeenkomsten

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Vastleggen verstedelijkingsafspraken in convenantenNee
Opstellen en uitvoeren van het programma DeltametropoolNee
Opstellen van ontwikkelingsplan AlmereDeels

Toelichting beleidsprestaties 2003

Vastleggen verstedelijkingsafspraken in convenantenIn het jaar 2003 zijn er geen bestuurlijke overeenkomsten gesloten. Bestuurlijke overeenkomsten als bedoeld komen voort uit het werk aan de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en zouden onder de naam «Landsdeelconvenanten» gesloten worden met de besturen van de landsdelen. Het werk is nu gericht op de Nota Ruimte die in het voorjaar van 2004 gepresenteerd zal worden. Dan zal blijken of er bestuurlijke overeenkomsten zullen worden opgesteld en gesloten.

Opstellen en uitvoeren van het programma Deltametropool

In 2003 is het programma deltametropool op basis van de Stellingnamebrief en Hoofdlijnenakkoord aangepast voortgezet. Er is intensief meegewerkt aan de totstandkoming van de noordvleugel- en zuidvleugeldocumenten.

Opstellen van ontwikkelingsplan Almere

Voor wat de totstandbrenging van een ontwikkelingsplan Almere betreft is in april 2003 een startconvenant ondertekend waarin partijen (Rijk vertegenwoordigd door de minister van VROM, Almere, Flevoland, Amsterdam, N.Holland en de provincie Utrecht) afspreken een integraal ontwikkelingsplan (IOP) voor Almere op te stellen en op basis daarvan een Bestuursakkoord te ondertekenen. In december 2003 is het IOP afgerond en geaccordeerd door de stuurgroep Almere). Bestuursakkoord is voorzien voor medio 2004.

6.2.1.2. Nieuwe Sleutelprojecten

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Uitvoeren Nieuwe SleutelprojectenDeels

Toelichting beleidsprestaties 2003

Uitvoeren Nieuwe Sleutelprojecten

De Nieuwe Sleutelprojecten zijn integrale stedenbouwkundige projecten op en rond de stations van de hogesnelheidstrein: Amsterdam-Zuid/WTC (Amsterdam Zuidas), Rotterdam Centraal, Utrecht Centraal, Den Haag Centraal, Arnhem en Breda. De ontwikkeling van deze stedelijke hoogwaardige vestigingsmilieus versterken de internationale concurrentiepositie van Nederland, ondersteunen de stedelijke netwerken en dragen wezenlijk bij aan de vitaliteit en economische structuur van de betrokken steden.

Met de gemeenten, provincies, de ministeries Financiën, Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken en overige betrokken partijen, zoals de NS, is door DGR intensief samengewerkt aan de planvorming van de Sleutelprojecten en de voorbereiding van de uitvoeringsafspraken.

Voor het sleutelproject Den Haag is een Bestuurlijke Overeenkomst Uitvoering voorbereid en in december 2003 door het Rijk en de gemeente Den Haag ondertekend. Voor NSP Arnhem is de voorbereiding van de uitvoeringsafspraken zo goed als afgerond, medio 2004 wordt de uitvoeringsovereenkomst ondertekend. Voor Breda zijn het gemeentelijke masterplan en de toetsing van dat plan door het Rijk afgerond en wordt de architectenselectie voor de OV-terminal en de uitvoeringsovereenkomst voorbereid. Voor Rotterdam is overeenstemming bereikt over de bouwstenen voor het stedenbouwkundig plan en is de architect voor het voorlopig ontwerp van de OV-terminal geselecteerd. Voor Utrecht is het gemeentelijk masterplan afgerond en is de toetsing van dit plan door het Rijk in een vergevorderd stadium gebracht. Voor het project Amsterdam Zuidas geldt dat de voorkeur voor het dokmodel is herbevestigd. Vooronderzoeken ten behoeve van het sluitend maken van de businesscase en het vormgeven van samenwerkingsvormen en het in kaart brengen van de risico's zijn uitgevoerd.

Er is in 2003 geringe vertraging in het proces ontstaan. Met name complexiteit in de planvorming en het sluitend maken van de financiering van de projecten hebben meer tijd gevergd dan voorzien.

NSP2003 (planning)2003 (realisatie)2004 (planning)2005 (planning)
AmsterdamPPPU
RotterdamUP/UU 
UtrechtP/UP/UU 
Den HaagUU  
BredaUP/UU 
ArnhemUP/UU 

P= planvorming, P/U= afronding planvorming zo mogelijk uitvoeringsafspraken, U= uiterste termijn uitvoeringsafspraken

6.2.1.3. Intensief en meervoudig ruimtegebruik (Externe Veiligheid)

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Ontwikkelen ruimtelijke visie op externe veiligheidJa, deels

Toelichting beleidsprestaties 2003

Ontwikkelen ruimtelijke visie op externe veiligheid

De werkzaamheden van de in de begroting genoemde taskforce, die is ingesteld met het oog op het zoeken naar oplossingen voor de spanning tussen ruimtelijk beleid en de beleidsvernieuwing externe veiligheid, zijn vergevorderd. Daarover is meest recentelijk gerapporteerd in een brief aan de Tweede Kamer (VROM 030567 dd 15 September 2003) over de ketenstudies en het project KIEV. De in de begroting aangekondigde ruimtelijke visie krijgt zijn beslag in de Nota Ruimte. Bij de herbezinning over deel 3 van de Vijfde Nota is besloten om af te zien van het sluiten van regioconvenanten. Wel zijn in 2002 verstedelijkingsafspraken gemaakt met een aantal regio's, waarin aandacht is besteed aan de spanning tussen ruimtelijke ordening en het veiligheidsbeleid.

6.2.1.4. Duurzame ontwikkeling van stedelijke netwerken

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Bijdragen aan investeringsprojecten middels het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK)Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

Bijdragen aan investeringsprojecten middels het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK)

Op 28 januari 2003 is de Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) gepubliceerd. BIRK draagt bij aan investeringsprojecten van andere overheden in stedelijke netwerken, nationale landschappen en de Nieuwe Hollandse Waterlinie die anders niet, of niet met de gewenste kwaliteit van de grond komen. Het doel is de versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland door de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In het FES is een budget voor BIRK gereserveerd van € 418 mln. tot 2010.

Ten behoeve van de toetsing en beoordeling van nieuwe projectvoorstellen is een toetsingskader met criteria ontwikkeld en is een adviescommissie ingesteld. Tot 16 mei 2003 zijn er 31 projectvoorstellen aangemeld waarvan er 26 in behandeling konden worden genomen. In november en december 2003 zijn deze projectvoorstellen beoordeeld op hun inhoudelijke, financiële en procesmatige kwaliteit. Sinds 16 mei 2003 zijn er nog eens 23 projectvoorstellen aangemeld. Voor de projectvoorstellen 16 mei is door de Adviescommissie BIRK advies uitgebracht. De minister neemt begin 2004 een besluit over de naar de uitwerkingsfase toe te laten projecten. Na verdere uitwerking van projectvoorstellen die daarvoor in aanmerking komen, neemt de Minister van VROM vanaf medio 2004 een besluit over de toekenning van een bijdrage aan deze projectvoorstellen.

Daarnaast is in 2003 aan een aantal projecten een financiële bijdrage toegekend op basis van eerdere toezeggingen. Voor de realisering van een ecologische poort is een financiële bijdrage verstrekt aan de realisering van de Renkumse Beek. De kwaliteit van de leefomgeving in Maastricht krijgt een impuls door de financiële bijdrage aan een verdiepte ligging van de A2 door Maastricht. Met een investeringsbijdrage aan Zaltbommel is een urgent milieuknelpunt oplosbaar en is een impuls gegeven aan de stedelijke ontwikkeling van deze vestingstad.

6.2.2. Operationeel doelstelling «Versterken cultuurhistorische identiteit»

Bij de inrichting van gebieden is het van belang dat cultuurhistorische elementen behouden en waar mogelijk versterkt worden.

De inzet van VROM richt zich op:

– project Belvedere.

– Beheer rijksmonumenten

– Stimuleren architectonische kwaliteit

Het doelbereik 2003

Het project Belvedere heeft in 2003 de uitvoering van een aantal projecten mogelijk gemaakt die bijdragen aan het behoud en de versterking van cultuurhistorische elementen.

Aan het behouden en waar mogelijk versterken van cultuurhistorische elementen is in 2003 bijgedragen door middel van de subsidieregeling Belvédère en het beheer van monumenten in rijksbezit.

Project Belvedere

Belvedere is een gezamenlijk project onder de verantwoordelijkheid van de bewindslieden van OCW, LNV, VROM en V&W. De Staatssecretaris van OCW is de coördinerend bewindspersoon. Vanwege het ruimtelijk ordeningsbelang is VROM intensief betrokken bij de uitvoering en draagt financieel bij in de uitvoeringskosten.

Via de Subsidieregeling Belvedere (€ 4.6 miljoen) werden er weer een groot aantal (67) plannen en projecten gestimuleerd waarbij de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke ordening centraal stond (20 lokale en 8 stedelijke projecten, 11 regionale en 27 projecten die betrekking hadden op kennis, experimenteel dan wel thematische projecten.). De regeling wordt in opdracht van de Belvedere bewindslieden uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SfA) en in 2003 waren er twee rondes. Vanaf 2003 is de categorie lokaal in de regeling ook opengesteld voor projecten buiten de Belvedere gebieden en vanaf de tweede tranche-2003 is de categorie «regionaal» opengesteld voor alle Belvedere gebieden.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie is nationaal project binnen Belvedere en een van de 10 grote projecten in de Architectuurnota. VROM is daarom betrokken bij de ontwikkeling van de Linie via Bureau Rijksbouwmeester (ontwerpkwaliteit). Tevens is VROM via het reguliere beleid betrokken bij verschillende gebiedsdelen van de Linie. De voordracht tot plaatsing op de UNESCO Werelderfgoedlijst is tijdelijk opgeschort omdat Nederland de komende 4 jaar voorzitter is van de commissie die over de voordrachten gaat.

Via regulier beleid en de meerjarenprogramma's investeert en subsidieert het rijk veel in het gebied van de Linie. Het project Nieuwe Hollandse Waterlinie zit nu in de overgangsfase van visievorming naar ontwikkeling. Provincies, waterschappen en gemeenten moeten projecten gaan uitvoeren en zijn daar al mee bezig.

Er is in 2003 geen Interreg aanvraag ingediend omdat het Limes project nog niet ver genoeg gevorderd is. Om meer zicht te krijgen op nut, noodzaak en meerwaarde van het Limes project is in 2003 een meerdaags en multidisciplinair Ontwerpatelier Limes georganiseerd. Op grond hiervan is een document verschenen onder de titel «de gewenste geschiedenis, pleidooi voor het Limes programma». Er wordt gewerkt aan bestuurlijk draagvlak en een provinciale intentieverklaring.

In 2003 is een evaluatie uitgevoerd naar het Belvedere beleid van de afgelopen 2 jaar. De Tweede Kamer zal deze monitor begin 2004 ontvangen. De conclusie is dat er ten opzichte van 2001 veel vooruitgang is geboekt wat betreft bekendheid, doorwerking en uitvoering. Nog niet alle doelgroepen worden in voldoende mate bereikt.

Beheer monumenten in rijksbezit

Door monumenten in rijksbezit te onderhouden en te renoveren draagt de rijkshuisvesting o.a. bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gebieden waarin de monumenten zich bevinden. Het Catshuis in Den Haag en de Trompenburg in 's-Graveland zijn in het oog springende belangrijke restauraties. De methodiek bouwhistorisch onderzoek, een geheel nieuwe wijze van inventariseren en rapporteren, wordt al breed toegepast (onder meer bij de vernieuwing van het Rijksmuseum) maar zal nog verder worden geoperationaliseerd.

De inventarisatie van het project Inspirerende Bouwkunst, waarmee een beperkt aantal moderne gebouwen van de Rijksgebouwendienst als bijzonder waardevol uit historisch en architectonisch oogpunt wordt aangemerkt, nadert de voltooiing. De afronding hiervan in de vorm van een publicatie is voorzien begin 2004.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Beheer 348 monumenten in rijksbezitJa
Methodiek bouwhistorisch onderzoekDeels
Opstellen indicator «onderhoudstoestand monumenten» (zie 6.3)Nee

6.2.3. Operationele doelstelling: «Stimuleren architectonische kwaliteit»

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Methodiek beheer, analyse en aanpak van openbare ruimte (2005)Nee
Subsidieverstrekking ter ondersteuning vakgebied en verspreiding kennisJa
Toepassing beeldende kunst in rijkshuisvesting (1%-regeling)Ja
Nieuwbrieven en tussentijdse rapportage tien grote projectenJa
Update Handboek Beeldende KunstJa
Nieuwe regeling voor de Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap «De Gouden Piramide»Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

Het architectuurbeleid schept gunstige voorwaarden voor de totstandkoming van architectonische kwaliteit en geeft architectonische impulsen aan de landschappelijke en stedelijke ontwikkeling in Nederland. De uitvoering van het architectuurbeleid, i.c. de nota «Ontwerpen aan Nederland» 2001–2004 is gecontinueerd. Aan de ondersteuning van de tien Grote Projecten is invulling gegeven door de stimulering en bewaking van de architectonische kwaliteit en de inzet van ontwerpende disciplines (o.a. Deltametropool, A12, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Architectuur & Bedrijventerreinen, Zuiderzeelijn).

Een begin is gemaakt met het beschrijven van het architectuurbeleid 2005–2008.

In 2003 is gewerkt aan de «Rijksbouwmeester nieuwe stijl». De voorstellen worden in 2004 voorgelegd aan het kabinet. Het betreft onder meer een verdere verbreding van het werkdomein van de Rijksbouwmeester naar aanpalende (beleids)terreinen waaronder het landschap, de infrastructuur en het cultureel erfgoed en het instellen van een College van Rijksadviseurs voor de verschillende disciplines van het ruimtelijk ontwerp.

In de sfeer van het onderwijs is gestart met Het Experiment, een (voorlopig) tweejarig programma als brede praktijkervaring voor jonge architecten. In het kader van de Wet op de Architectentitel vindt nadere afstemming plaats met onderwijsinstellingen over de nieuwe bachelor/master-systematiek. In het kader van intensivering van het cultureel opdrachtgeverschap is een stimuleringsprogramma uitgezet met als thema «Herstructurering naoorlogse wijken» dat begin 2004 wordt afgerond. Voor het welstandbeleid heeft monitoring en stimulering van de totstandkoming van goede welstandsnota's van gemeenten plaatsgevonden.

De omvang van de beeldende kunst die in 2003 in het kader van de Percentageregeling in ontwerp en uitvoering was, is groot: circa 80 projecten, waarmee ruim € 6,5 miljoen is gemoeid. In 2003 zijn 24 projecten met een totale omvang van € 1,2 miljoen opgeleverd.

6.3 Groeiparagraaf

 Realisatie
Vijfde Nota 
Nulmeting o.b.v de Vijfde Nota – 2002Nee
Aanpassing van de Vijfde Nota aan het Strategisch AkkoordJa
Verzenden Stellingnamebrief aan de Tweede KamerJa
Deltametropool/BIRK 
Verdere ontwikkeling en invulling van prestatie indicatoren 2004, zowel procesindicatoren als prestatie-indicatorenNee
Operationalisering van effect indicatoren voor Deltametropool en BIRK – 2004Nee
Explicitering van beleidstheorie van de Deltametropool – 2004Nee
Evaluatieonderzoek Deltametropool (verificatie veronderstellingen) – 2004Nee
Presenteren indicator voor de kwaliteit van de onderhoudstoestand van monumentenNee

Toelichting op de resultaten 2003:

De afgelopen periode zijn er een aantal ontwikkelingen geweest die van invloed zijn op de verantwoording over het VROM-beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Zo is de PKB Vijfde Nota niet vastgesteld door de Staten-Generaal maar aangepast aan het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkende I. Vervolgens heeft de minister van VROM eind 2002 de «stellingnamebrief» verzonden aan de Tweede Kamer waarin de genoemde aanpassingen zijn opgenomen en de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid worden geschetst. Deze aanpassingen en hoofdlijnen zullen worden verwerkt in de PKB Nota Ruimte welke begin 2004 aan de Tweede Kamer ter vaststelling zal worden aangeboden.

In verband met de bovengeschetste onzekerheid over het uiteindelijke beleid was het niet zinvol om in 2003 een nulmeting uit te voeren als referentie voor de voortgangsbeschrijving ten aanzien van de beleidsdoelen van de ruimtelijke ordening de komende jaren.

Bij vaststelling van de PKB Nota Ruimte in 2004 zal VROM in 2004 ten behoeve van de begroting en verantwoording, een systeem van monitoring en evaluatie ontwikkelen gebaseerd op de beleidsdoelen die in de nota zullen staan verwoord. Dit systeem zal zich primair richten op het doelbereik, de inspanningen van VROM en de doorwerking daarvan bij andere overheden. Dit betekent dat er output-, outcome- en prestatie-indicatoren zullen worden ontwikkeld bij de doelstellingen zoals die in de Nota Ruimte worden opgenomen met betrekking tot «Verbeteren stedelijke inrichting». De genoemde prestatie-indicatoren zullen heroverwogen worden.

Beoogd was om in de begroting 2004 een indicator op te nemen voor de kwaliteit van de onderhoudstoestand van monumenten. Voor een representatief beeld moet de steekproef echter groter zijn dan het tot dan toe geïnspecteerde deel van de voorraad. Voor het totaal van de objecten zullen de onderhoudsinspecties ultimo 2004 zijn afgerond, zodat over de uitkomsten in de Jaarverantwoording 2004 kan worden gerapporteerd.

6.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-8.gif

Toelichting:

De overuitputting op artikelniveau is met name toe te schrijven het operationeel doel «Verbeteren stedelijke inrichting» en wel het instrument «Investeringsbijdragen Vijfde Nota uit FES fonds en organisatiekosten BIRK». Deze overuitputting wordt voor een deel gecompenseerd door een onderschrijding op het operationele doel «Cultuurhistorische indentiteit» en de apparaatsuitgaven. In deel C. Jaarrekening: «Toelichting beleidsartikel 6» wordt hierop nader ingegaan.

Daarnaast is er sprake van een forse verpllichtingenoverschrijding. Ook dit zal worden toegelicht.

Artikel 07. Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau

7.1 Algemene doelstelling

Het beleid is gericht op het daadwerkelijk voorkomen en terugdringen van geluidhinder, van veiligheidsrisico's van industriële activiteiten en van risico's van lucht- en bodemverontreiniging door het bevorderen van de lokale uitvoering van het milieubeleid. Uitwerking van deze algemene doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

7.2.1 Lokale milieukwaliteit en gebiedsgericht beleid

7.2.2 Uitvoering bodemsanering

7.2.3 Geluidsreductie

7.2.4 Waarborgen externe veiligheid.

Doelbereik 2003

Op basis van de (hierna te behandelen) informatie per operationeel doel kan de conclusie getrokken worden, dat in algemene zin het voorkomen en terugdringen van lokale milieuproblemen in 2003 verbeterd is. Voor het doelbereik op lange termijn moet vermeld worden, dat de definitieve sanerings-doelstellingen voor geluidhinder en bodemverontreiniging in de tijd naar achteren zijn verschoven door de invulling die VROM gegeven heeft aan de taakstellingen. Het nieuw ontwikkelde beleid ter voorkoming en terugdringing van veiligheidsrisico's zal in de komende jaren effect op de daadwerkelijke verhoging van de externe veiligheid hebben.

7.2 Operationele doelstellingen

7.2.1 Operationele doelstellingen «Lokale milieukwaliteit en gebiedsgericht beleid»

Het doel van het lokale milieubeleid is dat (A) het bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving, (B) het zorg draagt voor een vernieuwing van het geluidsbeleid (t.b.v. beleidsdoelen NMP4 en implementatie EU-richtlijn omgevingsgeluid in 2004) en (C) voldaan wordt aan de normen voor lokale luchtkwaliteit.

Het doelbereik 2003

7.2.1.A Kwaliteit van de leefomgeving

Het is in 2003 gebleken dat de doelen voor de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in de praktijk moeilijk te definiëren zijn. Ten opzichte van het NMP4 is bij de beleidsontwikkeling inzake het Bestuursakkoord Leefomgeving gekozen voor een minder verplichtende en meer decentrale aanpak. De andere overheden zullen het ambitieniveau ten aanzien van het doelbereik formuleren.

Een centrale doelstelling op het gebied van Stad & Milieu is moeilijk te definiëren. VROM faciliteert in het geven van handreikingen op het gebied van minimum- en ambitiewaarden zodat de decentrale overheden invulling kunnen geven aan het beleid.

7.2.1.B Vernieuwing van het geluidsbeleid

De vernieuwing van het geluidsbeleid ligt op schema.

7.2.1.C Lokale luchtkwaliteit

De doelstelling voor 2003 voor de verbetering van de lokale luchtkwaliteit is vanwege vertraging in het wetgevingstraject niet gehaald.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
1. Kwaliteit van de leefomgeving 
• Vastleggen van de afspraken leefomgevingskwaliteit in een bestuursakkoordNee
• Verwerken resultaten van de SGM-evaluatie in de vormgeving en uitvoering van het sturingsmodel gebiedsgerichte inrichting landelijk gebiedJa
• Voorbereiden kabinetsstandpunt Stad en MilieuGedeeltelijk
2. Vernieuwing geluidsbeleid 
• Opstellen van de ontwerp-uitvoerings AMvB's MIGJa
• Parlementaire behandeling Wet geluidhinder i.v.m. implementatie van de EU-richtlijn OmgevingsgeluidJa
3. Lokale luchtkwaliteit 
• Opstellen rapportage bestrijdings-plannen luchtkwaliteit t.b.v. EUNee
• Implementatie 3e EU-dochterrichtlijn LuchtkwaliteitNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

1. Kwaliteit van de leefomgeving

• Vastleggen van de afspraken leefomgevingskwaliteit in een bestuursakkoord

De ontwikkeling van de werkwijze en de handreiking voor milieukwaliteit in de leefomgeving heeft meer tijd gekost dan voorzien. De samenwerking met het IPO, de VNG en de UvW heeft aan het eind van het jaar geresulteerd in een eindconcept van de handreiking. Het bestuursakkoord heeft voornamelijk betrekking op de implementatie van de werkwijze. De afspraken zijn daarover voorbereid. In de afrondingsfase wordt nu een gedetailleerde uitwerking gemaakt om met de implementatie te kunnen starten in het voorjaar van 2004. Een bestuursakkoord wordt gezien de inhoud van de afspraken door de partijen niet meer nodig geacht.

• Verwerken resultaten van de SGM-evaluatie in de vormgeving en uitvoering van het sturingsmodel gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied

De resultaten van de evaluatie van de SGM zijn ingebracht in de uitgangspunten en de contouren van het nieuwe sturingsmodel voor het landelijk gebied. Een integrale kwaliteitsverbetering van het gebied (niet uitsluitend milieu) centraal stellen, de bottom-up werkwijze, provincie regisseur van planning en uitvoering en het verbeteren van de resultaatgerichtheid en afrekenbaarheid van rijksgeldstromen, zijn belangrijke onderwerpen die een plek hebben gekregen in de eerste opzet van het nieuwe sturingsmodel voor het landelijk gebied. Dit sturingsmodel zal in 2004 verder worden uitgewerkt. Hiervoor wordt verder verwezen naar artikel 10.

• Voorbereiden kabinetsstandpunt Stad en Milieu

De Evaluatiecommissie Stad en Milieu heeft de tweede tussenevaluatie in november afgerond en voorts aangekondigd dat begin 2004 nog een laatste rapportage wordt opgesteld. Het kabinetsstandpunt zal daarom pas in 2004 worden bepaald. Het voorstel tot wettelijke verankering van Stad en Milieu zal medio 2004 aan de Tweede Kamer ter behandeling worden aangeboden.

2. Vernieuwing geluidsbeleid

• Opstellen van de ontwerp-uitvoerings AMvB's MIG

Een wetsvoorstel MIG II, fase 1 dat de vernieuwing van het instrumentarium geluidbeleid deels regelt en de basis voor een AMvB zal zijn, is in concept gereedgekomen. Het voorstel zal in 2004 aan de Raad van State voor advies worden gezonden.

De vernieuwing van het geluidbeleid verloopt fasegewijs. Dat betekent dat het implementeren van de EU-richtlijn in juli 2004 gereed is en voornoemd wetsvoorstel voorjaar 2005 van kracht wordt.

• Parlementaire behandeling Wet geluidhinder i.v.m. implementatie van de EU-richtlijn Omgevingsgeluid

In 2003 is het wetsvoorstel voor de implementatie van de EU-richtlijn omgevingslawaai ingediend bij de Tweede Kamer (2 september, nr. 29 021). De parlementaire behandeling in de Tweede Kamer heeft in 2003 plaatsgevonden, aan de hand waarvan op 24 oktober 2003 het verslag door de Kamer is vastgesteld. De beantwoording van het verslag wordt begin 2004 aan de Tweede Kamer aangeboden.

De AMvB die volgt uit de aanpassing van de Wet geluidhinder voor de implementatie van de EU-richtlijn, is afgerond en wordt begin 2004 voor advies aan de Raad van State gezonden.

3. Lokale luchtkwaliteit

• Opstellen rapportage bestrijdingsplannen luchtkwaliteit t.b.v. EU

In 2003 heeft geen rapportage over bestrijdingsplannen aan de EU plaatsgevonden. Reden hiervoor was dat de kwaliteit van de luchtkwaliteitsgegevens waarmee knelpuntlocaties in beeld gebracht worden, begin 2003 nog onvoldoende was. Inmiddels is de kwaliteit van deze gegevens verbeterd, waardoor nu duidelijk is geworden voor welke situaties bestrijdings-plannen ontwikkeld moeten worden. De rapportage aan de EU zal in 2004 plaatsvinden.

• Implementatie 3e EU-dochterrichtlijn Luchtkwaliteit

De Tweede Kamer heeft verzocht om het Besluit luchtkwaliteit in te trekken en de luchtkwaliteitsnormstelling in een wettelijke regeling onder te brengen. Dit heeft er toe geleid dat de 3e dochterrichtlijn niet geïmplementeerd kon worden middels een wijziging van het Besluit luchtkwaliteit. De implementatie maakt nu deel uit van de voorbereiding van het wetsvoorstel dat het Besluit luchtkwaliteit zal gaan vervangen. Naar verwachting zal de desbetreffende wettelijke regeling eind 2004 in werking kunnen treden.

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Tweede Tussenevaluatie Stad en MilieuTweede evaluatie bevestigt de positieve ervaringen van Stad en Milieu.Beleid voortzetten, waaronder de voorbereiding van een generieke wettelijke regeling van Stad en Milieu.Tussenevaluatie is toegezonden aan Tweede Kamer; kabinetsstandpunt op basis van de eindrapportage zal in 2004 worden bepaald.

7.2.2 Uitvoering bodemsanering

Het einddoel van het bodemsaneringsbeleid, zoals opgenomen in het NMP3 en de begroting 2003 is de beheersing van de bodemverontreinigingsproblematiek per 2023. Ten gevolge van de invulling die VROM heeft gegeven aan de taakstelling is het einddoel verschoven naar 2030.

Het doelbereik 2003

Ten aanzien van de beheersing van de bodemverontreinigingsproblematiek is een zeer belangrijke stap gezet met de inventarisatie van de omvang van de bodemverontreiniging en de risico's en met het leggen van meer verantwoordelijkheden bij gemeenten. Met de kennis van de omvang van de bodemverontreinigingproblematiek is het voor het bevoegd gezag mogelijk om adequate maatregelen te nemen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit kwaliteitsverbeterende maatregelen, maar ook uit het opleggen van gebruiksbeperkingen. Daarmee is ten aanzien van de risico's van de volksgezondheid de angel uit het probleem.

Uiteraard betekenen gebruiksbeperkingen dat maatschappelijke ontwikkelingen kunnen stagneren en ook hebben deze beperkingen een drukkend effect op de waarde van het onroerend goed.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Parlementaire behandeling van de wijziging Wbb en regelgeving, de AMvB's voor financiële bepalingen en de saneringsdoelstellingNee
• Aanbieding monitoringrapportage bodemsanering over 2002 aan parlementJa
• Inventarisatie omvang ernstige bodemverontreiniging door asbestJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Parlementaire behandeling Wijziging Wbb

Met de beleidsbrief bodem (TK 2003–2004, 28 663, nr. 13), is de Tweede Kamer over dit onderwerp geïnformeerd.

• Jaarverslag bodemsanering over 2002 – de monitoringsrapportage

De mate van realisatie van de doelstelling uit het NMP3 wordt jaarlijks gemonitord.

In de voortgangsgesprekken, die in 2003 zijn gehouden met de bevoegde overheden naar aanleiding van de monitoringsrapportage, zijn de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van het opnemen van meetbare prestaties in de meerjaren-programma's meegenomen. Die geplande prestaties en de verantwoording van die prestaties zijn toetsbaar gemaakt. Op basis van de geplande prestaties uit de meerjarenplannen en de monitoring is het mogelijk de voortgang te bewaken. De voorwaarden voor aanleveren van prestaties worden ook gebruikt voor het vaststellen van de toetsbare prestaties voor de periode 2005 t/m 2009.

Tabel 7.1. Voortgang Bodemsaneringoperatie (in aantallen afgeronde gevallen)
 Gerealiseerd 2001Gerealiseerd 2002Raming 2003Gerealiseerd 2003Raming 2004
Stedelijk gebied (ISV)     
– oriënterend onderzoek95545600217600
– nader onderzoek58160150103150
– sanering2028603640
      
Landelijk gebied (Wbb)     
– oriënterend onderzoek700284800329300
– nader onderzoek18499150106100
– sanering4850603940
      
Sanering Eigen Beheer     
– oriënterend onderzoekNvtNvtNvtNvtNvt
– nader onderzoek1 3251 0181 5001 2331 000
– sanering1 0296501 200860800

Bron: RIVM

• Inventarisatie bodemverontreiniging door asbest

De omvang van de bodemverontreiniging door asbest is in kaart gebracht. Per 1 januari 2004 is de nulmeting gereed. Deze informatie kan gebruikt worden om in 2004 de ISV- en Wbb-meerjarenprogramma's bodemsanering 2005 t/m 2009 op te stellen. In 2004 vindt een controle plaats op de uitgevoerde inventarisatie.

De genoemde inventarisatie betrof een onderzoek naar hoe de financiële gevolgen van de aanwezigheid van asbest zijn te verwerken in het landsdekkend beeld van de bodemkwaliteit. Het onderzoek heeft hiervoor een methode opgeleverd. Bij het onderzoek heeft geen inventarisatie plaatsgevonden naar alle potentieel met asbest verontreinigde locaties, alhoewel er daar wel een aantal van zijn geïdentificeerd. De resultaten van het onderzoek worden door de diverse overheden doorvertaald naar het beeld van de bodemkwaliteit binnen hun gemeente of provincie.

• Ontvangsten uit kostenverhaal

In de presentatie van de in behandeling zijnde verhaalsgevallen is een wijziging doorgevoerd die tot een beter inzicht van de verhaalsinspanning leidt. In eerdere financiële rapportages is uitgegaan van potentiële vorderingen op basis van het aantal uitgevoerde saneringsprojecten. Deze informatie is nu verfijnd. Voortaan zal het aantal individuele verhaalszaken worden gemeld. Omdat binnen een saneringsproject meerdere verhaalsdiscussies kunnen worden gevoerd (bijvoorbeeld tegen zowel een eigenaar als ook een veroorzaker) is het aantal gemelde gevallen hoger. Op de omvang van de potentiële vorderingen heeft deze verfijning uiteraard geen invloed.

In 2003 zijn 1100 individuele zaken afgewikkeld, waarmee het totaal aan afgewikkelde zaken op 2000 komt. Van 2800 mogelijk voor kostenverhaal in aanmerking komende individuele verhaalszaken zijn ultimo 2003 nog 800 zaken in behandeling, dit is ten opzichte van 2002 (550 zaken) een stijging van 250 zaken.

De totale verhaalsopbrengsten in 2003 zijn € 4 mln. en daarmee € 1 mln. lager dan de verwachting die voor 2003 was uitgesproken. Reden hiervoor zijn dat een belangrijke inspanning is geleverd in het voorbereiden van nieuw op te starten verhaalszaken. Daarnaast zijn de reeds in behandeling zijnde zaken complex en is de voortgang van de afwikkeling moeilijk te sturen doordat betrokken derden, zoals wederpartijen en rechtbanken, de afwikkelingstermijnen kunnen beïnvloeden.

Om de uitvoering van de verhaalstaak voor de toekomst te waarborgen is in 2003 besloten de uitvoering ervan voort te zetten en onder te brengen in een uitvoeringsorganisatie waarin diverse bodemsaneringstaken zullen worden samengevoegd.

• Overige prestaties in 2003

Onder andere op verzoek van de Tweede Kamer (10 april 2002) krijgt de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de saneringsoperatie extra aandacht. Dit is in 2003 mede vormgegeven door:

– Een (wettelijke) regeling voor de kwaliteitsborging van de bodemintermediairs in 2003.

– In 2003 is in samenwerking met het bevoegd gezag een opleiding op het gebied van bodembeleid gestart voor ambtenaren.

– Het verbeteren van het toezicht door het bevoegd gezag-Wbb op de uitvoering van bodemsaneringsprojecten.

– Het opstellen van toezichts- en handhavingsplannen door gemeenten en provincies en de toetsing daarvan vanuit haar deskundigheid door de VROM-inspectie.

– Ter ondersteuning van met name de nieuwe bevoegde overheden, zijn voorbereidingen getroffen om in 2004 een uitvoeringsorganisatie bodemsanering op te zetten. De uitvoeringsorganisatie heeft tot doel om te komen tot een efficiency- en effectiviteitslag bij de uitvoering van bodemsaneringsprojecten.

– Het wettelijk verplicht stellen van het ter goedkeuring voorleggen van evaluatie-rapporten aan de bevoegde overheden per 2004; dit maakt deel uit van de wetsvoorstellen die in 2004 worden voorgelegd.

Beleidsevaluatie 2003

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
MonitoringsrapportageHet (reguliere) jaarverslag bodemsaneringn.v.t. Het jaarverslag over 2002 is op 14 juli 2003 aangeboden aan de Tweede Kamer (vrom030470) 

7.2.3 Geluidsreductie

Het beleid is gericht op het afronden van de meest urgente gevallen van sanering van verkeerslawaai in 2017 en het afronden van sanering industrielawaai in 2003, behoudens enkele specifieke, complexe situaties.

Het doelbereik 2003

De onderdelen betreffende de saneringsoperaties verkeerslawaai en industrielawaai zijn minder ver afgerond dan voorzien. Voor verkeerslawaai zal mede ten gevolge van de bezuinigingen minder subsidie worden gegeven voor het treffen van maatregelen. Bij de behandeling van de begroting 2004 is hierover met de Tweede kamer overleg gevoerd. De verwachting is momenteel dat de sanering van de urgente gevallen in 2023 kan worden afgerond in plaats van in 2017. Voor de saneringsoperatie industrielawaai geldt dat de provincies hebben aangegeven 2 jaar extra (tot 2005) nodig te hebben om de procedures af te ronden en de vergunningen aan te passen. De vertraging is voornamelijk het gevolg van bezwaar- en beroepsprocedures.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Uitvoering projecten sanering verkeerslawaai volgens geluidsanerings-programma 2003Gedeeltelijk
• Implementatie diverse maatregelen voor bronbeleid geluidsreductie rail, voertuigen en wegdekJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Uitvoering projecten sanering verkeerslawaai volgens geluidsaneringsprogramma 2003

Tabel 7.2 Geluidsaneringsprogramma 2003, geschat
  verkeersmaatregelenafscherming wegwoningen met een geluidbelasting >70 dB(A)afscherming rail
  budget in euraantallen woningenbudget in euraantallen woningenbudget in euraantallen woningenbudget in euraantallen woningen
prognoseprojecten in uitvoering11 295 5658 17978 058 97812 160419 7473716 258 1192 597
 projecten in voorbereiding3 287 1841 51614 839 0673 5092 019 32217847 145 3893 214
 totaal14 582 7499 69592 898 04515 6692 439 06921563 403 5085 811
          
 verwachte aanvragen1 191 1731 1823 971 6933381 669 50012323 455 1931996
          
Geluidsaneringsprogramma einde 2003, werkelijk
uitkomstprojecten in uitvoering10 409 4816 01863 661 4779 0691630 4834117 566 1371 914
 projecten in voorbereiding3 120 6811 42024 259 1833 5093 502 18128234 316 6474 219
 totaal13 530 1627 43887 920 66012 57814 132 66432351 882 7846 133
          
 aanvragen003 849 537211814 0006026 004 4742 3962

1inclusief 4 scholen

2inclusief 4 scholen

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai

Toelichting:

Er zijn eind 2003 minder saneringswoningen onderhanden dan verwacht. De oorzaak hiervan is niet op een gedetailleerd niveau aan te geven, omdat vergelijking tussen de samenstelling van de gerealiseerde cijfers en de samenstelling van de voorspelde cijfers door grote planningswijzigingen als gevolg van de bezuinigingen niet goed mogelijk is. Op globaler niveau laten de verschillen zich als volgt verklaren:

Bij het onderdeel verkeersmaatregelen worden de verschillen tussen de verwachte en de gerealiseerde cijfers met betrekking tot het aantal onderhanden woningen en de kosten van de onderhanden projecten, voornamelijk veroorzaakt door het niet doorgaan van een groot verkeersmaatregelenproject.

Over het onderdeel afscherming weg kan in algemene zin gezegd worden dat er in 2003 meer saneringsprojecten (o.a. Zwijndrecht ad ca € 15 miljoen) zijn afgehandeld dan verwacht en dat er als gevolg van de bezuinigingen minder projecten een toezegging hebben gekregen. Beide ontwikkelingen hebben tot gevolg dat het aantal onderhanden woningen gedaald is ten opzichte van de prognose.

Op het onderdeel afscherming railverkeerslawaai wijkt het aantal onderhanden woningen niet sterk af. Wel is er minder subsidie aan voorbereiding toegezegd dan verwacht. Voornamelijk komt dit doordat aan het project Overijssel NaNOV tot op heden minder aan voorbereidingsgelden kon worden uitgegeven dan gepland.

• Implementatie diverse maatregelen voor bronbeleid geluidsreductie rail, voertuigen en wegdek.

Samen met het ministerie van V&W is de uitvoering van het Innovatieprogramma Geluid voortgezet. Het budget voor het Innovatieprogramma Geluid (IPG; € 110 miljoen tot en met 2010) is structureel aan de begroting van V&W toegevoegd. In het kader van het IPG zijn nieuwe proefvakken stil wegdek op de rijkswegen aangelegd, contracten met railvervoerders afgesloten over de aanpassing van de remsystemen in de komende jaren en raildempers geschikt gemaakt voor grootschalige implementatie.

De werkzaamheden die voortkomen uit de subsidieregeling stille wegdekken ten behoeve van provinciale en gemeentelijke wegen zijn voortgezet en bestonden in 2003 voornamelijk uit het verstrekken van middelen aan de andere overheden om de projecten uit te voeren. Voor de monitoring van de akoestische prestaties van de wegdekken zijn afspraken gemaakt met de wegbeheerders. 78 Projecten zijn afgehandeld: € 16,25 mln. ten behoeve van 776 259 m2 stil wegdek. Er zijn ook 3 nieuwe projecten gestart: € 1,5 mln. ten behoeve van 62 190 m2 stil wegdek.

Op internationaal niveau (EU en ECE) loopt het bronbeleid geluid nog niet goed. De kansen om de normering van de geluidemissies van voertuigen en onderdelen daarvan op adequaat niveau te brengen worden niet benut. De inbreng van de industrie bepaalt nog te veel de uitkomst. Met deze uitkomst zullen de kosten voor de veel hoger zijn dan wanneer de kostenefficiënte bronmaatregelen zullen worden toegepast. Voor voertuigen is NL er in de werkgroep van de ECE in geslaagd voldoende steun te krijgen om de auto-industrie geen vrij spel te geven met een nieuwe manier van typekeuren. Dat wordt in het voorstel van de werkgroep aan de ECE verwerkt. Effectieve limietwaarden zijn daar nog niet bespreekbaar. Aan de spoorkant is NL er in geslaagd een effectief minderheidsblok te creëren van landen die reële limieten willen voor conventioneel spoorwegmaterieel.

Alleen deelname in de bestaande gremia is niet genoeg, daar geeft de industrie toch de doorslag. Inzet is om de belangen van VROM en V&W een steviger plaats te geven door de Milieuraad en de Transportraad richtinggevend bij de brondossiers te betrekken. Dat wordt de uitdaging van het Nederlandse Voorzitterschap. Met het oog daarop zal de samenwerking tussen VROM, V&W en EZ nog verder worden verbeterd en geïntensiveerd. In 2003 is daar in het zogenoemde MILVEN overleg een start mee gemaakt.

7.2.4 Waarborgen externe veiligheid

De veiligheidsrisico's moeten tenminste voldoen aan de kwaliteitsambities zoals geformuleerd in het NMP-4. Dit betekent het in 2010 bereiken van een minimum beschermingsniveau voor plaatsgebonden risico van 10–6 en een verantwoordingsplicht ten aanzien van groepsrisico's.

Het doelbereik 2003

Over de mate van doelbereik in 2003 kan geen betrouwbare uitspraak gedaan worden. De gestelde doelen zijn doelen voor 2010 en zijn dus nog niet in 2003 bereikt. De onderstaande prestaties zijn de stappen die in 2003 zijn gezet om het einddoel te bereiken en de mate van realisatie hiervan is aangegeven.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Afronden Ketenstudies van LPG, chloor en ammoniakGedeeltelijk
• Ontwikkelen en operationaliseren nieuw beoordelingskader voor groepsrisico'sGedeeltelijk
• Inwerkingtreding AMvB «Kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen»Nee
• Wetsontwerp verruiming reikwijdte Wm naar MRNee
• Vuurwerkbesluit: het aanpassen van het Vuurwerkbesluit wegens onvolkomenheden; het aanwijzen van vuurwerkconcentratiegebieden en een rapportage over de voortgang van de saneringsoperatieGedeeltelijk/Ja/Ja
• Opstellen actieprogramma ter verbetering van de kwaliteit en professionaliteit uitvoeringsorganisaties; bijdrage regeling vergoeding apparaatskosten andere overhedenJa
• Inrichten van een uitvoeringsorganisatie sanering LPG tankstations en het maken van een start met een saneringsoperatie.Ja
• KIEV: bestuurlijke afspraken worden gemaakt voor de nieuwe sleutelprojecten Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Breda en Arnhem, alsmede voor andere ruimtelijke projecten in de regio's Rotterdam, Amsterdam en DrechtstedenGedeeltelijk

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Afronden Ketenstudies van LPG, chloor en ammoniak

De Ketenstudies LPG, ammoniak en chloor zijn in het eindstadium van het proces. Tot op heden is het gelukt om de doelstelling van het project (ontwikkelen van effectieve structurele maatregelen(pakketten)) te realiseren. De eindrapportage van de Ketenstudies wordt begin 2004 verwacht.

Gestreefd wordt om in april 2004 een kabinetsstandpunt te sturen naar de Tweede Kamer met een reactie op de eindrapportage Ketenstudies. De Tweede Kamer is op de hoogte gebracht van de voortgang van de Ketenstudies in de 3e voortgangsrapportage externe veiligheid (VROM030567, 1 september 2003).

• Ontwikkelen en operationaliseren nieuw beoordelingskader voor groepsrisico's

Hierover is de Tweede Kamer op de hoogte gebracht in de 3e voortgangsrapportage externe veiligheid (VROM030567, 1 september 2003).

• De inwerkingtreding van de AMvB «Kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen»

De AMvB is in 2003 niet in werking getreden. Op basis van het advies van de Raad van State en het door IPO en VNG ingebrachte commentaar is het ontwerpbesluit aangepast. Deze wijzigingen waren nodig met het oog op een goede uitvoerbaarheid van de regeling.

De AMvB zal in 2004 in werking treden.

VROM is in 2003 in overleg met IPO en VNG gestart met de voorbereiding van de gemeenten en provincies op de inwerkingtreding van de AMvB.

• Wetsontwerp verruiming reikwijdte Wm naar Ministerraad

Over voortgang van de verruiming van de reikwijdte WM is de Tweede Kamer op de hoogte gebracht middels de 3e voortgangsrapportage externe veiligheid (VROM030567, 1 september 2003). Om transportrisico's adequaat te kunnen beheersen is naast sturing vanuit de inrichting via verruimde reikwijdte WM ook regelgeving met betrekking tot gebruik van transportroutes van belang. Hier is ministerie van V&W primair voor verantwoordelijk. Het streven is erop gericht deze regelgeving in de loop van 2004 verder voor te bereiden.

• Vuurwerkbesluit: het aanpassen van het Vuurwerkbesluit wegens onvolkomenheden; het aanwijzen van vuurwerkconcentratiegebieden en een rapportage over de voortgang van de saneringsoperatie.

Een wijziging van het Vuurwerkbesluit is voorbereid en vrijwel afgerond. Begin 2004 zal het gewijzigde besluit van kracht worden.

In overleg met de branche is besloten de voorgenomen aanwijzing

van de vuurwerkconcentratiegebieden Ulicoten-C en Kollumerwaard ongedaan te maken. Begin 2004 zal de Tweede Kamer nader geïnformeerd worden over de verdere noodzaak om te komen tot vuurwerkconcentratiegebieden.

De Tweede Kamer is van de voortgang van de sanering op de hoogte gebracht door middel van de 3e voortgangsrapportage externe veiligheid (VROM030567, 1 september 2003).

• Opstellen actieprogramma ter verbetering van de kwaliteit en professionaliteit uitvoerings-organisaties; bijdrage regeling vergoeding apparaatskosten andere overheden.

Voor het einde van 2003 is samen met mede-overheden het actieprogramma uitvoering en handhaving externe veiligheid voorbereid. Bestuurlijk vaststellen van het actieprogramma is voorzien in de eerste helft van 2004. De programmafinanciering, die eind 2003 is gerealiseerd, is de basis hiervoor.

• Inrichten van een uitvoeringsorganisatie sanering LPG tankstations en het maken van een start met een saneringsoperatie.

Als gevolg van de ontwerp-AMvB kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen zullen LPG-tankstations waarbij zich kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de wettelijk vastgestelde minimum afstand, de zogenaamde «10–5 contour» voor het plaatsgebonden risico, binnen 3 jaar moeten worden gesaneerd. Dit zijn met name kleinere stations binnen de bebouwde kom. Op basis van een eerder uitgevoerd «quick-scan» onderzoek (TK 27 801 nr. 16) is aanvankelijk uitgegaan van circa 50 urgent te saneren LPG-tankstations. In de eerste helft van 2003 is een gedetailleerde inventarisatie uitgevoerd van alle circa 2200 LPG-tankstations in Nederland. Hieruit blijkt dat meer stations ongeveer 200 – in aanmerking komen voor urgente sanering. Gemeenten en provincies zijn door de staatssecretaris van VROM in een brief (22 mei 2003, EV/2003036534) geïnformeerd over een saneringsregeling voor de urgent te saneren LPG-tankstations. Inmiddels heeft het bevoegd gezag (de gemeenten) reeds voor ca. 28 concrete saneringssituaties aan VROM laten weten de sanering te willen starten.

In eerste instantie werd aangenomen dat voor de uitvoering van de saneringsoperatie van LPG-stations een beroep zou moeten worden gedaan op een uitvoeringsorganisatie. Op grond van nader onderzoek is besloten de schadevergoedingsregeling in eigen beheer uit te voeren.

• KIEV: bestuurlijke afspraken worden gemaakt voor de nieuwe sleutelprojecten Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Breda en Arnhem, alsmede voor andere ruimtelijke projecten in de regio's Rotterdam, Amsterdam en Drechtsteden.

De meeste knelpunten lijken te kunnen worden opgelost, door een combinatie van factoren. In de eerste plaats door het veronderstelde probleem nauwkeuriger in beeld te brengen in nauw overleg tussen de betrokken overheden. Ook realistischer vervoersprognoses, gunstige effecten van de Betuweroute en een mogelijke omleidingsroute voor gevaarlijke stoffen over de weg in de A'damse regio dragen bij aan dit positieve beeld.

In de Drechtsteden wordt momenteel samen met rijk en provincie een toetsingskader ontwikkeld voor een beoordeling van de externe veiligheidsapecten van ruimtelijke plannen, waarin men het verst is ten aanzien van het transparant maken van een afwegingsproces.

7.3 Beleidsevaluatie 2003

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
BRZOPositieve effecten op veiligheid.Uitvoering en handhaving op punten moeizaamAanpassenBegin 2004 wordt de TK geïnformeerd over de bevindingen van de evaluatie en de beleidsconsequenties
AMvB VuurwerkWijzigingsbesluit voorbereidVoornemen om Vuurwerkbesluit op onderdelen aan te passenTK heeft wijzigingsvoorstellen medio 2003 ontvangen
Wet explosieven civiel gebruikVROM-inspectie inventariseert handhavings- en toezichtstakenOverheveling WECG naar BZK (politie)Medio 2004 informatie aan TK over beleidsconsequenties

7.4 Groeiparagraaf

 Gerealiseerd
Lokale milieukwaliteit 
• Meetbaar formuleren van de doelen m.b.t. de kwaliteit van de leefomgeving, de modernisering van het geluidbeleid en de luchtkwaliteit.Gedeeltelijk
Uitvoering bodemsanering 
• Ontwikkelen van indicatoren voor het monitoren van de bodemsanerings-operatie.Ja
Geluidsreductie 
• Verstrekken van gegevens over aantallen verrichte saneringen, totaal aantal nog te verrichte saneringen en aantal te verrichte saneringen in het desbetreffende begrotingsjaar. Nee
• Opnemen van kwantitatieve gegevens over de aanleg van stilwegdek op basis van de stimuleringsregeling. ja
Waarborgen externe veiligheid 
• Vastleggen van een programmatische uitvoering van de sanering van de vuurwerkbranche op basis waarvan de uitvoering kan worden gevolg. Ja
• Vastleggen van een programmatische uitvoering van de sanering van de urgente gevallen LPG-tankstations op basis waarvan de uitvoering kan worden gevolg.Ja
• Meetbaar formuleren van de beleidsprestaties m.b.t. de externe veiligheid. Gedeeltelijk

Meetbaar formuleren van de doelen m.b.t. de kwaliteit van de leefomgeving, de modernisering van het geluidbeleid en de luchtkwaliteit

In de Begroting 2003 is vermeld dat in de bestuursafspraken MILO (Milieukwaliteit Leef Omgeving) de doelen voor de minimumkwaliteit en de gebiedsgerichte kwaliteitsambities worden vastgelegd. Bij nader inzien is dit niet mogelijk omdat het de gemeenten en provincies zijn die hun ambitieniveau formuleren. In plaats daarvan is gekozen voor een prestatie-indicator die inhoudt dat voor de jaren 2004 en 2005 gestreefd wordt naar 30–50 toepassingen van de MILO-werkwijze bij gemeenten en provincies en dat in alle provincies zogenaamd leer- en doekringen zijn opgericht, die de MILO-toepassing ondersteunen.

Voor geluid wordt verwezen naar wat hierna onder geluidsreductie staat.

Voor luchtkwaliteit geldt op basis van het EU-beleid het doel dat in 2010 het aantal meters weglengte waar zich een overschrijding van de NO2-norm voordoet tot nul zal zijn teruggedrongen. In de luchtkwaliteitsplannen die gemeenten in 2004 moeten indienen zal blijken of dit doel inderdaad gehaald wordt. Met deze informatie zal in EU-verband een opschuiven van de termijn van 2010 worden bepleit.

Ontwikkelen van indicatoren voor het monitoren van de bodemsaneringsoperatie

In 2003 zijn drie prestatie-indicatoren ontwikkeld waarmee de provincies en gemeenten die budgethouder ISV en bijdrageregeling Wbb zijn, kunnen aangeven welke toetsbare prestaties zij zullen leveren in het kader van hun meerjarenprogramma's ISV en Wbb. Als de huidige programmaperiode afloopt, dat is eind 2004, kan inzicht geboden worden in welke prestaties gerealiseerd zijn.

Hiernaast bestaat al enkele jaren een monitoringssystematiek waarmee gevolgd wordt hoe de bodemsaneringsoperatie als geheel verloopt. Via het jaarverslag bodemsanering wordt daar op landelijk niveau verslag van gedaan. In 2003 is een begin gemaakt met de evaluatie van de huidige monitoringssystematiek.

Verstrekken van gegevens over aantallen verrichte saneringen, totaal aantal nog te verrichten saneringen en aantal verrichte saneringen in het desbetreffende begrotingsjaar

Uit onderzoek is gebleken is dat vooral de saneringen uitgevoerd voor 1990 niet systematisch in een overzicht voor handen zijn. Verwacht wordt dat het overzicht half 2004 beschikbaar zal zijn.

In de begroting 2005 zullen kwantitatieve gegevens over de sanering verkeerslawaai als totaal worden opgenomen waarbij tevens wordt aangegeven hoeveel is afgehandeld en wat de omvang van de af te wijzen aanvragen zal zijn.

Opnemen van kwantitatieve gegevens over de aanleg van stilwegdek op basis van de stimuleringsregeling

De kwantitatieve gegevens over de uitvoering van de stimuleringsregeling stilwegdek zijn opgenomen bij het operationele doel 7.2.3 geluidsreductie.

Vastleggen van een programmatische uitvoering van de sanering van de vuurwerkbranche op basis waarvan de uitvoering kan worden gevolgd

De programmatische uitvoering van de sanering van de vuurwerkbranche is beschreven in een plan van aanpak.De uitvoering van de sanering is ondergebracht bij Senter.

Vastleggen van een programmatische uitvoering van de sanering van de urgente gevallen LPG-tankstations op basis waarvan de uitvoering kan worden gevolgd

Het bevoegd gezag is d.m.v. twee circulaires geïnformeerd over de wijze en het tempo waarop de urgente sanering van LPG-tankstations uitgevoerd zal worden.

Meetbaar formuleren van de beleidsprestaties m.b.t. de externe veiligheid

Met het oog op het meetbaar maken (en meten) van de beleidsprestatie voor externe veiligheid is in het kader van het programmagericht werken een begin gemaakt met een monitoring- en evaluatie-project. Dit project zal medio 2004 worden afgerond en zal er toe leiden dat er beter meetbare prestaties worden geformeerd die in rapportages zullen worden opgenomen. Voorts worden de beleidsprestaties op jaarbasis zoveel mogelijk meetbaar gerapporteerd in voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer. Voor het meetbaar maken van de beleidsprestaties van andere overheden worden in Actieprogramma ter verbetering van de kwaliteit en professionaliteit van uitvoeringsorganisaties meetbare prestaties opgenomen voor de uitvoering en handhaving van het beleid.

7.5 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-9.gif

Toelichting:

De onderuitputting van de uitgaven op artikelniveau is toe te schrijven een aantal instrumenten. In de Jaarrekening wordt hierop nader ingegaan.

Artikel 08. Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden

8.1. Algemene doelstelling

VROM streeft naar een vitaal landelijk gebied, waarbij de vraag naar meer ruimtelijke kwaliteit samen gaat met de doorgaande behoefte aan extra ruimte. Het beleid richt zich in deze context enerzijds op handhaving en zo mogelijk herstel van waardevolle gebieden met bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische of ecologische kwaliteiten en anderzijds op het verder ontwikkelen van de groene kwaliteiten binnen het landelijk gebied in samenhang met de bebouwde omgeving. Water speelt een belangrijke rol als ordenend principe en als mogelijkheid om het landschap meer divers en aantrekkelijker te maken. Door de identiteit en diversiteit van het Nederlands landelijk gebied te versterken en verder te ontwikkelen en de toegankelijkheid voor iedereen te vergroten, ontstaat een aantrekkelijker land om in te wonen, te werken en te recreëren.

Uitwerking van deze algemene doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstelling:

8.2.1. Bescherming en ontwikkeling van het landelijk gebied

Doelbereik 2003

Realisering van deze doelstelling ligt vooral in de doorwerking via toetsing ruimtelijke plannen (door VROM-Inspectie en DGRuimte) op basis van de formele PKB's deel 3 Vijfde Nota RO en SGR 1.

In 2003 zijn de nodige processtappen gezet die bijdragen aan de implementatie van het beleid. Het doelbereik zal na vaststelling van de Nota Ruimte gemonitored en geëvalueerd worden.

8.2.1. Operationele doelstelling: «Bescherming en ontwikkeling van het landelijk gebied»

Gebieden met bijzondere natuurlijke waarden en kenmerken of landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle elementen dienen te worden ontwikkeld en waar nodig beschermd. Het beleid voor deze waardevolle landschappen van nationaal belang is gericht op het sturen van ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen door middel van een op het betreffende gebiedstype geënt planologisch regime.

Het doelbereik 2003

Het beleid voor de waardevolle (nationale) landschappen is nog niet geëffectueerd, als gevolg van besluitvorming door de kabinetten Balkenende 1 en 2. Heden wordt uitgegaan van aanpassing van de PKB Nationaal Ruimtelijk Beleid in de Nota Ruimte die naar verwachting in het voorjaar van 2004 naar de Tweede Kamer zal worden gezonden. Bescherming van de waardevolle landschappen heeft wel plaats gevonden op basis van kabinetsvoornemens en vigerende rijksnota's. De conclusie is dan ook dat een eerste aanzet is gegeven om in de toekomst dit operationele doel te behalen.

De beleidsprestaties 2003

Nationale Landschappen

 Realisatie
Planologisch regime en ontwikkelingsgericht beleid voor de waardevolle landschappen van nationaal belangJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Door de kabinetswisseling is de Nota Ruimte in 2003 niet afgerond, waardoor het voorgenomen beleid voor Nationale Landschappen niet is uitgewerkt. Het huidige Kabinet heeft besloten de Nota Ruimte in 2004 uit te brengen, waarbij de Vijfde Nota en het SGR in de Nota Ruimte samengevoegd zullen worden.

De afwikkeling van de lopende verplichtingen voor de nadere uitwerkingen Groene Hart en Rivierengebied worden in de Nota Ruimte meegenomen.

Vooruitlopend op het uitbrengen van de Nota Ruimte is met diverse «potentiële Nationale Landschappen samengewerkt om de kwaliteit van de gebieden te vergroten. VROM heeft vooral in de processfeer haar bijdrage geleverd in de vorm van medefinanciering en advisering. Zo is bijgedragen aan het proces van gebiedsvisie- en programmavorming. In de Hoeksche Waard is financieel bijgedragen aan het ontwikkelings- en uitvoeringsprogramma, een efficiënte organisatie voor de uitvoering van projecten en beheer en het streekmanagement, en de opstelling vaneen scenariostudie voor de sanering van verspreide glastuinbouwlocaties.

Groene Hart

In 2003 heeft een evaluatie van het Groene Hartbeleid plaatsgevonden. De evaluatie heeft betrekking op het Ontwikkelingsprogramma uit 1999, de Kwaliteitsimpuls (subsidieregeling) en de bestuurlijke organisatie. De uitkomsten en aanbevelingen zijn o.a. besproken in het bestuurlijk platform Groene hart. De rapportage zal in de eerste maanden van 2004 aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

De beleidsprestaties 2003

Bufferzones (en regionale parken)

 Realisatie
Inzet bufferzone instrumentariumJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Het bufferzonebeleid is een van de speerpunten van het nationaal ruimtelijk beleid en daarmee een belangrijk onderdeel van het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor de Randstad. Om vergaande grootstedelijke groei in de Randstad te voorkomen, maar nog meer het tekort aan recreatief groen in de Randstad op te heffen, is opnieuw in 2003 VROM budget ter beschikking gesteld voor de aankoop van gronden. Daarmee komt het totale aangekochte hectares tot nu toe op een kleine 80% van alle hectares uit het bufferzoneconvenant.

Ondanks de recente subsidietaakstellingen die van invloed zijn op de meerjarige budgetten, zowel bij het ministerie van VROM als LNV, blijft het streven alle geplande oppervlakten aan te kopen. De planning is om het restant aan te kopen hectares in 2011 gerealiseerd te hebben. In samenspraak met LNV en de provincies wordt gewerkt aan een Meerjarenprogramma om grondverwerving komende jaren af te stemmen op herziening van het ruimtelijk beleid (Vijfde Nota RO én Structuurschema Groene Ruimte) in de Nota Ruimte.

Transformatie bufferzonebeleid naar een beleid voor regionale parken

In het kader van de Nota Ruimte, die naar verwachting begin 2004 naar de Tweede Kamer zal worden gezonden, wordt het beleid voor de bestaande bufferzones getransformeerd in een ruimtelijk en instrumenteel kader voor regionale parken in de nationale stedelijke netwerken. Het financiële instrument voor bufferzones zal onderdeel uitmaken van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG). Voor de instelling van het ILG zijn in 2003 interdepartementaal voorbereidingen getroffen, zodat vereenvoudiging van regelgeving en verdere decentralisering van het beleidsinstrument voor regionale parken plaats kan vinden.

De beleidsprestaties 2003

Water als ordenend principe stimuleren

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Opstellen Beleidslijn Ruimte voor de RivierJa

Toelichting beleidsprestaties

De Beleidslijn Ruimte voor de Rivier is aangepast conform plan, en kan worden opgenomen in de Nota Ruimte. Daarmee verkrijgt de Beleidslijn de status van PKB, conform de Motie van der Berg.

Het Rijk heeft onderzoek gestart om te komen tot de aangekondigde limitatieve lijst, waar beperkt ruimte kan worden geboden aan experimenten met aangepaste bouwvormen.

In de Nota Ruimte zal op een PKB kaart worden aangeduid, welke gebieden als zoekgebied voor ruimte voor de rivier worden gevrijwaard van ontwikkelingen, die een inrichting ten behoeve van de bescherming tegen overstromingen kunnen bemoeilijken.

Beleidslijn Ruimte voor de Rivier

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Opstellen PKB RivierengebiedDeels

Toelichting beleidsprestaties 2003

De PKB voor het Rivierengebied: genaamd PKB Ruimte voor de Rivier, is momenteel in voorbereiding.

In de Vijfde Nota zal de bijdrage van VROM aan het waterbeleid voor de veiligheid, wateroverlast en de zoetwatervoorziening, waar V&W voor het grootste deel eindverantwoordelijk voor is en LNV een bijdrage aan levert, nader worden uitgewerkt. De Minister van VROM is mede initiatiefnemer voor het opstellen van een PKB voor het Rivierengebied, gericht op rivierverruiming, ruimtelijke- en water kwaliteitsverbetering en het eventueel aanwijzen van retentiegebieden. In 2004 is deel 1 van deze PKB gereed.

Schadecommissie en -claims beleidslijn Ruimte voor de Rivier

Sinds de instelling van de van de voormelde Schadecommissie in 1999 zijn er in totaal circa 17 schadeclaims in behandeling genomen, waarvan er in 2003 4 afgehandeld zijn en 8 nog in behandeling. In 2003 heeft DGR in een drietal schadegevallen, een schadevergoeding toegekend. Het gaat hierbij om een bedrag van € 1 195 395 vermeerderd met de wettelijke rente

8.3 Groeiparagraaf

 Gerealiseerd
Vijfde Nota 
Nulmeting o.b.v de Vijfde Nota – 2002Nee
Aanpassing van de Vijfde Nota aan het Strategisch AkkoordJa
Verzenden Stellingnamebrief aan de Tweede KamerJa
Ontwikkelen, aan- en invullen van prestatie-indicatoren (procesen effectindicatoren)Nee

Toelichting:

De afgelopen periode zijn er een aantal ontwikkelingen geweest die van invloed zijn op de verantwoording over het VROM-beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Zo is de PKB Vijfde Nota niet vastgesteld door de Staten-Generaal, maar aangepast aan het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkende I. Vervolgens heeft de minister van VROM eind 2002 de«stellingnamebrief» verzonden aan de Tweede Kamer waarin de genoemde aanpassingen zijn opgenomen en de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid worden geschetst. Deze aanpassingen en hoofdlijnen zullen worden verwerkt in de PKB Nota Ruimte welke begin 2004 aan de Tweede Kamer ter vaststelling zal worden aangeboden.

In verband met de bovengeschetste onzekerheid over het uiteindelijke beleid was het niet zinvol om in 2003 een nulmeting uit te voeren als referentie voor de voortgangsbeschrijving ten aanzien van de beleidsdoelen van de ruimtelijke ordening de komende jaren.

Bij vaststelling van de PKB Nota Ruimte in 2004 zal VROM in 2004 ten behoeve van de begroting en verantwoording, een systeem van monitoring en evaluatie ontwikkelen gebaseerd op de beleidsdoelen die in de nota zullen staan verwoord. Dit systeem zal zich primair richten op het doelbereik, de inspanningen van VROM en de doorwerking daarvan bij andere overheden. Dit betekent dat er output-, outcome- en prestatie-indicatoren zullen worden ontwikkeld bij de doelstellingen zoals die in de Nota Ruimte worden opgenomen met betrekking tot «Bescherming en ontwikkeling van het landelijke gebied».

8.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-10.gif

Toelichting:

Er is sprake van een kleine overuitputting op artikelniveau. Deze overuitputting vindt met name plaats op de apparaatsuitgaven. In deel C. Jaarrekening: «Toelichting artikel 8» wordt hierop nader ingegaan.

Artikel 09. Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband

Beleidsartikel 9 Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband

9.1. Algemene doelstelling

De algemene doelstelling van dit artikel is effectieve programmatische en projectmatige samenwerking en gezamenlijke beleidsafstemming en -voering met de buurregio's en -landen en de EU-partners om belangrijke ruimtelijke structuurelementen, die grensoverstijgend zijn, te versterken. Deze beleidsafstemming, die zowel op een meer regionaal niveau in de grensstreken zelf als op transnationaal niveau plaatsvindt, is gericht op de succesvolle uitvoering van juist die beleidsvoornemens in het nationaal ruimtelijk beleid die volledig afhankelijk zijn van internationale samenwerking.

Uitwerking van deze algemene doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

9.2.1. Internationale afstemming ruimtelijke inrichting

9.2.2. Efficiënte en concurrerende ruimtelijke inrichting mainports

Het doelbereik 2003

Door middel van bestaande overleg- en financiële kaders is ook in 2003 een stap vooruit gezet in de samenwerking met de buurregio's en -landen, en andere EU-partners gericht op het versterken van grensoverstijgende ruimtelijke structuurelementen. De beoogde concretiseringslag door het entameren van meer specifieke beleidsafstemmingactiviteiten is echter door het uitblijven van de politieke bekrachtiging van het voornaamste politieke kader – de 5e Nota – verhinderd.

9.2.1. Operationele doelstelling «Internationale afstemming ruimtelijke inrichting»

Het operationele doel is de specifieke ruimtelijke kwaliteit van internationale betekenis, vooral in en om Nederland heen, de Noordzee en Waddenzee inbegrepen, in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Dit doel wordt vooral nagestreefd door met de ons omringende landen grensoverschrijdende en transnationale projecten vorm te geven, m.n. door gebruikmaking van het EU communautair initiatief Interreg. Daarnaast zal beleidsmatig ingespeeld worden op de tendens meer aandacht te besteden aan de ruimtelijke impact van het Europees landbouw-, structuur-, transport- en milieubeleid. Kritische succesfactoren bij het realiseren van dit beleidsdoel is de coöperatie van vooral buitenlandse samenwerkingspartners in het algemeen en de Interreg projectpartners in binnen- en buitenland in het bijzonder, alsmede het goed functioneren van de internationale Interreg programmasecretariaten.

Het doelbereik 2003

De financiële en bestuurlijke instrumenten zijn in 2003 goed ingezet met het oog op het langere termijn operationele doel van versterking van de internationale ruimtelijke kwaliteit. Vooral het financiële instrument Interreg is goed ingezet om grensoverstijgende projecten te entameren die het bereiken van het gestelde doel dichterbij zullen brengen. In de komende 2–3 jaar zullen deze projecten concrete resultaten gaan leveren waarop hun bijdrage aan het doelbereik kan worden getoetst.

Hetzelfde geldt voor het ESPON programma. Ter voorbereiding op het Nederlandse voorzitterschap in 2004 is de samenwerking in EU-kader over de ruimtelijke dimensie van het EU beleid, o.a. in ESPON kader, geïntensiveerd. Ondanks het uitblijven van het nationale ruimtelijke beleidskader, zijn de bilaterale overlegkaders met de buurlanden in ieder geval benut om de grensoverschrijdende issues inhoudelijk verder te brengen.

Aanknopingspunten in het Europees beleid

VROM heeft in 2003 actief geparticipeerd in het ESPON programma (European Spatial Planning Observation Network), een structuurfondsprogramma dat tot doel heeft de EU te voorzien van Europese ruimtelijke analyses, data, indicatoren, gebiedstypen, scenario's, etc. om EU structuur- en sectorbeleid effectiever te maken. ESPON levert belangrijke input voor het Derde Cohesierapport, met name inzake de invulling van het concept territoriale cohesie. Dit Derde Cohesierapport, dat de contouren aangeeft van het structuurbeleid tussen 2007 en 2013, is op 18 februari 2004 verschenen.

Daarnaast heeft VROM, samen met EZ en BZK, middels de EU working group on Spatial and Urban Development (SUD) op expert niveau bijgedragen aan het uitwerken van het concept territoriale cohesie in EU kader. Ook heeft VROM, met BZK, EZ en FIN, een bijdrage geleverd aan de discussie in het kader van de EU Conventie over een Verdragsbasis voor territoriale cohesie.

Op nationaal niveau heeft VROM, samen met FIN, BZK, LNV BZ en SZW, actief geparticipeerd in het informele overleg tussen het Rijk en de decentrale overheden over de toekomst van het EU structuurbeleid. EZ coördineert dit doorlopende overleg.

Activiteiten

Actieve participatie van VROM in het ESPON programma heeft ertoe geleid dat de Nederlandse kennisinstituten een stevige rol hebben gespeeld in de uitvoering van het ESPON programma, dat inmiddels zijn eerste overtuigende resultaten heeft afgeleverd: de operationele uitwerking van het concept territoriale cohesie middels het Derde Cohesierapport is voor een groot deel gebaseerd op ESPON. Mede op basis van ESPON resultaten is de SUD is door VROM, BZK en EZ actief benut om deel te nemen aan de eerste beleidsmatige discussies tussen experts van de EU lidstaten en de Commissie over het concept territoriale cohesie. Een gezamenlijk document van experts uit de lidstaten is het resultaat van die oriënterende discussies.

Op instigatie van VROM heeft Nederland een amendement ingediend op het voorstel van de EU Conventie voor een Verdragsbasis voor territoriale cohesie. Het Nederlandse amendement, dat onder meer een scherpere bevoegdheidsafbakening tussen Unie en lidstaten op het gebied van ruimtelijk beleid inhield, heeft het echter niet gehaald. Het Conventieresultaat wordt nu besproken tussen de lidstaten in de Intergouvernementele Conferentie (IGC), die naar verwachting medio 2004 wordt afgerond.

Op nationaal niveau is de discussie over de inhoudelijke invulling van het toekomstige structuurbeleid nog gaande. Pas na het derde Cohesierapport wordt besloten tot de inhoudelijke Nederlandse inzet in Brussel. VROM draagt in dit kader vooral bij aan de gedachtevorming over de voortzetting van INTERREG.

Inmiddels zijn de voorbereidingen voor een informele bijeenkomst van de EU Ministers voor ruimtelijk (en stedelijk) beleid begonnen.

Het ESPON programma is eind 2003 aan een tussentijdse evaluatie onderworpen («Midterm Evaluation»), die positief heeft uitgepakt, zowel voor het programma als geheel als voor de Nederlandse betrokkenheid bij ESPON. Inzichten voortkomend uit de tussenresultaten van ESPON zijn bij de voorbereiding van de Nota Ruimte toegepast.

In 2003 zijn onderzoeken opgeleverd naar territoriale cohesie in Europa en de Ruimtelijke dimensie van de Lissabon Strategie.

De burger merkt niet direct de resultaten van de activiteiten op EU gebied. VROM opereert in EU kader als een van de vele spelers. Het meest tastbaar voor de burger zijn de activiteiten van VROM in het ESPON programma. De resultaten van ESPON geven de burger, onder meer middels kaarten en statistieken, een beter inzicht in de positie van zijn regio of stad in de ontwikkeling van Europa als geheel.

Grensoverstijgende beleidsafstemming in het bijzonder m.b.v. Interreg III

De beleidsprestaties

 Realisatie
1. Interreg: opzetten van internationale ruimtelijke projecten m.n. grensoverschrijdende open ruimten 
• Operationaliseren Interreg structuur en proceduresJa
• Ontwikkeling van internationale ruimtelijke projecten in Interreg aansluitend op nationale ruimtelijke beleidsthema'sJa
• Projecten m.b.t. grensoverschrijdende open ruimtenNee
2. Opzetten van samenwerkingsprogramma's t.a.v. transnationale stroomgebieden grote rivierenNee
3. Opzetten van een stimuleringsprogramma grensoverstijgende samenwerking, gericht op diverse nationale ruimtelijke beleidsthema's 
• Opstellen gezamenlijke strategienota's met buurlanden/-regio'sJa, beperkt
4. Deelname en beheer van Interreg IIIB en IIIC programma'sJa
5. Beleidsafspraken met buurregio's over ruimtelijke problemen in grensstreken (delfstofwinning, waterbeheer, bedrijventerreinen, natuurontwikkeling, windmolenparken) 
• Voortgang overlegJa
• Concrete beleidsafsprakenNog niet

Toelichting op de beleidsprestaties 2003

VROM zou in 2003 het initiatief nemen INTERREG projecten te ontwikkelen gericht op het inrichten van de open ruimte in het Benelux Middengebied en Nedersachsen/Noord-Nederland en op de verdere ontwikkeling van stroomgebiedbeheersplannen voor de Rijn. Genoemde samenwerkingsthema's waren gebaseerd op beleidsambities uit het concept voor de Vijfde Nota ruimtelijke ordening. Door het uitblijven van besluitvorming over de Vijfde Nota konden deze thema's (nog) niet in concrete projecten worden vertaald. De thema's zullen worden opgenomen wanneer deze in de nieuwe Nota Ruimte prioriteit krijgen.

Het voornemen om het stimuleringsprogramma te vertalen in een co-financieringsregeling, op basis waarvan andere m.n. bestuurlijke organisaties in Nederland VROM ondersteuning voor de benodigde cofinanciering kunnen aanvragen, is niet gerealiseerd. Door het uitblijven van besluitvorming over de Vijfde Nota zijn de criteria voor een regeling nog niet te definiëren. Zodra de Nota Ruimte wordt vastgesteld zal worden getracht de co-financieringsregeling alsnog op te stellen. Ondertussen is wel aan een aantal projecten bijgedragen vanuit het VROM budget, deze projecten zijn individueel beoordeeld op hun bijdrage aan vigerend beleid en op het risico, dat het betreffende onderwerp minder zou passen in de verwachte beleidskeuzen van het nieuwe kabinet.

Van alle drie INTERREG III programma's waarvoor VROM de Nederlandse verantwoordelijkheid draagt, zijn in december de zogenaamde Mid Term Evaluations (MTE) naar de Europese Commissie gestuurd. Deze MTE's worden gezamenlijk met de andere deelnemende landen vastgesteld. Over deze en alle andere MTE's wordt het Parlement geïnformeerd door middel van de jaarlijkse structuurfondsrapportage (coördinatie door EZ).

Mede door ondersteuning van medewerkers van VROM zijn ook op de thema's met de stedelijke en infrastructurele nadruk een aantal projecten ontwikkeld en voor EU subsidie in de drie betrokken programma's ingediend en goedgekeurd. De inhoudelijke betrokkenheid ligt in deze gevallen met name bij onderdelen van de departementen wiens beleidsterrein het betreft. Tot en met 2003 zijn er 8 projecten met Nederlandse betrokkenheid goedgekeurd met de focus op thema's in en rond de stad en ook 8 projecten met de focus op thema's met betrekking tot infrastructuur. De hiermee in Nederland gemoeide totale kosten belopen ongeveer 20 miljoen euro voor steden en ongeveer 12 miljoen euro voor infrastructuur.

Een aanzienlijk deel van het geld dat VROM in INTERREG IIIB en IIIC investeert, gaat naar technische bijstand aan de gemeenschappelijke transnationale programmasecretariaten. Deelname aan het transnationale beheer van de programma's, de aansturing van het werk van deze secretariaten via de Comités van Toezicht alsmede de deelname aan het transnationale proces van projectgoedkeuring in de Stuurgroepen eisten ook in 2003 belangrijke prestaties van VROM, die zich uitmonden in goed lopende programma's.

Door deze ondersteuning van medewerkers vanuit VROM zijn een groot aantal projecten in de drie betrokken programma's goedgekeurd. Tot en met 2003 zijn dat er 82, waarvan er 25 door Nederlandse partners getrokken worden. Bij nog eens 33 projecten die vanuit ander landen worden geleid zijn Nederlandse partners betrokken. Veelal zijn dat regionale of lokale overheden en een aantal gevallen ook andere departementen. In geld uitgedrukt gaat het om toegezegde bedragen van in het totaal 234 mln euro ERDF subsidie (totale projectkosten 489 mln euro) waarvan volgens de begrotingen ongeveer 67 miljoen euro in Nederland geïnvesteerd zal worden.

Het beleidsterrein waarop de meeste projecten zijn goedgekeurd betreft het thema water. Op dit thema, dat wellicht het thema met de meest acute ruimtelijke opgave voor Nederland genoemd mag worden, zijn 27 projecten met totale kosten van 208 mln euro en een ERDF subsidie van ongeveer 100 mln euro goedgekeurd. In 21 van deze projecten zijn Nederlandse partners, vaak ook als projectleiders, betrokken. In deze projecten wordt met de buurlanden samengewerkt aan alle aspecten van waterbeheer. Het belangrijkste deel van de aangegane verplichting tot ondersteuning in de cofinanciering door VROM, is ook op dit thema ingezet.

De projecten, die gestart zijn in 2002 en 2003 hebben nog niet tot veel voor de burgers zichtbare investeringen geleid. Hier en daar beginnen activiteiten zichtbaar te worden, zoals bij investeringen voor ruimte voor rivieren en in aankondigingen van activiteiten in en rond steden.

Het INTERREG II-C programma IRMA (INTERREG Rijn-Maas Activiteiten) is per 31 maart 2003 succesvol afgesloten. De deelnemende lidstaten hebben gezamenlijk 154 projecten uitgevoerd en daarmede een bijdrage geleverd aan het verminderen van schade en versterking van bescherming bij hoogwater. Aan de Tweede Kamer is over IRMA gerapporteerd (nr. 28 600 XI, 109). Tevens is bijgedragen aan de op 19 november gezonden Kamerrapportage over voortgang van de implementatie van de EU structuurfonds programma's in Nederland.

Binnen het transnationale programma, omvat het Nederlandse deel 83 projecten. De Europese Commissie heeft in haar reactie op de eindrapportage over een 11tal projecten vragen gesteld met betrekking tot de tijdige aanbesteding van deze projecten. Momenteel worden deze projecten nogmaals beoordeeld op de criteria van de regelgeving teneinde de juistheid subsidies te onderbouwen.

In 2003 zouden nadere afspraken worden gemaakt met Nordrhein-Westfalen, Nedersachsen, Wallonië en Vlaanderen over beleidsafstemming in de grensstreken op het gebied van grensoverschrijdende bedrijventerreinen, waterbeheer, natuurontwikkeling, delfstofwinning en windmolenparken. Ook de samenwerking bij deze thema's is beïnvloed door het uitstel van besluitvorming rond de Vijfde Nota en zullen getoetst moeten worden aan prioriteitstellingen in de nieuwe Nota Ruimte.

De genoemde thema's zijn wel onderwerp van bespreking geweest in de voor grensoverschrijdende samenwerking ingestelde grenscommissies. Het thema van de delfstofwinning is daarbij intensief besproken. In het overleg met de Duitse deelstaat Nedersachsen is een informatiebrochure opgesteld over het beleid met betrekking tot windenergie/windmolenparken en zijn de grensoverschrijdende inspraakmogelijkheden ten aanzien van voornemens nader uitgewerkt. Met Nordrhein-Westfalen is een concept gezamenlijke strategienota opgesteld.

Ruimtelijke kwaliteiten in de Noordzee en de Waddenzee

De beleidsprestaties

 Realisatie
Ontwikkelen van een internationaal ruimtelijk programma Noordzee mede d.m.v. Interreg projecten 
• Opzetten bijdragende Interreg projectenJa
• Ruimtelijk programma zelfNog niet

Toelichting beleidsprestaties 2003

Noordzee

Het VROM-initiatief om een Interreg IIIB project-voorstel in te dienen voor de uitwerking van een transnationale ruimtelijke visie op de Noordzee heeft na interdepartementale afstemming (gecoördineerd door V&W) geleid tot de keuze voor een procesmatige, stapsgewijze aanpak, die in eerste instantie gericht is op de beantwoording van de paragrafen 76 en 77 van de Bergen Declaration (Noordzee-ministersconferentie 2002).

In deze declaratie wordt aan de Biodiversiteitscommissie (BDC) van de OSPAR (waarin Nederland actief deelneemt) gevraagd het huidige gebruik van de Noordzee te inventariseren en de mogelijkheden van de Noordzeelanden voor uitwisseling van informatie en ervaringen op het gebied van ruimtelijke planning te verbeteren, met gebruikmaking van het Interreg IIIB Noordzeeprogramma. In lijn hiermee participeert Nederland (V&W) thans in het Interreg project «Noratlas» dat een digitale atlas wil realiseren als hulpmiddel voor besluitvorming in ruimtelijke planning en integraal kustzone beleid.

Tevens wordt in voornoemde declaratie gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken voor verdere internationale samenwerking bij het plannen en beheren van activiteiten op de Noordzee door middel van ruimtelijke planning , met speciale aandacht voor cumulatieve en grensoverschrijdende effecten. Nederland heeft in dit kader meegewerkt aan de voorbereiding van een in 2004 gehouden OSPAR-workshop waarin voorstellen voor het opstellen van richtlijnen en aanbevelingen zijn gedaan.

Tenslotte vraagt de declaratie om na te gaan welke mogelijkheden er binnen de bestaande wettelijke kaders zijn om de bepaling en waardering van milieu effecten van menselijke activiteiten op zee te verbeteren. Hierop is in internationaal verband nog geen actie ondernomen.

VROM heeft verder op nationaal niveau geparticipeerd in een aantal projecten waarvoor de eerste verantwoordelijkheid bij andere departementen ligt. Dit betreft uitwerking van een concessiestelsel windenergie, de implementatie van wet- en regelgeving m.b.t. de Exclusieve Economische Zone, de uitwerking van criteria voor meervoudig ruimtegebruik en de vastlegging van coördinaten en een beschermingsregime voor gebieden met bijzondere natuurwaarden. In 2003 heeft zich eenmaal een vergunningaanvraag voor een bouwwerk binnen de 12 mijl zone voorgedaan (de radarpost op de Schouwenbank). Deze is mede beoordeeld op ontwerpaspecten als grootte en kleurgebruik. Tevens moet in de uitvoering van het werk – binnen de gebruikseisen – rekening gehouden worden met zichtbaarheid vanaf het land.

In de Nota Ruimte zal de ruimtelijke visie op (het nationale deel van) de Noordzee worden opgenomen in de vorm van een regionale uitwerking.

De eerste stappen om op internationaal niveau tot een integrale ruimtelijke aanpak en een duurzame afweging van economische en ecologische functies te komen zijn middels de hierboven genoemde activiteiten gezet, zij het niet in de oorspronkelijk gedachte vorm (er zal – althans voorlopig – geen Interreg projectvoorstel voor een transnationale ruimtelijke visie (kunnen) worden ingediend).

Met betrekking tot de Noordzee hebben er geen door VROM gecoördineerde monitorings- of evaluatie activiteiten plaatsgevonden; ook heeft VROM geen onderzoeken gestart of zijn onderzoeksresultaten opgeleverd. VROM heeft middels de nationale contactpunten voor het Interreg IIIB programma Noordzee en het Interreg IIIC programma wel steun verleend aan de indiening van drie projectvoorstellen waarin Nederlandse partners participeren. Het betreft «Safety at sea» (maritieme veiligheidsaspecten; nog niet goedgekeurd), «CoPraNet» (netwerk actoren betrokken bij duurzaam kustbeheer) en «Messina» (verspreiding en toepassing kennis duurzaam kustbeheer) die voor de Noordzee, maar ook voor de Waddenzee relevante resultaten kunnen gaan opleveren. Ook loopt er sinds 2002 een met steun van het nationale contactpunt tot stand gekomen Interregproject «Save the North Sea» dat eind 2004 resultaten op moet leveren m.b.t. de afval-problematiek op de Noordzee.

«Onbelemmerd zicht vanaf de kust op zee» is voor de burger de meest aansprekende, want direct zichtbaar effect hebbende doelstelling m.b.t. de Noordzee die in de Vijfde nota PKB-deel 3 staat geformuleerd. In 2003 is aan deze doelstelling tegemoetgekomen. Waarborging ervan zal ook in de nieuwe Nota Ruimte worden opgenomen. Voor het overige zal het VROM-beleid m.b.t. de Noordzee grotendeels aan de burger voorbijgaan, aangezien de Noordzee niet tot de directe leefomgeving van de burger behoort.

Waddenzee

De beleidsprestaties

 Realisatie
Instandhouding kwaliteiten Waddenzee als natuurgebied van internationale betekenis 
• versterking en ontwikkeling van internationale samenwerking met Duitsland en DenemarkenJa
• stimulering van relevante Interreg projectenJa

Toelichting op de beleidsprestaties 2003

Internationaal overleg met Denemarken en Duitsland is richtinggevend voor het in de (nieuwe) PKB Waddenzee neer te leggen beleid. VROM participeert in dit overleg, dat voor Nederland gecoördineerd wordt door LNV. In 2003 heeft dit overleg tweemaal plaatsgevonden; daarin is o.a. een begin gemaakt met een nieuwe regeringsverklaring (te bekrachtigen tijdens de eerstvolgende vierjaarlijkse ministersconferentie, gepland in 2005 in Nederland).

In 2003 is de werkingsduur van de Nota Waddenzee uit 1993 verlengd (TK, 29 227, nr. 1).

De hoofdlijnen van het Waddenzeebeleid worden opgenomen in de Nota Ruimte. De uitwerking daarvan zal plaatsvinden in een aanpassing van deel 3 van de PKB derde nota Waddenzee.

Het opstellen van (een i.v.m. de kabinetswisselingen aangepast) deel 3 van de PKB Waddenzee valt onder de primaire verantwoordelijkheid van VROM. In 2003 is hieraan (verder) gewerkt en de voltooiing ervan wacht thans nog op het verschijnen (gepland voorjaar 2004) van het advies van de externe Adviesgroep Waddenzeebeleid (over de onderwerpen gaswinning, natuur en visserij). Dit advies betreft de toekomst van de kokkelvisserij op de Waddenzee en het opnemen in de PKB deel 3 van een moratorium op gasboringen.

Omdat de PKB deel 3 in 2003 niet kon worden afgerond (zie hierboven) heeft stimulering van Interreg projecten direct gekoppeld aan de nieuwe PKB nog niet plaats kunnen vinden. VROM heeft echter wel een aantal voor de Waddenzee relevante Interreg projecten met Nederlandse participanten gestimuleerd; deze worden hieronder genoemd.

Nederland, Duitsland en Denemarken hebben een bescheiden gezamenlijk budget voor monitoring en onderzoek (beide hebben vnl. betrekking op vogels en zeehonden); voor Nederland zijn LNV en V&W hiervoor direct verantwoordelijk, VROM is hierbij niet rechtstreeks betrokken.

Sedert 2000 loopt het Interreg project Wadden Sea Forum (tot 2005), waarin LNV participeert. Dit Forum verenigt een aantal belangrijke organisaties m.b.t. de Waddenzee in een netwerk, dat scenario's en implementatiestrategieën voor duurzame ontwikkeling van de Wadden wil ontwikkelen.

Verder heeft VROM middels het nationale contactpunt voor het Interreg IIIB programma Noordzee steun verleend aan de indiening van een projectvoorstel «Lancewad-2», dat betrekking heeft op landschap en cultureel erfgoed rond en in de Waddenzee (project is nog niet goedgekeurd).

Daarnaast zijn voor de Noordzee (zie aldaar) al enige Interreg projecten genoemd die ook voor de Waddenzee relevant kunnen zijn.

Over de problemen rond de kokkelvisserij, een eventueel moratorium op gasboringen in de Waddenzee, de instelling en het advies van de Commissie Meijer, is in kranten en tijdschriften uitvoerig gepubliceerd.

9.2.2. Operationele doelstelling «Efficiënte en concurrerende ruimtelijke inrichting mainports»

In 2003 is in het zogenoemde projectenspoor de feitelijke ontwikkeling en realisering van Project Mainport Rotterdam geregeld.

Daartoe zijn in 2003, aanvullend op de randvoorwaarden die in de PKB zijn opgenomen, afspraken gemaakt over organisatie, financiering en uitvoering van nog te definiëren projecten. De minister van V&W is eerstverantwoordelijk minister voor de nationale luchthaven en project mainportontwikkeling Rotterdam. VROM richt zich op inpassing en inrichting van Schiphol, met als uitgangspunt dat verdere groei moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van luchthaven en omgeving en moet passen binnen de ruimtelijke hoofdstructuur.

De mainportontwikkeling moet voldoen aan de milieu- en veiligheidsgrenzen, vastgelegd in de Wijziging van de Wet luchtvaart inzake inrichting en gebruik van Schiphol. Deze wetswijziging en de bijbehorende AMvB's voor het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingbesluit zijn in 2003 in werking getreden. Daarmee is voor het vijf-banenstelsel van Schiphol een met de PKB Schiphol en omgeving gelijkwaardig beleid verankerd. Het planologisch kader is daarmee definitief.

Het doelbereik 2003

In 2003 is de besluitvorming rond de PMR afgerond en de PKB tekst vastgesteld.

Voor Schiphol is op 20 februari 2003 het nieuwe wettelijk stelsel in werking getreden. Daarin is het planologisch beleid vastgelegd. De PKB Schiphol en omgeving is ingetrokken.

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

De beleidsprestatie

 Realisatie
Afronding besluitvorming PMR en vaststelling tekst PKBJa

Toelichting beleidsprestatie 2003

Begin juli 2002 hebben de Staten-Generaal de behandeling van PKB PMR deel 3 afgerond, waarmee de tekst van de PKB vast stond. In februari 2002 heeft het toenmalige kabinet de Europese Commissie advies gevraagd over de toepassing van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Eind april 2003 heeft de Commissie haar positieve advies verzonden. Hierbij werd het dossier PMR als voorbeeld gesteld voor andere dossiers. Het advies heeft geen gevolgen gehad voor de tekst van de PKB-plus. Het kabinet heeft de Eerste en Tweede Kamer september 2003 van het advies van Europese Commissie op de hoogte gesteld en daarbij de definitieve tekst van de PKB-plus aangeboden.

Ontwikkeling Nationale Luchthaven en Luchtvaart

De beleidsprestatie

 Realisatie
Nieuwe wettelijk stelsel Schiphol in werkingJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

VROM richt zich op de ruimtelijke en milieu-inpassing van de luchthavens en de luchtvaart.

Voor alle luchthavens en in het bijzonder de luchthaven Schiphol geldt het uitgangspunt dat verdere groei moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de luchthaven en zijn omgeving en moet passen binnen de ruimtelijke hoofdstructuur.

De mainportontwikkeling moet voldoen aan de milieu- en veiligheidsgrenzen, vastgelegd in de Wijziging Wet luchtvaart inzake inrichting en gebruik van Schiphol. Deze wetswijziging en de bijbehorende AmvB's voor het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit zijn op 20 februari 2003 in werking getreden. Daarmee is voor het vijfbanenstelsel van Schiphol een met de PKB Schiphol en omgeving gelijkwaardig beleid vastgelegd.

Met de aanvaarding van de motie Baarda is tevens bepaald dat uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel een evaluatie van de gelijkwaardigheid zal moeten plaats vinden. Daarbij is bepaald dat zo nodig de uitvoeringsbesluiten zullen worden aangepast om de gelijkwaardigheid te waarborgen. Deze evaluatie zal in de Wet luchtvaart worden opgenomen. Daarbij zal dan tevens de rapportage van de Commissie Eversdijk (voorheen Commissie Berkhout) over de geluidsaspecten worden meegenomen.

In het nieuwe stelsel is de handhaving van zowel het Luchthavenverkeerbesluit door de Inspectie Verkeer en Waterstaat als van het Luchthavenindelingbesluit door de VROM-inspectie geregeld.

Met betrekking tot het gebruik van het vijfbanenstelsel is een invoerfout geconstateerd. Dit zal worden hersteld via een aanpassing van de uitvoeringsbesluiten. Daarvoor wordt een MER opgesteld. Tevens wordt daarbij meegenomen een aanpassing van de uitvliegroute bij Spaarndam. De activiteiten hiervoor zijn eind 2003 gestart.

Het ingebruik nemen van de vijfde baan – de Polderbaan – is niet ongemerkt voorbijgegaan. Het heeft geleid tot een groot aantal klachten over geluidshinder, met name uit de wat verder weg gelegen gebieden die voor het eerst geconfronteerd werden met de nieuwe vliegroutes voor de Polderbaan. Het in kaart brengen van de geluidsaspecten in deze gebieden is een onderdeel van de rapportage door de Commissie Eversdijk.

Voorts is geconstateerd dat de wettelijke bepaling van het stand still voor groepsrisico ten opzichte van het basisjaar 1990 niet uitvoerbaar is.

9.3 Groeiparagraaf

 Gerealiseerd
Internationaal/Interreg 
• Uitvoering van projecten die het ruimtelijk beleid in en om Nederland ondersteunenJa
• Deelname van VROM (financieel en/of menskracht) aan Interreg projectenJa
• Ontwikkeling indicatoren voor projectmonitoring (criteria bijdrage beleid) – 2004Nee
Vijfde Nota 
• Nulmeting o.b.v de Vijfde Nota – 2002Nee
• Voortgangsbeschrijving t.a.v de beleidsdoelen Vijfde NotaNee
• Aanpassing van de Vijfde Nota aan het Strategisch AkkoordJa
• Verzenden Stellingnamebrief aan de Tweede KamerJa

Toelichting:

De afgelopen periode zijn er een aantal ontwikkelingen geweest die van invloed zijn op de verantwoording over het VROM-beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Zo is de PKB Vijfde Nota niet vastgesteld door de Staten-Generaal maar aangepast aan het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkende I. Vervolgens heeft de minister van VROM eind 2002 de «stellingnamebrief» verzonden aan de Tweede Kamer waarin de genoemde aanpassingen zijn opgenomen en de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid worden geschetst. Deze aanpassingen en hoofdlijnen zullen worden verwerkt in de PKB Nota Ruimte welke begin 2004 aan de Tweede Kamer ter vaststelling zal worden aangeboden.

In verband met de bovengeschetste onzekerheid over het uiteindelijke beleid was het niet zinvol om in 2003 een nulmeting uit te voeren als referentie voor de voortgangsbeschrijving ten aanzien van de beleidsdoelen van de ruimtelijke ordening de komende jaren.

Bij vaststelling van de PKB Nota Ruimte in 2004 zal VROM in 2004 ten behoeve van de begroting en verantwoording, een systeem van monitoring en evaluatie ontwikkelen gebaseerd op de beleidsdoelen die in de nota zullen staan verwoord. Dit systeem zal zich primair richten op het doelbereik, de inspanningen van VROM en de doorwerking daarvan bij andere overheden. Dit betekent dat er output-, outcome- en prestatie-indicatoren zullen worden ontwikkeld bij de doelstellingen zoals die in de Nota Ruimte worden opgenomen met betrekking tot «Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband».

9.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-11.gif

Toelichting:

De onderuitputting op artikelniveau is met name toe te schrijven aan het operationele doel «Internationale afstemming ruimtelijke inrichting». In deel C. Jaarrekening: «Toelichting artikel 9» wordt hierop nader ingegaan.

Artikel 10. Verbeteren nationale milieukwaliteit

10.1 Algemene doelstelling

Doel is het bijdragen aan het tot stand brengen van een hoogwaardige leefomgeving en een vitaal platteland. De nadruk ligt hierbij op preventie en kader- c.q. normstelling op nationale schaal met doorwerking in concrete gebieden. Met voorrang wordt gewerkt aan afstemming van overheidsbeleid (ruimtelijke ordening, water, milieu, natuur, landbouw), het zichtbaar maken van landelijke en regionale beleidsopgaven en het stimuleren van (pilots inzake) duurzame landbouw en agrobiodiversiteit. Uitwerking van deze doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

10.2.1 Duurzaam bodembeheer

10.2.2 Optimale waterketen

10.2.3 Duurzaam landelijk gebied

10.2.4 Duurzame landbouw

Het doelbereik 2003

In 2003 zijn stappen gezet in de verduurzaming van het gebruik van het landelijk gebied. Het bereiken van de vereiste ecologische basis voor een duurzaam en vitaal platteland kent een tijdshorizon van decennia. Korte termijn activiteiten waren gericht op verbeterde besturing door de overheden (afspraken in het kader van ILG), het selectief en meetbaar formuleren van nationale doelen (in het concept Meerjarenprogramma Vitaal Platteland) en van verbeterde kaders afgestemd op internationale ontwikkelingen (implementatie KRW), het bevorderen van de uitvoering onder regionale regie en het stimuleren van maatschappelijke actoren (bestuursovereenkomst en doelgroepoverleg). Belangrijke resultaten zijn in 2003 geboekt in het milieubeleid voor de landbouw. De gemaakte vorderingen op weg naar duurzaam gebruik van water, bodem en biodiversiteit worden de komende jaren ingebed in een brede programmering voor rijksdoelen gericht op een duurzaam en vitaal platteland.

10.2. Operationele doelstellingen

10.2.1 Operationele doelstelling «Duurzaam bodembeheer»

Duurzaam bodembeheer wordt bereikt als door middel van preventieve en beheersmaatregelen wordt voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen als gevolg van menselijk bodembedreigend handelen ontstaan.

Het doelbereik 2003

Met de beleidsbrief bodem (TK 2003–2004, 28 663, nr. 13), die december 2003 aan de Tweede Kamer is toegestuurd, is een zodanige vernieuwing van het bodembeleid aangekondigd dat duurzaam bodembeheer op termijn te realiseren is. Een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid hiervan zal komen te liggen bij de decentrale overheid. Hiertoe zullen de beleidsinstrumenten worden aangepast. De stappen die daartoe moeten worden gezet, zijn uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma waarmee in 2004 aan de slag is gegaan.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Financiële ondersteuning aan Plan Bodembeschermende Voorzieningen en aan SIKB.Ja
Beleidsnota aan Kamer met hoofdlijnen van beleid inzake hergebruik van bagger als bodem.Ja
Voorlichtingscampagne over implementatie HUM grondstromen en beleidslijn voor omgaan met bagger met van nature verhoogde gehalten.Ja
Kamernota over waterbodemsanering en -beheer.Ja
Aanbieding aan de Tweede Kamer van de beleidsnota over duurzaam bodembeheer.Ja
Oprichting van het Expertisecentrum voor de Ondergrond.Nee

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Financiële ondersteuning aan Plan Bodembeschermende Voorzieningen (PBV) en aan Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB).

VROM heeft de afgelopen tien jaar financieel bijgedragen aan de uitvoering van het PBV. In 2003 is de laatste omvangrijke opdracht (€ 700 000) verstrekt. De opdracht betreft de vastlegging van de kwaliteit van de bodembeschermende voorzieningen en bijbehorende organisatorische beheersmaatregelen in technische grondslagen en de vastlegging van kwaliteitsborging in beoordelingsrichtlijnen en andere normatieve documenten. In 2003 is ook de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) genotificeerd bij de EG. Implementatie van de NRB en de resultaten van het PBV zal plaatsvinden via kennisoverdracht en handhaving. Kennisoverdracht en onderhoud van de NRB zullen als taken worden meegenomen bij de realisatie van een Uitvoeringsorganisatie Bodem. VROM heeft het werkplan voor 2003 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) goedgekeurd en gefinancierd in het kader van de subsidieovereenkomst met SIKB. Deze overeenkomst heeft een looptijd tot en met 2005. SIKB draagt zorg voor de verbetering van de kwaliteitsborging in de bodemketen.

• Beleidsnota aan Kamer met hoofdlijnen van beleid inzake hergebruik van bagger als bodem.

In 2003 is een bestuurlijke basis voor een nieuw beleidskader gelegd. Verder is een handreiking voor de huidige praktijk in concept gereed en is onderzoek gestart naar de risico's van het gebruik van bagger als bodem, te vertalen in een ondersteunend beslismodel als belangrijk onderdeel van een nieuw beleidskader. Ook is inmiddels een selectie gemaakt van lopende baggerprojecten die als proeftuin voor het nieuwe beleidskader zouden kunnen dienen. Over het project wordt extern gecommuniceerd.

De beleidsuitgangspunten voor het hergebruik van bagger als bodem zijn vastgelegd in de «Beleidsbrief Bodem» die in december 2003 is verzonden aan de Tweede Kamer, waardoor er geen separate beleidsnota aan de Kamer zal worden verzonden.

• Voorlichtingscampagne over implementatie Handhaving Uitvoerings Methoden (HUM)grondstromen en beleidslijn voor omgaan met bagger met van nature verhoogde gehalten.

Na de publicatie van de HUM grondstromen in de zomer van 2003 is voor handhavers een dertigtal workshops georganiseerd. Over het omgaan met bagger met van nature verhoogde gehalten verscheen de «Handreiking Arseen».

• Kamernota over waterbodemsanering en -beheer en Aanbieding aan de Tweede Kamer van de beleidsnota over duurzaam bodembeheer.

Deze prestaties zijn geïntegreerd in de «Beleidsbrief Bodem», die in december 2003 is verzonden aan de Tweede Kamer.

Als uitwerking van de «Beleidsbrief Bodem» zal de toepassing van het instrument bodemkwaliteitskaarten, alsmede de wettelijke verankering van dit instrument verder worden verkend. Met het oog op deze verkenning is besloten de interim-richtlijn Bodemkwaliteitskaarten voorlopig niet te verankeren in de Vrijstellingsregeling grondverzet.

• Oprichting van het Expertisecentrum voor de Ondergrond

De procedure voor oprichting van het Expertisecentrum voor de Ondergrond is in 2003 gestart in het kader van de derde impuls in de kennisinfrastructuur. Daartoe is begin 2003 een businessplan ingediend bij de Minister van Economische Zaken.

Op 28 november 2003 heeft het kabinet besloten over deze impuls. Daarbij zijn geen ICESgelden gereserveerd voor de oprichting van het expertisecentrum. In 2004 zal als onderdeel van de implementatie van de eerder genoemde Beleidsbrief Bodem worden bezien of onderdelen van het expertisecentrum alsnog kunnen worden gerealiseerd.

10.2.2 Operationele doelstelling «Optimale waterketen»

Doel van het streven naar een optimale waterketen is dat de activiteiten die nodig zijn voor het goed functioneren van de keten professioneel, dat wil zeggen «goed en goedkoop» en in samenhang worden uitgevoerd, waarbij de kwaliteit, mate van dienstverlening, milieubelasting alsmede de maatschappelijke kosten die dit vergt, helder en transparant wordt getoetst via benchmarking.

Het doelbereik 2003

Voor de optimale waterketen is een lange termijn doelstelling geformuleerd. Tussendoelen zijn nog niet beschikbaar. Wel worden benodigde stappen hiertoe gezet. Op een aantal onderdelen zijn vorderingen gemaakt, bijvoorbeeld op het gebied van de benchmarking, die positief zijn voor het proces om tot een optimale waterketen te komen. Eind 2003 is een Bestuurlijk Overleg Waterketen gestart, onder voorzitterschap van de staatssecretaris van VROM, waaraan de meest betrokken partijen (Verkeer en Waterstaat, Unie van Waterschappen, VNG, VEWIN en IPO) deelnemen. Er wordt naar gestreefd in 2004 bestuurlijke afspraken te maken over een reeks onderwerpen die in de Rijksvisie waterketen zijn benoemd en die in samenhang de doelmatigheid en de samenwerking in de waterketen zullen bevorderen.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Voorstel normen huishoudwater.Ja
Publicatie wijziging Waterleidingwet inzake overheidseigendom waterleidingbedrijven.Gedeeltelijk
Start pilots inzake opstellen integraal gemeentelijk afvalwaterplan (i.s.m. waterbeheerders).Nee
Ontwerp algehele herziening Waterleidingwet inzake regelingen bedrijfsplannen, kwaliteitszorg, leveringszekerheid, benchmarking naar Raad van State.Nee

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Voorstel normen huishoudwater

De evaluatie van een aantal proefprojecten met huishoudwater is in 2003 afgerond. Op grond van de resultaten is besloten grootschalige toepassing van huishoudwater niet toe te staan. De Tweede Kamer is hierover met brief van 13 augustus 2003 (TK 2002–2003, 26 484, nr. 9) geïnformeerd.

• Publicatie wijziging Waterleidingwet inzake overheidseigendom waterleidingbedrijven

Het ontwerp van wet is op 22 april 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 2001–2002, 28 339 nrs. 1–2). De behandeling in de Tweede Kamer heeft aanzienlijk langer geduurd dan verwacht en is pas eind 2003 afgerond. Behandeling in de Eerste Kamer moet nog plaatsvinden. Naar verwachting zal de wet voorjaar 2004 in werking treden.

• Start pilots inzake opstellen integraal gemeentelijk afvalwaterplan (i.s.m. waterbeheerders)

In reactie op het kabinetsstandpunt over de institutionele aspecten van de waterketen, dat in 2002 aan de Tweede Kamer is gezonden, hebben Unie van Waterschappen en VNG het initiatief genomen tot de ontwikkeling van een Handreiking Afvalwaterakkoorden. In afwachting hiervan heeft VROM afgezien van de start van specifieke pilots. Eind 2003 is deze handreiking aangeboden aan VROM. Verwacht mag worden dat een aantal gemeenten en waterschappen op basis hiervan in 2004 bijvoorbeeld via pilots invulling zullen geven aan de integrale aanpak van het gemeentelijk afvalwater.

Het is de bedoeling om in het Bestuurlijk Overleg Waterketen ook over dit onderwerp nader afspraken te maken.

• Ontwerp algehele herziening Waterleidingwet inzake onder meer regelingen bedrijfsplannen, kwaliteitszorg, leveringszekerheid, benchmarking naar Raad van State

De parlementaire behandeling van de wijziging van de Waterleidingwet inzake overheidseigendom heeft mede geleid tot nadere gedachtevorming over het al of niet doorvoeren van centraal tarieftoezicht. Aangezien tarieftoezicht grote implicaties heeft voor de wijze van benchmarking, is de uitwerking van de laatste hierdoor vertraagd. In combinatie met de herijkingsoperatie met betrekking tot de VROM-regelgeving heeft dit ertoe geleid dat het ontwerp voor de algehele herziening van de Waterleidingwet niet eerder dan eind 2004 naar de Raad van State zal gaan.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietrajectTweede Kamer
Evaluatie van de doelstelling proefprojecten huishoudwater.Toepassing huishoudwater leidt tot ongewenste gezondheidsrisico'sBeleid aanpassen(verbod grootschalige toepassing)Brief gezonden aan Tweede Kamer op 13 augustus 2003 (TK 2002–2003, 26 484 nr. 9).Verbod meenemen bij algehele herziening Waterleidingwet
Evaluatie gemeentelijk rioleringsbeleidRapport met aanbevelingen op 8 november 2003 naar Tweede Kamer (VROM030842).Aanbevelingen o.m.:– versterking toezichthoudende rol Rijk– rioleringszorg slechts op hoofdlijnen wettelijk regelen– beleid meer op doelen enten met differentiatie in eisenBeleid op onderdelen aanpassen.Beleidsbrief, mede over anders omgaan met regenwater in stedelijk gebied, maart 2004 naar Tweede Kamer.

10.2.3 Operationele doelstelling «Duurzaam landelijk gebied»

Doel van het beleid is dat, op grond van een integrale afweging van ecologische, economische en sociale belangen en waarden, de ruimtelijke functies in het landelijk gebied duurzaam zijn ingepast. Dit is het geval wanneer deze functies in een duurzame relatie staan tot elkaar en tot het bodem- en watersysteem en behoud van biodiversiteit wordt bevorderd.

Het doelbereik 2003

Met de geleverde prestaties is bevorderd dat het proces van integrale afweging van belangen meer aandacht heeft gekregen. Resultaten in de zin van een gekwantificeerd inzicht in de duurzame relatie tussen functies en de kwaliteit van het bodem- en watersysteem, zijn eerst op langere termijn te leveren. In de komende jaren wordt aangestuurd op verbetering van de doelformulering en het leggen van relaties tussen geleverde prestaties en de uiteindelijke maatschappelijke effecten: verbetering van de kwaliteit van bodem en water en behoud van biodiversiteit als randvoorwaarden voor een vitaal platteland.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Verdere implementatie COP-6 CBD afspraken over behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in NederlandJa
• Overeenkomst agrobiodiversiteit (VROM-LNV-landbouwsector)Gedeeltelijk
• Aanbieding uitvoeringsprogramma transitie biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen aan Tweede Kamer.Ja
• Start uitvoering bewustwordings-campagne biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen.Ja
• Benchmark beslag van producten op biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen.Ja
• Adviezen TCB en GR inzake evaluatie interventiewaarden bodemsanering naar Tweede Kamer.Gedeeltelijk
• ICES-rapportage over SKB 1e traject en kabinetsbesluit over voortzetting SKB in 2003–2006.Ja
• Implementatie van de EG-Kaderrichtlijn Water (KWA) in de wet Milieubeheer.Gedeeltelijk
• Afsluiten jaarlijkse Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied (inclusief reconstructie traject) en uitvoeringscontract.Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Verdere implementatie COP-6 CBD afspraken over behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in Nederland

Internationaal maakt Nederland zich sterk voor integratie van beschermde gebieden in ecologische netwerken. Als voorbeeld kunnen dienen Natura 2000 en het Pan-Europees Ecologisch netwerk. In 2003 heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor realisatie van de Ecologische hoofdstructuur in ons land. In 2003 organiseerde Nederland een High Level bijeenkomst over ecologische netwerken; VROM droeg bij aan de gespreksnotitie.

Internationaal wordt aangedrongen op ontwikkeling van indicatoren voor biodiversiteit op verschillende ruimtelijke schaalniveaus. De departementen VROM, OS en LNV investeren in indicator-ontwikkeling en doen via experimenten in Nederland praktijkervaring op. VROM heeft tijdens SBSTTA-9 de Nederlandse inbreng geleverd m.bt.t het onderwerp indicatoren; er zijn goede aanbevelingen opgesteld voor adoptie door CoP7-CBD (februari 2004)

• Overeenkomst agrobiodiversiteit (VROM-LNV-landbouwsector)

De overeenkomst agrobiodiversiteit, waarmee nationaal voor de sector landbouw invulling wordt gegeven aan internationale biodiversiteitverplichtingen is in 2003 voorbereid. De departementen van VROM en LNV hebben met LTO gezamenlijk een visie op agrobiodiversiteit opgesteld. Daarnaast is een inventariserend onderzoek gedaan naar bestaande initiatieven op het gebied van agrobiodiversiteit. Beide bouwstenen vormen de basis voor een Implementatieplan agrobiodiversiteit. In 2004 leidt dit hoogstwaarschijnlijk tot een overeenkomst tussen VROM, LNV en de landbouwsector.

Agrobiodiversiteit is tevens betrokken bij de in 2003 geleverde rijksinzet in het bestrijdingsmiddelenbeleid (zie artikel 10.2.4).

• Aanbieding uitvoeringsprogramma transitie biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen aan Tweede Kamer

In het najaar van 2003 is een voortgangsrapportage van alle transities aan de Tweede Kamer gezonden (VROM 030830). Hierin is ook verslag gedaan van de vorderingen in de transitie biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen; tevens wordt de opzet voor het uitvoeringsprogramma gepresenteerd. In 2003 is door VROM in het kader van de transitie bovendien gewerkt aan het ontwikkelen van een Beoordelingskader Biodiversiteit, wat de hulpmiddel kan zijn voor NGO's en bedrijfsleven bij het invullen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

• Start uitvoering bewustwordings-campagne biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen

In 2003 zijn voorbereidende activiteiten van start gegaan. Daarbij is vastgesteld dat bewustwording verschillende gezichten heeft: informatie-overdracht, educatie, kennisontwikkeling. Gestreefd wordt naar regie vanuit de bij de transitie betrokken departementen (BZ/OS, VROM, LNV). Tevens vond een workshop over biodiversiteitcommunicatie plaats waarvan de afspraken in 2004 tot uitvoering moeten komen. Duidelijk is dat er vooralsnog niet wordt ingezet op een klassieke, brede, massamediale campagne.

• Benchmark beslag van producten op biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen

Tot de implementatie van de COP-6 CBD afspraken behoort ook het ontwikkelen van een praktisch beoordelingskader biodiversiteit. In opdracht van het ministerie van VROM wordt in 2003 een dergelijk beoordelingskader ontwikkeld dat bedrijven, maatschappelijke organisaties, keurmerkinstellingen en overheden kunnen gebruiken bij het beoordelen, toepassen of verbeteren van methoden om de biodiversiteitseffecten van ingrepen en activiteiten te bepalen. Het beoordelingskader zal enerzijds voldoende algemeen geldend zijn om als referentiekader in uiteenlopende situaties te kunnen dienen en anderzijds voldoende praktisch om door verschillende partijen geoperationaliseerd te kunnen worden. In 2004 zal het beoordelingskader beschikbaar komen, waarna toepassing zal worden bevorderd in het kader van de transitie biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen, het internationaal beleidsprogramma biodiversiteit 2002–2006 en van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

• Adviezen TCB en GR inzake evaluatie interventiewaarden bodemsanering naar Tweede Kamer

De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) heeft geadviseerd over de technische onderbouwing van de interventiewaarden. Het Gezondheidsraad (GR) advies over de gezondheidskundige betekenis van deze waarden wordt begin 2004 verwacht. De beleidsmatige inbedding van de interventiewaarden verandert ten gevolge van de beleidsbrief bodem, die in december 2003 is gepubliceerd. Op basis van de beide adviezen zal in 2004 een voorstel voor herziening van de interventiewaarden aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

• ICES-rapportage over SKB 1e traject en kabinetsbesluit over voortzetting SKB in 2003–2006

Op basis van de ICES/KIS subsidievoorwaarden zoals neergelegd in het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik) heeft het kabinet op 28 november 2003 besloten van voortzetting van de financiering van de Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem (SKB) af te zien (briefkenmerk I/II/PPO/3070112). VROM heeft zich beraden op voortzetting van SKB met reguliere begrotingsmiddelen op basis van een evaluatie van SKB. Deze evaluatie wijst uit dat de SKB de komende periode met name een taak heeft op het gebied van kennisoverdracht en minder op het gebied van kennisontwikkeling. De SKB activiteiten zullen in een toegespitst programma, uit reguliere middelen worden gefinancierd.

• Implementatie van de EG-Kaderrichtlijn Water (KWA) in de wet Milieubeheer

Voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer t.b.v. van de implementatie van de KRW is op 5 maart 2003 aan de Tweede Kamer toegestuurd (TK 2002–2003 28 808, nr. 1).

Een nota van wijzigingen en de nota naar aanleiding van het verslag zijn op 10 oktober toegestuurd (TK 2003–2004 28 808, nr. 6).

De behandeling van de wetswijzigingen in de Tweede Kamer, die gepland was op 9 december 2003 is opgeschort (TK 2003–2004 28 808, nr. 7).

• Afsluiten jaarlijkse Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied (inclusief reconstructie traject) en uitvoeringscontract

Vooruitlopend op de invoering van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) is de systematiek voor het maken van afspraken tussen rijk en provincies veranderd. Er wordt geen bestuursovereenkomst meer gesloten en in plaats van één uitvoeringscontract met alle provincies tezamen worden er uitvoeringscontracten met afzonderlijke provincies gesloten. In 2003 zijn er 12 uitvoeringscontracten gesloten, in de vorm van bijstellingen van het uitvoeringscontract 2002–2005, toegespitst op afzonderlijke provincies. Wat de milieu- en wateronderwerpen betreft is er geprogrammeerd op de aanpak van ongezuiverde lozingen, sanering van waterbodems, aanpak van de verdroging en duurzaam kwantitatief waterbeheer. Voor de milieudoelen op het gebied van vermesting, verzuring en verstoring is een achterstand ontstaan door het tot nu toe uitblijven van groen licht vanuit Brussel voor de openstelling van de milieuartikelen 18 en 19 van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB). Er wordt vanuit gegaan dat deze openstelling in de loop van 2004 kan plaatsvinden. Aan de provincies is gevraagd om in de komende contractperiode met name op milieu- en verdrogingsdoelstellingen een extra inspanning te plegen, om de overeengekomen doelen op deze onderwerpen te kunnen halen.

Beleidsevaluatie 2003

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Evaluatie doelstelling Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht (SKB).De evaluatie SKB wijst uit dat de SKB de komende periode met name een taak heeft op het gebied van kennisoverdracht en minder op het gebied van kennisontwikke- ling. Dit verhoudt zich niet tot de impuls-financiering op grond van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik).Stopzetten financiering vanuit Bsik. Voortzetting van de SKB zou uit reguliere middelen moeten worden gefinancierd.Via besluitvorming Bsik en berichtgeving daarover door EZ als coördinerend ministerie.

10.2.4 Operationele doelstelling «Duurzame landbouw»

Duurzame landbouw kent een nationale en een internationale component. Bij de internationale component gaat het vooral om de ombuiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU in een duurzame richting. Nationaal staan de thema's 10.2.4.1 mesten mineralen, 10.2.4.2 ammoniak, stank en 10.2.4.3 bestrijdingsmiddelen centraal.

Het doelbereik 2003

10.2.4.1 Mineralenbeleid

Doelstelling mestbeleid: implementatie van de Nitraatrichtlijn waarbij onder andere emissies van nitraat en fosfaat door agrariërs tot een niveau teruggebracht moeten worden dat in overeenstemming is met doelstellingen van de richtlijn. Met de in de wet opgenomen stikstofverliesnormen voor 2003 zal worden voldaan aan de 50 mg nitraat in het bovenste grondwater met uitzondering van de droge zand- en lössgronden (140 000 ha, 7% van het landbouwareaal).

De belasting naar het oppervlaktewater van stikstof en fosfaat vermindert. De 50% emissiereductiedoelstelling (Rijn Actieprogramma/Noordzee Actieprogramma) wordt voor fosfaat in 2003 nationaal gehaald. Voor stikstof is dit richting het oppervlaktewater niet het geval (circa 25% emissiereductie, cijfers 2000.

Bovenstaande gegevens komen uit de evaluatie van de Meststoffenwet in 2002. Op basis van de evaluatie in 2004 komen nieuwe gegevens beschikbaar. Vaststaat dat het areaal droge zanden lössgronden ten gevolge van verlaging van de grondwaterstand fors toeneemt.

10.2.4.2 Ammoniakbeleid

Doelstelling van ammoniak- en emissiebeleid is om tenminste het plafond dat voor Nederland geldt op grond van de Europese NEC-richtlijn niet te overschrijden. Dit plafond is 128 kton per jaar in 2010. Daarnaast blijft de inspanningsverplichting uit het NMP-4 bestaan om in 2010 de nationale emissie te beperken tot 100 kton per jaar. Het aandeel van de landbouw in deze plafonds bedraagt 114 kton, respectievelijk 86 kton. In de Milieubalans 2003 is vastgesteld dat de emissieprognose voor het aandeel van de landbouw in 2010, op grond van vastgesteld beleid, nu 106 kton per jaar is. Daarmee is het doel gerealiseerd. Om het NMP-4 doel te halen zijn verdere maatregelen getroffen (bijvoorbeeld onderwerken mest in de akkerbouw).

10.2.4.3 Agrarisch Stankbeleid

Doelstelling van het agrarisch stankbeleid is om het aantal stankgehinderden terug te dringen en om nieuwe stankhinder te voorkomen. In 2010 mag geen ernstige stankhinder meer voorkomen. In verband met de huidige ontwikkelingen in de landbouw (reconstructie van de concentratiegebieden en afname aantal veehouderijen) gecombineerd met de normstelling, kan worden geconcludeerd dat de mate stankhinder afneemt, maar concrete onderzoeksresultaten zijn niet beschikbaar.

10.2.4.4 Bestrijdingsmiddelenbeleid

Het doel van VROM voor het bestrijdingsmiddelenbeleid is dat in 2010 een milieukwaliteit is gerealiseerd die verder gaat dan het niveau van het maximaal toelaatbaar risico (MTR). Daartoe is het nodig dat de milieubelasting in 2010 is verminderd met 95% ten opzichte van 1998. Tussendoelstelling voor 2005 is een vermindering van de milieubelasting met 75%. In het kader van het Afsprakenkader Gewasbescherming (TK 27 858, nr. 38 en TK 27 858, nr. 39), zijn hiertoe een aantal activiteiten afgesproken die tot een verdergaande reductie van de gewasbescherming moeten leiden. In 2006 zal een evaluatie worden uitgevoerd waarbij zal blijken in hoeverre deze doelen zijn bereikt.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Implementatie conclusies uit Evaluatie mestbeleid (samen met LNV).Gedeeltelijk
Implementatie stankwet voor de gebieden buiten de reconstructie.Gedeeltelijk
Herziening landbouwbestrijdingsmiddelenbeleid (samen met LNV).Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Implementatie conclusies uit Evaluatie mestbeleid (samen met LNV)

Het wetsvoorstel is na de Hofuitspraak inzake de Nitraatrichtlijn aan de Tweede Kamer verzonden (TK 2003–2004, 28 971, nr. 5 en 6). Het wetsvoorstel is nog niet door de Tweede Kamer geaccepteerd.

In het kader van de implementatie van de Nitraatrichtlijn heeft Nederland in juni 2003 overeenstemming bereikt met de Europese Commissie over elementen van een principeakkoord over de derogatie (TK 2003–2004, 28 385, nr. 21). Een voorbehoud werd gemaakt in verband met de arrestwijzing door het Europees Hof van Justitie van 2 oktober 2003, (hierna: Hofarrest, TK 2003–2004, 26 729, nr. 58). Uit het Hofarrest blijkt dat het stelsel van verliesnormen (Minas) ontoereikend is om te voldoen aan de verplichtingen van de Nitraatrichtlijn. Nederland moet een stelsel van gebruiksnormen implementeren en daarmee dus een nieuw mestbeleid ontwikkelen. Op basis van het derde Actieprogramma van de Nitraatrichtlijn geeft Nederland aan hoe het mestbeleid er in de periode 2004–2007 uit gaat zien. De Europese Commissie heeft aangegeven dat een eventuele derogatie alleen gesteund zal worden als dit Actieprogramma volledig in overeenstemming is met het Hofarrest.

Hiervoor wordt door VROM samen met LNV zowel ambtelijk als politiek overleg gevoerd met de Commissie. Op basis van de evaluatie van de Meststoffenwet in 2004 zal verdere politieke besluitvorming plaatsvinden over het stelsel van gebruiksnormen en de hoogte van de normen. Een en ander betekent dus dat de doelstelling nog niet is gerealiseerd.

• Implementatie stankwet voor de gebieden buiten de reconstructie

Op 1 mei 2003 is deze Wet stankemissies veehouderijen in landbouwontwikkeling- en verwevinggebieden (EK 27 835) bij koninklijk besluit in werking getreden, waarbij in het grootste deel van de reconstructiegebieden, op verzoek van het Parlement, ruimere stanknormen van toepassing worden. In november 2003 heeft VROM op verzoek van de Tweede Kamer toegezegd dat het soepele stankbeleid in de toekomst in het gehele reconstructiegebied van toepassing zal zijn. Daartoe dient de eerder genoemde Wet Stankemissies veehouderijen in landbouwontwikkeling- en verwevinggebieden, te worden aangepast

Op 11 september 2003 is een brief naar de Tweede Kamer gezonden (TK 2002–2003 24 445, nr. 65), waarin enkele aanscherpingen in het generieke emissiebeleid zijn aangekondigd, en waarin aanvullende zoneringsvoorstellen zijn gedaan als uitwerking van de EU IPPC-richtlijn en de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Tevens is een voorstel gedaan ter inperking van de werkingssfeer van de Wet ammoniak en veehouderij, waarmee het kabinet invulling wil geven aan hetgeen daarover in het Hoofdlijnenakkoord is opgenomen. Bovenstaande zal aanleiding zijn voor wijziging van de wet in 2004, en voor afronding en in werking treden van de AMvB Huisvesting in 2004.

In de Herijkingbrief (TK 2003–2004 29 200 XI, nr. 7),17 oktober 2003 aan de Tweede Kamer gezonden, is aan de Tweede Kamer voorgesteld om een eerder aangekondigde stankwet voor het hele land niet in te voeren.

Inmiddels is een motie in de TK aangenomen om de wet alsnog in te voeren. Begin 2004 zal worden besloten of deze motie zal worden uitgevoerd.

Met betrekking tot emissiearme technieken is in 2003 is ook onderzoek gedaan naar stank, met als voornaamste doel het bevorderen van de kennis over – en de ontwikkeling van emissiearme technieken. Zo is in 2003 doorgegaan met het doen van geurmetingen aan stalsystemen. Verder is begonnen met het optimaliseren van de meetprotocollen die gelden voor dergelijke geurmetingen en zijn onderzoeken gestart naar respectievelijk de werking en beschrijving van verschillende emissiearme technieken en het inventariseren van belanghebbenden op de markt voor emissiearme technieken

• Herziening landbouwbestrijdingsmiddelenbeleid (samen met LNV)

Op 10 maart 2003 heeft ondertekening plaatsgevonden van het Afsprakenkader Gewasbescherming door de minister van LNV, de staatssecretaris van VROM, LTO-Nederland en de Stichting Natuur en Milieu. Later hebben bijgetekend de Vewin, de Unie van Waterschappen en de bestrijdingsmiddelenhandel- en industrie: Agrodis en Nefyto.

De Tweede Kamer is geïnformeerd over deze afspraken over de toekomst van het gewasbeschermingbeleid (TK 27 858, nr. 38 en TK 27 858, nr. 39).

N.a.v. de motie Te Veldhuis c.s. (TK 27 858, nr. 27) inzake de werkwijze van het College voor de toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) is op 27 november 2003 aan de Tweede Kamer een brief gezonden met een probleemanalyse en de reeds gerealiseerde en de nog te realiseren verbeteringen.

10.3. Groeiparagraaf

 Gerealiseerd
Duurzaam bodembeheer 
De ontwikkeling van een systeem voor de beoordeling van de goede uitvoering van bodembeschermende maatregelen en waarborging van de kwaliteit van de uitvoering van het bodembeleid.Nee
Biodiversiteit 
Het ontwikkelen van een evaluatieparagraaf ten behoeve van de werking van benchmark als instrument.Nee
Milieukwaliteit gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied 
Verbetering doelformulering en monitoring.Gedeeltelijk

Toelichting:

• Duurzaam bodembeheer

In 2005 zal beleidsmonitoring plaatsvinden van het gebruik van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). Een goede uitvoering van de NRB door de circa 40 000 grote en middelgrote bedrijven die niet onder een AmvB ex artikel 8.40 van de Wet milieubeheer vallen, moet leiden tot een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Dit niveau staat beschreven in de NRB. Indien bij de huidige stand der techniek sprake is van verhoogde risico's dient bij onverhoopte bodemverontreiniging herstel van de bodem gewaarborgd te zijn. Tevens zal worden onderzocht in hoeverre het uitvoeringsprogramma van de beleidsbrief bodem heeft bijgedragen aan duurzaam bodembeheer.

De kabinetsnotitie «Bodembeheer op goede gronden» is in oktober 2003 naar de Tweede kamer gezonden (TK nr. 28 199 nr. 5). In deze notitie staan de kwaliteitsborgingsaspecten beschreven voor uitvoering van bodemonderzoek, bodemsanering en hergebruik van grond en baggerspecie. Inmiddels is gestart met het aangekondigde wetgevingstraject waarin de waarborging van de kwaliteit van de uitvoering van het bodembeleid wordt verankerd.

• Biodiversiteit

De evaluatieparagraaf zal onderdeel zijn van het in 2004 uit te brengen beoordelingskader biodiversiteit.

• Milieukwaliteit gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied

Binnen het project Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) werken rijk en provincies samen aan een kader voor doelformulering, het maken van afspraken over investeringen in de vorm van uitvoeringscontracten en monitoring. Van rijkszijde is een voorstel geformuleerd voor een set van 12 doelen die gekoppeld worden aan ILG. Deze doelen worden opgenomen in het Meerjarenprogramma Vitaal Platteland. Samen met provincies wordt in 2004 beoordeeld of deze doelen voldoende operationeel zijn en worden zonodig aanpassingen voorgesteld. Aan provincies wordt gevraagd uiterlijk in 2005 milieuambities te formuleren voor specifieke gebieden als de EHS. De uitwerking van een monitoringsystematiek vraagt nog veel aandacht.

10.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-12.gif

Toelichting:

De onderuitputting van de uitgaven op artikelniveau is toe te schrijven een aantal instrumenten. In de Jaarrekening wordt hierop nader ingegaan.

Artikel 11. Tegengaan klimaatverandering en emissies

11.1 Algemene beleidsdoelstelling

Doel is het voorkomen van klimaatverandering door menselijke beïnvloeding alsmede de bestrijding van verzuring en milieuschadelijke emissies door de bevordering van een – ook in internationaal verband – milieuverantwoorde productie en consumptie. Langs de volgende operationele doelen wordt dit beleid uitgewerkt:

11.2.1 Internationale samenwerking

11.2.2 Vermindering uitstoot broeikasgassen

11.2.3 Vermindering verzuring en grootschalige luchtverontreiniging

11.2.4 Vermindering algemene uitstoot industrie

11.2.5 Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart

11.2.6 Vermindering milieudruk producten

11.2.7 Vergroten draagvlak milieubeleid.

Het doelbereik 2003

In het algemeen zijn de Nederlandse emissies van broeikasgassen gestabiliseerd rond het niveau van 1990. Afname van niet-CO2-emissies hebben een verdere toename van CO2-emissies gecompenseerd. Prognoses laten zien dat het doel voor 2010 zal kunnen worden gehaald.

De mondiale uitfasering van ozonlaag-aantastende stoffen verloopt naar wens.

De dalende tendens voor verzurende stoffen en grootschalige luchtverontreiniging zet door. De kans op het doelbereik in 2010 is vergroot door het vaststellen van een uitvoeringsstrategie voor de Europese NEC-richtlijn.

11.2. Operationele doelstellingen

11.2.1 Operationele doelstelling «Internationale samenwerking»

Doel is het bevorderen en realiseren van duurzame ontwikkeling – zowel binnen als buiten Nederland – door actieve inzet van de Nederlandse milieudiplomatie in mondiale en Europese kaders. Duurzame ontwikkeling is een proces, waarvoor o.a. in de WSSD in 2002 doelstellingen zijn bevestigd, aangevuld en geoperationaliseerd.

Het doelbereik 2003

Duurzame ontwikkeling berust op drie pijlers, een economische pijler, een sociale pijler en een milieupijler. Bij de realisatie van de afspraken uit de WSSD is de verweving van de drie pijlers steeds explicieter aan de orde, doordat het nu aankomt op implementatiekeuzen. Het gaat dan vooral om interactie van Milieu met Economie en Milieu met Ontwikkelingssamenwerking.

Geconcludeerd kan worden dat onder invloed van de Nederlandse milieudiplomatie in verschillende (internationale) gremia acties zijn gestart die bijdragen aan de implementatie van de afspraken uit de WSSD. Daarmee zijn belangrijke stappen voorwaarts gezet naar het bevorderen en realiseren van duurzame ontwikkeling.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Uitwerken afspraken uit de World Summit on Sustainable Development (WSSD)Ja
• Versterken handhaving van internationale milieuverdragenGedeeltelijk
• Beïnvloeden Europees landbouw- en structuurbeleid richting o.a. duurzame landbouw, regionale cohesie en codificatie van een duurzaamheidstoetsGedeeltelijk
• Follow-up strategische positiebepaling internationaal VROM-beleidJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Uitwerken afspraken uit de World Summit on Sustainable Development (WSSD)

Deze zijn uitgewerkt in de nota Duurzame Daadkracht van 29 november 2002 (buza 020477) en 16 juli 2003 (vrom 030480), de Europese Milieuagenda van juli 2003 (TK28 663, nr. 6) en de Voortgangsrapportage aan de TK over de nota Duurzame Daadkracht van 15 december 2003.

• Versterken handhaving van internationale milieuverdragen

In UNEP kader zijn guidelines voor enforcement en compliance tot stand gebracht, waaraan VROM steun (zowel actieve inhoudelijke als financiële) heeft gegeven. De volgende stap is het door UNEP ontwikkelen van trainingen. Ook tijdens de verschillende bijeenkomsten over specifieke verdragen wordt nu meer aandacht gegeven aan verbetering van handhaafbaarheid en handhaving. VROM heeft, ook gelet op de UNEP-Guidelines die een taak geven aan Green Interpol, enige tijd met Interpol overlegd om te komen tot versterking van de rol als Green Interpol (opsporing en vervolging van grensoverschrijdende milieucriminaliteit). Op grond hiervan heeft Interpol een strategiedocument Green Interpol opgesteld. Desondanks is Interpol door andere prioriteiten uiteindelijk niet echt positief ingegaan op het aanbod van VROM tot detachering van een Nederlandse expert bij Interpol in Lyon. De VROM-inspectie blijft wel actief op dit terrein en blijft betrokken bij het werk van Interpol. Nederland neemt deel aan de werkgroep op het terrein van milieuverontreiniging, waar afspraken worden gemaakt over projecten en andere initiatieven voor de bestrijding van milieucriminaliteit.

• Beïnvloeden Europees landbouw- en structuurbeleid richting o.a. duurzame landbouw, regionale cohesie en codificatie van een duurzaamheidstoets

De geannoteerde agenda voor de vergadering inzake de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is aan de TK aangeboden bij brief van de minister van LNV van 3 juni 2003 (2002–2003, 21 501–32, nr. 34).

Over de resultaten is aan de TK gerapporteerd met een brief van de minister van LNV van 7 juli 2003 (2002–2003, 21 501–32, nr. 39).

• Follow-up strategische positiebepaling internationaal VROM-beleid

De Internationale Strategie VROM is eind juni binnen VROM vastgesteld.

11.2.2 Operationele doelstelling «Vermindering uitstoot broeikasgassen»

Het beleid richt zich op een vermindering in de uitstoot van broeikasgassen door de implementatie van het Kyoto protocol. Het doel is een emissiereductie met gemiddeld 6% te realiseren voor de broeikasgassen CO2, CH4, N2O, HFK's, PFK's en SF6 in de periode 2008–2012 ten opzichte van het basisjaar 1990 (voor HFK's, PFK's en SF6 is dat 1995). Dit komt overeen met een emissieniveau van gemiddeld 199 Mton CO2 per jaar in genoemde periode. De maatregelen om invulling te geven aan de taakstelling voortvloeiend uit het Kyoto protocol zijn beschreven in de Uitvoeringsnota klimaatbeleid deel 1 en deel 2 van 1999, met ijkmomenten in 2002 en in 2005.

Actuele emissiecijfers m.b.t. CO2-equivalenten worden opgenomen in het overzicht inzake de voortgang van het klimaatbeleid (bijlage van de begroting). In het klimaatbeleid wordt onderscheid gemaakt in algemene maatregelen ter vermindering van uitstoot van broeikasgassen (11.2.2.1), emissiereducties in het binnenland (11.2.2.2) en emissiereducties in het buitenland (11.2.2.3).

11.2.2.1 Algemene maatregelen ter vermindering van uitstoot broeikasgassen

De Nederlandse inbreng in de internationale aanpak van klimaatverandering richt zich op het voorkomen van door de mens veroorzaakte – gevaarlijke – klimaatverandering, zoals is overeengekomen in het VN-Klimaatverdrag.

Het doelbereik 2003

Internationaal heeft Nederland met veel inzet bijgedragen aan verdergaand beleid op het gebied van vermindering van de uitstoot van broeikasgassen om te kunnen voldoen aan de Kyoto-doelstellingen. Met name op klimaatgebied zijn veel inspanningen verricht om het Kyoto Protocol voldoende geratificeerd te krijgen. Op het gebied van monitoring van de uitstoot van broeikasgassen zijn effectieve stappen gezet om tot uitvoering van de gemaakte afspraken te komen. Ook met betrekking tot de mondiale uitfasering van ozonlaag-aantastende stoffen (Montreal Protocol) wordt voldoende voortgang gemaakt.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Leveren van inhoudelijke en beperkte financiële bijdrage binnen en buiten UNFCCC verband.Ja
• Notitie ten behoeve van Nederlands standpunt over toekomstige verplichtingen.Ja
• Uitvoering klimaatonderzoeks-programma.Ja
• Voorbereiding en deelname aan conferenties CoP9 en MOP1Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Leveren van inhoudelijke en beperkte financiële bijdrage binnen en buiten UNFCCC verband

Het Kyoto Protocol is in 2003 niet in werking getreden. Hiervoor is ratificatie door Rusland noodzakelijk en dat land heeft aangegeven het onderzoek naar consequenties van ratificatie nog niet te hebben afgerond. Nederland heeft in 2003 direct en via de EU op vele manieren de dialoog met Rusland gezocht, o.a. via concrete potentiële samenwerkingsprojecten (EZ-programma Joint Implementation).

Nederland heeft ook in financiële zin voldaan aan de internationale verplichtingen, o.a. door de contributie aan het UNFCCC op tijd te voldoen en door inhoudelijke deelname aan de discussie binnen UNFCCC, EU en OESO.

• Notitie ten behoeve van Nederlands standpunt over toekomstige verplichtingen

De Nederlandse interdepartementale delegatie onder leiding van VROM heeft actief bijdragen (inhoudelijk en financieel) aan het initiëren en onderbouwen van informele discussies (binnen en buiten de EU) over de noodzaak en de mogelijke vormen van een internationale regime na 2012. Ten behoeve daarvan heeft een interdepartementale werkgroep onder leiding van VROM een ambtelijke verkennende notitie geschreven, op basis waarvan de Nederlandse positie in de toekomst kan worden voorbereid.

• Uitvoering klimaatonderzoek-programma

In het kader van het Nederlandse Vervolgprogramma Klimaatonderzoek zijn de hoofdlijnen uitgezet voor meer fundamenteel wetenschappelijk onderzoek gericht op de belangrijkste onzekerheden in onze kennis omtrent het klimaatsysteem, de potentiële gevolgen van klimaatverandering en de mogelijkheden die er zijn om via (internationaal) beleid de mate waarin klimaatverandering zal optreden, te beperken. NWO) is verantwoordelijk voor organisatie en beheer van dit onderzoek. Mede met het oog op de EU-voorzittersrol van Nederland in 2004 is het wenselijk tijdig te beschikken over een analyse van diverse routes voor internationale beleidsontwikkeling. In 2003 heeft een breed consortium van Nederlandse instituten (onder trekkerschap van het RIVM) opdracht gekregen om in 2004 voor diverse aspecten op basis van beschikbare kennis wetenschappelijke «assessments» en beleidsanalyses op te leveren.

• Voorbereiding en deelname aan conferenties als de 9e Conference of Parties (CoP9) en de 1e Meeting of Parties (MoP1)

De Nederlandse interdepartementale delegatie onder leiding van VROM heeft in de aanloop naar CoP9 binnen en buiten de EU actief bijgedragen aan de totstandkoming van de besluiten op deze CoP9, met name gericht op het terrein van verdere uitwerking van beleid. Tijdens de CoP9 (december 2003) is men erin geslaagd overeenstemming te bereiken over belangrijke nog openstaande punten, zoals de sinks in CDM, nadere afspraken over monitoring, rapportage en review, de verdere vormgeving van klimaatfondsen, het budget van de UNFCCC, ontwikkeling van een register voor emissiehandel, de resultaten van de Executive Board van het CDM, de rol van het internationale luchtvaart- en scheepvaartsector in het klimaatbeleid en de toekomstige institutionele relatie tussen de CoP en de MoP. CoP9 is geen MoP1 geworden, omdat ratificatie van het Kyoto Protocol door Rusland tot nu toe uitgebleven is, waardoor het Protocol nog niet van kracht is kunnen worden.

11.2.2.2. Binnenlandse maatregelen ter vermindering van uitstoot broeikasgassen

Het beleid richt zich op de uitvoering van een groot aantal maatregelen, zoals genoemd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999), de Tussenstandnotitie Klimaatbeleid (2001) en de Evaluatienota Klimaatbeleid (2002). Daarnaast richt het beleid zich op verdergaande reducties op de langere termijn (na 2012) en zo mogelijk, bij een succesvolle ontwikkeling, al bijdragend aan de prestaties voor de 1e verplichtingenperiode (2008–2012).

Het doelbereik 2003

De emissie van broeikasgassen in Nederland was in 2002 ongeveer gelijk aan de emissie in 1990. Na een stijging van circa 4% tussen 1990 en 1995 en een daling in de periode 1995–2000 tot het niveau van 1990, blijven de totale Nederlandse broeikasgasemissies de laatste jaren vrijwel stabiel rond het niveau van 219 Mton CO2-equivalenten (het doel van de binnenlandse inspanning in 2010). De afname van niet-CO2-emissies, compenseert de verdere toename van de kooldioxide(CO2)-emissie.

De CO2-emissie is ook in 2002, een jaar waarin de economische groei daalde tot 0,2%, blijven toenemen. Dit komt doordat de toename van fysieke productie in de industrie en van het verbruik van elektriciteit vrijwel even hoog was als in jaren met hoge economische groei. Prognoses laten zien dat met het huidige beleidspakket het binnenlandse doel voor 2010 naar verwachting zal kunnen worden gehaald. Een belangrijk deel daarvan zal worden gehaald door de verdere afname van de emissies van de niet-CO2-broeikasgassen.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Realisatie Kyoto doel (2008–2012) 
• Uitvoering Reductieplan Overige Broeikasgassen: 
– totstandkoming Besluit BroeikasgassenJa
– vernieuwde nationale regelgeving voor koeling en airconditioningNee
– afspraak met producenten van bouwschuimen,Nee
– totstandkoming convenant met gebruikers van SF6 in sterkstroomtoepassingen over emissiereductieNee
– afspraak met beheerders van stortplaatsen over het verder terugdringen van methaanemissiesNee
– vastleggen van de afspraken over te nemen technologische maatregelen voor de reductie van lachgas-emissies in de salpeterzuurproductie en opname daarvan in het Convenant ChemieNee
• Vaststelling streefwaarden voor maximale CO2 emissie-niveaus (2008–2012) voor vier sectorenNee
• Emissiehandel: bijdrage leveren aan traject van Europese besluitvorming, voor Nederland wordt een proefallocatieplan opgesteldJa
• Uitvoering afspraken met sectoren (benchmark, Glami, MJA's) 
• Uitvoering afspraken over lokaal klimaatbeleid (BANS-klimaatconvenant en subsidieregeling)Ja
• Stroomlijning evaluaties klimaatbeleidJa
• Analyse beleidseffecten per sector (2003: gebouwde omgeving) 
• Via uitvoeringsorganisaties verdere ontwikkeling van systeem van monitoring van emissies van broeikasgassen zodanig dat wordt voldaan aan internationale eisenJa
Transitie naar duurzame energie-huishouding (langere termijn) 
• Demonstratie-project CO2-opslag (CRUST): afronding besluitvorming over beheerder van het bufferprojectJa
• GAVE: afronding van definitie- en selectieproces uitmondend in ten minste één aansprekend demonstratieprojectNee
• Verkenning onduurzame effecten van reductiebeleidJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Uitvoering Reductieplan Overige Broeikasgassen

– totstandkoming Besluit Broeikasgassen

Het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten WMS 2003 is gepubliceerd (Stbld 2003, 360) en het nieuwe Besluit broeikasgassen is daarvan afgesplitst. Dit houdt in dat in het Besluit tot wijziging van het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten (WMS 1997), de bepalingen die betrekking hebben op Fluorkoolwaterstoffen (HFK's) zijn ondergebracht in het Besluit Broeikasgassen WMS 2003.

– vernieuwde nationale regelgeving voor koeling en airconditioning

Vervanging van de Regeling Lekdichtheid Koelinstallaties is opgeschort in afwachting van de totstandkoming van de Europese Verordening inzake bepaalde fluorhoudende broeikasgassen. Die verordening is nu in consultatie bij de lidstaten. Publicatie wordt in 2004 verwacht.

– afspraak met producenten van bouwschuimen

In de Europese Verordening inzake bepaalde fluorhoudende broeikasgassen zal naar verwachting het voornemen van de Europese Commissie tot het overeenkomen van een Europees convenant over productie van bouwschuimen en de toepassing van sterkstroomapparatuur staan aangekondigd; dit maakt nationale convenanten overbodig.

– totstandkoming convenant met gebruikers van SF6 in sterkstroomtoepassingen over emissiereductie

het opstellen van een convenant is niet meer nodig vanwege de Europese Verordening en vertrek van de producent van hoogspanningsapparatuur.

– afspraak met beheerders van stortplaatsen over het verder terugdringen van methaanemissies

Bij de voorbereiding van deze afspraak met de beheerders van stortplaatsen bleek nader onderzoek nodig naar de mogelijkheden tot verdere terugdringing van de methaanuitstoot. In afwachting van de afronding van dit onderzoek is in 2003 nog geen afspraak gemaakt.

– vastleggen van de afspraken over te nemen technologische maatregelen voor de reductie van lachgas-emissies in de salpeterzuurproductie en opname daarvan in het Convenant Chemie

De producenten van salpeterzuur en caprolactam hebben aangegeven te willen participeren in het Europese systeem van broeikasgashandel. Naar verwachting kan dit vanaf 2008. Met de bedrijven zal ruim daarvóór (het allocatieplan voor de tweede handelsperiode moet medio 2006 gereed zijn) een afspraak moeten zijn gemaakt over de emissieruimte die zij krijgen toebedeeld. Ondertussen wordt gestart met onderzoek naar het benodigde monitoringssysteem. Ook zal internationaal overleg plaatsvinden over een mogelijk geharmoniseerde benadering van deze bedrijven binnen Europa.

Tabel 11.1 Verhouding tussen de inzet van uitvoeringsgericht onderzoek en monitoring versus subsidieverlening (x € 1 000).
JaarUitvoe-ringsgericht onderzoek en monitoringSubsidie-budget R,D,DAantal subsidies verwachtWerkelijk aantal ingediendAantal subsidies toegekendTotaal toegekend bedragGemiddeld subsidiepercentageWerkelijk gerealiseerd subsidieperc.Steun bij invoering van maatregelenReeds gerealiseerd (Mton CO2-eq)
19991 3102271101092950%50%n.v.t0
20002 5333 1764044293 17660%47%n.v.t.2,5
20011 8153 1764037293 17660%25%n.v.t.2,5
20021 3163 2804052303 25035%25%n.v.t.2,5
20033 00020005043211 87035%30%1 500p.m
20042000200050pmpmpm30%pm3 000p.m
20052000200050pmpmpm25%pm8 000p.m
20062000200050pmpmpm20%pm7 500p.m
20071 000200050pmpmpm15%pm1 000p.m

Bron: Novem

• Vaststelling streefwaarden voor maximale CO2 emissie-niveaus (2008–2012) voor vier sectoren

Het voorbereidende werk ter onderbouwing van streefwaarden voor CO2-emissieniveaus voor 2010 (de Kyoto-periode) voor de vier sectoren (industrie/elektriciteitsopwekking, landbouw, gebouwde omgeving en verkeer) is afgerond. Vaststelling van de streefwaarden wacht nog op besluitvorming in het kader van de voorbereiding van het allocatieplan voor CO2-emissiehandel.

• Emissiehandel: bijdrage leveren aan traject van Europese besluitvorming, voor Nederland wordt een proefallocatieplan opgesteld

In december 2002 heeft de Europese Unie een politiek akkoord bereikt over de invoering van emissiehandel in broeikasgassen. In 2003 is begonnen met de voorbereidingen voor introductie van het systeem in Nederland. Belangrijkste activiteiten betreffen het wijzigen van de Wet milieubeheer (trekker VROM) en het opstellen van een nationaal allocatieplan voor emissierechten (trekker EZ). Het wetsvoorstel is eind 2003 door het kabinet vastgesteld en begin 2004 naar de Raad van State verzonden. Het eerste concept van het nationaal allocatieplan is eind 2003 gereed gekomen; de inspraakronde begint in februari 2004.

• Uitvoering afspraken met sectoren (benchmark, Glami (Project Glastuinbouw en Milieu), MJA's (Meerjarenafspraak))

Het convenant benchmarking is in 2003 geëvalueerd in opdracht van de Commissie Benchmarking door een onafhankelijk bureau. Doel was inzicht te verkrijgen in het algemene beeld bij betrokkenen over de uitvoering van het convenant. De samenwerking en rolverdeling tussen partijen is bekeken en ook de protocollen, definities, werkwijze, etc. Conclusie van de evaluatie is dat het convenant goed loopt. De deelname is hoog en afspraken worden nagekomen. Verbetering is echter nodig wat betreft transparantie van de besluitvorming en de afstemming tussen partijen. De Commissie Bechmarking heeft n.a.v. de evaluatie acties in gang gezet. Uit de jaarrapportage over 2002 (uitgebracht november 2003) volgt voor de industrie dat de verwachte vermeden CO2 emissie in 2012 5,6 Mt per jaar is en dat de energie-efficiency in de afgelopen 3 jaar is verbeterd met 2%, iets minder dan die van de wereldtop. Het grootste deel van de afgesproken maatregelen is uitgevoerd. Voor de energiesector zijn de afgesproken maatregelen niet genomen. De daardoor ontstane achterstand in energiebesparing is echter beperkt (0,3 PJ). De energie-efficiency-index voor aardgascentrales is verslechterd t.o.v. 1999, die van kolencentrales is verbeterd.

In het kader van het Glami-onderzoek hebben twee onderzoeken in 2003 plaatsgevonden. Eén onderzoek betreft de invloed van de ontwikkelingen van interne en externe factoren op de haalbaarheid van het Glami-doel en de AMvB-normen. Het algemeen beeld is dat er per saldo geen grote wijzigingen zijn maar de haalbaarheid is op onderdelen (assimilatiebelichting) problematisch. Het tweede onderzoek betreft een advies voor aanpassing van de normen teneinde de relatieve inspanningen voor verschillende gewassen meer gelijkmatig te maken.

Er zijn inmiddels 865 inrichtingen toegetreden tot de tweede Meerjarenafspraak inzake energie-efficiency (MJA2, stand van zaken november 2003). Voor bijna al deze inrichtingen is een (concept-)besparingsplan gereed. In 2004 zal de MJA-2-evaluatie plaatsvinden, de voorbereidingen hiervoor zijn eind 2003 gestart.

• Uitvoering afspraken over lokaal klimaatbeleid (BANS-klimaatconvenant en subsidieregeling)

Naar aanleiding van de beperkte animo voor de BANS-subsidieregeling is begin 2003 een quick scan uitgevoerd naar mogelijke belemmeringen voor het aanvragen van de subsidie, hetgeen tot aanpassing van de regeling heeft geleid. De voorbereidingen voor de evaluatie van het convenant zijn daarom pas eind 2003 gestart. De evaluatie wordt begin 2004 afgerond.

Een andere subsidieregeling geformaliseerd in het BANS-klimaatconvenant is PIOB (Project Intensivering Ondersteuning Bevoegd gezag). Deze regeling dient ter ondersteuning van de vergunningverlenende en handhavende rol van provincies in energie in de milieuvergunning. Deze regeling liep van 2001–2003. De regeling wordt begin 2004, geëvalueerd o.a. om zo meer rekening te kunnen houden met de ontwikkelingen van de Europese CO2-emissiehandel. De voorbereidingen voor de evaluatie zijn eind 2003 gestart. De subsidie is met het oog op het uitstel verlengd t/m 2004.

• Stroomlijning evaluaties klimaatbeleid

Een handreiking voor de monitoring en evaluatie van klimaatmaatregelen is in 2003 ontwikkeld en getoetst bij verschillende beleidsmakers en uitvoerende instanties. Publicatie van de handreiking heeft begin 2004 plaatsgevonden en is gekoppeld aan een traject van communicatie activiteiten om de handreiking onder de aandacht te brengen van de beoogde gebruikers.

• Analyse beleidseffecten per sector (2003: gebouwde omgeving)

Het klimaatbeleid in de gebouwde omgeving is in 2003 doorgelicht op doeltreffendheid en doelmatigheid. De resultaten zullen begin 2004 opgeleverd worden en aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd (zie ook art. 3.2.2.1.) Gezien de voorlopige resultaten zijn wij van mening dat het jaarverslag onvoldoende ruimte geeft om voldoende toelichting te geven op de eindconclusies. Mede in het licht van de huidige perikelen rond de EPR.

• Via uitvoeringsorganisaties verdere ontwikkeling van systeem van monitoring van emissies van broeikasgassen zodanig dat wordt voldaan aan internationale eisen

In 2003 zijn ten behoeve van het zogenoemde «National System» (een vereiste onder het Kyoto Protocol) protocollen opgesteld voor het monitoren van broeikasgassen. Via deze protocollen worden de internationale monitoringseisen vertaald naar de Nederlandse situatie. Een kwaliteitsborgingsysteem (QA/QC) maakt onderdeel uit van de protocollen. De protocollen zijn grotendeels gereed. Er is een web-site (www.broeikasgassen.nl) opgesteld met informatie over monitoring van broeikasgassen. De protocollen zullen t.z.t. op de website worden geplaatst. Het streven is er op gericht om het gehele National System eind 2004 operationeel te hebben.

• Demonstratie-project CO2-opslag (CRUST): afronding besluitvorming over beheerder van het bufferproject

Op de door het ministerie van Economische Zaken uitgeschreven Europese tender voor een demonstratieproject voor CO2-opslag heeft uiteindelijk zich slechts een partij (Gaz de France) ingeschreven. Het gaat om een off shore project waarbij CO2, afkomstig van een bijna leeg gasveld, weer in het desbetreffende veld wordt terug gebracht. De CO2 wordt nu nog uit het veld gehaald om aan de juiste gasspecificaties te kunnen voldoen om vervolgens de lucht te worden ingeblazen. Naar verwachting zal de eerste CO2 in het voorjaar van 2004 in de ondergrond worden gebracht. Het experiment zal maximaal twee jaar duren. Een andere potentiële kandidaat heeft zich teruggetrokken, omdat deze van mening was dat het beschikbare bedrag binnen de tender te klein was om een ondergrondse opslag te realiseren.

• GAVE: afronding van definitie- en selectieproces uitmondend in ten minste één aansprekend demonstratieproject

De subsidieregeling GAVE is in 2003 geopend voor preconcurrentiële ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten. In totaal was € 5,8 miljoen subsidie beschikbaar gesteld. Marktpartijen hebben op de regeling gereageerd, maar er is geen subsidie verleend. In 2004 zal worden nagegaan waarom geen voorstellen tot subsidiabele projecten zijn ingediend. Het inzicht dat daardoor verkregen wordt, zal worden gebruikt bij het formuleren van vervolgstappen in het kader van de stimulering van klimaatneutrale energiedragers.

• Verkenning onduurzame effecten van reductiebeleid

Door UCE en Novem is eind 2003 een eerste verkenning opgeleverd naar de reikwijdte en diepgang van het project onduurzame neveneffecten (project CODE: Criteria voor de Overgang naar een Duurzame Energiehuishouding). Omdat CODE een nauwe relatie heeft met de energietransitie (die door het ministerie van EZ wordt getrokken) is met EZ afgesproken om beide trajecten gelijk te laten oplopen; dit heeft tot temporisering van CODE geleid. De volgende stap in het proces is op basis van de verkenning, in overleg met EZ nagaan in hoeverre sprake kan zijn van synergie tussen CODE en de energietransitie, dan wel voortzetting van CODE in een separaat traject.

Beleidsevaluatie 2003

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Evaluatie van Kolenconvenant.De convenantpartners vonden het bij nader inzien niet zinvol om het convenant zo kort na de ondertekening daarvan (in 2002) te evalueren. De eva- luatie is daarom naar begin 2004 opgeschoven.n.v.tn.v.t
Evaluatie BANS-klimaatconvenantEr is begin 2003 een quick-scan uitgevoerd om ervaring met de subsidieregeling in kaart te brengen. Naar aanleiding hiervan is de regeling aangepast. De brede evaluatie van het klimaatconvenant is daarom naar begin 2004 opgeschoven. De opdracht voor de evaluatie is al verleend.n.v.tn.v.t

11.2.2.3. Buitenlandse maatregelen ter vermindering van uitstoot broeikasgassen

Doel is het bereiken van 100 Mton CO2 equivalenten buitenlandse emissiereducties in de periode 2008–2012 door Clean Development Mechanism (CDM), Joint Implementation (JI) en Emission Trading (ET). CDM, dat onder de verantwoordelijkheid van VROM valt, richt zich op de vermindering van uitstoot van broeikasgassen door ondersteuning van projecten in ontwikkelingslanden. De doelstelling met betrekking tot CDM ligt op de levering van 50–70 Mton CO2-equivalenten in de periode 2003–2012.

Het doelbereik 2003

Het bereiken van de doelstelling ligt op schema. De verwachting is dat de gecontracteerde multilaterale organisaties de afgesproken 41 CO2-equivalenten aan concrete leveringscontracten zullen sluiten. Tezamen met de verwachte opbrengst uit de Europese Aanbesteding Cerupt (10 Mton CO2-equivalenten), het in 2003 met de Rabobank gesloten raamcontract (10 Mton CO2-equivalenten), de participatie in het Community Development Carbon Fund (1 Mton CO2-equivalenten) en de in 2004 voorziene bilaterale leveringsovereenkomst met Indonesië (5 Mton CO2-equivalenten), zal het mogelijk zijn om via het CDM voor 67 Mton CO2-equivalenten te realiseren. Bij tegenslag zijn er nog opties op extra Mton CO2-equivalenten achter de hand.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Door tussenkomst van de uitvoerders/intermediairs op projectbasis sluiten van concrete leveringscontracten (spoor 1)Nee
• Bij een positieve evaluatie mogelijkerwijs een 2e openbare Europese Aanbesteding (spoor 2)Ja
• Sluiten contracten met private financiële instellingen (spoor 3)Ja
• Sluiten van bilaterale overeenkomsten met Indonesië, China en/of India voor de overdracht/levering van CER's (spoor 4)Gedeeltelijk
• Sluiten van Memoranda of Understanding met landen in Afrika, Oost Azië en Zuid-Oost AziëNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Door tussenkomst van de uitvoerders/intermediairs op projectbasis sluiten van concrete leveringscontracten (spoor 1)

Eind 2003 is gebruik gemaakt van de optie om het contract met de Wereldbank (IBRD) op te hogen met 5 Mton. Het streven was om via spoor 1 (gesloten raamcontracten met multilaterale organisaties) in 2003 de eerste leveringscontracten op projectbasis te kunnen sluiten. Dit is niet gerealiseerd, doordat deze leveringscontracten in principe pas getekend mogen worden, nadat registratie bij de Executive Board heeft plaatsgevonden.

Het registratieproces is vertraagd door het niet tijdig beschikbaar komen van methodologieën om de gerealiseerde emissiereducties te kunnen bepalen. Deze vertraging zal naar verwachting geen gevolgen hebben op de verwachte opbrengst, omdat tijdens CoP9 is afgesproken, dat vóór registratie van een project gerealiseerde emissiereducties met terugwerkende kracht mogen meetellen.

• Bij een positieve evaluatie mogelijkerwijs een 2e openbare Europese Aanbesteding (spoor 2)

Op basis van de verwachte opbrengst uit de 1e openbare Europese Aanbesteding, het verder in gang gezette meersporenbeleid en de eerste voorzichtige conclusie dat het uitvoeren van een Europese Aanbesteding in een omgeving, waar de precieze procedures en richtlijnen nog (te) onduidelijk zijn c.q. nog (verder) moeten worden ontwikkeld, is in 2003 besloten geen 2e openbare Europese Aanbesteding uit te voeren.

• Sluiten contracten met private financiële instellingen (spoor 3)

Begin 2003 is met de Rabobank een tweejarig raamcontract gesloten voor 10 Mton CO2-equivalenten.

• Sluiten van bilaterale overeenkomsten met Indonesië, China en/of India voor de overdracht/levering van CER's (spoor 4)

Op basis van bij de uitvoering van Cerupt met China opgedane ervaringen en de ervaringen die de Wereldbank met China heeft opgedaan met haar Protoype Carbon Fund, is in 2003 besloten te onderzoeken of het mogelijk was een bilaterale leveringsovereenkomst te sluiten met India of Indonesië en niet met China. Na verkennende gesprekken met en het houden van workshops voor vertegenwoordigers van resp. Indonesië en India, bleek dat de bereidheid van Indonesië om te komen tot een bilateraal leveringsovereenkomst te komen groter was, dan bij India. Dit heeft ertoe geleid dat op 12 december 2003 een Memorandum of Understanding met Indonesië is getekend, die ertoe moet leiden dat in het 1e kwartaal van 2004 een Bilaterale CER Purchase Agreement met Indonesië getekend kan worden.

• Sluiten van Memoranda of Understanding met landen in Afrika , Oost Azië en Zuid-Oost Azië

De CDM projectcyclus brengt met zich dat de landen waarin CDM-projecten worden uitgevoerd hiervoor vooraf instemming geven. Om de afgifte van dergelijke instemmingsbrieven door de bevoegde autoriteit van het gastland aan de desbetreffende CDM-projectontwikkelaar te vergemakkelijken, worden met landen waaruit op korte termijn CDM-projecten verwacht kunnen worden Memoranda of Understanding (MoUs) afgesloten. De aanwezigheid van een MoU is voor een gastland overigens geen voorwaarde om met Nederland een CDM-activiteit uit te voeren. Van het sluiten van MoUs met Marokko en Tunesië is inmiddels op grond van het achterwege blijven van kansrijke projecten afgezien. Hetzelfde geldt in zekere zin ook voor landen in Azië, waarbij daar overigens ook, gegeven de aanwezige bereidheid om mee te werken, geen dringende noodzaak bestaat om een MoU te sluiten.

• Participatie in Community Development Carbon Fund (CDCF) (spoor 5)

In 2003 is een 5e spoor als nieuw beleidsinitiatief ingezet voor het contracteren van ca. 1 Mton CER's. Dit spoor houdt in participatie in het CDCF, dat is ingesteld en wordt beheerd door de Wereldbank. Het CDCF is specifiek gericht op kleinschalige CDM projecten in vooral de minst ontwikkelde landen. Hierdoor komen gelden beschikbaar voor kleinschalige projecten, die anders geen kans krijgen en die zich in potentie toch als CDM-project kunnen kwalificeren.

Tabel 11.2 Planning en resultaten voor CDM in 2003
Reductie Mton CO2-eq. d.m.v. CDM:DoelGesloten raamover-eenkomstenGetekende projectcontracten2Effectieve projectcontractenGeleverde CER's
Spoor 1: Multilaterale instellingen4141000
Spoor 2: Agentschap Senter/Cerupt10107,600
Spoor 3: Private financiële instellingen1010000
Spoor 4: Bilaterale overeenkomst50000
Spoor 5: Community Development carbon Fund11000
Totaal:676217,600

1plus optie op 11 Mton bij spoor 1, in geval van tegenvallers elders.

2getekende contracten, waarvan de ontbindende voorwaarden, waaronder registratie van het project door de Executive Board, nog niet zijn komen te vervallen

Bron: diverse uitvoeringsorganisaties

11.2.3 Operationele doelstelling «Vermindering verzuring en grootschalige luchtverontreiniging»

Het beleid voor verzuring en grootschalige luchtverontreiniging is gericht op het terugdringen van de emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3), Vluchtige Organische Stoffen (VOS) en fijn. Voor 2010 zijn per stof en per doelgroep kwantitatieve doelen vastgesteld.

Het doelbereik 2003

De emissies van verzurende stoffen vertonen al jaren een dalende tendens dankzij de uitvoering van het vastgestelde beleid beleid (regelgeving, convenanten). De meest recente cijfers van CBS en RIVM (Milieucompendium 2003) tonen aan dat deze tendens nog steeds doorzet. De Kamer is hierover geïnformeerd middels de notitie «Erop of eronder» (TK 28 663, nr. 12). Het (internationale) zichtjaar voor verzuring en grootschalige luchtverontreiniging is 2010 (met enkele uitzonderingen, waaronder bijvoorbeeld fijn stof waarvoor 2005 als zichtjaar geldt).

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Voortgangsrapportage emissieplafonds en NMP-4 doelenJa
• Afronden nationale ratificatieprocedures Goteborg protocolJa
• Wijziging van het oplosmiddelenbesluitNee
• Totstandkoming drie à vier monitoringsprotocollen voor VOS emissiesGedeeltelijk
• Voorbereiden (inter)nationale aanpak reactief stikstofDoorlopend
• Verschijnen actieplan fijn stofNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Voortgangsrapportage emissieplafonds en NMP-4 doelen

In vervolg op de rapportage emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2002, is begin 2003 een project gestart met als doel een maatschappelijk, politiek en ambtelijk gedragen notitie tot stand te brengen die beschrijft welke sectoren en doelgroepen, langs welke beleidslijnen en met welke maatregelen, welke emissiereducties zullen halen op gebied van NOx, SO2, NH3 en NM(?)VOS (zodanig dat de 4 plafonds voor deze stoffen uit de NEC richtlijn in 2010 niet worden overschreden). Deze notitie «Erop of eronder» is op [19 december 2003] vastgesteld door de Ministerraad.

• Afronden nationale ratificatieprocedures Goteborg protocol

De ratificatieprocedure is [begin december 2003] afgerond, hetgeen betekent dat Nederland officieel kan ratificeren.

• Wijziging van het oplosmiddelenbesluit

Het huidige besluit biedt geen mogelijkheid verdergaande eisen voor te schrijven. Daarom is deze wijziging noodzakelijk. De beoogde wijziging heeft echter opnieuw vertraging opgelopen. Een ontwerptekst is gereed, maar verdere voortgang stagneert in verband met gebrek aan juridische capaciteit bij VROM, in afweging met andere prioriteiten. De wijziging staat nu gepland voor 2004. Risico hiervan is wel dat potentiële reducties verloren gaan.

• Totstandkoming drie à vier monitoringsprotocollen voor VOS emissies

De onderhandelingen hiertoe zijn (zo goed als) afgerond. Het protocol m.b.t. de puntbronnen chemie is afgerond en reeds geaccordeerd door Stichting VOS en CCDM zal in 2005 in werking treden. Mogelijk tegelijk met het Protocol Duffuse emissies en emissies bij op- en overslag (raffinaderijen, chemie, op- en overslagbedrijven), die begin volgend jaar definitief kan worden vastgesteld en op 1-5-2005 in werking zal treden. Het Protocol voor de grafische sector is nog in onderhandeling, er ligt nu een plan van aanpak voor monitoring van VOS-emissies in deze sector. Er is een onderzoeksopdracht uitgezet naar een verbeterde monitoringssystematiek bij vaststelling van diffuse emissies.

• Voorbereiden (inter)nationale aanpak reactief stikstof

Momenteel wordt een meer integrale aanpak van reactief stikstof nader uitgewerkt in relatie tot de transitie naar een duurzame landbouw. In de loop van 2004 wordt een concrete uitwerking verwacht.

In het voorjaar van 2003 heeft in Nederland een internationale wetenschappelijke bijeenkomst plaatsgevonden bij gelegenheid van de oprichting van het International Nitrogen Initiative (INI).

Tevens heeft Nederland door deelname aan het organisatiecomité inbreng geleverd voor de derde internationale stikstof conferentie, die in 2004 in Nanjing plaatsvindt.

• Verschijnen Actieplan Fijn Stof

Op basis van de eerste dochterrichtlijn luchtkwaliteit moet een Actieplan fijn stof worden gemaakt als sprake is van overschrijding van de zogenaamde plandrempel. Alhoewel de definitieve data nog niet beschikbaar zijn, is de verwachting dat dit in 2003 in Nederland heeft plaatsgevonden (zie brief TK, vergaderjaar 2003–2004, 28 663, nr. 8). Dat betekent dat het genoemde Actieplan in 2004 zal moeten verschijnen (in 2002 werd de plandrempel niet overschreden). Dit Actieplan zal vooral gebaseerd zijn op reeds lopende beleidstrajecten, zoals de Uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003 en de in 2004 verschijnende nota Verkeersemissies.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Evaluatie inzake de voortgang bij het halen van de emissieplafondsNotitie «Erop of Eronder»Op basis van de meest recente inzichten zijn de NEC taakstellingen over de sectoren en doelgroepen verdeeld.De notitie Erop of Eronder wordt – zoals toegezegd in «Vaste waarden, nieuwe vormen» – aan de Tweede Kamer toegestuurd

11.2.4 Operationele doelstelling «Vermindering algemene uitstoot industrie»

Voor de industrie is het lange termijn doel om voor 2010 de uitstoot van grote industriële bronnen (die vallen onder het systeem van NOx-emissiehandel) te reduceren tot 55 kton en de emissie van de kleine bronnen tot 10 kton.

Het doelbereik 2003

De voorbereidingen voor introductie van een systeem voor NOx emissiehandel liggen op schema. De wettelijke maatregelen zijn in procedure gebracht. Dat geldt eveneens voor de aanscherping van het BEES. In het kader van de implementatie van de NEC-richtlijn werden voorts de noodzakelijke reducties vastgesteld. Deze instrumenten zullen ertoe leiden dat de kans op het bereiken van doelstellingen voor 2010 wordt vergroot.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Parlementaire behandeling wettelijke maatregelen NOx-emissiehandel (inclusief die m.b.t. opzet Emissie Autoriteit)Nee
• Aangescherpt besluit Emissie eisen stookinstallaties (BEES)Ja
• Uitvoering Plan van Aanpak reductiemaatregelen SO2-emissies (concept aanpassingen regelingen)Ja
• Ondersteunen Facilitaire Organisatie Industrie en Vereniging Nederlandse GemeentenDoorlopend
• Taakafbakening Duurzaam Ondernomen/Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen met andere departementen (EZ, LNV, V&W, SoZaWe)Doorlopend
• Onderzoek «vraagstelling transparantie bij stakeholders»Ja
• Afronding evaluatie Besluit milieuverslaglegging en evaluatie elektronische milieujaarverslagleggingJa
• Evaluatie financiering FO-Industrie en financiële ondersteuning VNGNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Parlementaire behandeling wettelijke maatregelen NOx-emissiehandel (inclusief die m.b.t. opzet Emissie Autoriteit)

Wetsvoorstel wijziging Wm inzake emissiehandel is december 2003 door RROM/MR vastgesteld en voor spoedadvies aan de Raad van State aangeboden. Interdepartementaal wordt het wetsvoorstel breed gesteund, inclusief ZBO-vorm van de NEa. BZK blijft wel politiek voorbehoud houden met betrekking tot ZBO-status van emissieautoriteit. NEa is in goede samenwerking met FIN de verzelfstandiging aan het voorbereiden.

Met het bedrijfsleven is nog discussie over openbaarheid van gegevens en externe verificatie. Parallel aan de adviesperiode van RvS worden de AMvB's over respectievelijk CO2- en NOx-emissiehandel uitgewerkt. Daarnaast zullen er vanuit Brussel nog een aanvullende verordening over CO2-register en richtsnoeren Monitoring en Allocatieplan komen die van invloed zijn op het wetsvoorstel. Deze aanpassingen zullen gelijktijdig met het advies van de RvS bij Nader Rapport worden verwerkt en in 2004 voor behandeling aan TK worden aangeboden. De verplichte implementatietermijn van 1 januari 2005 blijft gezien vorenstaande extreem krap.

• Aangescherpt besluit Emissie eisen stookinstallaties (BEES)

De Europese LCP-richtlijn wordt omgezet in BEES. Het concept wijzigingsbesluit is in oktober 2003 voorgepubliceerd in de Staatscourant.

• Uitvoering Plan van Aanpak reductiemaatregelen SO2-emissies (concept aanpassingen regelingen)

De notitie «Erop of eronder», uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003, is in 2003 in de MR geaccordeerd.

• Ondersteunen Facilitaire Organisatie Industrie en Vereniging Nederlandse Gemeenten

De opdrachten voor ondersteuning doelgroepbeleid Milieu en Industrie door FO-Industrie en VNG lopen tot halverwege 2004. Periodiek vindt overleg/afstemming plaats over de uitvoering van de opdracht.

• Evaluatie financiering FO-Industrie en financiële ondersteuning VNG

Momenteel is een evaluatie van de financiering van de FO-Industrie in gang gezet. De resultaten hiervan zullen in april klaar zijn zodat ze mee kunnen worden genomen bij eventuele nieuwe opdrachtverlening voor de periode na mei 2004 (einddatum huidige opdracht). Voor de uitvoering van de opdracht van VNG heeft in 2001 nog een evaluatie plaatsgevonden. In december 2003 zal besloten worden in wat voor vorm de huidige opdrachtverlening geëvalueerd zal worden, ter voorbereiding van eventuele nieuwe subisidieverlening na juni 2004 (einddatum huidige subsidieverlening).

• Taakafbakening Duurzaam Ondernomen/Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen met andere departementen (EZ, LNV, V&W, SoZaWe)

In 2003 zijn twee keer gesprekken gehouden op DG-niveau in aanwezigheid van de directeuren, aanvullend hebben directeuren afzonderlijk nog verdere afspraken gemaakt en op 4 december is een strategische MVO conferentie EZ-DGM gehouden, waarin per prioritair thema afspraken zijn gemaakt over afbakening van taken en afspraken over samenwerking. In 2004 wordt de samenwerking met EZ verder uitgebouwd.

Doorlopend is er tweemaandelijks een interdepartementaal MVO-overleg (EZ, LNV, BuZa (+OS), SoZa, VROM), waarin afstemming tussen de lopende activiteiten centraal staat. Voor 2004 is en gemeenschappelijk MVO-congres gepland, in het kader van EU-voorzitterschap.

• Onderzoek «vraagstelling transparantie bij stakeholders»

Onderzoek is uitgevoerd en afgerond, product is eindrapportage. De uitkomsten zijn verwerkt in de Duproco-strategie en krijgen een plek in de vervolgactie «vergroten transparantie» wat in 2004 is gepland.

• Afronding evaluatie Besluit milieuverslaglegging en evaluatie elektronische milieujaarverslag-legging

In maart 2003 is het KPMG Evaluatieonderzoek wet- en regelgeving milieujaarverslagen afgerond. Mede op basis van de conclusies uit dat onderzoek en overleg met betrokken actoren zijn eind 2003 aanbevelingen opgesteld om het Besluit Milieuverslaglegging in 2004 aan te kunnen passen om aan de gewenste veranderingen tegemoet te kunnen komen. Hierover zal de TK in het 1e kwartaal van 2004 worden geïnformeerd.

In 2003 is met het elektronisch indienen van het milieujaarverslag gestart bij 40 pilot-bedrijven teneinde ervaring op te doen met de nieuwe systematiek opdat een landelijke invoering in 2004 mogelijk zou zijn. De ervaringen uit de pilots zijn belangrijk geweest voor het verder optimaliseren van de programmatuur en afspraken omtrent het elektronisch indienen van het MJV. Het is nu mogelijk en verantwoord in 2004 te starten met een landelijk invoering.

Beleidsevaluatie 2003

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Evaluatie financiering FO-industrieIn april 2004 wordt evaluatie afgerondn.v.tn.v.t
Evaluatie financiële ondersteuning VNGAfronding pas in 2004n.v.tn.v.t
Afronding evaluatiebesluit milieu-jaarverslagleggingZie bovenstaande tekst onder toelichting beleidsprestaties 2003, «Afronding evaluatie Besluit milieuverslaglegging en evaluatie elektronische milieujaarverslag-legging». Aanbevelingen worden nog uitgewerkt.Nog niet gereedIn 1e kwartaal 2004
Evaluatie elektronische milieujaarverslagleggingZie bovenstaande tekst onder toelichting beleidsprestaties 2003, «Afronding evaluatie Besluit milieuverslaglegging en evaluatie elektronische milieujaarverslag-legging». Aanbevelingen worden nog uitgewerkt.Nog niet gereedIn 1e kwartaal 2004

11.2.5 Operationele doelstelling «Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart»

Doel van het verkeersemissiebeleid is om de uitstoot van milieuschadelijke stoffen door verkeer en binnenvaart te verminderen. Voor 2010 gelden als max. emissiedoelen: SO2 13 kton, NOx 150 kton, VOS 45 kton, NH3 5 kton.

Het doelbereik 2003

Er zijn geen emissiereductie doelen voor de tussenliggende jaren (tot 2010). In 2005 komen EURO 4 voertuigen op de markt die aanzienlijk minder emitteren. Met name ten aanzien van NOx is er extra beleid nodig om de taakstelling voor 2010 te halen. Recente uitstootcijfers en voorstellen voor aanvullend beleid zullen in de nota Verkeer en Vervoer worden opgenomen. De doelstellingen voor 2010 voor SO2, VOS en NH3 zullen, naar het zich thans laat aanzien, worden gehaald.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Beleidsnota Verkeer en emissies naar de TK.nee
• Subsidieprogramma Demonstratie-projecten milieu-innovaties bij mobiele bronnen: 10 à 15 subsidies.ja
• Steekproefcontrole-programma personenauto's en bestelwagens. (150 stuks) i.v.m. bepaling praktijk emissies.ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Beleidsnota Verkeer en emissies naar de TK

Interdepartmentale afstemming kostte meer tijd waardoor de aanbieding van de nota is uitgesteld tot maart 2004.

• Subsidieprogramma Demonstratie-projecten milieu-innovaties bij mobiele bronnen: 10 à 15 subsidies

Er zijn 12 projecten gerealiseerd.

• Steekproefcontrole-programma personenauto's en bestelwagens. (150 stuks) i.v.m. bepaling praktijk emissies

Er zijn 140 projecten gerealiseerd.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Evaluatie Verkeer en emissiesAanpak verzurende emissies via EU normstelling (EURO normen) gaat goed. Aanpak CO2 levert nog maar beperkt CO2 op.Doorgaan met de EU normstellingSpecifiek beleid inzetten voor CO2 (biofuels e.d)Communicatie via de nota Verkeers-emissies in 2004

11.2.6 Operationele doelstelling «Vermindering milieudruk producten»

Doel is om tot een vermindering van de milieudruk van producten en van consumptie te komen op basis van de NMP-4 doelen. VROM heeft vooral een stimulerende en faciliterende rol en de marktpartijen zijn zelf verantwoordelijk voor het verbeteren van producten en diensten.

Het doelbereik 2003

Omdat de rol van VROM vooral stimulerend en faciliterend is, is er geen directe relatie te leggen tussen vermindering van de milieubelasting en de inspanningen van VROM.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Uitvoering subsidieregeling Productgerichte Milieuzorg (publicatie en beoordeling aanvragen)Ja
• Notitie aanpak materialenbeleid ten behoeve van de Tweede KamerNee
• Alle departementen, 10 provincies, de helft van de 60 grootste gemeenten en 15 waterschappen nemen deel aan het programma Duurzaam InkopenJa
• Dertig milieuspecificaties voor overheidsproductgroepen beschikbaar, in het kader van Duurzaam InkopenJa
• Ondersteunen stichting Milieu Centraal en Stichting MilieukeurJa
• Evaluatie Subsidieregeling Productgerichte milieuzorgJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Uitvoering subsidieregeling Productgerichte Milieuzorg (publicatie en beoordeling aanvragen)

De subsidie regeling is eind januari 2003 gepubliceerd. Projecten konden tot 1 oktober 2003 worden ingediend. De aanvragen zijn door de adviescommissie onder begeleiding van Novem beoordeeld. Er zijn ca. 20 projectsubsidies toegekend in diverse industriële sectoren. Over de effecten van de regeling is de Kamer geïnformeerd in het kabinetsstandpunt over het SER-advies «Duurzaamheid vraagt om openheid».

• Notitie aanpak materialenbeleid ten behoeve van de Tweede Kamer

Onderzoek ter onderbouwing van de motie is uitgevoerd door CE i.s.m. RIVM. De Europese Commissie heeft eind 2003 een «communication» uitgebracht over materialenbeleid, waarop Nederland met de kennis van de uitgevoerde onderzoeken momenteel insteekt.

Een Nederlandse notitie is dientengevolge niet meer opportuun. De TK zal via de weg van de voorbereiding van de Milieuraad op de hoogte worden gebracht van de stand van zaken.

• Alle departementen, 10 provincies, de helft van de 60 grootste gemeenten en 15 waterschappen nemen deel aan het programma Duurzaam Inkopen

Voortdurend sluiten nieuwe overheden zich nog aan. In 2003 is ook de band met het PIA, het project «professioneel inkopen en aanbesteden door de rijksoverheid» aangehaald teneinde een betere inbedding van het duurzaam inkopen mogelijk te maken. In 2003 is ook de monitoring gestart naar de stand van zaken die als basis kan dienen voor vervolgafspraken in 2004.

• Dertig milieuspecificaties voor overheidsproductgroepen beschikbaar, in het kader van Duurzaam Inkopen

Achtentwintig milieuspecificaties voor overheidsproductgroepen zijn electronisch beschikbaar in het kader van Duurzaam Inkopen. Deze dekken 75% van het inkoopvolume. In 2003 zijn 5 milieuspecificaties aangepast aan de nieuwste data.

• Ondersteunen stichting Milieu Centraal en Stichting Milieukeur

De stichting Milieucentraal is geëvalueerd. Resultaten van deze evaluatie zijn zodanig positief dat ondersteuning in de toekomst aan de orde blijft. Stichting Milieukeur heeft een eigen evaluatief onderzoek gedaan bij haar stakeholders en is op basis daarvan via pilots aan het verkennen hoe tegemoet gekomen kan worden aan de behoefte bij de doelgroep. Het milieukeur blijkt minder relevant te zijn voor de individuele consument maar des te meer voor producenten. Ook zijn in 2003 werkzaamheden uitgevoerd om verder te harmoniseren met het Europese ecolabel. Beide organisaties zijn onderdeel van het project stroomlijning dat samen met EZ wordt uitgevoerd en waarvan de TK in 2004 op de hoogte zal worden gesteld.

• Evaluatie Subsidieregeling Productgerichte milieuzorg

Uit de evaluatie bleek dat een groot deel van de potentieel relevante doelgroepen het instrument toepast (71%). Dat betekent ook dat de subsidieregeling na 2003 gestopt kan worden. De begeleiding van lopende projecten en ook de kennisoverdracht richting bedrijven blijft vooralsnog gehandhaafd.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Evaluatie van de subsidieregelingEr wordt veel gebruik gemaakt van het instrumentKennisoverdracht in stand houden, subsidieregeling kan stoppenAdvies is overgenomen en de TK is hierover bericht in het Kabinetsstandpunt over het SER-advies «Duurzaamheid vraagt om openheid».
Evaluatie Stichting MilieukeurHeeft plaatsgevonden in de vorm van een toekomst- perspectief-onderzoekErvaring opdoen met een barometermodel dat voorziet in een schaal voor de mate van milieuvriendelijkheid, naast het keurmodel dat voorziet in eenduidige drempelwaarden voor milieuvrien- delijkheid. Daarnaast wordt geadviseerd sociale duur- zaamheidsaspecten in beoordeling mee te nemenTK zal worden geinformeerd in de rapportage over het project «Stroomlijning van de kennisoverdracht over energie en milieu» of in de rapportage over de voortgang van het Actieprogramma Duurzame Ontwikkeling (ADO)

11.2.7 Operationele doelstelling «Vergroten draagvlak milieubeleid»

Het beleid is er op gericht om te stimuleren, dat het milieubelang wordt meegenomen in de besluitvorming door zowel de andere overheden, maatschappelijke organisaties en burgers (externe integratie) als door het bedrijfsleven (milieugerichte technologie). De methoden en instrumenten die hiervoor worden ingezet zorgen voor een evenwichtige wisselwerking tussen beleid en samenleving op het gebied van duurzame ontwikkeling.

Het doelbereik 2003

Er kan nu geen uitspraak worden gedaan over het doelbereik van dit operationele doel. In 2004 wordt onderzocht of effectindicatoren en -monitoringssystemen zinvol en haalbaar zijn. Ook wordt nagegaan of het herformuleren van het operationele doel kan bijdragen aan de meetbaarheid van de effecten.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Subsidiëring Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM): uitvoeren regeling SMOM met 3 modules: algemeen, duurzame productie en consumptie, burger en milieubeleidJa
• Stimuleringsprogramma burger en milieubeleid: Uitvoeren stimuleringsprogramma met de 2 elementen beleidsvernieuwingen in het milieubeleid en NMP4-transitiesJa
• Duurzaamheidsafweging: afronden experimenten met duurzame beoordeling op concrete projecten bij verschillende ministeriesGedeeltelijk
• Strategische milieubeoordeling: aanbieden wetsontwerp TK ter implementatie van EG-richtlijn 2001/42/EGNee
• MER-nationaal: aanbieden wetvoorstel aan TK voor inbedding van de MER in de Wet Milieubeheer vergunningprocedureNee
• MER-internationaal: afronden samenwerkingsproject voor het ontwikkelen van richtlijnen voor het toepassen van het Verdrag van EspooJa
• Programma Milieu en Technologie (Promt): opstart ca. 30 nieuwe technologische trajecten; de meest succesvolle technologieën worden op de milieulijst van VAMIL/MIA geplaatstJa
• VAMIL/MIA: opstellen milieulijsten en uitbrengen milieujaarverslag met milieu- en energieprestaties; opstellen indicatoren voor bepalen bijdrage aan vermindering van schadelijke stoffenGedeeltelijk
• Groen beleggen: uitbrengen jaarverslag 2002. incl. milieu-effecten Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Subsidiëring Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM): uitvoeren regeling SMOM met 3 modules: algemeen, duurzame productie en consumptie, burger en milieubeleid

Dit jaar zijn voor de SMOM-regeling 8 programma aanvragen ingediend voor een bedrag van € 3,1 miljoen euro. Er zijn er ook 8 gehonoreerd voor een lager totaalbedrag van circa € 1,4 miljoen. Voorts zijn er 199 projectaanvragen ingediend voor een totaal bedrag van € 20,9 miljoen. Van deze projectaanvragen zijn er 100 (gedeeltelijk) gehonoreerd voor een totaalbedrag van € 5,8 miloen. In totaal is subsidie verleend voor activiteiten van 62 organisaties.

• Stimuleringsprogramma burger en milieubeleid: Uitvoeren stimuleringsprogramma met de 2 elementen: beleidsvernieuwingen in het milieubeleid en NMP4-transities

Op het gebied van de beleidsvernieuwingen in het milieubeleid zijn in 2003 negen projecten gestart om de interactie tussen beleidsmakers en burgers te bevorderen en grotendeels afgerond. Ook zijn in het kader van de module burger en milieu van de Smom-regeling 14 projecten van maatschappelijke organisaties ondersteund. In deze projecten is op een vernieuwende wijze de betrokkenheid van burgers georganiseerd.

Op het gebied van de NMP4-transities is een begin gemaakt door inspirerende burgerinitiatieven met betekenis voor transities te inventariseren. Tenslotte is veel aandacht besteed aan communicatie, door lunchbijeenkomsten, artikelen, nieuwsbrief en een conferentie. Met al deze initiatieven is in 2003 de interactie tussen beleidsmakers en burgers substantieel op gang gebracht en bevorderd: in totaal zijn er ca. 4 000 burgers bij de bovengenoemde initiatieven betrokken geweest.

• Duurzaamheidsafweging: afronden experimenten met duurzame beoordeling op concrete projecten bij verschillende ministeries

De lopende Experimenten duurzame ontwikkeling in besluitvormingstrajecten zijn in de afrondende fase. De experimenten zijn gekoppeld aan een beleidsverkenning (LNV: Toekomst veenweidegebieden), een ruimtelijk plan (VROM:Integraal Ontwikkelingsplan Almere) en een participatief veranderingsproces (EZ: Transitie Biomassa Internationaal). Via deze experimenten is inzicht ontstaan hoe in deze trajecten met duurzaamheidsaspecten is omgegaan en wat daar uit kan worden geleerd. Begin 2004 wordt de rapportage over de experimenten duurzame ontwikkeling aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Strategische milieubeoordeling (SMB): aanbieden wetsontwerp aan TK ter implementatie van EG-richtlijn 2001/42/EG

Door moeilijke interpretatievraagstukken bij de implementatie van de richtlijn is de opstelling van een wetsontwerp verder vertraagd. Naar verwachting kan begin 2004 een wetsvoorstel dat strekt tot implementatie van de richtlijn worden ingediend bij de Raad van State.

• MER-nationaal: aanbieden wetvoorstel aan TK voor inbedding van de MER in de Wet Milieubeheer vergunningprocedure

Dit wetsvoorstel is in 2003 niet separaat aan TK aangeboden, aangezien het zal worden opgenomen in de meer omvattende herziening van de m.e.r.-regelgeving. Hierin zal o.a. rekening worden gehouden met de stategische milieubeoordeling (SMB). Basis voor deze herziening wordt gevormd door de aanbevelingen uit de herijking van de VROM regelgeving en uit de evaluatie van de m.e.r. door het bureau Novio Consult. Voor de herziening van de m.e.r. wordt in 2004 een wetsvoorstel in samenwerking met LNV en OCW voorbereid.

• MER-internationaal: afronden samenwerkingsproject voor het ontwikkelen van richtlijnen voor het toepassen van het Verdrag van Espoo

De Guidance die in samenwerking met Zweden en Finland t.b.v. Espoo is ontwikkeld, is in oktober 2003 beschikbaar gekomen ten behoeve van de landen die het Verdrag van Espoo hebben ondertekend.

De werkafspraken met de buurlanden om de toepassing van MER in grensoverschrijdend verband te optimaliseren hebben vertraging opgelopen omdat de materie complexer is dan van te voren gedacht. De afronding van de werkafspraken zal in 2004 plaatsvinden.

• Programma Milieu en Technologie (Promt): opstart ca. 30 nieuwe technologische trajecten; de meest succesvolle technologieën worden op de milieulijst van VAMIL/MIA geplaatst.

In 2003 is de reservering van ICES-middelen toegekend aan VROM. Hierdoor zijn er in plaats van 30 in totaal 45 projecten gestart. De gehonoreerde projecten zijn verspreid over alle bedrijfstakken waarmee de overheid integrale milieutaakstellingen heeft afgesproken en zijn gericht op het wegnemen van technologische knelpunten bij het realiseren van milieutaakstellingen.

• VAMIL/MIA: opstellen milieulijsten en uitbrengen milieujaarverslag met milieu- en energieprestaties: jaarlijks in jaarverslag

De realisaties van VAMIL/MIA vertonen een daling: er werd minder geïnvesteerd dan in 2002. Wijzigingen in de kwalificerende bedrijfsmiddelen alsmede de algemene economische situatie zijn hier vermoedelijk debet aan. Daarentegen hebben ook in 2003 een groot aantal bedrijven nieuw ontwikkelde technologieën ingediend ter stimulering in 2004. Opstellen indicatoren voor bepalen bijdrage aan vermindering van schadelijke stoffen: deze informatie wordt voor het eerst verstrekt in het in de eerste helft van 2004 op te stellen jaarverslag over 2003.

• Groen beleggen: uitbrengen jaarverslag 2002 incl. milieu-effecten

Jaarverslag 2002 is uitgebracht. Groen Beleggen bood in 2003 een beeld van lichte verdere groei: banken waren onveranderd actief en succesvol in het werven van particuliere middelen ter financiering van groene projecten. Alhoewel het fiscale aspect een belangrijke rol speelt, past de ontwikkeling in het beeld van toegenomen aandacht voor duurzaam ondernemen bij zowel ondernemingen als bij de burger.

Voor 2002 is de kwantificering van milieueffecten voor de volgende categorieën en stoffen als volgt. Het betreft vermeden milieuschadelijke emissies over de hele levensduur:

Tabel 11.3. Milieueffecten per jaar van de projecten die in 2002 een groenverklaring hebben ontvangen
CategorieOmschrijvingLevensduur (sterk indicatief) [jaar]CO2 [ton/a]NOx [kg/a]Natuur [ha]Biologische landbouw Plantaardig [ha]Biologische landbouw Dierlijk [ha]Biologische landbouw Gemengd [ha]1,4 dichloor-benzeen-equivalenten [ton/a]NH3 [ton/a]
aBos en andere houtopstanden10100 
c1Landgoederen volgens Natuurschoonwet 192810329 
d1Subsidieregeling natuurbeheer 20001088 
d2Subsidieregeling agrarische natuurbeheer10710 
d5+d6Regeling beheersovereen- komsten en natuurontwikkeling108 
e1Biologische sector plantaardig10   26783
e3Biologische sector gemengd10  50441
e2Biologische sector dierlijk10  1 457 
e3Groen label kassen1089 00042 720      
fAgrificatie10225 000108 000      
g1Energiewinning uit biomassa156 9413 332 
g2Wind10286 798137 663 
g3Zon-photo voltaïsch10700336 
g4Zon-thermisch101818 
g5Aardwarmte1000 
g6Waterkracht1500 
g7Warmtepompen10341341 
g8Warmte- koude opslag101 8741 874 
g9Stadsverwarming3015 27615 276 
hWoningbouw40872872 
kAndere projecten1557 48842 541 
 Totaal 684 307352 9721 2352671 4575048341

11.2 Beleidsevaluatie 2003

Beleidsevaluatieonderzoeken in 2003 m.b.t. Vergroten draagvlak milieubeleid:UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
MER Nationaalm.e.r. is over het algemeen een goed werkend instrument, dat echter op onderdelen ingrijpend verbeterd kan worden.o.a.:* bed m.e.r. voor inrichtingen Wm in de Wm vergunningen-procedure in* reduceer aantal m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoorde- lingsplichtige gevallen* benut scoping beter* verbeter afstemming met Wro proceduresDe bevindingen worden meegenomen in de toelichting op het beoogde toekomstige wettelijke stelsel voor milieubeoordeling, dat bij het wetsvoorstel Implementatie SMB aan TK zal worden aangeboden.
    
SMOMDe SMOM voldoet aan de huidige doelstelling, en wordt kosteneffectief en klantvriendelijk uitgevoerd.• Ontwikkel SMART doelparameters en daarvan afgeleid VBTB-indicatoren• Ontwikkel beleid op vernieuwing van het veld• Ga bewust om met de rollen die maatsch.organisaties vervullenBrief TK 28 663 nr. 10
    
Stimuleringsprogramma Burger en MilieubeleidGoede start, maar projecten nog te veel vanuit VROM-agenda, te versnipperd, te weinig coproductie, te weinig resultaten op het gebied van transities en duurzame ontwikkeling en te weinig kennisoverdrachtOnder voorwaarden continueren: grotere aansprekende projecten vanuit de agenda van de burger, meer coproductie en meer aandacht voor transities, duurzame ontwikkeling en kennisoverdrachtBrief TK 28 663 nr. 10

11.3 Groeiparagraaf

 Realisatie
Algemeen 
• Betere VBTB-structuur voor artikel 11, met vermelding van einddoelen, tussendoelen, referentie- en streefwaarden, prestatie-indicatoren e.d. Neen
Internationale samenwerking milieu 
• Indicatoren vaststellen en publiceren ten behoeve van monitoring implementatie afspraken WSSDGedeeltelijk
Vermindering milieudruk producten 
• Bepalen indicatoren voor monitoring ontwikkeling milieudruk als gevolg van consumptie en 1x per 4 jaar uitvoering van monitor m.b.v. footprintmethodeNee
• Vergroten effectiviteit van het beleid gericht op duurzame productie en consumptie, met mogelijke bijstelling van instrumenten op dit gebiedJa
Vergroten draagvlak milieubeleid 
• In PROMT-jaarverslag 2003 opname van indicatoren om de bijdrage van PROMT aan integrale milieutaakstellingen zichtbaar te makenNeen
• Ontwikkeling van indicatoren om de bijdrage van regeling SMOM aan de bevordering van het draagvlak voor het milieubeleid zichtbaar te makenNeen

Toelichting

Algemeen

Dit artikel zal bij de begrotingvoorbereiding 2006 worden bezien op mogelijke verbeteringen en aanpassingen.

Internationale samenwerking milieu

Indicatoren voor duurzame ontwikkeling zijn in diverse internationale gremia onderwerp van discussie. De Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) van de VN heeft gekozen voor een cyclus van twee jaar per thema, waarbij beleidsconclusies worden voorafgegaan door een review fase, waarin de voorgang met de implementatie van afspraken in kaart wordt gebracht. Zowel in EUals OESO-kader worden de mogelijkheden van geschikte indicatoren thans fundamenteel nagegaan.

Vermindering milieudruk producten

Het is niet eenvoudig om de milieudruk van producten en het gebruik ervan in kaart te brengen: aantal en soort producten wisselen voortdurend, gebruik varieert en milieueffecten zijn diffuus en veelal in andere landen. Desalniettemin is RIVM doende met ontwerpen van indicatoren voor dit beleidsgebeid, zodat daarmee ook monitoring mogelijk wordt. RIVM zal het ontwikkelen van indicatoren in 2004 doorzetten. In 2005 is de eerste fase van het ontwikkelen van de indicatoren operationeel en zal RIVM, aansluitend op haar duurzaamheidsverkenningen, met de eerste monitoringsgegevens komen.

Het project Duproco had als doel om een strategie te ontwerpen die zich toespitste op de specifieke rol van VROM op het gebied van duurzaam produceren en consumeren. Dat is gebeurd, waarmee invulling is gegeven aan de eerste invulling om de effectiviteit van het beleid te vergroten.

Vergroten draagvlak milieubeleid

Het PROMT-jaarverslag 2003 wordt in 2004 uitgebracht.

In 2003 zijn geen indicatoren voor SMOM ontwikkeld omdat op basis van de in 2003 afgeronde evaluatie van de SMOM-regeling een visieontwikkeling en doelvaststelling heeft plaatsgevonden. Dit is in de brief aan de Tweede Kamer vastgelegd (Brief TK 28 663 nr. 10)

11.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-13.gif

Toelichting:

De onderuitputting van de uitgaven op artikelniveau is toe te schrijven een aantal instrumenten. In de Jaarrekening wordt hierop nader ingegaan.

Artikel 12. Beheersen milieurisico's van stoffen, afvalstoffen en straling

12.1 Algemene beleidsdoelstelling

Doel is beheersing van risico's voor mens en milieu bij het omgaan met stoffen, afvalstoffen, radioactieve stoffen en straling en met genetisch gemodificeerde organismen, rekening houdend met sociale en economische factoren.

Uitwerking van deze algemene doelstelling vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

12.2.1 Beheersen milieurisico's van stoffen

12.2.2 Beheersen milieurisico's van afvalstoffen

12.2.3 Beheersen milieurisico's van straling

12.2.4 Beheersen milieurisico's van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's)

Het doelbereik 2003

In de volgende paragrafen wordt per operationeel doel het doelbereik aangegeven.

12.2.1 Operationele doelstelling «Beheersen milieurisico's van stoffen»

Het Nederlandse stoffenbeleid vastgelegd in de Strategienota Omgaan Met Stoffen – SOMS – heeft als doel een zodanig veilig gebruik in 2020 te hebben bereikt dat mens en milieu geen of verwaarloosbaar risico lopen. Daarnaast richt het beleid zich op het reduceren van de gezondheidseffecten als gevolg van andere agentia uit het milieu.

Het doelbereik 2003

In het kader van het stoffenbeleid is in 2003 een grote stap voorwaarts gezet door de verschijning van REACH (registratie, evaluatie en autorisatie van alle chemische stoffen die in de EU op de markt worden gebracht in hoeveelheden van meer dan 1 ton per jaar). Het betreffen voorstellen van de Europese Commissie voor een nieuw stoffenbeleid (uitgebracht eind oktober 2003) die in belangrijke mate tijdens het Nederlandse EU voorzitterschap en ook in de volgende voorzitterschappen aan de orde zullen komen. Het tot stand brengen van EU-regelgeving is noodzakelijk om de in SOMS omschreven doelen te kunnen realiseren.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
1. Nota uitvoering nieuwe stoffenbeleid (Strategienota Omgaan met Stoffen) 
• Aanbieding Nota uitvoering SOMS aan de Tweede KamerNee
• Inwerkingtreding AMvB uitvoering SOMS onder de Wet milieugevaarlijke stoffenNee
• Implementatie kennisinfrastructuurGedeeltelijk
2. Vigerende stoffenbeleid 
• Afhandeling kennisgevingen nieuwe stoffen en bestaande stoffenJa
3. Asbest 
• Inwerkingtreding Besluit asbestinventarisatie in niet-sloopsituaties en herzien Asbestverwijderingsbesluit;Nee
• Uitvoering saneringsregeling asbestwegen 2e faseGedeeltelijk
4. Beleidsprogramma Milieu en gezondheid 
• Uitvoering Actieprogramma Gezondheid en MilieuJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Aanbieding Nota uitvoering SOMS aan de Tweede Kamer

De aanbieding van de Nota uitvoering SOMS is vertraagd omdat de voorstellen van de Europese Commissie veel later zijn verschenen dan was verwacht. Na het publiceren van de voorstellen kon worden begonnen met een vergelijking van de in SOMS geformuleerde doelen en de mate waarin de voorstellen van de Europese Commissie hieraan tegemoet komen. De planning is nu om de nota in februari 2004 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

• Inwerkingtreding AMvB de Nota uitvoering SOMS onder de Wet milieugevaarlijke stoffen

De inwerkingtreding van dit besluit is uitgesteld, in afwachting van voorstellen van de Europese Commissie op dit terrein. In de loop van 2004 zal hierover naar verwachting een besluit worden genomen.

• Implementatie kennisinfrastructuur

Het overheidsdeel van de kennisinfrastructuur is afgerond. Het deel van het bedrijfsleven van de kennisinfrastructuur is nog niet afgerond omdat het bedrijfsleven wacht op finale besluitvorming in EU-verband.

• Afhandeling kennisgevingen nieuwe stoffen en bestaande stoffen

De uitvoering is volgens planning verlopen. In onderstaande tabel wordt de realisatie aangegeven.

Tabel 12.1 Aantal afhandeling kennisgevingen nieuwe stoffen en bestaande stoffen
 realisatie 2000realisatie 2001realisatie 2002Prognose 2003Realisatie 2003*
Aantal afgehandelde kennisgevingen nieuwe stoffen5755605567
Aantal beoordelingen bestaande stoffen1010121518

*De cijfers voor 2003 zijn voorlopige cijfers. Bij de Jaarrapportage over 2003 zullen de definitieve cijfers worden gepresenteerd.

Bron: RIVM

• Inwerkingtreding Besluit asbestinventarisatie in niet-sloopsituaties en herzien asbestverwijderingsbesluit

Het Besluit asbestinventarisatie zal niet in werking treden. Door gecompliceerde discussies over uitvoeringsmodaliteiten zal de inwerkingtreding van het herzien Asbestverwijderingsbesluit eerst in de loop van 2004 worden gerealiseerd, overeenkomstig de Tweede Kamer daarover is bericht middels brief d.d. 2 oktober 2002, DGM/SAS/2002088123.

• Uitvoering saneringsregeling asbestbevattende wegen 2e fase

Bij de publicatie van deze regeling is een veel groter aantal aanvragen ontvangen dan was gepland. Eerste ramingen van de ingediende aanvragen lopen op tot ca € 90,– mln. Het zal daarom noodzakelijk worden de uitvoering van de sanering in de tijd te spreiden. De provincies Overijssel en Gelderland zijn nauw betrokken bij de uitvoering van de daarbij behorende werkzaamheden.

• Uitvoering Actieprogramma Gezondheid en Milieu

Inzake de uitvoering van het Programma Gezondheid en Milieu wordt in februari 2004 een voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer toegezonden. In het algemeen kan gesteld worden dat de uitvoering van het actieprogramma volgens planning verloopt.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Uitvoering saneringsregelingen asbestwegenVanwege de grote respons op de saneringsregeling asbestbevattende wegen tweede fase is de evaluatie uitgesteldn.v.tn.v.t

12.2.2 Operationele doelstelling «Beheersen milieurisico's afvalstoffen»

Centraal doel van het afvalstoffenbeleid is minder afvalstoffen en een zodanig beheer van afvalstoffen die toch ontstaan, dat de milieuhygiënische gevolgen aanvaardbaar zijn. De ambities voor 2012 ten aanzien van het aanbod, de nuttige toepassing, het verbranden, het storten en het lozen van afvalstoffen zijn in de onderstaande tabel aangegeven.

Het doelbereik 2003

De cijfers voor het jaar 2002 komen begin 2004 beschikbaar. Voor 2003 komen de cijfers begin 2005 beschikbaar. De doelstelling voor het 2012 is aangepast als gevolg definitiewijzigingen. Voor nuttige toepassing geldt een doelstelling van 55 Mton (was 57 Mton). Voor verbranden is dit 8 Mton (was 6 Mton) geworden. Deze cijfers zijn in onderstaande tabel (kolom 2012, doelstellingen) verwerkt.

Tabel 12.2 Doelstellingen algemeen afvalstoffenbeleid voor 2012 uit het LAP
Omschrijving2000* (referentiejaar) in MtonRealisatie 2002 in Mton2012 (doelstellingen) in Mton
Totale afvalaanbod, w.v.:57**5866***
– Nuttige toepassing444655
– Verbranden878
– Storten542
– Lozen111

* De voortgang van het LAP wordt jaarlijks door het Afval Overleg Orgaan gemonitord.

** De som van het totaal wijkt af als gevolg van afronding

*** De groei beperken van het afvalaanbod tot 16% bij een voorspelde groei van 38% van het BBP

Bron: Afval Overleg Orgaan

Toelichting:

De ontwikkelingen liggen in lijn met de gestelde doelen, er is een duidelijke afname in het storten van afval en een toename in de nuttige toepassing.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Vaststelling maatregelen en regelingen gebaseerd op gewijzigde hoofdstuk Wet milieubeheerJa
• Uitvoering Stimuleringsprogramma afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijk afvalJa
• Uitvoering Uitvoeringsprogramma met preventie naar duurzaam ondernemen.Ja
• Specifiek beleid ten aanzien van verschillende afvalstoffen.Ja
• Continuering werkzaamheden Platform secundaire brandstoffenJa
• Inzet en ontwikkeling van stimuleringsinstrumenten voor bevordering verhoging energierendement bij verbrandingJa
• Implementatie EU-richtlijn storten en stimulering sanering stortplaatsen en hergebruik van vrijkomende afvalstoffenJa
• Afhandeling van 1650 EVOA-kennisgevingenJa
• Activiteiten m.b.t. aanpassing EVOA en inbreng van deskundigheid in overleg m.b.t. het Verdrag van BazelJa
• Realisatie van systeem van melden en registreren van binnenlandse afgifte van gevaarlijke en bedrijfsafvalstoffenJa
• Uitvoering systeem van registreren van transporteurs, inzamelaars, bemiddelaars en handelaren van afval Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

• Vaststelling maatregelen en regelingen gebaseerd op gewijzigde hoofdstuk Wet milieubeheer

Nu het gewijzigde hoofdstuk Afvalstoffen van de Wet milieubeheer geheel in werking is getreden en het afvalbeheer op landelijk niveau is gebracht worden de daarop te baseren besluiten en regelingen opgesteld. Deze hebben vooral tot doel provinciale regelingen op landelijk niveau te brengen. In 2003 is het ontwerp Besluit inzameling afvalstoffen opgesteld, alsmede de Regeling vervoerders, inzamelaars, handelaren en bemiddelaars. Het besluit is op 31 oktober 2003 naar de Raad van State gestuurd. Het Besluit Mobiel breken bouw- en sloopafval wordt in januari 2004 in het Staatsblad gepubliceerd en zal op 1 maart 2004 in werking treden. Het ontwerp Besluit melden is in 2003 voorgepubliceerd en in de inspraak gebracht, ook de bijbehorende regelingen zijn in een ver gevorderd stadium. Het Inrichtingen en vergunningen besluit wordt op een viertal onderdelen aangepast, te weten de vergunningentermijn van 10 jaar afschaffen voor installaties met een lange afschrijvingsduur, het afschaffen van de verklaringen van geen bedenking, het afschaffen van de vergunningplicht voor onder- en bovengrondse afvalcontainers en het aanpassen van categorie 28 waar het gaat om het bevoegd gezag voor inrichtingen die ook afval verwerken.

• Uitvoering Stimuleringsprogramma afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijk afval

De uitvoering van het programma verloopt volgens planning. In 2003 is door het Afval Overleg Orgaan (AOO) een groot aantal projecten uitgevoerd, die gericht waren op het bevorderen van gescheiden inzameling bij huishoudens. Het betreft ondermeer projecten als bewonersonderzoek, benchmark, sorteeranalyses en kwaliteitscirkels. Door het programma en door de financiële ondersteuning van de gemeenten in de vorm van de Subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering staat de intensivering van afvalscheiding weer bij veel gemeenten op de politieke agenda. Een bloemlezing van projecten die gemeenten op dit moment uitvoeren om gescheiden inzameling te bevorderen, is te vinden op de website van het AOO (www.aoo.nl). In 2004 zal een evaluatie worden uitgevoerd van de bijdrage regeling en het programma.

Tabel 12.3 Door consumenten te scheiden afvalstoffen (LAP)
OmschrijvingAanbod 2000 in Kton*2000 in %2001 in %2002 in %Doelstelling 2006 in %
GFT-afval2 75453505155**
Papier en karton1 98950535475***
Glas (eenmalig)51763706890
Textiel15533273050
Wit- en bruingoed16273909090
Klein chemisch afval4154646690
Huishoudelijk afval (incl. grof huisafval)8 62445464560

* Het LAP heeft 2000 als basisjaar. Daarom wordt in deze tabel ook 2000 als referentie genomen. De cijfers van een bepaald jaar, afkomstig van het Afval Overleg Orgaan, komen medio van het daaropvolgende jaar beschikbaar.

** De afgelopen 5 jaren is de gescheiden inzameling van GFT-afval constant gebleven (ca. 1500 Kton). Het is niet realistisch om voor deze stroom een toename tot 60% na te streven. Daarom is de doelstelling bijgesteld naar 55%.

*** Van al het papier is 85% tot 90% inzamelbaar. De doelstelling is 85% van het inzamelbare papier en karton gescheiden in te zamelen. Dat komt overeen met 75% van het totaal aanbod papier en karton

Bron: Afval Overleg Orgaan

• Uitvoering Uitvoeringsprogramma met preventie naar duurzaam ondernemen

Het programma is in 2003 conform het jaarplan uitgevoerd. Mede gestimuleerd door de Subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering is een groot aantal gemeenten in 2003 aan de slag gegaan met het in vergunningen opnemen van preventiemaatregelen en het handhaven van bepalingen op dit gebied in vergunningen en de zogenaamde 8.40 amvb's. Op de site van het programma (www.novem.nl) wordt een groot aantal projecten die in het kader van het programma zijn uitgevoerd, beschreven. In 2004 zal een evaluatie worden uitgevoerd van de bijdrageregeling en het programma.

Specifiek beleid ten aanzien van verschillende afvalstoffen

Voor zover van belang zijn de ontwikkelingen in 2003 hieronder vermeld.

Tabel 12.4 Verschillende afvalstoffen
Afvalstroom en doelstellingPrestatie 2003Resultaat 2003
Autobanden> 60% producthergebruik> 20% materiaalhergebruikInwerkingtreding gewijzigd besluit verwijdering autobandenDe AmvB Beheer autobanden is in 2003 door de Ministerraad vastgesteld en zal 1 april 2004 in werking treden
   
Autowrakken85% materiaalhergebruikVanaf 2007:95% nuttige toepassing (waarvan tenminste 85% materiaalhergebruik)Uitvoering AmvB autowrakkenUitvoering Besluit beheer autowrakken vindt plaats
   
Bouw- en sloopafval> 90% nuttige toepassingImplementatie van het speerpuntenprogramma en opstellen AmvB slopenBesluit mobiel breken bow- en sloopafval wordt in januari 2004 in het Staatsblad gepubliceerd en zal op 1 maart 2004 in werking treden
   
Wit- en bruingoed> 45%–75% hergebruik, afhankelijk van categorieSturing en begeleiding plannen van de industrie, aanpassing Besluit verwijdering wit- en bruingoed als gevolg van Europese regelgevingOntwerp AmvB ter implementatie van de EU-richtlijn is gereed voor inspraak en notificatie
   
AVI-reststoffen100% nuttige toepassing van bodemas kwaliteitsverbetering tot N2-kwaliteit vóór 1–1-2005, 30% nuttige toepassing van vliegasBegeleiding onderzoek op het gebied van AVI-reststoffenOnderzoeken voor de verbetering van de kwaliteit van AVI-reststoffen worden uitgevoerd
   
Batterijen90% gescheiden inzamelingUitvoeringsplannen van de industrie zullen worden begeleidDe Europese Commissie heeft de ontwerp richtlijn gepubliceerd met ambitieuze doelstellingen voor inzameling en recycling van batterijen en accu's. Aan de producenten wordt een duidelijke rol en verantwoordelijkheid toegedeeld
   
Land- en tuinbouwfolies> 70% hergebruikUitvoeringsplannen van de industrie zullen worden begeleidBesloten is de AmvB in te trekken omdat door het stortverbod en de hoge prijzen van afvalverbranding er een markt voor verwerking is ontstaan waardoor overige regelgevingoverbodig is geworden.
   
Scheepsafvalstoffen binnenvaartVerdere afbouw van subsidiëring branche met gelijktijdige opbouw van de indirecte financiering; bevorderen van ratificatie door andere EU-landen van het ScheepsafvalstoffenverdragAfbouw van subsidie voor inzameling bepaalde scheepsafvalstoffen in 2003 en volgende jaren is vastgesteld op een korting van 20%, totdat het Scheepsafvalstoffenverdrag (SAV) wordt geïmplementeerd
   
Fotografisch gevaarlijk afvalHet tot stand brengen van preventie door de brancheOpstellen AmvB producentenverantwoordelijkheidDe omvang van de afvalstroom is klein en neemt snel af. Dit rechtvaardigt geen nieuwe regelgeving.
   
Accu'sBevordering van milieuhygiënische verwerking van accu'sOntwikkeling van instrumenten gericht op verbetering van verwerking in het buitenland (in Nederland zijn geen verwerkingsfaciliteiten)Uit onderzoek is gebleken dat verwerking in het buitenland de afgelopen jaren is verbeterd. Dit rechtvaardigt geen nieuwe regelgeving
   
Sloopschepen  
Verbetering van milieu- en arbeidsomstandigheden van slopen van schepen wereldwijdOpzetten en invulling geven aan een mondiaal actieprogramma, samen met een aantal andere Europese landenInbreng van het Nederlandse beleid via bestaande internationale gremia is geleverd, met name IMO en Bazel. Er komt geen global action programm, gedachtegoed wordt ingebracht in de genoemde gremia
   
Afval van verlichtingIn de periode 2002–2006 komen tot verbetering van gescheiden inzameling van gasontladingslampen tot meer dan 75%Maken van afspraken ter verbetering met inzamelaars, installateurs en groothandelAparte inzet niet nodig vanwege inzamelpercentage. In het kader van de herijking is geen nieuwe regelgeving voorzien

Bron: diversen

Tabel 12.5 Doelstellingen verpakkingsafval
VerpakkingsafvalAanbod (1999, kton)Hergebruik 2000Hergebruik 2002Doelstelling 2005*
Papier en karton1 41867%72%75%
Glas (eenmalig)43678%78%90%
Metaal21077%77%80%
Kunststof51022%18%27%
Subtotaal2 57462%64%70%
Hout47725%30%25%

*De cijfers uit de kolom «Doelstelling 2005» zijn enigszins aangepast t.o.v. de begroting 2003, omdat de cijfers uit het Convenant Verpakkingen III eerst in december 2002 definitief werden.

Bron: Commissie Verpakkingen

• Continuering werkzaamheden Platform secundaire brandstoffen

De werkzaamheden van de drie onder het Platform secundaire brandstoffen hangende werkgroepen (kwaliteitsborging, financiële stimulering en capaciteit) zijn in 2003 afgerond. Op de laatste vergadering van het Platform secundaire brandstoffen is voorgesteld het platform te integreren met het Platform biomassa van het ministerie van Economische zaken. Deze integratie vindt momenteel plaats.

• Inzet en ontwikkeling van stimuleringsinstrumenten voor bevordering verhoging energierendement bij verbranding

Op 1 juli 2003 is de stimuleringsregeling Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP) in werking getreden. Twee afvalverbrandingsbedrijven zijn in 2003 gestart met uitbreidingen die een energierendement zullen hebben waarmee ze van de MEP gebruik kunnen maken.

• Implementatie EU-richtlijn storten en stimulering sanering stortplaatsen en hergebruik van vrijkomende afvalstoffen

De Richtlijn storten is geïmplementeerd. In 2003 is begonnen met de voorbereiding van de implementatie van annex II van de richtlijn. Daarbij gaat het om het formuleren van acceptatie-eisen voor de stortplaatsen.

• Afhandeling van 1650 EVOA-kennisgevingen

Er zijn meer kennisgevingen afgehandeld. Door de groei van export, met name naar Duitsland, voor afvalstromen die daar nuttig worden toegepast, bedraagt in 2003 het aantal afgehandelde kennisgevingen 1730 stuks.

Tabel 12.6 Kengetallen in-, uit- en doorvoer van afvalstoffen (EVOA-regeling) (bedragen in € 1)
Omschrijving/benamingRealisatie 19992000200120022003*
Aantal beschikkingen EVOA-kennisgevingen voor invoer en uitvoer9371 1031 4971 6501 730
Aantal beschikkingen EVOA-kennisgevingen voor doorvoer382472415604610
Subtotaal beschikkingen1 3191 5751 9122 2542 340
Aantal transport meldingen121 000182000267 000487 000540.00
Kosten beschikkingen voor invoer en uitvoer  1 018 963 (1497 á 680,67)1 196 102 (1650 á 724,91)1 254 094 (1730 á 724,91)
Kosten beschikkingen voor doorvoer1999 en 2000: uurtarief in plaats van stuksprijs** 94 159 (415 á 226,89)145 951 (604 á 241,64)147 400 (610 á 241,64)
Kosten transport meldingen301 710 (267 000 á 1,13)589 270 (487 000 á 1,21)653 400 (540 000 á 1,21)  
Overige kosten (overheadkosten, analyse, advisering)  862 885710 109600 000
Totale kosten per jaar***1 372 1401 572 5742 277 7172 641 4232 650 000

* De cijfers van 2003 zijn voorlopige cijfers. De definitieve cijfers zijn rond 1 juli 2004 bekend.

Per 1 januari 2002 zijn de kosten contractueel aangepast aan de ontwikkeling van de CBS-index

** Met ingang van 2001 worden de kosten van de beschikkingen en de transportmeldingen afgerekend tegen eenstuksprijs. Daarvoor werd een uurtarief vergoed.

*** Inclusief BTW en exclusief personeelskosten bij VROM

Bron: Jaaroverzicht In-, Uit- en Doorvoer van afvalstoffen, Publicatiereeks Afvalstoffen.

• Activiteiten m.b.t. aanpassing EVOA en inbreng van deskundigheid in overleg m.b.t. het Verdrag van Bazel

De aanpassing van de EVOA door Europese Commissie. Inbreng vanuit Nederland is geleverd. De werkzaamheden lopen door in 2004. In kader van het Verdrag van Bazel is onder andere inzet geleverd in de discussie: is een sloopschip een afvalstof. Deze discussie loopt in 2004 nog door.

• Realisatie van systeem van melden en registreren van binnenlandse afgifte van gevaarlijke en bedrijfsafvalstoffen

De daadwerkelijke realisatie en invoering vindt plaats op 1 januari 2005. De voorbereidende werkzaamheden zijn in 2003 uitgevoerd. In 2004 wordt het geautomatiseerde systeem gebouwd. Het project wordt samen met de provincies uitgevoerd.

• Uitvoering systeem van registreren van vervoerders, inzamelaars, bemiddelaars en handelaren van afval

De regeling is in 2003 afgerond en gaat per 1 januari 2004 in werking. In 2003 is een convenant met het Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie (NIWO) gesloten, waarbij het NIWO zorg gaat dragen voor de uitvoering van de regeling voor het landelijk registreren van vervoerders, inzamelaars en handelaren van afval.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Doelrealisatie LAPHet LAP is op 3 maart 2003 in werking getreden. Als gevolg van uitspraken van het Europees Hof moest in 2003 een eerste tussentijdse wijziging van het LAP opgesteld worden.Het eerste evaluatierapport van het LAP verschijnt begin 2004n.v.t.n.v.t..
Monitoring vergunning-aanvragen gemeenten tbv preventie en nuttige toepassingIn 2003 heeft geen aparte monitoring voor Predo plaatsgevonden; is verschoven naar 2004 als tussenevaluatie van het programma.n.v.t.n.v.t.
Monitoring programma «preventie door duurzaam ondernemen»In 2003 heeft de overheidsmonitoring plaatsgevonden, waarin vragen over Predo zijn opgenomen. In 2004 wordt een tussenevaluatie van het hele programma uitgevoerd.n.v.t.n.v.t.
Werking EVOA-regelingGeen evaluatie uitgevoerd in 2003, vanwege ontwikkelingen mbt de oprichting van een uitvoeringsorganisatie. Door de keuze voor een geheel andere aanpak van de uitvoering is evaluatie niet meer zinvol.n.v.t.n.v.t.
Werking systeem indirecte financiering scheepsafvalstoffenEvaluatie gestart in 2003, loopt door in 2004n.v.t.De Tweede Kamer wordt in 2004 geïnformeerd

12.2.3 Operationele doelstelling «Beheersen milieurisico's van straling»

Doel is een situatie te bereiken waarin mens en milieu beschermd zijn tegen de gevolgen van straling. In de Kernenergiewet voor ioniserende straling zijn hiertoe grenswaarden geformuleerd die niet mogen worden overschreden. Boven deze grenswaarden worden geen vergunningen verleend. Onder deze grenswaarden wordt door middel van actuele vergunningen gestreefd naar een zo laag mogelijke blootstelling aan straling van mens en milieu.

Het doelbereik 2003

Op hoofdlijnen zijn de meeste gestelde doelen voor 2003 bereikt. Middels vergunningverlening voor transporten, meldingen en beoordelingen op grond van de Kernenergiewet (KEW) is een bijdrage geleverd aan de bescherming van mens en milieu tegen de gevolgen van straling.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Vergunningverlening transport splijtstaven, ertsen en radioactieve stoffenJa
Uitvoering van het besluit Radioactief besmet schrootJa
Start uitvoering onderzoeksprogramma terugneembare ondergrondse berging van radioactief afvalJa
Inwerkintreding, voorlichting en instructietraject Stralings Prestatie NormNee
Implementatie Nationaal AntennebeleidNee
Implementatie beleid HoogspanninglijnenNee

Toelichting beleidsprestaties 2003

Vergunningverlening transport splijtstaven, ertsen en radioactieve stoffen

De vergunningverlening is in 2003 volgens planning verlopen. Er hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan.

Tabel 12.7 Vergunningverlening voor splijstoffen, ertsen en radioactieve stoffen
 realisatie 2000realisatie 2001prognose 2002realisatie 2002prognose 2003realisatie 2003
Afhandeling van vergunningen voor transport van radioactieve stoffen met in-, uit- en doorvoer-vergunningen artikelen 15 en 29 KEW148184150150150148
Afhandeling van vergunningen artikel 15 KEW (incl. meldingen)355856
Beoordeling door VROM van vergunningen art. 29 en 34 KEW404070105010
Beoordeling door VROM van meldingen Besluit stralingsbeschermingn.v.t.n.v.t.100n.v.t.100n.v.t.
Afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures KEW120102101

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Toelichting:

Het aantal vergunningen en meldingen in het kader van artikel 29/34 van de Kew, dat door VROM behandeld diende te worden was lager dan eerder ingeschat.

Voor wat betreft de meldingen werd dit veroorzaakt doordat de betreffende regeling nog niet van kracht geworden is door onverwachte complicaties van de uitvoering er van in verband met het streven naar een zo eenvoudig mogelijke uitvoeringspraktijk van de EU-richtlijn.

• Uitvoering van het besluit Radioactief besmet schroot

Het besluit Radioactief besmet schroot strekt onder meer tot het verplicht stellen van het gebruik van meetapparatuur voor de detectie van radioactief besmet schroot. Op grond van dit besluit kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van meetapparatuur en de wijze van meten, ten aanzien van de registratie van meetgegevens en ten aanzien van de vaardigheden en bekwaamheden waaraan personen moeten voldoen die toezicht houden op de te verrichten metingen en registraties. Deze eisen zijn vastgelegd in de regeling Radioactief besmet schroot. De regeling is in april 2003 in de staatscourant verschenen. Indien uit een meting blijkt dat schroot radioactief besmet is, dient het radioactief besmet schroot of de besmette onderdelen in principe binnen vijf dagen te worden overgebracht naar plaats waar nader onderzoek of sortering mogelijk is. Om dit mogelijk te maken is een tijdelijke voorziening – vooralsnog alleen voor opslag – gerealiseerd op het terrein van de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA). Ter voorbereiding van de realisatie van een definitieve voorziening is een definitiestudie aan COVRA opgedragen. Op basis van de resultaten van de definitiestudie zal de definitieve voorziening worden bewerkstelligd in de Rotterdamse regio door een concessie te verlenen voor dienstverlening aan een exploitant nadat deze via Europese aanbesteding is geselecteerd.

• Start uitvoering onderzoeksprogramma terugneembare ondergrondse berging van radioactief afval

In het op 18 juni 2003 gehouden algemeen overleg met de vaste Commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de vaste Commissie van Economische Zaken is het onderzoek naar terugneembare berging van radioactief afval aan de orde geweest. Hierbij is gebleken dat de Tweede Kamer de noodzaak tot voortzetting van onderzoek naar een terugneembare berging van radioactief afval ondersteunt. Inmiddels is een globaal ontwerp onderzoeksprogramma met daarin de diverse onderzoeksthema's en de tijdsfasering opgesteld. Kernthema's hierin zijn verdieping van de tot dusverre uitgevoerde studies en verificatie van de gebruikte modellen door empirisch onderzoek in een buitenlands ondergronds laboratorium. Dit alles zal zoveel mogelijk in een internationaal kader worden ingebed, zoals bijvoorbeeld het 6e EU Kaderprogramma voor onderzoek. Aan het RIVM is gevraagd een voorstel te doen voor de opzet van een projectorganisatie die zorg draagt voor de wetenschappelijke aansturing van het onderzoek, alsmede daarvoor een kostenopgave op te stellen. In afwachting van de definitieve vaststelling van de organisatie en het uitgewerkte programma van het onderzoek, heeft NRG aanvullende financiering gekregen, voor een binnen het 6e kaderprogramma reeds goedgekeurd project met betrekking tot ondergrondse berging.

• Inwerkintreding, voorlichting en instructietraject Stralings Prestatie Norm (SPN)

Mede naar aanleiding van de publicatie van de Milieubalans 2002 is geconcludeerd dat er voor een aantal «hardnekkige beleidsdossiers» behoefte bestaat aan een aanvulling op het bestaande risicobeleid. Bij het RIVM is de publicatie «Nuchter Omgaan met Risico's» tot stand gekomen. Bij de aanbieding van dit rapport aan de Tweede Kamer is aangegeven dat het dossier als voorbeeld van dit nadere beleid zal worden uitgewerkt. De overeenkomstige beleidsnotitie wordt begin 2004 aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit verband is het van belang dat de bouwpraktijk verschillende malen heeft aangegeven grote bezwaren te hebben tegen wettelijke implementatie van de SPN, vanwege toenemende regeldruk, complexiteit van de regelgeving, noodzakelijke extra inspanning op handhaving en eenzijdige druk op bepaalde bouwsegmenten. Eind 2003 hebben toeleveranciers van de bouw aangegeven zelf invulling te willen geven aan hun verantwoordelijkheid en dat zij als resultaatverplichting op zich willen nemen dat de stralingsafgifte van bouwmaterialen in de toekomst niet zal toenemen. Vóór 1 april 2004 zullen met de bouwpraktijk controleerbare en resultaatgerichte afspraken gemaakt worden met betrekking tot stralingseigenschappen van bouwmaterialen, ventilatie en voorlichting van bewoners van bestaande gebouwen. Indien uit monitoring blijkt dat het afgesproken resultaat wordt gerealiseerd, wordt afgezien van wettelijke implementatie van de SPN.

• Implementatie Nationaal Antenne Beleid

Mede naar aanleiding van de publicatie van de Milieubalans 2002 is geconcludeerd dat er voor een aantal «hardnekkige beleidsdossiers» behoefte bestaat aan een aanvulling op het bestaande risicobeleid. Bij het RIVM is de publicatie «Nuchter Omgaan met Risico's» tot stand gekomen. Bij de aanbieding van dit rapport aan de Tweede Kamer is aangegeven dat het dossier als voorbeeld van dit nadere beleid zal worden uitgewerkt. De overeenkomstige beleidsnotitie wordt begin 2004 aan de Tweede Kamer aangeboden. In 2003 is in opdracht van VROM door TNO geïnventariseerd welke zendinstallaties in Nederland aanwezig zijn en welke vermogens worden uitgezonden. Op basis van deze gegevens zal in 2004 bepaald worden op welke wijze de wettelijke implementatie van grenswaarden op realistische wijze kan worden uitgevoerd. Hierbij zullen ook de resultaten van een inventarisatie door het Agentschap Telecom van de aanwezige velden op vrij toegankelijke plaatsten en in woningen worden betrokken. De eerste evaluatie van het convenant NAB is begonnen in februari 2003. Het eindrapport zal begin 2004 beschikbaar komen.TNO heeft een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de elektromagnetische velden van basisstations t.b.v. de mobiele telefonie op cognitieve functies en het welbevinden van mensen. Hierbij zijn statistisch significante verbanden tussen dergelijke velden en de cognitieve functies gevonden voor zowel GSM als UMTS-basisstations gevonden. Voor UMTS-stations zijn dergelijke verbanden ook voor het welbevinden gevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn aan de Tweede Kamer aangeboden en hierbij is aangegeven dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit vervolgonderzoek zal in 2004 worden gestart.

• Implementatie beleid Hoogspanninglijnen

Mede naar aanleiding van de publicatie van de Milieubalans 2002 is geconcludeerd dat er voor een aantal «hardnekkige beleidsdossiers» behoefte bestaat aan een aanvulling op het bestaande risicobeleid. Bij het RIVM is de publicatie «Nuchter Omgaan met Risico's» tot stand gekomen. Bij de aanbieding van dit rapport aan de Tweede Kamer is aangegeven dat het dossier als voorbeeld van dit nadere beleid zal worden uitgewerkt. De overeenkomstige beleidsnotitie wordt begin 2004 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
MER Kerncentrale BorsseleNovember 2003 gereed, milieugevolgen overeenkomstig MER-prognosesn.v.tn.v.t
MER onderzoeksreactor Reactor DelftOpdracht is uitgesteld tot in 2005, omdat eerst in 2005 de toestand is bereikt dat het MER moet worden geëvalueerd.n.v.tn.v.t
Evaluatie lijst gerechtvaardigde handelingenVanwege veranderde prioriteitsstelling (onder andere Nuchter Omgaan met Risico's) heeft dit niet plaatsgevonden.n.v.tn.v.t
Convenant NAB (onderdeel toestemming bewoners)Begin 2004 gereed. EZ heeft voortouwn.v.tn.v.t

12.2.4 Operationele doelstelling «Beheersen milieurisico's genetisch gemodificeerde organismen (GGO's)»

Doel is een situatie op het gebied van biotechnologie te creëren, zodanig dat de toepassing van biotechnologie gepaard gaat met optimale waarborgen voor de veiligheid, transparantie van de besluitvorming, keuzevrijheid voor de burger en ethische aanvaardbaarheid.

Het doelbereik 2003

In 2003 zijn geen incidenten opgetreden waarbij de veiligheid voor mens en milieu in het geding kwam. Bedrijfsleven, burgers en maatschappelijke organisaties maakten volop gebruik van de transparantie in de besluitvorming. Inspraak in de implementatie van de Europese richtlijnen 98/81 en 2001/18 in Nederlandse wetgeving, actieve deelname in de vergunningenprocedures en goed bezochte, door VROM georganiseerde bijeenkomsten voor de vergunninghouders en marktaanvragers ter ondersteuning van het aanvraagproces en de handhaving, zijn hier voorbeeld van. Daarnaast heeft VROM zich ingezet voor eerlijke, handhaafbare en uitvoerbare Europese etiketterings en traceerbaarheidsregelgeving die de keuzevrijheid voor de consument inzake GGO's waarborgt. VROM heeft ook nog eens het voortouw genomen in het verhelderen van het biotechnologisch ethisch toetsingskader. Tot slot werd een start gemaakt met het inventariseren van de kansen van de industriële biotechnologie voor duurzame ontwikkeling.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
• Afhandeling van kennisgevingen en vergunningen voor GGO's.Ja
• Uitvoering Integrale Nota biotechnologie en moties Tweede Kamer terzakeJa
• Uitvoering plan van aanpak genomics.Ja
• Implementatie en uitvoering Biosafetyprotocol en aanpassing Nederlandse regelgeving.Gedeeltelijk
• Herziening van het Besluit GGO door implementatie EU-richtlijn 2001/18 en 1998/81Gedeeltelijk

Toelichting beleidsprestaties 2003

Tabel 12.8 Afhandeling van kennisgevingen en vergunningen voor GGO's
Omschrijving:Realisatie 2001Realisatie 2002Prognose 2003Realisatie 2003
Kennisgevingen ingeperkt gebruik673811650687
Vergunningen introductie in het milieu*498Pm14
Vergunningen marktintroductie*180Pm0
Afhandelen bezwaarprocedures*10171
Afhandelen beroepsprocedures*7076
Aantal vernietigde vergunningen–**7pm1
Aantal niet in behandeling genomen (op verzoek van aanvrager)13

* procedures nemen meerdere jaren in beslag

** niet gemeten

Bron: RIVM

Toelichting:

Het aantal biologische veiligheidsfunctionarissen bestaat uit 45 nieuwe toelatingen en uit 10 functionarissen die er niveaus hebben bij gekregen. Het aantal vergunningen introductie in het milieu bestaat uit 5 vergunningen en 9 wijzigingen en protocollen. Het aantal niet in behandeling genomen bestaat uit 4 aanvragen (ingeperkt gebruik) die buiten behandeling zijn gesteld en 9 aanvragen (introductie in het milieu) die zijn ingetrokken.

• Uitvoering Integrale Nota Biotechnologie (INB) en moties Tweede Kamer terzake

De in het INB vermelde ecologisch onderzoek is gestart met een inventarisatie van ecologische kennishiaten. Op basis hiervan zal een strategisch onderzoeksplan worden opgesteld. Dit plan zal na de zomer van 2004 zijn opgesteld. Het onderzoek naar nieuwe detectiemethoden is geëvalueerd. Interdepartementaal wordt in 2004 beslist of en hoe dit onderzoek zal worden voortgezet. De moties zijn uitgevoerd. Daarbij ook de motie voor het opstellen van een integraal toetsingskader. 5 november 2003 is in een Algemeen Overleg met de Tweede Kamer het vervolg van het biotechnologiebeleid besproken. Toezeggingen in dit AO zijn evaluatie van wet- en regelgeving, heroverweging van het idee van een virtueel kenniscentrum en een tweejaarlijkse trendmatige analyse. Hierover zal de Tweede Kamer in 2004 nader worden geïnformeerd. Op 4 december 2003 was een Algemeen Overleg met de Tweede Kamer over coëxistentie van ggo- en ggovrije teelt. Het Kabinet heeft hierin de lijn dat zij tot 1 juli 2004 de gesprekken tussen partijen om onderling tot afspraken te komen, zal stimuleren en faciliteren. Na 1 juli zal worden geanalyseerd of er afspraken zijn en of deze afdoende zijn. er is toegezegd dat een nadere studie over het aansprakelijkheidsregime zal worden uitgevoerd.

• Uitvoering plan van aanpak genomics

Er bestaat een interdepartementale werkgroep die toezicht houdt op de uitvoering van het plan van aanpak van genomics. In 2003 zijn er drie bijeenkomsten geweest van deze werkgroep. Het genomics initiatief organiseert daarnaast elk jaar een conferentie over genomics. In 2003 droeg de conferentie de titel «Create Business» en was gericht op innovatie vanuit het genomics initiatief en heeft plaatsgevonden op 27 november jl.

• Implementatie en uitvoering Biosafetyprotocol en aanpassing Nederlandse regelgeving

In de eerste helft van 2003 zijn de onderhandelingen over de Cartagena Verordening afgerond. 17 oktober 2003 is de definitieve versie gepubliceerd. Deze regelt de verplichtingen van exporteurs van GGO's naar derde landen buiten de EU. Voor import voldoet de reeds bestaande EU wetgeving. 11 september 2003 is het Cartagena Protocol van kracht geworden. Daarmee moet Nederland vanaf heden aan verplichtingen voldoen. Het department fungeert als National Focal Point en Competente Autoriteit. Van 23 t/m 27 februari 2004 vindt de eerste Bijeenkomst van Partijen (MoP1) plaats in Kuala Lumpur. Wijziging van Nederlandse regelgeving (strafbaarstelling) is in voorbereiding.

• Herziening van het Besluit GGOggo door implementatie EU-richtlijn 2001/18 en 1998/81

Wijziging van het Besluit GGO en de Regeling is voorbereid en waarna op 29 december jl. advies van de Raad van State is verkregen. Begin 2004 zal het nader rapport worden opgesteld en de wijziging worden afgerond.

Beleidsevaluatie 2003

 UitkomstAdviesCommunicatietraject Tweede Kamer
Functioneren COGEM (een maal per 4 jaar)Evaluatie is gedaan en wordt bestudeerd.Zal begin 2004 worden opgesteldInformatie middels brief in 2004.

Groeiparagraaf

 Gerealiseerd
Algemeen 
Opzet programmatische aanpak beleidsevaluatieJa
Formulering meetbare doelen en tussendoelen bij lange termijn doelenJa
Beheersen milieurisico's van stoffen 
Benutten kennisinfrastructuur stoffen voor jaarverantwoordingNee
Nagaan of doelen van Actieprogramma Gezondheid en Milieu meetbaar geformuleerd kunnen wordenNee

Toelichting:

• Opzet programmatische aanpak beleidsevaluatie

Bij de programmering van onderzoeksvoorstellen maken beleidsevaluaties deel uit van de voorstellen. Hierbij wordt rekening gehouden met het voorschrift dat alle beleid een maal per 5 jaar geëvalueerd dient te worden.

• Formulering meetbare doelen en tussendoelen bij lange termijn doelen

Met name bij het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) zal jaarlijks de monitoringresultaten worden gepubliceerd. Indien noodzakelijk zal aanpassing van het beleid plaatsvinden. Op deelterreinen zijn tussendoelen geformuleerd.

• Benutten kennisinfrastructuur stoffen voor jaarverantwoording

In 2004 zal een nota inzake de uitvoering van het (inter)nationale stoffenbeleid worden uitgebracht. Dan zal worden bepaald of de voor stoffen te ontwikkelen kennisinfrastructuur inzicht kan verschaffen voor de jaarverantwoording.

• Nagaan of doelen van Actieprogramma Gezondheid en Milieu meetbaar geformuleerd kunnen worden

In 2004 zal worden onderzocht in hoeverre de beoogde doelen van het Actieprogramma Gezondheid en Milieu meetbaar kunnen worden geformuleerd

12.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-14.gif

Toelichting:

De overuitputting van de uitgaven op artikelniveau is toe te schrijven een aantal instrumenten. In de Jaarrekening wordt hierop nader ingegaan.

Artikel 13. Handhaving

13.1 Algemene beleidsdoelstelling

De handhaving van VROM is gericht op een aantoonbaar betere naleving van de regels en een betere uitvoering van het VROM-beleid. De VROM-Inspectie zorgt voor de handhaving van het VROM-beleid en de wet en regelgeving ten aanzien van milieu, wonen en ruimte. Zo wordt bijgedragen aan een veiliger, gezonder en duurzamer leefomgeving. Handhaving is echter niet het enige middel om wetten en regels beter te doen naleven. De Inspectie onderzoekt ook waar alternatieven mogelijk zijn: het wegnemen van belemmeringen of het ontwikkelen van beter naleefbare regels.

Uitwerking vindt plaats in de volgende operationele doelstellingen:

13.2.1 Strategie;

13.2.2 Opsporing en fraudebestrijding;

13.2.3 Crisisbeheersing;

13.2.4 Naleving wet- en regelgeving en beleid/betaalheiden vrije woonkeuze;

13.2.5 Naleving wet- en regelgeving en beleid goede woningvoorraad en duurzaam bouwen;

13.2.6 Fysieke stedelijke vernieuwing;

13.2.7 Naleving wet- en regelgeving en beleid versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke en landelijke gebieden;

13.2.8 Naleving wet- en regelgeving en beleid verbeteren milieukwaliteit op nationaal niveau en integratie op lokaal niveau;

13.2.9 Naleving wet- en regelgeving en beleid tegengaan klimaatverandering en emissies;

13.2.10 Naleving wet- en regelgeving en beleid beheersing milieurisico's straling, afval en stoffen.

Het doelbereik 2003

Op basis van de informatie per operationeel doel kan geconcludeerd worden dat de naleving van een aantal wetten en regels zodanig is verbeterd dat een bijdrage is geleverd aan een veiliger, gezonder en duurzamer leefomgeving.

13.2 Operationele doelstellingen

13.2.1. Operationele doelstelling strategie (artikel 1)

De VROM-Inspectie ontwikkelt in 2003 een nalevingstrategie waarin de prioriteiten op basis van een risicoanalyse worden vastgesteld.

Het doelbereik in 2003

De VROM-nalevingstrategie is ontwikkeld. In lijn met de VBTB-ambities en met het oog op de effectiviteit van handhaving wordt onderzocht in hoeverre ook direct meetbare indicatoren voor naleving kunnen worden ontwikkeld.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Ontwikkeling NalevingstrategieJa
Ex-ante toetsing nieuwe VROM-regels of HUFJa
EU rapportage inzake minimumcriteria milieu-inspectiesJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Ontwikkeling nalevingstrategie

Met de nalevingstrategie wordt het Inspectieprogramma opgesteld. Prioriteit ligt bij die wetgeving waarbij een groot naleeftekort is geconstateerd en die tevens risico's voor veiligheid, gezondheid, duurzaamheid met zich meebrengt. Daarnaast zijn op basis van actualiteit en signalen van burgers specifieke probleemsituaties aangepakt. Criteria hiervoor zijn: de politieke actualiteit, risico's voor de leefomgeving (met name levensbedreigende situaties of grootschalige gevolgen), integriteit van het bestuur van een overheidsinstantie of bedrijf, maatschappelijke onrust en de ongewenste precedentwerking die uit kan gaan van niet-optreden. Ook is een start gemaakt met het realiseren van een «proeftuin» slim handhaven. Binnen dit project worden succesvolle handhavingmethoden van binnen en van buiten VROM verzameld.

Ex-ante toetsing nieuwe VROM-regels of HUF

Praktijkervaringen hebben geleid tot voorstellen van de VROM-Inspectie tot aanpassing van regelgeving.

EU rapportage inzake minimumcriteria milieu-inspecties

In april 2003 is aan de Europese Unie gerapporteerd over de ervaringen met de uitvoering van de EU-aanbeveling van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in Lidstaten (2001/331/EG).

MONITORING

Met monitoring wordt beoogd trendmatige informatie te verkrijgen in de milieumaatregelen van overheden en de effecten daarvan in de praktijk (milieudruk). In 2003 was de bedoeling de bestaande monitoringsystemen te verbreden naar (delen) van de beleidsterreinen wonen en ruimte.

Het doelbereik 2003

De Overheidsmonitor, de doelgroepmonitor en de geïntegreerde handhavingsrapportage zijn opgesteld.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Doelgroepmonitoring: Rapport Afvalstoffen en emissies 2001Ja
Overheidsmonitoring: Rapport Milieuprestaties Overheden 2002Ja
Geïntegreerde handhavingsrapportage 2002 (mei 2003)Ja

Toelichting prestaties 2003

Doelgroepmonitoring: Rapport Afvalstoffen en emissies 2001

Rapport met brief VROM-VI/BZ/2456 op 25 mei 2003 naar Tweede Kamer; informatie is ook beschikbaar op www.emissieregistratie.nl.

Overheidsmonitoring: Rapport Milieuprestaties Overheden 2002

De gepresenteerde «Overheidsmonitor, Jaarrapportage 2002» bevat het resultaat over 2002. Alle overheden zijn ondervraagd. Ruim de helft van de gemeenten, alle provincies, tweederde van de waterschappen en vrijwel alle bevraagde rijksoverheidsinstellingen hebben een bijdrage geleverd aan deze monitor. Verslag Tweede Kamer nr. 030690, 21-10-2003. Wegens gebrek aan onder andere, representativiteit effectiviteit en betrouwbaarheid is de overheidsmonitor beëindigd. De Tweede Kamer wordt voort aan geïnformeerd met de Jaarrapportage van de VROM-Inspectie, de handhaving door de andere handhavingspartners in de jaarlijkse handhavingbrief en daarnaast door sectorale rapportages.

Geïntegreerde handhavingsrapportage 2002 (mei 2003)

De geïntegreerde handhavingsrapportage is op 21 mei 2003 aangeboden aan de Tweede Kamer, VROM 030318.

13.2.2 Operationele doelstelling «Opsporing en fraudebestrijding»

De uitvoering van strafrechtelijk onderzoeken op het terrein van de ordeningswetgeving van het Ministerie van VROM (eventueel in combinatie van het commune strafrecht) is de taak van de VROM-Inlichtingen- en opsporingsdienst (VROM-IOD). Het Centraal Informatie Punt (CIP) van de VROM-IOD heeft 5 projecten van de Rijksgebouwendienst beoordeeld, waarvoor 76 ondernemingen zijn gescreend.

Het doelbereik 2003

Door de VROM-Inspectie zijn door capacitaire problemen iets minder dan de geplande onderzoeken met name in de Huursubsidie afgerond. Wel is er extra capaciteit ingezet op de uitvoering van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen voor het Openbaar Bestuur (Bibob).

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Verrichten van opsporingsonderzoeken naar strafbare feiten ter voorbereiding van strafvorderlijke beslissingen: 
10 à 15 Zelfstandige onderzoeken (middel)zware criminaliteitJa
40 à 50 Onderzoeken follow up van toezichtactiviteitenNee
Samenwerking met politie bij 10 à 15 onderzoekenDeels

Toelichting beleidsprestaties 2003

Verrichten van opsporingsonderzoeken naar strafbare feiten ter voorbereiding van strafvorderlijke beslissingen

De prioriteit ligt bij de bestrijding van de (middel)zware georganiseerde criminaliteit met de speerpunten milieucriminaliteit en subsidiefraude op de VROM-beleidsgebieden. Zo heeft de VROM-IOD alleen of samen met collega-opsporingsdiensten 22 (middel)zware opsporingsonderzoeken afgerond. Ook is een Afdeling Subsidiefraude gestart als onderdeel van de eigen VROM-IOD. De controle richt zich op fraudes met een schade tot € 25 000,–. De Inspectie geeft inzicht in hoeverre er sprake is van fraude bij de subsidieregelingen van VROM. De fraude-onderzoeken Huursubsidiewet staan bij 13.2.4

Het Centraal Informatie Punt (CIP) van de VROM-IOD wordt vernieuwd en biedt ondersteuning bij de uitvoering van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen voor het Openbaar Bestuur. Het CIP heeft 5 projecten van de Rijksgebouwendienst beoordeeld, waarvoor 76 ondernemingen zijn gescreend.

Follow up van toezichtactiviteiten

De 40 à 50 onderzoeken als follow up van toezichtactiviteiten zijn door andere prioriteitstelling niet gerealiseerd.

Samenwerking met politie bij 10 à 15 onderzoeken

Er zijn toch 9 onderzoeken uitgevoerd samen met de regionale politie ondanks een hogere inzet bij de onderzoeken naar middelzware milieucriminaliteit.

13.2.3 Operationele doelstelling «Crisisbeheersing»

Hoofddoel is het beheersen van veiligheid- en gezondheidsrisico's en het minimaliseren van de effecten van optredende crises.

Het doelbereik 2003

De crisisbeheersingstaak omvat met name de voorbereiding op en afhandeling van crisisomstandigheden op gebied van nucleaire ongevallen, calamiteiten met gevolgen voor milieu en volksgezondheid, de drinkwatervoorziening en de (her)huisvesting van bevolking en overheid. Daarvoor zijn het Departementaal Coördinatiecentrum (DCC) en het meldpunt VROM permanent bereikbaar en zijn 3 oefeningen gehouden. Afhandeling van calamiteiten vindt plaats conform het Kwaliteitssysteem Crisismanagement.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Adequate voorbereiding van, respons op en nazorg van optredende crisissituaties door middel van: 
Ingericht en continu beschikbaar DCC en Meldpunt VROMJa
Circa 3 oefeningenJa
Inhoudelijke adviezen ten behoeve van besluitvorming door verantwoordelijk bestuur in geval van een crisissituatieJa
Evaluatierapport na elk opgetreden crisisJa
Bijdragen aan 3 jaarlijkse rapportages aan de Tweede KamerJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Er zijn 506 meldingen behandeld. In het kader van de EU-richtlijn voor internationale gegevensuitwisseling in geval van nucleaire of radiologische ongevallen (Ecurie) werden 355 meldingen ontvangen en afgehandeld. De inzet is 2 keer getest in een oefening met de Kernfysische Dienst (KFD) en 2 keer zijn incidentoefeningen gehouden.

13.2.4 Operationele doelstelling «Naleving wet- en regelgeving en beleid/betaalbaarheid en vrije woonkeuze»

VROM stimuleert de totstandkoming van woningen en gebouwen die duurzaam zijn en zijn afgestemd op gevraagde kwaliteit voor wat betreft de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid energiezuinigheid en milieubelasting. Het toezicht van de VROM-Inspectie is gericht op naleving van de Woningwet door: onderzoek bij vermoeden van frauduleus handelen; het volgen van de voortgang en advisering aan de minister omtrent toepassing van sancties ingeval sprake is van een ministeriele aanwijzing; het opstellen van het volkshuisvestelijk deel van het Toezichtverslag Besluit Beheer sociale huursector.

Het doelbereik 2003

Het toezichtverslag Besluit Beheer sociale huursector is opgesteld. De VROM-Inspectie zal op basis van een monitor naar de aanpak door gemeenten van onrechtmatige bewoning bezien in hoeverre de bestrijding intensivering behoeft.

De strafrechtelijke onderzoeken naar fraudegevallen met betrekking tot individuele huursubsidie door de VROM-IOD hebben een bijdrage geleverd aan het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Huursubsidiewet

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Toezichtverslag Besluit Beheer sociale huursector 2002Ja
Gerichte handhavingsacties onrechtmatige bewoning (ad hoc voortvloeiend uit reguliere onderzoeken)Deels
Monitoren en handhaven aanwijzingen aan toegelaten instellingenNee
400 fraudeonderzoeken HuursubsidiewetDeels

Toelichting prestaties 2003

Toezichtverslag Besluit Beheer sociale huursector 2002De VROM-Inspectie heeft in 2003 een analyse gemaakt van ontwikkelingen in de sociale huursector in het verslagjaar 2003. Onderwerpen die daarbij aan de orde kwamen zijn: investeringen, onderhoud en woningverbetering, woonruimteverdeling en huren.

Gerichte handhavingsacties onrechtmatige bewoning

Uit de vragenlijst die is uitgezet bij de zestig grootste gemeenten gericht op aanpak van onrechtmatige bewoning blijkt dat daar sprake van is; gemeenten gaan zelf uit van 5% onrechtmatige bewoning. Samenwerking tussen verhuurders en gemeenten moet geïntensiveerd worden. Er ontbreekt daadkracht bij bestrijding van onrechtmatige bewoning met ook knelpunten op vlak van beleid, capaciteit en financiën. Opsporing is juridisch lastig en arbeids- en kostenintensief. Handhavingproject is gestart waarbij achterblijvende gemeenten kunnen leren van actief handhavende gemeenten.

De Huisvestingswet bevat enkele specifieke artikelen inzake de huisvesting van asielzoekers, die een vergunning tot verblijf hebben gekregen (statushouders). De Inspectie ziet er op toe dat de sinds 1995 gegroeide achterstand voor huisvesting van statushouders wordt ingelopen. In juli 2003 was de achterstand gehalveerd. Bestuurlijk is afgesproken dat de inzet is dat medio 2004 de achterstand geheel is weggewerkt.

Ten aanzien van de voorgenomen intensivering van het toezicht op onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen is door de Minister eind 2003 een beleidsstandpunt vastgesteld. Daarin is in eerste instantie de uitvoering bij gemeenten en provincies gelegd. De VROM-Inspectie zal in 2004 nagaan hoe deze aanpak uitwerkt.

Monitoren en handhaven aanwijzingen aan toegelaten instellingen. Dit kon achterwege blijven omdat er in 2003 geen ministeriële aanwijzingen op grond van het BBSH zijn gedaan.

400 Fraudeonderzoeken Huursubsidiewet

De VROM-Inspectie heeft met de beschikbare capaciteit 387 onderzoeken uitgevoerd inzake misbruik huursubsidie. Bij 206 zaken kon schade worden teruggevorderd. Er is 83 keer proces-verbaal opgemaakt voor strafrechtelijke afdoening.

13.2.5 Operationele doelstelling «naleving wet- en regelgeving en beleid goede woningvoorraad en duurzaam bouwen» (artikel 3)

VROM stimuleert de totstandkoming van woningen en gebouwen die duurzaam zijn en zijn afgestemd op de gevraagde kwaliteit voor wat betreft veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieubelasting.

Het doelbereik 2003

De CE-markering, een Europese richtlijn met betrekking tot minimumkwaliteit ten aanzien van bouwproducten is gehandhaafd.

Onderzoeken naar bouwregelgeving door gemeenten zijn uitgevoerd.

Extra capaciteit is ingezet voor het uitgebreide onderzoek naar niet-woningen en gebruiksvergunningen.

Extra inzet is gepleegd in verband met de afwikkeling van een tweetal incidenten in de bouw zoals het onderzoek naar de ingestorte platte daken (2002) en de vijf balkons in Maastricht (april 2003).

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
150 onderzoeken naar handhaving bouwregelgeving door gemeentenDeels
Nazorg gemeentelijke onderzoeken 2001 en 2002Deels
Rapportage handhaving bouwregelgeving 2002Ja
Handhaving productnormen CE-markering Europese richtlijn bouwproductenJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

150 Onderzoeken naar handhaving bouwregelgeving door gemeenten

Er zijn 149 integrale gemeenteonderzoeken uitgevoerd. In 2003 zijn 139 VROM-brede gemeente onderzoeken afgerond, inclusief het afsluitende bestuurlijke overleg. Nog 10 onderzoeken zullen begin 2004 bestuurlijk worden afgesloten. Hiermee is tevens voldaan aan de opdracht van de Tweede Kamer dat alle gemeenten eind 2003 op het gebied van de bouwregelgeving zijn onderzocht. Medio 2004 volgt de rapportage aan de Tweede Kamer.

Nazorg gemeentelijke onderzoeken 2001 en 2002De nazorg heeft betrekking op 92 gemeenten, waarbij in de periode 1999 tot en met 2002 in totaal 119 onderzoeken (milieu 13, ruimtelijke ordening 31, bouwen 62 en VROM-breed 13) werden uitgevoerd.

Per 31 december 2003 is de stand van zaken de volgende:

Voor 6 gemeenten geen nazorg van toepassing in verband met de beoordeling dat het gewenste adequate niveau aanwezig is.

Voor 8 gemeenten is het nazorgtraject formeel afgesloten met een bestuurlijk overleg of door middel van een brief.

Voor 4 gemeenten is in 2003 de nazorg meegenomen in een VROM-breed onderzoek.

Voor alle overige gemeenten (44) is de nazorg nog lopende in verschillende stadia van uitvoering. Een deel daarvan zal, naar het zich laat aanzien, in het eerste kwartaal 2004 kunnen worden afgerond en de rest in het tweede kwartaal 2004.

De nog resterende nazorgactiviteiten zullen in 2004 verder worden afgerond.

Rapportage handhaving bouwregelgeving 2002

Deze onderzoeken zijn ondergebracht in de VROM-brede gemeenteonderzoeken. De VROM-nalevingstrategie heeft gezorgd voor een aanpassing van het onderzoekprogramma gemeenten. Per 1-4-2003 worden gemeenten alleen nog integraal beoordeeld. Daarom zijn de 25 geplande gemeenteonderzoeken op het gebied van ruimtelijke ordening en de 25 milieuonderzoeken opgenomen in de 150 onderzoeken naar controle van de bouwregelgeving. Een kwart van de gemeenten is in 2003 integraal doorgelicht op uitvoering van de wettelijke VROM-taken.

Handhaving productnormen CE-markering Europese richtlijn bouwproducten

In 20 bedrijfsbezoeken is gebleken dat bedrijven nog onbekend zijn met CE-markering. Eén CE-melding uit Engeland is beoordeeld. Voor het toezicht op gebruik van de CE-markering is een VROM Inspectie Procedure (VIP) ontwikkeld.

Extra

Naar aanleiding van het instorten van een enkele lichte, platte daken in augustus 2002 is onderzoek gedaan naar 200 eerder ingestorte platte daken over de laatste 10 jaar. Dit onderzoek noopte de VROM-Inspectie om gemeenten te wijzen op de risico's van instorting door opeenhoping van water. Ook zijn ruim 68 000 bedrijven met lichte, platte daken gewaarschuwd en geadviseerd. In 2004 volgt een rapportage over de gemeentelijke onderzoeken naar deze dakconstructies. Ook is onderzoek verricht naar de ingestorte balkons in Maastricht;

Verslag Tweede Kamer, VROM 03–459, 3-7-2003.

13.2.6. Operationele doelstelling «Fysieke stedelijke vernieuwing» (artikel 4)

VROM stimuleert een fysieke stedelijke vernieuwing. De Wet stedelijke vernieuwing en als onderdeel daarvan het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) geeft een belangrijke impuls aan de verbetering van de fysieke vernieuwing.

Het doelbereik 2003

De Inspectie participeert in de Provinciale Planologische Commissie(PPC) en toetst regionale uitwerkingen van verstedelijkingsafspraken.

De prestaties 2003

 Realisatie
Toetsing regionale uitwerkingen verstedelijkingsafspraken in kader van PPCNee

Toelichting prestaties 2003

Toetsing regionale uitwerkingen verstedelijkingsafspraken in kader van PPC

De prestatieafspraken die met de grootstedelijke regio's zijn gemaakt hadden in 2003 het karakter van intentieafspraken. Concrete toetsing is daardoor nog niet mogelijk

Op grond van de Wet Stedelijke Vernieuwing (ISV) worden budgetten direct verdeeld over gemeenten of via provincies (indirect). De wijze van verantwoording over de budgetten is bij de wet zelf geregeld; de Inspectie heeft daarbij geen rol.

In 2003 is onderzocht hoe de VROM-Inspectie de uitvoering kan toetsen. Dit onderzoek is beëindigd toen het rapport van de Algemene Rekenkamer over het Rijksbeleid stedelijke vernieuwing is verschenen.

Verslag Tweede Kamer nr. 29 211, vergaderjaar 2003–2004

13.2.7. Operationele doelstelling «Naleving wet- en regelgeving en beleid versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke en landelijke gebieden» (artikel 6 en 8)

VROM stimuleert het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke en landelijke gebieden, waaronder de leefbaarheid in delen van het landelijk gebied. Ruimtelijke en milieuvraagstukken worden zoveel mogelijk integraal aangepakt. De Inspectie ziet daarom er op toe dat het ruimtelijk beleid van gemeenten en provincies is afgestemd op nationaal beleid. Gemeenten moeten zorgen voor actuele bestemmingsplannen en een adequate handhaving van die plannen. Vergunningverlening en toezicht door gemeenten moet voldoen aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet/Woonwet. De Inspectie participeert eveneens in de reconstructiecommissies als toetser van de te ontwikkelen reconstructieplannen met behulp van het hiervoor ontwikkelde rijkstoetsingskader.

Het doelbereik 2003

Onderzoeken zijn uitgevoerd naar handhaving van ruimtelijke ordeningszaken door gemeenten; ook werden bestemmingsplannen getoetst. Door deze onderzoeken is bijgedragen aan het bereiken van de doelstellingen van het VROM-beleid.

De prestaties 2003

 Realisatie
25 onderzoeken handhaving van WRO-beleid en -regelgevingJa
Nazorg onderzoeken gemeentelijke handhaving RO-beleid en -regelgeving 2001 en 2002Deels
Rapportage gemeentelijke handhaving wet- en regelgeving en beleid RO 2002 (december 2003)Ja
Toetsing bestemmingsplannen en afwijkingen (art. 10, 15, 17 en 19 Wro)Ja
Toetsing reconstructieplannen in kader van ReconstructiecommissiesJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

25 onderzoeken handhaving van WRO-beleid en -regelgeving

Rapportage gemeentelijke handhaving wet- en regelgeving en beleid RO 2002 (december 2003)

Deze onderzoeken zijn ondergebracht in de VROM-brede gemeenteonderzoeken. Zie toelichting onder 13.2.5. rapportage bouwregelgeving

Nazorg onderzoeken gemeentelijke handhaving RO-beleid en -regelgeving 2001 en 2002

Zie paragraaf 13.2.5: Nazorg onderzoeken

Toetsing bestemmingsplannen en afwijkingen (art. 10, 15, 17 en 19 Wro)

Toetsing reconstructieplannen in kader van Reconstructiecommissies

In de tweede helft van 2003 is een onderzoek gestart naar de planologische bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in streek- en (vooral) bestemmingsplannen. Ook is geïnventariseerd in hoeverre de Beleidslijn Ruimte voor de rivier uit 1996 is verwerkt in bestemmingsplannen. Gebleken is dat diverse gemeenten hun bestemmingsplannen niet hebben aangepast. De minister heeft daarop besloten een formele aanwijzingsprocedure in het kader van de WRO te starten. Daarvoor wordt conform de wet eerst een overleg gevoerd met betrokken gemeenten en provincies.

Deelname aan Reconstructiecommisies is in 2003 afgebouwd. De commissies zijn gericht op beleidsontwikkeling en beleidsadviezen. Om een onafhankelijke toetsing van de reconstructieplannen te kunnen blijven uitoefenen is deze taak overgedragen aan de Beleidsdirecties.

13.2.8. Operationele doelstelling «Naleving wet- en regelgeving en beleid verbeteren milieukwaliteit op nationaal niveau en integratie op lokaal niveau» (artikel 7 en 10)

VROM stimuleert de verbetering van zowel het stedelijk als het landelijk gebied, met het oog op een duurzame ontwikkeling in de directe leefomgeving. Milieuvraagstukken die spelen op lokale en regionale schaal, worden bij voorkeur integraal aangepakt. Het beleid is in hoofdzaak gericht op het vóórkomen en terugdringen van geluid- en geurhinder, van veiligheidsrisico's van industriële activiteiten en risico's van lucht- en bodemverontreiniging. De Inspectie ziet daarom toe op de naleving van de wetten en besluiten die gericht zijn op het verbeteren van de milieukwaliteit. Het gaat daarbij om de Wet milieubeheer (Wm) en daaruit voortvloeiende uitvoeringsbesluiten, de Wet verontreiniging oppervlaktewater (Wvo), de Wet bodembescherming, (Wbb), Post Seveso-richtlijnen, Waterleidingwet, Stad en Milieu.

Het doelbereik 2003

In het bijzonder is bij de naleving toegezien op de gezondheiden veiligheidsaspecten. Op basis van het nieuwe Waterleidingbesluit zijn drie categorieën doelgroepen te onderscheiden, te weten: eigen bronnen, collectieve installaties en waterleidingbedrijven. De uitvoering van de wettelijke eisen door de drie doelgroepen wordt gehandhaafd door de VROM-Inspectie. Door deze onderzoeken is bijgedragen aan het verbeteren van de milieukwaliteit op nationaal niveau.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Toetsing provinciale milieujaarverslagenNee
Follow-up onderzoek Wbb 2002 (sanering in eigen beheer) met als doel nagaan of de kwaliteit van het toezicht door provincies en gemeenten op de uitvoering van bodemsaneringen door particulieren en bedrijven is verbeterdJa
Handhaving Wbb: steekproefsgewijze bodemmonsters bij lopende en nieuwe saneringsprojectenJa
25 onderzoeken naar handhaving van milieubeleid en -regelgeving door gemeentenJa
Nazorg gemeentelijke milieuonderzoeken 2001 en 2002Deels
Rapportage gemeentelijke handhaving wet- en regelgeving en beleid milieu 2002Ja
Onderzoek taak vergunningverlening en Handhaving Wet milieubeheer door de provincies (met o.a. accent op uitvoering stortverbod afval)Deels
Internationale afstemming handhaving EU-milieuwetgeving in IMPEL-verbandJa
Organiseren handhavingconferentie MaastrichtJa
Toezicht uitvoering Vuurwerkbesluit 
Bijdrage VROM-Inspectie aan vliegende brigadeJa
Meld- en Informatiepunt VuurwerkJa
150 controles vuurwerkbedrijvenJa
50 controles classificatie professioneel vuurwerkJa
50 controles «bezigers» (bedrijven die – bijvoorbeeld bij grote evenementen – op professionele basis vuurwerk afstekenJa
Toezicht 125 milieuhygiënisch belangrijke bedrijven (Top X-bedrijven) VR-bedrijvenJa
Toezicht 125 milieuhygiënisch belangrijke bedrijven (Top X-bedrijven) PBZO-bedrijvenDeels
3 brancheonderzoeken (30 à 50 onderzoeken per branche, afhankelijk van branchegrootte)Ja
Legionella 
Waterleidingbesluit: handhaving naar aanleiding van ca. 3 000 preventieve legionellacontroles door drinkwaterbedrijvenJa
150 legionellaonderzoeken bij collectieve installaties (steekproef van 50 per kwetsbaarheidsklasse 5, 4 en 3)Ja
Drinkwater 
Controle 15 drinkwaterbedrijvenJa
Controle 25 eigen winningen en beoordeling meetprogramma's van alle eigen winningenJa
Controle 5 huishoudwatersystemenNee
200 controles registratieverplichtingen (Wet milieubeheer)Ja
Handhaving 30 inzamelvergunningen scheepsafval en KGA (Wet milieubeheer)Ja
EU-brede handhavingactie voor het stimuleren en uniformeren van EVOA-handhaving in de Europese zeehavensJa
30 milieucontroles defensie-inrichtingenJa
Implementatie (operationele) afspraken Handhavingarrangementen 2002Ja

Toelichting beleidsprestaties 2003

Toetsing provinciale milieujaarverslagen

De provinciale milieuverslagen zijn niet getoetst. De controle op de provinciale milieuverslagen wordt in 2004 betrokken in een integraal onderzoek bij de provincies naar uitvoering van de VROM-taken. Voor dit nieuwe type VROM-brede onderzoek wordt momenteel een methodiek ontwikkeld.

Handhaving Wbb: steekproefsgewijze bodemmonsters bij lopende en nieuwe saneringsprojecten Follow-up onderzoek Wbb 2002 (sanering in eigen beheer)

Uit onderzoek naar toezicht door bevoegde gezagen op de uitvoering van saneringen in eigen beheer blijkt dat het aantal gecontroleerde saneringen van 46% in 2000 is toegenomen tot 79% in 2002. Ook de kwaliteit van dit toezicht is verbeterd.

25 onderzoeken naar handhaving van milieubeleid en -regelgeving door gemeenten

Onderzoeken zijn uitgevoerd; zie paragraaf 13.2.5.

Nazorg gemeentelijke milieuonderzoeken 2001 en 2002

Nazorg is uitgevoerd; zie paragraaf 13.2.5.

Rapportage gemeentelijke handhaving wet- en regelgeving en beleid milieu 2002

Onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 13.2.5.

Onderzoek taak vergunningverlening en Handhaving Wet milieubeheer door de provincies (met o.a. accent op uitvoering stortverbod afval)

Onderzoek is later gestart vanwege intensive voorbereiding. De weerbarstige en ingewikkelde materie vroeg een gedegen en uitgebreide instructie waardoor de rapportage nu is verschoven van najaar 2003 naar voorjaar 2004. Alle provincies en alle operationele stortplaatsen worden bezocht. Op basis van de eerste ervaring in het onderzoek kan worden gesteld dat de provinciale betrokkenheid bij stortverboden zeer verschillend is.

Internationale afstemming handhaving EU-milieuwetgeving in IMPEL-verband

Organiseren handhavingconferentie Maastricht

Op een conferentie in Praag is door de EU-landen met de toetredende landen gesproken over de inzet bij handhavingprojecten op het gebied van het grensoverschrijdend transport van afvalstoffen. Het Europese milieuhandhavingsnetwerk IMPEL confereerde met succes in oktober in Maastricht en trok ruim 200 deelnemers; verslag is uitgebracht.

Toezicht uitvoering Vuurwerkbesluit

Om de jaarlijkse import van ca. 8,5 miljoen kilogram vuurwerk in veilige banen te leiden doet de Vliegende Brigade in samenwerking met douane en politie onderzoek naar productveiligheid en classificatie. Op basis van risicoanalyse worden partijen bemonsterd. In 2003 zijn 223 partijen vuurwerk bij invoer gecontroleerd en 274 monsters genomen.

In een steekproef tussen december 2002 en februari 2003 is in 44 gemeenten nagegaan in hoeverre de vergunningverlening voor de opslag van vuurwerk tussen de 5 en 10 ton voldoet aan de Wet milieubeheer en of al wordt ingespeeld op de eisen van het nieuwe Vuurwerkbesluit dat per 1 april 2004 geheel van kracht is. Het onderzoek in 46 opslagplaatsen laat zien dat in de helft van de gevallen vergunningvoorschriften worden overtreden.

Bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt Vuurwerk (LMIP) van de VROM-Inspectie zijn 1500 evenementen met vuurwerk aangemeld, waarvan er 60 door de VROM-Inspectie zijn gecontroleerd. Uit de controles is gebleken dat er zich in 2003 veel minder gevaarlijke situaties hebben voorgedaan dan in 2002. Dit is een gevolg van betere vergunningen en betere handhaving.

Toezicht 125 milieuhygiënisch belangrijke bedrijven (Top X-bedrijven) VR-bedrijven

Toezicht 125 milieuhygiënisch belangrijke bedrijven (Top X-bedrijven) PBZO-bedrijven

3 brancheonderzoeken (30 à 50 onderzoeken per branche, afhankelijk van branchegrootte)

Een tweedelijnsonderzoek onder Top X-bedrijven is uitgevoerd bij 8 provincies en 7 gemeenten naar de uitvoering van het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo). Hierbij zijn 25 bedrijven gecontroleerd. Tevens is nagegaan hoe deze provincies en gemeenten (bevoegde gezagen) inhoud hebben gegeven aan hun coördinerende taak en de samenwerking met andere betrokken partijen, zoals Brandweer en Arbeidsinspectie. De rapportage wordt begin 2004 voltooid.

Het onderzoek Controle PBZO is een vervolg op controles onder Brzo-bedrijven die verplicht zijn een veiligheidsrapport op te stellen (VR-bedrijven). Deze controle kent een lange uitloop. De rapportage is nu voorzien in oktober 2004.

Legionella/Drinkwater

De Inspectie heeft drie toezichtprojecten legionella uitgevoerd: zwembaden, jachthavens, zorginstellingen. De controles door drinkwaterbedrijven verlopen naar behoren Er zijn ruim 5000 installaties gecontroleerd. Controle op huishoudwatersystemen is niet uitgevoerd omdat het drinkwaterbedrijven in 2003 is verboden huishoudwater te leveren. Verslag Tweede Kamer VROM 030430/22-7-2003 en VROM 030589/18-9-2003.

EU-brede handhavingactie voor het stimuleren en uniformeren van EVOA-handhaving in de Europese zeehavens

Dit project heeft een uniforme en gezamenlijke handhaving van zeehavens in Europa tot doel. Voor de uitvoering van de controles is een gebruiksaanwijzing opgesteld. Het zeehavenproject kreeg een gezamenlijke start met een conferentie in Rotterdam. Deelnemers zijn België (Antwerpen), Engeland (Felixstowe), Duitsland (Hamburg), Polen (Gdansk), Letland (Riga) en Nederland (Rotterdam). Rapport in begin 2004.

30 milieucontroles defensie-inrichtingen.

Er zijn 41 controles op defensie-inrichtingen uitgevoerd. Iedere controle van de VROM-Inspectie resulteert nog steeds in een bestuurlijke aanschrijving omdat niet alle voorschriften worden nageleefd.

13.2.9 Operationele doelstelling «Naleving wet- en regelgeving en beleid tegengaan klimaatverandering en emissies» (artikel 11)

VROM richt zich op het tegengaan van klimaatverandering en milieuschadelijke emissies naar de lucht door de bevordering van milieuverantwoorde productie en consumptie. De VROM-Inspectie levert een bijdrage aan de reductie van emissies die de ozonlaag en het klimaat nadelig beïnvloeden, door het houden van toezicht op de naleving van beleid en regelgeving (CFK-besluit op basis van de Wet milieugevaarlijke stoffen) en het verrichten van ex-ante beleidsevaluaties van nieuw beleid en nieuwe wet- en regelgeving.

Doelbereik in 2003

De naleving van deze regelgeving is aanzienlijk verbeterd; alleen koelinstallaties op schepen en transportmiddelen vragen nog steeds aandacht.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Koelinstallaties (CFK's): 
Controle 100 grote kantoorgebouwen met koelsystemenJa
Controle zeeschepen en maatregelen bij 2 reders met grote lekkagesJa
4 controles handel en productieJa
Halon: 
Controle 100 bedrijven met professionele halonbrandblusinstallatiesJa
Toezicht financiële regeling inzameling halon/cfk'sJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

Koelinstallaties/Halon

De scheepvaart lekt veel koelgassen; veel meer dan de 4,5% van koelinstallaties op land. Dat blijkt uit het onderzoek naar de uitstoot van koudemiddelen door koelinstallaties op schepen over de periode 1999–2001. Tegen 2 reders is proces-verbaal opgemaakt.

De naleving van de CFK-regelgeving rond mobiele koelinstallaties is de laatste twee jaar aanzienlijk verbeterd. De beleidsdoelstelling van tenminste 90 procent naleving is inmiddels gehaald. Verslag Tweede Kamer VW03000460/22-07-2003.

Tegelijkertijd kwamen bij gerichte (transport)controles in 2003 meer overtredingen aan het licht. Bij 117 bedrijven is de haloninstallatie gecontroleerd

13.2.10. Operationele doelstelling «Naleving wet- en regelgeving en beleid beheersing milieurisico's sraling, afval en stoffen» (artikel 12)

VROM streeft naar het beschermen van mens en milieu tegen risico's van het omgaan met stoffen, al dan niet radioactieve stoffen, straling en genetische gemodificeerde organismen. De VROM-Inspectie richt de controle en het toezicht op die afvalstromen, stralingsbronnen en stoffen die uit oogpunt van gezondheid, veiligheid, milieu, handhavingrendement en politiek/maatschappelijk belang, aandacht vragen. Het gaat dan om handhaving van de Europese verordening 259/93 (EVOA), het Besluit Stralenbescherming, Kernenergiewet, Bestrijdingsmiddelenwet, een dertigtal besluiten op grond van de Wet milieubeheer (Wm), de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) en de Wet inzake de luchtverontreiniging (Wlv).

Doelbereik 2003

Door de activiteiten is bijgedragen aan een vermindering van de gevaren en zijn de wettelijke voorschriften gehandhaafd. Enkele onderdelen verdienen verdere aandacht.

De beleidsprestaties 2003

 Realisatie
Wms/Wm/Wlv: 
EVOA: 
Herziening bestaande Europese verordening voor overbrenging van AfvalstoffenJa
70 gerichte handhavingacties internationale afvalhandelJa
Landelijke actie transportcontroles milieuregelgeving (afvaltransporten en CFK- koelinstallaties)Ja
Projectsecretariaat CLEEN IV (EU-handhaving)Ja
Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms): 
Genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) 
Verkrijgen inzicht naleefgedrag vergunninghouders (zowel ingeperkt gebruik als introductie in het milieu van GGO's). Controle bij 60 instellingen.Ja
Ex-post beleidsevaluatie Besluit GGOJa
Ontwikkelen en beproeven van detectiemethode (ex-ante beleidsevaluatie)Ja
Cadmium: 2 brancheonderzoeken (elektronica met hoge omloopsnelheid en speelgoed)Ja
Asbest: controle 20 asbestwegen (Besluit asbestwegen)Ja
PCB's: 25 controles bij o.a. energiebedrijvenJa
Bestrijdingsmiddelenwet/biociden: 
Koperhoutverduurzaming en antifoulingNee
15 controles houtverduurzamingsbedrijven en 10 tussenhandelarenJa
100 controles winkels en winterbergingen in verband met antifoulingNee
100 controles GassingenJa
Controles Biocidegebruik koel- en proceswaterJa
Bouwstoffenbesluit 
Handhaving/certificering incl. controle bij 5 grotere infrastructurele werkenJa
Straling 
Toezicht op 7 kernreactoren/kerninstallaties (samen met Arbeidsinspectie)Ja
7 controles nucleaire inrichtingen, beoordeling RIVM rapportages en rapportages nucleaire inrichtingenJa
Controle van alle kerntransportenJa
150 controles schrootbedrijvenJa
Afhandeling 300 incidentmeldingenJa
25 Controles overige bedrijven, ziekenhuizen en instellingenDeels
Overige activiteiten: 
Toezicht uitvoering SOMS (Strategienota Omgaan Met Stoffen)Ja
Controle op het gebruik van de 48 stoffen ingedeeld in categorie «zeer ernstige zorg»Ja
Toezicht op de uitvoeringsovereenkomsten SOMS van de chemische industrieNee
1 ketenonderzoek afvalDeels
Netwerkactiviteiten: 
Afgestemde en geïntensiveerde samenwerking met partners KLPD, regiopolitie, Inspectie Verkeer en Vervoer en DouaneJa

Toelichting beleidsprestaties 2003

EVOA

Bij de controle van afvalinrichtingen is in het najaar extra aandacht besteed aan afvaltransporten naar Duitsland. Verslag Tweede Kamer 29 304, nr. 1, 21–11–2003.

Wet milieugevaarlijke stoffen

Er is veel aandacht besteed aan gebruik van Genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) op universiteiten, academische ziekenhuizen en hogescholen. In totaal zijn ca. 60 bedrijven en instellingen gecontroleerd. Het naleefgedrag blijkt niet te zijn verbeterd ten opzichte van 2001 en 2002. Alle proefveldhouders ggo's zijn bezocht. Het naleefgedrag is daar redelijk tot goed te noemen.

De controle van asbestregelgeving naar aanleiding van meldingen betrof 49 wegen, 13 objecten en 10 bouwwerken. De meeste van de 49 gecontroleerde wegen zijn verkeersluwe wegen, zoals plattelandswegen, (puin)paden, ontsluitingswegen en erven.Van alle gecontroleerde wegen bleek na onderzoek dat 5 wegen niet als een asbestweg kunnen worden beschouwd. Daarnaast worden in 2 gevallen de asbestverdachte wegen meegenomen binnen een bodemsaneringsoperatie. Van 49 wegen zijn er 28 door bestuursrechtelijk interventie van de Inspectie, op kosten van de eigenaar gesaneerd. Voor de overige 14 verdachte wegen loopt momenteel een nader onderzoek. Bij asbest in bouwwerken is in 3 gevallen een strafrechtelijk onderzoek ingesteld en proces-verbaal opgemaakt.

De VROM-Inspectie heeft tevens een quick scan uitgevoerd naar asbest in de scheepsbouw. In totaal zijn 23 scheepswerven bezocht. 21 Bedrijven bleken geen asbestverwerkingsprocedure te hebben. Bij 9 werven is het asbest door een gecertificeerd bedrijf verwijderd.

Bestrijdingsmiddelenwet/biociden

De rechter vernietigde 6 maart 2003 het besluit van het College Toelating Bestrijdingsmiddelen om het gebruik van koperhoudende antifouling te beperken. Controle is daardoor overbodig.

De 15 controles naar biocidegebruik in koel- en proceswater zijn niet uitgevoerd. Een handhavingstrategie is nog niet gereed vanwege nader overleg met de betrokken branche.

De VROM-Inspectie heeft in Rotterdam bij de controle van gassingen in samenwerking met de Inspectie Verkeer en Waterstaat en het RIVM ook onderzoek uitgevoerd naar containers met lading zoals verf en parfum. Daarbij zijn eerdere resultaten bevestigd dat 20 tot 25% van de containers gassen bevatten in concentraties hoger dan de wettelijke toegestane waarden. Personen die werkzaamheden uitvoeren met of in de nabijheid verkeren van dergelijke containers lopen gevaar.

Straling

Bij de 8 nucleaire installaties die Nederland thans telt zijn 125 Inspecties uitgevoerd. Uitgezonderd de naleving van enkele regels uit de milieuvergunning is het naleefgedrag goed. De goede naleving geldt ook voor de regels bij kerntransporten.

Op uitnodiging van Nederland werd door het Internationaal Atoom Energie Agentschap in februari 2003 een Ageing Management Assessment Team-missie in Borssele uitgevoerd. De veiligheidsrelevante gebouwen, systemen en componenten zijn in goede conditie.

Vrijwel alle schrootbedrijven zijn in overtreding van het Besluit detectie radioactieve stoffen in schroot wijzen 160 controles uit. Controles bij 16 ziekenhuizen toonden aan dat de naleving van de Kernenergiewetvergunningen matig tot slecht is. De Inspectie heeft enkele malen proces-verbaal opgemaakt en bestuursrechtelijk opgetreden. Medio 2004 wordt een rapport uitgebracht over de controles bij ziekenhuizen en andere instellingen.

Overige activitieten

Met de chemische industrie is geen overeenstemming bereikt over een convenant of regelgeving voor wat betreft de Strategienota Omgaan Met Stoffen (SOMS). Daarom was controle door de Inspectie niet mogelijk.

Het geplande ketenonderzoek afval wit- en bruingoed is niet uitgevoerd omdat het weinig toevoegde aan de informatie die al beschikbaar was. Gekozen is voor een onderzoek naar communaal zuiveringslib. Door switchen van onderwerp zijn de verificatiebezoeken pas eind 2003 uitgevoerd; in februari 2004 volgt rapportage.

Vijf infrastructurele werken zijn gecontroleerd. Bij drie bestaande werken (aangelegd na 1999) zijn AVI-bodemassen toegepast. De controle richtte zich hierbij op de toepassingsvoorschriften van het Bouwstoffenbesluit). Bij twee werken in aanleg werd het menggranulaat gecontroleerd op de kwaliteitsvoorschriften. Daar is gekeken of de verontreinigingen in het granulaat beneden de grenswaarden van het Bouwstoffenbesluit liggen.

13.3 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-15.gif

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven op artikelniveau vallen enigszins hoger uit. Deze overuitputting is met name verklaarbaar uit de programma- en de apparaat-uitgaven.

Bij de programmauitgaven gaat het om de uitgaven die hoofdzakelijk vallen onder de operationele doelen strategische beleidsontwikkeling en monitoring en verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau van de Vrom-Inspectie.

Daarnaast vallen de gerealiseerde apparaatuitgaven hoger uit dan begroot.

Artikel 14. Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en ministerie van Algemene Zaken

14.1. Algemene Doelstelling

Het ministerie van VROM draagt zorg voor het adequaat huisvesten van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken (AZ).

Doelbereik 2003

De Rijksgebouwendienst heeft in 2003 huisvestingsprojecten in opdracht van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en AZ voorbereid en uitgevoerd. Deze projecten dienen de garantie van veiligheid en de continuïteit van hun bedrijfsprocessen of hebben een beheersmatige achtergrond, te weten een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit, de gebruikswaarde en het gebruikscomfort van de veelal monumentale gebouwen waarin zij gehuisvest zijn. In 2003 zijn veel projecten uitgevoerd en gestart in het kader van het vergroten van de veiligheid, onder meer op het Binnenhof (Eerste en Tweede Kamer en het ministerie van AZ) en bij het Catshuis.

14.2. Operationele doelstelling

In 2004 wordt een evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel uitgevoerd, waarin onder meer onderzocht zal worden of het huur-verhuurmodel ook van toepassing kan zijn op de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en AZ. Het passend moment voor een eventuele overgang zal nog moeten worden bepaald. Dat kan wellicht in samenhang met de wijzigingen in het huisvestingsstelsel die worden doorgevoerd voortvloeiend uit de evaluatie.

14.3. Groeiparagraaf

Voor de huisvesting die volgens het huur-verhuurmodel loopt is een aantal indicatoren reeds operationeel en zullen andere, na verdere uitwerking en bij gebleken toegevoegde waarde, dat ook worden. Voor zover van toepassing zullen zij ook gaan gelden voor de onderhavige categorie gebruikers. Bij overgang naar het stelsel zal dat in de agentschapsbegroting zijn, anders in dit artikel.

14.4 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-16.gif

Toelichting:

Op dit artikel zijn geen apparaatskosten.

Niet-beleidsartikelen

Artikel 15. Algemeen

Op dit artikel staan alle uitgaven die niet aan een beleidsartikel zijn toe te rekenen. Het betreft hier zowel programma-uitgaven als uitgaven voor het apparaat.

De apparaatsuitgaven omvatten de verplichtingen en uitgaven van het ambtelijk personeel, overige personele uitgaven, materieel, automatisering en postactieven. Het ambtelijk personeel betreft de algemene leiding van het departement en de beleids- en ondersteunende diensten. De overige personele uitgaven betreffen de inzet van externen en uitzendkrachten. De materiële en automatiseringsuitgaven hebben betrekking op de uitgaven voor beheer, exploitatie, huisvesting en investeringen om de voorzieningen van VROM op minimaal het huidige niveau te houden en daar waar mogelijk te verbeteren.

15.2 Apparaat

15.2.1 Wetgeving

Prioriteiten bij het wetgevingsprogramma hebben de implementatie van EG-richtlijnen, wetgevingsprojecten voortvloeiend uit het regeerakkoord, toezeggingen aan de Staten-Generaal en ondersteuning bij initiatiefwetsvoorstellen. De resterende centrale wetgevingscapaciteit is ingezet voor de overige VROM-prioriteiten.

De belangrijkste in voorbereiding zijnde wetsvoorstellen worden toegelicht bij de desbetreffende beleidsartikelen.

Tabel 15.1 Juridische kwaliteit wetgevingsproducten
 Realisatie 2002Norm 2003Realisatie 2003
Wetgeving met dictum 1, 2 en 3 van de Raad van State83%90%81%
Implementatietermijn EU-regelgeving niet overschreden37%100%0%

Bron: DJZ

Wetgeving met dictum 1, 2 en 3 van Raad van State

Een wetgevingsproduct wordt «goed» beoordeeld wanneer de Raad van State daaraan het dictum 1, 2 of 3 toekent. Het oordeel van de Raad van State omvat zowel de technisch-juridische als de beleidsmatige aspecten van de wetgevingsproducten. In bovenstaand overzicht wordt vooralsnog geen onderscheid gemaakt tussen de drie dicta. In 2003 zijn 26 adviezen ontvangen van de Raad van State. Van deze adviezen hadden 21 het dictum 1 of 2 of 3. Daarmee komt het gerealiseerde percentage op 81%.

Tijdige implementatie van EG-richtlijnen

Dit kengetal ziet toe op de tijdige implementatie van EG-richtlijnen. Voor de registratie van dit kengetal wordt uitgegaan van de datum waarop de richtlijn moet zijn geïmplementeerd.

In 2003 is 0% van de te implementeren richtlijnen op tijd geïmplementeerd. Het totale aantal te implementeren richtlijnen bedroeg 11.

Door de complexiteit en de hoeveelheid te implementeren regelgeving binnen VROM is het in 2003 niet mogelijk geweest tijdig te implementeren. Het omzetten naar wetgeving blijkt in de praktijk ingewikkelder en daardoor langer te duren dan algemeen wordt aangenomen.

Binnen VROM is de Taakgroep implementatie Europese richtlijnen ingesteld. Deze Taakgroep moet ervoor zorgen dat het percentage van richtlijnen dat op tijd is geïmplementeerd fors omhoog gaat.

Europese meldingenprocedures

Dit kengetal geeft het aantal positieve beschikkingen binnen 12 maanden van de Europese Commissie op een melding van Nederland weer. Er zijn vier soorten meldingen: technische notificatie, staatssteun, artikel 95 en artikel 33 Euratom. Het gemeten percentage voor 2003 bedraagt 53.

Vooral het percentage positieve beschikkingen staatssteun ligt laag, namelijk 33. Voor deze lage score zijn diverse redenen. Het aantal zeer complexe staatssteunzaken is toegenomen. Steunontvangende ondernemingen zenden de vereiste gegevens/data die noodzakelijk zijn om de door de Commissie gevraagde informatie binnen de normale termijn te kunnen verstrekken, zeer laat in. Ten slotte kan nog de onderbezetting op het gebied van staatssteun worden genoemd. Teneinde enige verlichting te bieden, is midden 2003 overgegaan tot het inhuren van een externe staatssteunexpert.

Tabel 15.2 Europese meldingenprocedures
 Norm 2002Norm 2003Realisatie 2003
Europese melding succesvol afgerond binnen twaalf maanden na notificatie75%75%53%

Bron: Directie Juridische Zaken

15.2.2 Communicatie en voorlichting

Het «VROM-beleid voor doelgroepen beter herkenbaar en meer toegankelijk maken» is het uitgangspunt op basis waarvan de afgelopen periode binnen VROM een communicatiestrategie is ontwikkeld. Dit is gebeurd langs een tweetal lijnen te weten: bundeling van communicatie in communicatiethema's en de uitwerking van een VROM-brede «corporate» communicatiebeleid. Een nadere toelichting treft u hieronder aan.

Corporate communicatie

De corporate communicatiestrategie en de daarmee samenhangende herpositionering van VROM is conceptueel afgerond. Er is een public branding benadering ontwikkeld, waarbij VROM als merk is gepositioneerd. Verder zijn alle campagnes in 2003 ontwikkeld vanuit het «buren-concept» en zijn nieuwe, integrale communicatieconcepten toepast voor digitale en traditionele communicatie. Ook de arbeidsmarktcommunicatie is vernieuwd waarbij het concept aansluit op de rijksbrede campagne «Werken bij het rijk». De inzet op interne communicatie is vergroot, wat sterk samenhangt met de bij VROM reeds gestarte efficiencyoperatie en de taakstellingen van de kabinetten Balkenende.

Overige ontwikkelingen

Voor 2003 waren verder de volgende communicatiedoelstellingen geformuleerd:

Versterking van interactieve communicatie (o.a. gebruik van Internet)

Specifieke doelgroepbenadering

Direct Marketing (optimaal bereik)

In 2003 is de ontwikkeling naar interactieve communicatie versterkt. In 2003 zijn ook alle uitingen van VROM digitaal beschikbaar gesteld op het internet. De site VROM online is uitgeroepen tot beste overheidssite van Nederland (toegankelijkheid, actualiteit, etc.).

15.2.3 Gemeenschappelijke voorzieningen

ICT

Belangrijke doelstellingen voor 2003 op het gebied van ICT waren de verbetering van de infrastructuur, sanering van de applicatieportfolio, verbetering van de organisatie en sturing en een verbeterde geïntegreerde dienstverlening aan de burger.

De verbetering van de infrastructuur wordt doorgevoerd door de overstap naar Server Based Computing. De voorbereiding daarvan is grotendeels in 2003 afgerond. De implementatie zal plaatsvinden gedurende het eerste halfjaar van 2004.

De verdere sanering van de applicatieportfolio is gedeeltelijk gerealiseerd. In de praktijk blijkt het substantieel terugdringen van het aantal applicaties een moeizaam proces. De komende jaren zal daarom de aandacht gericht blijven op sanering.

Op het gebied van verbetering van organisatie en sturing zijn in 2003 voorstellen uitgewerkt zoals centralisatie van het ICT-beheer. Ook is een start gemaakt met het op resultaatbasis uitbesteden van het ICT-beheer per medio 2004. Daarbij zal tevens de regiefunctie worden aangepast. In 2003 is een ICT-strategie 2004–2006 opgesteld op basis waarvan de sturing op de informatievoorziening kan worden versterkt.

In 2003 zijn met succes projecten uitgevoerd die de geïntegreerde dienstverlening aan de burgers moet verbeteren. Voorbeelden zijn het inrichten van klantcontactpunten waarbij burgers op een makkelijke manier toegang kunnen krijgen op informatiesystemen binnen VROM. Van het project Loket Bouwen en Wonen dat eind 2002 is afgerond zijn de ontwikkelde instrumenten in 2003 beschikbaar gesteld aan gemeenten en andere publieke dienstverleners.

Het project Digitale Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen ligt op schema en de elektronische milieuverslaglegging zal in 2004 gebruikt gaan worden.

Tabel 15.3 Automatiseringsuitgaven (ICT-dienst) per fte
 Realisatie 2001Realisatie 2002Ontwerpbegroting 2003Realisatie 2003
Raming in € 1mln31,734,932,235,2
Aantal fte3 8984 0734 2274 149
Uitgaven per fte in € 18 1328 5687 6188 484

Bron: SBB (€) en PeRCC (fte)

Het kengetal geeft weer welke uitgaven per fte voor VROM zijn gedaan ten behoeve van ICT via de gemeenschappelijk ICT-dienst. Het betreft het totaal beschikbare budget.

Facilitaire Dienst (Huisvestingsuitgaven)

Wat betreft de huisvestingsuitgaven in algemene zin kan het volgende worden opgemerkt:

De huisvestingsuitgaven zijn te verdelen in huren, technisch beheer van gebouwen en installaties, en overige huisvestingskosten. Onder overige huisvestingskosten wordt verstaan energiekosten, schoonmaak en klein onderhoud. Het prestatiegegeven geeft weer welke kosten voor het gehele ministerie per fte verbonden zijn aan huisvesting (tabel volgt).

Tabel 15.4 Huisvestingsuitgaven per fte
 Realisatie 2001Realisatie 2002Ontwerpbegroting 2003Realisatie 2003
Raming in € 1mln38,533,431,831,5
Aantal fte3 8984 0734 2274 149
Uitgaven per fte in € 19 8778 2007 5237 592

Bron: SBB (€) en PeRCC (fte)

Energiebesparing binnen VROM (Verbeterd Energie Prestatieprogramma)

VROM gaat uit van een totale besparing van 5% tot en met 2006 t.o.v. het verbruik over het jaar 2001. Jaarlijks wordt de doelstelling voor het desbetreffende jaar vastgesteld t.o.v. het referentiejaar 2001. Voor 2003 was de energiebesparingsdoelstelling 1%. Over 2003 is het geregistreerde energieverbruik circa 2% lager ten opzichte van het referentiejaar 2001.

Dienst Documentaire informatievoorziening (DDI)

Een belangrijke doelstelling voor 2003 was het zetten van stappen op weg naar het bereiken van een verantwoord beheer van digitale documentaire informatievoorziening. Door middel van het uitvoeren van de voorbereidingsfase van VIDI is een belangrijke basis gelegd voor het bereiken van het einddoel. Inmiddels zijn middelen toegezegd om het project verder uit te voeren. De verwachting is dat eind 2006/2007 de eindsituatie van verantwoord digitaal documentbeheer bereikt zal zijn.

Tabel 15.5 Kosten DDI per fte
 Realisatie 2001Realisatie 2002Ontwerpbegroting 2003Realisatie 2003
Raming in € 1mln4,84,54,95,0
Aantal fte3 8984 0734 2274 149
Uitgaven per fte in € 11 2311 1051 1591 212

Bron: SBB (€) en PeRCC (fte)

P-winkel (DPW)

Het doel van de P-winkel was het operationaliseren van het personeelsbeleid door het leveren van VROM-brede gestandaardiseerde en op maat gemaakte producten en diensten.

Daartoe zijn onderstaande taken en voorzieningen uitgevoerd.

Ontwikkelen van opleidings- en leerprogramma's en de advisering daarover

De Productengids is verder ontwikkeld en onder meer toegankelijk gemaakt. Extra ondersteuning voor het zoeken naar een geschikte cursus wordt ook geboden via VERA. Tevens is een opleidingstraject t.b.v. het EU-voorzitterschap in gebruik genomen. Dit opleidingstraject – dat loopt tot april 2004 – is afgestemd met het interdepartementale opleidingsprogramma via BZ.

Uitvoeren van formatie advieswerk

Wat de formatieadviseurs van DPW betreft stond 2003 volledig in het teken van ZEUS.

Ondersteunen van het VROM loopbaan-, aanname- en vacaturebeleid

De toename van (eenmalige) loopbaanoriëntatiegesprekken die in 2002 in gang is gezet, zette in 2003 door. Dit kwam voornamelijk door het in gang zetten van de reorganisatie in het kader van ZEUS. Dit veroorzaakte wel een daling van de langer durende loopbaantrajecten.

Tabel 15.6 Kosten P-winkel per fte
 Realisatie 2001Realisatie 2002Ontwerpbegroting 2003Realisatie 2003
Raming in € 1mln2,22,12,12,2
Aantal fte3 8984 0734 2274 149
Uitgaven per fte in € 1564516497530

Bron: SBB (€) en PeRCC (fte)

15.3 Programma

15.3.1 Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

In 2003 is de drie-maanden termijn voor het afhandelen van aanvragen behaald. Ook is er een bezoek gebracht aan alle rechtbanken om de diensten die de StAB kan leveren onder de aandacht te brengen. Per 2003 is de StAB overgegaan op het baten-lastenstelsel als basis voor subsidieverlening met voornaamste doel om bedrijfsmatig werken te stimuleren.

Tabel 15.5 Aantal adviesaanvragen StAB
 Realisatie 2001Realisatie 2002Ontwerpbegroting 2003Prognose 2003
Stand per 01-01174190190109
Instroom aanvragen588465500465
Aantal afgehandelde aanvragen/adviezen572546500485
Stand per 31–1219010919089

Bron: De gegevens m.b.t. de prognose 2003 zijn ontleend aan de begroting 2004 van de StAB.

15.3.2. Vastgoed- en planinformatie

15.3.2.1 Coördinatie Geo-informatie

De projecten rond de basisregistraties Gebouwen en Adressen zijn krachtig ter hand genomen en hebben inmiddels geleid tot de volgende tussenresultaten:

haalbaarheidsstudies en inhoudelijke grondslagen. In het programma Andere Overheid is aangekondigd dat nog deze kabinetsperiode wetsvoorstellen zullen worden gedaan.

Voor de basisregistraties voor percelen en het Kernbestand 1:10 000 zijn in 2003 en eerdere jaren verkennende onderzoeken uitgevoerd. Het overleg tussen VROM en het Kadaster is hierover gestart. In samenwerking met Ravi en het ministerie van BZK is een programma voor standaardisatie van Geo-informatie gestart.

15.3.2.2 Ravi

In 2003 heeft de Stichting Ravi overlegorgaan voor vastgoedinformatie het kennisprogramma Ruimte voor Geo-informatie ingediend in het kader van Bsik (ICES/KIS-3). Door het kabinet is daarop € 20 mln subsidie verstrekt voor de komende 6 jaar. De kennisontwikkeling krijgt hiermee een enorme stimulans en de huidige platformfunctie wordt versterkt. De bestaande jaarlijkse subsidie voor de platformfunctie is gehandhaafd.

De afspraken zijn gemaakt over de – vernieuwde – organisatie van Ravi en de taakverdeling tussen Ravi en VROM en zullen binnenkort worden bekrachtigd. Daarmee zijn de verantwoordelijkheden duidelijk vastgelegd: de coördinatiefunctie ligt bij VROM, Ravi is verantwoordelijk voor de platformfunctie en de kennisontwikkeling.

15.3.2.3 Wet Puberr

De wet Puberr heeft tot doel de toegankelijkheid van overheidsinformatie, de rechtszekerheid van de burger en een goede vervulling van publiekrechtelijke taken te bevorderen. Daartoe verplicht de wet de bestuursorganen binnen het openbaar bestuur om de beperkende besluiten die zij opleggen aan het gebruik van vastgoedobjecten, te registreren en op een toegankelijke wijze te ontsluiten.

De Wet is door de Tweede Kamer aanvaard, maar nog in behandeling bij de Eerste Kamer.

Het jaar 2003 heeft in het teken gestaan van de toetsing van de wet in het kader van de herijking VROM-wetgeving, de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamer, en de voorbereiding van de uitvoeringsmaatregelen. De uitvoeringsmaatregelen betreffen de opstelling van algemene maatregelen van bestuur voor de aanwijzing van beperkingenbesluiten, de administratieve organisatie van de beperkingenregistratie en een invoeringswet, waarin de inwerkingtreding van de wet, het overgangsrecht en de gevolgen voor andere wetgeving wordt geregeld. Deze werkzaamheden zullen in 2004 centraal staan.

In het kader van de herijking VROM-wetgeving is vastgesteld dat de wet de belangen van de burger dient en bijdraagt aan vermindering van de administratieve lasten. De wetgevingsprocedure is vervolgens doorgezet met de indiening door de minister van VROM bij de Eerste Kamer van de memorie van antwoord naar aanleiding van het voorlopig verslag (oktober). Verwacht mag worden dat de wet begin 2004 in het Staatsblad kan worden geplaatst.

15.3.2.4 Digitale Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen

In 2003 zijn diverse activiteiten ondernomen om gemeenten, provincies en rijksoverheden te overtuigen van de voordelen van het digitaal opstellen, het toegankelijk maken en het uitwisselen van digitale ruimtelijke plannen. Begin 2003 is onder meer, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, hard gewerkt aan een Handreiking Bestemmingsplannen. Deze handreiking is tijdens een congres dit jaar aan alle gemeenten uitgereikt.

Voor streekplannen en planologische kernbeslissingen is in 2003 verder gewerkt aan de criteria en randvoorwaarden. Deze hebben geleid tot concept gegevensmodellen en praktijkrichtlijnen. Op basis hiervan zijn diverse bijeenkomsten en workshops gehouden om draagvlak te krijgen bij beleidsmedewerkers van provincies en departementen.

Alle wijzigingsvoorstellen die in de loop der tijd zijn binnengekomen op het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO), de uitwisselingsstandaard voor ruimtelijke plannen, zijn verwerkt in het IMRO 2003. Het IMRO 2003 is vervolgens door de samenwerkende partners Ravi, BNSP, NIROV, VNG, provincies en VROM aangeboden aan het Nederlands Normalisatie Instituut en verwerkt tot een Nederlands Technische Afspraak (NTA). Op 13 november hebben de partners in DURP het IMRO-convenant ondertekend. Hierin geven zij aan het IMRO met kracht te stimuleren en het beheer en onderhoud de komende 2 jaar te willen regelen.

De voortgang in het kader van DURP is op 13 november zichtbaar gemaakt in de vorm van een werkconferentie. Deze door VROM samen met VNG, provincies, ONRI, NIROV, BNSP en Ravi georganiseerde conferentie, werd door ruim 600 mensen bezocht. Naast workshops en lezingen was er een beurs waar naast bedrijven ook provincies en gemeenten stonden om hun voortgang op het digitale pad te laten zien.

In 2003 heeft wederom een meting bij gemeenten plaatsgevonden omtrent de voortgang van digitaal uitwisselbare bestemmingsplannen. Hieruit blijkt dat bijna alle gemeenten denken in de toekomst digitale plannen te (laten) vervaardigen. 77% van de gemeenten heeft al initiatief genomen en 33% van de gemeenten heeft al digitaal uitwisselbare bestemmingsplannen.

In elf van de twaalf provincies zijn projecten gestart met betrekking tot of het vervaardigen van digitale streekplannen/omgevingsplannen of het ontvangen en verwerken van binnengekomen bestemmingsplannen.

Momenteel worden de ervaringen uit onderzoeken m.b.t. digitaal uitwisselbare PKB's toegepast bij de Nota Ruimte.

Algemeen kan worden geconstateerd dat stimulering vanuit het DURP-programma voor een groot deel het beoogde effect heeft gehad op de geformuleerde doelstelling.

In 2003 is een onderzoek gestart naar de kansen en belemmeringen van een wettelijke verankering. Besluitvorming over de resultaten hiervan zullen in de eerste helft van 2004 plaatsvinden. Bij wettelijke verankering wordt in eerste instantie gedacht aan de Wro/Bro.

15.2 Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-17.gif

Artikel 16. Nominaal en onvoorzien

Budgettaire gevolgen van beleid

kst-29540-24-18.gif

Bedrijfsvoeringsparagraaf

Mededeling over de Bedrijfsvoering

Ministerie van VROM,

Jaar 2003

De minister van VROM verklaart hierbij als volgt.

In het begrotingsjaar 2003 is op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan de hieronder nader benoemde bedrijfsprocessen van het ministerie van VROM. Op basis van een risicoanalyse is een systematische afweging gemaakt inzake de in te zetten instrumenten van sturing en beheersing. Dit omvat mede het vaststellen van het van toepassing zijnde normenkader en de uitgangspunten voor opname van aandachtspunten in deze mededeling.

Deze mededeling heeft de volgende bedrijfsprocessen als reikwijdte: Financieel en materieel beheer, Informatiebeveiliging, Wet bescherming Persoonsgegevens, Personeelsbeleid (betreft normen t.a.v. management ontwikkeling, arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, personeelsontwikkeling), enkele organisatieaspecten (zoals normen gesteld aan formele reorganisaties en oriënterende onderzoeken), interne milieuzorg en het interne huisvestingsbeleid.

Een en ander heeft in het begrotingsjaar 2003 geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen binnen het ministerie van VROM. Daarbij is een aantal punten van aandacht naar voren gekomen ten aanzien waarvan de volgende verbeteracties zijn (worden) gestart:

Het financieel beheer bij DG Wonen

Er is veel werk verzet om de rechtmatigheid van de huursubsidieverstrekkingen te verbeteren. De structurele inbedding in de (administratieve) organisatie van de in het behandelproces ingebouwde controles was echter eind 2003 nog niet volledig gerealiseerd. Dit geldt vooral voor de controle van de subsidiebepalende gegevens van subsidieaanvragers en overige derden (d.m.v gegevensuitwisseling met belastingdienst en GBA en controle van verhuurders- en bewoningsgegevens). In 2004 zal verder invulling worden gegeven aan structurele inbedding van deze controlemaatregelen.

In de EPR regeling is sprake van geconstateerde tekortkomingen in de prestatiecontrole. De Staatssecretaris van Milieubeheer heeft aan de VROM-Inspectie opdracht gegeven tot een steekproefonderzoek.

In de IPSV regeling is sprake van geconstateerde tekortkomingen in de verstrekking van voorschotten. In 2004 wordt de regelgeving op dit punt aangepast.

Het financieel beheer bij DG Milieu

Verbeteringen in het financieel beheer van DGM worden aangepakt in het kader van het lopende onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de kwaliteit van het financieel beheer. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft DGM een verbeterplan voor het financieel beheer opgesteld. In 2004 zal dit plan uitgevoerd worden, en zal over de uitvoering ervan door DGM gerapporteerd worden.

Een punt van aandacht in 2004 is ook de uitvoering en het monitoren van het plan van aanpak bodemsanering.

Bedrijfsvoeringsprioriteiten

Groeipad mededeling

De implementatie van het referentiekader mededeling over de bedrijfsvoering loopt op schema. De verschillende acties zoals geformuleerd – de verbreding reikwijdte, visie op bedrijfsvoering, verbeteren risicoanalyse en onderzoeken naar bedrijfsvoering – in de Begroting 2003 verlopen volgens plan. Over 2004 zal een bedrijfsvoeringsverslag (mededeling over de bedrijfsvoering) worden afgegeven dat aan alle eisen uit het referentiekader voldoet.

Ook in het Jaarverslag 2004 en verder zal VROM een mededeling afgeven ondanks dat dit facultatief is geworden.

Vernieuwde planning en controlcyclus

In 2003 is verder gegaan met het implementeren van de vernieuwde planning & controlcyclus. Daarnaast is in 2003 onderzoek gedaan naar de noodzakelijk wijzigingen in de planning & controlcyclus naar aanleiding van Zeus. Hierbij is gekeken naar mogelijke efficiency verbeteringen in de cyclus alsook naar de gevolgen van de organisatiewijzigingen in het kader van Zeus. Dit heeft geleid tot een voorstel waarbij de begrotingscyclus en de interne cyclus verder zijn geïntegreerd en waarbij de op te stellen interne documenten beter aansluiten bij de verschillende managementniveaus. Deze wijzigingen in de cyclus worden doorgevoerd vanaf de cyclus voor het begrotingsjaar 2005.

Met betrekking tot de in de Begroting 2003 opgenomen prestaties verbeteren sturing op prestaties, intern jaarverslag en betere onderbouwing per artikel – geldt dat deze zijn gerealiseerd. Met betrekking tot het inventariseren knelpunten in ondersteunende systemen geldt dat deze niet is opgepakt. Dit als gevolg van de inspanning om te komen tot uniformering van de administratieve processen en systemen. De ontwikkeling van aanvullende systeem functionaliteiten is tot het najaar 2004 uitgesteld.

Organisatieontwikkelingen

De VROM-organisatie ontwikkelt zich voortdurend onder invloed van de eisen die de politieke agenda daaraan stelt. In 2003 zijn de organisatieontwikkelingen voor een groot deel bepaald door het Strategisch Akkoord van Balkenende I en het hoofdlijnenakkoord van Balkenende II. Dit betekende o.a. veranderingen in de beleidsmatige uitgangspunten, bezuinigingstaakstellingen en een mogelijke herschikking van bepaalde uitvoeringstaken bij VROM.

De invulling van de bezuinigingstaakstelling heeft plaatsgevonden in zowel het primaire proces van VROM als de bedrijfsvoeringonderdelen. Bij de invulling van de taakstelling in het primaire proces is gebruik gemaakt van een inhoudelijke takendiscussie op basis van de uitgangspunten uit het regeerakkoord. Bij de invulling van de taakstelling in de bedrijfsvoering is aangesloten op een al lopende fundamentele herinrichting van de bedrijfsvoering van VROM. Bij deze reorganisatie zullen de bedrijfsvoeringfuncties zoveel mogelijk worden gebundeld in enerzijds concernstafdirecties en anderzijds een gemeenschappelijke dienst. Hoewel de formele reorganisaties nog niet zijn afgerond heeft VROM door een zeer selectief vacaturebeleid de personele taakstelling voor 2003 wel gerealiseerd.

In het hoofdlijnenakkoord wordt tevens gesproken over een aan de belastingdienst gelieerde uitvoeringsinstantie die inkomensafhankelijke regelingen zal gaan uitvoeren. Voor VROM betekent dit de overdracht van de uitvoering van de huursubsidie. In 2003 zijn hiervoor de werkzaamheden in gang gezet.

Auditdienst i.o.

In 2003 is besloten de reorganisatie van de Accountantsdienst deel uit te laten maken van de VROM-brede reorganisatie. In de Nota Topstructuur VROM en in het organisatierapport Auditdienst zijn de positie en de rol van de Auditdienst binnen VROM verwoord. Het formatierapport is eind 2003 vastgesteld. De formele instellingsdatum van de Auditdienst zal naar verwachting 1 juli 2004 zijn. Hiermede wordt voldaan aan de in het Kwaliteitsplan Auditfunctie Rijksoverheid voorziene datum van eind 2004.

In januari 2003 is het transitiedocument vastgesteld en de formatie van de Auditdienst bepaald op 48 fte (was 54 fte). Voorts werden de volgende drie disciplines onderkend: Financial Audit, IT Audit en Operational Audit. In de loop van 2003 is besloten dat de formatie kan worden teruggebracht naar 41 fte na uitplaatsing van de Huursubsidie (Belastingdienst) en de uitvoering van de overige subsidieregelingen naar uitvoeringsorganisaties (Senter/Novem).

Verder is in 2003 veel energie gestoken in scholingsactiviteiten. Ondermeer zijn drie operational audits als pilot uitgevoerd binnen het Project Kwaliteit Auditfunctie Rijksoverheid. Voorts volgen meerdere medewerkers opleidingen die gericht zijn op verbreding van de professionele kennis.

Interdepartementale project Eigentijds Begrotingsstelsel

Het interdepartementale project Eigentijds Begrotingsstelsel (EBS) is in mei 2003 na een Ministerraadsbesluit afgeblazen. Bij de evaluatie agentschappen is evenwel geconcludeerd dat stimuleren van (gerichte) invoering van het baten-lastenstelsel bij de Rijksoverheid dient te worden gecontinueerd. Voor VROM zijn voor 2004 geen initiatieven dienaangaande voorzien.

C. JAARREKENING

Verantwoordingsstaten

Departementale verantwoordingsstaat 2003 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)

(Bedragen in € 1000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting*RealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  verplichtingenuitgavenontvangstenverplichtingenuitgavenontvangstenverplichtingenuitgavenontvangsten
 Totaal 3 430 68754 948 3 504 000210 179 +73 313+ 155 231
           
 Beleidsartikelen 3 260 42234 735 3 294 766162 254 +34 344+ 127 519
01Strategische beleidsontwikkeling en monitoring59 60866 550079 36476 7821 803+ 19 756+ 10 232+ 1 803
02Betaalbaarheid van het wonen1 740 1151 655 87332 1571 880 2801 860 35885 761+ 140 165+ 204 485+ 53 604
03Duurzame woningen en gebouwen97 983261 7230111 005280 6861 782+ 13 022+ 18 963+ 1 782
04Fysieke Stedelijke Vernieuwing132 749552 1481 33956 843455 1492 068– 75 906– 96 999+ 729
05Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving57 42956 646029 31445 5212 887– 28 115– 11 125+ 2 887
06Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden27 71929 34135796 68935 37210 789+ 68 970+ 6 031+ 10 432
07Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau227 526251 959096 949237 31748 310– 130 577– 14 642+ 48 310
08Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden13 33015 187014 60615 7843 062+ 1 276+ 597+ 3 062
09Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband12 9298 42904 7263 6070– 8 203– 4 8220
10Verbeteren nationale milieukwaliteit22 12721 975011 94413 5541 673– 10 183– 8 421+ 1 673
11Tegengaan klimaatverandering en emissies120 040167 6920199 63592 5872 146+ 79 595– 75 105+ 2 146
12Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling30 61432 328049 64637 2022+ 19 032+ 4 874+ 2
13Handhaving75 55578 45788279 47478 7611 025+ 3 919+ 304+ 143
14Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken62 11462 114062 08662 086946– 28– 28+ 946
           
 Niet-beleidsartikelen 170 26520 213 209 23447 925 +38 969+ 27 712
15Algemeen165 863168 82120 213205 688209 23447 925+ 39 825+ 40 413+ 27 712
16Nominaal en onvoorzien1 4441 444 00 – 1 444– 1 4440

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

De gerealiseerde bedragen van de uitgaven en de verplichtingen zijn steeds naar boven afgerond (€ 1000)

De gerealiseerde bedragen van de ontvangsten zijn naar beneden of naar boven afgerond (€ 500)

De samenvattende verantwoordingsstaat 2003 inzake het agentschap «Rijksgebouwendienst» van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI).

(Bedragen in € 1000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgesteld begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
01Rijksgebouwendienst   
     
 Totale baten1 013 2371 426 746413 509
 Totale lasten1 038 0711 363 956325 885
 Saldo van baten en lasten-/- 24 83462 79087 624
     
 Totale kapitaalontvangsten488 796486 960-/- 1 836
 Totale kapitaaluitgaven629 124677 01947 895

Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten

Toelichting bij de beleidsartikelen

Artikel 01. Strategische beleidsontwikkeling en monitoring

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:74 88879 65359 60820 045
Uitgaven:78 64576 78266 55010 232
Programma65 89159 15151 4797 672
Strategische beleidsontwikkeling6 8205 5311365 395
Beleidsnota's en wetten ruimte2 330888136752
Nationaal initiatief voor duurzame ontwikkeling4 4904 643 4 643
     
Monitoring en kennisontwikkeling57 93052 40350 1942 209
Kennisontwikkeling en onderzoek wonen12 2167 52011 949– 4 429
Kennisontwikkeling en onderzoek ruimte1 398940655285
Bijdrage Planburo RO5 1571 8162 883– 1 067
Bijdrage RIVM39 15942 12734 7077 420
     
Overig programma1 1411 2171 14968
Subsidies vakorganisaties1 0311 001559442
Communicatie-instrumenten110216590– 374
Apparaat12 75417 63115 0712 560
Apparaat:    
VROM-Raad1 8112 2102 15951
Forum/RMNO/WAR2 0322 1969321 264
Ruimtelijk Planbureau 4 6053 3661 239
Apparaat DGW4 7004 2664 112154
Apparaat DGR3 1103 1172 920197
Apparaat DGM1 1011 2371 582– 345
Ontvangsten:4 4891 80301 803

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Artikel 02. Betaalbaarheid van het wonen

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:2 467 3841 880 2801 740 115140 165
waarvan garantieverplichtingen    
Uitgaven:1 935 5871 860 3581 655 873204 485
Programma:1 876 9171 794 6471 602 640192007
Betaalbare woonkeuze huren:1 821 8401 748 4971 538 629209 868
Huursubsidie1 708 3421 628 7971 493 119135 678
Bijdrage huurlasten39 37240 56437 7792 785
Kostenvergoeding verhuurders5 548415 415
Bijdragen nieuwbouw huurwoningen7 8296 4637 332– 869
Afkoop subsidies NWI's60 29572 03117271 859
Compensatie huurders Enschede4542272270
     
Betaalbare woonkeuze kopen:51 94841 38959 692– 18 303
Bevordering eigen woningbezit47171216 942– 16 230
Bijdragen woningen marktsector en premiekoop51 24740 57842 500– 1 922
Gewenningssubsidieregeling eigen woningbezit23099250– 151
     
Versterking positie burger bij huur en koop:1 4441 3711 480– 109
Subsidie woonconsumentenorganisaties1 4441 3711 480– 109
     
Overig programma:1 6853 3902 839551
Afkoop subsidies woonwagens 1 967 1 967
Woonwagens3164299– 295
Kennisoverdracht, experimenten e.a. 752645– 19 
Onderzoek DGW459401737– 336
Communicatie-instrumenten8359921 134– 142
Nader aan te wijzen  624– 624
Apparaat:58 67065 71153 23312 478
Apparaat:    
Juridische instrumenten 310316– 6
Uitvoering huursubsidie 48 50031 80316 697
Uitvoering eigen woning-regelingen 1 7732 854– 1 081
Apparaat DGW58 67015 12818 260– 3 132
Ontvangsten:42 34285 76132 15753 604

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Operationeel doel «Betaalbare woonkeuze huren»:

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name de instrumenten: «Huursubsidie» en de «Afkoop NWI's».

Huursubsidie

De toename van het huursubsidiebudget betreft met name het saldo van een verwachte toename van eerste aanvragers als gevolg van de tegenvallende economische ontwikkelingen, de huurstijging als gevolg van de hogere gemiddelde inflatie en het uitstellen van het project T-biljetten (ad. € 40 mln.) naar 2004. Met de suppletore begrotingen zijn de aanvullingen op de budgetten geregeld.

Afkoop NWI's

Ten aanzien van het instrument Afkoop NWI's zijn met 1e suppletore begroting de budgetten aangepast conform de realisaties 1e kwartaal 2003.

Operationeel doel «Betaalbare woonkeuze kopen»:

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name het instrument: «BEW».

BEW

De budgetten zijn opnieuw fors verlaagd omdat het aantal binnengekomen en afgehandelde aanvragen minder is dan geraamd.

Ontvangsten:

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name: de «Ontvangsten huursubsidie».

Ontvangsten huursubsidie

De ontvangsten huursubsidie zijn met suppletore begroting aangepast als gevolg de nieuwe toekenningssystematiek waarbij bij initiële beschikkingen teveel subsidie werd toegekend. Tevens worden door (intensievere) nacontroles meer vorderingen ingesteld. De terugvordering van de onterecht verstrekte voorschotten verloopt voorspoediger dan verwacht, wat heeft geleid tot een toename van de ontvangsten.

M&O-beleid huursubsidie, Vangnet- en Eigen Woningenregelingen

Bij de uitvoering van de Huursubsidiewet, maar ook bij de Vangnet- en Eigen Woningenregelingen is er sprake van M&O-problematiek ten aanzien van derdengegevens.

Gezien het grote financiële belang manifesteert de problematiek zich vooral bij de uitvoering van de Huursubsidiewet.

Sinds de invoering van de gemoderniseerde uitvoeringsorganisatie (Eos) in 2002 worden voor alle huursubsidietoekenningen de gegevens omtrent inkomen, vermogen, huurprijs en bewoningssituatie voor zover mogelijk betrokken van de primaire bronnen. Bij goed functioneren van de gegevensuitwisseling levert deze werkwijze een positieve bijdrage aan het terugdringen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Immers de gegevens worden nu rechtstreeks betrokken van de bronleveranciers (Belastingdienst, GBA en verhuurders) Voor zover de gegevens afkomstig zijn uit officiële overheidsregistraties (Belastingdienst, GBA) is de inhoudelijke juistheid voor VROM een gegeven en beperkt de verantwoordelijkheid van VROM zich tot een verstandig gebruik van deze gegevens, waarbij gelet moet worden op een betrouwbare gegevensuitwisseling en volledigheid van de gegevens op het moment van opvragen.

Ten opzichte van 2002 zijn in 2003 op het gebied van de kwaliteit (rechtmatigheid) van de toegekende subsidies reeds belangrijke verbeteringen gerealiseerd, maar hier dienen nog verdere verbeteringen in de beheersmaatregelen te worden aangebracht. De structurele inbedding in de (administratieve) organisatie van beheersmaatregelen is nog niet volledig gerealiseerd. Dit geldt met name voor het proces van gegevensuitwisseling (met belastingdienst, GBA en verhuurders) en de controle op de kwaliteit van de brongegevens , maar ook voor de handmatige en geautomatiseerde controles in het behandelingsproces.

Artikel 03. Duurzame woningen en gebouwen

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:42 349111 00597 98313 022
Uitgaven:209 562280 686261 72318 963
Programma:206 116276 910248 36428 546
Garanderen minimale kwaliteit van woningen en gebouwen:20848048
Toegankelijkheid Rijkshuisvesting20848 48
     
Verbeteren kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren innovatie:23 035117 93487 87030 064
Duurzaam bouwen4060 0
Regeling sanering loden leidingen9798481 662– 814
Energiebesparing Rijkshuisvesting2 0472 5994 033– 1 434
Duurzaam bouwen Rijkshuisvesting350515386129
Regeling Energiebesparing huishoudens met lagere inkomens1 3221 7661 815– 49
Programma energiebudgetten16 95325 32324 2141 109
Energiepremieregeling (EPR) 84 74454 00030 744
Innovatief bouwen9782 1391 760379
     
Coördinatie bouwbeleid:2 3661 8771 905– 28
Coördinatie bouwbeleid2 3661 8771 905– 28
     
Overig programma:180 507157 051158 589– 1 538
Budget BWS 199521 2330 0
Budget BWS 1992–1994154 582152 247152 919– 672
Volkshuisvestingsinstellingen, experimenten en kennisoverdracht2 5532 6391 3631 276
Onderzoek RGD19025522728
Onderzoek DGW1 7201 6713 604– 1 933
Communicatie-instrumenten229239476– 237
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:3 4463 77613 359– 9 583
Apparaat:    
Juridische instrumenten 310314– 4
Apparaat DGW3 4463 46613 045– 9 579
Ontvangsten:4731 78201 782

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Operationeel doel «Verbeteren kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren innovatie»:

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name de instrumenten: «Programma Energiebudgetten» en «Energiepremieregeling».

Programma Energiebudgetten

Het verschil bij de verplichtingen en uitgaven is door middel van mutaties bij de 1e en 2e suppletore begroting 2003 aangepast. Er zijn met name mutaties als gevolg van doorwerking realisatie 2002, overboekingen naar Onderzoek en VEK en een nadere afstemming van fasering van de verplichtingen- en uitgavenraming aangebracht. Een en ander heeft geresulteerd in een uiteindelijk zeer beperkte overuitputting van het uiteindelijke beschikbare budget 2003 bij zowel verplichtingen als uitgaven.

Energiepremieregeling

Het verschil in de beschikbare verplichtingen en uitgaven ten opzichte van werkelijke realisatie is door middel van een 2e suppletore begrotingsmutatie 2003 deels aangepast en vervolgens bij Slotwet 2003. De belangstelling voor de regeling EPR2003 was van dien aard dat het beschikbare budget niet toereikend bleek en een vroegtijdige en tussentijdse ophoging en uitkering van benodigd budget onontkoombaar was en dat een geplande bevoorschottingstranche 2004 ook nog eens moest worden versneld naar 2003. De Tweede Kamer is ter zake reeds geïnformeerd eind 2003 bij brief kenmerk DBO 2003130814.

Artikel 04. Fysieke Stedelijke Vernieuwing

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:151 04456 843132 749– 75 906
Uitgaven:187 616455 149552 148– 96 999
Programma:184 574450 575544 470– 93 895
Herstructurering en nieuwbouw:182 104448 556542 962– 94 406
Planologische en woningbouwknelpunten VINEX3 63002 028– 2 028
Stimulering herstructurering woningvoorraad16 4310 0
Stedelijke vernieuwing Lelystad3 1763 1763 1760
Grondzakeninstrumentarium4 8830 0
Investeringen stedelijke vernieuwing123 507383 819498 174114 355
Innovatiebudget stedelijke vernieuwing30 47761 56139 58421 977
     
Overig programma:2 4702 0191 508511
Volkshuisvestingsinstellingen, experimenten en kennisoverdracht1 9601 251612639
Onderzoek DGW4696736694
Communicatie-instrumenten4195227– 132
Apparaat:3 0424 5747 678– 3 104
Apparaat:    
Juridische instrumenten 205210– 5
Apparaat DGW3 0424 3697 468– 3 099
Ontvangsten:2 4702 0681 339729

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Operationeel doel «Herstructurering»:

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name het instrument: «ISV».

Investeringen stedelijke vernieuwing (ISV)

Uitgavenverlagingen:

Bij eerste suppletore begrotingswet is een aanpassing aangebracht in het kasritme voor de investeringsbijdragen stedelijke vernieuwing. Circa € 126 miljoen aan voorziene betalingen 2003 is doorgeschoven naar 2004 en 2005. Deze kasverschuiving komt bovenop de bij de Nota van Wijziging 2003 aangebrachte kasverschuiving van € 55 miljoen. Deze laatste kasverschuiving is in de beginstand «vastgestelde begroting 2003» van bovenstaande tabel verwerkt. Het aanbrengen van de kasverschuivingen was noodzakelijk in verband met de rijksbrede financiële problematiek in 2003. Voorts is binnen artikel 4 een (per saldo) budgettair neutrale herschikking van middelen aangebracht. Hierdoor zijn de middelen voor de investeringsbijdragen stedelijke vernieuwing met circa € 14 miljoen verlaagd. Het uitgavenbudget voor «planologische en woningbouwknelpunten VINEX» is met circa € 2 miljoen verlaagd. Achtergrond hiervan is dat het hierop geraamde budget voor de uitvoering van de aanbevelingen van de task force woningbouwproductie via de reguliere begrotingsonderdelen (Onderzoek, kennisoverdracht en dergelijke) is uitgegeven. Er is een lichte onderuitputting bij de uitgavenbudgetten «investeringen stedelijke vernieuwing» en «innovatiebudget stedelijke vernieuwing» opgetreden. Het gaat hierbij om een bedrag van circa € 2 miljoen. Voor een beperkt deel zal dit tot extra uitgaven in 2004 leiden.

Uitgavenverhogingen:

Voor bodemsaneringsgelden die via het investeringsbudget stedelijke vernieuwing worden verplicht, is € 23 miljoen uitgegeven. Voor uitgaven die oorspronkelijk in 2002 waren voorzien maar die zijn doorgeschoven naar 2003 is circa € 5 miljoen uitgegeven. De uitgaven voor het innovatieprogramma stedelijke vernieuwing zijn verhoogd met het uitgavenbudget dat op beleidsartikel 5 voor dit doel was geraamd. Dit heeft tot een verhoging van de uitgaven geleid met circa € 8 miljoen. Daarnaast heeft er een interne herschikking van middelen plaatsgevonden binnen beleidsartikel 4. Voor het onderdeel innovatieprogramma zijn de beschikbare middelen hierdoor toegenomen met circa € 14 miljoen. De hiervoor genoemde wijzigingen hebben geen invloed gehad op het realiseren van de beleidsdoelstellingen. Achtergrond van de mutaties is financieel technisch van aard geweest; bij voorbeeld aanpassen van uitfinancieringsritme.

Artikel 05. Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:18 03429 31457 429– 28 115
Uitgaven:43 29345 52156 646– 11 125
Programma:41 59444 43355 066– 10 633
Bevorderen vernieuwing beleid voor wonen en zorg:41 26044 08946 775– 2 686
Huisvesting gehandicapten24 83722 14522 09253
Woonzorgstimuleringsregeling16 42321 94424 683– 2 739
     
Bevorderen sociale kwaliteit in de woonomgeving:007 770– 7 770
Sociale vernieuwing 07 770– 7 770
     
Overig programma:334344521– 177
Kennisoverdracht, experimenten e.a. 851456 
Onderzoek DGW326271340– 69
Communicatie-instrumenten 22136– 114
Apparaat:1 6991 0881 580– 492
Apparaat:    
Juridische instrumenten 205210– 5
Apparaat DGW1 6998831 370– 487
Ontvangsten:2472 88702 887

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Operationeel doel «Bevorderen vernieuwing beleid voor wonen en zorg»

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name het instrument: «Woonzorgstimuleringsregeling».

Woonzorgstimuleringsregeling

Het beschikbare uitgavenbudget is met € 3,3 mln. onderschreden als gevolg van het in 2003 niet doorgaan van betalingen ad. € 2,7 mln. en het niet benodigd zijn van budget, gereserveerd voor het honoreren van bezwaarschriften. De betalingen ad € 2,7 mln. konden niet doorgaan, aangezien gereedmeldingen niet tijdig beschikbaar waren.

Operationeel doel «Bevorderen sociale kwaliteit in de woonomgeving»

Het verschil tussen de budgetten van de begroting en realisatie bij dit operationeel doel betreft met name het instrument: «Sociale vernieuwing».

Sociale vernieuwing

Het beschikbare budget voor 2003 is overgeboekt naar artikel 4.10.59

Artikel 06. Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:45 93896 68927 71968 970
Uitgaven:21 01035 37229 3416 031
Programma:16 15330 32922 1448 185
Verbeteren stedelijke inrichting:4 96614 1591 37812 781
Investeringsbijdrage overkapping A20000
Investeringsbijdrage Nieuwe Sleutelprojecten2 2291 340674666
Investeringsbijdragen Vijfde Nota uit FES-fonds en organisatiekosten BIRK3610 670 10 670
Stimuleringsregeling intensief ruimtegebruik137191374– 183
Stimuleren opzet digitale bestemmingsplannen6060330– 330
Investeringsbijdrage uitvoering verstedelijking1 9581 958 1 958
     
Cultuurhistorische identiteit:7 29210 92315 081– 4 158
Belvedere 04 310– 4 310
Beheer rijksmonumenten7 29210 92310 771152
     
Architectonische kwaliteit:3 2674 5974 433164
Architectuurbeleid3 2674 5974 433164
     
Overig programma:6286501 252– 602
Overig stedelijk146109417– 308
Onderzoek RGD19025522728
Onderzoek DGR273276522– 246
Communicatie-instrumenten191086– 76
Apparaat:4 8575 0437 197– 2 154
Apparaat:    
Juridische instrumenten244245251– 6
Apparaat DGR4 6134 7986 946– 2 148
Ontvangsten:59110 78935710 432

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

De verplichtingenoverschrijding wordt voornamelijk veroorzaakt door het Nieuwe Sleutelproject Den Haag (€ 49 mln). In december 2003 is een Bestuurlijke Overeenkomst Uitvoering gesloten tussen het Rijk en de gemeente Den Haag.

Operationeel doel «Verbeteren stedelijke inrichting»:

In 2003 is in het kader van BIRK een investeringsbijdrage uit het fesfonds toegekend aan de provincie Gelderland. Ten behoeve van het project Renkumse Beek is een subsidie toegekend van € 14,4 mln. In 2003 heeft een eerste betaling van € 10,4 mln plaatsgevonden. Doel van het project is de Renkumse Beek te herstellen als ecologische poort als onderdeel van Veluwe 2010 en de Kwaliteitsimpuls Zuid-West Veluwe

Operationeel doel «Cultuurhistorische identiteit»

Belvedere

De ministeries van VROM, LNV en OC&W hebben op rijksniveau gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Nota Belvedere. Bij 2e suppletore begroting 2003 zijn de VROM middelen hiervoor overgeheveld naar het Ministerie van OC&W dat als coördinerend departement optreedt.

Beheer Rijksmonumenten

Enkele onderhoudsprojecten aan monumenten zijn met vertraging ten uitvoer gekomen met als gevolg dat het kasbeslag voor het jaar 2003 lager is uitgevallen dan geraamd.

Apparaatsuitgaven

Bij miljoenennota heeft er een herverdeling van de apparaatsuitgaven plaatsgevonden. Dit vond mede zijn oorzaak door aanpassingen in de beleidsomgeving van de Ruimtelijke ordening (namelijk van beleidsontwikkeling naar beleidsuitvoering).

Artikel 07. Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:375 32496 949227 526– 130 577
waarvan garantieverplichtingen331   
Uitgaven:280 931237 317251 959– 14 837
Programma:272 249227 352243 946– 16 594
Lokale milieukwaliteit:13 6043 84322 427– 18 584
Subsidies gebiedsgericht milieubeleid12 7712 32121 482– 19 161
Overige instrumenten lokale milieukwaliteit8331 522945577
     
Uitvoering bodemsanering:146 647159 170158 293877
Subsidies bodemsanering133 463140 633155 001– 14 368
Bodemsanering VINEX9 49614 511 14 511
Overige instrumenten bodemsanering3 6884 0263 292734
     
Geluidreductie:74 54449 02733 53315 494
Subsidies geluidreductie railverkeer5 5415 5305 785– 255
Subsidies geluidreductie wegverkeer65 04636 31626 29610 020
Subsidies geluidreductie industrie 3 605 3 605
Overige instrumenten geluidreductie3 9573 5761 4522 124
     
Waarborgen externe veiligheid:33 6624 78010 860– 6 080
Instrumenten externe veiligheid33 6624 78010 860– 6 080
     
Overig programma:3 79210 53218 833– 8 301
Overige instrumenten DGM8386 54615 121– 8 575
Onderzoek DGM2 9533 9863 633353
Communicatie-instrumenten1079– 79
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:8 6829 9658 0131 757
Apparaat:    
Juridische instrumenten 796813– 17
Apparaat DGM8 6828 9747 2001 774
Adviesraad gevaarlijke stoffen 195 195
Ontvangsten:29 30848 310048 310

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Operationele doel Lokale Milieukwaliteit:

De geringere realisatie heeft te maken met een budgetverlaging bij 1e suppletore begroting in het kader van een herschikking en een overboeking naar het ministerie van LNV bij 2e suppletore begroting ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB). Binnen het programma Subsidieregeling Gebiedsgericht Milieubeleid (SGM) heeft een overschrijding plaatsgevonden ten gevolge van een inhaalslag. In 2002 had de regeling een onderschrijding doordat benodigde tussenrapportages van de provincies te laat waren ingediend en een te grote liquiditeitsbehoefte in de voorgaande jaren was opgevoerd. In 2003 is de opgelopen achterstand uit 2002 ingehaald.

Operationele doel Uitvoering Geluidsreductie:

Het budget stand ontwerpbegroting 2003 (€ 26 296 000) is bij de eerste suppletore begroting verhoogd tot € 36 600 000. Het verschil stond op het instrument «overige instrumenten DGM», maar is in het kader van VBTB alsnog toegerekend aan het instrument «subsidies geluidsreductie wegverkeer». Het is m.n. bestemd voor projecten op het gebied van stille wegdekken.

Operationele doel Waarborgen externe veiligheid:

Bij 1e suppletore begroting is het budget met € 11 mln verhoogd door een overboeking uit de aanvullende post voor vuurwerk. Dit budget is niet benut, waardoor dit bij 2e suppletore begroting is teruggeboekt. De lagere realisatie op dit instrument wordt voorts met name veroorzaakt door het vrijvallen van een bedrag van € 5 mln dat VROM in 2002 heeft voorgeschoten t.b.v. de bijdrage aan AKZO i.v.m. het beëindigen van chloortransporten. In 2003 is deze bijdrage alsnog van EZ verkregen en besteed aan bodemsanering.

Operationele doel Overig programma:

De lagere realisatie op het instrument overige instrumenten DGM wordt veroorzaakt door een overboeking van budget naar het operationele doel geluidreductie bij 1e suppletore begroting omdat dit budget daar volgens de VBTB-systematiek beter aan toegerekend kan worden.

Apparaatsuitgaven:

De overschrijding is veroorzaakt door de inhuur van 5 tijdelijke medewerkers voor de tijdelijke Unit Kostenverhaal. Deze unit is verantwoordelijk voor de uitvoering van kostenverhaalszaken in het kader van de Wet Bodembescherming.

Artikel 08. Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:14 83014 60613 3301 276
Uitgaven:17 40515 78415 187597
Programma:16 14114 37114 454– 83
Bescherming en ontwikkeling landelijk gebied:16 14114 37114 454– 83
Aankoop bufferzones10 9309 1369 480– 344
Ontwikkeling Waddengebied91  0
Overige instrumenten landelijk gebied14837 837
Ontwikkelingsbijdrage landelijk gebied3 9702 3714 425– 2 054
Beleidslijn Ruimte voor de rivier8631 646681 578
Investeringsbijdragen Vijfde Nota uit FES-fonds   0
Onderzoek DGR27333027753
Communicatie-instrumenten 51204– 153
     
Overig programma:0000
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:1 2641 413733680
Apparaat:    
Juridische instrumenten1251251250
Apparaat DGR1 1391 288608680
Ontvangsten:1 4723 06203 062

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Apparaatsuitgaven

Bij miljoenennota heeft er een herverdeling van de apparaatsuitgaven plaatsgevonden. Dit vond mede zijn oorzaak door aanpassingen in de beleidsomgeving van de Ruimtelijke ordening (namelijk van beleidsontwikkeling naar beleidsuitvoering).

Artikel 09. Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:3 3564 72612 929– 8 203
Uitgaven:4 1253 6078 429– 4 822
Programma:3 1162 7977 163– 4 366
Internationale afstemming ruimtelijke inrichting:2 9232 7066 620– 3 914
Noordzeegebied (Interreg) 0 0
Noordwest metropolitan (Interreg)340 0
Hoogwaterprogramma Rijn/Maas (IRMA) 0 0
Interreg III2 8892 5376 442– 3 905
Ontwikkeling Waddengebied 169178– 9
     
Concurrerende ruimtelijke inrichting mainports:00155– 155
Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) 042– 42
Ontwikkeling nationale luchthaven (ONL) 0113– 113
     
Overig programma:19391388– 297
Overige instrumenten DGR18389315– 226
Onderzoek DGR100 0
Communicatie-instrumenten 273– 71
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:1 0098101 266– 456
Apparaat:    
Juridische instrumenten404043– 3
Apparaat DGR9697701 223– 453
Ontvangsten:0000

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Operationeel doel «Internationale afstemming ruimtelijke inrichting»

De onderuitputting op Interreg III wordt veroorzaakt doordat de cofinanciering slechts voor enkele projecten in 2003 noodzakelijk was. Dit wordt veroorzaakt doordat enerzijds de cofinanciering vanuit andere bron is toegezegd en anderzijds doordat VROM de specifieke projectvoorstellen heeft getoetst op de meerwaarde voor het ruimtelijk beleid. Op grond daarvan is al dan niet besloten om een meer specifiek subsidie toe te kennen.

Artikel 10. Verbeteren nationale milieukwaliteit

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:14 03111 94422 127– 10 183
Uitgaven:17 31413 55421 975– 8 421
Programma:11 0137 52316 224– 8 701
Duurzaam bodembeheer:4 3062 2737261 547
Subsidies duurzaam bodembeheer4 04520054861 519
Overige instrumenten duurzaam bodembeheer26126824028
     
Optimale waterketen:00306– 306
Overige instrumenten optimale waterketen00306– 306
     
Duurzame landbouw:007 152– 7 152
Aanvullend stikstofbeleid 07 152– 7 152
     
Overig programma:6 7075 2508 040– 2 790
Overige instrumenten DGM4 0083 6644 647– 983
Onderzoek DGM2 6111 5863 053– 1 467
Communicatie-instrumenten880340– 340
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:6 3016 0315 751280
Apparaat:    
Juridische instrumenten 671683– 12
Apparaat DGM6 3015 3605 068292
Ontvangsten:2 7751 67301 673

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Beleidsverslag:

De onderuitputting van de uitgaven op artikelniveau is toe te schrijven een aantal instrumenten. In de Jaarrekening wordt hierop nader ingegaan.

Jaarrekening:

Operationele doel Duurzaam bodembeheer:

De hogere realisatie wordt met name veroorzaakt door een ophoging van het budget bij 1e suppletore begroting ten gevolge van het doorschuiven van onbenut FES-budget van 2002 naar 2003.

Operationele doel Duurzame landbouw:

Het verschil tussen begroting en realisatie wordt veroorzaakt door de overboeking van het budget bij 1e suppletore begroting naar LNV t.b.v. pilotprojecten extensivering melkveehouderij en het experiment bedrijfsverplaatsingen intensieve veehouderij.

Ontvangsten:

Bij 1e suppletore begroting zijn ontvangsten geboekt ten gevolge van het doorschuiven van onbenut FES-budget van 2002 naar 2003.

Artikel 11. Tegengaan klimaatverandering en emissies

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:280 424199 635120 04079 595
waarvan garantieverplichtingen704520452
Uitgaven:93 20292 587167 692– 75 105
Programma:78 36078 280155 626– 77 346
Internationale samenwerking milieu:4 9905 6655 65510
Subsidies internationale samenwerking milieu4 1225 0024 848154
Overige instrumenten internationale samenwerking milieu868663807– 144
     
Verminderen uitstoot broeikasgassen:14 88517 13983 839– 66 700
Clean Development Mechanism4 0156 67656 723– 50 047
Subsidies Reductieplan Overige Broeikasgassen2 0954 22210 307– 6 085
Overige instrumenten verminderen uitstoot broeikasgassen8 7756 24116 809– 10 568
     
Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart:5 8096 7299 257– 2 528
Subsidies uitstoot verkeer en binnenvaart2 4982 7727 714– 4 942
Overige instrumenten uitstoot verkeer en binnenvaart3 3113 9571 5432 414
     
Fiscale instrumenten en draagvlak voor milieubeleid:33 60031 80329 3552 448
Subsidies milieuverantwoorde technologie6 2113 9343 438496
Schadevergoedingen951 202 1 202
Overige instrumenten duurzame samenleving7 9746 9165 6911 225
Subsidies maatschappelijke milieuactiviteiten19 32019 75120 226– 475
     
Verminderen algemene uitstoot industrie:4 3446 0068 407– 2 401
Operationalisering NOx-kostenverevening5241 3072 723– 1 416
Subsidies verminderen algemene uitstoot industrie1804721 7951 323
Overige instrumenten verminderen algemene uitstoot industrie3 6404 2273 889338
     
Vermindering milieudruk producten:4 3483 7426 111– 2 369
Subsidies vermindering milieudruk producten2 4112 6044 718– 2 114
Overige instrumenten vermindering milieudruk producten1 9371 1381 393– 255
     
Overig programma:10 3847 19613 002– 5 806
Overige instrumenten DGM 05 171– 5 171
Onderzoek DGM6 4855 9606 640– 680
Communicatie-instrumenten3 8991 2361 19145
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:14 84214 30712 0662 241
Apparaat:    
Juridische instrumenten 405406– 1
Apparaat DGM14 84213 90211 6602 242
Ontvangsten:3 0932 14602 146

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Op een aantal budgetten is het kasbudget in de loop van het jaar aangepast aan de actuele inzichten in de kasraming. De neerslag daarvan is al bij 1e en 2e suppletore begroting verwerkt. Onderstaand een toelichting op enkele grotere afwijkingen.

Operationele doel Vermindering uitstoot broeikasgassen:

Ter compensatie van gerealiseerde onderuitputting in 2002 is voor Clean Development Mechanism het verplichtingenbudget bij 2e suppletore begroting opgehoogd. Dit verklaart de grote afwijking tussen vastgestelde begroting en realisatie 2003 bij de verplichtingen.

Het kasbudget voor Clean Development Mechanism is o.b.v. het Hoofdlijnen akkoord met 48 mln. verlaagd. Het restant was o.a. bestemd voor afdrachten CDM aan de Executive Board. Daar er nog geen emissierechten zijn geleverd hebben er geen afdrachten plaatsgevonden en is het resterende budget dus niet volledig uitgeput.

Het budget voor subsidies i.h.k.v. Reductieplan Overige Broeikasgassen is onvolledig uitgeput a.g.v. achterblijvende aanvragen op de BANS-regeling. Een deel van het budget is ingezet voor andere knelpunten, waar onder EPR.

Een groot deel van het budget «Overige instrumenten Verminderen uitstoot broeikasgassen» is bij 1e suppletore begroting overgeboekt naar artikel 12 t.b.v. de Inzamelingsregeling CFK en Halonen. Voorts bleef een deel van het NIRIS-budget onbesteed doordat door de subisidie-ontvangers nog niet gedeclareerd werd. Dit is voor VROM slechts zeer beperkt stuurbaar.

Operationele doel Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart:

De subsidieregeling voor de stimulering ban de (vervangings)aanschaf van NOx-armere moteren voor binnenvaartschepen kon in 2003 nog niet in werking treden, omdat de Europese Commissie nog geen goedkeuring had gegeven. De budgetten zijn daarom o.a. aangewend voor invulling van subsidietaakstellingen en tekorten elders, waar onder de EPR.

Operationele doel Vermindering algemene uitstoot industrie:

De afwijking is opgebouwd uit een aantal kleinere mutaties van technische aard.

Operationele doel Vermindering milieudruk producten:

De afwijking is opgebouwd uit een aantal kleinere mutaties van technische aard.

Artikel 12. Beheersen milieurisico's van stoffen, afvalstoffen en straling

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:39 35649 64630 61419 032
Uitgaven:38 77337 20232 3284 874
Programma:31 02629 73726 1083 629
Beheersen milieurisico's van stoffen:9 7844 4444 289155
Subsidies stoffenbeleid7 5132 7777502 027
Overige instrumenten stoffenbeleid2 2711 6673 539– 1 872
     
Beheersen milieurisico's van afvalstoffen:17 00120 26516 0924 173
Subsidies afvalstoffenbeleid5 2388 2922 8845 408
Overige instrumenten afvalstoffenbeleid11 76311 97313 208– 1 235
     
Beheersen milieurisico's van straling:286530651– 121
Subsidies stralingsbeleid 223 223
Overige instrumenten stralingsbeleid286307651– 344
     
Beheersen milieurisico's van GGO's:3221 042355687
Overige instrumenten GGO-beleid3221 042355687
     
Overig programma:3 6333 4564 721– 1 265
Overige instrumenten DGM 0 0
Onderzoek DGM3 5532 8164 199– 1 383
Communicatie-instrumenten80640522118
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:7 7477 4656 2201 245
Apparaat:    
Juridische instrumenten 796813– 17
Apparaat DGM7 7476 6695 4071 262
Ontvangsten:162 2

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Op een aantal budgetten is zowel het verplichtingen als het kasbudget in de loop van het jaar aangepast aan de actuele inzichten. De neerslag daarvan is al bij 1e en 2e suppletore begroting verwerkt. Verdere afwijkingen zijn technisch van aard (bijv. het later dan gepland aangaan van verplichtingen, waardoor betalingen niet meer in 2003 plaatsvonden.

Artikel 13. Handhaving

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:88 34379 47475 5553 919
Uitgaven:88 38978 76178 457304
Programma:38 08523 78224 013– 231
Overig programma:38 08523 78224 013– 231
Servicepunten milieuhandhaving4 0501 7983 086– 1 288
Bijdrage RIVM7 4036 2776 2770
Overige instrumenten IG26 62615 57314 3001 273
Onderzoek IG 0259– 259
Communicatie-instrumenten61349143
Nader aan te wijzen   0
Apparaat:50 30454 97954 444535
Apparaat:    
Juridische instrumenten 215286– 71
Apparaat IG50 30454 76454 158606
Ontvangsten:2 0671 025882143

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Artikel 14. Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en ministerie van Algemene Zaken

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:39 65862 08662 114– 28
Uitgaven:39 65862 08662 114– 28
Programma:39 65862 08662 114– 28
Huisvesting Hoge Colleges van Staat en ministerie van Algemene Zaken:27 91343 37447 306– 3 932
Onderhoud4 4676 4866 661– 175
Investeringen20 84333 19537 814– 4 619
Huren1 0091 3541 383– 29
Asbestsanering1 5942 3391 448891
     
Huisvesting Koninklijk Huis:11 74518 71214 8083 904
Paleizen6 56710 1557 7892 366
Functionele kosten5 1788 5577 0191 538
     
Overig programma:0000
Nader aan te wijzen0000
Ontvangsten:2 481  0

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting bij de niet-beleidsartikelen

Artikel 15. Algemeen

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:221 982205 688165 86339 825
Uitgaven:212 565209 234168 82140 413
Apparaat199 576198 162157 83140 331
Departementsleiding, control, expertdiensten en staf96 54192 19260 55831 634
Gemeenschappelijke voorzieningen97 91698 32189 4298 892
Postactieven6 1197 6497 844– 195
Programma12 98911 07210 99082
Advisering Bestuursrechtspraak:4 6034 8994 756143
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak4 6034 8994 756143
     
VROM-brede voorlichting:6 3333 1111 4821 629
Communicatie-instrumenten6 3333 1111 4821 629
     
Vastgoedinformatievoorziening:1 0663 0172 597420
Coördinatie Geo-informatie 1 4211881 233
Overige vastgoedinformatievoorziening972485240245
Overige instrumenten DGR 8631 997– 1 134
Ontwerp en beeldontwikkeling9424817276
     
Overig programma:987452 155– 2 110
Onverdeeld RGD 01 890– 1 890
Bijdrage loket Bouwen en wonen 8 8
Overige instrumenten DGM9870 0
Onderzoek DGM 37265– 228
Ontvangsten:37 76347 92520 21327 712

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Toelichting:

Apparaat CS:

In 2003 zijn er extra kosten geweest voor onder andere de inzet van extra juristen voor het oplossen van de stagnatie bij de behandeling van bezwaarschriften huursubsidie en de extra kosten als gevolg van de VROM reorganisatie. Daarnaast wordt de overuitputting onder meer veroorzaakt door herschikkingen bij andere VROM diensten en de loonbijstelling.

Overige gemeenschappelijke voorzieningen:

In 2003 hebben de VROM diensten bijgedragen aan diverse VROM-brede systemen en de huur van pc's. Daarnaast is er onder meer prijsbijstelling uitgekeerd en heeft de Rijksgebouwendienst een bijdrage geleverd ten behoeve van de apparaatsuitgaven.

Artikel 16. Nominaal en onvoorzien

(bedragen in € 1000)
 Realisatie 2002Realisatie 2003Vastgestelde begroting 20031Verschil 2003
Verplichtingen:  – 11 18211 182
Uitgaven: 01 444– 1 444
Programma: 01 444– 1 444
Loonbijstelling: 000
Loonbijstelling 000
     
Prijsbijstelling: 000
Prijsbijstelling 0 0
     
Onvoorzien: 01 444– 1 444
Onvoorzien 01 444– 1 444
     
Nog nader te verdelen: 000
Nog nader te verdelen 0 0

1Inclusief Nota van Wijziging (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 12) en Nota van Verbetering (krst II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 27)

Het agentschap «Rijksgebouwendienst»

Leeswijzer

Het jaarverslag van het Agentschap Rgd bestaat uit 2 delen.

Deel A betreft het beleidsverslag.

In hoofdstuk 1 wordt nader ingegaan op de missie, visie en strategie van de Rijksgebouwendienst (Rgd). Dit hoofdstuk gaat tevens in op de hoofddoelstellingen, producten en diensten en resultaten van de Rgd, zoals deze zijn geformuleerd in de Begroting 2003. Door middel van prestatiegegevens wordt inzicht gegeven in de mate waarin de doelstellingen en voorgenomen resultaten zijn gerealiseerd.

Hierbij is de indeling van de Begroting 2003 aangehouden met de volgende kanttekeningen.

De indeling van de begrotingsdoelstellingen vanaf paragraaf 1.1. in beleidsdoelstellingen, operationele doelstellingen en prestatie-indicatoren is explicieter uitgewerkt dan in de Begroting 2003.

De randvoorwaarde «goed functionerende Rgd» wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.

In paragraaf 1.1.1. is in de tabel vastgoedportefeuille het onderscheid kantoor/specifiek niet opgenomen, omdat deze tweedeling onvoldoende informatief is. In de Begroting 2004 komt deze informatie dan ook niet meer terug.

De productindeling in paragraaf 1.1.2 is aangepast aan de bedrijfseconomisch verbeterde indeling, die ook in de Begroting 2004 is opgenomen. Bij deze indeling valt beheer onder het product huisvesting.

Bij meerjarige cijferreeksen wordt afgeweken van het tonen van een vijf-jarenreeks, indien dit onvoldoende informatief is bijvoorbeeld doordat dit leidt tot een overdaad aan cijfers.

Hoofdstuk 2 betreft de bedrijfsvoering. Opgenomen is de mededeling over de bedrijfsvoering. In het hoofdstuk wordt nader ingegaan op de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer (AR) en de rijkshuisvesting buiten de Rgd.

In afwijking van de indeling van de Begroting 2003 komen in dit hoofdstuk ook de onderwerpen aanbestedingsbeleid en integriteitsbeleid bij de Rgd aan de orde, omdat deze onderwerpen sterk aan bedrijfsvoering zijn gerelateerd.

Deel B betreft de jaarrekening van het Agentschap Rgd.

Hoofdstuk 3 bevat de verantwoordingsstaat.

Hoofdstuk 4 bevat de balans en een toelichting op de balans.

In afwijking van de Begroting 2003 is de omschrijving «onderhanden investeringsprojecten» aangepast aan «onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)», omdat de nieuwe benaming beter aansluit bij de nieuwe productindeling, die ook in de Begroting 2004 wordt gehanteerd.

Hoofdstuk 5 bevat de staat behorende bij de rekening. De rekening bestaat uit het overzicht van baten en lasten, het overzicht van de ontwikkeling van het eigen vermogen, het kasstroomoverzicht en een toelichting op de verschillende staten.

A . Beleidsverslag

1 Missie, Visie, Strategie, Doelstellingen

Missie

De Rijksgebouwendienst (Rgd) wil rijksoverheidsdiensten passende huisvesting bieden waarin het blijvend plezierig werken is.

Visie

Om ook in de toekomst gezien te worden als dé huisvestingsorganisatie voor en van de rijksoverheid, streeft de Rijksgebouwendienst continu naar verdere innovatie en verbetering van haar diensten. Hierbij stellen wij de wensen en behoeften van onze opdrachtgevers centraal. Bij al ons werk zoeken we naar toegevoegde waarde voor onze klanten. In nauw overleg met hen willen we bovendien een actieve bijdrage leveren aan de beleidsdoelstellingen van het rijk, zoals stedelijke ontwikkeling, monumentenzorg en duurzaamheid. Door elke opdracht professioneel, slagvaardig en (kosten)efficiënt te benaderen, komen onze opdrachtgevers tot de conclusie dat de Rijksgebouwendienst de beste partij is om mee samen te werken.

Strategie

Om de visie met succes te realiseren, hanteert de Rgd een strategie gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

Partnership met de klant:

De Rgd stelt zich niet op als leverancier maar als volwaardige en betrouwbare, huisvestingspartner die persoonlijke aandacht heeft voor zijn opdrachtgevers en die opkomt voor diens belangen.

Maatwerk oplossingen:

De Rgd verplaatst zich in de behoeften van opdrachtgevers en kan voor elk huisvestingsvraagstuk, hoe complex ook, een oplossing en een leveringsproces op maat ontwikkelen.

Integrale dienstverlening:

De Rgd wil opdrachtgevers álle zorg rond hun huisvesting uit handen nemen in samenwerking met externe specialisten die aan onze hoge kwaliteitscriteria voldoen.

Goed afgewogen prijs/kwaliteitverhouding:

De Rgd levert opdrachtgevers de kwaliteit die zij nodig hebben. De Rgd levert daarbij schaalvoordelen. Voor opdrachtgevers resulteert dat in een goed afgewogen prijs/kwaliteitverhouding.

Investeren in ontwikkeling:

<De Rgd schept randvoorwaarden waarbinnen alle medewerkers zich ontwikkelen en hun vakkennis en vaardigheden verbreden en verdiepen zodat zij berekend zijn op de toekomstige wensen en eisen van opdrachtgevers.

Doelstellingen

De Rijksgebouwendienst heeft in de Begroting 2003 drie hoofddoelstellingen en een randvoorwaarde geformuleerd:

• Het leveren van adequate huisvesting

• Het realiseren van baten en lasten in evenwicht

• Het leveren van toegevoegde waarde

En de randvoorwaarde is:

Goed functionerende Rgd

1.1 Adequate huisvesting

1.1.1 Adequate huisvesting: de beleidsdoelstelling

De Rgd draagt zorg voor het adequaat huisvesten van de rijksoverheid in brede zin. Het bijdragen aan een effectief functioneren van het overheidsapparaat als geheel door middel van adequate huisvesting staat daarbij voorop. De Rgd verzorgt de huisvesting voor de volgende klanten:

Vastgoedportefeuille per 31-12-2002 en 31-12-2003 (in 1000 m2 bvo)
 31-12-200231-12-2003
Categorieën binnen de huur-/verhuursystematiek:  
Buitenlandse Zaken99118
Justitie2 3152 688
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties242266
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen627680
Financiën1 1051 196
Defensie7981
VROM158156
Verkeer en Waterstaat444517
Economische Zaken196229
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij227223
Sociale Zaken en Werkgelegenheid108128
Volksgezondheid, Welzijn en Sport248290
Leegstand binnen huur-/verhuursystematiek10392
Niet-rijksdiensten28152
   
Subtotaal categorieën binnen de huur-verhuursystematiek6 2326 716
   
Categorieën waarvoor de huur-/verhuursystematiek niet geldt:  
Huis der Koningin9090
Hoge Colleges van Staat139153
Algemene Zaken1748
Monumenten met erfgoedfunctie4444
Leegstand buiten de huur-/verhuursystematiek415
   
Subtotaal categorieën buiten de huur-/verhuursystematiek331340
   
Totaal6 5637 056

Bron: IRIS

De totale vastgoedportefeuille is in m2 bruto vloer oppervlakte (bvo) toegenomen van 6 563 m2 bvo ultimo 2002 naar 7 056 m2 bvo ultimo 2003 (x 1000 m2 bvo) (+ 7,5%).

De toename wordt met name veroorzaakt door de oplevering van nieuwe huisvesting. Daarnaast is de kwaliteit van de informatievoorziening verbeterd. Aan de Hoge Colleges van Staat en Algemene Zaken zijn de objecten toegevoegd, die eerder vielen onder de categorie leegstand buiten de huur-/verhuursystematiek.

De verdeling van de totale voorraad over eigendom en huur is in de volgende tabel aangegeven.

Vastgoedportefeuille per 31-12-2002 en 31-12-2003 (in 1000 m2 bvo)
 31–12–2002In %31–12–2003In %
Eigendom4 770735 01471
Huur1 793272 04229
Totaal Rgd6 5631007 056100

Bron: IRIS

1.1.2 Adequate huisvesting: de operationele doelstelling

De Rgd levert huisvesting die optimaal aansluit bij het primaire proces van de klant. De producten en diensten waarmee de Rgd de beleidsdoelstellingen realiseert zijn onderverdeeld in de volgende drie hoofdgroepen:

Huisvesting

Het product Huisvesting bestaat uit het ontwikkelen, realiseren en leveren van huisvesting (de huisvestingsprojecten). De Rijksgebouwendienst handhaaft door middel van beheer de afgesproken kwaliteit van de geleverde huisvesting volgens de Regeling Taakverdeling Beheer Rijkshuisvesting (RTB) en garandeert het ongestoorde gebruik van de huisvesting. Daarbij worden de volgende activiteiten onderscheiden:

(Ver)bouw en aankoop panden;

Interne advisering over (ver)bouw en aankoop panden;

Technisch beheer;

Inhuur van panden op de markt;

Administratief vastgoedbeheer;

Commercieel beheer.

De kosten van de eerste twee categorieën activiteiten zijn activeerbaar. De bijbehorende apparaatskosten worden gedekt uit de opslag voor ontwikkelingskosten van eigendomspanden. Bij inhuur van panden op de markt wordt een percentage van de huursom in rekening gebracht voor dekking van de apparaatskosten. De overige categorieën activiteiten worden gedekt uit opslagen in de gebruiksvergoeding.

De Rgd streeft naar tevreden klanten door kwaliteit te leveren. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de functionele kwaliteit, de belevingskwaliteit, de toekomstwaarde, gezondheidsrisico's en een scherpe kosten-kwaliteitsverhouding.

Services

Bij services gaat het om producten en diensten die volgens de RTB tot de taak van de klanten behoren, maar die op verzoek van de klanten, door de Rijksgebouwendienst worden verricht inclusief facilitaire dienstverlening. Producten worden geleverd zowel in de vorm van incidentele opdrachten als in de vorm van servicecontracten.

Adviezen

Advisering aan de klant over huisvestingsbehoeften en het gebruik van de huisvesting zonder dat er een directe relatie is met beheer of een concreet huisvestingsproject.

1.1.3 Adequate huisvesting: de prestatie-indicatoren

1.1.3.1 Klanttevredenheid

Om te bepalen of de Rgd huisvesting levert die optimaal aansluit bij het primaire proces van de klant en een goede functionele en belevingskwaliteit heeft, is de mate van tevredenheid van de klant een graadmeter.

Om de mate van tevredenheid te meten heeft de Rgd de klanttevredenheidsmonitor ontwikkeld. De tevredenheid wordt gemeten op basis van de volgende indicatoren: de Rgd in het algemeen, de huisvesting, de wijze van onderhoud van de gebouwen (waaronder de afhandeling van storingen), de inhoud van de adviezen, de wijze van communicatie met contactpersonen van de Rgd en de informatievoorziening door de Rgd. De meting vindt jaarlijks plaats. Op basis van de uitkomsten van de meting worden gericht verbeteracties in gang gezet. De resultaten van de jaarlijkse klanttevredenheidsmonitor vormen een onderdeel van de evaluatie van de stelselwijziging in 2004.

Inmiddels is de klanttevredenheidsmonitor voor de vijfde keer uitgevoerd. Het algemeen oordeel over het functioneren van de Rijksgebouwendienst is uitgekomen op 6,4. Dit is 0,2 punt hoger dan de eerste meting in 1999 en 0,1 punt hoger dan 2002. Van de respondenten in het onderzoek van 2003 geeft 89% een voldoende. Dit is een verbetering ten opzichte van 2002, waarin 81% een voldoende gaf.

Onderhoud is het belangrijkste aspect dat het algemeen oordeel beïnvloedt. De organisatie en werkwijze van de Rgd krijgt relatief lage scores, doordat klanten de besluitvorming en de procedures binnen de Rgd niet altijd transparant vinden.

De uitkomsten van de klanttevredenheidsmonitor in cijfers zijn als volgt:

 19992000200120022003
Algemeen oordeel6,26,56,46,36,4
Onderhoud5,65,96,25,96,1
Huisvesting6,86,96,86,46,5
Schriftelijke communicatie6,46,56,36,46,4
Advisering6,06,66,26,36,5
Accountmanager6,87,26,77,06,7
Organisatie en werkwijze6,06,16,15,95,9

Bron: Klanttevredenheidsonderzoek uitgevoerd door Bureau Intomart

In 2003 is aan een aantal verbeteracties gewerkt.

De systematiek van het meten van de klanttevredenheid is geëvalueerd.

Op basis van vergelijking met de wijze waarop andere organisaties klanttevredenheid in kaart brengen is een meetmethodiek ontwikkeld die leidt tot meer draagvlak voor de uitkomsten van de meting, meer inkleuring geeft aan de beoordeling door de klant, en daardoor leidt tot meer prikkels voor gerichte verbeteracties. De doelstelling ten aanzien van klanttevredenheid wordt vanaf 2004 niet meer weergegeven in een cijfer, maar in een percentage klanten dat voldoende tevreden is.

In 2003 is gestart met het maken van accountplannen, die bij het «managen van klantverwachtingen» een ondersteunende functie vervullen. Dit aantal zal in 2004 aanzienlijk worden uitgebreid. In 2003 zijn ook twee brochures over alle Rgd-producten en diensten gereed gekomen. Binnen de directie Frontoffice is een professionaliseringsprogramma opgestart waarmee middels cursussen over diverse onderwerpen kennis wordt verkregen of op niveau wordt gehouden, zodat de accountmanagers zich nog beter kunnen verplaatsen in de klant.

Er is een informatieonderzoek verricht dat in 2004 moet leiden tot een informatiesysteem dat adequaat inzicht geeft in de voortgang van de onderhoudswerkzaamheden en leidt tot een efficiënter ingericht procesrondom de onderhoudswerkzaamheden. Ook is er een registratie opgezet dat inzicht geeft in de mate en de aard waarin storingen zich voordoen en de snelheid waarmee ze afgehandeld worden. Daarnaast is een 24-uurs storingsdienst opgezet.

Het project Professionalisering van de Inkoopfunctie moet leiden tot een voor de klant herkenbare uniforme wijze van omgaan met inkoop. Door clustering van onderhoudspakketten kunnen schaalvoordelen behaald worden.

Op het gebied van de inhuur van panden worden op strategische momenten onderhandelingen gevoerd met verhuurders wat heeft geleid tot een aantal huurverlagingen. Op het punt van de inhuur wordt meer aandacht besteed aan de verplichtingen tussen verhuurder en de Rgd, zoals op het gebied van planmatig onderhoud. Vraag en aanbod worden afgestemd door bijvoorbeeld een leegstaande ruimte waarvoor een klant een huurverplichting heeft, te verhuren aan een andere klant.

Het ISO 9001 gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem is in 2003 in alle vestigingen van directie Projecten geïmplementeerd. Op alle vestigingen zijn kwaliteitszorgcoördinatoren benoemd. De directieverantwoordelijkheid is duidelijker verankerd in het kwaliteitshandboek. Ongeveer 50 tussentijdse project-fase-evaluaties zijn uitgevoerd en de afdelingen Projectmanagement in vestigingen Arnhem, Schiedam, Haarlem, Eindhoven en Den Haag zijn door de Interne Controller in de zomerperiode geaudit.

De Rgd heeft verbeterpunten onderkend die indirect leiden tot een hogere klanttevredenheid. Het betreft voornamelijk verbetering van de werkprocessen binnen de Rgd. Er is veel aandacht voor het duidelijk maken en vastleggen van afspraken tussen interne opdrachtgevers en opdrachtnemers. De aandacht van de directie Projecten voor het verbeteren en afstemmen van interne processen heeft geleid tot een verbeterd proces met betrekking tot nazorgplannen en met betrekking tot het houden van projectevaluaties.

In het kader van de Evaluatie Stelselwijziging, waarvan de voorbereidingen gestart zijn in 2003, worden de gegevens van de factfinding gebruikt om accountmanagers voor te lichten. Het gaat bijvoorbeeld over de beeldvorming die leeft over de Rgd en het geven van uitleg over aspecten als de kosten/kwaliteitsverhouding bij de Rgd. Verschillen tussen de prijsopbouw bij de Rgd en de markt worden inzichtelijk gemaakt ten behoeve van een benchmark met de markt.

1.1.3.2 Storingsindicator

Bij storingen is van belang hoe snel een storing kan worden opgelost en de mate waarin zich storingen voordoen. Voor de afhandeling van storingen hanteert de Rgd als norm:

binnen 4 uur voor spoedeisende storingen en binnen 24 uur voor «normale» storingen. De doelstelling is om tenminste 95% van de storingen binnen deze normtijden af te handelen.

De Rgd spant zich in om de technische kwaliteit van de gebouwen en de installaties met behulp van preventief onderhoud en planmatig (vervangings-)onderhoud zo goed mogelijk op peil te houden. Na de invoering van het uniforme Storingsafhandelingssysteem is merkbaar dat de klanten de Rgd via deze dienstverlening steeds beter weten te vinden. Daarnaast spreken klanten de Rgd, sinds de stelselwijziging, krachtiger aan en hebben daarvoor een dagelijks te hanteren instrument in de storingslijn, die 24 uur per dag bereikbaar is.

De storingsafhandeling wordt gedifferentieerd naar eigenaarsinstallaties (eigendom Rgd) en bedrijfsinstallaties (eigendom van de gebruiker). De Rgd doet het onderhoud van bedrijfsinstallaties op basis van servicecontracten.

Zowel bij eigenaarsinstallaties als bedrijfsinstallaties is sprake van een aanzienlijk toename van het aantal gemelde storingen. Met de uit te voeren inspecties ontstaat nadere duidelijkheid of deze toename wordt veroorzaakt door de goede bereikbaarheid van de Rgd danwel de kwaliteit van de installaties.

 Objecten in beheerAantal m2 bvo in beheer (x 1000)Aantal storingen Eigenaars installatiesAantal storingen Bedrijfs installatiesTotaal aantal storingen% binnen norm
Totaal 20012 1606 314**30 279*
Totaal 20022 1456 56324 70910 61835 32797
Totaal 20032 1707 05632 56213 40445 96697

Bron: IRIS

1.1.3.3 Onderhoudsindicator

De Rgd heeft inmiddels ruim de helft van de objecten geïnspecteerd ten behoeve van de meerjarige onderhoudsprognose. Voor het resterende deel worden de inspecties in 2004 uitgevoerd. De inspecties leiden tot inzicht in de kwaliteit van de installaties en met een hierop afgestemde onderhoudsplanning kan onder meer het aantal storingen beter worden beheerst. Daarnaast leiden de inspecties tot een gedetailleerde inzicht in het benodigde kostenniveau om met tijdig onderhoud en vervanging van installaties de bedrijfsprocessen van de gebruikers van de objecten op een goede wijze te ondersteunen.

1.1.3.4 Toekomstwaarde

In relatie met de ontwikkeling in oppervlakte geeft de waardeontwikkeling van de vastgoedportefeuille op basis van historische kostprijs, zoals deze volgt uit vergelijking van de begin- en eindbalans, een weergave van de toegevoegde waarde tengevolge van nieuwe investeringen minus de afschrijvingen en de desinvesteringen. Hiermee geeft de Rgd inzicht in hoeverre de voorraad (eigendomspanden) in stand wordt gehouden en of naar de toekomst toe een toereikende waarde van de portefeuille kan worden gerealiseerd. Uit de waardeontwikkeling blijkt dat de waarde per m2 bvo tussen 1 januari 2003 en 31 december 2003 gemiddeld met € 91 is gedaald van € 974 tot € 883. Ondanks de absolute toename in boekwaarden met € 333 mln wordt deze daling verklaard door de verhoudingsgewijs grotere uitbreiding van de m2 bvo.

De ontwikkeling van de waarde van het onroerend goed (Vastgoed)Totaal boekwaarde in mln euroBoekwaarde per m2 bvo
Waarde grond en gebouwen beginbalans 20034 049974
Waarde grond en gebouwen eindbalans 20034 382883
Toename waarde grond en gebouwen333– 91

Bron: IRIS

1.1.3.5 Gezondheidsrisico's

Adequate huisvesting moet uiteraard ook gezonde huisvesting zijn. Voor wat betreft gezondsheidsrisico's zijn de thema's legionella, asbest en brandveiligheid van belang.

Legionella

De laatste noodzakelijke technische aanpassingen van de leidingwaterinstallaties in eigendomspanden zijn in januari 2003 uitgevoerd. Het beheer van legionellamaatregelen bij Penitentiaire Inrichtingen is arbeidsintensief. Hiervoor zullen nu technische voorzieningen worden getroffen. De Rgd helpt in samenwerking met de Dienst Justitiële Inrichtingen de gebruikers op weg door mogelijke oplossingen voor hun problemen aan te geven.

Per 15 oktober 2002 is de tijdelijke Regeling legionella-preventie in leidingwater vervangen door een nieuwe wet die minder streng is. Op basis van huidig inzicht zal 99% van de gehuurde panden vallen onder de categorie laag-risico-locaties waarvoor een overgangstermijn geldt van tien jaar vanaf 2002; dat wil zeggen dat de eigenaren binnen tien jaar een risicoanalyse dienen te maken. De Rgd laat voor nieuw in te huren panden contractueel vastleggen dat een risicoanalyse wordt gemaakt.

Asbest

De Rgd inventariseert op eigen kosten alle gebouwen op de aanwezigheid van asbest. Indien uit de inventarisatie blijkt dat een gebouw asbest bevat dat directe gezondheidsrisico's kan opleveren, dan wordt dit asbest direct verwijderd. Indien asbest aanwezig is dat geen directe gezondheidsrisico's met zich mee brengt, dan stelt de Rgd een beheerplan op voor de gebruiker van het gebouw, en wordt het asbest verwijderd op het moment dat in het gebouw een renovatie plaatsvindt of het gebouw wordt gesloopt. De Rgd beschikt over een voorziening voor asbest, waaruit de uitvoering van het beleid wordt gefinancierd. De inventarisatie van alle gebouwen op de aanwezigheid van asbest loopt volgens planning. Eind 2004 wordt deze inventarisatie afgerond en zal indien nodig aanpassing van de voorziening plaatsvinden.

Brandveiligheid

De wet- en regelgeving aangaande brandveiligheid is complex en de uitvoering en handhaving ervan wordt door gemeenten op uiteenlopende wijze opgepakt. De inhoudelijke en technische kennis over brandveiligheid bij de gebruikers van Rijkshuisvesting blijkt soms onvoldoende.

Om de problematiek te verlichten zijn binnen de Rgd verschillende initiatieven ontwikkeld, waaronder het maken van een voorzet voor Rgd-beleid en een kennisnetwerk. Daarnaast is in 2003 een handleiding voor gebruikers over brandveiligheid opgesteld. Er vindt overleg plaats met de gemeente Den Haag over een samenwerking waar het gaat om de problematiek met betrekking tot gebruiksvergunningen. Een eerste resultaat van dit overleg is dat objectgegevens onderling tussen de Rgd en de gemeente Den Haag zijn afgestemd, zodat voor beide partijen helder is in hoeverre aan gestelde brandveiligheidseisen wordt voldaan.

1.2 Baten en lasten in evenwicht

1.2.1 Baten en lasten in evenwicht: de beleidsdoelstelling

De Rgd streeft naar een bedrijfsresultaat waarbij de baten en lasten meerjarig met elkaar in evenwicht zijn. Na vijf jaar ervaring met het nieuwe rijkshuisvestingsstelsel blijkt dat zich van jaar op jaar relatief grote afwijkingen kunnen voordoen ten opzichte van een nul-stand (baten en lasten exact in evenwicht). De grootste afwijkingen in het resultaat doen zich voor bij grote dotaties of vrijval van voorzieningen, bijvoorbeeld bij de voorzieningen boekwaarderisico en leegstand. Conclusies of de baten en lasten in totaliteit over een langere periode met elkaar in evenwicht zijn kunnen pas na een aantal jaren worden getrokken. Het is dan mogelijk een onderscheid te maken tussen incidentele en structurele mee- en tegenvallers. Bij de evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel in 2004 wordt dit onderwerp meegenomen.

 Realisatie 1999 EUR1000Realisatie 2000 EUR1000Realisatie 2001 EUR1000Realisatie 2002 EUR1000Realisatie 2003 EUR1000
Totaal baten844 896974 8111 008 0251 157 4241 426 746
Totaal lasten834 375923 204997 1491 128 1701 363 956
Saldo10 52151 60710 87629 25462 790

Bron: IRIS

1.2.2 Baten en lasten in evenwicht: de operationele doelstelling

Adequate huisvesting moet worden gerealiseerd met inachtneming van de doelstelling dat een bedrijfsresultaat moet worden bereikt waarbij de baten en lasten meerjarig met elkaar in evenwicht zijn. Een goed inzicht in en beheersing van de bedrijfseconomische risico's en meerjarig vooruitkijken zijn dan een vereiste. Met maatregelen die voortdurend het financieel beheer moeten verbeteren en de implementatie van het nieuwe financiële informatiesysteem wordt beoogd dat de administratie een tool of management wordt waarmee risico's, zoals boekwaardeen leegstandsrisico's, kunnen worden beheerst.

1.2.3 Baten en lasten in evenwicht: de prestatie-indicatoren

1.2.3.1 Het leegstandspercentage

De Rgd streeft naar een geringe leegstand zodat de kosten van leegstand worden beperkt. Dynamiek in de huisvestingsvoorraad resulteert per definitie in enige leegstand.

Leegstand in het huur-/verhuurstelselper 31-12-1999per 31-12-2000per 31-12-2001Per 31-12-2002Per 31-12-2003
Leegstand in m2 bvo (x 1 000)114128135103148
Voorraad huur-/verhuur in m2 bvo (x 1 000)5 7655 8575 9796 2326 716
Leegstandspercentage2,0%2,2%2,3%1,7%2,2%
Leegstandspercentage in verhuurbare m2 bvo  1,0%0,8%1,4%

Bron: IRIS

De leegstand is per ultimo 2003 ten opzichte van 2002 gestegen naar 2,2%. De hogere leegstand is te verklaren doordat overtollige panden moeilijk verkoopbaar zijn in de huidige markt met een hoge leegstand in de kantorensector.

De leegstand in m2 bvo betreft alle m2 bvo die ultimo boekjaar niet via een gebruikscontract zijn verhuurd, maar kan onderscheiden worden in:

Niet verhuurbare m2 bvo; het betreft hier m2 bvo waarvoor reeds een (nieuwe) klant is gevonden die de kosten financiert via een reserveringsvergoeding of meefinanciert tijdens de renovatie in de projectkosten.

Nog verhuurbare m2 bvo; het betreft hier m2 bvo waarvoor nog geen nieuwe klant is gevonden en waarvan de kosten gedekt moeten worden uit de voorziening leegstand. Dit aandeel is weergegeven in het leegstandspercentage in verhuurbare m2 bvo.

De sturing van de Rgd is het meest gericht op de indicator nog verhuurbare m2 bvo. Deze leegstand moet zo beperkt mogelijk worden gehouden, zonder de mogelijkheden van flexibel verhuren binnen de voorraad te beperken. Genomen maatregelen om leegstand in verhuurbare m2 bvo te beperken zijn het ingeval van overtolligheid direct aanmelden bij Domeinen ter verkoop en ingeval van hergebruik zo spoedig mogelijk realiseren van nieuwe huisvesting. Daarnaast geldt bij nieuwe contracten een variabele opslag voor leegstand, waarvan de hoogte is gerelateerd aan de lengte van het contract. Hiermee is een prikkel bij de klanten geïntroduceerd om langlopende contracten af te sluiten, waarmee op termijn de leegstandsrisico's voor de Rgd worden beperkt.

1.2.3.2 Spreiding van de gebruikscontracten over de verschillende (resterende) looptijden

Door de looptijd te volgen van de gebruikscontracten ontstaat een indicatie op welke termijn de Rgd meer dan normale bedrijfseconomische risico's loopt en of er sprake is van een trend. Afname dan wel toename van de gemiddelde looptijd kan bijvoorbeeld een aanleiding zijn de leegstandsopslag of de gemiddelde afschrijvingsduur te herzien in relatie tot de respectievelijke toe- dan wel afname van het risico.

Spreiding gebruikscontracten over looptijd (eigendomspanden) begin 2003

kst-29540-24-19.gif

Bron: IRIS

Spreiding gebruikscontracten over looptijd (eigendomspanden) eind 2003

kst-29540-24-20.gif

Bron: IRIS

Bovenstaande grafieken laten de ontwikkeling zien in de looptijd van de gebruikscontracten voor de eigendomspanden per eind 2003 inclusief de bijbehorende gebruiksvergoedingen en in de contracten opgenomen m2 bvo (dus exclusief niet verhuurde m2 bvo).

De mutaties tussen de grafieken van begin en eind 2003 zijn gering aangezien de meeste contracten als ingangsdatum 1-1-1999 hebben. Het aantal contracten dat binnen 1 jaar afloopt is relatief hoog omdat 56 contracten doorlopend zijn en steeds met 1 jaar worden verlengd. Medio 2006, 2013 en 2018 lopen gelijktijdig veel contracten af. De spreiding van de contracten over de jaren van afloop wordt geleidelijk beter.

1.3 Toegevoegde waarde

1.3.1 Toegevoegde waarde: de beleidsdoelstelling

De Rgd wil de schaal en positie van de rijkshuisvesting benutten om kostenvoordelen en risicoreductie te bereiken voor zijn klanten. En via brede inzet van kennis en expertise toegevoegde waarde leveren. Met de rijkshuisvesting kan worden bijgedragen aan de realisatie van rijksbeleid en kan invulling worden gegeven aan de voorbeeldfunctie van het rijk op onder meer het gebied van duurzaam bouwen en aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke gebieden. De brede inzet van kennis en expertise komt onder meer tot uitdrukking in de coördinatie van het bouwbeleid en architectuurbeleid dat zich verder uitstrekt dan alleen rijksgebouwen.

Er is in 2003 geen Meerjaren Beleidsplan Rijkshuisvesting opgesteld. De mate waarin rijksbeleid geïntegreerd is in het huisvestingsproces maakt onderdeel uit van de Evaluatie Stelselwijziging. Op grond van de uitkomsten van de evaluatie zal besloten worden of een Meerjaren Beleidsplan Rijkshuisvesting nodig is.

1.3.2 Toegevoegde waarde: de operationele doelstelling

De instrumenten Coördinatie van het bouwbeleid, Duurzaam bouwen utiliteitssector en Energiebesparing rijkshuisvesting zijn beschreven bij artikel 3. De instrumenten beheer monumenten en architectuurbeleid zijn toegelicht bij artikel 6.

1.3.3 Toegevoegde waarde: de prestatie-indicatoren

1.3.3.1 De monumentenvoorraad

Monumenten maken een substantieel deel uit van de Rgd-voorraad: in 2003 kwam het aandeel van de monumenten op 14% van de totale voorraad. Het aandeel in de eigendomsvoorraad is zelfs nog iets hoger. In onderstaand overzicht wordt de situatiein 2003 weergegeven.

Monumenten in Rgd-voorraad in 2003
 Primair huisvestingsfunctie Primair erfgoedfunctieTotaal
 m2 bvo (x 1 000)aantalm2 bvo (x 1 000)aantalm2 bvo (x 1 000)aantal
Monumenten9343044470978374
Waarvan cat. 14281054265470170

Bron: IRIS

Het overgrote deel van de monumenten heeft een (rijks-)huisvestingsfunctie.

Enkele tientallen monumenten hebben een primaire erfgoedfunctie. Het gaat hier om onder meer graftombes en (ruïnes van) kastelen waarvan de Staat der Nederlanden eigenaar is en die in beheer zijn bij de Rgd.

In 2003 is een verbeterslag gemaakt in de inventarisatie van de monumenten, via de zogeheten Nen 2580 methodiek. Deze verbeterslag zal in 2004 worden afgerond. Een vergelijking met de eerder gepresenteerde cijfers biedt door de gewijzigde systematiek weinig informatie.

1.3.3.2 Duurzaam bouwen

In de afgelopen jaren is duurzaamheid breder in de advisering van de Rijksgebouwendienst geïmplementeerd. In diverse projecten zijn aanwijsbare bijdragen aan duurzaam bouwen gerealiseerd.

Om de drempel voor ambitieuze projecten te verlagen, is samen met marktpartijen gewerkt aan de GreenCalc, een instrument waarmee de duurzaamheid van alternatieve oplossingen voor een huisvestingsvraag al vanaf de initiatieffase is te kwantificeren. Het instrument is bedoeld voor de gehele vastgoedportefeuille.

Binnen het beleidsprogramma duurzaam bouwen zijn in 2003 drie projecten in de utiliteitssector als demonstratieproject gehonoreerd. Het totaal aantal demonstratieprojecten duurzaam beslissen bedraagt hiermee acht.

2 Bedrijfsvoering

2.1 Inleiding

De bedrijfsvoering van de Rgd in 2003 stond in het teken van een solide financieel beheer in een gewijzigde organisatiestructuur volgens een functioneel front-backofficemodel. De reorganisatie is ingezet om als organisatie meer klantgericht, slagvaardig, efficiënt en innovatief te worden.Tijdens het transitieproces zullen de verworvenheden van de afgelopen drie jaar in de verbetering van het financieel beheer niet verloren mogen gaan. De Algemene Rekenkamer heeft vastgesteld dat in 2002 aantoonbare verbeteringen in het financieel beheer zijn bereikt, maar dat er nog enkele onvolkomenheden aanwezig waren. Daarom is de reorganisatie uitgevoerd binnen de randvoorwaarde dat sprake is van een stabiele interne en administratieve organisatie. Om de stabiliteit te waarborgen, en de onvolkomenheden waarop de Algemene Rekenkamer wijst aan te pakken, zijn acties gedefinieerd waarop in onderstaande paragrafen nader wordt ingegaan.

Mededeling over de bedrijfsvoering agentschap

Een stabiele interne en administratieve organisatie wordt geborgd als sprake is van beheerste processen. Dit betekent dat het management control systeem zodanig heeft gefunctioneerd dat er met betrekking tot de bedrijfsprocessen geldt dat er op basis van een inschatting van de risico's beheersmaatregelen zijn genomen, dat de uitvoering is gemonitord en dat (nieuwe) risico's/tekortkomingen tijdig zijn gesignaleerd en dat hiervoor adequate maatregelen zijn getroffen. De uitspraak beheerste processen betekent niet dat er geen fouten/tekortkomingen kunnen optreden.

In het begrotingsjaar 2003 is op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan de hieronder nader benoemde bedrijfsprocessen van de Rijksgebouwendienst. Op basis van een risicoanalyse is een systematische afweging gemaakt inzake de in te zetten instrumenten van sturing en beheersing. Dit omvat mede het vaststellen van het van toepassing zijnde normenkader en de uitgangspunten voor opname van aandachtspunten in deze mededeling.

Deze mededeling heeft de volgende bedrijfsprocessen als reikwijdte: financieel en materieel beheer alsmede de daartoe aangehouden administraties, informatiebeveiliging, Wet bescherming Persoonsgegevens, personeelsbeleid (betreft normen gesteld aan management ontwikkeling, arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en personeelsontwikkeling) en enkele organisatieaspecten (betreft normen gesteld aan formele reorganisaties en oriënterende onderzoeken).

Een en ander heeft in het begrotingsjaar 2003 geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen binnen de Rijksgebouwendienst. Daarbij is een aantal punten van aandacht naar voren gekomen waarvoor de volgende verbeteractie wordt gestart:

• De processen inzake de ontwikkeling en de beheersing van de materiële vaste activa zullen in 2004 verder verbeterd worden.

2.2. Opmerkingen Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer heeft over 2002 een vervolgbezwaaronderzoek uitgevoerd naar het financieel beheer van de Rijksgebouwendienst. Hierin is een verdere verbetering van het financieel beheer geconstateerd. Dat dit gecombineerd was met de voorbereiding van de nieuwe organisatie werd als positief beoordeeld. De Algemene Rekenkamer was van mening dat het vervolgbezwaaronderzoek kon worden beëindigd, maar dat het financieel beheer nog wel enkele onvolkomenheden vertoonde:

• Tijdige en tussentijdse managementinformatie

De Algemene Rekenkamer constateerde dat volledige en tijdige tussentijdse managementinformatie nog niet optimaal was. In het jaar 2003 zijn hier aanzienlijke verbeteringen bereikt, waarbij er tevens rekenschap moet worden gegeven aan het feit dat de inrichting van de nieuwe organisatie tevens heeft geleid tot een andere inrichting van de financiële functie. Bij alle directies is nu een controlfunctie aanwezig, voor de administratie is een shared service-organisatie ingericht. In het Handboek managementinformatie zijn de relevante prestatie-indicatoren van de Rgd uitgewerkt. In 2004 zal er een data-warehouse-omgeving worden gegenereerd, zodat de informatievoorziening verder verbeterd kan worden. In het jaar 2003 heeft de transitie van de financiële functie pas in de loop van het eerste kwartaal plaatsgevonden, omdat allereerst in de oude structuur de jaarafsluiting 2002 plaats diende te vinden. In de loop van 2003 is de daardoor ontstane achterstand ingelopen, zodat er over het derde kwartaal inzicht kon worden verschaft in de financiële resultaten en de daarbij behorende onzekerheden. Informatievoorziening (onder andere het technisch beheer en informatiebeveiliging), het technisch beheer en de beveiliging van de geautomatiseerde systemen vormden belangrijke aandachtspunten. Zie de paragrafen 2.3.1. tot en met 2.3.3.

• Administratieve organisatie (AO)

Na de voorbereiding van de AO op de gereorganiseerde situatie is in 2003 een onderhoudsorganisatie opgezet waarmee de AO actueel wordt gehouden. Zie paragraaf 2.4.2.

2.3 Informatievoorziening

2.3.1 Informatiesystemen

De reorganisatie van de Rgd heeft ook een andere inrichting van onze informatiesystemen noodzakelijk gemaakt. Deze aanpassing vindt plaats binnen het project Optimalisatie Systeem IRIS (OSIRIS). In fase 1 van dit project zijn alle wijzigingen aangebracht die noodzakelijk waren om op een goede manier een betrouwbaar jaarverslag te kunnen presenteren. Deze fase is begin oktober afgerond. In 2004 zal de tweede fase van OSIRIS worden uitgevoerd. Hierin zullen wijzigingen in het informatiesysteem worden aangebracht om een effectievere sturing op de organisatie mogelijk te maken.

2.3.2 Informatiebeveiliging

Het project Informatiebeveiliging Rgd (IBR) heeft een actieplan opgesteld om de informatiebeveiliging van de Rgd nog vóór het eind van 2003 sterk te verbeteren. Dat plan is voor een groot deel uitgevoerd en heeft er onder meer toe geleid dat de Rgd vrijwel geheel aan de Baseline Informatiebeveiliging VROM voldoet. Onder meer is het beheer van de informatiesystemen binnen de directie Informatie Voorziening (IV) sterk verbeterd en is de organisatie van de informatiebeveiliging binnen de Rgd formeel geregeld.

Op basis van een lange termijnplan zullen in 2004 voor de kritische processen nieuwe afhankelijkheidsanalyses worden gemaakt en wordt mede op basis daarvan het informatiebeveiligingsbeleid van de Rgd in een beleidsdocument vastgelegd.

2.3.3 Wet Bescherming Persoonsgegevens

Tegelijk met het regelen van de organisatie van de informatiebeveiliging binnen de Rgd zijn ook de bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor het uitvoeren van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) binnen de Rgd helder verdeeld en vastgesteld. Ook is het periodieke proces van inventariseren van de persoonsverwerkingen, het documenteren en zo nodig melden daarvan binnen de Rgd geïmplementeerd.

Inmiddels zijn na de reorganisatie van de Rgd de verwerkingen opnieuw geïnventariseerd en zijn van alle verwerkingen de risicoklassen vastgesteld. In 2004 worden op basis daarvan voor een aantal verwerkingen eventuele aanvullende beveiligingsmaatregelen vastgesteld en ingevoerd.

2.4 Organisatieaspecten – de Reorganisatie

2.4.1 Inleiding

Op 1 januari 2003 is de Kanteling afgerond. Deze reorganisatie, waarbij de regionale structuur is vervangen door een functionele front-backofficestructuur, was een noodzakelijk uitvloeisel van de invoering van het rijkshuisvestingsstelsel per 1 januari 1999 en de omvorming van de Rgd tot een baten-lastendienst. Als gevolg hiervan moet de Rgd zich in denken en handelen bedrijfsmatiger opstellen: meer klantgericht, innnovatief, efficiënt en slagvaardig.

In dat kader heeft in het eerste kwartaal van 2003 een training plaatsgevonden voor alle medewerkers van de Rgd. Deze trainingen werden begeleid door medewerkers (veelal managers) van de Rgd, die hiertoe een kort maar intensief trainingstraject hebben gevolgd. De training, in de vorm van een op maat ontwikkeld simulatiespel, gaf niet alleen inzicht in de nieuwe organisatiestructuur, maar maakte ook de nieuwe werkprocessen en werkwijze inzichtelijk. Belangrijke aspecten hierbij waren samenwerken, werken in teamverband, kostenbewustzijn, kennis delen, inlevingsvermogen hebben in behoeften van klanten en haalbare afspraken maken.

2.4.2 Administratieve organisatie

In 2002 zijn de inrichtingsafspraken voor de nieuwe organisatie vastgesteld. Op basis van deze afspraken zijn de primaire processen van de Rgd beschreven en begin 2003 aan alle Rgd-ers via intranet (Tutor) ter beschikking gesteld. Daarmee kon elke directie op basis van deze procesbeschrijvingen starten met het verder detailleren van de procedures en werkwijzen van de gekantelde organisatie. Op die manier zijn belangrijke verbeteringen doorgevoerd in onder andere het proces van de vastgoedadministratie, het administratief beheer van de verhuurcontracten, de facturering van de gebruiksvergoeding en de dossiervorming van huisvestingsprojecten. Het verbeteren van procedures en werkwijzen is een continu proces. Daarom worden ook in 2004 de procesbeschrijvingen iedere 2-maanden geactualiseerd.

In vrijwel alle procesbeschrijvingen in Tutor is een verwijzing opgenomen naar de nieuwe regeling mandaat, volmacht en machtiging Rgd. Bovendien is in 2003 een competentieregister opgezet waarin de bevoegdheden van de projectverantwoordelijken bij de Rgd expliciet zijn beschreven. Dit register wordt maandelijks geactualiseerd.

Het verder detailleren van de procedures en werkwijzen heeft een extra impuls gekregen met het project OSIRIS. Het administratieve systeem van de Rgd (IRIS) was nog onvoldoende afgestemd op de gekantelde organisatie. Inmiddels zijn de noodzakelijk geachte wijzigingen in kaart gebracht en in Tutor verwerkt.

2.5 Integriteitsbeleid

Naar aanleiding van de strafzaak met betrekking tot een oud-Rgd-medewerker en de parlementaire enquête Bouwnijverheid zijn binnen de Rgd verschillende acties uitgevoerd om de integriteit van de dienst zo goed mogelijk te kunnen waarborgen.

De administratieve organisatie is tegen het licht gehouden, er heeft een interne audit plaats gevonden en het toezicht in het algemeen is sterk verhoogd, ook in relatie tot het behalen van een goedkeurende accountantsverklaring en als uitvloeisel van de nieuwe organisatievorm van de Rgd. De aanbevelingen uit de uitgevoerde integriteitsaudits voor organisatie en cultuur, administratieve organisatie, interne controle, personeelsbeleid en beveiliging worden omgezet in concrete aanpassingen.

Op 7 juni 2002 verscheen het concept-audit rapport van het VROM integriteitsbeleid.

Belangrijke aanbevelingen waren het bevorderen van de bewustwording van integriteit bij medewerkers en het periodiek bespreken van integriteit in werkoverleggen en functionerings- en beoordelingsgesprekken.

De Rgd heeft op voortvarende wijze aan deze aanbevelingen gevolg gegeven. In de directieplannen 2003 zijn concrete maatregelen opgenomen voor de implementatie van het integriteitsbeleid. Over de voortgang is gerapporteerd in de kwartaalrapportages. Ook in de functioneringsgesprekken wordt standaard de integriteit betrokken, met bijzondere aandachtvoor de uitoefening van nevenfuncties. In de werkoverleggen komt integriteit periodiek op de agenda te staan. Integriteit in relatie tot externen wordt verder uitgewerkt. Dit alles in het licht van het bevorderen van een cultuur van openheid en transparantie bij de Rgd.

2.5.1 Parlementaire enquête Bouwnijverheid

In de eerste helft van 2003 heeft de parlementaire behandeling plaatsgevonden van het eindrapport van de Parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid dat was uitgebracht op 12 december 2003, en van de reactie van het kabinet daarop. In de tweede helft lag de nadruk op de uitvoering van de toegezegde acties en aangenomen moties.

In de kabinetsreactie worden de conclusies van het eindrapport onderschreven en wordt een reeks van maatregelen en acties aangekondigd om te voorkomen dat in de toekomst onregelmatigheden in de bouw kunnen plaatsvinden. De Tweede Kamer heeft hiermee ingestemd en op een aantal specifieke aspecten middels moties nog enkele acties aangescherpt.

De interdepartementale afstemming is door de Rgd gecoördineerd zowel tijdens de parlementaire behandeling van het eindrapport en de kabinetsreactie als tijdens de uitvoering van een deel van de acties en moties. Daar waar de acties en moties betrekking hebben op het aanbesteden van werken is met de andere bouwdepartementen afgesproken dat VROM de afstemming blijft verzorgen. Omdat een groot deel van deze acties in hun uitwerking ook de werkwijze van de andere overheden kan beïnvloeden zijn deze overheden, in casu de VNG, het IPO en de UvW, ook bij deze afstemming betrokken.

Als uitvloeisel van de enquête, namelijk vanwege een gewenste strikte scheiding tussen de verschillende rollen van de overheid, is de coördinatie van het bouwbeleid door VROM beëindigd en is het ministerie van EZ als aanspreekpunt voor de bouw aangewezen.

Om na de enquête de verhoudingen met de bouw te normaliseren, zonder terugval in de oude verhoudingen, hebben de ministeries van V&W, EZ en VROM, samen een perspectief voor de bouw opgesteld en dit op 25 november 2003 aan de gehele bouw gepresenteerd. In dit perspectief is de gewenste situatie ten aanzien van de bouw en de verhoudingen met de bouw geschetst. Als tijdshorizon is een periode van 4 jaar genomen. Voor de uitvoering en bewaking van het perspectief wordt een Regieraad in het leven geroepen waarin vanuit VROM de Directeur-Generaal Rgd zal participeren.

2.5.2 Inkoop en aanbestedingsbeleid

In 2003 is het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de Rgd langs verschillende lijnen uitgewerkt, mede in het licht van de uitkomsten van de parlementaire enquête Bouwnijverheid.

De Herziening van de Uniform Aanbestedingreglement (UAR) is eind 2003 gereed gekomen voor bespreking met de sector. Ook is vanuit de Rgd een nadrukkelijke inbreng geleverd aan het zogenoemde «Visiedocument Aanbestedingswet», dat onder verantwoordelijkheid van EZ wordt opgesteld. Het betrof hier vooral de doelstellingen inzake het opdrachtgeversbelang en de marktwerking, als aanvulling op de doelstellingen naleving en handhaving.

In het kader van de verdere professionalisering van het inkoopmanagement heeft een aantal medewerkers trainingen gehad, die geresulteerd hebben in interne inkoopactieplannen voor de verschillende inkooppakketten van de Rgd (bijvoorbeeld ontwerpdiensten, onderhoud, ICT en dergelijke). Ook is daarbij de interne informatievoorziening verbeterd door het koppelen van de huisvestingswensen van de klanten (op te starten projecten) aan de inkoopactiviteiten (opdrachten voor ontwerp en bouw).

Een aanbestedingsregister voor bouwprojecten, mede bedoeld als basis voor evaluaties achteraf, is inmiddels in gebruik genomen.

Op basis van de adviezen van de Expertgroep Bijzondere Contracten is een leidraad «Afwegingskader Contractvormen» opgesteld, waarmee projectmanagers kunnen beoordelen welke contractvorm het meest geëigend is voor hun project.

Recente jurisprudentie inzake de toepassing van de EG-aanbestedingsrichtlijnen is geïmplementeerd in de vorm van concrete werkinstructies.

Innovatieve aanbesteding is toegepast bij twee pilots voor elektronisch aanbesteden. Hierbij vindt een aantal biedrondes plaats. De aanbieders krijgen geanonimiseerd inzicht in de hoogte van het bod van de anderen en kunnen beoordelen of zij hun eigen bod willen aanpassen in de volgende biedronde. Beide pilots zijn succesvol verlopen en leidden tot lagere inkoopprijzen voor de Rgd.

2.5.3 Audit kleine inkopen en audit grote inkopen

Het uitvoeren van een tweetal operational audits gericht op het inkoopproces betekent een belangrijke impuls ter verbetering hiervan bij de Rgd. De audit kleine inkopen betrof inkopen kleiner dan € 500 000 en de audit grote inkopen alle inkopen boven dit bedrag. De audits hebben betrekking op inkopen die in de jaren 2001 en 2002 hebben plaatsgevonden.

Met de resultaten van de audits kunnen de ingezette verbetertrajecten bij de directies Beheer en Projecten worden ondersteund.

De audits zijn door de Rgd uitgevoerd in samenwerking met medewerkers van de Accountantsdienst van VROM, op basis van een vooraf uitgevoerde selectie van te controleren inkopen. Hierbij is gebruik gemaakt van procesbeschrijvingen, regelgeving, dossiers, informatie uit IRIS en het houden van interviews. Bij de aanpak van de audit stonden de volgende zaken centraal:

Het benoemen van processtappen van het inkoopproces;

Het opstellen van auditnormen per processtap;

Het communiceren over de audit.

Één van de belangrijkste conclusies uit de audit is dat de bevoegdhedenstructuur aangepast moet worden. Deze aanpassing heeft plaatsgevonden en is eind 2003 geïmplementeerd.

Onderdelen van het inkoopproces worden verder aangepast om de inkopen beter te kunnen beheersen. Het gaat hierbij om onder andere de rol van de projectleider, de beschikbaarheid, de kwaliteit en het gebruik van instrumenten, het controleerbaar vastleggen van keuzes en de wijze waarop per categorie van inkopen moet worden omgegaan met prestatieverklaringen.

De resultaten van de audit op kleine inkopen zijn in het vierde kwartaal van 2003 vertaald in een opdracht om bij de directie Beheer een groot gedeelte van de adviezen verder uit te werken en te implementeren. In het eerste kwartaal 2004 komt een gebruikersvriendelijk overzicht van de kern van de regelgeving gereed waarmee inkopers rekening moeten houden, en wordt de herziening van de processtappen voor kostenramingen, offertes aan de klant, offertes van leveranciers, uitvoeren van contractmanagement, vervaardigen van prestatieverklaringen, verrichten van betalingen en het uitvoeren van toezicht, afgerond.

Ook op de grote inkopen is in 2003 een audit uitgevoerd. De bevindingen en adviezen met betrekking tot deze inkopen zullen in het eerste kwartaal 2004 nog nader worden bestudeerd en naar verwachting zal de directie Projecten begin 2004 de nodige verbeterstappen organiseren. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de bevindingen die bij het verbetertraject met betrekking tot de kleine inkopen zijn opgedaan.

2.6 Goed functionerende Rgd

Naast de hoofddoelstellingen, die zijn beschreven in hoofdstuk 1, heeft de Rgd een randvoorwaarde geformuleerd waarbinnen deze doelstellingen gerealiseerd moeten worden: een goed functionerende Rgd. Hieronder wordt enerzijds verstaan een Rgd die doelmatig en rechtmatig handelt. Anderzijds heeft dit betrekking op factoren als tevreden en gemotiveerde medewerkers en een laag ziekteverzuim.

2.6.1 Gemiddelde loonkosten ambtelijk personeel

In onderstaande tabel zijn de gemiddelde loonkosten en bezetting ambtelijk personeel over de afgelopen 5 jaren opgenomen.

 19992000200120022003
Loonkosten per fte48 75850 89852 36654 89855 901
Gemiddelde bezetting875887935977987

Onder de loonkosten ambtelijk personeel vallen de salarissen, inclusief aanspraken vakantiegeld en eindejaarsuitkering, tegemoetkoming ziektekosten, pc-privéregeling en incidentele beloningen.

De gerealiseerde gemiddelde loonkosten wijken af van de raming. In de begroting 2003 zijn gemiddelde loonkosten per fte in 2003 van € 56 195 opgenomen. Daarbij is uitgegaan van totale loonkosten ambtelijk personeel van € 53,835 mln. bij een gemiddelde bezetting ambtelijk personeel van 958 fte.

2.6.2 Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel

De verwachte gemiddelde bezetting ambtelijk personeel bedroeg in 2003 958 fte's. De stand op 1 januari 2003 was 972 fte en op 31 december 2003 990 fte, met een gemiddelde bezetting van 987 fte. De voornaamste oorzaak van de stijging is de invulling van 15 vacatures bij de stafafdeling Bedrijfsvoering, die niet eerder ingevuld konden worden vanwege de reorganisatie.

2.6.3 Het ziekteverzuim

De doelstelling in 2003 bedroeg een ziekteverzuimpercentage van 7%. In 2003 is een ziekteverzuim van 5,5% gerealiseerd, waarmee de dalende lijn vanaf 2001 (7,6%) en 2002 (6,9%) zich heeft voortgezet. De Rgd volgt daarmee de landelijke trend voor wat betreft het dalen van het ziekteverzuim, mede door de invulling van het ARBO jaarplan en de Wet Poortwachter.

2.6.4 Milieuzorg facilitaire processen

Binnen VROM zijn de afgelopen jaren al veel maatregelen op het vlak van interne milieuzorg genomen. De Rgd heeft in het verleden in diverse gremia van milieuzorg geparticipeerd en alle onder de vlag van VROM genomen maatregelen overgenomen waaronder het gescheiden inzamelen van papier, het milieuvriendelijk afvoeren van chemische materialen (batterijen, toners e.d.) en het gebruik van milieuvriendelijke koffiebekers bij alle vestigingen. Verder past de Rgd stringent de beleidslijn toe dat aanbieders van producten en diensten dat op een milieuvriendelijke wijze doen. Zo is begin 2003 door de Rgd een contract met Ahrend aangegaan voor de inkoop van kantoorartikelen, omdat Ahrend overwegend milieuvriendelijke artikelen aanbiedt.

2.6.5 Rijkshuisvesting buiten de Rgd

In het statuut van het Agentschap Rijksgebouwendienst is vastgelegd dat voor de producten inzake rijkshuisvesting van de Rgd voor de rijksdiensten een verplichte winkelnering bij de Rgd geldt. Een uitzondering vormen service- en advieswerkzaamheden die door de ministeries optioneel (en op tariefbasis) van de Rgd kunnen worden afgenomen.

Door de Rgd zijn alle ministeries aangeschreven met het verzoek om, ingeval van de verplichte winkelnering is afgeweken, dit aan de Rgd te melden.

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft gemeld dat voor het Rathenau instituut op de markt is gehuurd, maar dat zodra herhuisvesting aan de orde is, huisvesting via de Rgd loopt. Het ministerie van Financiën heeft gemeld dat één object in Den Haag buiten de Rgd om is gehuurd.

De Rgd zal met beide ministeries afstemmen op welke wijze de huisvesting via de Rgd zo snel en efficiënt mogelijk kan worden geregeld.

B Jaarrekening «Rijksgebouwendienst»

3 Samenvattende verantwoordingsstaat 2003 inzake agentschap Rijksgebouwendienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)

Bedragen in EUR1000
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgesteld begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
01Rijksgebouwendienst   
     
 Totale baten1 013 2371 426 746413 509
 Totale lasten1 038 0711 363 956325 885
 Saldo van baten en lasten-/- 24 83462 79087 624
     
 Totale kapitaalontvangsten488 796486 960-/- 1 836
 Totale kapitaaluitgaven629 124677 01947 895

Mij bekend,

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

4 Balans van het Agentschap Rgd per 31 december 2003

Bedragen in EUR1000
 31 december 200331 december 2002
ACTIVA  
   
Vaste activa  
Immateriële vaste activa5 65911 319
   
Materiële vaste activa:  
Grond en gebouwen4 257 2303 932 866
Onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)429 692565 061
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen2 5362 483
 4 689 4584 500 410
   
Egalisatierekening534 920435 315
   
Vlottende activa  
Onderhanden werk adviezen, services en overig50 74235 608
Debiteuren en overige vorderingen82 79929 181
Overlopende activa14 94917 944
 148 49082 733
   
Liquide middelen225 999207 874
   
TOTAAL ACTIVA5 604 5265 237 651
   
PASSIVA  
Eigen vermogen  
Exploitatie reserve46 67941 288
Onverdeeld resultaat62 79029 254
 109 46970 542
   
Voorzieningen  
Voorziening Planmatig onderhoud206 942200 483
Voorziening Asbestverontreiniging51 41461 610
Voorziening Reorganisatie6 53012 562
Voorziening Leegstand26 03114 231
Overige voorzieningen15 80540 011
 306 722328 897
Langlopende schulden  
Leenfaciliteit Financiën4 894 2144 623 323
Overige langlopende schulden8 17617 761
 4 902 3904 641 084
   
Kortlopende schulden  
Nazorgbudgetten27 93016 687
Crediteuren51 58625 108
Overige schulden en overlopende passiva206 429155 333
 285 945197 128
   
TOTAAL PASSIVA5 604 5265 237 651

4.1 Toelichting op de balans

Algemene grondslagen voor de waardering

De algemene grondslag voor de waardering van de (im)materiële vaste activa is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs inclusief BTW, verminderd met afschrijvingen. De Rgd heeft ook klanten die hebben geopteerd voor het leveren van met BTW belaste prestaties. Objecten welke zijn verhuurd aan deze klanten zijn (voor zover van toepassing) gewaardeerd exclusief BTW. Voor zover niet anders is vermeld, worden de activa en passiva gewaardeerd tegen nominale waarde.

4.1.1 Vaste activa

4.1.1.1 Immateriële vaste activa

Deze post omvat activa die niet stoffelijk van aard zijn, langdurig dienstbaar zijn aan, essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van het agentschap en toekomstige economische voordelen in zich hebben. Er wordt lineair afgeschreven met een afschrijvingstermijn van 5 jaar. Onder deze post is opgenomen het geïntegreerde informatiesysteem (IRIS).

In 2003 is een schattingswijziging verwerkt met betrekking tot de resterende economische levensduur. Deze wijziging wordt ingegeven door in de praktijk gebruikelijke voorzichtige afschrijvingstermijn voor computersoftware van 3 jaar. De resterende levensduur begin 2003 is geschat op twee jaar. De schattingswijziging resulteert in een verhoging van de afschrijvingslasten in 2003 en 2004 ad € 2 059 000.

Immateriële Vaste Activa EUR1000
Historische kostprijs18 001 
Cumulatieve afschrijving6 682 
Boekwaarde per 1 januari 2003 11 319
   
Mutaties in de boekwaarde  
Investeringen+ /+0
Afschrijvingen–/-5 660
Boekwaarde per 31 december 2003 5 659

4.1.1.2 Materiële vaste activa

Deze post omvat alle onroerende en roerende goederen die langdurig dienstbaar zijn aan, essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van het agentschap en toekomstige economische voordelen in zich hebben. Deze post valt uiteen in de grond (inclusief afgekochte erfpachtrechten) en gebouwen die de Rgd in economisch eigendom heeft, inclusief de inbouwpakketten in huurpanden, de onderhanden investeringsprojecten en inventaris en overige bedrijfsmiddelen. De materiële vaste activa zijn verminderd, voor zover noodzakelijk, met voorzienbare waardeverminderingen, indien deze naar verwachting duurzaam zullen zijn. Op de post materiële vaste activa is een voorziening voor boekwaarderisico in mindering gebracht. Het boekwaarderisico wordt in de jaarverantwoording opgenomen voor zover een ingeschat risico zich voor zal doen in een periode van vijf jaar na balansdatum.

De afschrijvingen geschieden lineair overeenkomstig de verwachte economische levensduur en zijn berekend op basis van een vast percentage van de historische kostprijs per activa(sub)categorie.

De afschrijvingstermijnen zijn:

ActivacategorieAfschrijvingstermijn in jaren
Grond0
Erfpachtrechten5–50
Gebouwen, incl. inbouwpakketten15–60
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen3–15

4.1.1.2.1 Grond en gebouwen

De bepaling van de historische verkrijgings- of vervaardigingsprijs van de materiële vaste activa die een onderdeel zijn van het stelsel van huur en verhuur heeft voor de bestaande voorraad per 1-1-1999 plaats gevonden door toepassing van het Lineamodel. Door middel van dit model zijn de (technische) componenten per gebouw geïnventariseerd en gewaardeerd. De nieuw opgeleverde projecten vanaf 1999 zijn gewaardeerd op basis van de daadwerkelijke investeringskosten.

De investeringen in inbouwpakketten vanaf 1999 worden gewaardeerd op basis van de werkelijke investeringskosten. Afschrijving vindt plaats op basis van de vastgestelde levensduur van 15 jaar, dan wel de duur van de huurovereenkomst als deze korter is, of 20 jaar indien er sprake is van nieuwe investeringen in inbouwpakketten van kernministeries of penitentiaire inrichtingen.

Objecten, welke geen onderdeel vormen van het stelsel van huur en verhuur, zijn voor € 1 op de balans opgenomen. Hieronder vallen alle objecten die volledig worden verhuurd aan derden, het niet verhuurde deel van de Monumenten met een Erfgoedfunctie en de objecten ten behoeve van de huisvesting van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken.

Grond en gebouwen (incl. afgekochte erfpacht en inbouwpakketten in huurpanden)
  EUR1000
Balanspost per 1 januari 20033 932 866 
Voorziening boekwaarderisico +/+115 758 
Boekwaarde grond en gebouwen per 1 januari 2003 4 048 624
   
Mutaties in de boekwaarde  
Opgeleverde onderhanden investeringsprojecten (incl. nazorg) +/+625 477 
Afschrijvingen -/-279 896 
Desinvesteringen (boekwaarde) -/-12 481 
   
Boekwaarde grond en gebouwen per 31 december 2003 4 381 724
Voorziening boekwaarderisico -/- 124 494
Balanspost per 31 december 2003 4 257 230

Op de waarde van de grond, welke de Rgd in economisch eigendom heeft, wordt niet afgeschreven. Grond waarbij sprake is van afgekochte erfpacht, is gewaardeerd tegen het nog niet geamortiseerde deel van de aanschaffingsprijs. Grond waarbij sprake is van erfpacht met een verplichting tot het betalen van een jaarlijkse canon, wordt niet geactiveerd. Dit geldt eveneens voor overige niet in economisch eigendom zijnde gronden.

In de afschrijvingen is een bijzondere waarvermindering van € 25,6 mln opgenomen voor het object, waarin tot najaar 2003 het ministerie van OCW was gehuisvest. Deze post wordt ook zichtbaar onder de afschrijvingen in de resultatenrekening (zie 5.1.2.11).

In het volgende overzicht wordt nader inzicht verschaft in de afgekochte erfpachtrechten, de (resterende) looptijd en het nog niet geamortiseerde bedrag (boekwaarde) ultimo 2003.

Erfpachtrechten
 Afkoopsom EUR1000Restant looptijd per 31-12-2003Boekwaarde per 31-12-2003 EUR1000
Oorspronkelijke duur 18 jaar (2 percelen)3 676102 042
Oorspronkelijke duur 19 jaar (1 perceel)11138
Oorspronkelijke duur 23 jaar (1 perceel)5 867184 625
Oorspronkelijke duur 50 jaar (2 percelen)58941483
Totaal10 143 7 158

4.1.1.2.2 Voorziening boekwaarderisico

Op de boekwaarde van de materiële vaste activa is, voor zover noodzakelijk, een voorziening voor boekwaarderisico in mindering gebracht, indien de directe opbrengstwaarde bij verwachte afstoot lager zal zijn dan de resterende boekwaarde op het moment van afstoot, inclusief eventuele kosten van sloop. Afwaarderingen van materiële vaste activa in het lopend boekjaar in verband met onverhuurbaarheid en het slopen van objecten zonder verkoop van de grond lopen niet via de voorziening boekwaarderisico.

De directe opbrengstwaarde is minimaal de opbrengst bij sloop van het betreffende object. De voorziening kent een horizon van 5 jaar. De grootste risico's bij de Rgd doen zich binnen deze tijdshorizon voor in het jaar 2006, wanneer gelijktijdig veel contracten aflopen (zie paragraaf 1.2.3.2). De totale omvang van de voorziening is toegenomen vanwege de verwachte afname in de klantvraag in de komende jaren in relatie tot de verwachte afslanking bij de ministeries, waardoor minder behoefte is aan m2 bvo huisvesting.

Op de risico's ná deze periode wordt nader ingegaan in de risicoparagraaf (paragraaf 4.3).

Voorziening boekwaarderisico
 EUR1000
Stand per 1 januari 2003115 758
  
Mutaties 
Onttrekkingen -/-3 540
Dotatie +/+65 346
Vrijval -/-53 070
Stand per 31 december 2003124 494
  
Verwachte onttrekkingen 
1 jaar10 090
2 jaar14 109
3 jaar52 883
4 jaar4 873
5 jaar42 539
Totaal124 494

4.1.1.2.3 Onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)

De onderhanden huisvestingsprojecten zijn gewaardeerd tegen historische kostprijs, inclusief ontwikkelingskosten en financieringsrente over het gemiddeld geïnvesteerd vermogen. Op de stand onderhanden huisvestingsprojecten zijn, indien noodzakelijk, voorzienbare negatieve projectresultaten in mindering gebracht. In de jaarverantwoording 2002 werd dit type onderhanden werk nog «onderhanden werk investeringsprojecten» genoemd. Wij hebben deze omschrijving aangepast om aansluiting te vinden bij de producten die de Rgd levert. Inhoudelijk betreft het dezelfde post.

Onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)
 EUR1000
Stand per 1 januari 2003565 061
  
Mutaties 
Investeringen +/+490 108
Opgeleverd onderhanden investeringsprojecten -/-625 477
Stand per 31 december 2003429 692

4.1.1.2.4 Inventaris en overige bedrijfsmiddelen

Deze post omvat de overige roerende goederen die langdurig dienstbaar zijn aan de bedrijfsvoering van het agentschap en toekomstige economische voordelen in zich hebben. De inventaris bestaat uit automatiseringsmiddelen, communicatiemiddelen, kantinevoorzieningen, kantoormeubilair en vervoermiddelen voor zover niet in eigendom van het moederdepartement VROM.

De overige bedrijfsmiddelen bestaan uit de installaties ten behoeve van de eigen Rgd-huisvesting waarvoor de Rgd als gebruiker verantwoordelijk is in het kader van de Regeling Taakverdeling Beheer (RTB).

Activering van inventaris en overige bedrijfsmiddelen vindt plaats op het moment van aanschaf. De inventaris en de overige bedrijfsmiddelen zijn gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs minus afschrijvingen. De afschrijving van inventaris en de overige bedrijfsmiddelen vangt aan in het eerste jaar volgend op het jaar van aanschaf en de afschrijvingstermijnen variëren per categorie tussen 3–15 jaar.

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen
  EUR1000
Historische kostprijs5 459 
Cumulatieve afschrijving -/-2 976 
Boekwaarde per 1 januari 2003 2 483
   
Mutaties in de boekwaarde  
Investeringen +/+ 758
Afschrijvingen -/- 662
Desinvesteringen (boekwaarde) -/- 43
Boekwaarde per 31 december 2003 2 536

4.1.1.2.5 Egalisatierekening

Deze post heeft betrekking op de egalisatie als gevolg van de huurprijsmethode waarbij er sprake is van een constante huurprijs over de contractperiode, afgezien van de toegepaste indexering. De jaarlijkse opbrengst uit hoofde van de gebruiksvergoedingen kent derhalve een constante reeks, terwijl de kosten van rente en afschrijving over de jaren heen variëren. Het verschil tussen kosten en opbrengsten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd en in de balans tot uitdrukking gebracht in een langlopende vordering op de gebruikers van de objecten. De vordering wordt over de totale contractperiode geneutraliseerd en is bij afloop van het contract nihil. Bij vroegtijdige contractontbinding wordt de opgebouwde vordering (=egalisatie) door de klant afgekocht.

De egalisatie is berekend op basis van de aannames bij de berekening van de gebruiksvergoeding en de vooraf geraamde inflatie. De verschillen tussen de geraamde en de werkelijke inflatie komen direct tot uitdrukking in het resultaat.

Egalisatierekening
  EUR1000
Egalisatie afschrijvingskosten 1 januari 2003190 650 
Egalisatie rentekosten 1 januari 2003 +/+244 665 
Stand per 1 januari 2003 435 315
   
Mutaties  
Egalisatie afschrijvingskosten 2003 +/+47 791 
Egalisatie rentekosten 2003 +/+56 876 
Afgekochte egalisatie afschrijvingskosten -/-2 309 
Afgekochte egalisatie rentekosten -/-2 753 
Totaal mutaties 2003 99 605
   
Egalisatie afschrijvingskosten per 31 december 2003236 132 
Egalisatie rentekosten 31 december 2003 +/+298 788 
Stand per 31 december 2003 534 920

4.1.2 Vlottende activa

Wijziging grondslag waardering onderhanden werk

In het jaar 2003 is er een wijziging in de grondslag van de waardering van het onderhanden werk doorgevoerd. Tot 2003 werden de kosten en de opbrengsten van een project genomen bij definitieve oplevering van het project. Gezien het karakter van de regieopdrachten worden vanaf 2003 de kosten en de opbrengsten van projecten reeds bij facturatie genomen. Er zijn dus geen vooruitgefactureerde bedragen meer op onderhanden werk. Bovendien wordt hierdoor in 2003 éénmalig een substantieel hoger bedrag aan opbrengsten en kosten verantwoord op deze producten. Dit effect is het sterkst waarneembaar bij het product kleine projecten voor ministeries. Zie hiervoor de toelichting bij onderhanden werk kleine huisvestingsprojecten in de volgende paragraaf en de toelichting bij paragraaf 5.1.2.7.

4.1.2.1 Onderhanden werk adviezen, services en kleine huisvestingsprojecten

Onderhanden werk services, adviezen en overig
 EUR1000
Onderhanden werk services1 445
Onderhanden werk adviezen22 986
Onderhanden werk kleine huisvestingsprojecten26 311
Totaal per 31 december 200350 742

Het onderhanden werk adviezen, services en kleine huisvestingsprojecten is gewaardeerd op basis van externe en interne kosten die aan deze activiteiten kunnen worden toegerekend. Op de stand van het onderhanden werk zijn, indien noodzakelijk, voorzienbare verliezen in mindering gebracht.

Onderhanden werk services
 EUR1000
Stand per 1 januari 2003456
  
Mutaties 
Geactiveerde kosten services +/+6 473
Kostprijs opgeleverde services -/-5 484
Gefactureerde termijnen -/-0
Stand per 31 december 20031 445

Het onderhanden werk services betreft de werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend, maar die op verzoek van de afnemer door de Rgd worden verricht.

Onderhanden werk adviezen
 EUR1000
Stand per 1 januari 200325 848
  
Mutaties 
Geactiveerde kosten adviezen +/+10 206
Kostprijs opgeleverde adviezen -/-13 068
Gefactureerde termijnen -/-0
Stand per 31 december 200322 986

Het onderhanden werk adviezen betreft de onderhanden advieswerkzaamheden (zowel project als niet-project gebonden).

Onderhanden werk kleine huisvestingsprojecten (a fonds perdu)
 EUR1000
Stand per 1 januari 20039 304
  
Mutaties 
Geactiveerde kosten kleine projecten +/+234 523
Kostprijs opgeleverde kleine projecten -/-217 516
Gefactureerde termijnen -/-0
Stand per 31 december 200326 311

Dit zijn de huisvestingprojecten waarvoor, vanwege de geringe omvang, geen beroep wordt gedaan op de leenfaciliteit. Waardering vindt plaats tegen kostprijs inclusief een toerekenbaar deel van de apparaatskosten van de Rgd. Door de wijziging in de waarderinggrondslag wordt in 2003 éénmalig een hoge kostprijs en opbrengst op dit product gepresenteerd. (zie hiervoor de toelichting van de post kleine projecten voor ministeries in paragraaf 5.1.1.6).

4.1.2.2 Debiteuren en overige vorderingen

De vorderingen zijn, voor zover noodzakelijk, opgenomen onder aftrek van een voorziening voor mogelijke oninbaarheid (dubieuze debiteuren).

Debiteuren en overige vorderingen
 EUR1000
Debiteuren per 31 december 200369 202
Voorziening dubieuze debiteuren -/-289
Saldo per 31 december 200368 913
  
Stand Overige vorderingen per 31 december 200313 886
Saldo per 31 december 200382 799

De stand van de debiteuren ultimo 2003 is relatief hoog omdat in het laatste kwartaal grote bedragen zijn gefactureerd en doordat de verrekenregeling in de loop van 2003 is afgeschaft.

De voorziening voor dubieuze debiteuren wordt jaarlijks statisch bepaald aan de hand van een inschatting van oninbaarheid per vordering op balansdatum. De volgende specificatie van de voorziening dubieuze debiteuren kan worden gegeven:

Voorziening dubieuze debiteuren
 EUR1000
Stand per 1 januari 2003336
  
Mutaties 
Onttrekkingen -/-3
Vrijval -/-44
Stand per 31 december 2003289

4.1.2.3 Overlopende activa

De post overlopende activa per 31 december 2003 betreft met name de afrekening van de voor het Ministerie VROM in 2003 gerealiseerde inputactiviteiten. De specificatie van de post overlopende activa is als volgt:

Overlopende activa
 EUR1000
Nog te ontvangen10 584
Vooruitbetaalde posten4 365
Saldo per 31 december 200314 949

4.1.2.4 Liquide middelen

Onder deze post vallen alle rekening-courant relaties met het Ministerie van Financiën (RIC inclusief depositorekeningen), de bankrekeningen en de kas.

Liquide middelen
 EUR1000
Rekening-courant RIC201 999
Depositorekening RIC nazorgbudgetten20 580
Rabobank3 416
Kas/bank4
Saldo per 31 december 2003225 999

Het rekening-courantsaldo RIC omvat het feitelijke saldo ultimo 2003 en de nog te verrekenen posten ad € 38,2 mln. De depositorekening RIC nazorgbudgetten heeft betrekking op een aantal nog af te ronden werkzaamheden (de nazorg) die nog resteert na de eerste oplevering van gebouwen en inbouwpakketten aan gebruikers. De opgeleverde activa worden inclusief de nazorgbudgetten op de balans geactiveerd en voor het volledige bedrag wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit. Het bedrag waarmee de resterende activiteiten zullen worden uitgevoerd, wordt voor maximaal 1 jaar op een depositorekening bij Financiën gezet tegen hetzelfde rentepercentage als waarvoor het leningsconvenant is afgesloten.

4.1.3 Eigen vermogen

4.1.3.1 Exploitatiereserve

De hoogte van het eigen vermogen is vastgesteld conform de vigerende regelgeving inzake de vermogensvorming bij agentschappen, de Regeling Vermogensvoorschriften Agentschappen 2000. De exploitatiereserve is bedoeld voor het opvangen van algemene bedrijfsrisico's, welke voortvloeien uit de normale bedrijfsvoering. Voor de ontwikkeling van het eigen vermogen wordt verwezen naar paragraaf 5.2 overzicht vermogensontwikkeling.

4.1.3.2 Onverdeeld resultaat

Het onverdeelde resultaat maakt onderdeel uit van het eigen vermogen. Indien het eigen vermogen groter is dan 5% van de gemiddelde gerealiseerde omzet, berekend over de laatste 3 jaar, wordt het overschot afgedragen via het moederdepartement aan Financiën. Met Financiën zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop dit afgedragen vermogen beschikbaar zal worden gehouden voor de rijkshuisvesting (zie paragraaf 4.2 Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen) en de wijze waarop de (relevante) omzet wordt bepaald. Als definitie voor de omzet voor de normering van het eigen vermogen wordt gehanteerd: het totaal aan baten minus de egalisatie, rentebaten en buitengewone baten.

Eigen vermogen
  EUR1000
Exploitatiereserve per 1 januari 2003 70 542
Afdracht overschot aan moederdepartement -/-23 863 
Onverdeeld resultaat 2003 +/+62 790 
   
Saldo per 31 december 2003 109 469

De gemiddelde omzet (totale omzet exclusief egalisatie, rente en buitengewone baten) over de afgelopen 3 jaar bedraagt € 6 mln. Bij een normering van het eigen vermogen tot 5% bedraagt het eigen vermogen maximaal € 54,3 mln. (zie paragraaf 5.2).

4.1.4 Voorzieningen

De voorzieningen worden gevormd voor egalisatie van kosten en voorzienbare specifieke risico's en verplichtingen die uitgaan boven het algemene bedrijfsrisico dat aan het bedrijfsproces van de Rgd is verbonden. De voorzieningen zijn opgebouwd door kwantificering van de voorzienbare redelijkerwijs in te schatten risico's. Hierna wordt per gevormde voorziening een nadere onderbouwing gegeven.

4.1.4.1 Voorziening Planmatig onderhoud

Planmatig onderhoud van de eigendomspanden vindt periodiek plaats. Ter egalisatie van de kosten van planmatig onderhoud is een voorziening getroffen. De voorziening dient toereikend te zijn voor de toekomstige noodzakelijke planmatig onderhoudsactiviteiten, rekening houdend met de opbouw tot het moment van vervanging, het kostenniveau bij vervanging en de onderhoudscyclus van de diverse gebouwonderdelen. Dotatie aan de voorziening vindt dynamisch plaats op basis van de in de huurprijsmethode opgenomen opslag ter dekking van de planmatig onderhoudskosten.

Op basis van inspecties vindt een statische toetsing plaats van de voorziening. De hoogte van de voorziening wordt aangepast, zodra de inspectieresultaten hiertoe aanleiding geven. Dit inzicht zal uiterlijk eind 2004 geboden worden.

Voorziening Planmatig onderhoud
 EUR1000
Saldo per 1 januari 2003200 483
  
Mutaties 
Onttrekkingen -/-38 507
Dotatie +/+44 966
Saldo per 31 december 2003206 942

4.1.4.2 Voorziening Asbestverontreiniging

De voorziening asbestverontreiniging is opgenomen ter bestrijding van de asbestrisico's die aanwezig zijn bij de gebouwenvoorraad. De verwachte uitgaven voor asbest zijn op basis van een deelonderzoek geraamd op basis van het per 1 januari 1999 vigerende asbestbeleid. In de loop van 2004 zal de inventarisatie asbest worden afgerond, waarna de voorziening wordt geactualiseerd.

Voorziening Asbestverontreiniging
 EUR1000
Saldo per 1 januari 200361 610
  
Mutaties 
Onttrekkingen -/-10 196
Saldo per 31 december 200351 414

4.1.4.3 Voorziening Reorganisatie

De voorziening reorganisatie is in 2001 gevormd voor kosten die direct verband houden met de verplichtingen als gevolg van de voorgenomen reorganisatie van de Rgd. De kosten die zijn voorzien vloeien voort uit de kosten die noodzakelijk zijn voor de afbouw van de staande organisatie. In deze voorziening zijn begrepen de resterende kosten van professionalisering, waarvoor eerder een afzonderlijke voorziening was gevormd.

Voorziening Reorganisatie
 EUR1000
Saldo per 1 januari 200312 562
  
Mutaties 
Onttrekkingen -/-2 089
Vrijval -/-3 943
Saldo per 31 december 20036 530

4.1.4.4 Voorziening Leegstand

De kosten van leegstand bestaan uit de gederfde inkomsten van de leegstaande panden in het stelsel van huur en verhuur en eventueel extra kosten van het beheer van leegstaande panden. Onttrekkingen vinden plaats op basis van de vastgestelde leegstandskosten. Dotatie aan de voorziening vindt dynamisch plaats op basis van de in de huurprijsmethode opgenomen opslag ter dekking van de leegstandskosten. Periodiek wordt een analyse uitgevoerd op de noodzakelijke hoogte van de voorziening ultimo boekjaar. Bij het bepalen van de hoogte van de voorziening wordt rekening gehouden met de huidige leegstand, de verwachte leegstand in de komende jaren en de verwachte dotaties in de komende jaren.

De leegstand t/m 2003 is relatief laag geweest omdat nagenoeg de gehele voorraad contractueel was verhuurd. In 2004 lopen 103 contracten van eigendomsobjecten af en in 2006 zelfs 276 contracten (circa een kwart van het totaal), waardoor de leegstandsrisico's en daarmee de verwachte onttrekking de komende jaren aanzienlijk groter worden.

Voorziening Leegstand
 EUR1000
Saldo per 1 januari 200314 231
  
Mutaties 
Onttrekkingen -/-5 426
Dotatie +/+17 226
Saldo per 31 december 200326 031

4.1.4.5 Overige voorzieningen

Onder de overige voorzieningen worden verschillende voorzieningen van geringe omvang verantwoord. De onderstaande overige voorzieningen zijn statisch bepaald.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd:

Specificatie Overige voorzieningen per 31–12–2003
Bodemsanering1 972
Geschillen en Rechtsgedingen6 290
Verlieslatende contracten2 481
Wachtgelden5 062
Saldo per 31 december 200315 805
Voorziening Bodemsanering
 EUR1000
Saldo per 1 januari 20031 522
Dotatie +/+749
Onttrekkingen -/-299
Saldo per 31 december 20031 972

De voorziening bodemsanering wordt gevormd voor situaties waar sprake is van grondvervuiling, waarbij de Rgd een saneringsplicht heeft, danwel sanering zelf zeer wenselijk acht. Voor de vorming van de voorziening komen alleen de bekende en taxeerbare saneringsoperaties, die binnen een tijdshorizon van vijf jaar in redelijkheid tot uitvoering zullen komen, in aanmerking.

Voorziening Geschillen en Rechtsgedingen
 EUR1000
Saldo per 1 januari 20035 208
Dotatie +/+2 817
Onttrekkingen -/-294
Vrijval -/-1 441
Saldo per 31 december 20036 290

De voorziening voor geschillen en rechtsgedingen is opgenomen voor alle lopende geschillen en rechtsgedingen, indien met redelijke mate van zekerheid de uitkomst van deze zaken en de hieraan gerelateerde kosten zijn in te schatten.

Voorziening Verlieslatende contracten
 EUR1000
Saldo per 1 januari 200326 940
Dotatie +/+2 109
Onttrekkingen -/-190
Vrijval -/-26 378
Saldo per 31 december 20032 481

De voorziening voor verlieslatende contracten is met name veroorzaakt door de omstandigheid dat de aannames in de kostendekkende huurberekening op enkele onderdelen afwijken van de gemaakte afspraken tussen het Ministerie van Financiën en de Rgd inzake de leenfaciliteit. Via een wijziging in de afspraken inzake de leenfaciliteit is aansluiting gevonden, namelijk door bij de renteberekening uit te gaan van aflossing op het moment dat ook daadwerkelijk wordt afgedragen. Hiermee is de verlieslatendheid van nagenoeg alle contracten ongedaan gemaakt vanaf 1-1-2004.

Voorziening Wachtgelden
 EUR1000
Saldo per 1 januari 20036 341
Dotatie +/+151
Onttrekkingen -/-1 430
Saldo per 31 december 20035 062

Tenslotte is een voorziening opgenomen voor wachtgeldverplichtingen van voormalig personeel. Bij de vorming van de voorziening rekening is gehouden met:

• de totale kosten (inclusief loonindexering) van voormalig personeel, die gebruik (kunnen) maken van de wachtgeldregelingen, gedurende de afgesproken looptijd/einddatum én

• reductiecijfers als gevolg van uitstroom door sterfte.

• Daarnaast is deze voorziening gewaardeerd tegen contante waarde. De gehanteerde disconteringsvoet is afgeleid van de rente leenfaciliteit 15 jaar per 31-12-2003 en bedraagt 4,21%.

4.1.5 Langlopende schulden

Onder de langlopende schulden worden schuldverhoudingen opgenomen met een resterende looptijd van langer dan één jaar. Het kortlopende deel samenhangend met de aflossing die binnen een jaar zal plaatsvinden, is opgenomen onder de kortlopende schulden.

4.1.5.1 Leenfaciliteit Financiën

Het belangrijkste onderdeel van de langlopende schulden betreft de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën ter financiering van de voorraad panden en de in onderhanden werk zijnde projecten.

Leenfaciliteit
  EUR1000
Stand per 1 januari 2002 4 623 323
Opgenomen per 1 januari 2002 als kortlopend deel +/+ 130 142
Totaal schuld leenfaciliteit per 1 januari 2003 4 753 465
   
Beroep 2003 +/+474 436 
Aflossing -/-162 290 
  312 146
Schuld leenfaciliteit per 31 december 2003 5 065 611
Kortlopend deel per 31 december 2003 -/- 171 397
Stand per 31 december 2003 4 894 214

De opbouw van de leenfaciliteit is conform de vigerende regelgeving vastgelegd in de Regeling Leen- en Depositofaciliteit Agentschappen. De nadere uitwerking van de leenfaciliteit is neergelegd in het mantelconvenant leenfaciliteit, dat op 5 december 2000 is gesloten tussen Financiën en de Rgd. Dit mantelconvenant regelt alle bepalingen omtrent voorlopige en definitieve leningconvenanten:

• Een voorlopig leningconvenant betreft een afroepcontract ter financiering van de onderhanden investeringsprojecten. Het rentepercentage zoals dat is vastgelegd in het voorlopig leningconvenant is tevens de financieringsrente van het project. De financieringsrente tijdens de bouwperiode wordt niet afgedragen maar meegefinancierd in de leenfaciliteit.

• Een definitief leningconvenant betreft een specificatie van projecten die zijn opgeleverd en onderdeel waren van een voorlopig leningconvenant. Per rentetranche wordt een rente- en aflossingsschema opgenomen in het definitief leningconvenant. Het rente- en aflossingsschema is gebaseerd op de nominale rentevariant waarbij, uit de beschikbare som van de rente- en afschrijvingscomponenten, in eerste instantie aan de nominale renteverplichting over de (rest)schuld wordt voldaan.

Op basis van het reguliere rente- en aflossingsschema is in 2003 afgelost € 155,7 mln. Daarnaast is vervroegd afgelost in verband met afstoot ad € 6,6 mln.

4.1.5.2 Overige langlopende schulden

Onder deze post zijn leningen/financieringen opgenomen met een looptijd langer dan 1 jaar. Een aantal klanten heeft ervoor gekozen om gebruikerszaken, die vóór de stelselwijziging onder de verantwoordelijkheid vielen van de Rgd, ook ná 1 januari 1999 bij de Rgd onder te brengen. De uit de services vergoeding voortvloeiende vervangingsverplichtingen worden onder de langlopende schulden verantwoord. Deze service contracten zijn afgesloten met een looptijd van 15 jaar. Vervangingen zullen in overleg met de klant worden gepland en uitgevoerd.

Overige langlopende schulden
 EUR1000
Stand per 1 januari 200317 761
Vervangingsverplichting gebruikersinstallaties +/+0
Realisatie vervangingen -/-9 585
Stand 31 december 20038 176

4.1.6 Kortlopende schulden

Een belangrijk deel van de kortlopende schulden heeft betrekking op het (kortlopend) deel van de leenfaciliteit bij Financiën dat in het komend jaar zal worden afgelost. Onder de kortlopende schulden zijn ook de nazorgverplichtingen opgenomen. Deze zijn gebaseerd op de resterende betalingen (van zowel interne als externe kosten) tijdens de nazorgfase van investeringsprojecten.

Kortlopende schulden
 EUR1000
Nazorgverplichtingen27 930
Kortlopend deel langlopende schulden171 397
Crediteuren51 586
Nog te betalen32 030
Vooruitontvangen bedragen3 002
Saldo per 31 december 2003285 945

4.2 Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen

Niet uit de balans blijkende rechten bestaan uit:

PostOmschrijvingBedrag
Trekkingsrecht op afgedragen eigen vermogenHet totale bedrag waar de Rgd aanspraak op kan maken in het geval er sprake is van interen op het eigen vermogen als gevolg van negatieve resultaten. Van interen is sprake indien het eigen vermogen € 15 mln of minder bedraagt.In 2004 zal nader worden bezien op basis van het risico-profiel van de Rgd of er aanleiding is een correctie op het trekkingsrecht door te voeren. Zie hiervoor ook toelichting bij hoofdstuk 5.2 Overzicht vermogensontwikkeling.€ 94,2 mln

Niet uit de balans blijkende verplichtingen bestaan uit:

PostOmschrijvingBedrag
MarkthurenDe totale nominale betalingsverplichting voor de gehele contractsduur, die voortvloeit uit panden welke zijn gehuurd uit de markt. De looptijd van deze huren is maximaal 25 jaar.€ 1 810 mln
ProjectenDe definitie voor niet uit de balans blijkende verplichtingen voor projecten stoelt op de voorlopige leningconvenanten. De verplichting is gelijk gesteld aan de geraamde betalingen in 2004 en volgende jaren ten behoeve van de projecten in de voorlopige convenanten.€ 1 389 mln
Verplichting afdracht eigen vermogen boven 5%In 2004 draagt de Rgd het eigen vermogen af voor zover dit de norm van 5% over de relevante gemiddelde omzet over 3 jaar overstijgt. In 2004 wordt deze afdracht toegevoegd aan het bestaande trekkingsrecht ad € 94,2 mln.€ 55,1 mln

4.3 Risicoparagraaf

In de balans zijn voorzieningen opgenomen ter dekking van risico's, verplichtingen en egalisatie van kosten. Bij de vaststelling van de aard en omvang van deze voorzieningen is in beginsel uitgegaan van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, boek 2, titel 9. Daartoe is een risicoprofiel bepaald, waarbij is aangegeven in hoeverre de risico's en verplichtingen kunnen worden gedragen door de Rgd. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is een passende financiering overeengekomen in overleg met zowel het moederdepartement VROM als het Ministerie van Financiën. De voorzieningen voor risico's en verplichtingen zijn gevormd voor zover deze redelijkerwijs kwantificeerbaar zijn. Tevens is een onderscheid te maken in:

Voorzieningen die gekoppeld zijn aan activa-posten zoals de voorraad gebouwen en het debiteurensaldo;

Voorzieningen die verantwoord worden aan de passiva-zijde voor risico's, verplichtingen en/of ter egalisatie van kosten.

De voorzieningen worden gevoed door dotaties die ten laste van de exploitatierekening worden verantwoord. De onttrekkingen vinden ten laste van de voorziening plaats.

De financiële gevolgen van niet-voorzienbare en/of niet-redelijkerwijs kwantificeerbare risico's en verplichtingen worden binnen de exploitatierekening gedekt (ten laste van het eigen vermogen gebracht). Voorbeelden zijn brand en schade als gevolg van bouwstoffen en bacteriologische (legionella) besmetting etc. Indien sprake is van aanzienlijke onvoorziene schade zal dit ad hoc leiden tot overleg met het moederdepartement VROM en eventueel met het Ministerie van Financiën over de wijze van dekking van deze kosten. Hierbij moet ook worden gedacht aan kosten van bodemsanering. Deze kosten zijn op dit moment nog slechts beperkt kwantificeerbaar.

Ter nuancering van het bovenstaande geldt het volgende:

De nu reeds voorziene, maar nog niet exact kwantificeerbare boekwaarderisico's ná 2008 zijn niet opgenomen in de jaarverantwoording. De Rgd kan na het jaar 2008 geconfronteerd worden met een extra boekwaarderisico bij objecten die overtollig blijken na het aflopen van de contracten met een einddatum na 2008. De dekking van eventuele extra verliezen uit dezen hoofde moet in eerste instantie binnen de exploitatie van de Rgd plaatsvinden.

In 2004 zal een risicoprofiel voor de Rgd worden ontwikkeld voor het totaal aan risico's die door de Rgd worden gedragen.

De staat behorende bij de rekening, onderdeel baten en lasten

5 Gespecificeerde verantwoordingsstaat agentschap (jaarverslag)

Agentschap Rijksgebouwendienst

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2003Bedragen in EUR1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
 EUR1000EUR1000EUR1000
Baten   
Gebruiksvergoedingen van ministeries816 972941 882124 910
Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie86 27486 786512
Services23 57526 3372 762
Adviezen2 05015 15213 102
Derden13 63313 943310
Kleine projecten voor ministeries28 700215 870187 170
Egalisatie37 533104 66767 134
Rentebaten4 5005 064564
Overige baten017 04517 045
Buitengewone baten000
Totaal baten1 013 2371 426 746413 509
    
Lasten   
Apparaatskosten48 34543 867– 4 478
Huren vanuit de markt224 767276 06151 294
Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie86 27486 786512
Services23 74624 9311 185
Adviezen2 74213 06810 326
Derden1 6732 387714
Kleine projecten voor ministeries28 700217 516188 816
Kosten onderzoek rijkshuisvesting2 042716– 1 326
Dagelijks onderhoud38 52540 1771 652
Rentelasten253 354279 58126 227
Afschrijvingen201 637286 21884 581
Belastingen22 05822 885827
Mutaties voorzieningen104 21048 487– 55 723
Overige lasten021 27621 276
Totaal lasten1 038 0711 363 956325 885
    
Saldo van baten en lasten–/- 24 83462 79087 624

5.1 Toelichting op de rekening, onderdeel baten en lasten

Algemeen

De kostendekkendheid van het Agentschap Rgd wordt in onderstaande tabel nader verklaard door de baten en lasten als volgt aan elkaar te relateren:

LastenEUR1000BatenEUR1000
Apparaatskosten43 867Gebruiksvergoedingen ministeries941 882
Huren vanuit de markt276 061Egalisatie104 667
Kosten onderzoek716Gebruiksvergoedingen derden8 776
Dagelijks onderhoud40 177Derden bijzondere objecten4 574
Rentelasten279 581Rentebaten5 064
Afschrijvingen286 218  
Belastingen22 885  
Mutaties voorzieningen48 487  
Derden2 387  
Inputfinanciering86 786Inputfinanciering86 786
Services24 931Services26 337
  Services derden2
Adviezen13 068Adviezen15 152
  Adviezen derden591
Kleine projecten voor ministeries217 516Kleine projecten voor ministeries215 870
Overige lasten21 276Overige baten17 045
Buitengewone lasten Buitengewone baten 
Totaal lasten1 363 956Totaal baten1 426 746

De meeste lasten betreffen reguliere kosten van rijkshuisvesting die worden gedekt vanuit de gebruiksvergoedingen. Voor inputfinanciering, services, adviezen en kleine projecten voor ministeries geldt dat kosten worden doorberekend. Verschillen tussen de aan elkaar gerelateerde baten en lasten worden onder meer verklaard, doordat de baten derden worden toegerekend aan de algemene kostenposten waarop ze betrekking hebben met uitzondering van de bijzondere objecten, die onder de post lasten derden vallen.

Het resultaat over 2003 bedraagt in totaliteit + € 62,8 mln. De verklaringen over de producten is als volgt:

Resultaat huisvesting/beheer 58 707 mln

Resultaat inputfinanciering 0,000 mln

Resultaat services 1,408 mln

Resultaat adviezen 2,675 mln

Totaal resultaat 62,790 mln

De producten inputfinanciering, services en adviezen en ook de kleine projecten zijn kostendekkend, of nagenoeg kostendekkend. Het positieve resultaat wordt gerealiseerd op het product huisvesting/beheer. Dit resultaat bestaat uit de volgende componenten.

Ten eerste zijn de gebruiksvergoedingen vanaf 1999 geïndexeerd met de werkelijke inflatie die de afgelopen jaren hoger was dan geraamd in de bepaling van de kostendekkende gebruiksvergoeding. Deze inflatierisico's komen ten gunste danwel ten laste van het resultaat van de Rgd en bedragen over 2003 in totaliteit + € 25,7 mln.

Ten tweede is sprake van een positief resultaat op de mutaties in de voorzieningen van in totaliteit € 32,1 mln, rekening houdend met dekking die hiervoor in de openingsbalans is verkregen. Het positieve resultaat hierop wordt met name verklaard door de mutatie bij de voorziening verlieslatende contracten (€ 24,3 mln).

Ten derde heeft zich een negatief resultaateffect voorgedaan van € 25,6 mln vanwege de afwaardering van het voormalig OCW-pand in Zoetermeer.

Ten vierde zijn rentebaten rekening-courant gerealiseerd van + € 5,1 mln.

Ten vijfde is op de post apparaatskosten een positief resultaat gerealiseerd van € 12,7 mln, met name veroorzaakt door een correctie op voorgaande boekjaren.

Het overige deel (€ 8,7 mln) heeft betrekking op een diversiteit van kleine posten zoals derden bijzondere objecten, dagelijks onderhoud en huren vanuit de markt, kleine projecten en overige baten en lasten.

Een bijzondere post in het resultaat van de Rgd is de egalisatie van + € 104,7 mln. Deze vordering voor nog te ontvangen gebruiksvergoedingen is een onderdeel van de baten, maar is (nog) niet aanwezig in liquide vorm. Tegenover deze post staan verschillen in ontvangen gebruiksvergoeding en betaalde gebruiksvergoeding, die tot een uitstroom van liquiditeiten kunnen leiden ingeval van een positief resultaat.

5.1.1 Baten

In de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2003 waren de baten geraamd op € 1 013,2 mln.

Bij 1e suppletore begroting is de raming verhoogd met € 73,6 mln naar € 1 086,8 mln. De realisatie is met € 1 426,7 mln aanzienlijk hoger. De verklaring voor het verschil met de oorspronkelijk vastgestelde begroting (€ 413,5 mln) betreft met name de realisatie van veel relatief kleine projecten, die deels pas gedurende het uitvoeringsjaar bekend zijn (+ 187,2 mln). Daarnaast zijn veel projecten opgeleverd die leiden tot aanvullende gebruiksvergoedingen (+ € 124,9 mln) en in het begin van de contractperiode tot een hoge egalisatie (+ € 67,1 mln).

5.1.1.1 Gebruiksvergoedingen van ministeries

De gebruiksvergoedingen hebben betrekking op de verkregen opbrengst van ministeries op basis van de in het kader van het huur- verhuurmodel opgestelde interne verhuurcontracten.

De gebruiksvergoedingen bedragen € 124,9 mln meer dan in de oorspronkelijke begroting. Dit wordt voor een belangrijk deel verklaard uit nieuw opgeleverde investeringsprojecten in 2003. Daarnaast is voor tijdelijke huisvestingsbehoefte aanvullend gehuurd in de markt en bij de huurder in rekening gebracht.

5.1.1.2 Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie

Onder inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie vallen onder andere de posten huisvesting ten behoeve van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken, het beheer van monumenten met een erfgoedfunctie, de functionele kosten van het Koninklijk Huis, de beleidstaken van de Rgd en het Energie Efficiencyprogramma Rijkshuisvesting. Voor de dekking van de inputfinanciering wordt zorggedragen door het moederdepartement vanuit diverse beleidsartikelen. VROM verstrekt gedurende het jaar voorschotten aan de Rgd en op basis van de definitieve realisatiecijfers worden de kosten afgerekend. Het verschil tussen de voorschotten (en overige ontvangsten) en de realisatie resteert als een vordering op het moederdepartement. De verdeling van de opbrengsten naar de beleidsartikelen kan als volgt worden gespecificeerd:

Specificatie opbrengsten inputfinanciering naar beleidsartikelen VROM
 EUR1000
Opbrengst vanuit artikel 34 089
Opbrengst vanuit artikel 613 264
Opbrengst vanuit artikel 1455 880
Opbrengst vanuit artikel 155 797
Overige ontvangsten0
Vordering op VROM7 756
Totaal86 786

De Rgd heeft naast bovenstaande bedragen in 2003 € 10,625 mln van VROM ontvangen, hetgeen de afrekening op 2002 betrof. In de Jaarrekening 2002 was dit bedrag in de agentschapsparagraaf als vordering op VROM opgenomen.

5.1.1.3 Services

Het onderdeel services betreft de opbrengst voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar die op verzoek van de afnemers, voorzover rijksoverheid, door de Rgd worden verricht. Hieronder valt ook het facility-management. Services worden door de Rgd uitgevoerd zowel via incidentele opdrachten als via servicecontracten.

Specificatie opbrengsten services
 EUR1000
Opbrengst servicecontracten17 403
Opbrengst incidentele services6 161
Opbrengsten facility-management2 773
Totaal26 337

5.1.1.4 Adviezen

De opbrengst adviezen heeft betrekking op de opbrengsten van niet-projectgebonden huisvestingsadviezen aan rijksoverheden. Projectgebonden adviezen worden geactiveerd bij de materiële vaste activa. In 2003 is de omzet van adviezen hoger geweest dan vooraf begroot vanwege niet voorziene extra klantvragen.

5.1.1.5 Derden

Het onderdeel derden betreft de opbrengsten van huisvesting van organisaties op het niveau van de centrale overheid, die (vrijwel) geheel worden bekostigd uit collectieve middelen. De opbrengsten betreffen naast de opbrengsten gebruiksvergoedingen ook opbrengsten voor geleverde adviezen en services. Onder deze post vallen tevens de opbrengsten voor de exploitatie van de bijzondere objecten. Hiertoe behoren met name de opbrengsten van de parkeergarages en de grafelijke zalen.

Specificatie opbrengsten derden
 EUR1000
Opbrengsten gebruiksvergoedingen8 776
Opbrengsten bijzondere objecten4 574
Opbrengsten adviezen591
Opbrengsten services2
Totaal13 943

Kleine projecten voor ministeries

Onder deze post worden de opbrengsten als gevolg van uitgevoerde kleine, à fonds perdu gefinancierde, projecten voor ministeries verantwoord. Het financieren van deze (ver)bouwprojecten door de gebruikers middels een meerjarige gebruiksvergoeding is niet zinvol door de relatief geringe financiële omvang van deze projecten. In een beperkt aantal gevallen is het toegestaan te opteren voor een bijdrage in één keer. Inbouwpakketten kunnen ongelimiteerd à fonds perdu worden gefinancierd.

Gezien het karakter van regieopdrachten van de hier bedoelde projecten is in 2003 besloten bij tussentijdse facturering tevens de bijbehorende kosten- en opbrengstenboekingen te maken. Deze aanpassing van de waarderingsregels leidt in 2003 éénmalig tot een substantieel hoger bedrag aan opbrengsten en kosten, omdat van de in 2002 vooruitgefactureerde bedragen in 2003 de opbrengst en de kostprijs zijn genomen. Wanneer in 2002 volgens de huidige grondslag zou worden gewaardeerd, dan zou dit leiden tot het volgende overzicht:

Kleine projecten voor ministeries EUR1000
 20022003
Opbrengst133 787167 994
Kostprijs133 730169 640
Resultaat+/+ 57-/- 1 646

5.1.1.7 Egalisatie

De huurprijsmethodiek Rgd heeft als uitgangspunt een (afgezien van de toegepaste indexering) constante huurprijs over de contractperiode. De jaarlijkse opbrengst uit hoofde van de gebruiksvergoedingen kent derhalve een constante reeks, terwijl de kosten van rente en afschrijving variëren over de jaren. Het verschil tussen deze baten en lasten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd. In de balans wordt dit tot uitdrukking gebracht in een langlopende vordering op de gebruikers van de objecten onder de post egalisatierekening (zie voor een verdere toelichting 4.1.1.2.5).

Doordat in 2003 relatief veel projecten zijn opgeleverd zijn veel nieuwe contracten afgesloten met een maximale egalisatie in het 1e jaar. De gerealiseerde egalisatie is derhalve € 67,1 mln hoger dan in de oorspronkelijke begroting geraamd, waarvan al € 35,0 mln bij 1e suppletore begroting 2003 is verwerkt.

Overzicht egalisatie
 EUR1000
Egalisatie afschrijvingskosten eigendom47 791
Egalisatie rentekosten eigendom56 876
Totaal egalisatie104 667

5.1.1.8 Rentebaten

Over de saldi op de rekening-courant RIC en op de depositorekening RIC ontvangt de Rgd een rentevergoeding:

De rentebaten op de rekening-courant RIC bedragen € 2,5 mln.

De rentebaten op de depositorekening RIC nazorgbudgetten bedragen € 2,1 mln en betreffen de middelen die reeds zijn opgenomen uit de leenfaciliteit en gedurende één jaar tegen een gelijk rentepercentage als van de leenfaciliteit uitstaan.

5.1.1.9 Overige baten

Onder deze post worden onder andere boekwinsten verantwoord als gevolg van afstoot van objecten en resultaten op investeringsprojecten. De belangrijkste overige baten hebben betrekking op voorgaand boekjaar.

Overige baten
 EUR1000
Resultaat op afstoot onroerend goed3 400
Resultaten op investeringsprojecten2 642
Baten voorgaand boekjaar11 003
Totaal17 045

5.1.2 Lasten

In de oorspronkelijke vastgestelde begroting 2003 waren de lasten geraamd op € 1 038,0 mln. Bij 1e suppletore begroting is de raming verhoogd met € 70,3 mln naar € 1 108,3 mln.

De realisatie is met € 1 364,0 hoger. De belangrijkste verklaringen zijn de vele kleine projecten voor ministeries (+ 188,8 mln) en de extra opgeleverde grote investeringsprojecten in 2003 die leiden tot met name hogere rente- en afschrijvingskosten. Daarnaast zijn voor tijdelijke huisvestingsbehoeften nieuwe huren in de markt afgesloten (+ 51,3 mln).

5.1.2.1 Apparaatskosten

Deze post omvat alle apparaatskosten, zijnde in- en extern personeel, materieel inclusief eigen Rgd-huisvesting, die niet gedekt en verantwoord worden via adviezen, services, kleine projecten ministeries, huisvestingskosten inputfinanciering buiten de huur- verhuurrelatie of geactiveerd worden in huisvestingsprojecten. De apparaatskosten dienen gedekt te worden uit de opslagen in de gebruiksvergoedingen.

Overzicht apparaatskosten
  EUR1000
Totaal (bruto) kosten Personeel86 689 
Totaal (bruto) kosten Materieel +/+24 940 
Totaal personele en materiële kosten111 629 
Doorbelasting bijkomende kosten -/-7 528 
Apparaatskosten (bruto) 104 101
   
Totaal toegerekend aan producte-/-60 234
Totaal apparaatskosten (netto) 43 867

De doorbelasting bijkomende kosten heeft betrekking op door Rgd'ers uitgevoerde werkzaamheden die direct ten laste van de projecten komen en waarvoor geen tarief voor de dekking apparaatskosten in rekening wordt gebracht. Aangezien gelijktijdig een correctie in de dekking wordt doorgevoerd heeft dit geen effect op de eindstand totaal apparaatskosten (netto). Voor de dekking van de saldo-post netto apparaatskosten ad € 43,9 mln dient de opslag voor apparaatskosten in de gebruiksvergoedingen.

In de begroting 2003 is voor (netto) apparaatskosten een bedrag van € 48,3 mln opgenomen. In 2003 zijn ten opzichte van deze begroting relatief veel projecten opgeleverd waardoor meer kosten aan de producten zijn toegerekend. De uiteindelijke (netto) apparaatskosten zijn € 4,4 mln lager dan de raming.

5.1.2.2 Huren vanuit de markt

Het betreft de door de Rgd aan de markt te betalen huren, exclusief de huren van objecten die vallen buiten de huurverhuurrelatie. Deze laatste worden verantwoord onder de kosten inputfinanciering. In 2003 zijn aanvullende contracten in de markt afgesloten om in tijdelijke huisvestingsbehoeften te kunnen voorzien.

5.1.2.3 Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie

De verschillende posten die vallen onder de inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie zijn bij de baten beschreven. Voor de toelichting inzake de realisatie van de inputfinanciering wordt verwezen naar de diverse beleidsartikelen van het moederdepartement VROM, waarvan de specificatie eveneens is opgenomen bij de baten.

Specificatie kosten inputfinanciering naar beleidsartikelen VROM
 EUR1000
Kosten artikel 34 545
Kosten artikel 614 742
Kosten artikel 1461 056
Kosten artikel 156 443
Totaal86 786

5.1.2.4 Services

De post services betreft de integrale kosten (inclusief apparaatskosten) voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar op verzoek van de afnemers door de Rgd worden verricht en overige services. Hieronder valt ook het facilitymanagement.

Een deel van de kosten bestaat uit de opbouw van een vervangingsverplichting (zie ook langlopende schulden) die de Rgd heeft jegens een aantal klanten ten aanzien van de vervanging van gebruikersinstallaties. Deze kosten zijn opgenomen onder de kosten servicecontracten in de volgende specificatie.

Specificatie kosten services
 EUR1000
Kosten servicecontracten16 638
Kostprijs service projecten5 484
Kosten facility-management2 809
Totaal24 931

De kosten services omvatten ook de kosten van services afgenomen door derden. In de verantwoording zijn wel de serviceopbrengsten derden afzonderlijk opgenomen maar de kosten van uitgevoerde service werkzaamheden worden integraal verantwoord onder deze post.

5.1.2.5 Adviezen

De Rgd verricht op verzoek van de gebruikers niet-projectgebonden adviezen. De kosten betreffen zowel de interne als externe kosten. De projectgebonden adviezen worden geactiveerd onder de materiële vaste activa en komen via afschrijvingen ten laste van het resultaat. De kosten adviezen omvatten ook de kosten van adviezen afgenomen door derden. In de verantwoording zijn wel de adviesopbrengsten derden afzonderlijk opgenomen maar de kosten van advies werkzaamheden worden integraal verantwoord onder deze post.

5.1.2.6 Derden

De hier verantwoorde kosten betreffen de kosten voor de bijzondere objecten, zoals de grafelijke zalen, parkeergarages en hotelkantoren. Onder deze post worden niet de kosten van aan derden geleverde prestaties verantwoord die integraal zijn ondergebracht bij andere posten, zoals de afschrijvingskosten onroerend goed, rentekosten van de leenfaciliteit, kosten onderhoud en kosten van service en advies werkzaamheden.

5.1.2.7 Kleine huisvestingsprojecten voor ministeries

Onder deze post zijn de integrale kosten opgenomen van de door de Rgd uitgevoerde kleine projecten voor ministeries, hetgeen (ver)bouwactiviteiten van relatief geringe financiële omvang en/of inbouwpakketten betreffen, die à fonds perdu worden gefinancierd.

In 2003 is de omzet van kleine projecten voor ministeries zeer omvangrijk geweest, doordat veel investeringsprojecten zijn uitgevoerd die conform de regelgeving direct kunnen worden afgerekend. Aangezien deze projecten veelal gedurende het uitvoeringsjaar worden afgesproken zijn ze buiten de begrotingsraming gebleven (zie ook de toelichting bij 5.1.1.6).

5.1.2.8 Kosten onderzoek rijkshuisvesting

De kosten betreffen de uitvoeringskosten van aan externen opgedragen onderzoek, kennisoverdracht en implementatie.

5.1.2.9 Dagelijks onderhoud

De kosten van dagelijks onderhoud hebben betrekking op regelmatig terugkerende vaste werkzaamheden, zoals contractonderhoud en wettelijk verplichte keuringen en het oplossen van storingen. In 2003 is relatief veel onderhoud uitgevoerd, waardoor de kosten € 1,6 mln hoger zijn dan de raming uit de oorspronkelijke begroting. Dit is mede een gevolg van relatief veel storingen in gebouwinstallaties.

5.1.2.10 Rentelasten

Onder deze post worden de rentekosten van de rentedragende leningen en (eventuele) debetrente van de rekening courant RIC verantwoord. De rentelasten zijn € 26,2 mln hoger dan oorspronkelijk begroot, hetgeen wordt verklaard door extra opgeleverde projecten in 2003.

5.1.2.11 Afschrijvingskosten

Onder deze post zijn de volgende afschrijvingskosten van de vaste activa opgenomen:

Overzicht afschrijvingskosten
 EUR1000
Immateriële vaste activa5 660
Gebouwen, incl. inbouwpakketten254 309
Bijzondere waardevermindering onroerend goed25 587
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen662
Totaal afschrijvingskosten286 218

De afschrijvingskosten gebouwen, inclusief inbouwpakketten betreffen met name de reguliere afschrijvingen, maar is ook bestemd voor bijzondere waardeverminderingen, als gevolg van sloop van objecten of afwaardering in verband met onverhuurbaarheid. De totale afschrijvingskosten zijn € 82,5 mln hoger dan oorspronkelijk begroot vanwege de extra opgeleverde projecten, waarop al in 2003 een eerste deel is afgeschreven. De bijzondere waardevermindering betreft de afwaardering van het object, waarin tot najaar 2003 het ministerie van OCW was gehuisvest.

5.1.2.12 Belastingen

Het betreft hier het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting (OZB) over de verhuurde voorraad onroerend goed. De onroerend zaakbelasting wordt afgedragen aan de Dienst der Domeinen.

5.1.2.13 Mutaties voorzieningen

Deze post bestaat enerzijds uit dotaties aan de voorzieningen (ad € 133,4 mln) en anderzijds uit vrijval van voorzieningen (ad € 84,9 mln). Een specifieke toelichting op de dotatie of de vrijval is terug te vinden bij de toelichting op de balans bij de betreffende voorziening.

De volgende dotaties aan de voorzieningen hebben in 2003 plaatsgevonden:

• dotatie voorziening boekwaarderisico gebaseerd op een actualisatie van de objecten die in de voorziening per 1 januari reeds waren opgenomen en ten behoeve van risico's die optreden in het nieuw toegevoegde jaar (2008) in de periode waarop de voorziening betrekking heeft;

• dotatie aan de voorziening planmatig onderhoud op basis van de opbrengst van de component voor planmatig onderhoud in de gebruiksvergoedingen;

• dotatie aan de voorziening leegstand op basis van de opbrengst van de component voor leegstand in de gebruiksvergoedingen;

• dotatie overige voorzieningen op basis van nieuwe risico's die via de voorziening bodemsanering, wachtgelden, verlieslatende contracten en geschillen en rechtsgedingen zullen worden afgedekt.

Overzicht dotaties voorzieningen
 EUR1000
Dotatie voorziening boekwaarderisico65 346
Dotatie voorziening planmatig onderhoud44 966
Dotatie voorziening leegstand17 226
Dotatie overige voorzieningen5 826
Totaal dotatie133 364

De volgende vrijval heeft in 2003 plaatsgevonden:

• vrijval van de voorziening boekwaarderisico; deze vrijval wordt voor € 34,7 mln verklaard, doordat het voormalige object van het ministerie van OCW in Zoetermeer in de gebouwenvoorraad blijft, waardoor voor dit object geen boekwaarderisico meer wordt voorzien.

• vrijval van de voorziening dubieuze debiteuren;

• vrijval van de voorziening reorganisatie;

• vrijval bij de voorziening geschillen en rechtsgedingen en verlieslatende contracten onder de post overige voorzieningen.

Overzicht vrijval voorzieningen
 EUR1000
Vrijval voorziening boekwaarderisico53 070
Vrijval voorziening dubieuze debiteuren44
Vrijval voorziening reorganisatie3 943
Vrijval overige voorzieningen27 820
Totaal vrijval84 877

De voorziening voor verlieslatende contracten is met name gevormd omdat de aannames in de kostendekkende huurberekening op enkele onderdelen afwijken van de gemaakte afspraken tussen het ministerie van Financiën en de Rgd inzake de leenfaciliteit. In gezamenlijk overleg is via een wijziging in de afspraken inzake de leenfaciliteit aansluiting gevonden, waarmee de verlieslatendheid van nagenoeg alle contracten ongedaan is gemaakt vanaf 1-1-2004. Dit leidt tot een vrijval van 26,4 mln.

5.1.2.14 Overige lasten

De overige lasten hebben voor € 14,6 mln betrekking op lasten voorgaand boekjaar. Het restant betreft een afwaardering onderhanden werk vanwege verwachte projectverliezen.

5.2 Overzicht vermogensontwikkeling (jaarverslag)

Agentschap Rijksgebouwendienst

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 1999–2003Bedragen in EUR1000
 19992000200120022003 begroting2003 realisatie
1. Eigen vermogen per 1 januari38 57149 09287 25050 15661 17070 542
Saldo van Baten en Lasten +/+10 52151 60710 87629 254– 24 83462 790
Directe mutaties in het eigen vermogen:      
– uitkering aan moederdepartement -/- – 13 449– 47 9708 868– 16 528– 23 863
– bijdrage door moederdepartement +/+      
– overige mutaties +/+      
Eigen vermogen per 31 december49 09287 25050 15670 54219 808109 469

Toelichting directe mutaties in het eigen vermogen

De directe mutatie in het eigen vermogen die bij het agentschap Rgd in 2003 heeft plaatsgevonden, is de afdracht overschot vermogen 2002.

De gemiddelde omzet (totale omzet exclusief egalisatie, rente en buitengewone baten) over de afgelopen 3 jaar bedraagt € 1 086,479 mln. Bij een normering van het eigen vermogen tot 5% bedraagt het eigen vermogen maximaal € 54,324 mln. Het eigen vermogen ultimo 2003 (€ 109,469 mln) is hoger, zodat het verschil (€ 55,145 mln) in 2004 zal worden afgedragen aan het moederdepartement.

Het feit dat het eigen vermogen hoger is dan de norm wordt mede veroorzaakt door de post egalisatie (+ € 104,7 mln in de resultatenrekening). Dit betekent dat het positieve resultaat van de Rgd in belangrijke mate is gerelateerd aan vorderingen die pas op termijn liquide worden, maar op basis van de normering eigen vermogen wel direct leiden tot een uitstroom van liquide middelen. Omdat deze liquide middelen in latere jaren weer benodigd (kunnen) zijn, zijn de gemaakte aanvullende afspraken voor de Rgd belangrijk.

Op de afgedragen middelen kan de Rgd een beroep doen indien het eigen vermogen, ultimo een boekjaar, minder bedraagt dan € 15 mln. Deze post is derhalve ook terug te vinden onder de niet uit de balans blijkende rechten in hoofdstuk 4.2. In 2004 zal nader worden bezien op basis van het risico-profiel van de Rgd of er aanleiding is een correctie op het trekkingsrecht door te voeren.

5.3 De staat behorende bij de rekening, onderdeel het kasstroomoverzicht

Agentschap Rijksgebouwendienst

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2003Bedragen in EUR1000
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening-courant RIC 1 januari 2003200 199204 4494 250
    
2. Totaal operationele kasstroom114 725208 18993 464
    
3a.-/- totaal investeringen-/- 450 000-/- 490 866-/- 40 866
3b+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen38 79612 524-/- 26 272
3. Totaal investeringskasstroom-/- 411 204-/- 478 342-/- 67 138
    
4a.-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement-/- 16 528-/- 23 863-/- 7 335
4b+/+ eenmalige storting door moederdepartement   
4c.-/- aflossingen op leningen-/- 162 596-/- 162 290306
4d+/+ beroep op leenfaciliteit450 000474 43624 436
4. Totaal financieringskasstroom270 876288 28317 407
    
5. Rekening courant RIC 31 december (=1+2+3+4)174 596222 57947 983
(maximale roodstand 0,5 mln euro)   

5.4 Toelichting op de rekening, onderdeel het kasstroomoverzicht:

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen. Aan de hand van het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven en -ontvangsten toegelicht. In dit model vormen de posten 3a, 4a en 4c de kapitaaluitgaven, terwijl de posten 3b, 4b en 4d de kapitaalontvangsten vormen.

5.4.1 Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten egalisatie, voorzieningen en kortlopende activa en passiva.

5.4.2 Investeringskasstroom

De investeringskasstroom bestaat uit het saldo van investeringen en (boekwaarde van de) desinvesteringen. In 2003 is in de volgende vaste activa geïnvesteerd (bedragen x EUR1000):

Huisvestingsprojecten (onderhanden en opgeleverd) 490 108

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen 758

De desinvesteringen kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen x EUR1000):

Grond en gebouwen 12 481

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen 43

5.4.3 Financieringskasstroom

De (eenmalige) uitkering aan het moederdepartement betreft de afdracht van het eigen vermogen, voor het bedrag waarmee het eigen vermogen de norm, van 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar, overschrijdt.

De aflossingen op leningen bestaat uit de aflossing op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën en de laatste terugbetaling van de voorfinancieringen van departementen.

Alleen voor de investeringen in huisvestingsprojecten en voor de terugbetaling van de voorfinancieringen wordt een beroep op de leenfaciliteit gedaan.

Bijlage 1

Verdiepingsbijlage

Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2003 (slotwet)

Departementale suppletore begrotingsstaat (Slotwet)

  (1)(2)(3) (4)=(1)+(2)+(3) (5)(6)=(5)–(4)
Art.Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begrotingMutaties (+ of –) eerste suppletore begrotingMutaties (+ of –) tweede suppletore begroting Totaal geraamdRealisatieSlotwetmutaties (+ of –) (+ = tekortschietend geraamd)
  Verplich-tingenUitgavenOntvangstenVerplich-tingenUitgavenOntvangstenVerplich-tingenUitgavenOntvangsten Verplich-tingenUitgavenOntvangstenVerplich-tingenUitgavenOntvangstenVerplich-tingenUitgavenOntvangsten
 Totaal 3 430 68754 948 + 196 492+ 105 077 – 100 437+ 43 692  3 526 742203 717 3 504 000210 179 – 22 742+ 6 462
                     
 Beleidsartikelen 3 260 42234 735 + 144 045+ 79 314 – 89 379+ 40 612  3 315 088154 661 3 294 766162 254 – 20 322+ 7 593
01Strategische beleidsontwikkeling en monitoring59 60866 550 + 2 884+ 7 954+ 1 796+ 3 545+ 3 166  66 03777 6701 79679 36476 7821 803+ 13 327– 888+ 7
02Betaalbaarheid van het wonen1 740 1151 655 87332 157+ 135 334+ 234 153+ 43 898– 1 021– 35 986+ 8 825 1 874 4281 854 04084 8801 880 2801 860 35885 761+ 5 852+ 6 318+ 881
03Duurzame woningen en gebouwen97 983261 723 – 7 570– 11 375 + 3 426+ 6 824+ 1 609 93 839257 1721 609111 005280 6861 782+ 17 166+ 23 514+ 173
04Fysieke Stedelijke Vernieuwing132 749552 1481 339– 78 736– 92 837 + 15 394– 284+ 630 69 407459 0271 96956 843455 1492 068– 12 564– 3 878+ 99
05Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving57 42956 646 + 240– 3 893 – 27 468– 3 778+ 3 593 30 20148 9753 59329 31445 5212 887– 887– 3 454– 706
06Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden27 71929 341357– 627– 627 – 351– 585+ 245 26 74128 12960296 68935 37210 789+ 69 948+ 7 243+ 10 187
07Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau227 526251 959 – 40 909+ 1 543+ 31 548+ 12 987+ 10 814+ 23 680 199 604264 31655 22896 949237 31748 310– 102 655– 26 999– 6 918
08Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden13 33015 187 + 455+ 455 – 4 296– 5 519  9 48910 123014 60615 7843 062+ 5 117+ 5 661+ 3 062
09Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband12 9298 429 – 4 167– 1 667 – 1 321– 390  7 4416 37204 7263 6070– 2 715– 2 7650
10Verbeteren nationale milieukwaliteit22 12721 975 – 1 904– 1 153+ 1 672– 7 961– 7 819  12 26213 0031 67211 94413 5541 673– 318+ 551+ 1
11Tegengaan klimaatverandering en emissies120 040167 692 + 7 909– 8 854+ 400+ 154 150– 46 090+ 2 030 282 099112 7482 430199 63592 5872 146– 82 464– 20 161– 284
12Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling30 61432 328 + 16 219+ 8 257 + 4 711+ 412  51 54440 997049 64637 2022– 1 898– 3 795+ 2
13Handhaving75 55578 457882+ 664+ 722 + 1 611+ 2 684  77 83081 86388279 47478 7611 025+ 1 644– 3 102+ 143
14Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken62 11462 114 + 11 367+ 11 367 – 12 82812 828  60 65360 653062 08662 086946+ 1 433+ 1 433+ 946
                     
Niet-beleidsartikelen 170 26520 213 +52 447+ 25 763 – 11 058+ 3 080  211 65449 056 209 23447 925 – 2 420– 1 131 
15Algemeen165 863168 82120 213+ 7 870+ 7 547+ 25 763+ 25 160+ 26 006+ 3 080 198 893202 37449 056205 688209 23447 925+ 6 795+ 6 860– 1 131
16Nominaal en onvoorzien1 4441 444 + 19 798+ 44 900 – 11 962– 37 064  9 2809 2800 0 – 9 280– 9 2800

Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2003 (slotwet)

Suppletore begrotingsstaat inzake het agentschap (Slotwet) Agentschap: Rijksgebouwendienst

Bedragen in € 1000
 (1)(2)(3)(4)=(1)+(2)+(3)(5)(6)=(5)-(4)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting 20031Mutaties (+ of –) 1e suppletore begroting 2003Mutaties (+ of –) 2e suppletore begroting 2003Totaal geraamdRealisatieSlotwetmutaties (+ of –) (+ = tekortschietend geraamd bedrag)
Agentschap Rijksgebouwendienst      
Totale baten1 013 237+ 73 58701 086 8241 426 746+ 339 922
Totale lasten1 038 071+ 70 26501 108 3361 363 956+ 255 620
Saldo van baten en lasten– 24 834+ 3 3220– 21 51262 790+ 84 302
       
Totale kapitaalontvangsten488 796+ 16 7000505 496486 960– 18 536
Totale kapitaaluitgaven629 124+ 1 8220630 946677 019+ 46 073

BIJLAGE 2

De saldibalans van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

De saldibalans van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer per 31 december 2003 (opgemaakt naar de stand van 8 maart 2004)

Bedragen in € 1000
 31-12-200331-12-2002  31-12-200331-12-2002
1. Uitgaven ten laste van de begroting– Begroting 2002– Begroting 2003 € 3 503 994€ 3 268 069  2. Ontvangsten ten gunste van de begroting– Begroting 2002– Begroting 2003 € 210 179€ 130 391
       
3. Liquide middelen€ 16€ 15 4. Rekening-courant R.I.C.€ 3 282 438€ 3 126 552
       
5. Te verrekenen met R.I.C.€ 1  5. Te verrekenen met R.I.C. € 1
       
    6. Rekening-courant fonds LUVO€ 2 330€ 2 438
7. Uitgaven buiten begrotingsverband€ 3 158€ 2 154 8. Ontvangsten buiten begrotingsverband€ 12 222€ 10 856
Subtotaal€ 3 507 169€ 3 270 238 Subtotaal€ 3 507 169€ 3 270 238
9. Extra-comptabele vorderingen€ 165 786€ 111 911 9a. Tegenrekening extra-comptabele vorderingen€ 165 786€ 111 911
10. Voorschotten€ 4 309 990€ 4 824 712 10a. Tegenrekening voorschotten€ 4 309 990€ 4 824 712
11a. Tegenrekening extra-comptabele schulden€ 2 037€ 1 922 11. Extra-comptabele schulden€ 2 037€ 1 922
12a. Tegenrekening openstaande verplichtingen€ 4 947 237€ 6 045 263 12. Openstaande verplichtingen€ 4 947 237€ 6 045 263
13a. Tegenrekening garantieverplichtingen€ 856 362€ 1 640 401 13. Garantieverplichtingen€ 856 362€ 1 640 401
Totaal-generaal€ 13 788 581€ 15 894 447 Totaal-generaal€ 13 788 581€ 15 894 447

De toelichting bij de saldibalans (bedragen in € 1000)

Ad 1. Uitgaven ten laste van de begroting (€ 3 503 994)

Deze post bevat de nog niet met het Ministerie van Financiën verrekende begrotingsuitgaven. Verrekening van de begrotingsuitgaven 2003 zal plaatsvinden nadat de Slotwet door de Staten-Generaal is vastgesteld.

Ad 2. Ontvangsten ten gunste van de begroting (€ 210 179)

Deze post bevat de nog niet met het Ministerie van Financiën verrekende begrotingsontvangsten. Verrekening van de begrotingsontvangsten 2003 zal plaatsvinden nadat de Slotwet door de Staten-Generaal is vastgesteld.

Ad 3. Liquide middelen (€ 16)

Het bedrag van € 16 is als volgt te specificeren:

Bankrekeningen € 1

Kasgelden € 15

Ad 4. Rekening-courant R.I.C. (€ 3 282 438)

Onder deze balanspost is de rekening-courant van het Rijksbegroting Informatie Centrum (R.I.C.) opgenomen. Het saldo volgens het saldobiljet van het R.I.C. zie brief BZ 2004–00040 M d.d. 12 februari 2004 bedraagt € 3 282 438.

Ad 5. Te verrekenen met R.I.C. (€ 1)

Het saldo van € 1 heeft betrekking op saldodragende RABO-rekeningen van het DGW en een verschil wat ontstaan is als gevolg van de overgang naar een nieuw systeem bij de BNG. Het betreffende verschil is in de periode van 26 augustus tot en met 1 september in de verwerking van een drietal ontvangsten via de BNG-rekening van het DGW ontstaan.

Ad 6. Rekening-courant Fonds Luchtverontreiniging (LUVO) (€ 2 330)

Onder deze balansrekening is de «schuld» (inclusief de rente over 2002) van het Rijk aan het fonds LUVO opgenomen. Het jaarverslag en de bijbehorende jaarrekening 2003 van het fonds moeten nog worden goedgekeurd, waarna de rente over 2003 bij het Ministerie van Financiën kan worden geclaimd. De hoogte van de rente is voorlopig bepaald op € 17

Ad 7. Uitgaven buiten begrotingsverband (€ 3 158)

Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn posten opgenomen, die met derden moeten worden verrekend. Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Te verrekenen met andere departementen € 1 132

Te verrekenen met lagere overheden/overige derden € 2 026

Totaal € 3 158

In het bedrag ad € 2 026 te verrekenen met lagere overheden/overige derden is een bedrag van € 70 begrepen betreffende Europese geldstromen voor medefinanciering van de Impelconferentie door de Europese Commissie.

Ad 8. Ontvangsten buiten begrotingsverband (€ 12 222)

Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de posten opgenomen, die aan derden moeten worden betaald. Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Te betalen aan lagere overheden/overige derden € 12 222

Het bedrag van € 12 222 bestaat voornamelijk uit af te dragen loonheffing en pensioenpremies (€ 9 797).

In het totale saldo is tevens een post ad € 236 voor waarborgsommen afvaltransporten opgenomen. Dit bedrag betreft het saldo van de op een depositorekening van DGM gestorte waarborgsommen voor afvaltransporten in het kader van de EVOA-regeling. Op grond van deze EVOA-regeling is een bedrijf dat afvalstoffen wil transporteren over de landsgrenzen heen, verplicht een deposito te storten of een bankgarantie af te geven aan de bevoegde autoriteit (in casu VROM).

Per 31 december 2003 heeft DGM in het kader van de EVOA-regeling bankgaranties in haar bezit voor een bedrag van € 122 529.

Ad 9. Extra-comptabele vorderingen (€ 165 786)Ad 9a. Tegenrekening Extra-comptabele vorderingen (€ 165 786)

Bij ontvangst worden deze vorderingen ten gunste van de ontvangstenbegroting geboekt.

Het verloop van de vorderingen in 2003 (EUR1000)
Stand vorderingen per 31-12-2002  111 911
Bij: In 2003 ontstane vorderingen  212 622
   324 533
     
Af: Ontvangen/verrekend144 748  
Ingetrokken12 688  
Definitief buiten invorderingstelling c.q. kwijtschelding1 311  
   158 747
Stand vorderingen per 31-12-2003  165 786
Vorderingen op artikelniveau en ouderdom per 31-12-2003 in EUR1000
ArtikelOmschrijvingvóór 200220022003Totaal
01Strategische beleidsontwikkeling en monitoring0000
02Betaalbaarheid van het wonen25 53113 49564 264103 290
03Duurzame woningen en gebouwen22130134
04Fysieke stedelijke vernieuwing4 006004 006
05Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving230914937
06Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden0000
07Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau7 55997622 55831 093
08Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden820082
09Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband0000
10Verbeteren nationale milieukwaliteit0000
11Tegengaan klimaatverandering en emissies067495562
12Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling18 15141618 198
13Handhaving1 169182961 483
14Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken0000
15Algemeen462599391 244
 Totaal56 56914 85889 602161 029
 BUBV004 7574 757
 Totaal-generaal56 56914 85894 359165 786

Toelichting:

Ten opzichte van 2002 is het vorderingensaldo met ca. 47% gestegen (van € 112 mln naar € 165 mln). Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging bij artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen (€ 39 mln).

Omvangrijke vorderingen:

Van het totale vorderingensaldo heeft ca. € 103 mln betrekking op vorderingen die zijn ingesteld in het kader van de huursubsidie (artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen) als gevolg van controles op het inkomen en de bewoning.

De omvang van het vorderingensaldo vóór 2002 wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een in 1996 op artikel 12 Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling verantwoorde achtergestelde lening van € 18,2 mln aan de COVRA. Deze lening zal in principe niet eerder dan per 2016 worden terugbetaald.

In 2003 is op artikel 07 Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau een vordering op de gemeente rotterdam van € 17,6 mln. vastgelegd inzake de afwikkeling van FES/Vinex-gelden en budgetfinanciering over de jaren 1998 t/m 2000.

Van het totale vorderingensaldo heeft ca. € 12,1 mln betrekking op vorderingen die zijn ingesteld in het kader van Kostenverhaal bodemsanering (artikel 07 Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau). Deze vorderingen hebben een doorlooptijd die kan oplopen tot enkele jaren, aangezien deze vaak via gerechtelijke weg moeten worden afgedwongen. Invordering vindt plaats via de landsadvocaat.

Ad 10. Voorschotten (€ 4 309 990)Ad 10a. Tegenrekening voorschotten (€ 4 309 990)

Op deze rekening staat het saldo gebaseerd op de Regeling Departementale Begrotingsadministratie (voorschotten, vooruitbetalingen en voorlopige betalingen). De definitieve vaststelling danwel de afwikkeling vindt plaats na indiening van de einddeclaratie.

Het verloop van de voorschotten binnen en buiten begrotingsverband in 2003 (EUR1000)
Stand voorschotten per 31-12-20024 824 712
Bij: In 2003 verleende voorschotten1 235 945
 6 060 657
Af: Afgerekende voorschotten1 750 667
Stand voorschotten per 31-12-20034 309 990
Overzicht van de voorschotten op artikelniveau en ouderdom per 31 december 2003 (EUR1000)
Artikel en omschrijvingVóór 200220022003Totaal
01 Strategische beleidsontwikkeling en monitoring11 55451 89751 839115 290
02 Betaalbaarheid van het wonen784 67623 31825 651833 645
03 Duurzame woningen en gebouwen24 73718 400115 776158 913
04 Fysieke stedelijke vernieuwing1 399 259158 872364 0781 922 209
05 Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving13 81212 43519 79346 040
06 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden4 62471612 08717 427
07 Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau248 112194 271183 661626 044
08 Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden122 2521 03311 192134 477
09 Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband4 5433584315 332
10 Verbeteren nationale milieukwaliteit2 0531 2644 2247 541
11 Tegengaan klimaatverandering en emissies32 05641 06264 178137 296
12 Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling7 14211 50823 83942 489
13 Handhaving9 39514 70512 39036 490
14 Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken0000
15 Algemeen6 3264 28296 087106 695
Totaal binnen begrotingsverband2 670 541534 121985 2264 189 888
Departementen65 60822 88030 947119 435
Derden355 312667
Totaal buiten begrotingsverband65 96322 88031 259120 102
Totaal-generaal2 736 504557 0011 016 4854 309 990

Toelichting:

Ten opzichte van 2002 is het totaal uitstaande bedrag ultimo 2003 met ca. 11% gedaald. Eind 2002 was dit € 4,8 mld, terwijl het saldo eind 2003 € 4,3 mld bedroeg. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een afname van de voorschotten in het kader van de individuele huursubsidie (artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen)

Omvangrijke voorschotten:

Van het totale voorschottensaldo heeft ca. € 1,9 mld betrekking op artikel 04 Fysieke stedelijke vernieuwing en ca. € 0,8 mld op artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen.

Ad 11. Extra-comptabele schulden (€ 2 037)Ad 11a. Tegenrekening extra-comptabele schulden (€ 2 037)

Het saldo is bepaald aan de hand van de openstaande facturen met een factuurdatum tot en met 31 december 2003 en ontvangen tot medio januari 2004 waarvoor het «verplichtingen = kas beginsel» geldt. Hierop zijn de nog niet verrekende creditnota's die betrekking hebben op facturen uit deze categorie in mindering gebracht. Facturen betreffende GVKA-verplichtingen zijn – om dubbeltellingen met de openstaande verplichtingen te voorkomen niet meegeteld.

Ad 12. Openstaande verplichtingen (€ 4 947 237)Ad 12a. Tegenrekening openstaande verplichtingen (€ 4 947 237)

Het verloop van de verplichtingen binnen en buiten begrotingsverband in 2003 (excl. Garanties) (EUR1000)
Stand verplichtingen per 31-12-2002 6 045 263
Bij: Aangegane verplichtingen/verhogingen 2 983 701
  9 028 964
Af: Betalingen3 507 973 
Verlagingen/intrekkingen oude jaren573 754 
 4 081 727 
Stand verplichtingen per 31-12-2003 4 947 237
Overzicht van de verplichtingen op artikelniveau en ouderdom per 31 december 2003 (EUR1000)
Artikel en omschrijvingVóór 200220022003Totaal
01 Strategische beleidsontwikkeling en monitoring11 9114 44754 99671 354
02 Betaalbaarheid van het wonen335 67427 823673 7511 037 248
03 Duurzame woningen en gebouwen1 685 10018 04110 6201 713 761
04 Fysieke stedelijke vernieuwing782 63943 98423 373849 996
05 Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving125 8083 71611 859141 383
06 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden3 69725 00062 74891 445
07 Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau283 841107 77442 774434 389
08 Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden4 3363463395 021
09 Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband5 2001 0293 1199 348
10 Verbeteren nationale milieukwaliteit7572 1754 4167 348
11 Tegengaan klimaatverandering en emissies249 234154 50431 815435 553
12 Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling12 82916 57820 29049 697
13 Handhaving1 4962 67217 02621 194
14 Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken0000
15 Algemeen4 4775 15030 13039 757
Totaal binnen begrotingsverband3 506 999413 239987 2564 907 494
Departementen33 9292 8011 83538 565
Derden755273961 178
Totaal buiten begrotingsverband34 6842 8282 23139 743
Totaal-generaal3 541 683416 067989 4874 947 237

Onder derden is een bedrag van € 70 opgenomen m.b.t. Europese geldstromen voor medefinanciering van de Impelconferentie door de Europese Commissie.

Toelichting:

Eind 2003 staat € 5,0 mld aan verplichtingen binnen en buiten begrotingsverband open. Hiervan heeft € 1,0 mld betrekking op artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen en ruim € 1,7 mld op artikel 03 Duurzame woningen en gebouwen

Ten opzichte van 2002 is de stand van de openstaande verplichtingen met ca. 18% gedaald. Deze daling is voornamelijk terug te vinden bij artikel 03 Duurzame woningen en gebouwen en artikel 04 Fysieke stedelijke vernieuwing.

Bij de eenmalige verplichtingen wordt de vermindering grotendeels veroorzaakt door het bij Artikel 03.79 «Onverdeeld programma» uitbetalen van € 157 mln (waar tegenover maar € 7 mln aan nieuwe verplichtingen staan) en het in 2003 voor verlagen van oude verplichtingen als gevolg van de uitgevoerde renteherziening (5 jarige en 10 jarige renteconversie) bij het Budget Besluit Woninggebonden Subsidies 1992–1994. Voor dit onderdeel is de totale looptijd van de bijdragen aan de sociale sector afhankelijk van het gehanteerde rentepercentage. Conform de regeling wordt na iedere 5 jaar bij de sociale koopsector en na iedere 10 jaar bij de sociale huursector de rente herzien. De huidige renteconversie heeft betrekking op het budgetjaar 1992. Deze renteconversie kan tot gevolg hebben dat de looptijd korter of langer is wanneer het dan gehanteerde rentepercentage afwijkt van dat waarmee thans in de begroting wordt gerekend. Ultimo 2003 zijn de rentepercentages herzien. De rente voor de sociale koopsector is gedaald van 7,1% naar 4,6%. De rente voor de sociale huursector is gedaald van 9,35% naar 4,6%. Het gevolg hiervan is dat de openstaande verplichtingen zijn verminderd. Dit betekent dat niet de hoogte van de jaarlijkse bijdrage wordt verminderd maar dat de looptijd is verkort. De laatste betalingen zullen nu in 2015/2016 plaatsvinden;

Bij Artikel 04.10 «inhoudelijke impuls fysieke leefomgeving» in het kader van het ISV (Investeringen Stedelijke Vernieuwing) en IPSV (Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing) uitbetalen van € 448 mln (waar tegenover maar € 49 mln aan nieuwe verplichtingen staan).

Bij de doorlopende verplichtingen is de afname het gevolg van het doen van betalingen voor € 47 mln en het voor € 61 mln intrekken/verlagen op betreffende oude verplichtingen. Het saldo van de doorlopende verplichtingen is per 31 december 2003 € 272 mln.

Deze doorlopende verplichtingen zijn gebaseerd op ramingen waaraan niet dezelfde betrouwbaarheidseisen kunnen worden gesteld als de overige posten in de saldibalans. Het kenmerk van deze verplichtingen is dat, op het moment van de juridische grondslag, de omvang van de financiële verplichting nog niet vaststaat. De feitelijke betalingsverplichting wordt jaarlijks berekend op basis van onder meer de vastgestelde huurtrend (2003: 3,8%) en de geldende rente (2003: 4,0%; de volgende jaren: 4,1%). Bij deze «verplichtingen» staat op het moment van de juridische grondslag de netto contante waarde van de financiële verplichting in beginsel vast. De nominale verplichting kan als gevolg van renteconversie wijzigen. Teneinde deze toekomstige (nominale) betalingsverplichting van de doorlopende verplichtingen toch op de saldibalans tot uitdrukking te brengen, zijn deze openstaande «verplichtingen» geraamd.

Omvangrijke negatieve bijstellingen:

Voornamelijk als gevolg van de in 2003 uitgevoerde renteherziening bij het Budget Besluit Woninggebonden Subsidies (artikel 03 Duurzame woningen en gebouwen) is voor € 424 mln aan oude verplichtingen verlaagd. Daarnaast zijn de doorlopende verplichtingen met € 61 mln verlaagd.

Ad 13. Garantieverplichtingen (€ 856 362)Ad 13a. Tegenrekening garantieverplichtingen (€ 856 362)

Dit betreft de garantieverplichtingen die door VROM zijn aangegaan.

De per 31 december 2003 nog lopende garanties (EUR1000)
ArtikelOmschrijving soort regelingMaximaal garantiebedragStand per 31-12-2003
A. 100% deelname van het Rijk
1. 02StudentenhuisvestingLeningovereenkomst€ 25 700
2. 02HuurwoningenIdem€ 830 000
B. Specifieke garanties
1. 02St. Waarborgfonds sociale woningbouwAchtervangfunctie0
2. 02St. Waarborgfonds eigen woningenAchtervangfunctie0
3. 07Garantieregeling m.b.t. bodemsaneringskredieten Vlgs borgstellingsovereenkomst€ 210
4. 11St. IRCP.M.0
5. 10College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)P.M.0
6. 12Garanties HABOG participanten COVRAGeldelijke aansprakelijkheid voor onvoorziene Rijksbesluitvorming na 2014 0
7. 11St. NIDOHuur periode 2005 t/m 2007€ 452
Totaal  € 856 362

Toelichting:

Met ingang van 1992 zijn de garanties expliciet op de saldibalans vermeld. De onder artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen verantwoorde garantieverplichtingen betreffen de uitstaande garanties die in overeenstemming met het ministerie van Financiën, gebaseerd zijn op ramingen. Het verschil met de onder Ad. 12 verantwoorde openstaande verplichtingen is, dat de uitstaande garanties geen betalingsverwachting betreffen doch zuiver de verstrekte garantiebedragen.

De daling van € 1,6 naar € 0,9 mld van de totale uitstaande garanties is hoofdzakelijk toe te schrijven aan artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen.

A. 100% deelneming in het verlies

1. Studentenhuisvesting wooneenheden (Artikel 02.03.04):

Deze wooneenheden zijn tot stand gekomen onder het subsidieregime van de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen, en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De garantieverleningen ten behoeve van de Stichtingen Studentenhuisvesting zijn overgenomen van genoemde ministeries. De stand van de uitstaande garanties wordt jaarlijks verminderd met € ca 13,6 mln.

2. Huurwoningen

Onderstaande posten zijn gebaseerd op ramingen waaraan niet dezelfde betrouwbaarheidseisen kunnen worden gesteld als de overige posten in de saldibalans.

– Woningbouwcorporaties/non-profitinstellingen (woningverbetering Artikel 02.03.04):

De raming is gebaseerd op afgegeven garantiebeschikkingen in voorgaande jaren. De volledigheid van de registratie daarvan staat niet vast. Van deze gegevens ontbreken de actuele schuldrestanten. Het uitstaande leningenbedrag is thans teruggebracht tot € 0.

– Huurwoningen woningbouwcorporaties/non-profitinstellingen (nieuwbouw) (Artikel 02.03.04):

Ultimo 2001 zijn de garantie-verplichtingen opnieuw benaderd aan de hand van de subsidiegegevens BGSH'75, conform afspraken met het ministerie van Financiën. Hierbij is aangenomen dat het geïnvesteerd vermogen per ultimo 2003, zoals dit vanuit de regeling is berekend (voor complexen welke zijn gefinancierd met gegarandeerde kapitaalmarktleningen) een reële benadering is van de schuldrestanten per 31-12-2003.

De raming van de openstaande stand per ultimo 2003 (€ 830 mln) is met € 470 mln afgenomen ten opzichte van de stand per 31-12-2002 (€ 1,3 mld). Deze afname is onder meer het gevolg van de volgende mutaties:

• in 2003 is voor een totaalbedrag van ongeveer € 246 mln aan vrijwaringen verleend door het WSW;

• het bedrag van complexen waarvan de looptijd van 20 jaar is verstreken bedraagt € 2,1 mld;

• de jaarlijkse «klim» op de niet gevrijwaarde complexen bedraagt € 9 mln per ultimo 2003.

De openstaande stand bedraagt € 830 mln. Hiervan is bij WSW voor € 400 mln aangemeld voor vrijwaring, waarvan nog geen terugmelding is ontvangen. Het restant van € 430 mln is niet aangemeld bij WSW, deze complexen zullen te zijner tijd vervallen in verband met het vestrijken van de looptijd van 20 jaar.

– De uitstaande NWI garanties (Artikel 02.03.07) leiden normaal gesproken niet tot betaling. De omvang (€ 6 mln) is een raming op basis van de actueel geïnvesteerde vermogens van de complexen met vigerende (rijkscontra-)garantie. Het bedrag stijgt jaarlijks met de verhoging van de uitstaande lening (de zogenaamde klim). Er is echter sprake van een verlaging (2003: € 244 mln) omdat er garanties stoppen door:

A. Aflossing van de lening.

B. Vrijwaring door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

C. Het afzien van de rechten op de contragarantie door gemeenten.

B. Specifieke garanties

1. Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw

Het Rijk heeft tezamen met gemeenten (ieder voor 50%) een achtervangfunctie ten aanzien van de financiële positie van het WSW. Gezien de tertiaire zekerheid waar het hier omgaat, kan het risico voor het RIJK als gering worden gezien. Maar ingeval er toch een beroep wordt gedaan, dan is dat tot een maximum van € 27,3 mln per jaar.

2. Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen

Tezamen met deelnemende gemeenten heeft het Rijk (ieder voor 50%) een financiële achtervangfunctie. Dit wordt ingevuld door middel van renteloze leningen, indien en voor zover het fondsvolume kleiner wordt dan anderhalf maal het gemiddelde verliesniveau over de laatste vijf jaar. De kosten van het fonds worden onder meer gedekt uit de door de kopers te betalen risico-vergoedingen. Verder heeft het WEW de tot 1 januari 1995 door het Rijk (voor 50%) verstrekte garanties overgenomen. Indien de hiervoor in 1995 verstrekte eenmalige bijdrage te laag blijkt te zijn, dan is het Rijk in de periode tot en met 2006 verplicht tot een bijdrage in een tekort van maximaal € 46,3 mln. Mede gezien de rentestand ligt dit niet in de lijn der verwachtingen.

3. Garantieregeling m.b.t. bodemsaneringskredieten

De garanties betreffen twee regelingen met betrekking tot kredieten t.b.v. de bodemsanering van bedrijfsterreinen, te weten het Besluit Borgstelling Midden en Klein Bedrijf-kredieten (MKB) en de regeling Bijzondere Financiering (BF-regeling).

MKB-regeling

Het Besluit Borgstelling MKB-kredieten is een aanvulling op de Regeling Borgstelling MKB-kredieten die door het Ministerie van Economische Zaken wordt uitgevoerd. Op basis van het besluit kunnen kredietinstellingen zogenaamde borgstellingsovereenkomsten sluiten met de Staat, vertegenwoordigd door het ministerie van Economische Zaken, dat eveneens namens VROM alle handelingen (administratieve en overige) verricht. Op basis van de borgstellingsovereenkomsten kunnen de instellingen kredieten met staatsgarantie verstrekken ter hoogte van maximaal € 0,5 mln ten behoeve van de financiering van de sanering van bedrijfs-terreinen. Toetsing van de verstrekte kredieten aan de bepalingen uit de borgstellingsovereenkomst vindt plaats door EZ.

Ten laste van het maximaal beschikbare budget in 2003 van € 65,3 mln is geen krediet verstrekt. De werkelijk openstaande garantieverplichting is derhalve € 0,1 mln (1998) + € 0,1 mln (1999) in totaal € 0,2 mln.

Op basis van ervaringscijfers van het Ministerie van Economische Zaken kan een schatting gemaakt worden van het waarschijnlijk tot betaling komende deel van de garanties. Vooralsnog wordt uitgegaan van ongeveer 20 procent van de openstaande garanties.

BF-regeling

De Overeenkomst Krediet verlening Vrijwillige Bodemsanering 1993 is een uitbreiding van de bestaande Regeling Bijzondere Financiering 1971 die door het Ministerie van Financiën wordt uitgevoerd. In het kader van de overeenkomst worden t.b.v. de financiering van de sanering van de bedrijfsterreinen door de Nederlandse Investeringsbank kredieten met staatsgarantie verstrekt ter hoogte van minimaal € 0,5 mln en maximaal € 11,3 mln. Voorafgaand aan de kredietverlening vindt beoordeling van de aanvraag voor de lening plaats door de Werkcommissie Bijzondere Financiering (bestaande uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Investeringsbank, Financiën, EZ en VROM).

Het bedrag voor de garanties is het in de begroting 2003 opgenomen beschikbare budget (€ 40,7 mln). Analoog aan de werkwijze bij het Besluit Borgstelling MKB-kredieten is aan het begin van het jaar het beschikbare budget als garantieverplichting vastgelegd. Gedurende het jaar door de Nederlandse Investeringsbank aangesproken garanties (uitgaven) en betaalde provisies worden via het Ministerie van Financiën met DGM verrekend en verantwoord in de DGM-administratie. Ten laste van de budgetverplichting voor 2003 zijn geen kredieten verstrekt. Dit betekent dat de werkelijk openstaande verplichting nihil is.

4. Stichting International Reference Centre for Community Water Supply and Sanitation (IRC)

De geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de Stichting IRC is beperkt tot de eventuele schulden, welke na liquidatie van het IRC als rechtspersoon mochten overblijven. Deze garantstelling is pro memorie (PM) opgenomen. Er is momenteel geen aanleiding te veronderstellen dat het Rijk hierbij financiële risico's loopt.

5. College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)

De geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van het CTB geldt voor eventuele schadeclaims van derden die een bepaalde limiet te boven gaan. Deze garantstelling is pro memorie (PM) opgenomen. Er is momenteel geen aanleiding te veronderstellen dat het Rijk hierbij financiële risico's loopt.

6. Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA)

De producenten van hoog radioactief afval zullen gezamenlijk een opslagfaciliteit voor hoog radioactief afval, het HABOG opzetten en deze overdragen aan de COVRA. De totale kosten voor het HABOG bedragen € 97 mln. De HABOG-participanten zullen dit zelf financieren. Om de participanten te vrijwaren van onvoorziene financiële consequenties, voor zover die althans het gevolg zijn van onvoorziene rijksbesluitvorming na 2014 m.b.t. de passieve exploitatiefase respectievelijk de eindbergingsfase, is in de overeenkomst tussen de HABOG participanten vastgelegd dat de Staat zich hiervoor garant stelt.

Aan de geldelijke aansprakelijkheid van de Staat kan derhalve geen bedrag worden gekoppeld.

7. Stichting NIDO

De Stichting NIDO is gehuisvest in een huurpand van de Rijksgebouwendienst. Hiervoor is voor de periode 1 januari 2001 t/m 31-12-2007 een huurovereenkomst aangegaan. Aangezien er enige onzekerheid bestaat over het voortbestaan van de Stichting NIDO vanaf het jaar 2005 heeft de Staat zich garant gesteld voor de huur over de jaren 2005 t/m 2007, tot ten hoogste het bedrag van € 451 637,81 (dit bedrag is geïndexeerd met 3,2618%, zijnde de huurverhoging per 1 januari 2003)

BIJLAGE 3

Aanbevelingen Algemene Rekenkamer

Toezeggingen Minister aan Algemene Rekenkamer in Audit Actielijst 2003 van het Rapport bij het Jaarverslag 2002Nakoming toezeggingen aan Algemene Rekenkamer in verslagjaar 2003
Bezwaaronderzoek financieel beheer DGM:De minister stelt voor de kritiekpunten van de Algemene Rekenkamer op het plan van aanpak programmafinanciering bodemsanering in het verbeterplan te verwerken en met de Algemene Rekenkamer een communicatietraject af te spreken.Bezwaaronderzoek financieel beheer DGM:De AR heeft in het RJV 2002, 28 880 nr. 25, aangegeven, dat zij bereid is in overleg te treden met de minister van VROM over het verbeterplan bodemsanering, opdat een brede probleemanalyse duidelijk zal moeten maken wat de exacte reikwijdte van de problemen binnen DGM is.Sinds medio september 2003 is er overeenstemming tussen VROM en de AR, dat middels eigen transparant onderzoek van het Ministerie, de onderliggende oorzaken die ten grondslag hebben gelegen aan problemen in het financieel beheer in kalenderjaar 2002 worden benoemd en dat hiermee tevens inzicht verkregen wordt in de reikwijdte van de problemen binnen DGM. Zodat tenslotte de problemen structureel worden weggenomen.Na afronding van de probleeminventarisatie en de analyse van de oorzaken van de knelpunten wordt ultimo februari 2004 gewerkt aan het opstellen van een verbeterplan. De AR heeft aangegeven, dat zij de totstandkoming van het verbeterplan en de monitoring van de planacties gaat beoordelen in een vervolgbezwaaronderzoek.
  
Clean Development Mechanism:Over de door de Algemene Rekenkamer bekritiseerde gang van zaken rond de contracten voor het Clean Development Mechanism deelt de minister mede dat er inmiddels maatregelen zijn genomen die herhaling beogen te voorkomen.Contracten zullen vooraf ter verificatie aan de directie Bedrijfsvoering DGM dienen te worden aangeboden.Clean Development Mechanism:De in 2003 afgesloten overeenkomsten zijn in overeenstemming met de gemaakte afspraken. Bij 1 afspraak is dit niet vooraf via de daarvoor ingestelde functionaris geverifieerd, maar is anderszins zekerheid verkregen. Inmiddels is de administratieve organisatie vastgesteld.
  
Bodemsanering:Conform het onderwerp Bezwaaronderzoek financieel beheer DGM, onderdeelbodemsanering.Bodemsanering:Inzake bodemsanering is het bijgestelde door de bewindslieden geautoriseerde verbeterplan bodemsanering, aangepast, conform de wensen van de Algemene Rekenkamer in uitvoering.
  
Huursubsidie:Voor de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van het nieuwe huurtijdvak is een capaciteitsplanning opgesteld. De minister heeft verschillende maatregelen in gang gezet om de kwaliteit van het behandelproces, de gegevensuitwisseling en het controlebeleid te verbeteren. Inzake het verbeterplan is het kritieke pad in kaart gebracht en is er een gedetailleerd draaiboek opgesteld voor de implementatie van het nieuwe huursubsidietijdvak. De Tweede Kamer zal via voortgangsrapportages over de verdere afwikkeling van het verbeterplan wordengeïnformeerd.Huursubsidie:Ik heb u via 4 voortgangsrapportages geinformeerd over de uitvoering van het plan van aanpak tot normalisatie van de uitvoering huursubsidie. In de 4de en laatste voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 28 464, nr. 28) heb ik geconcludeerd:» dat de uitvoering van de huursubsidie na een roerig jaar inmiddels weer is genormaliseerd. Het gemoderniseerde uitvoeringsproces volgens de Eos-systematiek verloopt naar behoren. Dat neemt niet weg dat incidenteel nog wel eens iets fout is gegaan, zoals bijvoorbeeld bij de gegevensuitwisseling met de primaire bronnen, maar deze fouten konden in 2003 tijdig hersteld worden. Ik blijf er overigens naar streven door middel van verder inbedding in de organisatie van de procescontroles dergelijke fouten zo veel mogelijk te voorkomen» (zie paragraaf over M&O beleid).
  
  
  
M&O beleid huursubsidie:Naast de acties uit het verbeterplan zal door de werkgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik een onderzoek worden ingesteld naar de werking van het M&O-beleid. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan de verwerking van de tot nu toe bekende tekortkomingen in de nieuwe administratieve organisatie en werkinstructies voor het nieuwe huursubsidietijdvak. Binnen DG Wonen is een actieprogramma fraudebestrijding huursubsidie 2003–2006 opgesteld. In 2003 zal voorrang worden gegeven aan de volgende acties: de aanscherping van het M&O-beleid, het doen van onderzoek naar de mate van naleving van de huursubsidiewet, het opzetten van een fraude-informatiesysteem en het starten met het opstellen van risicoprofielen.M&O beleid huursubsidie:Een inventarisatie van de resterende leemten in het M&O beleid van de DGW-regelingen, inclusief huursubsidie heeft in 2003 plaatsgevonden. Op basis van de rapportage van de werkgroep M&O beleid zijn resterende acties benoemd en van probleemeigenaren voorzien. De resterende acties hebben vooral betrekking op het verder inbedden van de M&O-maatregelen (procescontroles) in de organisatie. In het kader van de reguliere control zal voortgangsbewaking plaatsvinden.Inzake fraudebeleid wordt in overleg tussen de VROM-inspectie, DGW en de departementsleiding gezocht naar een oplossing voor het capaciteitsgebrek bij de rechercheafdeling: binnen de krappe financiële middelen zullen nadere prioriteiten moeten worden gesteld. De voortgang van de opzet van een fraude-informatiesysteem en de risicoprofielen verlopen volgens planning
  
ICT-aspecten van de bedrijfsvoering:ICT wordt integraal onderdeel van de bedrijfsvoering conform het groeipad van de mededeling over de bedrijfsvoering. Baseline informatiebeveiliging VROM wordt geïmplementeerd en daarmee worden onvolkomenheden voor een groot deel weggenomen en wordt tevens voldaan aan het VIR.Invoering nieuwe ICT-infrastructuur zal betere randvoorwaarden creëren voor de beheersing van het technisch beheer en het autorisatie- en wijzigingenbeheer. Om de continuïteit van de werkzaamheden voor de Wet bescherming persoonsgegevens te waarborgen wordt een aantal acties uitgevoerd.ICT-aspecten van de bedrijfsvoering:De VROM beheerraad heeft in 2003 een aantal prioritaire maatregelen benoemd, die in 2003 geimplementeerd moesten worden. Daarbij is door voortschrijdend inzicht gedurende het kalenderjaar rekening gehouden met ontwikkelingen in de bedrijfsvoering die met ZEUS verband houden. Concluderend kan gesteld worden dat VROM niet geheel voldoet aan het VIR ultimo 2003, maar ICT wel beziet als een integraal onderdeel van de bedrijfvoering. In de mededeling over de bedrijfsvoering zijn dit jaar de ICT-aspecten van de bedrijfsvoering meegenomen.De nieuwe ICT-infrastructuur wordt medio 2004 ingevoerd.
  
Het financieel beheer van de Rijksgebouwendienst:Resterende onderwerpen op het terrein van de administratieve organisatie zullen worden beschreven. Voor technisch beheer en informatiebeveiliging zijn maatregelen en plannen inmiddels in gang gezet.Het financieel beheer van de Rijksgebouwendienst:De kwaliteit van het financieel beheer bij de RGD heeft gedurende het 1ste half jaar 2003 onder druk gestaan van de per 1 januari 2003 doorgevoerde organisatieverandering (de kanteling). De door de RGD geconstateerde tekortkomingen hebben tussentijds geleid tot verdere verbeteringen in structuren, processen en procedures. Ook in 2004 zullen nog verbeterslagen nodig zijn, die door RGD en departement moeten worden opgepakt. De belangrijkste onderdelen van de administratieve organisatie zijn beschreven. De ontwikkelingen in het technisch beheer en informatiebeveiliging gaan volgens plan.
  
  
Financiële functie DGR:Binnen DGR wordt gewerkt aan het op orde brengen van de administratieve processen rond Interreg. Deze zijn op orde voor aanvang van de uitvoering. Bij de uitvoering van Interreg III zullen de «lessons learned» van Interreg IIC worden betrokken.Financiële functie DGR:De administratieve organisatie rond Interreg wordt conform de EU regelgeving tussen de internationale beheersautoriteiten en de Europese Commissie afgekaart. Als lid van het Toezichtscomite ziet VROM toe op juiste en betrouwbare administratieve procedures rond de beschikkende en betalende handelingen. De administratieve nationale procedures voor de projectstimuleringsregeling en het toekennen van incidentele cofinancieringssubsidies zijn op orde. Met de lessen die geleerd zijn van Interreg IIC, dossiervorming en projectmonitoring, is in 2003 voortvarend gestart
  
Prestatiegegevens:Prestatiegegevens uit begroting nog niet allemaal in verantwoording.In de toekomst zal hieraan nog meer aandachtworden besteed.Prestatiegegevens:In 2003 is hieraan extra aandacht besteed. Onder meer omdat dit een verbeteraspect was in het verbeterplan financieel en materieel beheer. In het Jaarverslag 2003 werd gestreefd onder meer bij de prestatiegegevens te verwijzen naar de bron van de gegevens.
  
Implementatie VBTB:In de begrotingsaanschrijving 2004 is voor de beleidsagenda en de beleidsartikelen op hoofdlijnen en voor ieder onderdeel van een beleidsartikel uitgewerkt aan welke VBTB-eisen het betreffende onderdeel moet voldoen, ook in relatie tot de andere onderdelen.Implementatie VBTB:In de aanschrijving voor de ontwerpbegroting 2004 is voor de beleidsagenda en de beleidsartikelen op hoofdlijnen en voor ieder onderdeel van een beleidsartikel uitgewerkt aan welke VBTB-eisen het betreffende onderdeel moet voldoen, ook in relatie tot de andere onderdelen. Daarnaast is onderzoek van de Algemene Rekenkamer terzake zo veel als mogelijk benut.

XNoot
1

De gevolgde methodiek geldt voor de beleidsartikelen 2 tot en met 14. Artikel 1 is hiervan uitgezonderd vanwege het ontbreken van een algemene doelstelling in de begroting 2003.

XNoot
1

Zie ook de tekst zoals deze is opgenomen bij beleidsprioriteit I.1 Nota Ruimte Aanpassing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

XNoot
1

Kamerstukken II, vergaderjaar 2000–2001, 27 559, nr. 2.

Naar boven