Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 29540 nr. 16 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 29540 nr. 16 |
Aangeboden 19 mei 2004


| A | ALGEMEEN | ||
| Voorwoord | 6 | ||
| Dechargeverlening | 7 | ||
| Leeswijzer | 10 | ||
| B. | HET BELEIDSVERSLAG | ||
| Beleidsprioriteiten | 12 | ||
| De beleidsartikelen | |||
| 1. | Basisonderwijs | 41 | |
| 2. | Expertisecentra | 41 | |
| 3. | Voortgezet onderwijs | 79 | |
| 4. | Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | 111 | |
| Overzichtsconstructie beroepskolom | |||
| 5. | Technocentra | 138 | |
| 6. | Hoger beroepsonderwijs | 141 | |
| 7. | Wetenschappelijk onderwijs | 156 | |
| 8. | Internationaal onderwijsbeleid | 169 | |
| Overzichtsconstructie internationaal beleid | 170 | ||
| 9. | Onderwijspersoneel | 186 | |
| Overzichtsconstructie onderwijspersoneel | 190 | ||
| 10. | Informatie- en communicatietechnologie | 213 | |
| 11. | Studiefinanciering | 230 | |
| 12. | Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten | 238 | |
| 13. | Lesgelden | 242 | |
| 14. | Cultuur | 244 | |
| 15. | Media | 264 | |
| 16. | Onderzoek en wetenschappen | 273 | |
| De niet-beleidsartikelen | |||
| 17. | Nominaal en onvoorzien | 301 | |
| 18.-23 | Apparaatskosten | 304 | |
| Bedrijfsvoeringsparagraaf | 306 | ||
| C. | JAARREKENING | ||
| Verantwoordingsstaten | |||
| Verantwoordingsstaat van het ministerie van OCenW | 312 | ||
| Verantwoordingsstaat van de agentschappen | 313 | ||
| Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten | |||
| Budgettaire gevolgen van beleid | 314 | ||
| Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet-en regelgeving | 330 | ||
| Toelichting bij de agentschappen | |||
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 333 | ||
| Rijksarchiefdienst (RAD) | 342 | ||
| BIJLAGEN | |||
| 1. | Verdiepingsbijlage | 361 | |
| 2. | Saldibalans | 373 | |
| 3. | Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer | 382 | |
| 4. | Afkortingen | 389 | |
| 5. | Trefwoorden | 397 | |
| 6. | Begrippen | 401 | |
Sinds de invoering van VBTB, of voluit «Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording» is veel ervaring opgedaan met het vooraf benadrukken van de gewenste resultaten van beleid en het achteraf verantwoorden of die gewenste resultaten ook zijn gerealiseerd. In het vorige jaarverslag is een verantwoordingssystematiek gekozen waarbij consequent antwoord is gegeven op drie vragen: Hebben we bereikt wat we wilden bereiken? Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen? Heeft het gekost wat het mocht kosten? Deze consequente aanpak is goed ontvangen. Zo wordt deze aanpak in het juryverslag van de F.C. Kordes-trofee beloond met een best practice. Voor het ministerie was dit reden om op deze weg verder te gaan en om nog concreter weer te geven welke resultaten zijn geboekt.
Verzoek tot dechargeverlening van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal
Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap decharge te verlenen over het in het jaar 2003 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:
a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;
b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;
c. de financiële informatie in de jaarverslagen;
d. de departementale saldibalans;
e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;
f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;
van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.
Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:
a. Het financieel jaarverslag van het Rijk over 2003; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.
b. De slotwet van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaar 2003; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.
Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;
c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2003 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.
d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het financieel jaarverslag van het Rijk over 2003 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2003, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2003 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 84, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001). Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. J. A. van der Hoeven
mede namens
de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
A. D. S. M. Nijs, MBA
de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. C. van der Laan
Dechargeverlening door de Tweede Kamer
Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van ........(datum).
De Voorzitter van Tweede Kamer,
Naam:
Handtekening:
Datum:
Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.
Dechargeverlening door de Eerste Kamer
Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van .......(datum).
De Voorzitter van de Eerste Kamer,
Naam:
Handtekening:
Datum:
Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.
Het departementaal jaarverslag 2003 bestaat uit de volgende onderdelen:
A. Een algemeen deel
B. Het beleidsverslag
C. De jaarrekening
D. Bijlagen
A. Het algemeen deel bevat het voorwoord, de dechargeverlening en deze leeswijzer.
B. Het beleidsverslag kent de volgende elementen:
1. Terugblik beleidsprioriteiten
2. De beleidsartikelen
3. De niet-beleidsartikelen
4. Overzichtsconstructies
5. Bedrijfsvoeringparagraaf
1. Terugblik beleidsprioriteiten
In dit onderdeel worden de resultaten belicht van de beleidsprioriteiten die voor het jaar 2003 waren gesteld. Het betreft zowel de prioriteiten uit de begroting als uit de suppletore begrotingswetten.
In dit onderdeel worden de doelen die destijds zijn gesteld in herinnering geroepen en wordt systematisch antwoord gegeven op de vragen
• Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
• Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?
• Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Hierbij is beoogd een zo transparant en logisch mogelijk geheel te maken. Hierdoor zijn er hier en daar wat afwijkingen ten opzichte van de begroting 2003, waar transparantie en logische opbouw aandachtspunten waren.
In de tabel budgettaire gevolgen van beleid is aangesloten bij de opstelling van de tabel budgettaire gevolgen van beleid in de begroting 2003. Destijds is in overleg met het ministerie van Financiën op enkele plekken afgeweken van de rijksbegrotingvoorschriften. Die afwijking komt hier daarom terug.
Waar relevant is een overzicht gegeven van de informatie die de Kamer in 2003 over het betreffende onderwerp heeft ontvangen.
In de begroting 2003 waren de apparaatuitgaven nog niet toegerekend aan de beleidsartikelen. In dit jaarverslag is dat vanzelfsprekend ook niet gedaan. Vanaf de begroting 2004 worden de apparaatuitgaven op de beleidsartikelen verantwoord.
Net als in de begroting 2003 zijn de volgende overzichtsconstructies opgenomen:
• Beroepskolom
• Internationaal beleid
• Onderwijspersoneel
Om doublures in de tekst te voorkomen wordt op de beleidsartikelen vaak verwezen naar de overzichtsconstructies voor een toelichting op bepaalde aspecten. Dit leidt er toe dat toelichtingen in dit jaarverslag niet altijd op dezelfde plek staan als in de begroting 2003. De overzichtsconstructies zijn opgenomen na de beleidsartikelen waaraan ze gerelateerd zijn (dus overzichtsconstructie beroepskolom na het beleidsartikel beroepsonderwijs en volwasseneneducatie).
In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties.
C. De jaarrekening bevat de verantwoordingsstaten en een toelichting op de verantwoordingsstaten per beleidsartikel. Voor de tabellen budgettaire gevolgen van beleid geldt wat is opgemerkt bij de beleidsartikelen in het beleidsverslag.
Tevens bevat de jaarrekening de verantwoording van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen (CFI) en de Rijksarchiefdienst (RAD).
D. De volgende bijlagen zijn opgenomen:
• Verdiepingsbijlage
• Saldibalans
• Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer
• Afkortingen
• Trefwoorden
• Begrippen
In de beleidsagenda 2003 staat de burger centraal. Leerlingen, studenten en andere onderwijsdeelnemers, maar ook hun ouders, het onderwijspersoneel, onderzoekers en kunstenaars: allemaal hebben ze te maken met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Uitgangspunt van het beleid was in 2003 dan ook dat ieder de verantwoordelijkheid moet krijgen die hem toekomt, dat ieder die verantwoordelijkheid daadwerkelijk neemt, en uiteindelijk verantwoording aflegt over zijn inzet en het bereikte resultaat.
Ondanks de demissionaire status van het kabinet in de eerste helft van het jaar, heeft OCW zich in 2003 ingespannen om dit uitgangspunt gestalte te geven in het beleid, zodat de mensen in en om de instellingen in het onderwijs, de cultuur en de wetenschap meer ruimte krijgen om hun werk te doen. Zij zijn immers de echte professionals.
Vanuit een gezamenlijke en gedeelde verantwoordelijkheid met burgers en instellingen, heeft de overheid in 2003 geïnvesteerd in beter onderwijs, gericht op de uitdagingen van de kennissamenleving. In juli zijn daarnaast in de zogenaamde «Uitgangspuntenbrief» de contouren geschetst voor een nieuwe cultuurnotaprocedure, waarin de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen centraal staat. Deze contouren zijn verder uitgewerkt in «Meer dan de som», de beleidsbrief Cultuur 2004–2007 die in november 2003 aan de Tweede Kamer is gestuurd. Ten slotte heeft OCW eind 2003 het Wetenschapsbudget 2004 gelanceerd, met maatregelen om de Nederlandse kennispositie en het innovatieve vermogen van bedrijven te versterken.
Deze en andere ontwikkelingen op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschap hebben in 2003 bijgedragen aan de discussie over de rol en verantwoordelijkheden van het departement. OCW heeft daarin een duidelijke positie ingenomen: het stelt de kaders die de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs, de cultuur en de wetenschappen waarborgen. Met andere woorden: het ministerie zorgt ervoor dat leerlingen, studenten en andere onderwijsdeelnemers optimaal kunnen leren en studeren, maar ook dat leraren, wetenschappers, kunstenaars, bestuurders en toezichthouders zoals de Inspectie van het Onderwijs zo goed mogelijk hun werk kunnen doen.
Centraal in het beleid voor OCW stonden in 2003 de volgende prioriteiten:
• autonomie, deregulering en rekenschap;
• aantrekkelijk lerarenberoep;
• sterke beroepskolom;
• moderne voorzieningen;
• doorlopende leerwegen.
Dit jaarverslag is niet alleen een middel om het beleid te verantwoorden maar ook om te laten zien dat OCW wil luisteren en open de discussie met de Kamer en samenleving aan wil gaan. In paragraaf 2 blikken we in algemene zin terug op het jaar 2003. Leidraad daarbij zijn de beleidsprioriteiten, conform de begroting 2003. Paragraaf 3 beschrijft de voortgang op het gebied van twee moties op de Regeringsverklaring 2003, over de kenniseconomie en over cultuur. Paragraaf 4 gaat in op het beleidsprogramma uit de begroting 2003. De oorspronkelijke tabellen met beleidsvoornemens zijn voorzien van een toelichting waarin wordt verantwoord hoe deze voornemens in 2003 zijn aangepakt.
Autonomie, deregulering en rekenschap
Het motto voor het beleid van autonomie, deregulering en rekenschap in 2003 was: «minder regels, meer onderwijs, cultuur en wetenschap». OCW wil de verantwoordelijkheden dáár leggen waar ze het beste waargemaakt kunnen worden.
Leraren, schoolleiders en leerlingen maken samen het onderwijs en krijgen daarvoor de ruimte. Zij worden intensief betrokken bij de beleidsplannen voor de komende jaren, die in 2004 verschijnen als Koers PO, Koers VO en Koers BVE.
In «Meer dan de som», de beleidsbrief cultuur die in november 2003 naar de Tweede Kamer is gestuurd, is minder bureaucratie en meer eigen verantwoordelijkheid een van de drie prioriteiten.
Het «Wetenschapsbudget 2004» dat eind 2003 verscheen, vergroot de ruimte voor wetenschappelijke instellingen en onderzoekers om de best mogelijke keuzes te maken, ongehinderd door bemoeizuchtige en belastende bureaucratie.
In het primair en voortgezet ondertwijs is in 2003 het traject in gang gezet dat moet uitmonden in de documenten Koers PO en Koers VO. Deze zullen «de school van morgen» beschrijven, en bevatten een visie op en een beleidsprogramma voor de toekomst van het primair en voortgezet onderwijs. Zowel in Koers PO als in Koers VO is deregulering een belangrijk instrument om de creativiteit en professionaliteit van het onderwijspersoneel te benutten, zodat het «onderwijs op maat» kan verzorgen voor leerlingen. In het primair onderwijs is de lumpsumbekostiging, die naar verwachting in 2006 wordt ingevoerd, een concreet voorbeeld van deregulering.
In het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie is onder meer gewerkt aan het vereenvoudigen en flexibiliseren van de kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod. Op 1 oktober 2003 hebben de betrokken partijen, Colo en Bve Raad en Paepon, een convenant getekend over hun onderlinge samenwerking en rolverdeling bij de ontwikkeling van de kwalificatiestructuur. Het einddoel is het aantal kwalificaties in 2007 substantieel te verminderen.
In het hoger onderwijs is in 2003 langs verschillende sporen gewerkt aan autonomievergroting en deregulering. Zo bevat de kabinetsnota «Ruim baan voor talent», die in december 2003 is verstuurd naar de Tweede Kamer, voorstellen om te experimenteren met selectie en collegegelddifferentiatie. Verder is de opleidingscapaciteit aan medische faculteiten stapsgewijs verder vergroot en is per september 2003 het eerste cohort van 50 studenten begonnen aan de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente.
In juli 2003 heeft de staatssecretaris Cultuur haar uitgangspuntenbrief voor de nieuwe cultuurnota verzonden aan de Kamer. In «Meer dan de som», de beleidsbrief cultuur 2004–2007, zijn deze uitgangspunten verder uitgewerkt. Een van deze uitgangspunten is het streven naar meer eigen verantwoordelijkheid (autonomie) en minder regels (deregulering) in de cultuursector, en in het bijzonder naar vereenvoudiging van de regelgeving rond de cultuurnota.
In december zijn de aanvragen volgens de vereenvoudigde eisen ontvangen; daarbij bestond voor het eerst de mogelijkheid om ook digitaal aanvragen in te dienen. Ook de subsidiebeschikkingen, de verantwoordingseisen en het toezicht zullen worden vereenvoudigd.
In het onderzoeksbestel is de bureaucratie voor onderzoekers en instellingen verder aangepakt. Het uitgangspunt daarbij was «zelfregulering gekoppeld aan een sterker geaccentueerde verantwoording». Het Wetenschapsbudget dat eind 2003 aan de Kamer is gestuurd, beschrijft in dat kader de zogenaamde «rekenschapsconvenanten» die OCW heeft afgesloten met onderzoeksinstituten NWO, TNO, KNAW en de KB, met onder meer afspraken over het gebruik van prestatie-indicatoren. Daarmee kunnen de instellingen laten zien hoe zij hun geld hebben uitgegeven, terwijl de administratieve lasten tot een minimum worden beperkt.
Om de administratieve lasten voor onderwijsinstellingen en instellingen in de cultuur en de wetenschap verder terug te dringen, heeft OCW in 2003 een nulmeting opgezet. Deze brengt ook de informatielasten in kaart die ándere partijen dan OCW veroorzaken. De uitkomsten van de nulmetingen worden gebruikt om de regeldruk voor scholen en instellingen actief en substantieel terug te dringen. Verder heeft OCW in 2003 minder circulaires verspreid dan het jaar daarvoor. Vooral in het primair en voortgezet onderwijs is het aantal circulaires drastisch afgenomen: van 102 in 2002 tot 75 in 2003.
Voor de culturele sector heeft het ministerie in 2003 verder vorm en inhoud gegeven aan het begrip «cultural governance»: goed, verantwoord en transparant bestuur en toezicht in de culturele sector. Zo zijn in opdracht van het ministerie een website en een handleiding ontwikkeld voor cultural governance. Verder heeft het ministerie de cultuurinstellingen meegedeeld dat zij vanaf 2004 bij een subsidieaanvraag onderworpen kunnen worden aan een bedrijfsmatigheidstoets.
Naast het traject waarin OCW de regeldruk voor scholen en instellingen aanpakt, heeft OCW in 2003 nog twee andere dereguleringstrajecten opgezet. Doel van deze trajecten is om in de kabinetsperiode 2004–2007 de administratieve lasten voor bedrijven en burgers met een kwart terug te dringen ten opzichte van 31 december 2002. Deze trajecten vloeien voort uit een gelijkluidende afspraak in het Hoofdlijnenakkoord
In 2003 is een begin gemaakt met de aanpak van de versnippering en verkokering in het jeugdbeleid. De Operatie Jong heeft als doel de verkokering te doorbreken, zodat er een sluitend netwerk ontstaat van voorzieningen rond de school, zoals jeugdzorg, welzijnswerk, politie en justitie.
Verder is er in het jeugdbeleid veel aandacht besteed aan de bevordering van veiligheid op scholen. Het Transferpunt Jongeren, school en veiligheid, dat gericht is op informatievoorziening, deskundigheidsbevordering en ondersteuning van scholen, speelde daarbij een belangrijke rol. Ook de Inspectie van het Onderwijs heeft in 2003 het toezicht op veiligheid aangescherpt door dit onderwerp expliciet in het toezichtskader op te nemen. Op 8 oktober heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen over veiligheid in het primair en voortgezet onderwijs en in december 2003 is veiligheid in het onderwijs besproken tijdens een algemeen overleg. In vervolg daarop wordt een plan van aanpak «Veiligheid op scholen en opvang van risicoleerlingen» uitgewerkt, dat in 2004 naar de Kamer wordt gestuurd.
Nu scholen meer en meer ruimte krijgen om hun eigen beleid te ontwikkelen en uit te voeren, verandert het toezicht. Er wordt van hen verwacht dat zij aan de ouders, de samenleving en aan de overheid verantwoording afleggen over de wijze waarop zij van hun ruimte gebruik maken, over de resultaten die ze halen en over de uitgaven die ze daarvoor hebben gedaan.
De Inspectie voor het Onderwijs heeft een centrale rol bij de verantwoording. De Inspectie heeft in 2003 met het aannemen van de Wet op het onderwijstoezicht mogelijkheden gekregen die passen bij de veranderde verhoudingen. Proportioneel toezicht en stimulerend toezicht op de kwaliteitszorg van de instellingen zijn daar voorbeelden van. Proportioneel toezicht houdt in dat het toezicht de instellingen niet méér belast dan nodig is. Stimulerend toezicht ontstaat als de inspectie haar bevindingen over de kwaliteit van een instelling rapporteert aan deze instelling en de omgeving daarvan.
In 2003 heeft OCW verder gewerkt aan het Actieplan Rekenschap. Dit actieplan is in maart 2003 aangeboden aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de rapporten «Ruimte voor rekenschap» en «Onregelmatigheden in de bekostiging (hoger) onderwijs» van de Algemene Rekenkamer. Eind september 2003 heeft de Tweede Kamer de eerste halfjaarlijkse rapportage ontvangen, met een nadere uitwerking van de nieuwe besturingsfilosofie – deregulering, autonomievergroting en rekenschap. De rapportage gaat ook in op de eerste bekostigingsoverleggen in de sectoren wo, hbo en bve over de juiste interpretatie van wet- en regelgeving. De neerslag daarvan – de notities «Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie» en «Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs» – is als bijlage meegezonden met de rapportage.
Het toezicht is verbeterd: het is méér op risico's gericht, de audits zijn versterkt en de accountantsdienst verricht een tweejaarlijks onderzoek bij de instellingen. Ten slotte is ook de kwaliteit van regelgeving voor handhaafbaarheid en naleefbaarheid verbeterd. Zo is er bijvoorbeeld een handhaafbaarheidstoets ontwikkeld.
Een aantrekkelijk lerarenberoep
Het kabinet en de onderwijssector hebben zich in 2003 ingespannen voor voldoende personeel in de school. Meer mensen moeten meedoen in het onderwijs, en meer mensen moeten – op meer verschillende manieren – worden opgeleid voor het lerarenberoep. Zo is er een begin gemaakt met de uitvoering van het convenant dat OCW eind 2002 heeft gesloten met het Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt, over onder meer zij-instromers, onderwijsassistenten, leraren-in-opleiding en herintreders. De subsidieregelingen voor leraren-in-opleiding in het primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector zijn met één jaar verlengd.
In de bve-sector richt men zich op een bredere groep potentiële docenten – een groep die zich al werkend kwalificeert. In 2003 hebben 589 mensen hun duale opleidingstrajecten afgerond. In het hoger beroepsonderwijs wordt het convenant lerarenopleidingen vo/bve uitgevoerd om het lerarenaanbod te verruimen en beter aan te laten sluiten op de vraag. Tegelijkertijd worden er meer middelen vrijgemaakt voor stageplekken. Ook de instroom in universitaire lerarenopleidingen is in 2003 weer toegenomen, hoewel langzamer dan verwacht. Verder is beleid ingezet om uitval van het bestaande personeel te verminderen. Zo is in het basisonderwijs en in het speciaal en voortgezet onderwijs het verzuimpercentage in 2003 verder teruggedrongen.
In de meeste sectoren in het onderwijs zijn de contractlonen in 2003 met 2,4 à 2,5% gestegen. Dat is een marktconforme loonontwikkeling, binnen de kaders van het Najaarsakkoord voor 2003. Deze ontwikkeling bestendigt de positie van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Verder heeft het kabinet in 2003 extra geld uitgetrokken voor verbetering van de lerarensalarissen. Daarnaast moet elke sector een eigen invulling kunnen geven aan de arbeidsvoorwaarden, om maatwerk te leveren en afspraken beter af te stemmen op de behoefte van de sector. Daarom moeten de partijen bij voorkeur zelf onderhandelen over arbeidsvoorwaarden.
In het hoger onderwijs is de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden geëvalueerd. Daarbij zijn zowel de inhoudelijke als de financiële aspecten van het convenant uit 1999 aan de orde gekomen. Over het geheel genomen zijn alle partijen tevreden met de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden. In de bve-sector is men vanaf 2003 zelf verantwoordelijk voor de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en daar is dan ook voor het eerst een cao afgesloten. Het primair en voortgezet onderwijs hebben een start gemaakt met de decentralisatie van arbeidsvoorwaarden.
Zestig procent van alle jongeren volgde in 2003 een opleiding in de «beroepskolom» – de route van vmbo via mbo naar hbo. In de beroepskolom staat de loopbaan van de leerling centraal. Dit impliceert meer doorlopende leerwegen, maar ook meer maatwerk: flexibele programma's en flexibele overgangen tussen werken en leren, zowel tijdens als na een initiële opleiding. Het plan van aanpak jeugdwerkloosheid dat in de zomer van 2003 is verschenen, kondigt een aantal concrete activiteiten aan die de doorstroom van vmbo naar mbo moeten verbeteren.
In 2002 is het Platform Beroepsonderwijs opgericht, onder andere om de beroepskolom extern onder de aandacht te brengen en om betere randvoorwaarden te scheppen voor de aansluiting van de onderwijssoorten binnen de beroepskolom. In 2003 heeft het platform zich vooral gericht op het vmbo in relatie tot het mbo en het bedrijfsleven. Zo heeft het platform regioportretten ontwikkeld om inzicht te verkrijgen in de stand van zaken van de regionale en sectorale samenwerking. Ook werkt het platform hard aan de verbetering van het imago van het beroepsonderwijs.
In mei 2003 heeft OCW een convenant afgesloten met het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid over de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven, onderwijs in de praktijk en in het bijzonder over de innovatiearrangementen. Voor de subsidiëring van innovatieprojecten is € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Instellingen en bedrijfsleven hebben vervolgens 64 projectvoorstellen ingediend, waarvan er 21 zijn gehonoreerd.
Modern onderwijs heeft moderne en eigentijdse voorzieningen nodig. Het kabinet investeert al geruime tijd in informatie- en communicatietechnologie (ict) op en rond de scholen. Het uitgangspunt daarbij is dat de integratie van ict in het onderwijs een zaak is van de scholen zelf. De minister zorgt voor het stelsel en voor voldoende middelen; de scholen spannen zich in om hun verantwoordelijkheid waar te maken en bepalen zelf hoe zij ict inzetten.
Tot eind 2003 waren ongeveer 10 800 locaties aangesloten op het internet. Het centrale contract voor internetaansluiting voor alle scholen in po, vo en bve is per 1 januari 2004 beëindigd. Vanaf 2004 kunnen scholen zelf kiezen hoe zij hun internetvoorziening regelen; dat past bij de OCW-prioriteit deregulering en autonomievergroting. De stichtingen Kennisnet en ICT op School begeleiden deze overgang. Zo is onder meer met de huidige leverancier een afrondingsovereenkomst ondertekend, waarbij scholen een overgangscontract kunnen afsluiten ter overbrugging van de migratieperiode naar een andere internetleverancier.
Informatie- en communicatietechnologie heeft in 2003 ook bijgedragen aan de professionalisering van docenten, vooral via het amendement Bonke. Meer dan 1000 leraren hebben via 2200 kleinschalige ict-projecten («Grassroots») positieve ervaringen opgedaan. Verder zijn voor docenten instrumenten en voorbeelden van werkwijzen ontwikkeld.
Het kabinet staat voor de uitdaging om vanuit vaste kaders voor kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid, maximale vernieuwing te stimuleren. Vernieuwing binnen het onderwijs, maar ook tussen het onderwijs en de vele beleidsterreinen die aan het onderwijs grenzen. De term «doorlopende leerwegen» heeft zowel betrekking op de grenzen binnen het onderwijs als op de grenzen tussen onderwijs en andere terreinen.
Het ministerie van OCW is sinds november 2003 coördinerend departement voor leven lang leren. Doelstelling van het beleid voor leven lang leren is het opleidingsniveau van de Nederlandse (beroeps)bevolking te verhogen, om (toekomstige) knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen en om vorm te geven aan de kennissamenleving.
In 2003 heeft OCW onder meer gewerkt aan de kabinetsreactie op het advies van de Sociaal Economische Raad «Het nieuwe leren: advies op een leven lang leren in de kenniseconomie». De reactie is met enige vertraging op 16 januari 2004 aan de Tweede Kamer gezonden. Het kabinet kondigt daarin de oprichting aan van het Platform Leven Lang Leren, dat onder meer de volgende onderwerpen agendeert:
1. Het bezien van de effectiviteit van het huidige scholingsinstrumentarium;
2. het vergroten van de transparantie van het scholingsaanbod;
3. de uitwerking van het deltaplan bèta-techniek voor zover dit betrekking heeft op leven lang leren; en
4. het verminderen van het aantal mensen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt.
Het platform wordt in de eerste helft van 2004 opgericht.
Van de circa 1,6 miljoen kinderen in het basisonderwijs behoren ongeveer 400 000 kinderen tot de doelgroep van het achterstandenbeleid. De helft daarvan zijn autochtone leerlingen uit een achterstandsituatie. De andere 200 000 zijn leerlingen van allochtone afkomst uit een achterstandssituatie. Het kabinet wil deze achterstand in de periode 2002–2006 met 25% verkleinen. In de beleidsagenda werd de invoering van een begintoets als optie genoemd. Bij de behandeling van de begrotingen voor 2003 en 2004 heeft de Tweede Kamer zich echter uitgesproken tegen een landelijk verplichte begintoets (zie voor de verdere verantwoording van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in 2003 artikel 1 primair onderwijs, onderdeel toegankelijkheid/achterstandenbeleid).
De instroom in het totaal aan bèta- en technische opleidingen in het hoger onderwijs toonde het afgelopen jaar een tweezijdig beeld: in absolute zin is de instroom toegenomen (ruim 300 eerstejaars extra, een stijging van ruim 1% ten opzichte van 2002), maar als fractie van alle eerstejaars is de instroom juist afgenomen met 1%-punt, van 21,7% naar 20,8%. Het Deltaplan Bèta & Techniek dat in december is verschenen, bevat voorstellen om de instroom te verbeteren.
De verschillende onderwijsniveaus – voorschoolse educatie, primair en voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en hoger onderwijs – moeten zo goed en soepel mogelijk op elkaar aansluiten. Daar is in 2003 langs verschillende wegen aan gewerkt. De acties ter versterking van de beroepskolom richten zich onder meer op:
Het verbeteren van intake en maatwerk
Inhoud en organisatie van het onderwijs worden zoveel mogelijk afgestemd op de loopbaan van de leerling, en niet op de grenzen van de onderwijsinstelling of sector. In 2003 zijn de mogelijkheden voor maatwerk bijvoorbeeld uitgebreid met de introductie van het leerwerktraject in de basisberoepsgerichte leerweg, en van de assistentroute, beide in het vmbo.
Onderwijs op maat voor risicoleerlingen
Optimaal gebruik van de mogelijkheden voor maatwerk en goede samenwerking van tussen scholen voor vmbo, roc en aoc en gemeentelijke instanties als leerplichtzaken en jeugdhulpverlening. Zo is in 2003 gewerkt aan de mogelijkheid dat een leerling geld meekrijgt van een school voor voortgezet onderwijs als hij tussentijds doorstroomt naar roc of aoc. Hierdoor wordt een gezamenlijke bekostiging van doorlopende leerlijnen mogelijk.
Sterkere samenwerking tussen vmbo en mbo
Het belang van samenwerking is breed onderkend. Zo is er een landelijk dekkend netwerk ontstaan van onderwijsinstellingen die samenwerken. Samenwerking tussen een vmbo-school en een roc of aoc is een voorwaarde voor uitvoering van het leerwerktraject en van de assistentroute. Daarmee heeft deze samenwerking ook een verankering in de regelgeving gekregen.
Versterken van het werkend leren
In het leerwerktraject en de assistentroute zijn de mogelijkheden voor praktijkleren aanzienlijk verruimd.
Sturen via financiële prikkels
In juni 2003 is aangekondigd dat OCW prestatieafspraken wil maken met de onderwijssectoren. In Koers BVE2, dat begin 2004 verschijnt, wordt dit voornemen verder uitgewerkt.
In 2001 is ook de Wet onderwijsnummer aangenomen. Het onderwijsnummer is een persoonsgebonden nummer voor iedere leerling in het bekostigd onderwijs. De wet wordt uitgevoerd door de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) en Centrale Financiën Instellingen (Cfi) in samenwerking met het onderwijsveld. Het onderwijsnummer maakt het mogelijk om de weg in beeld te brengen die leerlingen afleggen door het onderwijs. Deze (geanonimiseerde) informatie wordt onder meer gebruikt om beleidsplannen te maken voor zaken als voortijdig schoolverlaten en onderwijsachterstanden.
Bij de invoering van het onderwijsnummer wordt de grootste zorgvuldigheid betracht. Daarom is gekozen voor een gefaseerde invoering ervan. In 2003 is de registratie van het onderwijsnummer verplicht gesteld in het bve, wat onder andere inhoudt dat scholen gegevens mogen uitwisselen met de IB-Groep. Een jaar eerder is de registratie al ingevoerd in het voortgezet onderwijs. Voor het primair onderwijs zal de wet naar verwachting in 2004 in werking treden.
In 2003 is verder gewerkt aan een vloeiende overgang van school naar werk. In juni 2003 hebben de staatssecretarissen van SZW en OCW daarom een Plan van aanpak jeugdwerkloosheid aan de Kamer gezonden. Daarin wordt onder meer onderzocht of er de komende vier jaar 40 000 (leer)werkplekken voor jongeren bij het bedrijfsleven kunnen worden gecreëerd. Aan een werkgever die een werkloze jongere in dienst neemt en deze jongere daarnaast een opleiding biedt, wordt vanaf 1 januari 2004 een belastingkorting van circa 1500 euro per jaar geboden. Verder is in november 2003 een Taskforce opgericht om jongeren actief op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen door middel van een publiciteitscampagne. De Taskforce zal (vooral kleinere) gemeenten helpen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Jongeren zelf zullen bij het werk van de Taskforce worden betrokken.
Vanaf 1 september 2002 kent het hoger onderwijs de bachelor-masterstructuur. Het bekostigingsmodel voor de universiteiten is voor het jaar 2003 aangepast voor de bama-structuur. Uit het inspectierapport «BaMatransities: de invoering van het bama-stelsel in het wo en hbo», verschenen in september 2003, blijkt dat vrijwel alle hbo-opleidingen inmiddels zijn omgezet in bacheloropleidingen. Hetzelfde geldt voor het merendeel van de wo-opleidingen. De kwaliteitsborging van opleidingen is in handen de Nederlandse Accreditatieorganisatie (NAO), die op 1 mei 2003 van start is gegaan.
Kenniseconomie (TK 28 375, nr 35)
De EU heeft de ambitie uitgesproken om in 2010 de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld te zijn. Nederland wil daarbij tot de top van Europa behoren. Goed onderwijs en hoogwaardig onderzoek zijn daarbij van essentieel belang. Het EU-«scoreboard» laat zien dat Nederland nog ver verwijderd is van onze ambitie. Op dit moment presteert Nederland in de EU gemiddeld (zie hoofdstuk 16). Op het thema wetenschappelijke en technologische productiviteit scoorde Nederland in 2003 goed, zelfs iets beter dan in 2002. Nederland bevond zich in de middenmoot voor wat betreft het thema investeringen. Maar in 2003 is onze positie wel verslechterd, vooral op het gebied van de investeringen in R&D. De score op het thema menselijk kapitaal bleef in 2003 onveranderd matig. De indicatoren voor de invloed op het concurrentievermogen en werkgelegenheid laten een gemengd beeld zien. Nederland scoorde laag op het aandeel technologisch hoogwaardige bedrijven in werkgelegenheid en productie, maar het beeld is veel beter voor de kennisintensieve diensten; daar bekleedde Nederland zelfs de eerste positie binnen de EU. Over het geheel genomen behoorde Nederland echter slechts bij drie van de 17 indicatoren tot de top-3 van Europa.
Per saldo behoorde Nederland in 2003 nog steeds tot de Europese middenmoot. De urgentie om onze ambities waar te maken, blijft dus onverminderd hoog. Het kabinet heeft zich in 2003 ingespannen om daaraan verder te werken. Zo is eind 2003 het Deltaplan Bèta & Techniek verschenen, dat voorstellen bevat om de tekorten aan kenniswerkers in bèta en techniek aan te pakken. Bovendien is een deel van de FES-gelden ingezet om kwalitatief hoogwaardige netwerken in de kennisinfrastructuur te realiseren en vernieuwende onderzoeksgebieden te stimuleren. In 2003 zijn daar concreet 34 projecten voor uitgekozen, verdeeld over vijf thema's: informatie- en communicatietechnologie; hoogwaardig ruimtegebruik; duurzame systeeminnovaties; microsysteem- en nanotechnologie; gezondheids-, voedings-, gen-, en biotechnologische doorbraken. Onder het beheer van OCW vallen 14 projecten, waaronder bijvoorbeeld Biomade en Delft Cluster.
Het kabinet zet stevig in op het internationale vlak. In 2003 hebben zowel veelbelovende als gerenommeerde Nederlandse onderzoekers wederom meegedaan aan de onderzoeksfaciliteiten van de vijf grote internationale toponderzoeksorganisaties (CERN, ESO, ESA, EMBL en EMBC). De bilaterale samenwerking met drie prioriteitslanden (China, Indonesië, Rusland) is volgens planning gerealiseerd. In het vijfde kaderprogramma van de Europese Commissie is een gemiddeld retourpercentage van ongeveer 6% behaald. Dat ligt boven het gemiddelde.
Het kabinet heeft in 2003 vaart gezet achter de voorbereiding van het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004. OCW heeft in december een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met specifieke prioriteiten voor het voorzitterschap. De prioriteiten zijn: a) open coördinatie en transparantie, b) kennis en kwaliteit, c) mobiliteit en uitwisseling en d) burgerschap en cohesie – met als algemene inzet bij te dragen aan een Europa waarin lidstaten en burgers leren van elkaar.
Andere belangrijke thema's tijdens het EU-voorzitterschap zijn de meeneembaarheid van studiefinanciering, en de rol van de publieke en commerciële zenders in de samenleving.
Bij de formatie 2002 heeft de Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht haar visie op het cultuurbeleid voor de komende jaren neer te leggen (motie De Graaf c.s., TK 2001–2002 28 375 nr. 36). Op 1 juli 2003 is de uitgangspuntenbrief voor de cultuurnotaperiode 2005–2008 naar de Kamer gezonden. In de brief «Meer dan de som» van 3 november 2003 is het cultuurbeleid in de breedte voor de komende jaren geschetst. Met deze brieven heeft de regering uitvoering gegeven aan de motie De Graaf.
«Meer dan de som» schetst de volgende uitgangspunten voor het cultuurbeleid van de komende jaren:
• Niet het maatschappelijk bewustzijn in de cultuur, maar het culturele bewustzijn in de maatschappij moet worden vergroot. Daarom krijgt de versterking van de culturele factor in de samenleving prioriteit.
• Het cultuurbeleid moet niet alleen gericht zijn op de top, maar op alle segmenten van het culturele leven en de samenhang ertussen. Daarom is meer samenhang en wisselwerking in het culturele leven de komende jaren het streven.
• Culturele instellingen zijn geen dochterondernemingen van het ministerie, maar zelfstandige professionele organisaties die vanuit hun eigen verantwoordelijkheid vorm geven aan een bloeiend cultureel leven. Minder bureaucratie en meer eigen verantwoordelijkheid krijgen dan ook prioriteit.
Hieronder wordt weergegeven welke acties in 2003 zijn uitgevoerd om de 5 prioriteiten van beleid uit de begroting 2003 gestalte te geven. Daar het beleidsprogramma 2003–2006 inmiddels is opgegaan in het beleidsprogramma 2004–2007, kunnen bepaalde voorgenomen activiteiten voor 2003 vertraagd of achterhaald zijn. In deze paragraaf zijn eerst de meerjarige voornemens uit de begroting 2003 gerangschikt. Daaronder is toegelicht tot welke activiteiten of resultaten dit in 2003 geleid heeft.
4.1 Autonomie, deregulering en rekenschap
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Scholen moeten een omvang hebben op menselijke maat. Fusies en de vorming van steeds grotere scholen worden daarom afgeremd. (p. 12) | Scholen en instellingen bieden leerlingen/deel- nemers/studenten én leraren/docen- ten een aantrekkelijke en veilige leer- en werkomgeving die geborgenheid en betrokkenheid ademt (met name in het primair en voortgezet onderwijs). | • Inventariseren van feitelijke situatie in po en vo• Scholen stimuleren zelf actie te ondernemen en «good practice» voorbeel- den uit te wisse- len (creëren van een aantrekkelijke leeromge- ving)• Heroverweging van criteria voor samenvoeging in het vo | • M.OCenW • Onderwijsorganisaties (besturen, management en personeel)• Ouders, leerlingen en hun organisaties | Eind 2002; afronding inventarisatie Voorjaar 2003: nieuw toetsingskader voor samenvoeging | N.v.t. |
In het voorjaar 2003 is het nieuwe toetsingskader voor samenvoeging voor scholen (en vestiging in het algemeen) naar de Kamer gezonden. Hiernaast heeft de inspectie in 2003 onderzoek gedaan naar de relatie tussen schoolgrootte en kwaliteit, waarbij eveneens is gelet op een kleinschalige indeling van de organisatie en de opdeling van schoolgebouwen in kleinere eenheden. Uit dit onderzoek komen geen eenduidige verbanden tussen schoolgrootte en kwaliteitskenmerken naar voren. Aan scholen is een brochure gestuurd met overzichten van mogelijkheden voor nieuwbouw en verbouw van gebouwen in kleinere eenheden. Hiernaast zijn de mogelijkheden voor het oprichten van nevenvestigingen van scholen verruimd.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Leraren, ouders en leerlingen moeten de ruimte en het vertrou- wen krijgen (p. 12).De overheid is primair verantwoordelijk voor het vaststellen van de kaders waarbinnen scholen (en instellingen) hun eigen invulling mogen geven (p. 12).Ouders en leerlingen moeten objectief inzicht kunnen krijgen in de kwaliteit van een school (p. 12).Minder centrale sturing (p. 13). | Scholen/instel- lingen hebben meer ruimte en ondervinden geen belemmeringen door wet- en regelgeving. Zij leggen aan de omgeving en aan de overheid verantwoording af over gemaakte keuzes en bereikte resultaten. | • Systematisch de mogelijkheden nagaan voor vermindering en/of andere vormgeving van regels, inclusief de effecten daar- van (voor- en nadelen risico's, gevolgen voor administratieve lasten, handhaafbaarheid etc)• Wetswijzigingen • Implementatie WOT en transparantie van de informatie over scholen/instel- lingen vergroten | • M.OCenW en S.OCenW• Onderwijsorganisaties (besturen, management en personeel)• Ouders, leerlingen en hun organisaties• Brancheorga- nisaties (BVE-raad, HBO-raad, VSNU) | Najaar 2002: Voortgangsrapportage deregulering en verantwoording2002–2006: dere- guleringswetsvoorstellen | N.v.t. |
Na verzending van de voortgangsrapportage «autonomie en deregulering» eind 2002 heeft OCW in 2003 een project opgezet om te komen tot vermindering van administratieve lasten en regeldruk voor drie verschillende doelgroepen: bedrijfsleven, burgers, en OCW-instellingen. Er zijn en worden nulmetingen uitgezet voor deze doelgroepen. Op basis hiervan wordt in 2004 een samenhangend pakket aan maatregelen ontwikkeld waarmee de administratieve lastendruk en regeldruk kan worden teruggedrongen.
Ouders en leerlingen moeten objectief inzicht hebben in de kwaliteit van het onderwijs. De transparantie van informatie wordt vergroot door het uitbrengen van een kwaliteitskaart met onafhankelijke oordelen over de kwaliteit van het onderwijs van de afzonderlijke scholen en instellingen. Daarom publiceert sinds 1 oktober 2003 de inspectie op haar website de kwaliteitskaarten primair onderwijs: een voor ouders toegankelijk overzicht van de kwaliteitsoordelen per school. Inmiddels heeft de inspectie ook de kwaliteitskaart BVE via internet uitgebracht.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Er wordt meer ruimte gegeven voor eigen invulling van het studiehuis, de basisvorming en klassenverkleining (p.12) | Meer autonomie en keuzevrijheid ten aanzien van profielen (vrij te kiezen vakkenpakketten) en werkvormen in de tweede fase havo/vwo, waardoor ook een groter beroep op professionaliteit van schoolbesturen, schoolleiders en leraren wordt gedaan. Nieuw ingericht programma in de basisvorming, met meer zeggenschap voor scholen, verlaging van verplicht curriculum in eerste drie jaar naar 70% in eerste twee jaar. | • Voor het studiehuis: herziening regelgeving (inclusief invoe- rings- en overgangsrecht) en hernieuwde afstemming van vooropleidingseisen in het hoger onderwijs• In de basisvor- ming: invoering kerncurriculum, een beperkt aan- tal kerndoelen en leergebieden, en leerstandaar- den afstemmen op niveau kaderberoepsgerichte leerweg vmbo | • M.OCenW • LNV• Onderwijsorganisaties (besturen, management en personeel)• Scholen• VSNU en HBO-Raad• VVO, vakinhou- delijke verenigingen en onderwijsondersteuningsinstellingen• Ouders, leerlingen en hun organisaties | Begin 2003: wijzi- gingsvoorstellen studiehuis bij TK, in 2003: aanpassing diverse besluiten en in 2005: invoering. Voor de basisvorming: in 2003: advies kerndoelen voor het kerncurri- culum, in mei 2003: indienen wetwijziging WVO, in het najaar 2003: voorstellen voor leergebieden en op 1 augustus 2005: ingangsdatum wetswijziging WVO. | N.v.t. |
De Taakgroep Vernieuwing Basisvorming zal in juni 2004 haar eindrapport aanbieden, dat vóór het zomerreces met beleidsreactie van M.OCW naar de TK gezonden zal worden. Effectuering wetswijziging is voorzien op 1 augustus 2006.
Voorstellen voor bijstelling van de tweede fase, om de gebleken knelpunten weg te nemen en meer keuzevrijheid te realiseren, zijn begin 2003 gepresenteerd in de notitie «Ruimte laten en keuzes bieden in de tweede fase havo en vwo». Nadat hierover uitvoerig het onderwijsveld is gehoord, is een voorstel voorgelegd aan de Tweede Kamer bij brief van 4 juli 2003. De bespreking van deze voorstellen in de Kamer heeft tot resultaat gehad dat een herzien voorstel aan de Kamer is gezonden bij brief van 4 december 2003. Per 1 augustus 2003 zijn reeds kleine aanpassingen in de examenprogramma's aangebracht die leiden tot een vermindering van de belasting van scholen en leraren en waar mogelijk tot een grotere keuzevrijheid.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Financiële bevoegdheden zullen zoveel mogelijk worden neergelegd bij scholen. (p. 12) | Scholen in het primair onderwijs hebben meer bestedingsvrijheid door lumpsum-bekostiging. Het budget voor schoolbegeleiding is (gefaseerd) aan de scholen overgedragen. In het voortgezet onderwijs zijn wacht- geld- en vervan- gingsuitgaven gedecentraliseerd, evenals de arbeidsvoorwaarden en de onderhoudscom- ponent van de huisvesting. Scholen hebben bestedingsvrijheid bij het inzetten van de middelen voor «groepsgrootte en kwaliteit» (klassenverkleining). | • Wetswijziging (WPO en WEC): invoering lumpsumsystematiek Wetswijziging schoolbegelei- ding• Wetswijziging VF en PF• Doordecentrali- satie arbeidsvoorwaarden• Decentralisatie onderhoud huisvesting in het vo • Wijziging van de Wet op het primair onderwijs (afschaffen bestedingsverplichting klassenverklei- ning onderbouw) | • M.OCenW• On derwijsorga- nisaties (besturen, management en personeel)• (Initiatiefrijke) scholen• VNG/gemeenten en Edventure/-schoolbegeleidingsdiensten | Lumpsum: november 2002 brief aan TK met nadere uitwerking acties. Najaar 2003: indiening wetsvoorstel TK. 2005: stapsgewijze invoering. Schoolbegeleiding: oktober 2002: brief aan TK over resultaat bestuurlijke/brancheafspraken, februari 2003: indiening wetsvoorstel bij TK. Gefaseerde invoering: 2004–2006. 1 augustus 2003: beoogde inwerkingtreding Wetswijziging VF/PF. 2003–2006: Doordecentralisatie arbeidsvoorwaar- den en onderhoud huisvesting. September 2002: informeren TK over planning traject klassenverkleining, wetgevingstraject en per 1 augustus 2003: invoering | N.v.t. |
Meer autonomie voor de scholen betekent dat de huidige gescheiden budgetten (een materieel lumpsumbudget, een personeel declaratiebudget en een klein personeel lumpsumbudget) samengevoegd worden tot één (ontschot) budget. Daarmee kunnen scholen zelf beslissen hoe ze het geld het best kunnen besteden voor goed onderwijs. Bij brief van 11 juni 2003 is de Kamer geïnformeerd over het invoeringsplan betreffende lumpsum in het primair onderwijs. Dit plan voorziet in de start van de pilots lumpsumbekostiging met 35 schoolbesturen per 1 januari 2004 en eindigt met de lumpsum voor de hele sector 1 augustus 2006. Tevens wordt voorzien dat de vraagfinanciering voor schoolbegeleidingsmiddelen vanaf 2006 geleidelijk ingevoerd wordt.
In 2003 is de bestedingsvrijheid voor scholen in het primair onderwijs vergroot bij het inzetten van middelen voor «groepsgrootte en kwaliteit». De wetswijziging waarmee de bestedingsverplichting van klassenverkleiningsmiddelen is afgeschaft, is op 1 augustus 2003 in werking getreden (dossier Tweede Kamer: 28 729).
Bij brief van 18 november 2003 is de Tweede Kamer nader geïnformeerd over decentralisatie van de wachtgelduitgaven. Het kabinet bereidt een nota van wijziging voor op het wetsvoorstel in verband met de decentralisatie vervangingsuitgaven en wachtgelduitgaven. Daarbij streeft het kabinet een model van normatief verevenen na. Dit houdt in dat een substantieel deel van de wachtgelduitgaven dat een bestuur veroorzaakt, ook ten laste van dat schoolbestuur komt.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Administratieve lasten worden op nut en noodzaak bekeken. (p. 12) | Het veld heeft meer ruimte en verantwoordelijkheid. De uitvoe- ringslast van regels is lager. De prestaties van overheid en instellingen zijn transparant.De uitvoerings- en informatielasten van OCenW en andere partijen worden verlaagd door invoering onderwijsnummer. | • Invoering onder- wijsnummer• Gerichte service informatiebestan- den• Overleg over stroomlijning en beperking regels en informatiestromen• Condities schep- pen voor ver- nieuwing en uitwisseling kennis (experimenten)• Bezien van intermediaire structuren• Monitoren beleving veld | • M.OC enW en S.OCenW• SZW, VROM e.d.• Instellingen onderwijs, cultuur en wetenschap• Besturenorga- nisaties• Brancheorganisaties | Najaar 2002: concrete voorstellen per sector met planning. 1 november 2002: plan van aanpak monitor. | 2003: € 8,8 miljoen, 2004 e.v. € 2,5 miljoen op beleidsartikel 21 (uitvoe- ringsorganisaties onderwijs) |
OCW heeft in het kader van een meeromvattend actieplan, gericht op deregulering, een traject opgezet om de regeldruk voor instellingen in het veld terug te dringen. Eind 2003 is een nulmeting begonnen naar de regeldruk in 5 OCW-sectoren: een basisschool, een roc, een universiteit, een onderzoeksinstelling en een poppodium. Het onderzoek wordt nog uitgebreid met een nulmeting in de overige sectoren. Op basis van de nulmeting stelt OCW, in overleg met vertegenwoordigers uit het veld, reductiescenario's op voor de vermindering van de regeldruk. Vervolgens kan het veld zich in 2004 in focusgroepen of andere vormen van kwalitatief onderzoek uitspreken over de haalbaarheid en wenselijkheid van de voorgestelde maatregelen.
In 2003 is door alle betrokken partijen hard gewerkt aan de implementatie van de wet op het onderwijsnummer. De implementatie varieert per onderwijssector. Voor het voortgezet onderwijs worden sinds 1 oktober 2003 113 scholen bekostigd op basis van de gegevens verzameld met het onderwijsnummer. Het aantal te leveren overzichten door instellingen in het voortgezet onderwijs is in het schooljaar 2003–2004 met 5% verlaagd.
In het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie is het programma van eisen vastgesteld dat de grondslag vormt voor de gegevensuitwisseling van de instellingen met de IB-Groep. In 2003 is begonnen met de bouw en aanpassingen van de benodigde systemen. In het primair onderwijs heeft de IB-Groep een onderzoek uitgevoerd bij alle scholen naar de stand van zaken van de automatisering (welke pakketten worden gebruikt en welke gegevens zijn hierin opgenomen) ter voorbereiding op het traject van afstemming en vaststellen van het programma van eisen dat voor de uitwisseling van de gegevens wordt opgesteld.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Binnen de grenzen die de Grondwet stelt wordt openbaar onderwijs bestuurlijk zoveel mogelijk ver- zelfstandigd (p. 12) | Waar mogelijk en gewenst is de verantwoordelijkheid van het college van BenW voor het lokaal onderwijsbeleid gescheiden van haar verantwoordelijkheid als bestuur van een openbare school. | • Onderzoek naar stand van zaken in het openbaar onderwijs• Uitwisselen van «good practices»• Afsluiten van een convenant met de VNG | • M.OCenW • BZK• VNG/gemeenten• Besturenorga- nisatie (VOS/ABB) | Medio 2003: resultaat inventarisatie Eind 2003: uitwisselen «good practices» 2004: Afsluiten convenant | N.v.t. |
Overleg met de VNG en de VOS/ABB medio 2003 leverde een beeld op dat steeds meer besturen in het openbaar funderend onderwijs de weg naar bestuurlijke verzelfstandiging inslaan. Er is een grote verschuiving gaande van integraal bestuur (onder de paraplu van gemeenten) naar onafhankelijke besturen in de vorm van stichtingen. De VOS/ABB is daarbij actief op het terrein van voorlichting en verspreiding van «good practices». De VNG staat daar positief tegenover. Het genoemde beeld wordt bevestigd in diverse onderzoeken en enquêtes. Gezien deze positieve ontwikkeling van onderop is afgezien van een verdere interventie of bemoeienis van de rijksoverheid.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| De 2e lezing van de grondwetswijziging ter regeling van de samenwerkingsschool wordt, voorzien van een wetsvoorstel, bij de TK ingediend. Het ontstaan van samenwerkingsscholen wordt niet gestimuleerd (p. 12) | Indien noodzakelijk zijn samenwerkingsscholen opgericht. | • Indienen 2e lezing grondwetswijziging ter regeling van de samenwerkingsschool• Opstellen wetsontwerp samen- werkingsscho- len | • M.OCenW• LNV | Januari 2003: indienen 2e lezing grondwetswijziging TK, voorzien van wetsvoorstel samenwerkingsscholen. 2004: inwerkingtreding. | N.v.t. |
In 2003 is de 2e lezing grondwetswijziging bij de Kamer ingediend, voorzien van een proeve van een wetsvoorstel samenwerkingsscholen. Dit ligt gereed voor plenaire behandeling in de Kamer.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Selectie en differentiatie van collegegel- den worden alleen mogelijk in geval van specifieke opleidingen met een erkende evidente meerwaarde (p. 12) | Instellingen in het hoger onderwijs hebben de ruimte om bijvoorbeeld topmasters aan te bieden en daarvoor studenten te selecteren op basis van kwaliteitseisen. | • Advies Werkgroep «positie topmasters»• Beleidsreactie op advies ont- wikkelen en acties | • S.OCenW• Werkgroep topmasters• VSNU en HBO-raad | 1 november 2002: advies van de Werkgroep top- masters gereed. Medio 2003: reactie op het advies. | N.v.t. |
In 2003 is een interdepartementaal beleidsonderzoek collegegelddifferentiatie uitgevoerd. De beleidsreactie daarop is neergelegd in de kabinetsnota «Ruim baan voor talent», die in december 2003 is verstuurd naar de Tweede Kamer. Deze nota is tevens de kabinetsreactie op de adviesrapporten over topmasters en selectie. In de nota wordt voorgesteld om selectie en collegegelddifferentiatie nader te beproeven in experimenten om te onderzoeken in hoeverre zij bijdragen aan het vergroten van kwaliteit en doelmatigheid. De experimenten zijn gepland in de jaren 2004/2005 en 2005/2006.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Stapsgewijze vergroting van de oplei- dingscapaciteit aan de medische faculteiten moet uiteindelijk lei- den tot een situatie waarin de numerus fixus overbodig wordt. Vernieuwende initiatieven om de opleidingscapaciteit voor artsen te verhogen worden ondersteund (p. 11) | Het tekort aan praktiserende artsen in Nederland is teruggedrongen, de ver- kenning naar nieuwe opleidin- gen in Brabant en Twente worden ondersteund,de mogelijkheden om zorgmasters aan te merken als bekostigde hbo-master zijn verkend. | • Overleg met HO-instellingen en VWS• Opstellen beleidskader voor de aanmerking van bekostigde hbo- master | • S.OCenW• VWS• VSNU en HBO-raad• Capaciteitsorgaan | September 2002: 310 extra oplei- dingsplaatsen. Najaar 2002: beleidskader voor bekostigde hbo- master. | 2003: € 16,6 miljoen, 2004: € 27,2 miljoen, 2005: € 38,4 miljoen 2006: € 52,1 miljoen op beleidsartikel 7 (wetenschappelijk onderwijs) |
In 2003 is opleidingscapaciteit aan medische faculteiten stapsgewijs verder vergroot, v.w.b. geneeskunde van 2550 in 2002 naar 2850 in 2003. De instroom van de opleiding tandheelkunde is in 2003 gestabiliseerd op 300. Hiernaast is per september 2003 het eerste cohort van 50 studenten begonnen aan de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente. Daarvoor is het wetsvoorstel «wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de start van de bacheloropleiding klinische technologie» in werking getreden (Wet van 2 juli 2003, Stb. 2003, 287).
Ten aanzien van de ontwikkeling van een beleidskader voor bekostigde hbo-masters is de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs gerealiseerd (Staatscourant 23 september 2003). Eind 2003 zijn de eerste aanvragen voorgelegd ter toetsing aan de beleidsregel om aangemerkt te worden als initiële master in het hbo.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Met oog op overmatige bureaucratie en overhead bij de publieke omroep wordt de rijksbijdrage met 5% verminderd (p. 23) (Efficiency)kortingen departement, IBG, hoger onderwijs (p. 45/46) Korting externen (p. 34) | Er is minder bureaucratie en overhead en meer efficiency bij het bestuursdepartement, IBG, instellingen voor hoger onderwijs en de organisaties en voorzieningen die uit de mediabegroting worden gefinancierd. Er worden door het departement minder externen ingehuurd. | • Organisatieonderzoek, overleg met de publieke om- roep en wijziging Mediawet• Loonsomeven- redige verdeling van de korting bestuursdepartement en hoger onderwijs, ont- wikkelen maatregelen• Opname in het prestatiecon- tract 2003 met de IBG• Verdeling kor- ting externen naar rato van het aantal externen in 2000/2001, ontwikkelen maatregelen | • M.OCenW en S.OCenW• Publieke Omroep• HO-Instellingen• HBO-Raad en VSNU• IB-Groep (en Raad van Toe- zicht) | 1 januari 2004: inwerkingtreding wijzigingen Media- wet. Begin november 2002: verzending Prestatiecontract IBG 2003 aan TK | 2003: € 46,7 miljoen2004: € 117,9 miljoen 2005: € 159,3 miljoen2006: € 200,5 miljoen op verschillende beleidsartike- len |
In 2003 is het eindrapport van het onderzoek «Organisatie- en efficiëntieverbeteringen publieke omroep» aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin wordt een overzicht gegeven van de mogelijkheden tot kostenbesparingen door efficiëntieverbeteringen in indirecte taken en verdergaande samenwerking tussen omroeporganisaties rondom programma-gerelateerde taken. De publieke omroep heeft verschillende werkgroepen ingesteld om de aanbevelingen van het rapport verder uit te werken. De publieke omroep heeft in haar meerjarenbegroting 2004–2008 de bezuiniging van 40 miljoen euro voor het jaar 2004 ingevuld. Voor verlaging van de rijksomroepbijdrage dient de Mediawet gewijzigd te worden. Het desbetreffende wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2003/2004, 29 032) is op 22 januari 2004 door de Tweede Kamer bij hamerslag aanvaard. Het wetsvoorstel voorziet in terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004.
De taakstellingen op het departement betroffen een efficiencykorting en een korting op de inhuur van externen. In 2003 zijn deze taakstellingen ingevuld en op de begroting verwerkt.
De efficiencykorting hoger onderwijs tenslotte is loonsomevenredig verdeeld over de beleidsartikelen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. De efficiencytaakstelling IBG is betrokken bij het prestatiecontract 2003 en meerjarig verwerkt in de begroting.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Conform de bepalingen van de Media- wet zal in 2004 een beoordeling plaatsvinden van de wijze waarop de publieke omroep uitvoering heeft gegeven aan haar taakopdracht. Deze beoordeling biedt een adequaat aanknopingspunt voor de discussie over het functioneren van de publiek omroep (p. 24) | Een beoordeling van de wijze waar- op de NOS en overige zendgemachtigden uit- voering hebben gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep (artikel 30c Mediawet). | Uitvoering con- form artikel 30c van de Mediawet | • S.OCenW• NOS/Omroepen | April 2004: rapportage | N.v.t. |
De door de publieke omroep ingestelde visitatiecommissie (Commissie Rinnooy Kan) is in 2003 begonnen met de beoordeling van de wijze waarop de publieke omroep uitvoering heeft gegeven aan haar taakopdracht. Conform de Mediawet zal de commissie voor 1 mei 2004 rapporteren.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Stroomlijning cultuurnotasystematiek (Niet in strategisch akkoord) | Vermindering bestuurslast, meer nadruk op uit- gangspunten, versterking advisering, betere samenwerking overheden. | • Bepaling van afbakeningscriterium tussen rijks- en fondssubsidies• Versterking Raad voor Cultuur• Tussentijdse waarneming en sectoranalyses door Raad voor Cultuur• Consultatie cultuurfondsen• Vaststelling vorm cultuurprofielen con- venantspartners (=andere overheden) en over- leg | • S.OCenW• BZK (adviesorganen)• Raad voor Cultuur• IPO en VNG• Convenantspartners• Veldorganisaties• Cultuurfondsen | September 2002: vaststellen vorm cultuurprofielen aanlevering uiterlijk 1 januari 2003. Voorjaar 2003: toezending Uit- gangspuntenbrief aan TK (kader waartegen subsi- dieaanvragen worden afgezet). 15 december 2003: indieningsdatum subsidieaanvra- gen. | N.v.t. |
In juli 2003 is de uitgangspuntenbrief voor de nieuwe cultuurnota verzonden. Hierin wordt veel aandacht besteed aan autonomie en deregulering en in het bijzonder vereenvoudiging van de regelgeving rond de cultuurnota. Inmiddels zijn de aanvragen volgens de vereenvoudigde eisen ontvangen (1 december 2003); daarbij bestond voor het eerst de mogelijkheid om ook digitaal aanvragen in te dienen. Ook de subsidiebeschikkingen, de verantwoordingseisen en het toezicht zullen worden vereenvoudigd. Hieraan wordt in verschillende projectgroepen gewerkt. Er zijn scherpere afspraken met de Raad voor Cultuur gemaakt over hun advisering.
4.2 Een aantrekkelijk leraarsberoep
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Het kabinet zal de inspanningen moeten voortzetten om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken. Onderdeel daarvan kan zijn dat binnen de arbeids- voorwaardenregeling ruimte wordt gescha- pen om extra beloning mogelijk te maken voor leraren met achterstandsgroepen en voor bijzondere prestaties. Ook moet worden bezien hoe uitval van oudere werknemers kan worden teruggedrongen (p. 13) | Lesgeven en pro- fessionaliteit van de docent staat centraal. School en leraar hebben de vrijheid om het onderwijs anders te organiseren. Onnodige drempels van het leraarsberoep zijn weggenomen. Leraren die werken met achterstandsgroepen en/of bij- zondere prestaties leveren kunnen extra beloond worden. De uitval onder «oudere» leraren is teruggedrongen | • Opstellen pro- gramma lera- renbeleid 2002–2006 (speerpunten: maatwerk bij lerarenopleiding zij-instro- mers, stimule- ren/overdragen creatieve nieu- we organisatievormen, gerich- te aanpak lera- rentekorten speciaal onderwijs en vmbo, verbeteren werking arbeidsmarkt o.a. door beloningsdiffe- rentiatie en opti- malisatie/-behoud huidig personeels- bestand/61+-ers)• Concrete afspra- ken in de cao 2003 | • M.OCenW en S.OCenW• scholen, leraren• werkgevers- en werknemersorganisaties, besturenorgani- saties• Lerarenopleidingen• Sectorbestuur onderwijs (sbo)• Stichting samenwerkingsorgaan beroepskwaliteit leraren (sbl) | November 2002: Indiening programma bij TK. December 2002: Nota van wijziging wet BIO. Februari 2003: nieuwe onderwijs cao. | 2003–2006: € 625 miljoen aan schoolbudgetten structureel op de beleidsartikelen 1 (basis- onderwijs), 3 (voortgezet onderwijs en 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) Arbeidsvoor- waardenruimte |
In 2003 is de bestrijding van het lerarentekort op verschillende manieren aangepakt. In de cao 2003 zijn maatregelen afgesproken om het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid van scholen te versterken. Met ingang van 1 augustus 2003 zijn aan het primair en voortgezet onderwijs extra middelen toegekend (structureel € 25 miljoen in elk van de genoemde onderwijssectoren). Met deze middelen kan de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep worden verbeterd via extra onderwijsondersteunende functies in het basisonderwijs en meer hogere leraarsfuncties aan scholen met vmbo.
In de begroting 2003 werd geconstateerd dat veel leraren stoppen met werken als zij 61 jaar worden, omdat zij dan in aanmerking komen voor FPU. In 2003 heeft het ABP een bonus geïntroduceerd voor degenen die langer blijven doorwerken. Nu kan geconstateerd worden dat leraren in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs inderdaad langer blijven doorwerken. Uit een analyse van het ABP blijkt dat het deelnamepercentage van 61-jarigen aan de FPU regeling in 2003 met ruim eenderde is gedaald ten opzichte van 2002.
Een tussenstand van de onderwijsinspectie laat zien dat in de eerste helft van 2003 bijna 600 geschiktheidverklaringen aan zij-instromers zijn uitgereikt (zowel in het primair als voortgezet onderwijs ongeveer 300). Gedetailleerde cijfers over 2003 worden vermeld in de nota «werken in het onderwijs 2005», die in september naar de Tweede Kamer gestuurd wordt.
Het aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs is de laatste jaren flink gestegen. De verwachting is dat dit aantal in de toekomst alleen nog maar verder zal toenemen. Waren er in maart 2002 nog ongeveer 3200 onderwijsassistenten, in maart 2003 waren het er al ruim 4500 en aan het eind van het jaar 2003 bijna 5000.
Bovengenoemde inspanningen hebben bijgedragen aan het feit dat het aantal openstaande vacatures daalde van ruim 2800 voltijdbanen in het derde kwartaal van 2002 naar ruim 1250 voltijdbanen in het derde kwartaal 2003. Ondanks deze daling blijft de situatie precair. De komende jaren zullen veel nieuwe leraren nodig zijn, vooral als gevolg van de vergrijzing van het onderwijspersoneel.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Het vmbo is de grootste leerroute in het beroepsonderwijs en is de basis van de beroepsonderwijskolom (vmbo, mbo, hbo). De te hoge uitval in het beroepsonderwijs en onvoldoende doorstroom naar vervolgoplei- dingen moet worden gestopt (p. 13) Verbetering en ver- sterking van het beroepsonderwijs. (p. 19) | Realisatie kwali- ficatiewinst, en 30% reductie vroegtijdig schoolverlaten in 2006. Betere afstemming tussen de oplei- dingsniveau's van de beroepskolom door intensievere samenwerking vmbo-roc. Realisatie van doorlopende leerlijnen op maat, Het imago van het beroepsonderwijs is verbeterd en er heeft een herwaardering plaatsgevonden. | • Integrale aanpak van schooluitval door betere samenwerking school en andere organisaties (uitwerking o.a.via landelijke jeugdagenda)• Moderne en vernieuwde onderwijsprogramma's (mede in het kader van de beroepskolom en aansluitende leerwegen)• Nieuwe trajec- ten rond imagoverbetering | • M.OCenW en S.OCenW (1st vw)• VWS, BZK, SZW en Justitie• Besturenorgani- saties• IPO/provincies, VNG/gemeenten• Sociale partners (VNO/NCW)• Partners op lokaal/regionaal niveau• BVE-Raad en HBO-Raad• Ouders, leerlingen en hun organisaties | Voorjaar 2003: vaststelling kaders, resultaatsafspra- ken voortijdig schoolverlaten, regionale arrangementen infrastructuur en het treffen van landelijke innovatiearrange- menten. Najaar 2003: indie- nen wetsvoorstel planning infrastructuur vmbo en afspraken met partners over kwaliteit van de zorg in het vmbo. | 2003–2006 € 136 miljoen (beroepskolom) op de beleidsartikelen 3 (voortgezet onderwijs), 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) en 6 (hoger beroepsonderwijs) |
Een sterke beroepskolom kenmerkt zich door een lage uitval en een goede doorstroom. In de zomer 2003 is het plan van aanpak jeugdwerkloosheid aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin is een aantal acties aangekondigd dat de uitval uit het vmbo en mbo moet verminderen en de doorstroom van vmbo naar mbo moet vergroten met als doel het versterken van de positie van deze jongeren op de arbeidsmarkt. Eind december 2003 is hier een regeling uit voortgekomen die vmbo instellingen de mogelijkheid biedt om mbo niveau 1 in het vmbo aan te bieden.
Verder is de stuurgroep beroepsonderwijs gevraagd om experimenten op assistentniveau mbo te begeleiden en hierover de staatssecretaris te adviseren. Doel hiervan is het aanbieden van aantrekkelijke op de praktijk aansluitende brede assistentopleidingen waarin werken en leren meer wordt gecombineerd dan nu het geval is. Op het vlak van doorstroom mbo-hbo is een aantal initiatieven gestart dat in 2004 opgepakt zal worden.
a. De HBO-raad, Bve Raad, Colo en Paepon hebben op 30 september 2003 advies uitgebracht over de doorstroom mbo niveau 3 – hbo en over de voorwaarden waaronder verkorte geïntegreerde leerwegen kunnen worden toegestaan. Een reactie hierop is in voorbereiding.
b. Regioplan heeft onderzoek gedaan naar de verwantschapsregeling. Dit kwalitatieve onderzoek richtte zich in het bijzonder op de kwaliteit en de studeerbaarheid van deze regeling. Dit onderzoek is augustus 2003 afgerond. Een reactie hierop is in voorbereiding.
Voor het vmbo is en wordt met de organisaties gesproken over een kader waarmee versterking van het vmbo, de doorlopende leerlijn naar het vmbo en verbetering van de resultaten wordt bereikt. Ook in het kader van het interactieve traject voor Koers VO komt dit aspect aan de orde.
Uit het monitoren van scholen en instellingen in de beroepskolom blijkt dat deze vooral worden ingezet op de verbetering van maatwerk binnen het vmbo en een doorlopende leerlijn van vmbo naar mbo. Verbetering van het imago van in het bijzonder het vmbo was hierbij aandachtspunt.
Het indienen van een wetsvoorstel planning infrastructuur vmbo wordt vooralsnog aangehouden in verband met de verkenning naar een grotere planningsvrijheid in het gehele voortgezet onderwijs. Met de Stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg zijn voor het vmbo en het praktijkonderwijs afspraken gemaakt, die zijn vervat in een actieplan.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| ICT na 2002/moderne voorzieningen(Niet in strategisch akkoord) | Er is sprake van een significante en meetbare integra- tie van ict in het onderwijs dat leidt tot motiverend en kwalitatief beter onderwijs. | Beleidsreactie op discussienota «ICT na 2002» | • S.OCenW• Onderwijsorganisaties• Stichting Kennisnet• Stichting ICT op School• Aanbieders internetvoor- ziening• Verzorgingsstructuur onderwijs | Jaarwisseling 2002/2003: beleidsnota naar de TK. In deze beleidsnota worden concrete en verifieerbare doelstellingen opgenomen. | N.v.t. |
In 2003 heeft een verdere groei plaatsgevonden van het aantal op internet aangesloten computers, het ict-gebruik op de school en de vaardigheden van het onderwijspersoneel.
In oktober 2003 is, in aansluiting op het uitwerkingsplan Onderwijs on line, het beleidsplan Leren met ict uitgebracht (kamerstuk 25 733, nr. 95). In dit beleidsplan zijn de beleidsuitgangspunten en activiteiten meegenomen die gericht zijn op verdere integratie van ict in het onderwijs. Daarnaast is in 2003 het centrale contract met nl.tree beëindigd. Dit leidt tot keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid van de scholen voor hun internetverbinding vanaf 1 januari 2004. De uitkomsten van de kabinetsformatie hebben geleid tot koopkracht voor scholen om vanaf deze datum zelfstandig hun eigen internetvoorziening te regelen. Centrale voorzieningen zijn ingericht om scholen te begeleiden bij de keuze voor een internetaanbieder voor de gewijzigde situatie vanaf 2004.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| In het voortgezet onderwijs wordt aandacht besteed aan maatschappelijke oriëntatie, waarbij verschillende levensbeschouwingen aan de orde komen (p. 12). | In het voortgezet onderwijs is de aandacht voor maatschappelijke oriëntatie en levensbeschouwingen versterkt. | • Verwerken in onderwijsprogramma• De school beter verbinden met de omgeving | • M.OCenW en S.OCenW (beroepskolom)• VWS, SZW, VNG, BZK, SZW en Justitie,• Scholen• Stichting Leerplan Ontwikkeling en GEU, Landelijke Pedagogische Centra• Relevante maatschappelijke organisaties | Najaar 2003:brief TK met stand van zaken. Najaar 2004 eindrapportage. | N.v.t. |
De aandacht in het voortgezet onderwijs voor maatschappelijke oriëntatie en levensbeschouwingen moet versterkt worden. Daarom is het thema maatschappelijke oriëntatie een apart aandachtspunt voor de Taakgroep vernieuwing basisvorming. Daarnaast komen elementen van burgerschap, waarden en normen zowel in de bovenbouw van vmbo als van havo/vwo aan de orde in vakken als maatschappijleer, levensbeschouwelijk onderwijs en geschiedenis.
Verder kunnen scholen die projecten voor actief burgerschap willen uitvoeren, daarbij ondersteund worden door het KPC, niet alleen middels onderwijsmateriaal, maar ook middels een financiële bijdrage voor uitvoering van het project. Verder zijn in 2003 op tien scholen voor voortgezet onderwijs pilots maatschappelijke stage gestart. Dat zijn nu proefprojecten, maar met de expliciete bedoeling om deze de komende jaren verder uit te breiden. Vanaf 2004 start een campagne voor de verdere implementatie en promotie van de maatschappelijke stage. Ook nieuw is de website voor waarden en normen die Kennisnet scholen zal bieden als platform voor de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, die begin 2004 actief wordt.
Binnen de educatie vormen de eindtermen maatschappijoriëntatie (MO) de basis voor de toetsing van nieuwkomers in het kader van inburgering. In overleg met de minister Vreemdelingenzaken en Integratie worden de eindtermen MO bijgesteld.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| De overheid stelt de eindtermen en het kerncurriculum per schooltype vast en garandeert onafhankelijk kwaliteitstoezicht (p. 12). | Meer eigen ruimte voor scholen bij invulling onderwijsprogramma, naast de in het onderwijsaanbod vastgestelde kernvaardigheden (kerncurriculum) voor alle kinderen. | • Formuleren beleidskoers inzake kerndoelen (kerncurriculum, differentieel deel, en eindtermen). • Wetswijziging, met wijziging over inhoud van huidige kerndoelen• Implementatie WOT | • M.OCenW • Onderwijsorganisaties• Vakdidactici en educatieve uitgevers | November 2002: brief aan TK met beleidskoers. Eind 2003: indiening wetsvoorstel. 2004–2005 voorbereiding scholen. 2005: invoering. | N.v.t. |
De indiening van voorstellen voor nieuwe kerndoelen is vertraagd, in verband met nieuwe consultaties van belanghebbende partijen over de ontwikkelde voorstellen. De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) is gevraagd een nieuw voorstel te ontwikkelen. Het streven is een nieuw voorstel voor herziening van de kerndoelen medio 2004 aan de Tweede Kamer voor te leggen.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| De overheid introduceert een verplichte begintoets voor het primair onderwijs. In lijn met het advies van de Onderwijsraad kan de toets worden benut bij de verdeling van middelen (wijziging gewichtenregeling) (p. 12). | Per individuele leerling wordt het beginniveau vastgesteld en de vorderingen waardoor kwaliteit en toegevoegde waarde van de school zichtbaar wordt. Bij de toedeling van achterstandsmiddelen kan vervolgens beter worden aangesloten op gesignaleerde achterstanden. | • Ontwikkeling plan van aanpak voor introductie van de begintoets• Indicatie van kosten voor verplichte landelijke invoering• Uitwerking van het bekosti- gingsmodel waarin capaciteiten leerling centraal staan | • M.OCenW• Onderwijsorganisaties (bestuur, management en personeel)• VNG/gemeenten• Instellingen voor toetsontwikkeling• Ouders, leerlingen en hun organisaties | Eind 2002: plan van aanpak aan TK. Eind 2003: indiening wetsvoorstel begintoets. 2003/2004: ontwik- keling/proefdraai- en en in 2005: invoering toets. Eind 2003: indiening wetsvoorstel herziening gewich- tenregeling en in 2006: invoering nieuwe gewichtenregeling. | Plan van aanpak bevat uitwerking budgettaire gevol- gen. |
Bij de behandeling van de begrotingen voor 2003 en 2004 heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken tegen een landelijk verplichte begintoets. De minister heeft daarom aangegeven dat bij de herijking van de gewichtenregeling het zal gaan over de principes van de nieuwe gewichtenregeling, de wijze waarop kan worden aangesloten bij feitelijke achterstanden, zonder dat alle kinderen worden getoetst, en dat aandacht zal worden geschonken aan de effecten die deze bekostiging heeft op het segregatievraagstuk.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| Onderwijs in allochtone levende talen (oalt) wordt afgeschaft (p. 12) | Meer tijd en aan- dacht voor het leren van het Nederlands aan allochtonen; oalt wordt afgeschaft. | • Wetswijziging tot afschaffing van OALT• Inventariseren consequenties voor OALT-leerkrachten• Maatregelen gericht op behoud leerkrachten voor de (onderwijs)-arbeidsmarkt | • M.OCenW • Justitie• VNG/gemeenten• Onderwijsorganisaties (besturen en personeel)• Minderhedenorganisaties• OALT-oplei- dingen | Begin 2003: indiening wetsvoorstel bij TK. 1 augustus 2004: invoering. | (korting) 2004: € 29 miljoen2005: € 71 miljoen2006: € 72 miljoen op beleidsartikel 1 (basisonderwijs) |
In overleg met vakbonden en werkgeversorganisaties is op 3 december 2003 een akkoord bereikt over een sociaal plan voor OALT-personeel. Hierbij zijn afspraken gemaakt over een bedrag per OALT-leraar, passende arbeid, loonsuppletie en afkoop van het bovenwettelijk deel van de uitkering. De TK is hierover bericht in een brief van 19 december 2003 (kenmerk PO/PJ-03 63857).
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| De invoering van het bachelormastersysteem in het hoger onderwijs wordt doorgezet (p. 12) | De internationale vergelijkbaarheid en differentiatie in opleidingen is vergroot. | • Aanpassen bekostiging • Monitoren bachelor-master• Uitwerken criteria voor financiering HBO-master• Invoering accreditatie | • S.OCenW • VSNU en HBO-raad | Voorjaar 2002: bekostiging aangepast en monitor gestart (1e rapportage begin 2003), Najaar 2002: beleidskader financiering HBO-mas- ter. 2003: invoering accreditatie | 2003–2006 € 2,6 miljoen structureel (accreditatie) op de beleidsartikelen 6 (hoger beroepsonderwijs) en 7 (wetenschappelijk onderwijs) |
Met ingang van 1 september 2002 is de wettelijke regeling van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs van kracht. Het bekostigingsmodel voor de universiteiten is voor het jaar 2003 aangepast voor de bama-structuur. De Inspectie monitort de invoering van de bamastructuur en heeft in september 2003 daarover in het rapport (BaMatransities: de invoering van het bamastelsel in het wo en hbo» aan de minister en de Tweede Kamer gerapporteerd. Uit het rapport blijkt dat vrijwel alle hbo-opleidingen met ingang van het studiejaar 2002/2003 van rechtswege omgezet zijn in bacheloropleidingen. In het wo is van 82 procent van de geregistreerde opleidingen een BaMa-variant gestart. Tevens is bij de wetsbehandeling vastgelegd dat in 2007 de evaluatie plaatsvindt. Onder de universiteiten is in 2001–2002 in totaal € 45,4 miljoen verdeeld om de invoering te faciliteren. Uit de verantwoording in 2003 blijkt dat deze middelen volledig zijn besteed.
Tenslotte is in 2003 de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO) ingesteld zodat de kwaliteit van alle opleidingen door één orgaan worden getoetst.
| Voornemen strategisch akkoord | Doelen | Acties | Actoren | Deadlines | Budget (2003–2006) |
|---|---|---|---|---|---|
| De achteruitgang van wijken door het ver- dwijnen van sociale infrastructuur (waaronder scholen), moet worden gekeerd (p.14) | De samenwerking tussen organisaties die gezamenlijk de sociale infra- structuur vormen (met daarin de school als spilfunctie) is geïntensiveerd.Door meer veiligheid in en om de school en de integrale aanpak van het jeugdbeleid,is de sociale infrastructuur versterkt. | • Tegengaan schoolverzuim en uitval (rmc-functie) en sti- muleren leer- plichthandha- ving• Opstellen landelijke jeugdagen- da waarbij doelstellingen op rijksniveau wor- den geharmoniseerd, belemmeringen in regelgeving worden weggenomen en geldstromen worden gebundeld.• Herinrichten Transferpunt Jongeren, school en veiligheid (APS)• Realisatie sluitend netwerk van voorzieningen rond school (BANS)• Stimulering totstandkoming brede scholen• Ondersteuning samenwerking tussen onderwijs, sport en cultuurinstel- lingen | • OCenW, VWS, BZK, SZW, Justitie, VROM • Onderwijsorga- nisaties, VNG/- gemeenten sociale partners, IPO/Provincies• Brede scholen, po- en vo-scho- len, roc's• CWI's, WIW- organisaties, Bureau's jeugdzorg, Raad voor de kinderbescherming en politie• Cultuurinstel- lingen, Nederlands Instituut voor sport en bewegen, NOC*NSF en KVLO. | Eind 2004: model leerplichthand- having gereed. Begin 2003/2004: toetsing resultaten BANS-afspraken en informeren TK. November 2002: voortgangsbericht brede scholen aan TK. Voorjaar 2003: presentatie landelijke jeugdagenda, toezending aan TK. Januari 2004: evaluatie RMC-wet beschikbaar voor TK en EK. | 2003–2006: € 10 miljoen structureel voor de rmc-functie op beleidsartikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie). 2003–2006: € 0,35 miljoen structureel voor brede school op beleidsartikel 1 (basisonderwijs) |
De Proeve van een Jeugdagenda is in het najaar 2003 aan de Kamer aangeboden. Het Kabinet heeft een commissaris voor het jeugdbeleid aangesteld die gaat bevorderen dat de agenda wordt uitgevoerd. Startdatum is 1 januari 2004. Voor het verbeteren van de makelende rol van het Transferpunt is in oktober 2003 gestart met een Adviesgroep Transferpunt Jongeren, School en Veiligheid onder voorzitterschap van OCW. In de adviesgroep zijn de organisaties voor ouders, besturen, onderwijspersoneel, directeuren en leerlingen vertegenwoordigd.
Deze ambitie, uitgesproken in het bestuursakkoord nieuwe stijl (BANS II, april 2002), is overgenomen in de jeugdagenda (zorgstructuur in en om de school). Inmiddels hebben 16 regionale conferenties plaatsgevonden om het directe contact tussen onderwijs en jeugdzorg op gang te brengen.
Stimulering heeft plaatsgevonden via het bevorderen van (boven)lokale communicatie en het verspreiden van resultaten en goede voorbeelden uit onderzoek. Deze samenwerking heeft, naast de ondersteuning via brede scholen, ook een impuls gekregen door de programma's cultuur en school en buurtonderwijs-sport.
De evaluatie van de RMC-wet door het SCO-Kohnstamm Instituut is januari 2004 afgerond. In februari 2004 is deze evaluatie tezamen met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer gezonden.
Hieronder worden de belangrijkste beleidsmatige veranderingen op de begroting weergegeven. Onderdeel 5.1 tot en met 5.3 betreffen de wijzigingen die reeds in de begroting 2003 voorzien waren. Hierna worden de wijzigingen gedurende het begrotingsjaar 2003 behandeld. Dit betreffen de gevolgen van aangenomen amendementen en de suppletore wetten.
| Tabel 1: Beleidsmatige wijzigingen (x € 1 miljoen) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Artikel | 2003 | Nadere mutaties | Realisatie | |
| 5.1 Strategisch akkoord: intensiveringen | 6 | 76 | 76 | |
| 5.2 Strategisch akkoord: ombuigingen | OCW | – 71 | – 71 | |
| 5.3 Bijstellingen | 1 187 | 1 187 | ||
| 5.4. Nieuwe prioriteiten | ||||
| Amendementen | 29 | 23 | ||
| 1e suppletore begroting | – 37,4 | – 37,4 | ||
| 2e suppletore begroting | 1, 14, 17, 18 | 6,6 | 6,6 | |
5.1 Strategisch akkoord: intensiveringen
In 2003 is op basis van de raming leerlingenontwikkeling het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs verhoogd met € 76 miljoen. Dit is inclusief het aandeel voor LNV dat € 14 miljoen beslaat. Conform het verdeelmodel zijn de instellingen voor het hoger onderwijs bekostigd.
5.2 Strategisch akkoord: ombuigingen
In 2003 heeft een aantal ombuigingen op de OCW-begroting plaatsgevonden. De voornaamste ombuigingen betroffen de efficiency-taakstellingen bij het hoger onderwijs, efficiency-, inhuur externen en volumetaakstelling op het bestuursdepartement, alsmede de korting op de incidentele loonontwikkeling. Deze taakstellingen zijn op de verschillende begrotingsartikelen verwerkt en hiermee gerealiseerd.
Dit onderdeel betreft de bijstellingen ten opzichte van de geautoriseerde begroting 2002 met budgettaire gevolgen voor 2003. De voornaamste bijstellingen zijn technisch en autonoom van aard.
Het zijn de loon-en prijsbijstelling, uitgaven voor leerlingenontwikkeling in voornamelijk het primair- en wetenschappelijk onderwijs, middelen voor de eerste opvang en de reguliere bekostiging van asielzoekers.
Bij de OCenW-begroting 2003 zijn zeven amendementen aanvaard. Onderstaand vindt u een overzicht van deze amendementen en hun financiële consequenties, gevolgd door een korte toelichting per amendement.
| Tabel 2: Amendementen (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Nr. | Omschrijving | Artikelnummer | Financiële consequenties |
| 29 | Stichting Plato | 3 | 337 |
| 31 | Innovatiearrangement bve | 4 | 10 000 |
| 32 | Voor- en vroegschoolse educatie | 1 | 10 000 |
| 33 | Zwemonderwijs | 1 | 1 000 |
| 34 | Professionalisering docenten ict | 10 | 4 000 |
| 45 | Opleiding tussenschoolse opvang | 1 | 2000 |
| 101 | Educatieve televisieprogramma's | 4 | 1 500 |
Ad. 29, Lambrechts en Hamer, Stichting Plato
Dit amendement beoogde de stichting Plato te subsidiëren teneinde de informatieverstrekking over en begeleiding van hoogbegaafde kinderen te continueren. Na beoordeling van het activiteitenplan van de stichting Plato is het geamendeerde bedrag deels in 2003 en deels in 2004 aan de stichting Plato ter beschikking gesteld.
Ad. 31, Monique de Vries en Jan de Vries, Innovatiearrangement bve
Naar aanleiding van dit amendement is in mei 2003 een convenant afgesloten met het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid over de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven, onderwijs in de praktijk en in het bijzonder over de innovatiearrangementen. Op basis van dit convenant is een regeling uitgewerkt voor de subsidiering van innovatieprojecten. Voor 2003 is hiervoor – conform de strekking van dit amendement – € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Er zijn voor 1 september 2003 een groot aantal projecten ingediend door instellingen samen met het bedrijfsleven. Op basis van een rangschikking en advies door de hiertoe ingestelde beoordelingscommissie kwamen 21 projecten in aanmerking voor subsidiëring. Dit advies is overgenomen, zodat deze 21 projectvoorstellen in 2003 gestart zijn.
Ad. 32, Jan de Vries c.s., voor- en vroegschoolse educatie
Dit amendement beoogde taalachterstanden effectief aan te pakken, door in de voor- en vroegschoolse fase al aandacht te besteden aan de Nederlandse taal. Hiertoe is in 2003 € 3,2 miljoen van dit budget besteed aan het versnellen van de ontwikkeling van één taallijn voor de voorschoolse periode, opdat een doorlopende leerlijn Nederlandse taal voor 2 tot 12-jarigen ontstaat. In 2004 zal de implementatie van de leerlijn door middel van deskundigheidsbevordering van personeel plaatsvinden, hiervoor is € 6 miljoen nodig. De doelstelling van het amendement, versnelde implementatie taal vve, wordt hiermee bereikt. Een uitgebreide toelichting wordt gegeven in beleidsartikel 1, § 1.3.1.1. Achterstandenbeleid.
Ad. 33, Rijpstra c.s., zwemonderwijs
Dit amendement strekt ertoe de veiligheid in het zwemonderwijs te verbeteren. Bij beschikking van 30 oktober 2003 is € 1 miljoen (€ 0,8 miljoen in 2003 en € 0,2 miljoen in 2004) toegekend aan het Nederlands Instituut voor Sport en Recreatie (NISR). Met deze middelen is een landelijke pilot met elektronische detectiesystemen voor drenkelingen opgezet en wordt onderzocht of dergelijke systemen een bijdrage leveren aan de integrale veiligheid in zwembaden. De zwembaden/gemeenten in Nederland zijn aangeschreven om hen opmerkzaam te maken op de mogelijkheid subsidie te krijgen voor het aanschaffen van een drenkelingendetectiesysteem in het zwembad. In 2004 volgt het feitelijke onderzoek naar de effecten van het plaatsen van een dergelijk systeem. In beleidsartikel 1, § 1.3.2.5 wordt nader ingegaan op het verhogen van de zwemvaardigheid.
Ad. 34, Bonke c.s., professionalisering docenten ict
Dit amendement heeft tot doel het daadwerkelijk gebruik van ict door leraren te bevorderen, met name door middel van projecten gericht op het «learning by doing». In 2003 hebben leraren hiertoe door middel van het «Grassroots»-project ervaringen opgedaan met het gebruik van ICT in de klas.
In november 2003 zijn er ruim 2200 van dergelijke projecten opgestart.
Ad. 45, Hamer en Lambrechts, opleiding tussenschoolse opvang
Dit amendement is bedoeld om ook in 2003 het opleiden van medewerkers voor de tussenschoolse opvang mogelijk te maken. In 2003 is daarom opnieuw geïnvesteerd in het opleiden van overblijfkrachten. Doel was het verder professionaliseren van de tussenschoolse opvang door het vergroten van de deskundigheid van de overblijfkrachten. In totaal zijn er ruim 7000 overblijfkrachten opgeleid. De doelstelling is hiermee bereikt. Ander doel van het beleid was het bundelen en verspreiden van ervaringen van scholen met tussenschoolse opvang. Ook dit doel is bereikt. Het budget voor bovenstaande is eveneens nagenoeg uitgeput. Een uitgebreide toelichting is te vinden in beleidsartikel 1, § 1.3.3.5. Tussenschoolse opvang.
Ad. 101, Hamer c.s., educatieve televisieprogramma's
Dit amendement beoogde middelen vrij te maken voor lokale televisie ten behoeve van educatieve programma's voor laagopgeleiden. Naar aanleiding hiervan is in 2003 de inzet van educatieve TV uitgebreid van Rotterdam naar de andere grote steden (Den Haag, Utrecht en Amsterdam). In alle vier de steden worden thans educatieve programma's via de regionale omroepen of een eigen kabel uitgezonden. De roc's in de vier grote steden hebben in 2003 gezamenlijk de Stichting Expertisecentrum ETV.nl opgericht. Deze stichting moet ervoor zorgen dat educatieve TV verder wordt ontwikkeld en verspreid naar de andere steden met als doel landelijke dekking. Voor bovenstaande hebben in 2003 de ministeries van OCW en SZW aan de stichting een bedrag van €1,1 miljoen (€ 0,7miljoen OCW, € 0,4 miljoen SZW) overgemaakt. Daarnaast heeft het ministerie van Justitie een bedrag van € 0,3 miljoen beschikbaar gesteld voor specifiek op inburgering gerichte programma's.
Dit zijn aanpassingen van de OCW-begroting waartoe het kabinet bij Voorjaarsnota 2003 heeft besloten. In de 1e suppletore begroting 2003 is per saldo een beleidsmatige (uitgaven)verlaging van € 37,4 miljoen opgenomen. De intensiveringen betreffen voornamelijk de middelen uit de eindejaarsmarge 2002 en een opwaartse bijstelling als gevolg van de referentieraming. De ombuigingen betreffen de taakstellingen uit het hoofdlijnenakkoord, waarvan de voornaamste de taakstelling incidentele loonontwikkeling en de taakstelling niet-belastingontvangsten betreffen.
Dit zijn beleidsmatige aanpassingen van de OCW-begroting waartoe het kabinet bij Najaarsnota 2003 heeft besloten. In de 2esuppletore begroting is per saldo een uitgavenverhoging van € 6,6 miljoen opgenomen. De belangrijkste beleidsmatige mutaties betreffen de extra investeringen in huisvesting musea (€ 3,7 miljoen) en leerlingenvervoer (€ 6,5 miljoen). Hiernaast is de begroting neerwaarts bijgesteld door vrijval van de btw voor de begeleidingsdiensten.
1. BASISONDERWIJS EN 2. EXPERTISECENTRA
1.1 Algemene beleidsdoelstelling
De algemene beleidsdoelstelling van de minister voor het primair onderwijs is dat alle kinderen passend en kwalitatief goed onderwijs krijgen in deugdelijk toegeruste scholen. Het gaat hier om kinderen in de leeftijdscategorie van ongeveer 4 tot 12 (maximaal 14) jaar en jongeren van ongeveer 4 tot en met 19 jaar die door een handicap of een gedragsstoornis zijn aangewezen op een orthopedagogische en orthodidactische benadering.
Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC) vastgelegd dat de (rijks)overheid een stelsel van basisscholen, respectievelijk een stelsel van scholen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs in stand houdt.
De algemene beleidsdoelstelling wordt uitgewerkt in drie operationele doelstellingen op stelselniveau, toegankelijkheid, kwaliteit en toerusting.
Onderwijs helpt kinderen hun talenten te ontwikkelen. Daarom moet er een stelsel van scholen in stand gehouden worden dat het voor alle kinderen mogelijk maakt om onderwijs te volgen dat bij hen past.
Het primair onderwijs moet kwalitatief van een dusdanig niveau zijn, dat het de leerling voorbereidt op de Nederlandse samenleving en het de leerling mogelijk maakt om naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar talenten.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid de door haar bekostigde scholen deugdelijk toe te rusten. Hierbij creëert zij de condities waaronder scholen in staat zijn te voldoen aan de toegankelijkheids- en kwaliteitseisen.
De minister is bij deze doelstellingen systeemverantwoordelijk. Dat wil zeggen dat de instellingen (scholen, gemeenten, fondsen en dergelijke) primair verantwoordelijk zijn voor hun handelen en de resultaten die zij behalen met de middelen die ze van OCW ontvangen. De verantwoordelijkheid van de rijksoverheid geldt dan voor het stelsel als geheel: voor het instandhouden van het stelsel en voor de gezamenlijke resultaten van alle instellingen. De precieze relatie tussen rijksoverheid en scholen is voor het primair onderwijs vastgelegd in de WPO en WEC.
Besturingsfilosofie: dereguleren en autonomie
De leerling staat centraal in het beleid. Scholen en instellingen moeten de ruimte krijgen om «onderwijs op maat» te realiseren voor leerlingen en om de creativiteit en professionaliteit van het onderwijspersoneel optimaal te kunnen benutten. Dat betekent een stevige dereguleringsslag. De invoering van een kerncurriculum en lumpsumbekostiging dragen hieraan bij. In respectievelijk § 1.3.2. en § 1.3.3 wordt de stand van zaken rond deze maatregelen toegelicht. Meer ruimte voor eigen beleid van scholen verandert ook het toezicht. Scholen zullen rekenschap moeten afleggen over de gerealiseerde kwaliteit van het onderwijs en de keuzes voor de besteding van de middelen. Een school dient dit zowel aan de ouders te doen, als aan de rijksoverheid.
Naast de accountantsdienst en CFI, als toezichthouders op het gebied van de financiële verantwoording, heeft de onderwijsinspectie hier een belangrijke rol. Met het aannemen van de Wet op het Onderwijstoezicht kan de inspectie stimulerend toezien op de kwaliteitszorg van de instellingen. De onderwijsinspectie rapporteert jaarlijks in het onderwijsverslag over de staat van het onderwijs in zijn geheel (zie § 1.2.2 Kwaliteit).
1.2 Het stelsel: de staat van het primair onderwijs
Hebben we bereikt wat wilden bereiken?
Onderwijs helpt kinderen hun talenten te ontwikkelen. Daarom moet er een stelsel van scholen in stand gehouden worden dat het voor alle kinderen – ook voor kinderen met (een groter risico op) leerachterstanden en leerproblemen – mogelijk maakt om onderwijs te volgen dat bij hen past. Een indicator om vast te stellen of scholen in staat zijn om leerlingen met speciale zorgbehoeften op te vangen, is het percentage basisscholen waar de inspectie een goede zorgstructuur aantreft, in 2003 was dit percentage 74,2%. In 2002 was dit percentage nog 54,8%. De vooruitgang van de kwaliteit van de leerlingenzorg is opvallend groot. Deze vooruitgang wordt met name waargenomen op twee terreinen. Ten eerste slagen scholen er beter in problemen bij leerlingen vroegtijdig te signaleren. Ten tweede volgt een toenemend aantal scholen dankzij het gebruik van betrouwbare toetsen en observatiesystemen de ontwikkeling en de vorderingen van hun leerlingen systematisch en nauwgezet. Daarnaast is er sprake van een toename van het aantal scholen dat consequent handelingsplannen opstelt voor leerlingen met extra onderwijsbehoeften. Ook stijgt de kwaliteit van de handelingsplannen voor leerlingen die extra zorg behoeven, al blijken de meeste scholen het nog lastig te vinden concrete en meetbare doelstellingen op te nemen in de handelingsplannen. Meer informatie over leerlingenzorg is te vinden in het onderwijsverslag 2003 van de Inspectie van het Onderwijs.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de toegankelijkheid van het stelsel te realiseren, zet de overheid een aantal beleidsinstrumenten in, te weten: onderwijsachterstandenbeleid (waaronder voor- en vroegschoolse educatie), onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis, weer samen naar school: onderwijs aan leerlingen met een specifieke zorgbehoefte, eerste opvang onderwijs aan leerplichtige asielzoekers, brede scholen en Nederlands onderwijs in het buitenland. Deze maatregelen worden in § 1.3.1 besproken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.1: Ingezette middelen toegankelijkheid (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Toegankelijkheid | 1 348,7 | 1 486,3 | 1 536,8 | 1 422,5 | 114,3 |
| Onderwijsachterstandenbeleid | 491,8 | 539,9 | 524,4 | 517,9 | 6,5 |
| Onderwijs in allochtone levende talen | 64,7 | 69,2 | 72,8 | 70,3 | 2,5 |
| Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis | 455,4 | 538,1 | 595,7 | 516,4 | 79,3 |
| Weer samen naar school | 312,9 | 313,7 | 320,9 | 295,5 | 25,4 |
| Asielzoekers | 4,4 | 4,6 | 2,7 | 0,2 | 2,5 |
| Brede school | 0,0 | 0,3 | 0,3 | 0,3 | 0,0 |
| Onderwijs in het buitenland | 11,5 | 12,2 | 12,4 | 14,0 | – 1,6 |
| Overig | 8,1 | 8,2 | 7,6 | 7,8 | – 0,2 |
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het primair onderwijs moet kwalitatief van een dusdanig niveau zijn, dat het de leerling voorbereidt op de Nederlandse samenleving en het de leerling mogelijk maakt om naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar talenten. Als indicator van de onderwijskwaliteit dienen de gegevens die de inspectie in haar jaarlijks onderwijsverslag bijhoudt. Deze gegevens bestaan uit het percentage scholen dat voldoet aan de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs. Deze kwaliteitskenmerken bestaan uit de kwaliteitsaspecten van het onderwijsleerproces, opbrengsten en condities voor goed onderwijs.
| Tabel 1.2: Percentage basisscholen dat voldoet aan de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs* | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Kwaliteitsaspecten onderwijsleerproces | ||||||
| Leerstofaanbod: kerndoelen | 60,4 | 69,6 | 73,3 | 81,0 | 91,4 | |
| Leerstofaanbod: doorgaande lijn | 42,3 | 41,1 | 32,8 | 34,1 | 46,8 | |
| Leertijd | 89,6 | 95,6 | 96,1 | 93,1 | 93,1 | 90,1 |
| Pedagogisch klimaat: veilig en structurerend | 96,5 | 98,8 | 96,5 | 96,3 | 98,5 | 97,4 |
| Pedagogisch klimaat: stimulerend en uitdagend | 66,0 | 69,0 | 64,4 | 64,5 | 71,3 | 83,3 |
| Didactisch handelen: helder en gestructureerd | 91,6 | 91,6 | 93,5 | 94,5 | 95,4 | 93,4 |
| Didactisch handelen: actieve betrokkenheid leerlingen | 81,6 | 74,9 | 70,3 | 66,4 | 72,8 | 70,6 |
| Didactisch handelen: leerstrategieën | – | – | 50,7 | 42,6 | 46,2 | 49,1 |
| Didactisch handelen: afstemming | 29,1 | 39,4 | 36,4 | 30,4 | 38,3 | 37,7 |
| Didactisch handelen: doelmatige klassenorganisatie | 95,0 | 97,4 | 97 | 99,5 | 99,6 | 98,8 |
| Leerlingenzorg | 58,7 | 58,4 | 56,8 | 46,8 | 54,8 | 74,2 |
| Opbrengsten | ||||||
| Opbrengsten eind Bao ten minste op verwacht niveau | – | 66,3 | 67,5 | 70,8 | 87,7 | 86,5 |
| Opbrengsten eind Bao onder verwacht niveau | – | 5,1 | 6,3 | 8,5 | 4,6 | 7,4 |
| Opbrengsten eind Bao onbekend | – | 28,6 | 26,3 | 20,8 | 7,7 | 6,2 |
| Condities voor goed onderwijs | ||||||
| Kwaliteitszorg | 22,1 | 27,9 | 37,5 | 25,9 | 27,0 | 26,3 |
| Professionalisering | – | 66,7 | 64,8 | 64,5 | 73,0 | 84,4 |
| Interne communicatie | 88,1 | 87,4 | 86,7 | 83,4 | 87,3 | 90,2 |
| Externe contacten | 98,0 | 96,5 | 97,5 | 95,9 | 98,1 | 98,7 |
| Contacten met ouders | 97,4 | 95,6 | 94,5 | 97,7 | 98,9 | 92,2 |
Bron: Onderwijsverslag 2003, Inspectie van het Onderwijs..
*De Inspectie van het Onderwijs meldt in het Onderwijsverslag 2003 dat het nieuwe toezichtskader (gebaseerd op de Wet op het onderwijstoezicht) verschilt van de vormen van toezicht in de periode 1998–2002 (IST en RST). Vergelijkingen met voorgaande jaren zijn niet zondermeer mogelijk. De inspectie heeft daarom scholen uit de steekproef voor het Onderwijsverslag 2003 niet alleen met het huidige toezichtskader beoordeeld, maar ook op indicatoren die bij het IST van kracht waren. De inspectie sluit niet uit dat de omvang van sommige ontwikkelingen hierdoor enigszins geflatteerd is.
Uit tabel 1.2 blijkt dat de kwaliteit van het basisonderwijs deels overeenkomt met dat uit vorige jaren. Sterke kanten zijn nog steeds leertijd, veiligheid en de structuur van het pedagogisch klimaat. Leraren bieden structuur en duidelijke uitleg in hun lessen en organiseren hun lessen goed. De doorgaande lijn in het leerstofaanbod, aandacht voor leerstrategieën en afstemming op verschillen tussen leerlingen blijven zwakke kanten. Op verschillende kwaliteitskenmerken hebben de basisscholen in het schooljaar 2002–2003 een flinke vooruitgang geboekt. Elk jaar groeit het aantal scholen dat een leerstofaanbod verzorgt dat dekkend is voor de kerndoelen en op bijna de helft van de scholen vertoont het leerstofaanbod een duidelijke doorgaande lijn. Scholen slagen er in hun pedagogisch klimaat uitdagender te laten zijn. Vooral de versterking van de leerlingenzorg is opvallend. Hierop is nader ingegaan in § 1.2.1 Toegankelijkheid. De condities voor goed onderwijs zijn, evenals in vorige jaren, gunstig. Een uitzondering hierop is de kwaliteitszorg. Deze blijft tekortkomingen vertonen. Op slechts 26% van de scholen voldoet de kwaliteitszorg aan de eisen. Binnen de kwaliteitszorg zijn in het basisonderwijs enkele sterke en zwakke elementen te onderscheiden. Driekwart van de basisscholen is goed op de hoogte van de kenmerken van de leerlingenpopulatie en de plaats van de school in de omgeving. Bijna alle scholen werken gericht aan verbetering van hun onderwijs en hebben daarvoor prioriteiten vastgelegd en planningen opgesteld, maar niet meer dan twee derde van de scholen doet dit op basis van een actuele analyse van de eigen kwaliteit. Opvallend is dat slechts één op de vijf scholen concrete doelen voor de opbrengsten heeft geformuleerd. Daarnaast is de cultuur om regelmatig de effecten van de verbeteractiviteiten te evalueren in het basisonderwijs zwak ontwikkeld. De aandacht van besturen en scholen voor dit onderwerp neemt toe. Dit wordt met name zichtbaar in de schoolplannen die zijn opgesteld voor de periode 2004–2007.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Diverse maatregelen en initiatieven hebben tot doel scholen te ondersteunen bij het op peil houden en desgewenst verbeteren van de onderwijskwaliteit. Met een herziening van de kerndoelen wordt beoogd scholen meer houvast te bieden bij het inrichten van het onderwijsleerproces. De wijze van formatietoekenning in de onderbouw is er op gericht docenten in staat te stellen het onderwijs af te stemmen op de verschillen tussen leerlingen. Met behulp van leerlingvolgsystemen kunnen scholen de individuele vorderingen en ontwikkelingen van alle leerlingen systematisch bepalen en bij de inrichting van het onderwijsproces rekening houden met de verschillen die er zijn tussen leerlingen. Voldoende schooltijd is een voorwaarde voor onderwijskwaliteit. Naast de maatregelen die genomen worden om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, heeft het ministerie sinds kort ook de zorg op zich genomen voor de zwemvaardigheid van de kinderen.
Hiertoe wordt aan 35 gemeenten een bijdrage verstrekt, waarmee zij aanvullende arrangementen kunnen inrichten om de zwemvaardigheid van kinderen te verhogen. De genoemde beleidsinstrumenten worden in § 1.3.2 uitgewerkt.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.3: Ingezette middelen Kwaliteit (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Kwaliteit | 335,4 | 498,2 | 645,0 | 570,5 | 74,5 |
| Kerndoelen | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Groepsgrootteverkleining in de onderbouw | 326,5 | 487,8 | 631,0 | 558,8 | 72,2 |
| Leerlingvolgsystemen | 1,1 | 3,8 | 1,9 | 1,4 | 0,5 |
| Schooltijden | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Schoolzwemmen | 0,0 | 4,4 | 5,3 | 5,5 | – 0,2 |
| Overig | 7,9 | 2,3 | 6,8 | 4,7 | 2,1 |
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om de door haar bekostigde scholen deugdelijk toe te rusten. Hierbij creëert zij de condities waaronder scholen in staat zijn te voldoen aan de toegankelijkheids- en kwaliteitseisen. Het doel is dat de toerusting op scholen voldoet aan de gestelde normen. Het is niet mogelijk om één concrete streefwaarde te noemen voor deze doelstelling.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De volgende beleidsinstrumenten hebben bijgedragen aan een goede toerusting van scholen: onderwijspersoneel, huisvesting, materiële vergoedingen, ict in het onderwijs, tussenschoolse opvang, bestuurlijke krachtenbundeling, invoering lumpsumfinanciering in het primair onderwijs en schoolbegeleiding. Deze beleidsinstrumenten worden besproken in § 1.3.3
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.4: Ingezette middelen Toerusting (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Toerusting | 4 606,0 | 4 892,5 | 5 063,4 | 5 085,7 | – 22,3 |
| Personeel | 3 740,4 | 4 016,6 | 4 177,9 | 3 887,5 | 290,5 |
| Materiele vergoedingen | 779,4 | 779,2 | 781,1 | 769,1 | 11,9 |
| Bestuurlijke krachtenbundeling | 30,0 | 30,7 | 35,8 | 35,1 | 0,7 |
| Tussenschoolse opvang | 0,0 | 3,8 | 5,0 | 2,0 | 3,0 |
| Schoolbegeleidingsdiensten | 54,7 | 57,2 | 59,4 | 59,0 | 0,4 |
| Overig + voorcalculatorische uitdelingen | 1,5 | 5,0 | 4,2 | 332,9 | – 328,7 |
| Tabel 1.5: Bekostiging basisonderwijs (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Verplichtingen | 5 672,3 | 6 165,2 | 6 493,0 | 6 309,7 | 183,3 |
| Waarvan garantieverplichtingen* | 0 | 0 | 30,0 | 0 | 30,0 |
| Uitgaven | 5 671,3 | 6 168,3 | 6 461,8 | 6 311,8 | 150,0 |
| Personeel basisonderwijs | 4 468,2 | 4 914,6 | 5 162,0 | 5 046,8 | 115,2 |
| Personeel speciaal basisonderwijs | 334,9 | 358,3 | 381,1 | 368,2 | 12,9 |
| Materieel basisonderwijs | 757,9 | 779,4 | 796,5 | 781,0 | 15,5 |
| Materieel speciaal basisonderwijs | 41,8 | 44,1 | 41,9 | 41,2 | 0,7 |
| Overig | 68,5 | 71,9 | 80,2 | 74,6 | 5,6 |
| – waarvan schoolbegeleidingsdiensten | 54,7 | 57,2 | 59,4 | 59,0 | 0,4 |
| – waarvan stimuleringsuitgaven | 13,8 | 14,7 | 20,9 | 15,6 | 5,3 |
| Ontvangsten | 19,8 | 46,7 | 26,5 | 18,0 | 8,5 |
| – waarvan bao | 18,5 | 44,9 | 25,5 | 17,0 | 8,5 |
| – waarvan sbao | 1,4 | 1,8 | 1,0 | 1,0 | 0,0 |
| Gesaldeerde uitgaven basisonderwijs | 5 275,3 | 5 720,2 | 6 012,0 | 5 884,4 | 127,6 |
| Gesaldeerde uitgaven speciaal basisonderwijs | 376,2 | 401,4 | 423,2 | 409,3 | 13,9 |
| Gesaldeerde uitgaven WPO | 5 651,4 | 6 121,6 | 6 435,3 | 6 293,7 | 141,5 |
| Budget WPO (saldo van) | 5 651,5 | 6 121,6 | 6 435,3 | 6 251,8 | 183,4 |
| – waarvan basisonderwijs | 5 275,3 | 5 720,2 | 6 012,0 | 5 845,3 | 166,7 |
| – waarvan speciaal basisonderwijs | 376,2 | 401,4 | 423,2 | 406,5 | 16,7 |
| Deelnemers/leerlingen/studenten WPO per 1 oktober van het jaartal boven de kolom (x 1 000) | 1 603,9 | 1 601,8 | 1 598,8 | 1 617,2 | – 18,4 |
| – waarvan basisonderwijs | 1 552,1 | 1 549,7 | 1 547,3 | 1 565,7 | – 18,4 |
| – waarvan speciaal basisonderwijs | 51,8 | 52,1 | 51,5 | 51,5 | 0,0 |
| Uitgaven per leerling WPO (x € 1 000) | 3,5 | 3,8 | 4,0 | 3,9 | 0,1 |
| – waarvan basisonderwijs | 3,4 | 3,7 | 3,9 | 3,7 | 0,2 |
| – waarvan speciaal basisonderwijs | 7,3 | 7,7 | 8,2 | 7,9 | 0,3 |
*Het middelenbeheer van het vervangingsfonds en het participatiefonds is in 2003 geïntegreerd met het door het ministerie van Financiën te verzorgen middelenbeheer van de Staat (geïntegreerd middelenbeheer). Hierbij krijgen de fondsen, op basis van een rekeningcourant overeenkomst tussen het ministerie van Financiën en de fondsen, de beschikking over een leenfaciliteit. OCW staat garant ingeval de fondsen niet aan de verplichtingen kunnen voldoen die uit de rekening-courantovereenkomst voortvloeien.
| Tabel 1.6: Bekostiging expertisecentra (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Verplichtingen | 618,9 | 709,4 | 783,0 | 761,0 | 22,0 |
| Waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Uitgaven | 618,8 | 708,7 | 783,5 | 761,0 | 22,5 |
| Personeel | 550,1 | 638,9 | 709,9 | 687,3 | 22,6 |
| Materieel | 67,1 | 67,7 | 73,0 | 71,6 | 1,4 |
| Overig | 1,5 | 2,1 | 0,5 | 2,0 | – 1,5 |
| Ontvangsten | 3,2 | 2,9 | 1,9 | 2,7 | -0,8 |
| Gesaldeerde uitgaven WEC | 615,5 | 705,8 | 781,6 | 758,3 | 23,3 |
| Budget WEC (saldo van) | 615,5 | 705,8 | 781,6 | 755,5 | 26,1 |
| Deelnemers/leerlingen/studenten WEC per 1 oktober van het jaartal boven de kolom (x 1 000) | 48,2 | 52,1 | 54,6 | 53,3 | 1,3 |
| Uitgaven per leerling WEC (x € 1 000) | 12,8 | 13,6 | 14,3 | 14,2 | 0,1 |
De reguliere bekostiging voor de scholen in het primair onderwijs bestaat uit bekostiging voor personeel, materieel en huisvesting. Middelen voor personeel en materieel ontvangen scholen van het Rijk. De middelen voor huisvesting worden via het Gemeentefonds over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de verdeling van de huisvestingsmiddelen over de scholen. De uitgaven van het Rijk voor het primair onderwijs bedragen € 7,2 miljard (excl. huisvesting). De personele uitgaven hebben hierin het grootste aandeel, 86%. Informatie over personeel is te vinden in de overzichtsconstructie arbeidsmarktbeleid. Kengetallen over personeel en materieel zijn te vinden in OCW in kerncijfers.
De bekostiging is voor het grootste deel gebaseerd op het leerlingenaantal van de school. Naast de reguliere bekostiging ontvangen scholen middelen via specifieke uitkeringen aan gemeenten en via samenwerkingsverbanden. In het kader van projecten ontvangen scholen van het ministerie ook incidentele middelen. Daarnaast kunnen scholen een ouderbijdrage vragen en middelen aanvaarden van sponsors en donateurs. Voor sponsorgelden zijn met de organisaties in het veld gedragscodes overeengekomen. In de wet is vastgelegd dat de ouderbijdrage vrijwillig is.
Een indicator om het rendement vast te stellen in het basisonderwijs is het aantal basisscholen dat opbrengsten (de bijdragen van de school aan de ontwikkeling van kinderen) genereert aan het eind van de basisschool op of boven het verwachte niveau van de leerlingenpopulatie. Uit tabel 1.2 blijkt dat het aantal scholen met opbrengsten op of boven het verwachte niveau 86,5% bedraagt in 2003. 7,4% van de scholen heeft opbrengsten onder het verwachte niveau van de leerlingen en op 6,2% van de scholen is het niveau van de opbrengsten niet vast te stellen in verband met het ontbreken van betrouwbare en genormeerde gegevens. Het aandeel scholen waarvan de opbrengsten aan het eind van de basisschool niet is vast te stellen neemt af. Van de scholen die opbrengsten genereren onder het verwachte niveau (7,4%) vertoont ongeveer de helft ernstige tekortkomingen op cruciale aspecten in het onderwijsleerproces. In die gevallen wordt gesproken van zeer zwakke scholen. Scholen met veel autochtone achterstandsleerlingen en scholen met overwegend allochtone risicoleerlingen behoren vaker tot deze categorie dan andere scholen.
1.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen
De operationele doelstellingen toegankelijkheid, kwaliteit en toerusting zijn opgenomen en verantwoord in § 1.2. In deze paragraaf worden de operationele doelstellingen uitgewerkt in beleidsinstrumenten.
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beleidsinstrumenten die bijdragen aan het vergroten van de toegankelijkheid van het onderwijs.
1.3.1.1 Onderwijsachterstandenbeleid
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Van de circa 1,6 miljoen kinderen in het basisonderwijs behoren ongeveer 400 000 kinderen tot de doelgroep van het achterstandenbeleid. De helft daarvan zijn autochtone leerlingen uit een achterstandsituatie. De overige 200 000 zijn leerlingen van allochtone afkomst uit een achterstandssituatie. Het onderwijsachterstandenbeleid heeft tot doel onderwijsachterstanden aan te pakken en te voorkomen. Alle leerlingen moeten volwaardig kunnen participeren in de Nederlandse samenleving en naar een vorm van voortgezet onderwijs gaan die het beste aansluit bij hun talenten. De achterstand komt vooral tot uiting in een slechtere beheersing van de Nederlandse taal.
Hoewel harde monitorgegevens op dit moment nog ontbreken, zijn er wel sterke aanwijzingen uit onderzoeksresultaten dat het tot op heden gevoerde beleid resultaten afwerpt. Zo wordt in de Minderhedenrapportage 2003 (SCP) onder andere vermeld dat Turkse en Marokkaanse leerlingen in het basisonderwijs goede vooruitgang boeken in het rekenen, al staan ze nog op achterstand. Vooral de vooruitgang in de rekenresultaten van Turkse en Marokkaanse leerlingen in groep 8 is spectaculair te noemen. In taal lopen zij nog ongeveer twee leerjaren achter op autochtone niet-achterstandsleerlingen. Toch zijn er volgens het SCP aanwijzingen dat de Turkse en Marokkaanse leerlingen in de loop van het basisonderwijs iets van hun aanvankelijke taalachterstand goedmaken. Daarnaast meldt het SCP dat de eindtoetsscores in alle minderheidsgroepen (m.u.v. de Antilliaanse leerlingen) sinds 1994 omhoog gaan.
Ook de achterstand aan het begin van de basisschool wordt kleiner: sinds 1994 hebben Turkse en Marokkaanse leerlingen ongeveer 10% van hun achterstand aan het begin van de basisschool ingelopen, Surinaamse leerlingen zelfs 30%. Daar komt bij dat deze leerlingen in de loop van de basisschoolperiode hun achterstanden verder inlopen. Het percentage allochtone leerlingen op de peuterspeelzaal neemt toe.
De onderzoeksresultaten over de autochtone achterstandsleerlingen zijn minder gunstig. Uit een rapport van het SCP blijkt dat hun prestaties de afgelopen 12 jaar, vooral op taalgebied, achteruit zijn gegaan. Autochtone achterstandsleerlingen hebben in groep 8 een taalachterstand van 1 jaar op autochtone niet-achterstandsleerlingen. Ook op rekengebied lopen autochtone achterstandsleerlingen in groep 8 nog 5 maanden achter op autochtone niet-achterstandsleerlingen.
Het SCP geeft aan dat er voor de verklaring van de dalende schoolprestaties onderzoek nodig is, omdat daarover nog te weinig bekend is.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Er wordt aan de realisatie van genoemde doelstellingen gewerkt via scholen en via gemeenten.
Scholen krijgen financiële middelen in het kader van de gewichtenregeling. Gemeenten krijgen een specifieke uitkering, waarin met ingang van 1 augustus 2002 de middelen voor het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid (GOA), de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) en Onderwijskansen (OK) zijn gebundeld tot één budget en over de GOA-gemeenten verdeeld. Om in kleine gemeenten een lokaal onderwijskansenbeleid uit te kunnen voeren was naast de GOA-bekostiging een bedrag van € 9 miljoen beschikbaar.
In het hoofdlijnenakkoord is aangekondigd dat het onderwijsachterstandenbeleid zal worden aangepast en dat er met ingang van 2004 bezuinigd zal worden op het onderwijsachterstandenbudget.
Over de vormgeving van het nieuwe beleid en de invulling van de bezuiniging is op 31 oktober 2003 een brief aan de Tweede Kamer gezonden.
De gewichtenregeling stelt scholen met veel achterstandsleerlingen in staat om deze leerlingen onderwijs op maat te geven. Zo draagt de gewichtenregeling bij aan de doelstelling van het achterstandenbeleid. De regeling houdt in dat basisscholen met een substantieel aantal achterstandsleerlingen op basis van een «weging» van de leerlingen in aanmerking komen voor extra personeelsformatie.
| Tabel 1.7: Leerlingen verdeeld naar gewicht (x 1000) op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Gewichtenleerlingen in het basisonderwijs | 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil |
| Geen gewicht | 1 132,8 | 1 147,9 | 1 163,3 | 1 158,9 | 4,4 |
| 0.25 | 212,6 | 197,6 | 184,1 | 192,4 | – 8,3 |
| 0.4 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 0,0 |
| 0.7 | 3,3 | 3,1 | 3,1 | 3,4 | – 0,3 |
| 0.9 | 202,3 | 200,0 | 195,8 | 209,6 | – 13,8 |
| Subtotaal | 1 552,1 | 1 549,7 | 1 547,3 | 1 562,4 | – 18,1 |
| Leerlingen trekkende bevolking | 0,3 | 0,3 | 0,3 | 0,3 | 0,0 |
| Totaal | 1 552,4 | 1 550,0 | 1 547,6 | 1 565,7 | – 18,1 |
| Cumi-leerlingen in het sbao | 8,8 | 9,1 | 9,2 | 9,5 | – 0,3 |
| Cumi-leerlingen in het (v)so | 9,1 | 10,2 | 10,6 | 10,7 | – 0,1 |
Bron: Cfi.
In tabel 1.7 is een overzicht gegeven van de ontwikkeling van het aantal gewichtenleerlingen in het basisonderwijs. In 2003 zijn er ruim 384 000 gewichtenleerlingen geteld die als zodanig worden aangemerkt. Daarvan kwamen er (door de drempel van 9% die bereikt moet worden voordat scholen gewichtengeld ontvangen) zo'n 290 500 leerlingen daadwerkelijk voor gewichtengeld in aanmerking. Van deze 290 500 bereikte gewichtenleerlingen gaat het om bijna 180 00 allochtone achterstandsleerlingen (met een gewicht van 0.9) en om zo'n 107 500 autochtone achterstandsleerlingen (met een gewicht van 0.25).
Wat de verdeling van het gewichtengeld over de scholen betreft is het zo dat van het totaal aantal van 7150 basisschoolvestigingen in Nederland (dit zijn zowel hoofd- als nevenvestigingen; er zijn in 2003 6995 basisscholen) er ruim 2800 vestigingen (zo'n 40%) gewichtenmiddelen ontvangen. In de G4 ontvangt 80% van de basisschoolvestigingen gewichtengeld, in de G30 57% en is dat percentage 31% van de basisschoolvestigingen die buiten de G4 en de G30 liggen.
Van het totaal aantal bereikte gewichtenleerlingen behoort in de G4 85% tot de categorie allochtone achterstandsleerlingen. In de G30 is dat 61% en in de overige delen van Nederland 47%. Door de drempel van 9% is het wel zo dat landelijk 42% van alle gewogen autochtone achterstandsleerlingen niet in aanmerking komt voor gewichtengeld. In de delen van Nederland die buiten de G4 en de G30 liggen, komt 50% van deze leerlingen niet in aanmerking voor gewichtengeld. In de G4 komt, door het hoge aantal 1.9 leerlingen, slechts 6% van de autochtone achterstandsleerlingen daarvoor niet in aanmerking. Anderzijds is het zo dat van alle gewogen allochtone leerlingen 8% niet in aanmerking komt voor gewichtengeld. In de G4 betreft het slechts 1% van de gewogen leerlingen, in de G30 7% en in de gebieden buiten de G4 en de G30 gaat het om 16% van de in die gebieden gewogen leerlingen.
In de toekomst wordt de gewichtenregeling zodanig aangepast dat beter wordt aangesloten bij feitelijke achterstanden van groepen leerlingen. Feitelijke achterstand zal dus een rol spelen bij de toekenning van gewichtengelden, echter zonder dat alle leerlingen worden getoetst. Ook wordt nagegaan op welke wijze tegemoet kan worden gekomen aan het feit dat er, door de drempel van 9%, veel autochtone achterstandsleerlingen zijn die nu niet in aanmerking komen voor gewichtengeld. Bij de herziening van de gewichtenregeling wordt ook de advisering van de Onderwijsraad betrokken.
Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa)
Voor de periode 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006 zijn voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in het primair onderwijs de volgende doelstellingen geformuleerd in het landelijk beleidskader (lbk):
• reductie van de taalachterstand van doelgroepleerlingen met 25% in 2006 ten opzichte van niet-doelgroepleerlingen. Tegen het einde van de 4-jaarlijkse periode wordt door middel van onderzoek gemeten of deze doelstelling ook daadwerkelijk is gehaald. Tussentijdse streefwaarden zijn niet geformuleerd.
• verbetering van de startpositie in het basisonderwijs door middel van het realiseren van deelname aan kwalitatief goede programma's voor voor- en vroegschoolse educatie door tenminste 50% van de doelgroep in de leeftijd van 2 tot en met 5 jaar (zie verder onder Voor- en vroegschoolse educatie).
Naast de inhoudelijke doelstellingen van het landelijk beleidskader is de aanpak van het onderwijskansenbeleid als instrumenteel doel opgenomen. De onderwijskansenaanpak is erop gericht de effectiviteit van het onderwijsachterstandenbeleid te verhogen door, op basis van analyses van de concrete problemen in en rond een school, de middelen daar in te zetten waar ze het hardst nodig zijn.
In totaal hebben 362 gemeenten goa-middelen ontvangen. Alle 272 gemeenteraden van de planplichtige gemeenten hebben een goa-plan vastgesteld. In deze plannen geven gemeenten aan op welke wijze ze denken de doelstellingen van het landelijk beleidskader te zullen gaan halen. Het SCO-Kohnstamm instituut te Amsterdam heeft alle goa plannen globaal geanalyseerd. Daarnaast zijn de goa-plannen van de G4 en het merendeel van de G32 diepgaand geanalyseerd. Uit deze analyses is gebleken dat de aanpak van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid binnen de gemeenten een meer gestructureerd karakter heeft ten opzichte van de eerste goa periode (1998–2002). Daarnaast is gebleken dat bijna alle gemeenten de landelijke doelstellingen in hun plannen hebben opgenomen, inclusief de aanpak van het onderwijskansenbeleid.
Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid maakt deel uit van de sociale pijler van het grote stedenbeleid (GSB) van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In 2003 is gestreefd naar een verdere harmonisatie van de regelingen vanuit de betrokken departementen. In 2003 is het voor gemeenten mogelijk geworden om de verantwoording over 2002 van regelingen die een relatie hebben met GSB samen met andere regelingen uit de sociale pijler GSB gezamenlijk te verantwoorden op één datum, voorzien van één accountantsprotocol. Voor het (primair) onderwijs gaat het om de regelingen GOA (incl. voor- en vroegschoolse educatie en onderwijskansen), onderwijs in allochtone levende talen (oalt) en schoolbegeleidingsdiensten (SBD). Een aantal gemeenten heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Voor- en vroegschoolse educatie (vve)
Voor- en vroegschoolse educatie is met ingang van het landelijk beleidskader 2002–2006 onderdeel van het goa-beleid. De middelen voor vve zijn sinds 1 augustus 2002 onderdeel van het goa-budget. Vve is opgezet om er voor zorg te dragen dat taal- en ontwikkelingsachterstanden in een vroeg stadium worden aangepakt, om de startpositie van kinderen in het basisonderwijs te verbeteren. Daarbij is het in ieder geval van belang dat bij de aanvang van het lees- en rekenonderwijs in de basisschool de doelgroepleerlingen voldoende zijn toegerust om het verdere basisonderwijs met succes te kunnen vervolgen. Er wordt naar gestreefd in 2006 een deelname aan vve programma's door 50% van de doelgroep te realiseren.
In 2003 gingen gemeenten verder met het voorbereiden en implementeren van activiteiten ten behoeve van het realiseren van een lokaal vve-aanbod voor kinderen van 2 tot en met 5 jaar met een aanzienlijke taal- en ontwikkelingsachterstand. Bij de begrotingsbehandeling 2003 is met het amendement van De Vries € 10 miljoen beschikbaar gekomen om de Nederlandse taal nadrukkelijker in de vve-programma's op te nemen en een doorlopende leerlijn Nederlandse taal voor 2 tot 12 jarigen te bevorderen. Met de middelen uit het amendement De Vries is een versnelling ingezet van de ontwikkeling van één taallijn voor de voorschoolse periode in aansluiting op de tussendoelen Nederlandse taal voor de basisschool. In 40 peuterspeelzalen is gestart met de implementatie van het in 2002 al ontwikkelde onderdeel «interactief voorlezen». De taallijn wordt ingepast in de vve-programma's Kaleidoscoop, Piramide en Startblokken en programmatrainers zijn en worden voorbereid. Ook integratie van de taallijn vve in het door bibliotheken geadopteerde Boekenpret is in voorbereiding. Via de tv-programma's voor de jeugd en de verspreidingskanalen van de publieke omroep zijn door middel van een voorleesactie 3000 vve-voorzieningen voorzien van 15 000 prentenboeken en leidsterhandleidingen en is de Taallijn verbreed naar zoveel mogelijk ouders en personeel van peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, bibliotheken en consultatiebureau's. Peuterspeelzaalleidsters en onderbouwleerkrachten zijn daarmee gestimuleerd aan scholingsmodules taal vve deel te nemen.
De onderwijskansenaanpak is erop gericht de effectiviteit van het onderwijsachterstandenbeleid te verhogen door, op basis van analyses van de concrete problemen in en rond een school, de middelen daar in te zetten waar ze het hardst nodig zijn. Deze aanpak is in de G4, G32 en de pilotregio's (Friesland, Groningen, Drente en Zeeland) van start gegaan. In 2003 is de onderwijskansenaanpak verbreed naar kleinstedelijke en plattelandsgemeenten. De onderwijskansenaanpak is als instrumenteel doel opgenomen in het landelijk beleidskader GOA 2002–2006. De middelen voor het onderwijskansenbeleid van de G4 en G32 zijn met ingang van 1 augustus 2002 opgenomen in het GOA-budget.
De G4, de 32 gemeenten van de G21/100 000+ en de vier pilotregio's hebben begin 2003 tussenrapportages over de stand van zaken van het onderwijskansenbeleid binnen deze gemeenten en regio's opgesteld. Hieruit blijkt dat gemeenten en scholen overwegend enthousiast over het onderwijskansenbeleid. Uit het onderwijsverslag 2003 blijkt dat het pedagogisch klimaat, de kwaliteitszorg, de professionalisering, de interne en externe communicatie en de contacten met ouders op onderwijskansenscholen veel lager worden beoordeeld dan op scholen die geen deel uitmaken van het onderwijskansenbeleid. Sommige scholen gaan vooruit, andere blijven gelijk of vertonen een dalend kwaliteitsbeeld. Het is vooralsnog niet duidelijk welke verklaring aannemelijk is voor deze verschillen. In mei 2004 wordt een voortgangsrapportage over het onderwijskansenbeleid aan de Tweede Kamer gezonden.
In samenwerking met VNG is opdracht gegeven het aanbieden van scholing en handreikingen aan gemeenten ter ondersteuning bij de opzet van een goede leerplichtadministratie, RMC-registratie en monitor voor het lokale onderwijsbeleid. In opdracht van OCW en VNG wordt door een onderzoeksbureau de cursus geëvalueerd. Het eindrapport wordt in mei 2004 verwacht. Verder heeft het CBS in opdracht gewerkt aan de koppeling van basisgegevens voor de bouw van een landelijke monitor. De resultaten zijn gebruikt voor publicatie via de CBS-website Statline en op papier. Gemeenten ontvangen benchmarkinformatie over de examenscores van leerlingen in het voortgezet onderwijs en de deelname aan vbo, mavo, havo en vwo, uitgesplitst naar etniciteit. Deze monitor moet vanaf 2006 gevuld gaan worden met gegevens, die via het onderwijsnummer verzameld worden bij onderwijsinstellingen in alle onderwijssectoren.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.8: Ingezette middelen onderwijsachterstanden (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| GOA (incl. ok, vve, excl. asielzoekers) | 193,1 | 222,6 | 205,4 | 204,1 | 1,3 |
| Gewichtenregeling | 266,6 | 280,0* | 285,9 | 267,9 | 18,0 |
| Cumi-leerlingen sbao | 13,1 | 15,0 | 16,0 | 14,7 | 1,3 |
| Cumi-leerlingen (v)so | 13,1 | 14,7 | 16,4 | 15,6 | 0,8 |
| (AFB, trekkende bevolking, div. projecten) | 5,9 | 7,6 | 0,7 | 5,6 | – 4,9 |
| Totaal | 491,8 | 539,9 | 524,4 | 507,9 | 16,5 |
Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele component van de gewichtenregeling niet in dit realisatiecijfer opgenomen, maar bij de realisatie van de materiele instandhouding.
Het verschil tussen raming en realisatie bij de gewichtenregeling wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.
In 2003 zijn de verantwoordingen van de gemeenten over de vve-periode 2000–2002 binnengekomen.
Uit deze verantwoordingen is gebleken dat een aantal gemeenten niet alle middelen heeft besteed of een deel onrechtmatig heeft besteed. In totaal ging het om € 37,9 miljoen. In 2003 is een begin gemaakt met het terugvorderen van deze middelen. De middelen worden teruggevorderd door middel van verrekening. Waar dit in 2003 niet volledig mogelijk is, vindt ook nog verrekening plaats in 2004. In totaal is in 2003 € 31,8 miljoen teruggevorderd.48 van de 162 gemeenten hebben bezwaar ingediend tegen het voornemen tot terugvordering van de niet-bestede of niet rechtmatig bestede extra middelen. Een aantal bezwaarschriften is al afgehandeld. Uit de afgehandelde bezwaarschriften blijkt dat met een aantal gemeenten een schikking moet worden getroffen, het gaat bij de afgehandelde bezwaarschriften om een bedrag van ruim € 0,5 miljoen. De overige bezwaarschriften worden in 2004 afgehandeld. De teruggevorderde middelen zijn in 2003 ingezet ter dekking van het OCW-brede tekort.
Voor de verbreding van de onderwijskansenaanpak naar kleinstedelijke en plattelandsgemeenten was in 2003 € 9 miljoen beschikbaar. Deze middelen zijn aan de kleinstedelijke en plattelandsgemeenten die hiervoor in aanmerking komen, toegekend.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| februari 2003 | Brief van de minister van OCW over de stand van zaken met betrekking tot de begintoets. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300093 |
| 28 april 2003 | Brief van de minister van OCW over de inzet en de opbrengsten van de extra middelen voor- en vroegschoolse educatie (VVE) door de gemeenten. Kamerstuk 2002–2003, 27 190, nr. 12 |
| 31 oktober 2003 | Brief van de minister van OCW over de beleidsvoornemens op het terrein van het onderwijsachterstandenbeleid voor het primair en voortgezet onderwijs. Kamerstuk 2003–2004, 27 020, nr. 35 |
| 3 november 2003 | Brief van de minister van OCW over de verantwoording VVE en GOA. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0300950 |
| 15 december 2003 | Brief van de minister van OCW over de terugvordering van extra middelen VVE. Kamerstuk 2003–2004, 27 020, nr. 36 |
1.3.1.2 Onderwijs in allochtone levende talen (oalt)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Op dit moment heeft de wet OALT een dubbele doelstelling: voor allochtone leerlingen een aanbod van lessen in allochtone taal en cultuur realiseren dat aansluit bij de behoefte van ouders (cultuureducatie) en/of met behulp van de allochtone taal helpen de taalachterstanden van allochtone leerlingen verminderen (taalondersteuning).
Volgens (de meest recente) onderzoeksgegevens uit 2002 neemt ongeveer 35% van de allochtone leerlingen in het primair onderwijs deel aan oalt, dit zijn 61 000 leerlingen van voornamelijk Turkse (29 000) en Marokkaanse (22000) afkomst. De meeste middelen worden besteed aan taalondersteuning, ongeveer 70%. 32 500 leerlingen nemen deel aan oalt in de vorm van taalondersteuning, 29 000 in de vorm van cultuureducatie.
Het kabinet kondigde in het strategisch akkoord aan dat prioriteit moet worden gegeven aan het leren van het Nederlands. Daarom wordt de oalt-bekostiging met ingang van 1 augustus 2004 beëindigd.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de doelstellingen van oalt te realiseren zijn gemeenten via een specifieke uitkering (oalt-budget) in staat gesteld om het aanbod van lessen in allochtone levende talen en taalondersteuning te organiseren. Er zijn 215 gemeenten die in 2003 een specifieke uitkering oalt hebben ontvangen.
Het wetsvoorstel waarmee de beëindiging van de bekostiging formeel wordt geregeld is in 2003 in procedure gezet en in september 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden. In mei 2003 heeft de minister van Onderwijs de gemeenten en scholen per brief geadviseerd tijdig maatregelen te treffen die horen bij een voorgenomen beëindiging van de bekostiging van oalt met ingang van het schooljaar 2004–2005.
De periode tot aan 1 augustus 2004 wordt benut om de consequenties van de besluitvorming uit te werken en te formaliseren. Relevante partijen, waaronder gemeenten, worden daarbij betrokken. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk personeel werkzaam blijft in het primair onderwijs.
In 2003 zijn met de vakorganisaties onderhandelingen gestart over het flankerend beleid voor het oalt-personeel.
Op 3 december 2003 is er met de vakorganisaties een akkoord bereikt. Voor de afspraken die met de organisatie zijn gemaakt verwijs ik naar de brief aan de TK van december 2003 over het met de organisaties bereikte akkoord.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.9: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Raming | Verschil | |||
| 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Onderwijs in allochtone levende talen | 64,7 | 69,2 | 72,8 | 70,3 | 2,5 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 31 maart 2003 | Brief van de minister van OCW ter aanbieding van het convenant ten behoeve van een Sociaal plan OALT-leraren in verband met het aanscherpen van de kwalificatievereisten per 1 augustus 2002 voor OALT-leraren die taalondersteuning geven. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300216 |
| 23 juni 2003 | Brief van de minister van OCW over het stopzet- ten van de bekostiging van OALT met ingang van 1 augustus 2004. Kamerstuk 2002–2003, 28 600 VIII, nr. 136 |
| 15 juli 2003 | Brief van de minister van OCW over kort geding inzake beëindiging van de bekostiging van het OALT-onderwijs per 01-08-2004. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300579 |
| 19 december 2003 | Brief van de minister van OCW over sociaal plan OALT i.v.m. beëindiging van de bekostiging per 1-8-2004. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0301135 |
1.3.1.3 Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Op 1 augustus 2003 is de Wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) (lgf) in werking getreden. Met de invoering van deze wet zijn drie grote wijzigingen in de organisatie van het onderwijs aan leerlingen met een handicap of stoornis gerealiseerd:
• een nieuwe systematiek van indicatiestelling;
• regionale expertisecentra;
• keuzevrijheid ouders voor inschrijving van hun geïndiceerde kind bij een school voor regulier of voor speciaal onderwijs.
De mate waarin de invoering van lgf bijdraagt aan de bevordering van de emancipatie en integratie van mensen (kinderen) met een handicap en de mate waarin met de invoering van lgf kwalitatief goed onderwijs aan kinderen met een handicap of stoornis wordt gerealiseerd zijn onderwerp van de evaluatie van de (eerste fase) wetgeving lgf die met de invoering op 1 augustus 2003 is gestart. De eerste resultaten van deze evaluatie worden eind 2004 verwacht. De resultaten van deze evaluatie zullen in samenhang met het wsns-beleid en het achterstandenbeleid worden bezien.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De in de wet voorgestelde wijzigingen in de organisatie van het onderwijs aan leerlingen met een handicap of stoornis zijn gerealiseerd:
a) onafhankelijke indicatiestelling
Op basis van landelijk vastgestelde criteria en procedures wordt beoordeeld of een leerling in aanmerking komt voor de leerlinggebonden financiering. De indicatiestelling wordt gedaan door een Commissie voor de indicatiestelling (CvI). Deze commissie beslist of de door de ouders aangemelde kinderen voldoen aan de landelijke indicatiecriteria. Alle regionale expertisecentra hebben een CvI ingericht en houden deze in stand. De werkwijze van de CvI's wordt gecontroleerd door de Landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI).
De signalen uit het onderwijs over werklast en bureaucratie na invoering van leerlinggebonden financiering worden serieus opgepakt. Op het terrein van de indicatiestelling voor het speciaal onderwijs heeft de LCTI op verzoek van de minister al meerdere voorstellen gedaan die de indicatiestelling vereenvoudigen en onnodige bureaucratie weghalen. Uitgangspunt blijft echter dat de toegang tot het (v)so/lgf beheersbaar blijft. Dat betekent dat aan de indicatiestelling, inclusief de criteria en de indicatietermijnen niet wordt getornd. Ook voor de evaluatie van lgf, die eind 2004 wordt opgeleverd, is de uitvoerbaarheid van de leerlinggebonden financiering een belangrijk aandachtspunt.
b) regionale expertisecentra (rec's)
Om tot een efficiënter en doelmatiger georganiseerd stelsel van (voortgezet) speciaal onderwijs te komen zijn de bestaande schoolsoorten gebundeld in vier clusters. Per cluster (met uitzondering van cluster 1) zijn de scholen met ingang van 1 augustus 2003 gaan samenwerken in 33 rec's. Een rec heeft in ieder geval de taak om een CvI in stand te houden, de ouders te ondersteunen bij het indienen van een verzoek voor de indicatiestelling van hun kind, de ambulante begeleiding aan leerlingen met een handicap of stoornis in het regulier onderwijs te coördineren en de ouders te ondersteunen bij het zoeken van een school voor hun geïndiceerde kind. Voor de uitvoering van de taken is een budget ter beschikking gesteld van € 9 miljoen. Voor de verdeling van deze middelen zijn drie grondslagen geformuleerd: een vaste voet, een vast bedrag per school binnen het rec en het aantal indicaties dat de CvI in het voorgaande jaar heeft afgegeven, vermeerderd met 15%. Omdat er in het vorige jaar nog geen indicaties zijn afgegeven waarop de bekostiging gebaseerd kan worden is de bekostiging van het rec op dit punt vastgesteld op basis van het leerlingenaantal van de scholen die deel uitmaken van het rec.
Om een betere spreiding van het (voortgezet) speciaal onderwijs te realiseren, krijgen de rec's de mogelijkheid om nevenvestigingen in te richten en kunnen geïndiceerde leerlingen binnen het rec verbreed worden toegelaten. Dit betekent dat een school van een bepaalde onderwijssoort leerlingen kan inschrijven die een indicatie hebben voor een andere schoolsoort binnen het rec.
De mate waarin de rec's gebruik maken van de mogelijkheden tot het inrichten van nevenvestigingen en verbrede toelating wordt geëvalueerd in het kader van de eerste fase wetgeving lgf waarvan de resultaten eind 2004 beschikbaar komen. Op basis hiervan wordt tevens bekeken of een evenwichtige spreiding van speciale onderwijsvoorzieningen is ontstaan.
De derde wijziging die is gerealiseerd met de invoering van lgf is de vrijheid die ouders hebben gekregen om te kiezen of zij hun geïndiceerde kind willen inschrijven bij een school voor regulier onderwijs of bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. In hoeverre deze keuzevrijheid ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd zal onderwerp zijn van de evaluatie lgf. Met de invoering van lgf is de verwachting uitgesproken dat na een aantal jaren ongeveer 25% van de geïndiceerde leerlingen geïntegreerd zal zijn in het reguliere onderwijs. De ontwikkeling van lgf heeft al een stijging van het aantal geïntegreerde leerlingen laten zien. Aan het begin van het schooljaar 2003–2004 is 20% van de geïndiceerde leerlingen (so en vso) geïntegreerd in het reguliere onderwijs.
| Tabel 1.10: Aantal leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (x 1000) op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren. | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs | 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil |
| Speciaal onderwijs | 31,6 | 33,1 | 33,6 | 34,0 | – 0,4 |
| Voortgezet speciaal onderwijs | 16,6 | 19,0 | 21,0 | 19,3 | 1,7 |
| Totaal | 48,2 | 52,1 | 54,6 | 53,3 | 1,3 |
| Ambulant begeleide leerlingen* | 9,4 | 10,4 | 12,5 | 9,9 | 2,6 |
*excl. visueel gehandicapte kinderen.
Bron: Cfi.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.11: Ingezette middelen leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (v)so (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | Realisatie 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (v)so | 455,4 | 538,1 | 595,7 | 516,4 | 79,3 |
Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs en door een hoger aantal leerlingen dan geraamd.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 19 maart 2003 | Voorhang ministeriële regeling betreffende de indicatiecriteria leerlinggebonden financiering (Gele Katern 19-03-2003, nr. 7). Kamerstuk 2002–2003, 28 819, nr. 1 |
| 17 april 2003 | Brief van de minister van OCW met de vierde voortgangsrapportage Leerlinggebonden Financiering. Kamerstuk 2002–2003, 27 728, nr. 58 |
| 12 juni 2003 | Brief van de minister van OCW over de uitkomsten van het onderzoek naar de plaatsingsproble- matiek in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Kamerstuk 2002–2003, 28 600 VIII, nr. 133 |
| 8 oktober 2003 | Brief van de minister van OCW over leerlinggebonden financiering. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0300828 |
| 17 oktober 2003 | Brief van de minister van OCW met afschrift van haar antwoord op de brief van het bestuur van de Comeniusstichting te Veghel rijksvergoeding materiële instandhouding ingeval van verbrede toelating. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0300857 |
| 19 december 2003 | Brief van de minister van OCW met de vijfde voortgangsrapportage Leerlinggebonden finan- ciering. Kamerstuk 2003–2004, 27 728, nr. 60 |
1.3.1.4 Weer samen naar school
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel van het Weer samen naar school-beleid is om zoveel mogelijk kinderen zorg op maat te bieden en hen in de gelegenheid te stellen hun schoolloopbaan in het basisonderwijs af te ronden. Basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs werken samen in samenwerkingsverbanden Weer samen naar school. Deze scholen maken gezamenlijk beleid ten aanzien van de wijze waarop zorg aan leerlingen wordt georganiseerd. Er zijn twee indicatoren waaruit afgeleid kan worden dat kinderen daadwerkelijk zorg op maat krijgen, het percentage scholen met een goede leerlingenzorg en de omvang van de wachtlijsten in het sbao.
Uit het onderwijsverslag 2003 blijkt een forse stijging van het aantal scholen dat een voldoende scoort op het terrein van de leerlingenzorg: maar liefst 74,2% van alle scholen scoort nu een voldoende. De doelstelling is dus al een jaar eerder ruimschoots gehaald.
De inspectie van het onderwijs heeft in 2003 opnieuw onderzoek verricht naar wachtlijsten in het speciaal basisonderwijs. Uit dit onderzoek blijkt dat er 229 leerlingen per 1 oktober 2003 op een wachtlijst stonden, per 1 oktober 2001 waren dat er nog 620. Ook het aantal samenwerkingsverbanden met een wachtlijst is in 2003 sterk afgenomen. In 2003 hadden 47 samenwerkingsverbanden een wachtlijst, in 2001 waren dat er nog 91.
| Tabel 1.12 Deelname aan het speciaal basisonderwijs | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Deelnamepercentage | 1999 | 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | 2003 |
| Landelijk gemiddeld | 3,26 | 3,23 | 3,23 | 3,25 | 3,22 |
| Maximum | 6,35 | 5,51 | 5,39 | 5,47 | 5.77 |
Bron: Cfi.
Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs is met 644 afgenomen, ook het aantal leerlingen in het regulier basisonderwijs is teruggelopen met 2353 leerlingen. Daarom is het landelijk deelnamepercentage per 1 oktober 2003 slechts licht afgenomen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De scholen zijn bekostigd conform de bestaande financieringssystematiek. In deze systematiek is een prikkel verwerkt die ertoe moet leiden dat basisscholen zoveel mogelijk zorg op maat bieden voor zoveel mogelijk leerlingen. Speciale scholen voor basisonderwijs krijgen een basisbekostiging op basis van 2% van het aantal leerlingen in het samenwerkingsverband. Als meer leerlingen naar de speciale school voor basisonderwijs worden verwezen, vloeit een deel van de zorgformatie van de basisscholen naar de speciale school voor basisonderwijs. Dat leidt ertoe dat basisscholen een financieel belang hebben om voor zoveel mogelijk leerlingen onderwijs op maat te bieden in het regulier onderwijs. Immers het verwijzen van leerlingen leidt tot vermindering van het zorgbudget voor basisscholen.
De stuurgroep WSNS+ ondersteunt samenwerkingsverbanden op een aantal specifieke terreinen, deze ondersteuning is in 2003 voortgezet. De ondersteuning heeft ertoe geleid dat de zorgcapaciteit van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs is vergroot.
Wegwerken en structureel voorkomen van wachtlijsten
Op grond van het gegeven dat er in een aantal samenwerkingsverbanden wachtlijsten voor toelating tot de school voor speciaal basisonderwijs zijn ontstaan, zijn in 2002 maatregelen genomen die moeten leiden tot het oplossen en structureel voorkomen van plaatsingslijsten. In 2003 is verder gegaan met deze maatregelen. De specifieke aanpak is gericht op het uitvoeren van 49 door samenwerkingsverbanden ingediende verbeterplannen. De inspanningen zijn hierbij gericht op het structureel oplossen van wachtlijsten.
Kwaliteit van het speciaal basisonderwijs
In 2002 heeft de inspectie van het onderwijs een eerste meting verricht van de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs. De inspectie kwam tot de conclusie dat er tekortkomingen zijn in met name het leerstofaanbod en de leerlingenzorg. Voor wat betreft het leerstofaanbod constateert de inspectie enerzijds dat dit verouderd is, anderzijds dat het niet of onvoldoende dekkend is voor de kerndoelen.
De onderwijsorganisaties, verenigd in WSNS+, hebben een specifiek ondersteuningsaanbod voor het speciaal basisonderwijs ontwikkeld. Het plan van aanpak WSNS+ voorziet in een aantal activiteiten, gericht op het vergroten van de onderwijskundige en organisatorische kwaliteiten in het speciaal basisonderwijs, uiteraard in samenhang en afstemming met de inhoudelijke ontwikkelingen binnen het samenwerkingsverband. Deze activiteiten zijn voortgezet in 2003.
Naast de extra investeringen in taal- en rekenonderwijs en het aanbod van de stuurgroep WSNS+, hebben alle samenwerkingsverbanden ook in 2003 een bedrag per leerling ontvangen (in totaal € 4 miljoen) gekregen om specifiek leerstofmateriaal voor de speciale school voor basisonderwijs aan te kunnen schaffen, voor taal en rekenen is inmiddels materiaal voor drie leerjaren beschikbaar.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.13: Ingezette middelen Weer samen naar school (v)so (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Weer samen naar school | 312,9 | 313,7* | 320,9 | 295,5 | 25,4 |
Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele component van het Weer samen naar school-beleid niet in dit realisatiecijfer opgenomen, maar bij de realisatie van de materiele instandhouding.
Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.
De Stuurgroep WSNS+ wordt door OCW gedurende twee jaren met in totaal € 6,8 miljoen gefaciliteerd.
Voor het uitvoeren van de specifieke aanpak wachtlijsten is totaal € 6,8 mln. beschikbaar voor de schooljaren 2002/2003 en 2003/2004.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 24 februari 2003 | Brief van de minister van OCW ter aanbieding van de vijfde voortgangsrapportage Weer Samen Naar School. Als bijlage is bij de voortgangsrapportage gevoegd: «Wachtlijsten speciaal basis- onderwijs 2002». Kamerstuk 2002 2003, 21 860, nr. 70 |
1.3.1.5 Onderwijs aan leerplichtige asielzoekers
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Asielzoekers in de leerplichtige leeftijd hebben net als alle andere kinderen recht op en plicht tot het volgen van onderwijs. Doel van het gevoerde beleid is gemeenten en scholen in staat te stellen door middel van een flexibele bekostigingssystematiek deze groep leerlingen die vaak niet aan het begin van een schooljaar instromen, toch in het eerste jaar van hun verblijf in Nederland onderwijs te bieden. Daartoe hebben in 2003 ongeveer 70 gemeenten middelen ontvangen ten behoeve van bijna 2000 asielzoekersleerlingen in het primair onderwijs.
In 2003 hebben scholen met een sterke groei van asielzoekersleerlingen circa 2000 fre's extra toegekend gekregen op basis van de «regeling aanvullende formatie asielzoekers».
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Ten behoeve van een flexibele bekostigingssystematiek voor de instroom van asielzoekers in het onderwijs, konden gemeenten en scholen beroep doen op een tweetal regelingen. Gemeenten kwamen op basis van de regeling «specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en voortgezet onderwijs 2002–2003» in aanmerking voor een specifieke uitkering als in de gemeente tenminste tien schoolgaande asielzoekers onderwijs volgden in het eerste jaar dat zij in Nederland verblijven. Scholen met een sterke groei van asielzoekersleerlingen konden in het schooljaar 2002–2003 een beroep doen op de «regeling aanvullende formatie asielzoekers», waarmee het ontbreken van achterstandsformatie in de groeiregeling wordt gecompenseerd.
Aangekondigd is dat in 2003 de specifieke uitkering structureel wordt geregeld. Hiertoe is in het afgelopen jaar het voorstel tot wijziging van de WPO, WEC en WVO tot opneming van een grondslag voor uitkeringen aan gemeenten in verband met de eerste opvang van vreemdelingen in het onderwijs in gang gezet. Tot de invoering van de wetswijziging wordt vanaf 2003 de uitkering toegekend op basis van de Financiële verhoudingswet. Inhoudelijk is de uitkering ongewijzigd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.14: Ingezette middelen onderwijs aan asielzoekers (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Onderwijs aan leerplichtige asielzoekers | 4,4 | 4,6 | 2,7 | 0,2 | 2,5 |
Het oorspronkelijk budget voor 2003 was € 5,4 miljoen. Bij nota's van wijziging is € 3,4 miljoen en € 1,7 miljoen ingeleverd in verband met een geraamde daling van het aantal asielzoekers.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
16 juni 2003 Brief van de minister van OCW over hoe het onderwijs is geregeld voor kinderen, inclusief ama's, in uitzetcentra. Kamerstuk 2002–2003, 25 828, nr. 24
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Brede scholen zijn lokale initiatieven. Gemeenten, scholen en instellingen beginnen aan brede scholen vanuit verschillende motieven, zoals het voorkomen van achterstanden van kinderen en het bieden van een sluitende dagindeling voor kinderen en hun ouders. Het doel van brede scholen is volgens de meeste gemeenten het vergroten van de ontwikkelingskansen van kinderen. Het doel van het rijksbeleid is dat betrokkenen bij brede scholen (bestuurders en uitvoerders van gemeenten, scholen en instellingen) de benodigde informatie kunnen vinden en krijgen over de ontwikkeling van brede scholen in het land, en een beeld krijgen van de knelpunten en good practices rondom deze ontwikkeling. Dit doel is in 2003 bereikt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De overheid voorziet in het uitzetten van onderzoeken en het verspreiden van de uitkomsten naar gemeenten en scholen. Daarnaast zou OCW in 2003 een evaluatieformat laten ontwikkelen door en voor gemeenten.
In 2003 is het evaluatieformat voor gemeenten ontwikkeld. Hiermee is gemeenten een instrument geboden waarmee ze de processen binnen hun brede scho(o)l(en) kunnen evalueren en knelpunten binnen hun bredeschoolontwikkeling kunnen opsporen en aanpakken. Het evaluatieformat is beschikbaar via www.bredeschool.nl. Deze website is in 2003 vernieuwd. Betrokkenen bij brede scholen kunnen hier – interactief – informatie vinden over onder andere good practices en knelpunten. Via de website is ook het businessplan multifunctionele accommodaties beschikbaar. Dit businessplan is in 2003 ontwikkeld ter ondersteuning van gemeenten bij beheer en exploitatie van brede scholen in multifunctionele accommodaties. Verder is in 2003 een drietal onderzoeken opgeleverd. In het Jaarbericht brede scholen 2003 is de stand van zaken met betrekking tot brede scholen in Nederland beschreven. Daaruit blijkt onder andere dat er inmiddels 500 brede scholen zijn. Gemeenten gebruiken dit jaarverslag om te zien waar zij staan ten opzichte van andere gemeenten.
«Combifuncties brede scholen» (Regioplan) is een onderzoek naar de behoefte aan combifuncties alsmede de kansen en knelpunten en de consequenties van combifuncties voor taak- en opleidingsprofielen. Uit dit onderzoek blijkt dat een aanzienlijk deel van het personeel in kinderopvang- en welzijnsinstellingen is geïnteresseerd in combifuncties en er behoefte aan heeft. Vanuit het onderwijs blijkt een minder grote behoefte, maar wel interesse. Hoe verder de samenwerking binnen de brede school is gevorderd, des te meer behoefte er ontstaat aan combifuncties. De meest voor de hand liggende combinatiefunctie is onderwijsassistent, leidster tussenschoolse opvang en leidster buitenschoolse opvang. De verschillende cao's vormen echter nog een knelpunt.
SCO-Kohnstamm heeft in «Brede basisscholen uitgelicht» onderzocht in welke verschijningsvormen de brede school in het basisonderwijs voorkomt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende doelen van brede scholen (leerlingdoelen versus intermediaire doelen) en tussen dimensies waarop brede scholen verschillen (doelgerichtheidsdimensie, integratiedimensie en gerichtheid op het bestrijden van onderwijsachterstanden).
Scholen en gemeenten kunnen hiermee ideeën opdoen wat zij belangrijk vinden in hún brede scho(o)l(en).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.15: Ingezette middelen brede scholen (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | Realisatie 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Brede scholen | 0,0 | 0,3 | 0,3 | 0,3 | 0,0 |
1.3.1.7 Nederlands onderwijs in het buitenland
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De Nederlandse overheid vindt het van belang dat als kinderen van Nederlandse staatsburgers in het buitenland terugkeren naar Nederland zij zo min mogelijk aansluitingsproblemen ondervinden. Daartoe wordt via de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland een subsidiebijdrage ter beschikking gesteld voor het instandhouden van voorzieningen voor Nederlandstalig primair onderwijs en/of Nederlandse taal en cultuur. Het onderwijs is gebaseerd op een door de St. NOB vastgesteld raamleerplan opgesteld op grond van Nederlandse weten regelgeving.
Er is een verschuiving waarneembaar van subsidieaanvragen voor Nederlandstalig basisonderwijs naar aanvragen voor voorzieningen Nederlandse taal en cultuur. Het onderwijs op afstand wordt verzorgd door twee aanbieders die aan alle eisen voldoen: de St. IVIO en Edufax.
De door de St NOB verrichte overige activiteiten met betrekking tot het beheer van Nederlands onderwijs in het buitenland worden tot tevredenheid uitgevoerd.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De overheid heeft de middelen ter beschikking gesteld. Zij heeft ook voorzien in voorzieningen voor ict ten behoeve van deze Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland. De onderwijsinspectie oefent op sobere wijze toezicht uit op de Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland en draagt zo bij tot een goede aansluiting met het onderwijs in Nederland. In voorkomende gevallen bemiddelt de inspectie bij problemen rond de toelating tot universitair onderwijs door autonome faculteiten.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.16: Ingezette middelen Nederlands onderwijs in het buitenland (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Raming | Verschil | |||
| 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Nederlands onderwijs in het buitenland | 11,5 | 12,2 | 12,4 | 14,0 | – 1,6 |
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beleidsinstrumenten die een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het onderwijs.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Kerndoelen zorgen voor duidelijkheid over het onderwijsaanbod en zorgen voor een goede inhoudelijke aansluiting op het voortgezet onderwijs. Zoals in de Wet op het primair onderwijs staat moeten de basisscholen de kerndoelen hanteren als doelstellingen die zij aan het eind van het basisonderwijs moeten bereiken. Een indicator voor de mate waarin de basisscholen de kerndoelen bij de onderwijsactiviteiten hanteren als doelstellingen, is het percentage scholen dat een leerstofaanbod heeft dat dekkend is voor de kerndoelen. Uit het Onderwijsverslag van de Inspectie over 2003 blijkt dat 91% van de scholen een leerstofaanbod heeft dat dekkend is voor de kerndoelen Nederlands en rekenen/wiskunde. Ten opzichte van voorgaande jaren zet de stijgende lijn duidelijk door. In 2003 heeft de Inspectie ook gegevens verzameld over de vakken geschiedenis en aardrijkskunde. Voor deze vakken geldt dat de afstemming op de kerndoelen minder dekkend is. Deze gegevens kunnen niet worden vergeleken met eerdere metingen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Geconstateerd is dat de kerndoelen niet alleen geactualiseerd moeten worden, maar ook verbetering behoeven. Het streven was om in het najaar van 2003 nieuwe kerndoelen voor het basisonderwijs in een Algemene Maatregel van Bestuur te publiceren.
De herziening van de kerndoelen is echter nog niet afgerond. In januari 2002 heeft de commissie herziening kerndoelen basisonderwijs, onder voorzitterschap van prof. W. Wijnen, de toenmalige staatssecretaris geadviseerd over de herziening. Dit advies is voorgelegd aan een groot aantal belanghebbenden. Uit deze consultatieronde bleek veel waardering voor het advies van de commissie Wijnen maar er werd ook een aantal risico's genoemd. Zo gaven de uitgevers bijvoorbeeld aan dat de leergebieden waarvoor geen kerndoelen waren geformuleerd, niet meer terug zouden keren in de methodes. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat scholen deze leergebieden ook niet meer zouden aanbieden. Naar aanleiding van de consultatieronde is de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) gevraagd een nieuw voorstel op te stellen dat recht doet aan het advies van de commissie Wijnen maar ook oog heeft voor de geconstateerde risico's. De SLO heeft haar advies inmiddels aangeboden aan de minister. Na een zorgvuldige weging van het advies en raadpleging van verschillende organisaties zal een voorstel voor herziening van de kerndoelen begin 2004 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In begroting 2003 is geen budget opgenomen voor de kerndoelen.
1.3.2.2 Groepsgrootte en kwaliteit
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Gebleken is dat grote groepen voor leraren een belemmering vormen om het onderwijs af te stemmen op de diversiteit tussen leerlingen. Beoogd is dan ook om leraren in staat te stellen het onderwijsaanbod beter af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van de leerlingen door middel van formatieverruiming in de onderbouw. Bij de inzet van formatie hebben scholen de keuze tussen:
• verkleining van groepen
• meer handen in de klas.
Leraren kunnen beter inspelen op verschillen tussen leerlingen als gewerkt wordt in kleinere groepen zo blijkt uit onderzoek (Universiteit van Twente, 2001).
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De doelstelling de formatietoekenning voor de onderbouw te verruimen naar 20 leerlingen per leraar werd reeds gehaald in augustus 2002. De gemiddelde groepsgrootte in de onderbouw is op 1 mei 2003 lager dan in alle voorgaande jaren. In mei 1995 bestond een onderbouwgroep gemiddeld uit 26.3 leerlingen. Acht jaar later blijkt de gemiddelde groepsgrootte met 3.1 leerling te zijn gedaald (tot 23.2). Vooral bij grote scholen (meer dan 400 leerlingen) is een daling van de groepsgrootte te zien. In oktober 2003 was de gemiddelde groepsgrootte in de onderbouw 21.1 leerling. Aan het einde van het schooljaar 2002–2003 heeft 65% leerlingengroepen minder dan 26 leerlingen. In 1995 was dat 42%.
In mei 2003 paste tweederde van de scholen «meer handen in de klas» toe. Door inzet van meer handen in de klas is de verhouding tussen het aantal personeelsleden en het aantal leerlingen lager dan de gemiddelde groepsgrootte. Er is sprake van een sterke toename van het aantal onderwijsassistenten, volgens het onderwijsverslag 70%.
Op driekwart van de scholen wordt de onderbouwformatie mede ingezet voor meer remedial teachers, vakleraren gymnastiek en muziek, zelfstandig lesgevende lio's. Het aantal scholen dat remedial teachers gebruikt, neemt wel af.
In het strategisch akkoord van het kabinet Balkenende I is het voorstel opgenomen om de oormerking van de groepsverkleining voor de onderbouw af te schaffen. Dit is sinds het begin van het schooljaar 2003/2004 het geval en dit betekent dat vanaf dat tijdstip de formatie ook kan worden ingezet voor de bovenbouw. Zestig procent van de scholen geeft aan de extra formatie ook in te zetten voor de bovenbouw. Het gaat vooral om intern begeleiders, remedial teachers, ict-coordinatoren en vakleraren gymnastiek. Meer handen in de klas komt in de bovenbouw op een kwart van de scholen voor.
Voor nadere informatie wordt verwezen naar de elfde (en laatste) voortgangsrapportage die kortgeleden aan de Tweede Kamer is toegezonden. Hierin zal uitvoerig worden gerapporteerd over de gegevens van de inspectie over de maanden mei en oktober 2003 en tevens over het onderzoek van NWO naar het effect van groepsverkleining op de prestaties van de leerlingen. De inspectie zal in de komende jaren via het onderwijsverslag jaarlijks rapporteren over de van belang zijnde gegevens.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.17: Ingezette middelen groepsgrootte en kwaliteit (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Groepsgrootte en kwaliteit | 326,5 | 487,8* | 631,0 | 558,9 | 72,1 |
*Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele component van het instrument groepsgrootte en kwaliteit niet in dit realisatiecijfer opgenomen, maar bij de realisatie van de materiele instandhouding.
Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 24 februari 2003 | Brief van de minister van OCW ter aanbieding van de tiende voortgangsrapportage Groepsgrootte en kwaliteit. Ook zijn bijgevoegd een rapport van de Accountantsdienst over de inzet van de groepsformatie en rapporten van het SCO-Kohnstamm instituut over leerlingvolgsystemen. Kamerstuk 2002–2003, 25 065, nr. 27 |
| 26 maart 2003 | Brief van de minister van OCW met reactie op de vragen en opmerkingen vanuit de fracties ten behoeve van het schriftelijk overleg inzake de tiende voortgangsrapportage groepsgrootte en kwaliteit. Kamerstuk 2002–2003, 25 065, nr. 27 |
| 31 maart 2003 | Brief van de minister van OCW met de reactie naar aanleiding van de motie van PvdA, D66, SP en LPF (28 729 nr. 6) over een extra meting van de groepsgrootte. Kamerstuk 2002–2003, 25 065, nr. 28 |
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met behulp van leerlingvolgsystemen kunnen scholen de individuele vorderingen en ontwikkelingen van alle leerlingen systematisch bepalen en bij de inrichting van het onderwijsproces rekening houden met de verschillen die er zijn tussen leerlingen. Dit draagt bij aan het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs.
De overheid streeft ernaar dat alle scholen een leerlingvolgsysteem hanteren. Uit onderzoek (SCO-Kohnstamm, 2002) is bekend dat vrijwel alle scholen een administratie voeren van vorderingen van leerlingen. Zij gebruiken daarbij verschillende systemen. De Inspectie van het Onderwijs constateert in het Onderwijsverslag over 2003 dat zij op 90% van de scholen het niveau van de opbrengsten tijdens de basisschoolperiode kan vaststellen. Dit is een duidelijke vooruitgang ten opzichte van 1999 toen dat nog maar op de helft van de scholen mogelijk was.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om bovengenoemd doel te bereiken faciliteert de overheid de ontwikkeling van leerlingvolgsystemen door de Citogroep. Op dit moment wordt, in opdracht van het ministerie van OCW, door de Citogroep een geautomatiseerd leerlingvolgsysteem ontwikkeld. Dit systeem stelt scholen in staat het onderwijs zo zorgvuldig mogelijk aan te laten sluiten op de behoeften van leerlingen. De ontwikkeling van dit systeem verloopt volgens planning en zal in schooljaar 2005–2006 worden afgerond. Inmiddels zijn enkele modules beschikbaar.
In de begroting 2003 is nog sprake van het gebruik van een verplichte begintoets om de vorderingen van individuele leerlingen vast te stellen. Vele scholen maken reeds gebruik van toetsen in de onderbouw om de vorderingen van leerlingen in beeld te brengen. Het is niet noodzakelijk om voor deze functie een begintoets verplicht te stellen. Met de Tweede Kamer is tijdens de begrotingsbehandeling 2004 afgesproken dat er geen verplichte uniforme begintoets voor het basisonderwijs wordt geïntroduceerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.18: Ingezette middelen leerlingvolgsystemen (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | Realisatie 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Leerlingvolgsystemen | 1,1 | 3,8 | 1,9 | 1,4 | 0,5 |
De kosten die in de begroting 2003 zijn opgenomen voor het laten ontwikkelen van het geautomatiseerde leerlingvolgsysteem zijn voor dit doel ingezet.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In de Wet op het primair onderwijs is voldoende onderwijstijd gedefinieerd als 7520 uren gedurende acht jaar. Uit inspectiegegevens blijkt dat ruim 98% van de scholen voldoende onderwijstijd plant. Het belang van voldoende onderwijstijd noemt de inspectie onomstreden.
Internationaal gezien programmeert Nederland veel onderwijstijd. Voldoende onderwijstijd is een noodzakelijke voorwaarde om een ieder optimaal in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op onze kennisintensieve samenleving. Tegelijk meldt de inspectie dat de onderwijstijd onder druk staat en dat scholen, vooral in de grote steden, naar mogelijkheden zoeken om organisatorische en personele knelpunten via aanpassingen van het rooster op te lossen. De vraag van scholen om meer wettelijke ruimte daarbij, is meegenomen in het voorstel flexibilisering schooltijden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In een brief van 2 september 2003 is een voorstel voor flexibilisering van de schooltijden naar de Tweede Kamer verstuurd. Doel van dit voorstel is dat scholen meer ruimte en verantwoordelijkheid krijgen om een rooster te plannen dat optimaal aansluit bij de eigen situatie. De voorgestelde flexibilisering vindt binnen een bandbreedte plaats. Zo blijft het minimum aantal uren over acht leerjaren gehandhaafd op 7520 uren.
In 2004 wordt het wetsvoorstel flexibilisering schooltijden aan de Tweede Kamer aangeboden.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In de begroting 2003 is geen budget opgenomen voor de schooltijden.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 3 juni 2003 | Brief van de minister van OCW met een afschrift van het antwoord op de brief van de Hervormde basisschool De Triangel inzake flexibilisering van de schooltijden. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300416. |
| 2 september 2003 | Brief van de minister van OCW met voorstel tot flexibilisering van de schooltijden in het (speciaal) basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Kamerstuk 2002–2003, 29 029, nr. 1 |
1.3.2.5 Verhogen zwemvaardigheid
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Er ontstaan nog te veel onveilige situaties door onvoldoende zwemvaardigheid bij kinderen. Daarom is beleid ontwikkeld om de zwemvaardigheid onder kinderen in de basisschoolleeftijd te verhogen. Uit onderzoek in 1997 bleek dat ongeveer 85% van de leerlingen het basisonderwijs verlaat met een zwemdiploma. Doel van het beleid is dat in 35 gemeenten waar de zwemvaardigheid onder jongeren het slechtst is, het percentage kinderen dat de basisschool verlaat met een zwemdiploma in 2004 gestegen is tot 95% of hoger. Om dat te bereiken ontv(i)angen deze gemeenten in 2002, 2003 en 2004 een specifieke uitkering.
Begin 2003 is aan de deelnemende gemeenten een format ter beschikking gesteld om te rapporteren over de activiteiten in 2002. In dat jaar hebben de gemeenten plannen ontwikkeld om tot verhoging van de zwemvaardigheid te komen, voor de opzet van een registratiesysteem en voor het geven van voorlichting aan ouders van zeer jonge kinderen. In 2004 rapporteren de deelnemende gemeenten over de activiteiten en resultaten in 2003. Dan zal blijken of de maatregelen die de gemeenten hebben getroffen leiden tot een zwemvaardigheid onder kinderen van 95% of hoger.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 is aan de 35 gemeenten die deelnemen aan de uitvoering van het Plan van aanpak zwemvaardigheid voor de tweede keer de doeluitkering voor verbetering zwemvaardigheid uitgekeerd. Ook is het ondersteuningstraject opgestart. Het ondersteuningstraject wordt uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor Bewegen en Sport (NISB), het Nederlands Instituut voor Lokale Sport en Recreatie (LC) en de Nationale Raad Zwemdiploma's (NRZ) en bestaat vooral uit rapportageactiviteiten en de zorg voor informatie-uitwisseling. In 2003 zijn enkele informatiebijeenkomsten gehouden voor gemeenteambtenaren die betrokken zijn bij het traject tot verbetering van de zwemvaardigheid. Het informatiegehalte van deze bijeenkomsten werd zeer gewaardeerd door de deelnemers.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.19: Ingezette middelen verhogen zwemvaardigheid (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | Realisatie 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Verhogen zwemvaardigheid | 0 | 4,3 | 5,3 | 4,5 | 0,8 |
De kosten van de doeluitkering aan gemeenten en het ondersteuningstraject zijn in 2003 binnen het beschikbare budget gebleven.
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beleidsinstrumenten die bijdragen aan een goede toerusting van scholen in het primair onderwijs.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De overheid draagt zorg voor afdoende middelen zodat scholen in staat zijn om voldoende en kwalitatief goed onderwijspersoneel aan te stellen en te behouden. Het beleid in het primair onderwijs richt zich op twee zaken. Allereerst krijgen scholen via het regulier bekostigingssysteem middelen om voldoende onderwijspersoneel aan te kunnen stellen op hun eigen school. Daarnaast ontwikkelt het ministerie beleid waarmee de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit gewaarborgd wordt. Dit beleid is zowel gericht op het oplossen van knelpunten op korte termijn (tekorten) als op structurele personeelsvoorziening. Voor openstaande vacatures zie de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, paragraaf 1.2.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Iedere school en regionaal expertisecentrum heeft recht op een bepaald aantal formatierekeneenheden. Dit aantal wordt lineair gebaseerd op het aantal leerlingen en leerlingkenmerken als de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen. De formatie is toegekend op basis van de leerlingtellingen van 1 oktober in het vorige schooljaar. Met deze formatierekeneenheden kunnen schoolbesturen personeel aanstellen. De school kan zelf beslissen welke samenstelling van personeel men wil. De precieze opbouw van deze vergoeding is nader uitgewerkt in de Formatiebesluiten WPO en WEC.
Daarnaast ontvangen scholen voor primair onderwijs een schoolbudget. Dit budget is eveneens gebaseerd op leerlingaantallen en leerlingkenmerken.
a) Voldoende onderwijspersoneel voor het primair onderwijs
Via drie sporen heeft het ministerie van OCW scholen in staat gesteld voldoende onderwijspersoneel te behouden en te werven:
• Met het verhogen van de aantrekkelijkheid van het onderwijsberoep door een imagocampagne, het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden en het stimuleren van functiedifferentiatie, moet het voor scholen makkelijker worden om zittend personeel te behouden en nieuw personeel aan te stellen. Voor de resultaten zie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraaf 1.2.1.
• Daarnaast schept het ministerie randvoorwaarden waardoor mensen die niet in het onderwijs werken, het beroep in willen stromen. Dit kunnen zij-instromers of herintreders zijn. Voor het aantal herintreders is geen streefwaarde vastgesteld: zolang er mensen met een onderwijsbevoegdheid die niet (meer) in het onderwijs werken uit de zogenaamde «stille reserve» geworven kunnen worden, is het geven van de cursus herintreders gewenst. In 2003 zijn 410 cursisten ingeschreven bij de verschillende hogescholen. Voor zij-instromers is tot en met 2007 een streefwaarde opgenomen voor primair onderwijs van 400 instromende personen per jaar. Op 1 januari 2003 werkten in het primair en voortgezet onderwijs ongeveer 1500 zij-instromers (Bron: ITS, Aandachtsgroepenmonitor). Zie voor nadere informatie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraaf 1.2.2.
• Het beperken van de uitstroom van onderwijspersoneel is de derde methode om voldoende onderwijspersoneel te behouden voor de onderwijssector. Dit gebeurt door het ziekteverzuim terug te dringen, maar ook door beleid te richten op ouderen die in het onderwijs werkzaam zijn en door het mogelijk maken van het verzilveren van de adv-regeling. Zie voor nadere informatie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraaf 1.2.2.
In beleidsartikel 9 (onderwijspersoneel) en de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid worden deze maatregelen verder besproken.
Box 1: Project (Team)Onderwijs op maat
Binnen het TOM-project hebben de deelnemende scholen de vrijheid gekregen om TOM op een schooleigen wijze tot ontwikkeling te brengen en vorm te geven. Uit de eindrapportage blijkt dat alle scholen bezig geweest zijn met het vormgeven van onderwijs op maat. Zij richten zich hierbij bijvoorbeeld op zelfstandig werken, doorlopende leerlijnen, fasenonderwijs, groepen in plaats van klassen, flexibele groepen of het hergroeperen van leerlingen. Gedurende het TOM-project is men meer in de gelegenheid geweest om recht te doen aan individuele verschillen, om andere vormen te hanteren om leerlingen te groeperen, en om meer groepsoverstijgend te werken. Alle aan het TOM-project deelnemende scholen hebben meer breedte en diversiteit in functies gekregen. Daarbij gaat het om onderwijsondersteunend personeel, om unitleiders, incidenteel om Melkertbanen, secretariële ondersteuning, zij-instromers, technici, kunstenaars en andere rollen en functies. Vrijwel alle scholen werken met medewerkers in één van de onderwijsondersteunende functies. Tevens meldt ruim de helft van de scholen dat gedurende het TOM-project de onderwijsassistenten en andere onderwijsondersteunende personeelsleden steeds meer gewaardeerd worden om hun functie in de school.
Zij zijn meer als volwaardig teamlid beschouwd. Ook zijn taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in de loop van de tijd duidelijker geworden.
Door een aantal scholen wordt specifiek aangegeven dat het door functiedifferentiatie mogelijk wordt om onderwijskundige ontwikkelingen vorm te geven en zo goed mogelijk bij leerlingen aan te sluiten.
Bijna de helft van de scholen vermeldt dat de inzet van de onderwijsassistent daaraan bijdraagt. Het werken en leren in teams is één van de grootste veranderingen die TOM met zich meebrengt. Gedurende het TOM-project op de scholen ervaren betrokkenen dat het accent komt te liggen op andere, vaak nieuwe competenties.
Bij vertrouwen in en ruimte voor leraren hoort ook dat zijzelf meer verantwoordelijkheden krijgen als het gaat om hun professionaliteit. OCW heeft het Samenwerkingsorgaan Beroepskwaliteit Leraren (SBL), gevraagd bekwaamheidseisen op te stellen voor onder andere het beroep van leraar. De grondslag voor deze rol van de beroepsgroep is neergelegd in de Wet op de beroepen in het onderwijs (Wet BIO). Zie ook de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, paragraaf 1.2.3.
De diversiteit van de beroepsgroep wordt steeds meer vergroot doordat gemotiveerde en gekwalificeerde mensen langs verschillende wegen in het onderwijs stromen. De nieuwe groepen die zo de school inkomen – zoals bijvoorbeeld zij-instromers, herintreders, lio-ers en onderwijsassistenten – moeten voor een belangrijk deel worden opgeleid op de werkplek. Dat vraagt om meer aandacht voor het opleiden in en door de school en om structurele inbedding van de «opleidingsfunctie» in het integraal personeelsbeleid van de school. Maar opleiden-in-de-school is ook een logische ontwikkeling: mensen willen leren op een manier die bij hen past (leerstijlen, op basis van verworven competenties).
Aan het ontwikkelproject in het primair onderwijs dat in 2002 gestart is en loopt tot 2004, doen 111 besturen mee (ongeveer 350 scholen). Binnen het project werken scholen samen met elkaar en met (leraren)opleidingen de opleidingsfunctie in de school vorm te geven. Dit houdt in dat verschillende varianten mogelijk zijn. Zie ook de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, paragraaf 1.2.3.
Om scholen de mogelijkheid te geven hun personeelsbeleid af te stemmen op de specifieke situatie van de school ontvangen zij een vrij besteedbaar schoolbudget. Voor nadere informatie zie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraag 1.2.2.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.20: Ingezette middelen personeel (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | Realisatie 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Onderwijspersoneel | 3 740,4 | 4 016,6 | 4 178,0 | 3 887,5 | 290,5 |
Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
Zie overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De rijksoverheid stelt gemeenten door een uitkering in het Gemeentefonds in staat zorg te dragen voor deugdelijke huisvesting van scholen voor primair en voortgezet onderwijs, die voldoet aan te stellen kwaliteitscriteria. Het streefbeeld is dat alle scholen in staat worden gesteld leerlingen te huisvesten in deugdelijke gebouwen die voldoen aan de gestelde kwaliteitscriteria voor goed onderwijs. De monitor huisvesting 2002 geeft aan dat gemeenten in 2002 minder aan onderwijshuisvesting hebben uitgegeven dan het fictief budget onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. Een verklaring hiervoor is dat gemeenten de meeste uitgaven voor 2002 al in het najaar van 2001 hebben vastgesteld, terwijl de definitieve – en als gevolg van extra investeringen door het Rijk hogere – gemeentefondsuitkering in maart 2003 bekend is gemaakt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2002 heeft het kabinet extra geld ter beschikking gesteld voor een extra investeringsimpuls voor de scholenbouw. Met deze impuls is het mogelijk om aanpassingen van schoolgebouwen aan onderwijskundige vernieuwingen vorm te geven.
In augustus 2003 heeft de VNG de tweede fase van de aanpassing van de modelverordening huisvestingsvoorzieningen opgeleverd. De modelverordening bevat de ruimtelijke en financiële normen en toewijzingscriteria voor schoolgebouwen. De wijzigingen in de eerste fase hadden betrekking op het primair onderwijs. De tweede fase richt zich op het voortgezet onderwijs. De nieuwe ruimtenormering betekent substantieel meer m2 voor de scholen. Naast extra vierkante meters voor het avo-onderwijs, betekent de nieuwe normering vooral meer ruimte ten behoeve van het vmbo en het praktijkonderwijs.
Monitor decentralisatie huisvesting 2002
In 2002 is opnieuw de periodieke enquête onder alle gemeenten gehouden. In deze enquête wordt gekeken naar het financiële aspecten, en naar de wijze waarop de gemeenten omgaan met aanvragen rond onderwijshuisvesting. De komende jaren zal er financieel gemonitord worden om te kijken hoe de uitgaven van gemeenten zich ontwikkelen. Tevens is afgelopen jaar gekeken naar de hoeveelheid nieuwe investeringen van gemeenten in schoolgebouwen.
De afgelopen jaren zijn voorzieningen in de huisvesting toegekend aan eenderde van de scholen voor primair onderwijs en aan 45% van de scholen in het voortgezet onderwijs. In drie jaar tijd (2000–2002) hebben gemeenten in totaal € 593 miljoen verplicht. Hiervan heeft € 353 miljoen betrekking op voorzieningen als uitbreiding van de capaciteit van het gebouw, vervanging van bestaande gebouwen en verbetering van de functionele kwaliteit. Uit de meest recente rapportage blijkt dat gemeente hierin eigen keuze maken, toegesneden op de lokale situatie. En dat gemeenten actief zijn op het terrein van de onderwijshuisvesting en aangeven dat ook de komende tij te blijven doen. Gelet op deze uitkomsten ligt het in de verwachting dat de onderwijskundige vernieuwingen de komende jaren gestalte zullen krijgen en dat de schoolgebouwen hierop worden aangepast.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Middelen voor onderwijshuisvesting staan niet op de OCW-begroting, maar worden via een uitkering in het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar gesteld.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 2 december 2003 | Brief van de minister van OCW met de aanbieding van de rapporten over monitoring decentralisatie huisvesting PO en VO. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0301081 |
1.3.3.3 Materiële vergoedingen
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
OCW verstrekt schoolbesturen een vergoeding voor materiële instandhouding, die gebaseerd is op programma's vaneisen. Het doel van deze vergoeding is scholen in staat te stellen docenten en leerlingen een goed onderhouden, schone, eigentijdse werkomgeving te bieden, moderne effectieve leermethoden aan te schaffen en in alle materiele randvoorwaarden op adequate wijze te voorzien. Hierdoor worden de scholen in staat gesteld onderwijs te verzorgen dat voldoet aan de kerndoelen en de criteria van goed onderwijs. Het streefbeeld is de vergoeding op een niveau te houden c.q. te brengen, waardoor schoolbesturen bovengenoemde doelstellingen kunnen realiseren.
Of de scholen de beoogde doelen bereiken, wordt gemeten in:
• de 5-jaarlijkse evaluatie van de programma's van eisen (2001–2006). De staat van het onderhoud en de mate waarin scholen voldoen aan de arbo-eisen, maken hier onderdeel van uit. Deze evaluatie meet of de vergoeding kostendekkend is;
• de 2,5-jaarlijkse evaluatie van de schoonmaak (2002–2005). Het percentage scholen waarvan toiletten, lokalen en verkeersruimten schoon zijn, dient als indicator;
• de jaarlijkse meting van de inspectie naar de leermiddelen. Als indicator wordt het percentage scholen gebruikt waarvan de leermiddelen voor taal en rekenen, en eventueel nader vast te stellen vakken, voldoen aan de gestelde eisen.
Het percentage scholen dat voor de vakken Nederlandse taal en rekenen en wiskunde een leerstofaanbod heeft dekkend voor de kerndoelen, is in 2003 91,4%. De evaluaties van de schoonmaak en de programma's van eisen verschijnen in respectievelijk 2005 en 2006.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 zijn de vergoedingen voor materiële instandhouding aan schoolbesturen verstrekt op basis vande programma's van eisen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.21: Ingezette middelen materieel (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | Realisatie 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Materiële vergoedingen | 779,4 | 779,2* | 781,1 | 769,1 | 11,9 |
*Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele vergoeding niet verdeeld opgenomen. In dit jaarverslag is de materiele vergoeding voor de gewichtenregeling, groepsgrootte en kwaliteit en het weer samen naar school-beleid opgenomen in de realisatiecijfers van deze instrumenten.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 4 april 2003 | Brief van de minister van OCW met antwoorden op vragen van enkele fracties tijdens het schrifte- lijk overleg over het rapport onderzoek schoon- maakkwaliteit primair onderwijs. Kamerstukken 2002–2003, 28 600 VIII, nr. 121 |
| 6 oktober 2003 | Brief van de minister van OCW met de program- ma's van eisen voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging voor het jaar 2004. Kamerstuk 2003–2004, 29 245, nr. 1 |
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Modern onderwijs kan niet meer zonder ict en de vele mogelijkheden van het internet. De internetvoorziening is een grote stimulans geweest voor het gebruik van ict in het onderwijs. De afgelopen jaren is daartoe extra geïnvesteerd in het onderwijs en hebben de scholen gebruik kunnen maken van een centrale voorziening via de overeenkomst dienstverlening tussen OCW en nl.tree. In december 2002 is in overleg met de Tweede Kamer besloten om deze overeenkomst na 31 december 2003 niet te verlengen. Scholen krijgen vanaf 1 januari 2004 de mogelijkheid om zelf een contract af te sluiten met een internetprovider.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 is door de stichting Kennisnet en de stichting Ict op school hard gewerkt aan de realisatie van de centrale voorzieningen. Op www.ispwijzer.nl kunnen scholen veel informatie vinden over internetvoorzieningen en zijn tools beschikbaar om hen te helpen bij het maken van hun keuzes.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De middelen voor ict worden door middel van de materiële vergoeding beschikbaar gesteld (zie onderdeel materiële vergoedingen).
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om het overblijven op scholen te verbeteren is in 2003 opnieuw geïnvesteerd in het opleiden van overblijfkrachten. Doel was het verder professionaliseren van de tussenschoolse opvang door het vergroten van de deskundigheid van de overblijfkrachten. In totaal zijn er ruim 7000 overblijfkrachten opgeleid. De doelstelling is hiermee bereikt. Ander doel van het beleid was het bundelen en verspreiden van ervaringen van scholen met tussenschoolse opvang. Ook dit doel is bereikt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Bij de begrotingsbehandeling 2003 van OCW en SZW zijn amendementen aangenomen voor het opleiden van overblijfkrachten. In totaal ging het om een bedrag van € 4 miljoen. Via een tweetal regelingen (in juni en oktober) zijn schoolbesturen in de gelegenheid gesteld deze middelen aan te vragen voor het opleiden van hun overblijfkrachten. Naast de regelingen zouden goede voorbeelden van tussenschoolse opvang in kaart worden gebracht en worden verspreid. In 2003 is het boekje «Brood op school» verschenen. In dit boekje zijn voorbeelden beschreven van scholen met tussenschoolse opvang. Het boekje is naar alle scholen voor primair onderwijs gestuurd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.22: Ingezette middelen tussenschoolse opvang (x € 1 miljoen) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Tussenschoolse opvang | 3,8 | 5,0 | 2,0 | 3,0 |
Na miljoenennota 2003 hebben de ministeries van VWS en SZW, €1,0 miljoen respectievelijk € 2,0 miljoen overgeboekt. Hierdoor was er in 2003 totaal € 5,0 miljoen beschikbaar voor tussenschoolse opvang.
In totaal zijn er middelen aangevraagd voor het opleiden van ruim 7000 overblijfkrachten door middel van een korte cursus en 200 voor (deelkwalificaties voor) een beroepsgerichte opleiding.
Het boekje «Brood op school» is binnen het beschikbare budget ontwikkeld, vormgegeven, geproduceerd en verspreid.
1.3.3.6 Bestuurlijke krachtenbundeling
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel van bestuurlijke krachtenbundeling (bkb) is het bevorderen van de bestuurlijke samenwerking tussen scholen in het primair onderwijs en daarmee de bestuurs- en managementkracht van deze scholen. Hiertoe is in 1997 de stimuleringsregeling bkb geïntroduceerd vanuit de overweging dat een gerichte versterking van de bestuurs- en managementkracht een voorwaarde is om in het primair onderwijs stappen richting meer autonomie te kunnen. Een essentiële schakel in dit proces was en is de invoering van lumpsumbekostiging. Sinds de invoering van de stimuleringsregeling in 1997 is de reikwijdte gestaag toegenomen. Per 1 augustus 2003 maakt ruim 53% van de schoolbesturen, al dan niet in samenwerking met andere besturen, gebruik van de regeling. Deze besturen vertegenwoordigen bijna 80% van de scholen, leerlingen en fte's. Ten opzichte van 2002 is sprake van een stabilisatie in het bereik van de regeling. Van de stimuleringsregeling is een duidelijke impuls uitgegaan naar de versterking van de bestuurs- en managementkracht. Deze heeft zich dusdanig ontwikkeld dat per 1 augustus 2006 de stap naar invoering van lumpsum verantwoord kan worden gezet. De beoogde doelstelling van de bkb-regeling wordt daarmee gerealiseerd. In dit licht eindigt de stimuleringsregeling per 1 augustus 2004. In 2004 vindt een afrondende kwalitatieve eindevaluatie van het effect van de regeling plaats.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het stimuleren van bestuurlijke samenwerking en krachtenbundeling tussen scholen vond in 2003 evenals in het jaar 2002 in ca. 500 gevallen plaats door middel van een jaarlijkse bijdrage.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.23: Ingezette middelen bestuurlijke krachtenbundeling (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Bestuurlijke krachtenbundeling | 30,0 | 30,7 | 35,8 | 35,1 | 0,7 |
Box 2: Invoering lumpsumfinanciering in het primair onderwijs
Om scholen meer bestedingsvrijheid te geven wordt lumpsumfinanciering in het primair onderwijs ingevoerd. Met deze manier van financiering worden scholen in staat gesteld voldoende personeel aan te stellen en rekening te houden met de eigen specifieke omstandigheden. De verwachting is dat een grotere bestedingsvrijheid, meer autonomie, leidt tot een betere personele toerusting van scholen. In het kader van de deregulering en de autonomievergroting is in 2003 de voorbereiding voor de invoering van lumpsum in het primair onderwijs van start gegaan. In 2002 waren reeds de uitgangspunten en randvoorwaarden geformuleerd. Op basis daarvan heeft in de eerste helft van 2003 een doorlichting van de bekostigingsprocessen en systemen plaatsgevonden. Zorgvuldige invoering van lumpsumbekostiging bleek alleen mogelijk als voldoende tijd wordt ingeruimd voor de aanpassing van deze processen en systemen. Daarop is besloten te starten met pilots per 1 januari 2004 en lumpsum voor de hele sector per 1 augustus 2006 in te voeren. Dit is verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van juni 2003 (brief d.d. 11 juni 2003, betreffende lumpsum primair onderwijs, 28 600 VIII nr. 132) en besproken in het overleg met de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.In de tweede helft van 2003 zijn de bestuurlijke randvoorwaarden (zeggenschap en medezeggenschap) nader uitgewerkt, is het bekostigingsstelsel inclusief de overgangsregeling vormgegeven, is het flankerend beleid voorbereid en zijn met de pilotscholen afspraken gemaakt over de start van de pilots per 1 januari 2004. Bij de behandeling van de wet verruiming bestedingsvrijheid (die de wettelijke basis biedt voor de pilots lump sum) heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen, waardoor per 1 augustus 2004 de personele middelen ook aan materiële zaken kunnen worden besteed (ontschotting budgetten).
1.3.3.7 Schoolbegeleidingsdiensten
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De schoolbegeleidingsdiensten bieden scholen ondersteuning bij het invoeren van onderwijsvernieuwingen en het oplossen van problemen die zij ondervinden in het onderwijsleerproces. De hulp kan zowel leerlingbegeleiding als systeembegeleiding zijn. Ook in 2003 konden alle scholen in Nederland de ondersteuning van een schoolbegeleidingsdienst inroepen. In het kader van de verdere professionalisering van scholen is het beleid erop gericht om scholen meer ruimte te geven het eigen beleid te laten aansluiten bij de specifieke omstandigheden. Voor de schoolbegeleidingsdiensten heeft dit een omlegging van geldstromen tot gevolg. Het voornemen van het kabinet was om vanaf 1 augustus 2003 het huidige rijksbudget voor de schoolbegeleidingsdiensten rechtstreeks aan de scholen uit te keren. Dit voornemen is niet gerealiseerd. In een brief van 31 oktober 2003 zijn de achtergronden hiervan toegelicht. Met de betrokken organisaties is afgesproken om de invoering van de vraagfinanciering schoolbegeleiding per 1 januari 2005 wettelijk vast te leggen. Invoering geschiedt in drie stappen. De eerste stap, waarin scholen 25% van het begeleidingsbudget vrij kunnen besteden wordt genomen per 1 augustus 2005. Vanaf 1 januari 2008 is er dan 100% bestedingsvrijheid voor scholen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 is aan alle gemeenten een specifieke uitkering verstrekt om hun zorgplicht voor instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst te kunnen realiseren. De hoogte van de specifieke uitkering wordt gebaseerd op de leerlingenaantallen op 1 oktober 1996. Er is een groeiregeling voor gemeenten waarin het aantal leerlingen sterk toeneemt.
Verder is er overleg gevoerd met de betrokken instellingen en de Tweede Kamer is geïnformeerd over de voortgang van de plannen met betrekking tot de vraagfinanciering schoolbegeleiding.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1.24: Ingezette middelen schoolbegeleidingsdiensten (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | Realisatie 2002 | 2003 | Raming 2003 | Verschil | |
| Schoolbegeleidingsdiensten | 54,7 | 57,2 | 59,4 | 59,0 | 0,4 |
Voor de invoering van de vraagfinanciering schoolbegeleiding is in de loop van 2003 overleg gevoerd over de hoogte van de hiermee gepaard gaande kosten. In eerder genoemde brief is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen
| 31 oktober 2003 | Brief van de minister van OCW over invoering vraagfinanciering schoolbegeleiding primair onderwijs. Kamerstuk 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 18 |
1.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 1.25: Budgettaire gevolgen van beleid primair onderwijs (artikel 1 en 2) (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 6 291 033 | 6 874 631 | 7 275 972 | 7 076 526 | 199 466 | ||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 30 000 | 0 | 30 000 | ||
| Uitgaven | 6 290 075 | 6 876 991 | 7 245 233 | 6 214 983 | 1 030 250 | ||
| Toegankelijkheid | 1 348 675 | 1 486 284 | 1 536 829 | 558 818 | 114 333 | ||
| • Onderwijsachterstandenbeleid | 491 792 | 539 930 | 524 446 | 517 915 | 6 531 | ||
| • OALT | 64 686 | 69 214 | 72 775 | 70 265 | 2 510 | ||
| • Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis | 455 366 | 538 127 | 595 700 | 516 380 | 79 320 | ||
| • WSNS | 312 941 | 313 733 | 320 919 | 295 542 | 25 377 | ||
| • Asielzoekers | 4 358 | 4 606 | 2 708 | 248 | 2 460 | ||
| • Onderwijs in het buitenland | 11 460 | 12 229 | 12 371 | 14 041 | – 1 670 | ||
| • Brede school | 0 | 285 | 309 | 300 | 9 | ||
| • Overig | 8 072 | 8 161 | 7 601 | 7 805 | – 204 | ||
| Kwaliteit | 335 419 | 498 239 | 644 981 | 570 468 | 74 513 | ||
| • Kerndoelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| • Groepsgrootteverkleining van de onderbouw | 326 456 | 487 777 | 631 002 | 558 818 | 72 184 | ||
| • Leerlingvolgsystemen | 1 102 | 3 830 | 1 909 | 1 363 | 546 | ||
| • Schooltijden | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| • Schoolzwemmen | 0 | 4 355 | 5 255 | 5 538 | – 283 | ||
| • Overig | 7 861 | 2 277 | 6 815 | 4 749 | 2 066 | ||
| Toerusting | 4 605 981 | 4 892 468 | 5 063 423 | 5 085 697 | – 22 274 | ||
| • Personeel | 3 740 361 | 4 016 570 | 4 177 978 | 3 887 482 | 290 496 | ||
| • Materiële vergoedingen | 779 436 | 779 184 | 781 094 | 769 148 | 11 946 | ||
| • Bestuurlijke krachtenbundeling | 29 990 | 30 719 | 35 792 | 35 116 | 676 | ||
| • Tussenschoolse opvang | 0 | 3 753 | 4 954 | 2 000 | 2 954 | ||
| • Schoolbegeleidingsdiensten | 54 729 | 57 212 | 59 383 | 59 017 | 366 | ||
| • Overig (raming incl. voorcalc.uitd.) | 1 465 | 5 030 | 4 222 | 332 934 | – 328 712 | ||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
3.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het hoofddoel van het voortgezet onderwijs is leerlingen in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 à 18 jaar het voor hen hoogst haalbare en meest passende onderwijsdiploma te laten halen waarmee ze recht hebben op toegang tot het vervolgonderwijs en voorbereid worden op het bereiken van een volwaardige arbeidsplaats in de samenleving.
Om dit hoofddoel te blijven realiseren is het stelsel van voortgezet onderwijs het afgelopen decennium grondig vernieuwd door meerjarige innovaties en systeemaanpassingen zoals basisvorming, vmbo en tweede fase havo/vwo.
Paragraaf 3.2 geeft aan tot welke effecten dat beleid in 2003 heeft geleid op stelselniveau, paragraaf 3.3 gaat in op effecten/stand van zaken van afzonderlijke beleidstrajecten.
Onder de toegankelijkheid van het onderwijs verstaan we de mate waarin kinderen toegang hebben tot het voortgezet onderwijs. De 675 scholen zijn gehuisvest in ruim 2500 gebouwen (schatting).
Daarmee wordt bereikt dat elke leerling een school (gebouw) van de gewenste onderwijssoort in zijn/haar omgeving aantreft.
Aanbod en spreiding mogen geen belemmering vormen voor de deelname aan het onderwijs. Alle leerlingen in genoemde leeftijdscategorie moeten een plaats kunnen vinden in het stelsel voortgezet onderwijs. Vandaar dat dit fijnmazig is opgezet. Voorbeelden van maatwerk zijn de richtingen en niveaus binnen het vmbo, de profielen bovenbouw havo en vwo en de voorzieningen voor zorgleerlingen en leerlingen uit de culturele minderheden.
Kerncijfers voortgezet onderwijs
| Tabel 3.1: Kerncijfers voortgezet onderwijs 2003 (gemiddeld) | |
|---|---|
| Totaal aantal ingeschreven leerlingen incl. cumi's | 884 072 |
| Totaal aantal ingeschreven cumi's | 78 144 |
| Totaal aantal normatieve fte's | 72 873 |
| Totaal aantal scholen | 675 |
| Totaal aantal vestigingen | 1 079 |
| Gemiddeld aantal leerlingen per school | 1 310 |
| Gemiddeld aantal leerlingen per vestiging | 819 |
| Gemiddeld aantal leerlingen per gebouw | 350 |
| Bruto uitgaven per leerling excl. huisvesting (x 1 €) | 5 800 |
| Lesgeld (x € 1 000) | 163 900 |
Aantal (zorg)leerlingen in het voortgezet onderwijs
In onderstaande tabel en grafiek wordt de ontwikkeling van het aantal leerlingen per onderwijssoort weergegeven. De afgelopen jaren werd de stijging van het aantal zorgleerlingen (lwoo+pro) vooral veroorzaakt door de toename van het aantal nieuwkomers (buitenlandse leerlingen korter dan een jaar in Nederland). Sinds 1 augustus 2002 komen nieuwkomers het eerste jaar niet meer in aanmerking voor lwoo1. In plaats daarvan ontvangen de scholen voor deze leerlingen een stevig verhoogde «cumi 0–1 jaar» bekostiging. In het schooljaar 2002/2003 zien we dan ook voor het eerst een daling van het aantal zorgleerlingen.
De stijging van het aantal zorgleerlingen wordt deels veroorzaakt door de toename van het aantal nieuwkomers, de verbreding van het lwoo (in 1998)1 en de integratie van het svo/lom en svo/mlk (voorheen po) met het regulier voortgezet onderwijs.
Vanaf schooljaar 2002/2003 vindt indicering van zorgleerlingen plaats op basis van een beschikking. In de jaren daarvoor was dat een advies. De indicering heeft er ook toe geleid dat het bewustwordingsproces is geprikkeld en een deel van de verborgen zorgvraag aan de oppervlakte is gekomen. Verder komen vanaf het schooljaar 2002/2003 de nieuwkomers het 1e jaar niet meer voor lwoo in aanmerking. Door het saldo van deze maatregelen is de constante stijging van het aantal lwoo leerlingen recentelijk omgebogen in een lichte daling, die zich stabiliseert in 2003/2004.
| Tabel 3.2: Aantal leerlingen in het vo (x 1000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 98/99 | 99/00 | 00/01 | 01/02 | 02/03 | 03/04 | |
| Basisvorming 1,2 | 325,3 | 332,3 | 332,3 | 329,2 | 334,3 | 339,0 |
| Vmbo 3,4 | 183,1 | 180,6 | 181,2 | 184,7 | 180,8 | 177,2 |
| Havo, vwo 3 | 70,9 | 74,1 | 78,1 | 77,5 | 78,8 | 80,6 |
| Tweede fase 4,5, (6) | 190,4 | 182,6 | 173,3 | 177,2 | 183,7 | 190,2 |
| Zorg (lwoo+ pro) | 86,6 | 92,0 | 98,0 | 103,5 | 102,2 | 102,9 |
| Totaal | 856,3 | 861,6 | 862,9 | 872,1 | 879,8 | 889,9 |
Bron: ILT (excl. LNV).
Grafiek 3.1 : Aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs (excl. LNV)

Aantallen leerlingen culturele minderheden in het voortgezet onderwijs
In de onderstaande tabel en grafiek is de ontwikkeling van het percentage cumi-leerlingen in de diverse onderwijssoorten weergegeven. Ook hier valt op dat het aantal zorgleerlingen met een cumi-achtergrond het laatste jaar daalt. De scholen ontvangen voor nieuwkomers vanaf 1 augustus 2002 een cumi-vergoeding. Voorheen konden de scholen voor deze leerlingen een lwoo-vergoeding krijgen. Deze groep wordt nu niet als zorgleerling maar als leerling in de basisvorming geteld.
Hierdoor zien we een stijging van het aantal cumi-leerlingen in 2002/2003 bij de basisvorming en een daling van het percentage cumi's bij de zorgleerlingen.
| Tabel 3.3: Het percentage cumi's binnen een schoolsoort (in % van cijfers tabel 3.2) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 98/99 | 99/00 | 00/01 | 01/02 | 02/03 | 03/04 | |
| Totaal vo | 8,3 | 8,8 | 9,3 | 9,6 | 9,5 | 9,1 |
| Basis vorming 1,2 | 7,5 | 7,4 | 7,7 | 7,8 | 8,8 | 8,2 |
| Vmbo 3,4 | 9,1 | 9,3 | 9,2 | 9,3 | 9,4 | 9,7 |
| Havo, vwo 3 | 3,8 | 3,9 | 3,8 | 4,1 | 4,3 | 4,6 |
| Tweede fase 4,5, (6) | 3,4 | 3,7 | 3,6 | 3,7 | 3,9 | 4,2 |
| Zorg | 23,9 | 27,1 | 29,4 | 30,0 | 26,4 | 24,1 |
Bron: ILT (excl. LNV).
Grafiek 3.2: Percentage cumi's binnen een schoolsoort

3.2.2 Kwaliteit (uit het Onderwijsverslag Inspectie 2003)
De kwaliteit van het voortgezet onderwijs is stabiel. Dit concludeert de Inspectie in het Onderwijsverslag over 2003.
Positief zijn het schoolklimaat, de plaatsing, doorstroming en keuzebegeleiding en de functionele externe contacten van scholen.
Minder ontwikkeld zijn het leren, het zelfstandig werken bij leerlingen en het taalachterstandenonderwijs. Het vmbo kampt nog met een imagoprobleem. Dit geldt niet voor het groene vmbo dat in het algemeen goed functioneert.
De inspectie acht dat de aansluiting tussen het havo/vwo en het hoger onderwijs is verbeterd.
De kwaliteitszorg op de vo-scholen voldoet maar in 36% van de gevallen aan de eisen die de Inspectie daaraan stelt.
Uit de onderwijsmonitor 2003 (marktresponse 2003) komt naar voren dat de doorsnee Nederlander het voortgezet onderwijs iets hoger waardeert dan ouders met kinderen op het vo. Vanaf 2001 wordt de kwaliteit van het vo iets lager gewaardeerd dan de jaren daarvoor (1999–2000).
| Tabel 3.4: Kwaliteit voortgezet onderwijs algemeen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Doorsnee-Nederlanders | 6,8 | 6,9 | 6,6 | 6,6 | 6,5 |
| Ouders met kinderen in het vo | 6,7 | 6,7 | 6,5 | 6,5 | 6,4 |
Bron: Onderwijsmeter 2003.
Voorts blijkt ook dat het rapportcijfer voor de school van het eigen kind stabiel blijft.
Vergelijken we beide tabellen dan zien we dat het onderwijs op de school van de eigen kinderen hoger wordt gewaardeerd dan het onderwijs in het algemeen.
| Tabel 3.5: Kwaliteit voortgezet onderwijs eigen kind | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Kwaliteit vo eigen kind | 7,3 | 7,4 | 7,3 | 7,3 | 7,3 |
| Kwaliteit leraren vo eigen school | 7,1 | 7,2 | 7,1 | 7,0 | 6,9 |
Bron: Onderwijsmeter 2003.
De tevredenheid van de ouders met de school van het kind blijft hoog.
In 2003 zijn geen nieuwe gegevens gepubliceerd over prestaties van Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs in internationaal perspectief. In december 2004 zijn de rapportages gepland van de TIMSS- en PISA-onderzoeken, waarvan de tests hebben plaatsgevonden in 2003. Nederland heeft daarbij voldaan aan de vereiste eisen van respons.
Rendement is een maat om de geleverde inspanningen af te zetten tegen de verkregen resultaten.
In het voortgezet onderwijs gaat het om de onvertraagde doorstroom, het zittenblijven, het percentage geslaagden, de uitval, de uitstroom, de prestaties in het eerste jaar van het hoger onderwijs en de investeringen per leerling.
Intern rendement – onvertraagde doorstroom
De onderstaande onvertraagde doorstroomgegevens worden ook op de kwaliteitskaart van de Inspectie weergegeven. Bij deze cijfers wordt geen rekening gehouden met de op- en afstroom. Zo wordt de overgang van 2 havo naar 3 vmbo/theoretisch gezien als onvertraagde doorstroom. De veranderingen tussen 2001 en 2003 zijn klein. De onvertraagde doorstroom in de basisvorming van leerjaar 1 naar leerjaar 2 neemt iets toe (van 90% naar 92%). Ook neemt de onvertraagde doorstroom binnen het vmbo iets toe. Havo en vwo doorstroom blijft min of meer stabiel.
| Tabel 3.6: Onvertraagde doorstroom | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000/2001 | 2001/2002 | 2002/2003 | ||
| Basisvorming | vanaf leerjaar 1 naar leerjaar 3 | 90% | 91% | 92% |
| havo3 naar havo4 | 81% | 79% | 83% | |
| vwo3 naar vwo4 | 86% | 85% | 86% | |
| Vmbo | vbo3 naar vbo-d (vmbo bl) | 85% | 86% | 88% |
| mavo3 naar mavo-d (vmbo tl) | 80% | 82% | 84% | |
| Tweede fase | havo4 naar havo-d | 66% | 67% | 69% |
| vwo-4 naar vwo-d | 70% | 68% | 71% | |
Bron: Onderwijsverslag 2003 (Inspectie van het Onderwijs Kwaliteitskaart)Leeswijzer: «havo4 naar havo-d» betekent van de 4e klas havo tot en met het behalen van het diploma.
In de tabellen worden nog benamingen gehanteerd als mavo en vbo, aangezien het vmbo eerst per augustus 2002 is gestart.
In de leerwegen van het vmbo blijken de slaagpercentages bij examens op hetzelfde niveau te liggen als bij de voormalige vbo en mavo.
Hoewel er tussen 2000 en 2003 bij havo/vwo sprake is van een geleidelijke overgang van de oude naar de nieuwe stijl is toch te zien dat het percentage geslaagden in de tweede fase boven dat van de oude stijl ligt.
| Tabel 3.7: Geslaagden per schoolsoort (%) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Vbo/lwoo | 93 | 94 | 95 | 96 | 92 |
| Mavo | 94 | 94 | 95 | 95 | 93 |
| Vmbo-b/k/g | 94 | ||||
| Vmbo-t | 94 | ||||
| Havo oude stijl | 83 | 89 | 84 | ||
| Havo nieuwe stijl | 91 | 90 | 90 | 90 | |
| Vwo oude stijl | 89 | 89 | 90 | ||
| Vwo nieuwe stijl | 93 | 93 | 93 | ||
Bron: Onderwijsverslag 2003 (Inspectie van het Onderwijs).
De uitval (= uitstroom zonder diploma) in het vo stijgt. In de 1e fase is de uitval het grootst.
Omdat hier de risicogroepen uit het vmbo in zitten is dat hogere percentage verklaarbaar. Met de eerste fase wordt hier het onderwijs bedoeld in vmbo 1 en 2 en havo/vwo 1, 2 en 3.
| Tabel 3.8: Uitval uit het voltijd onderwijs, in aantallen en als percentage van de totale uitstroom | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | ||||||
| aantal | % | aantal | % | aantal | % | aantal | % | aantal | % | |
| Totaal vo | 23 600 | 12,5 | 24 000 | 12,6 | 25 600 | 13,1 | 27 300 | 14,6 | 28 900 | 15,0 |
| Waarvan 1e fase | 16 600 | 14,2 | 16 900 | 14,7 | 18 900 | 15,9 | 21 600 | 17,7 | 21 900 | 17,2 |
Bron: kerncijfers 1999–2003.
Grafiek 3.3: Uitval uit het voortgezet onderwijs

(zie verder paragraaf 3.3.4 onderdeel «voortijdig schoolverlaten» en beleidsartikel 4 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie)
Meer dan 50% van de vbo-leerlingen vervolgde hun opleiding op de beroepsopleidende leerweg (bol).
Een zeer klein deel kwam terug in het (i)vbo. Waarschijnlijk ging het hier vooral om leerlingen die na het examen op het vbo een andere of aanvullende richting zijn gaan volgen. In het vmbo is dat niet meer mogelijk. De verwachting is dan ook dat de daling zich verder zal voortzetten. In het vbo zagen we tot 2001 een toename van uitstroom uit onderwijs met diploma. Deze groep heeft geen beroepskwalificatie. In 2002 zien we een lichte daling. Het percentage van ruim 22% is echter nog te hoog gelet op het streven om het aantal leerlingen dat geen startkwalificatie haalt, te halveren.
Grafiek 3.4: Uitstroom gediplomeerde (voormalige) vbo
leerlingen
Bron: Cfi-matrix.
Circa 70% van de leerlingen met een mavo diploma gaat naar de mbo/bol. Het aantal leerlingen dat met een vmbo/t-diploma naar het havo doorstroomt neemt af. Dat kan mede worden veroorzaakt doordat het vmbo meer gericht is op het bol dan op de doorstroom naar de havo-tweede fase.
De uitstroom uit het onderwijs van leerlingen met diploma is stabiel ten opzichte van voorgaande jaren. Het percentage van ruim 12% blijft echter te hoog gelet op het streven om dit te halveren.
Grafiek 3.5: Uitstroom gediplomeerde mavo leerlingen

Bron: Cfi-matrix.
De doorstroom van leerlingen met een havo-diploma naar het vwo en het bol neemt af. De toestroom naar het hbo stijgt.
Grafiek 3.6: Uitstroom gediplomeerde havo leerlingen

Bron: Cfi-matrix
De toename van het aantal leerlingen in het vwo dat uit het onderwijs stapt, is weer gekeerd.
Het zou kunnen gaan om een groep leerlingen die na het vwo eerst een jaar iets anders gaat doen en daarna de draad weer oppakt. De stroom naar het hbo neemt af. De afname van de doorstroom naar het hbo gaat door evenals de toename van de doorstroom naar het wo.
Grafiek 3.7: Uitstroom gediplomeerde vwo leerlingen

Bron: Cfi-matrix.
Extern rendement – prestaties in het ho van havo en vwo gediplomeerden
De mate waarin leerlingen (met een havo of vwo-diploma) succesvol zijn in het hoger onderwijs is een indicator voor de doeltreffendheid in de bovenbouw havo/vwo van het vo. Het hoogste rendement wordt gehaald door vwo leerlingen die doorstromen naar het hbo. In 2001 deed het overgrote deel van de leerlingen nog examen oude stijl. Deze meting is daarom te beschouwen als een nulmeting.
De komende jaren zal blijken of door de invoering van de tweede fase de prestaties van havo en vwo gediplomeerden zullen toenemen. Opvallend is dat meisjes over de hele linie beter presteren dan jongens.
| Tabel 3.9: Percentage gediplomeerde havo en vwo studenten dat na 1 jaar ho-onderwijs de prestatienorm haalt | |||
|---|---|---|---|
| 2001 | 2002 | ||
| havo-hbo | jongens | 76 | 76 |
| meisjes | 87 | 86 | |
| vwo-hbo | jongens | 89 | 90 |
| meisjes | 93 | 93 | |
| vwo-wo | jongens | 73 | 75 |
| meisjes | 83 | 84 | |
Leeswijzer: Geslaagd in 2001. Prestatienorm in 2002 gehaald. Bron: Cfi, IB-Groep
Doel is het handhaven van een adequaat, maatschappelijk aanvaardbaar bekostigingsniveau. De grondslag voor de bekostiging en subsidiëring is neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA) en diverse algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.
Basis voor de bekostiging van personele uitgaven zijn de leerlingentellingen met als peildatum 1 oktober voorafgaand aan het schooljaar. Door middel van leerling/leraar-ratio's, vaste voeten, frictieopslag en dergelijke wordt een koppeling gelegd tussen die leerlingaantallen en de normatieve formatie. De hoogte van de lumpsum voor een school wordt vervolgens bepaald en is afhankelijk van de schoolsoort en de gewogen gemiddelde leeftijd van het lerarenbestand. Naast de middelentoewijzing voor personele kosten vindt er een toekenning plaats voor materiële kosten. Ook voor de berekening daarvan vormen de leerlingaantallen de basis. In 2002 is een voorbereidende stap gezet tot een vereenvoudiging van het bekostigingsmodel (zie paragraaf 3.3.9). Zie paragraaf 3.4 «budgettaire» gevolgen van het beleid voor de totale uitgaven van het voortgezet onderwijs, het verschil met de oorspronkelijke begroting en een korte verklaring van het verschil.
Financiële positie van het voortgezet onderwijs
Doelmatige financiering moet ervoor zorgen dat de door het rijk bekostigde scholen de in de aanhef van het hoofdstuk voortgezet onderwijs genoemde hoofddoelstelling kunnen realiseren. Daartoe moet de continuïteit van het stelsel van scholen verzekerd zijn. Om na te gaan hoe het scholenveld ervoor staat wordt de financiële positie van het veld gevolgd aan de hand van de ingediende jaarrekeningen.
De financiële positie wordt geschetst aan de hand van de volgende drie kengetallen:
solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit. De solvabiliteit zegt iets over de financiële positie voor de langere termijn. Het gaat om het aandeel van het eigen vermogen in het totale vermogen. De liquiditeit laat zien in welke mate de instelling haar korte termijnschulden kan terugbetalen. De rentabiliteit laat het resultaat zien van de instelling in een bepaald jaar:
zijn de uitgaven en de inkomsten in evenwicht. In de publicatie «Kerncijfers 1999–2003» is de toelichting bij de gehanteerde kwalificaties «goed, matig/voldoende, slecht» te vinden. Tevens is daar de normering opgenomen voor de solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit.
De financiële positie van de gezamenlijke vo-instellingen kan ultimo 2002 (laatste jaar waarover gegevens beschikbaar zijn) als «goed» gekwalificeerd worden. De solvabiliteit 1 (exclusief voorzieningen) en 2 (inclusief voorzieningen) zijn vrijwel gelijk gebleven. De liquiditeit en de rentabiliteit zijn echter wel iets afgenomen.
Het totale exploitatieresultaat is voor het eerst in 5 jaar afgenomen. Ten opzichte van 2001 bedraagt deze daling € 32,7 miljoen. Deze daling wordt veroorzaakt door een afname van het «saldo baten en lasten» met € 35,6 miljoen. In 2002 is er door het gezamenlijke vo-veld voor ruim € 300 miljoen geïnvesteerd in materiële vaste activa.
Bij de behandeling van de begroting 2004 van OCW is door de leden Lambrechts en Van der Laan gevraagd of er sprake is van een verschil in de financiële positie bij grote en kleine besturen, openbaar en niet openbaar onderwijs en besturen in randstedelijke gebieden of daarbuiten. Bij de analyse is een bestuur met meer dan 2500 leerlingen als groot gedefinieerd en is randstedelijk zowel smal (alleen de besturen in de G4) als breed (besturen in de G4 +G21) opgevat. De belangrijkste conclusie was dat er bij deze indelingen geen onderscheid in de financiële positie was waar te nemen.
De solvabiliteit van de gezamenlijke instellingen is de laatste vijf jaar zeer stabiel. De groei van het eigen vermogen en de voorzieningen houdt al jaren gelijke tred met de toename van het totale vermogen.
Het totale eigen vermogen van de 319 besturen bedroeg op 31 december 2002 € 1 308,4 miljoen. Dat is gemiddeld € 4,1 miljoen per bevoegd gezag. De spreiding is groot. Boven de grens van 0,3 wordt de solvabiliteit als goed gekenmerkt. In 2002 zaten 40 besturen onder die grens. Dat is 2 meer dan in 2001.
Grafiek 3.8: Spreiding solvabiliteit 1

Bron: Cfi.
Binnen het totale eigen vermogen zien we de algemene reserve toenemen van € 593,7 miljoen naar € 727,0 miljoen en de bestemmingsreserves afnemen van € 601,8 naar € 566,6 miljoen.
De voorzieningen zijn ten opzichte van 2001 met 7% toegenomen. Deze toename is aanzienlijk kleiner dan in 2000 (toename van 15%) en 2001 (toename van 14%). Per 31 december 2002 is er een bedrag van € 479,1 miljoen aan voorzieningen beschikbaar (voor concrete of specifieke risico's en toekomstige verplichtingen die op balansdatum bestaan moeten voorzieningen worden gevormd, deze zijn niet «vrij» beschikbaar). Het aandeel van de voorzieningen in het totale vermogen is over de afgelopen 5 jaar vrijwel gelijk gebleven.
| Tabel 3.10: Solvabiliteit | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Solvabiliteit 1 (exclusief voorzieningen) | 0,50 | 0,50 | 0,50 | 0,50 | 0,50 |
| Solvabiliteit 2 (inclusief voorzieningen) | 0,67 | 0,67 | 0,66 | 0,66 | 0,67 |

Bron: Cfi.
De liquiditeit is wederom afgenomen, maar kan ultimo 2002 nog steeds als «goed» worden gekwalificeerd. Dit betekent dat de instellingen nog steeds aan hun verplichtingen op korte termijn kunnen voldoen, hoewel de dalende trend van de afgelopen 5 jaar doorzet. Het aantal besturen met een slechte liquiditeit is gestegen naar 7 (2001: 5). Na de stijging van het werkkapitaal (de bestedingsruimte van de gezamenlijke instellingen) in de jaren 2000 en 2001 is in 2002 het werkkapitaal afgenomen. De daling is beperkt van omvang.
| Tabel 3.11: Liquiditeit | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Liquiditeit (quick ratio) | 2,19 | 1,95 | 1,85 | 1,82 | 1,75 |

Bron: Cfi.
De rentabiliteit in 2002 is ten opzichte van 2001 aanzienlijk afgenomen en bevindt zich weer op het niveau van 2000. Het resultaat uit gewone bedrijfsvoering is met € 36,9 miljoen afgenomen tot € 81,2 miljoen. Deze daling heeft voornamelijk plaatsgevonden bij het totale saldo van baten en lasten. De afname van het saldo baten en lasten wordt veroorzaakt doordat de lasten (toename van € 520,8 miljoen) aanzienlijk sneller zijn toegenomen dan de baten (toename van € 485,1 miljoen).
Opmerkelijk is dat in 2002 de stijging van de personele lasten € 425 miljoen bedraagt, terwijl in de jaren 1999–2001 de stijging van de personele lasten jaarlijks gemiddeld € 250 miljoen bedroeg. Omdat de stijging van de rijksbijdragen hierbij achterblijft, verklaart dat voor een deel de daling van het resultaat uit de gewone bedrijfsvoering.
Het aantal besturen met een slechte rentabiliteit (minder dan – 1%) is toegenomen van 33 naar 66.
Hierbij zitten 5 besturen die de afgelopen drie jaar een slechte rentabiliteit hebben. Gezien de solvabiliteitspositie bij deze 5 instellingen is er geen reden voor ongerustheid.
| Tabel 3.12: Rentabiliteit | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Rentabiliteit | 1,0% | 1,0% | 1,5% | 2,5% | 1,6% |

Bron: Cfi.
Nog steeds zijn bij een groot aantal instellingen de bestuursverslagen zeer beperkt. Vaak wordt wel een aantal algemene dingen besproken, maar een analyse van het resultaat, een vergelijking met de begroting en het aangeven van de financiële streefwaarden ontbreekt veelvuldig. Steeds meer besturen geven aan investeringsplannen te hebben.
Voor een gedetailleerde analyse van de financiële positie van het voortgezet onderwijs verwijs ik u naar de publicatie «Kerncijfers 1999–2003».
3.3 Operationele doelstellingen
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Gebleken is dat het werken met één landelijk geldend, uniform onderwijsprogramma onvoldoende recht doet aan verschillen tussen leerlingen. De Inspectie gaf in 1999 aan dat het programma basisvorming overladen en versnipperd was en dat scholen onvoldoende recht konden doen aan verschillen. In algemene zin was het probleem dat het aanbieden van het programma basisvorming aan alle leerlingen voor scholen onvoldoende organiseerbaar was. In de brief van de minister van 2 december 2003 aan de Tweede Kamer staat dat niet meer wordt uitgegaan van een centraal voorgeschreven, voor alle leerlingen geldend en uniform onderwijsprogramma. Om dat te onderstrepen wordt de term «onderbouw voortgezet onderwijs» gebruikt waar het gaat om de periode, en de term «kerndoelen» waar het gaat om de gemeenschappelijke doelen voor de scholen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2001 heeft de toenmalige staatssecretaris (tijdelijke) maatregelen getroffen met als doel scholen beter in staat te stellen de doelstellingen van de basisvorming te realiseren (OCW, Ruimte voor kwaliteit in de basisvorming,2000). De maatregelen beoogden de knelpunten ten aanzien van overladenheid en versnippering te verminderen. Scholen kunnen nu keuzes maken t.a.v. de kerndoelen, mits ze alle verplichte vakken aanbieden.
Eind 2002 is de Taakgroep vernieuwing basisvorming van start gegaan om in nauwe samenwerking met de scholen voorstellen te ontwikkelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De taakgroep heeft een dubbele opdracht: ontwikkel in samenspraak met scholen (schoolleiders, leraren, ouders, leerlingen) verschillende scenario's voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs en adviseer de overheid over daarbij passende landelijke kaders.
De taakgroep heeft in maart 2003 een eerste proeve van nieuwe kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs opgesteld. Deze is met honderden scholen en duizenden betrokkenen uit het onderwijs besproken. Op basis daarvan heeft de taakgroep een tweede voorstel voor nieuwe kerndoelen geformuleerd. Dit tweede ontwerp kerndoelen zal de komende maanden wederom met het onderwijsveld worden besproken, zodat de taakgroep in – conform planning – juni 2004 een breed gedragen voorstel aan de minister kan aanbieden. De aanpak van de taakgroep leeft, zie de grote opkomst op twee door de taakgroep over «de nieuwe onderbouw» georganiseerde conferenties begin 2004: ongeveer 1350 deelnemers vanuit circa 475 schoollocaties. De werkzaamheden van de taakgroep liggen op schema. Te verwachten is dat de voorstellen van de Taakgroep vernieuwing basisvorming hun beslag krijgen vanaf 1 augustus 2006. Om het welslagen hiervan te bevorderen is al in 2003 als flankerend beleid een start gemaakt met het laten ontwikkelen van flexibele leermiddelen.
Het Onderwijsverslag van de Inspectie over 2003 verschaft informatie over de effectiviteit van de «tijdelijke maatregelen». De mate waarin scholen er in slagen een hedendaags onderwijsaanbod te realiseren zoals vastgelegd in de kerndoelen basisvorming en de nieuwe examenprogramma's, is op een toegenomen aantal scholen (34% in 2002/2003 i.t.t. 29% in 2001/2002) als voldoende beoordeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat de kerndoelen waaruit scholen keuzes moeten maken voor hun onderbouwprogramma te omvangrijk en onvoldoende samenhangend is. Alle scholen boden de verplichte vakken aan, zoals bedoeld met de tijdelijke maatregelen. De onderdelen van het aanbod waarop de Inspectie veel scholen nog onvoldoende beoordeelt, zijn het aanbod van de algemene vaardigheden (zoals leren samenwerken, plannen, zelfstandig werken, presenteren, onderzoeken), de samenhang tussen de vakken en het taalonderwijs aan leerlingen met taalachterstanden.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Zie voor de totale geraamde en de feitelijke kosten van de basisvorming tabel 3.15 onder paragraaf 3.4 «Budgettaire gevolgen van het beleid».
De geraamde kosten en de feitelijke kosten van de aanvullende bekostiging komen overeen. De «tijdelijke maatregelen» hebben als zodanig geen geld gekost. De verlichting van de wettelijke kaders heeft de organiseerbaarheid van het programma op schoolniveau doen toenemen.
Voor de werkzaamheden van de Taakgroep vernieuwing basisvorming was in 2003 € 1,6 miljoen beschikbaar. Daarnaast was € 1 miljoen beschikbaar voor een project waarin voor alle vakgebieden in de onderbouw experimentele, maar wel direct bruikbare, flexibele leermiddelen ontwikkeld kunnen worden.
Er zijn voor de inrichting van de basisvorming door OCW middelen beschikbaar gesteld aan scholen en ondersteuningsinstellingen voor (door)ontwikkeling van de basisvorming in de scholen. Het betreft:
• vernieuwingsgelden voor schoolontwikkeling (€ 27,2 miljoen) die onder andere voor de ontwikkeling van de basisvorming op schoolniveau ingezet kunnen worden;
• projectsubsidies voor (her)ontwerp van de basisvorming, onder andere een groot VVO-project. Scholen hebben hierin activiteiten ondernomen gericht op herinrichting van de basisvorming. Daarin werden ze ondersteund.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• op 25 maart 2003 heeft de minister de Tweede Kamer een brief gestuurd over de stand van zaken rondom de werkzaamheden van de taakgroep;
• daarover heeft een schriftelijk overleg plaatsgehad, dat is vastgesteld op 26 mei 2003 (als bijlage daarbij is de opdracht aan de taakgroep ter informatie bijgevoegd);
• op 2 december 2003 heeft de minister een tussenrapportage van de taakgroep met haar beleidsreactiedaarop aan de Tweede Kamer gezonden. Over deze rapportage zal nog een schriftelijk overleg gevoerd worden, met als laatste datum voor indiening van vragen uit de Tweede Kamer 29 januari 2004.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In 1998 is besloten het mavo en het vbo te herstructureren tot het vmbo waarbij de diverse opleidingen zijn omgezet in leerwegen (invoeringsdatum; 1 augustus 2002). De invoering van het vmbo is met ingang van 1 augustus 2002 een feit. Het lom en mlk is omgezet in lwoo resp. pro. In het verslag 2002 is hierop al ingegaan.
In het jaar 2003 lag het accent binnen het vmbo op de verdere invulling van de leer-wegen, de zorgstructuur, de examinering en het actieprogramma vmbo. Maatwerk is hierbij een centraal begrip.
Het veld is verantwoordelijk voor de inrichting. De overheid faciliteert.
Zie voor de totale geraamde en de feitelijke kosten van het vmbo de tabel 3.15 onder paragraaf 3.4 «Budgettaire gevolgen van het beleid».
Scholen hebben op indicatie van OCW – en veelal ook geholpen door externe organisaties – in toenemende mate variatie aangebracht binnen de leerwegen waarbij ingespeeld wordt op de individuele leerling. Leerwerktrajecten en assistent-opleidingen (mbo1) binnen het vmbo zijn hiervan de voorbeelden.
Ook combinaties van avo-vakken met beroepsgerichte vakken is een model.
Via door het instituut AXIS begeleide trajecten is een verdere modernisering (continu-proces) in gang gezet. Pedagogisch-didactische concepten moeten er toe leiden dat het onderwijs voor de leerling «eigentijds» is. Er wordt ingespeeld op de interesse van de hedendaagse leerling.
De structuur is ingericht via samenwerkingsverbanden, de indicatiestelling en de zorgopvang. Het veld heeft laten weten nu zelf verantwoordelijk te willen zijn voor die structuur maar ook voor de kwaliteit van de zorg. Vanuit de diverse onderwijsorganisaties (besturenbonden, VVO, vakbonden, AOC-raad en landelijk werkverband pro) is de «stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg vmbo en pro» opgericht.
De stuurgroep is vanaf 1 augustus 2003 gestart met het ondersteunen en begeleiden van scholen bij een kwaliteitsonderzoek, het formuleren van verbeterpunten en het in gang zetten van die verbeteringen.
Ook hier geldt dat dit traject enige jaren zal duren voordat direct meetbare resultaten te boeken zijn. De kosten voor de 5 maanden in 2003 zijn bestreden uit het projectartikel. Voor 2004 en verder dragen de scholen bij vanuit de zorgmiddelen.
Ten aanzien van de indicatiestelling is overleg gevoerd met de regionale verwijzingscommissies. Dit heeft geleid tot wijzigingen in de «aanvraagprocedure indicatiestelling», waardoor de uitvoeringslast van de scholen wordt verminderd.
De eerste centrale examens vmbo zijn in april 2003 afgelegd.
De angst bij de scholen dat minder leerlingen de eindstreep zouden halen is niet bewaarheid. Ruim 90% van de examenkandidaten heeft het diploma behaald. In 2003 is gestart met een experiment rond geïntegreerde examens (praktijk en theorie) binnen de basisberoepsgerichte leerweg. De resultaten zijn van dien aard dat een integrale invoering per 2004 kan worden doorgevoerd. Een verdere uitbreiding van deze geïntegreerde vorm naar kaderberoepsgerichte leerweg is in onderzoek.
Verder worden vormen van flexibilisering in tijd en vorm van het afnemen van examens onderzocht.
Mede als onderdeel van de impuls beroepsonderwijs zijn ook in 2003, in het licht van de invulling van de leerwegen en de afstemming met bedrijfsleven en mbo, door de scholen vele initiatieven gestart.
Stabilisatie van het aantal vmbo-gediplomeerden is bereikt. Gegevens over de doorstroom naar het mbo en de eerste resultaten binnen het mbo worden begin 2004 verzameld en beoordeeld. Eerst dan kan voorzichtig worden geconstateerd of er sprake is van een succesvolle doorstroom van de eerste lichting gediplomeerde vmbo-ers nieuwe stijl.
Signalen dat de inhoudelijke afstemming tussen de opleidingen binnen het vmbo en die binnen het mbo nog beter dient te verlopen is door de scholen opgepakt. De eerste stappen tot die verdere inhoudelijke afstemming zijn gezet. In 2004 zal hieraan door OCW verder op worden aangedrongen en aangestuurd.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Ja, met diverse instrumenten (projectsubsidies, ontheffingen, begeleiding en advies) zijn scholen gestimuleerd tot maatwerk en tot verdere vernieuwing, maar ook tot een betere afstemming. Via de Stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg vmbo en pro heeft het veld de verantwoordelijkheid geclaimd en ingevuld.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde respectievelijk de beschikbare aanvullende middelen voor het vmbo binnen de begroting 2003 (€ 68 miljoen) en de feitelijke kosten komen overeen.
3.3.3 Profielen tweede fase havo/vwo
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De tweede fase havo/vwo heeft volgens de wet twee hoofddoelen (Stb. 1997, 322):
1. Verbetering van de aansluiting tussen het voortgezet en het hoger onderwijs; zowel tussen havo en hbo als tussen vwo en wo.
2. Modernisering en actualisering van de inhoud en de werkwijze binnen het havo en vwo.
Over het bereiken van deze beide doelstellingen is inmiddels het volgende bekend.
Verbetering aansluiting voortgezet en hoger onderwijs (hbo en universiteit)
De aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs komt tot uitdrukking in:
• het percentage leerlingen dat naar het hoger onderwijs doorstroomt;
• het daarbij gerealiseerde succes in het vervolgonderwijs (zie paragraaf 3.2.3 tabel 3.9);
• de keuze binnen het hoger onderwijs: de tweede fase zou mede als gevolg moeten hebben dat vwo-gediplomeeren kiezen voor het wo in plaats van het hbo en dat havo-gediplomeerden vaker kiezen voor het hbo in plaats van het mbo;
• uiteraard past bij de ambitie tot verbetering van de doorstroom van havo- en vwo-gediplomeerden dat het aantal leerlingen dat het diploma behaalt tenminste op het oude niveau blijft.
Daarnaast zijn uit een aantal instellingen onderzoeksgegevens beschikbaar die een indruk geven van de mate waarin de nieuwe stroom leerlingen is voorbereid op het hoger onderwijs.
Aansluiting vwo en wetenschappelijk onderwijs
Onderzoeksinstituut IOWO voert een jaarlijks onderzoek uit «Instroommonitor» onder eerstejaarsstudenten, waarin ook de tevredenheid over de aansluiting tussen het voortgezet en het wetenschappelijk onderwijs aan de orde komt. In het studiejaar 2001–2002, het eerste jaar waarin een deel van de nieuwe studenten via de nieuwe tweede fase op de universiteit waren voorbereid, bleek dat vwo-ers nieuwe stijl de aansluiting vwo-wo in vergelijking met vwo-ers oude stijl als beter beoordeelden op het gebied van studievaardigheden zoals zelfstandig studietaken aanpakken, kunnen plannen, communicatieve vaardigheden, ict-vaardigheden en basale onderzoeksvaardigheden. Minder tevreden toonden de vwo-ers nieuwe stijl zich op het gebied van de vakinhoudelijke kennis, in het bijzonder binnen de sector techniek. Bij de gegevens past de kanttekening dat het hier gaat om een jaargang studenten, waarin de vwo-ers nieuwe stijl nog een minderheid vormen. In het studiejaar 2002–2003 is het onderzoek herhaald, waarbij bleek dat de eerste volledige lichting universiteitsstudenten uit de vernieuwde tweede fase vwo beduidend meer tevreden is over de aansluiting met de diverse vaardigheden dan de laatste volledige lichting vwo-ers nieuwe stijl (2000–2001). Over de aansluiting van de vakinhoud is de jongste groep nieuwe-stijlers wat minder ontevreden dan de oude-stijlers. Vooral in de bètasectoren is de situatie in dit opzicht duidelijk verbeterd.
Aansluiting havo en hoger beroepsonderwijs
Omdat het havo zijn nieuwe-stijl leerlingen een jaar eerder afleverde, is op de hogescholen al wat meer ervaring beschikbaar. De uitkomsten van onderzoeken op een reeks van afzonderlijke hogescholen zijn in hoge mate gelijkluidend.
Het belangrijkste verschil dat aan het licht treedt is, dat de profiel-instromers de overgang naar hbo als minder groot ervaren dan de leerlingen voortgezet onderwijs oude-stijl. Daarnaast beschikken de profielleerlingen over meer algemene vaardigheden, zoals zelfstandig studeren, samenwerken in groepen en een actieve opstelling en omgaan met ict. De studenten nieuwe stijl kunnen ook beter reflecteren op de eigen studievaardigheden, en hun schriftelijke uitingen worden hoger aangeslagen.
Wel blijkt, evenals bij vwo-ers, bij sommige vakken de zuiver vakmatige kennis wat geringer dan voorheen. Dit punt geldt echter zeker niet voor alle vakken.
De beoordeling van de docenten over deze verschuivingen vallen over het algemeen positief uit. Echt zorgelijk wordt de teruggang in kennis niet gevonden, zolang ze de hoofdlijnen blijven zien: minder kennis is repareerbaar. Dat algemene studievaardigheden vooruit zijn gegaan wordt door de docenten als minder belangrijk beoordeeld.
In 2003 werd deze uitkomst bevestigd. Een gezamenlijk onderzoek van de Haagse Hogeschool, de Technische Hogeschool Rijswijk en de Hogeschool Leiden wees uit dat de genoemde verbetering zich heeft doorgezet. In het onderzoek over 2001/2002 was gebleken dat de nieuwe-stijlers gemiddeld 31 studiepunten haalden (van de maximaal 42 te behalen punten), 4 punten meer dan de oude-stijlers. Dit blijkt in het studiejaar 2002/2003 verder te zijn gestegen tot een gemiddelde onder de havisten van 33 studiepunten. In dit jaar konden voor het eerst ook vwo-instromers nieuwe stijl worden vergeleken met de oude-stijlers. Ook hier onderscheidden de nieuwe-stijlers zich positief, met gemiddeld 38 studiepunten tegen 33 bij de oude-stijlers.
Modernisering en actualisering van inhoud en werkwijze in havo en vwo
Met de profielen (verplichte combinaties van vakken) en de nieuwe examenprogramma's (omschrijving van kennis en vaardigheden die aan het eind van de opleiding dienen te worden beheerst) is de nieuwe inhoud van het onderwijs vastgelegd. Een nieuwe werkwijze is niet bij regelgeving opgelegd, maar is bevorderd door het benadrukken van de voordelen van meer zelfstandig leren, met het «studiehuis» als metafoor voor de school die de leerling hiertoe optimaal in staat stelt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Sinds de invoering van de nieuwe tweede fase in '99 is door diverse onderzoekingen (o.m. door Tweede Fase Adviespunt en Inspectie) aan het licht getreden dat de profielen en examenprogramma's lijden aan een zekere mate van overladenheid en versnippering. Dit heeft geleid tot tijdelijke verlichtingsmaatregelen en voor de langere termijn tot voorstellen voor bijstelling van het systeem.
Vooruitlopend hierop zijn al per 1 augustus 2003 kleine aanpassingen in de examenprogramma's aangebracht, die leiden tot een vermindering van belasting voor scholen en leraren en waar mogelijk tot een grotere keuzevrijheid.
Mede als gevolg van de bovengenoemde knelpunten is op de meeste scholen een breed didactisch handelen zoals in het «studiehuis» kan worden verwacht nog niet in volle omvang tot stand gekomen. Verwacht kan worden dat dit op langere termijn zal verbeteren, door gewenning van de docenten en ook door de bovengenoemde maatregelen tot het wegnemen van huidige knelpunten.
Overigens hebben de genoemde aanloopproblemen geen negatieve invloed gehad op het percentage leerlingen dat in het nieuwe systeem voor het havo- en vwo-examens is geslaagd: dit is zelfs wat hoger dan in de voorafgaande jaren.
Uitgewerkte gedachten tot bijstelling van de tweede fase, om de gebleken knelpunten weg te nemen en meer keuzevrijheid te realiseren, zijn begin 2003 gepresenteerd in de notitie «Ruimte laten en keuzes bieden in de tweede fase havo en vwo». Nadat hierover uitvoerig het onderwijsveld is gehoord, is een voorstel voorgelegd aan de Tweede Kamer bij brief van 4 juli 2003. De bespreking van deze voorstellen in de Kamer heeft tot resultaat gehad dat een herzien voortstel aan de Kamer is gezonden bij brief van 4 december 2003.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De bekostiging van de leerjaren 4 en hoger op havo en vwo is niet veranderd als gevolg van de nieuwe tweede fase. Wel zijn ten tijde van de invoering (1998 en 1999) éénmalige bedragen beschikbaar gesteld ten behoeve van personeel (voorbereidingstijd) en materieel (mediatheek, aanpassing gebouw). Zie voor de totale geraamde en de feitelijke kosten van de tweede fase havo/vwo tabel 3.15, paragraaf 3.4 «Budgettaire gevolgen van het beleid».
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Ruimte laten en keuzes bieden, nr. VO/BOB/03/61946, 8-1-'03
• Inspectierapport «Tweede fase vierde jaar», VO/BOB/03/7139, 20-2-'03
• Beantwoording in kader Schriftelijk Overleg, 14 maart 2003, TK 28 600 VIII nr. 119
• Voorstel 2e fase havo/vwo, VO/OI/03/23487, 4-7-'03
• Herzien voorstel, VO/OK/03/53723, 4-12-'03.
3.3.4 Sociale cohesie en voorkomen uitval
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De minister heeft zich de opdracht gesteld een veilige en sterke leeromgeving te creëren, waarin leerlingen zich gerespecteerd en serieus genomen voelen. Daarbij is signalering van moeilijkheden die leerlingen kunnen ondervinden in hun schoolcarrière en begeleiding en ondersteuning van die leerlingen essentieel. Dit stelt eisen aan het pedagogisch en didactisch klimaat in de school en maakt een goede samenwerking tussen de school en omliggende voorzieningen noodzakelijk.
Uit de meest recente beschikbare gegevens van de Onderwijsinspectie, het Onderwijsverslag 2003, blijkt dat de inspectie het schoolklimaat op vrijwel alle scholen voor voortgezet onderwijs positief beoordeelt. Ook de meeste ouders (90%) tonen zich tevreden over de aandacht op school voor het veiligheidsgevoel van hun kind. Wanneer leerlingen zich in meer algemene zin uitspreken over de veiligheid op hun school, geven ze aan zich op hun school veilig te voelen. Toch blijkt dat veel scholen worden geconfronteerd met incidenten, uiteenlopend van pesten tot diefstal, discriminatie en fysiek geweld, zowel tussen leerlingen onderling als tussen leerlingen en docenten. (Hieromtrent heeft het ministerie ruim 100 brieven ontvangen.) Hier doet zich een spanningsveld voor. Veiligheid vraagt daarmee om structurele aandacht. Leerlingen in het havo-vwo en brugklassers oordelen positiever over hun welbevinden dan leerlingen in het vmbo. In oktober 2003 is het integraal standpunt ten aanzien van veiligheid op scholen in het primair en voortgezet onderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd (VO/SO/2003/46866).
Het Landelijk Centrum Onderwijs en Jeugdzorg (LCOJ) heeft op basis van uitkomsten van regionale conferenties Leerling & Zorg en een via het NIBUD uitgezette vragenlijst een aantal conclusies opgesteld over de mate en vormen van samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs en voorzieningen voor jeugdzorg, welzijn, gezondheidszorg en veiligheid. Het blijkt dat de samenwerking tussen onderwijs en andere jeugdvoorzieningen steeds meer van de grond komt. De meeste scholen (circa 80%) beschikken inmiddels over een zorgadviesteam, waarin naast de interne leerlingbegeleiding van de school ook externen deelnemen. Dit zijn vooral de schoolarts (86%), de leerplichtambtenaar (80%), de (school)maatschappelijk werker (71%) en het bureau jeugdzorg (68%). Deze cijfers laten zien dat de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling in gang is gezet. Dit laat onverlet dat ieder incident de noodzaak van blijvende aandacht opnieuw onderstreept.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om een sterk sociaal-pedagogisch en didactisch schoolklimaat te bevorderen en zo problemen van leerlingen tijdig te signaleren en adequate begeleiding te bieden zijn de volgende maatregelen genomen.
Voor het Transferpunt Jongeren, School en Veiligheid is een adviesgroep in het leven geroepen om het transferpunt meer vraaggericht aan te sturen en daarmee beter aan te sluiten bij de problemen in het veld. De adviesgroep bestaat uit vertegenwoordigers van ouders, schoolleiders, leerlingen (ook de personeelvakorganisaties zullen daarvoor worden uitgenodigd) en komt circa 6 keer per jaar bijeen.
Het traject «Conflicthantering en sociale competentie in het onderwijs» is voortgezet.
Daarnaast loopt het programma «Wendbare weerbaarheid». Dit programma is gericht op het vergroten van de weerbaarheid van de lagere klassen van het voortgezet onderwijs. Het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum heeft het cursusmateriaal voor Wendbare weerbaarheid ontwikkeld. Daarin is onder meer ook aandacht besteed aan het inbedden van de methodiek in een schoolbrede aanpak van fysieke en sociale veiligheid in het schoolbeleid.
Vanaf 2003 maakt het thema veiligheid expliciet onderdeel uit van de toezichtsystematiek van de Inspectie van het onderwijs. Bovendien zijn de taken van de vertrouwensinspecteurs met de wijziging van de WOT (2002) uitgebreid tot vormen van fysiek of psychisch geweld.
De Inspectie heeft de brochure «Iedereen is anders» ontwikkeld, die in het najaar van 2003 naar alle scholen is gestuurd. Deze brochure bevat, naast informatie over waarop de inspectie bij haar schoolbezoek let, ook praktische tips en suggesties voor scholen voor het bevorderen van een tolerant schoolklimaat.
Tenslotte kan worden vermeld dat de integrale aanpak van het jeugdbeleid vorm krijgt in het kader van de Operatie JONG waarin de ministeries van VWS, BZK, Justitie, OCW en SZW samenwerken. Op 31 oktober 2003 is de concept-jeugdagenda naar de Tweede Kamer gezonden. De agenda bevat de prioriteiten voor de komende jaren. In dit kader zijn belangrijke agendapunten: een sluitend aanbod van zorg rondom scholen, maximalisering van onderwijsrendement en integraal toezicht. In 2004 zullen deze thema's van actiepunten worden voorzien; er moet nog veel werk worden verzet.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor het Transferpunt is een bedrag van € 0,7 miljoen beschikbaar gesteld. Een deel daarvan is bestemd voor de Onderwijstelefoon en het Project Preventie Seksuele Intimidatie (PPSI).
Aan het traject «conflicthantering en sociale competentie in het onderwijs» zijn geen middelen meer verbonden. Deze budgetten zijn al eerder weggezet bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.
De middelen voor «wendbare weerbaarheid» zijn al eerder beschikbaar gesteld.
Voor de brochure «Iedereen is anders» is een bedrag van € 140 975,– besteed. De genoemde feitelijke kosten komen overeen met de geraamde kosten.
De algemene doelstellingen en ontwikkelingen die het voortijdig schoolverlaten betreffen zijn beschreven in het hoofdstuk beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, paragraaf 3.4.16. Hier wordt kort ingegaan op de specifieke situatie van het voortgezet onderwijs.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Van 2001 op 2002 is het voortijdig schoolverlaten in het voortgezet onderwijs wederom gestegen (zie paragraaf 3.2.3 tabel 3.8). Het is dus vooralsnog niet gelukt om een reductie tot stand te brengen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De activiteiten die in het voortgezet onderwijs zijn ontplooid betreffen het toezicht op en handhaving van de leerplicht via het project «handhaven op niveau – leerplicht» en de brochure voor de ouders.
Bij wijze van preventie wordt er in het vmbo gestreefd naar maatwerk voor de leerling en zijn er in de basisberoepsgerichte vakken leerwerktrajecten ingevoerd, die voor de leerlingen zeer motiverend zijn. Er wordt gestudeerd op de mogelijkheid van uitbreiding daarvan naar de kaderberoepsgerichte leerweg.
Van belang voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten is verder de versterking van de zorgstructuur in het vmbo door de instelling van de «stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg vmbo en pro».
Daarnaast wordt er in het kader van de ontwikkeling van de beroepskolom gewerkt aan een verbetering van de aansluiting tussen het vmbo en het mbo. De gebrekkige aansluiting tussen deze twee sectoren van het onderwijs blijkt een belangrijke oorzaak te zijn van voortijdig schoolverlaten.
Een andere oorzaak van voortijdig schoolverlaten is te vinden in de sociaal-emotionele problemen van veel leerlingen. Inzet van een instelling voor jeugdhulpverlening kan essentieel zijn bij het voorkomen van uitval van jongeren die met deze problemen kampen. Daarvoor moet de structuur van instellingen voor zorg en hulpverlening rondom de school doorzichtiger worden en meer in samenhang worden gebracht. Daarvoor werkt het ministerie van OCW samen met de ministeries van BZK, VWS, SZW en Justitie in de operatie JONG.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Handhaven op niveau – leerplicht heeft in 2003 conform de begroting € 75 000 gekost. Zie verder het hoofdstuk beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het beleid is gericht op een evenredige deelname van allochtone leerlingen aan het onderwijs. Dit kan worden bereikt door uitval onder allochtone leerlingen tegen te gaan en doorstroming naar havo en vwo te bevorderen. Voorts wordt er van scholen met veel allochtone leerlingen verwacht dat zij een expliciet taalbeleid voeren. Het streven is dat:
• in 2006 er 4% meer allochtone leerlingen in havo en vwo zijn vanaf leerjaar 3 dan in 2002;
• alle scholen met doelgroepleerlingen een taalbeleid voeren.
Er is sprake van een licht stijgende tendens van het aantal allochtone leerlingen in het havo en vwo. Zo is in 2003 het aantal allochtone leerlingen in het havo/vwo in schooljaar 3 opnieuw toegenomen.
Ook de (lichte) stijging van het aandeel allochtone leerlingen binnen de groep havo/vwo-scholieren in klas 4/5/6 heeft zich in 2003 doorgezet.
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal scholen met doelgroepleerlingen dat een taalbeleid voert. In ieder geval is bekend dat alle onderwijskansenscholen een taalbeleid voeren. Wel is bekend dat scholen zich de afgelopen tijd in het bijzonder gericht hebben op de invoering van onderwijsvernieuwingen als vmbo en profielen havo/vwo, waardoor de aandacht voor taalbeleid (nog) niet voldoende is. Nu de invoering van de onderwijsvernieuwingen goeddeels achter de rug is, zal taalbeleid de komende jaren meer aandacht moeten kunnen krijgen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het beleid is neergelegd in de Wet gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid (GOA), de Regeling personele vergoeding culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen voorgezet onderwijs (de cumi-regeling vo), de Regeling specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en voortgezet onderwijs 2002–2003, NT2 en het onderwijskansenbeleid.
De uitvoering van de eerste jaar van de periode 2002–2006 van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa) is door SCO-Kohnstamm geëvalueerd. Vóór de zomer van 2004 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het huidige goa-beleid, waaronder ook de uitvoering van de onderwijskansenplannen.
Via de cumi-regeling vo hebben scholen aanvullende vergoeding ontvangen voor specifieke doelgroepen van leerlingen. De regeling specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en voortgezet onderwijs is in 2003 wettelijk verankerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het aandeel voortgezet onderwijs, inclusief onderwijskansen in het goa-beleid, bedroeg in 2003 ruim € 14,5 miljoen. Voor gerichte begeleiding en ondersteuning van taalbeleid is in 2003 € 71,3 miljoen uitgegeven voor de cumi-regeling vo. Dit is conform de voor 2003 geraamde bedragen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Asielzoekers in de leerplichtige leeftijd hebben net als alle andere jongeren recht op en de plicht tot het volgen van onderwijs. Inspanningen zijn erop gericht deze kinderen zo snel mogelijk na binnenkomst te laten instromen in het reguliere onderwijs.
Doel van het gevoerde beleid is gemeenten en scholen in staat te stellen door middel van een flexibele bekostigingssystematiek deze groep van leerlingen, die vaak niet aan het begin van een schooljaar instromen, toch in het eerste jaar van hun verblijf in Nederland onderwijs te bieden.
Gemeenten komen in aanmerking voor een specifieke uitkering als in de gemeente tenminste 10 schoolgaande asielzoekers onderwijs volgen in het eerste jaar dat zij in Nederland verblijven. Op basis van deze regeling zijn in 2003 door gemeenten aanvragen ingediend voor asielzoekersleerlingen.
Het ging hierbij om de volgende aantallen leerlingen in het voortgezet onderwijs: 3 615 leerlingen per 1 februari 2003, 2 925 leerlingen per 1 juni 2003 en 2 106 leerlingen per 1 oktober 2003.
Daarmee ontvingen alle asielzoekersleerlingen, die in Nederland werden opgevangen en waarvoor de gemeenten een verzoek om bekostiging aan OCW hebben gedaan, extra middelen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Aangekondigd is dat in 2003 de specifieke uitkering structureel wordt geregeld. Hiertoe is in het afgelopen jaar het voorstel tot wijziging van de WPO, WEC en WVO in gang gezet dat moet leiden tot opneming van een grondslag voor uitkeringen aan gemeenten in verband met de eerste opvang van vreemdelingen in het onderwijs. Vanaf 2003 tot de invoering van de wetswijziging wordt de uitkering toegekend op basis van de Financiële verhoudingswet. Inhoudelijk is de uitkering ongewijzigd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 3.13: middelen specifieke uitkering voortgezet onderwijs (x € 1 miljoen) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | Verschil | |
| Onderwijs aan asielzoekers in het eerste jaar van opvang primair en voortgezet onderwijs | 23,7 | 11,9 | 11,8 |
Bron: Oorspronkelijke begroting 2003/realisatie Cfi.
De oorspronkelijke begroting 2003 was gebaseerd op de (geraamde) instroomcijfers van 2002 (ruim 5 700 leerlingen). Er is in 2003 minder uitgegeven dan begroot door de daling van de instroom van asielzoekers (realisatie 2003 2 900 leerlingen).
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De algemene beleidsdoelstelling is een adequate personeelsvoorziening in het voortgezet onderwijs, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Het tegengaan van personeelsschaarste was hierbij eerste prioriteit.
Uit de arbeidsmarktmonitor 2002–2003 blijkt dat de onvervulde vacaturevoorraad aan het begin van het schooljaar 2002/2003 vrijwel gelijk is met die aan het begin van 2001/2002 (Regioplan: Arbeidsmarktmonitor 2002–2003). De inspectie van het onderwijs constateert in het onderwijsverslag dat het aantal vacatures, na een periode van stijging in voorafgaande jaren, in het schooljaar 2002/2003 afgenomen is met 26% ten opzichte van schooljaar 2001/2002 (Inspectie van het Onderwijs, 2003). De afname wordt deels verklaard door een grotere instroom van mensen uit andere sectoren (pas afgestudeerden, lio's, zij-instromers), de afname van de baan-baan mobiliteit van docenten en deels door de veranderde economische situatie. Doordat er ontslagen vielen in de marktsector kozen, in vergelijking tot voorgaande jaren, relatief meer mensen voor een baan in het onderwijs.
Het doel, om de stijgende lijn in het aantal vacatures om te buigen, is gehaald. Wel moet opgemerkt worden dat het lastig is te beoordelen in hoeverre deze omslag het gevolg is van ingezette instrumenten en welk deel aan de veranderde economische situatie.
Inmiddels laten de cijfers van het vierde kwartaal 2003 (Regioplan: Arbeidsmarktmonitor 2003/2004) voor de sector voortgezet onderwijs weer een stijging zien van het aantal openstaande vacatures. Hoewel in 2003 over het hele jaar gemeten het aantal openstaande vacatures gedaald is blijft de situatie dus zorgelijk. De komende jaren zijn veel nieuwe leraren nodig, vooral als gevolg van de vergrijzing van het onderwijspersoneel. Bovendien zou de keuze voor het onderwijs niet een negatieve keuze moeten zijn (daling aantal vacatures door economische teruggang), maar gebaseerd moeten zijn op aantrekkelijkheid van het werken in het onderwijs.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om dit te bereiken is het beleid erop gericht de onderwijsarbeidsmarkt te verruimen, de concurrentiepositie van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren alsook de omstandigheden en het personeelsbeleid te versterken.
Hiervoor zijn verschillende instrumenten ingezet. In de overzichtsconstructie onderwijspersoneel wordt het beleid dat gericht is op een adequate personeelsvoorziening in het onderwijs uitgebreid beschreven. Voor het voortgezet onderwijs betreft het de volgende instrumenten:
• Regeling aanvullende vergoeding in verband met arbeidsmarktknelpunten in het voortgezet onderwijs 2003;
• tegengaan uitstroom uit het onderwijs (waaronder oudere werknemers);
• het bevorderen van de instroom in het voortgezet onderwijs door: voorlichting en imagocampagne, concurrerende arbeidsvoorwaarden voor het voortgezet onderwijs, arbeidsvoorwaarden op maat per school of groep scholen (decentrale cao's), het verbeteren van de arbeidsomstandigheden;
• maatregelen gericht op zij-instroom (maatwerk-trajecten, subsidieregeling, matchingsorganisaties, projecten voor zij-instroom in het vmbo – vakmensen voor de klas – en detachering in het onderwijs – bedrijf voor de klas), functiedifferentiatie binnen en naast de leraarsfuncties (projecten);
• betere benutting van het beschikbare personeel door: schoolbudgetten, integraal personeelsbeleid (ipb, sps, functiedifferentiatie, opleiden in de school), professionalisering schoolleiders, uitbreiding onderwijsbevoegdheid.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het voortgezet onderwijs kent het systeem van de normatieve bekostiging. Dat wil zeggen dat aan de hand van het aantal leerlingen dat voor bekostiging in aanmerking komt de school een bedrag als lumpsum ontvangt. In 2003 ontvingen de scholen normatief circa € 4,1 miljard voor de reguliere personele uitgaven. Daarnaast is voor de bekostiging van de hierboven genoemde instrumenten een bedrag van € 16 miljoen uitgegeven, welk bedrag overeenkomt met de daarvoor geraamde kosten.
Zie ook beleidsartikel 9 Onderwijspersoneel.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In de Wet SLOA zijn de onderwijsondersteunende activiteiten voor primair en voortgezet onderwijs en bve geregeld. Het doel is ondersteuning van de ontwikkelingen in scholen en instellingen om een bijdrage te leveren aan het stimuleren van de kwaliteit en de toegankelijkheid van het onderwijs.
Dit betekent:
• dat met behulp van de sloa-activiteiten innovaties (zoals ict, lerarenbeleid en competenties) op voor scholen bruikbare wijze worden uitgewerkt;
• dat overige onderdelen van het onderwijsbeleid met behulp van de sloa-activiteiten worden geïmplementeerd.
De eindverslagen van de ondersteunende (sloa-)instellingen over de activiteiten van 2003 worden in het eerste kwartaal van 2004 verwacht.
Uit de tussentijdse rapportages van september 2003 blijkt dat het merendeel van de projecten op schema ligt. De instellingen verwachten dat in bijna alle gevallen de einddatum van 31 december 2003 zal worden gehaald. De ondersteuning bij de examens is gebonden aan een strakke tijdsplanning.
Afwijkingen van de gestelde termijnen zijn hier nauwelijks aanwezig.
De projecten worden in nauwe samenwerking met de scholen uitgevoerd. Deze samenwerking verloopt voor het merendeel naar wens.
Sommige projecten vereisen een gedegen voorbereiding voordat met scholen aan de daadwerkelijke uitvoering kan worden begonnen. Het opschuiven in de tijd heeft soms tot gevolg dat projecten niet voor het einde van het jaar kunnen worden afgerond.
Uit de eindverslagen over het jaar 2002 blijkt dat de voor dat jaar geplande activiteiten vrijwel allemaal zijn afgerond, maar een beperkt aantal projecten nog een doorloop hebben gehad naar 2003.
Ook voor een gering aantal projecten uit 2003 wordt verwacht dat zij in de eerste helft van 2004 zullen worden beëindigd.
De Vereniging van Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra (VSLPC) publiceren jaarlijks een gezamenlijk overzicht met de producten die zij met de scholen voor voortgezet onderwijs hebben ontwikkeld. Scholen kunnen ook via de websites van de instellingen feitelijke informatie krijgen over ontwikkeld materiaal dat hen van dienst kan zijn bij de eigen ontwikkeling.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Bijna alle projecten zijn uitgevoerd volgens de planning. Bij sommige projecten bleek het echter noodzakelijk om tussentijds op onderdelen het projectplan te wijzigen. De oorzaken daarvan waren divers. Zowel het departement als de scholen hebben verzocht om de doelstellingen van enkele projecten bij te stellen.
Productie landelijke examens voortgezet onderwijs
De CEVO coördineert de organisatie van het centraal examen en geeft sturing aan de deskundigen. De feitelijke productie van de opgaven voor de centrale examens wordt verzorgd door het CITO. De CEVO stelt deze vast namens de minister.
Jaarlijks worden de productie en de examenresultaten verantwoord in het «Examenverslag vbo/mavo/havo/vwo». Naast de inhoudelijke ontwikkeling en niveaubepaling is een substantieel deel van de werkzaamheden gericht op normvergelijking. De centrale examens van het vmbo zijn dit jaar voor het eerst gehouden. De slaagpercentages wijken nauwelijks af van die van de voorgaande jaren.
De marktwerking in de landelijke onderwijsondersteuning is in 2003 toegenomen. Een groot aantal instanties heeft hierop met diverse projecten ingeschreven. De eindrapportages van de projecten zijn nog niet ontvangen. Deze worden in het eerste kwartaal van 2004 verwacht.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde en feitelijke kosten voor de reguliere sloa-activiteiten komen overeen. Sommige projecten hebben meer gekost dan feitelijk was voorzien, maar hebben van OCW de gelegenheid gekregen deze met onderschrijdingen elders te compenseren. Deze compensatie moest echter wel plaatsvinden binnen de middelen die voor de afzonderlijke mantels ter beschikking werden gesteld en binnen de verschillende onderwijssoorten. Voor enkele projecten heeft OCW additionele middelen ter beschikking gesteld. Het gaat om circa € 2,5 miljoen en betreft voornamelijk onderhoud examens en ontwikkeling van het gebruik van computers bij het centraal examen.
| Tabel 3.14: uitgaven 2003 sloa-activiteiten (x € 1 miljoen) | |
|---|---|
| Ondersteuning vernieuwingsactiviteiten | 11,2 |
| Examenontwikkeling | 13,2 |
| Denktank | 5,4 |
| Veldaanvragen en onderzoek | 4,4 |
| Totaal | 34,2 |
Bron: Cfi.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Volgens de wetgeving voor schoolplan, schoolgids en klachtenregeling (WVO 1998) moeten alle scholen beschikken over een systeem van kwaliteitszorg, opdat zij voldoende zicht hebben op mogelijkheden tot verbetering daarvan, inclusief de daarvoor benodigde instrumenten.
Om de invoering van een professionele kwaliteitszorg in het voortgezet onderwijs te bevorderen is een meerjarig stimuleringsproject opgezet, het Q-5 project dat loopt van 2000 tot 2005. Doel van het project is om scholen bij invoering van de kwaliteitszorg te ondersteunen. De hoofdtaken zijn voorlichting, deskundigheidsbevordering en informatieverstrekking bij de vormgeving van het kwaliteitsbeleid. Het Q-5 project voorziet in een tweejaarlijkse monitor, en rapporteert jaarlijks over de voortgang. De inspectie geeft jaarlijks in het onderwijsverslag de stand van zaken van de invoering van de kwaliteitszorg.
De doelbereiking kan op verschillende niveau's worden geformuleerd. De inspectie stelt jaarlijks vast of de door scholen gehanteerde kwaliteitszorg voldoen aan de kwaliteitskenmerken van de inspectie. In 2002 voldeed 34% van de scholen hieraan; in 2003 36% van de scholen. Over 2001 kwam de inspectie tot een percentage van ruim 60% van de scholen dat voldeed, daarbij werden echter minder strenge criteria aangelegd.
Volgens de monitor in opdracht van Q-5, gehouden in 2002, hanteerde 60% van de scholen periodiek een vorm van zelfevaluatie. Deze monitor zal in 2004 worden herhaald.
Aan het begin van het Q-5 project is de volgende omschrijving van de opbrengsten van het project (voor 2005 derhalve) opgesteld:
• 25 tot 30% van de scholen past integrale systematische kwaliteitszorg toe;
• 50% past beperkte vormen van kwaliteitszorg toe;
• 60% legt resultaten van zelfevaluatie voor aan derden;
• 90% betrekt ouders/leerlingen bij hun kwaliteitszorg.
Het door de inspectie vastgestelde percentage van 36% is enerzijds ver weg van een gewenst percentage van ruim 90% van de scholen met een werkend stelsel van kwaliteitszorg. Anderzijds ligt het boven het percentage van 30% gesteld in het projectplan van Q-5 voor integrale systematische kwaliteitszorg.
Nader uitsluitsel wordt nog verwacht van de monitor in 2004 en van het externe evaluatieonderzoek naar inspectietoezicht, dat eveneens in 2004 plaats vindt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De door het Q-5 project voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd:
• voorlichting via website, periodiek, brochures en conferenties;
• bevordering netwerken scholen;
• bevordering voorbeeldprojecten;
• ondersteuning instrumentontwikkeling kwaliteitszorg tweede fase, schoolexamens, curriculum, kwaliteit van zorg bij zorgleerlingen;
• deelname internationale projecten.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het Q-5 project kost ongeveer € 0,5 miljoen per jaar. Een vergelijkbaar bedrag is besteed via de sloa-middelen aan instrumentontwikkeling e.d. De gedane uitgaven zijn conform de begrote bedragen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Leerlingen en ouders zijn er bij gebaat dat het onderwijs wordt gegeven in organisatorische eenheden waarbinnen gevoelens van geborgenheid en betrokkenheid mogelijk blijven. De schoolomvang moet de menselijke maat niet overstijgen. Fusies en verdere schaalvergroting worden in het voortgezet onderwijs daarom niet gestimuleerd.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Scholen kunnen kennis nemen hoe het onderwijs in kleinschalige eenheden aangeboden kan worden, zodat de betrokkenheid en geborgenheid van leerlingen en ouders bij de school gewaarborgd kunnen worden.
Hiervoor is onder scholen in 2003 een brochure verspreid met daarin voorbeelden van scholen die hun gebouw en organisatie vanuit een streven naar kleinschaligheid hebben ingericht.
Verder is bij de toetsingskaders het uitgangspunt gehanteerd dat niet schaalvergroting maar de school op menselijke maat bevorderd moet worden.
Daartoe zijn twee onderzoeken uitgevoerd om te kijken naar de relatie tussen de schoolgrootte en de kwaliteit van het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs heeft een onderzoek gedaan naar het verband tussen de kwaliteit van de school en de aspecten schoolgrootte (aantal leerlingen per vestiging), inrichting (aparte eenheden, gebouwen, gescheiden leerlingstromen) en samenstelling (schooltypes). Het bureau Doordecentralisatie Huisvesting VO (DHV) en de KPC-groep hebben een brochure opgesteld waarin een aantal voorbeelden zijn beschreven. Deze brochure is verspreid onder de scholen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het is van belang dat scholen komen met een onderwijsaanbod dat passend is voor de regio om zo de aantrekkelijkheid van het vmbo te verbeteren. Dit kan door middel van regionale arrangementen, waarbij scholen in de regio samenwerken met elkaar, het vervolgonderwijs, gemeente(n), provincie en bedrijfsleven met als doel een vmbo-aanbod dat aansluit op de behoeften van leerlingen en ouders.
Ook de relatie met de arbeidsmarkt speelt een rol.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Er zijn vier in plaats van tien regionale arrangementen gerealiseerd per 1 augustus 2003. De andere arrangementen waren nog niet ver genoeg met hun plannen op het gebied van het aanbod om in 2003 al gerealiseerd te worden. Verwacht wordt dat veel van deze arrangementen in 2004 wel ver genoeg zijn om tot goedkeuring over te gaan.
Er is ervaring opgedaan met regionale arrangementen. De werkgroep «planningsvrijheid vmbo» heeft een rapport geschreven Ruimte voor scholen, waarin een advies wordt gegeven over de landelijke beleidsvorming en voorbereiding van de wetgeving met betrekking tot de planningsvrijheid in het vmbo.
Dit rapport is op 10 juli 2003 aan de Kamer verzonden. Uit dit rapport bleek dat er een centrale rol is voor de visie op het aanbod van onderwijs in de regio, wat door de regionale arrangementen de regiovisie wordt genoemd. In het kader van deze uitkomst is besloten om aan de hand van ervaringen van regionale arrangementen «good practice» te verzamelen over de vorm en de inhoud van de regiovisie. Dit heeft het rapport «de regiovisie nader bekeken» opgeleverd. Dit rapport bevat veel bruikbare informatie, zeker voor arrangementen die in de startfase zitten, en zal daarom verspreid worden onder betrokkenen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het betreft een viertal samenwerkingsverbanden waarmee een bedrag van circa € 0,1 miljoen is gemoeid.
3.3.9 Vereenvoudiging bekostigingsmodel
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het huidige bekostigingsmodel bevat teveel parameters en is daardoor nodeloos ingewikkeld. Daarnaast is het model verouderd en gezien de verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden niet transparant genoeg. De materiële bekostiging sluit onvoldoende aan op de personele bekostiging.
De bekostiging vindt daarnaast plaats op schooljaarbasis. Dat levert voor scholen die een groeiend aantal leerlingen hebben financiële problemen op. Zij moeten teveel voorfinancieren. Bekostiging op schooljaarbasis sluit voorts niet aan op verantwoording op kalenderjaarbasis.
De beoogde datum van invoering van de vereenvoudiging is 1 januari 2005.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?.
De oplossing van bovenstaande problemen is een verdergaande vereenvoudiging van de bekostiging.
Hiertoe is een wetswijziging voorbereid. Daarover is overleg gevoerd met besturenorganisaties. Deze zijn in meerderheid akkoord gegaan met het voorstel tot vereenvoudiging inclusief de overgangsregeling (i.v.m. herverdeeleffecten). De wetswijziging zal naar verwachting in het begin van 2004 naar de Kamer worden gezonden.
Genoemde (uitvoering van) plannen past in het streven van deregulering.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Nog niet van toepassing.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Zoals ook blijkt uit het Jaarverslag 2002 is in voorgaande jaren flink geïnvesteerd in de materiële vergoeding voor scholen met incidentele en structurele impulsen. Maar in dat jaarverslag is ook te lezen dat uit extern onderzoek van eind 2001 blijkt dat de materiële bekostiging als gevolg van diverse ontwikkelingen in het onderwijs wel onder druk is komen te staan.
De mate waarin geïnvesteerd wordt in eigentijds materieel en in functionele gebouwen, is een verantwoordelijkheid van scholen zelf, afhankelijk van de eigen behoefte.
Daarnaast is verder gegaan met het kritisch op nut en noodzaak bezien van de administratieve lasten die op scholen drukken (zie onderstaand). Minder centrale sturing en beperking van administratieve lasten maken het mogelijk dat scholen meer doen met de huidige budgetten.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Met het oog op deregulering en autonomievergroting zijn met ingang van het schooljaar 2002–2003 de aparte regelingen voor ict en dyslexie niet verlengd maar de daarmee gepaard gaande vergoedingen zijn aan de materiële exploitatiekostenvergoeding toegevoegd. In lijn hiermee is in 2003 besloten om de individuele bekostiging van scholen in verband met leerlingen met een handicap (uit het zogenaamde potje Smeenk) met ingang van 1 augustus 2004 af te schaffen. Het jaarlijks daaraan bestede bedrag zal per die datum worden toegevoegd aan de lumpsum van scholen.
In 2003 is ook besloten de «Wijziging regeling visueel of auditief gehandicapte leerlingen WVO» per 1 augustus 2004 in te trekken. Het bedrag dat in het kader van die regeling voor auditief gehandicapte leerlingen aan scholen wordt toegekend, wordt met ingang van 1 augustus 2004 in de vorm van lumpsumbekostiging aan de scholen toegekend.
Voor beiden geldt dat de exacte wijze waarop de betreffende middelen worden toegevoegd aan de lumpsum in 2004 verder vorm zal krijgen. Bovenstaande betekent in ieder geval dat met ingang van het schooljaar 2004–2005 scholen hiervoor geen arbeidsintensieve aanvragen voor aanvullende bekostiging meer hoeven in te dienen.
Het intrekken van eerder genoemde regeling per 1 augustus 2004 geldt ook voor de aanvullende bekostiging voor visueel gehandicapte leerlingen. In 2003 is gestart met overleg met onder andere de betrokken instellingen en organisaties voor visueel gehandicapten en in 2004 zal duidelijk worden hoe de bekostiging van deze groep leerlingen ingericht gaat worden.
Daarnaast is in 2003 besloten het centrale contract tussen het ministerie en nl.tree voor de internetvoorziening van scholen per 1 januari 2004 te beëindigen en met ingang van die datum zijn scholen vrij om hun eigen internetprovider te kiezen. Met ingang van 2004 ontvangen scholen een lumpsumvergoeding bedoeld voor de internetvoorziening.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Zoals al is gemeld, is er in 2003 niet extra geïnvesteerd in specifiek de materiële vergoeding voor de scholen in het voortgezet onderwijs. De verschillende vergoedingen voor de exploitatiekosten voor het schooljaar 2003–2004 waren gelijk aan die voor het schooljaar 2002–2003. In 2003 bedroeg de totale exploitatiekostenvergoeding € 563 miljoen.
3.3.11 Informatie- en communicatietechnologie
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling: integratie van ict in het onderwijsleerproces. Informatie- en communicatietechnologie is geen doel op zich meer, de inzet van ict in het onderwijsleerproces wordt gebruikt om andere doelstellingen binnen het onderwijs te bereiken.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om integratie van ict in het onderwijsleerproces te bevorderen zijn de lopende experimenten voortgezet en zijn daarnaast in 2003 twee nieuwe projecten ten behoeve van integratie van ict afgegeven binnen de marktwerking SLOA.
• Door middel van uitvoering van het victo-project (vmbo informatie communicatie technologie onderwijs). Victo levert een bijdrage aan de doelstelling om in het vmbo 80% van de leerlingen in 80% van de maximale verblijfstijd de eindtermen te laten halen. Dit project richt zich in het bijzonder op de vmbo, bbl en kbl. Het percentage geslaagden in deze leerwegen ligt respectievelijk op 89% en 87%, waarmee de 80% doelstelling ruimschoots is gehaald in 2003 (vmbo-examens 2003, Inspectierapport nr. 2003–20).
• In 2001 hebben 7 scholen een eenmalige subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van het programma ict-route in het vmbo. Inmiddels hebben de eerste leerlingen examen afgelegd op basis van dit programma. In de afgelopen periode hebben zich verschillende scholen gemeld om als volgschool dit programma mede vorm te kunnen geven. Aan 10 scholen is toestemming verleend om hieraan mee te werken. Nu is overleg met een tweede tranche van volgscholen die de komende periode actief vorm geven aan dit programma.
• Om ervaring op te doen met ict en examens is het project «computerexamens» van start gegaan. In 2003 is de constructie gerealiseerd van experimentele ict-examens met examenstatus en het opzetten en uitvoeren van ict-examens zonder examenstatus. Tevens is gewerkt aan de (niet vakinhoudelijke) infrastructuur.
• Twee projecten marktwerking sloa. Beide zijn uitgezet/gestart met de bedoeling een impuls te geven aan de integratie van ict in het onderwijsleerproces en ict als hulpmiddel te gebruiken. In het eerste project wordt een vakoverstijgende leergang gericht op de vaardigheden in het vmbo ontworpen. Het tweede project is gericht op competentieleren gekoppeld aan een leerlingvolgsysteem.
Alle scholen in het voortgezet onderwijs zijn in het bezit van een internetverbinding. Het centrale contract van OCW met nl.tree voor de infrastructuurvoorziening is op 31 december 2003 afgelopen. Om scholen in staat te stellen hun eigen internetprovider te kiezen worden vanaf 1 januari 2004 de middelen die voor de infrastructuur beschikbaar zijn rechtstreeks toegevoegd aan de lumpsum van de scholen (€ 18 per leerling).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De ict-vergoeding voor het voortgezet bedraagt € 58 per leerling. Dit bedrag is opgenomen in de reguliere bekostiging via de lumpsum. De middelen die voor de infrastructuur beschikbaar waren, zijn uitgegeven volgens het centrale contract van de directie ICT met nl.tree. Daarnaast ontving iedere vo-school via een aparte regeling een vergoeding van € 11,24 voor het gebruik van Kennisnet.
Zie ook beleidsartikel 10 Informatie en communicatietechnonogie
3.4 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Tabel 3.15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | VastgesteldeBegroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 4 094 051 | 4 385 513 | 4 954 581 | 5 165 24 9 | 5 201 796 | 5 050 352 | 151 444 |
| – waarvan garanties | 0 | 0 | 0 | 0 | 20 000 | 0 | 20 000 |
| Uitgaven | 3 395 958 | 4 250 728 | 4 661 290 | 4 932 021 | 5 12 5 327 | 5 020 081 | 105 246 |
| Basisvorming | 2 348 740 | 2 432 678 | 2 379 095 | 53 583 | |||
| Vmbo-leerwegen | 1 402 902 | 1 474 730 | 1 442 247 | 32 483 | |||
| Tweede fase havo/vwo | 820 055 | 876 388 | 857 084 | 19 304 | |||
| Onderwijsverzorging en projecten | 71 928 | 72 145 | 71 298 | 847 | |||
| Overige voorzieningen | 288 396 | 269 386 | 270 357 | – 971 | |||
| Ontvangsten | 4 211 | 4 938 | 3 150 | 3 221 | 2 531 | 1 361 | 1 170 |
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE
4.1 Algemene beleidsdoelstelling
De algemene beleidsdoelstelling van het beroepsonderwijs en de educatie is alle deelnemers de kans te geven hun talenten te ontwikkelen en hen te kwalificeren voor de beroepsuitoefening of een vervolgopleiding dan wel hen een basis te geven om op latere leeftijd weer te leren, sociaal redzaam te zijn en te participeren in de Nederlandse maatschappij door onder meer het goed beheersen van de Nederlandse taal.
4.2 Het stelsel: de staat van de sector
Uit het onderwijsverslag over het jaar 2003 van de Onderwijsinspectie blijkt dat de instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in principe voldoende toegankelijk zijn voor specifieke doelgroepen en kansarmen. Waarbij wordt opgemerkt, dat meer dan de helft van de instellingen binnen het beroepsonderwijs geen expliciet doelgroepenbeleid voert, en ook niet differentieert naar doelgroep.
De doorstroom vanuit de educatie naar het beroepsonderwijs lijkt echter onder druk te komen staan.
| Tabel 4.1: Deelnemers mbo in 2003 (aantal x 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Realisatie 2003 | Vastgestelde begroting | Verschil | |
| Bol | 271 672 | 260 166 | 11 506 |
| waarvan niveau 1 en 2 | 60 605 | 50 399 | 10 206 |
| Bbl | 154 280 | 162 375 | – 8 095 |
| waarvan niveau 1 en 2 | 75 312 | 83 465 | – 7 072 |
| Bol-dt | 23 420 | 35 956 | – 12 536 |
| waarvan niveau 1 en 2 | 10 951 | 17 559 | – 6 608 |
| Totaal mbo | 449 372 | 458 497 | – 9 125 |
Bron: Bekostigingstelling 2002, Referentietelling 2003.
In de realisatie is een forse daling van bol deeltijd waar te nemen. De belangrijkste oorzaken van deze daling zijn waarschijnlijk het effect van het wetsvoorstel «korte klap» dat voorschrijft dat er voor deeltijdbol een minimumnorm van 300 uur geldt en de lage conjunctuur. Hierdoor stellen potentiële deelnemers een voorgenomen deeltijdopleiding uit en zijn bedrijven minder genegen om hun personeel te scholen.
| Tabel 4.2: Deelnemers educatie (inclusief inburgering) (aantal x 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Realisatie 2003 | Vastgestelde begroting | Verschil | |
| Educatie | 160,6 | 169,5 | – 8,9 |
Bron: Beleidstelling 2002, Referentietelling 2003.
| Tabel 4.3: Aantallen instellingen | |
|---|---|
| Soort | Aantal in 2003 |
| Roc's | 41 |
| Vakinstellingen | 13 |
| Met hbo geïntegreerde mbo-instelling | 1 |
| Instellingen voor doven | 2 |
| Instellingen van een «laatste richting» | 2 |
| Totaal | 59 |
Bron: Informatiesysteem bve 2004.
| Tabel 4.4: Aantallen personeel (in fte) | |
|---|---|
| Type | Aantal in 2003 |
| Onderwijzend personeel | 23 600 |
| Management | 600 |
| Onderwijs ondersteunend personeel | 13 400 |
| Totaal aantal fte's | 37 600 |
Bron: OCW, basisregistratie personeel (BRP).
Uit het onderwijsverslag over 2003 blijkt dat de leeractiviteiten van de deelnemers voldoende zijn gericht op de eindtermen, maar dat het onderwijsleerproces nog te weinig uitdagend en passend is. Evenals over het jaar 2002 heeft de inspectie de onderwijsleerprocessen bij meer dan 90 procent van de opleidingen als voldoende beoordeeld. Inspanningen om vernieuwend onderwijs te geven zijn weliswaar merkbaar tijdens sommige lessen, maar leiden veelal nog niet tot zelfreflectie en zelfsturing van het leerproces door de deelnemer.
In 2003 is voor de vijfde keer aan een representatieve groep Nederlanders gevraagd naar hun mening over het onderwijs (Onderwijsmonitor 2003). De kwaliteit van het mbo wordt door deze groep gewaardeerd met een 7,2 (ter vergelijking; vmbo met 6,6 en wo met 7,4). Deze rapportcijfers zijn door de jaren heen vrij stabiel. De bekendheid van het regionaal opleidingencentrum (roc) is niet significant gewijzigd ten opzichte van vorig jaar. Bijna de helft van de Nederlanders (46%) zegt te weten wat een roc is.
De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs is gebaseerd op het aantal ingeschreven deelnemers en het aantal afgegeven diploma's. Daarnaast worden middelen voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten (voa) toegekend. Deze middelen zijn bestemd voor deelnemers die – vanwege beperkte vooropleiding – extra ondersteuning kunnen gebruiken om de opleiding met gunstig gevolg af te ronden. De voa-middelen worden verdeeld over de deelnemers ingeschreven op niveau 1 en (40% van) niveau 2.
| Tabel 4.5: Uitgaven per deelnemer mbo (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Realisatie 2003 | Vastgestelde begroting | Verschil | |
| Uitgaven per deelnemer mbo | 6.1 | 6.0 | 0.1 |
Bron: Bekostigingstelling 2002, Referentietelling 2003.
De verdeling van de rijksbijdrage over de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven is gebaseerd op het aantal opleidingen dat zij hebben ontwikkeld en onderhouden, het aantal erkende leerbedrijven en het aantal deelnemers, ingeschreven bij de instellingen, waarvoor een praktijkplaats nodig is. Met ingang van 2004 is de bekostiging voor de opleidingen bevroren op het niveau van het aantal op 1 augustus 2001. Reden daarvoor is dat de kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs vernieuwd wordt en daarmee ook een reductie van het aantal opleidingen tot stand wordt gebracht. Op peildatum 1 oktober 2002 zijn 166 726 leerbedrijven erkend.
De verdeling van de rijksbijdrage educatie over de gemeenten is gebaseerd op het aantal volwassen inwoners, de volwassen inwoners met een bepaalde etnische achtergrond en de volwassen inwoners met een laag opleidingsniveau. Met deze middelen kopen de gemeenten via contracten educatieve activiteiten in bij roc's.
| Tabel 4.6: Gediplomeerde uitstroom in het mbo in 2002 (aantal x 1000) | |||
|---|---|---|---|
| Diploma | Totale uitstroom | Percentage gediplomeerd | |
| bol-vt | 62 806 | 112 314 | 56% |
| waarvan niveau 1–2 | 16 212 | 35 022 | 46% |
| waarvan niveau 3–4 | 46 594 | 77 292 | 60% |
| bbl | 54 273 | 93 548 | 58% |
| waarvan niveau 1–2 | 28 730 | 51 320 | 56% |
| waarvan niveau 3–4 | 25 543 | 42 228 | 60% |
| bol-dt | 3 595 | 18 419 | 20% |
| waarvan niveau 1–2 | 804 | 11 352 | 7% |
| waarvan niveau 3–4 | 2 791 | 7 067 | 39% |
| Totaal | 120 674 | 224 281 | 54% |
Bron: Bekostigingstelling 2002, Beleidstelling 2002.
Het totaal percentage gediplomeerden is nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van een jaar geleden. Waarschijnlijk is slechts een deel van de ongediplomeerde uitstroom aan te duiden als voortijdig schoolverlater. Een groot deel van de ongediplomeerde uitstroom heeft al eerder in het mbo een diploma gehaald, of is veranderd van opleiding. Verder doet zich bij deeltijd bol het verschijnsel voor dat veel deelnemers zich inschrijven voor een bepaald vak en niet het doel hebben een volledig diploma te behalen.
Gediplomeerde schoolverlaters van het mbo kregen, zo blijkt uit het onderzoek van het ROA1, vrijwel allemaal een baan. Eind 2002 had bijna 60% van de mbo-leerlingen die in 2001 van school waren gekomen een baan gevonden. Een kleine 40% van de schoolverlaters is verder gaan leren.
De werkloosheidpercentages liggen nog altijd laag, hoewel het werkloosheidspercentage van afgestudeerde mbo'ers gestegen is van 1,8 naar 3,3%. Het arbeidsmarktperspectief voor mbo'ers kan op de middellange termijn over het algemeen als «voldoende tot goed» bestempeld worden.
| Tabel 4.7: Percentage in- en uitstroom in het mbo | |||
|---|---|---|---|
| Van | Naar mbo in 2002 (2002/2003) | Van mbo in 2002 (2001/2002) | Naar |
| vmbo | 2,70 | ||
| vmbo-d | 28,64 | 0,56 | overig |
| havo-d | 0,81 | 6,95 | hbo |
| mbo | 12,21 | 12,97 | mbo |
| buiten onderwijs/anders | 55,64 | 79,52 | buiten onderwijs/anders |
Bron: Referentieraming 2004, gebaseerd op de Onderwijsmatrix 2002.
Op grond van de financiële kengetallen solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit kan worden gesteld dat de financiële positie van de bve-sector in 2002 ten opzichte van 2001 gelijk is gebleven en gemiddeld genomen als «goed» is te kwalificeren. Het exploitatieresultaat is negatief. De belangrijkste oorzaak van het negatieve exploitatieresultaat is de toename van de personele lasten. De investeringen zijn in 2002 ook weer toegenomen. Het gaat hier om een momentopname voor de hele sector (regionale opleidingencentra, vakinstellingen en overige onderwijsinstellingen).
De solvabiliteit (eigen vermogen inclusief voorzieningen/totaal vermogen) van de sector bevond zich in 2002 op een hoog niveau van 61%. Ten opzichte van 2001 is de solvabiliteit gelijk gebleven.
Er zijn twee roc's die onder de norm van 0,3 vallen en waarmee hun solvabiliteit als «zwak» gekwalificeerd wordt. Eén van deze roc's scoort al gedurende 3 jaar onder de norm.

Hoewel de liquiditeit (vlottende activa/kortlopende schulden) ten opzichte van vorig jaar iets is afgenomen (van 1,32 naar 1,24) kan deze nog altijd als gemiddeld genomen «goed» worden gekwalificeerd.
Negen roc's kenden in 2002 een zwakke liquiditeit (< 0,6). Dit zijn er 2 meer dan het aantal in 2001. Van deze negen roc's met een zwakke liquiditeit scoren er vier al gedurende 3 jaar of langer onder de norm.

Rentabiliteit is matig/voldoende
De rentabiliteit (resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering) van de bve-sector is in 2002 – 0,1, en dus aanzienlijk afgenomen ten opzichte van 2001 (2,6). De rentabiliteit is «matig/voldoende» te noemen. Dat betekent dat er reden is om alert te zijn. De komende jaren zal hier extra op gelet worden.
De lage rentabiliteit komt doordat het saldo van de baten en lasten uit de gewone bedrijfsvoering sterk is gedaald. Oorzaak voor de afname is het feit dat de lasten sneller toenamen dan de baten.
Deze lasten- zoals personele lasten, afschrijvingen, huisvesting en overige lasten- stegen met 9,3% ten opzichte van 2001.

De omvang van contractactiviteiten toegenomen
de contractactiviteiten is ten opzichte van de totale baten, voorzover niet belegd in aparte contractstichtingen, etcetera, toegenomen van 3,8% in 2001 tot 4,1% in 2002. De baten van werk in opdracht van derden bedroeg in 2002 € 122,5 miljoen.
De voorzieningen zijn ten opzichte van vorig jaar met € 5,9 miljoen toegenomen. Het aandeel van de voorzieningen in het totale vermogen blijft over de jaren heen redelijk constant (circa 8,5% van het balanstotaal).
De post algemene reserves van de instellingen bedroeg in 2002 € 1 055 miljoen, een stijging van meer dan 7% ten opzichte van 2001. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat andere reserves (bestemmingsreserves) gedaald zijn ten opzichte van 2001. De post algemene reserves als percentage van de totale baten is zelfs iets gedaald vergeleken met 2001 (van 35,9% in 2001 naar 35,6% in 2002).
De post effecten is ten opzichte van 2001 met 23% afgenomen.
De post effecten bedroeg in 2002 € 40,2 miljoen. Er is een verschuiving waar te nemen van vaste activa naar vlottende activa. Deze verschuiving heeft zowel plaats gevonden bij de obligaties, als bij de aandelen.
4.3 Operationele doelstellingen
4.3.1 Toezicht/meervoudige publieke verantwoording/kwaliteitszorg
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling was om in 2003 het toezicht op instellingen (intern en extern), de accountability (horizontaal en verticaal) en de kwaliteitszorg, te versterken.
Met betrekking tot het interne en externe toezicht is wetgeving gerealiseerd voor het instellen van Raden van toezicht en het introduceren van een nieuw toezichtkader voor de onderwijsinspectie op de onderwijsinstellingen. Begin 2003 heeft de Bve Raad een verenigingsreglement vastgesteld, waarmee de sector vooruitloopt op het inwerkingtreden van het wetsvoorstel korte klap.
Het streven was voorts dat de onderwijsinstellingen in het tijdvak 1996 tot en met 2003 een volwaardig en adequaat functionerend kwaliteitszorgsysteem zouden hebben, waarbij alle instellingen een de kwaliteitscyclus doorlopen, belanghebbenden betrekken bij de kwaliteitsbeoordeling en de resultaten die ze willen bereiken, en verantwoording afleggen over de prestaties, die ze leveren aan belanghebbenden (meervoudige publieke verantwoording (mpv)).
Indicator voor dit streven is het percentage met een oordeel «voldoende» door de inspectie over de kwaliteitszorg.
Uit het onderwijsverslag 2003 blijkt dat van de onderzochte opleidingen in 2003 maar 38% een voldoende op het aspect kwaliteitszorg scoort. Met de stijging van 20% (van de bestandsopname 2000 tot en met 2002) naar 38% is een lichte verbetering te zien. Waar het gaat om publieke verantwoording in de vorm van zelfevaluaties van de instellingen oordeelde de inspectie dat deze in 2003 veelal nog onvoldoende transparant zijn (de gegevens van de instellingen zijn te weinig valide en betrouwbaar). De resultaten van tevredenheidsonderzoeken werden daarnaast nog onvoldoende teruggekoppeld naar deelnemers en docenten. Tot slot verbond men volgens de inspectie in 2003 nog onvoldoende concrete acties aan de dialoog met de regionale arbeidsmarkt.
Het gegeven dat de doelstelling niet is gehaald, is in belangrijke mate terug te voeren op de invoering van de WEB en het herstructureringsproces van roc-vorming welke een flinke vernieuwingsslag betekende voor de bedrijfsvoering van bve-instellingen. De doelstelling die vanaf de invoering van de WEB werd geformuleerd is dan ook te ambitieus geweest.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 is gewerkt aan versterking van het interne toezicht. Thans ligt er een wetvoorstel Raden van toezicht, dat begin 2004 naar de Raad van State is gestuurd.
In het kader van de Wet onderwijstoezicht (WOT) is het nieuwe toezichtkader bve vastgesteld en aan de Tweede Kamer gestuurd en is in 2003 een start gemaakt met het proportionele toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij wordt aangesloten bij de zelfevaluatie van de instellingen.
De Bve Raad heeft begin 2003 een verenigingsreglement vastgesteld waarin ook aspecten van zelfregulering zijn opgenomen.
Deze aspecten lopen voor een deel vooruit op de invoering van het wetsvoorstel korte klap. Het wetsvoorstel korte klap behelst het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.
Een belangrijke activiteit in het verslagjaar vormde het opstellen van de notitie Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, waarin helderheid wordt geboden met betrekking tot de vigerende regelgeving inzake bekostiging. In deze notitie is ook aangegeven hoe wordt omgegaan met publieke en private activiteiten.
Voor het versterken van de kwaliteitszorg en de meervoudig publieke verantwoording werden de voorgenomen bestuurlijke afspraken met de Bve Raad met het oog op een convenant niet doorgezet, omdat het niet meer passend is om hierover afzonderlijke afspraken te maken met de Bve Raad, Colo en Paepon. Dit door veranderende bestuurlijke verhoudingen tussen OCW, de bestuurlijke organisaties en de instellingen.
Colo heeft met ondersteuning van OCW in 2003 het project, om de publieke verantwoording en kwaliteitszorg van de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven te versterken, voortgezet.
Daarnaast werd in 2003 samen met Colo een verkenning gestart naar de ontwikkeling van een sluitend toezicht op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
In het kader van flankerend beleid zijn instrumenten ontwikkeld c.q. in ontwikkeling, die een stimulans vormen voor de ontwikkeling van de kwaliteitszorg en meervoudig publieke verantwoording van de instellingen. Dit zijn instrumenten die de positie van belanghebbenden en met name de deelnemers versterken (medezeggenschap van deelnemers en personeel, betere consumenteninformatie); tot een grotere transparantie van prestaties leiden (kwaliteitskaart van de inspectie) en tot een stimulerend toezicht en scherpere handhaving leiden (proportionele toezicht in het kader van de WOT, wetgeving interne raden van toezicht en aanscherping van het sanctiebeleid).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Meervoudige publieke verantwoording en kwaliteitszorg zijn taken die via de rijksbijdrage worden gefinancierd.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 205, nr. 5. Verslag wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met verbetering kwaliteit beroepsopleidingen.
• Kamerstukken II, 2002–2003, niet-dossierstuk, ocw 0300032. Brief van de minister van onderwijs (d.d. 12 februari 2003) ter aanbieding van de toezichtskaders primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs, expertisecentra, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 28 817, nr. 5. Bijlage: Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 371, nr. 3. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met modernisering medezeggenschap; Memorie van toelichting.
4.3.2 Vervolg evaluatie WEB (mbo)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De onderwerpen die in het evaluatieverslag WEB aan de orde zijn gesteld, zouden in afzonderlijke trajecten worden uitgewerkt. Het betrof onder meer onderwerpen als de vernieuwing kwalificatiestructuur beroepsonderwijs, kwaliteit beroepspraktijkvorming, de examinering en de beroepskolom. Zie voor de stand van zaken van deze trajecten de betreffende paragrafen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In de begroting 2003 is aangekondigd dat eventuele acties uit de kabinetsreactie op dit advies in 2003 van start gaan. De reactie op het SER-advies «Koersen op vernieuwing» over de betrokkenheid van het bedrijfsleven/sociale partners bij het innovatiearrangement (met als onderwerpen regie opleidingenaanbod, innovatie binnen de beroepskolom en de beroepspraktijkvorming) wordt meegenomen in de uitwerking van Koers Bve 2.
Bij de invoering van de huidige bekostigingssystematiek voor het middelbaar beroepsonderwijs is aangekondigd dat deze systematiek in 2004 zou worden geëvalueerd. In de aanloop naar dat moment is, zoals aangekondigd in de begroting 2003, al in 2002 een ambtelijke verkenning gestart naar mogelijke ijkpunten voor een nieuwe systematiek. In 2003 kwam daarbij steeds meer de nadruk te liggen op de betekenis en mogelijke gevolgen van de rekenschapsdiscussie. Dat heeft in september 2003 geresulteerd in de publicatie van de notitie Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Hierin zijn onder meer preciseringen gegeven ten aanzien van het in- en uitschrijven van deelnemers. De reeds voor 2002 aangekondigde aanpassing van de wet- en regelgeving met betrekking tot les- en cursusgelden zal in het vervolg hierop nu in de eerste helft van 2004 zijn beslag krijgen. De geplande evaluatie van de bekostigingssystematiek is voorzien voor het najaar 2004, zodat, indien daartoe aanleiding is, ook de resultaten van de commissie Schutte en de afspraken rondom Koers Bve 2 in de evaluatie kunnen worden meegenomen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het vervolg evaluatie WEB heeft geen kosten met zich mee gebracht.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 27, Tweede Kamer, Koers bve. Brief staatssecretaris van onderwijs over de voortgang Koers BVE ter voorbereiding van het overleg op 26 november.
4.3.3 Decentralisatie arbeidsvoorwaarden
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel was het bereiken van op de sector toegesneden arbeidsvoorwaarden, zodat kwaliteit en bedrijfsvoering kunnen worden verbeterd. De sociale partners in de bve-sector, de Bve Raad en Colo, hebben met de centrales van de werknemersorganisaties in 2003 voor het eerst een cao afgesloten. Met het decentraliseren van de arbeidsvoorwaarden zijn de afspraken over de arbeidsvoorwaarden beter afgestemd op de sector.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In het kader van de convenantafspraken over de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden is de regelgeving aangepast. Vanaf 1 februari 2003 zijn de werkgevers en werknemers zelf verantwoordelijk voor het pakket aan primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. De uitwerking van de decentralisatie is vastgelegd in een amvb, het zogenoemde decentralisatiebesluit.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De decentralisatie heeft geen financiële gevolgen met zich mee gebracht.
4.3.4 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid bve
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De overzichtsconstructie onderwijspersoneel beschrijft de ontwikkeling van de onderwijsarbeidsmarkt, ook voor de bve-sector.
Inzet was, gezien de krapte op de arbeidsmarkt en de toenemende behoefte aan instroom van personeel, de instellingen zich te laten richten op een bredere groep dan enkel de hoogopgeleiden.
Uit het aantal toegekende aanvragen voor een tegemoetkoming in de scholings- en verletkosten, blijkt dat de instellingen zich op een bredere doelgroep richten voor het aantrekken van onderwijspersoneel bve dat zich al werkend kwalificeert. In 2003 zijn er 589 duale opleidingstrajecten afgerond.
In de situatie met aanbodfinanciering werden er 428 nieuwe instromers voor de pedagogische didactische cursus gefinancierd. Na de omzetting naar vraagfinanciering is dit aantal ruimschoots gehaald; naast de aanvragen voor de tegemoetkoming in de scholingskosten voor 662 deelnemers aan de didactische cursus bve zijn er door circa 50 instellingen 589 aanvragen ingediend voor andere duale opleidingstrajecten, waarvoor een tegemoetkoming in de kosten is toegekend.
Voor wat betreft integraal personeelsbeleid en voorkomen uitstroom (ziekteverzuim) wordt verwezen naar de overzichtsconstructie onderwijspersoneel.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Per 1 januari 2003 is de aanbodfinanciering van de pedagogisch didactische cursus bve omgezet in vraagfinanciering. Het budget voor de cursus is toegevoegd aan het instellingsbudget.
De regeling subsidiëring duale opleidingstrajecten is, zoals gesteld in de begroting 2003, verlengd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het budget voor de pedagogische didactische cursus bve, dat is toegevoegd aan het instellingsbudget, bedraagt € 680 000.
Het beschikbare budget van € 2 miljoen voor duale opleidingstrajecten is overschreden met € 350 000 omdat alle aanvragen betreffende de duale opleidingstrajecten voor onderwijsberoepen bve zijn toegekend. Deze overschrijding is ondermeer betaald uit de onderuitputting matchingskosten.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
In artikel 9 staat een overzicht van informatie die aan de Tweede Kamer is verzonden.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In 2003 is de studie naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van een open bestel in de bve-sector afgerond. Onder een open bestel verstaan we het openstellen van de bekostigingssystematiek van het mbo voor de huidige particuliere aanbieders.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Er is conform de begroting 2003 een onderzoek geweest waarbij de instellingen (zowel besturen als deelnemers) en de omgeving van de instellingen is betrokken. Het onderzoek vormt een verdieping en toespitsing op de bve-sector van eerder onderzoek naar de mogelijkheden van marktwerking in het onderwijs en de daarbij horende randvoorwaarden. Het onderzoek laat zien dat de invoering van een open bestel een complexe operatie is die veel ingrijpende maatregelen vereist.
De input van de notitie Helderheid in overweging nemend en omdat medio 2003 duidelijk werd dat er een interdepartementaal beleidsonderzoek naar een open bestel in bve en ho zou starten (waarvan de resultaten in het voorjaar van 2004 beschikbaar komen) is ervan afgezien het specifieke bve-onderzoek te publiceren. Wel is het rapport aangeboden aan het genoemde interdepartementaal beleidsonderzoek.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 zijn hier geen uitgaven voor gedaan.
4.3.6 Informatie- en communicatietechnologie (ict)
In artikel 10 ict in het onderwijs, paragraaf 10.2.9.3, wordt weergegeven in hoeverre de voornemens rond informatie- en communicatietechnologie in de sector bve zijn verwezenlijkt.
In de overzichtsconstructie beroepsonderwijs wordt weergegeven in hoeverre de voornemens rond dit onderwerp voor vmbo, mbo en hbo zijn verwezenlijkt.
4.3.8 Kwaliteit beroepspraktijkvorming
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel was het percentage instellingen dat een voldoende scoort op de standaard beroepspraktijkvorming (bpv), te verhogen. Evenals in het jaar 2001 heeft de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) in het voorjaar van 2003 onder deelnemers aan het secundair beroepsonderwijs een onderzoek gehouden. In deze brede enquête werd ook het thema bpv leren en bpv begeleiding aan de orde gesteld. Uit het ODINII is gebleken dat de deelnemers tevreden zijn over de begeleiding die zij hebben ontvangen van de begeleiders op de bpv-plaats.
Ruim 63% van de deelnemers is (zeer) tevreden en slechts 11,5% (zeer) ontevreden. Minder te spreken waren de deelnemers over de bpv-begeleiding door de school. Hierover is een derde (zeer) tevreden, maar ook een derde (zeer) ontevreden.
Uit het onderwijsverslag over het jaar 2003 blijkt dat voor de bpv geldt dat de organisatie voor een deel op orde is. Toch blijft de kwaliteit van buitenschools leren en de beoordeling ervan, net als in 2002, een zwakke schakel in het beroepsonderwijs.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In het afgelopen jaar is een aantal afspraken gemaakt over de verbetering van de beroepspraktijkvorming. Dit onder andere naar aanleiding van de uitkomsten van het onderwijsverslag van de inspectie en het rapport ODIN van de JOB. De afspraken hebben betrekking op de ontwikkeling van een meetarrangement en een studie naar de mogelijkheden informatie over bpv te ontsluiten. De contactgroep werkend leren (cwl) heeft de basis gelegd voor een breed gedragen beeld over de kwaliteitsverbetering van de bpv. Dit was belangrijk, omdat tot voor kort betrokken partijen nog geen duidelijkheid en overeenstemming hadden over ten eerste het huidige kwaliteitsniveau van de bpv en ten tweede wie waarvoor verantwoordelijkheid droeg. Daarnaast is in de cwl de (wettelijke) verantwoordelijkheidsverdeling van partijen nog eens ten principale aan de orde gesteld. Hierbij ging het met name om de uitvoering van de leerlingbegeleiding, die van de landelijke organen naar de onderwijsinstellingen werd overgeheveld.
Toen de verantwoordelijkheidsverdeling helder was, kon naast de acties die al in gang zijn gezet door Colo en Bve Raad, gewerkt worden aan instrumenten om de kwaliteit verder te verbeteren. Concreet heeft dit gestalte gekregen door het ontwikkelen van een meetarrangement.
Dit meetarrangement kan de basis gaan vormen van prestatieafspraken die met het veld worden gemaakt over de verbetering van de beroepspraktijkvorming. Onderzoek heeft uitgewezen dat het niet haalbaar is een zelfstandige bpv-site te ontwikkelen. Bij de informatie ontsluiting bpv wordt aangesloten bij de site deelnemersinformatie bve-sector die in ontwikkeling is.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De activiteiten vonden plaats binnen het kader van de rijksbijdrage.
4.3.9 Vernieuwing kwalificatiestructuur beroepsonderwijs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling was het vereenvoudigen en flexibiliseren van de kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod. Het einddoel is te komen tot een substantiële vermindering van het aantal kwalificaties in 2007. Vereenvoudiging en flexibilisering wordt gestart als de wetgeving is aangepast. Colo heeft in 2003 een nieuwe systematiek ontwikkeld voor de beschrijving van de beroepsinhouden aan de hand van competenties. Inzet is te komen tot een beperking van het aantal kwalificaties, door overlap in competenties inzichtelijk te maken. In 2002 is de Stuurgroep Kwalificatiestructuur (Colo, Bve Raad en Paepon) door OCW gevraagd om deze systematiek nader te concretiseren en voorstellen bij OCW in te dienen voor wijziging van wet- en regelgeving.
Op 1 oktober 2003 hebben de partijen hun samenwerking op het gebied van ontwikkeling van de kwalificatiestructuur en de daarbijbehorende implementatie van het competentiegerichte onderwijs bekrachtigd met het tekenen van een convenant. Daarin zijn tevens afspraken gemaakt over ieders rol en verantwoordelijkheid binnen de genoemde processen. Dit convenant is aangeboden aan OCW.
Onder regie van de Stuurgroep Kwalificatiestructuur is door alle kenniscentra alvast een eerste slag gemaakt in de beschrijving van de kwalificatiestructuur in competenties. Deze eerste slag heeft al opgeleverd dat er sprake is van een halvering van het huidige aantal kwalificaties. Gestreefd wordt naar een verdere indikking van dit aantal.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod wordt vereenvoudigd en geflexibiliseerd. Om dit te bereiken is in 2002–2003 door de betrokken partijen, Colo en Bve Raad en Paepon, gezamenlijk een nieuwe systematiek ontwikkeld, waarbij de kwalificaties worden beschreven aan de hand van competenties.
Het proces van samenwerking en besluitvorming blijft complex. Daarnaast is het verkrijgen van begrip en draagvlak bij alle betrokken partijen van het grootste belang voor het welslagen van de implementatie. De Stuurgroep Kwalificatiestructuur heeft daarom in het belang van een zorgvuldig besluitvormingsproces van OCW uitstel gekregen voor het indienen van de concrete voorstellen voor de nieuwe kwalificatiestructuur.
Om de operatie van de implementatie van het competentiegericht onderwijs en de daarbij horende vernieuwing en modernisering van het middelbare beroeps onderwijs goed te begeleiden, heeft OCW aan de Bve Raad en Colo gevraagd een plan van aanpak inrichting procesmanagement herontwerp beroepsonderwijs op te stellen. Dit plan is eind 2003 bij OCW ingediend.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De activiteiten van roc's en kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven in 2003 vonden plaats binnende rijksbijdrage.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 27, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs over de voortgang Koers Bve ter voorbereiding van het overleg op 26 november
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In 2001 is het convenant onderwijsprogrammering afgesloten tussen de minister van OCW en de Bve Raad, met als doel de onderwijsintensiteit – met een omvang van 1600 studiebelastingsuren – vorm te geven en inzichtelijk te maken. Het streven was dat alle instellingen in het studiejaar 2003/2004inzichtelijk maakten hoe de onderwijsprogrammering van een opleiding eruitziet, in termen van programmatijd en bedrijfsvoeringsindicatoren. Dit streven is niet helemaal gerealiseerd. Dit heeft te maken met uitstel van de invoering van het top-model (zie hierna).
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De Bve Raad heeft in zijn brief van 4 maart 2003 gevraagd om een jaar uitstel van de invoering van het top-model (model voor transparante onderwijsprogrammering), vanwege de herziening en verdere ontwikkeling van het top-model. Onder voorwaarden is uitstel verleend. Deze voorwaarden hielden in dat de 850-urennorm strenger gehandhaafd zal worden (uit het onderwijsverslag over het jaar 2002 blijkt dat niet alle opleidingen deze norm halen), dat de verantwoording van de 1600 studiebelastingsuren wettelijk verankerd wordt en dat er regie-afspraken gemaakt worden over het verdere proces.
In 2003 is een begin gemaakt met het uitwerken en uitvoeren van deze drie voorwaarden. Ten aanzien van de 850 urennorm wordt ook een minimumnorm van 300 gesteld voor de bekostiging van de deeltijd-bol. Ondertussen werd in 2003 door de Bve Raad verder gewerkt aan het optimaliseren van het top-model.
In het onderwijsverslag over het jaar 2003 concludeert de Inspectie van het onderwijs, dat de onderwijsprogramma's voor het grootste gedeelte doelmatig zijn geprogrammeerd. Controle op de realisatie van de geplande onderwijstijd wijst uit dat nogal wat opleidingen net voldoen aan de 850 contacturen om voor studiefinanciering in aanmerking te komen. Opleidingen gaan via bijvoorbeeld deelnemersenquêtes wel steeds vaker na, hoe deelnemers de studielast ervaren.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De acties rondom onderwijsprogrammering moeten budgettair neutraal worden gerealiseerd binnen de rijksbijdrage.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• De Tweede Kamer is per brief van 2 oktober 2003 (Kamerstukken II, 2003–2004, niet-dossierstuk ocw 0300814) geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoering van het convenant onderwijsprogrammering.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 29. Verslag algemeen overleg d.d. 26 november 2003.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De nieuwe examensystematiek mbo moet ervoor zorgen dat in 2005 bij ten minste 85% van de aangeboden beroepsopleidingen sprake is van voldoende kwaliteit van het examen, volgens de landelijke standaarden voor de examenkwaliteit die het KwaliteitsCentrum Examinering (KCE) opstelt. Het KCE heeft, in de implementatiefase tot 1 augustus 2003, de landelijke standaarden 2003/2004 ontwikkeld.
Deze standaarden zijn vervolgens vastgesteld, evenals de voorbereiding van de uitvoeringswijze van de externe borg.
Een tweede aspect betreft de realisatie van op de examenkwaliteit onder de bestaande examensystematiek. De inspectie concludeert op basis van de huidige inspectiestandaarden – dat in het schooljaar 2002/2003 bij 55% van de onderzochte opleidingen sprake was van voldoende voorwaarden voor een goede uitvoering van examens (te weten de bewaking en de organisatie van de examens).
Tijdens de bestandsopname in de periode 1999–2002 was 42% voldoende.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het toegroeien naar de nieuwe examensystematiek zou door de volgende activiteiten worden vorm gegeven:
Het wetsvoorstel wijziging van de WEB is inmiddels naar de Tweede Kamer gestuurd.
Het ontwikkelen van examenstandaarden door het KCE en het voorbereiden van de uitvoeringswijze van de externe borg. Het KCE heeft, in de implementatiefase tot 1 augustus 2003, de landelijke standaarden 2003/2004 ontwikkeld samen met de sectorale platforms examinering (sep's). Deze standaarden zijn vervolgens vastgesteld, evenals de voorbereiding van de uitvoeringswijze van de externe borg. Tijdens het voorbereidingsjaar 2003/2004, groeien onderwijsinstellingen, in samenwerking met leerbedrijven, al zo veel mogelijk toe naar de nieuwe examensystematiek. Dit betreft vooral de versterking van de interne borg van de examenkwaliteit, opdat de examens al zo veel mogelijk aan de landelijke standaarden gaan voldoen. Tevens werken instellingen aan de vernieuwing en doelmatigheidsverbetering van de examinering. De Bve Raad en Colo verrichten hierbij ondersteunende activiteiten voor hun leden.
Van de afgeronde stimuleringsprojecten op basis van de regelingen 2001 en 2002 zijn de ontwikkelde producten beschikbaar gekomen. Elke instelling kan hier desgewenst gebruik van maken bij de verbetering en vernieuwing van examens.
Als beoogde datum van inwerkingtreding van de nieuwe examensystematiek gold aanvankelijk 1 augustus 2003. Die datum bleek voor het wetgevingstraject niet haalbaar; de beoogde datum van inwerkingtreding is nu 1 augustus 2004. De instellingen is toegestaan om in het schooljaar 2003/2004 reeds een overeenkomst met het KCE te sluiten voor het uitvoeren van de externe bewaking van de examenkwaliteit. Wanneer instellingen nog niet van deze mogelijkheid gebruik maken, geldt de bestaande verplichting tot externe legitimering/controle door een exameninstelling aangevuld met inspectietoezicht.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De € 11,3 miljoen die jaarlijks additioneel voor examens beschikbaar is, is – zoals aangekondigd – ingezet voor enerzijds de bekostiging van het KCE (voor de implementatieactiviteiten zowel als de vaste overheadkosten van het KCE) en anderzijds voor de stimuleringsprojecten ten behoeve van de instellingen.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Het wetsvoorstel wijziging van de WEB, waarmee de formele basis wordt gelegd voor de nieuwe examensystematiek. Dit wetsvoorstel is op 21 november 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 augustus 2004.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451 nr. 23. De beleidsreactie op het Examenverslag 2002 is besproken in het algemeen overleg d.d. 26 november 2003.
• Het Examenverslag 2003, waarin de inspectie een gespecificeerd totaalbeeld van haar bevindingen weergeeft van het onderzoek naar de examens 2002/2003.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 31. De beleidsreactie op het Examenverslag 2003.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 205, nr. 3. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en Wet onderwijstoezicht in verband met verbetering kwaliteit examens beroepsopeidingen; Memorie van toelichting.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Educatie vindt haar grondslag in de WEB. De operationele doelstelling voor de educatie is het verzorgen van kwalitatief hoogstaand en doelmatig onderwijs. Dat onderwijs levert een bijdrage aan de maatschappelijke integratie van volwassenen die in een achterstandssituatie verkeren.
Gemeenten hebben een regierol bij de educatie. De gemeenten beslissen over de inzet van en de prioriteiten binnen het educatiebudget en sluiten contracten met de roc's.
In het Evaluatieverslag WEB is aangekondigd dat een besluit zal worden genomen over het al dan niet gefaseerd afschaffen van de gedwongen winkelnering. De minister voor vreemdelingenbeleid en integratie heeft in 2003 een begin gemaakt met de voorbereidingen voor de afschaffing van de gedwongen winkelnering inburgering. Wat betreft de afschaffing van de gedwongen winkelnering educatie wordt in Koers Bve 2 een uitspraak gedaan over de randvoorwaarden en condities. Ook wordt daar ingegaan op een eventuele fasering.
In de verkenning naar de positie van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) binnen de educatie, is stil gestaan bij het voorstel van de Onderwijsraad om het vavo anders aan te sturen dan tot op heden het geval was. Uit de verkenning is gebleken dat het vavo de laatste jaren steeds minder in de traditionele vorm is aangeboden. De uitkomsten van de verkenning worden meegenomen in Koers Bve 2.
Hebben we gedaan wat zouden doen?
Voor wat betreft de gedwongen winkelnering wordt onderscheid gemaakt tussen de inburgering en de educatie. De minister voor vreemdelingenbeleid en integratie heeft in 2003 een begin gemaakt met de voorbereidingen voor de afschaffing van de gedwongen winkelnering inburgering. In paragraaf 4.3.14 wordt dit nader toegelicht.
De staatssecretaris van onderwijs is verantwoordelijk voor het afschaffen van de gedwongen winkelnering voor de educatie. In Koers Bve 2 zal worden teruggekomen op de afschaffing van de gedwongen winkelnering.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 29. Verslag algemeen overleg d.d. 26 november 2003.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 28, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs met schriftelijke antwoorden op de in algemeen overleg van 26 november 2003 gestelde vragen.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 27, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs over de voortgang Koers Bve ter voorbereiding op het algemeen overleg van 26 november 2003.
• Kamerstukken II, 2002–2003, 27 451, nr. 21, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs met agenda Koers Bve.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het streven is om de zelfredzaamheid van nieuwkomers en oudkomers zo spoedig mogelijk op het niveau te brengen waarop men zelfstandig in de samenleving kan functioneren.
Met betrekking tot het inburgeringsbeleid voor nieuwkomers hebben de gemeenten evenals bij de educatie een primaire eindverantwoordelijkheid.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In september 2002 is besloten om het inburgeringsbudget van OCW over te hevelen naar het ministerie van Justitie. Daartoe zijn met ingang van januari 2003 de middelen voor het inburgeringsbeleid overgeheveld van OCW naar het ministerie van Justitie. In 2003 hebben de betrokken departementen (BZK, OCW, VWS en SZW) bezien hoe de verantwoordelijkheden voor inburgering verdeeld gaan worden, aarbij het zwaartepunt verschoven is naar de minister voor vreemdelingenbeleid en integratie.
In 2003 werd een onderzoek afgerond naar de tevredenheid onder de gemeenten over de dienstverlening van de taskforce inburgering, waarin geconcludeerd werd dat de taskforce in afgeslankte vorm nog enige tijd een vervolg zou moeten krijgen.
In 2003 is daarom in opdracht van de ministers van VenI, OCW, VWS, SZW, BZK de Frontoffice Inburgering (FOI) ingesteld. De FOI ondersteunt gemeenten en uitvoeringsinstanties bij het verbeteren van het inburgeringsproces van nieuwkomers en oudkomers. Daarnaast is de FOI aanspreekpunt van het Rijk voor gemeenten en uitvoeringsinstanties voor de implementatie van het informatiemodel inburgering.
Het wetsontwerp «Vrijgeven cursusaanbod WIN» is in april 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd.
Het afschaffen van de gedwongen winkelnering bij de inburgering van nieuwkomers kan gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van de roc's. De minister van VenI heeft aangegeven dat reeds bij de inwerkingtreding van de WIN is aangegeven, dat de gedwongen winkelnering bij roc's voor een beperkte tijd zou gelden. Daarnaast is de verwachting dat het vrijgeven van het cursusaanbod leidt tot een betere prijs/kwaliteit van de inburgeringscursussen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het kabinet heeft in 2002 besloten per 1 januari 2003 de middelen voor inburgering van nieuwkomers van de begrotingen van VWS en OCW over te hevelen naar de begroting van Justitie. Voor OCW gaat het om een bedrag van € 114,2 miljoen. Daarmee is ook de verantwoordelijkheid voor inburgering naar Justitie overgeheveld.
De FOI wordt gefinancierd door alle betrokken departementen. In 2003 is vanuit OCW een bedrag van € 200 000 ter beschikking gesteld.
4.3.14 Alfabetisering autochtone Nederlanders
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel was te stimuleren dat de gemeenten, als opdrachtgevers in de volwasseneneducatie, meer aandacht besteden aan analfabeten onder de autochtone bevolking. In dat doel is de campagne geslaagd. Uit de nulmeting over het jaar 2001–2002 blijkt dat – gecorrigeerd voor twee grote roc's die niet hebben meegewerkt – landelijk in totaal ongeveer 5000 cursisten een basiscursus lezen, schrijven of rekenen volgden. De voorlopige informatie over de vervolgmeting over het cursusjaar 2002–2003 laat ten opzichte van de nulmeting grote verschillen zien. Sommige locaties hebben te maken met een (flinke) toename van het aantal cursisten, maar er zijn anderen waar de situatie stabiel is gebleven of zelfs is verslechterd. Gecorrigeerd voor de eenmalige negatieve effecten (doordat de meldingen over 2001–2002 op enkele onderdelen zijn vervuild door de zogenaamde eenmalige «eurocursussen»), is landelijk een toename te constateren van het aantal deelnemers met ongeveer vijf procent. In het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste Commissie voor OCW, waarbij ook de nulmeting is gevoegd, wordt dan ook vastgesteld dat in volgende jaren wordt vastgehouden aan de oorspronkelijke doelstelling om jaarlijks tenminste vijf procent meer deelnemers te werven en van een passend aanbod te voorzien.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Bve Raad is de uitvoering van het Actieplan alfabetisering autochtone Nederlanders (uit december 2001) voortgezet. Het meerjarenplan 2003–2006 «Van de zijlijn naar het speelveld» dat in december 2002 aan de Tweede Kamer werd gezonden, vormde hiervoor de basis. In lijn hiermee heeft het accent opnieuw gelegen op landelijke campagne activiteiten. Zo is op Wereld Alfabetiseringsdag 2003 een rondgang georganiseerd langs een aantal succesvolle regionale opleidingencentra en een bedrijf dat tekortkomingen onder het eigen personeel met goed gevolg bestrijdt. Verder zijn radio- en tv-spotjes uitgezonden door alle regionale zenders en is een conferentie over regionale good practices georganiseerd. Een en ander heeft geleid tot geregelde aandacht in de (massa)media en een stijgend bezoek aan de website www.alfabetisering.nl. Daarnaast is, zoals beoogd, een beter zicht ontstaan op activiteiten op regionaal en lokaal niveau waaraan de komende jaren meer aandacht zal worden geschonken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het beschikbare budget van € 400 000 is besteed.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 29. Verslag algemeen overleg d.d. 26 november 2003.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 28, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs met schriftelijke antwoorden op de in algemeen overleg van 26 november 2003 gestelde vragen.
• Kamerstukken II, 2002–2003, 28 760, nr. 1, Meerjarenplan alfabetisering 2003–2006. Brief staatssecretaris van onderwijs inzake aanbieding van het meerjarenplan «Van de zijlijn naar het speelveld».
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In het licht van de in Lissabon geformuleerde doelstelling om in 2010 van Europa de meest concurrerende kenniseconomie te maken, streeft Nederland naar algehele verhoging van het opleidingsniveau van de Nederlandse (beroeps)bevolking, naar het oplossen van (toekomstige) knelpunten op de arbeidsmarkt en daarmee de kennissamenleving te realiseren. Het ministerie van OCW is sinds november 2003 coördinerend departement voor leven lang leren. Om bovenstaande doelen te bereiken werd door OCW onder andere een aantal activiteiten uitgevoerd. De Europese Commissie heeft, eind 2003, gemeld dat de meeste landen waaronder ook Nederland nog veel werk moeten verrichten om deze doelstelling in 2010 te bereiken.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In de kabinetsreactie op het advies van de Sociaal Economische Raad «Het nieuwe leren: advies op een leven lang leren in de kenniseconomie» die op 21 januari 2004 aan de Tweede Kamer is gezonden wordt het Platform leven lang leren aangekondigd, dat een aantal in de kabinetsreactie genoemde onderwerpen agendeert. Het platform wordt in 2004 opgericht.
Middels een regeling heeft OCW in 2003 de tweede ronde van experimenten individuele leerrekening (ilr) gefaciliteerd. Deze experimenten zijn beëindigd op 31 december 2003. Doel van de experimenten was om het gebruik van persoonlijke leerbudgetten te verbreden naar meer branches en sectoren en naar werkzoekenden. Er zijn volgens planning in de tweede ronde 1300 nieuwe leerrekeningen geopend. Het verbredingsdoel is dus bereikt. Het impliciete doel om de beëindiging van de experimenten naadloos aan te laten sluiten bij de introductie van een fiscale faciliteit voor de persoonlijke ontwikkelingsrekening (por) is niet gehaald. Cinop heeft de projecten begin 2004 geëvalueerd. In enkele van de aan het experiment deelnemende sectoren en regio's wordt het instrument na afloop van de experimenten blijvend ingezet in het scholingsbeleid.
Om moeilijk bereikbare groepen weer bij het leren te betrekken heeft OCW middelen beschikbaar gesteld voor de organisatie van de Week van het leren. Deze is voor de vierde keer georganiseerd van 6 tot en met 13 september 2003. Er hebben op lokaal niveau wat minder activiteiten plaatsgevonden dan in de voorgaande jaren. Late beschikbaarstelling van middelen is daarvan de oorzaak. Mede door de Week van het leren 2003 is er continuïteit blijven bestaan in de opgebouwde samenwerking op lokaal en regionaal niveau tussen enerzijds de formele en non-formele educatie en anderzijds tussen onderwijs en bedrijfsleven.
OCW heeft in 2003 subsidie beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van educatieve TV, ten behoeve van moeilijk te bereiken groepen in de grote steden. Mede met behulp van deze subsidie is in 2003 de inzet van educatieve TV uitgebreid van Rotterdam naar de andere grote steden (Den Haag, Utrecht en Amsterdam). In alle vier de steden worden thans educatieve programma's via de regionale omroepen of een eigen kabel uitgezonden. De roc's in de vier grote steden hebben in 2003 gezamenlijk de Stichting Expertisecentrum ETV.nl opgericht. Deze stichting moet ervoor zorgen dat educatieve TV verder wordt ontwikkeld en verspreid naar de andere steden met als doel landelijke dekking.
De activiteiten van het Kenniscentrum EVC zijn in 2003 specifiek gericht geweest op het versnellen van versterking van de fundamenten van de evc-systematiek, verankering van evc op de werkvloer en stimulering van de dialoog tussen de verschillende verantwoordelijke partijen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor de experimenten individuele leerrekening was een budget van € 1 032 000 beschikbaar. Dit is uitgeput (€ 1 023 531).
Voor de week van het leren was € 140 000 beschikbaar en dat is ook gebruikt.
Voor de educatieve TV is dit jaar door de ministeries van OCW en SZW aan de stichting een bedrag van € 1 100 000 (€ 700 000 OCW, € 400 000 SZW) overgemaakt. Daarnaast heeft het ministerie van Justitie een bedrag van € 307 294 beschikbaar gesteld voor specifiek op inburgering gerichte programma's. Hiermee is uitvoering gegeven aan amendement nr. 101 op de OCW-begroting 2003, waarin is bepaald dat extra middelen moeten worden vrijgemaakt ten behoeve van ETV.nl
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 406, nr. 7. Kabinetsnota «De kenniseconomie in zicht»; brief minister met bijlage: de tweede kabinetsreactie op het SER-advies «Het nieuwe leren: Advies over een leven lang leren in de kenniseconomie».
• Kamerstukken II, 2002–2003, 27 406, nr. 3. Kabinetsnota «De kenniseconomie in zicht»; brief minister met een kabinetsreactie op het SER-advies «Het nieuwe leren: advies over een leven lang leren in de kenniseconomie».
• Kamerstukken II, 2003–2004, Niet-dossierstuk ocw0300976. Advies Onderwijsraad: Werk maken van een leven lang leren.
4.3.16 Bestrijding voortijdig schoolverlaten (vsv)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Nederland heeft zich geconfirmeerd aan de afspraak van de Europese Raad dat het aantal 18–24 jarigen zonder startkwalificatie dat niet meer staat ingeschreven voor onderwijs of opleiding in 2010 moet zijn gehalveerd ten opzichte van 1999. Deze doelstelling moet bereikt worden door een gezamenlijke inspanning van de departementen OCW (onderwijsbeleid) en SZW (arbeidsmarktbeleid).
Het aantal voortijdige schoolverlaters in 2006 moet met 30% worden teruggebracht ten opzichte van het aantal in 1999 en in 2010 met 50% ten opzichte van het aantal in 2000.
De voortgangsrapportage regionale meld- en coördinatiefunctie (rmc) 2002 laat zien dat door het verplichte karakter van de aanmelding en de verscherping van de definitie sinds de invoering van de rmc-wet (eind 2001) in 2002 beduidend meer jongeren geregistreerd werden dan in 2001 (70 500 respectievelijk 47 100). Het aantal herplaatsingen door rmc in 2002 bedroeg 20 100. Dit aantal is ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van 2001 (22 600).
| Tabel 4.8 Aantal geregistreerde en herplaatste voortijdig schoolverlaters in 2001 en 2002 | ||
|---|---|---|
| 2001 | 2002 | |
| Aantal geregistreerd | 47 100 | 70 500 |
| Aantal herplaatsingen | 22 600 | 20 100 |
Bron: voortgangsrapportage rmc 2002.
De toename van het aantal geregistreerde voortijdig schoolverlaters heeft ertoe geleid dat er in 2001 voor het eerst sprake was van een «netto» stijging van het aantal voortijdige schoolverlaters.
De belangrijkste verklaring voor deze stijging is de verbeterde registratie als gevolg van de meldplicht. Het vermoeden bestaat dat de groep jongeren in het vmbo (mede vanwege de leerplicht) beter in beeld is, dan dezelfde groep in het mbo.
Dit kabinet vindt de problematiek rondom het voortijdig schoolverlaten een serieuze zaak. De nieuwe inzichten uit de rmc-rapportage over 2002 maken duidelijk, dat er een zeer grote inspanning vereist is van dit kabinet om het aantal jongeren dat uitvalt zonder startkwalificatie terug te brengen.
Het kabinet neigt ernaar de vernieuwde cijfers uit de verbeterde rmc-registratie over 2002 als nieuwe nulmeting te nemen, ondanks het feit dat deze registratie nog niet voor 100% sluitend is.
Daarmee wordt het startpunt van het beleid om het aantal jongeren dat zonder startkwalificatie uitvalt terug te brengen dus het hogere aantal van 70 500. Het vsv-beleid zal er dan op gericht zijn het aantal voortijdig schoolverlaters te verminderen met 21 000 in 2006 en met 35 000 in 2010.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Gemeenten hebben de regierol bij de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten. De rijksoverheid stimuleert en ondersteunt hen daarbij, draagt zorg voor de verspreiding van innovatieve projecten en volgt en signaleert relevante ontwikkelingen. Daarnaast worden met inzet van ESF-geld projecten op roc's mogelijk gemaakt die als doel hebben het voortijdig schoolverlaten te voorkomen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor bestrijding voortijdig schoolverlaten was € 11,1 miljoen beschikbaar, waarvan € 10,8 miljoen besteed is aan de rmc-functie.
Ook hebben de gemeenten in 2003 middelen ontvangen:
• in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa-beleidskader 2002–2006);
• in het kader van het grote stedenbeleid, via de bijdrageregeling Sociale integratie en veiligheid (€ 21,7 miljoen per jaar);
• voor de regionale meld- en coördinatiefunctie (€ 10,8 miljoen per jaar).
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2002–2003, niet-dossierstuk ocw 0300651. Brief van 1 september 2003 met de voortgangsrapportage rmc 2002.
• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 43. Brief van 4 november 2003 over de vsv-doelstelling van dit kabinet.
4.3.17 Verbetering prestaties en kwaliteit educatie
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De opleiding Nederlands als tweede taal (NT2) is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is. Sinds 1992 bestaan staatsexamens NT2. De staatsexamens NT2 zijn ook in 2003 voor zowel de opleidingen I als de opleidingen II driemaal per jaar afgenomen.
Opleiding I toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor deelname aan opleidingen onder mbo-niveau en te kunnen functioneren in lagere, doch boven het niveau van ongeschoolde arbeid gelegen, functies op de arbeidsmarkt.
Opleiding II toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor deelname aan opleidingen op mbo-niveau en hoger en te kunnen functioneren in midden- en hogere functies op de arbeidsmarkt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In de WEB is als doelstelling opgenomen dat ook voor NT2 instellingsexamens worden ingevoerd.
In opdracht van OCW heeft Cinop daartoe een advies uitgebracht, dat onder meer strekt tot het invoeren van een instellingsexamen NT2, bestaande uit een schoolexamen en een centraal examen en het invoeren van een portfolio NT2. In het najaar van 2003 is over de implicaties hiervan gesproken met de bve-instellingen. Naar aanleiding hiervan worden enkele aspecten nader onderzocht.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De middelen voor ontwikkeling van de staatsexamens NT2 (€ 2,2 miljoen) zijn volledig uitgeput.
Voor de instellingsexamens NT2 zijn geen kosten gemaakt.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Tijdens de Europese Raad van maart 2003 zijn een aantal elementen uit de Verklaring van Kopenhagen onderschreven en hebben zo een formeel karakter gekregen. Het betreft de elementen: mobiliteit bevorderen, transparantie en erkenning en kwaliteitszorg voor kwalificaties.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Naast onderstaande activiteiten is in 2003 een aantal aanvullende activiteiten ondernomen in het kader van internationalisering. Dit wordt in artikel 8 (internationaal onderwijsbeleid) nader toegelicht.
Naar aanleiding van de Verklaring van Kopenhagen is in 2003 een coördinatiegroep geformeerd, waarin alle landen op ambtelijk niveau zijn vertegenwoordigd, is in 2003 opgericht en actief geweest. Nederland heeft in de coördinatiegroep deelgenomen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Bijdrage aan activiteiten in het kader van internationaal hebben geen kosten met zich meegebracht.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel van de KeBB-regeling (subsidieregeling kennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven) is het verstrekken van een subsidie ter stimulering van projecten die gericht zijn op het tot stand brengen van nieuwe vormen van kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.
Uit de evaluatie van de gehonoreerde projecten van de subsidieregeling KeBB 2002 blijkt dat ieder project leidt tot de ontwikkeling en implementatie van innovatieve leermiddelen, methoden of daarmee vergelijkbare instrumenten voor bestaande beroepsopleidingen die de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk verbeteren.
Het doel van de silo-regeling (subsidieregeling stimulans innovatieve leeromgevingen bve 2001–2004) is om projecten te stimuleren die (delen van) een opleiding van het reguliere bve-onderwijs innoveren door een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving te ontwikkelen, waarin bestaande of nieuwe ict-toepassingen geïntegreerd en geïmplementeerd worden. De deelnemers moeten de toepassingen via Kennisnet kunnen gebruiken.
Uit de evaluatie van de gehonoreerde projecten van 2001 en 2002 en de eerste tender in 2003 blijkt dat ieder project bijdraagt aan de innovatie van (delen van) een opleiding van het reguliere bve-onderwijs door de ontwikkeling van een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving, waarin bestaande of nieuwe ict-toepassingen geïntegreerd worden. De deelnemers maken gebruik van de toepassingen via Kennisnet, maar uit de silo-projecten blijkt dat in de loop van de tijd de aandacht meer verschuift naar het verspreiden van de informatie over het project via Kennisnet.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Met de subsidieregeling KeBB 2003 zijn innovaties binnen het bve-onderwijs gestimuleerd door het ontwikkelen en implementeren van nieuwe vormen van leermiddelen, methoden of daarmee vergelijkbare instrumenten voor bestaande beroepsopleidingen ter verbetering van de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk.
In 2003 zijn in het kader van deze subsidieregeling in totaal 16 projecten gestart en in het kader van de subsidieregeling Silo 14. De subsidieplafonds zijn ter beschikking gesteld en subsidies zijn verstrekt aan de kwalitatief beste projecten.
Naast de genoemde subsidieregelingen Silo en KeBB, is in 2003 het innovatiearrangement gestart. Het innovatiearrangement wordt nader toegelicht in de overzichtscontructie beroepskolom.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor de subsidieregeling KeBB 2003 is in 2003 € 4 miljoen begroot, dit bedrag is overeenkomstig de regeling besteed en licht overschreden (€ 4,1 miljoen). Voor de Silo-regeling is in 2003 € 4,4 miljoen begroot, dit bedrag is overeenkomstig de regeling besteed (€ 4,3 miljoen).
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Kamerstukken II, 2003–2004, 25 733, nr. 91, ICT-Onderwijsmonitor 2001–2002; beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.
4.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 4.9: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 2 631 064 | 2 705 232 | 2 573 158 | 132 074 | |||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Uitgaven | 2 545 643 | 2 576 230 | 2 499 335 | 76 895 | |||
| Mbo | 2 148 178 | 2 288 906 | 2 232 115 | 56 791 | |||
| Educatie en inburgering | 350 839 | 241 314 | 226 873 | 14 441 | |||
| Specifieke stimulering | 46 626 | 46 010 | 40 347 | 5 663 | |||
| Ontvangsten | 17 781 | 33 048 | 27 227 | 5 821 | |||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
OVERZICHTSCONSTRUCTIE BEROEPSKOLOM
Een efficiënte beroepskolom moet resulteren in meer mensen met minimaal een startkwalificatie, meer mensen met een niveau 3–4 mbo-opleiding, meer mensen die doorstromen naar het hbo en er moet stevig ingezet worden op een betere wisselwerking tussen bedrijfsleven en beroepsonderwijs. Als middel om deze ambitie waar te maken hebben experts, veld en politiek het loopbaandenken breed omarmd.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De algemene doelstelling in het kader van de versterking van het beroepsonderwijs is het realiseren van kwalificatiewinst. Kwalificatiewinst uit zich in een verhoogde doorstroom binnen de beroepskolom en een hoger intern rendement door minder uitval. De beroepskolom gaat niet alleen over doorstroom tussen sectoren. Het gaat over instellingen die investeren in aantrekkelijk onderwijs, over instellingen die samenwerken over de eigen grenzen heen.
Het belang van samenwerking is breed onderkend. In het veld is een landelijk dekkend netwerk ontstaan van onderwijsinstellingen (vmbo/mbo en/of mbo/hbo) die samenwerken; brancheorganisaties hebben zich verenigd in het platform beroepsonderwijs.
De ontwikkeling van de beroepskolom wordt via twee monitors in kaart gebracht. De kwantitatieve monitor van STOAS over de ontwikkeling van de kwalificatiewinst. Daarnaast de kwalitatieve monitor van CINOP over inhoudelijke en procesmatige ontwikkeling van de beroepskolom.
In mei 2003 is de eindrapportage over 2001 verschenen. Deze eindrapportage van CINOP laat zien dat:
• er in de projecten vergelijkbare aandacht is voor drie thema's: «voorlichting en begeleiding», «de programmatische aansluiting» en «de pedagogisch-didactische aansluiting». De aandacht voor de kennisinfrastructuur (relatie met het regionale bedrijfsleven) is aanzienlijk geringer;
• de meeste aandacht voor de met impulsmiddelen bekostigde activiteiten is gericht op de aansluiting tussen het vmbo en het mbo; de activiteiten die met impulsmiddelen zijn gefinancierd al op belangrijke punten vastgelegd lijken te zijn in het beleid van de instellingen;
• de impulsmiddelen in het algemeen leiden tot een uitbreiding, een versnelling en/of een verdieping van de activiteiten en ontwikkelingen die vanuit het eigen en het door de overheid gestimuleerde beleid zijn uitgezet;
• nagenoeg alle instellingen in de drie sectoren activiteiten financieren met impulsmiddelen, waarin samengewerkt wordt met instellingen uit een andere sector;
• de samenwerking vooral plaatsvindt op een strategisch en operationeel niveau («werkvloer»).
Om de kwantitatieve effecten te kunnen volgen is, na de nulmeting in 2002, in 2003 de eerste vervolgmeting (over het registratiejaar 2001) uitgevoerd. Er worden vier indicatoren onderscheiden:
• slaagkans: de kans dat een leerling daadwerkelijk met een diploma vertrekt;
• doorstroomkans: de kans om met een diploma door te stromen naar een vervolgopleiding in het beroepsonderwijs;
• verblijfsduur: het aantal jaren dat het duurt om een diploma te behalen of om uit te stromen;
• het aantal deelnemers (absoluut en als percentage van de beroepsbevolking).
In april 2004 zijn de concept-eindrapportages over 2002 en 2003 verschenen, deze rapportages zullen in één rapport worden gebundeld.
Het rapport laat zien dat de indicatoren slaagkans, verblijfsduur en doorstroomkans voor vbo/mavo en hbo geringe veranderingen laten zien. Opvallend zijn de schommelingen in het mbo. Het systeem presteert op dit niveau in 2001 beter dan in 2000: meer leerlingen halen de eindstreep. Daarvoor hebben zij weliswaar meer tijd nodig, maar niet meer dan de nominale cursusduur gemiddeld. De doorstroomkans van mbo naar hbo vertoont een dip van 0,49 naar 0,44 – in een overigens opgaande langere termijn tendens. Al met al presteert de kolom in 2001 dus op ongeveer gelijk niveau als in 2000. Voor verdergaande uitspraken is het na twee meetjaren nog te vroeg.
De impulsmonitoren (STOAS en CINOP) kunnen eventueel dienen als opmaat voor de brede afspraken diegemaakt gaan worden in het kader van Koers vo, Koers bve 2 en HOOP. De ervaring met de impulsmonitoren laat zien dat er bereidheid is om de prestaties van het beroepsonderwijs op eentransparante manier te presenteren.
Dit lukt des te beter naarmate indicatoren in direct overleg met de instellingen in het veld worden ontwikkeld.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van de beroepskolom is het principe dat de inhoud en de organisatie van het onderwijs zoveel mogelijk wordt afgestemd op de loopbaan van de leerling; niet op de grenzen van de (onderwijs)instelling of sector. Dit impliceert meer doorlopende leerwegen (van vmbo naar mbo1–4; van mbo1–2 naar mbo-3–4; van mbo3–4 naar hbo en van educatie naar mbo), maar ook meer maatwerk en flexibele (toegang tot) programma's en flexibele overgangen tussen werken en leren (tijdens en na een initiële opleiding). Hieronder staat aangegeven welke activiteiten zijn ontplooid op het snijvlak vmbo-mbo en mbo-hbo.
Ten opzichte van het vorige verslagjaar constateert de inspectie van het onderwijs weliswaar een lichte verbetering in het realiseren van flexibele leerroutes, maar bij eenderde van de onderzochte opleidingen sluiten de lessen en begeleiding nog onvoldoende aan op de behoeften van de deelnemers.
De systematiek van de begeleiding is bij het overgrote deel van de bve-opleidingen op orde, maar een goede inhoudelijke trajectbegeleiding is daarmee nog niet gegarandeerd.
In het plan van aanpak jeugdwerkloosheid is een aantal concrete activiteiten aangekondigd dat de doorstroom vmbo-mbo moet verbeteren. Met ingang van het schooljaar 2004–2005 krijgen vmbo-instellingen de mogelijkheid om de assistentroute (mbo niveau 1) aan te bieden. Om dit mogelijk te maken is 17 december 2003 een beleidsregel gepubliceerd in het Gele Katern (VO/OK/2003/57010). De overige maatregelen uit het plan van aanpak zullen medio 2004 uitgevoerd worden.
Door de Hbo-raad, Bve Raad, Colo en Paepon is op 30 september 2003 advies uitgebracht over een aantal specifieke vraagstukken betreffende de aansluiting mbo-hbo (over de voorwaarden waaronder verkorte geïntegreerde leerwegen kunnen worden toegestaan en doorstroom mbo niveau 3-hbo). Dit advies zal worden betrokken bij de landelijke afspraken die met de HBO-raad en de Bve Raad worden gemaakt over doorstroom.
Regioplan heeft een onderzoek gedaan naar de verwantschapsregeling. Dit kwalitatieve onderzoek richt zich in het bijzonder op de kwaliteit en de studeerbaarheid van deze regeling. Dit onderzoek is in augustus 2003 afgerond, het rapport zal op korte termijn met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer gestuurd worden.
In mei 2003 is een convenant afgesloten met het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid over de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven, onderwijs in de praktijk en in het bijzonder over de innovatiearrangementen. Op basis van dit convenant is een regeling uitgewerkt voor de subsidiering van innovatieprojecten. De subsidieregeling innovatiearrangement 2003 is op 30 juli jl. gepubliceerd in Uitleg (nr. 18). Voor 2003 is hiervoor € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Er zijn voor 1 september 2003 een groot aantal projecten ingediend door instellingen samen met het bedrijfsleven. Aan de beoordelingscommissie zijn 64 projectvoorstellen voorgelegd. De beoordelingscommissie heeft 19 projectvoorstellen negatief beoordeeld en 45 projectvoorstellen gerangschikt. De beoordelingscommissie heeft de eerste 21 projectvoorstellen van de rangschikkinglijst voorgedragen voor honorering voor een subsidie in het kader van de subsidieregeling innovatiearrangement 2003. Dit advies is overgenomen, zodat deze 21 projectvoorstellen kunnen worden uitgevoerd.
Dankzij de inzet van de impulsmiddelen kunnen onderwijsinstellingen hun activiteiten gericht op verbetering van de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs en kwalificatiewinst (slaagkans en doorstroomkans) verbreden en intensiveren. De impulsregeling voor de onderwijsinstellingen in de bve-sector is erop gericht om de beroepsonderwijskolom te versterken door voor vier doorstroommomenten verbeteringen op vier thema's te stimuleren. De vier belangrijkste thema's waarop impulsmiddelen kunnen worden ingezet zijn:
1. intensiveren van voorlichting en begeleiding van deelnemers die doorstromen en ontwikkelen van een gezamenlijke visie op de loopbaanoriëntatie en loopbaanleren;
2. ontwikkelen van een gemeenschappelijke pedagogiek en didactiek voor het beroepsonderwijs;
3. versterken van de programmatische aansluiting tussen sectoren in de beroepskolom;
4. versterken van de relatie met het bedrijfsleven.
De activiteiten die met de impulsmiddelen in gang worden gezet worden in de hiervoor besproken monitors in kaart gebracht.
In 2002 is het Platform Beroepsonderwijs opgericht om onder andere de beroepskolom extern te presenteren en betere randvoorwaarden te creëren voor de aansluiting van de onderwijssoorten binnen de beroepskolom. In 2003 heeft het platform het accent gelegd op activiteiten die met name het vmbo betreffen in relatie tot het mbo en het bedrijfsleven. Zo heeft het platform regioportretten ontwikkeld met als doel inzicht te verkrijgen in de stand van zaken van de regionale en sectorale samenwerking in de regio's. Ook werkt zij er hard aan het imago van het beroepsonderwijs te verbeteren.
Ook op het gebied van de andere scharnierpunten tussen de diverse onderwijsniveaus heeft het platform het afgelopen jaar activiteiten ontplooid. Het uitgebreide jaarverslag over 2003 wordt in juni 2004 verwacht.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 1: Budgettaire gevolgen van beleid beroepskolom (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Impuls beroepskolom | 102 600 | 106 300 | 104 300 | 2000 | |||
| Platform beroepsonderwijs (2002 incl. monitoring en voorlichting) | 1 900 | 1 400 | 1 600 | – 200 | |||
| Monitoring en voorlichting | 200 | 300 | – 100 | ||||
| Specifieke activiteiten vmbo | |||||||
| – verbetering inventaris | 9 100 | 9 100 | 9 100 | – | |||
| Specifieke activiteiten mbo | |||||||
| – verbetering kwaliteit examens | 10 600 | 11 300 | 11 300 | – | |||
| – verbetering verantwoording | 4 500 | – | 2 300 | – 2 300 | |||
| Totaal beroepskolom OCW | 128 700 | 128 300 | 128 900 | – 600 | |||
| Inzet in LNV onderwijs | 7 000 | 7 100 | 7 100 | – | |||
| Totaal beroepskolom | 135 700 | 135 400 | 136 000 | – 600 | |||
De middelen voor verbetering van de verantwoording die in de begroting apart geraamd waren, zijn toegevoegd aan de impuls beroepskolom. Vandaar dat de realisatie op het onderdeel impuls hoger is dan de begroting en de realisatie voor verbetering verantwoording lager dan begroot. Verder is op de onderdelen platform en monitoring en voorlichting iets minder uitgegeven dan geraamd.
Overzicht van informatie die de TK heeft ontvangen
• Plan van aanpak jeugdwerkloosheid (Kamerstukken II, 2002–2003, 23 972, nr.65). Deze brief is op 30 juni 2003 door de minister van SZW en de minister van OCW aan de Tweede Kamer aangeboden.
• Uitvoering amendement nr. 31 op begroting 2003 (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 600 VII, nr. 125). De brief over het innovatiearrangement is op 22 mei 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.
• Examinering vmbo, jeugdwerkloosheid en beroepskolom (Kamerstukken II, 2003–2004, 24 578, nr. 56). Deze brief is ter voorbereiding op het algemeen overleg van 30 oktober 2003 op 24 oktober 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.
5.1 Algemene beleidsdoelstelling
Technocentra zijn kleine organisaties, gebaseerd op een publiek-private samenwerking van instellingen voor beroepsonderwijs, bedrijfsleven en evt. anderen. Zij vervullen in hoofdzaak een makel-, schakel- en organisatiefunctie, gericht op het tot stand brengen van regionale samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en evt. andere partijen rond concrete doelen en activiteiten binnen drie doelstellingen. De technocentra hebben de deskundigheid en de middelen om deze samenwerking te initiëren, te faciliteren en te stimuleren.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De doelstellingen voor de technocentra zijn:
• Versnellen van de kennisdiffusie.
• Gezamenlijke benutting van hoogwaardige apparatuur.
• Een effectieve en efficiënte aansluiting van het technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoefte van de arbeidsmarkt.
In 2003 heeft, mede in verband met de verlengde evaluatie, een uitgebreide monitor en aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de mate van doelrealisatie en naar de complementariteit en de toegevoegde waarde van de technocentra binnen de kennisinfrastructuur. Uit de monitor en het onderzoek kwam een overwegend positief beeld naar voren van de doelrealisatie en van de complementariteit en toegevoegde waarde.
De monitor biedt een volledig overzicht van de activiteiten van de technocentra en de bereikte resultaten ultimo 2002, de afsluiting van de zogenaamde startfase (zie hieronder). Uit de opdracht van de technocentra, het tot stand brengen van regionale samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven in de technische sector, vloeit voort dat die resultaten veelal worden geboekt door de samenwerkingspartners; het technocentrum heeft dan in het bereiken van dat resultaat een bemiddelende, ondersteunende of faciliterende rol gehad.
Een belangrijke conclusie van het onderzoek was dat de technocentra in hun makel- en schakelrol betrekkelijk uniek zijn binnen de technische sector. Technocentra hebben vooral in die rol een aantoonbare toegevoegde waarde. Uit het overleg met deskundigen, dat plaatsvond in het kader van de evaluatie, kwam echter ook naar voren dat het profiel van de technocentra niet steeds voldoende helder was en dat een duidelijker kader op zijn plaats zou zijn.
De resultaten over het jaar 2003 komen in april 2004 beschikbaar op basis van de monitor 2003. Naar verwachting zijn de resultaten over 2003 minder omvangrijk dan die over 2002. Dit hangt samen met de verlengde evaluatie in 2003, waardoor de technocentra pas in mei 2003 zekerheid hebben gekregen over de beschikbaarheid van subsidiemiddelen.
De verlengde evaluatie heeft wel geleid tot intensieve communicatie met de technocentra over het gewenste profiel en de gewenste inzet als complementaire organisaties met een eigen toegevoegde waarde. Dit heeft geresulteerd in een grotere doelgerichtheid en een meer gerichte inzet van subsidiemiddelen, die naar verwachting zichtbaar worden in de resultaten over 2004.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Volgens de planning van het project zou in 2002 de startfase worden afgerond en zou in 2003 de uitvoeringsfase starten. De afronding van de startfase zou worden gemarkeerd met een evaluatie van de regeling en een beoordeling van de businessplannen van de afzonderlijke technocentra.
Conform de planning is in september 2002 het evaluatieverslag voor advies ingediend bij ICES. Aangezien dit verslag niet alle voor de werkgroep ICES/KIS benodigde informatie bevatte is verzocht om aanvullende informatieverzameling. Het betreft met name de doelrealisatie en de complementariteit, de vraag of de technocentra qua organisatie en activiteiten in voldoende mate aanvullend zijn op en meerwaarde hebben ten opzichte van de bestaande kennisinfrastuctuur.
Daarnaast heeft intensief overleg plaatsgevonden met de betrokken departementen EZ, FIN en LNV en met de Stichting voor de Arbeid, en zijn deskundigen geraadpleegd.
In februari 2003 is een strategisch document over het gewenste profiel aangeboden aan de ICES. Deze heeft, na advies van ICES/KIS, geconcludeerd dat het bestaansrecht van de technocentra voldoende was aangetoond en dat voortzetting van de subsidie uit het Fonds economische structuurversterking (FES) verantwoord was, voorlopig voor een periode van twee jaar. Daarbij adviseerde de ICES het kader voor de technocentra op een aantal punten aan te passen. Dit advies is door de betrokken bewindslieden overgenomen. In mei 2003 heeft dit geleid tot een kabinetsbesluit over de beschikbaarstelling van FES-middelen voor de periode 2004–2005 en reservering van de middelen voor de periode 2006–2010.
De door ICES geadviseerde wijzigingen in het kader zijn vastgelegd in de gewijzigde Kaderregeling technocentra 2003 van september 2003. De nieuwe kaderregeling beoogt vooral de subsidieverlening te baseren op een hechte «vbtb-cyclus» van planvorming, uitvoering en evaluatie op doelrealisatie.
In het algemeen kan de uitkomst van de evaluatie positief worden genoemd. Niet alleen zijn de effectiviteit en de toegevoegde waarde van de technocentra aan het einde van de startfase (2002) aangetoond (zie boven), maar ook is het bestuurlijk draagvlak van het project versterkt en is een nieuw kader geformuleerd met een sterker vbtb-karakter en een geringere uitvoeringslast.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De begrotingsmiddelen voor het project technocentra zijn afkomstig uit het FES. De middelen worden uitgegeven binnen een, in de Kaderregeling technocentra vastgelegd, subsidieplafond. Voor de jaren 2003–2005 is dit plafond bepaald op € 9,1 miljoen per jaar (voor de jaren 2006–2010 zijn de FES-middelen nog gereserveerd). Subsidies worden verleend op voorwaarde van een goedgekeurd plan.
In december 2002 is ongeveer de helft van het beschikbare bedrag als overbruggingsfinanciering beschikbaar gesteld, met het oog op voortzetting van de lopende activiteiten tot de afronding van de evaluatie. Inmiddels is de overbruggingsfinanciering verrekend met de subsidies waarop de technocentra krachtens de goedgekeurde plannen recht hadden. Daarnaast zijn uitvoeringskosten uit het beschikbare budget betaald. Het budget is daarmee bijna tot het subsidieplafond uitgeput.
Uitkomsten beoordeling technocentra
Parallel aan de evaluatie van de Kaderregeling heeft de beoordeling van de businessplannen van de afzonderlijke technocentra plaatsgevonden. Uitgangspunt was daarbij dat, gegeven de voortzetting van de Kaderregeling na de evaluatie, alleen technocentra met een positieve beoordeling van hun businessplan in de uitvoeringsfase (2003–2010) verder zouden gaan.
De beoordeling van de businessplannen is uitgevoerd door de Adviescommissie Technocentra. Deze heeft volgens plan in augustus 2002 advies uitgebracht. Daarbij kregen 9 van de 15 technocentra een positief advies. In september 2002 is besloten aan de zes technocentra met een negatief advies gelegenheid te geven een nieuw businessplan in te dienen. Belangrijke overweging hiervoor was dat de negatieve adviezen in minstens twee van de zes gevallen samenhingen met de aanscherping van het profiel van de technocentra, die in de loop van 2002 in gang is gezet (de businessplannen zijn reeds in 2001 ingediend). Het ging daarbij met name om het afstoten van uitvoerende werkzaamheden en om verdere uitbouw van de makel- en schakelrol.
In eerste instantie hebben vijf van de zes betreffende technocentra een nieuw businessplan ingediend.
Op deze nieuwe plannen is in alle gevallen positief geadviseerd. Na het Kabinetsbesluit tot voortzetting van de Kaderregeling (zie voorgaande) hebben dus 14 technocentra in juli 2003 hun «aanwijzing» als technocentrum gehad.
Eén technocentrum heeft in eerste instantie geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid in verband met een nog lopende gedachtewisseling over de organisatievorm. Na bestuurlijk overleg is alsnog gelegenheid geboden een businessplan in te dienen, echter onder aanvullende voorwaarden. Deze procedure was ultimo 2003 nog niet afgerond.
5.2 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 5.1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 0 | 8 596 | 136 | 8 460 | |||
| – waarvan garantieverplichtingen | |||||||
| Uitgaven | 5 446 | 8 596 | 136 | 8 460 | |||
| Ontvangsten | 5 445 | 139 | 0 | 139 | |||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
6.1 Algemene beleidsdoelstelling
De algemene beleidsdoelstelling voor het hbo in de begroting 2003 is als volgt aangeduid: «Het borgen en bevorderen van de kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid en maatschappelijke responsiviteit van het hoger beroepsonderwijs, binnen de nationale en internationale context».
De maatschappelijke taak van het hbo is zorgen voor hoger beroepsopgeleiden en kenniscirculatie. Deze vraag komt voort uit de maatschappelijke behoefte aan een goede economische ontwikkeling in Nederland (ook in de internationale context) en het bevorderen van de sociale cohesie.
6.2 Het stelsel: de staat van de sector hoger beroepsonderwijs
De algemene sturingsfilosofie gaat uit van zelfstandige hogescholen die autonoom hun eigen weg kiezen binnen de randvoorwaarden van het stelsel, die in regelgeving zijn vastgelegd en waar de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk voor is. De algemene controle op de werkzaamheden van de instellingen en de monitoring vanuit Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is primair gericht op de volgende randvoorwaarden:
– de toegankelijkheid van het onderwijs;
– de kwaliteit van onderwijs;
– de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van overheidsmiddelen;
– continuïteit.
| Tabel 6.1: Kerncijfers hoger beroepsonderwijs | |
|---|---|
| Aantal instellingen: | |
| – hogescholen (excl. LNV) | 49 |
| Omvang hbo-personeel (in fte): | Per 1–10–2003 |
| – onderwijzend personeel | 13 570 |
| – ondersteunend personeel | 10 478 |
| Omvang rijksmiddelen voor hoger beroepsonderwijs 2003 | € 1,6 miljard |
Bron: RAHO.
Op 29 september 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de notitie «Doelgericht naar 2010» aangeboden aan de Kamer. Hierin zijn de concepthoofdlijnen voor het hoger onderwijsbeleid in de komende kabinetsperiode uiteengezet. In het HOOP 2004 dat in januari 2004 wordt uitgebracht, worden de hoofdlijnen verder uitgewerkt.
De toegankelijkheid van het hoger onderwijs is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewaarborgd. Een ieder die voldoet aan onderwijskundige, administratieve en financiële voorwaarden, kan zich als student of extraneus laten inschrijven, zij het dat een beperking daarvan mogelijk is in specifiek in de WHW omschreven gevallen.
De instroom wordt gemonitord bijvoorbeeld naar herkomstgroepering, leeftijd, nationaliteit en geslacht. Bij sterke fluctuaties in de studentenstromen wordt bezien of belemmeringen ontstaan (bijvoorbeeld financiële, zoals studiefinanciering, of onderwijskundige) voor studenten om een opleiding te kunnen volgen en of maatregelen gewenst zijn. De directe instroom naar vooropleiding is een indicator voor de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs.
| Tabel 6.2: Aandeel directe instroom naar vooropleiding | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1999/00 | 2000/01 | 2001/02 | 2002/03 | 2003/04 | |
| havo-direct | 32,9% | 35,6% | 30,8%* | 33,1% | 34,7% |
| mbo-direct | 21,5% | 18,3% | 21,3% | 19,4% | 21,5% |
| vwo-direct | 8,3% | 7,3% | 6,7% | 5,7% | 5,6% |
| Indirect en overig direct | 37,3% | 38,8% | 41,2% | 41,7% | 38,3% |
Bron: CRIHO (kleine historische wijzigingen door overgang 1 cijfer HO).
*Het aandeel van de havo-gediplomeerden in de hbo-instroom is hier lager dan het aandeel in 00/01. Dit wordt veroorzaakt doordat het aandeel havo-gediplomeerden na de invoering van de tweede fase van het voortgezet onderwijs (studiehuis) tijdelijk aanzienlijk lager is.
Gegevens over aantallen ingeschreven studenten in het hbo geven het volgende beeld:
| Tabel 6.3: Aantal studenten op peildatum 1 oktober 2003 (x1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroting | Realisatie | |
| Voltijd | 251,2 | 257,2 |
| Deeltijd | 69,7 | 63,7 |
| Totaal aantal studenten* | 320,9 | 320,9 |
Bron begroting: Referentieraming 2002, excl. studenten in de sector Landbouw en natuurlijke omgeving; deze zijn opgenomen in de begroting van LNV.
Bron realisatie: CRIHO, voorlopige gegevens, idem excl. studenten in de sector Landbouw en natuurlijke omgeving
*exclusief niet voor bekostiging in aanmerking komende studenten
De kwaliteitsborging van opleidingen is door middel van wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als taak neergelegd bij de Nederlandse Accreditatieorganisatie (NAO), die op 1 mei 2003 van start is gegaan. In artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (paragraaf 7.2.2) wordt nader ingegaan op de overgang van taken van de Onderwijsinspectie naar de NAO en de samenwerking met Vlaanderen. In elk geval hebben vanaf september de hogescholen voor wat betreft de kwaliteit van de opleidingen alleen met de NAO van doen.
Voor de borging van kwaliteit was € 3,5 miljoen geraamd. De financiering van de NAO loopt via artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs en de bijdrage van het hoger beroepsonderwijs in 2003 bedroeg € 1,7 miljoen. Voor het uitvoeren van de visitaties is aan de HBO-Raad € 2,0 miljoen ter beschikking gesteld. Dit bedrag is hoger dan geraamd omdat compensatie is verleend voor loon- en prijsontwikkeling.
In het onderwijsverslag 2003 rapporteert de inspectie dat uit de visitaties een overwegend positief beeld tevoorschijn komt. In het onderwijsverslag 2003 werd door de inspectie gerapporteerd over visitaties van 231 HBO-opleidingen (19,6% van het totaal aantal opleidingen hbo).
De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen voor het hbo is gebaseerd op de volgende parameters:
• Het aantal ingeschrevenen;
• Het aantal afgestudeerden;
• Het totaal aantal inschrijvingsjaren per afgestudeerde;
• Het aantal uitvallers;
• Het totaal aantal inschrijvingsjaren per uitvaller;
• Het bekostigingsniveau (hoog en laag);
• Bedrag per m2 ruimtebehoefte.
De bekostigingssystematiek is vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW en de Regeling bekostiging hoger onderwijs 2002. De bekostigingssystematiek is voor 2003 niet aangepast.
De onderwijsuitgaven per student kunnen uit het macrobudget worden afgeleid:
| Tabel 6.4: Onderwijsuitgaven per student (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroting | Realisatie | |
| Uitgaven per student excl. WSF incl. huisvesting | 5,0 | 5,2 |
| Collegegeld per student | 1,4 | 1,4 |
De stijging in de uitgaven per student laat zich onder meer verklaren door loon- en prijsbijstellingen.
In de notitie «Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs», van 29 augustus 2003, is op basis van gevoerd bekostigingsoverleg ingegaan op de interpretatie en toepassing van de bestaande bekostigingsregels.
Op 29 december 2003 is het onderzoek «Kosten per student. Methodologie, schattingen en een internationale vergelijking» met een begeleidende brief aan de Tweede Kamer gestuurd.
De door- en uitstroom van studenten (verwacht intern rendement/slaagkans) en de arbeidsmarktpositie van afgestudeerde hbo'ers (extern rendement) geeft een indicatie van de onderwijskundige doelmatigheid.
De ontwikkeling in het verwachte intern rendement (cross-sectionele slaagkans) is weergegeven in tabel 6.5. Het wordt bepaald door bij de overgang van het ene naar het andere studiejaar de doorstroompercentages van alle studenten tussen de opeenvolgende verblijfsjaren te berekenen en die te vermenigvuldigen. De recente grote groei van dit rendement heeft deels te maken met het kunstmatig lage rendement in 2002, want de uitval was in dat jaar verhoogd door de aandacht voor onregelmatigheden in studentenadministraties. Voor het overige deel heeft het te maken met terugloop in economische groei, waardoor meer studenten verder studeren in plaats van de studie staken. Doordat de uitval met 1 of 2 procentpunten daalt in ieder verblijfsjaar telt dat voor dit rendement snel op door de vermenigvuldiging.
| Tabel 6.5: Verwacht intern rendement (cross-sectionele slaagkans) in % | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Gemiddeld* | 69,8 | 67,6 | 69,5 | 67,9 | 75,0 |
Bron: OCW telling & berekening op CRIHO dec 2003 (excl LNV).
*De percentages wijken af van de percentages die in de begroting 2003 zijn opgenomen, omdat ten tijde van het opstellen van de begroting 2003 nog niet alle behaalde diploma's bekend waren en door de invoering van 1 cijfer HO.
Een van de belangrijkste doelstellingen van het hbo is het leveren van voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de arbeidsmarkt. Eén van de indicaties hiervoor is de mate waarin afgestudeerde hbo'ers betaald werk vinden, hoewel dit ook afhankelijk is van de economische situatie.
| Tabel 6.6: Hoofdbezigheid na 1,5 jaar afstuderen en aansluiting niveau en richting | ||||
|---|---|---|---|---|
| hoofdbezigheid einde van het jaar: | 97/98 | 98/99 | 99/00 | 00/01 |
| betaald werk (%) | 87 | 85 | 84 | 82 |
| werkzoekend (%) | 2 | 2 | 2 | 2 |
| studie (%) | 9 | 11 | 12 | 12 |
| overig (%) | 3 | 2 | 3 | 3 |
| aansluiting niveau en richting | ||||
| werkend op minimaal hbo-niveau (%) | 81 | 81 | 80 | 79 |
| werkend eigen/aanverwante opleiding vereist is (%) | 78 | 79 | 78 | 81 |
Bron: HBO-monitor 2002 (HBO-raad).
In 2003 zijn de volgende acties ondernomen in het kader van de versterking van de macrodoelmatigheid hoger onderwijs:
• Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs
Op 19 september 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, de beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs uitgebracht (Staatscourant 23 september, nr. 183). Deze beleidsregel is gebaseerd op artikel 6.2, vierde lid WHW. Het betreft de criteria, de vereisten en de procedure voor de beoordeling van de macrodoelmatigheid van voornemens van bekostigde instellingen voor hoger onderwijs voor nieuwe opleidingen. De geldigheidsduur van de beleidsregel eindigt op 1 september 2005.
De beleidsregel is gebaseerd op informatie verkregen uit door de staatssecretaris van Onderwijs in de periode maart tot en met april gehouden bijeenkomsten met universiteiten, hogescholen en de organisaties van studenten, werkgevers en branches (de zogenaamde roadshows).
• Inwerkingtreding accreditatiekaders/opheffing ACO/toetsing macrodoelmatigheid nieuwe opleidingen
Ingevolge het Koninklijk Besluit van 22 september 2003 (Staatsblad 2003 368) zijn de WHW-bepalingen over de accreditatiekaders en de opheffing van de Adviescommissie Onderwijsaanbod van kracht geworden. Dit betekent dat nieuwe opleidingen uitsluitend in het CROHO kunnen worden geregistreerd wanneer de toets nieuwe opleiding van het Nederlands-Vlaamse Accreditatieorgaan met positieve uitkomst is doorlopen en deze ter toetsing op macrodoelmatigheid aan de minister zijn voorgelegd.
• Wetswijziging regelgeving vestigingsplaats
In oktober is het voorstel tot wijziging van de WHW in verband met aanpassing van de regelgeving inzake de vestigingsplaats van een opleiding bij de Tweede Kamer ingediend (29 244). Belangrijkste elementen in dit wetsvoorstel zijn dat de vestigingsplaats niet meer gekoppeld is aan de instelling maar uitsluitend aan de opleiding en dat de minister de bevoegdheid krijgt een vestigingsplaats op te heffen i.v.m. ondoelmatigheid. Op 21 november heeft de Tweede Kamer het verslag vastgesteld.
De jaarrapportages van de hogescholen over het jaar 2003 komen pas medio 2004 binnen. Om deze reden is 2002 het meest recente jaar waarover gerapporteerd kan worden.
Voor de hogescholen gezamenlijk was het jaar 2002 in financieel opzicht goed. De goede resultaten kunnen onder meer worden toegerekend aan de extra financiële middelen (€ 50 miljoen), die bij tweede suppletore begroting 2002 beschikbaar zijn gesteld ter compensatie voor de groei van het aantal hbo-studenten.
Het collectief van hogescholen heeft sinds 1999 jaarlijks een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De financiële positie van het hbo was eind 2002 voldoende tot goed. Met name twee van de drie indicatoren: solvabiliteit en rentabiliteit kunnen als goed worden gekwalificeerd.
Aan de hand van de indicatoren solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit wordt hierna de financiële trend grafisch weergegeven. Voor wat betreft de liquiditeit wordt daarbij voor de kwalificatie «goed» een ondergrens aangehouden van 1,2, voor de solvabiliteit 30% en voor de rentabiliteit een gemiddelde – op langere termijn – van 1%.
Liquiditeit (current ratio) is matig tot voldoende:
definitie: vlottende activa/kortlopende schulden

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998–2002, door CFI.
Solvabiliteit, exclusief voorzieningen (%)is goed:
definitie: eigen vermogen/totaal vermogen

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998–2002, door CFI.
Rentabiliteit gewone bedrijfsvoering (%) is goed:
definitie: resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998–2002, door CFI.
Zie voor meer cijfers over de financiële positie van het hbo de «Kerncijfers 1999–2003 Onderwijs Cultuur en Wetenschap».
6.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen
6.3.1 Versterken internationale positie
Zie overzichtsconstructie Internationaal beleid.
6.3.2 Innovatie (lectoren en kenniskringen)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling van lectoren en kenniskringen is het vergroten van kennisinnovatie in het hbo en de daarmee samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs enerzijds en versterking van de externe oriëntatie anderzijds. Met de HBO-raad zijn in 2002 afspraken over de indicatoren en streefwaarden gemaakt die benut zullen worden bij de evaluatie in 2004.
De volgende indicatoren over de toewijzing van lectoren zijn beschikbaar:
| Tabel 6.7: Indicatoren lectoren en kenniskringen | |||
|---|---|---|---|
| Meet-moment | Streefwaarde minimaal aantal lectoren in fte (cumulatief) | Aantal aangestelde lectoren in fte (cumulatief) | Aantal aangestelde lectoren in personen (cumulatief) |
| 2001 | 62 | 5 | 7 |
| 2002 | 128 | 50,5 | 33 |
| 2003 | 128 | 112 | 195 |
Bron: Stichting Kennisontwikkeling hbo (stand december 2003).
Het aantal lectoren is in 2003 fors toegenomen, maar de streefwaarde is nog niet helemaal bereikt. Voor de overige 12% geldt in meerderheid van de gevallen dat lectoren reeds zijn geworven maar de aanstellingen begin 2004 volgen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2001 is tussen de HBO-raad en de minister een convenant gesloten waarbij voor de periode 2001–2004 subsidie wordt verleend om lectoren en kenniskringen in het hbo te introduceren. In het convenant zijn daartoe meetbare indicatoren vastgelegd die betrekking hebben op het instellen van kenniskringen en lectoraten, de relatie met het onderwijsproces en de invulling van de externe oriëntatie.
De HBO-raad is verantwoordelijk voor een doelmatige en doeltreffende inzet van de middelen. Hiertoe heeft zij de stichting Kennisontwikkeling hbo (SKOHBO) opgericht, welke de aanvragen beoordeelt. Instellingen ontvangen middelen wanneer op basis van een goedgekeurd businessplan een lector is aangesteld. De verantwoording door de HBO-raad geschiedt jaarlijks.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 is de begrote subsidie ad € 29,8 miljoen ter beschikking gesteld.
6.3.3 Versterking beroepskolom
Zie hiervoor de overzichtsconstructie beroepsonderwijs.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met het minderhedenbeleid wordt beoogd om (relatieve) gelijkheid in de deelname van allochtonen aan het hoger onderwijs te bereiken door het verhogen van de in-, en door- en uitstroom in het hoger onderwijs van deze doelgroep.
Vastgesteld kan worden dat in het voltijds hoger onderwijs de ontwikkeling voor niet-westers allochtonen naar evenredige deelname in beperkte mate in gang lijkt gezet.
| Tabel 6.8: Ingeschrevenen voltijds HBO naar herkomst, als % van de desbetreffende bevolkingsgroep van 17 t/m 25 jaar, 1996 t/m 2002 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Bevolkingsgroep | 95/96 | 97/98 | 99/00 | 00/01 | 01/02 |
| Autochtone studenten | 12,6 | 13,7 | 14,6 | 14,7 | 14,6 |
| Westers allochtone studenten | 9,6 | 10,3 | 10,9 | 11,0 | 11,0 |
| Niet-westers allochtone studenten | 4,2 | 5,6 | 6,7 | 7,0 | 7,1 |
Bron: CBS (StatLine).
Indicatoren voor de effecten van het minderhedenbeleid zijn het percentage gediplomeerden na een aantal jaren onder allochtone studenten t.o.v. het percentage onder autochtonen. Ook wordt gekeken naar het percentage uitval na 2 jaar onder allochtone studenten t.o.v. het percentage onder autochtone studenten.
Het percentage gediplomeerde niet-westerse allochtonen laat duidelijk een stijgende lijn zien. Het percentage is echter nog wel lager dan het percentage autochtonen. Het percentage van niet-westerse allochtonen dat na 2 jaar zonder diploma vertrekt, is stabiel maar is hoger dan het percentage uitval na 2 jaar onder autochtonen.
| Tabel 6.9 Percentage gediplomeerden naar etniciteit na 4, 5 en 6 jaar op basis van instroomjaar | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| na 4 jaar | na 5 jaar | na 6 jaar | ||||
| Etniciteit jaar instroom | 1997 | 1998 | 1999 | 1997 | 1998 | 1997 |
| Autochtoon | 45 | 45 | 45 | 60 | 60 | 67 |
| Westerse allochtoon | 25 | 25 | 26 | 39 | 38 | 47 |
| Niet-westerse allochtoon | 33 | 33 | 34 | 48 | 48 | 55 |
| Onbekend | 47 | 48 | 48 | 54 | 54 | 57 |
| Gemiddeld | 43 | 44 | 43 | 57 | 57 | 63 |
| percentage vertrokken zonder diploma naar etniciteit | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| na 2 jaar | |||||
| Etniciteit jaar instroom | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 |
| Autochtoon | 21 | 22 | 23 | 23 | 23 |
| Westerse allochtoon | 27 | 29 | 30 | 30 | 28 |
| Niet-westerse allochtoon | 27 | 28 | 30 | 29 | 28 |
| Onbekend | 32 | 34 | 35 | 38 | 38 |
| Gemiddeld | 23 | 25 | 26 | 27 | 26 |
Bron: telling OCW in CRIHO per december 2003 (IBG).
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 zijn voor het laatste jaar middelen ter beschikking gesteld aan ECHO, het Expertisecentrum Diversiteitsbeleid. Het doel van de middelen was om de taakvervulling van ECHO mogelijk te maken, inclusief de coördinatie van specifieke projecten. ECHO heeft onder meer een onderzoek naar de oorzaken van uitval van allochtonen in het HO laten uitvoeren («Blijvers en uitvallers in het hoger onderwijs», Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam, 2003 ECHO, Utrecht).
Na beëindiging van de subsidiëring zal Echo haar werkzaamheden voortzetten als een profitorganisatie, die haar inkomsten verwerft uit marktactiviteiten.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In de begroting 2003 was voor ECHO een bedrag gereserveerd van € 2,1 miljoen. Dit bedrag is later verhoogd met € 0,6 miljoen uit middelen 2002 als gevolg van vertraging in de uitvoering van de projecten. In 2003 is een aanvullende toekenning gedaan van € 0,4 miljoen voor de financiering van de pilots. In totaal is er in 2003 een bedrag ter beschikking gesteld van € 3,1 miljoen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met het emancipatiebeleid wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van mannelijke en vrouwelijke studenten in alle opleidingen én mannelijk en vrouwelijk personeel in alle managementfuncties.
De algemene doelstelling wordt bereikt met behulp van de volgende operationele doelstellingen:
• het bevorderen van de instroom en doorstroom van vrouwen in technische opleidingen en het tegengaan van vroegtijdig verlaten van de opleiding;
• het bevorderen van de in- en doorstroom van mannelijke studenten op de leraren- en zorgopleidingen en het tegengaan van vroegtijdig verlaten van de opleiding;
• de toename van vrouwen in managementfuncties in het hoger onderwijs.
Om te kunnen bepalen in hoeverre de algemene doelstelling wordt bereikt, wordt gekeken naar de ontwikkeling van de indicatoren van de operationele doelstellingen.
| Tabel 6.10: Emancipatiebeleid | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Percentage vrouwen vanaf schaal 13 op hogescholen | 16,4 | 16,6 | 18,3 | 19,7 |
| Instroompercentage vrouwen in hbo technische opleidingen | 15,6 | 14,4 | 14,2 | 13,6 |
| Instroompercentage mannen in onderwijs, zorgopleidingen | 23,7 | 23,4 | 24,1 | 24,3 |
Bron: instroom% vrouw in techniek en mannen in zorg & onderwijs: 1cijfer HO telling op CRIHO dec 2003.
Bron % vrouw vanaf schaal13: RAHO (excl. LNV).
Uit bovenstaande cijfers blijkt dat het percentage vrouwen vanaf schaal 13 duidelijk stijgt, maar dat de instroom van vrouwen in het hbo technische opleidingen een dalende lijn vertoont. Het is echter niet te zeggen of de daling sterker was geweest zonder het gevoerde beleid. De instroom van mannen in onderwijs en zorgopleidingen stijgt licht.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de algemene en operationele doelstellingen te bereiken, is als instrument de VHTO (de Vereniging vrouwen in hoger technisch onderwijs) ingezet. De VHTO heeft voor dit doel een kernpakket van activiteiten uitgevoerd en daarnaast enkele specifieke projecten. Het kernpakket betreft voornamelijk advisering van de hogescholen die technische opleidingen verzorgen op het gebied van onderwijs-emancipatie-techniek, het genereren van kwantitatieve managementinformatie over de deelname van meisjes en vrouwen aan het technisch onderwijs, het wo en het vo, alsmede van de participatie van vrouwen op de (technische) arbeidsmarkt en de publicatie van deze gegevens op de VHTO-cijfersite «Barometer»(www.vhto.nl). Naast de uitvoering van dit kernpakket heeft de VHTO het afgelopen jaar een mentorprogramma voor mannelijke studenten op de lerarenopleidingen basisonderwijs ontwikkeld, getest en geïmplementeerd. Voorts heeft de VHTO de derde fase van het project «gender radar» uitgevoerd, waarvan in mei 2004 een evaluatie wordt geleverd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor de activiteiten van het VHTO was € 338 000 geraamd en is € 225 000 gerealiseerd.
6.3.5.1. Convenant lerarenopleidingen vo en bve
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het convenant lerarenopleidingen vo/bve is één van de instrumenten in het kader van de doelstelling om het lerarenaanbod op de arbeidsmarkt te verruimen en beter te laten aansluiten op de vraag van enerzijds de student en anderzijds het afnemende scholenveld.
Om de continuïteit en verdergaande vernieuwing van de lerarenopleidingen vo/bve te garanderen ten behoeve van een voldoende aanbod van leraren op de arbeidsmarkt, is in 2001 met de 10 hogescholen, welke lerarenopleidingen vo/bve aanbieden, het convenant lerarenopleidingen vo/bve afgesloten. De doelstelling is geoperationaliseerd door:
• handhaving van het huidige aanbod en de spreiding van lerarenopleidingen vo/bve tot in elk geval 1 januari 2005;
• een positief bedrijfsresultaat per 1 januari 2005.
Op dit moment kan worden geconstateerd dat nog niet alle hogescholen een bedrijfseconomisch gezonde situatie hebben bereikt. Wel is een verbetering ten opzichte van 2002 geconstateerd. In 2005 kan worden vastgesteld of de doelstelling is bereikt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De hogescholen hebben voor het toezicht op de verwezenlijking van de doelstellingen een overleg ingesteld, waarin vertegenwoordigers van het departement als waarnemer participeren. In 2002 hebben alle hogescholen conform afspraak een nulmeting ingediend, waarin ze onder andere aangeven wat de oorzaken zijn van de financiële problematiek, welke oplossingsrichtingen ze zien, wat de doelen per 1 januari 2005 zijn en waarin een plan van aanpak wordt gepresenteerd.
Op 6 oktober 2003 heeft een vergadering van de overlegtafel van de convenanthogescholen plaatsgevonden, waarin de voortgang van de convenantactiviteiten onderwerp van gesprek is geweest. Begin 2004 zal in de vergadering van de overlegtafel gesproken worden over de verwachtingen van de hogescholen ten aanzien van het realiseren van het einddoel.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 is het begrote bedrag ad € 6 miljoen ter beschikking gesteld.
6.3.5.2 Stagevergoedingsregeling
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De realisatie van de doelstelling vergt dat er goede stageplekken beschikbaar zijn voor studenten aan lerarenopleidingen vo/bve. De subsidiebijdrage heeft ertoe bijgedragen dat de scholen meer dan voorheen, naast de verkregen subsidie, eigen middelen vrijmaken voor een stageplek, dat de bereidheid een stageplek aan te bieden, is verhoogd en dat de stagebegeleiding is verbeterd.
De subsidie aan de hogescholen uit het hbo-budget is per eind 2003 beëindigd, maar wordt met ingang van 2004 (tijdelijk) voortgezet ten laste van artikel 9 Onderwijspersoneel.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Door middel van een subsidieregeling krijgen hogescholen die een lerarenopleiding vo/bve verzorgen € 454 per student toegekend. Dit geld keren hogescholen uit aan scholen die een stageplek aanbieden aan studenten aan de lerarenopleidingen vo/bve.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor de stagevergoedingsregeling was € 5,9 miljoen geraamd en is € 6,5 miljoen beschikbaar gesteld. Dit komt doordat er meer studenten aan de lerarenopleidingen vo/bve waren dan was geraamd.
6.3.5.3 Verbetering aansluiting vraag en aanbod beta/techniek-opleidingen
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Er is een tekort aan technisch opgeleiden op de arbeidsmarkt en de aansluiting tussen technische hbo-opleidingen en de arbeidsmarkt moet worden verbeterd. De doelstelling is dan ook het ontwikkelen van een kennisstrategie ten aanzien van het bèta/techniekprobleem.
| Tabel 6.11 Instroom in sector techniek | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Voltijd | 13 633 | 12 910 | 12 939 | 13 177 | |
| Deeltijd | 1 749 | 1 631 | 1 312 | 1 067 | |
| Duaal | 237 | 416 | 471 | 444 | |
| Totaal hbo-techniek | 15 619 | 14 957 | 14 722 | 14 688 | |
| Cross-sectioneel rendement | |||||
| Hbo-techniek | 66 | 63 | 64 | 63 | 68 |
Bron instroom techniek: OCW tellingen in CRIHO (IBG) dec 2003 (historische wijzigingen door overgang 1 cijfer HO).
Bron rendement: telling en berekening door OCW op CRIHO stand dec 2003 (IBG).
Uit bovenstaande tabellen blijkt dat de duale instroom de laatste jaren fors is gestegen, maar in 2003 weer is gedaald. Het aantal deeltijdstudenten is fors gedaald. Het verwacht intern rendement (cross-sectionele slaagkans, zie par. 6.2.4 voor toelichting) vertoont een stijgende tendens.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de doelstelling te bereiken heeft de overheid (OCW, EZ, SZW en LNV) samen met het onderwijs, werkgevers en de arbeidsvoorziening in 1998 de stichting AXIS opgericht. De afgelopen jaren zijn (mede geïnitieerd en gesteund door Axis als gezamenlijk initiatief van overheid, onderwijsinstellingen en bedrijfsleven) diverse activiteiten ondernomen om de deelname aan technische opleidingen te vergroten, het rendement te verhogen en ook de aansluiting met het bedrijfsleven te verbeteren. Borging van hetgeen reeds bereikt is, is essentieel. Begin 2003 is een beleidsinventarisatie van Axis afgerond, waarin een aantal aanbevelingen is opgenomen. De aanbevelingen van Axis zijn gebruikt bij de gedachtevorming over bèta/techniekbeleid in de toekomst en dit heeft geresulteerd in het Deltaplan Bèta en techniek, dat op 19 december 2003 aan de Kamer is gezonden.
Voorbeelden van door Axis gestimuleerde en gecoördineerde projecten zijn: Verbredingsplan Techniek Basisonderwijs en het Innovatieprogramma VMBO. Axis maakt uitkomsten van de projecten schriftelijk toegankelijk alsmede via haar website www.platform-axis.nl.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 is door OCenW aan de AXIS een subsidie beschikbaar gesteld via het Ministerie van Economische Zaken van € 650 000.
Welke stukken zijn naar de Tweede Kamer gestuurd?
Op 19 december 2003 is het Deltaplan Bèta echniek naar de Tweede Kamer gestuurd (OCW0301150).
6.3.5.4 Vraaggestuurd onderwijs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het kabinet wil scholen meer ruimte en burgers meer keuzevrijheid bieden. Hierbij dient zich het perspectief van vraagsturing aan. Voor de toekomst is het van belang een beeld te krijgen of en hoe een (volledige) omslag van aanbod naar vraagsturing kan plaatsvinden. Vraagsturing kan een middel zijn om meer maatwerk en kwaliteitswinst in het onderwijs te boeken. Door de onderwijsdeelnemer of -vrager centraal te stellen en de vraag naar onderwijs te stimuleren, kan meer variatie en differentiatie in het onderwijs tot stand komen. Bovendien lijkt vraagsturing een bijdrage te kunnen leveren aan het verhogen van het rendement van het hoger onderwijs omdat immers beter wordt aangesloten bij de voorkeuren van de student.
Uit de jaarrapportage van het in 2001 gestarte experiment over 2002 blijkt dat vraagsturing inmiddels breed wordt gedragen door zowel studenten, docenten als instellingen, die deelnemen aan het experiment
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De invulling van het begrip vraagsturing heeft een kanteling gemaakt. In het begin van het experiment werd het begrip nog ingevuld als: de student die vrij kiest uit wat hogescholen aanbieden. Gedurende het experiment is gebleken dat het gaat om het ontwerprecht van de student voor de laatste twee jaren van zijn opleiding.
Daarvoor is noodzakelijk dat de docent een andere rol vervult. In het experiment ontwikkelt zich het beeld dat de professionalisering van de docent vanuit macroniveau krachtiger moet worden aangepakt.
De rol van de examencommissie verandert eveneens. Ze beoordeelt de POP-en, stelt de studiepunten vast per POP-onderdeel en heeft ook nog eens een rol in het beoordelen van competenties.
De mobiliteit van studenten tussen verschillende onderwijsinstellingen blijft in de praktijd achter bij de oorspronkelijke verwachtingen. Het volgen van onderwijs bij andere instellingen heeft volgens Stoas om verschillende redenen geen prioriteit: vanwege de reistijd, administratieve rompslomp en omdat men vraagsturing vorm geeft door zelf het leerproces te ontwerpen.
In 2003 is besloten het experiment met een jaar te verlengen. Het experiment zal op 1 september 2004 worden beëindigd. Het accent in het laatste jaar zal met name liggen op het opdoen van ervaring met de implementatie van de resultaten van het experiment en het bevorderen van het breed invoeren van vraagsturing door hogescholen. Daarnaast zullen activiteiten worden ontplooid om het bedrijfsleven meer te betrekken bij vraagsturing.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 is € 1,7 miljoen ter beschikking gesteld.
6.3.6 Transparante informatie over het aanbod van het hoger onderwijs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling is dat aanstaande studenten bij de keuze van een opleiding meer gebruik kunnen maken van relevante, onafhankelijk verzamelde, kwalitatief onomstreden en daardoor gezaghebbende informatie over onder meer de kwaliteit van het aangeboden onderwijs.
Deze doelstelling is nog niet bereikt. Aanstaande studenten zijn voor het maken van hun studiekeuze nog overwegend afhankelijk van «voorlichtingsmateriaal» van hogescholen en universiteiten. De huidige papieren Keuzegids hoger onderwijs kent een beperkte toegankelijkheid (4000 verkochte exemplaren in 2002) en is beperkt bruikbaar bij de studiekeuze.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de doelstelling te realiseren heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na een Europese aanbestedingsprocedure aan Choice, een samenwerkingsverband van het Hoger Onderwijs Persbureau en Research voor Beleid, voor een periode van drie jaar (2003–2005) opdracht gegeven voor het uitvoeren van:
• het verzamelen van oordelen van studenten over de kwaliteit van het door hen gevolgde onderwijs (studentenenquêtes);
• het verzamelen en consolideren van studiekeuze-informatie uit uiteenlopende bronnen naar een voor derden bruikbare database; doelgroepen zijn organisaties van belanghebbenden en marktpartijen die studiekeuze-informatie aanbieden;
• het uitgeven van een papieren keuzegids.
Om het beleid te monitoren wordt o.a. gekeken naar het aantal websites dat de onafhankelijk verzamelde vergelijkingsinformatie presenteert (jaarlijks te rapporteren door de opdrachtnemer). Deze informatie komt pas in 2004 voor het eerst beschikbaar.
Begin 2005 wordt geëvalueerd of de opdracht aan Choice onder dezelfde condities met nog eens drie jaar dient te worden verlengd.
Om de kwaliteit van de gepresenteerde informatie te waarborgen heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Kwaliteitscollege Studiekeuze Informatie ingesteld onder voorzitterschap van mevrouw Netelenbos. Het Kwaliteitscollege houdt toezicht op de werkzaamheden van de uitvoerder en doet voorstellen voor verbeteringen. Daarnaast bevordert het Kwaliteitscollege de kwaliteit en daarmee het gezag van de verzamelde informatie door draagvlak te creëren en de instellingen te betrekken bij verbeteringen. De instellingsbeschikking is bij brief (kenmerk HBO/SB/2003/40959 d.d. 26 augustus 2003) ter kennisneming aan de TK gezonden.
Verder adviseert een Platform waarin organisaties van schooldecanen, scholieren en studenten vertegenwoordigd zijn vanuit de optiek van belanghebbenden over de manier waarop de informatievoorziening voor studiekeuze verbeterd kan worden.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor studiekeuzeinformatie in het hoger onderwijs is jaarlijks € 1,3 miljoen geraamd.
In het jaar 2003 is € 1,2 miljoen beschikbaar gesteld.
6.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 6.12: Budgettaire gevolgen hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 319 438 | 1 466 419 | 1 708 772 | 1 727 535 | 1 628 604 | 1 587 771 | 40 833 |
| – waarvan garanties | |||||||
| Uitgaven | 1 286 203 | 1 331 949 | 1 491 394 | 1 603 569 | 1 634 146 | 1 609 900 | 24 246 |
| – reguliere bekostiging | 1 284 100 | 1 426 121 | 1 545 808 | 1 580 276 | 1 555 573 | 24 703 | |
| – specifieke stimulering | 47 849 | 65 273 | 57 761 | 53 870 | 54 327 | – 457 | |
| * internationale positie | 1 172 | 402 | 487 | 1 394 | – 907 | ||
| * innovatie | 17 912 | 29 754 | 29 754 | 29 754 | 0 | ||
| * versterking beroepsopleiding | |||||||
| * doelgroepenbeleid1 | 452 | 366 | 3 225 | 2 403 | 822 | ||
| * borging kwaliteit | 2 030 | 2 293 | 2 049 | 3 472 | – 1 423 | ||
| * sectorenbeleid 1) | 27 021 | 19 290 | 13 149 | 13 498 | – 349 | ||
| * transparante info aanbod hop | 1 203 | 650 | 553 | ||||
| * overige spec. stimulering | 16 686 | 5 656 | 4 003 | 3 156 | 847 | ||
| Ontvangsten | 4 711 | 1 105 | 121 | 358 | 77 | 17 | 60 |
1Bij deze onderdelen is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de begroting 2003 abusievelijk een onjuiste verdeling van de middelen gehanteerd. Dit is nu gecorrigeerd.
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
7.1 Algemene beleidsdoelstelling
De algemene beleidsdoelstelling voor het wetenschappelijk onderwijs is het waarborgen van kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid en variëteit van het wetenschappelijk onderwijs.
Het wetenschappelijk onderwijs voorziet in de vraag naar academici op de arbeidsmarkt en de vraag naar academische vorming van studenten. Daarnaast verrichten de instellingen wetenschappelijk onderzoek en dragen zij nieuw ontwikkelde kennis over aan de samenleving.
7.2 Het stelsel: de staat van de sector wetenschappelijk onderwijs
De algemene sturingsfilosofie gaat uit van zelfstandige, autonome universiteiten die zelf hun eigen weg kiezen binnen de randvoorwaarden van het stelsel als geheel, die in regelgeving zijn vastgelegd en waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk is. De algemene controle op de werkzaamheden van de instellingen en de monitoring door het ministerie is primair gericht op de volgende aspecten:
• de toegankelijkheid van het onderwijs;
• de kwaliteit van onderwijs;
• de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van overheidsmiddelen;
• de continuïteit.
| Tabel 7.1: Kerncijfers wetenschappelijk onderwijs (kalenderjaar) | |
|---|---|
| Aantal bekostigde instellingen: | |
| – universiteiten (excl. LNV en Open Universiteit) | 12 |
| – academische ziekenhuizen | 8 |
| – instellingen voor internationaal onderwijs en onderzoek | 10 |
| – instellingen voor levensbeschouwelijk onderwijs | 12 |
| Omvang universitair personeel (in fte excl. LNV en OU): | per 31-12-2002 |
| – wetenschappelijk personeel | 21 226 |
| – ondersteunend personeel | 18 281 |
| Omvang rijksmiddelen voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (incl. AZ) 2003 | € 3,0 miljard |
Bron: o.a. WOPI (VSNU).
Op 29 september 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de notitie «Doelgericht naar 2010» aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin zijn de concepthoofdlijnen voor het hoger onderwijsbeleid in de komende kabinetsperiode uiteengezet. In het HOOP 2004 dat in januari 2004 is uitgebracht, worden de hoofdlijnen verder uitgewerkt.
De toegankelijkheid van het hoger onderwijs is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewaarborgd. Een ieder die voldoet aan onderwijskundige, administratieve en financiële voorwaarden, kan zich als student of extraneus laten inschrijven, zij het dat een beperking daarvan mogelijk is in specifiek in de WHW omschreven gevallen.
De directe instroom vanuit het voortgezet onderwijs in het wetenschappelijk onderwijs is hoog. Een aandachtspunt bij de instroom is de deelname van het aantal allochtonen in het wetenschappelijk onderwijs. Het aandeel allochtonen in het wetenschappelijk onderwijs stijgt, maar er is nog sprake van flinke ondervertegenwoordiging. Voor een belangrijk deel ontstaat die ondervertegenwoordiging in het voorgezet onderwijs. De instroom wordt gemonitord bijvoorbeeld naar herkomstgroepering, leeftijd, nationaliteit en geslacht. Bij sterke fluctuaties in de studentenstromen wordt bezien of belemmeringen ontstaan (bijvoorbeeld financiële, zoals studiefinanciering, of onderwijskundige) voor studenten om een opleiding te kunnen volgen en of maatregelen gewenst zijn. De directe instroom vanuit het voortgezet onderwijs naar het wetenschappelijk onderwijs is een indicator voor de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs. De onderstaande tabel geeft een beeld van de instroom van studenten in het wetenschappelijk onderwijs. Van de vwo-gediplomeerden stroomt in 2003 69% van het totaal direct door naar het wetenschappelijk onderwijs. Van de hbo-gediplomeerden stroomt 11% van het totaal direct door naar het wetenschappelijk onderwijs.
| Tabel 7.2: Doorstroom naar wetenschappelijk onderwijs (in procenten) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 97/98 | 98/99 | 99/00 | 00/01 | 01/02 | 02/03 | 03/04 | |
| % vwo-gediplomeerden dat direct instroomt (concept Referentieraming 2004)* | 58,8 | 61,3 | 62,7 | 62,0 | 63,7 | 68,3 | 68,9 |
| % directe doorstroom hbo-diploma (concept Referentieraming 2004)* | 6,1 | 7,5 | 8,8 | 8,6 | 9,2 | 10,3 | 10,9 |
| % buitenlandse studenten ingeschreven voor hele studie (telling OCW) | 3,0 | 3,0 | 2,6 | 2,7 | 3,0 | 3,3 | 3,2 |
| % niet-westerse allochtonen (telling OCW)** | 4,3 | 4,4 | 4,5 | 4,6 | 4,7 | 4,8 | 5,0 |
Bron: CRIHO/concept referentieraming 2004.
*In de begroting 2003 zijn voor de onderwijsstromen historische cijfers gepubliceerd die hoger liggen onder verwijzing naar het CBS. Met overgang naar 1-cijfer HO worden in samenwerking met het CBS de onderwijsstromen in kaart gebracht en gebruikt in de Referentieraming. Het hanteren van deze cijfers heeft geleid tot nieuwe inzichten in de historische percentages voor directe doorstroom.
**In de begroting 2003 is deze tabel getoond met % allochtone studenten van de zogenoemde doelgroeplanden. Hier is de nu gebruikelijke definitie van niet-westerse allochtone afkomst gebruikt, als % van de bevolkingsgroep, welke minder dan een procentpunt afwijkt.
In de onderstaande tabel wordt weergegeven hoe de aantallen eerstejaarsstudenten, de deelname van het totaal aantal studenten en het aantal behaalde diploma's er uit zien:
| Tabel 7.3: Instroom, totaal deelname en uitstroom (collegejaar) x 1000 | ||
|---|---|---|
| Raming begroting 2003/04 (RR2002) | Realisatie 2003/04 (concept RR2004) | |
| Eerstejaars hoger onderwijs in WO | 32,7 | 36,5 |
| Ingeschrevenen | 176,4 | 182,9 |
| Aantal gediplomeerden | 20,0 | 2002/03: 20,6 |
Bron: Referentieramingen (afgekort tot RR).
Ten behoeve van de toegankelijkheid en vernieuwing van het hoger onderwijs speelt ook de Open Universiteit Nederland (OU) een belangrijke rol. Uit tabel 7.4 blijkt dat de OU in een blijvende behoefte voorziet. De bijdrage aan de OU bedroeg in 2003 € 34,9 miljoen. Geraamd was € 31,0 miljoen. Het verschil wordt veroorzaakt door de bijdrage voor scholing van zij-instromers ad € 3,2 miljoen en door de uitgekeerde loonbijstelling in 2003.
| Tabel 7.4: Kerncijfers Open Universiteit | ||||
|---|---|---|---|---|
| wo diploma's (incl. 2e kans) | 2e kans diploma's | instroom | totaal studenten* | |
| 1998 | 286 | 70 | 9 485 | 21 876 |
| 1999 | 326 | 66 | 8 987 | 21 477 |
| 2000 | 353 | 71 | 8 853 | 20 852 |
| 2001 | 329 | 81 | 9 087 | 21 182 |
| 2002 | 337 | 96 | 9 138 | 21 182** |
*student is iemand die tenminste één module afneemt.
**studentenaantal in 2002 inderdaad identiek aan 2001.
Bron: jaarverslagen OU.
In samenhang met de invoering van het Ba/Ma stelsel (92% van de opleidingen had in 2003 de Ba/Ma-structuur) is besloten tot de oprichting van de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO). In 2002 en 2003 is de accreditatie voorbereid door de zogenaamde kwartiermakers en per 1 mei 2003 is de NAO van start gegaan. In verband daarmee zijn op 3 maart 2003 afspraken gemaakt over de overgang van taken van de Onderwijsinspectie naar de NAO, opdat er voor de instellingen voor hoger onderwijs zo snel mogelijk één aanspreekpunt zou zijn voor de kwaliteitsborging van opleidingen. Vanaf 1 mei 2003 stopte de Inspectie met in behandeling nemen van nieuwe visitatierapporten en vanaf september 2003 functioneert de NAO als de waarborgende organisatie voor de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs.
De Inspectie heeft tot nieuwe taak gekregen toezicht te houden op de NAO. Hiervoor en vanwege de overgang van taken van de Inspectie naar de NAO is conform de geldende procedure aan de Inspectie een uitvoeringstoets gevraagd. Deze procedure werd afgerond in 2003 en wordt begin 2004 geformaliseerd.
Vooruitlopend op eventuele verdere Europese samenwerking op het gebied van kwaliteitszorg en accreditatie hebben Vlaanderen en Nederland besloten tot een gezamenlijk orgaan. In september 2003 hebben beide ministers van onderwijs het verdrag ondertekend waarmee de taak van de NAO werd uitgebreid met opleidingen die door instellingen voor hoger onderwijs in Vlaanderen worden aangeboden. De organisatie voert vanaf eind 2003 daarom de naam «Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie in oprichting», afgekort NVAO i.o.
In het onderwijsverslag over het jaar 2003 rapporteert de inspectie dat het globale beeld dat uit de visitaties naar voren komt overwegend positief is. In het onderwijsverslag 2003 werd door de inspectie gerapporteerd over visitaties van 65 wo-opleidingen (8,6% van het totaal aantal opleidingen wo).
De overheid bekostigt de universiteiten en de werkplaatsfunctie van de academische ziekenhuizen voor het initiële onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. De rijksbijdrage wordt als lumpsum ter beschikking gesteld.
Het totale budget voor de universiteiten, het zogenaamde macrokader, wordt verdeeld over de universiteiten op basis van een algemene berekeningswijze, vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW. De bekostigingsparameters zijn aantallen eerstejaarsstudenten, einddiploma's, waaronder vanaf 2003 bachelor- en masterdiploma's, proefschriften, ontwerpercertificaten en toponderzoekscholen.
Het bekostigingsmodel voor de universiteiten is voor het jaar 2003 aangepast aan de bachelor-masterstructuur. De belangrijkste wijziging die in de bekostigingssystematiek is aangebracht, is het meetellen van bachelor- en masterdiploma's. Daarnaast is de basisvoorziening onderzoek gewijzigd van een vaste component in een variabele component, die wordt verdeeld naar evenredigheid van diploma's. Voorts is de middeling van bekostigingsgegevens over meerdere jaren beëindigd.
De bekostigingsparameters die gelden voor 2003 zien er (conform begroting) als volgt uit:
| Tabel 7.5: Bekostigingsparameters | |||
|---|---|---|---|
| Studiejaar | 2000/'01 | 2001/'02 | 2002/'03 |
| Aantal eerstejaars studenten | 34 696 | 37 370 | 38 447 |
| Aantal einddiploma's inclusief beroepsdiploma's medisch | 20 113 | 19 898 | 20 741 |
| Aantal proefschriften (resp. kalenderjaar 2000, 2001 en 2002) | 2 158 | 2 319 | 2 293 |
| Aantal ontwerpercertificaten (resp. kalenderjaar 2000, 2001 en 2002) | 135 | 147 | 143 |
Bron: CRIHO en van accountantsverklaring voorziene opgaven van universiteiten.
| Tabel 7.6: Lumpsum universiteiten (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Vastgestelde begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Bekostigde instellingen (7.1) | 2 438 010 | 2 509 435 |
| Academische ziekenhuizen | 472 297 | 486 958 |
| Totaal | 2 910 307 | 2 996 393 |
Voor een historisch overzicht wordt verwezen naar het hoofdstuk wetenschappelijk onderwijs in de publicatie «Verantwoording in kerncijfers 2003», onder het kopje «stelsel en financiën».
De onderwijscomponent binnen de lumpsum wordt zonder oormerking aan de instellingen beschikbaar gesteld en is in de aanwending niet als zodanig te herkennen. Voor de bepaling van de onderwijsuitgaven per student dient daarom een schatting te worden gemaakt. Met nadruk wordt vermeld dat onderstaande tabel illustratief is bedoeld.
| Tabel 7.7: Onderwijsuitgaven per student (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroting | Realisatie | |
| Uitgaven per student excl. WSF incl. huisvesting | 4,9 | 5,0 |
| Collegegeld per student | 1,4 | 1,4 |
De stijging in de uitgaven per student laat zich onder meer verklaren door loonbijstellingen en budgetverhogingen voor de gestegen capaciteit van de medische opleidingen.
Op 29 december 2003 is het onderzoek «Kosten per student. Methodologie, schattingen en een internationale vergelijking» met een begeleidende brief aan de Tweede Kamer gestuurd.
Het percentage afgestudeerden ten opzichte van het aantal 18-jarigen op t-5 is een indicator voor de bijdrage aan de beroepsbevolking. De overheid streeft naar een goede invulling van de maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden. Tegelijkertijd heerst het besef dat wel streefcijfers kunnen worden geformuleerd, maar dat realisatie van deze streefcijfers vanwege het niet kunnen beïnvloeden van persoonlijke en/of sociaal-economische factoren, niet door de overheid te garanderen is.
| Tabel 7.8: wo-afgestudeerden als percentage van 18-jarigen op t-5 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 98/99 | 99/00 | 00/01 | 01/02 | 02/03 | |
| wo-afgestudeerden | 10,2% | 10,6% | 10,5% | 11,3% | 11,8% |
Bron: CRIHO en CBS.
Uit de tabel blijkt dat het aandeel wetenschappelijk opgeleiden onder jongeren een stijgende trend vertoont. De vraag naar en het aanbod van hoger opgeleiden wordt gemonitord door middel van de zogenaamde wo-monitor van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Uit deze onderzoeken blijkt dat er op de arbeidsmarkt een grote behoefte is aan vele soorten hoger opgeleiden.
In 2003 is een aantal acties ondernomen in het kader van de versterking van de macrodoelmatigheid hoger onderwijs, zie voor verdere toelichting paragraaf 6.2.4 Rendement van artikel 6 Hoger beroepsonderwijs.
De financiële weerbaarheid van de universitaire sector -exclusief Wageningen Universiteit (LNV) en de Open Universiteit- daalt inmiddels gedurende een reeks van jaren richting het minimaal wenselijk geachte niveau. Vanwege deze daling zijn in de zogenaamde Enveloppebrief vanaf 2003 middelen gereserveerd, oplopend tot € 40 miljoen structureel vanaf 2006, als tegemoetkoming voor het oplossen van knelpunten bij de financiering van de huisvesting. Over deze middelen vindt nog besluitvorming plaats en zal nog een financieringsarrangement worden ontwikkeld. Verwacht wordt dat ondanks deze bijdrage de universiteiten vanwege de omvang de investeringen in toenemende mate met vreemd vermogen zullen financieren.
Aan de hand van de indicatoren solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit wordt hierna de financiële trend grafisch weergegeven. Voor wat betreft de liquiditeit wordt daarbij voor de kwalificatie «goed» een ondergrens aangehouden van 1,2, voor de solvabiliteit 30% en voor de rentabiliteit een gemiddelde – op langere termijn – van 1%.
Liquiditeit (current ratio) is matig tot voldoende:
Definitie: vlottende activa/kortlopende schulden

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998 – 2002, door CFI.
Solvabiliteit exclusief voorzieningen (%)is goed:
Definitie: eigen vermogen/totaal vermogen

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998 – 2002, door CFI.
Rentabiliteit gewone bedrijfsvoering (%)is matig tot voldoende:
Definitie: resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998 – 2002, door CFI.
Deze drie financiele kengetallen tonen op enkele afwijkingen na (solvabiliteit ultimo 2000 en rentabiliteit over 2002 een voortdurende daling. Daarbij is het goed te benadrukken dat de gewijzigde OCW richtlijn voor de Jaarverslaglegging, ingaande het verslagjaar 2001, de kengetallen zowel in positieve als in negatieve zin kan beïnvloeden («stelselwijzigingen»): van een vergelijking in absolute zin tussen de beschouwde jaren mag daarom geen sprake zijn, wel kan in relatieve zin worden geconcludeerd dat er sprake is van een daling.
Zie voor meer cijfers over de financiële positie van het wetenschappelijk onderwijs de publicatie «Kerncijfers 1999–2003 Onderwijs Cultuur en Wetenschap».
7.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen
7.3.1 Opleidingscapaciteit geneeskunde, tandheelkunde en klinische technologie
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om bij te dragen aan het oplossen van de personeelsproblematiek in de zorg wordt een tweesporenbeleid gevoerd: meer èn anders. Het «meer» houdt verband met een verhoging van de instroom in de bestaande opleidingen geneeskunde. Daarnaast worden ontwikkelingen gestimuleerd die ertoe leiden dat andere beroepen in de zorg tot ontwikkeling kunnen komen en de daarbij horende opleidingen gerealiseerd worden.
De ambitie was om per september 2003 de instroom van de opleidingen geneeskunde weer verder te verruimen met 250 plaatsen. Daarmee zou dan een instroom gerealiseerd worden van 2800 tegenover 2550 in het studiejaar 2002.
Per september 2003 is een instroom gerealiseerd van 2850 studenten in de opleidingen geneeskunde.
De instroom van de opleiding tandheelkunde is in 2003 gestabiliseerd op 300.
Bovendien is per september 2003 het eerste cohort van 50 studenten begonnen aan de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente mogelijk te maken, is het wetsvoorstel «Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de start van de bacheloropleiding klinische technologie» in werking getreden (Wet van 2 juli 2003, Stb. 2003, 287). Verder zijn de numeri fixi geneeskunde opgehoogd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor de ophoging van de numerus fixus geneeskunde door de universiteiten en de bacheloropleiding klinische technologie zijn in 2003 de volgende budgetten beschikbaar gesteld:
| Tabel 7.9: Ophoging numerus fixus geneeskunde (x € 1 miljoen) | |
|---|---|
| 2003 | |
| Van 1875 naar 2010 plaatsen per 2000/2001 | 7,9 |
| Van 2010 naar 2140 plaatsen per 2001/2002 | 5,9 |
| Van 2140 naar 2550 plaatsen per 2002/2003 | 10,3 |
| Van 2550 naar 2900 plaatsen per 2003/20041 | 0,0 |
| Totaal | 24,1 |
1Waarvan 50 plaatsen klinische technologie. De subsidie van € 2,0 miljoen voor de verhoging van 2550 tot 2900 plaatsen voor het jaar 2003 wordt uitgekeerd in 2004 uit de enveloppemiddelen.
7.3.2.1 Wegwerken en voorkomen van tekorten
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om tijdig op de tekorten aan jonge wetenschappers te anticiperen en deze terug te dringen (onderzoeken van o.a. van Vucht-Tijssen «Talent voor de toekomst, toekomst voor talent», OCenW 2000 en het rapport van de commissie Van Rijn, «De arbeidsmarkt in de collectieve sector, investeren in mensen en kwaliteit», 2001) zijn binnen de universiteiten maatregelen ontwikkeld om wetenschappelijke functies voor jonge onderzoekers en docenten aantrekkelijker te maken en hen zo mogelijk een loopbaanperspectief in de wetenschap te bieden.
| Tabel 7.10: Wetenschappelijk personeel jong en oud (fte; excl. LNV en OU) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| % 50 jaar en ouder | 28,8 | 27,9 | 27,3 | 27,3 | 28,3 |
| % jonger dan 30 jaar | 19,8 | 23,2 | 25,1 | 25,9 | 23,8 |
Bron: WOPI (VSNU).
| Tabel 7.11: Vrouwen in wetenschappelijke functies (fte; incl. LNV en OU) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| vrouwen in wetenschappelijke functies | 5 180 | 5 593 | 5 877 | 6 244 | 6 155 | 6 735 |
| % vrouwelijk wetenschappelijk personeel | 24,1 | 25,4 | 26,7 | 27,7 | 28,3 | 29,7 |
| vrouwelijke hoogleraren | 121 | 133 | 144 | 156 | 166 | 192 |
| % vrouwelijke hoogleraren | 4,9 | 5,4 | 5,9 | 6,3 | 7,1 | 8,1 |
| vrouwelijke universitaire hoofddocenten | 197 | 214 | 209 | 257 | 250 | 314 |
| % vrouwelijke universitair hoofddocenten | 7,5 | 8,2 | 8,6 | 10,7 | 11,2 | 13,7 |
Bron: WOPI (VSNU).
In 2002 is het aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies t.o.v. 2001 met 1,4% toegenomen. De toename van het aandeel vrouwen in de functie van hoogleraar is in 2002 toegenomen met 1%. Bij de functie van universitair hoofddocent is de toename het sterkst, namelijk 2,5%. Bij deze relatieve toenames is in alle gevallen ook sprake van een toename in absolute zin.
| Tabel 7.12: fte universitair docent én overig wetenschappelijk personeel tot 35 jaar (incl. OU en WU) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Fte's universitair docent | 758 | 782 | 731 | 772 | 762 | 771 |
| Fte's overig wetenschappelijk personeel | 2 563 | 3 178 | 3 382 | 3 630 | 2 798 | 3 021 |
Bron: WOPI (VSNU).
Het aantal universitaire docenten en overig wetenschappelijk personeel tot 35 jaar is in 2002 stabiel gebleven respectievelijk toegenomen. De afname van het overig wetenschappelijk personeel in 2001 houdt verband met de overdracht van universiteitspersoneel aan de UMC's.
| Tabel 7.13: Assistenten in opleiding (incl. LNV en OU) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Assistenten in opleiding | 4 479 | 4 091 | 3 886 | 4 231 | 4 602 | 5 632 | 6 270 |
Bron: WOPI (VSNU).
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft € 12 miljoen in 2001 en vanaf 2002 € 32 miljoen jaarlijks in de lumpsum beschikbaar gesteld voor de door de commissie Van Rijn genoemde maatregelen. Deze maatregelen hebben vooral betrekking op het terugdringen van vergrijzing en toename van instroom van jong wetenschappelijk personeel. De eerste effecten lijken zichtbaar door minder groei in de vergrijzing en een stijgende instroom van jongeren (tabel 7.10 en 7.12).
Ter verbetering van de salarispositie van assistenten in opleiding en promovendi zijn vanaf 2000 specifieke middelen voor deze personeelscategorieën beschikbaar gesteld. Het betreft € 18,2 miljoen structureel vanaf 2000.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Uit de jaarlijkse verantwoording van de VSNU over de besteding van de van Rijn-middelen blijkt dat de instellingen voor maatregelen gericht op instroom in 2002 € 16,5 miljoen hebben besteed, voor maatregelen gericht op doorstroom en behoud € 11,5 miljoen, voor beleidsmaatregelen gericht op ontwikkeling € 2,4 miljoen en voor overige instellingsspecifieke maatregelen € 1,8 miljoen.
Uit de verantwoording van de VSNU over de besteding van deze aio-middelen blijkt dat de instellingen voor genoemde maatregelen in 2002 € 27,2 miljoen hebben besteed. Het betreft circa € 10 miljoen aan verhoging van aio-salariëring en circa € 10,7 miljoen voor inkomensmaatregelen voor promovendi/postdoc's en circa € 6,5 miljoen aan faciliteiten ter versterking van het loopbaanperspectief en overige maatregelen. Deels zijn deze maatregelen uit eigen middelen gefinancierd. De verantwoording over de besteding van de aio- en Van Rijn middelen over 2003 wordt in maart 2004 verwacht.
7.3.2.2 Resultaat evaluatie decentralisatie arbeidsvoorwaarden hoger onderwijs
In 2003 heeft een evaluatie plaatsgevonden van de decentralisatie arbeidsvoorwaarden in de hoger onderwijssector. Dit op basis van het convenant «decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming hoger onderwijs» van 1 juni 1999. Hierin is opgenomen dat de evaluatie een tweeledig karakter heeft; het betreft zowel een evaluatie van de inhoudelijke aspecten als de financiële aspecten van de decentralisatie. De decentralisatie is door alle drie partijen geëvalueerd (de werkgeversorganisaties (VSNU, HBO-raad en WVOI), werknemersorganisaties en OCW). Over het geheel genomen zijn alle partijen tevreden met de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden. De oorspronkelijke doelstelling van de decentralisatie namelijk «meer maatwerk kunnen leveren op het gebied van arbeidsvoorwaarden ten behoeve van de sector hoger onderwijs en onderzoek» is bereikt. Op een aantal punten ten aanzien van de informatie-uitwisseling tussen werkgevers en OCW zullen de afspraken worden aangescherpt en procedures worden verbeterd.
7.3.3 Universitaire lerarenopleidingen (ulo)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel van het «ulo-convenant» 1999–2005 is te komen tot een toename van het aantal universitair opgeleide leraren van 600 tot 1200 per jaar.
De universiteiten hebben een scala van leerwegen ontwikkeld om de ulo aantrekkelijker te maken. Het aantal opgeleide leraren is sinds 1998 toegenomen, zij het langzamer dan gepland. Uit de tussenevaluatie van het ulo-convenant van juni 2003 blijkt dat hieraan een complex van oorzaken ten grondslag ligt die deels buiten de universiteiten liggen, zoals de situatie op de arbeidsmarkt en de invoering van de bachelor-master structuur.
| Tabel 7.14 Convenant universitaire lerarenopleidingen | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | |
| Raming | 600 | 700 | 800 | 900 | 1 000 | 1 100 | 1 200 |
| Gerealiseerd | 560*) | 728*) | 750**) | 707**) | 881**) | – | – |
*CRIHO, peildatum 1 oktober.
**telling inschrijvingen op basis van nieuwe bekostigingssystematiek.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De vernieuwing van de opleidingen en van de begeleiding is in gang gezet conform het ulo-convenant 1998. De tussenevaluatie van het ulo-convenant is uitgevoerd, geïntegreerd met de visitatie van de ulo's (juni 2003).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In het ulo-convenant was voor 2003 € 5,4 miljoen geraamd voor de opleiding van leraren en is er € 4,0 miljoen beschikbaar gesteld. Er is minder uitgegeven dan begroot omdat het aantal opgeleide leraren lager was dan geraamd.
Aan de imagocampagne leraren zijn voor de periode 2002 t/m 2006 extra middelen beschikbaar gesteld. Het gaat hier om € 320 000 per jaar.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is, naar aanleiding van de uitkomsten van een experiment en na een evaluatie (door de Commissie Sorgdrager), nieuwe vormen van toelating tot numerus fixus opleidingen, als mogelijk alternatief voor het huidige stelsel van gewogen loting te ontwikkelen. Daartoe werd ervaring opgedaan met een stelsel waarbij opleidingen met een numerus fixus, een deel van de beschikbare plaatsen zelf, op basis van eigen criteria, decentraal konden toewijzen. Dit doel is bereikt. In februari 2003 werd het experiment met decentrale toelating, dat in 2000 begon, afgerond.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Ter begeleiding van het experiment werd een commissie ingesteld onder leiding van mw. W. Sorgdrager die het proces heeft begeleid en die jaarlijks aan de minister rapporteerde over de werking van het experiment. Het proces werd afgerond met een slotcongres op 19 februari 2003, waarbij het eindrapport met de evaluatieresultaten aan de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschap werd aangeboden. Dat eindrapport vormt een van de grondslagen van de beleidsnotitie «Toelatingsbeleid», die in december 2003 naar de Kamer is gezonden.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor het experiment was in 2003 € 0,5 miljoen geraamd. In 2003 is € 0,2 miljoen betaald.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Op 19 december 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de notitie «Ruim baan voor het toelatingsbeleid in het hoger onderwijs» aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 388, nr. 1). De notitie is tevens de kabinetsreactie op het IBO-rapport over collegegelddifferentiatie het advies «Over de top, duidelijkheid door differentiatie» van de werkgroep topmasters en de rapporten «De juiste student op de juiste plaats» en «Lot in eigen hand» van de Begeleidingscommissie decentrale toelating.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In 2002 is door middel van een simulatie en een experiment de haalbaarheid en invoeringscondities van vraagsturing onderzocht. De bevindingen hiervan zijn in 2003 gepresenteerd.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In maart 2003 is het eindverslag van de simulatie getiteld «Simulatieonderzoek vraagfinanciering. Een verkennend onderzoek naar de effecten van vraagfinanciering in het wetenschappelijk onderwijs» afgerond. De belangrijkste bevinding is dat er uit dit onderzoek geen harde conclusies zijn te trekken gezien de beperkte omvang van het aantal uitgevoerde simulaties. De invoering van de BaMa-structuur confronteert de universiteiten al met grote onzekerheden, hetgeen zowel kansen als belemmeringen voor de effectieve invoering van vraagfinanciering met zich brengt. Verdere stappen op het gebied van vraagsturing zullen in samenhang worden bezien met de resultaten van het lopende MKB-voucher experiment in het hoger beroepsonderwijs.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor experimenten met vraagsturing waren geen middelen geraamd. De kosten bedroegen € 0,1 miljoen.
7.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 7.15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 2 908 546 | 3 108 978 | 3 192 286 | 3 227 983 | 3 030 874 | 197 109 | |
| – waarvan garanties* | |||||||
| Uitgaven | 2 713 239 | 2 901 908 | 3 045 244 | 3 131 645 | 3 027 615 | 104 030 | |
| Bekostigde instellingen (7.01) | 2 577 167 | 2 757 972 | 2 906 253 | 2 996 393 | 2 910 307 | 86 086 | |
| Universiteiten | |||||||
| – bekostiging | 1 948 785 | 2 171 259 | 2 304 163 | 2 385 115 | 2 305 700 | 79 415 | |
| – universitaire lerarenopleiding | 2 632 | 2 956 | 4 212 | 4 019 | 5 400 | – 1 381 | |
| – investeringen in huisvesting | 88 544 | 92 517 | 92 524 | 92 526 | 92 526 | 0 | |
| – academische ziekenhuizen | 441 286 | 461 645 | 473 777 | 486 958 | 472 297 | 14 661 | |
| – overige | 95 920 | 29 595 | 31 577 | 27 775 | 34 384 | – 6 609 | |
| Gesubsidieerde instellingen (7.02) | 118 431 | 120 320 | 124 678 | 123 541 | 110 350 | 13 191 | |
| Open Universiteit Nederland (OUNL) | 35 691 | 37 478 | 37 761 | 34 900 | 31 006 | 3 894 | |
| Instellingen internationaal onderwijs en onderzoek | 45 349 | 47 520 | 47 559 | 49 599 | 46 587 | 3 012 | |
| Levensbeschouwelijke instellingen | 23 733 | 24 602 | 25 230 | 24 421 | 23 846 | 575 | |
| Faciliterende organisaties | 12 763 | 9 814 | 13 076 | 13 041 | 11 066 | 1 975 | |
| Overige | 896 | 906 | 1 052 | 1 580 | – 2 155 | 3 735 | |
| Stimuleringsuitgaven (7.03) | 16 671 | 22 106 | 12 546 | 10 629 | 5 934 | 4 695 | |
| Overige uitgaven (7.04) | 970 | 1 510 | 1 767 | 1 082 | 1 024 | 58 | |
| Ontvangsten | 1 204 | 1 098 | 1 390 | 1 535 | 1 248 | 287 | |
*In de begroting 2003 wordt hier de stand van garanties weergegeven. In 2003 zijn er geen nieuwe garanties aangegaan.
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
8. INTERNATIONAAL ONDERWIJSBELEID
Voor de inhoudelijke verantwoording van de onderstaande uitgaven wordt verwezen naar de overzichtsconstructie internationaal beleid. Deze overzichtsconstructie biedt een geïntegreerd overzicht van alle internationale uitgaven van het ministerie van OCW in 2003.
8.1 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 8.1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | HGIS realisatie | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | |||
| Verplichtingen | 6 703 | 7 052 | 15 224 | 20 998 | 15 993 | 17 917 | – 1 924 | |
| Waarvan garantieverplichtingen | ||||||||
| Uitgaven | 7 295 | 7 339 | 12 604 | 18 039 | 19 317 | 18 849 | 468 | 2 224 |
| Mobiliteit | 4 244 | 9 238 | 9 864 | 9 951 | – 87 | 1 781 | ||
| Samenwerkingsverbanden | 4 226 | 3 217 | 3 378 | 3 387 | – 9 | |||
| Institutionele subsidies Nederland | 3 277 | 4 456 | 4 594 | 4 547 | 47 | 443 | ||
| Instellingen buitenland | 546 | 711 | 581 | 500 | 81 | |||
| Overig | 311 | 417 | 900 | 464 | 436 | |||
| Ontvangsten | 857 | 29 | 1 012 | 525 | 419 | 99 | 320 | |
Over de jaren 1999 en 2000 is geen onderverdeling te geven. Tot 2002 gold een andere artikelindeling met andere artikelonderdelen.
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
OVERZICHTSCONSTRUCTIE INTERNATIONAAL BELEID
De overzichtsconstructie internationaal beleid biedt een overzicht van de internationale uitgaven van OCW. Dit overzicht geeft vanzelfsprekend geen totaalbeeld van de internationale activiteiten die op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschappen in Nederland plaatsvinden. De daadwerkelijke omvang van de middelen die worden besteed aan de bevordering van mobiliteit en samenwerkingsverbanden is veelal groter dan hieronder is aangegeven. Zo financieren zowel de EU als de instellingen zelf verschillende vormen van internationale samenwerking.
2. Algemene beleidsdoelstellingen
In de begroting 2003 zijn de volgende algemene beleidsdoelstellingen voor 2003 opgenomen:
• Het bevorderen van de mogelijkheden voor deelnemers aan onderwijs, cultuur en wetenschappen voor internationale oriëntatie en kennisverwerving;
• het bevorderen van de kwaliteit van het aanbod en de beoefening van onderwijs, cultuur en wetenschappen in Nederland door internationale oriëntatie, vergelijking en competitie;
• het versterken van het internationale profiel van Nederlandse onderwijs-, cultuur- en wetenschappelijke instellingen op de internationale markt;
• het leren van elkaar en samenwerken met andere landen op centraal niveau; ontsluiting van – voor Nederland relevante – kennis en benchmarking.
Om deze algemene doelen te bereiken, is er een vijftal operationele doelstellingen met financiële consequenties geformuleerd, op het terrein van:
• mobiliteit;
• samenwerkingsverbanden;
• institutionele subsidies;
• instellingen buitenland;
• overig.
In paragraaf 3 zal per operationele doelstelling worden aangegeven wat bereikt is, wat gedaan is en wat dat heeft gekost. Daaruit zal blijken dat er op diverse terreinen goede voortgang is geboekt.
Het is allereerst van belang aan te geven dat de Europese dimensie van steeds grotere betekenis wordt voor het bereiken van de doelen. De Europese Raad stelde in 2002 als doel dat Europa in 2010 de meest competitieve kenniseconomie van de wereld moet zijn. Het daaruit voortvloeiende Lissabonproces is door Nederland in 2003 voortvarend opgepakt. In mei 2003 heeft de EU-Onderwijsraad – met actieve inbreng van Nederland – een vijftal Europese benchmarks vastgesteld (streefwaarden voor Europese gemiddelde prestatie in 2010, met ruimte voor nationale invulling en binnen de nationale budgettaire kaders). In december 2003 zijn deze Europese benchmarks opgenomen in een nationaal actieplan, dat aan de Tweede Kamer is aangeboden.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
| Tabel 1: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de EU | ||
|---|---|---|
| Bewindspersoon | Omschrijving | Briefdatum |
| Minister Van der Hoeven | Verslag van het onderwijsgedeelte van de EU-Onderwijs-/Cultuur-/Jeugdraad van 6 februari 2003 te Brussel | 13-2-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Verslag van de Informele EU-Onderwijsraad, 1–2 maart te Athene | 14-2-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Advies Onderwijsraad EU-benchmarks | 12-5-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Verslag van het onderwijsgedeelte van de EU-Onderwijs-/Cultuur-/Jeugdraad van 5 mei 2003 te Brussel | 15-5-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Beleidsreactie advies Onderwijsraad «Europese richtpunten» | 1-7-2003 |
| Staatssecretaris Nijs | Toezeggingen Europa overleg 23 april 2003 | 8-9-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Verslag van de Onderwijs- en Cultuurgedeelten van de EU-Onderwijs-/Cultuur-/Jeugdraad van 24–25 november 2003 te Brussel | 17-12-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Actieplan EU-benchmarks Onderwijs | 19-12-2003 |
N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.
3. Operationele doelstellingen
3.1 Bevordering van mobiliteit
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het beleid van de overheid is vooral gericht op het versterken van de positie van het Nederlandse onderwijs, zowel binnen Europa als op de groeiende wereldmarkt. Het met nationale en Europese – beurzenprogramma's bevorderen van inkomende en uitgaande (studenten)mobiliteit vormt een daartoe essentieel instrument, waarvan de resultaten goed kwantificeerbaar zijn.
Met name in het hoger onderwijs is met het oog op de concurrentiepositie op de internationale onderwijsmarkt ook de inkomende mobiliteit van belang. In 2003 is zowel de programmamobilteit als de geschatte totale mobiliteit fors toegenomen onder invloed van het beurzenprogramma Dutch education: learning at top level abroad (Delta) en de activiteit van de Netherlands' education support officies (Neso's) in positioneringslanden als China en Indonesië.
| Tabel 2: Overzicht inkomende mobiliteit 1999–2002 | |||
|---|---|---|---|
| 1999/2000 | 2000/2001 | 2001/2002 | |
| Inkomende programmamobiliteit HO | 8 257 | 9 107 | |
| Inkomende totale mobiliteit HO (geschat) | ca. 21 500 | ca. 29 500 | |
Bron: Bison-monitor 2002 (Nuffic, Cinop, Ep).
Het positioneringsbeleid begint daarmee zijn vruchten af te werpen. Toch neemt Nederland conform onderzoek van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso) onder de Oeso-landen nog steeds een bescheiden (11e) positie in.
In de cultuursector blijkt dat er in het buitenland veel vraag is naar werkplaatsen en gastateliers in Nederland. Uit een inventarisatie door Transartist blijkt dat Nederland tot de top vijf van Europa behoort wat betreft de mogelijkheden voor Artists-in-Residence. Nederland neemt de tweede plaats in qua deelnemers uit het Europese Artists-in-Residence-programma Pepinieres.
De uitgaande mobiliteit van studenten, scholieren en docenten in het onderwijs neemt de laatste jaren gestaag toe, dankzij de diverse nationale en Europese programma's, die worden uitgevoerd door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic), het Centrum voor innovatie van opleidingen (Cinop, beroepsonderwijs) en het Europees platform (Ep, funderend onderwijs).
| Tabel 3: Overzicht uitgaande mobiliteit 1999–2002 | ||
|---|---|---|
| 1999/2000 | 2001/2002 | |
| Totale uitgaande mobiliteit | 29 645 | 33 072 |
| Funderend onderwijs | 18 721 | 20 329 |
| Middelbaar beroepsonderwijs | 5 379 | 6 841 |
| Hoger onderwijs | 5 545 | 5 902 |
Bron: BISON-monitor 2002 (Nuffic, Cinop, Ep).
De belangstelling voor nationale beurzenprogramma's, zoals het Fulbrightprogramma en het Talentenprogramma, is over het algemeen groot. Niet meer dan een kwart van de aanmeldingen kan worden gehonoreerd. In het totaal van de uitgaande mobiliteit nemen deze programma's overigens een beperkte plaats in. De doelstelling is dan ook meer gericht op kwaliteit dan op kwantiteit.
Europese programma's zoals Erasmus, Leonardo en Tempus dragen wel in belangrijke mate bij aan de kwantiteit. In deze programma's participeren nagenoeg alle bekostigde en aangewezen Nederlandse hoger onderwijsinstellingen.
Voor de cultuursector ontbreken exacte gegevens, maar op basis van onder meer analyse van websitebezoek kan wel worden geconstateerd dat de belangstelling onder Nederlandse kunstenaars nog altijd groeit.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Evaluatie positioneringsinstrumenten hoger onderwijs
Het positioneringsbeleid kent twee instrumenten: de Neso's en het Delta-beurzenprogramma. De Neso's hebben tot taak om in de doelgebieden (Indonesië, China, Hong-Kong, Taiwan) Nederland als Kennisland te promoten. Zij ondersteunen tevens de institutionele samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse hoger onderwijsinstellingen en helpen ze Nederlandse instellingen bij het werven van buitenlandse studenten. Het doel van het Delta-beurzenprogramma is door beurzen de instroom van buitenlandse studenten te vergroten. Deze instrumenten zijn in 2003 geëvalueerd door het Centrum voor studies hoger onderwijsbeleid (Cheps). De conclusie van deze evaluatie is dat in de doelgebieden de generieke promotie van Nederland als kennisland goed in gang is gezet en dat het aantal buitenlandse studenten uit de doelgebieden sterk is gestegen. De evaluatie wijst erop dat de kosten en baten van de internationalisering en de positionering van het hoger onderwijs op korte termijn positief lijken uit te vallen. Eveneens kunnen ook op lange termijn voordelen worden verwacht in termen van goede politieke, culturele en zakelijke relaties als gevolg van een netwerk van buitenlandse alumni die in Nederland hebben gestudeerd. Er zijn ook enkele aandachtspunten. De wervingskracht van het Delta-beurzenprogramma kan worden vergroot. Aanbevolen wordt meer focus op kwaliteit en op specifieke sectoren (bijvoorbeeld bèta/techniek), maar ook uitbreiding van doelgebieden. Het positioneringsbeleid dient beter aan te sluiten op de behoeftes van de kennissamenleving; nauwe samenwerking tussen betrokken ministeries is wenselijk. Deze en andere aanbevelingen uit het Cheps-rapport hebben gediend als input voor het Hoger onderwijsen onderzoekplan (Hoop) 2004.
Besloten is om het Neso Beijing in China de Engelse taalvaardigheid en authenticiteit van (onderwijs) documentatie van Chinese kandidaten te laten toetsen. Het doel is te verzekeren dat vanuit China alleen aan voldoende gekwalificeerde studenten een visum wordt verstrekt onder de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Dit steunpunt doet van het resultaat uitspraak in een per kandidaat op te stellen certificaat voor de Nederlandse onderwijsinstelling. Op basis van de door de instelling voorgelegde gegevens besluit de Immigratieen Naturalisatiedienst (IND) over de toelating van de student. In 2003 is begonnen met de invoering van deze procedure die op 1 februari 2004 volledig operationeel moet zijn.
Vooruitlopend op het besluitvormingsproces over herinrichting van het positioneringsbeleid, is besloten de subsidie voor het steunpunt in Hongkong voort te zetten gedurende de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004. Dit maakt het mogelijk om de besluitvorming over alle steunpunten tegelijkertijd te laten plaatsvinden.
De hoogte van de leges voor binnenkomende studenten en kenniswerkers heeft voortdurend aandacht gehad. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft aangegeven dat het overleg hierover tot duidelijkheid moet leiden. De positie van studenten wordt ook bekeken in het kader van het kostprijsonderzoek dat zij begin volgend jaar gaat uitvoeren. Binnen het Innovatieplatform is een werkgroep bezig met obstakels voor internationale mobiliteit van kenniswerkers, waaronder de legesproblematiek.
In november hebben de Raad en het Europees Parlement een gemeenschappelijk besluit genomen over het programma Erasmus Mundus. Dit is een programma op het gebied van het hoger onderwijs, waarbij consortia van Europese hoger onderwijsinstellingen worden gevormd die gezamenlijke Mastersopleidingen aanbieden, die in het bijzonder zijn gericht op niet-Europese studenten. Nederland ziet dit als een goede aanvulling op het eigen positioneringsbeleid.
Meeneembare studiefinanciering en Visie-beurzenprogramma
De aangekondigde voornemens om de studiefinanciering meeneembaar te maken voor een opleiding in het buitenland zijn als gevolg van ontwikkelingen binnen de Europese Unie uitgesteld. Als gevolg van uitspraken van het Europees Hof van Justitie en een steeds verdergaande invulling van het begrip «Europees burgerschap» kan een toenemend aantal EU-onderdanen aanspraak maken op de Nederlandse voorzieningen voor studiefinanciering.
In 2003 hebben 199 studenten gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een volledige hoger onderwijsopleiding te volgen in één van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat op grond van de regels gegeven bij of krachtens de Wet op de studiefinanciering (WSF) 2000. Dit is een toename van 40 studenten ten opzichte van 2002. Per 1 september 2003 heeft het laatste cohort gebruik kunnen maken van het beurzenprogramma Volledige internationale studie europa (Visie). Besloten is om de huidige Visie-regeling te beëindigen per 1 september 2004. De studenten die nu studeren met een Visie-beurs kunnen de opleiding nog wel afronden met deze beurs.
In december 2003 heeft de Europese Commissie het Europass-voorstel gepubliceerd dat één enkel kader voor transparantie op het gebied van kwalificatie en competenties bevat. Dit is zowel voor het middelbaar beroepsonderwijs als voor het hoger onderwijs van belang. Het past in het proces van de Kopenhagenverklaring, dat gericht is op een grotere transparantie van beroepskwalificaties en vertrouwen in de kwaliteit van de wederzijdse beroepsonderwijsstelsels binnen Europa. Tevens past het in het Bolognaproces voor het hoger onderwijs, waar het diplomasupplement onderdeel van uitmaakt.
Nieuwe regeling nationale programma's primair en voortgezet onderwijs
Voor het bevorderen van mobiliteit in het primair en voortgezet onderwijs worden de nationale programma's voor de periode 2003–2007 voortgezet. In 2003 is de nieuwe regeling opgesteld op grond van de evaluatie in 2002, waarin enkele nieuwe beleidsprioriteiten zijn opgenomen. Zo is er bijzondere aandacht voor mobiliteit met de buurlanden (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk). Voor het primair onderwijs is een speciaal op deze landen gericht nieuw programma geïntroduceerd met de focus op gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ict) bij internationalisering. Hiermee wordt naast de fysieke ook virtuele mobiliteit gestimuleerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 4: Mobiliteit (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | HGIS-deel | |
| Onderwijs artikel 8: | |||
| Internationaal onderwijsbeleid | 9 951 | 9 864 | 1 781 |
| Onderwijs overige artikelen: | |||
| Primair onderwijs (artikel 1) | 80 | ||
| Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4) | 43 | 39 | |
| Hoger beroepsonderwijs (artikel 6) | 136 | 136 | 136 |
| Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7) | 1 467 | 1 033 | |
| Studiefinanciering (artikel 11) | 1 000 | 1 539 | |
| Totaal | 12 597 | 12 691 | 1 917 |
Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen
| Tabel 5: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de bevordering van mobiliteit | ||
|---|---|---|
| Bewindspersoon | Omschrijving | Briefdatum |
| Minister Van der Hoeven | BISON monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs 2002 | 9-7-2003 |
N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.
3.2 Bevordering van samenwerkingsverbanden
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Bilaterale samenwerking op overheidsniveau met partnerlanden draagt er aan bij dat een toenemend aantal Nederlandse instellingen participeert in internationale netwerken en hun internationale relaties uitbreidt en onderhoudt. Onderscheiden groepen landen vragen om een verschillende inzet vanuit de Nederlandse overheid.
In 2003 is de samenwerking met diverse landen versterkt, in het bijzonder de samenwerking met Vlaanderen, Rusland, enkele landen die in 2004 tot de EU zullen toetreden zoals Hongarije, Suriname (toetreding Nederlandse Taalunie) en Turkije. Dit blijkt uit onderstaand verslag van de samenwerking in 2003 met enkele belangrijke partnerlanden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Samenwerking in Koninkrijksverband
De voor juni 2003 in Den Haag voorziene tripartiete conferentie van de onderwijsministers van het Koninkrijk is op verzoek van de Antillen uitgesteld vanwege de regeringswisseling aldaar. Er is voortgang geboekt in het overleg met de Koninkrijkspartners over het beëindigen van de Nederlandse studiefinanciering voor studie aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen en de Universiteit van Aruba en een – vanuit de vrijkomende middelen gefinancierde – voorziening voor studie van Antillianen en Arubanen in de eigen regio. Afgesproken is tevens dat de Nederlandse minister voor Koninkrijksrelaties dit overleg met de partners verder namens Nederland voert, in aansluiting op het reeds lopende onderwijssamenwerkingsprogramma.
Het beurzenprogramma Koninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen (Kans) voor samenwerking tussen Nederlandse middelbare scholen en Antilliaanse of Arubaanse scholen liep in 2003 af. Tripartiet overleg over een eventueel vervolg is voorzien voor 2004.
Op 8 oktober 2003 is de «Verklaring van Münster» getekend. Deze verklaring heeft betrekking op het terrein van het hoger onderwijs, wetenschap en onderzoek. Bij de uitwerking hiervan zijn Vlaanderen, Luxemburg, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Nederland betrokken.
Het gehele Europese Nederlandse taalgebied (Gent)-6 akkoord dat is gesloten met Vlaanderen, bouwt voort op een langdurige en vruchtbare samenwerking in het kader van de Gent-akkoorden, met als recent hoogtepunt de tekening van het Verdrag voor de accreditatie van het Hoger Onderwijs in Vlaanderen en Nederland (september 2003). Het Gent-6 akkoord richt zich op beleidsuitwisseling; stimulering en monitoring van wederzijdse en internationale mobiliteit; gezamenlijk voorbereiding, waar mogelijk, van optreden in multilaterale organen op het terrein van EU en OESO; en oprichting van gezamenlijke instellingen en het delen van voorzieningen.
In 2003 heeft intensief overleg plaatsgevonden met Vlaanderen over de verschillende aspecten van culturele uitwisseling en in het bijzonder over de plannen tot oprichting van een Nederlands-Vlaams centrum voor Europa in Brussel. Er is een opdracht verstrekt aan een informateur die de kansen en mogelijkheden voor een dergelijk centrum in kaart brengt en een opzet maakt voor een beleidsplan dat voor financiering in de komende jaren in aanmerking kan komen.
Uit het beurzenprogramma Bilateraal Austausch programma Nederland-Duitsland (Band), uitgevoerd door Cinop, is in 2003 een deelnemersconferentie voor projectleiders georganiseerd, naast de financiering van 25 kwalitatief hoogstaande uitwisselingsprojecten volgens planning. In 2004 evalueren Nederland en Duitsland het Band-programma.
De Nederlandse Taalunie heeft een associatieovereenkomst met de Republiek Suriname gesloten. Hierdoor zal Suriname aansluiten bij veel van de activiteiten van de Taalunie waaronder de spelling.
Het HBO-Platform OS/Indonesië, een initiatief van de HBO-raad, is in 2003 verder ondersteund. Een aantal hogescholen heeft consortia gevormd, die bezig zijn tot samenwerking te komen met diverse regio's in Indonesië en het realiseren van actieve institutionele structurele samenwerkingsrelaties met Indonesische hoger onderwijsinstellingen. Daarbij gaat het om samenwerking op het gebied van curriculumontwikkeling, het werven van studenten, uitwisseling van studenten en docenten, samenwerking in projecten en het zenden van studenten naar Indonesië voor stages of afstudeeropdrachten. Ook de activiteiten van de HBO-raad in Vietnam – met een soortgelijke doelstelling – zijn in 2003 éénmalig ondersteund.
Het programma Co-operation in education between The Netherlands and South Africa (Cenesa) wordt in 2004 extern geëvalueerd. In 2003 zijn in nauw overleg met het Zuid-Afrikaanse onderwijsministerie en het ministerie van Buitenlandse zaken/Ontwikkelingssamenwerking «terms of reference» opgesteld.
In 2002 was Turkije, net zoals al eerder Marokko, op proef toegevoegd aan het programma promotie lerarenmobiliteit arbeidservaring en training in het onderwijs (plato). Door de positieve ervaringen is Turkije bij de nieuwe regeling nationale programma's in 2003 voor de periode t/m 2006 wederom opgenomen in het plato-programma. Uit de evaluaties bleek dat de deelnemers zeer te spreken zijn over de onderwijssamenwerking met Turkije. Het Turkse Nationale Socrates Agentschap bezocht in oktober 2003 het Europees Platform, ter voorbereiding op de Turkse deelname aan de EU-programma's.
Op cultuurgebied is in 2003 een onderzoek uitgevoerd naar de samenwerkings-mogelijkheden met Turkije en zijn activiteiten ondersteund die de culturele uitwisseling met onder meer Turkije bevorderen.
Met de Russische Federatie is een nieuw memorandum of understanding (mou) voor onderwijssamenwerking afgesloten voor de periode 2003–2007, gebaseerd op de conclusies van de externe evaluatie die in 2002 was afgerond.
Ook met Hongarije is een nieuw mou voor onderwijssamenwerking afgesloten voor de periode 2003–2004. Naar aanleiding van de evaluatie uit 2002 focust deze samenwerking sterker op een aantal specifieke thema's.
Toetredingslanden EU / Midden- en Oost-Europa
Nu de toetreding van een twaalftal landen, waarvan 10 landen per mei 2004, tot de EU aanstaande is, is besloten de bestaande onderwijssamenwerking met 4 Midden en Oost-Europese landen te verbreden tot al deze landen voor de periode 2003–2004 gebaseerd op de resultaten van eerdere samenwerking. De nadruk ligt op expertise-uitwisseling op het terrein van: hoger onderwijs (beleidsvraagstukken in het licht van de Bologna-declaratie), beroepsonderwijs (vooral gericht op de relatie met de arbeidsmarkt als vervolg van de Kopenhagen-verklaring) en ict in het onderwijs.
Op cultuurgebied is Kennisuitwisseling de kern van een serie vanuit Nederland op niveau van de non-gouvernementele organisaties geïnitieerde projecten op het gebied van training van media professionals in kandidaat-lidstaten en andere Oost-Europese landen. Dit soort projecten wordt voornamelijk geïnitieerd vanuit het ministerie Buitenlandse Zaken in het kader van het programma Maatschappelijke Transformatie in Midden- en Oost-Europa (Matra) OCW doet hiervoor de advisering. OCW heeft zelf op het gebied van training van mediaprofessionals en vrije media in 2003 de volgende betrokkenheid gehad:
• Subsidie aan de instellingen ROOS, Press Now, European Journalism Centre en de Stichting Christelijke Mediaprojecten 3xM ten behoeve van projecten ter stimulering van de vrije media in Oost-Europa (Roemenië, voormalig Joegoslavië, Bulgarije, etcetera);
• een bijdrage voor de jaren 2001–2003 geleverd aan het medium-term Training Programma for media professionals van de Raad van Europa (verantwoord in oktober 2003).
Samenwerking op het gebied van ict
De uitgangspunten van het ict-internationaliseringsbeleid zijn uitgewerkt zoals voorgenomen. Zo zijn er bilaterale en multilaterale contacten geweest met vooruitstrevende landen als Canada en de Scandinavische landen. De contacten met het European SchoolNet (EUN) werden versterkt, ook op het gebied van inhoudelijke ontwikkeling. Eveneens werd de inbreng in de expertgroepen «e-Learning» en «ICT in Education» van de Europese Commissie geïntensiveerd.
Europese samenwerking Audiovisuele sector
Nederland maakte in 2003 deel uit van verschillende samenwerkingsverbanden in de audiovisuele (av) sector, zoals Eurimages, AV Eureka en het Europees Audiovisueel Observatorium. Nederland heeft als lid van Eurimages, het Europese coproductiefonds van de Raad van Europa, in 2003 succesvol geparticipeerd in verschillende projecten. In februari 2004 volgt een evaluatie van het coproductiefonds over het jaar 2003 opgesteld door het Nederlands Fonds voor de Film. Nederland is in 2003 ook lid geweest van AV Eureka, de intergouvernementele organisatie voor samenwerking en uitwisseling in de av-sector. Op 30 juni 2003 heeft het Coördinatoren Comité van Eureka AV besloten de organisatie op te heffen, omdat de meerwaarde van de organisatie ten opzichte van andere Europese instellingen steeds kleiner werd. Het Nederlands lidmaatschap van het Europees Audiovisueel Observatorium is in 2003 gecontinueerd (contributie gezamenlijk bekostigd door het ministerie van OCW en het ministerie van Economische Zaken). De organisatie functioneert naar tevredenheid van Nederland en de andere lidstaten. De middelen zijn in 2003 onder meer besteed aan een toegenomen aantal publicaties over de Europese av-sector, de lancering van twee databases voor en over de av-sector en het versterken van de positie van het Observatorium als kenniscentrum en netwerkorganisatie voor de Europese av-sector.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 6: Samenwerkingsverbanden (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | HGIS-deel | |
| Onderwijs artikel 8: | |||
| Internationaal onderwijsbeleid | 3 387 | 3 378 | |
| Onderwijs overige artikelen: | |||
| Hoger beroepsonderwijs (artikel 6) | 318 | 215 | 66 |
| Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) | 82 | ||
| Onderzoek: | |||
| Onderzoek en wetenschappen (artikel 16) | 4 135 | 5 626 | |
| Cultuur: | |||
| Media (artikel 15) | 979 | ||
| Totaal | 7 840 | 10 280 | 66 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
| Tabel 7: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de bevordering van samenwerkingsverbanden | ||
|---|---|---|
| Bewindspersoon | Omschrijving | Briefdatum |
| Minister Van der Hoeven | GENT-6 akkoord | 20-11-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Beknopt verslag werkbezoeken minister najaar 2003 (aan Rusland, Hongarije en Duitsland) | 12-1-2004 |
N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.
3.3 Institutionele subsidies Nederland
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Institutionele subsidies in Nederland beogen onder meer de Nederlandse belangen in het buitenland te helpen behartigen. Er is een bijgedragen aan de algemene versterking van het beeldmerk Nederland in het buitenland en van het Nederlandse (hoger) onderwijs en de Nederlandse cultuur in het bijzonder. Daarnaast worden deze subsidies aangewend voor de bekostiging van Nederlandse instellingen en organisaties die een actieve rol spelen en taken uitvoeren in internationalisering, met als doel de ondersteuning, uitvoering, coördinatie en bevordering van internationale activiteiten op de terreinen onderwijs, cultuur en wetenschappen.
In 2003 zijn meer prestatiegerichte en efficiëntere uitvoeringsmodaliteiten tot stand gekomen. Met name op het terrein van de institutionele subsidies aan de Nuffic en het Europees Platform (EP) zijn goede resultaten geboekt. Met de Nuffic zijn nieuwe operationele afspraken met prestatie-indicatoren gemaakt over de basissubsidie en is een eerste stap gezet met het verlagen van de uitvoeringslasten van het programma High-level university year to gain excellence in the Netherlands (Huygens) en de Culturele Verdragen. Het EP heeft, op verzoek van OCW, voor het jaar 2003 voor het eerst een prestatiegerichte begroting ingediend.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Een belangrijk instrument vormen, naast de hierboven genoemde instellingen, de Internationaal Onderwijsinstellingen, die zich richten op de ontwikkeling van menselijk potentieel door onderwijs en training in Nederland, teneinde (op korte termijn) te voorzien in zowel kwantitatieve en kwalitatieve tekorten aan geschoold kader in ontwikkelingslanden, en duurzame capaciteitsversterking in ontwikkelingslanden (zie artikel 7).
Een tweede grote post is de Wereldomroep. De Wereldomroep wordt gefinancierd uit de rijksbijdrage media, die uit de belastinginkomsten wordt gevormd, en heeft als doel in het buitenland een beeld te geven van Nederland in geestelijk, levensbeschouwelijk, staatkundig, cultureel, wetenschappelijk, economisch, sociaal en humanitair opzicht. Daarmee beoogt het de verbreiding van goodwill ten aanzien van Nederland te bevorderen.
Onder de institutionele subsidies vallen eveneens de uitgaven ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Nederlandse Taalunie en de taken van de scholen voor Nederlands onderwijs in het buitenland. De uitgaven voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Nederlandse Taalunie worden vanaf 2003 toegekend in de vorm van een lumpsum door Vlaanderen en Nederland.
Via de Cultuurnota worden ook instellingensubsidies verstrekt aan Europese netwerken en organisaties. Er bestaan internationale subsidieregelingen bij de Nederlandse fondsen: Mondriaan Stichting, fonds voor podiumkunsten, fonds voor de amateurkunsten en het stimuleringsfonds architectuur. Op het terrein van media en letteren worden BVN-tv, Mediadesk (Voorlichtingsbureau Mediaprogramma EC) en verschillende instellingen op het terrein van Letteren (mede-)gefinancierd. De Stichting internationale culturele activiteiten (Sica) inventariseert en publiceert gegevens over de buitenlandse activiteiten die Nederlandse kunstenaars en organisaties ondernemen. In 2002 werden 84 landen bestreken en 2086 activiteiten geregistreerd. Deze stijging ten opzichte van 2001 is deels toe te schrijven aan een actiever relatiebeheer en verbetering van de gegevensinvoer. De export van Nederlandse culturele activiteiten concentreerde zich – voor ruim de helft – ook in 2002 op respectievelijk Duitsland, de Verenigde Staten, België (Vlaanderen), Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 8: Institutionele subsidies Nederland (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | HGIS-deel | |
| Onderwijs artikel 8: | |||
| Internationaal onderwijsbeleid | 4 547 | 4 594 | 443 |
| Onderwijs overige artikelen: | |||
| Primair onderwijs (artikel 1) | 13 321 | 13 395 | |
| Voortgezet onderwijs (artikel 3) | 1 505 | 1 505 | |
| Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4) | 324 | 349 | |
| Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7) | 53 474 | 57 837 | 51 235 |
| Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) | 50 | ||
| Onderzoek: | |||
| Onderzoek en wetenschappen (artikel 16) | 454 | 454 | 454 |
| Cultuur: | |||
| Algemeen cultuurbeleid (artikel 14) | 1 807 | 1 210 | 631 |
| Kunsten (artikel 14) | 5 231 | 5 873 | |
| Media (artikel 15) | 47 435 | 46 889 | |
| Cultureel erfgoed (artikel 14) | 135 | 858 | |
| Totaal | 128 233 | 133 014 | 52 763 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Wat betreft institutionele subsidies zijn in 2003 op het gebied van onderwijs geen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter aan de Tweede Kamer gestuurd. Informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De Nederlandse bijdragen of contributies aan verschillende instellingen en organisaties in het buitenland vloeien voor een deel voort uit verdragen en wettelijke verplichtingen. Met deelname wordt beoogd relevante kennis voor Nederland te ontsluiten. Deze instellingen en organisaties zijn door hun grotere financiële slagkrachten hun brede deelnemersveld beter dan Nederland alleen toegerust resultaten te boeken op verschillende deelterreinen van onderwijs, cultuur en onderzoek. Het gaat om vooral om multilaterale organisaties als de OESO, UNESCO, de Raad van Europa, de Verenigde Naties en de World Trade Organisation (WTO). Deze organisaties bleken ook in 2003 weer belangrijke fora om Nederlandse doelstellingen te (helpen) realiseren en belangen te behartigen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Nederland heeft ook in 2003 meegedaan aan het onderzoek «programme for international student assessment» (PISA). In tegenstelling tot 2002 heeft Nederland nu wel heeft de voor opname in het rapport benodigde «response rate» behaald. In december 2004 zullen de resultaten van dit onderzoek bekend worden.
Verder is Nederland opgenomen in de jaarlijkse uitgaven van Education at a Glance en Education Policy Analysis, waarvan samenvattingen met een beleidsreactie in het najaar aan de Tweede Kamer zijn toegestuurd.
In het kader van WTO-general agreement on trade in services (gats) stonden de onderhandelingen over liberalisering van diensten in de audiovisuele sector hoog op de agenda. Vanuit de EU is geen nieuw aanbod gedaan op het terrein van onderwijsdiensten, zodat het publieke domein buiten de WTO-gats blijft. De EU heeft de Verenigde Staten wel verzocht om op het terrein van commerciële onderwijsdiensten de VS-markt net zo open te stellen als de Europese sinds de gats-overeenkomst in 1995 al is. Door het mislukken van de ministeriële bijeenkomst in Cancùn in september 2003, hebben zich echter geen verdere ontwikkelingen voorgedaan.
In 2003 is door de tweejaarlijkse Algemene Conferentie van UNESCO over de instelling van een paar belangrijke instrumenten overeenstemming bereikt. Mede dankzij de intensieve bemoeienis van Nederland in het voorbereidende traject is een Conventie voor het behoud van Immaterieel Erfgoed aangenomen, als pendant van de Werelderfgoed Conventie die betrekking heeft op materieel en landschappelijk erfgoed. Tegelijkertijd is, mede dankzij Nederlandse inspanningen, een aanbeveling aangenomen ter bevordering van het gebruik van multilingualisme en van de universele toegang tot cyberspace. Er is bovendien een Charter geadopteerd met betrekking tot het behoud van digitaal erfgoed. Nederland was initiatiefnemer. Op het terrein van Culturele Diversiteit is tijdens de UNESCO-conferentie het besluit genomen over het tot stand brengen van een conventie. Omdat er vooralsnog geen duidelijkheid was over het doel en de reikwijdte van een toekomstige conventie heeft Nederland afwachtend op het voornemen gereageerd.
De Nederlandse inspanningen zijn in 2003 vooral gericht geweest op participatie bij de voorbereidingen van een Declaration on Intercultural Dialogue and Conflict. Er is een verklaring tot stand gebracht die door de Raad van Europa ministers in oktober is aangenomen. In de verklaring is recht gedaan aan de voor Nederland belangrijke thema's als: een dynamische opvatting van het cultuurbegrip en een nadruk op het concept culturele democratie (rechten maar ook plichten voor individuele leden van de culturele groepen die samen de samenleving vormen).
Op het gebied van media heeft Nederland in 2003 bijgedragen aan het tot stand komen van een Verklaring over Vrijheid van Communicatie op het Internet, een Aanbeveling en Verklaring over berichtgeving in de media in de context van strafzaken en een Aanbeveling om de democratische en sociale bijdrage van digitale televisie te bevorderen. Daarnaast heeft Nederland meegewerkt aan een politieke boodschap van de Raad van Europa aan de world summit on the information society en aan de voorbereidingen van de 7e ministeriële conferentie voor de massa media, die zal plaatsvinden in november 2004.
Binnen het onderzoeksbeleid van OCW is deelname aan Europese wetenschappelijke samenwerkingsorganisaties één van de prioriteiten. Via Europese intergouvernementele organisaties als het Europese ruimte agentschap (ESA), de Europese organisatie voor astronomisch onderzoek (ESO), het Europees moleculair biologisch laboratorium (EMBL), Europese moleculaire biologische conferentie (EMBC) en de Europese organisatie voor kern- en hoger energiefysica (CERN) blijven enkele terreinen van onderzoek, zoals kernfysica, ruimteonderzoek, astronomie en moleculair onderzoek toegankelijk voor Nederlandse onderzoekers. Deze in toenemende mate mondiaal opererende organisaties stellen onderzoekers in staat gebruik te maken van de meest geavanceerde faciliteiten in de wereld. Scherpe internationale selectie van programma's leidt tot excellent onderzoek, dat een uitstraling heeft in het Nederlandse onderzoeksbestel.
Het ministerie behartigt met deze deelnames de Nederlandse wetenschappelijke belangen. De bijdragen aan deze organisaties zijn wettelijk verplicht en bekostigen het Nederlands lidmaatschap. In artikel 16: Onderzoek en Wetenschappen is hierover meer informatie opgenomen.
Nederland levert ook bijdragen aan instellingen als het Centrum voor Moderne Vreemde Talen van de Raad van Europa in Graz en aan verschillende Nederlandse instituten in het buitenland, waaronder het Erasmushuis Jakarta, het Nederlands-Vlaams Instituut in Caïro en het Europa College in Brugge. Tevens zijn de middelen opgenomen, die zijn gedelegeerd aan de cultureel attaché's op de Nederlandse ambassades.
Met betrekking tot het Graz Talencentrum valt nog meer specifiek te vermelden dat Nederland in 2003 bij de Europese Commissie een voorstel heeft ingediend voor een haalbaarheidsstudie naar een Europese itembank voor het testen van taalvaardigheid. Dit voorstel is door de Europese Commissie overgenomen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 9: Instellingen buitenland (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | HGIS-deel | |
| Onderwijs artikel 8: | |||
| Internationaal onderwijsbeleid | 500 | 581 | |
| Onderwijs overige artikelen: | |||
| Primair onderwijs (artikel 1) | 10 | 141 | |
| Voortgezet onderwijs (artikel 3) | 45 | 45 | |
| Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7) | 1 487 | 1 253 | |
| Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) | 25 | ||
| Onderzoek: | |||
| Onderzoek en wetenschappen (artikel 16) | 67 684 | 68 926 | |
| Cultuur: | |||
| Algemeen cultuurbeleid (artikel 14) | 90 | 83 | 83 |
| Cultureel erfgoed (artikel 14) | 28 | 561 | |
| Totaal | 69 844 | 71 615 | 83 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
| Tabel 10: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de instellingen buitenland | ||
|---|---|---|
| Bewindspersoon | Omschrijving | Briefdatum |
| Staatssecretaris Nijs | Positie van het HO in de GATS-onderhandelingen | 10-2-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Publicatie OESO Education Policy Analysis 2003 | 20-11-2003 |
| Minister Van der Hoeven | Delegatieverslag UNESCO 32e Algemene Conferentie | 18-12-2003 |
N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De categorie overig bevat diverse activiteiten, die gezamenlijk ongeveer 1% van het totale internationale budget beslaan. Dit zijn veelal activiteiten die in de loop van de tijd explicieter worden ingevuld, zoals middelen geoormerkt voor beleidsonderzoek. Onderzoek is onder meer verricht voor de evaluatie van het positioneringsbeleid (zie paragraaf 3.1) en voor de EU-benchmarks, dat wil zeggen kwantitatieve streefwaarden (zie paragraaf 2) te monitoren. De Tweede Kamer is hierover apart geïnformeerd. Daarnaast vallen de werkzaamheden ter voorbereiding van het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004 binnen deze categorie.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Vermeldenswaardig is het Good practice onderzoek dat in 2003 heeft plaatsgevonden in het kader van de algemene beleidsdoelstelling «het leren van elkaar». Om een beter beeld te krijgen van de mogelijkheden en valkuilen van het gebruik van good practices is door de Universiteit Twente een onderzoek uitgevoerd naar de methodologie achter good practices. Mede op basis van dit onderzoek kan in 2004 gewerkt worden aan het opzetten van internationaal kennismanagement met een meer systematische ontsluiting en toepassing van good practices en andere internationaal aanwezige kennis.
In juni 2003 verscheen de vijfde editie van de monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs van het Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs (BISON), bestaande uit NUFFIC, CINOP en het EP. De BISON-monitor beoogt inzicht te geven in de kwantitatieve ontwikkelingen betreffende internationale mobiliteit en moet daarmee bijdragen aan een verdere verbetering van de beleidsontwikkeling. Daartoe biedt de monitor een overzicht van de internationale mobiliteit in het Nederlandse onderwijs in het kader van de daarvoor in het leven geroepen nationale en Europese subsidieprogramma's.
In 2003 zijn ook de eerste stappen gezet om niet alleen de kwantitatieve maar ook de kwalitatieve effecten van mobiliteit te gaan meten en daarmee de veronderstelde positieve effecten van mobiliteit. In de vierde en vijfde editie van de BISON-monitor (2001 + 2002) zijn conclusies opgenomen over de aard van indicatoren zoals die bruikbaar kunnen zijn bij het meten van (kwalitatieve effecten van) mobiliteit. In deze conclusies wordt de (eerder aangekondigde) sterkere accentuering van output-metingen genoemd als middel om de effecten van internationalisering transparant te maken. Mede op basis van deze conclusies heeft OCW het Centraal Planbureau (CPB) gevraagd om, met ondersteuning van de BISON-partners, in 2004 een onderzoek uit te voeren naar de haalbaarheid van het meten van de kwalitatieve effecten van mobiliteit.
In 2003 is een begin gemaakt met de voorbereiding van het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004. OCW heeft actief meegewerkt aan de Nederlandse bijdragen aan zowel het Meerjarenprogramma EU-voorzitterschappen 2004–2006 en Iers-Nederlands werkprogramma 2004. Ook zijn specifieke OCW-prioriteiten voor het voorzitterschap geïdentificeerd, die vervolgens zijn neergelegd in de brief van 12 december 2003 aan de Tweede Kamer. De prioriteiten zijn: open coördinatie en transparantie; kennis en kwaliteit; mobiliteit en uitwisseling; en burgerschap en cohesie – met als algemene inzet bij te dragen aan een Europa waarin lidstaten en burgers leren van elkaar.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 11: Internationaal beleid overige uitgaven (bedrag x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | HGIS-deel | |
| Onderwijs artikel 8: | |||
| Internationaal onderwijsbeleid | 464 | 900 | |
| Onderwijs overige artikelen: | |||
| Primair onderwijs (artikel 1) | 207 | ||
| Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4) | 306 | 288 | |
| Hoger beroepsonderwijs (artikel 6) | 658 | 138 | 131 |
| Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7) | 38 | 785 | 590 |
| Onderzoek: | |||
| Onderzoek en wetenschappen (artikel 16) | 20 | ||
| Cultuur: | |||
| Algemeen cultuurbeleid (artikel 14) | 282 | 396 | 396 |
| Cultureel erfgoed (artikel 14) | 302 | 212 | |
| Totaal | 2 277 | 2 719 | 1 117 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
| Tabel 12: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de overige activiteiten | ||
|---|---|---|
| Bewindspersoon | Omschrijving | Briefdatum |
| Minister Van der Hoeven | De internationale OCW-agenda en het EU-voorzitterschap 2004 | 16-12-2003 |
N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.
4. Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 13: Budgettaire gevolgen van beleid Overzichtsconstructie (x € 1 000) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | HGIS realisatie | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | 2003 | 2003 | |
| Mobiliteit | 13 261 | 12 691 | 12 597 | 94 | 1 917 | |||
| Samenwerkingsverbanden | 9 713 | 10 280 | 7 840 | 2 440 | 66 | |||
| Institutionele subsidies Nederland | 128 740 | 133 014 | 128 233 | 4 781 | 52 763 | |||
| Instellingen buitenland | 69 976 | 71 615 | 69 844 | 1 771 | 83 | |||
| Overig | 1 520 | 2 719 | 2 277 | 442 | 1 117 | |||
| Totaal Programma-uitgaven | 223 210 | 230 319 | 220 791 | 9 528 | 55 946 | |||
Een nadere toelichting is opgenomen in de betreffende beleidsartikelen, 1, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 14, 15 en 16.
9. ARBEIDSMARKT EN PERSONEELSBELEID
9.1 Algemene beleidsdoelstelling
De algemene doelstelling van de minister is het met de daarvoor bestemde middelen bevorderen van een open en transparante onderwijsarbeidsmarkt in samenwerking met werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede van een structuur voor overleg over de arbeidsvoorwaardenontwikkeling. Eveneens is de doelstelling van de minister het terugdringen van de financiële gevolgen van bovenmatige ziektekosten voor het (gewezen) onderwijspersoneel.
Overigens wordt verwezen naar de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid voor gedetailleerde gegevens over ontwikkelingen in en initiatieven op de onderwijsarbeidsmarkt.
9.2 Operationele doelstellingen
Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt (SBO)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het SBO is als samenwerkingsverband van sociale partners in het onderwijs aanspreekpunt voor de minister van OCW op het gebied van arbeidsmarktbeleid. Binnen de door de minister bepaalde strategische beleidskaders neemt het SBO verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en de uitvoering van het arbeidsmarktbeleid in de sector onderwijs. Het SBO is het kennis- en expertisecentrum van en voor de sociale partners en vormt het platform voor ontmoeting en de uitwisseling van ideeën, visies en ervaringen op en rond de onderwijsarbeidsmarkt. Het SBO draagt hierbij zorg voor afstemming tussen decentrale cao-tafels en met subsectorale organen. Het SBO adviseert de minister gevraagd en ongevraagd over het te voeren arbeidsmarktbeleid en ontwikkelt arbeidsmarktinstrumenten. De aanpak van het lerarentekort is een belangrijk thema. Voorts zal het SBO actief en gestructureerd werken aan zowel verspreiding van de ontwikkelde kennis en expertise over beleidsinitiatieven en beleidsontwikkelingen op de arbeidsmarkt alsook aan de implementatie hiervan.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Op 20 december 2002 is een convenant gesloten tussen OCW en het SBO met als doel de aanpak van het lerarentekort. In het convenant zijn afspraken gemaakt over landelijk te realiseren doelstellingen voor 2003 over onder meer zij-instromers, onderwijsassistenten en het realiseren van regionale netwerken van scholen en lerarenopleidingen, waarin de regionale partijen van vraag- en aanbodzijde op de onderwijsarbeidsmarkt gezamenlijk afspraken kunnen maken over knelpunten en wensen in de regio. Bovendien gaat het SBO scholen, lerarenopleidingen en andere partijen in de regio stimuleren tot en ondersteunen bij het afsluiten van regionale convenanten. Inmiddels zijn meer dan 20 regionale convenanten afgesloten.
Tevens is afgesproken dat de verdeling van de budgetten voor arbeidsmarktbeleid over de sectorfondsen gefaseerd wordt overgeheveld naar het SBO. Over de uitvoering van de afspraken in het convenant vindt regulier voortgangsoverleg plaats.
In 2003 is in mijn opdracht de werking van het voorgaande convenant met het SBO geëvalueerd. Het evaluatierapport is in 2003 beschikbaar gekomen en bevat een uitgebreide beschrijving van de activiteiten en resultaten van het SBO en de sectorfondsen (Participatiefonds, Sofokles, Mobiliteitsfonds en BVE raad) over de afgelopen subsidieperiode van 2001 en 2002. Uit de evaluatie blijkt dat het eerste convenant niet op alle punten heeft voldaan. Middels het tweede convenant OCW-SBO (2002) en de aanvullende afspraken voortvloeiend uit de beleidsreactie naar aanleiding van de evaluatie zullen verbeterpunten worden geëffectueerd.
De evaluaties en een nieuwe analyse van de knelpunten op de arbeidsmarkt van het SBO vormen de basis voor subsidietoekenning en -verdeling voor de volgende periode van twee jaar aan de sociale partners en voor nadere invulling en uitwerking van het nieuwe convenant.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Voor 2003 is € 9,8 miljoen beschikbaar gesteld en gerealiseerd.
9.2.2 Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen
9.2.2.1 Regeling georganiseerd overleg en vakbondsfaciliteiten
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is werknemersorganisaties in staat stellen tot het voeren van arbeidsvoorwaardenoverleg. Centrales voor het onderwijs- en het onderzoekspersoneel, evenals de aangesloten vakorganisaties, worden in staat gesteld om mede met behulp van onderwijspersoneel werkzaamheden te verrichten voor het georganiseerd overleg en voor vakbondswerkzaamheden ten behoeve van het personeel van onderwijs- en onderzoekinstellingen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Faciliteren van het overleg door middel van (uitvoering van) de regeling georganiseerd overleg en vakbondsfaciliteiten.
De vakbondsfaciliteiten moeten gezien worden als de tegenhanger van het zogenaamde vakbondstientje dat ongeveer 40 jaar geleden in de (financiële) verhoudingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties is overeengekomen, evenals regelingen voor vrijstelling van werk voor vakbondsactiviteiten in bedrijven en instellingen in de marktsector. In het onderwijs impliceert vrijstelling dat er vervanging moet worden geregeld. In de regeling «Georganiseerd overleg en vakbondsfaciliteiten 1998» worden de voorwaarden aangegeven waaronder de faciliteiten kunnen worden verleend. Het geld wordt verstrekt aan de centrales c.q. vakbonden en deze betalen aan de scholen de vervangingskosten als een personeelslid van de school met buitengewoon verlof gaat om vakbondswerkzaamheden te verrichten. Ook kunnen de vakbonden de faciliteiten aanwenden voor het in dienst nemen van personeel ten behoeve van vakbondswerkzaamheden voor onderwijspersoneel.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde uitgaven van € 11,8 miljoen zijn in 2003 volledig gerealiseerd.
9.2.2.2 Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeelsbeleid
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is vernieuwende projecten te faciliteren die bijdragen aan de oplossing van de personele problemen in het onderwijs. Het gaat hier om projecten op het gebied van arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid en arbeidsmarkt zoals beschreven in de nota's Maatwerk en het Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeelsbeleid d.d. 2 december 2002.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De voortgang van de projecten is in 2003 in het algemeen overleg met de Tweede Kamer besproken op 29 oktober 2003.
Zie ook de overzichtsconstructie «arbeidsmarkt en personeelsbeleid» hierna.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De realisatie is hoger dan geraamd. De stijging van de uitgavenraming van € 13,4 miljoen is veroorzaakt door het beschikbaar komen van extra middelen voor het lerarenbeleid.
9.2.3 Ziektekostenvoorziening voor onderwijs en onderzoekspersoneel (zvoo)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel is te voorkomen dat (voormalige) onderwijs- en onderzoekspersoneelsleden voor ziektekostenverzekeringen duurder uit zijn dan vergelijkbaar personeel in de marktsector dat in het ziekenfonds zit.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De doelstelling is bereikt door in 2003 aan 35 138 personen een zvoo-vergoeding te verstrekken.
De zvoo stelt actieven (werknemers) en post-actieven (voormalige werknemers) uit de sector onderwijs in de gelegenheid hun ziektekosten ongeveer gelijk te laten zijn aan die van een vergelijkbare werknemer in de marktsector die ziekenfondsverzekerd is. Omdat de zvoo het meerdere volledig vergoed, wordt de doelstelling per definitie gehaald. In 2003 hebben in totaal 35 138 personen een zvoo-vergoeding gekregen. Zie onderstaande tabel.
| Tabel 9.1: Aantal zvoo-uitkeringen 2000–2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Actieven | 3 656 | 3 005 | 2 845 | 2 712 |
| Post-actieven | 28 899 | 32 592 | 32 314 | 32 426 |
| Totaal | 32 555 | 35 597 | 35 159 | 35 138 |
Bron: KPMG-Flexsourcing.
Voor post-actieven bedroeg in 2003 de gemiddelde uitkering € 1 005 en voor actieven € 379 (zie tabel). De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene, de gezinssamenstelling en de ontwikkeling van de ziekenfondspremie ten opzichte van die van de particuliere verzekeringen.
| Tabel 9.2: Gemiddelde hoogte zvoo-uitkering (x € 1) | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Actieven | 233 | 256 | 344 | 379 |
| Post-actieven | 813 | 862 | 983 | 1 005 |
Bron: KPMG-Flexsourcing.
De genoemde bedragen zijn netto-uitkeringen aan betrokkenen. Door de fiscus wordt over de aanspraken (bij wijze van vervangende loon-/inkomstenbelasting) belasting geheven bij de uitkeringsinstellingen (met name UWV en ABP). Deze aansprakenbelasting wordt eveneens uit dit budget vergoed.
Actief personeel maakt veel minder gebruik van de regeling en krijgt een gemiddeld lagere uitkering vanwege het hogere inkomen en met name door de ziektekostenregeling zkoo, op grond waarvan actieven wél een compensatie krijgen en post-actieven niet (met uitzondering van fpu-ers). Actieven hebben hierdoor gemiddeld lagere (netto) ziektekosten.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De realisatie is lager dan geraamd. De onderschrijding van € 3 miljoen is veroorzaakt door een geringere relatieve stijging van de particuliere ziektekosten dan waar in de raming mee rekening was gehouden.
9.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 9.3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 74 855 | 95 933 | 78 178 | 17 755 | |||
| – waarvan garanties | |||||||
| Uitgaven | 84 935 | 88 479 | 78 178 | 10 301 | |||
| Arbeidsmarkt | 9 575 | 9 813 | 9 813 | 0 | |||
| Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen | 31 302 | 38 702 | 25 339 | 13 363 | |||
| Zvoo | 44 058 | 39 964 | 43 026 | – 3 062 | |||
| Ontvangsten | 68 | 4 221 | 0 | 4 221 | |||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
OVERZICHTSCONSTRUCTIE ARBEIDSMARKT EN PERSONEELSBELEID
1.1 Algemene beleidsdoelstelling
De algemene doelstelling is het zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit op korte, middellange en lange termijn. Dit betekent dat het beleid zich richt op zowel het doelmatig oplossen van de huidige tekortenproblematiek in het funderend onderwijs als op de structurele personeelsvoorziening in het gehele onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.
De doelstelling kan alleen worden gehaald als alle niveaus binnen het onderwijssysteem (de minister, brancheorganisaties, besturen en management van instellingen) een bijdrage daaraan leveren. Tot de verantwoordelijkheid van de minister behoort het scheppen en bevorderen van de juiste randvoorwaarden en het stimuleren van de scholen tot het zoeken naar andere, creatieve oplossingen.
De verdeling van de verantwoordelijkheid over de niveaus verschilt per onderwijssector. Voor de hoger onderwijssectoren1, de sector onderzoek en wetenschap en de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) geldt de sturingsfilosofie dat de instellingen autonoom en zelfstandig zijn, en daarmee ook in de eerste plaats verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden die binnen deze sectoren van kracht zijn en voor een adequaat personeelsbeleid. De verantwoordelijkheid van de minister is gericht op de instandhouding van het stelsel. Voor de opleidingen van onderwijspersoneel heeft de minister een specifieke verantwoordelijkheid. Voor de sectoren primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) heeft de minister de verantwoordelijkheid voor het afsluiten van de centrale cao. Verder is het scheppen van de juiste randvoorwaarden een verantwoordelijkheid van de minister: stimuleren, faciliteren en het bieden van ondersteuning als het gaat om het versterken van het integrale personeels- en opleidingsbeleid van scholen en het verbeteren van de toegang en doorstroom binnen de onderwijsberoepen.
Werkgelegenheid in het onderwijs
In 2002 zijn er 417 000 personen werkzaam in het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Dit komt overeen met 329 000 voltijdse banen. De werkgelegenheid is sinds 1997 met 21% gegroeid. In het primair en voortgezet onderwijs bedraagt de groei in de periode van 1997 tot 2002 rond de 27%, in de bve-sector en in het hoger beroepsonderwijs rond de 16% en in het wetenschappelijk onderwijs 9%. Bij de onderzoekinstituten neemt de werkgelegenheid af.
Figuur 1: Ontwikkeling van de werkgelegenheid in het onderwijs, 1997–2002 (personen en fte)

Bron: Ministerie van BZK, Kerngegevens Overheidspersoneel.
De werkgelegenheid in de sectoren po, vo en bve is in 2003 ten opzichte van 2002 met 5 400 fte toegenomen. Dat is een groei van 2,2%. Deze toename is het gevolg van een instroom van 16 700 fte en een uitstroom van 12 700 fte (zie tabel 1 en 2) en door uitbreiding van de deeltijdfactor.
| Tabel 1: In- en uitstroom onderwijspersoneel naar sector 2002–2003 (x 1 000 fte) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Sector | Werkgelegenheid | Uitstroom | Instroom | Werkgelegenheid |
| 2002 | 2002–2003 | 2002–2003 | 2003 | |
| Primair onderwijs | 108,2 | 4,7 | 5,5 | 109,8 |
| Voortgezet onderwijs | 64,8 | 3,4 | 3,7 | 65,6 |
| Bve-sector | 24,3 | 1,3 | 1,2 | 24,2 |
| Totaal | 197,3 | 9,4 | 10,4 | 199,6 |
Bron: OCW, basisregistratie personeel (BRP). De cijfers hebben betrekking op directeuren en leerkrachten.
| Tabel 2: In- en uitstroom onderwijsondersteunend naar sector 2002–2003 (x 1 000 fte) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Sector | Werkgelegenheid | Uitstroom | Instroom | Werkgelegenheid |
| 2002 | 2002–2003 | 2002–2003 | 2003 | |
| Primair onderwijs | 18,1 | 1,3 | 2,8 | 19,5 |
| Voortgezet onderwijs | 15,4 | 1,0 | 1,6 | 16,3 |
| Bve-sector | 12,6 | 1,0 | 1,9 | 13,4 |
| Totaal | 46,1 | 3,3 | 6,3 | 49,2 |
Bron: OCW, basisregistratie personeel (BRP). De aantallen zijn inclusief in- en doorstroombanen.
Het aantal openstaande vacatures daalde van ruim 2 800 voltijdbanen in het derde kwartaal van 2002 naar ruim 1 250 voltijdbanen in het derde kwartaal 2003 (zie tabel 3). Voor het primair onderwijs was deze daling verwacht omdat in 2002 de laatste tranche van de klassenverkleining is afgerond. De daling in het voortgezet onderwijs en de bve-sector is onder andere het gevolg van de economische teruggang en een verminderde baan-baan mobiliteit. Inmiddels laten de cijfers van het vierde kwartaal voor de sector voortgezet onderwijs weer een stijging zien van het aantal openstaande vacatures. Hoewel in 2003 het aantal openstaande vacatures gedaald is blijft de situatie zorgelijk. De komende jaren zijn veel nieuwe leraren nodig, vooral als gevolg van de vergrijzing van het onderwijspersoneel (zie figuur 2, grafieken met leeftijdsverdeling po en vo).
| Tabel 3: openstaande vacatures (in voltijdbanen) | |||
|---|---|---|---|
| 2001/3 | 2002/3 | 2003/3 | |
| Primair onderwijs | |||
| Directiepersoneel | 310 | 345 | 227 |
| Leraren | 1 121 | 1 153 | 405 |
| Onderwijsondersteunend personeel | 206 | 323 | 80 |
| Totaal | 1 637 | 1 821 | 712 |
| Voortgezet onderwijs | |||
| Directiepersoneel | 48 | 58 | 41 |
| Leraren | 430 | 409 | 259 |
| Onderwijsondersteunend personeel | 169 | 133 | 50 |
| Totaal | 647 | 600 | 350 |
| Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | |||
| Directiepersoneel | 15 | 22 | 10 |
| Leraren | 166 | 280 | 99 |
| Onderwijsondersteunend personeel | 189 | 93 | 84 |
| Totaal | 370 | 395 | 193 |
| Totaal po, vo en bve | 2 654 | 2 816 | 1 255 |
Bron: Regioplan, Arbeidsmarktbarometer PO, VO en BVE.
Figuur 2: Leeftijdsverdeling leraren in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs


Bron: CASO, peildatum 1 maart.
In de nota Werken in het onderwijs 2005, die in september verschijnt, wordt uitgebreid ingegaan op de vacatureproblematiek in het onderwijs.
1.2 Operationele doelstellingen
• Versterken arbeidsmarktpositie van onderwijs en onderzoeksinstellingen (paragraaf 1.2.1 Arbeidsmarkt).
• Versterken integraal personeels- en opleidingsbeleid van scholen (paragraaf 1.2.2 Scholen).
• Verbeteren toegang tot en doorstroom binnen onderwijsberoepen (paragraaf 1.2.3 Opleidingen en kwaliteit).
Per maatregel wordt specifiek ingegaan op de drie zogeheten h-vragen volgens de gehanteerde VBTB-vereisten. Bij enkele maatregelen met beknopte tekstomvang is vanwege de leesbaarheid hiervan afgeweken. Voor een betere toegankelijkheid is uitgegaan van de hoofdindeling uit de begroting 2004. De onderliggende structuur per onderwerp is gelijk gebleven.
Het arbeidsmarktbeleid heeft verruiming van de onderwijsarbeidsmarkt en het verbeteren van de structuur en de werking van de arbeidsmarkt tot doel.
In deze paragraaf komen de verschillende maatregelen aan de orde die gericht zijn op de verruiming van het aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt. Om meer zicht te krijgen op het effect van de maatregelen is eind 2002 een onderzoek gestart onder de titel «Aandachtsgroepenmonitor». Deze monitor is in 2003 verder ontwikkeld. In de nota Werken in het onderwijs (WIO) die bij de onderwijsbegroting 2004 is uitgekomen, zijn de resultaten opgenomen. De aandachtsgroepen monitor is ook een internet toepassing waarin veel gegevens over personeel beschikbaar gesteld worden.
Deze website wordt jaarlijks geactualiseerd.
1.2.1.1 Afstemmen vraag en aanbod
Netwerk arbeidsmarkt- en personeelsbeleid
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In december 2001 is besloten tot de instelling van het Netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid. Het doel van het netwerk is dat vragende en aanbiedende partijen op de onderwijsarbeidsmarkt – in samenspraak met elkaar – die vernieuwingen bespreken en begeleiden waardoor scholen gefaciliteerd en gestimuleerd worden om een zelfbewust en effectief personeelsbeleid te voeren.
Het netwerk heeft twee componenten: het Bestuurlijk netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid en het Netwerk van sleutelfiguren.
Het doel van het bestuurlijk netwerk is om op meer strategisch niveau de ontwikkelingen en beleidslijnen te bespreken. Hieraan nemen tenminste vragers (vswo, BVE raad, avs, vvo) en aanbieders (BVE raad, HBO-Raad en VSNU) deel. Het netwerk van sleutelfiguren heeft tot doel op het niveau van ontwikkelprojecten en stimuleringsprogramma's vernieuwende initiatieven te bundelen, om samenhang te brengen in de verschillende projecten die lopen en om tot gezamenlijk gedragen innovaties vanuit de scholen te komen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het bestuurlijk netwerk is in 2003 conform de raming viermaal bijeen geweest. Met name de uitwerking van de beleidsvoornemens uit het Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeelsbeleid (d.d. 2 december 2002) en het wetsvoorstel «Beroepen in het onderwijs» zijn aan de orde geweest. Ook zijn de arbeidsmarktrealisaties en -prognoses besproken die zijn opgenomen in de nota «Werken in het onderwijs 2004» (op Prinsjesdag 2003 aan de Tweede Kamer gezonden).
Het netwerk van sleutelfiguren is driemaal bijeen geweest. In deze bijeenkomsten is op interactieve wijze gesproken over de mogelijkheden van een kwalificatiestructuur voor de onderwijsberoepen, resulterend in de notitie «Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen» die op 17 oktober 2003 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Ook zijn de thema's van het Programma arbeidsmarkt- en personeelsbeleid die voor uitwerking in targets in aanmerking komen, aan de orde geweest.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Er zijn geen extra uitgaven gedaan.
Voor de resultaten van het Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt (SBO) wordt verwezen naar artikel 9, paragraaf 9.2.1. «Arbeidsmarkt».
1.2.1.2 Verbeteren concurrentiepositie
Het arbeidsvoorwaardenbeleid moet bijdragen aan versterking van de arbeidsmarktpositie van de onderwijssector en verbetering van het imago van het onderwijs als werkgever. Het arbeidsvoorwaardenbeleid moet scholen ruimte bieden voor eigen arbeidsmarkt- en personeelsbeleid, toegesneden op de (locale) situatie op de arbeidsmarkt. Verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming draagt hieraan bij. Daarnaast zijn marktconforme loonontwikkeling en carrièrepatronen van groot belang voor de arbeidsmarktpositie van de sector.
Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming po en vo
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling van de decentralisatie is bevoegdheden en taken neer te leggen op dat niveau waarop de arbeidsvoorwaarden zo goed mogelijk kunnen worden afgestemd op de arbeidsmarktsituatie van de instellingen. Volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming is het eindperspectief.
In het primair onderwijs zijn verdere stappen mogelijk bij de decentralisatie van de secundaire arbeidsvoorwaarden. In de cao po en vo 2003 is afgesproken dat de decentrale cao-partners voor een aantal onderwerpen zullen bezien of zij in de decentrale cao-po (kaderstellende) afspraken willen maken over deze onderwerpen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Door OCW is een studiedag over decentralisatie in het po en vo georganiseerd. Op deze studiedag is met vertegenwoordigers van centrales en werkgeversorganisaties van gedachten gewisseld over de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden in het po en vo. De studiedag is besloten met de afspraak dat in tripartiet verband een plan van aanpak voor de decentralisatie in het po en vo zal worden uitgewerkt. Hiermee wordt in januari 2004 begonnen. Hierbij worden ook de uitkomsten van het interdepartementale beleidsonderzoek (ibo) naar de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden (medio 2003 afgerond) betrokken. In dit ibo worden voorstellen gedaan voor aanscherping en verheldering van het toetsingskader waaraan bij decentralisatie moet worden voldaan. Per type budgettering (output, proces, taak) wordt aangegeven welke«checks and balances» nodig zijn, wil de minister na decentralisatie haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het voorzieningenniveau waar kunnen blijven maken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Geen middelen begroot. Decentralisatie als zodanig verloopt budgettair neutraal.
Bevorderen marktconforme loonontwikkeling
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In 2003 is in de verschillende sectoren een marktconforme loonontwikkeling gerealiseerd, binnen de kaders van het Najaarsakkoord voor 2003. Daarin is afgesproken de loonontwikkeling te begrenzen tot maximaal 2,5%:
| Tabel 4: Contractloonontwikkeling op jaarbasis in de onderwijssectoren in 2003 | |
|---|---|
| Sector | Stijgingspercentage |
| Onderwijs (po,vo) | 2,36 |
| BVE | 2,48 |
| Hogescholen | 2,51 |
| Universiteiten | 2,34 |
| Onderzoeksinstellingen | 1,51 |
Bron: Ministerie van OCW, directie AP.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De afspraken voor een marktconforme loonontwikkeling zijn vastgelegd in de met de Centrales van overheids- en onderwijspersoneel overeengekomen collectieve arbeidsovereenkomsten.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De generieke salarismaatregelen zijn gefinancierd vanuit de reguliere bijdrage van het kabinet voor de arbeidskostenontwikkeling.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• CAO, sector onderwijs (po,vo) 2003, brief van 4 april 2003
• Nota werken in het onderwijs 2004, brief van 16 september 2003
Imagocampagne werken in het onderwijs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In navolging op eerdere campagnes loopt sinds september 2001 de imagocampagne «Je groeit in het onderwijs». Deze campagne is in 2003 voortgezet. De campagne richt zich op het algemene publiek en de potentiële doelgroepen voor een baan in het onderwijs. Het primaire doel van de campagne is het imago van werken in het onderwijs te verbeteren. Daarnaast moet de campagne ook de voedingsbodem leggen voor de werving van personeel door scholen en fungeren als paraplucampagne voor alle andere communicatieactiviteiten over het werken in het onderwijs. Voorgaande jaren richtte de campagne zich met name op leraren. Dit jaar is de campagne uitgebreid naar onderwijs ondersteunend personeel en schoolleiders/managers. De effecten van de campagne zijn positief. Het beroep leraar wordt door het algemeen publiek als maatschappelijk relevant en positief beoordeeld. De website www.werkeninhetonderwijs.nl wordt goed bezocht en zowel scholen als potentieel onderwijspersoneel tonen grote belangstelling voor de informatiebrochures en bellen met het Landelijk Informatiepunt Onderwijs.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Er zijn nieuwe televisie- en radiocommercials ontwikkeld. Dit vanwege het feit dat de vorige televisiecommercial veel is ingezet. In de nieuwe commercials is «je groeit in het onderwijs» vertaald in de boodschap «kinderen leren je anders kijken». In de maanden maart, april, september en oktober van 2003 zijn die uitgezonden op televisie en radio.
Daarnaast is een nieuwe website online www.werkeninhetonderwijs.nl. Deze website richt zich niet alleen op potentiële leraren, maar ook op onderwijsondersteunend personeel en schoolleiders/managers.
Ook is er een nieuwe brochure verschenen over werken in het onderwijs. Deze brochure biedt net als de website informatie over de verschillende beroepen in het onderwijs.
In de grote steden is in december een abricampagne geweest.
Verder konden mensen met vragen over werken in het onderwijs terecht bij het Landelijk Informatiepunt Onderwijs dat is ondergebracht bij Postbus 51. Ook de mails die via werkeninhetonderwijs.nl of de algemene OCW-website (www.minocw.nl) over werken in het onderwijs binnen kwamen, zijn doorgestuurd naar Postbus 51.
Naast deze meer algemene middelen zijn er acties geweest gericht op specifieke doelgroepen. Aan huidige leraren is aandacht besteed op de dag van de leraar. In diverse dagbladen zijn advertenties verschenen waarin bekende Nederlanders hun favoriete leraar bedanken. Doel hiervan was om aan te tonen dat leraren inderdaad een mooi vak uitoefenen.
Om jongeren tijdens hun studiekeuze van de juiste informatie over werken in het onderwijs te voorzien, is er een webvertisingcampagne geweest om jongeren naar de site te trekken. Daarnaast is er een stand op de studiebeurs geweest en is er aandacht aan werken in het onderwijs besteed op studiekeuze cd-roms.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde uitgaven (€ 2,7 miljoen) zijn gerealiseerd.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel is te voorkomen dat personeel in de sectoren po, vo en bve uitstroomt in verband met zorgtaken en te bevorderen dat nieuwe werknemers worden aangetrokken die arbeid willen combineren met de zorg voor kinderen. Deze doelstelling is in 2003 gerealiseerd. Iedere werknemer in de sectoren po, vo en bve die behoefte had aan kinderopvang kon direct een beroep doen op een bijdrage van de werkgever.
| Tabel 5: Aantal voltijdse opvangplaatsen | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| 0–4 jarigen | 1 737 | 1 891 | 1 909 | 2 015 | 2 816 | 3 677 | 4 308 | 4 713 |
| 4–13 jarigen | 263 | 948 | 1 592 | 2 066 | ||||
| Totaal | 1 737 | 1 891 | 1 909 | 2 015 | 3 079 | 4 625 | 5 890 | 6 779 |
Bron: Kintent, peilmoment ultimo het jaar.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
OCW heeft aangegeven te willen voorkomen dat in 2003 wachtlijsten voor kinderopvang moesten worden ingesteld, gegeven de arbeidsproblematiek. Door de invoering van verplichte kostendeling voor alle ouders (per 1 juni 2003) en de inzet van extra begrotingsmiddelen is het niet nodig gebleken wachtlijsten in te stellen. Daarmee is voorkomen dat de kinderopvang een belemmerende factor was in het aantrekken of behouden van personeel.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op basis van prognoses van Kintent, de organisatie die de kinderopvangregeling voor ons uitvoert, is geraamd hoeveel extra middelen nodig zouden zijn in 2003. Deze ramingen zijn uitgekomen. Het structurele budget van € 17,7 miljoen is in 2003 incidenteel opgehoogd met € 15,5 miljoen. In de cao sector onderwijs (po en vo) is € 5 miljoen (€ 7,1 miljoen inclusief Wet vermindering afdrachten) toegevoegd; daarnaast is nog € 8,4 miljoen eenmalig toegevoegd in 2003.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk van de banen die nu door ID-werknemers worden vervuld behouden blijven voor het onderwijs, ondanks de wijzigingen in het kabinetsbeleid rond gesubsidieerde arbeid. Hiertoe is in april 2003 een convenant gesloten met onderwijswerkgevers, werknemers en gemeenten. Na een aarzelend begin is het omzetten van ID-banen in regulier gefinancierde banen tegen het eind van het jaar goed op gang gekomen. De kwantitatieve doelstelling uit het convenant – 1930 ID-banen in het onderwijs omzetten in reguliere banen – was eind 2003 nog maar voor de helft gehaald, maar de verwachting is dat in 2004 een verdere stijging optreedt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Conform de afspraak in het convenant heeft OCW in 2003 een tijdelijke stimuleringsregeling in het leven geroepen, die erin voorziet dat alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs eenmalig een bedrag van € 1750 per ID-werknemer ontvangen. De scholen hebben deze subsidie eind 2003 ontvangen. Daarnaast heeft OCW ingezet op voorlichting en informatieverstrekking om de scholen te ondersteunen bij de ID-problematiek.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De kosten van de eenmalige stimuleringsregeling ID-banen voor het onderwijs bedroegen € 16 miljoen. Dit is precies het bedrag dat daarvoor was gereserveerd.
Als maatregel om de aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten is met ingang van het schooljaar 2001–2002 in de sector onderwijs (po, vo en bve) de mogelijkheid voor betaald ouderschapsverlof geïntroduceerd. Deze regeling wordt gefaseerd ingevoerd en wordt gefinancierd vanuit de schoolbudgetten. Uiteindelijk moet het schoolbudget ruimte bieden voor betaald ouderschapsverlof voor kinderen tot acht jaar. In het schooljaar 2002–2003 besteedde 61% van de scholen in het po en 57% van de scholen in het vo een deel van het schoolbudget aan betaald ouderschapsverlof. In de bve-sector valt op dat in het kalenderjaar 2002 nog 70% van de instellingen een deel van het instellingsbudget besteedde aan betaald ouderschapsverlof. In 2003 geeft 44% van de instellingen aan een deel van het instellingsbudget hieraan te besteden.
Om tijdig op de tekorten aan jonge wetenschappers te anticiperen en deze terug te dringen (onderzoeken van o.a. van Vucht-Tijssen «Talent voor de toekomst, toekomst voor talent», OCenW 2000 en het rapport van de commissie Van Rijn, «De arbeidsmarkt in de collectieve sector, investeren in mensen en kwaliteit», 2001) zijn binnen de universiteiten maatregelen ontwikkeld om wetenschappelijke functies voor jonge onderzoekers en docenten aantrekkelijker te maken en hen zo mogelijk een loopbaanperspectief in de wetenschap te bieden en de vergrijzing terug te dringen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft € 12 miljoen in 2001 en vanaf 2002 € 32 miljoen jaarlijks in de lumpsum beschikbaar gesteld voor de door de commissie Van Rijn genoemde maatregelen. Zie voor meer informatie paragraaf 7.3.2 van beleidsartikel 7.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De afgelopen jaren is, deels in het kader van cao-afspraken en deels op initiatief van individuele werkgevers en werknemers in het onderwijs, gestreefd naar het vergroten van de gemiddelde betrekkingsomvang van een baan. Het vergroten van de werktijdfactor kan een bijdrage leveren aan de terugdringing van het lerarentekort. De gemiddelde betrekkingsomvang van het onderwijzend personeel is de afgelopen 5 jaar met 15% toegenomen. Voor het ondersteunend en beheerpersoneel is die toename 10%.
Figuur 3: Ontwikkeling gemiddelde betrekkingsomvang deeltijdpersoneel in het onderwijs, 1997–2002

Bron: Ministerie van BZK, Kerngegevens Overheidspersoneel.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Een van de mogelijkheden om de betrekkingsomvang te vergroten, is het sparen van adv-uren via de regeling spaarverlof. De regeling bestaat sinds 1998 en kent een minimum spaarperiode van 5 jaar. Bij aanvang van het sparen hebben veel mensen voor de minimum spaartermijn gekozen. Hierdoor is er een piek in de vrijval van spaarverlof in 2003. In de periode december 2002–januari 2003 is een onderzoek uitgevoerd naar de verwachte vervangingsvraag als gevolg van de vrijval van spaarverlof. In het onderzoek is ook nagegaan onder welke voorwaarden spaarders bereid zijn het verlof uit te stellen of de spaarperiode te verlengen.
De uitkomsten van het onderzoek waren aanleiding in de cao 2003 af te spreken te verkennen wat de mogelijkheden zijn om de regeling spaarverlof primair onderwijs te flexibiliseren. Dit heeft geresulteerd in een wijziging van de regeling; de mogelijkheden voor het verlengen van de spaarovereenkomst zijn verruimd, de opnamevormen zijn verruimd en de opnametermijn is verlengd.
Om onderwijspersoneel te informeren over de verruimde regeling spaarverlof is een nieuwe voorlichtingsbrochure «werken voor vrije tijd» gemaakt. Deze brochure is naar alle instellingen in het primair onderwijs verstuurd.
In de cao sector po en vo 2003 is afgesproken een werktijdfactor groter dan 1 pensioengevend te maken. Hiermee wordt het aantrekkelijker meer dan de normjaartaak te werken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De regeling spaarverlof is een kostenneutrale regeling.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het beleid is gericht op reductie van uitkeringsuitgaven en reïntegratie van werkloos onderwijspersoneel. De dalende trend van het aantal werkloosheidsuitkeringen die in 1997 is ingezet heeft zich bij de meeste onderwijssectoren ook in 2003 voorgedaan. Ten behoeve van het Wachtgeld informatiesysteem (WIS) is in 2001 gestart met de bouw van een nieuwe interface om de informatie over de WW-uitkeringen elektronisch beschikbaar te krijgen voor beleids- en managementinformatie. De verwachting is dat deze informatie in de eerste helft van 2004 regulier beschikbaar komt. Over de ontwikkeling van het aantal uitkeringen in 2003 zijn nu schattingen gemaakt op basis van informatie uit het WIS over de werkloosheidsuitkeringen.
In de volgende tabel is de ontwikkeling van de omvang van werkloosheid weergegeven, uitgedrukt in personen en fte (fulltime equivalent).
| Tabel 6: Ontwikkeling omvang van de werkloosheid per onderwijssector, 2002–2003 (personen en fte) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Personen | Fte | |||
| 2002 | 2003 | 2002 | 2003 | |
| Primair onderwijs | 4 080 | 4 105 | 2 160 | 2 298 |
| Voortgezet onderwijs | 3 651 | 3 473 | 2 137 | 2 050 |
| Bve-sector | 2 354 | 2 187 | 1 252 | 1 200 |
| Hoger beroepsonderwijs | 2 141 | 1 944 | 1 192 | 1 109 |
| Wetenschappelijk onderwijs | 4 296 | 4 055 | 2 447 | 2 436 |
| Onderzoek en wetenschap | 326 | 348 | 233 | 282 |
| Totaal | 16 848 | 16 112 | 9 421 | 9 375 |
Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari.
In de volgende tabel is de gemiddelde leeftijd aangegeven.
| Tabel 7: Gemiddelde leeftijd deelnemers werkloosheidsregeling naar onderwijssector, 2002–2003 (jaar) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2003 | |
| Primair onderwijs | 55,3 | 54,4 |
| Voortgezet onderwijs | 57,8 | 57,1 |
| Bve-sector | 58,4 | 57,2 |
| Hoger beroepsonderwijs | 58,3 | 57,3 |
| Wetenschappelijk onderwijs | 50,3 | 49,6 |
| Onderzoek en wetenschap | 41,1 | 39,5 |
| Totaal | 55,1 | 54,0 |
Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De inspanningen die zijn gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitkeringen worden onverminderd gecontinueerd door middel van preventief beleid en volumebeleid. Ook de huidige arbeidsmarktsituatie in het onderwijs zorgt voor een vermindering van de werkloosheidsuitgaven. De vermindering van de uitgaven leidt bij de instellingen die op lumpsum basis worden bekostigd tot financiële ruimte die door de instellingen wordt benut voor seniorenbeleid en voor de financiering van maatregelen gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitgaven. Uit de cijfers blijkt tevens de vergrijzing van het bestand. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 55 jaar. 78% van de personen met een werkloosheidsuitkering is thans 50 jaar of ouder. Reïntegratiebeleid gericht op ouderen is een belangrijk aandachtspunt geweest in het volumebeleid in 2003.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen, preventief beleid en volumebeleid zijn binnen het budget gebleven. Voor de hoger onderwijssectoren, voortgezet onderwijs en de bve-sector betreft het lumpsum budgetten.
Het beleid heeft tot doel de kwaliteit van het zittende personeel te bevorderen en het personeelsbeleid en de organisatie binnen de instelling te versterken.
1.2.2.1 Onderwijs anders organiseren
Onderwijs op maat/lerarenondersteuners
Hebben we bereikt wat we willen bereiken?
Om het aanbod van onderwijspersoneel te verruimen zijn diverse maatregelen genomen. Om de mogelijkheden van de inzet van meer gedifferentieerde functies van onderwijsondersteunend personeel te vergroten, hebben scholen in het basisonderwijs de ruimte gekregen om naast onderwijsassistenten ook lerarenondersteuners aan te trekken.
Het aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs is de laatste jaren flink gestegen. De verwachting is dat dit aantal in de toekomst alleen nog maar verder zal toenemen. Waren er in maart 2002 nog ongeveer 3200 onderwijsassistenten, in maart 2003 waren het er al ruim 4500 en aan het eind van het jaar 2003 bijna 5000.
Onderwijsassistenten werken vooral in het westen van het land en dan vooral in de vier grote steden. Dit is niet zo verwonderlijk, omdat daar immers de meeste scholen met achterstandsleerlingen zijn. Die scholen hebben meer financiële mogelijkheden om onderwijsondersteunend personeel aan te stellen.
Een vrij nieuwe functie in het primair onderwijs is die van lerarenondersteuner. Deze functie is inhoudelijk zwaarder dan die van onderwijsassistent en wordt daarom ook hoger gewaardeerd, financieel gezien. Op 1 januari 2003 waren er in het primair onderwijs ongeveer 450 lerarenondersteuners die samen 300 voltijdbanen invulden. Deze lerarenondersteuners zijn vooral te vinden in de vier grote steden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om ervaring op te doen met onderwijs op maat door de inzet van meer gedifferentieerde functies van onderwijspersoneel zijn in het primair en voortgezet onderwijs en in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie pilots gestart. De kennis en ervaring die in deze pilots wordt opgedaan, wordt overgedragen aan andere scholen en instellingen, zodat ook zij stappen kunnen zetten in de richting van eigentijds onderwijs en een moderne organisatie. In 2003 is de eindrapportage van het project beschikbaar gekomen (voor een korte samenvatting van de resultaten wordt verwezen naar paragraaf 1.3.3 Toerusting, van beleidsartikel 1, de passage over TOM rapportage).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde uitgaven voor de pilots (Team)Onderwijs op Maat (€ 1,2 miljoen) zijn gerealiseerd.
1.2.2.2 Integraal personeelsbeleid
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Instellingen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie ontvangen een schoolbudget dat bestemd is voor de professionalisering van de onderwijsinstelling als arbeidsorganisatie. Het schoolbudget is vrij besteedbaar. De inzet kan afgestemd worden op de verschillende sector- en instellingsspecifieke kenmerken waarmee wordt bijgedragen aan de vergroting van de autonomie van de instellingen.
Begin 2003 is opnieuw de besteding van de schoolbudgetten onderzocht (monitor decentrale budgetten 2002–2003). Dit onderzoek heeft betrekking op de inzet in het schooljaar 2002–2003 voor het primair en voortgezet onderwijs en het kalenderjaar 2003 voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.
De onderzoeksresultaten laten zien dat de inzet van de schoolbudgetten overeenkomt met de doelen die destijds zijn beoogd met de introductie en de verhoging van het schoolbudget in 2001.
| Tabel 9.10: De meest genoemde concrete bestedingen van het schoolbudget, schooljaar 2002–2003 | ||
|---|---|---|
| Primair onderwijs | Voortgezet onderwijs | Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie |
| Scholing van leraren | Werkdrukverlagende maatregelen | Professionalisering instellingsorganisatie |
| Scholing van management | Betaald ouderschapsverlof | Scholing van docenten |
| Betaald ouderschapsverlof | Extra onderwijsondersteunend personeel voor het primaire proces | Scholing van management |
Verder blijkt dat ten opzichte van voorgaande jaren in het voortgezet onderwijs gemiddeld meer wordt ingezet en beduidend minder wordt gereserveerd. Deze ontwikkeling is nog niet zichtbaar in het primair onderwijs. Daarnaast worden ook andere middelen, bijvoorbeeld uit het reguliere personeelsbudget, ingezet voor de doelen van het schoolbudget. Dit gebeurt in het voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie vaker dan in het primair onderwijs. In het primair onderwijs is een verdere stijging zichtbaar van het percentage scholen dat een deel van het schoolbudget op bovenschools niveau inzet.
Ter ondersteuning van het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid op de instellingen voor primair en voortgezet onderwijs worden aan deze instellingen met ingang van 1 augustus 2003 extra middelen toegekend (structureel € 25 miljoen in elk van de genoemde onderwijssectoren). Deze maatregel is overeengekomen in de cao sector onderwijs (po en vo) 2003. Met deze middelen kan de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep worden verbeterd via extra onderwijsondersteunende functies in het basisonderwijs en meer hogere leraarsfuncties aan scholen met vmbo. In het basisonderwijs worden de extra middelen toegekend via het schoolbudget; in het voortgezet onderwijs via de gemiddelde personeelslasten in de lumpsum.
In het schooljaar 2003–2004 wordt opnieuw de inzet van de schoolbudgetten onderzocht. De onderzoeksresultaten komen medio 2004 beschikbaar.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De (verhoging van) schoolbudgetten zijn via algemeen verbindende voorschriften, bekostigingsbrieven en voorlichtingspublicaties aan de instellingen bekend gemaakt.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De in de cao sector onderwijs (po en vo) 2003 overeengekomen financiële impuls voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid is voor 2003 geraamd op € 20 miljoen, waarvan € 10 miljoen voor het primair onderwijs en € 10 miljoen voor het voortgezet onderwijs.
De realisaties 2003 voor deze sectoren zijn respectievelijk € 10,5 en € 8 miljoen.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
De monitor decentrale budgetten 2002/2003 is op 11 juni 2003 aan de Tweede Kamer gezonden.
Terugdringen ziekteverzuim po en vo
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In het arboconvenant «Verzuimbegeleiding en reïntegratie po en vo» is de afspraak gemaakt om het ziekteverzuim in drie jaar tijd terug te brengen met één procentpunt ten opzichte van het niveau in 1999. De daling is medio 2001 ingezet, binnen een jaar na de ondertekening van het eerste arboconvenant voor het po en vo. In het primair onderwijs is het ziekteverzuim onder het afgesproken niveau van één procentpunt daling ten opzichte van het ziekteverzuimniveau van 1999 gekomen. De verwachting is dat uit de ziekteverzuimcijfers op jaarbasis over het jaar 2003 (deze moeten nog komen) zal blijken dat deze mijlpaal ook voor het voortgezet onderwijs gehaald is (dit is af te leiden van de trendcijfers ziekteverzuim).
Vergeleken met 2001 is het ziekteverzuim in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs in het jaar 2002 met 0,8% afgenomen. In de praktijk komt dit percentage van 0,8% neer op circa 800 fulltime leraren in het basisonderwijs en 470 fulltime leraren in het voortgezet onderwijs.
| Tabel 9: Ziekteverzuimcijfers onderwijzend personeel po/vo/so in 2002 | |||
|---|---|---|---|
| Verzuim- percentage | Meldingsfrequentie | Gemiddelde verzuimduur | |
| Basisonderwijs | 7,57 | 0,94 | 28,6 |
| Speciaal onderwijs | 8,73 | 1,29 | 25,5 |
| Voortgezet onderwijs | 7,03 | 1,49 | 19,4 |
| Tabel 10: Ziekteverzuimpercentage onderwijzend personeel 1999–2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Basisonderwijs | 8,65 | 8,90 | 8,35 | 7,57 |
| Speciaal onderwijs | 9,43 | 9,61 | 9,75 | 8,73 |
| Voortgezet onderwijs | 7,36 | 7,92 | 7,84 | 7,03 |
Bron: Regioplan.
Figuur 4: Ziekteverzuimpercentage onderwijzend personeel.

In de cao 2003 po en vo is een verdere doelstelling ziekteverzuimreductie afgesproken die eind 2004 bereikt moet worden. De doelstelling in de cao is dat het ziekteverzuim in het basisonderwijs daalt naar 6,63 procent, in het speciaal onderwijs naar 7,93 procent en in het voortgezet onderwijs naar 5,86 procent. Verder hebben in 2003 de eerste oriënterende gesprekken plaatsgevonden over een tweede fase arboconvenant «Plusconvenanten».
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In de cao 2003 is afgesproken een verdere reductie van ziekteverzuim in het po en vo te bereiken. Hiervoor is € 5 miljoen gereserveerd. De uitvoering zal in 2004 plaatsvinden in overleg met sociale partners.
In het deelconvenant «Verzuimbegeleiding en reïntegratie» is afgesproken dat de hoogverzuimscholen worden begeleid door een regioadviseur van het Vervangingsfonds. In 2003 is deze begeleiding uitgebreid naar een HVS+ project, waarin meer tijd en aandacht aan deze scholen wordt gegeven. Het gemiddelde ziekteverzuim bij deze convenantscholen is 2,6% gedaald.
De Subsidie individuele reïntegratie (SIR) is in 2003 gehandhaafd. Er wordt nog steeds veel van deze regeling gebruik gemaakt. De regeling sorteert ook duidelijk effect. Bijna 90% van de reïntegratietrajecten slaagt, wat tot een gehele of gedeeltelijke werkhervatting heeft geleid. De Subsidie voorkomen uitval onderwijspersoneel (SVUO) heeft ook haar waarde bewezen. Tot en met het derde kwartaal 2003 waren er meer dan 1000 aanvragen binnengekomen ter voorkoming van uitval.
Het project zorgbemiddeling is in 2003 beëindigd. Zoals uit evaluatieonderzoek blijkt is «zorgbemiddeling» weliswaar succesvol en voorziet het in een behoefte, doch er wordt door het scholenveld minder gebruik gemaakt dan oorspronkelijk was verwacht. De lessen die uit dit project zijn geleerd worden gebruikt in het nieuwe project «reïntegratie-adviseur». Net zoals bij zorgbemiddeling is het doel van de reïntegratieadvisering om vastgelopen reïntegratietrajecten weer «vlot te trekken».
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Kosten zijn binnen het budget gebleven.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Op basis van het Arbo-deelvconvenant bve is overeengekomen met sociale partners om tijdens de looptijd van het convenant, tot en met 2004, het ziekteverzuim in de bve-sector met 10% te verminderen. Dat doel is op dit moment nog niet bereikt, maar in vergelijking met de andere sectoren lijkt ook in de bve-sector het ziekteverzuim te dalen. Voor een juiste constatering van een daadwerkelijke vermindering is een betrouwbare meting van het ziekteverzuim en zijn vergelijkbare resultaten over meerdere jaren van belang.
In 2003 zijn voor het eerst betrouwbare ziekteverzuimgegevens beschikbaar gekomen over een periode van 12 maanden voor de bve-sector, namelijk over 3 kwartalen van het jaar 2002 en het eerste kwartaal 2003. Over deze meetperiode is het gemiddelde verzuimpercentage 6%, waarin alle verzuim dat langer dan een jaar duurt niet is meegenomen. Het verzuimpercentage waarin alle verzuimgevallen zijn opgenomen is over deze 12 maanden 7,15% voor de bve-sector.
Het gemiddelde ziekteverzuim over het kalenderjaar 2003 bedraagt voor het gehele personeel 7,15% met een meldingsfrequentie per jaar van 1.35. De gemiddelde verzuimduur is 21,36 werkdagen. Voor het onderwijsgevend personeel is het gemiddelde verzuimpercentage 7,01% en voor het onderwijssteunend- en beheerspersoneel 7,39%.
Wanneer het verzuim van langer dan één jaar als geëindigd wordt beschouwd daalt het gemiddelde verzuimpercentage voor het gehele personeel naar 5,40% (onderwijsgevend personeel 5,16% en onderwijssteunend- en beheerspersoneel 5,83%) met een gemiddelde verzuimduur van 17,17 werkdagen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het Arboservicepunt bve heeft de verzuimregistratie uitgevoerd en gepubliceerd. Daarnaast biedt het servicepunt bve actieve ondersteuning aan instellingen voor het verbeteren van het verzuimbeleid. Dit jaar is de ondersteuning van het aantal instellingen nog eens extra geïntensiveerd met het oog op de looptijd van het convenant. Het servicepunt heeft een instrumentarium ontwikkeld voor de aanpak van het verzuimbeleid en werkdruk op instellingsniveau binnen de bve-sector. Daarnaast beoordeelt het servicepunt de aanvragen voor subsidie van reïntegratietrajecten voor langdurig zieken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Bij het aangaan van het Arbo-convevant is een jaarlijkse bijdrage aan de kosten van het Arbo-servicepunt bve overeengekomen voor de looptijd van het convenant, jaarlijks een bijdrage van € 354 516.
Voor het totale personeel in het hbo bedraagt het ziekteverzuimpercentage 5,1% in het kalenderjaar 2002 (bron: HBO-raad). De medewerkers meldden zich in 2002 gemiddeld 1,2 keer ziek. Deze ziektemelding leidde tot een ziekteverlof van gemiddeld 17 dagen. Het verzuimpercentage in 2002 is hoger dan het percentage in 2001. Hierbij moet worden opgemerkt dat de representativiteit aanzienlijk gestegen is. Omvatte in 2001 het verzuimpercentage 41% van het totale personeelsbestand in het hoger beroepsonderwijs, in 2002 is dat 89%. Hogescholen rapporteren vanaf het jaar 2002 op basis van nieuwe verzuimdefinities uit de toolkit verzuimregistratie en -analyse. Deze toolkit is ontwikkeld voor het hoger onderwijs in het kader van het Arboconvenant, waarin afspraken zijn gemaakt over het optimaliseren van de verzuimregistratie (bron: HBO-raad).
Ziekteverzuim personeel universiteiten
| Tabel 11: Ziekteverzuimpercentage personeel universiteiten | ||||
|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Universiteiten | 4,3 | 4,5 | 4,3 | 4,4 |
Bron: VSNU.
Het verzuimpercentage is per 2002 op grond van afspraken uit het Arboconvenant hoger onderwijs opnieuw samengesteld. De hoogte van het verzuimpercentage van de gezamenlijke universiteiten is redelijk stabiel op ongeveer 4,3% (zie tabel).
Het percentage van het personeel dat zich in 2002 niet ziek meldde, daalde enigszins naar 58,3% (bron: VSNU).
1.2.2.3 Onderwijs als tweede loopbaan
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Vanaf 2000 is het op basis van de Interimwet zij-instroom primair en voortgezet onderwijs mogelijk geworden om leraar te worden via een andere route dan de reguliere lerarenopleiding.
Ook in 2003 is geprobeerd zoveel mogelijk zij-instromers aan te trekken. Doelstelling was om 400 plaatsingen in het primair onderwijs en 200 in het voortgezet onderwijs te realiseren.
In de onderstaande tabel is het aantal door bemiddeling geplaatste zij-instromers weergegeven in 2003. Zij-instromers worden overigens niet alleen door bemiddelingsorganisaties, maar ook door scholen zelf aangetrokken.
| Tabel 12: Aantal door bemiddeling geplaatste zij-instromers in 2003 | ||
|---|---|---|
| Streefwaarde | Realisatie | |
| Primair onderwijs | 400 | 309 |
| Voortgezet onderwijs | 200 | 401 |
| Bve-sector | 400 | 662 |
Opmerking: voor po en vo zijn in de tabel het aantal te plaatsen en (door bemiddeling) geplaatste zij-instromers opgenomen. Voor de bve-sector gaat het om het aantal deelnemers aan de didactische cursus bve.
Bron: Realisatiegegevens 4e kwartaal 2003 van Career Center Onderwijs, Onderwijs BV en Word Leraar! (po en vo).
Op 1 januari 2003 werkten in het primair en voortgezet onderwijs ongeveer 1500 zij-instromers (Bron: ITS, Aandachtsgroepenmonitor). Daarnaast hebben in 2002 ongeveer 400 zij-instromers hun bevoegdheid gehaald. In 2002 hebben ongeveer 150 zij-instromers hun dienstverband voortijdig beëindigd, omdat zij gestopt zijn met werken of omdat zij naar een andere school zijn gegaan. Een tussenstand van de onderwijsinspectie laat zien dat in de eerste helft van 2003 bijna 600 geschiktheidverklaringen zijn uitgereikt (zowel in het primair als voortgezet onderwijs ongeveer 300). Gedetailleerde cijfers over 2003 worden vermeld in de nota «werken in het onderwijs 2005», die in september naar de Tweede kamer gestuurd wordt.
Voor de bve-sector geldt het volgende: de in de aanbod gefinancierde 428 cursusplaatsen voor nieuwe instromers voor de pedagogische didactische cursus bve is bij de omzetting naar vraagfinanciering ruimschoots gehaald. Naast de aanvragen voor een tegemoetkoming in de scholingskosten voor 662 deelnemers aan didactische cursus bve zijn er door circa 50 instellingen 589 aanvragen ingediend voor andere duale opleidingstrajecten, waarvoor een tegemoetkoming in de scholings- en loonverletkosten is toegekend.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om zij-instroom in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs te bevorderen, wordt subsidie verstrekt aan besturen van scholen, zodat zij de benoeming of aanstelling van zij-instromers kunnen realiseren. Scholen konden op basis van de «subsidieregeling zij-instroom po 2002–2003», «subsidieregeling zij-instroom vo 2002–2003» en de «regeling bijdrage kosten zij-instromers 2003–2004 voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs» een subsidie aanvragen voor scholing, begeleiding en verletkosten. In de bve-sector is de opleidingscapaciteit volledig benut, de aanbodfinanciering van de didactische cursus bve is in 2003 omgezet naar vraagfinanciering.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De uitgaven zijn binnen het voor de sectoren po, vo en bve beschikbare budget van € 13 miljoen gebleven.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel is het bevorderen van de instroom van leraren. De maatregel heeft als bijkomend effect dat de student ervaring in het zelfstandig lesgeven opdoet en daardoor beter is toegerust op een toekomstig leraarschap. In de tabel zijn de streefwaarden en realisaties opgenomen.
| Tabel 13: Aantal lio's in 2003 | ||
|---|---|---|
| Streefwaarde 2003 | Realisatie december 2003 | |
| Primair onderwijs | 1 250 | 1 413 |
| Voortgezet onderwijs | 1 000 | 292 |
| Bve-sector | 42 | 5 |
| Totaal | 2 292 | 1 710 |
Bron: CASO
Opmerking: Bij de bepaling van het aantal voltijdbanen is uitgegaan van 0,42 fte per lio (5 maanden stage per jaar).
Dit betekent bijvoorbeeld dat de streefwaarde van het aantal lio's in de bve-sector in 2003 100 personen bedroeg.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 is besloten de bestaande subsidieregelingen leraren-in-opleiding voor primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector te verlengen met één jaar. Op basis van die regeling kunnen scholen geld aanvragen voor de begeleiding van (betaalde) lio's en stagiaires met 126 studiepunten. Door deze regeling wordt een motie van de Tweede Kamer bij de behandeling van de lio-wet uitgevoerd. In het primair onderwijs is de streefwaarde ruimschoots gehaald, in het voortgezet onderwijs en de bve-sector is dit niet het geval (dit wordt onder meer veroorzaakt door de te late publicatie van de verlenging van de regeling).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 is het beschikbare budget voor de regeling toekenningen leraren in opleiding en stagiaires (€ 5,2 miljoen) niet volledig uitgeput, de realisatie bedroeg circa € 4,0 miljoen. Onderuitputting van dit budget wordt veroorzaakt door te late publicatie van de verlenging van de regeling. De aanvragen van 2003 zullen in 2004 alsnog in behandeling worden genomen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel is het bevorderen van de instroom van leraren. In 2000 is in de regio Rijnmond een opleiding gestart om vakmensen uit de metaalsector op te leiden tot deeltijdleraar in het vmbo. Vervolgens is een opleiding in de regio Twente/Overijssel van start gegaan, waaraan naast het opleidingsfonds van de sector metaal ook de sectoren bouw, horeca, bakkers en installatietechniek meedoen. De pilot in de regio Rijnmond is met succes afgerond. In maart 2002 hebben 14 nieuwe leraren hun getuigschrift ontvangen. In Twente/Overijssel zijn 21 vakmensen begonnen aan de laatste opleidingsfase. Er zijn twee regiogroepen samengesteld, in 2003 is de opleiding opgestart in de regio Noord-Holland (Amsterdam) en Noord-Brabant (Eindhoven) met beide circa 20 kandidaten.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Cinop is aangetrokken als projectcoördinator. Cinop heeft de opdracht gekregen om met de ervaringen van de projecten in de regio Rijnmond en Twente/Overijssel te komen tot een landelijk dekkend stelstel van het opleidingsaanbod. Tevens ontwikkelt Cinop een structuur, waarin de diverse betrokken partijen elkaar in de toekomst zelfstandig kunnen vinden.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde uitgaven in 2003 (€ 0,5 miljoen) zijn gerealiseerd.
Bedrijf voor de klas (uitvoering SBO)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In april 2001 werd een convenant gesloten tussen VNO/NCW, het beroepsonderwijs (de BVE raad en de HBO-raad), besturenorganisaties, vakorganisaties en het ministerie van OCW. Het convenant heeft tot doel de uitwisseling tussen bedrijfsleven en onderwijs te versterken, onder andere door detachering van mensen die werkzaam zijn in bedrijven naar het onderwijs. Dit initiatief is onder de projecttitel «Bedrijf voor de klas» uitgewerkt door het SBO in samenwerking met de convenantpartners. Het project loopt van 1 september 2001 tot 1 september 2003.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In het verslagjaar is vooral gewerkt aan de totstandkoming van de benodigde infrastructuur in de regio. Er is samenwerking en uitwisseling tot stand gekomen in de regio's Utrecht, Rotterdam, Eindhoven, Den Haag, Noord Nederland, Haarlemmermeer en Limburg. In de bestaande regio's worden de resterende middelen ingezet, voor het overige vindt afbouw plaats van de inzet van OCW. Het SBO draagt zorg voor verankering van bestaande initiatieven.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De kosten zijn gefinancierd binnen het budget van het SBO.
1.2.3 Opleidingen en kwaliteit
Het beleid heeft tot doel het verbeteren van de toegang tot en de doorstroom binnen de onderwijsberoepen. Deze doelstelling is verder geoperationaliseerd in: ontwikkelen van een nieuwe kwalificatiestructuur voor onderwijsberoepen en het ontwikkelen van een opleidingsstelsel voor onderwijspersoneel dat aansluit bij wat scholen aan kwalificaties nodig hebben. Verder gaat het om het versterken van de leeromgeving in scholen die medeverantwoordelijk willen zijn voor het opleiden en scholen van (nieuw) onderwijspersoneel.
Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen/wetsvoorstel beroepen in het onderwijs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is een transparante kwalificatiestructuur voor alle onderwijsberoepen, waarbij als uitgangspunt geldt: de onderwijssector als geheel heeft zelf, vanuit zijn eigen behoefte, directe invloed op het formuleren van het basispakket aan bekwaamheidseisen voor alle onderwijsberoepen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In dit kader is in 2003 op interactieve wijze gewerkt aan de notitie «Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen». Op 17 oktober 2003 is de notitie «Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen» aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze notitie staan voorstellen voor een transparante en samenhangende kwalificatiestructuur voor alle beroepen in het onderwijs. Voor deze onderwijsberoepen zullen op basis van de wet Beroepen in het onderwijs (begin 2004 nog in behandeling bij het parlement) bekwaamheidseisen worden vastgesteld. Een landelijk platform zal daarvoor voorstellen kunnen doen. Daarmee is dit wetsvoorstel een belangrijk kader voor een nieuwe kwalificatiestructuur.
Op 11 april 2003 is aan de Tweede Kamer de 2e nota van wijziging op het wetsvoorstel Beroepen in het onderwijs aangeboden, op 2 juni 2003 heeft de Kamer een Nota n.a.v. Nader Verslag en een 3e Nota van Wijziging ontvangen, en op 19 december 2003 is een 4e Nota van Wijziging bij de Tweede Kamer ingediend.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde uitgaven (€ 1,6 miljoen) zijn gerealiseerd.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In de nota's Maatwerk 2 en 3 en het Plan van aanpak arbeidsmarkt- en personeelsbeleid is aangekondigd scholen toe te rusten om medeverantwoordelijk te zijn voor het opleiden van (nieuw) onderwijspersoneel.
Voor scholen in het primair onderwijs geldt dat op steeds meer scholen gewerkt wordt met een divers samengesteld team. Ook in het voortgezet onderwijs en in de bve-sector zijn steeds meer mensen werkzaam met gevarieerde achtergrond in verschillende functies. Dat vraagt om goed opleidingsbeleid, bijvoorbeeld om het personeel binnen de school op te scholen. Daarnaast komt lang niet al het personeel volledig gekwalificeerd de school binnen. Voor een groot deel worden mensen al werkend in de school opgeleid.
Genoemde ontwikkelingen zijn voor veel scholen en roc's een stimulans om aan de slag te gaan met opleiden in de school, dan wel deze activiteiten te intensiveren. Essentie van de ontwikkeling van het opleiden in de school is dat scholen de opleidingsfunctie binnen de school vormgeven en zicht krijgen op verschillende varianten van werkplekleren – waarbij duidelijk wordt wat men het beste op school kan leren en wat in de opleiding.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In het primair onderwijs is in juni 2002 de regeling «Ontwikkelprojecten opleiden in de school 2002–2004» gestart. Gedurende deze projectjaren werken 111 schoolbesturen (ruim 350 scholen) aan opleiden in de school. De schoolbesturen/scholen wisselen in (5) regionale netwerken ervaringen uit en werken samen. De resultaten van het project worden via deze netwerken overgedragen naar andere scholen. Het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) organiseert dit communicatie- en overdrachtstraject.
Al in 2001 zijn in het voortgezet onderwijs diverse projecten opleiden in de school gestart waarin scholen werken aan de ontwikkeling van de opleidingsfunctie. Er zijn 11 projecten ondersteund waarin scholen (variërend van 5 tot 15 per project) en één of meer lerarenopleidingen samenwerken. Ook is een netwerk van scholen voor voortgezet onderwijs van start gegaan dat als doel heeft de verschillende projecten met elkaar in contact te brengen en spin-off van de gezamenlijke projecten te optimaliseren. Ook wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een opleidingsdidactiek voor het werkplekleren.
Vanaf augustus 2002 is aan het instellingsbudget van de bve-instellingen een budget toegevoegd voor opleidingsmanagement. Dat is bedoeld om instellingen in staat te stellen om personeel dat zich via een (duaal) opleidingstraject verder kwalificeert en/of nieuw benoemd personeel op te leiden en te begeleiden in hun pas verworven functie. Voorts is de pilot «Opleiden in de school» (2003–2004) gestart voor onderwijsfuncties in de bve-sector. Zeven deelnemende bve-instellingen werken gedurende de projectjaren samen met de lerarenopleidingen aan de ontwikkeling van de opleidingsfunctie, passend bij de desbetreffende instelling, evenals aan het werkplekleren.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De geraamde uitgaven (€ 8 miljoen) zijn gerealiseerd.
Voor dit onderwerp wordt verwezen naar paragraaf 6.3.2. Innovatie (lectoren en kenniskringen) van beleidsartikel 6.
10. INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE
10.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het beleid van het departement is er op gericht het gebruik van informatie en communicatie technologie (ict) in het onderwijs te bevorderen.
Ict moet een plaats krijgen binnen het onderwijs om zo de scholen in staat te stellen leerlingen gebruik te laten maken van het nieuwe leren (toegespitst op de individuele capaciteiten en behoeften, plaats- en tijdonafhankelijk) en zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt van morgen.
Het bestuurlijk uitgangspunt bij zowel het uitwerkingsplan Onderwijs on line (kamerstuk 25 733, nr. 30) voor de periode 1999–2002 als het beleidsplan Leren met ict (kamerstuk 25 733, nr. 95) voor de periode 2003–2005 is, dat de integratie van ict in het onderwijs een zaak is van de scholen. De minister is verantwoordelijk voor het stelsel, scholen moeten in staat zijn ict in het onderwijs te integreren. De minister zorgt ervoor dat de scholen voldoende ict-middelen krijgen en spant zich in scholen de ondersteuning te laten krijgen die zij nodig hebben om hun verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Scholen bepalen zelf hoe zij gebruik maken van ict om het onderwijs te vernieuwen en te verbeteren.
Dit is niet vrijblijvend. De Inspectie controleert de kwaliteit van het onderwijs en let hierbij ook op het gebruik van ict. Jaarlijks wordt via de ict-onderwijsmonitor de integratie van ict in het onderwijs gevolgd. Met de jaarlijkse voortgangsrapportage ict in het onderwijs legt het ministerie verantwoording af aan de Tweede Kamer en anderen.
In 2003 heeft de Tweede Kamer laten weten voornemens te zijn de Groot-Projectstatus te laten eindigen.
Tot de verworvenheden van het beleid van de afgelopen periode behoren de enorme groei van het aantal op internet aangesloten computers, het groeiende ict-gebruik en de toename van de vaardigheden van het onderwijspersoneel. In het hoger onderwijs beginnen specifiek op het onderwijs gerichte toepassingen zoals elektronische leeromgevingen gemeengoed te worden. Actuele aandachtspunten zijn: geschikte educatieve software, de didactische inzet van ict, de didactische ict-vaardigheden en de beschikbare financiën.
Tevens is in de kabinetsformatie eenmalig € 22 miljoen vanaf 2004 beschikbaar gesteld voor innovatieve projecten.
In het beleidsplan Leren met ict (oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 95) voor de periode 2003–2005 wordt uitgebreid stilgestaan bij de stand van zaken inzake de integratie van ict in het onderwijs en de wenselijkheid van verdere stappen.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Voortgangsrapportage Ict in het onderwijs (maart 2002–maart 2003), 16 april 2003, kamerstuk 25 733, nr. 91;
• Brief over het contract met nl.tree, 24 juni 2003, kamerstuk 25 733, nr. 94;
• Beleidsplan Leren met ict, 8 oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 95;
• Brief over de internetvoorziening na 2003, 20 oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 96;
• Brief over de afrondingsovereenkomst met nl.tree, 20 november 2003, kamerstuk 25 733, nr. 98;
• Brief over de internetvoorziening na 2003, 1 december 2003, kamerstuk 25 733, nr. 99;
10.2 Nader geoperationaliseerde doelstellingen
Het beleid voor informatie- en communicatietechnologie volgt twee stromen: centraal beleid en decentraal beleid.
De centrale activiteiten zijn gericht op het ondersteunen van scholen bij het in gang zetten van ontwikkelingen die de spankracht van een individuele school te boven gaan. In paragraaf 10.2.1 wordt het centraal beleid weergegeven.
Bij het decentraal beleid zijn de scholen, die daarvoor een structurele vergoeding ontvangen, volledig aan zet voor de integratie van ict in het onderwijs.
In paragraaf 10.2.2 wordt het decentraal beleid per onderwijssector weergegeven. In de begroting 2003 is dit de overzichtsconstructie.
10.2.1.1 Het faciliteren van de scholen bij de integratie van ict
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is dat iedere school in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie kan beschikken over een kwalitatief hoogwaardige internetverbinding en de daarbij behorende internetfaciliteiten.
Vanaf medio 2002 – en dus ook in het jaar 2003 – zijn alle scholen die dit wilden in deze sectoren aangesloten op het internet. Het betreft in totaal circa 10 800 locaties (bron: rapportage opleverprotocollen Kennisnet december 2003).
Met deze infrastructuur hebben scholen ervaring opgedaan en gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van het internet. Op deze manier is een goede basis gelegd voor het gebruik en integratie van ict in het onderwijs.
Als gevolg van het streven naar minder regels en meer ruimte voor de scholen is, na overleg met de Tweede Kamer, in december 2002 besloten om het centrale contract waarmee de scholen in het po, vo en bve aangesloten zijn op internet te beëindigen per 1 januari 2004. Vanaf deze datum krijgen de scholen een bedrag om naar eigen inzicht hun internetvoorziening te regelen.
In de loop van 2003 is met de Balkenende I en II gelden voor de periode vanaf 2004 € 70 miljoen structureel aan de begroting OCW toegevoegd, waarvan € 55 miljoen voor de koopkracht van de scholen voor de internetvoorziening, € 10 miljoen voor de centrale voorzieningen en € 5 miljoen voor scholen die zich in onrendabele gebieden bevinden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Van een fors aantal scholen is de minimale bandbreedte in 2003 opgehoogd zodat zij beter gebruik kunnen maken van de multimediale mogelijkheden.
| Tabel 10.1: aantal opgehoogde aansluitingen in 2003 | ||
|---|---|---|
| Van 156 naar 256 Kbps | Van 256 naar 384 Kbps | Totaal |
| 2 740 | 2 943 | 5 683 |
Bron: Offerte-, uitrol- en exploitatierapportage nl.tree april 2003.
Scholen zijn vanaf 2004 zelf verantwoordelijk voor het inrichten van de internetvoorziening. De stichtingen Kennisnet en Ict op School ontwikkelen ieder instrumenten om de keuze van een aanbieder en een eventuele overgang goed te laten verlopen. Zij hebben gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de inrichting van een aantal centrale voorzieningen. De doelstellingen zijn het faciliteren van scholen gedurende het overgangstraject én het waarborgen van de toegankelijkheid van de portal Kennisnet (met alle educatieve content en diensten) voor scholen na 1 januari 2004.
Voor de inrichting van de centrale internetvoorzieningen voor het onderwijs na 2003 zijn op hoofdlijnen de volgende drie onderdelen gerealiseerd door de stichtingen Kennisnet en Ict op School:
• een kwaliteitsregeling voor internet service providers (ISP's) ter bevordering van markttransparantie. Door standaardcriteria te gebruiken in de dienstenomschrijving, kan een school de providers vergelijken op prijs en dienstverlening;
• advies en ondersteuning: een virtuele en telefonische helpdesk voor onderwijsinstellingen. Het project wordt uitgevoerd en gecommuniceerd onder het label ISPwijzer. Op de website www.ispwijzer.nl kunnen onderwijsinstellingen informatie en hulpmiddelen vinden voor de diverse fasen van het inkopen van ISP-diensten: doelen stellen, specificeren, selecteren, contracteren, migreren en beheren;
• een content- en dienstenplatform voor onderwijsinstellingen om toegang tot en bereikbaarheid van educatieve content en diensten zo goed mogelijk te kunnen waarborgen. Via het platform kan webbased content effectief en efficiënt ingericht worden en biedt daarnaast mogelijkheden voor geavanceerde zoek- en vindfuncties. Eveneens kan met proefomgevingen gewerkt worden, wat mogelijkheden biedt om nieuwe producten uit te proberen.
Eind 2003 heeft intensief overleg plaatsgevonden met de leverancier van de internetvoorziening om de overgang van de centrale naar de decentrale voorziening goed te regelen. De onderhandelingen hebben geleid tot het op 19 november 2003 ondertekenen van een afrondingsovereenkomst. Belangrijk onderdeel van de afspraken is de mogelijkheid voor scholen om een overgangscontract af te sluiten met de huidige leverancier ter overbrugging van de migratieperiode naar een andere internetleverancier. Hiermee verkrijgt de school de zekerheid van een werkende internetvoorziening in de eerste helft van 2004. Daarnaast heeft nl.tree een geldelijke vergoeding betaald aan OCW voor het niet volledig nakomen van de verplichtingen uit het centrale contract en voor de contractueel overeengekomen verwerking van prijsontwikkelingen in de markt.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 10.2: kosten internetvoorziening 2003 (x € miljoen) | |||
|---|---|---|---|
| Begroot | Gerealiseerd | Verschil | |
| Verbinding + centrale dienstverlening | 70,5 | 62,2 | – 8,3 |
| Decentrale dienstverlening | 31,5 | 31,5 | 0,0 |
| Voorbereidingen internetvoorziening | 0,0 | 9,9 | 9,9 |
| Totaal | 102,0 | 103,6 | 1,6 |
Bron: Begroting 2003 en departementale administratie (GEFIS)
• Bij de verbinding (€ 70,5 miljoen) gaat het om de exploitatiekosten (begroot: € 45 miljoen), om de vaste kosten van de centrale internetdienstverlening (begroot : € 14,5 miljoen), en om de kosten voor bijzondere aansluitingen en breedband (begroot: € 11,0 miljoen). De realisatie (€ 62,2 miljoen) komt in 2003 – € 8,3 miljoen lager uit als gevolg van nadere afspraken uit de afrondingsovereenkomst. Deze middelen zijn grotendeels geïnvesteerd in de voorbereiding van de internetvoorziening vanaf 1 januari 2004 (de centrale voorzieningen).
• Bij de decentrale dienstverlening (€ 31,5 miljoen) gaat het om de koopkracht van de scholen voor de variabele kosten van de internetdienstverlening in verband met het contract met nl.tree. Dit bedrag is overgeboekt naar de velddirecties.
• De kosten van de voorbereiding voor het zelf regelen door de scholen van de internetvoorziening (€ 9,9 miljoen) zijn vergoed op basis van de projectplannen van de stichtingen Kennisnet en Ict op School.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brief over het contract met nl.tree, 24 juni 2003, kamerstuk 25 733, nr. 94;
• Brief over de internetvoorziening na 2003, 20 oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 96;
• Brief over de besprekingen met nl.tree, 20 november 2003, kamerstuk 25 733, nr. 98;
10.2.1.2 Het stimuleren van samenwerking (Stichting Ict op School)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Zoals in de begroting van 2003 staat aangegeven heeft de stichting Ict op School als organisatie van en voor de scholen tot taak effectief en efficiënt gebruik van ict in het onderwijs te bevorderen. Het stimuleren van samenwerking tussen scholen heeft daarbij hoge prioriteit.
Stichting Ict op School formuleert in haar werkplannen de doelstelling dat eind 2004 het merendeel van de po-scholen op enigerlei wijze participeert in een samenwerkingsverband en/of gebruik kan maken van de diensten van een regionaal steunpunt ICT.
| Tabel 10.3: Aantal samenwerkingsverbanden po-scholen | |||
|---|---|---|---|
| Begin 2002 | Begin 2003 | Eind 2003 | Doelstelling eind 2004 |
| Circa 50 samenwerkingsverbanden, 1400 scholen | Circa 140 samen- werkingsverban- den, 3000 scholen | Circa 200 samen- werkingsverban- den, 4000 scholen | Merendeel van de (in totaal circa 8000) po-scholen |
Bron: Focus op samenwerking, Oberon, maart 2003, regiokaart + werkplan 2002, 2003, 2004 stichting Ict op School.
Daarnaast blijkt dat het aantal participerende samenwerkingsverbanden in het Platform van Samenwerkingsverbanden dit jaar is toegenomen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Stichting Ict op School heeft activiteiten ondernomen op het gebied van stimuleren van regionale samenwerking, deskundigheidsbevordering, kennisuitwisseling over effectief gebruik van ict in het onderwijs en kennisontwikkeling.
• Ict op School heeft ook in 2003 de stimulering van de totstandkoming van betekenisvolle samenwerkingsverbanden en het in kaart brengen hiervan verder gecontinueerd (zie http://www.ictopschool.net/samenwerking). Op basis van de resultaten van een in opdracht van stichting Ict op School uitgevoerd grootscheeps inventariserend onderzoek naar samenwerkingsverbanden in oktober 2002 (nulmeting) heeft Ict op School in 2003 het instrumentarium voor verdere stimulering van samenwerking verder toegespitst op de zogenaamde «witte vlekken» in relatie tot de vraag van scholen, schoolbesturen en gemeenten.
Daarnaast heeft de stichting een «deskundigenpool» opgericht, bestaande uit experts op het gebied van onderwijs en regionale samenwerking. Deelnemers uit deze pool zijn ingezet om samenwerking te stimuleren bij scholen, besturen en lokale overheden in regio's waar dit nog niet gebeurt.
• Om docenten en leerkrachten te ondersteunen bij de didactische toepassing van ict in de lespraktijk (deskundigheidsbevordering) heeft Ict op School docenten en leerkrachten via diverse tools en praktijkvoorbeelden handreikingen gegeven om ict effectief in te zetten in de lespraktijk. Onder meer met de «competentietool», een instrument waarmee docenten de eigen deskundigheid kunnen meten en op basis van de uitkomst een route kunnen uitstippelen om verdere competenties te verwerven. Een ander voorbeeld is de «ict-boom». Met deze tool kunnen docenten inzicht verwerven in de didactische mogelijkheden van de computer.
• Binnen het thema techniek en beheer worden scholen met een speciaal door Ict op School ontwikkelde tool geholpen snel een weg te vinden naar leveranciers die een passend ict-pakket bieden (de Online Tool voor Totaal Oplossingen, OTTO).
• Met onderzoek en kennisuitwisseling is onder meer de aard, de omvang en het aantal deelnemers aan samenwerkingsverbanden inzichtelijk gemaakt. Niet alleen het aantal samenwerkingsverbanden en het aantal deelnemende scholen is van belang, maar steeds meer nadruk komt te liggen op de kwaliteit van samenwerking.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op grond van de subsidiebeschikking bedroeg de basissubsidie voor de activiteiten van Ict op School op bovengenoemde vier gebieden € 2,7 miljoen.
De stichting legt verantwoording af door voor 1 april 2004 het jaarverslag en de financiële verantwoording over 2003 in te dienen. Op basis daarvan wordt de definitieve subsidie voor 2003 vastgesteld.
10.2.1.3 Op internet een plaats creëren waar voor onderwijsdoelen materiaal op toegankelijke en vertrouwde wijze beschikbaar is
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel is het realiseren van een duurzame op het onderwijs afgestemde en voor het onderwijs profijtelijke internetplaats waar kwalitatief hoogwaardig aanbod van voor het onderwijs relevante content en diensten beschikbaar is. Op deze manier wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het beschikbaar stellen van content en wordt kennisuitwisseling gefaciliteerd.
| Tabel 10.4: realisatiecijfers stichting Kennisnet | ||||
|---|---|---|---|---|
| Startsituatie 2001 | Realisatie 2002 | Realisatie 2003 | Doel 2003* | |
| Totaal gebruik leerlingen | ||||
| PO | 16% | 19% | 31% | |
| VO | 15% | 26% | 21% | |
| BVE | 15% | 10% | 15% | |
| Totaal gebruik docenten | ||||
| PO | 37% | 42% | 69% | 70% |
| VO | 52% | 56% | 66% | 80% |
| BVE | 30% | 36% | 57% | 70% |
| Maandelijks gebruik leerlingen | ||||
| PO | 5% | 13% | 19% | 35% |
| VO | 15% | 11% | 9% | 50% |
| BVE | 15% | 3% | 6% | 50% |
| Maandelijks gebruik docenten | ||||
| PO | 24% | 31% | 49% | |
| VO | 41% | 31% | 46% | |
| BVE | 26% | 15% | 23% | |
| Educatieve aanbod content | 0% | 80% | 100% | Dit is gerealiseerd met het beschikbaar komen van de dienst Entree**. Voor 2004 zijn specifieke doelen voor het gebruik van Entree door de scholen geformuleerd. |
| On line leeractiviteit: | Deze indicator bleek uiteindelijk niet goed te meten. Het maandelijkse gebruik van Kennisnet onder de doelgroep geeft beter inzicht in hoe vaak Kennisnet gebruikt wordt voor het leerproces. | |||
Bron: 3e meting NIPO-enquete 2003.
In de begroting 2003 zijn de streefwaarden gewogen gemiddeldes van de streefwaarden per sector. Bovenstaande uitsplitsing per sector doet meer recht aan de daadwerkelijke realisatie.
*bron: jaarplan Kennisnet.
**Entree biedt op een eenvoudige en veilige manier toegang tot besloten online lesmateriaal. Entree is een authenticatie en autorisatiedienst waarmee wordt vastgesteld wie toegang heeft tot welke content of diensten. Met één enkele digitale sleutel krijgen docenten en leerlingen toegang. De gebruiker kan vanaf elke pc met internetaansluiting inloggen in Entree, of dat nu thuis is, op school of in de bibliotheek en bereikt daarmee het digitale materiaal waarvoor hij of zijn school een licentie heeft. Op deze manier kan meer gedifferentieerd én op maat onderwijsmateriaal worden geboden.
Kennisnet heeft het afgelopen jaar op bijna alle strategische doelen vooruitgang geboekt. Zowel de naamsbekendheid als het gebruik van www.kennisnet.nl zijn gestegen. Dat kan ook worden vastgesteld aan de hand van de bezoekcijfers. Wekelijks registreert Kennisnet zo'n 500 000 unieke bezoeken (6,7 miljoen pageviews).
Dat neemt niet weg dat het gebruik achterblijft bij de gestelde doelen. Met name het gebruik van leerlingen in het po, vo en bve blijft duidelijk onder het geplande niveau en kent geen of weinig groei. In het laatste kwartaal van 2003 is een start gemaakt met een grootschalige leerlingencampagne. Stichting Kennisnet blijft werken aan een verdere uitbreiding van educatief online lesmateriaal en aan diensten om dit materiaal te ontsluiten.
Kennisnet had eerder een doel geformuleerd voor het percentage online leeractiviteiten. Hiervan is gebleken dat dit niet goed te meten is en dat het maandelijks gebruik van Kennisnet onder de doelgroep beter inzicht geeft in hoe vaak Kennisnet wordt gebruikt in het leerproces.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste activiteiten die stichting kennisnet – naast tal van andere activiteiten – in 2003 heeft gerealiseerd:
• portal: opzetten en uitbreiden communities en externe redacties, bijgestelde indeling van de portal en aanpassingen in de presentatie van de site;
• oplevering en introductie van de dienst Entree in de vo- en bve-sector, momenteel ligt de focus op het verkrijgen van commitment van contentaanbieders en gebruikers;
• realisering van een platform voor content en diensten;
• tweetal themasites opgezet binnen 48 uur (Irak en SARS) met praktisch (toepasbaar) educatief materiaal;
• Beeldbank met NOT/Teleac ontwikkeld en ontsloten;
• Samenwerking met bibliotheken voor onderwijszoekmachine gerealiseerd;
• een viertal ThinkQuest-wedstrijden zijn georganiseerd en gehouden.
| Tabel 10.5: aantal inschrijvingen en websites ThinkQuest | |||
|---|---|---|---|
| Inschrijvingen | Realisatie per 31/12/2003 | Opgeleverde websites | Realisatie per 31/12/2003 |
| ThinkQuest po | 222 | ThinkQuest po | 152 |
| ThinkQuest vo | 323 | ThinkQuest vo | 92 |
| ThinkQuest voor de klas | 73 | ThinkQuest voor de klas | 23 |
| ThinkQuest uit de kunst | 47 | ThinkQuest uit de kunst | 32 |
| ThinkQuest internationaal | 7 | ThinkQuest internationaal | Nvt (loopt nog) |
Bron: Opgaaf door stichting Kennisnet.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op grond van de subsidiebeschikking bedroeg de basissubsidie € 18,6 miljoen. Daarnaast heeft de stichting aanvullende subsidietoekenningen ontvangen voor de projecten in de bve-sector van € 2 miljoen (dit bedrag komt ten laste van artikel 04.03), een betaling op het in 2002 toegekende project Authenticatie en Autorisatie Dienst (Entree) van € 1,9 miljoen.
De stichting legt verantwoording af door voor 1 april 2004 het jaarverslag en de financiële verantwoording over 2003 in te dienen. Op basis daarvan wordt de definitieve subsidie voor 2003 vastgesteld.
10.2.1.4 Beschikbaarheid educatief materiaal
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om ict in het onderwijs te kunnen integreren is beschikbaarheid van kwalitatief hoogstaande educatieve programmatuur noodzakelijk. Die moet rekening houden met de verschillende leerdoelen en eindtermen maar ook met de verschillen in onderwijsconcepten. Daar waar de markt te beperkt is of niet op gang komt, zal additioneel beleid nodig zijn. De ontwikkeling van educatieve software/content is een verantwoordelijkheid van marktpartijen.
Stichting Kennisnet is een belangrijke partner bij het stimuleren en ontwikkelen van voor het onderwijs relevante content. Naast het ordenen en op kwaliteit beoordelen van content dat beschikbaar is via de portalsite www.kennisnet.nl, heeft zij in 2003 op dit gebied gerichte acties gerealiseerd (zie onder paragraaf 10.2.1.3). Een belangrijk onderdeel hiervan is de realisatie van de authenticatie- en autorisatiedienst Entree.
Ruim 200 sites van een aantal grote educatieve uitgevers en het Freudenthal Instituut, die aansluiten bij hun onderwijsmethoden, zijn hiermee beschikbaar gemaakt voor het onderwijsveld. Zie: http://methodesites. kennisnet.nl.
Om in de behoefte van docenten aan informatie over alle beschikbare programmatuur en over de mogelijkheden van het beschikbare materiaal te voorzien, staan op Kennisnet drie leermiddelenbanken:
• www.programmamatrix.nl: database van het APS met uitgebreide beschrijvingen van educatieve software voor het primair en voortgezet onderwijs;
• www.leermiddelenplein.nl: database van de SLO/NICL met korte beschrijvingen van lesmateriaal (ook niet-digitaal) voor het primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector;
• www.leermiddelenbank.nl: een gratis dienst van Kennisnet voor de bve-sector. Uitgevers, scholen en docenten kunnen zelf ook leermiddelen aanbieden.
Met de subsidieregeling ict-projecten in het onderwijs is een stevige impuls gegeven aan de ontwikkeling van educatief materiaal, aansluitend bij de vraag van het onderwijs.
Uit een effectevaluatie van de subsidieregeling uit 2000 «Ict-projecten in het Onderwijs» die eind 2003 is uitgevoerd door IVA Tilburg blijkt dat de doelen van deze subsidieregeling in grote lijnen zijn bereikt. De projecten richten zich met name op de bevordering van ict-gebruik en het gebruik van kennisnet, de ontwikkeling van methoden en educatieve programmatuur en deskundigheidsbevordering.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
• Zie paragraaf 10.2.1.3 voor activiteiten stichting Kennisnet.
• Subsidie is toegekend aan het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum voor het up-to-date brengen en uitbreiden van de programmamatrix.
• Senter, de organisatie die de subsidieregelingen Ict-projecten in het Onderwijs uitvoert en in beheer heeft, heeft ook in 2003 zorggedragen voor het beheer van de in 2000, in 2001 en in 2002 toegekende projecten. Zij heeft hiertoe onder andere de tussen- en eindrapportages en de eindproducten van de projecten beoordeeld en toegezien op naleving van de subsidievoorwaarden, waaronder het opleveren van een voor het onderwijsveld vrij beschikbaar en direct toepasbaar ict-product. De voortgang en de (voorlopige) resultaten van alle ontwikkelprojecten uit de subsidieregelingen uit 2000 en 2001–2002 worden zichtbaar gemaakt via de Projectenetalage op Kennisnet (http://projectenetalage.kennisnet.nl) die begin 2003 operationeel geworden is. De gegevens worden periodiek geactualiseerd. De resultaten van de projecten zijn verder op grote schaal verspreid, vooral via presentaties op workshops, studiedagen, congressen en beurzen. Maar ook via artikelen in dagbladen en vakbladen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De uitgaven voor educatieve content bedroegen € 1,2 miljoen. Dat is € 2,3 miljoen lager dan begroot. Dit komt omdat van de in 2001 en in 2002 toegekende ontwikkel-, netwerken implementatieprojecten het grootste deel nog wordt uitgevoerd. De meeste van deze projecten zullen in 2004 worden afgerond. Dit laatste heeft geleid tot kostenvertragingen van een aantal projecten, waardoor uitgaven niet in 2003, maar in 2004 plaatsvinden.
Het bedrag voor Entree is verantwoord onder paragraaf 10.2.1.3.
10.2.1.5 Het gebruik van ict in het onderwijs als onderwijsmiddel te bevorderen – gebruiken om te leren
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het ict-beleid richt zich op de grote groep scholen die de stap van «leren gebruiken» naar «gebruiken om te leren» moeten maken. Scholen worden steeds meer overtuigd van het nut van gebruik van ict in het onderwijs. De scholen kunnen dit doen door de ict-integratie in de eigen situatie vorm en inhoud te geven en gebruik te maken van overheidsstimulering op het gebied van deskundigheidsbevordering en het aanbod van (kleinschalige) projecten.
Een beeld van het gebruik van ict in de klas kan worden verkregen op basis van de ict-onderwijsmonitor. Een samenvatting van de ict-onderwijsmonitor voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie wordt gegeven onder paragraaf 10.2.2. Zie voor een compleet overzicht de website www.ict-onderwijsmonitor.nl.
De doelstelling voor 2003 om 80% van de vmbo-leerlingen in 80% van de tijd met behulp van ict de eindtermen te laten halen is ruimschoots gehaald. In de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg ligt dit respectievelijk op 89% en 87%. (bron: vmbo-examens 2003, Inspectierapport nr. 2003–20).
Verzamelen en verspreiden van informatie
Via de websites van de acht expertisecentra ict is in 2003 geactualiseerde informatie beschikbaar geweest over ict in de onderwijspraktijk. Daarnaast zijn per centrum onder meer gemiddeld vier artikelen in vakbladen gepubliceerd, twee workshops verzorgd, vijf expertmeetings georganiseerd en is advies en ondersteuning verleend aan tientallen scholen en docenten.
Ict als hulpmiddel bij herinrichting van het onderwijs
Binnen twee proeftuinen ict en innovatief onderwijs is geëxperimenteerd met de herinrichting van het onderwijs, waarbij ict als hulpmiddel is ingezet. Veel aandacht is besteed aan de verspreiding van de ervaringen naar het onderwijsveld. Door de betrokken scholen zijn diverse presentaties gehouden, onder meer binnen het TOM-project. Op de scholen zijn rondleidingen verzorgd voor geïnteresseerde scholen en onderwijsondersteunende instellingen. Dit heeft onder meer geleid tot deelname aan het project door diverse scholen binnen en buiten de betreffende regio.
Door middel van het project Grassroots hebben leraren op kleinschalige wijze ervaringen opgedaan bij het gebruik van ict in het onderwijs.
Minstens de helft van de deelnemende leraren (meer dan 1000) is hierdoor gemotiveerder om ict in de klas toe te passen; één kwart van de leraren zegt dat ze een beetje geleerd hebben van het project en driekwart vindt dat ze een flinke of grote stap gezet hebben. Uit de antwoorden op de evaluatievragen blijkt onder meer dat met name de leraren die positief staan tegenover ict zich aangesproken voelen door de GrassRoots en steeds beter willen worden.
Verder zijn in het werkplan 2003 van stichting Ict op School onderwerpen opgenomen ter versterking van de professionalisering. Doelstelling van dit project is dat scholen en samenwerkingsverbanden in staat zijn om zelf, of met ondersteuning, een proces in gang te zetten dat ze verder brengt op het gebied van integratie van ict. Onder meer door een visie op leren en ict te ontwikkelen en door bewust en gericht keuzes te kunnen maken voor de inrichting van het onderwijs en de inzet van ict.
Voor stimulering van de professionalisering is verder aangesloten op de bestaande departementale beleidslijnen, zoals het lerarenbeleid en de beroepskolom. In het kader daarvan is in 2003 een voorstudie gestart naar de school als arbeidsorganisatie met als insteek waarom ict in schoolorganisaties minder wordt benut dan in andere bedrijven en organisaties.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
• In het VICTO-project zijn in het vmbo voor de beroepsgerichte vakken voor alle sectoren ict-leermiddelen (pakketten van software, hardware en leermateriaal) ontwikkeld, aansluitend op de ict-gerelateerde exameneisen zoals die voorkomen in de examenprogramma's. Ondersteuning bij de implementatie en deskundigheidsbevordering maken ook onderdeel uit van het VICTO-project. (bron: invoeringsplan VICTO, Enschede, september 2003).
• Aan de expertisecentra ict is subsidie toegekend voor de uitvoering van bovengenoemde activiteiten.
• Aan twee projecten van ict en innovatief onderwijs is subsidie toegekend: Proeftuin Nijmegen en Wadden On Line.
• Het aantal GrassRoots-locaties uit 2002 is verdubbeld, waarbij in principe elke leraar in Nederland een GrassRootsproject kan aanvragen. Begin november zijn er bijna 2200 GrassRootsprojecten, die zijn uitgevoerd vanuit één van de 16 GrassRoots-locaties. Meer dan 1000 leraren hebben één of meer GrassRoots gedaan.
• Stichting Ict op School heeft in 2003 in het kader van het projectplan «Deskundigheidsbevordering in de praktijk» diverse activiteiten uitgevoerd om bovenstaande doelstellingen te bereiken. Zij heeft in 2003 een samenhangende collectie instrumenten, stappenplannen, invoeringsscenario's, beschrijvingen en andere hulpmiddelen ontwikkeld en via haar website www.ictopschool.net beschikbaar gesteld. Docenten kunnen hier via een routekaart diverse routes volgen die passen bij hun eigen specifieke situatie. Op de routekaart staan etappes aangegeven die scholen (achtereenvolgens) kunnen volgen om deskundigheid te ontwikkelen die nodig is voor een succesvol gebruik van ict in het onderwijs. Bij de routebeschrijvingen horen instrumenten die helpen om de route met succes af te leggen en op sleutelmomenten docenten te kunnen gebruiken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Bij de begrotingsbehandeling van 2003 is het amendement Bonke aangenomen waarmee € 4 miljoen beschikbaar is gesteld voor de professionalisering van leraren op het terrein van ict. De gerealiseerde uitgaven bedroegen € 3,2 miljoen. Dit is lager (€ 0,8 miljoen) dan het beschikbare budget (€ 4,0 miljoen) enerzijds in verband met de systematiek van bevoorschotting, anderzijds omdat het project ICT coach is doorgeschoven naar 2004.
Aan de expertisecentra en de proeftuinen is in 2003 respectievelijk € 326 000 en € 133 000 uitgegeven.
10.2.1.6 Bevorderen participatie bedrijfsleven in de ontwikkeling van professionaliseringstrajecten voor onderwijsmedewerkers op het gebied van ict
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om de participatie van het bedrijfsleven bij de integratie van ict in het onderwijs te stimuleren en te coördineren is de stichting Platform Onderwijs en Informatiesamenleving ondersteund. De stichting is er ondanks de inzet niet in geslaagd een significant deel van het bedrijfsleven bereid te vinden zich te committeren aan een bijdrage. De stichting wijt dat aan de verslechterde economische situatie.
Medio 2003 heeft de stichting Platform Onderwijs en Informatiesamenleving de activiteiten beëindigd.
De stichting Ict op School is gevraagd een plan te maken om via andere lijnen de betrokkenheid van het bedrijfsleven te mobiliseren.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De stichting Platform Informatiesamenleving en onderwijs is in 2003 actief geweest in de benadering van bedrijven om hen te vragen op verschillende manieren een bijdrage aan het proces van ict in het onderwijs te leveren. De stichting heeft bedrijven aangeschreven en aangesproken, is aanwezig geweest op beurzen en seminars en hebben zich via andere media tot het bedrijfsleven gericht. Het besluit om de subsidiëring van de stichting niet voort te zetten is besproken met de voorzitter van de stichting. Het stichtingsbestuur heeft daarop besloten de activiteiten te beëindigen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De toegekende subsidie is door de stichting niet volledig besteed. De afrekening van de stichting betreft een bedrag van € 23 730 in 2003.
De realisatie is daarmee ruim € 0,4 miljoen lager dan begroot.
10.2.1.7 Ict en internationaal: kennisuitwisseling en samenwerking met het buitenland, de vertaling naar Nederland
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Uitwisseling van ervaringen en ideeën over ict-beleid en -implementatie in Europa en in breder internationaal verband, hebben zowel bilateraal, als in multilateraal verband plaatsgevonden. Dit resulteerde in concrete producten als de productie van Ict-Schoolportretten door de Inspectie en de vaststelling van goede ict-beleidspraktijken voor de Europese Commissie. Dit gebeurde ook op verschillende niveaus; zowel docenten en hun leerlingen, strategische instellingen als stichting Kennisnet, beleidsmakers en deskundigen waren in verschillende trajecten betrokken.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De uitgangspunten zoals voorgenomen zijn uitgewerkt. Door verschillende actoren in het Nederlands onderwijs werden studiebezoeken afgelegd, bijeenkomsten belegd of zinvolle contacten aangegaan. Zo zijn er bilaterale en multilaterale contacten geweest met vooruitstrevende landen als Canada en de Scandinavische landen. De contacten met het European SchoolNet (EUN) werden versterkt, ook op het gebied van inhoudelijke ontwikkeling. Eveneens werd de inbreng in de expertgroepen «e-Learning» en «Ict in Education» van de Europese Commissie geïntensiveerd. De internationale contacten die door verschillende geledingen van het onderwijs zijn aangegaan zoals onder a. beschreven zijn door onze bemiddelende en faciliterende activiteiten gerealiseerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De gerealiseerde uitgaven bedroegen € 157 000,–. De realisatie is € 0,3 miljoen lager dan eerder geraamd, omdat de benodigde uitgaven minder bleken te zijn dan aanvankelijk bedacht.
10.2.1.8 Het volgen van vorderingen van ict in het onderwijs en onderzoek naar de mogelijkheden
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met de grote beleidsruimte voor de scholen in het ict beleid wordt grote waarde gehecht aan het monitoren van de ontwikkelingen in het veld.
Het volgen van ict vorderingen in het onderwijs wordt gemeten door middel van de quick scan. De quick scan dient meerdere doelen. Ten eerste wordt met de informatie uit de quick scan voldaan aan de jaarlijkse verantwoordingsplicht richting Tweede Kamer (representatief beeld van de stand van zaken rondom ict in het onderwijs). Ten tweede is het mogelijk om (licht) evaluatieve uitspraken te doen rondom de ontwikkelingen van ict in het onderwijs door de jaren heen (VBTB). Ten derde levert het ook aanknopingspunten voor beleid (waar moet de nadruk op komen te liggen) en ten vierde kan het instrument als benchmark voor de scholen gebruikt worden.
Het volgen van vorderingen van ict in het onderwijs en onderzoek naar de mogelijkheden van ict is grotendeels geregeld in de joint venture die tussen het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs in 2000 is afgesloten. Medio 2003 is de joint venture met succes afgerond. Daarom is er aansluitend een nieuwe samenwerkingsovereenkomst gesloten tot eind 2005.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In maart 2003 zijn de resultaten gepubliceerd van de vijfde meting van de ict-onderwijsmonitor (2002–2003). Voor deze meting was, na consultatie van betrokkenen uit het onderwijsveld en het departement, in 2002 een nieuwe opzet vastgesteld waarin kwantitatieve (ICT in cijfers) en kwalitatieve dataverzameling zijn gecombineerd.
In 2003 is besloten de ict-onderwijsmonitor te beperken tot een kwantitatieve quick scan. Medio 2003 is dit rapport «ICT in cijfers 2003–2004» gepubliceerd en aan de Tweede Kamer aangeboden. Naast deze quick scan zijn er in 2003 vijf thematische studies gestart, die mei 2004 worden afgerond.
Verder zijn er in 2003 enkele deelonderzoeken van de ict-onderwijsmonitor Hoger Onderwijs afgerond evenals het onderzoek naar «De nieuwe leraar». In 2003 is een vervolg op het onderzoek «De nieuwe leraar» gestart.
De Inspectie heeft verder bundels Ict-schoolportretten gepubliceerd onder de titels: Zoektocht naar nieuwe rollen, taken en functies, Internationaliseren, Cultuur, Beroepsgerichte vakken in technisch onderwijs, Miniaturen en Slash 21, Scholen opnieuw en Lokale samenwerking Den Haag. Ook zijn bundels verschenen over beleid en praktijk in Canada en Schotland, evenals de vertalingen in Frans en Engels.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Aan het meten van de vorderingen in het onderwijs is in 2003 een bedrag van € 0,6 miljoen besteed. De uitputting van de begroting is conform de voorgenomen bestedingen gegaan. Daarnaast is een bedrag van € 0,6 miljoen aan de Inspectie betaalbaar gesteld via het begrotingsartikel 21.04.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Ict-onderwijsmonitor 2001–2002;
• ICT in cijfers 2002–2003 primair onderwijs, voortgezet onderwijs, lerarenopleidingen, basisonderwijs;
• ICT in cijfers 2002–2003 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;
• ICT in cijfers 2002–2003 lerarenopleidingen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;
• Voortgangsrapportage Ict in het onderwijs (maart 2002–maart 2003), 16 april 2003, kamerstuk 25 733, nr. 91.
In de begroting 2003 is dit de overzichtsconstructie informatie- en communicatietechnologie.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De integratie van ict in het onderwijs is vooral een zaak van de scholen. De overheid zorgt voor een aantal voorzieningen en voor structurele middelen. De koopkracht van de scholen in po, vo en bve bestaat uit de ict-bijdrage per leerling. In 2003 was deze ongeveer € 60 per leerling.
De scholen hebben vrijheid bij de besteding van de voor ict toegekende middelen. De exacte omvang van de gerealiseerde uitgaven aan ict is dan ook niet te geven. De Inspectie controleert de kwaliteit van het onderwijs, en aan de hand van de jaarlijkse ict-onderwijsmonitor wordt verantwoording aan de Tweede Kamer en anderen afgelegd.
In onderstaande tabel wordt op basis van de ict-onderwijsmonitor een overzicht gegeven van de streefwaarden en realisaties in de schooljaren 2001–2002 en 2002–2003.
Deze streefwaarden betreffen een inschatting waarover geen afspraken zijn gemaakt met het onderwijsveld.
| Tabel 10.6: kengetallen (realisatiecijfers) en streefwaarden ict in het onderwijs | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Kengetallen/Streefwaarden* | Basisonderwijs | Voortgezet onderwijs | Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | Lerarenopleidingen basisonderwijs | ||||
| 01/02 | 02/03 | 01/02 | 02/03 | 01/02 | 02/03 | 01/02 | 02/03 | |
| Ict-investeringsplan | (75) 76 | (75) 83 | (87) 86 | (88) 90 | (58) 59 | (59) 60 | (88) 70 | (88) 76 |
| Redelijk tot sterke bijdrage van ict aan realisatie van onderwijskundige doelen | – | 51 | – | – | – | – | – | – |
| Ict-vaardigheden van leraren (in %) | ||||||||
| Basisvaardigheden | (72) 64 | (76) 73 | (83) 73 | (85) 72 | (77) 52 | (80) 56 | (85) 96 | (86) 83 |
| Didactische vaardigheden | (18) 61 | (20) 67 | (26) 43 | (28) 42 | (29) 32 | (30) 36 | (38) 51 | (40) 54 |
| Ict-infrastructuur | ||||||||
| Leerling-computerratio | (10) 8,1 | (10) 7,2 | (12) 9,7 | (11) 9,2 | (10) 7,2 | (9) 7,5 | (10) 6.5 | (9) 8.3 |
| Leerling-internetratio | – | 17,3 | – | 10,7 | – | – | – | 8,3 |
| Toegang tot internet (in %)** | (47) 68 | (50) 73 | (81) – | (80) 92 | (75) – | (80) – | (100) – | (100) – |
Bron: schooljaar 2001–2002: Ict in cijfers, ict-onderwijsmonitor 2001–2002.
Bron: schooljaar 2002–2003: Ict in cijfers, ict-onderwijsmonitor 2002–2003.
*De waarden die tussen haakjes staan, zijn streefwaarden die in de begroting 2003 zijn opgenomen voor de schooljaren 2001–2002 en 2002–2003.
**De toegang tot internet in % betreft het percentage computers voor onderwijsdoeleinden met een internetaansluiting.
Met de wijziging van de beleidsfocus van de implementatie van ict naar de toepassing van ict in het onderwijs is ook de ict-onderwijsmonitor daarop aangepast. Een aantal kengetallen, die sinds 1997 waren gevolgd, zijn in de laatste versie niet meer opgenomen. Dit is gedaan omdat de gegevens niet meer aansluiten bij de huidige ontwikkelingen (e-mailvaardigheden van leerlingen, aanwezigheid ict-beleidsplan), omdat doelen zijn gerealiseerd (100% computergebruik door docenten), of omdat vragenlijsten niet zijn gestuurd vanwege ontlasting van het onderwijsveld (opvatting leraren bij ict-gebruik verbeteren leerprestaties, opvatting leraren ict stimuleert samenwerking tussen leerlingen, ict-vaardigheden leerlingen internet, computergebruik door leerlingen).
Daarentegen zijn er twee nieuwe kengetallen opgenomen die meer aansluiten bij de huidige ontwikkelingen, namelijk de mate waarin ict heeft bijgedragen aan de realisatie van onderwijskundige doelen en de leerling-internetratio.
In de begroting van 2003 is voor de studiejaren 2001–2002 en 2002–2003 een aantal streefwaarden opgesteld. Geconcludeerd kan worden dat de meeste streefwaarden (ruim) voldoende zijn gehaald.
Een uitzondering daarop lijkt het percentage leraren dat ict-basisvaardig is. Dit heeft te maken met het besluit om het percentage leraren dat in geringe mate de ict-basisvaardigheden beheerst niet mee te tellen. Indien dat wel gedaan wordt, liggen de percentages veel hoger.
Een belangrijk deel van de leraren is een gevorderd gebruiker van ict. De infrastructuur is op orde, maar er blijft behoefte aan investeringen, onder andere om aan de vervangingsvraag tegemoet te komen.
Er is ruim voldoende draagvlak voor ict bij leraren. Leraren zijn over het algemeen ict-basisvaardig en een belangrijk deel van de leraren is volgens de ict-coördinatoren voldoende in staat om ict didactisch in te zetten.
(Bron: ICT in cijfers, Ict-onderwijsmonitor schooljaar 2002–2003).
De meeste docenten in het voortgezet onderwijs kunnen omgaan met de computer. Opvallend is de stijging van het percentage leraren dat de vaardigheden beheerst om ict ook didactisch in te zetten. Ook de infrastructuur is verder verbeterd. Voor elke 9 leerlingen is inmiddels een computer beschikbaar. Voor elke 11 leerlingen is een computer met internetverbinding beschikbaar. (Bron: Ict-onderwijsmonitor 2002–2003).
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
In 2002–2003 is er in de bve-instellingen gemiddeld per zeven à acht deelnemers een computer beschikbaar. Dat vindt men toereikend, al zou men buiten de instelling betere toegang willen hebben tot internet en e-mail. De ict-basisvaardigheden van meer dan de helft van de docenten zijn op orde. De vaardigheden om ict didactisch in te zetten zijn nog onderontwikkeld, net zoals de daadwerkelijke inzet van ict in het onderwijs en bij de beroepspraktijkvorming.
Het ministerie van OCW subsidieert de digitale universiteit en het educatiefonds van stichting Surf. De digitale universiteit is een initiatief van een consortium van hogescholen en universiteiten. De digitale universiteit ontwikkelt en exploiteert elektronische leeromgevingen in het hoger onderwijs en implementeert deze innovaties.
Uit een evaluatie is gebleken dat zowel Surf als de digitale universiteit voldoende tot goed functioneren, maar dat een betere samenwerking gewenst is. Inmiddels komt deze samenwerking van de grond, onder meer door de gezamenlijke oprichting van Espelon waarlangs bijvoorbeeld e-learningproducten op de markt worden gebracht.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De scholen in het primair onderwijs hebben een structurele vergoeding per leerling ontvangen voor de integratie van ict in het onderwijs. In het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie is dit gerealiseerd via bijdragen aan de lumpsum. Daarnaast hebben de scholen in het po, vo en bve een vergoeding ontvangen voor de aansluiting op het Kennisnet-netwerk.
Surf-educatief en de digitale universiteit hebben subsidie van OCW gekregen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 kregen alle basisscholen en speciale scholen voor het basisonderwijs een structurele bijdrage van € 64,21 per leerling voor ict en € 5,96 voor Kennisnet. Voor speciaal onderwijs ontvangen scholen gedifferentieerde bedragen. De hoogte van die bedragen is afhankelijk van de soort handicap van de leerling. Bij basisonderwijs en speciaal onderwijs maakt de ict-vergoeding deel uit van de exploitatievergoeding (materiële instandhouding).
In 2003 zijn de volgende bedragen aan de scholen in het primair onderwijs vergoed:
| Tabel 10.7: ict-vergoeding inclusief prijscompensatie (x € 1 miljoen) | |
|---|---|
| Basisonderwijs en speciaal basisonderwijs | |
| ICT | 106 |
| Kennisnet | 10 |
| (Voortgezet) speciaal onderwijs | |
| ICT | 3 |
| Kennisnet | 1 |
| Totaal | 120 |
De ict-vergoeding voor het voortgezet onderwijs bedraagt € 57,86 per leerling. Hiermee is een bedrag gemoeid van circa € 52 miljoen. De exacte omvang van dit budget is niet te geven omdat de ict-vergoeding integraal is opgenomen in de reguliere bekostiging (lumpsum). Daarnaast is de koopkracht van de scholen in 2003 met € 9,4 miljoen verhoogd in verband met de bijdrage kennisnet.
Voor het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (€ 23 miljoen) is de ict-vergoeding opgenomen in de reguliere bekostiging via de lumpsum. Tevens is een aanvullende vergoeding voor de bijdrage kennisnet verstrekt van € 11 miljoen.
Aan het hoger onderwijs is een vergoeding gegeven van € 11,3 miljoen voor de digitale universiteit en € 6,8 miljoen voor het SURF educatiefonds.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief van 11 december 2003 (HBO/AS/2003/53911) over de resultaten van de evaluatie van het Surf Educatiefonds.
10.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 10.8: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 15 880 | 58 991 | 102 026 | 127 715 | 8 755 | 138 816 | – 130 061 |
| Waarvan garantieverplichtingen | – | ||||||
| Uitgaven | 15 880 | 58 537 | 102 026 | 79 269 | 101 290 | 138 816 | – 37 526 |
| Het faciliteren van scholen bij integratie van ict | 72 133 | 107 429 | – 35 296 | ||||
| Het stimuleren van samenwerking | 2 722 | 2 722 | 0 | ||||
| Beschikbaarstellen onderwijskundig materiaal | 18 600 | 18 600 | 0 | ||||
| • BVE net: € 2,042 miljoen, t.l.v. artikel 4.03 | – | – | |||||
| • Authenticatie en autorisatiedienst (Entree) | 1 860 | 1 860 | 0 | ||||
| Open Source/Open Standaarden | 210 | – | 210 | ||||
| Beschikbaarheid educatief materiaal | 1 171 | 3 500 | – 2 329 | ||||
| Gebruik ict als onderwijsmiddel | 3 648 | 2 500 | 1 148 | ||||
| Participatie bedrijfsleven | 23 | 455 | – 432 | ||||
| Ict en internationaal | 157 | 450 | – 293 | ||||
| Meten van vorderingen van ict in het onderwijs | 651 | 1 300 | – 649 | ||||
| Onderwijsinspectie: € 668 000, t.g.v. artikel 21.01 | – | – | |||||
| Overige activiteiten | 115 | – | 115 | ||||
| Ontvangsten | 58 991 | 58 991 | 47 918 | 48 220 | 45 378 | 2 842 | |
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
11.1 Algemene beleidsdoelstelling
Studiefinanciering is een zaak van drie partijen: de overheid, studenten en hun ouders. Alle drie leveren ze een onmisbare bijdrage. De overheid zet de middelen voor studiefinanciering in op een zodanige wijze, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van degene die voor studiefinanciering in aanmerking komt, wordt een tegenprestatie verwacht.
De middelen die de overheid voor studiefinanciering beschikbaar stelt, zijn zowel voor een bijdrage in de kosten die direct samenhangen met het volgen van onderwijs, als voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud.
Het beleid richt zich daarbij op de volgende doelgroepen:
• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;
• studenten in het hoger beroepsonderwijs;
• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.
Het beleid is vastgelegd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), die sinds 1 september 2000 van kracht is.
Hierin hebben studenten ruime mogelijkheden om hun studiefinanciering flexibel op te nemen. Zo kunnen studenten tot aan 30-jarige leeftijd hun studiefinanciering opnemen, en is de diplomatermijn 10 jaar.
Onderdeel van de studiefinanciering is de reisvoorziening. Met deze reisvoorziening wordt beoogd bij te dragen in de reiskosten van studenten.
Vanaf januari 2003 is een nieuw contract voor onbepaalde tijd met de vervoersbedrijven afgesloten in verband met de ov-studentenkaart.
In de WSF 2000 is exact beschreven welke bijdragen de overheid aan studerenden beschikbaar stelt en aan welke voorwaarden studerenden moeten voldoen om voor studiefinanciering in aanmerking te komen.
Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs voor iedereen, een aanvullende beurs die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen en (eventueel) een rentedragende lening. Samen is dit het maandelijkse normbudget. Dit maandbudget is opgebouwd uit componenten voor de kosten van levensonderhoud, kosten voor boeken en leermiddelen, kosten van de onderwijsbijdrage en ziektekosten. Ook een reisvoorziening vormt onderdeel van het normbudget.
De diverse normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd.
Voor 2003 staan in tabel 11.1 de belangrijkste normbedragen vermeld.
| Tabel 11.1: Normbedragen WSF 2000 per maand in euro's (per 1 januari 2003 en 1 augustus/september 2003) | ||
|---|---|---|
| 1-1-2003 | 1-8/9-2003 | |
| Wo en hbo | ||
| Basisbeurs | ||
| – thuiswonend | 71,70 | 71,70 |
| – uitwonend | 220,78 | 220,78 |
| Maximale aanvullende beurs | 226,90 | 231,00 |
| Rekenmaximum rentedragende lening | 245,04 | 245,04 |
| Maximaal normbudget | 692,72 | 696,82 |
| Bol | ||
| Basisbeurs | ||
| – thuiswonend | 54,03 | 54,03 |
| – uitwonend | 203,11 | 203,11 |
| Maximale aanvullende beurs | 306.88 | 309,46 |
| Rekenmaximum rentedragende lening | 134,02 | 134,02 |
| Maximaal normbudget | 644,01 | 646,59 |
Aantallen studiefinancieringsgerechtigden
De toegankelijkheid van het onderwijs wordt gewaarborgd door een basisbeurs voor iedereen.
De doelstelling dat het onderwijs ook voor mensen met een lager inkomen toegankelijk is, komt in het studiefinancieringsstelsel tot uiting in de verstrekking van de aanvullende beurs.
In tabel 11.2 worden de aantallen, zoals die zijn vermeld in de begroting 2003, vergeleken met de gerealiseerde aantallen over het jaar 2003.
| Tabel 11.2: Aantallen studiefinancieringsgerechtigden | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Basisbeursgerechtigden wo | 95 090 | 99 490 |
| – waarvan prestatiebeurs | 95 090 | 97 321 |
| – waarvan tempobeurs* | 0 | 2 169 |
| Basisbeursgerechtigden hbo | 206 818 | 205 405 |
| – waarvan prestatiebeurs | 206 818 | 203 774 |
| – waarvan tempobeurs* | 0 | 1 631 |
| Basisbeursgerechtigden bol | 157 930 | 164 257 |
| Totaal | 459 838 | 469 152 |
| Aanvullende beursgerechtigden | ||
| – wo | 27 311 | 24 315 |
| – hbo | 86 220 | 73 228 |
| – bol | 88 101 | 84 940 |
| Totaal | 201 632 | 182 483 |
*Tempobeursgerechtigden zijn vanaf 2003 vanwege het geringe aantal niet meer in de raming opgenomen.
Bovengenoemd aantal aanvullende beursgerechtigden kan worden uitgedrukt in een percentage van het aantal basisbeursgerechtigden. Tabel 11.3 geeft de gerealiseerde percentages weer ten opzichte van de percentages zoals in de begroting 2003 vermeld.
| Tabel 11.3: Percentage aanvullende beursgerechtigden t.o.v. de basisbeurs | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003* | Realisatie 2003 | |
| Wo | 29 | 24 |
| Hbo | 42 | 36 |
| Bol | 56 | 52 |
| Totaal | 44 | 39 |
*Dit is het in 2001 gerealiseerd percentage.
Het percentage aanvullende beursgerechtigden wordt vooral bepaald door de hoogte van het ouderlijk inkomen. Waar het totaal aantal basisbeursgerechtigden met ruim 9 000 is toegenomen is het aantal aanvullende beursgerechtigden in 2003 met ruim 19 000 gedaald in vergelijking met de raming (zie tabel 11.2). Dit is eveneens zichtbaar in tabel 11.3.
Waar de raming gebaseerd is op de realisatiecijfers 2001, kan uit de daling worden geconstateerd dat blijkbaar het ouderlijk inkomen (bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs) relatief gezien gestegen is.
| Tabel 11.4: Percentage uitwonende beursgerechtigden | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Wo | 77 | 72 |
| Hbo | 50 | 46 |
| Bol | 25 | 26 |
| Totaal | 47 | 44 |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de gerealiseerde percentages uitwonende beursgerechtigden in 2003 lager zijn dan wat in de begroting werd geraamd. De begroting is gebaseerd op de realisaties in eerdere jaren. Voor deze daling is geen duidelijke verklaring beschikbaar. Dit komt voor bij het wetenschappelijk onderwijs (wo) en hoger beroepsonderwijs (hbo). Bij de beroepsopleidende leerweg (bol) ligt dit gerealiseerde percentage iets hoger. Het percentage uitwonenden is van belang bij (de raming van) de uitgaven voor de basisbeurs, die voor uitwonenden hoger is dan voor thuiswonenden.
| Tabel 11.5: Aantal gerechtigden ov-studentenkaart | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Wo | 119 560 | 129 659 |
| Hbo | 219 890 | 233 967 |
| Bol | 157 930 | 164 257 |
| Totaal | 497 380 | 527 883 |
Het totaal aantal ov-kaartgerechtigden bestaat uit degenen die recht hebben op een basisbeurs én degenen die uitsluitend recht hebben op een rentedragende lening. Het gerealiseerde aantal ov-kaartgerechtigden in 2003 is voor een deel hoger dan de raming als gevolg van een hoger aantal basisbeursgerechtigden (zie tabel 11.2). Het grootste deel betreft het hoger aantal studenten in het hoger onderwijs dat alleen recht heeft op een rentedragende lening. In 2002 en 2003 is dit aantal fors gestegen ten opzichte van voorgaande jaren, doordat studenten vanaf dat moment één jaar minder recht op een basisbeurs hebben dan daarvoor. Ten tijde van het opstellen van de begroting (in 2001) was deze stijging in 2003 niet voldoende voorzien.
Naast een basisbeurs voor iedereen en een aanvullende beurs, die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen, kan de student zijn maandbudget verruimen door naast de studie te gaan werken of een rentedragende lening op te nemen.
Het verschil tussen het normbudget enerzijds en het totaal van de ontvangen basisbeurs en aanvullende beurs anderzijds, bepaalt het maximaal op te nemen bedrag aan rentedragende lening. Voor studenten in het hoger onderwijs die geen recht meer hebben op een basisbeurs geldt een vast bedrag dat maximaal geleend kan worden.
Met de invoering van de prestatiebeurs in 1996 is het aantal jaren dat een student recht heeft op een basisbeurs gelijkgesteld aan het aantal jaren dat zijn opleiding formeel duurt. Nadat een student zijn basisbeursrechten heeft verbruikt, heeft hij nog drie jaar recht op een rentedragende lening. De opgenomen lening kan worden uitgedrukt als percentage van het maximum te lenen bedrag.
Tabel 11.6 geeft de gerealiseerde percentages over 2003 weer ten opzichte van de percentages zoals die in de begroting 2003 staan vermeld.
Er wordt steeds meer geleend. In 2001 was dit nog totaal € 398,7 miljoen, in 2002 € 477,9 miljoen en in 2003 € 578,6 miljoen. Nader onderzoek is aanbesteed om de oorzaken van de stijging van het leenvolume in kaart te brengen. Uit de tabel valt op te maken dat dit zich voordoet bij het wo en in iets mindere mate bij het hbo. Het percentage opgenomen leningen bij de bol is ongewijzigd gebleven.
| Tabel 11.6: Percentage opgenomen reguliere rentedragende leningen | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Wo | 38 | 48 |
| Hbo | 19 | 23 |
| Bol | 7 | 7 |
| Totaal | 21 | 24 |
11.3 Operationele doelstellingen
11.3.1 Internationalisering; grenslandenbeleid hoger onderwijs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De in de begroting aangekondigde voornemens om de studiefinanciering op internationaal gebied flexibeler te maken zijn uitgesteld als gevolg van ontwikkelingen binnen de Europese Unie. Door uitspraken van het Europees Hof van Justitie en steeds verdergaande invulling van het begrip «Europees burgerschap» kan een toenemend aantal EU-onderdanen aanspraak maken op de Nederlandse voorzieningen voor studiefinanciering. Vanwege de financiële risico's, met name op het gebied van onbedoeld gebruik, is besloten deze problematiek op Europees niveau te agenderen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Als gevolg van het arrest Meeusen is de WSF 2000 in 2003 aangepast. Dit betreft vooral het schrappen van de woonplaatsvereiste.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Er zijn geen extra kosten gemaakt (met het arrest Meeusen was al rekening gehouden in de uitvoeringspraktijk).
11.3.2 WSF 2000; Amvb kwijtschelding aanvullende beurs
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Ja. Bij de behandeling van de volledig herziene WSF 2000 heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) te regelen dat niet tijdig afgestudeerde studenten al naar gelang hun draagkracht na hun studie in aanmerking komen voor volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van hun studieschuld uit hoofde van de aanvullende beurs. Effect van deze maatregel is dat studenten met een aanvullende beurs die uiteindelijk geen diploma halen ongeveer dezelfde uitgangssituatie hebben als ze de arbeidsmarkt betreden als studenten zonder aanvullende beurs die het diploma niet behalen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met kwijtschelding van de aanvullende beurs is, zoals beoogd, in werking getreden per 1 januari 2003. Zoals in de toelichting bij de amvb is vermeld wordt pas feitelijk kwijtgescholden per 1 januari 2006. De eerste aanvragen hiertoe zullen vanaf 1 november 2005 in behandeling worden genomen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 zijn hiervoor nog geen kosten gemaakt.
11.3.3 Meeneembare studiefinanciering in de bol
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De pilot meeneembare studiefinanciering in de beroepsopleidende leerweg (bol) zal onderdeel gaan uitmaken van het traject om rechten en plichten van deelnemers in het mbo te versterken, zoals inmiddels staat aangekondigd in de begroting 2004. Planning is dat de pilot tegelijk met de invoering van de prestatiebeurs in het mbo met ingang van 1 augustus 2005 in werking zal treden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Studenten in het hoger onderwijs hebben de mogelijkheid om in grenslanden een studie te volgen met behoud van studiefinanciering. Ook op dit punt worden de rechten van deelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs meer in overeenstemming gebracht met die van studenten in het hoger onderwijs.
Als concrete maatregel creëert het kabinet met een pilot de mogelijkheid om met behoud van studiefinanciering in Vlaanderen, Duitsland en Engeland mbo-opleidingen te volgen in de sectoren gezondheid en welzijn (ovdb), metaal en elektro (som), economie en administratie (ecabo). Tevens wordt de mogelijkheid geboden tot het volgen van unieke opleidingen die niet in Nederland worden gegeven, maar wel elders in de Europese economische ruimte.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In 2003 waren hier nog geen kosten mee gemoeid.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief van 31 oktober 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 17.
11.3.4 Bachelor-mastermodel voor de studiefinanciering
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De bachelor-masterstructuur is op 1 september 2002 ingevoerd in het hoger onderwijs. De invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs betekende voor de studiefinanciering twee relevante wijzigingen. Allereerst heeft de student de mogelijkheid om na het behalen van zijn bachelor in het wetenschappelijk onderwijs zijn voorlopige lening om te laten zetten in een gift. Ook kunnen resterende studiefinancieringsrechten ingezet worden voor postinitiële opleidingen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Ja, met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs op 1 september 2002 zijn deze wijzigingen geëffectueerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De verwachting is dat de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs voor de studiefinanciering beperkte effecten zal hebben, die per saldo budgettair neutraal uitwerken. In 2003 zijn geen budgettaire effecten opgetreden.
11.3.5 Koppeling van WSF 2000-bestand aan GBA
Met ingang van het studiejaar 2002/2003 is er een koppeling gelegd tussen de adresgegevens van de studerenden zoals zij deze aan de IB-Groep verstrekken en de adressen waar zij staan ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Deze koppeling geldt voor studerenden die voor het eerst op of na 1 september 2002 studiefinanciering ontvingen. Voor uitwonende studerenden is er een prikkel ingebouwd: als die studerenden niet zorgen dat beide adressen aan elkaar gelijk zijn, wordt de uitwonende beurs omgezet in een thuiswonende beurs.
Het doel van deze koppeling aan de GBA is in de eerste plaats om ervoor te zorgen dat studenten zich correct in de GBA inschrijven. Ook kan op deze manier misbruik en oneigenlijk gebruik worden voorkomen. Aan de hand van de GBA inschrijvingen van de studerende en van zijn ouders kan gecontroleerd worden of de studerende niet ten onrechte een beurs voor uitwonenden heeft ontvangen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Ja. Op 1 juli 2003 stond één procent van de groep (1 188 van 105 833 studenten) niet goed ingeschreven, waardoor voor deze groep voor een totaal bedrag van € 0,4 miljoen op de studiefinanciering is gekort. Dit is een grote verbetering ten opzichte van de eerste bestandsvergelijking in december 2002, toen zeven procent (6 283 van 89 756 studenten) niet goed ingeschreven stond.
De GBA-adressen van studenten en hun ouders zijn tevens gebruikt voor de uitwonendencontrole. De nieuwe, aangescherpte controleaanpak is in de huidige vorm door de rechter in kort geding afgewezen, omdat deze aanpak niet vooraf bekend was gemaakt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Ja. Met ingang van het studiejaar 2002/2003 zijn de adresgegevens van de studerende van de IB-Groep gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De kosten zijn onderdeel van de reguliere uitvoeringskosten van de IB-Groep.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brief van 15 april 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken 2002/2003, 24 724 nr. 62),
• Brief van 19 augustus 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken 2002/2003, 24 724 nr. 63),
• Brief van 2 oktober 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (onbekend).
11.3.6 Commissie uitgangspunten nieuw studiefinancieringsstelsel (Cuns)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In de begroting 2003 is aangekondigd dat een commissie wordt ingesteld om een studie te verrichten naar een passend stelsel voor studiefinanciering. Een stelsel dat recht doet aan verregaande differentiatie en flexibilisering binnen het hoger onderwijs en de internationale mobiliteit van studenten. De Commissie uitgangspunten nieuw studiefinancieringsstelsel heeft ontwikkelingen geïnventariseerd die de structuur van het huidige stelsel van studiefinanciering aantasten en randvoorwaarden geformuleerd voor een nieuw stelsel van studiefinanciering en op basis daarvan een brede verkenning verricht naar stelsels van studiefinanciering.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Op 13 december 2002 is de Commissie uitgangspunten nieuw studiefinancieringsstelsel ingesteld onder voorzitterschap van de heer prof. dr. W. A. Vermeend. Studentenvakbonden, politieke jongerenorganisaties, experts en ambtenaren hadden zitting in deze commissie. De commissie heeft op 30 oktober 2003 haar rapport aangeboden aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In 2004 (vóór de begrotingsbehandeling 2005) zal een uitgebreide reactie op het rapport worden gegeven.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Vooraf werd een bedrag van € 300 000,– geraamd als kosten voor de commissie. De gerealiseerde uitgaven voor de commissie bedroegen € 297 500,–.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Het «rapport Cuns» is met brief SFB/2003/52 265 van 30 oktober 2003, van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer.
• Brief SFB/2003/52804 van 4 november 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken 2003/2004, 24 724 nr. 64).
11.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 11.7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 987 490 | 1 804 254 | 2 318 845 | 2 143 623 | 175 222 | ||
| – waarvan garanties | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Uitgaven | 1 987 490 | 1 804 254 | 2 318 845 | 2 143 623 | 175 222 | ||
| Waarvan relevante uitgaven: | 1 173 700 | 920 503 | 1 326 418 | 1 325 119 | 1 299 | ||
| 11.1 Basis- en aanvullende beurs | 854 077 | 840 501 | 956 943 | 1 009 079 | – 52 136 | ||
| 11.2 Reisvoorziening | 251 212 | 29 887 | 287 439 | 238 086 | 49 353 | ||
| 11.3 Overige uitgaven | 68 411 | 50 115 | 82 036 | 77 954 | 4 082 | ||
| Waarvan niet-relevante uitgaven: | 813 790 | 883 751 | 992 427 | 818 504 | 173 923 | ||
| 11.4 Prestatiebeurs | 415 089 | 405 823 | 413 803 | 357 729 | 56 074 | ||
| 11.5 Reguliere rentedragende lening | 398 701 | 477 928 | 578 624 | 460 775 | 117 848 | ||
| Ontvangsten | 331 928 | 332 613 | 356 483 | 331 309 | 25 174 | ||
| waarvan: | |||||||
| 11.1 Relevant studiefinanciering | 254 541 | 245 571 | 251 756 | 233 729 | 18 027 | ||
| 11.2 Niet-relevante studiefinanciering | 77 387 | 87 042 | 104 727 | 97 580 | 7 147 | ||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN
12.1 Algemene beleidsdoelstelling
Schoolgaande kinderen kosten geld. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat er geen financiële drempel bestaat voor het volgen van onderwijs. De toegankelijkheid wordt erdoor gewaarborgd.
Het beleid richt zich daarbij op de volgende doelgroepen:
• Ouders van leerlingen tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (afgekort TS17-). Voor deze doelgroep is een lesgeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten beschikbaar, afhankelijk van het inkomen van de ouder(s), de leeftijd van de kinderen en de schoolsoort.
• Leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (afgekort VO18+). Alle leerlingen in deze doelgroep hebben recht op een basistoelage. Daarnaast kunnen zij, afhankelijk van het inkomen van de ouder(s), een lesgeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten ontvangen.
• Leerlingen van 18 jaar en ouder die ofwel een lerarenopleiding in het hoger onderwijs volgen ofwel (deeltijd) voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen en die geen recht (meer) hebben op WSF (afgekort TS18+). Afhankelijk van het eigen inkomen ontvangt deze doelgroep een les- of collegegeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten.
Door uitbreiding naar inkomensgroepen met een hoger belastbaar inkomen (voor 2003 is deze grens geïndexeerd tot circa € 27 000,–), invoering van de glijdende inkomensschaal en verhoging van de normvergoedingen vormt de WTOS een aanzienlijke verruiming ten opzichte van de WTS, die tot schooljaar 2000 – 2001 van kracht was. Daardoor is de toegankelijkheid meer gewaarborgd.
In de diverse hoofdstukken van de WTOS staat exact beschreven om welke tegemoetkomingen het gaat en aan welke voorwaarden voor tegemoetkoming moet worden voldaan.
De genormeerde tegemoetkomingen voor de diverse groepen van leerlingen/studenten zoals die groepen bij 12.1 zijn beschreven, worden jaarlijks geïndexeerd.
In onderstaande drie tabellen staan de normen aangegeven die voor het school/studiejaar 2002–2003 en 2003–2004 zijn gehanteerd voor de hoofdstukken III, IV en V van de WTOS.
| Tabel 12.1: Normbedragen WTOS hoofdstuk III (TS17-) in euro's | ||||
|---|---|---|---|---|
| Schooljaar | vo-onderbouw | vo-bovenbouw | bol | (v)so |
| Schooljaar 02/03* | ||||
| Schoolkosten | 517,16 | 586,93 | 866,44 | 0 |
| Onderwijsbijdrage | 885,00 | 885,00 | 885,00 | 885,00 |
| Schooljaar 03/04** | ||||
| Schoolkosten | 540,90 | 613,87 | 906,21 | 0 |
| Onderwijsbijdrage | 916,00 | 916,00 | 916,00 | 916,00 |
*het betreft de normbedragen tot een belastbaar inkomen van € 25 748,40 over het peiljaar 2000.
**het betreft de normbedragen tot een belastbaar inkomen van € 26 966,30 over het peiljaar 2001.
NB: lesgeldvergoeding wordt uitsluitend toegekend aan lesgeldplichtige studerenden.
| Tabel 12.2: Basistoelage per maand WTOS hoofdstuk IV (VO18+) in euro's | ||
|---|---|---|
| Kalenderjaar 2003 | vo | (v)so |
| Uitwonenden | 211,40 | 211,40 |
| Thuiswonenden | 90,68 | 90,68 |
| Tabel 12.3 Normbedragen WTOS hoofdstuk V (TS18+) in euro's | |||
|---|---|---|---|
| Lesminuten per week | Vavo | ho (tlo) | |
| Schooljaar 2002/2003 | |||
| Schoolkosten | 270–540 min | 162,31 | 563,04 |
| > 540 min | 240,91 | ||
| Onderwijsbijdrage | 270–540 min | 182,40 | 567,23 |
| > 540 min | 273,60 | ||
| Schooljaar 2003/2004 | |||
| Schoolkosten | 270–540 min | 169,76 | 588,84 |
| > 540 min | 251,97 | ||
| Onderwijsbijdrage | 270–540 min | 188,80 | 567,23 |
| > 540 min | 283,20 | ||
In tabel 12.4 worden de aantallen WTOS-gerechtigden voor de hoofdstukken III, IV en V vermeld, zoals die staan opgenomen in de begroting 2003 en vergeleken met de realisatie over het jaar 2003.
| Tabel 12.4: Aantallen WTOS-gerechtigden | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| TS17- | 358 222 | 367 245 |
| – waarvan vo | 289 603 | 294 109 |
| – waarvan bol | 68 619 | 73 136 |
| VO18+ | 23 753 | 27 119 |
| – waarvan (v)so | 2 034 | 1 680 |
| – waarvan vo | 21 719 | 25 439 |
| TS18+ | 5 987 | 16 999 |
| – waarvan vo | 989 | 2 737 |
| – waarvan hbo (tlo) | 4 998 | 14 262 |
| Totaal | 387 962 | 411 363 |
Ten opzichte van de begroting 2003 wijkt het gerealiseerde totaal aantal rechthebbenden 23 401 af. Behalve bij de VO18+, onderdeel voortgezet speciaal onderwijs ((v)so), zijn bij alle WTOS-regelingen de aantallen WTOS-gerechtigden in de diverse onderwijssoorten hoger dan oorspronkelijk geraamd. Dit verschil in gerechtigden wordt vooral verklaard door een hoger dan geraamd totaal aan leerlingen in de betreffende onderwijssoorten.
Vooral bij de TS18+ -gerechtigden in het hbo (studerend aan lerarenopleidingen die geen gebruik van de WSF kunnen maken; TLO) verschilt de realisatie aanzienlijk met de raming voor 2003. Er is sprake van aanzienlijk meer toekenningen dan geraamd in het studiejaar 2003–2004, terwijl het aantal toekenningen voor het studiejaar 2002–2003 ook nog fors is toegenomen. De verruiming van de regeling heeft bijgedragen aan deze toename.
12.3 Operationele doelstellingen
12.3.1 Onderzoek beheersing schoolkosten
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Toegezegd is dat in 2003 een onderzoek zou worden uitgevoerd naar de hoogte van de schoolkosten in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs.
Dit onderzoek geeft inzicht in de ontwikkeling van de schoolkosten in de periode 2001–2003.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het onderzoek naar de hoogte van de schoolkosten is in de tweede helft van 2003 aanbesteed. Eind januari 2004 zal het onderzoek worden afgerond.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Kosten voor het onderzoek bedroegen volgens verwachting € 44 000,–.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief van SFB/2003/7748 van 10 maart 2003 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer.
12.3.2 Tegemoetkoming lerarenopleidingen (tlo)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling is om de drempel voor potentiële studenten aan de lerarenopleiding te verlagen om deze opleiding te volgen. Uit een evaluatieonderzoek van de Regeling tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo is onderdeel van de TS 18+) dat in 2003 heeft plaatsgevonden, is gebleken dat de doelgroep de tegemoetkoming waardeert. Voor 29% van de studenten is de tlo van (zeer) grote invloed op de studiekeuze; 11% geeft aan dat ze hadden afgezien van de studie als ze niet in aanmerking waren gekomen voor de tegemoetkoming.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Naar aanleiding van de evaluatie is besloten om de beleidsregel die het partnerinkomen buiten beschouwing laat vanaf schooljaar 2004–2005 met vier jaar te verlengen. Verder blijft de tegemoetkoming lerarenopleiding gelijk.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het toenemende gebruik van de regeling en daarmee de extra uitgaven passen in de beleidsdoelstelling.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief van SFB/2003/56 817 van 19 december 2003 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer.
12.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 12.5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 331 329 | 347 751 | 363 174 | 361 777 | 1 397 | ||
| – waarvan garanties | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Uitgaven | 331 329 | 347 751 | 363 174 | 361 777 | 1 397 | ||
| – TS 17- | 276 593 | 289 263 | 294 558 | 307 869 | – 13 311 | ||
| – VO 18+ | 48 783 | 48 425 | 50 133 | 48 446 | 1 687 | ||
| – TS 18+ | 5 275 | 9 059 | 17 530 | 4 837 | 12 693 | ||
| Niet relevante uitgaven | 678 | 1 004 | 953 | 625 | 328 | ||
| Ontvangsten | 14 792 | 13 025 | 10 436 | 13 835 | – 3 399 | ||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
13.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het volgen van kwalitatief goed onderwijs kost geld. Omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers draagt de overheid een deel van deze kosten. Het individu heeft ook profijt van scholing. Daarom vraagt de overheid aan leerlingen die niet meer volledig leerplichtig zijn een bijdrage in de kosten in de vorm van lesgeld. Tot de doelgroep behoren de ouders/leerlingen van 16 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg.
In de Les- en cursusgeldwet (LCW) is bepaald vanaf welke leeftijd leerlingen in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg lesgeldplichtig zijn.
Daarnaast is in de LCW vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het les- en cursusgeld wordt vastgesteld.
Lesgeldplichtigen zijn (de wettelijke vertegenwoordigers van) leerlingen van 16 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg.
Vanaf het schooljaar 2000–2001 wordt voor de bepaling van de hoogte van het lesgeld aangesloten bij de algemene prijsontwikkeling.
| Tabel 13.1: Lesgeldbedrag in euro's | ||
|---|---|---|
| 2002/2003 | 2003/2004 | |
| Lesgeld | 885,00 | 916,00 |
Het vermelde lesgeld in de ontwerpbegroting 2003 voor het schooljaar 2003/2004 was € 903,00. Dit betrof een raming. Voor het schooljaar 2003/2004 is het lesgeldbedrag in het najaar van 2002 (op basis van de algemene prijsontwikkeling in de periode 2001–2002) vastgesteld op € 916,00.
In tabel 13.2 worden de aantallen lesgeldplichtigen vermeld zoals die staan opgenomen in de begroting 2003 vergeleken met de realisatie over het jaar 2003.
| Tabel 13.2: Aantallen lesgeldplichtigen | |||
|---|---|---|---|
| Begroting | Realisatie | Verschil | |
| – waarvan bol | 261 500 | 280 129 | 18 629 |
| – waarvan vo (incl. (v)so)) | 182 158 | 186 948 | 4 790 |
| Totaal | 443 658 | 467 077 | 23 419 |
De stijging van het aantal lesgeldplichtigen is toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen.
13.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 13.3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Ontvangsten lesgeld | 370 931 | 388 764 | 409 373 | 401 607 | 7 766 | ||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
14.1 Algemene beleidsdoelstelling
De tweeledige doelstelling van het beleid is het waarborgen van een hoogwaardig en divers aanbod van cultuuruitingen en het bevorderen van de publieke belangstelling daarvoor. De ministeriële verantwoordelijkheid betreft primair het scheppen van voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven.
De verdeling van de grootste geldstroom voor het beleidsterrein cultuur vindt iedere vier jaar plaats. Het betreft hier de meerjarige instellingensubsidies in het kader van de cultuurnota. Hierbij is een belangrijke rol voor de Raad voor Cultuur weggelegd. Over het te voeren beleid wordt advies gevraagd aan de Raad voor Cultuur. De raad voor Cultuur brengt op basis van sectoranalyses eerst in het jaar voorafgaande aan de cultuurnota een vooradvies uit. De beleidsvoornemens worden in het jaar voorafgaand aan de cultuurnota opgenomen in een uitgangspuntenbrief die aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. In de zomer van 2003 en in het najaar van 2003 zijn twee brieven aan de Tweede Kamer gestuurd namelijk de «Uitgangspuntenbrief cultuur» en de beleidsbrief «Meer dan de som».
De uitgangspuntenbrief van 1 juli 2003 markeerde het begin van de cultuurnotaprocedure. Daarin is vastgelegd wat instellingen moeten weten om een aanvraag voor vierjarige rijksfinanciering te kunnen doen: procedure, criteria en verantwoordingsregels. Uitgangspunten daarbij zijn: meer eigen verantwoordelijkheid van de instellingen, minder regelzucht en bureaucratie, een zorgvuldige procedure met transparante criteria en een goede samenwerking met de andere overheden.
De beleidsbrief «Meer dan de som» van 3 november 2003, schetst de contouren van het cultuurbeleid in de breedte, voor de komende periode. Het cultureel zelfbewustzijn is het uitgangspunt voor de beleidsbrief «Meer dan de som». Dit laat zich vertalen tot drie prioriteiten voor de komende periode:
1. minder bureaucratie en meer eigen verantwoordelijkheid;
2. meer samenhang en wisselwerking in het culturele leven;
3. Versterking van de culturele factor in de samenleving.
De Raad voor Cultuur geeft een kwaliteitsoordeel over de instellingen die een aanvraag indienen om voor subsidie middels de cultuurnota in aanmerking te komen. Bij zijn integrale advisering in het kader van de cultuurnota houdt de Raad voor Cultuur rekening met de financiële kaders van het ministerie van OCenW en de inhoudelijke richtlijnen, die door de bewindspersoon zijn opgesteld in de uitgangspuntenbrief. Op basis van de kwaliteitsafweging van de Raad voor Cultuur wordt een integrale afweging van subsidieaanvragen gemaakt. Het resultaat wordt samengevat en toegelicht in de cultuurnota.
De wetgever heeft bepaald dat de cultuurnota niet alleen beleidsvoornemens voor de volgende periode van vier jaar bevat, maar ook een verslag van de uitvoering in de voorafgaande periode en van belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest (art. 3, tweede lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid). Er is sprake van voortdurende interactie tussen evaluatie en ontwikkeling van cultuurbeleid.
In het kader van de cultuurnota 2001–2004 worden 455 instellingen gesubsidieerd. De te subsidiëren voormalige Rijksmusea maken ook onderdeel uit van de vierjaarlijkse cyclus. Onderdeel van de cultuurnota 2001–2004 is het actieplan cultuurbereik. De culturele instellingen die op grond van de cultuurnota worden gesubsidieerd leggen jaarlijks een tussentijdse verantwoording af aan OCenW middels jaarverslagen en jaarrekeningen. Aan het eind van de cultuurnotaperiode wordt verantwoording afgelegd over de gehele periode.
In 2003 zijn de voorbereiding begonnen van de cultuurnota 2005–2008. In juli 2003 is als startpunt voor de nieuwe cultuurnotaperiode de Uitgangspuntenbrief gepubliceerd. De brief beschrijft de aanvraagprocedure voor de komende cultuurnota. Nieuwe elementen zijn de vermindering van de administratieve lasten voor de instellingen en het uitgangspunt dat niet de staatssecretaris voorschrijft hoe de instellingen hun plannen moeten inrichten, maar de instellingen zelf aangeven wat hun plannen zijn. De subsidieaanvragen voor de cultuurnota 2005–2008 zijn in 2003 ingediend. Op 18 december 2003 zijn de subsidieaanvragen en een adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur verzonden. Uiterlijk in juni 2004 zal de Raad voor Cultuur een definitief advies uitbrengen over de te subsidiëren instellingen in de cultuurnota 2005–2008, waarna de cultuurnota 2005–2008 op 21 september 2004 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.
14.2.1 Continuïteit (financiële positie)
Informatie uit de jaarrekeningen van de instellingen die middels de cultuurnota subsidie ontvangen wordt jaarlijks geanalyseerd. De resultaten van deze evaluatie worden gebundeld in een interne evaluatie. Eind 2003 is de evaluatie van de jaarrekeningen van het tweede jaar (2002) van de cultuurnota 2001–2004 afgerond. In 2003 was het voor de kunsteninstellingen voor het eerst mogelijk jaarrekeninggegevens digitaal aan te leveren.
Ten aanzien van de financiële positie van de instellingen wordt onder andere gemonitord op de solvabiliteit en de liquiditeit. De beoordeling vindt echter niet per aspect plaats, maar per instelling. Daarbij worden naast de items solvabiliteit en liquiditeit (vele) andere items in de beschouwing betrokken.
Er wordt gekeken of bij de instellingen voldoende buffer is om mogelijke tegenslagen op te vangen. Daarnaast wordt gekeken of voldoende liquiditeiten aanwezig zijn om betalingen te kunnen voldoen dan wel te veel liquiditeiten aanwezig zijn.
Op het terrein van de vermindering van de administratieve lasten (deregulering) zijn het afgelopen jaar goede vorderingen gemaakt. Met ingang van 2002 zijn enkele administratieve verplichtingen vereenvoudigd (modellen uit het handboek verantwoording cultuurnotasubsidies, en minder beleidsinformatie). Bij het vaststellen van de inrichtingseisen (in de uitgangspuntenbrief d.d. 1 juli 2003) voor de nieuwe cultuurnota 2005–2008 zijn eveneens de lasten verminderd. Daarnaast heeft de mogelijkheid voor instellingen in 2002 om financiële gegevens digitaal aan te leveren met name voor OCW vereenvoudigend gewerkt.
14.3 Operationele doelstellingen
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De staatssecretaris voor cultuur stelt zich ten doel cultuurinstellingen in staat te stellen een verscheiden en kwalitatief hoogwaardig aanbod, met een goede geografische spreiding in het hele land en een breed publieksbereik, tot stand te brengen.
Daartoe worden gedurende de cultuurnotaperiode 2001–2004 subsidies verstrekt aan instellingen in de sectoren archieven, bibliotheken, erfgoed, letteren, amateurkunst, podiumkunsten, bouwkunst, beeldende kunst en vormgeving, film en cultuureducatie. In de subsidiebeschikkingen zijn eisen opgenomen over de voor de subsidie te leveren prestaties. In 2003 onderhield het ministerie van OCW in het kader van de cultuurnota subsidierelaties met in totaal 455 instellingen.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de prestaties in een aantal belangrijke sectoren. De cijfers zijn gebaseerd op gegevens uit de rapportages over het jaar 2002.
| Tabel 14.1: Uitvoeringen en bezoeken podiumkunsten 1998–2002 | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| NEDERLAND | BUITENLAND | |||||||||
| Aantal uitvoeringen | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 |
| Ensembles | 645 | 857 | 761 | 1 098 | 1 179 | 216 | 159 | 213 | 381 | 386 |
| Orkesten | 1 375 | 1 385 | 1 299 | 769 | 662 | 67 | 60 | 94 | 57 | 78 |
| Ballet en dans | 1 395 | 1 464 | 1 645 | 1 507 | 1 702 | 234 | 221 | 241 | 330 | 196 |
| Muziektheater | 299 | 328 | 215 | 479 | 492 | 12 | 8 | 0 | 13 | 16 |
| Theater | 4 514 | 4 471 | 4 473 | 7 175 | 6 907 | 391 | 408 | 378 | 655 | 765 |
| Jeugdtheater | 1 710 | 1 688 | 2 067 | 2 069 | 2 191 | 177 | 157 | 172 | 362 | 357 |
| Totaal | 9 938 | 10 193 | 10 460 | 13 097 | 13 133 | 1 097 | 1 013 | 1 098 | 1 798 | 1 798 |
| Tabel 14.1: Uitvoeringen en bezoeken podiumkunsten 1998–2002 | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| NEDERLAND | BUITENLAND | |||||||||
| Aantal bezoeken | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 |
| Ensembles | 316 | 320 | 298 | 385 | 412 | 148 | 116 | 152 | 195 | 216 |
| Orkesten | 1 283 | 1 181 | 1 221 | 749 | 674 | 98 | 101 | 165 | 95 | 134 |
| Ballet en dans | 428 | 407 | 434 | 462 | 488 | 145 | 129 | 150 | 147 | 117 |
| Muziektheater | 250 | 258 | 265 | 233 | 291 | 8 | 6 | 0 | 4 | 10 |
| Theater | 712 | 799 | 881 | 1 089 | 970 | 70 | 75 | 86 | 119 | 172 |
| Jeugdtheater | 157 | 171 | 196 | 224 | 253 | 26 | 21 | 19 | 97 | 66 |
| Totaal | 3 146 | 3 137 | 3 295 | 3 142 | 3 088 | 495 | 447 | 572 | 657 | 715 |
1998–2002: jaarverslagen instellingen
De cijfers over 2001 en 2002 zijn in de tabel opgenomen exclusief specifieke uitvoeringen (waaronder activiteiten op scholen), festivals en begeleidingsuitvoeringen. Deze stelselwijziging zorgt voor een zuiverder beeld. Zonder deze stelselwijziging zou het aantal uitvoeringen en bezoeken van orkesten over de periode 1998 tot en met 2002 stabiel zijn gebleven.
Onder muziektheater zijn ook de drie grote operagezelschappen opgenomen, te weten: De Nederlandse Opera, Opera Zuid en de Nationale Reisopera.
Het aantal voorstellingen en het publieksbereik bij de tien gesubsidieerde symfonische orkesten zijn min of meer stabiel gebleven (in tabel 14.1 is dit niet zichtbaar, zie de toelichting bij deze tabel). Dat is opmerkelijk, omdat in een aantal westerse landen duidelijk sprake is van een terugloop in de publieksbelangstelling voor klassieke concerten. Het werven van nieuw publiek, bijvoorbeeld via educatie, is niettemin belangrijk voor de orkesten. Uit de in december 2003 ingediende beleidsplannen van de orkesten blijkt dat de sector hier ook aandacht voor heeft.
Hoewel het aantal uitvoeringen van opera en muziektheater in 2002 licht is afgenomen is er meer publiek bereikt. De overgrote meerderheid van de kleinschalige muziekensembles is in 2002 in staat gebleken de gestelde doelen te behalen. Instellingen in deze categorie blijken zeer goed in staat met een relatief beperkte ondersteuning vanuit de cultuurnota een aanzienlijk bedrag aan publieksinkomsten te genereren. De vergroting van het publieksbereik in zowel binnen- als buitenland, gekoppeld aan een laagblijvend gemiddeld subsidiebedrag per bezoeker, duidt op een vitale en ondernemende sector.
In het gesubsidieerde theater deden zich in 2002 geen grote schommelingen voor in het aantal voorstellingen en het publieksbereik. In het bestel vonden in 2003 geen grote veranderingen plaats. Er zijn twee kleine gezelschappen gestopt met hun activiteiten. Binnen de grote gezelschappen kondigde een aantal artistiek leiders hun vertrek aan. Nog niet ieder gezelschap heeft daarvoor reeds een opvolger gevonden. Het Nederlandse jeugdtheater is de afgelopen jaren gegroeid in professionaliteit. Per traditie heeft het jeugdtheater een stevige band met het onderwijs. De positieve ontwikkeling van deze sector vertaalt zich in de groei van het publieksbereik.
De groei in aantal voorstellingen en publiek van het gesubsidieerde dansaanbod in Nederland werd voortgezet. In het derde jaar van de cultuurnota 2001–2004 vonden geen grote wijzigingen in het dansbestel plaats. Wel was er een wisseling van artistiek leider bij zowel Het Nationale Ballet als het Nederlands Dans Theater.
De belangrijkste instrumenten voor de uitvoering van het amateurkunstbeleid zijn de landelijke instituten, die ieder een bepaalde sector bestrijken. Hun doel is de kwaliteit van de beoefening van de amateurkunst te verhogen. De behoeften van de beoefenaars, die als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen steeds veranderen, zijn daarbij in hoge mate richtinggevend. De instituten spelen daar voortdurend op in. Zo is in 2003 in nauwe samenwerking tussen het ministerie, het sectorinstituut voor het amateurtheater en het VSB-fonds een regeling tot stand gekomen die voorziet in (tijdelijke) steun aan jeugdtheaterscholen.
Een ander belangrijk instrument is het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten. Dit fonds deed verder ervaring op met de behandeling van aanvragen op het snijvlak van amateurkunst en professionele kunst, waarvoor eind 2001 een speciale commissie werd ingesteld. In 2003 is deze werkwijze geëvalueerd, waarbij de conclusie luidde dat zij in een grote behoefte voorziet.
Behalve het filmstimuleringsbeleid dat gevoerd wordt in samenwerking met de ministeries van Economische Zaken en Financiën (waarover meer in paragraaf 14.3.5), voert OCW een filmbeleid door middel van subsidiëring van een twintigtal instellingen met verschillende functies. Deze subsidiëring geschiedt via de cultuurnota en is vastgelegd voor vier jaar (2001–2004). Het Nederlands Fonds voor de Film is de grootste instelling die uit het filmbudget (± € 22 miljoen.) gesubsidieerd wordt. Deze instelling is primair gericht op de productie van verschillende filmgenres (speelfilms, experimentele films, documentaires, etcetera). Verder worden onder andere het Filmmuseum gesubsidieerd, enkele opleidingsinstituten, een drietal filmdistributeurs, een vijftal filmfestivals, een instituut voor filmeducatie en een tweetal filmbladen. Het doel van het filmbeleid is een divers filmaanbod te realiseren en hiermee een breed en zo groot mogelijk publiek te bereiken.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De vierjarige subsidies zijn conform de cultuurnota 2001–2004 ter beschikking gesteld aan cultuurinstellingen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De onderstaande tabel geeft inzicht in de uitgaven in het kader van de cultuurnota in 2003.
| Tabel 14.2: Uitgaven cultuurnota 2003 (x € 1000) | |||
|---|---|---|---|
| Regulier | Waarvan actieplan | Doelgroepen-beleid | |
| 14.1 Kunsten | |||
| Podiumkunsten | 179 400 | 2 800 | 2 200 |
| Film | 11 000 | 700 | 100 |
| Beeldende kunst/bouwkunst/vormgeving | 25 500 | 5 900 | 200 |
| Amateurkunst en kunsteducatie | 11 500 | 6 000 | 100 |
| Kunsten algemeen (incl. geldstroom bkv) | 43 100 | 41 800 | – |
| 14.2 Letteren en bibliotheken | |||
| Bibliotheken | 6 800 | 700 | 0 |
| Letteren | 7 400 | 200 | 100 |
| Internationaal | 50 | 0 | 0 |
| 14.3 Fondsen | |||
| Kunsten | 61 800 | 200 | 0 |
| Letteren | 7 600 | 0 | 0 |
| Cultureel erfgoed | 7 900 | 0 | 0 |
| 14.4 Cultureel erfgoed | |||
| Musea | 90 600 | 5 900 | 465 |
| Monumentenzorg | 405 | 90 | |
| Archeologie | 452 | 269 | 37 |
| Archieven | 3 201 | 339 | |
| 14.5 Overig | 1 000 | 0 | 0 |
| Totaal | 457 708 | 64 898 | 3 202 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief over eindrapport Deloitte & Touche «De BKV tegen het licht» d.d. 02-10-2003 (2003/45996); Rapport «Evaluatie van de stimuleringsmaatregelen voor de Nederlandse film 1999–2003» door Berenschot d.d. 17-09-2003.
14.3.1.2 Actieplan cultuurbereik
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met het Actieplan cultuurbereik 2001–2004 leveren drie overheidslagen – rijk, provincies en gemeenten – een gezamenlijke inspanning om het bereik van cultuur te vergroten. De staatssecretaris van OCW, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) formuleerden samen de kaders voor het actieplan. Deelnemers zijn de 30 grootste steden van Nederland en de 12 provincies. De drie overheden benoemden vijf doelstellingen:
• versterking van de programmering;
• ruim baan maken voor culturele diversiteit;
• investeren in jeugd;
• beter zichtbaar maken van cultureel vermogen;
• culturele planologie op de agenda zetten.
Ook twee reeds bestaande geldstromen zijn in het actieplan opgenomen, te weten het project «cultuur en school» (waarop nader wordt ingegaan in paragraaf 14.3.2) en de geldstroom beeldende kunst en vormgeving (bkv).
Het Actieplan cultuurbereik 2001–2004 is naar het zich laat aanzien – het plan heeft nog een jaar voor de boeg – succesvol geweest. Alle gemeenten en provincies die in aanmerking kwamen om deel te nemen, hebben de uitnodiging aanvaard en hebben extra middelen vrijgemaakt voor dit doel. Culturele instellingen, kunstenaars, scholen, welzijnsinstellingen en individuele burgers hebben plannen ontwikkeld en uitgevoerd.
In 2003 verscheen het rapport van de visitatiecommissie cultuurbereik: Van jonge mensen en de dingen die gaan komen. Ook verschenen de eerste twee monitors (1999–2001 en 2002) van de Erasmus Universiteit Rotterdam, die verantwoordelijk is voor het landelijk onderzoek naar het Actieplan cultuurbereik. Een aantal gemeenten en provincies heeft met behulp van de Richtlijn cultuurparticipatie onderzoek (RCO) al gegevens over publieksbereik geleverd.
De aanbeveling van de visitatiecommissie was het actieplan nog eens vier jaar voort te zetten, omdat het proces dat het actieplan in gang heeft gezet tijd vraagt. Zowel het visitatierapport als de monitors geven aanbevelingen voor de wijze waarop het actieplan zou kunnen worden voortgezet. De belangrijkste aanbevelingen zijn:
• integrale aanpak is nodig (er moeten allianties ontstaan tussen verschillende beleidsterreinen);
• gemeenten en provincies moeten afhankelijk van lokale of regionale situatie keuzes maken;
• het aantal doelstellingen moet worden beperkt;
• meer investeren in cultuureducatie is wenselijk;
• bereikbaarheid van cultuur voor kleine gemeenten moet beter;
• procedures kunnen eenvoudiger, zowel bij het rijk als bij gemeenten en provincies.
Erasmus Universiteit Rotterdam
• versterking en verdieping relaties tussen rijk en andere overheden op basis van vertrouwen en professionaliteit;
• meer ruimte voor gemeenten en provincies die zich het actieplan meer «eigen» moeten kunnen maken (zelf richting geven);
• meetbare doelstellingen formuleren op basis van een sterkte/zwakte analyse;
• hiertoe prestatie-indicatoren en parameters ontwikkelen;
• minder en eenvoudiger procedures.
Op basis van genoemde evaluatiedocumenten zijn de staatssecretaris van OCW, het IPO en de VNG op 17 december 2003 overeengekomen het Actieplan cultuurbereik met vier jaar te verlengen. Voortzetting van het actieplan past ook binnen het huidige kabinetsbeleid waarin veel aandacht is voor de regio.
Geldstroom beeldende kunst en vormgeving (bkv)
In 2003 is de effectiviteit van de geldstroom beeldende kunst en vormgeving geëvalueerd. Mede op basis van het preadvies van de Raad voor Cultuur van 2003 hebben de staatssecretaris van OCW, het IPO en de VNG, vanuit de drie bij het bkv-beleid betrokken overheidslagen, knelpunten in de sector beeldende kunst en vormgeving in kaart gebracht. Deze analyse heeft geleid tot het formuleren van ambities en randvoorwaarden voor de inzet van de geldstroom voor de periode 2005–2008. In 2003 zijn uitgangspunten voor een nieuwe verdeelsystematiek geformuleerd, gericht op de provincies en steden met een kansrijke infrastructuur.
In de sector bouwkunst zijn in de cultuurnotaperiode 2001–2004 tien grote projecten geëntameerd en intensief begeleid: het nieuwe Rijksmuseum, de nieuwbouw RDMZ en ROB, de Deltametropool, Zuiderzeelijn, reconstructie A12, reconstructie zandgebieden, nieuwe Hollandse waterlinie, openbare ruimte in revisie, particulier opdrachtgeverschap en bedrijventerreinen. Een voortgangsrapportage wordt begin 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd. Inmiddels is de evaluatie van de grote projecten gestart. Daarnaast zijn de eerste lijnen uitgezet voor de ontwikkeling van de culturele planologie, die hun beslag zullen krijgen in het architectuurbeleid 2005–2008.
Doelstelling van «beter zichtbaar maken van cultureel vermogen» is een beter zichtbare collectie cultureel erfgoed Nederland (ook digitaal). Van de rijksgesubsidieerde musea, beheerders van het publieke culturele vermogen, wordt verwacht dat zij een optimale toegankelijkheid van de collectie cultureel erfgoed Nederland realiseren.
Ten aanzien van het tonen en verwerven van museumcollecties vervullen de rijksgesubsidieerde musea een sleutelrol in de uitvoering.
Daarbij krijgt de vraagkant bijzondere aandacht, onder andere door presentaties op verrassende locaties en door het gevoerde tentoonstellingsbeleid.
Deze doelstelling is geoperationaliseerd in de beleidsbrief «Vermogen om te laten zien».
De beleidsdoelen van «culturele planologie» richten zich op een actuele ontwikkeling van waardevolle cultuurhistorische elementen in Nederland, en op een brede betrokkenheid van het publiek bij belangrijke ontwerpopgaven. Daarnaast richten de beleidsdoelen zich op een goede inhoudelijke samenwerking tussen alle disciplines die van invloed zijn op de leefomgeving, zoals planologie, landschapsarchitectuur, natuurbehoud, weg- en waterbouw, stedenbouw (waar onder welstandstoezicht), architectuur, monumentenzorg, en archeologie.
Het thema culturele planologie is verankerd in de nota «Belvedère» en de nota «Ontwerpen aan Nederland», en daarmee verbonden aan het beleid ten aanzien van het cultureel erfgoed en het architectuurbeleid.
De oorspronkelijke doelstellingen verwoord in de Nota Belvedère (zomer '99) bieden voor 2003 en komende jaren nog een bruikbaar kader voor het uitvoeringsprogramma. De spil daarin is het in Utrecht gevestigde projectbureau Belvedère.
Het projectbureau vervult de landelijke aanjaagrol voor het verspreiden van het Belvedèrebeleid. Die rol laat zich vertalen in een reeks van acties om het gedachtegoed te hechten aan het gewone werkprogramma van de betrokken ministeries (LNV, VROM, OCW en VenW). Daarnaast werd en wordt er aanjaagwerk verricht op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het meest in het oog springend onderdeel van de uitvoering van de Nota Belvedère is de «regeling projectsubsidies Belvedère» die wordt uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
• het actieplan is een gezamenlijk beleidsprogramma van gemeenten, provincies en het rijk. Het ministerie heeft met 30 gemeenten en de 12 provincies overeenkomsten over vierjaarlijkse programma's cultuurbereik afgesloten. De subsidies die in deze overeenkomsten zijn opgenomen zijn uitgekeerd;
• de geldstroom beeldende kunst en vormgeving is uitgekeerd aan 12 provincies en 30 gemeenten;
• de evaluatierapporten zijn opgeleverd;
• naar aanleiding van de bevindingen zijn de doelstellingen en de uitwerking voor een volgende periode aangescherpt;
• voorbeeld van een Belvedère project is het aangewezen project «De nieuwe Hollandse waterlinie»(NHWL). De opgave om de waterlinie weer tot een herkenbare ruimtelijke eenheid te maken en de houdbaarheid te bevorderen door er nieuwe ruimtelijke en maatschappelijke functies aan de linie toe te kennen, lijkt te gaan lukken. In 2003 werden er extra middelen voor het NHWL-project ter beschikking gesteld, evenals voor het Limes-project (de noordgrens van het Romeinse Rijk in Nederland).
Meest opvallende resultaten van «beter zichtbaar maken van cultureel vermogen» waren:
• de realisatie van de geheel nieuwe «i-zaal» in het Teylers Museum (digitale poort van de collectie voor scholieren en overige bezoekers);
• de goede resultaten en leereffecten van het project «collecties in de klas». In een project te Rotterdam werden in 2003 40 scholen bereikt met ieder 2 klassen van circa 35 leerlingen (het aantal scholen dat participeert in 2004 wordt naar verwachting 60).
Ook werden voor de Collectie Nederland met steun van OCW enkele belangrijke aankopen gerealiseerd:
• de aankoop van de schilderijen van Jordaens (drie portretten) door het Rijksmuseum Amsterdam;
• de aankoop van de twee portretten van Rubens door het Mauritshuis;
• de aankoop van een unieke zilveren beker uit de collectie Guttmann door het Rijksmuseum.
Daarnaast werd aan de gemaakte afspraken in het kader van «het cultureel vermogen beter zichtbaar maken» verder uitwerking gegeven. Het betrof hier voornamelijk de volgende activiteiten:
• het verder uitvoering geven aan de Wet behoud cultuurbezit (WBC). In 2004 wordt getracht het schilderij van De Witte in het bezit van de Oude Kerk te Amsterdam te verwerven;
• de beleidsvisie met betrekking tot de historische interieurs;
• onderzoek/advies/collectiemakelaardij door het Instituut Collectie Nederland, vooral naar de Verkade-collectie;
• vergroting van de mobiliteit en de digitale ontsluiting van de rijkscollectie;
• de voorbereidingen voor het nieuwe museum voor grafische vormgeving De Beyerd te Breda;
• tenslotte de uitvoering en verbetering van de subsidieregelingen door de Mondriaan Stichting.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op de begroting van cultuur is in 2003 een bedrag van € 41,8 miljoen opgenomen, inclusief de bijdragen aan gemeenten en provincies. Hiervan werd voor het actieplan cultuurbereik € 32,3 miljoen aan provincies en gemeenten beschikbaar gesteld. De overige middelen zijn aan instellingen beschikbaar gesteld (zie tabel 14.2).
Met het dossier «beter zichtbaar maken van cultureel vermogen» is in de periode 2001–2004 jaarlijks een bedrag van circa € 8,5 miljoen gemoeid (waaronder jaarlijks € 4 miljoen voor fondsvorming WBC, € 0,7 miljoen voor het Instituut Collectie Nederland en € 2,5 miljoen voor de Mondriaan Stichting).
Het totale jaarlijkse budget Belvedère van € 8,2 miljoen wordt voor een groot deel direct beschikbaar gesteld in de vorm van projectsubsidies conform de subsidieregeling Belvedère. De regeling wordt sinds 2002 uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur. Een klein deel van het budget wordt vervolgens aangewend voor het uitvoeren van het werkprogramma van het projectbureau Belvedère.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief over onderzoek naar het Actieplan cultuurbereik d.d. 20-11-2003 (2003/56 381); brief over onderzoek visitatiecommissie Actieplan cultuurbereik d.d. 06-05-2003 (2003/18202).
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De fondsen hebben de opdracht een hoogwaardig en divers nieuw aanbod te laten ontwikkelen, het ondernemerschap van kunstenaars te stimuleren en het publieksbereik te bevorderen. Het totaal aantal aanvragen bij de fondsen bedroeg in 2002 8018. Dat is een fractie minder dan het voorgaande jaar. Het aantal toezeggingen is wel gestegen: 4265 in 2002 tegenover 3982 in het jaar daarvoor. De toewijzingspercentages ten opzichte van het aantal aanvragen verschilt per fonds. De toewijzingspercentages bij het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten, het Fonds voor de Scheppende Toonkunst en het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing liggen met percentage tussen de 29 en 37% beduidend laag. De Mondriaan Stichting en het Fonds voor de Letteren kennen beide beduidend hogere toekenningspercentages: resp. 73 en 72%.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De fondsen zijn conform de cultuurnota 2001–2004 gesubsidieerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op de begroting van cultuur is een bedrag van € 76 miljoen voor de fondsen opgenomen.
| Tabel 14.3 : Fondsen (x € 1 000) | |
|---|---|
| 2003 | |
| Stimuleringsfonds voor architectuur | 1 700 |
| Het Nederlands fonds voor de film (incl. intendant) | 11 400 |
| Fonds voor amateurkunst en podiumkunsten | 14 000 |
| Fonds voor de scheppende toonkunst | 1 700 |
| Fonds BKVB | 22000 |
| Fonds voor de podiumprogrammering en marketing | 6 200 |
| Fonds voor de letteren | 5 800 |
| NLPVF | 2 100 |
| Mondriaanstichting | 12 700 |
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
In 2003 is het programma «cultuur en school» voortgezet. Het doel van het programma «cultuur en school» was in 2003 om structurele relaties tot stand te brengen tussen de werelden van onderwijs en cultuur en cultuureducatieve activiteiten te laten verankeren in de praktijk van scholen en culturele instellingen.
Een belangrijke doelstelling was het stimuleringsbeleid van projectmatige initiatieven met een landelijke voorbeeldwerking. Cultuur en school heeft in 2003 verscheidene initiatieven gesubsidieerd die bijgedragen hebben aan de doelstelling van allianties tussen het culturele veld en het onderwijs. Voorbeelden van deze projecten zijn het initiatief «kunstenaars in de klas», waarbij 60 kunstenaars gecertificeerd zijn om lessen te verzorgen in het basisonderwijs. Een tweede voorbeeld zijn de inspanningen op het gebied van cultureel erfgoed. Het bureau Erfgoed Actueel is verder gegaan met het ontwikkelen van de «content» voor erfgoededucatie.
Een andere belangrijke doelstelling was het bevorderen van culturele diversiteit.
Succesvolle projecten zijn uitgevoerd door bijvoorbeeld theatergroep Drang. Deze projecten waren gericht op het ontdekken van jong (allochtoon) talent. Een ander voorbeeld is het project Cultuurschool (een samenwerkingsverband tussen het Volksbuurtmuseum en het Johan de Witt college in de Haagse schilderswijk), waarbij onderwijsleerstof wordt aangeboden die uitgaat van de cultureel diverse ervaringswereld van de leerlingen. Toch blijft culturele diversiteit een onderwerp dat continue aandacht vereist.
Een belangrijk instrument van «cultuur en school» zijn de cultuurvouchers (of: CKV-bonnen). De stichting CJP voert de daarmee samenhangende regeling sinds 1999 uit. Bij de introductie van de cultuurvouchers werden deze alleen verstrekt aan leerlingen in het havo of vwo.
In 2000 is deze regeling uitgebreid met het vmbo en in 2001 met de basisvorming. In 2003 is de regeling uitgebreid met vouchers voor het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en de opleidingen voor docent basisonderwijs. CJP registreert de bestedingscijfers en rapporteert ieder kwartaal aan OCW. De bestedingscijfers over het schooljaar 2001–2002 laten onder meer het volgende beeld zien:
| Tabel 14.4: Vouchers 2001–2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| vmbo | havo | vwo | totaal | |
| Aantal leerlingen dat vouchers ontvangt | 105 162 | 47 932 | 34 739 | 187 833 |
| Aantal leerlingen dat vouchers gebruikt | 84 376 | 37 826 | 27 840 | 150 042 |
| Percentage gebruik bonnen | 80,2 | 78,9 | 80,1 | 79,9 |
Bron: rapportage van het CJP
Hoewel bijna 80% van de leerlingen die vouchers ontvangen deze ook daadwerkelijk gebruiken, wordt niet de volledige waarde van de vouchers besteed. Het percentage van de uitgezette voucherwaarde dat daadwerkelijk wordt besteed, stijgt wel en bevond zich voor de periode 2001–2002 rond de 62%. Om de bonbesteding te verhogen wordt extra geïnvesteerd in een leerlingencampagne van CJP. Hierover is in 2003 een resultaatafspraak gemaakt met CJP: 70% besteding van het uitgezette voucherbedrag in 2004.
Om de verankering van cultuureducatieve activiteiten te bereiken in de praktijk van scholen en culturele instellingen is het programma van «cultuur en school» zich ook steeds meer gaan richten op de ontwikkelingen binnen het onderwijs, opdat alle kinderen in de leerplichtige leeftijd in een doorlopende leerlijn kennis opdoen over en met cultuur en ze een gevarieerd programma van culturele activiteiten wordt aangeboden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
• Een intensieve samenwerking met provincies en gemeenten In 2003 heeft in het kader van het Actieplan cultuurbereik gezamenlijke subsidiëring met provincies en steden plaatsgevonden, waarbij het rijk in een 1:1 verhouding de subsidies van andere overheden heeft gematchd. Hiermee zijn samenwerkingsprojecten tussen scholen en culturele instellingen op lokaal en regionaal niveau gesubsidieerd.
• Culturele en kunstzinnige vorming in vmbo en havo/vwo In het schooljaar 2003–2004 is het vak culturele en kunstzinnige vorming verplicht geworden voor het vmbo. De ondersteuning bij deze introductie heeft vanuit «cultuur en school» plaatsgevonden en is succesvol verlopen. Er is beduidend meer geschikt aanbod voor vmbo-leerlingen ontstaan.
• Stimuleringsbeleid van projectmatige initiatieven met een landelijke voorbeeldwerking die bijdragen aan de doelstelling van allianties tussen het culturele veld en het onderwijs.
• Cultuurvouchers (waarover hierboven meer is geschreven)
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op de begroting van cultuur is in 2003 een bedrag van € 14 556 596,– opgenomen, inclusief de bijdragen aan gemeenten en provincies. Hiervan werd voor het actieplan cultuurbereik € 2,4 miljoen aan provincies en gemeenten beschikbaar gesteld. Voor de ckv-vouchers was € 8,3 miljoen beschikbaar, waarvan in 2003 € 6,9 miljoen is besteed. Aan projecten is € 3 miljoen uitgegeven.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om particulieren en bedrijven te stimuleren om geld te investeren in cultuur zijn een aantal fiscale regelingen beschikbaar, dan wel in voorbereiding:
• Met ingang van 1 januari 2002 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Regeling cultuurprojecten 2002 (vrijstelling voor cultureel beleggen).
• De fiscale Regeling vrijstelling voorwerpen van kunst of wetenschap.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De regeling «cultureel beleggen» is op 5 november 2003 de Europese Commissie gepasseerd en deze heeft geen bezwaar. De vrijstelling voor cultureel beleggen is in 2003 nog niet in werking getreden. Het is de taak van banken om cultuurfondsen op te richten en gelden van particulieren aan te trekken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Op de begroting van cultuur heeft de regeling «cultureel beleggen» geen gevolgen.
Ten aanzien van de regeling vrijstelling voorwerpen van kunst of wetenschap wordt geschat dat voor een bedrag van € 450 miljoen aan kunst in particuliere handen is, die niet als belegging wordt aangehouden. Op basis daarvan wordt een belastingderving geraamd als gevolg van de regeling van € 5 miljoen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De doelstelling van eCultuur is zorgdragen voor een grotere participatie van burgers op het terrein van cultuur door creatieve benutting van ict door kunstenaars en culturele instellingen. De volgende vier terreinen worden onderscheiden: artistiek gebruik van digitale media, digitalisering van collecties en kennis, de rol van bibliotheken als toegangspoort en de internetactiviteiten van de publieke omroep en digitalisering van het audiovisuele productieproces.
In 2003 is de rol van de bibliotheken als toegangspoort verder uitgewerkt. De internetactiviteiten van de publieke omroep zijn in 2003 voortgezet.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In het kader van de bibliotheekvernieuwing wordt de rol van bibliotheken als toegangspoort tot en wegwijzer naar betrouwbare informatie gestimuleerd. De inzet van ict speelt hierbij een belangrijke rol en krijgt concreet vorm in de portalsite Bibliotheek.nl; de nationale digitale openbare bibliotheek (http://www.bibliotheek.nl). Deze bestaat uit een reeks van diensten en producten: zoeken in een nationale catalogus en de beschikbaarstelling van digitale content. In 2003 zijn daaraan toegevoegd een landelijk digitaal inlichtingen bureau (Al[@000d]in) en een speciaal op het onderwijs gerichte informatieservice (virtuele mediatheek).
Het internet van de publieke omroep heeft een stevige positie op de Nederlandse internetmarkt. In 2003 is de toegankelijkheid van de portal verder vergroot en is de content aangevuld met audio- en videoarchief, een elektronische programmagids en programmagerelateerde websites. Door middel van verticals wordt het aanbod thematisch geclusterd. Deze verticals werden in 2003 door de gebruikers gemiddeld met een 7,0 gewaardeerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
In de begroting 2003 is een bedrag van € 7,7 miljoen structureel opgenomen.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De ministeries van OCW, EZ en Financiën voeren vanaf 1998 een gezamenlijk filmstimuleringsbeleid met als doel de financieel-economische structuur van de filmindustrie in Nederland te versterken en de ontwikkelingsmogelijkheden van artistieke kwaliteitsfilms te verbeteren.
In 2002 gingen meer dan 24 miljoen mensen in Nederland naar de bioscoop. Circa 80% van het bioscoopaanbod in Nederland bestaat uit Amerikaanse films, maar de concurrentiepositie van de Nederlandse film is in de afgelopen jaren verbeterd: het marktaandeel van de Nederlandse film steeg van 3,7% in 1997 tot 14% in 2003. Vooral jongeren hebben de laatste jaren de Nederlandse film ontdekt.
Ook het productievolume (± € 300 miljoen in de afgelopen 5 jaar) is sterk gegroeid.
Een evaluatie van Berenschot, die op 17 september 2003 aan de Tweede Kamer is aangeboden, concludeert dat de financieel-economische structuur van de filmindustrie in Nederland is verbeterd.
Het kabinet heeft in 2003 besloten om het pakket stimuleringsmaatregelen voor de filmsector per 2004 te beëindigen. Hiermee wordt de samenwerking tussen de ministeries van OCW, EZ en Financiën op dit terrein ook beëindigd. Op verzoek van de Tweede Kamer is de bestaande fiscale regeling nog één jaar verlengd tot 1 januari 2005.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het gezamenlijke filmstimuleringsbeleid bestond in 2003 uit een combinatie van maatregelen met culturele en economische aspecten:
• instelling van FINE dat professionele filmprojecten met een commerciële potentie selecteert voor het aantrekken van durfkapitaal (uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken);
• uitvoeren van een fiscale maatregel om het investeren met durfkapitaal aantrekkelijker te maken (uitgevoerd door het ministerie van Financiën);
• meer samenwerking met de publieke omroepen in het project Telefilm (uitgevoerd door het ministerie van OCW);
• aanstelling van een intendant bij het Filmfonds om scriptontwikkeling van publieksfilms te bevorderen (uitgevoerd door het ministerie van OCW);
• een regeling voor publieksfilms (€ 6,8 miljoen per jaar) bij het Filmfonds (uitgevoerd door het ministerie van OCW en bekostigd uit algemene middelen).
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De intendant bij het Filmfonds wordt gefinancierd via de cultuurnota. De betreffende subsidie bedroeg € 0,9 miljoen en is conform de cultuurnota uitgekeerd. Het project Telefilm wordt bekostigd via beleidsartikel 15 (media) en de betreffende subsidie bedroeg € 3,2 miljoen.
14.3.6 Beheer en behoud van cultureel erfgoed
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het beleidsterrein van het cultureel erfgoed omvat de sectoren musea, monumentenzorg, archieven en de archeologie. Met de musea zijn voor de periode 2001–2004 resultaatafspraken gemaakt in het bijzonder over het publieksbereik. Voor de meting van de resultaten is vooral de verslaglegging over de gehele Cultuurnota 2001–2004 van betekenis. Die verslaglegging is in 2005 te verwachten. De plannen tot vernieuwing van het Rijksmuseum te Amsterdam zijn in 2002 gepresenteerd in het voorlopig ontwerp van de architecten Cruz y Ortiz en de restauratiearchitect Van Hoogevest. Het definitief ontwerp is in 2003 door de architecten ingeleverd om door de betrokken partijen te worden besproken. Het Rijksmuseum heeft in 2003 een uitvoerig programma ontwikkeld om een belangrijk deel van de collectie gedurende de gehele vernieuwingsperiode voor het publiek in stand te houden. Enkele topstukken van de 17e eeuwse kunst en geschiedenis zijn in de Philipsvleugel te zien, alwaar eveneens wisseltentoonstellingen uit de collecties van het Rijksmuseum zullen worden ingericht. Een deel van de verantwoording van het beleid over de musea is opgenomen in paragraaf 14.3.1.2 «Actieplan cultuurbereik».
In de archiefsector is de belangrijkste verantwoordelijkheid het beheer, de ontsluiting van de collectie en het voor het publiek toegankelijk maken van de collectie van de archieven van de rijksoverheid en onder andere de Hoge Colleges van Staat.
Om meer en een breder publiek te bereiken is de vorming van regionale cultuurhistorische centra (rhc) noodzakelijk. Met de vorming van een rhc kunnen tevens de collecties van verschillende partijen beter toegankelijk worden gemaakt.
Door de fusie van de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden met een of meerdere gemeentelijke archieven, en/of andere cultuurhistorische centra in een rhc kan het publiek beter worden bereikt. Daarbij kan eerder gebruikt worden gemaakt van nieuwe informatie- en communicatietechnologie.
De kern van de monumentenzorg is gelegen in de verantwoordelijkheid van de minister voor de instandhouding van rijksmonumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. De uitvoering is opgedragen aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Een van de doelen daarbij is het terugbrengen van de restauratieachterstand tot een aanvaardbaar niveau van 10% in 2010. Van het bedrag dat benodigd is om dit doel te bereiken is reeds 73% gerealiseerd.
Met de huidige middelen kan de restauratieachterstand worden teruggebracht tot 17% in 2010. In 2003 is de restauratieachterstand verder teruggelopen.
Op het terrein van de archeologie is het uitgangspunt de archeologische waarden in de bodem te bewaren. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld door economische activiteiten, wordt ernaar gestreefd om de bodeminformatie door middel van onderzoek (lees: opgravingen) veilig te stellen. In toenemende mate zijn private partijen, gemeenten, provincies, waterschappen en rijkspartners bereid dit doel na te streven. Zonder de bodem te verstoren onttrekken de meeste archeologische sporen zich aan onze waarneming. Wel is op het terrein van de archeologie, naar analogie met de milieu- en natuursector, in 2002 door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) voor het eerst een archeologiebalans opgesteld. Deze maakt het in de volgende jaren mogelijk het gevoerde archeologiebeleid te evalueren.
Het verdrag van Valletta (Malta) uit 1992 regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. In oktober 2003 heeft staatssecretaris Van der Laan het wetsvoorstel waarmee het verdrag kan worden ingevoerd naar de Tweede Kamer gestuurd. Vooruitlopend op invoering van het verdrag wordt op verschillende niveaus en op verschillende plaatsen al gehandeld in «de geest van Malta». Ter dekking van eventuele excessieve opgravingskosten kan een beroep worden gedaan op het ministerie van OCW. Jaarlijks wordt aan de hand van de aanvragen van de diverse gemeenten bepaald wat de hoogte van het budget zou moeten zijn. In 2003 is er € 1,8 miljoen aan de gemeenten beschikbaar gesteld.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Voor de musea geldt dat de voornemens zoals vastgelegd in de cultuurnota 2001–2004 zijn uitgevoerd.
| Tabel 14.5: Bezoeken gesubsidieerde musea (x 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Locatie | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Totaal (ex)rijksmusea | 4 138 | 4 100 | 4 293 | 4 047 | 4 791 | |
| Rijksmuseum | Amsterdam | 1 229 | 1 310 | 1 146 | 1 016 | 1 100 |
| Ned. Scheepvaart Museum | Amsterdam | 229 | 203 | 188 | 170 | 243 |
| Vincent van Gogh3, 4 | Amsterdam | 758 | 721 | 1 312 | 1 276 | 1 593 |
| H.W. Mesdag | Den Haag | 11 | 9 | 9 | 11 | 15 |
| Meermanno-Westreenianum10 | Den Haag | 10 | 9 | 6 | 5 | 14 |
| Mauritshuis6 | Den Haag | 173 | 268 | 137 | 176 | 203 |
| Catharijneconvent | Utrecht | 55 | 88 | 54 | 72 | 86 |
| Volkenkunde7 | Leiden | 124 | 68 | 42 | 60 | 69 |
| Boerhaave | Leiden | 31 | 32 | 31 | 29 | 30 |
| Oudh + Penningkabinet2 | Leiden | 119 | 104 | 191 | 160 | 130 |
| Naturalis1 | Leiden | 271 | 259 | 245 | 240 | 262 |
| Kröller-Müller9 | Otterloo | 350 | 350 | 343 | 274 | 311 |
| Paleis Het Loo | Apeldoorn | 421 | 325 | 304 | 283 | 445 |
| Twenthe8 | Enschede | 37 | 33 | 8 | 24 | 27 |
| Zuiderzeemuseum | Enkhuizen | 317 | 319 | 276 | 251 | 263 |
| Totaal niet-rijksmusea | 621 | 601 | 614 | 558 | 591 | |
| Afrika Museum | Berg en Dal | 82 | 79 | 69 | 68 | 63 |
| Ned.Openluchtmuseum | Arnhem | 300 | 290 | 315 | 286 | 286 |
| Joods Historisch Museum | Amsterdam | 97 | 103 | 103 | 95 | 134 |
| Teijlers Museum | Haarlem | 90 | 70 | 84 | 66 | 63 |
| Princessehof | Leeuwarden | 32 | 34 | 21 | 20 | 23 |
| Holl. Schouwburg | Amsterdam | 20 | 25 | 21 | 23 | 22 |
| Totaal overig | 363 | 369 | 342 | 320 | 319 | |
| Muiderslot | Muiden | 129 | 126 | 115 | 113 | 114 |
| Slot Loevestein | Poederoijen | 78 | 71 | 72 | 72 | 73 |
| Gevangenpoort | Den Haag | 32 | 30 | 30 | 32 | 32 |
| Kastelenstichting H-Z | Haarlem | 16 | 23 | 17 | 18 | 17 |
| Huis Doorn | Doorn | 47 | 40 | 46 | 41 | 32 |
| St. Hubertus (Jachtslot)5 en 9 | Otterloo | 34 | 54 | 36 | 24 | 30 |
| Radboud | Medemblik | 26 | 25 | 28 | 20 | 21 |
| Totaal | 5 122 | 5 070 | 5 249 | 4 925 | 5 701 | |
diverse jaarverslagen betrokken musea
Toelichting
1wegens verbouwing gesloten, vanaf eind april 1998 weer open
2incl. Penningkabinet
3tot 1 september 98 daarna gesloten i.v.m. verbouwing
4vanaf 24 juni 1999 heropend
5openingstijden zijn verruimd (1999)
6waarvan 170 000 voor de Rembrandttentoonstelling (1999)
7tot 30 september 2000, daarna gesloten. Half 2001 weer opengesteld
8i.v.m. met vuurwerkramp op 13 mei 2000
9i.v.m. met MKZ-cricis in 2001
10in 2001 een deel van het jaar gesloten geweest wegens verbouwing
| Tabel 14.6: Gerealiseerd publieksbereik in aantal schoolgroepen van door OCW gesubsidieerde musea | |
|---|---|
| 2002 | |
| Schoolgroepen totaal | 14 107 |
| Tabel 14.7: Aantal korte en langdurige bruiklenen in 2002 van de door OCW gesubsidieerde musea | ||
|---|---|---|
| Kort | Lang | |
| Bruiklenen totaal | 3 957 | 4 037 |
| Tabel 14.8 Rijksmonumenten en Rijksarchieven | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| A) Geregistreerde gebouwde Rijksmonumenten (x 1000) | 44,8 | 48,0 | 47,0 | 48,5 | 50,6 |
| B) Aantal bezoeken Rijksarchief via internet (x 1000) | |||||
| Geschiedenis Online/Nieuws uit het verleden | 115 | 1 500 | 970 | 1 018 | 1 100 |
| – waaronder zogenaamde «Genlias» bezoeken | 125 | 180 | 300 | 320 | 322 |
A) Jaarverslagen Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
B) Jaarverslagen Rijksarchiefdienst/Nationaal Archief.
Toelichting:
RAD-site «Nieuws uit het verleden» vanaf 3 juni 1999 toegankelijk
| Tabel 14.9: Publieksbereik uitgedrukt in aantal bezoeken voor de door OCW gesubsidieerde musea (x 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2001 | 2002 | |
| Totaal gerealiseerde resultaatafspraken | 4 925 | 5 701 |
Inmiddels zijn de fusies tot regionaal historische centra (rhc) in de provincies Utrecht, Zeeland, Groningen, Friesland, Gelderland en Overijssel gerealiseerd. In de overige provincies Flevoland, Noord-Holland, Noord-Brabant en Limburg zijn de vier fusieprocessen in 2003 nagenoeg afgerond, met uitzondering van het rijksarchief in Drenthe en het Nationaal Archief.
Het Nationaal Archief en de rhc's hebben daarnaast inspanningen geleverd om de digitale toegang tot het bronnenmateriaal te vergroten voornamelijk door het verbeteren van het op afstand raadplegen van persoonsgegevens (onder andere familiegeschiedenis) en de gegevens over de woonomgeving.
Voor de Monumentenzorg is, behalve via de bestaande subsidieregeling (het Brrm 1997), de restauratieachterstand verder teruggebracht met het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties 2002 (Brgr 2002) oftewel de tweede kanjerregeling. Op grond hiervan kon worden doorgegaan met de uitvoering van zestien grootschalige restauraties die in de eerste kanjerregeling niet of slechts gedeeltelijk waren gehonoreerd.
Voor de archeologie was de vorige staatssecretaris Van Leeuwen voornemens het wetsvoorstel ter implementatie van het verdrag van Valletta voor het kerstreces 2002 aan de Tweede Kamer te sturen. Als gevolg van de demissionaire status van het vorige kabinet is dit niet gebeurd. Staatssecretaris Van der Laan heeft het wetsvoorstel in 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De vierjarige subsidies zijn conform de Cultuurnota 2001–2004 in 2003 aan de cultuurnotainstellingen op het terrein van cultureel erfgoed ter beschikking gesteld. Voor het fusietraject van de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden met de gemeentelijke archieven en/of andere cultuurhistorische centra in een rhc heeft de Rijksarchiefdienst in 2000 een bedrag van structureel € 2,2 miljoen beschikbaar gekregen. Met betrekking tot de totale specifieke financiële verantwoording van het Nationaal Archief wordt verwezen naar de jaarrekening van het agentschap Rijksarchiefdienst.
Voor het inlopen van de restauratieachterstand is reeds € 545 miljoen beschikbaar gesteld. Voor de tweede kanjerregeling en de start van de restauratiefondshypotheek is respectievelijk € 29,6 en € 34 miljoen ingezet. Via de reguliere bekostiging werd € 4,8 miljoen uitgegeven voor archeologie.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brief over stand van zaken monumentenzorg en Malta d.d. 18-12-2002 (DCE/02/61215).
• Brief over uitvoering tweede kanjerregeling (2002) d.d. 4-2-2003 (DCE/03/2282).
14.3.7 Nederlandstalige en Friese letteren, leesbevordering en de Nederlandse Taalunie
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De specifieke beleidsdoelstellingen op het vlak van de letteren zijn het bevorderen van de kwaliteit en pluriformiteit van de Nederlandstalige en Friestalige literatuur en het stimuleren van de literaire participatie. Daarbij krijgt ook de literaire buitenlandpromotie de nodige aandacht. Verder wordt gestreefd naar het behoud, beheer en ontsluiten van het literaire erfgoed, evenals het bevorderen van de (literaire) leescultuur. In het kader van de Nederlandse Taalunie wordt door Nederland en Vlaanderen – voor zover wenselijk – gestreefd naar integratie van het beleid op het terrein van de Nederlandse taal en letteren.
Een groot deel van de lettereninstellingen wordt gesubsidieerd in het kader van de cultuurnota. Ongeveer de helft van het beschikbare budget (circa € 7,7 miljoen) gaat naar de twee letterenfondsen die een belangrijk deel van de beleidsuitvoering voor hun rekening nemen. Met deze fondsen bestaat een zeer geregeld contact over de uitvoering van hun beleid; in 2003 hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan.
Op basis van het reguliere instellingenbeheer kan geconcludeerd worden dat de meeste instellingen erin zijn geslaagd hun activiteitenplan 2003 adequaat uit te voeren.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Aan het instellingenbeheer is evenals in 2002 veel aandacht geschonken. Met diverse instellingen is een meer formeel jaargesprek gevoerd over de uitvoering van hun meerjarenbeleidsplan 2001–2004. In het algemeen hebben de lettereninstellingen hun verantwoording over 2003 binnen de gestelde termijn ingediend. Ten opzichte van 2002 is hierin een stijgende lijn te ontdekken.
In 2003 heeft de opzet en begeleiding van een externe en grootschalige evaluatie van het leesbevorderingsbeleid veel aandacht gevraagd. Uit de evaluatie van het leesbevorderingsbeleid over de afgelopen tien jaar is gebleken dat zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs extra inspanningen ter stimulering van het lezen positief worden gewaardeerd. Wel wordt in het voortgezet onderwijs het aanbod van activiteiten en projecten als onoverzichtelijk en onsamenhangend ervaren. Deskundigen pleiten voor structurele inpassing van leesbevordering in de onderwijscurricula. Vooral de openbare bibliotheek scoort hoog als instelling waarvan men veel leesbevorderende initiatieven en begeleiding verwacht. Genoemde evaluatie werd eind 2003 afgerond, waarna direct begonnen werd aan de voorbereiding van een adviesaanvraag voor de Raad voor Cultuur.
Voorts werd een bijdrage geleverd aan de opdrachtformulering van de visitatiecommissie van de Nederlandse Taalunie. Ook de uitvoering van de visitatie vergde de nodige tijd en aandacht.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De uitvoering van de letterenbegroting (€ 8,0 miljoen) is binnen het geaccordeerde meerjarenkader gebleven (€ 8,1 miljoen).
14.3.8 Goed functioneren van het stelsel van openbare bibliotheken
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het beleid voor het openbaar bibliotheekwerk is gericht op een, voor een breed publiek toegankelijk, hoogwaardig en gevarieerd informatieaanbod.
De rijksoverheid is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel van openbare bibliotheken als geheel en bekostigt hiervoor de landelijke vereniging van openbare bibliotheken VOB NBLC (Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum). Daarnaast is de Rijksoverheid verantwoordelijk voor een tweetal bijzondere bibliotheekvoorzieningen: de blindenbibliotheken en de bibliotheek voor varenden.
In december 2001 hebben Rijk, IPO en VNG het koepelconvenant «Herstructurering openbaar bibliotheekwerk» gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de realisering van de doelstellingen uit het onderzoeksrapport Open poort tot kennis. Vervolgens is de stuurgroep bibliotheken, met vertegenwoordigers van de convenantpartners en koepelorganisatie van openbare bibliotheken, ingesteld die deze afspraken nader uitwerkt. Het door het Rijk gesubsidieerde procesbureau voor de begeleiding van dit vierjarige herstructurerings- en moderniseringstraject is in 2002 gestart met de opzet van een monitor voor de levering van de gewenste kerngegevens.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Met de instelling van de stuurgroep bibliotheken en het procesbureau voor de herstructurering en modernisering van het openbaar bibliotheekwerk is een aanvang gemaakt met de uitwerking op provinciaal en gemeentelijk niveau van de in het rapport Open poort tot kennis aangegeven acties. Het procesbureau stimuleert, faciliteert en regisseert de bibliotheekvernieuwing, onder meer door actieve kennisuitwisseling te initiëren tussen de betrokken partijen. Dit doet het bureau in nauw overleg met gemeenten, provincies, rijksoverheid en de bibliotheekbranche en haakt hierbij zoveel mogelijk aan bij vernieuwingsprocessen waarmee al is begonnen.
In de periode 2002–2003 is de vorming van zgn. basisbibliotheken van start gegaan. In overleg met de vereniging van openbare bibliotheken wordt gewerkt aan een kwalitatieve vernieuwing en verbreding van de landelijke stelseltaken.
Vanuit het departement is intensief bijgedragen aan het vernieuwingsproces van het bibliotheekwerk.
Het bibliotheekwerk kan in de volgende jaren verder worden gemoderniseerd met behulp van enveloppemiddelen die met het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II beschikbaar kwamen.
De reorganisaties binnen de speciale bibliotheekvoorzieningen bleven op schema: de integratie van de bibliotheek voor varenden in de openbare bibliotheek Rotterdam werd in het jaar 2003 voltooid en in het blindenbibliotheekwerk vond ultimo 2003 de majeure overgang van analoge dragers (cassettebandjes) naar digitale (cd-roms) plaats.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Binnen de huidige budgetten is voor de periode 2001–2004 een jaarlijks bedrag van € 5,5 miljoen beschikbaar voor de vorming van de basisbibliotheken in kleine gemeenten.
Voor de instandhouding en vernieuwing van de stelseltaken is in het kader van de cultuurnota jaarlijks ruim € 5 miljoen beschikbaar voor de vereniging van openbare bibliotheken.
Met incidentele middelen is voor de ict-ontwikkeling via het Nationaal actieplan digitale snelwegen (NAP) projectmatig subsidie verleend.
De overige middelen zijn beschikbaar gesteld aan de blindenbibliotheken, de bibliotheek voor varenden en overige organisaties.
14.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 14.10: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 854 386 | 493 583 | 374 477 | 266 852 | 520 973 | – 254 121 | |
| waarvan garantieverplichtingen | 68 270 | 3 177 | 111 507 | 53 465 | 263 395 | – 209 930 | |
| Uitgaven | 592 318 | 657 166 | 654 014 | 668 662 | 666 861 | 1 801 | |
| Kunsten | 254 418 | 336 666 | 296 994 | 298 357 | 303 024 | – 4 667 | |
| Podiumkunsten | 147 901 | 180 774 | 174 466 | 179 817 | |||
| Film | 11 506 | 19 474 | 10 489 | 11 456 | |||
| Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving | 54 454 | 73 408 | 45 604 | 44 929 | |||
| Amateurkunst en kunsteducatie | 19 951 | 23 260 | 23 759 | 24 539 | |||
| Overige subsidies kunsten | 20 606 | 39 750 | 42 676 | 37 616 | |||
| Letteren en bibliotheken | 43 900 | 43 300 | 39 089 | 40 856 | 40 681 | 175 | |
| Bibliotheken | 26 000 | 27 000 | 29 754 | 31 106 | |||
| Letteren | 11 500 | 15 000 | 7 854 | 8 003 | |||
| Overig | 6 400 | 1 300 | 1 481 | 1 747 | |||
| Fondsen | 74 355 | 77 625 | 69 804 | 7 821 | |||
| Cultureel erfgoed | 285 200 | 271 000 | 237 984 | 246 775 | 244 771 | 2004 | |
| Musea | 183 500 | 138 400 | 140 159 | 140 599 | |||
| Monumentenzorg | 94 800 | 113 400 | 77 735 | 80 258 | |||
| Archeologie | 3 600 | 5 100 | 4 256 | 4 811 | |||
| Archieven | 2 700 | 3 200 | 3 595 | 3 854 | |||
| Erfgoed algemeen | 600 | 10 900 | 12 241 | 17 253 | |||
| Overig | 8 800 | 6 200 | 5 591 | 5 049 | 8 581 | – 3 532 | |
| Ontvangsten | 2 800 | 4 800 | 4 970 | 3 053 | 250 | 2 803 | |
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
15.1 Algemene beleidsdoelstelling
De doelstelling van het mediabeleid van OCW is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, bestaande uit radio, televisie, kranten, tijdschriften en Internet, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking.
Het regeringsbeleid betreft in de eerste plaats de publieke omroep. Daarnaast strekt het beleid zich uit tot aanbieders die op de commerciële markt opereren. Het beleid houdt zich eveneens bezig met vraagstukken over onder andere marktordening en technische ontwikkelingen.
In dit kader past de samenwerking met het ministerie van Economische Zaken, die het terrein bekijkt vanuit algemene economische overwegingen, toegespitst op liberalisering en mededinging (mededingingswet en de Nederlandse Mededingingsautoriteit). De scheidslijn bij de telecommunicatie is als volgt: OCW is verantwoordelijk voor de inhoudelijke bepalingen over het beleidsterrein, en het ministerie van Economische Zaken voor de aanwezigheid en efficiëntie van de telecom(omroep)infrastructuur, in het bijzonder de frequenties.
Sinds de liberalisering van de Mediawet in 1997 is een aantal garanties neergelegd voor de doorgifte van omroepprogramma's via de kabel. Het betreft het vastleggen van een must-carry pakket (verplichte opname van een aantal zenders), de instelling van programmaraden en de mogelijkheid van een prijsmaatregel. Het Commissariaat voor de Media ziet erop toe dat de in de Mediawet opgenomen bepalingen door de omroepen en kabelexploitanten worden nageleefd.
Verschillende wettelijke programmavoorschriften waarborgen diversiteit van de publieke radio en televisieprogrammering. Daarnaast is de toegang van zendgemachtigden tot het publieke bestel gebaseerd op hun representativiteit voor bepaalde culturele, levensbeschouwelijke en politieke stromingen binnen de Nederlandse bevolking.
Het beleid van de rijksoverheid is er verder op gericht om de pluriformiteit van de pers (met name de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften) zoveel mogelijk in stand te houden. Dat is van groot belang voor de informatievoorziening van de burger en daarmee voor het democratisch functioneren van de samenleving. De overheidsbemoeienis met de pers is afstandelijker dan met de omroep. Het Bedrijfsfonds voor de pers vormt het voornaamste instrument.
De kerntaak van de publieke omroep bestaat uit het aanbieden op open netten van een gevarieerd, kwalitatief hoogstaand radio- en televisieaanbod, voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen.
In de Mediawet staan de verantwoordelijkheden en taken van de overheid op het terrein van de publieke omroep, de commerciële omroep en de pers beschreven. De taakopdracht van de publieke omroep strekt zich uit over de gehele publieke omroep in Nederland, dus zowel op landelijk, als op regionaal en lokaal niveau.
Op grond van de Mediawet stelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap jaarlijks vast welke bedragen beschikbaar zijn voor de publieke omroepen en de andere media-instellingen. In de mediabegroting worden de geraamde inkomsten en uitgaven zichtbaar gemaakt. De inkomsten op de mediabegroting bestaan uit de Rijksomroepbijdrage, de reclameontvangsten (Ster) en de rente op de algemene omroepreserve. De uitgaven gaan naar de publieke omroep (landelijk en regionaal) en naar andere media-instellingen.
Onderstaand is schematisch weergegeven hoe de financiële stromen lopen in het Nederlandse publieke omroepbestel.
Figuur 15.1: Financiële stromen exclusief kosten en opbrengsten zero base (x € 1 miljoen)

15.2.5 Verantwoordelijkheidsverdeling overheid, veld en toezicht
De minister is systeemverantwoordelijk voor de landelijke publieke omroep, regionale en lokale publieke omroep en pers. De resultaatverantwoordelijkheid is in het geval van de landelijke publieke omroep overgedragen aan de NOS, in het geval van regionale publieke omroep aan de provincies, in het geval van lokale publieke omroep aan de gemeenten en in het geval van de pers aan het bedrijfsfonds voor de pers.
15.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen
15.3.1 Landelijke publieke omroep
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De doelstelling van de landelijke publieke omroep is om op open netten een gevarieerd, kwalitatief hoogstaand radio-, televisie- en internetaanbod, voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen met voldoende draagvlak aan te bieden.
Voor de publieke omroep geldt de wettelijke opdracht om de gehele bevolking te bedienen. Bij de concessieverlening in 2000 is deze opdracht vertaald in meetbare resultaatafspraken tussen overheid en omroep.
Een belangrijke doelstelling van de landelijke publieke omroep is om voldoende draagvlak onder de bevolking te behouden. Er wordt gestreefd naar een kijktijdaandeel1 van 40% voor de drie televisiezenders en een weekbereik2 van 85%.
| Tabel 15.1: doelstellingen publieke omroep | ||||
|---|---|---|---|---|
| Kijktijddoelstellingen publieke omroep (18.00–24.00 uur) | Doelstelling concessiebeleidsplan | 00/01 | 01/02 | 02/03 |
| Aandeel in kijktijd | 40% | 39% | 39% | 37% |
| Nederland 1 | 13% | 13% | 13% | 12% |
| Nederland 2 | 17% | 17% | 18% | 17% |
| Nederland 3 | 10% | 9% | 8% | 8% |
Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004–2008 (programmatisch jaarverslag)
Uit tabel 15.1 blijkt dat in het televisieseizoen 2002/2003 het werkelijke kijktijdaandeel 37% bedraagt. Hiermee is de doelstelling van 40% niet gehaald. Deze cijfers brengen tot uiting welke positie de publieke omroep inneemt op de kijk- en luistermarkt, dus hoeveel mensen bij het kiezen tussen de zenders hun keuze op een publiek programma laten vallen. De doelstelling van het kijktijdaandeel 40% staat de laatste jaren sterk onder druk. Vanaf het seizoen 00/01 heeft het percentage geschommeld tussen de 37% en 39%.
In 2003 bedroeg het weekbereik 89%. Dit betekent dat 89% van de Nederlandse bevolking minimaal één kwartier per week naar de publieke omroep kijkt. Hiermee is de doelstelling van 85% ruim behaald.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om een gevarieerd en kwalitatief hoogstaand radio- en televisieaanbod te realiseren zijn voorschriften voor programmacategorieën die in de programmering aan bod moeten komen (programmavoorschriften). Deze wettelijke voorschriften bewegen zich op het terrein van informatie, educatie, verstrooiing, kunst, cultuur, Europese en onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige programma's, programma's gericht op minderheden en programma's die zijn ondertiteld voor doven en slechthorenden. Voor de meeste onderdelen gelden minimumpercentages. Op basis van voortdurende registratie en categorisering van programma's door de NOS toetst het Commissariaat voor de Media of de publieke omroep aan de voorschriften voldoet.
| Tabel 15.2: programmavoorschriften | |||
|---|---|---|---|
| Percentage van de televisiezendtijd (16.00–24.00 uur) | Wettelijk | 2001 | 2002*** |
| Informatie/educatie: omroepvereniging | Minimaal 35% | 54% | 57% |
| Kunst: omroepvereniging** | Minimaal 12,5% | 15% | 13% |
| Kunst: NPS** | Minimaal 20% | 33% | 32% |
| Cultuur/kunst: omroepvereniging | Minimaal 25% | 35% | 31% |
| Cultuur/kunst: NPS | Minimaal 40% | 78% | 72% |
| Minderheden: NPS | Minimaal 20% | 27% | 26% |
| Verstrooiing: Nederland 1* | Maximaal 25% | 1% | 21% |
| Verstrooiing: Nederland 2* | Maximaal 25% | 4% | 12% |
| Verstrooiing: Nederland 3* | Maximaal 25% | 0% | 12% |
| Europese producties: per net** | Minimaal 50% | 88%/82%/91% | 93%/85%/89% |
| Opdrachtproducties: publieke omroep | Minimaal 25% | 29% | 30% |
| Oorspronkelijk Nederlands of Fries: per omroep** | Minimaal 50% | 76% | 82% |
| Daarvan ondertiteld voor doven** | Minimaal 50% | 47% | |
Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004–2008 en Programmavoorschriften 2002, Commissariaat voor de Media. De percentages hebben betrekking op het tijdvak 16.00–24.00 tenzij anders vermeld en kunnen niet bij elkaar worden opgeteld, omdat de verschillende categorieën elkaar niet uitsluiten. Ook gelden voor de NPS specifieke voorschriften.
*In 2002 heeft er een wijziging plaatsgevonden in het programmaonderdeel verstrooiing. De categorieën amusement en licht buitenlands drama maken sinds 2002 deel uit van het onderdeel verstrooiing.
**Percentages hebben betrekking op het tijdvak 00.00–24.00 uur.
***Cijfers van 2003 zijn nog niet beschikbaar.
Uit tabel 15.2 blijkt dat de publieke omroep aan vrijwel alle wettelijke programmavoorschriften voldoet. In de reactie op de meerjarenbegroting 2003 kondigde het Commissariaat voor de Media aan met de raad van bestuur van de publieke omroep te overleggen over een alternatieve definitie van verstrooiing. Dit heeft ertoe geleid dat de publieke omroep met ingang van afgelopen jaar (2002) een bredere invulling van het begrip verstrooiing hanteert. Naast typische amusementsprogramma's (grote spelshows, spelprogramma's) worden nu ook de categorie licht buitenlands drama (excl. jeugddrama) en educatieve quizzen, cabaret & kleinkunst en satire meegerekend. Ook met de nieuwe invulling van de categorie verstrooiing blijft de publieke omroep ruim onder het maximum van 25%.
Los van de wettelijke programmavoorschriften heeft de publieke omroep nog een aantal doelstellingen geformuleerd op het terrein van sport en (Nederlands) drama.
| Tabel 15.3: Overige prestatieafspraken | |||
|---|---|---|---|
| Percentage van de televisiezendtijd | Doelstelling | 2001 | 2002* |
| Sport (in jaren zonder grote evenementen geldt een maximum van 9%) | Maximaal 11% | 9% | 8% |
| Totaal drama (tijdvak 16–24 uur) | 25% | 24% | 23% |
| Nederlands drama (tijdvak 16–24 uur) | 9% | 8% | 8% |
Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004–2008
*Cijfers van 2003 zijn nog niet beschikbaar
Uit tabel 15.3 blijkt dat de publieke omroep ten opzichte van 2001 minder drama heeft uitgezonden. Het aanbod lag, in vergelijking met de jaren 1999 en 2000, weliswaar hoger, maar de opgaande lijn van 2001 is niet doorgetrokken.
Hierbij is de doelstelling om in het tijdvak 16.00–24.00 uur een aandeel drama van 25% te realiseren, waarbinnen 9% Nederlands drama in 2002 niet verwezenlijkt. Uit het programmatische verslag over 2002 blijkt zelfs dat het aandeel drama in 2002 is afgenomen ten opzichte van 2001. Dit is een ongewenste situatie. In de brief over de mediabegroting 2004 is aangekondigd dat de publieke omroep is verzocht een langere termijnvisie te ontwikkelen en de omroepen meer dienen samen te werken.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het budget van de landelijke publieke omroep is voor het jaar 2003 vastgesteld op € 798 miljoen. Uit de exploitatie van de landelijke omroep blijkt dat aan uitgaven in 2003 een bedrag van € 793 miljoen is verantwoord.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Naast de Rijksbegroting op hoofdlijnen wordt er ieder jaar een aparte mediabegrotingsbrief aan de Tweede Kamer verzonden. In deze brief wordt uitgebreider op de onderdelen van de uitgaven ingegaan (waaronder de taakstelling Balkenende II), waarbij tevens een uitgebreide beleidsmatige onderbouwing aan de orde is. Deze brief is op 14 november 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.
15.3.2 Verdeling en digitalisering infrastructuren
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De doelstelling van het beleid is het stimuleren van keuzevrijheid, betaalbaarheid en tegelijkertijd consumenten te beschermen. De regionale dekking van digitale ethertelevisie is in 2003 behaald.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Ten tijde van het schrijven van de rijksbegroting 2003 was nog niet bekend op welke wijze de radiofrequenties voor commerciële omroep verdeeld zouden worden. In 2003 zijn de commerciële radiofrequenties in nauwe samenwerking met het ministerie van Economische Zaken voor een periode van acht jaar verdeeld middels een vergelijkende toets. Hierbij heeft een onafhankelijke commissie advies uitgebracht. De vergunningverlening is uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken op voordracht van de staatssecretaris cultuur van OCW.
Nadat de AM- en FM-frequenties waren verdeeld is een aanvang gemaakt met het formuleren van het beleid ten aanzien van de verdeling van de frequenties voor digitale radio (dab). De regie hiervoor ligt bij Economische Zaken. Naar verwachting zal in 2004 een vergelijkende toets plaatsvinden.
In april 2003 zijn de digitale ethertelevisie-uitzendingen (dvb-t) van start gegaan in een deel van het land. De intentie is dit bereik in komende jaren uit te breiden tot landelijke dekking.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het beschikbare budget voor de verdeling van de radiofrequenties bedroeg € 3,5 miljoen in 2003. In totaal is in 2003 € 2,6 miljoen besteed.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
In 2003 is een groot aantal brieven aan de Tweede Kamer gezonden. Op 14 januari is een brief verzonden waarin de rol, taakomschrijving en invulling van de adviescommissie wordt toegelicht. Vervolgens is op 12 februari het advies van de onafhankelijke commissie over de uitwerking van de vergelijkende toets aan de Kamer verzonden. Op 26 mei zijn de uitkomsten van de vergelijkende toets aan de Kamer aangeboden. Een uitkomst van de vergelijkende toets was dat een beperkt aantal frequenties niet kon worden verdeeld. In de brief van 17 juni 2003 is hiervoor een passende oplossing gegeven. Naar aanleiding van het algemeen overleg met de Kamer op 26 juni 2003 zijn op 9 juli de referentietabellen waarvan de adviescommissie gebruik heeft gemaakt en de spreidingsanalyses verzonden. Tenslotte is in de brief van 18 november aan de Kamer de uitslag van de vervolgtoets medegedeeld.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling is een aantrekkelijke inhoud voor digitale kanalen te stimuleren.
Met ingang van de concessiewet in september 2000 mag de publieke omroep nieuwe diensten die aansluiten bij de hoofdtaak (neventaken) bekostigen uit de omroepmiddelen. Om te stimuleren dat de publieke omroep ook daadwerkelijk investeert in innovatie, is vanaf 2001 tot en met 2003 cumulatief 1,5% van het budget van de landelijke publieke omroep gereserveerd voor nieuwe diensten. Dit wil zeggen dat in 2001 1,5% gereserveerd is en in 2002 het bedrag van 2001 plus 1,5% gereserveerd is. Aan deze financiering is de eis verbonden van een gezamenlijke strategie en een verantwoord bestedingsplan van de publieke omroep.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Begin 2001 heeft het bureau McKinsey & Company in opdracht van het ministerie van OCW, de NOS en de STER de digitale toekomst verkend en advies uitgebracht. In vervolg hierop heeft de publieke omroep in de meerjarenbegroting 2002–2006 een hoofdstuk opgenomen over de nieuwe media en heeft de publieke omroep een gezamenlijk plan Internet geschreven. Hiermee wordt de samenwerking op internet tussen de zendgemachtigden versterkt.
De publieke omroep heeft in 2003 geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe diensten voor wat betreft de aanwezigheid op Internet en andere digitale platforms. Voorbeelden hiervan zijn de thematisch georganiseerde portalsites («verticals») die het aanbod clusteren op onderwerpen als wetenschap, natuur en milieu, kunst en cultuur, etcetera. Uit een gebruikersenquête bleek dat de verticals voldoende tot goed gewaardeerd werden (gemiddeld met een 7,0).
Onder regie van OCW is in 2003 gestart met de voorbereiding rond digitale opslag, ontsluiting en beschikbaarstelling van audiovisuele documenten. Realisatie van dit traject is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de publieke omroep, NOB en het Instituut voor Beeld en Geluid.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Het budget landelijke publieke omroep, dat gereserveerd is voor nieuwe diensten bedroeg voor 2003 € 29,9 miljoen. In 2003 is € 24,8 miljoen besteed.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De overheid investeert in de versterking van op minderheden gerichte televisieprogrammering in de vier grote steden. In de nota Media en minderheden van juni 1999 (Kamerstukken II, vergaderjaar 1998–1999, 26 597 nr. 1) zijn deze voornemens opgenomen. Verder heeft de overheid in 2003 geïnvesteerd in radioprogrammering via de regionale en lokale zendgemachtigden.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2001 is door OCW en de vier grote steden de productiemaatschappij MTNL (Multiculturele Televisie Nederland) opgericht. Deze organisatie is gevestigd in Amsterdam en produceert voor de vier grote doelgroepen (Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken) wekelijks per groep drie kwartier tweetalig actueel nieuws en informatie in een modern programmaformat op een wijze die ook voor het brede publiek interessant is. Per stad wordt een kwartier lokaal nieuws geproduceerd door de vaste samenwerkingspartners van MTNL, te weten zowel regionale omroep als ook lokale producenten ter plaatse. De programma's worden uitgezonden door de publieke lokale en regionale omroepen. In Amsterdam en Rotterdam wordt de MTNL-programmering gedurende de week nog herhaald, waardoor het bereik toeneemt.
Verder is vanaf januari 2003 een radiostation onder de naam «FunX» gestart dat te beluisteren is in de vier grote steden. Het radiostation valt onder de hoede van de lokale zendgemachtigden in de vier grote steden. FunX zendt een aantrekkelijke mix van plaatselijke informatie en onderscheidende muziek uit primair gericht op grootstedelijke multiculturele jongeren en jongvolwassenen (15–34 jaar) en secundair op de gehele jongere publieksgroep.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Ja, MTNL beschikt over een budget dat door de grote steden en OCW beschikbaar is gesteld. In totaal is in de mediabegroting 2003 ruim € 2,4 miljoen opgenomen als bijdrage voor lokale migrantentelevisie. De organisatie blijft binnen de overeengekomen meerjarenbegroting.
FunX wordt op basis van matching gefinancierd door OCW en de vier grote steden. In totaal is in de mediabegroting 2003 ruim € 1,0 miljoen opgenomen als bijdrage voor FunX. De organisatie blijft binnen de overeengekomen meerjarenbegroting.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
De doelstelling is om meer jongeren in de categorie van 13 tot 19 jaar en 20 tot 34 jaar op de televisie te bereiken.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Het weekbereik onder jongeren in de leeftijd 13–24 jaar is sinds 2000 gemiddeld 68%. In 2003 ligt dit bereik hoger met 77%.
| Tabel 15.4: Weekbereik publieke omroep 13–24 jaar | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Weekbereik | Doelstelling | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 |
| Doelstelling | 75% | 68% | 68% | 68% | 77% |
Bron: Meerjarenbegroting Publieke Omroep 2004–2008
Het gemiddelde kijktijdaandeel in de leeftijdsgroep 13 tot en met 19 jaar bedroeg in het seizoen 2002/2003 22% en is hiermee gestegen ten opzichte van het seizoen 2001/2002. Het gemiddelde kijktijdaandeel in de leeftijdsgroep 20–34 jaar bedroeg in het seizoen 2002/2003 27% en is hiermee gedaald ten opzichte van het seizoen 2001/2002.
| Tabel 15.5: Kijktijdaandeel publieke omroep 13–19 jaar en 20–34 jaar | |||
|---|---|---|---|
| Kijktijdaandelen publieke omroep (18.00–24.00 uur) | 00/01 | 01/02 | 02/03 |
| 13–19 jaar | 20% | 20% | 22% |
| 20–34 jaar | 29% | 31% | 27% |
Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004 -2008
Een belangrijk instrument dat kan worden ingezet om het kijktijdaandeel onder de groep 13 tot en met 34 jaar te verhogen is Nederlands drama.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
Financiering van deze doelstelling heeft plaatsgevonden binnen het reguliere mediabudget.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doelstelling is het zoveel mogelijk in stand houden en stimuleren van de pluriformiteit van de pers (met name de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften). De mate van pluriformiteit wordt uitgedrukt in het aantal redactioneel zelfstandige bladen dat op de markt verschijnt. Tevens worden de bestaande en de nieuwe bladen, die zich richten op minderheden evenals de nieuwe journalistieke internetproducten, tijdelijk gestimuleerd.
| Tabel 15.6: Persmediamonitor | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Oplage dagbladen met zelfstandige hoofdredactie | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 |
| Specialistisch | 100 954 | 103 385 | 109 094 | 112 862 | 109 540 | 97 036 |
| Regionaal | 2 432 213 | 2 404 681 | 2 362 727 | 2 330 622 | 2 304 364 | 2 258 912 |
| Landelijk | 1 981 539 | 1 969 366 | 1 959 802 | 1 923 948 | 1 888 994 | 1 832 922 |
| Totaal | 4 514 706 | 4 477 432 | 4 431 623 | 4 367 432 | 4 302 898 | 4 18 8 870 |
| Index totaal | 100.0 | 99.2 | 98.2 | 96.8 | 95.3 | 92.8 |
| Gratis dagbladen | 515 000 | 594 000 | 845 000 | 774 000 | 654 338 | |
Bron: Dagbladen oplage specificaties van Cebuco (1998–2003), www.HOI-online.nl, Handboek voor de Nederlandse Pers en Publiciteit, eigen opgaven Bedrijfsfonds voor de pers (zie www.persmediamonitor.nl).
De verspreide oplage bestaat uit: abonnementen en losse verkoop plus gratis exemplaren voor medewerkers, relaties, adverteerders, verkooppunten en marketingdoeleinden. Er is gemeten over de eerste drie kwartalen van elk jaar plus het laatste kwartaal van het jaar daarvoor.
Uit de tabel blijkt dat de oplage van de (betaalde) dagbladen sinds 1998 daalt. De regionale oplage daalde met bijna 175 000 exemplaren, de landelijke oplage met circa 150 000. Specialistische dagbladen bleven in deze periode op hetzelfde niveau. Over een langere periode gerekend (vanaf 1981) blijkt dat specialistische bladen sterk zijn gegroeid, terwijl de grootste verliezen bij de regionale titels terecht zijn gekomen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Conform de voornemens is het instrumentarium van het Bedrijfsfonds voor de pers in juli 2002 uitgebreid met twee regelingen: een stimuleringsregeling voor bladen die zich speciaal richten op minderheden in ons land en een regeling voor journalistieke informatieproducten via het Internet. De eerste regeling heeft een looptijd van vier jaar, met een evaluatie in het derde jaar. De tweede regeling heeft een looptijd van drie jaar, met een evaluatie na twee jaar.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De structurele dotatie van € 2,3 miljoen aan het Bedrijfsfonds voor de pers is in 2003 niet aangewend.
15.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 15.7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 832 972 | 834 425 | 882 964 | 878 009 | 857 173 | 20 836 | |
| – waarvan garanties | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Uitgaven | 830 642 | 836 127 | 881 344 | 880 707 | 857 661 | 23 046 | |
| Media | 830 642 | 836 127 | 881 344 | 878 493 | 857 661 | 20 832 | |
| Zero base | 2 214 | 0 | 2 214 | ||||
| Ontvangsten | 243 245 | 231 335 | 222 155 | 253 542 | 226 981 | 26 561 | |
| Rijksomroepbijdrage | 601 786 | 654 404 | 661 058 | 630 680 | 30 378 | ||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPPEN
16.1 Algemene beleidsdoelstelling
De minister heeft de zorg voor het scheppen van een onderzoeksklimaat dat uitdaagt tot optimale prestaties: wetenschap van hoog niveau voor welvaart en welzijn.
Vanuit deze algemene beleidsdoelstelling is de minister verantwoordelijk voor:
• Het goed en doelmatig laten functioneren van het onderzoeksbestel binnen de maatschappij. Dit impliceert het stimuleren en ondersteunen van het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek, een efficiënte inzet van de middelen, maar ook van voldoende kennisdiffusie en openheid naar afnemers van wetenschappelijke kennis;
• Het scheppen van voorwaarden voor het functioneren van een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder onderzoeksorganisaties en wetenschappelijke bibliotheekinstellingen, die binnen het onderzoeksbestel een belangrijke plaats innemen;
• Sturing en toezicht op hoofdlijnen gericht op het in positie brengen van actoren om hun rol goed te vervullen en op het ontwikkelen van instrumenten voor het geven van richting, het scheppen van ruimte, het meten van resultaat en het afleggen van rekenschap.
16.2 Het stelsel: de staat van de sector onderzoek en wetenschappen
Het stelsel van onderzoek en wetenschappen bestaat uit een groot aantal instellingen, grotere en kleinere, ieder met een verschillende positie binnen het onderzoeksbestel. Ze kunnen als volgt worden ingedeeld:
• de onderzoeksorganisaties: de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO);
• de Koninklijke Bibliotheek (KB), en andere wetenschappelijke bibliotheken;
• instellingen voor de uitvoering van alfa- en gammaonderzoek;
• de grote technologische instituten (gti's);
• internationale onderzoekinstellingen;
• instellingen voor publieksvoorlichting en technologisch aspectenonderzoek, en
• adviesraden.
De uitgaven van OCW voor deze instellingen in 2003 staan in paragraaf 16.4.
16.2.2 Kwaliteit en internationale positie
De kwaliteit van (het functioneren van) het onderzoeksbestel kan worden beoordeeld aan de hand van een diversiteit aan kwantitatieve gegevens (indicatoren), aangevuld met meer kwalitatief materiaal. De Europese Commissie heeft voor verschillende thema's een «scoreboard» opgesteld, dat gebruikt kan worden om de Nederlandse positie in EU-verband te beoordelen, afgezet tegen de eerder genoemde ambitie dat Nederland tot de top van Europa wil behoren. Het gaat om de thema's menselijk kapitaal, investeringen in Research and Development (R&D), wetenschappelijke en technologische productiviteit, en de invloed van R&D op het concurrentievermogen en werkgelegenheid. De volgende tabel geeft de relatieve positie van Nederland aan ten opzichte van de andere EU-landen.
| Tabel 16.1: De positie van Nederland binnen de EU op basis van 17 indicatoren | ||
|---|---|---|
| Score 2003 | Verschil met 2002 | |
| Thema 1: menselijk kapitaal voor R&D | ||
| Het aandeel onderzoekers ten opzichte van het totaal aantal arbeidskrachten | 9 | – 1 |
| Het aandeel nieuwe promovendi t.o.v. de populatie in de betreffende leeftijdsgroep | 10 | + 1 |
| Thema 2: publieke en private investeringen in R&D | ||
| Totale R&D-uitgaven als percentage van het BBP | 8 | – 2 |
| Private R&D-uitgaven ten opzichte van de industriële output | 8 | – 1 |
| Het aandeel van de overheidsuitgaven voor R&D als percentage van het BBP | 5 | – 1 |
| In het MKB uitgevoerd onderzoek gefinancierd door de overheid | 6 | + 1 |
| De omvang van in vroege stadia geïnvesteerd risicodragend kapitaal als % van het BBP | 4 | + 2 |
| Thema 3: wetenschappelijke en technologische productiviteit | ||
| Het aantal octrooien per hoofd van de bevolking | ||
| • bij EPO (European Patent Office) | 4 | + 1 |
| • bij USPTO (United States Patent and Trademark Office) | 5 | + 1 |
| Het aantal wetenschappelijke publicaties per hoofd van de bevolking | 4 | + 1 |
| Het aantal meest geciteerde publicaties als % van het totaal aantal wetenschappelijke publicaties | * | * |
| Thema 4: de invloed van R&D op het concurrentievermogen en werkgelegenheid | ||
| De arbeidsproductiviteit (BBP per gewerkt uur) | 5 | – 2 |
| Het aandeel van hoog en middelhoog technologische bedrijven | ||
| • in de totale werkgelegenheid | 12 | = |
| • in de industriële output | 11 | – 2 |
| Het aandeel van kennisintensieve diensten | ||
| • in de totale werkgelegenheid | 1 | + 4 |
| • in de industriële output | 4 | = |
| De technologische betalingsbalans als percentage van het BBP | 2 | + 1 |
| Het wereldmarktaandeel van een land in de uitvoer van hoog technologische producten | 4 | = |
Bron: EU (Key Figures 2003–2004)
*Deze indicator is niet meer opgenomen in Key figures 2003–2004.
Noot: de score geeft de plaats weer van Nederland binnen de EU, waarbij «1» de hoogste positie is; een plusscore ten opzichte van 2002. De score 2003 is ontleend aan de meest recente EU-publicatie «Key figures 2003–2004» en heeft voor de meeste indicatoren betrekking op het jaar 2001. Deze positie is vergeleken met de positie van Nederland in «Key figures 2002» (score 2002), waarbij de gegevens voor de indicatoren betrekking hebben op het jaar 2000. Een plusscore ten opzichte van 2002 betekent een verbetering, een min-score een verslechtering.
De vergelijking van de cijfers voor de twee jaren laat globaal zien dat de positie van Nederland wat betreft menselijk kapitaal gelijk is gebleven, verslechterd is bij investeringen, verbeterd wat betreft wetenschappelijke en technologische productiviteit en dat de indicatoren over de invloed op het concurrentievermogen en werkgelegenheid een gemengd beeld geven. Wel geven de diverse scores over het jaar 2001 en gegevens over de overheidsinspanningen voor de jaren erna aan dat Nederland zich op verschillende thema's nog inspanningen moet getroosten om haar ambitie te bereiken. Slechts bij twee van de 17 indicatoren behoort Nederland bij de top-3 van Europa, bij 10 indicatoren tot de top-5.
De volgende figuur geeft aan voor hoeveel benchmark-indicatoren de EU-lidstaten beter dan wel slechter scoren dan het Europees gemiddelde.
Figuur 16.1: totaalscore EU-lidstaten op de benchmarkindicatoren

(Bron: Key Figures 2003–2004, Europese Commissie)
Behoorde Nederland in het jaar 2000 nog tot de zes landen met een positieve balans, in het jaar 2001 (Fig. 16.1) scoorde Nederland op evenveel indicatoren hoger dan wel lager dan het EU gemiddelde.
Er is sprake van een nagenoeg gelijkblijvende positie van Nederland. Een lichte verbetering is te constateren wat het aandeel promovendi betreft, de voorpost van een lichting nieuwe onderzoekers. Over de problematiek van kenniswerkers, specifiek gericht op de gebieden bèta/techniek heeft het Kabinet begin 2004 een nota uitgebracht met maatregelen. Daarnaast kan verwezen worden naar de paragraaf over human resource management (hrm) (paragraaf 16.3.1.2).
Op drie van de vijf indicatoren is Nederland qua positie gezakt na de stijging in het voorafgaande jaar. Investeringen in R&D, de resultante van publieke én private investeringen, blijven een belangrijk aandachtspunt. Dat geldt met name voor de private investeringen, tegen de achtergrond van de Europese ambitie om 3 procent te investeren in R&D, waarvan de private sector 2/3 voor haar rekening zou moeten nemen. De volgende tabel geeft de ontwikkeling weer van de Nederlandse en Europese investeringen in R&D, onderscheiden naar financieringsbron. Hieruit blijkt dat zowel voor Nederland als de EU geldt dat met name de bedrijven nog niet op het gewenste niveau investeren.
| Tabel 16.2: Investeringen in R&D | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| EU-gemiddeld | Nederland | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 1999 | 2000 | 2001 | |
| Overheid | 0,65 | 0,65 | 0,66 | 0,72 | 0,66 | 0,68 |
| Bedrijven | 1,04 | 1,06 | 1,08 | 1,00 | 0,97 | 0,98 |
| Overig | 0,17 | 0,18 | 0,19 | 0,30 | 0,27 | 0,23 |
| Totaal | 1,86 | 1,89 | 1,93 | 2,02 | 1,90 | 1,89 |
B: OESO
Op enkele punten heeft het Kabinet besloten tot extra investeringen: investeringen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) € 800 miljoen, gerichte investeringen in de kennisinfrastructuur € 100 miljoen en € 100 miljoen verhoging van de WBSO (Wet Bevordering speur- en ontwikkelingswerk). Zie verder ook paragraaf 16.3.2.
Wetenschappelijke en technologische productiviteit
Nederland scoort op dit onderdeel goed; dit is een sterkte van Nederland. De indicator «aantallen meest geciteerde publicaties», waar Nederland de absolute topper binnen de EU is, ontbreekt ten opzichte van vorig jaar. Om deze goede positie te behouden zijn blijvende inspanningen nodig voor het stimuleren van excellent onderzoek.
Invloed op concurrentievermogen en werkgelegenheid
De indicatoren geven een wisselend beeld. Voornamelijk bij de indicatoren die betrekking hebben op high-tech en medium-tech bedrijven scoort Nederland laag. Bij de andere indicatoren is het beeld positiever en bij het aandeel van kennisintensieve diensten in de totale werkgelegenheid neemt Nederland zelfs de 1ste positie binnen de Europese Unie in.
Om de Nederlandse kennispositie en het innovatieve vermogen van bedrijven te versterken zijn eind 2003 twee nota's verschenen, die verschillende maatregelen bevatten: het Wetenschapsbudget 2004 en de Innovatiebrief van de minister van Economische Zaken.
Kwaliteit heeft ook te maken met samenwerking in het onderzoek, vooral via internationale samenwerking. Dat blijkt onder andere uit de gegevens van het eind 2003 verschenen rapport van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie (NOWT) Wetenschaps- en Technologie Indicatoren 2003. Dit rapport laat zien dat bij publicaties waarbij Nederlandse onderzoekers samenwerken met onderzoekers uit andere landen de citatiescores 25 tot 80% hoger liggen dan het wereldgemiddelde. Internationale samenwerking loont daarom. Inmiddels is 44% van de publicaties waarbij een Nederlandse onderzoeker is betrokken een co-publicatie met een onderzoeker uit een ander land, waarbij landen van de EU een steeds grotere plaats gaan innemen. Paragraaf 16.3.3.3 gaat nader in op een aantal van de internationale samenwerkingsrelaties.
Het NOWT-rapport (2003) geeft ook een beeld van de toegankelijkheid van de Nederlandse kennisinstellingen voor private partijen. Op de twee gebruikte indicatoren scoort Nederland bovengemiddeld ten opzichte van de vergelijkingslanden en laat het Nederlandse niveau ook in absolute zin in de laatste vijf jaar een toename van meer dan 20% zien. Het gaat om:
• het aandeel van bedrijven in de financiering van (semi)publieke R&D;
• publiek-private co-publicaties als percentage van de nationale totale output.
Overigens zijn dit maar twee van de vele mechanismen om de publiek-private relaties in kaart te brengen, zij het dat het bij veel andere mechanismen moeilijker is om kwantitatieve gegevens te verzamelen. Instellingen als TNO en de grote technische instituten spelen in dit opzicht een belangrijke rol. Deze rol is geëvalueerd en komt verder aan de orde in paragraaf 16.3.3.2. Om de toegankelijkheid voor het brede publiek van publieke kennisinstellingen en de resultaten van onderzoek te vergroten is wetenschap en techniekcommunicatie een belangrijk instrument (zie paragraaf 16.3.3.1).
Daar waar het begrip rendement meetbaarheid veronderstelt is het operationaliseren ervan in het stelsel van onderzoek en wetenschapsbeleid geen sinecure. Er valt hier immers te rekenen met het gegeven dat de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek nogal eens verrassend en dus ongewis kunnen zijn. Factoren als geluk en toeval (men heeft het wel over «serendipiteit») beïnvloeden de doorlooptijden en uiteindelijke resultaten van vooral het fundamentele onderzoek aanzienlijk. Dit werkt door in de voorspelbaarheid, het bereik en zeker ook de meetbaarheid van de effecten van het gevoerde beleid. Toch worden in dit stelsel sinds een tweetal jaren aanzienlijke inspanningen gepleegd om zicht op het rendement van de instellingsactiviteiten te krijgen. Door de inspanningen op het gebied van indicatoren en prestatie-informatie begint zich nu een bestuurlijk relevante informatiepositie te ontwikkelen. Na het tekenen van de zogenoemde rekenschapconvenanten in 2002 en 2003 ontvangt de minister ondertussen de gegevens van de vier grote als ook van een tweetal kleinere instellingen. De daaraan te ontlenen informatie krijgt in toenemende mate een plaats in het diverse ambtelijk en bestuurlijke overleg.
16.2.5 Continuïteit, de financiële positie van de vier grote instellingen
Van de begroting voor onderzoek en wetenschapsbeleid is een substantieel deel bestemd voor het onderzoeksbestel. De vier belangrijkste instellingen daarbinnen (NWO, TNO, KNAW en KB) ontvangen samen 79% van de ter beschikking te stellen middelen. De financiële positie van deze instellingen garandeert hun continuïteit (zie ook Verantwoording in kerncijfers). Hieronder komt hun financiële positie per ultimo 2002 aan de orde.
Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO)
De rijksbijdrage inclusief de specifieke subsidies van OCW over 2002 bedroeg in totaal € 382 miljoen (in 2001 € 347 miljoen), ofwel circa 82% van de inkomsten (2001: circa 80%). Men ontving die grotendeels vanwege de lumpsum van OCW. De lumpsum is door technische bijstellingen onder andere voor loonontwikkeling licht verhoogd (+ 1,7%). De belangrijkste verhoging van de inkomsten betreft echter de bijzondere en op basis van afspraken met de Kamer geoormerkte toevoegingen voor Genomics en de Vernieuwingsimpuls. Terwijl het lastenniveau vrijwel stationair was, stegen de baten met 4,6%: het exploitatie resultaat steeg erdoor van € 43 naar € 62 miljoen.
Van het totale vermogen van € 472 miljoen behoort ondertussen dan ook 64% tot het zogenoemde eigen vermogen. Een jaar eerder was dat 50% (zie figuur 16.2). Deze stijging komt voornamelijk op het conto van de hierboven genoemde bijzondere toevoegingen. Dit betekent dat de stijging van de liquiditeit optisch boekhoudkundig is. Op het grootste deel van de gelden rust immers al een bestemming. Het extra beschikbare vermogen is ook grotendeels liquide aanwezig. De in figuur 16.1 goed zichtbare verhoging is daarom tijdelijk van aard. De uitgaven voor diverse programma's zijn in de loop van 2003 versneld.
Figuur 16.2: Financiële positie NWO

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen
Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)
De rijksbijdrage aan TNO bedroeg in 2002 € 164 miljoen (2001: € 186 miljoen), ofwel circa 31% van haar omzet. De overige omzet haalt TNO uit opdrachten voor overheden en bedrijven. Het jaar 2002 is afgesloten met een positief resultaat van bijna € 7 miljoen. Dat betekent een herstel in de richting van twee jaar eerder (2000: € 7 miljoen; 2001: € 3 miljoen). Aan de basis van dit lichte herstel ligt een actief beleid van aanpassingen en reorganisaties, vooral bij de instituten van TNO.
Per ultimo 2002 bedroeg het (vooral voor de financiering van de vaste activa dienende) eigen vermogen 56% van het totale vermogen. De daling ten opzichte van een jaar eerder (zie figuur 16.3) hangt samen met de na risicoanalyse gepleegde toevoegingen aan de voorzieningen. Het weerstandsvermogen van TNO is voldoende. Het per ultimo 2002 te onderkennen risico school eerst en vooral in de door de financiele markten veroorzaakte druk op de pensioenlasten. Naar het zich laat aanzien zijn deze door TNO zelf gedragen lasten (bedrijfspensioenfonds) een bedreiging voor het resultaat 2003. De directie en de Raad van Toezicht van TNO zijn echter alert en werken concrete maatregelen uit.
Figuur 16.3: Financiële positie TNO

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)
De rijksbijdrage aan de KNAW bedroeg in 2002 € 79 miljoen (2001: € 79 miljoen), ofwel ruim 77% van de baten. Het netto resultaat van de KNAW bedroeg iets minder dan € 1 miljoen (2001: € 3 miljoen). Daaronder ligt overigens een opmerkelijke stijging van de baten door werk voor derden, van € 14 naar € 21 miljoen (aandeel in de baten van 15 naar 21%), het een en ander als gevolg van het succesvol werven van onderzoekscontracten door de instituten.
Het aandeel van het eigen vermogen lag per ultimo 2002 op een gezonde 52% (inclusief de geoormerkte fondsen). De in figuur 16.4 tot uitdrukking komende daling van dat aandeel is boekhoudkundig van aard. De liquiditeit is ten opzichte van een jaar eerder ook lager maar nog steeds adequaat.
Figuur 16.4: Financiële positie KNAW

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen
De rijksbijdrage voor de KB bedroeg in 2002 circa € 28 miljoen (2001: € 27 miljoen). Dit komt overeen met 81% van de totale baten (2001: 81%). Het exploitatieresultaat beweegt zich inmiddels al een aantal jaren rond de nullijn, en bleek € 67 000 negatief. Van het totale vermogen behoort circa 39% tot het eigen vermogen (2001: 36%). Dat is afdoende en niet te ruim. Daarbij past de kanttekening dat het weerstandsvermogen van de KB relatief gering kan zijn omdat zij bijvoorbeeld geen gebouwen in eigendom heeft (lagere afschrijving, minder risico, etc.). De liquiditeit – het directe betaalvermogen – is ten opzichte van een jaar eerder licht verbeterd.
Figuur 16.5: Financiële positie KB

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen
16.3 Operationele doelstellingen
Uit de algemene beleidsdoelstelling van het onderzoek en wetenschapsbeleid volgen drie clusters van operationele doelstellingen.
• zorgen voor een goed functionerend onderzoeksbestel dat is toegerust voor de uitdagingen van de toekomst;
• zorgen voor specifieke stimulering voor investering in kennisopbouw van de toekomst;
• zorgen voor coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid.
Een verantwoording van de nadere operationalisering van deze doelstellingen vindt plaats in onderstaande paragrafen.
16.3.1 Zorgen voor een goed functionerend onderzoeksbestel
In het verlengde van de algemene beleidsdoelstelling is het de verantwoordelijkheid van de minister te zorgen voor een onderzoeksbestel dat is toegerust voor de uitdagingen van de toekomst. Deze verantwoordelijkheid is in het in november 2003 verschenen Wetenschapsbudget 2004 nader uitgewerkt in lijn met de prioriteiten van het regeerakkoord van het kabinet Balkenende 2. Dit heeft geleid tot de volgende 4 thema's van het nieuwe wetenschapsbeleid: focus en concentratie, samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen, kenniswerkers (human resources) en kwaliteit. Uitgangspunt is dat de ruimte die het vorige Wetenschapsbudget aan de kennisinstellingen heeft gegeven behouden moet blijven om instellingen en onderzoekers in staat te stellen op basis van hun eigen deskundigheid de best mogelijke keuzes te maken. Het zorgen voor een goed functionerend bestel in de vorm van de bekostiging van de vier grote nationale onderzoeksinstellingen past in dat beeld. Dit geldt ook voor de ingezette instrumenten op het gebied van HRM in het onderzoeksveld (paragraaf 16.3.1.2), en voor de beleidsacties gericht op de versterking van de wisselwerking tussen het onderzoek en het bedrijfsleven (paragraaf 16.3.3.2). Voor meer informatie over de nieuwe richting van het onderzoek en wetenschapsbeleid wordt verwezen naar het Wetenschapsbudget 2004 – Focus op excellentie en meer waarde.
16.3.1.1 De vier grote nationale onderzoeksinstellingen
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel van de minister is, de vier op het terrein van onderzoek en wetenschapsbeleid belangrijkste instellingen NWO, TNO, KNAW en KB, in staat te stellen via hun specifieke missies en doelstellingen condities te scheppen voor de uitoefening van kwalitatief hoogstaand onderzoek.
Box 16.1: Missies en doelstellingen van de vier grote instellingen
Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)
Het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin. Tevens het bevorderen van de overdracht van kennis uit het door haar zelf geïnitieerde en gestimuleerde onderzoek ten behoeve van de maatschappij.
Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)
Het bevorderen dat toepassingsgericht technisch en natuurwetenschappelijk onderzoek (en daarmee te verbinden sociaal-wetenschappelijk en ander op toepassing gericht onderzoek) op een doelmatige wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemene belang en de daarbinnen te onderscheiden deelbelangen.
Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)
Het bevorderen van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland. In dit kader adviseert zij de regering over aangelegenheden op het gebied van wetenschapsbeoefening. Daarnaast het beoordelen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek, het bieden van een forum voor de wetenschappelijke wereld en het bevorderen van de internationale wetenschappelijke samenwerking.
Koninklijke Bibliotheek (KB)
Het behoud, beheer en de beschikbaarstelling van het nationale, wetenschappelijk en culturele erfgoed voor zover gedrukt of vastgelegd in elektronische media; met daarbij de zorg voor de landelijke dienstverlening op deze gebieden, en het onderhouden en aanbieden van de centrale humaniorabibliotheek.
Tegen de achtergrond van het principe «zelfregulering gekoppeld aan een sterker geaccentueerde verantwoording» wil de minister gezamenlijk met de instellingen een verbeterd instrumentarium voor rekenschap ontwikkelen.
De vier instellingen hebben wat dat betreft in 2003 constructief met het ministerie samengewerkt aan de verdere invoering van rekenschap met indicatoren op maat. In dat kader zijn in het voorjaar van 2003 met de KNAW en NWO zogenoemde rekenschapsconvenanten overeengekomen voor jaarlijkse levering en gebruik van prestatie-indicatoren. Met de al in 2002 vastgestelde convenanten met de KB en TNO zijn hiermee nu voor alle vier instellingen convenanten van kracht. Hetzelfde geldt voor een tweetal kleinere instellingen. Met de gegevensleveranties – en eerste evaluaties daarover – is een aanvang gemaakt.
Daarnaast komen de producten van de planning & control cyclus met grotere regelmaat aan de orde in bijvoorbeeld het ambtelijke en bestuurlijke overleg. Daarbij valt te denken aan de beoordeling van de jaarverantwoordingen, indicatoren, financiële kansen en risico's, evaluaties, etc.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 werd een zeer substantieel deel (79%) van de hier relevante begrotingsgelden aan de vier grote instellingen toegekend. Er werd meer capaciteit besteed aan de met de toezicht & control functie verbonden activiteiten.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.3: Vier grote instellingen (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroot 2003 | Realisatie 2003 | |
| NWO | 305 041 | 313 833 |
| TNO | 176 234 | 189 231 |
| KNAW | 74 566 | 78 398 |
| KNAW-bibliotheek | 2 205 | 2 263 |
| KB | 30 450 | 31 359 |
| Totaal | 588 496 | 615 084 |
Toelichting: de verschillen werden veroorzaakt door aanvullende posten zoals loonbijstellingen, de onderbrenging van het NIDI bij de KNAW en de overdracht van de infrastructuur defensiegebouwen aan TNO
16.3.1.2 Een goede hrm (human resources management) in het onderzoeksbestel
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Om de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek te handhaven en te versterken zijn goede wetenschappers nodig. Onderzoek is immers mensenwerk. Een goed personeelsbeleid en aantrekkelijke loopbaanperspectieven voor getalenteerde onderzoekers zijn dus van groot belang voor een kwalitatief hoogwaardig onderzoeksbestel. De lage instroom van jong wetenschappelijk talent en de vergrijzing van vooral het universitaire wetenschappelijke personeel wekt echter zorgen. Naar verwachting zal de komende vijf jaar 1000 fte aan wetenschappelijk personeel vertrekken. De komende tien jaar zal dat aantal oplopen tot 3000 fte. Figuur 16.6 toont aan dat er momenteel sprake is van een lichte neerwaartse trend in de leeftijdsopbouw van het universitaire personeel. Het is dus zaak deze door te zetten. Daarnaast is de ondervertegenwoordiging van vrouwen in vooral de hogere wetenschappelijke posities een punt van zorg, niet alleen uit emancipatorische overwegingen, maar juist ook met het oog op de toenemende behoefte aan (jong) talent en daarmee op de kwaliteit van de wetenschap.
Figuur 16.6: Leeftijdsopbouw van het wetenschappelijk personeel ouder dan 50 jaar, als % van het totaal

HGL= hoogleraar
UHD= universitair hoofddocent
UD= universitair docent
OVWP= overig wetenschappelijk personeel
Bron: VSNU/WOPI, 2003
Om de neerwaartse tendens in de vergrijzing van het universitair wetenschappelijk personeel door te zetten en daarmee de verwachte uitstroom van onderzoekers op te vangen, is het van belang de in- en doorstroom van talentvolle jonge onderzoekers en vrouwen te bevorderen en de loopbaanperspectieven in het onderzoek te verbeteren. Om dit doel te bereiken zijn de volgende instrumenten ingezet:
• de Vernieuwingsimpuls;
• het Aspasia-programma.
Doel van het in 2000 bij NWO ondergebrachte programma «Vernieuwingsimpuls» is vernieuwing van het onderzoek door (jonge) talentvolle onderzoekers kansen te bieden met een nadrukkelijke aandacht voor vrouwen. Om de vergrijzing een halt toe te roepen en jonge onderzoekers een aantrekkelijker perspectief te bieden op een carrière in de wetenschap, richt de Vernieuwingsimpuls zich sinds 2002 op het persoonsgericht stimuleren van onderzoekers in de verschillende fasen van hun carrière. De Vernieuwingsimpuls nieuwe stijl is gesplitst in drie subsidievormen: voor de pas gepromoveerde veelbelovende onderzoeker (Veni), de post-doc die heeft aangetoond zelfstandige ideeën te genereren en tot ontwikkeling te brengen (Vidi), en de meer ervaren onderzoekers die in staat wordt geacht een vernieuwende onderzoeksgroep op te kunnen zetten (Vici).
In 2003 werd gestreefd naar toekenning aan 115 jonge gepromoveerden, 75 post-doc's en 25 ervaren onderzoekers. NWO stelde zich hierbij ten doel de honoreringspercentages voor vrouwelijke kandidaten gemiddeld en in meerjarig perspectief tenminste even hoog te laten zijn als die van de mannelijke kandidaten.
In alle categorieën (Veni, Vidi, Vici) is het aantal gehonoreerde aanvragen hoger uitgevallen. In totaal zijn er 7 aanvragen meer gehonoreerd dan voorzien. Het honoreringspercentage van de vrouwelijke kandidaten zijn in de Veni- en Vici-categorieën vrijwel gelijk aan het indieningspercentage. Het indieningspercentage bij de Veni's was 38% en bij de Vici's 26%. Bij de Vidi's, waar het indieningspercentage 22% bedroeg, valt het honoreringspercentage van 16% tegen.
| Tabel 16.4: Vernieuwingsimpuls (aantallen honoreringen) | |||
|---|---|---|---|
| Streefwaarde 2003 | Realisatie 2003 | Aandeel vrouwen | |
| Veni-toekenningen | 80 (115)* | 82 | 38% |
| Vidi-toekenningen | 75 | 79 | 16% |
| Vici-toekenningen | 25 | 26 | 24% |
*Toelichting: De streefwaarde van de Veni's betreft een gemiddelde waarde over meerdere jaren. Hierdoor kan het jaarlijkse resultaat, zowel in positieve als negatieve zin, sterk afwijken van deze streefwaarde. Over meerdere jaren genomen wordt de gehanteerde gemiddelde streefwaarde wel gerealiseerd.
In 2003 is de Vernieuwingsimpuls nieuwe stijl geëvalueerd door Technopolis. Uit de evaluatie blijkt duidelijk dat de Vernieuwingsimpuls een breed gewaardeerd programma is. Als sterke punten komen naar voren: het persoonsgerichte karakter, stimulering van onderzoekstalent op nationaal niveau, verbetering van het loopbaanperspectief en verhoging van kansen voor baanbrekend onderzoek. Begin 2004 zal de minister haar reactie op de evaluatie aan de Tweede Kamer zenden.
Figuur 16.7: De ontwikkeling van het aandeel vrouwen bij universiteiten, per functiecategorie

Bron: VSNU/WOPI, 2003
Figuur 16.8: Het aandeel vrouwelijk wetenschappelijk personeel bij universiteiten, 2000

Bron: EU, She figures, 2003
Figuur 16.7 laat zien dat bij alle functiecategorieën van het universitair wetenschappelijk personeel er sprake is van een stijging in het aandeel vrouwen. Als deze cijfers internationaal worden vergeleken (zie figuur 16.8), verblijft Nederland in vergelijking met de andere EU-landen in de achterhoede met een 11de positie als het gaat om het aandeel vrouwen voor de WP-categorieën gezamenlijk en zelfs op de 14de positie als het om hoogleraren gaat.
Het Aspasia-programma richt zich op het verbeteren van het doorstromen van vrouwen naar de positie van universitair hoofddocent (uhd). NWO die het programma sinds 1999 uitvoert heeft twee ronden gehouden, in 2000 en in 2002. Doel was het aantal vrouwelijke uhd's met tenminste 100 te verhogen. Dit aantal is ruimschoots bereikt. In totaal zijn 168 vrouwen benoemd tot universitair hoofddocent, mede dankzij extra bevorderingen door de universiteiten. Hoewel het programma nog niet volledig is afgerond kan gezegd worden dat deze uitkomst succesvol is en in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de stijging van het aantal vrouwen in uhd-posities. Zoals uit figuur 16.7 is op te maken, is in de periode 1999–2003 het landelijke percentage vrouwelijke uhd's gestegen van 8,6% naar 13,7%. Hoewel het programma tot en met 2004 doorloopt, zullen er geen indieningsronden meer worden gehouden. De financiering van het programma in 2003 betrof uitsluitend de al gehonoreerde aanvragen.
In 2003 is de tweede ronde van het Aspasia-programma geëvalueerd door het Nederlands Genootschap Vrouwenstudies op verzoek van het Landelijk Overleg Emancipatie Kwaliteit Wetenschappelijk Onderwijs (LOEKWO). De evaluatie bevestigde dat het Aspasia-programma heeft geleid tot een effectieve bevordering van vrouwelijke universitaire docenten naar de positie van universitair hoofddocent, en toonde aan dat het programma ook een positief neveneffect heeft gehad op de doorstroom van vrouwelijke uhd's naar hoogleraarposities. Figuur 16.7 toont aan dat het aandeel vrouwen in alle functiecategorieën van het wetenschappelijke personeel de laatste jaren is gestegen. Om deze opwaartse trend door te zetten en het aandeel vrouwen in de hogere wetenschappelijke functies verder te versterken heeft de minister besloten het Aspasia-programma na 2004 te continueren.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Om de loopbaanperspectieven voor talentvolle jonge onderzoekers en vrouwen te verbeteren zijn twee instrumenten ingezet: de Vernieuwingsimpuls en het Aspasia-programma. Beide zijn persoonsgerichte stimuleringen die zijn uitgevoerd door NWO en succesvol zijn verlopen. Dit werd bevestigd door de evaluatie van beide programma's die in 2003 zijn uitgevoerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.5: Vernieuwingsimpuls en Aspasia (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Vernieuwingsimpuls | 10 437 | 10 437 |
| Aspasia | 431 | 431 |
Gezien het succes van de bovengenoemde programma's, dat zowel uit de resultaten als uit de evaluaties blijkt, kan worden gesteld dat de inzet van middelen zeker hebben opgeleverd wat aanvankelijk was voorzien.
16.3.2 Zorgen voor specifieke stimulering voor kennisopbouw voor de toekomst
Om te zorgen dat het Nederlandse onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten, investeert de overheid naast de bestaande geldstromen in een aantal specifieke thema's. Deze thema's vragen vanwege hun potenties om bijzondere prioriteitsstelling en financiering. Bij de meeste thema's is sprake van cofinanciering door de betreffende onderzoeksinstelling en/of andere departementen. Een aantal thema's komt hieronder aan bod.
16.3.2.1 Investeringen uit het Fonds Economische Structuur versterking (FES)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met deze investeringen uit het FES in de kennisinfrastructuur, de Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking/werkgroep kennisinfrastructuur(ICES/KIS)-investeringen, wordt beoogd kwalitatief hoogwaardige netwerken in de kennisinfrastructuur te realiseren, die inspelen op lange termijn kennisvragen, evenals vernieuwende onderzoeksgebieden te identificeren en te stimuleren. Deze investeringen vereisen een meerjarige termijn om de beoogde effecten te bewerkstellingen.
Vanuit de ICES/KIS-2-impuls beheert OCW drie projecten, namelijk BioMaDe, Delft Cluster en Watergraafsmeer. Met een jaar verlenging, was 2003 het laatste jaar van de subsidieperiode. Eventuele continuering van deze projecten was onderdeel gemaakt van de besluitvorming over ICES/KIS 3. Een eindrapportage over de ICES/KIS-2-projecten is voorzien in 2004.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Volgens verwachting kunnen de bovengenoemde ICES/KIS-2-projecten worden voortgezet op basis van de besluitvorming over de ICES/KIS-3 programma's. Daarnaast is volgens plan de besluitvorming over de ICES/KIS-3-impuls in 2003 door het kabinet afgerond.
Medio 2002 besloot het kabinet, na raadpleging van kennisinstellingen en bedrijven, om de ICES/KIS-3 middelen in te zetten op vijf thema's. Het gaat om de thema's informatie- en communicatietechnologie; hoogwaardig ruimtegebruik; duurzame systeeminnovaties; microsysteem- en nanotechnologie; gezondheids-, voedings- , gen-, en biotechnologische doorbraken. Op 28 november 2003 heeft het Kabinet besloten om aan 34 programma's subsidies toe te kennen met een totale omvang van € 800 miljoen. De inzet van de ICES/KIS-3 middelen worden geregeld vanuit het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (BSIK, Staatsblad december 2002, nr. 649).
Onder het beheer van OCW komen 14 projecten te vallen, waaronder de continuering voor een volgende periode van de projecten BioMaDe en Delft Cluster. Het project Watergraafsmeer wordt via andere projectplannen deels voortgezet. Daarnaast zijn de volgende projecten onder het penvoerderschap van OCW gebracht: bricks (fundamenteel onderzoek in de informatica); VL-E (Virtueel laboratorium voor e-science); LOFAR (ict-toepassingen voor radiotelescopie); een omnibusvoorstel van zes projecten op het gebied van het genomics-onderzoek; het project «Stem Cells in development and disease» en tenslotte het project «Dutch program for tissue engineering». De subsidie voor deze projecten beloopt in totaal € 248,9 miljoen voor de periode tot en met 2010.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De lopende ICES/KIS-projecten hebben door aangegane verplichtingen het beschikbare budget van ICES/KIS-2 uitgeput. De financiering van de projecten kwam ook in 2003 uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES)
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brief van 1 juli 2003 van de staatssecretaris van Economische Zaken met voortgangsrapportage over de ICES-investeringsimpulsen, waaronder de voortgang van de ICES/KIS-2 projecten.
• Brief van 28 november 2003 door de minister van Economische Zaken met het Kabinetsbesluit over de ICES/KIS-3-projecten.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het Nationaal regieorgaan Genomics, dat in 2002 bij NWO van start is gegaan, heeft in 2003 verder uitvoering gegeven aan een nationale strategie om door extra stimulering het Nederlandse genomics-onderzoek binnen vijf jaar (in 2006) bij de wereldtop te laten behoren. Bij deze strategie staan excellentie in kennis, innovatie, communicatie en maatschappelijke verantwoording centraal (Nationale Genomics Strategie, Strategisch plan 2002–2006; kabinetsstandpunt 18 juli 2002).
Met de uitvoering van de geplande activiteiten is goede voortgang geboekt. Nederland staat inmiddels op de internationale onderzoekskaart door de grote investeringen op dit terrein voor het oprichten van de onderzoekszwaartepunten. Opvallend hierbij is de samenwerking tussen onderzoeksgroepen, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De eerste inhoudelijke jaarrapportage van het Nationaal regieorgaan Genomics is in de zomer aan de Tweede Kamer aangeboden. In het jaarverslag geeft het regieorgaan aan welke activiteiten in 2002 zijn ontplooid op grond van de aanbevelingen gedaan door de Commissie Wijffels (rapport Wijffels, april 2001).
In het begin van 2003 konden de vier zwaartepunten nog niet volledig van start gaan, vanwege de toetsing aan het EU onderzoek- en ontwikkelingssteunkader. De voorbereiding voor de aanmelding tot toetsing heeft zeer veel tijd gevergd. Om te voorkomen dat door de opgelopen vertraging de beoogde resultaten van de eerste vijfjaarsperiode niet gehaald worden, is besloten de instellingstermijn van het regieorgaan met 2 jaar te verlengen tot eind 2008. Na positieve beschikking uit Brussel eind oktober 2003 konden de consortium agreements van de onderzoekszwaartepunten worden getekend. De zwaartepunten kunnen nu volledig van start gaan, met naast het al opgestarte fundamentele onderzoek ook toegepast onderzoek bij het bedrijfsleven.
Ook is in 2003 de stichting BioASP (Bioinformatica Application Service Provider) van start gegaan. Dit is onderdeel van het National Bioinformatics Centre, één van de nationale centra ter ondersteuning van het Genomics-onderzoek.
Voor verdere versterking van het onderzoek is via BSIK-voorstellen voor € 87,1 miljoen toegevoegd aan de Genomics impuls. De gehonoreerde voorstellen betreffen vier consortia op het terrein van ecogenomics, virusinfecties, koeliaki en nutrigenomics, en voorstellen van twee nationale centra op het gebied van bioinformatica en proteomics.
In verband met de effectmeting van de Genomics impuls is in het najaar van 2003 een nulpuntsmeting, verricht door TNO-stb in samenwerking met CWTS, gepubliceerd. Deze nulpuntsmeting zal een basis vormen voor een mid-term review (begin 2005) en een eindterm review (medio 2007).
De financiële verantwoording is onderdeel van het reguliere financiële jaarverslag van NWO dat begin juli is verschenen.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.6: Genomics (x € 1 000) | |
|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 |
| 11 345 | 11 345 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Op 29 juli is het jaarverslag 2002 van het Nationaal regieorgaan Genomics aan de Tweede Kamer aangeboden (kenmerk: OWB/WG/2003/17 669).
16.3.2.3 BPRC en voorzieningen primatenonderzoek
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Primatenonderzoek wordt in Nederland ondermeer uitgevoerd bij het Biomedical Primate Research Centre (BPRC). Doel van het primatenonderzoek is biomedisch onderzoek ten behoeve van de volksgezondheid, waarbij gebruik gemaakt wordt van primaten. De conclusies van een advies van de KNAW commissie voor primatenonderzoek hebben geleid tot de constatering dat onderzoek met chimpansees in Nederland niet meer nodig is en dat de chimpansees van het BPRC moeten worden uitgeplaatst. Onderzoek met kleinere primaten ten behoeve van de volksgezondheid is echter nog steeds nodig. Een en ander heeft geleid tot de volgende doelstellingen van beleid:
• volledige vernieuwing van de huisvesting van de apen in de jaren 2002 tot en met 2004;
• verbod van onderzoek met chimpansees en andere mensapen;
• uitplaatsen van alle chimpansees uit het BPRC;
• afsluiten van het commerciële standaard testonderzoek;
• terugbrengen van het aantal proefdieren in de periode 2002–2005 van 400 naar 230 en vermindering van de omvang van de kolonie van 1600 naar 1000 dieren;
• oprichting door het BPRC van een afdeling voor de ontwikkeling van alternatieven voor proeven met primaten.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
In 2003 heeft dit beleid tot de volgende concrete acties en resultaten geleid:
• De nieuwbouw van de apengebouwen bij het BPRC ligt goed op schema. Najaar 2002 is een aanvang gemaakt met de vernieuwing van het eerste resusapenverblijf dat in de zomer van 2003 gereed gekomen is. Voorjaar 2004 komen de volgende twee gebouwen gereed;
• Het onderzoek met chimpansees is verboden via een wijziging van de Wet op de Dierproeven;
• In 2003 zijn geen chimpansees uitgeplaatst. In mei werd tussen Stichting AAP, het BPRC en de overheid een convenant hiertoe ondertekend. De bouw van de onderkomens voor de BPRC chimpansees in Spanje en in Almere bij de Stichting AAP zal respectievelijk in 2004 en 2005 starten;
• Het commerciële testonderzoek is vrijwel geheel afgestoten. Er is nog één contract dat in maart 2004 afloopt;
• De vermindering van het aantal proefdieren en de kolonie ligt goed op schema;
• In 2003 is de afdeling Comperative Genetics and Environment van start gegaan. Deze afdeling maakt geen gebruik van proefdieren. De afdeling Alternatieven voor Dierproeven verkeert eind 2003 in de oprichtingsfase.
Ter realisatie van dit beleid is de exploitatiesubsidie van het BPRC in 2003 verhoogd naar € 6,2 miljoen (exclusief de kosten voor de uitplaatsing van de chimpansees). Verder heeft de minister van VWS in overleg met de minister van OCW ervoor gezorgd via een wijziging in de Wet op de dierproeven, dat proeven met chimpansees nu verboden zijn.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.7: BPRC/Stichting AAP – voorzieningen primatenonderzoek (x € 1 000) | |
|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 |
| 6 840 | 6 939 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brief van 29 april 2003 (kenmerk: OWB/WG/03/8238) met antwoorden op vragen uit de Tweede kamer over de uitplaatsing van chimpansees van het BPRC.
• Brief van 11 juni 2003 (kenmerk: OWB/FO/2003/17642) met informatie over het convenant betreffende uitplaatsing van chimpansees.
16.3.2.4 Conservering («Metamorfoze»)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Het doel van het nationale programma Metamorfoze is het inlopen van de grote achterstanden in het behouden van het nationale papieren erfgoed. Op basis van een selectiemodel en het beschikbare budget is gekozen voor een gefaseerde aanpak. De eerste fase (1997–2000) is volgens planning verlopen. In 2001 is begonnen met de tweede fase. De doelstelling hiervan is aan de hand van streefwaarden een beperkt deel van de grote achterstanden in te lopen. In 2003 is voortgang geboekt volgens planning. De doelstelling zal naar verwachting zijn gerealiseerd in 2004. Zoals uit de overzichtstabel blijkt, zal hiermee slechts een beperkt deel van de totale problematiek zijn opgelost.
De onderstaande tabel geeft een indruk van de omvang van de totale problematiek, van de nagestreefde doelen voor de conservering tegen het eind van de tweede fase van het programma, het aandeel daarvan op de totale problematiek, de in 2003 gerealiseerde aantallen en wat de omvang van de achterstand ultimo 2003, respectievelijk na afloop van de tweede fase in 2005 is.
| Tabel 16.8: Metamorfoze (1997–2004) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Boeken | Tijdschriften | Literaire collecties | Cultuur-historische collecties | Internationale collecties | |
| Omvang totale problematiek | 400 000 | 30 000 | 200 | 53 | 23 |
| Streefwaarden conservering tot 2005 (fase 1+2) | 65 000 | 1 750 | 152 | 25 | 15 |
| % van totale problematiek | 16 | 5,8 | 76 | 47 | 65 |
| Reeds gerealiseerd t/m 2002 | 52 800 | 947 | 118 | 13 | 6 |
| Gerealiseerd in 2003 | 10 000 | 500 | 4 | 5 | 3 |
| % van totale problematiek | 2,5 | 1,7 | 2,0 | 10 | 13 |
| Nog te realiseren tot 2005 | 2 200 | 303 | 30 | 7 | 6 |
| % van totale problematiek | 0,6 | 1,0 | 15 | 13 | 26 |
| Nog te conserveren na afloop fase 2 | 335 000 | 28 250 | 48 | 28 | 8 |
| % van totale problematiek | 84 | 94 | 24 | 53 | 35 |
Bron: tussentijdse rapportage door de KB, januari 2004.
Toelichting:
•In afwijking van eerdere opgaven in de begroting zijn de oorspronkelijke cijfers over de omvang van de totale problematiek bijgesteld op basis van nader onderzoek door de KB.
•In afwijking van een eerdere opgave in de begroting is het aantal cultuurhistorische collecties beperkt tot de problematiek van de A-collecties.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Voor de periode 2001–2004 is de tweede fase van het programma Metamorfoze in werking getreden. De coördinatie is in handen van de Koninklijke Bibliotheek. Samengevat komt de aanpak voor deze fase er op neer dat de achterstand in het behoud van het papieren erfgoed gedeeltelijk wordt weggewerkt door:
• voortzetting van het microverfilmen en gedeeltelijk ontzuren van gedrukte publicaties (de Nederlandse Boekproductie van 1900–1909);
• het microverfilmen en digitaliseren van literaire collecties;
• het microverfilmen van cultuurhistorische en internationaal waardevolle collecties, en van een aantal geïllustreerde tijdschriften.
Dit is in overeenstemming met de oorspronkelijk vastgestelde aanpak. Voor het jaar 2003 is deze aanpak daarom voortgezet.
Met de Koninklijke Bibliotheek is op reguliere basis overleg gevoerd over de voortgang van het programma. In het kader van het met de KB overeengekomen convenant betreffende prestatie-indicatoren, is ook een set indicatoren ontwikkeld voor een meer transparante verantwoording over van de bereikte resultaten van het programma Metamorfoze. Deze maken inmiddels onderdeel uit van de jaarlijkse verantwoordingsdocumenten van de KB.
In 2003 is op verzoek van de minister een interne evaluatie uitgevoerd door de beoordelingscommissie Metamorfoze. Het betreft een tussentijdse evaluatie van de uitvoeringsfase 2001–2004. De uitkomsten ervan zullen worden verwerkt in een brief die de minister voornemens is in 2004 naar de Kamer te zenden. In deze brief zal de problematiek van het behoud in den brede aan de orde worden gesteld.
De minister heeft samen met de staatssecretaris voor cultuur de KB, het Nationaal Archief en het Instituut Collectie Nederland in 2003 gevraagd om tot intensievere samenwerking te komen op het gebied van het duurzame behoud van papieren en digitale documenten. Metamorfoze maakt daar onderdeel van uit. In dat verband zullen de instellingen gezamenlijk voorstellen gaan doen voor de besteding van de middelen voor behoud voor de komende jaren. Wel is al besloten dat het Metamorfoze-programma wordt verbreed tot de archiefsector.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.9: Metamorfoze (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| Wetenschapsbeleid (*) | 681 | 681 |
| Cultuurbeleid | 735 | 735 |
*Toelichting: onderdeel van artikel 16.3 coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid.
16.3.3 Zorgen voor een goede coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid
16.3.3.1 Wetenschap en techniekcommunicatie (Stichting WeTeN)
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel van het beleid is het vergroten van de toegankelijkheid en de verspreiding van onderzoeksresultaten voor een breed publiek. In dat verband wordt beoogd de wetenschap en techniekcommunicatie (wtc) te intensiveren door het creëren van bewustwording bij het publiek van het belang van wetenschap en techniek, het versterken van het draagvlak voor een evenwichtige verdere ontwikkeling van wetenschap en techniek in de kennissamenleving en het stimuleren van het debat over wetenschapstoepassingen.
De nota over wetenschaps- en techniekcommunicatie Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk uit 2000 geeft WeTeN een belangrijke rol voor de uitvoering van het overheidsbeleid. WeTen moest als intermediair een goede makel/schakelfunctie vervullen tussen wtc-organisaties en deze organisaties financieel en professioneel ondersteunen.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
Bij de verantwoording over het functioneren van WeTeN zijn per functie outputcriteria gedefinieerd. WeTeN heeft in haar verantwoordingsrapportage 2002 (juni 2003) voor de eerste maal gerapporteerd over haar activiteiten met de outputcriteria als uitgangspunt. WeTeN heeft in deze rapportage verantwoording afgelegd op het geaggregeerde niveau van de indicatoren, namelijk op het niveau van de drie onderscheiden hoofdtypen indicatoren:
• Landelijk expertisecentrum. Onder deze functie wordt gekeken of de klanten van WeTeN voor de meerderheid tevreden zijn over inhoudelijk werk respectievelijk de service (financiële ondersteuning) en of er waardering in het veld is voor de effectiviteit van elk ingezet (interactief) overdrachtskanaal. WeTeN rapporteert dat de gemiddelde waardering tussen de ruim voldoende en goed ligt.
• Makelaar landelijke en regionale initiatieven (inclusief verbreding adoptierelaties en het project Kennislink). Bij deze functie gaat het om het aantal organisaties dat deelneemt aan de invulling van het jaarthema en het daarmee gerealiseerde publieksbereik. Tevens gaat het om het aantal bemiddelingsprojecten op het totale aantal projecten, naar het aantal samenwerkingsrelaties per project, de waardering in het veld en naar de landelijke en regionale spreiding van het publieksbereik. WeTeN geeft aan dat het publieksbereik in de periode 2000 tot en met 2002 is toegenomen van bijna 3 miljoen tot ruim 9 miljoen deelnemers, bezoekers en kijkers. De inzet van massamedia speelt hierbij een grote rol. Ook is het bereik van professionals in het veld toegenomen evenals het aantal deelnemende organisaties aan het jaarthema en aan de WetenWeek.
• Financiële ondersteuning van het veld van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek. Hier wordt gekeken naar het publieksbereik in aantallen en duur van bereik, gerelateerd aan het door WeTeN ingezette volume geld. Daarbinnen wordt ook gelet op de landelijke spreiding van dat bereik. De streefwaarden met betrekking tot de financiële ondersteuning zijn echter moeilijk te bepalen. Voor de overige streefwaarden, spreiding bereik regio en informatieretentie, zijn geen waarden te bepalen.
In 2003 is WeTeN geëvalueerd. De commissie stelt dat het niet goed mogelijk is om WeTeN te scoren op de outputcriteria. De commissie concludeert in haar rapport dat voortzetting van WeTeN in de huidige vorm geen optie is. In haar toekomstvisie voor de uitvoering van het beleid voor wetenschap- en techniekcommunicatie, acht de commissie een gezaghebbende programmaraad wenselijk, waarvan Stichting WeTeN het secretariaat zou kunnen voeren. Begin 2004 wordt het rapport voor commentaar voorgelegd aan de meest betrokken organisaties en vervolgens kan de Tweede Kamer een reactie op de conclusies en aanbevelingen van het rapport tegemoet zien. Daarbij spelen de uitgangspunten die zijn neergelegd in het Wetenschapsbudget een rol, te weten: een meer regionale invulling, een intensievere relatie tussen communicatie en educatie, en een grotere plaats voor de science centra.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.10: Stichting WeTeN (x € 1 000) | |
|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 |
| 2 549 | 2 785 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brief van 14 januari 2003 (kenmerk: OWB/AI/03/594) met informatie over de voortgang van het project Kennislink.
• Rapportage naar aanleiding van de evaluatie en de toekomstvisie (16 december 2003, brief OWB/AI/2003/53185).
16.3.3.2 Wisselwerking onderzoek en bedrijfsleven
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Doel van het beleid is te bevorderen dat meer gebruik wordt gemaakt van de hoogwaardige kennis uit fundamenteel onderzoek om de mogelijkheden voor innovatie optimaal te kunnen benutten. Hiervoor is het nodig de wisselwerking te versterken tussen het onderzoek en het bedrijfsleven. Om dit doel te bereiken zijn op basis van de uitkomsten van diverse verkenningsstudies twee beleidsacties gestart. Het gaat allereerst om de evaluatie van de brugfunctie TNO (Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) en de grote technologische instituten (de zgn. gti's). In de tweede plaats gaat het om de stimulering van een universitair octrooibeleid.
De evaluatie van de brugfunctie van TNO en de gti's (ECN, MARIN, NLR, WL en GeoDelft) heeft ten doel om meer inzicht te krijgen in de rol die deze onderzoekinstituten spelen in het tot stand brengen van de vertaalslag van het (fundamentele) onderzoek in de universiteiten naar de toepassingen in het bedrijfsleven en de overheid. Deze evaluatie is begin 2003 van start gegaan en zal in mei 2004 een rapport opleveren dat door een externe commissie wordt opgesteld. Op grond van dat rapport zal vervolgens het Kabinet medio 2004 de nodige beslissingen nemen. In 2003 is dus nog geen sprake van een eindresultaat. Wel hebben de in 2003 ondernomen activiteiten de beoogde resultaten opgeleverd.
Het doel van de beleidsactie gericht op het universitaire octrooibeleid is de totstandkoming van een actief en professioneel uitgevoerd octrooibeleid binnen de universiteiten. Dat doel is in 2003 dichterbij gekomen, getuige de toenemende belangstelling en discussie over het belang van octrooien binnen de universitaire wereld (zie hieronder). Het betreft hier een meerjarige beleidsactie, waarvoor pas op langere termijn het doel kan worden bereikt.
Hebben we gedaan wat we zouden doen?
De beoogde activiteiten rond de evaluatie van de brugfunctie zijn in 2003 volgens plan verlopen. Allereerst is een plan van aanpak opgesteld, mede op basis van een gevraagd advies van de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid dat in december 2002 verscheen. Dat plan van aanpak is op 10 maart 2003 door de minister van OCW ter kennisneming aan de Tweede Kamer toegezonden. Er is een externe evaluatiecommissie ingesteld onder leiding van de heer Wijffels, die goede voortgang maakt. De betrokken instituten (TNO en de gti's) hebben volgens schema begin september 2003 ieder een rapport met de resultaten van de door hen uitgevoerde zelfevaluatie opgeleverd. De genoemde Commissie Wijffels heeft, mede aan de hand van deze zelfevaluaties, begin november gesprekken gevoerd met de directies van ieder van deze instituten. De in deze gesprekken verkregen inzichten, evenals het materiaal van drie op verzoek van de commissie uitgevoerde studies, vormen de basis voor het door de commissie op te stellen rapport. Dat rapport zal in mei 2004 gereed zijn.
Ook de plannen voor het tot stand brengen van een universitair octrooibeleid zijn in 2003 goed op gang gekomen. Er is met de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten overleg gevoerd over de oprichting van een nationaal netwerk van professionals die zich binnen de universiteiten bezig houden met kennisbescherming en kennisoverdracht. De VSNU is bezig met het formuleren van een definitief actieplan, dat naar verwachting begin 2004 gereed zal zijn. OCW en EZ hebben het belang benadrukt om waarborgen te scheppen voor de noodzakelijke hoge kwaliteit van het nationale netwerk.
In 2003 is eveneens voortgang gemaakt met het ontwerpen van een regeling voor de financiële ondersteuning van het aanvragen van octrooien door de universiteiten. Hierover is met de VSNU overleg gevoerd.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
De kosten van de werkzaamheden van de Commissie Wijffels en de studies die door externe bureaus zijn uitgevoerd, worden opgebracht door OCW samen met de ministeries van EZ, V&W, LNV en Defensie. De bijdrage van OCW is betaald uit de beschikbare budgetten voor evaluatieonderzoek. De kosten bleven in 2003 binnen het ter beschikking gestelde budget.
Aan de acties gericht op het tot stand brengen van een universitair octrooibeleid waren in 2003 geen budgettaire consequenties verbonden.
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
Brief van 10 maart 2003 (kenmerk: OWB/AI/2003/2095) met het plan van aanpak voor de evaluatie van de brugfunctie.
16.3.3.3 Internationale wetenschappelijke samenwerking
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?
Met het beleid gericht op internationale samenwerking in wetenschappelijk onderzoek worden de volgende doelen beoogd:
• verhoging van de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek door aan te sluiten bij het beste onderzoek in andere landen;
• verschaffen van toegang tot kennis die elders wordt geproduceerd;
• bundeling van middelen om toegang te verkrijgen tot dure onderzoeksfaciliteiten, waarvoor wij niet zelf de middelen hebben;
• versterking van de positie van het Nederlandse onderzoek in Europa.
Door ons verdragslidmaatschap en de daaraan verbonden contributieverplichting was ook in 2003 deelname van veelbelovende en al gearriveerde Nederlandse onderzoekers aan de onderzoeksfaciliteiten van de vijf grote internationale toponderzoeksorganisaties (CERN, ESO, ESA, EMBL en EMBC) mogelijk. De bilaterale samenwerking met drie prioriteitslanden (China, Indonesië, Rusland) werd tot tevredenheid en volgens planning gerealiseerd. In het geval van de samenwerking met Hongarije zijn er in 2003 tegenvallende resultaten geconstateerd (toelichting hieronder).
Nederlandse onderzoekers hebben naar tevredenheid geparticipeerd in het eind 2002 afgesloten Vijfde Kaderprogramma (1998–2002). Uit een gezamenlijke rapportage van Senter/EG-Liaison blijkt dat Nederland, zoals beoogd, heeft gescoord met een gemiddeld retourpercentage van ongeveer 6%. Daarmee lag het gemiddelde van de Nederlandse deelname op vrijwel elk thema hoger dan het Europese gemiddelde. In het eerste jaar van het in 2003 gestarte Zesde kaderprogramma (2002–2006) is deze lijn voortgezet.
Hebben wij gedaan wat we zouden doen?
Met betrekking tot de vijf internationale onderzoeksorganisaties is het volgende bereikt:
• Vanaf 2002 heeft het Europese centrum voor deeltjesfysica CERN als hoofdtaak om de nieuwe deeltjesversneller LHC (Large Hadron Collidor) te bouwen. Het project kost € 4 miljard en moet in 2007 zijn afgerond. In 2003 is het project in tijd en kosten op schema gebleven. CERN heeft tweederde van de productiemiddelen van de organisatie (mensen en geld) besteed aan dit project. De politieke betrokkenheid bij de organisatie heeft ook dit jaar geleid tot samenwerkingsovereenkomsten met een aantal niet-lidstaten. De Nederlandse deelname is van dusdanig niveau dat de wetenschappelijke leiding van CERN de komende jaren in handen van een Nederlander ligt;
• Door de toetreding van Engeland in de ESO in 2002 is het budget in 2003 met 20% gestegen zonder extra bijdragen van de andere lidstaten. Hiermee is het mogelijk geworden om naast de verdere uitbouw van de Very Large Telescope, de grootste ter wereld, in 2003 een start te maken met de constructie van ALMA. De ALMA (Atacama Large Millimeter Array) in Chili bestaat uit 64 radiotelescopen op een hoogte van 5000 meter. Dit project wordt samen met de Verenigde Staten uitgevoerd. De tot de wereldtop behorende Nederlandse astronomen, organisaties en instituten op het terrein van het wetenschappelijk astronomisch onderzoek en de bouw van geavanceerde instrumenten nemen zeer actief deel aan de programma's van ESO;
• In mei 2003 is tijdens een ESA ministersconferentie het besluit genomen dat, door herprioritering van het ESA lanceerprogramma, de onafhankelijke toegang van Europa tot de ruimte in stand gehouden moet worden. Na jarenlange onderhandelingen hebben de EU en ESA in november 2003 een overeenkomst getekend voor verdere samenwerking binnen Europa op het gebied van Ruimtevaart. Tevens is een Witboek Ruimtevaart uitgebracht door de EU. Het nationale ruimtevaartbeleid van 2003 stond in het bijzonder in het teken van de voorbereiding van de ruimtevlucht van André Kuipers. In april 2004 zal deze ESA astronaut voor een wetenschappelijke en educatieve missie, DELTA genaamd, naar het ruimtestation ISS gaan;
• In de Raad voor het EMBL (European Molecular Biology Laboratory) is de Strategic Forward Look 2006–2015, een nieuw wetenschappelijk programma, aanvaard. In dit document wordt als grootste uitdaging gezien: de Systeem Biologie, en de uitdaging van de internationale competitie met de VS en Japan. De overeenkomst Partnership for Structural Biology (samenwerking tussen EMBL, ESRF, Institut Laue-Langevin (ILL) en Institut Biologie Structurale (IBS) alle in Grenoble) is ondertekend. EMBL ontwikkelt zich hiermee als een sterk Europees centrum voor functionele genomics;
• In de Raad van het EMBC (European Molecular Biology Conference) is in 2003 een discussie gestart over de strategie voor het toekomstige programma van activiteiten. De Raad heeft een programma op het terrein van Science and Society goedgekeurd. De betrokkenheid van Nederlandse onderzoekers bij het EMBC blijkt wel uit de verkiezing van een Nederlander tot vice-voorzitter in de Raad van het EMBC.
Met betrekking tot de versterking van de positie van het Nederlandse onderzoek in Europa is het volgende bereikt:
• Eind 2003 zijn de definitieve resultaten bekend geworden van de Nederlandse deelname in het vijfde kaderprogramma (1998–2002). Nederland heeft daarin naar tevredenheid gescoord met een retourpercentage van ongeveer 6%. Daarmee lag het gemiddelde van de Nederlandse deelname op vrijwel elk thema hoger dan het Europese gemiddelde. Nederland heeft deze resultaten in 2003 doorgezet in het eerste jaar van het zesde kaderprogramma (dat formeel loopt van 2002–2006), ondanks de kinderziektes die de start van nieuwe modaliteiten met zich mee hebben gebracht;
• Nederland heeft in 2003 zowel financieel als in ondersteunende zin succesvol bijgedragen aan het tot stand komen van het EDCTP-programma (European and Developing Countries Clinical Trials Partnerships-programma). Het betreft een uniek en omvangrijk Europees-Afrikaans samenwerkingsverband tussen 14 EU landen, Noorwegen en een groot aantal Afrikaanse landen. In het EDCTP werken topinstituten en toponderzoekers samen op het gebied van armoedegerelateerde infectieziekten. Nederland heeft zich in 2003 op succesvolle wijze sterk gemaakt om het secretariaat van dit programma in ons land te huisvesten. Het secretariaat dat de internationale coördinatie van het programma verzorgt is sinds de zomer 2003 gehuisvest bij NWO, dat een coördinerende rol speelt bij de Nederlandse inbreng in dit programma. De huisvesting zal naar verwachting een gunstige uitwerking hebben op de positionering van NWO in de Europese onderzoeksruimte;
• In 2003 is door Nederland in Europees verband verder meegewerkt aan het realiseren van de 3%-doelstelling van Barcelona. De uitwerking van deze doelstelling om 3% van het Europese BNP aan onderzoek te besteden in 2010 vindt plaats op basis van het Europese actieplan«Investeren in onderzoek». Nadere informatie wordt gegeven in het Wetenschapsbudget 2004;
• 2003 heeft voornamelijk in het teken gestaan van de voorbereidingen op het EU-voorzitterschap dat Nederland in de tweede helft van 2004 in handen zal hebben. Samen met Ierland is er gewerkt aan de opzet van een Iers-Nederlands programma dat de prioriteiten van de beide voorzitterschappen voor 2004 vaststelt. De minister heeft in december de Tweede Kamer geïnformeerd over haar inzet tijdens het Nederlands voorzitterschap.
Met betrekking tot de bilaterale samenwerking met de 4 prioriteitslanden is het volgende bereikt:
• Met China werd in 2003 de eerste fase van het «Programma strategische wetenschappelijke allianties» afgerond. Het programma concentreert zich op samenwerking tussen toponderzoekinstituten op de gebieden materiaalonderzoek, biotechnologie/drug research en milieuonderzoek. In 2003 werd het al bestaande reguliere programma, waarin via cofinanciering onderzoeksprojecten op een breed scala aan gebieden worden gerealiseerd, door de KNAW geëvalueerd. De hoofdconclusie was dat er veel projecten van goede kwaliteit plaatsvinden en dat het programma resulteert in veel wetenschappelijke publicaties. Als gevolg waarvan werd besloten het programma te continueren. Uitvoerende organisatie voor beide programma's is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW);
• De samenwerking met Indonesië verliep in 2003 positief. Tijdens een «Open Science Meeting» in september in Jakarta toonden Indonesische en Nederlandse wetenschappers de eerste resultaten van de programmaronde van 2000;
• De samenwerking met Rusland richtte zich in 2003 op twee gekozen prioriteitsgebieden: plasma fysica en computational sciences. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voert dit programma uit. Minister Van der Hoeven bracht in september van dit jaar een bezoek aan Rusland en sprak de intentie uit deze bilaterale samenwerking ook na 2003, wanneer het huidige Memorandum of Understanding (MoU) afloopt, voort te zetten. In oktober organiseerde NWO in samenwerking met haar Russische counterpart een symposium ter gelegenheid van de 10-jarige bilaterale samenwerking op wetenschapsgebied tussen Nederland en Rusland. De zelfevaluatie van NWO van het programma met Rusland is eind 2003 ontvangen. De uitkomsten van het bezoek van de minister, het symposium en de zelfevaluatie zullen de basis vormen voor de invulling van het nieuwe MoU dat in 2004 wordt ondertekend;
• De samenwerking met Hongarije werd in 2003 uitgevoerd door NWO, TNO en het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Studies). Al in 2002 bleek dat het aantal inschrijvingen op het programma van NWO tegenviel. Dit beeld heeft zich ook in 2003 bevestigd. TNO en NIAS zullen in tegenstelling tot eerdere berichten begin 2004 haar evaluatie opstellen. In december bracht minister Van der Hoeven een bezoek aan Hongarije. De samenwerking met Hongarije vanaf 2002 geeft tegenvallende resultaten te zien. De minister heeft daarop besloten het huidige MoU niet te verlengen. In plaats daarvan ondertekende de minister een «Letter of Intent» zonder financiële consequenties. Deze geeft in Europees kader een vervolg aan de al meer dan tien jaar bestaande samenwerking. Beide landen doen gezamenlijk goed mee in de Europese kaderprogramma's. De zelfevaluatie van NWO van het programma met Hongarije is eind 2003 ontvangen. De Tweede Kamer wordt in 2004 over deze evaluatie geïnformeerd;
• Met Bulgarije en Roemenië zijn begin 2003 de voorbereidingen gestart voor een pilot-fellowship programma voor jonge onderzoekers voor de duur van één jaar. NWO is de uitvoerende organisatie van dit pilotprogramma. Na de bekendmakingen, inschrijvingen en selecties van de onderzoeksvoorstellen in 2003, zijn in december 2003 de toekenningen van de voorstellen verricht.
De AWT bracht in oktober van dit jaar een advies over de bilaterale samenwerking, waarin wordt voorgesteld de samenwerkingsprogramma's met de meeste landen te beëindigen. De minister van OCW zendt medio januari 2004 haar standpunt aan de Tweede Kamer.
Heeft het gekost wat het mocht kosten?
| Tabel 16.11: Internationale onderzoeksorganisaties (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | |
| CERN | 29 991 | 28 997 |
| ESO | 5 491 | 5 524 |
| ESA/ruimtevaart | 31 064 | 31 299 |
| EMBL | 2 541 | 2 662 |
| EMBC | 454 | 444 |
| Totaal | 69 541 | 68 926 |
| Tabel 16.12: Bilaterale onderzoekssamenwerking (x € 1 000) | |
|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 |
| 4 135 | 5 685 |
Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen
• Brieven van de penvoerende minister van Economische Zaken van 12 mei 2003 (24 446, nr. 18) en 18 juni 2003 (24 446, nr. 19) over respectievelijk het mandaat voor en het verslag van de ESA ministersconferentie van mei 2003.
• Brief van 16 december 2003 (kenmerk: IB/2003/58092) over de inzet van de minister van OCW voor het aankomend Nederlands voorzitterschap.
16.4 Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 16.13: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 110 122 | 737 162 | 745 245 | 697 100 | 48 145 | ||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Uitgaven | 757 123 | 801 650 | 773 264 | 741 357 | 31 907 | ||
| 1. Onderzoekbestel | |||||||
| NWO | 286 728 | 287 477 | 313 833 | 305 041 | 8 792 | ||
| KNAW | 74 852 | 77 063 | 78 398 | 74 566 | 3 832 | ||
| Koninklijke Bibliotheek | 28 664 | 29 871 | 31 359 | 30 450 | 909 | ||
| KNAW Bibliotheek | 2 116 | 2 189 | 2 263 | 2 205 | 58 | ||
| LF TUD Bibliotheek | 6 373 | 6 554 | 6 741 | 6 592 | 149 | ||
| IISG | 262 | 262 | 262 | 262 | 0 | ||
| SURF | 2 269 | 2 269 | 2 270 | 2 268 | 2 | ||
| CPG | 267 | 428 | 448 | 432 | 16 | ||
| NIDI | 1 466 | 1 488 | 0 | 1 632 | – 1 632 | ||
| TNO | 186 245 | 194 036 | 189 231 | 176 234 | 12 997 | ||
| BPRC/Stichting AAP | 3 339 | 6 609 | 6 939 | 6 840 | 99 | ||
| Nationaal Herbarium | 998 | 1 041 | 1 076 | 1 042 | 34 | ||
| NLR | 762 | 762 | 797 | 796 | 1 | ||
| Waterloopkundig Laboratorium | 1 190 | 1 190 | 1 190 | 1 231 | – 41 | ||
| Grondmechanica Delft | 713 | 713 | 713 | 757 | – 44 | ||
| MARIN | 803 | 771 | 680 | 885 | – 205 | ||
| STT | 171 | 177 | 182 | 177 | 5 | ||
| WeTeN | 2 384 | 2 747 | 2 785 | 2 549 | 236 | ||
| EMBC | 425 | 436 | 444 | 454 | – 10 | ||
| EMBL | 2 376 | 2 471 | 2 662 | 2 541 | 121 | ||
| ESA | 32 275 | 30 214 | 31 299 | 31 064 | 235 | ||
| CERN | 26 821 | 30 129 | 28 997 | 29 991 | – 994 | ||
| ESO | 5 492 | 5 486 | 5 524 | 5 491 | 33 | ||
| EG-Liaison | 173 | 174 | 179 | 189 | – 10 | ||
| NTU/INL | 1 027 | 1 633 | 1 357 | 1 400 | – 43 | ||
| EIB | 1 036 | 1 070 | 1 130 | 1 081 | 49 | ||
| Nader te verdelen | 60 | 414 | 267 | 1 282 | – 1 015 | ||
| Taakstelling regeerakkoord | – | – | 0 | – 311 | 311 | ||
| Subtotaal onderzoekbestel | 669 772 | 687 674 | 711 026 | 687 141 | 23 885 | ||
| 2. Specifieke beleidsthema's | |||||||
| FES | 12 071 | 27 499 | 17 109 | 11 947 | 5 162 | ||
| Genomics | 34 034 | 63 868 | 11 345 | 11 345 | 0 | ||
| Vernieuwingsimpuls | 11 345 | 9 076 | 10 437 | 10 437 | 0 | ||
| Economie Ecologie Technologie | 9 020 | 0 | 13 072 | 10 664 | 2 408 | ||
| COS | 465 | 519 | 488 | 453 | 35 | ||
| Verkenningen | 106 | 83 | 0 | 500 | – 500 | ||
| Aspasia | 274 | 431 | 431 | 431 | 0 | ||
| Taakstelling regeerakkoord | – | – | 0 | – 993 | 993 | ||
| Subtotaal specifieke beleidsthema's | 67 315 | 101 476 | 52 882 | 44 784 | 8 098 | ||
| 3. Coördinatie en samenwerking | |||||||
| Coördinatie wetenschapsbeleid | 12 786 | 8 530 | 3 671 | 5 297 | – 1 626 | ||
| Bilaterale samenwerking | 7 250 | 3 970 | 5 685 | 4 135 | 1 550 | ||
| Subtotaal coördinatie en samenwerking | 20 036 | 12 500 | 9 356 | 9 432 | – 76 | ||
| Ontvangsten | 101 108 | 108 114 | 93 270 | 80 455 | 12 815 | ||
Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
Dit artikel dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.
| Tabel 17.1: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 0 | – 65 689 | 65 689 | ||||
| Uitgaven | 0 | – 65 689 | 65 689 | ||||
| • Loonbijstelling | 0 | – 6 532 | 6 532 | ||||
| • Prijsbijstelling | 0 | 0,0 | 0,0 | ||||
| • Nader te verdelen | 0 | – 59 157 | 59 157 | ||||
| • Asielzoekers | 0 | 0,0 | 0,0 | ||||
| Ontvangsten | 0 | 2 996 | – 2 996 | ||||
De negatieve beginstand van het artikelonderdeel loonbijstelling is veroorzaakt doordat er een meerjarige cao is afgesloten met het onderwijsveld (po, vo en bve). Deze beleidsterreinen worden dan verhoogd met de afgesproken cao-middelen ten laste van het artikelonderdeel loonbijstelling. Het teveel uitgedeelde wordt daardoor negatief geparkeerd op het artikelonderdeel loonbijstelling. In het daaropvolgende jaar wordt deze negatieve stand verrekend met een deel van de volgende loonbijstellingstranche.
De negatieve stand van het artikelonderdeel nader te verdelen is veroorzaakt doordat het centrale tekort en een aantal nog te verdelen middelen naar beleidsterreinen op dit artikelonderdeel worden geparkeerd.
| Tabel 17.2: Loonbijstelling (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Toegevoegd | Uitgedeeld | Verschil | |
| Loonbijstelling 2003 (toegevoegd uit de aanvullende post) | 600 456 | 600 456 | |
| CAO-sector (po/vo/bve) | – 414 960 | – 414 960 | |
| HO-sector (hbo/wo/owb) | – 123 885 | – 123 885 | |
| Arbeidsvoorwaarden gepremieerde en gesubsidieerde sector (G&G) | – 31 309 | – 31 309 | |
| Arbeidsvoorwaarden Rijk | – 8 307 | – 8 307 | |
| Arbeid en zorg | – 6 773 | – 6 773 | |
| REA/UFO-premie | – 12 839 | – 12 839 | |
| Diversen: arbeidsvoorwaarden | 4 149 | 4 149 | |
| Totaal | 604 605 | – 598 073 | 6 532 |
In 2003 hebben zich een aantal wijzigingen op dit artikelonderdeel voorgedaan. De ontvangen loonbijstelling bedroeg in totaal € 600,5 miljoen. Uitgedeeld is € 598,1 miljoen. Deze uitdeling is lager dan de ontvangen loonbijstelling omdat de cao-middelen (2001–2003) al vóóraf aan de beleidsterreinen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie zijn uitgekeerd. Het tekort wat hierdoor is ontstaan is verrekend met de loonbijstellingstranche 2003.
De budgetten voor arbeidsvoorwaarden in het hoger onderwijs en het onderzoek- en wetenschapsbeleid zijn bijgesteld. Ook de budgetten van de beleidsonderdelen die vallen onder de sector Rijk en G&G zijn met de reguliere loonbijstelling 2003 bijgesteld. Daarnaast zijn er middelen uitgedeeld voor arbeid en zorg en de REA/UFO-premie (Reïntegratie Arbeidsgehandicapten/Uitvoeringsfonds voor de Overheid).
De post arbeidsvoorwaarden tenslotte betreft een saldering van verschillende mutaties op het terrein van arbeidsvoorwaarden.
| Tabel 17.3: Prijsbijstelling (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Toegevoegd | Uitgedeeld | Verschil | |
| Tekort prijsbijstelling 2002 (vrijgemaakt door reallocatie binnen de OCenW-begroting) | 2 074 | 2 074 | |
| Voortgezet onderwijs | – 1 674 | – 1 674 | |
| Internationaal onderwijsbeleid | – 400 | – 400 | |
| Uitdeling prijsbijstelling 2002 | – 2 074 | – 2 074 | |
| Prijsbijstelling 2003/indexering omroepbijdrage (toegevoegd uit de aanvullende post) | 56 613 | 56 613 | |
| Overschot prijsbijstelling 2003 | – 14 309 | – 14 309 | |
| Subtotaal | 42 304 | 42 304 | |
| Basisonderwijs | – 576 | – 576 | |
| Expertisecentra | – 50 | – 50 | |
| Voortgezet onderwijs | – 316 | – 316 | |
| Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | – 587 | – 587 | |
| Internationaal onderwijsbeleid | – 13 | – 13 | |
| Studiefinanciering | – 8 911 | – 8 911 | |
| Cultuur | – 897 | – 897 | |
| Media (indexering omroepbijdrage) | – 27 161 | – 27 161 | |
| Onderzoek en wetenschappen | – 2 071 | – 2 071 | |
| Bestuursdepartement | – 1 182 | – 1 182 | |
| Inspecties | – 92 | – 92 | |
| Adviesraden | – 10 | – 10 | |
| Uitvoeringsorganisaties Onderwijs | – 77 | – 77 | |
| Uitvoeringsorganisaties Cultuur | – 361 | – 361 | |
| Uitdeling prijsbijstelling 2003 | – 42 304 | – 42 304 | |
| Totaal | 44 378 | – 44 378 | 0 |
Dit artikelonderdeel heeft dezelfde functie als het artikelonderdeel loonbijstelling, maar dan voor de uitdeling van de prijscompensatie. Het betreft een bijstelling uit de aanvullende post van € 56,6 miljoen (40% van de tranche 2003) in de 1e suppletore begroting en de uitdeling van de juridisch verplichte prijsbijstelling van € 42,3 miljoen in de 2e suppletore begroting. Het restant van € 14,3 miljoen zal worden gebruikt om het tekort op de doorwerking van de prijsbijstelling tranche 2002 te beperken.
De verdeling van de prijsbijstelling over de verschillende beleidsterreinen is in de bovenstaande tabel weergegeven. Bovenstaande bedragen betreffen de juridisch verplichte prijsbijstelling. De berekening van de prijsbijstelling voor de programma's van eisen voor de materiële instandhouding primair onderwijs is wettelijk voorgeschreven en vindt plaats op basis van CPB-ramingen. Voor 2002 is de prijsbijstelling 0,07%.
| Tabel 17.4: Nominaal en onvoorzien (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Toegevoegd | Uitgedeeld | Verschil | |
| Bestandopname Wet op het onderwijstoezicht (WOT) | – 753 | – 753 | |
| Commissie gelijke behandeling | – 272 | – 272 | |
| Inverdieneffecten arbeidsmarktbeleid (LNV-aandeel) | – 250 | – 250 | |
| Eindejaarsmarge 2002/2003 | 54 017 | 54 017 | |
| Eindejaarsmarge 2003/2004 | – 66 759 | – 66 759 | |
| Voordelig saldo van toevoegingen en onttrekkingen | 73 174 | 73 174 | |
| Totaal | 60 432 | – 1 275 | 59 157 |
Het verschil van € 59,2 miljoen is als volgt te verklaren. In 2003 is voor € 0,8 miljoen naar de inspecties overgeheveld ten behoeve van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Daarnaast is er € 0,3 miljoen overgemaakt naar het ministerie van Justitie voor de commissie gelijke behandeling. De volgende post betreft het LNV-aandeel in de ombuiging van de inverdieneffecten op het arbeidsmarktbeleid. Deze middelen van € 0,3 miljoen zijn uitgedeeld aan de beleidsterreinen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hoger onderwijs.
In de ontwerpbegroting 2003 is op het artikelonderdeel «nader te verdelen» het OCW-tekort in 2003 van € 59,2 miljoen opgenomen. In 2002 eindigde OCW met een overschot van € 54 miljoen. Het overschot 2002 is via de eindejaarsmarge doorgeschoven naar 2003 en toegevoegd aan het artikelonderdeel «nader te verdelen». In 2003 eindigde OCW door diverse mee- en tegenvallers met een overschot van € 66,8 miljoen. Dit overschot zal conform de begrotingsregels onderdeel uitmaken van de eindejaarsmarge van OCW. In de Voorjaarsnota 2004 wordt er over de eindejaarsmarge besloten.
| Tabel 17.5: Ontvangsten toegevoegd uit de aanvullende post miljoenennota (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Toegevoegd | Uitgedeeld | Verschil | |
| Uitdeling: | |||
| Technocentra | – 136 | – 136 | |
| Informatie- en communicatietechnologie | – 1 406 | – 1 406 | |
| Onderzoek en wetenschappen | – 1 454 | – 1 454 | |
| Totaal | – 2 996 | – 2 996 | |
In 2003 is de prijsbijstelling over het Fonds Economische Structuurversterking (FES) ad € 3,0 miljoen uitgedeeld naar de bovenstaande beleidsterreinen.
In dit onderdeel worden de apparaatsuitgaven van het ministerie verantwoord. Het betreft de apparaatsuitgaven van:
• het bestuursdepartement (artikel 18);
• de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Cultuurbezit (artikel 19);
• de drie adviesraden: Onderwijsraad, Raad voor Cultuur, en Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (artikel 20);
• de uitvoeringsorganisaties onderwijs: de Centrale Financiën Instellingen (CFI) en Informatie Beheer Groep (IB-Groep), KPMG voor de uitvoering van de ziektekostenregeling en de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) (artikel 21);
• de uitvoeringsorganisaties cultuur: de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), het Instituut Collectie Nederland (ICN) en de Rijksarchiefdienst (RAD) (artikel 22);
• de uitvoeringsorganisaties wetenschappen: de uitvoeringsorganisatie Centrale Financiën Instellingen (CFI) zorgt voor een juiste en tijdige betaling van de bedragen waarop onderzoeksinstellingen recht hebben.
In de hierna volgende tabellen zijn voor de jaren 1999 tot en met 2001 geen realisatiecijfers ingevuld. Oorzaken hiervan zijn dat in die jaren artikel 18 niet voor de apparaatskosten werd gebruikt en dat de verschillende organisatie-onderdelen vanaf 2002 anders gegroepeerd zijn per artikel. Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.
| Tabel 1: Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 170 072 | 182 723 | 155 664 | 27 059 | |||
| Uitgaven | 164 231 | 192 806 | 155 664 | 37 142 | |||
| Bestuursdepartement | 164 231 | 192 806 | 155 664 | 37 142 | |||
| Ontvangsten | 581 | 4 343 | 567 | 3 776 | |||
| Tabel 2: Budgettaire gevolgen artikel 19 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 53 475 | 48 727 | 46 344 | 2 383 | |||
| Uitgaven | 52 396 | 48 917 | 46 344 | 2 573 | |||
| Inspectie van het Onderwijs | 50 596 | 47 497 | 45 593 | 1 904 | |||
| Inspectie Cultuurbezit | 1 800 | 1 420 | 751 | 669 | |||
| Ontvangsten | 160 | 9 | 0 | 9 | |||
| Tabel 3: Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 7 217 | 6 944 | 7 161 | – 217 | |||
| Uitgaven | 7 217 | 6 944 | 7 161 | – 217 | |||
| Onderwijsraad | 3 035 | 2 517 | 2 659 | – 142 | |||
| Raad voor Cultuur | 3 115 | 3 139 | 3 005 | 134 | |||
| Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid | 1 067 | 1 288 | 1 497 | – 209 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Tabel 4: Budgettaire gevolgen artikel 21 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 202 576 | 206 320 | 173 122 | 33 198 | |||
| Uitgaven | 202 576 | 206 320 | 173 122 | 33 198 | |||
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 48 531 | 56 732 | 42 053 | 14 679 | |||
| Informatie Beheer Groep (IBG) | 122 407 | 118 322 | 99 171 | 19 151 | |||
| Overige uitvoeringsorganisaties | 31 638 | 31 266 | 25 311 | 5 955 | |||
| Onverdeeld | 0 | 0 | 6 587 | – 6 587 | |||
| Ontvangsten | 671 | 408 | 408 | 0 | |||
| Tabel 5: Budgettaire gevolgen artikel 22 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 81 530 | 81 432 | 68 627 | 12 805 | |||
| Uitgaven | 81 530 | 81 432 | 68 627 | 12 805 | |||
| Cultuurinstellingen | 46 525 | 47 568 | 33 273 | 14 295 | |||
| Nationaal archief | 35 005 | 33 864 | 35 354 | – 1 490 | |||
| Ontvangsten | 4 094 | 3 716 | 244 | 3 472 | |||
| Tabel 6: Budgettaire gevolgen artikel 23 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 2 450 | 2 418 | 2 365 | 53 | |||
| Uitgaven | 2 450 | 2 418 | 2 365 | 53 | |||
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 2 450 | 2 418 | 2 365 | 53 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
Met de verhuizing naar de Hoftoren in oktober 2003, is dit het eerste jaarverslag van OCW vanuit Den Haag. Naast deze verhuizing heeft 2003 voor OCW vooral in het teken gestaan van de verbeteringen van de externe en interne sturing (Rekenschap en Kwaliteitsslag OCW) en de consequenties daarvan voor de organisatie. In dit hoofdstuk een terugblik daarop en een vooruitblik op de reeds in gang gezette ontwikkelingen.
Dit hoofdstuk bevat tevens de Mededeling bedrijfsvoering 2003. Met deze mededeling legt OCW verantwoording af over de bedrijfsvoering en wordt ingegaan op de bereikte kwaliteitsverbeteringen.
2. De mededeling over de bedrijfsvoering 2003
In 2003 is OCW erin geslaagd haar financiële taakstelling te realiseren en is de OCW begroting niet overschreden. Tevens is in 2003 in ruime mate uitvoering gegeven aan verbeteracties op het gebied van financieel en materieel beheer, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Auditdienst en de Algemene Rekenkamer. In bijlage 3 bij dit jaarverslag wordt uitgebreid ingegaan op de aanbevelingen van de Rekenkamer op het vorige jaarverslag en de acties die naar aanleiding daarvan door OCW zijn ondernomen.
In het verslagjaar 2003 zijn de belangrijkste bedrijfsprocessen in voldoende mate beheerst. Uitzondering hierop is het proces van de externe sturing. Ook enkele aspecten van interne sturing, zoals risicomanagement en de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord, voldoen nog niet geheel aan de gestelde eisen. In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt nader ingegaan op de hiervoor ingezette verbeteracties en beheersmaatregelen. Daarnaast heeft de Auditdienst van OCW in verband met de werkzaamheden van de Commissie Schutte geen eigen onderzoek meer uitgevoerd naar de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de door de bve- en ho-instellingen aangeleverde bekostigingsgegevens. Hierdoor heeft de Auditdienst geen zekerheid over de rechtmatigheid van de bekostiging van de instellingen in het bve- en ho-veld.
De bedrijfsvoering van OCW heeft in 2003 voor een belangrijk deel in het teken gestaan van het verbeteren van de externe en interne sturing.
3.1 Externe sturing (Rekenschap en ATC)
Actieplan Rekenschap en Motie Joldersma
Voor het verbeteren van de externe sturing door OCW van de instellingen is een Actieplan Rekenschap opgesteld. Het actieplan is in maart 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden naar aanleiding van het rapport «Ruimte voor rekenschap» en het rapport «Onregelmatigheden bekostiging (joger) onderwijs» van de Algemene Rekenkamer. In 2003 is gewerkt aan de uitvoering van dit actieplan.
De Kamer wordt conform de motie Joldersma (TK 2002–2003, 28 248, nr. 34) halfjaarlijks geïnformeerd over de concreet bereikte resultaten op het gebied van «good governance» in het (hoger) onderwijs en de cultuurverandering op het ministerie. In de rapportage van 29 september 2003 (TK 2002–2003, 28 248, nr. 42) is uitgebreid stil gestaan bij de rol en de werkwijze die het departement voor ogen staan en de nieuwe bestuurlijke verhoudingen waar naar toe wordt gewerkt.
In de rapportage van maart 2004 is ingegaan op de samenhang tussen de versterking van de interne en externe sturing en op de recente uitwerking van de nieuwe besturingsfilosofie. Tot slot is de stand van zaken geschetst van het actieplan en de maatregelen die getroffen zijn naar aanleiding van de motie Joldersma. In de volgende paragraaf wordt op een aantal van die maatregelen voor de interne sturing kort ingegaan.
Onderdeel van het Actieplan Rekenschap is de uitvoering van een vervolgonderzoek rekenschap, onder aansturing van de Commissie Schutte. Dit onderzoek heeft een tweeledig doel:
1. nagaan of alle oranje handelwijzen, dit zijn handelwijzen waarvan onduidelijk was of in strijd met de wet of de bedoeling van de wet is gehandeld, zijn in te delen in de categorieën groen (niet in strijd met de wet) en rood (in strijd met de wet). Over dit laatste onderdeel heeft de Commissie op 23 juni 2003 een rapport uitgebracht en aan de Kamer gezonden;
2. bij alle instellingen in de sectoren bve, hbo en wo nagaan of daar handelwijzen zijn voorgekomen of voorkomen die in het rapport Ruimte voor Rekenschap zijn gekenschetst als in strijd met de wet of met de bedoeling van de wet. Het rapport van de commissie is in het voorjaar van 2004 verschenen.
In verband met het onderzoek van de Commissie Schutte heeft de Auditdienst van OCW geen reviews uitgevoerd op de accountantscontrole op de bekostigingsgegevens van de instellingen in het bve- en ho-veld. Hierdoor heeft de Auditdienst geen zekerheid over de rechtmatigheid van die bekostiging.
Gedurende 2003 is gewerkt aan de beleidsregel sanctiebeleid, die in januari 2004 is gepubliceerd. De beleidsregel geldt voor alle onderwijsinstellingen. In deze publicatie wordt weergegeven op welke manier de minister gebruik zal maken van haar bevoegdheid om sancties op te leggen. De beleidsregel biedt duidelijkheid aan de onderwijsinstellingen over de toepassing van de sancties en over de opschorting en inhouding van de bekostiging in situaties waar wettelijke regels niet worden nageleefd. Verder wordt duidelijk welke procedure wordt gevolgd wanneer naar het oordeel van de minister sprake is van een overtreding of het niet naleven van de wettelijke regels.
In 2003 zijn sancties toegepast bij een aantal specifieke uitkeringen in verband met onrechtmatige besteding van middelen. Het gaat hierbij om de volgende specifieke uitkeringen:
• Voor- en vroegschoolse educatie. In de periode 2000–2002 zijn middelen verstrekt aan gemeenten voor voor- en vroegschoolse educatie (totaal € 160 miljoen). Uit de verantwoordingen van gemeenten over deze periode is gebleken dat niet alle gemeenten (170 van de 357) deze middelen (rechtmatig) hebben besteed. De oorzaken hiervoor lagen in lagere kosten van de voorbereiding en een langere opstartfase dan gepland. Deze middelen zijn in 2003 en voor een deel ook nog in 2004 teruggevorderd bij gemeenten. Totaal is in 2003 € 37 942 767 teruggevorderd.
• Rijksbijdrage educatie. In dit kader hebben 234 gemeenten een bijdrage ontvangen. In totaal 13 gemeenten zijn gesanctioneerd, waarbij in 2003 € 235 305 is teruggevorderd. Opgemerkt moet worden dat 35 gemeenten nog niet definitief zijn afgehandeld. Voor de beoordeling van die gemeenten is aanvullende informatie gevraagd.
• Gemeentelijke onderwijsachterstanden, beleidskader 1. In totaal 496 gemeenten ontvingen een specifieke uitkering GOA 1. Van de meeste gemeenten is inmiddels de verantwoording binnen over de periode 1998–2002. Bij 77 gemeenten wordt met ingang van januari 2004 in totaal een bedrag van € 5 430 459 teruggevorderd en ingezet voor de taakstelling achterstandenbeleid.
De specifieke uitkering «rijksbijdrage inburgering nieuwkomers» is buiten beschouwing gelaten. Deze uitkering is immers met ingang van 1 januari 2003 overgedragen aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
Naast de sancties bij specifieke uitkeringen lopen er nog drie sanctietrajecten in verband met het in stand houden van onvolledige scholen in het primair onderwijs. In de sector Kunsten is aan vijftien instellingen een subsidiekorting opgelegd in verband met te lage publieksinkomsten of te late indiening van de verantwoordingsstukken over 2002.
Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO-beleid)
In 2003 is de aangepaste interne richtlijn MenO-beleid vastgesteld en opgenomen in de planning en controlcyclus. Directies hebben tegelijk met hun managementafspraken een inventarisatie van MenO-gevoelige regelingen opgesteld. Op basis hiervan is bepaald welk deel van de bekostiging als restant MenO is aan te merken. Restant MenO is de MenO-gevoeligheid die (bewust) overblijft nadat alle adequate maatregelen ten aanzien van voorlichting, controle en sancties zijn getroffen. De richtlijn voorziet er in dat jaarlijks een nadere afweging door OCW zal plaatsvinden over de aanvaardbaarheid van restant MenO. Deze afweging heeft plaatsgevonden over het restant MenO van 2003. De uitkomsten daarvan zijn meegenomen in de interne planning en controlcyclus van het ministerie.
Versterking ATC (Accountability, Toezicht en Control)
Er is een projectgroep ATC ingesteld om de geconstateerde tekortkomingen in het ATC stelsel op te heffen. Ultimo 2003 is de situatie als volgt:
• OCW beschikt over een actueel ATC model met daarin een heldere beschrijving van rollen en verantwoordelijkheden voor alle actoren en een heldere beschrijving hoe moet worden omgegaan met bovensectorale regie;
• ATC maakt onderdeel uit van alle managementafspraken 2004 en is daarmee onderdeel van de cyclus van planning en control;
• alle beleidsdirecties hebben een periodiek overleg met alle toezichthouders gezamenlijk (regievoerdersoverleg toezichthouders);
• er functioneert een departementaal ATC platform;
• alle beleidsdirecties zijn gestart met het opstellen van een risicoanalyse op hun beleidsterrein om op basis daarvan nadere beheersmaatregelen te nemen;
• de Auditdienst heeft in 2003 een audit uitgevoerd op de voortgang van de directies; de Auditdienst zal jaarlijks themagerichte audits uitvoeren.
Ondanks de inspanningen op dit gebied is de handhaving en het toezicht door beleidsdirecties een blijvend aandachtspunt. Daarom heeft de departementsleiding aangekondigd deze taken weg te halen bij de beleidsdirecties en afzonderlijk in de organisatie te beleggen. Hiermee wordt een betere borging van het ATC-gedachtegoed beoogd.
3.2 Interne sturing (kwaliteitsslag OCW 2002–2004)
Een belangrijke randvoorwaarde voor de beoogde verbetering van de externe sturing is het verbeteren van de interne sturing. OCW heeft zich de afgelopen jaren intensief ingezet om een integraal veranderingsproces tot stand te brengen. Dit om zowel de kwaliteit, efficiency en effectiviteit van het beleid alsook van de bedrijfsvoering structureel te verbeteren. OCW wil én de juiste dingen doen én deze dingen goed doen. In 2002 en 2003 hebben deze veranderingen vorm gekregen onder de noemer kwaliteitsslag OCW. Onder de kwaliteitsslag heeft het accent van de veranderingen vooral gelegen op het ontwerpen en opzetten van efficiëntere en professionelere systemen, processen en instrumenten.
De bestuurlijke verhoudingen binnen OCW worden zodanig herijkt dat de positie van de directeuren-generaal (DG'en) in de lijn wordt versterkt. In dat kader zijn tevens de hoofdlijnen vastgesteld van een herziene inrichting van financiële en controlfuncties op concern-, DG- en directieniveau. De organisatie en mandaatregeling van OCW is hier begin 2004 op aangepast.
De verschillende verbetertrajecten hebben in 2003 voor vrijwel alle directies van OCW geleid tot een reorganisatie. De fase van verandering waarin deze directies zich momenteel bevinden, varieert van «net uit de startblokken» tot «vrijwel afgerond». Leidraad voor de reorganisaties vormt de inhoudelijke discussie over kerntaken en -rollen in het licht van de kwaliteitsslag enerzijds en de taakstellingen van de regeerakkoorden Balkenende I en II anderzijds.
Versterking planning en control
In 2003 is de infrastructuur voor de interne besturing verder ontwikkeld met behulp van een integrale systematiek van planning en control. Deze systematiek verbindt de strategische cyclus met de beleids- en de begrotingscyclus. In aansluiting hierop is met een jaarlijks systeem – plus instrumentarium – van managementafspraken en 4R-gesprekken (richting ruimte, rekenschap en resultaat) gestart. In 2003 is deze cyclus voor de eerste keer volledig doorlopen.
Belangrijke doelen in de P&C cyclus zijn het maken van resultaatgerichte afspraken en het inventariseren van risico's in de bedrijfsvoering, het aangeven van de beheersmaatregelen hiervoor en vervolgens het monitoren van de effecten hiervan op de bedrijfsvoering. Met name het onderdeel risicomanagement vergt nog de nodige aandacht. In 2004 zal daarvoor een intern opleidingstraject worden verzorgd.
In haar rapport over de onregelmatigheden in de hbo-sector uitte de Algemene Rekenkamer kritiek op het beleidsproces bij OCW. Mede naar aanleiding hiervan is ter verbetering van de bedrijfsvoering binnen de beleidsdirecties in 2003 een referentieproces ontwikkeld: een richtlijn voor het ideale beleidsproces, waarin alle gewenste onderdelen van het proces aan bod komen. De directies zullen het komende jaar mede aan de hand van dit referentieproces hun beleidsprocessen inrichten.
Na het opzetten van een sluitende registratie en afhandelingprocedure van klokkenluiderssignalen is een systeem opgezet om managementinformatie te genereren uit klokkenluiderssignalen. Er is een prototype ontwikkeld van een klokkenluiderregistratiesysteem waarmee deze informatie kan worden gegenereerd. Het prototype is eerst gevuld met de historische gegevens en is daarna voor nieuwe signalen in gebruik genomen. In mei 2004 zal het gebruik worden geëvalueerd en zal het prototype worden omgezet in een meer permanente toepassing. Op deze manier kan informatie uit dergelijke signalen worden benut voor beleidsbijsturing en beleidsontwikkeling.
Naar aanleiding van klokkenluiderssignalen zijn in het primair en voortgezet onderwijs door de Auditdienst in een viertal situaties onderzoeken bij instellingen uitgevoerd.
Het rijksbrede kwaliteitsplan voor de auditfunctie is voor OCW eind 2003 volledig ingevoerd.
De instellingsbeschikking voor het Audit Committee is aangepast aan de nieuwe taken en het Audit Committee heeft een kwaliteitsimpuls gekregen door de uitbreiding met twee externe leden die een adviserende taak hebben. Het Audit Committee ziet onder meer toe op de naleving van de aanbevelingen van de Auditdienst en de Rekenkamer. Ook stelt het Audit Committee jaarlijks een auditplan vast en monitort de uitvoering daarvan.
De omvangrijke reorganisatie van de accountantsdienst, die in 2003 is uitgevoerd, is in januari 2004 formeel afgerond.
Eind 2003 heeft OCW het zogenoemde 100 dagenplan ontvouwd. In dit plan zijn de vervolgacties van de bovengenoemde aspecten voor de komende twee jaar aangegeven.
Op het gebied van personeel en organisatie hebben in 2003 diverse onderwerpen gespeeld waaronder de invulling van de taakstellingen uit het regeerakkoord.
OCW heeft de volumetaakstelling en de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord beleidsmatig per organisatieonderdeel ingevuld. In dat kader moet op 1 januari 2007 een reductie van 570 fte gerealiseerd zijn waarbij nieuwe taken buiten beschouwing blijven.
Tot nu toe ligt OCW met de invulling van de taakstelling redelijk op schema. Hoewel in de periode januari t/m december 2003 weliswaar per saldo een geringe toename is gerealiseerd, is de omvang van het bestuursdepartement echter gekrompen. De toename van het aantal fte bij de buitendiensten is veroorzaakt door de nieuwe taken bij de Inspectie van het Onderwijs in verband met de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) en door een verhoogde capaciteit bij de Rijksdienst Monumentenzorg in verband met het inhalen van achterstallige werkzaamheden. Ook het aantal geplaatste boventalligen veroorzaakt nog een naijleffect van 18 maanden op de bezetting.
Sedert juli 2003 wordt de bezetting nauwlettend in de gaten gehouden met de monitor taakstelling. Tevens hebben de directies inmiddels een strategisch personeelsplan gemaakt waarin is vastgelegd hoe zij in de komende jaren tot de benodigde personeelsreductie denken te komen.
Met de Departementale Ondernemingsraad en de bonden is een akkoord gesloten over de invulling van de taakstelling Balkenende I en II en het sociaal beleidskader.
In 2002 was het ziekteverzuim voor totaal OCW 7,50%. Voor het bestuursdepartement was dat 7,60%. Volgens de interne doelstelling zoals vastgelegd in de managementafspraken van 2003 zou het ziekteverzuim met 10% moeten dalen naar respectievelijk 6,75% en 6,84%. De realisatie 2003 voor totaal OCW is uitgekomen op 6,6% en voor het bestuursdepartement op 6,8%. Het ziekteverzuim van OCW is in 2003 dus substantieel gedaald.
Overige ontwikkelingen op personeelsgebied
Binnen de meeste directies is een start gemaakt met de invoering van competentiemanagement. Medewerkers en leidinggevenden hebben voorlichting gehad, er zijn competentieprofielen opgesteld en er hebben pop-gesprekken (persoonlijk ontwikkelingsplan) plaatsgevonden. Uit het ervaringsonderzoek Waarderen en Belonen blijkt dat de kwaliteit van de gespreksvoering omhoog is gegaan bij directies waar competentiemanagement is ingevoerd.
In 2003 is gestart met het project SAP-HR. Dit project ondersteunt de verdere decentralisatie van de P-taken.
In 2003 heeft OCW met vier departementen geparticipeerd in de ontwikkeling van SAP-payroll ter vervanging van het IPA systeem (salarissysteem voor de overheid). Per 1-1-2005 zal OCW overstappen op dit nieuwe systeem.
3.4 Professioneel inkopen en (Europees)aanbesteden
In 2003 heeft bij OCW sterk de nadruk gelegen op het gezamenlijk inkopen waar dat meerwaarde oplevert (Professioneel Inkopen en Aanbesteden: PIA).
In diverse interdepartementale Europese aanbestedingen die in 2003 zijn gestart is door OCW geparticipeerd. Ook alle buitendiensten zijn actief benaderd om als mede-aanbesteder deel te nemen in een aantal departementale en interdepartementale aanbestedingen met als doel het sluiten van concernbrede raamovereenkomsten. In 2003 heeft OCW ook actief deelgenomen aan het PIA-project «Elektronisch bestellen en factureren»
Mede naar aanleiding van opmerkingen van de Algemene Rekenkamer zijn in 2003 de Europese aanbestedingsregels wederom nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Ook het toezicht daarop heeft OCW in 2003 verscherpt.
Aan dit toezicht is onder meer invulling gegeven door het concernbreed uitzetten van een inventarisatie naar voorgenomen opdrachten en aanbestedingen voor de tweede helft van 2003.
Departementale verantwoordingsstaat 2003 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)
| Bedragen x € 1 000 | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | ||||||||
| Art. | Omschrijving | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting | ||||||
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | ||
| TOTAAL | 24 521 968 | 24 630 444 | 1 154 751 | 25 269 553 | 25 473 752 | 1 253 240 | 747 585 | 843 308 | 98 489 | |
| Beleidsartikelen | 24 134 374 | 24 242 850 | 1 150 536 | 24 740 989 | 24 934 915 | 1 244 764 | 606 615 | 692 065 | 94 228 | |
| 01 | Basisonderwijs | 6 315 534 | 6 317 669 | 18 046 | 6 492 970 | 6 461 759 | 26 508 | 177 436 | 144 090 | 8 462 |
| 02 | Expertisecentra | 760 992 | 760 992 | 2 723 | 783 002 | 783 474 | 1 909 | 22 010 | 22 482 | – 814 |
| 03 | Voortgezet onderwijs | 5 050 352 | 5 020 081 | 1 361 | 5 201 796 | 5 125 327 | 2 531 | 151 444 | 105 246 | 1 170 |
| 04 | Beroepsonderwijs en volwassenen- educatie | 2 573 158 | 2 499 335 | 27 227 | 2 705 232 | 2 576 230 | 33 048 | 132 074 | 76 895 | 5 821 |
| 05 | Technocentra | 136 | 136 | 0 | 8 596 | 8 596 | 139 | 8 460 | 8 460 | 139 |
| 06 | Hoger beroepsonderwijs | 1 587 771 | 1 609 900 | 17 | 1 628 604 | 1 634 146 | 77 | 40 833 | 24 246 | 60 |
| 07 | Wetenschappelijk onderwijs | 3 030 874 | 3 027 615 | 1 248 | 3 227 983 | 3 131 645 | 1 535 | 197 109 | 104 030 | 287 |
| 08 | Internationaal onderwijsbeleid | 17 917 | 18 849 | 99 | 15 993 | 19 317 | 419 | – 1 924 | 468 | 320 |
| 09 | Onderwijspersoneel | 78 178 | 78 178 | 0 | 95 933 | 88 479 | 4 221 | 17 755 | 10 301 | 4 221 |
| 10 | Informatie- en communicatietechnologie | 138 816 | 138 816 | 45 378 | 8 755 | 101 290 | 48 220 | – 130 061 | – 37 526 | 2 842 |
| 11 | Studiefinanciering | 2 143 623 | 2 143 623 | 331 309 | 2 318 845 | 2 318 845 | 356 483 | 175 222 | 175 222 | 25 174 |
| 12 | Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten | 361 777 | 361 777 | 13 835 | 363 174 | 363 174 | 10 436 | 1 397 | 1 397 | – 3 399 |
| 13 | Lesgelden | 0 | 0 | 401 607 | 0 | 0 | 409 373 | 0 | 0 | 7 766 |
| 14 | Cultuur | 520 973 | 666 861 | 250 | 266 852 | 668 662 | 3 053 | – 254 121 | 1 801 | 2 803 |
| 15 | Media | 857 173 | 857 661 | 226 981 | 878 009 | 880 707 | 253 542 | 20 836 | 23 046 | 26 561 |
| 16 | Onderzoek en wetenschappen | 697 100 | 741 357 | 80 455 | 745 245 | 773 264 | 93 270 | 48 145 | 31 907 | 12 815 |
| Niet-beleidsartikelen | 387 594 | 387 594 | 4 215 | 528 564 | 538 837 | 8 476 | 140 970 | 151 243 | 4 261 | |
| 17 | Nominaal en onvoorzien | – 65 689 | – 65 689 | 2 996 | 0 | 0 | 0 | 65 689 | 65 689 | – 2 996 |
| 18 | Bestuursdepartement | 155 664 | 155 664 | 567 | 182 723 | 192 806 | 4 343 | 27 059 | 37 142 | 3 776 |
| 19 | Inspecties | 46 344 | 46 344 | 0 | 48 727 | 48 917 | 9 | 2 383 | 2 573 | 9 |
| 20 | Adviesraden | 7 161 | 7 161 | 0 | 6 944 | 6 944 | 0 | – 217 | – 217 | 0 |
| 21 | Uitvoeringsorganisaties onderwijs | 173 122 | 173 122 | 408 | 206 320 | 206 320 | 408 | 33 198 | 33 198 | 0 |
| 22 | Uitvoeringsorganisaties cultuur | 68 627 | 68 627 | 244 | 81 432 | 81 432 | 3 716 | 12 805 | 12 805 | 3 472 |
| 23 | Uitvoeringsorganisaties wetenschappen | 2 365 | 2 365 | 0 | 2 418 | 2 418 | 0 | 53 | 53 | 0 |
Mij bekend,
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Samenvattende verantwoordingsstaat 2003 inzake agentschappen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)
| Bedragen x € 1 000 | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| (1) | (2) | (3) | |||||||
| Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting | |||||||
| Naam agentschap | Totaal baten | Totaal lasten | Saldo baten en lasten | Totaal baten | Totaal lasten | Saldo baten en lasten | Totaal baten | Totaal lasten | Saldo baten en lasten |
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 45 816 | 45 816 | 0 | 60 487 | 60 122 | 365 | 14 671 | 14 306 | 365 |
| Rijksarchiefdienst (RAD) | 33 350 | 33 350 | 0 | 37 860 | 40 270 | – 2 410 | 4 510 | 6 920 | – 2 410 |
| Totaal | 79 166 | 79 166 | 0 | 98 347 | 100 392 | – 2 045 | 19 181 | 21 226 | – 2 045 |
| Naam agentschap | Totaal kapitaaluitgaven | Totaal kapitaalontvangsten | Totaal kapitaaluitgaven | Totaal kapitaalontvangsten | Totaal kapitaaluitgaven | Totaal kapitaalontvangsten |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 10 400 | 4 300 | 3 740 | 2 998 | – 6 660 | – 1 302 |
| Rijksarchiefdienst (RAD) | – 1 551 | 2 688 | – 2 270 | 113 | – 719 | – 2 575 |
| Totaal | 8 849 | 6 988 | 1 470 | 3 111 | – 7 379 | – 3 877 |
Mij bekend,
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN
1. Budgettaire gevolgen van beleid
| Tabel 1: Budgettaire gevolgen van beleid primair onderwijs, beleidsartikelen 1 en 2 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 6 291 133 | 6 874 631 | 7 245 972 | 7 070 526 | 199 446 | ||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 30 000 | 0 | 30 000 | ||
| Uitgaven | 6 290 075 | 6 876 991 | 7 245 233 | 6 214 983 | 1 030 250 | ||
| Toegankelijkheid | 1 348 675 | 1 486 284 | 1 536 829 | 558 818 | 114 333 | ||
| Onderwijsachterstandenbeleid | 491 792 | 539 930 | 524 446 | 517 915 | 6 531 | ||
| OALT | 64 686 | 69 214 | 72 775 | 70 265 | 2 510 | ||
| Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis | 455 366 | 538 127 | 595 700 | 516 380 | 79 320 | ||
| Weer samen naar school | 312 941 | 313 733 | 320 919 | 295 542 | 25 377 | ||
| Onderwijs aan leerplichtige asielzoekers | 4 358 | 4 606 | 2 708 | 248 | 2 460 | ||
| Brede school | 0 | 285 | 309 | 300 | 9 | ||
| Nederlands onderwijs in het buitenland | 11 460 | 12 229 | 12 371 | 14 041 | – 1 670 | ||
| Overig | 8 072 | 8 161 | 7 601 | 7 805 | – 204 | ||
| Kwaliteit | 335 419 | 498 239 | 644 981 | 570 468 | 74 513 | ||
| Kerndoelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Groepsgrootteverkleining van de onderbouw | 326 456 | 487 777 | 631 002 | 558 818 | 72 184 | ||
| Leerlingvolgsystemen | 1 102 | 3 830 | 1 909 | 1 363 | 546 | ||
| Schooltijden | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Verhogen zwemvaardigheid | 0 | 4 355 | 5 255 | 5 538 | – 283 | ||
| Overig | 7 861 | 2 277 | 6 815 | 4 749 | 2 066 | ||
| Toerusting | 4 605 981 | 4 892 468 | 5 063 423 | 5 085 697 | – 22 274 | ||
| Onderwijspersoneel | 3 740 361 | 4 016 570 | 4 177 978 | 3 887 482 | 290 496 | ||
| Materiële vergoedingen (incl. ict) | 779 436 | 779 184 | 781 094 | 769 148 | 11 946 | ||
| Tussenschoolse opvang | 0 | 3 719 | 4 954 | 2 000 | 2 954 | ||
| Bestuurlijke krachtenbundeling | 29 900 | 30 719 | 35 792 | 35 116 | 676 | ||
| Schoolbegeleidingsdiensten | 54 729 | 57 212 | 59 383 | 59 017 | 366 | ||
| Overig + voorcalculatorische uitdelingen | 1 465 | 5 030 | 4 222 | 334 934 | – 330 712 | ||
| Ontvangsten | 23,2 | 49,6 | 28,4 | 20,7 | 7,7 | ||
Het verschil tussen de raming en realisatie van de uitgaven voor het primair onderwijs wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten. Het verschil tussen raming en realisatie bij de post «overig en voorcalculatorische uitdelingen» is het gevolg van het indalen van voornamelijk de loonbijstelling in de personele bekostiging.
| Tabel 2: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 4 094 051 | 4 385 513 | 4 954 581 | 5 165 249 | 5 201 796 | 5 050 352 | 151 444 |
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 20 000 | 0 | 20 000 |
| Uitgaven | 3 395 958 | 4 250 728 | 4 661 290 | 4 932 021 | 5 125 327 | 5 020 081 | 105 246 |
| Basisvorming | 2 348 740 | 2 432 678 | 2 379 095 | 53 583 | |||
| Vmbo-leerwegen | 1 402 902 | 1 474 730 | 1 442 247 | 32 483 | |||
| Tweede fase havo/vwo | 820 055 | 876 388 | 857 084 | 19 304 | |||
| Onderwijsverzorging en projecten | 71 928 | 72 145 | 71 298 | 847 | |||
| Overige voorzieningen | 288 396 | 269 386 | 270 357 | – 971 | |||
| Ontvangsten | 4 211 | 4 938 | 3 150 | 3 221 | 2 531 | 1 361 | 1 170 |
De totale uitgaven op het beleidsartikel zijn circa € 105 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd in de vastgestelde begroting. De belangrijkste mutaties zijn hieronder weergegeven.
De loonbijstellingen (voornamelijk premies en cao-afspraken) hebben gesommeerd tot een verhoging geleid van circa € 152 miljoen. Voorts is per saldo het budget verlaagd met € 13 miljoen als gevolg van een bijstelling van het aantal leerlingen en asielzoekers.
Voor de uitvoering van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid is het aandeel van beleidsartikel 3 van € 14,5 miljoen overgeboekt naar beleidsartikel 1. Ook is door de latere invoering van de wetswijziging «voortgezet onderwijs uit het vervangingsfonds» het overgangsbudget van € 7,3 miljoen in 2003 vrijgevallen en verschoven naar de jaren 2005 tot en met 2007.
Tenslotte is de begroting neerwaarts bijgesteld in verband met het saldo van een aantal overboekingen (– € 8,7 miljoen) en waren op diverse onderdelen de uitgaven lager dan geraamd (€ 3,5 miljoen).
| Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 2 631 064 | 2 705 232 | 2 573 158 | 132 074 | |||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Uitgaven | 2 545 643 | 2 576 230 | 2 499 335 | 76 895 | |||
| Mbo | 2 148 178 | 2 288 906 | 2 232 115 | 56 791 | |||
| Educatie en inburgering | 350 839 | 241 314 | 226 873 | 14 441 | |||
| Specifieke stimulering | 46 626 | 46 010 | 40 347 | 5 663 | |||
| Ontvangsten | 17 781 | 33 048 | 27 227 | 5 821 | |||
De totale uitgaven zijn € 76,9 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd.
Het verschil bij het mbo is het saldo van enkele forse plussen en minnen. Bij de plussen gaat het met name om:
• het doorschuiven van € 44,7 miljoen voor ESF van 2002 naar 2003;
• een overboeking voor informatie- en communicatietechnologie van € 11 miljoen;
• de loonbijstelling van € 64 miljoen.
Bij de minnen gaat het om:
• het overboeken van de middelen voor innovatie-arrangement naar het artikelonderdeel specifieke stimulering (€ 10 miljoen);
• het overboeken van middelen voor arbeidsmarktknelpunten naar het artikelonderdeel educatie (€ 6,2 miljoen);
• het overboeken van de middelen voor educatieve tv naar artikelonderdeel specifieke stimulering en het afboeken van de ESF-middelen (€ 42,6 miljoen).
Het verschil bij educatie en inburgering wordt voornamelijk veroorzaakt door een verhoging van het budget voor de loonbijstelling.
De overschrijding op het budget specifieke stimulering wordt vooral veroorzaakt door een toevoeging van € 10 miljoen voor het innovatiearrangement. Daarnaast is er sprake van onderuitputting op enkele onderdelen.
Op de ontvangsten zijn afrekeningen uit oude jaren ontvangen die niet op de begroting geraamd worden.
| Tabel 4: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 0 | 8 596 | 136 | 8 460 | |||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Uitgaven | 5 446 | 8 596 | 136 | 8 460 | |||
| Ontvangsten | 5 445 | 139 | 0 | 139 | |||
De ontvangsten vanuit het FES zijn per abuis niet meer in 2003 binnengekomen. Deze zullen in 2004 aan de OCW-begroting worden toegevoegd. De uitgaven aan de technocentra hebben wel plaatsgevonden.
| Tabel 5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 319 438 | 1 466 419 | 1 708 772 | 1 727 535 | 1 628 604 | 1 587 771 | 40 833 |
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Uitgaven | 1 286 203 | 1 331 949 | 1 491 394 | 1 603 569 | 1 634 146 | 1 609 900 | 24 246 |
| – reguliere bekostiging | 1 284 100 | 1 426 121 | 1 545 808 | 1 580 276 | 1 555 573 | 24 703 | |
| – specifieke stimulering | 47 849 | 65 273 | 57 761 | 53 870 | 54 327 | – 457 | |
| * internationale positie | 1 172 | 402 | 487 | 1 394 | – 907 | ||
| * innovatie | 17 912 | 29 754 | 29 754 | 29 754 | 0 | ||
| * versterking beroepsopleiding | |||||||
| * doelgroepenbeleid1 | 452 | 366 | 3 225 | 2 403 | 822 | ||
| * borging kwaliteit | 2 030 | 2 293 | 2 049 | 3 472 | – 1 423 | ||
| * sectorenbeleid1 | 27 021 | 19 290 | 13 149 | 13 498 | – 349 | ||
| * transparante info aanbod hop | 1 203 | 650 | 553 | ||||
| * overige spec. stimulering | 16 686 | 5 656 | 4 003 | 3 156 | 847 | ||
| Ontvangsten | 4 711 | 1 105 | 121 | 358 | 77 | 17 | 60 |
1Bij deze onderdelen is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de begroting 2003 abusievelijk een onjuiste verdeling van de middelen gehanteerd. Dit is nu gecorrigeerd.
De programma-uitgaven (€ 1,6 miljard) betreffen hoofdzakelijk de rijksbijdrage die voor 2003 aan de hogescholen zijn toegekend. De in 2003 gerealiseerde verplichtingen (eveneens € 1,6 miljard) hebben voornamelijk betrekking op de (voorlopig) toegekende rijksbijdrage voor het jaar 2004.
De realisatie op de programma-uitgaven ligt € 24,2 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begrotingsstand. Deze toename van het uitgavenkader wordt voornamelijk verklaard door een positieve bijstelling van € 44,9 miljoen voor de loonontwikkeling 2003 en een negatieve bijstelling van € 19,1 miljoen door de ontwikkeling van het aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs.
De verplichtingenmutatie ligt € 16,6 miljoen hoger dan de uitgavenmutatie. Dit verschil is het gevolg van kasmutaties in 2004 die, gelet op de geldende bekostigingssystematiek (in jaar «t» worden de uitgaven voor jaar «t+1» verplicht), effect hebben op het verplichtingenbudget 2003. De belangrijkste mutaties zijn: de doorwerking in 2004 van de loonbijstelling 2003, de doorwerking in 2004 van de (negatieve) bijstelling voor de ontwikkeling van het aantal studenten in het hbo én de taakstellingen en beleidsintensiveringen voor 2004 uit het hoofdlijnenakkoord.
| Tabel 6: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 2 908 546 | 3 108 978 | 3 192 286 | 3 227 983 | 3 030 874 | 197 109 | |
| – waarvan garantieverplichtingen* | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Uitgaven | 2 713 239 | 2 901 908 | 3 045 244 | 3 131 645 | 3 027 615 | 104 030 | |
| Bekostigde instellingen (7.01) | 2 577 167 | 2 757 972 | 2 906 253 | 2 996 393 | 2 910 307 | 86 0 86 | |
| Universiteiten | |||||||
| – bekostiging | 1 948 785 | 2 171 259 | 2 304 163 | 2 385 115 | 2 305 700 | 79 415 | |
| – universitaire lerarenopleiding | 2 632 | 2 956 | 4 212 | 4 019 | 5 400 | – 1 381 | |
| – investeringen in huisvesting | 88 544 | 92 517 | 92 524 | 92 526 | 92 526 | 0 | |
| – academische ziekenhuizen | 441 286 | 461 645 | 473 777 | 486 958 | 472 297 | 14 661 | |
| – overige | 95 920 | 29 595 | 31 577 | 27 775 | 34 384 | – 6 609 | |
| Gesubsidieerde instellingen (7.02) | 118 431 | 120 320 | 124 678 | 123 541 | 110 350 | 13 191 | |
| Open Universiteit Nederland (OUNL) | 35 691 | 37 478 | 37 761 | 34 900 | 31 006 | 3 894 | |
| Instellingen internationaal onderwijs en onderzoek | 45 349 | 47 520 | 47 559 | 49 599 | 46 587 | 3 012 | |
| Levensbeschouwelijke instellingen | 23 733 | 24 602 | 25 230 | 24 421 | 23 846 | 575 | |
| Faciliterende organisaties | 12 763 | 9 814 | 13 076 | 13 041 | 11 066 | 1 975 | |
| Overige | 896 | 906 | 1 052 | 1 580 | – 2 155 | 3 735 | |
| Stimuleringsuitgaven (7.03) | 16 671 | 22 106 | 12 546 | 10 629 | 5 934 | 4 695 | |
| Overige uitgaven (7.04) | 970 | 1 510 | 1 767 | 1 082 | 1 024 | 58 | |
| Ontvangsten | 1 204 | 1 098 | 1 390 | 1 535 | 1 248 | 287 | |
*In de begroting 2003 wordt hier de stand van garanties weergegeven. In 2003 zijn er geen nieuwe garanties aangegaan.
De programma-uitgaven (€ 3,1 miljard) betreffen hoofdzakelijk rijksbijdragen die voor 2003 aan universiteiten, inclusief de werkplaatsfunctie academische ziekenhuizen, en subsidies aan een verscheidenheid aan overige instellingen zijn toegekend. De in 2003 gerealiseerde verplichtingen (€ 3,2 miljard) hebben voornamelijk betrekking op de (voorlopig) toegekende rijksbijdragen en subsidies voor het jaar 2004.
De realisatie op de programma-uitgaven ligt € 104,0 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begrotingsstand. Deze toename van het uitgavenkader wordt voornamelijk verklaard door een positieve bijstelling van € 82,4 miljoen voor de loonontwikkeling 2003 en een bijstelling van € 18,1 miljoen door de ontwikkeling van het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs.
De verplichtingenmutatie ligt € 150,6 miljoen hoger dan de uitgavenmutatie. Dit verschil is het gevolg van kasmutaties in 2004 die, gelet op de geldende bekostigingssystematiek (in jaar «t» worden de uitgaven voor jaar «t+1» verplicht), effect hebben op het verplichtingenbudget 2003. De belangrijkste mutaties zijn: de doorwerking in 2004 van de loonbijstelling 2003, de doorwerking in 2004 van de (positieve) bijstelling voor de ontwikkeling van het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs én de taakstellingen en beleidsintensiveringen voor 2004 uit het hoofdlijnenakkoord.
| Tabel 7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 6 703 | 7 052 | 15 224 | 20 998 | 15 993 | 17 917 | – 1 924 |
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Uitgaven | 7 295 | 7 339 | 12 604 | 18 039 | 19 317 | 18 849 | 468 |
| Mobiliteit | 4 244 | 9 238 | 9 864 | 9 951 | – 87 | ||
| Samenwerkingsverbanden | 4 226 | 3 217 | 3 378 | 3 387 | – 9 | ||
| Institutionele subsidies Nederland | 3 277 | 4 456 | 4 594 | 4 547 | 47 | ||
| Instellingen buitenland | 546 | 711 | 581 | 500 | 81 | ||
| Overig | 311 | 417 | 900 | 464 | 436 | ||
| Ontvangsten | 857 | 29 | 1 012 | 525 | 419 | 99 | 320 |
Op het totale artikel is in 2003 € 0,5 miljoen meer uitgegeven ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Deze extra uitgaven zijn, voor het grootste deel (€ 0,4 miljoen), gedaan in het kader van de aanloop naar het EU-voorzitterschap in de tweede helft van het jaar 2004.
In 2003 is € 0,3 miljoen meer ontvangen op dit artikel. Het betreft extra ontvangsten in verband met de definitieve vaststelling van subsidies en bijdragen uit voorgaande jaren. Waar bij de verantwoording een onderuitputting van de subsidies en bijdragen is vastgesteld, is het teveel aan voorschot teruggevorderd.
| Tabel 8: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 74 855 | 95 933 | 78 178 | 17 755 | |||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Uitgaven | 84 935 | 88 479 | 78 178 | 10 301 | |||
| Arbeidsmarkt | 9 575 | 9 813 | 9 813 | 0 | |||
| Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen | 31 302 | 38 702 | 25 339 | 13 363 | |||
| Zvoo | 44 058 | 39 964 | 43 026 | – 3 062 | |||
| Ontvangsten | 68 | 4 221 | 0 | 4 221 | |||
De uitgaven zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting 2003 met € 10,3 miljoen toegenomen. Bij de uitgaven aan vakbondsfaciliteiten en voorzieningen is er een toename van € 13,4 miljoen. Deze overschrijding is veroorzaakt door het beschikbaar komen van extra middelen voor het lerarenbeleid. De realisatie op de ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel (zvoo) is lager dan geraamd; de onderschrijding van € 3,1 miljoen is veroorzaakt door een geringere relatieve stijging van de particuliere ziektekosten dan geraamd.
De hogere ontvangsten van € 4,2 miljoen wordt veroorzaakt door het terugbetalen van een lening door het vervangingsfonds.
| Tabel 9: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 15 880 | 58 991 | 102 026 | 127 715 | 8 755 | 138 816 | – 130 061 |
| Waarvan garantieverplichtingen | – | ||||||
| Uitgaven | 15 880 | 58 537 | 102 026 | 79 269 | 101 290 | 138 816 | – 37 526 |
| Het faciliteren van scholen bij integratie van ict | 72 133 | 107 429 | – 35 296 | ||||
| Het stimuleren van samenwerking | 2 722 | 2 722 | 0 | ||||
| Beschikbaarstellen onderwijskundig materiaal | 18 600 | 18 600 | 0 | ||||
| • BVE net: € 2,042 miljoen, t.l.v. artikel 4.03 | – | – | |||||
| • Authenticatie en autorisatiedienst (Entree) | 1 860 | 1 860 | 0 | ||||
| • Open Source/Open Standaarden | 210 | – | 210 | ||||
| Beschikbaarheid educatief materiaal | 1 171 | 3 500 | – 2 329 | ||||
| Gebruik ict als onderwijsmiddel | 3 648 | 2 500 | 1 148 | ||||
| Participatie bedrijfsleven | 23 | 455 | – 432 | ||||
| Ict en internationaal | 157 | 450 | – 293 | ||||
| Meten van vorderingen van ict in het onderwijs | 651 | 1 300 | – 649 | ||||
| Onderwijsinspectie: € 668 000, t.g.v. artikel 21.01 | – | – | |||||
| Overige activiteiten | 115 | – | 115 | ||||
| Ontvangsten | 58 991 | 58 991 | 47 918 | 48 220 | 45 378 | 2 842 | |
De gerealiseerde uitgaven 2003 voor informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs zijn nagenoeg gelijk aan het voorziene budget. De neerwaartse bijstelling van de begroting (€ 33,5 miljoen) is grotendeels het gevolg van een overboeking naar de betrokken directies (circa € 31,5 miljoen) in verband met het verhogen van de koopkracht van de scholen voor de Kennisnet-bijdrage. Daarnaast is de realisatie per saldo circa € 2 miljoen lager. Dit saldo komt enerzijds voort uit het kostenverloop van een aantal projecten. Anderzijds is € 0,4 miljoen minder uitgegeven aan de samenwerking met het bedrijfsleven en € 0,3 miljoen minder aan internationale activiteiten.
Op het ontvangstenartikel is € 48 miljoen ontvangen van het Fonds Economische Structuurversterking van het ministerie van Economische Zaken. Dit fonds draagt bij in de dekking van de decentrale bestedingen. De bijdrage wordt jaarlijks toegekend in principe tot en met het jaar 2010.
| Tabel 10: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 987 490 | 1 804 254 | 2 318 845 | 2 143 623 | 175 222 | ||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Uitgaven | 1 987 490 | 1 804 254 | 2 318 845 | 2 143 623 | 175 222 | ||
| Waarvan relevante uitgaven: | 1 173 700 | 920 503 | 1 326 418 | 1 325 119 | 1 299 | ||
| 11.1 Basis- en aanvullende beurs | 854 077 | 840 501 | 956 943 | 1 009 079 | – 52 136 | ||
| 11.2 Reisvoorziening | 251 212 | 29 887 | 287 439 | 238 086 | 49 353 | ||
| 11.3 Overige uitgaven | 68 411 | 50 115 | 82 036 | 77 954 | 4 082 | ||
| Waarvan niet-relevante uitgaven: | 813 790 | 883 751 | 992 427 | 818 504 | 173 923 | ||
| 11.4 Prestatiebeurs | 415 089 | 405 823 | 413 803 | 357 729 | 56 074 | ||
| 11.5 Reguliere rentedragende lening | 398 701 | 477 928 | 578 624 | 460 775 | 117 849 | ||
| Ontvangsten | 331 928 | 332 613 | 356 483 | 331 309 | 25 174 | ||
| waarvan: | |||||||
| 11.1 Relevant studiefinanciering | 254 541 | 245 571 | 251 756 | 233 729 | 18 027 | ||
| 11.2 Niet-relevante studiefinanciering | 77 387 | 87 042 | 104 727 | 97 580 | 7 147 | ||
Het verschil van – € 52,1 miljoen bij artikel 11.1 bestaat voor € 60,1 miljoen uit minder basis- en voor € 7,9 miljoen uit meer aanvullende beursuitgaven.
Bij de basisbeursuitgaven ontstaat het verschil voor het grootste deel omdat er minder aan prestatiebeursuitgaven van studenten in het hoger onderwijs is omgezet van een lening naar een gift (– € 73,7 miljoen). De normale betalingen zijn € 13,6 miljoen hoger dan geraamd als gevolg van meer basisbeursgerechtigden.
De hogere aanvullende beursuitgaven van € 7,9 miljoen zijn voor € 13,9 miljoen het gevolg van een stijging van het gemiddeld uitgekeerd bedrag in 2003 per gerechtigde, hoewel er per saldo minder aanvullende beursgerechtigden waren. Daarnaast is voor € 6,0 miljoen minder aanvullende prestatiebeurs omgezet in een gift.
De reisvoorziening 2003 geeft een verschil van € 49,4 miljoen. Dit betreft hogere uitgaven als gevolg van het nieuwe ov-contract per 2003 (€ 82,6 miljoen) en € 40,2 miljoen aan lagere uitgaven als gevolg van minder omzettingen van de ov-studentenkaart in een gift. Aan reisvoorziening overig is € 6,9 miljoen meer uitgegeven.
Het verschil bij de overige uitgaven van € 4,1 miljoen bestaat voornamelijk uit minder uitgaven op het gebied van de lesgeldvoorschotten (– € 0,9 miljoen) en € 4,8 miljoen meeruitgaven aan EU-studerenden.
Bij de prestatiebeursuitgaven wordt het verschil van € 56,1 miljoen tussen begroting en realisatie 2003 voornamelijk veroorzaakt door de hiervoor al aangegeven verschillen bij de omzettingen van een lening in een gift (zowel bij de basis- en aanvullende beurs als bij de reisvoorziening). Ook zijn de normale betalingen voor studenten in het hoger onderwijs lager, vooral als gevolg van lagere uitgaven aan aanvullende beurs.
Bij de rentedragende leningen wordt het verschil van € 117,8 miljoen tussen begroting en realisatie 2003 verklaard omdat er meer wordt geleend. Alleen al hierdoor zijn de uitgaven ten opzichte van de begroting 2003 € 127,7 miljoen hoger. Op de overige posten van dit artikelonderdeel (studievoortgangscontrole, achterstallig recht, afboekingen op rentedragende leningen en technische bijstelling) is in 2003 een lagere uitgave van € 9,9 miljoen gerealiseerd.
Er is € 18,0 miljoen meer aan relevante ontvangsten (renteloze voorschotten, rente) gerealiseerd. Dit komt vooral doordat de aflossingen van renteloze voorschotten (verstrekt tot 1986) langer doorlopen dan verwacht (+ € 9,8 miljoen) en door meer ontvangsten dan begroot (+ € 14,1 miljoen) aan rente op de nieuwe rentedragende leningen. Daarnaast is aan kortlopende schulden € 5,3 miljoen minder ontvangen dan geraamd.
Het verschil tussen begrote en gerealiseerde niet-relevante ontvangsten in 2003 bedraagt € 7,2 miljoen, vooral doordat de termijnbetalingen hoger uitvielen.
| Tabel 11: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 331 329 | 347 751 | 363 174 | 361 777 | 1 397 | ||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Uitgaven | 331 329 | 347 751 | 363 174 | 361 777 | 1 397 | ||
| – TS 17- | 276 593 | 289 263 | 294 558 | 307 869 | – 13 311 | ||
| – VO 18+ | 48 783 | 48 425 | 50 133 | 48 446 | 1 687 | ||
| – TS 18+ | 5 275 | 9 059 | 17 530 | 4 837 | 12 693 | ||
| Niet relevante uitgaven | 678 | 1 004 | 953 | 625 | 328 | ||
| Ontvangsten | 14 792 | 13 025 | 10 436 | 13 835 | – 3 399 | ||
De gerealiseerde relevante WTOS – uitgaven 2003 zijn € 1,4 miljoen hoger dan begroot.
De meeruitgaven van € 1,4 miljoen zijn te splitsen in:
• € 13,3 miljoen minderuitgaven bij de TS17-; ondanks een hoger aantal TS17--gerechtigden is het gemiddeld uitgekeerd bedrag in 2003 lager geweest. Dit duidt erop dat er meer gerechtigden met een gedeeltelijke tegemoetkoming zijn dan geraamd;
• € 1,7 miljoen meeruitgaven bij het onderdeel VO18+. Deze verhoging is voornamelijk toe te schrijven aan een stijging van het aantal gerechtigden in 2003 ten opzichte van de raming;
• € 12,7 miljoen meeruitgaven bij het onderdeel TS18+. Deze stijging is zowel het gevolg van een hoger aantal gerechtigden dan geraamd als van een hoger gemiddeld uitgekeerd bedrag.
• De WTOS-ontvangsten betreffen terugontvangen van teveel of onterecht uitgekeerde tegemoetkoming studiekosten. Deze ontvangsten zijn moeilijk in te schatten. Voor zowel de TS17- als de VO18+ zijn de ontvangsten € 3,4 miljoen minder dan voor 2003 was begroot.
| Tabel 12: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Ontvangsten lesgeld | 370 931 | 388 764 | 409 373 | 401 607 | 7 766 | ||
In 2003 is € 7,8 miljoen meer aan lesgeldontvangsten gerealiseerd dan begroot. Dit verschil is vooral het gevolg van hogere aantallen lesgeldplichtigen.
De realisatie voor het schooljaar 2002–2003 (451 778) laat een stijging van het aantal lesgeldplichtigen zien van 11 447 ten opzichte van het begrote aantal voor dat schooljaar (440 331). Het verschil tussen begroting en realisatie voor het schooljaar 2003–2004 bedraagt + 23 419.
| Tabel 13: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 854 386 | 493 583 | 374 477 | 266 852 | 520 973 | – 254 121 | |
| waarvan garantieverplichtingen | 68 270 | 3 177 | 111 507 | 53 465 | 263 395 | – 209 930 | |
| Uitgaven | 592 318 | 657 166 | 654 014 | 668 662 | 666 861 | 1 801 | |
| Kunsten | 254 418 | 336 666 | 296 994 | 298 357 | 303 024 | – 4 667 | |
| Podiumkunsten | 147 901 | 180 774 | 174 466 | 179 817 | |||
| Film | 11 506 | 19 474 | 10 489 | 11 456 | |||
| Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving | 54 454 | 73 408 | 45 604 | 44 929 | |||
| Amateurkunst en kunsteducatie | 19 951 | 23 260 | 23 759 | 24 539 | |||
| Overige subsidies kunsten | 20 606 | 39 750 | 42 676 | 37 616 | |||
| Letteren en bibliotheken | 43 900 | 43 300 | 39 089 | 40 856 | 40 681 | 175 | |
| Bibliotheken | 26 000 | 27 000 | 29 754 | 31 106 | |||
| Letteren | 11 500 | 15 000 | 7 854 | 8 003 | |||
| Overig | 6 400 | 1 300 | 1 481 | 1 747 | |||
| Fondsen | 74 355 | 77 625 | 69 804 | 7 821 | |||
| Cultureel erfgoed | 285 200 | 271 000 | 237 984 | 246 775 | 244 771 | 2004 | |
| Musea | 183 500 | 138 400 | 140 159 | 140 599 | |||
| Monumentenzorg | 94 800 | 113 400 | 77 735 | 80 258 | |||
| Archeologie | 3 600 | 5 100 | 4 256 | 4 811 | |||
| Archieven | 2 700 | 3 200 | 3 595 | 3 854 | |||
| Erfgoed algemeen | 600 | 10 900 | 12 241 | 17 253 | |||
| Overig | 8 800 | 6 200 | 5 591 | 5 049 | 8 581 | – 3 532 | |
| Ontvangsten | 2 800 | 4 800 | 4 970 | 3 053 | 250 | 2 803 | |
De realisatie op het artikel cultuur is in totaal circa € 2 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd in de begroting.
Op het artikelonderdeel kunsten is per saldo € 4,7 miljoen minder uitgegeven dan geraamd. Dit wordt onder meer verklaard door overboekingen naar het artikelonderdeel fondsen (circa € 4 miljoen). Daarnaast is in 2003 minder uitgegeven dan verwacht aan onder meer cultuurvouchers en aan de aanvullende regeling voor ID-banen cultuur (€ 7,5 miljoen). Een deel van de voor ID-banen bestemde middelen zal naar verwachting in 2004 nog tot besteding komen (€ 1,5 miljoen). Tegenover deze verlagingen staat een verhoging als gevolg van de loonbijstelling van circa € 7 miljoen.
Op het artikelonderdeel fondsen is € 7,8 miljoen meer uitgegeven dan geraamd. Dit is voornamelijk het gevolg van overboekingen van het artikelonderdeel kunsten (circa € 4 miljoen), een bijdrage aan de aankoop van twee schilderijen van Rubens door het Mauritshuis (€ 2 miljoen) en de loonbijstelling (circa € 1,6 miljoen).
Op het artikelonderdeel cultureel erfgoed is per saldo € 2 miljoen meer uitgegeven dan geraamd. De grootste wijzigingen hebben betrekking op bijdragen van VROM en LNV voor het project Belvedère (€ 5,4 miljoen), een verhoging van het budget voor achterstanden huisvesting musea, archieven en diensten (€ 3,7 miljoen) en loonbijstelling (€ 3 miljoen). Daartegenover staat een verlaging van de uitgaven als gevolg van overboekingen naar andere onderdelen van het departement, onder meer de cultuurdiensten (circa € 7,8 miljoen).
Op het artikelonderdeel overig is € 3,5 miljoen minder uitgegeven dan geraamd als gevolg van onderuitputting op verschillende budgetten.
| Tabel 14: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 832 972 | 834 425 | 882 964 | 878 009 | 857 173 | 20 836 | |
| – waarvan garanties | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Uitgaven | 830 642 | 836 127 | 881 344 | 880 707 | 857 661 | 23 046 | |
| Media | 830 642 | 836 127 | 881 344 | 878 493 | 857 661 | 20 832 | |
| Zero base | 2 214 | 0 | 2 214 | ||||
| Ontvangsten | 243 245 | 231 335 | 222 155 | 253 542 | 226 981 | 26 561 | |
| Rijksomroepbijdrage | 601 786 | 654 404 | 661 058 | 630 680 | 30 378 | ||
De realisatie op het artikelonderdeel media is in totaal € 20,8 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd in de begroting.
Dit wordt voornamelijk verklaard door de loon- en prijsbijstelling 2003 (circa € 28 miljoen). Daarnaast zijn de reclameontvangsten en de renteontvangsten 2003 circa € 10 miljoen lager dan geraamd. Het overige verschil wordt veroorzaakt door een correctie op de afrekening met het Commissariaat voor de Media (circa € 2 miljoen), de huishoudenindex (circa € 1,8 miljoen), G&G gelden cultuur (circa € 0,3 miljoen) en een overschot in verband met onderuitputting interferentie (circa € 1,2 miljoen).
De realisatie op het artikelonderdeel zero base is in totaal circa € 2,2 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd in de begroting.
Dit verschil wordt verklaard doordat ten tijde van de begroting 2003 hiervoor nog geen bedragen waren geraamd. Op dit artikel is € 1,3 miljoen minder uitgegeven dan in de loop van 2003 is geraamd (€ 3,5 miljoen) als gevolg van onderuitputting.
De ontvangsten zijn € 26,6 miljoen hoger dan geraamd. Naast de hierboven reeds genoemde lagere reclame- en renteontvangsten (circa € 10 miljoen) wordt dit veroorzaakt door de opbrengst van de vergelijkende toets van commerciële radiofrequenties (zero base).
| Tabel 15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 1 110 122 | 737 162 | 745 245 | 697 100 | 48 145 | ||
| – waarvan garantieverplichtingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||
| Uitgaven | 757 123 | 801 650 | 773 264 | 741 357 | 31 907 | ||
| 1. Onderzoekbestel | |||||||
| NWO | 286 728 | 287 477 | 313 833 | 305 041 | 8 792 | ||
| KNAW | 74 852 | 77 063 | 78 398 | 74 566 | 3 832 | ||
| Koninklijke Bibliotheek | 28 664 | 29 871 | 31 359 | 30 450 | 909 | ||
| KNAW Bibliotheek | 2 116 | 2 189 | 2 263 | 2 205 | 58 | ||
| LF TUD Bibliotheek | 6 373 | 6 554 | 6 741 | 6 592 | 149 | ||
| IISG | 262 | 262 | 262 | 262 | 0 | ||
| SURF | 2 269 | 2 269 | 2 270 | 2 268 | 2 | ||
| CPG | 267 | 428 | 448 | 432 | 16 | ||
| NIDI | 1 466 | 1 488 | 0 | 1 632 | – 1 632 | ||
| TNO | 186 245 | 194 036 | 189 231 | 176 234 | 12 997 | ||
| BPRC/Stichting AAP | 3 339 | 6 609 | 6 939 | 6 840 | 99 | ||
| Nationaal Herbarium | 998 | 1 041 | 1 076 | 1 042 | 34 | ||
| NLR | 762 | 762 | 797 | 796 | 1 | ||
| Waterloopkundig Laboratorium | 1 190 | 1 190 | 1 190 | 1 231 | – 41 | ||
| Grondmechanica Delft | 713 | 713 | 713 | 757 | – 44 | ||
| MARIN | 803 | 771 | 680 | 885 | – 205 | ||
| STT | 171 | 177 | 182 | 177 | 5 | ||
| WeTeN | 2 384 | 2 747 | 2 785 | 2 549 | 236 | ||
| EMBC | 425 | 436 | 444 | 454 | – 10 | ||
| EMBL | 2 376 | 2 471 | 2 662 | 2 541 | 121 | ||
| ESA | 32 275 | 30 214 | 31 299 | 31 064 | 235 | ||
| CERN | 26 821 | 30 129 | 28 997 | 29 991 | – 994 | ||
| ESO | 5 492 | 5 486 | 5 524 | 5 491 | 33 | ||
| EG-Liaison | 173 | 174 | 179 | 189 | – 10 | ||
| NTU/INL | 1 027 | 1 633 | 1 357 | 1 400 | – 43 | ||
| EIB | 1 036 | 1 070 | 1 130 | 1 081 | 49 | ||
| Nader te verdelen | 60 | 414 | 267 | 1 282 | – 1 015 | ||
| Taakstelling regeerakkoord | – | – | 0 | – 311 | 311 | ||
| Subtotaal onderzoekbestel | 669 772 | 687 674 | 711 026 | 687 141 | 23 885 | ||
| 2. Specifieke beleidsthema's | |||||||
| FES | 12 071 | 27 499 | 17 109 | 11 947 | 5 162 | ||
| Genomics | 34 034 | 63 868 | 11 345 | 11 345 | 0 | ||
| Vernieuwingsimpuls | 11 345 | 9 076 | 10 437 | 10 437 | 0 | ||
| Economie Ecologie Technologie | 9 020 | 0 | 13 072 | 10 664 | 2 408 | ||
| COS | 465 | 519 | 488 | 453 | 35 | ||
| Verkenningen | 106 | 83 | 0 | 500 | – 500 | ||
| Aspasia | 274 | 431 | 431 | 431 | 0 | ||
| Taakstelling regeerakkoord | – | – | 0 | – 993 | 993 | ||
| Subtotaal specifieke beleidsthema's | 67 315 | 101 476 | 52 882 | 44 784 | 8 098 | ||
| 3. Coördinatie en samenwerking | |||||||
| Coördinatie wetenschapsbeleid | 12 786 | 8 530 | 3 671 | 5 297 | – 1 626 | ||
| Bilaterale samenwerking | 7 250 | 3 970 | 5 685 | 4 135 | 1 550 | ||
| Subtotaal coördinatie en samenwerking | 20 036 | 12 500 | 9 356 | 9 432 | – 76 | ||
| Ontvangsten | 101 108 | 108 114 | 93 270 | 80 455 | 12 815 | ||
De stand ontwerpbegroting 2003 is verhoogd met € 31,9 miljoen. Dit is grotendeels veroorzaakt door technische begrotingsmutaties, zoals bijstellingen uit de aanvullende posten en desalderingen in het kader van de loonbijstellingen 2003. De belangrijkste wijziging, anders dan bovengenoemde reden, betreft het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Het NIDI is met ingang van 2003 ondergebracht bij de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en in de realisatie voor 2003 op nul gesteld.
| Tabel 16: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 0 | – 65 689 | 65 689 | ||||
| Uitgaven | 0 | – 65 689 | 65 689 | ||||
| • Loonbijstelling | 0 | – 6 532 | 6 532 | ||||
| • Prijsbijstelling | 0 | 0,0 | 0,0 | ||||
| • Nader te verdelen | 0 | – 59 157 | 59 157 | ||||
| • Asielzoekers | 0 | 0,0 | 0,0 | ||||
| Ontvangsten | 0 | 2 996 | – 2 996 | ||||
De negatieve beginstand van het artikelonderdeel loonbijstelling is veroorzaakt doordat er een meerjarige cao is afgesloten met het onderwijsveld (po, vo en bve). Deze beleidsterreinen worden dan verhoogd met de afgesproken cao-middelen ten laste van het artikelonderdeel loonbijstelling. Het teveel uitgedeelde wordt daardoor negatief geparkeerd op het artikelonderdeel loonbijstelling. In het daaropvolgende jaar wordt deze negatieve stand verrekend met een deel van de volgende loonbijstellingstranche.
De negatieve stand van het artikelonderdeel nader te verdelen is veroorzaakt doordat het centrale tekort en een aantal nog te verdelen middelen op dit artikelonderdeel worden geparkeerd.
| Tabel 17: Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 170 072 | 182 723 | 155 664 | 27 059 | |||
| Uitgaven | 164 231 | 192 806 | 155 664 | 37 142 | |||
| Bestuursdepartement | 164 231 | 192 806 | 155 664 | 37 142 | |||
| Ontvangsten | 581 | 4 343 | 567 | 3 776 | |||
Het verschil tussen realisatie en begroting van de uitgaven op dit artikel bedraagt € 37,1 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door:
• een verhoging van € 6,3 miljoen door uitstel van betalingen voor de Hoftoren als gevolg van een vertraging in het bouwproces en als gevolg van een kasschuif voor de eindejaarsmarge van de apparaatskosten;
• een verhoging van € 28,6 miljoen voor de problematiek van de apparaatskosten;
• een verhoging van € 3,3 miljoen voor vervolgonderzoek voor de Commissie Schutte;
• een verhoging van € 4,0 miljoen voor de loon- en prijsbijstelling 2003;
• een verhoging van € 1,2 miljoen door een overboeking uit het programma ICT aan het apparaatbudget van de directie ICT;
• een verhoging van € 1,2 miljoen voor een overboeking van onderzoekskosten naar het apparaatskostenbudget;
• een verhoging van € 2,4 miljoen door een overboeking van het programma artikel naar artikel 18;
• een verlaging van € 3,2 miljoen als gevolg van een convenant met de bonden, waardoor het budget bestemd voor flankerend beleid pas in 2004 wordt uitgeput;
• een verhoging van € 10 miljoen dat bestemd is voor de verbouwing van het pand aan de Europaweg en vervolgens een verlaging van € 10 miljoen omdat BZK het bedrag pas in 2004 wil ontvangen;
• een verlaging van € 4,1 miljoen doordat de uitgaven voor de Commissie Schutte voor een groot deel worden gerealiseerd in 2004;
• een verlaging van € 2 miljoen als gevolg van een aantal overboekingen in het kader van de externentaakstelling en de volume- en efficiencytaakstelling;
• een verlaging van € 5,4 miljoen als gevolg van de uitkering van de eindejaarsmarge aan directies in 2004 en voor lopende projecten in verband met de Hoftoren die pas in 2004 worden opgeleverd.
Het verschil tussen realisatie en begroting van de ontvangsten bedraagt € 3,8 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door:
• een verhoging van € 3,2 miljoen als gevolg van terugbetalingen voor huisvesting en WAO-uitkeringen.
| Tabel 18: Budgettaire gevolgen artikel 19 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 53 475 | 48 727 | 46 344 | 2 383 | |||
| Uitgaven | 52 396 | 48 917 | 46 344 | 2 573 | |||
| Inspectie van het Onderwijs | 50 596 | 47 497 | 45 593 | 1 904 | |||
| Inspectie Cultuurbezit | 1 800 | 1 420 | 751 | 669 | |||
| Ontvangsten | 160 | 9 | 0 | 9 | |||
Het verschil tussen realisatie en begroting van de Inspectie van het onderwijs is in 2003 uitgekomen op € 1,9 miljoen. Het betreft de onderstaande wijzigingen:
• € 1,1 miljoen loon- en prijsbijstelling;
• € 1,8 miljoen is per saldo verschoven naar de begroting 2002;
• € 1,0 miljoen voor incidenteel meerwerk in opdracht van beleidsdirecties;
• € 0,3 miljoen voor de inpassing van de landbouwinspectie;
• € 0,5 miljoen als compensatie voor de technisch ingeboekte taakstellingen;
• € 0,7 is per saldo verschoven van de begroting 2004 naar 2003 om tot een sluitende exploitatie te komen.
De realisatie 2003 van de cultuurinspecties is uitgekomen op € 1,4 miljoen; een stijging van de uitgaven met € 669 000. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de overboeking van € 681 000 van artikel 22 (uitvoeringsorganisaties cultuur) ten behoeve van de Rijksarchiefinspectie.
| Tabel 19: Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 7 217 | 6 944 | 7 161 | – 217 | |||
| Uitgaven | 7 217 | 6 944 | 7 161 | – 217 | |||
| Onderwijsraad | 3 035 | 2 517 | 2 659 | – 142 | |||
| Raad voor Cultuur | 3 115 | 3 139 | 3 005 | 134 | |||
| Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid | 1 067 | 1 288 | 1 497 | – 209 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
Het totaal aan realisatie voor de drie adviesraden over 2003 is € 217 000 lager dan begroot. Belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:
• een verhoging van € 0,7 miljoen voor de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid als gevolg van de bijdrage van het ministerie van Economische Zaken;
• een verlaging met € 1,2 miljoen als gevolg van de uitkering van de eindejaarsmarge aan de adviesraden in 2004;
• een verhoging met € 0,1 miljoen als gevolg van de loon- en prijsbijstelling.
| Tabel 20: Budgettaire gevolgen artikel 21 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 202 576 | 206 320 | 173 122 | 33 198 | |||
| Uitgaven | 202 576 | 206 320 | 173 122 | 33 198 | |||
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 48 531 | 56 732 | 42 053 | 14 679 | |||
| Informatie Beheer Groep (IBG) | 122 407 | 118 322 | 99 171 | 19 151 | |||
| Overige uitvoeringsorganisaties | 31 638 | 31 266 | 25 311 | 5 955 | |||
| Onverdeeld | 0 | 0 | 6 587 | – 6 587 | |||
| Ontvangsten | 671 | 408 | 408 | 0 | |||
De realisatie over 2003 van de uitvoeringsorganisaties onderwijs is € 33,2 miljoen hoger dan begroot. Het betreft de onderstaande aanvullingen:
• € 3,3 miljoen loon- en prijsbijstelling;
• € 3,2 miljoen van Domeinen voor de huur van de IB-Groep;
• € 0,9 miljoen van het ministerie van Financiën voor de kosten van de wijzigingen in de inkomstenbelasting;
• € 4,7 miljoen van het bestuursdepartement voor werkzaamheden 2002;
• € 6,8 miljoen voor de hogere uitvoeringskosten sociale zekerheid door UWV-USZO;
• € 4,0 miljoen voor de invoeringskosten van het onderwijsnummer;
• € 10,3 miljoen voor extra werk in opdracht van diverse beleidsdirecties.
| Tabel 21: Budgettaire gevolgen artikel 22 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 81 530 | 81 432 | 68 627 | 12 805 | |||
| Uitgaven | 81 530 | 81 432 | 68 627 | 12 805 | |||
| Cultuurinstellingen | 46 525 | 47 568 | 33 273 | 14 295 | |||
| Nationaal archief | 35 005 | 33 864 | 35 354 | – 1 490 | |||
| Ontvangsten | 4 094 | 3 716 | 244 | 3 472 | |||
Met een realisatie van in totaal € 81,4 miljoen is er op dit artikel in totaal € 12,8 miljoen meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn de loonbijstellingen en de interne overboekingen van het artikelonderdeel cultureel erfgoed. Daarnaast heeft een desalderingsboeking van uitgaven en ontvangsten plaatsgevonden voor een bedrag van € 3,5 miljoen.
| Tabel 22: Budgettaire gevolgen artikel 23 (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | |||||
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2003 | ||
| Verplichtingen | 2 450 | 2 418 | 2 365 | 53 | |||
| Uitgaven | 2 450 | 2 418 | 2 365 | 53 | |||
| Centrale Financiën Instellingen (CFI) | 2 450 | 2 418 | 2 365 | 53 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
Het artikel uitvoeringsorganisaties wetenschappen is verhoogd met de loonbijstelling 2003.
2. Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving
De wet- en regelgeving is voor een belangrijk gedeelte van de uitgaven en ontvangsten gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO) door derden. Dit is onvermijdelijk omdat het ministerie gegevens van belanghebbenden moet gebruiken voor het bekostigen van instellingen en het verstrekken van beurzen en dergelijke. Een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid kan de hiermee verbonden risico's sterk verminderen. De MenO-gevoeligheid in alle regelingen is geïnventariseerd en wordt jaarlijks geactualiseerd.
Toch kan in een beperkt deel van de regelingen de MenO-gevoeligheid niet of niet geheel worden weggenomen door een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid. Dit vormt het restant MenO. Hierna zijn deze regelingen weergegeven.
Het grootste deel van de uitgaven voor het basisonderwijs is MenO-gevoelig. Het belangrijkste, niet afgedekte risico betreft het toekennen van formatie aan basisscholen op grond van leerlinggewichten. Het financiële effect hiervan is ongeveer € 264 miljoen per jaar. Het leerlinggewicht is afhankelijk van de opleiding van de ouders, hun beroep, de gezinsomstandigheden en het land van herkomst. Ook het inkomen kan van invloed zijn. De directeur van de basisschool kent de gewichten toe op basis van de gegevens die de ouders verstrekken. Deze gegevens worden tot nu toe bij de ouders niet geverifieerd. Redenen daarvoor liggen op het vlak van privacy- en doelmatigheidsaspecten. Het niet hebben van een opleiding is bovendien niet controleerbaar.
Onder het primair onderwijs vallen ook de speciale scholen voor basisonderwijs. Deze scholen kennen geen leerlinggewichten maar maken wel aanspraak op extra formatie voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. De hiermee gemoeide uitgave van € 15 miljoen is MenO-gevoelig. Het MenO-risico betreft het toekennen van extra formatie op basis van gegevens van leerlingen en hun ouders zonder dat nog aangetoond hoeft te worden dat deze juist zijn.
In 2003 kent het voortgezet onderwijs naast scholen voor voortgezet onderwijs (vo) ook scholen voor speciaal voortgezet onderwijs (svo). Dit zijn de vroegere vso-lom en mlk-scholen of afdelingen. Zowel de vo- als de svo-scholen en afdelingen hebben aanspraak op extra formatie om onderwijsachterstanden te bestrijden van leerlingen uit culturele minderheidsgroepen. Voor vo-scholen is hiervoor in 2003 circa € 71,3 miljoen uitgegeven en voor svo-scholen circa € 7 miljoen. Het MenO-risico wordt bij de scholen voor voortgezet onderwijs aanzienlijk beperkt, doordat de leerlingenadministratie een of meerdere documenten moet bevatten waarmee de juistheid van de gegevens van de leerlingen en hun ouders kan worden aangetoond.
Voor svo-scholen geldt dit voorschrift niet. Zij dienen minimaal te voldoen aan de regelgeving zoals die tot 31 juli 1998 krachtens de interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gold. Op grond van die regelgeving hoeft de school de juistheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders niet aan te tonen. Door de overgang van declaratiebekostiging op lumpsumfinanciering vervalt deze problematiek op termijn.
In diverse begrotingsartikelen is in totaal circa € 189 miljoen voor de tegemoetkoming van ziektekosten opgenomen. Dit bedrag betreft het departementale personeel en het personeel in het primair onderwijs en een gedeelte van het voortgezet onderwijs. De tegemoetkoming is van diverse factoren afhankelijk, zoals de aanspraken op gelijksoortige regelingen, de aard van de verzekering, de ontvangen uitkering van de partner en de gezinssamenstelling. De aanvrager van de tegemoetkoming verstrekt deze gegevens. Sinds enige jaren is een intensief controle- en sanctiebeleid voorgeschreven. Daarmee is het risico van het betalen van te hoge tegemoetkomingen aanzienlijk beperkt. Het restantrisico bestaat nog voornamelijk bij de tegemoetkoming voor medebelanghebbenden en kinderen. Hiervoor is in 2003 in totaal circa € 53 miljoen betaald.
In het boekjaar 2003 is € 372 miljoen aan uitwonende toelage verstrekt op grond van de Wet Studiefinanciering (WSF) en voor € 4 miljoen op grond van het onderdeel VO18+ van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Het is onder beide regelingen voor studerende voordelig om zich als uitwonende op te geven.
De mogelijkheden om de woonomstandigheden van studenten te controleren zijn beperkt. Het percentage misbruik en oneigenlijk gebruik is hierdoor niet precies te berekenen. De minimale omvang is via steekproefcontroles in eerdere jaren bepaald op ongeveer 0,8%.
Met ingang van studiejaar 2002/2003 worden de adresgegevens van studenten die voor het eerst vallen onder de WSF gekoppeld aan de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Deze studenten komen dan alleen nog in aanmerking voor een uitwonende toelage als de woonsituatie kan worden geverifieerd met de GBA. Dit kan het MenO-risico in de toekomst verder terugdringen.
Voor studenten die vallen onder de WTOS onderdeel VO18+ is de GBA-status reeds langer bepalend voor de woonsituatie. Het restant-MenO wordt voor laatstgenoemde regeling dan ook relatief lager ingeschat.
De hoogte van de toelagen op grond van de WTOS is vrijwel volledig afhankelijk van het inkomen.
Het totaal van de uitgaven voor de verschillende onderdelen bedraagt € 363 miljoen, waarvan € 330 miljoen inkomensafhankelijk is. Bij € 94 miljoen spelen hierbij niet verifieerbare gegevens een rol.
Voor de toelage onderdelen WTS 18- en Tegemoetkoming lerarenopleiding (TLO) is het inkomen van zowel de aanvrager als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een aanvrager geen partner heeft.
Voor de toelage onderdeel 18+ is het inkomen van zowel de geregistreerde verzorgende ouder als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een ouder geen partner heeft.
Voor de toelage onderdeel WTS 18+ is de hoogte van het inkomen van de aanvrager in de drie maanden voorafgaande aan het studiejaar relevant voor de toekenning. De belastingdienst registreert alleen jaarinkomens. Hierdoor is uitwisseling van inkomens met de belastingdienst niet mogelijk.
In de wet studiefinanciering doet zich de afhankelijkheid van het inkomen van een eventuele partner ook voor bij studenten die verzoeken om draagkrachtmeting bij het terugbetalen van hun studieschulden.
FINANCIELE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTAAT VAN DE AGENTSCHAPPEN
CENTRALE FINANCIEN INSTELLINGEN
| Tabel 1: Balans per 31 december 2003 (voor verwerking resultaat) (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Balans per 31-12-2003 | Balans per 31-12-2002 | |
| Activa | ||
| Materiële activa | 6 497 | 11 104 |
| * Grond en gebouwen | 0 | 73 |
| * Installaties en inventaris | 6 497 | 11 031 |
| * Overige materiële vaste activa | 0 | 0 |
| Voorraden | 0 | 0 |
| Debiteuren | 514 | 3 708 |
| Nog te ontvangen | 1 178 | 0 |
| Vooruitbetaalde kosten | 226 | 261 |
| Liquide middelen | 14 061 | 3 309 |
| Totaal activa | 22 476 | 18 382 |
| Passiva | ||
| Eigen vermogen | 1 022 | – 2 343 |
| * Exploitatiereserve | 657 | 2 541 |
| * Onverdeeld resultaat | 365 | – 4 884 |
| Leningen bij het ministerie van Financiën | 6 706 | 10 958 |
| Voorzieningen | 7 053 | 1 909 |
| Crediteuren | 2 169 | 3 895 |
| Betalingen onderweg | 0 | 15 |
| Vooruit ontvangen bedragen | 2 560 | 1 564 |
| Nog te betalen | 2 966 | 2 384 |
| Totaal passiva | 22 476 | 18 382 |
Na vaststelling van de jaarrekening 2002 is een vordering van € 3 miljoen alsnog toegekend. De vordering is conform de opmerking in het jaarverslag 2002 als bijdrage van het bestuursdepartement verwerkt in de exploitatiebuffer.
Toelichting op de individuele balansposten
| Tabel 2: Materiële vaste activa (x € 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Bedrijfsproces ondersteunende syste-men | Hardware | Meubilair | KA en bedrijfs-software | Gebouw | Totaal | |
| Historische aanschaf waarde | 19 525 | 7 501 | 1 786 | 1 349 | 219 | 30 380 |
| Cumulatieve afschrijving | 13 016 | 3 660 | 1 119 | 1 335 | 146 | 19 276 |
| Boekwaarde 01-01-2003 | 6 509 | 3 841 | 667 | 14 | 73 | 11 104 |
| Mutaties 2003 | ||||||
| Investeringen | 171 | – 686 | 3 | 0 | 0 | – 512 |
| Desinvesteringen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| * Historische aanschafwaarde | – 1 575 | – 834 | – 3 | 0 | – 219 | – 2 631 |
| * Cumulatieve afschrijving | 1 575 | 834 | 3 | 0 | 219 | 2 631 |
| Afschrijvingen | 2 408 | 1 435 | 174 | 6 | 73 | 4 096 |
| Totaal mutaties 2003 | – 2 237 | – 2 121 | – 171 | – 6 | – 73 | – 4 608 |
| Aanschafprijs | 18 121 | 5 981 | 1 786 | 1 349 | 0 | 27 237 |
| Cumulatieve afschrijvingen | 13 849 | 4 261 | 1 290 | 1 341 | 0 | 20 741 |
| Boekwaarde 31-12-03 | 4 272 | 1 720 | 496 | 8 | 0 | 6 497 |
| Afschrijvingstermijn | 5 jaar | 3 jaar | 10 jaar | 3 jaar | 3 jaar | |
De investeringen in het gebouw zijn, overeenkomstig het huurcontract, afgeschreven in drie jaar. Dit jaar heeft een afschrijving van de historische boekwaarde plaatsgevonden. Dit is gespecificeerd in de bovenstaande tabel.
De post debiteuren betreft vorderingen grotendeels de wachtgeldregeling en een factuur aan de HBO-raad.
| Tabel 3: Nog te ontvangen (x € 1 000) | |
|---|---|
| Vakantiegeld personeel | 931 |
| BTZK personeel | 247 |
| Totaal | 1 178 |
Dit is een technische post voor vakantiegeld en tegemoetkoming ziektekosten personeel.
Het betreft voornamelijk onderhoudskosten van computers.
| Tabel 4: Liquide middelen (x € 1 000) | |
|---|---|
| Rekening courant bestuursdepartement | 14 059 |
| Overige liquide middelen | 2 |
| Totaal liquide middelen | 14 061 |
Het totaal aan liquide middelen is het saldo van rekening courant bij de Rijkshoofdboekhouding en het saldo van de kas (inclusief waardebonnen). De mutatie in liquide middelen ten opzichte van 2002 is voornamelijk veroorzaakt door:
• Ontvangst ten behoeve van de vorming van de voorziening flankerend beleid 2004/2005 ad € 5,2 miljoen;
• Aanvulling exploitatiebuffer ad € 3 miljoen;
• Toename vooruitontvangen baten ad € 1 miljoen;
• Afname vlottende activa ad € 2 miljoen.
| Tabel 5: Exploitatiebuffer (x € 1 000) | |
|---|---|
| Stand 31-12-2002 | 2 541 |
| Resultaat per 31-12-2002 | – 4 882 |
| Dotatie bestuursdepartement | 2 998 |
| Stand 01-01-2003 | 657 |
| Stand 31-12-2003 | 657 |
| Tabel 6: Vreemd vermogen (x € 1 000) | |
|---|---|
| Stand 31-12-2002 | 10 958 |
| Beroep op de leenfaciliteit | 0 |
| Aflossing op vreemd vermogen | – 4 252 |
| Totaal vreemd vermogen | 6 706 |
De aflossingen op de leningen zijn lineair. In 2003 heeft Cfi geen beroep gedaan op de leenfaciliteit.
| Specificatie vreemd vermogen: saldo-overzicht per 31-12-2003 (x € 1 000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Begindatum | Einddatum | Resterend looptijd | Hoofdsom | Openstaand begin jaar | Openstaand einde jaar |
| 31-12-1999 | 31-12-2004 | 1,00 | 6 486 | 1 134 | 226 |
| 15-12-2000 | 17-11-2003 | – | 1 089 | 363 | 0 |
| 15-12-2000 | 15-11-2004 | 0,88 | 2 541 | 1 271 | 636 |
| 03-12-2001 | 03-12-2004 | 0,93 | 1 134 | 756 | 378 |
| 03-12-2001 | 04-12-2006 | 2,93 | 2 042 | 1 634 | 1 226 |
| 01-08-2002 | 01-08-2005 | 1,59 | 3 000 | 3 000 | 2000 |
| 01-08-2002 | 01-08-2007 | 3,58 | 800 | 800 | 640 |
| 16-12-2002 | 17-12-2007 | 3,96 | 2000 | 2000 | 1 600 |
| Totaal | 19 092 | 10 958 | 6 706 | ||
| Tabel 7: Voorzieningen (x € 1 000) | ||||
|---|---|---|---|---|
| 01-01-2003 | Onttrekkingen | Dotaties | 31-12-2003 | |
| Flankerend beleid/wachtgeld | 1 908 | – 398 | 343 | 1 853 |
| Voorziening flankerend beleid 2004/2005 | 0 | 0 | 5 200 | 5 200 |
| Totaal voorzieningen | 1 908 | – 398 | 5 543 | 7 053 |
De voorziening flankerend beleid is in het kader van het sociaal beleidskader Cfi.
De crediteuren betreffen voornamelijk externe dienstverleners.
| Tabel 8: Vooruit ontvangen bedragen (x € 1 000) | |
|---|---|
| EFJ | 43 |
| Leerling gebonden financiering | 850 |
| Onderwijs nummer | 680 |
| Wachtgelden vo | 187 |
| IPTO | 270 |
| Kwantitatief informatiebeleid | 150 |
| Huisvesting | 380 |
| Realisatie 2003 | 2 560 |
Vooruit ontvangen bedragen zijn middelen die Cfi in het boekjaar 2003 al heeft ontvangen, maar waarvoor nog geen prestatie is verricht. Op het moment dat de prestatie is verricht, worden de ontvangsten geboekt als baten.
| Tabel 9: Nog te betalen (x € 1 000) | |
|---|---|
| Vakantiegeld personeel | 931 |
| BTZK personeel | 247 |
| Personeel overigen | 366 |
| Nog te betalen overigen | 1 033 |
| Nog te ontvangen facturen | 389 |
| Totaal | 2 966 |
| Tabel 10: Rekening van baten en lasten 2003 (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Omschrijving | Oorspronkelijke vastgestelde begroting 2003 | Realisatie 2003 | Verschil realisatie en oorspronkelijke vastgestelde begroting |
| Baten | |||
| Opbrengst bestuursdepartement | 44 216 | 52 752 | 8 536 |
| Opbrengst overige departementen | 0 | 148 | 148 |
| Opbrengst werken voor derden | 1 188 | 1 480 | 292 |
| * Participatiefonds | – | 1 089 | – |
| * Opbrengst derden | – | 386 | – |
| * Informatievoorziening | – | 5 | – |
| Rentebaten | 158 | 53 | 105- |
| Bijzondere baten | 254 | 854 | 600 |
| Exploitatiebijdrage | – | 5 200 | 5 200 |
| Totale baten | 45 816 | 60 487 | 14 671 |
| Lasten | |||
| Personele kosten | 30 287 | 30 679 | 392 |
| * Vast personeel | – | 27 318 | – |
| * Tijdelijk personeel | – | 2 243 | – |
| * Overige personele kosten | – | 1 118 | – |
| Materiële kosten | 10 939 | 18 996 | 8 057 |
| * Externen | – | 7 559 | – |
| * Automatisering | – | 6 847 | – |
| * Overige materiële kosten | – | 4 590 | – |
| Afschrijvingen | 4 933 | 4 096 | – 837 |
| Rentekosten | 489 | 465 | – 24 |
| Dotaties voorzieningen | 450 | 5 543 | 5 093 |
| Korting strategisch akkoord | – 1 282 | 1 282 | |
| Bijzondere lasten | 0 | 343 | 343 |
| Totale lasten | 45 816 | 60 122 | 14 306 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | 365 | 365 |
De afwijking tussen de oorspronkelijke begroting voor 2003 en de gerealiseerde baten wordt veroorzaakt door drie categorieën mutaties:
• Technische mutaties;
• Mutaties in de orderportefeuille van Cfi;
• Bijdragen in de kosten van majeure projecten.
De stijging van baten ten opzichte van de begroting wordt verklaard door additionele bijdragen voor majeure projecten als het onderwijsnummer, leerlinggebonden financiering en ESF. De exploitatiebijdrage van € 5,2 miljoen is voor de voorziening flankerend beleid 2004/2005.
Toelichting op de individuele posten uit de rekening van baten en lasten
| Tabel 11: Opbrengst bestuursdepartement (x € 1 000) | |
|---|---|
| Oorspronkelijke begroting boekjaar | 44 216 |
| Technische mutaties | – 1 468 |
| Mutaties in orderportefeuille | 374 |
| Bijdrage in majeure projecten | 10 583 |
| Vooruit ontvangen baten 2002 | 1 564 |
| Vooruit ontvangen baten 2003 | – 2 517 |
| Realisatie 2003 | 52 752 |
Het agentschap Cfi voert een financiële administratie op basis van het baten- en lastenstelsel. Het bestuursdepartement daarentegen voert een administratie op basis van het kasstelsel. Door deze andere uitgangspositie verschilt het totaal van de baten over 2003 van de uitgaven aan Cfi, zoals die worden opgevoerd in de apparaatskostenbegroting van het ministerie van OCW. Het verschil tussen de baten van Cfi en de uitgaven van het bestuursdepartement is te herleiden tot:
• Technische mutaties;
• Ontvangsten die voor Cfi geen baten zijn;
• Baten waarvoor geldt dat het realisatiemoment van onderliggende kosten niet overeenkomt met de periode waarin de baten zijn/worden ontvangen.
| Tabel 12: Aansluiting OCW – Cfi (x € 1 000) | |
|---|---|
| Baten bestuursdepartement | 52 752 |
| Bijzondere baten | 254 |
| Exploitatiebijdrage | 5 200 |
| Vordering bestuursdepartement | 5 263 |
| Ontvangsten direct geboekt | – 71 |
| Mutaties matching kosten met baten | 953 |
| Kasstroom OCW | 64 351 |
Bovenstaande kasstroom OCW komt overeen met artikel 21.02 (€ 56,732 miljoen) en artikel 23 (€ 2,418 miljoen) en een betaling van € 5,2 miljoen flankerend beleid 2004/2005 uit artikel 18.
| Tabel 13: Bijzondere baten (x € 1 000) | |
|---|---|
| Correctie op de balanspost «nog te betalen kosten 2002» | 592 |
| IPTO 2002 | 231 |
| Correctie investering 2002 | 31 |
| Totaal bijzondere baten | 854 |
De personele kosten zijn gering hoger dan begroot. De afwijking wordt veroorzaakt door het inhuren van ict-capaciteit voor systeemaanpassingen als gevolg van veranderde wet- en regelgeving. De zogenoemde overige lasten zijn ten behoeve van opleidingen, bewust belonen en overige personele vergoedingen.
| Tabel 14: Materiële kosten (x € 1 000) | |
|---|---|
| Externen | 7 559 |
| Automatisering | 6 847 |
| Overige materiële kosten | 4 590 |
| Totaal materiële kosten | 18 996 |
De materiële kosten zijn hoger dan de begroot. Deze stijging wordt veroorzaakt door de noodzaak externen in te huren voor additionele projectopdrachten en hogere facilitaire kosten door vertrek departement in najaar 2003 naar den Haag.
| Tabel 15: Dotaties voorzieningen (x € 1 000) | |
|---|---|
| Flankerend beleid/wachtgeld | 343 |
| Voorziening flankerend beleid 2004/2005 | 5 200 |
| Totaal dotatie voorzieningen | 5 543 |
| Tabel 16: Afwikkeling exploitatieresultaat (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Omzet 2001 | 57 261 | ||
| Omzet 2002 | 55 561 | ||
| Omzet 2003 | 54 379 | ||
| Gemiddelde omzet | 55 734 | ||
| Maximale exploitatiebuffer (5%) | 2 787 | ||
| Terug naar BD 25% van het exploitatieresultaat | 91 | ||
| Exploitatiereserve per 01–01–2003 | 657 | ||
| Toevoeging exploitatieresultaat 2003 | 274 | ||
| 931 | |||
| Maximaal toegestaan | 2 787 | ||
| Extra bedrag naar bestuursdepartement | 0 | ||
| Totaal af te storten | 91 | ||
| Tabel 17: Rekening van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Artikelomschrijving | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting |
| Totale baten | 45 816 | 60 487 | 14 671 |
| Totale lasten | 45 816 | 60 122 | 14 306 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | 365 | 365 |
| Totale kapitaalsontvangsten | 4 300 | 2 998 | – 1 302 |
| Totale kapitaaluitgaven | 10 400 | 3 740 | – 6 660 |
Toelichting op de rekening van kapitaaluitgaven en- ontvangsten
| Tabel 18: kasstroomoverzicht 2003 (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Omschrijving | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting |
| 1. Rekening courant RIC 1 januari 2003 | 4 410 | 3 309 | – 1 101 |
| 2. Totaal operationele kasstroom | 2 521 | 6 293 | 3 772 |
| • totaal investeringen (-/-) | – 4 538 | 512 | 5 050 |
| • totaal boekwaarde desinvesteringen (+) | 0 | 0 | 0 |
| 3. Totaal investeringskasstroom | – 4 538 | 512 | 5 050 |
| • eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) | 0 | 0 | 0 |
| • eenmalig storting van moederdepartement (+) | 0 | 8 198 | 8 198 |
| • aflossingen op leningen (-/-) | – 2 952 | – 4 252 | – 1 300 |
| • beroep op leenfaciliteit (+) | 4 538 | 0 | – 4 538 |
| 4. Totaal financieringskasstroom | 1 586 | 3 946 | 2 360 |
| 5. Rekening courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4) | 3 979 | 14 060 | 10 081 |
| Tabel 19: Overzicht meerjarige vermogensontwikkeling van een baten-lastendienst (x € 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| t-4 | t-3 | t-2 | t-1 | t begroting | t realisatie | |
| 1. Eigen vermogen per 1 januari 2003 | 7 461 | 7 343 | 2 306 | 3 135 | 1 105 | – 2 343 |
| 2. Saldo van baten en lasten | – 633 | 1 936 | 829 | – 4 884 | 365 | |
| 3a. Uitkering aan moederdepartement | – 6 974 | – 594 | ||||
| 3b. Bijdrage door moederdepartement ter versterking van het eigen vermogen | 523 | |||||
| 3c. Overige mutaties in eigen vermogen | – 7 | 2 998 | ||||
| 3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen | 516 | – 6 974 | 0 | – 594 | 0 | 2 998 |
| 4. Eigen vermogen per 31 december 2003 (1+2+3) | 7 343 | 2 306 | 3 135 | – 2 343 | 1 105 | 1 019 |
| Tabel 20: Kengetallen over volumes agentschapproducten | ||||
|---|---|---|---|---|
| Prognose 2002 | Realisatie 2002 | Prognose 2003 | Realisatie 2003 | |
| Uitvoeringstoetsen | 30 | 19 | 30 | 21 |
| Implementatie majeure wetgevingsprojecten | 3 | 4 | 3 | 1 |
| Onderwijsvoorzieningen aanbod | 1 600 | 1 702 | 1 600 | 1 637 |
| Bekostigingsaanvragen | 120 000 | 120 327 | 200 000 | 141 540 |
| Verantwoordingsdocumenten | 10 500 | 9 506 | 12000 | 9 202 |
| Instroomtoetsen | 2 700 | 2008 | 2 300 | 3 067 |
| Verweerschriften | 1 600 | 357 | 650 | 503 |
| Telefoongesprekken | 75 000 | 59 031 | 65 000 | 52 318 |
| Correspondentie | 9 000 | 5 494 | 6 500 | 3 672 |
| Informatieleveringen | 600 | 470 | 900 | 529 |
| Verantwoordingsrapportages | 4 | 4 | 4 | 4 |
De realisatiecijfers 2003 van de agentschapproducten Cfi wijken fors af van de prognose 2003. Dit komt omdat de prognoses gebaseerd zijn op realisatiecijfers uit voorgaande jaren en er is geen rekening gehouden met de dalende trend van de output. Op verzoek van de plaatsvervangend secretaris-generaal van OCW doet Cfi in 2004 een uitgebreid onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de daling van de output.
Realisatie 2003 is nagenoeg gelijk aan 2002.
Implementatie majeure wetgeving
Het betreft de invoering van leerlinggebonden financiering.
Met name bij de bekostigingsaanvragen zijn er over de jaren heen majeure verschillen in de realisatie output. Dit wordt in opdracht van de plaatsvervangend secretaris-generaal onderzocht.
Dit volume blijft stabiel.
Het bestuur van het Participatiefonds heeft Cfi gevraagd een onderzoekt te doen naar de forse stijging ten opzichte van 2002. De resultaten van dit onderzoek zijn thans nog niet bekend.
De daling 2003 is een gevolg van de algemene daling van de output van Cfi. In een percentage uitgedrukt is het aantal verweerschriften al enkele jaren minder dan 1% ten opzichte van de beslissingen van Cfi waartegen verweer kan worden ingediend.
Ook dit agentschapsproduct heeft een relatie met de algemene daling van de output. Daarnaast speelt het toenemende emailverkeer en de informatievoorziening via internet een duidelijke rol.
Zie hiervoor bij het agentschapproduct «telefoongesprekken».
De uitkomst komt nagenoeg overeen met de prognose.
In 2003 werd om de 4 maanden verantwoording afgelegd aan de plaatsvervangend secretaris-generaal. Daarnaast is het jaarverslag 2002 in 2003 opgesteld.
Archieven nemen binnen het culturele erfgoed een bijzondere plaats in. Het zijn historische bronnen die op directe en authentieke wijze getuigen over het leven en handelen van individuen en groepen in het nabije en verre verleden. Archieven bieden iedereen de mogelijkheid om zelf de informatie te verzamelen die nodig is om inzicht te krijgen in maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, de omgeving waarin men leeft of iemands eigen persoonlijke afkomst.
1.2 Regionale historische centra
Krachtens de archiefwet heeft de minister een specifieke verantwoordelijkheid voor de rijksarchieven, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. Het Nationaal Archief bewaart archieven van nationale betekenis, de rijksarchieven in de provincie die van regionale betekenis. De Rijksarchiefdienst is de overkoepelende organisatie; in 1996 is deze dienst agentschap geworden.
Eind jaren '90 is gebleken dat de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden steeds minder in staat waren om aan de hedendaagse eisen van publieksbereik te voldoen. Verbetering is de laatste jaren bereikt door het gebruik van informatie- en communicatie technologie. Een handicap was echter de kleinschaligheid van de afzonderlijke rijksarchieven. In 1997 is daarom een beleid ingezet dat erop gericht is de rijksarchieven te laten fuseren met andere instellingen op het gebied van historische informatie (zoals gemeente- en streekarchieven, historische musea, documentatiecentra en bibliotheken). De efficiencywinst die hieruit ontstaat wordt ingezet voor een betere dienstverlening aan het publiek.
Ultimo 2003 maken reeds zes rijksarchieven deel uit van een gefuseerde organisatie, een zogenaamd Regionaal Historisch Centrum, namelijk in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zeeland. In de provincie Flevoland wordt op 1 januari 2004 gestart met het Erfgoed Centrum Nieuw Land. Verder zullen in de loop van 2004 naar verwachting ook de rijksarchieven in Noord-Brabant, Noord-Holland en Limburg fuseren. In Zuid-Holland is het rijksarchief een onderdeel van het Nationaal Archief en in Drenthe wordt nog onderzocht op welke wijze het archief (mogelijk zelfstandig) verder kan.
Op 4 juni 2002 is het Nationaal Archief van start gegaan. Het Nationaal Archief (ontstaan uit het Algemeen Rijksarchief) is een centrum dat de nationale geschiedenis openstelt voor een breed en gevarieerd publiek. Het richt zich daarbij op specifieke publieksgroepen: mensen met brede interesse in onze geschiedenis (de zgn. «grasduiners»), onderwijs en de jeugd, professionele onderzoekers en geïnteresseerden in hun eigen persoonlijke geschiedenis en/of woonomgeving. Dit doet het Nationaal Archief op basis van haar collectie, zijnde de archieven van de nationale overheid en haar voorgangers. Het Nationaal Archief draagt zorg voor het beheer van ruim 90 kilometer archiefbescheiden, 1 miljoen foto's en 300 000 kaarten.
Behalve tot een nationaal historisch informatiecentrum ontwikkelt het Nationaal Archief zich tevens tot een kenniscentrum op het gebied van conservering, restauratie (van archieven), selectie en digitale duurzaamheid.
Een regionaal historisch centrum (rhc) is een openbaar lichaam, opgericht op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een rhc is een zelfstandige publiekrechtelijke rechtspersoon, en beheert de rijkscollectie. Als deelnemer aan het openbaar lichaam is de minister dan ook verantwoordelijk.
In iedere gemeenschappelijke regeling (waarbij een rhc is opgericht) is bepaald hoe het bestuur is samengesteld, hoeveel leden de minister benoemt en op welke wijze de aansturing (begroting- en verantwoordingscyclus) is vormgegeven. Bovendien zijn in de regelingen de bijdragen van de partners bepaald. Verhoging of verlaging van de rijksbijdrage kan alleen in onderling overleg met de andere partners.
Onlangs is bepaald dat het agentschap RAD de taken rond de aansturing (planning- en control) van de rhc blijft behouden. Dit heeft consequenties voor de opzet en inrichting van de Rijksarchiefdienst, en derhalve voor de agentschapsbegroting en verantwoording. De rijksbijdragen aan de regionale historische centra, die tot nu toe via de agentschapsbegroting lopen, zullen vanaf de begrotingsvoorbereiding 2005 apart worden weergegeven. Het zijn programmagelden, die feitelijk niet thuishoren in een agentschapsbegroting. In deze verantwoording zijn de rijksbijdragen al zo veel mogelijk gescheiden van de kosten/baten van het Nationaal Archief.
Een groot deel van het RAD budget (ongeveer 2/3) wordt besteed aan de rijksbijdragen aan de rhc's. Ongeveer een derde is als bijdrage beschikbaar voor het Nationaal Archief (en overige concernonderdelen). Eén keer per vier jaar, parallel aan de cultuurnota periode, worden met een rhc resultaatafspraken gemaakt. Deze worden gezamenlijk met de desbetreffende partners in het rhc gemaakt, en strekken zich uit over het totale budget. (= inclusief de bijdragen van de andere partners).
Voor 2003 zijn de resultaten van de rhc's gebaseerd op een model voor resultaatafspraken, dat voor de beleidsperiode 2001–2004 is gemaakt. De belangrijkste speerpunten daarin zijn:
• Inlopen achterstanden in de conservering
• Verbeteren van de bestaande dienstverlening
• Ontwikkelen van digitale dienstverlening
• Relaties opbouwen met het onderwijs
• Specifiek voor het Nationaal Archief: Het verwerven van recente archieven (pivot)
• Ontwikkelen tot kenniscentrum
De rhc's (en de nog bestaande rijksarchieven in de provinciehoofdsteden) stellen jaarlijks elk afzonderlijk een jaarrekening op. Zij gaan daar specifiek in op de behaalde resultaten, de bestede middelen en de prestatie indicatoren/kengetallen. Dit gebeurt zoveel mogelijk conform de VBTB-uitgangspunten.
In deze jaarrekening worden deze afzonderlijke verantwoordingen niet in geconsolideerde vorm weergegeven. Ondanks het gemeenschappelijke model voor resultaatafspraken hebben de rijksarchieven en rhc's een grote mate van eigen identiteit en verschillen zij sterk in omvang, organisatie en collectie. Samenvoeging van resultaten geeft geen meerwaarde. Ook lopen de tijdspaden (welke in de gemeenschappelijke regelingen zijn vastgelegd), niet gelijk aan de jaarcyclus van het rijk. De meeste regelingen gaan uit van een verantwoordingsdatum 1 april.
In deze verantwoording (paragraaf 4.3) worden wel de resultaten en prestatie-indicatoren van Nationaal Archief afzonderlijk weergegeven.
| Tabel 1: Rekening RAD (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | Verschil | |
| Baten | 33 350 | 37 860 | 4 510 |
| Lasten | 33 350 | 40 270 | 6 920 |
| Saldo | 0 | – 2 410 | – 2 410 |
| Kapitaalontvangsten | 2 688 | 113 | – 2 575 |
| Kapitaaluitgaven | – 1 551 | – 2 270 | – 719 |
De RAD heeft 2003 afgesloten met een negatief resultaat van € 2,4 miljoen. Dit is het geconsolideerde resultaat: gespecificeerd naar de verschillende organisatorische onderdelen van de RAD ziet het financiële resultaat er als volgt uit:
• Rijksarchieven in de provinciehoofdsteden; gezamenlijk € 82 000 negatief
• Nationaal Archief: € 1 338 000 negatief
• Concernniveau: € 990 000 negatief
Het negatieve saldo wordt voor een bedrag van € 1,4 miljoen gedekt met de reserves (het eigen vermogen) van de RAD. Na resultaat verwerking resteert bij de RAD een negatief vermogen van iets minder dan € 1,0 miljoen (zie ook paragraaf 2.2).
Het tekort op concernniveau (niet toegerekend aan een specifiek archief) is ontstaan door een eenmalige korting op het RAD-budget van € 1,5 miljoen. Deze korting hangt samen met een correctie op het kasritme van de bijdrage van het moederdepartement door de taakstelling uit het regeerakkoord 1998.
De negatieve saldi bij de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden waren grotendeels voorzien en gepland. Bij de vijf nog resterende rijksarchieven zijn veelal de bestaande (bestemmings)reserves aangesproken en zijn in het kader van hun aanstaande fusie enkele voorzieningen getroffen.
Het negatieve saldo van € 1,3 miljoen bij het Nationaal Archief kent in hoofdlijn twee oorzaken. Er is een voorziening getroffen van € 734 000 voor al bestaande wachtgeldverplichtingen voor voormalige medewerkers (zie paragraaf 3.2). De tweede oorzaak betreft een tekort in de normale bedrijfsvoering. De exploitatie van het Nationaal Archief blijkt meer te kosten dan oorspronkelijk begroot. Inmiddels is voor 2004 het budget van de RAD hierop structureel aangepast.
De Rijksarchiefdienst is 2003 begonnen met een eigen vermogen van € 1,4 miljoen. Door het exploitatieresultaat zijn de aanwezige reserves om onvoorziene tegenvallers in de exploitatie te kunnen opvangen volledig verbruikt. Verder is het eigen vermogen fors onder de nullijn gedaald. Met behulp van een bijdrage van het moederdepartement wordt het negatief eigen vermogen aangevuld.
| Tabel 2: vermogensontwikkeling RAD (x € 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 begroting | 2003 realisatie | |
| Eigen vermogen per 1 januari | 6 610 | 5 827 | 133 | 1 087 | 1 086 | 1 421 |
| Saldo van baten en lasten | – 437 | 663 | 954 | 334 | 0 | – 2 410 |
| Uitkering aan moederdepartement | ||||||
| Bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen | ||||||
| Overige mutaties in eigen vermogen | – 346 | – 454 | 318 | 21 | ||
| Leenfaciliteit | – 6 357 | |||||
| Bestemmingsreserves | 454 | – 318 | – 21 | |||
| Totaal directe mutaties in eigen vermogen | – 346 | – 6 357 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Eigen vermogen per 31 december | 5 827 | 133 | 1 087 | 1 421 | 1 086 | – 989 |
3. Financiële verantwoording/explitatierekening
De oorspronkelijk vastgestelde begroting van de Rijksarchiefdienst bedroeg € 33,5 miljoen. Het uiteindelijke budget is uitgekomen op € 37,9 miljoen.
De baten van de Rijksarchiefdienst bestaan uit de volgende componenten: de bijdrage van OCW, geoormerkte programmagelden, baten uit dienstverlening, rente en overige baten.
Bijdrage moederdepartement (totaal € 33,6 miljoen)
Het structurele deel van de bijdrage is uitgekomen op € 32,6 miljoen. Daarnaast ontvangt de RAD € 998 000 aan geoormerkte behoudsgelden. Het verschil met de begroting (€ 32,4 miljoen) bestaat uit loon- en prijsbijstellingen uit 2002 en 2003, een inhouding op het budget van € 1,45 miljoen in verband met de correctie op het kasritme, de taakstelling '98, taakstellingen van Balkenende I & II en een structurele verhoging in verband met ict-knelpunten (€ 0,5 miljoen) en diverse kleine (technische) correcties.
| Tabel 3: Gespecificeerde baten en lasten (x € 1 000) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting 2003 | Realisatie 2002 | |
| Baten | ||||
| Opbrengst moederdepartement OCW: | 32 428 | 33 645 | 1 217 | 34 511 |
| – personeel | 13 457 | 15 159 | 1 702 | 33 432 |
| – materieel | 6 640 | 7 519 | 879 | 1 079 |
| – huisvesting | 10 787 | 11 424 | 637 | |
| – programmagelden | 998 | 998 | 0 | |
| – correctie kasritme | 546 | – 1 455 | – 2 001 | |
| Opbrengst derden: | 922 | 1 808 | 886 | 1 417 |
| Rentebaten: | 0 | 72 | 72 | 170 |
| Buitengewone baten: | 2 335 | 2 335 | ||
| – bijzondere baten | 255 | 255 | 5 160 | |
| – vrijval voorzieningen | 368 | 368 | 1 032 | |
| – (vrijval) project/subsidiegelden | Pm | 1 712 | 1 712 | 4 128 |
| Totaal baten | 33 350 | 37 860 | 4 510 | 41 258 |
| Lasten | ||||
| Apparaatskosten: | 15 402 | 25 506 | 10 104 | 30 006 |
| – personeel | 8 440 | 12 104 | 3 664 | 13 323 |
| – materieel | 1 846 | 1 644 | – 202 | 6 908 |
| – huren/huisvesting | 4 231 | 7 759 | 3 528 | 7 521 |
| – projectkosten | 885 | 3 999 | 3 114 | 2 254 |
| Rentelasten | 159 | 110 | – 49 | 121 |
| Kapitaallasten | ||||
| – afschrijfkosten materieel | 671 | 850 | 179 | 879 |
| – afschrijfkosten immaterieel | – | – | – | |
| Dotaties voorzieningen: | 828 | 828 | 567 | |
| Buitengewone lasten | 518 | 393 | – 125 | 100 |
| Bijdrage RHC's | 16 600 | 12 583 | – 4 017 | 9 251 |
| Totaal lasten | 33 350 | 40 270 | 6 920 | 40 924 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | – 2 410 | – 2 410 | 334 |
De eigen baten bestaan uit inkomsten uit de reguliere dienstverlening van archieven en het werken voor tweeden (en in beperkte mate aan derden). Het totaal aan inkomsten bedroeg € 1,8 miljoen, bestaande uit:
• Baten uit dienstverlening (€ 904 000)
• Opdrachten faciliteiten en zakelijke dienstverlening (€ 328 000)
• Depotverhuur: de totale opbrengst van ongeveer € 577 000 ligt € 47 000 hoger dan in 2002. Het aantal strekkende meters verhuur is toegenomen, bovendien zijn bij de nieuwe contracten huurprijzen meer in de lijn van de kostprijs gebracht.
De totale rentebaten bedroeg € 72 304. De rente-inkomsten zijn aanzienlijk lager dan in 2002 (€ 170 000), vooral veroorzaakt door een forse afname van de liquide middelen en de lagere rentestand. Ten opzichte van de begroting is de rente een meevaller; deze was niet begroot.
Dit betreft voornamelijk baten uit voorgaande boekjaren (€ 235 000). Deze baten zijn min of meer in evenwicht met de kosten die uit voorgaande boekjaren in 2003 zijn verantwoord (zie paragraaf 3.3). Aan diverse baten is € 20 000 binnen gekomen.
Er is € 368 000 vrijgevallen en of onttrokken aan de voorzieningen. Het betreft ondermeer oude voorzieningen in het kader van mobiliteit en wachtgeld. Deze voorzieningen dekten geen reëel risico meer af. De vrijval staat tegenover een nieuwe voorziening voor wachtgelden die is gevormd (zie paragraaf 3.3).
Subsidies/vrijgevallen subsidies en programmagelden uit balans (€ 1,7 miljoen)
Een groot aantal projecten wordt mede gefinancierd met subsidies. Het betreft onder meer Tanap, Kleur van Nederland en Suriname. De ontvangst van de subsidies en de feitelijke bestedingen vallen veelal niet in hetzelfde boekjaar; de hier verantwoorde baten betreffen subsidies ontvangen in 2002 en besteed in 2003.
De lasten van de RAD zijn totaal € 6,9 miljoen hoger dan begroot. De apparaatskosten van de rijksarchieven zijn € 10 miljoen hoger, de bijdragen aan de rhc's zijn € 4 miljoen lager. Dit komt doordat het fusieproces minder snel verloopt dan begroot. De apparaatskosten zijn hoger, doordat in de begroting de externe middelen (subsidies voor projecten) als PM waren opgenomen.
Personele lasten in archieven (totaal € 12,1 miljoen)
De salarislasten van de RAD bedroegen totaal € 11,4 miljoen, waarvan € 3,4 miljoen bij de archieven in de provincie en € 7,8 miljoen bij het Nationaal Archief (en concernonderdelen). De gemiddelde bezetting van de Rijksarchieven is uitgekomen op 238,2 formatie-eenheden, 222 fte in vast dienstverband, 16,2 fte op tijdelijke basis. (In 2002: 291 fte, waarvan 241,6 vast en 49,2 tijdelijk). De gemiddelde salarislasten bedragen € 47 799. Ten opzichte van 2002 (€ 43 749) is dit een stijging van ruim 9%.
De vaste formatie van de RAD is in absolute zin afgenomen. De uitstroom is veroorzaakt door de verzelfstandiging van het Rijksarchief Friesland (per 1 september 2002).
NB: In de personeelscijfers is de inzet van de diverse vrijwilligers niet meegenomen. In de meeste archieven zijn dagelijks tientallen vrijwilligers bezig met het toegankelijk maken van data, veelal op genealogisch gebied.
Daarnaast was de RAD € 1,2 miljoen aan personele lasten kwijt; dit is € 5 080 per fte.
• Wachtgelden en kosten voor voormalige medewerkers (€ 269 000);
• Kosten tijdelijk ingehuurde medewerkers (€ 482 000) (IF, uitzendkrachten, WIW);
• Reservering vakantietoeslag ten behoeve van de archieven in de provinciehoofdsteden (€ 147 000);
• Overige personeelskosten, scholing, kinderopvang, arbo, enz (€ 313 000);
• Aan personele baten zijn binnengekomen (€ 0,5 miljoen);
• Verrekening personeelskosten met externen, vanwege IF-contracten (€ 465 000);
• WAO-baten (€ 44 000).
In de materiële kosten van de archieven (totaal € 13,4 miljoen) zijn de volgende componenten opgenomen:
• Huur en exploitatiekosten huisvesting (€ 7,8 miljoen);
• Organisatiekosten (€ 1,6 miljoen);
• Projectkosten: totaal betreft het € 4 miljoen, besteed aan projecten in het kader van behoud en beheer, publieksbereik en digitalisering. Dit is fors hoger dan begroot, omdat hierin de bestedingen met betrekking tot de ontvangen en vrijgevallen subsidies zijn meegenomen. Deze waren niet begroot.
Aan rente op de lopende leningen bij het ministerie van Financiën is € 110 000 aan rente betaald.
De kapitaallasten betreffen de kosten voor afschrijvingen van de aanwezige activa (€ 850 000). De RAD heeft geen immateriële activa.
De kapitaallasten zijn als volgt verdeeld: € 387 000 bij de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden; € 317 000 indirecte en € 146 000 aan projecten gelieerde afschrijvingen bij het Nationaal Archief.
In 2003 is een bedrag van € 828 000 toegevoegd aan de voorzieningen. De grootste voorziening betreft die voor wachtgelden ad € 734 000 bij het Nationaal Archief. Deze is gevormd ter dekking van de kosten van bestaande wachtgeldverplichtingen van een tiental medewerkers. Deze ontvangen nog tot gemiddeld 2008 wachtgeld. Daarnaast is er een reorganisatie – en dubieuze debiteurenvoorziening gevormd voor € 94 000 ten behoeve van de fusie in Flevoland.
Buitengewone lasten (totaal € 393 000)
De buitengewone lasten bestaan uit:
• Kosten uit vorig boekjaar (€ 219 000); betreft afrekeningen die niet in de jaarrekening over 2002 zijn verantwoord. Is globaal in evenwicht met de baten uit vorig boekjaar.
• Diverse lasten (€ 174 000), bestaande uit afboekingen van oude geactiveerde balansposten, zoals incourante voorraden (€ 52 000), toegezegde bijdragen (aan st. actueel verleden ad € 57 000) en verder diverse kleinere posten.
Bijdrage aan regionaal historische centra (rhc's)
De Rijksarchiefdienst financiert uit haar budget de reeds gevormde regionale historische centra door middel van een rijksbijdrage (totaal € 12,6 miljoen). Dit bedrag is lager dan begroot; destijds werd verwacht dat er eind 2003 al meer archieven zouden zijn gefuseerd. De planning van het project loop ongeveer een halfjaar achter op de oorspronkelijke planning.
In tabel 9 is de budgetverdeling van de archieven weergegeven.
| Tabel 4: Balans (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Balans 2003 | Balans 2002 | |
| Activa | ||
| Immateriële activa | Nihil | nihil |
| Materiële vaste activa | ||
| – grond en gebouwen | 0 | 0 |
| – installaties en inventarissen | 4 481 | 4 082 |
| – overige materiële activa | 0 | 0 |
| Voorraden | 92 | 130 |
| Debiteuren | 352 | 846 |
| Nog te ontvangen | 874 | 956 |
| Liquide middelen | 1 238 | 4 118 |
| Totaal activa | 7 037 | 10 132 |
| Passiva | ||
| Eigen vermogen | ||
| * exploitatiereserves | 1 421 | 1 087 |
| * verplichte reserves | Nihil | nihil |
| * onverdeeld resultaat | – 2 410 | 334 |
| Leningen bij het Ministerie van Financiën | 1 710 | 2 583 |
| Voorzieningen | 1 075 | 407 |
| Vooruit ontvangen projectgelden | 2 442 | 3 096 |
| Crediteuren | 593 | |
| Nog te betalen kosten | 2 206 | 2 625 |
| Totaal passiva | 7 037 | 10 132 |
Materiële activa (€ 4,5 miljoen) betreft de waarde van de aanwezige inventaris (zie tabel 5). De grondslagen van waardering zijn niet veranderd. De materiële activa wordt tegen historische kostprijs geactiveerd. Afschrijvingen vinden lineair en evenredig over het jaar plaats, startend op de factuurdatum of de ingebruikname. De afschrijftermijnen zijn: depotstellingen 15 tot 25 jaar, meubilair 10 jaar, computerapparatuur en software 3 jaar, overige inventaris 5 tot 10 jaar.
De aanwezige activa is met een bedrag van € 1,8 miljoen beleend bij het ministerie van Financiën. Dit is ongeveer 39%. Dit is een forse daling ten opzichte van 2002 (toen 62%). Dit komt doordat er in 2003 geen nieuwe leningen zijn afgesloten. Het grootste deel van de investeringen is gedaan in de rijksarchieven in de provincie. Het aangaan van een lening was niet opportuun; bij de fusie in 2004 zouden leningen weer terugbetaald moeten worden.
| Tabel 5: Kapitaal overzicht: afschrijvingen investeringen (x € 1 000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Balans per 31-12-2002 | Desinvestering | Investeringen 2003 | Afschrijvingen 2003 | Balans per 31-12-2003 | |
| Inventaris studiezaal/dienstverlening | 565 | 120 | 137 | 548 | |
| Inventaris depots/mat. beheer | 2 177 | 104 | 793 | 282 | 2 584 |
| Inventaris kantoor/overhead | 1 340 | 9 | 449 | 431 | 1 349 |
| Totaal | 4 082 | 113 | 1 362 | 850 | 4 481 |
In 2003 is voor € 1,4 miljoen geïnvesteerd, bij het Nationaal Archief voor € 600 000, en bij de archieven in de provincie voor € 464 000. De belangrijkste investeringen hadden betrekking op automatisering (€ 438 000), diverse apparatuur voor de studiezaal en restauratieateliers (€ 276 000), het plaatsen van compactus berging in het rijksarchief Noord-Holland (€ 621 000), en diversen (€ 27 000).
De desinvesteringen betreffen correcties voor in onbruik geraakte verfilmings- en conserveringsapparatuur bij het Nationaal Archief (€ 103 000) en automatiserings- en kantoorapparatuur bij de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden (€ 10 000).
Deze betreffen vooral voorraden bij de archiefwinkels (aanschafwaarde van boeken en publicaties) en voorraden boeken in het kader van Pivot. In 2003 heeft een afboeking plaatsgevonden van oude voorraden (zie bijzondere lasten).
Vorderingen en debiteuren (€ 1,2 miljoen):
Grotere posten zijn de post lopende debiteuren van € 352 000 en de overige vorderingen van € 0,87 miljoen. Bij de debiteuren (totaal openstaand € 452 000) is een voorziening opgenomen van € 100 000 voor dubieuze debiteuren.
Bij de overige vorderingen zit een grote vordering op de Rijksgebouwendienst voor teveel afgeboekte huur (€ 382 000) en nog niet ontvangen gelden in verband met afrekeningen van projecten en subsidies.
Liquide middelen (totaal € 1,24 miljoen)
Aan kasgeld was er € 10 000 aanwezig op 31 december 2002. Op de lopende rekening van de BNG staat € 1,227 miljoen (zie ook kasstroomoverzicht). Er zijn geen deposito's meer aanwezig.
| Tabel 6: Liquiditeitskengetallen | ||
|---|---|---|
| 2003 | 2002 | |
| Quick ratio liquiditeit (vorderingen + liquiditeit/crediteuren en nog te betalen kosten) | 88% | 225% |
| Liquiditeit (vorderingen + liquiditeit/crediteuren & projectgelden & voorz.) | 39% | 96% |
| Marge quick ratio | – 335 | 3 295 |
| Percentage eigen vermogen op structurele bijdrage OCW | Nvt | 4,1% |
| Dekkingsgraad leningen ministerie van Financiën op activa | 38% | 62% |
De liquiditeitspositie is mede door het negatieve exploitatiesaldo van € 2,4 miljoen ten opzichte van 2002 aanzienlijk verslechterd. De quick ratio (vlottende activa gedeeld door vlottende passiva) bedraagt nog maar 91%; de kortlopende schulden kunnen met een marge van minus € 335 000 gedekt worden. Indien de schulden op (middellange) termijn, zoals de voorzieningen en de vooruitbetaalde projectgelden, meegenomen worden in het liquiditeitskengetal, daalt de liquiditeit tot 39% (vorig jaar 96%).
Eigen vermogen/onverdeeld resultaat: Het eigen vermogen bedroeg € 1,4 miljoen. Het resultaat van € 2,4 miljoen negatief wordt hierop afgeboekt. Het vermogen per 1 januari 2004 komt uit op € 1 miljoen negatief.
Hierop staat het saldo van de conversielening uit 2000 en van de leningen die in 2001 en 2002 zijn afgesloten. De conversielening bedroeg in aanvang € 6,4 miljoen. Er moet nu nog € 681 000 op worden afgelost. De rest betreft leningen uit 2001 en 2002, variërend met looptijden 3 tot 25 jaar.
Er is een bedrag van ongeveer € 1,07 miljoen aan voorzieningen aanwezig. Dit zijn voorzieningen voor:
• de reorganisatie en schadefonds in Schaarsbergen (€ 96 000). Hieruit worden de kosten van voormalige medewerkers uit gefinancierd plus mogelijke claims in verband met schade (door de slechte klimatologische omstandigheden aldaar) aan de opgeslagen documenten. Ongeveer € 40 000 wordt in 2004 aangewend; de rest in 2005 of later.
• FPU+ fonds in het kader van de fusies (€ 62 000). Wordt aangesproken bij vertrek van medewerkers uit voorgaande fusietrajecten. Besteding na 2004.
• Wachtgeldvoorziening bij het Nationaal Archief van € 734 000; ongeveer € 140 000 wordt in 2004 aangewend, de rest in de jaren daarna.
• Reorganisatie- en fusievoorzieningen in verband met de fusie rijksarchieven in 2004 (€ 123 000); aanwending vindt grotendeels plaats in 2004.
• Daarnaast zijn er een aantal kleinere voorzieningen bij archieven (€ 59 000) voor onder meer onderhoudsverplichtingen en mobiliteitskosten. Aanwending vindt plaats na 2004.
| Tabel 7: Verloop voorzieningen (x € 1000) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Waarde per 31-12-2002 | Onttrekkingen | Dotaties | Waarde per 31-12-2003 | |
| Wachtgelden | 39 | 39 | 734 | 734 |
| Reorganisatie/fusie Flevoland | 79 | 79 | ||
| Fusie voorzieningen | 72 | 28 | 44 | |
| Reorganisatie en schadefonds Schaarsbergen | 180 | 84 | 96 | |
| FPU fonds fusies | 62 | 62 | ||
| Voorzieningen (onderhoud/voorraden/mobiliteit) | 18 | 41 | 59 | |
| Dub. debiteuren | 36 | 36 | ||
| Totaal voorzieningen | 407 | 187 | 854 | 1 075 |
Vooruit ontvangen programmagelden/fondsen (€ 2,4 miljoen)
Hierin zijn ondermeer opgenomen de vooruit ontvangen c.q. nog niet bestede subsidiebedragen voor tal van projecten, zoals de middelen voor flankerend beleid voor de reorganisatie (€ 0,6 miljoen), voor «De kleur van Nederland» (nog € 403 000 beschikbaar) en ondermeer de Pivotgelden (nog € 0,6 miljoen).
Nog te betalen kosten (€ 2,2 miljoen) en crediteuren (€ 593 000)
Betreft voornamelijk de reeds ingeboekte facturen van handelscrediteuren (€ 593 000) en de nog te betalen kosten, zoals aflossing lening bij ministerie van Financiën (€ 85 000), kosten die reeds in de exploitatie zijn verwerkt, maar waar nog geen facturen voor binnen zijn gekomen (€ 1,8 miljoen), en vakantiegelden/-uren (€ 259 000).
In 2001 is de RAD er toe overgegaan om de resterende verlofuren van de medewerkers van de rijksarchieven in de provincie te waarderen en op te nemen in de jaarrekening. De verlofuren leiden tot een financiële verplichting als de medewerkers overgaan naar een rhc. In 2003 zijn ook voor de rijksarchieven in de provincie de vakantiegelden opgenomen in de balans; zodat deze middelen beschikbaar zijn bij de fusie van een rijksarchief.
Niet uit de balans blijkende verplichtingen:
De RAD heeft op dit moment geen leasecontracten of andere verplichtingen lopen die nog niet in de balans zijn vermeld.
De bovengenoemde mutaties in het werkkapitaal, de afschrijvingen en de investeringen zijn verwerkt in het onderstaande kasstroomoverzicht.
Grote verschillen in de kasstroom ten opzichte van de begroting treden vooral op bij:
• De desinvesteringen en aflossing langlopende leningen; gepland was dat er meer archieven zouden fuseren in 2003, de activa van rijksarchieven die fuseren wordt afgerekend.
• Beroep op de leenfaciliteit; de investeringen die zijn gedaan voor de onderdelen van de RAD die niet zullen fuseren waren te klein om een lening voor af te sluiten.
| Tabel 8: Kasstroomoverzicht (x € 1 000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Realisatie 2003 | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 2003 | Realisatie 2002 | ||
| 1 | Rekening-courant RIC per 1 januari 2003 | 2 200 | 4 176 | 1 976 | 7 641 |
| Saldo baten -/- lasten | – 2 410 | 2 410 | 334 | ||
| Afschrijvingen | 671 | 850 | 179 | 879 | |
| Voorzieningen | 668 | 668 | – 465 | ||
| Mutaties werkkapitaal | – 2 000 | 101 | – 2 101 | – 3 449 | |
| Totaal operationele activiteiten | – 1 329 | – 791 | – 538 | – 2 701 | |
| 2 | Totaal investeringen in activa (-/-) | – 1 190 | – 1 362 | 172 | 1 732 |
| Totaal boekwaarde desinvesteringen | 826 | 113 | 713 | 1 030 | |
| Totaal investeringskasstroom | – 364 | – 1 249 | 885 | – 702 | |
| 3 | Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) | ||||
| Eenmalige storting door moederdepartement (+) | |||||
| Aflossing op langlopende leningen (-/-) | – 241 | – 908 | 667 | 873 | |
| Aflossing door RHC-vorming (-/-) | – 120 | – 120 | 177 | ||
| Aflossing vermogensbestanddelen | |||||
| Beroep op leenfaciliteit (+) | 1 190 | 1 190 | 988 | ||
| Totaal financieringskasstroom | 829 | – 908 | 1 737 | – 62 | |
| 4 | Rekening courant RHB per 31 december | 1 336 | 1 227 | 109 | 4 176 |
4. Verantwoording op activiteiten
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de resultaten die in 2003 zijn bereikt in relatie met de kosten. Achtereenvolgens wordt aangegeven met welke budgetten de rhc's en rijksarchieven zijn gefinancierd; daarna wordt er specifiek ingegaan op en de resultaten van het Nationaal Archief, in relatie met de kosten hiervan.
4.1 Budgetten van de rijksarchieven en RHC's
De bijdrage van het ministerie van OCW bedroeg in 2003 totaal € 33 645 000. De budgetverdeling was als volgt:
• € 13 134 000 aan het Nationaal Archief (en beleidsbureau RAD);
• € 9 046 000 aan de rijksarchieven in de provincie;
• € 12 583 000 aan de rhc's;
• Totaal € 34 763 000.
In tabel 9 is een specificatie gegeven van de rijksbijdragen aan rhc's, en (voor de volledigheid) eveneens de budgetten van de rijksarchieven en het Nationaal Archief.
In deze budgetten zijn de geoormerkte huurbudgetten en de programmagelden verwerkt.
Het totaal uitgedeelde budget is groter dan de ontvangen bijdrage van het departement (tekort van € 1 118 000). Dit heeft vooral betrekking op de correctie van € 1,455 miljoen op de bijdrage van het departement (zie paragraaf 2.1).
De uitgedeelde budgetten zijn bij alle archieven hoger dan begroot. Dit betreft vooral aanpassingen van het budget in verband met de gestegen prijs- en loonkosten.
De onderlinge verschillen in de budgetten bij de archieven zijn groot. In een aantal gevallen heeft dit te maken met de omvang (bijvoorbeeld: Nationaal Archief en Flevoland). Bij de meeste archiefinstellingen komt het verschil door de wijze van huisvesting.
Op het uitgedeelde budget hebben de rijksarchieven € 82000 negatief resultaat geboekt, het Nationaal Archief € 1 338 000. Op de rijksbijdragen van de regionale historische centra (rhc's) vindt geen verrekening plaats; exploitatie saldi worden toegevoegd aan de algemene en of bestemmingsreserves van het desbetreffende rhc.
| Tabel 9: Budgetten rhc's en rijksarchieven (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2003 | Beschikbaar budget 2003 | Realisatie 2002 | |
| Baten | |||
| Bijdrage moederdepartement OCW | 33 286 | 33 645 | 34 511 |
| Overige beschikbare baten (concern) | 185 | ||
| Totaal baten | 33 286 | 33 645 | 34 696 |
| Exploitatie saldi begrotingsonderdelen | Uitgedeeld budget 2003 | Realisatie 2002 | |
| Rijksbijdragen aan rhc's | |||
| Groninger Archieven (okt. 2001) | 2 367 | 2 493 | 2 453 |
| Tresoar (sept. 2002) | 1 495 | 1 818 | 1 544 |
| HC. Overijssel (jan. 2000) | 1 582 | 1 647 | 1 604 |
| Gelderland (sept. 2052) | 1 805 | 1 868 | 1 828 |
| Utrechts Archief (1998) | 1 726 | 1 815 | 1 787 |
| Zeeuws Archief | 2 775 | 2 942 | 2 893 |
| Toe te voegen aan budget i.v.m. verplichtingen bouwtrajecten | 353 | ||
| Totaal rijksbijdragen rhc's | 12 103 | 12 583 | 12 109 |
| Budgetten rijksarchieven | |||
| Drents Archief (rijksarchief) | 1 224 | 1 282 | 1 265 |
| Flevoland (jan. 2004) | 361 | 379 | 374 |
| Noord-Holland (medio 2004) | 1 831 | 1 926 | 1 896 |
| Noord-Brabant (voorjaar 2004) | 2 204 | 2 323 | 2 286 |
| Limburg (medio 2004) | 2 971 | 3 136 | 3 083 |
| Totaal rijksarchieven provincie | 8 591 | 9 046 | 8 904 |
| Lumpsum NA en overige RAD | |||
| Nationaal Archief | 9 960 | 10 713 | 10 673 |
| Beleidsbureau/schaarbergen | 1 229 | 1 371 | 1 355 |
| Divers | 340 | 257 | 629 |
| Programmagelden/Landelijke fondsen | |||
| Fusie – traject | 440 | 585 | 687 |
| Mobiliteitsfonds fusie | 105 | 135 | |
| Overig | 73 | ||
| Totaal Nationaal Archief & beleidsbureau | 12 074 | 13 134 | 13 344 |
| Dotatie overbruggingsfonds | 518 | 339 | |
| Totaal lasten | 33 286 | 34 763 | 34 696 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | – 1 118 | 0 |
4.2 Besteding budget voor fusies
Voor de financiering van het proces «bestuurlijke vernieuwing» is het budget van de Rijksarchiefdienst vanaf 2000 structureel met € 2,2 miljoen opgehoogd. Tabel 10 geeft de besteding hiervan aan. Een groot deel van de beschikbaar gekomen middelen is bestemd voor het wegwerken van financiële achterstanden en knelpunten binnen de archieven. Er is bijna € 1,2 miljoen structureel aan de budgetten van de archieven toegevoegd. Voor een ander deel worden de middelen aangewend voor ver- en nieuwbouw activiteiten die nodig zijn om de publieksfunctie van de rhc's naar behoren te kunnen invullen. Ook deze middelen worden op termijn aan de rijksbijdragen toegevoegd.
De incidentele kosten voor het fusieproject zijn hoger uitgekomen dan begroot. Dit heeft te maken met de langere voorbereiding van een aantal geplande fusies (meer projectleidingskosten). Daarnaast zijn aan een aantal rhc's incidentele budgetten toegekend in het kader van de overgang naar een rhc. De geplande structurele toevoeging aan de budgetten heeft niet plaatsgevonden. Deze waren begroot ten behoeve van lasten voortkomend uit bouwtrajecten. Deze trajecten zijn vertraagd.
| Tabel 10: Bestedingen Fusies (x € 1 000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Real. 2000 | Real. 2001 | Real. 2002 | Begroting 2003 | Real. 2003 | Begroting 2004 | Begroting 2005 | |
| Beleidsintensivering | 2 224 | 2 224 | 2 224 | 2 224 | 2 224 | 2 224 | 2 224 |
| Eigen middelen RAD | 182 | 182 | 182 | 182 | 182 | 182 | 182 |
| Besteding | |||||||
| Toegevoegd aan rijksbijdragen (structureel) | 1 177 | 1 177 | 1 177 | 1 177 | 1 177 | 1 303 | 1 303 |
| Geplande toevoeging aan rijksbijdrage | 227 | 117 | 353 | 0 | 136 | 977 | |
| Incidentele budgetten | 351 | 68 | 405 | 318 | 209 | ||
| Projectkosten | 509 | 581 | 690 | 440 | 467 | 125 | 0 |
| Overig (o.a. mobiliteitsfonds) | 259 | 181 | 100 | 380 | 72 | ||
| Saldo | – 117 | 349 | 371 | 106 | 285 | 524 | – 83 |
4.3. Out-put verantwoording Nationaal Archief
Het Nationaal Archief (en beleidsbureau RAD) hebben gezamenlijk een budget van € 13,1 miljoen ontvangen (ongeveer 35% van het totale RAD budget). Daarvan is € 12 431 geboekt als algemene bijdrage (lumpsum) en € 793 000 als programmagelden. Op dit budget heeft het Nationaal Archief een tekort van € 1,34 miljoen gerealiseerd.
| Tabel 11: Output/resultaatgebieden Nationaal Archief (in percentages van de lumpsum; zijnde € 12 431 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroot 2003 | Realisatie 2003 | Realisatie 2002 | |
| De collectie blijft in goede staat | |||
| • bewaren collectie | 18 | 20,8 | 26,0 |
| • behoud | 8 | 6,4 | 2,1 |
| • digitale duurzaamheid | 0 | 2,4 | 1,3 |
| De collectie is volledig/op orde | 20 | 13,8 | 12,9 |
| Infrastructuur publiek | |||
| • studiezaal | 23 | 25,8 | 17,7 |
| • virtuele studiezaal | 20 | 5,0 | 13,0 |
| Producten voor doelgroepen | 9,5 | ||
| • genealogen/geïnteresseerden in pers. woonomgeving | 2,7 | ||
| • historische onderzoekers | 5 | 3,8 | |
| • educatie | 2,6 | 2,0 | |
| • historisch geïnteresseerden | 7,2 | ||
| Kenniscentrum behoud/conservering | |||
| • advisering en onderzoek | 5 | 2,5 | 2,1 |
| • internationale samenwerking | 0 | 5,8 | 6,8 |
| Overige activiteiten | 3,2 | ||
| • zakelijke diensten | 1 | 5,0 | |
| • beleidsproducten/landelijke activiteiten | PM | 6,7 | |
| Totaal | 100 | 110,5 | 96,6 |
NB: kosten 2003 en 2002 zijn niet gelijk aan 100% doordat exploitatiekosten ongelijk het budget is (saldo kosten € 13 679 000 op € 12 341 000 alg. lumpsum).
Het Nationaal Archief heeft haar activiteiten en begroting gestructureerd op basis van de zgn. outputcategorieën. Op basis van een kostprijssystematiek zijn alle indirecte kosten toegerekend aan deze outputcategorieën. Hierdoor ontstaan kostprijzen per outputgebied. In tabel 11 zijn deze kosten zichtbaar gemaakt.
In 2003 zijn de outputcategorieën aangepast ten opzicht van 2002. Deze andere opzet komt voort uit de doelgroep gerichte benadering die het Nationaal Archief voorstaat. Door de kosten toe te schrijven aan product-doelgroep combinaties, ontstaat beter inzicht in de kosten versus het resultaat in publieksbereik. Vanaf 2004 zal ook het publieksbereik via deze doelgroep benadering worden gemeten. In de hieronder gegeven toelichting is nog de oude indeling van kengetallen gebruikt; door de verdere ontwikkeling van de prestatie-indicatoren bij het Nationaal Archief zijn niet voor alle getallen in de onderstaande tabellen begrotingen aanwezig.
Toelichting bij de outputcategorieën en prestatie-indicatoren.
Collectie blijft in goede staat:
• In deze categorie zijn de activiteiten ondergebracht rond behoud, digitale duurzaamheid/digitaal depot. In 2003 is er uitvoering gegeven aan het behoudsplan, voornamelijk restauratie – en verfilmingsactiviteiten. Inzake digitale duurzaamheid is gewerkt aan een plan van aanpak voor het in te richten digitale depot. In 2003 is het eerste digitale bestand naar het Nationaal Archief overgebracht.
• De grootste kostenpost in deze categorie betreft de «bewaarkosten van de archieven». 70% van de huisvestingslasten zijn toe te rekenen aan de depots van het Nationaal Archief.
• Prestatie indicatoren: De omvang van de collectie is met 3,7 km gegroeid naar 99 km. Daarnaast bevat de collectie één miljoen negatieven en 300 000 kaarten. De kostprijs van een m2 opslag is ongeveer € 129,– (uitgaande van 5 meter op 1 m2) In 2002 was dit € 150,–. De kostprijsverlaging is toe te schrijven aan een geringere personele inzet en verbetering van de toerekeningsystematiek, waardoor een nauwkeuriger beeld ontstaat.
| Tabel 12: prestatie-indicatoren behoud | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2002 | Begroot 2003 | Realisatie 2003 | Begroot 2004 | |
| Depotcapaciteit (in km's) | 112,5 | 114,7 | ||
| Omvang collectie archief (in km's) | 95,2 | 96 | 98,9 | 98 |
| Verhuurd | 4,0 | |||
| Omvang kaarten collectie (stuks) | 300 000 | 300 000 | 323 708 | 300 000 |
| Omvang collectie negatieven (stuks) | 1 000 000 | 1 000 000 | 1 000 000 | 1 000 000 |
| Kosten opslag archieven (x € 1000) | 2 864 | 1 959 | 2 563 | |
| Prijs (per m2) | € 150 | € 102 | € 130 | |
| Kosten behoud en digitale duurzaamheid (x € 1 000) | 367 | 871 | 1 095 | |
Collectie is op orde/toegankelijk en volledig
• Collectie op orde: Betreft activiteiten in het kader van beheer en het toegankelijk maken en houden van de collectie. De kosten zijn voornamelijk personele kosten. Ten opzichte van 2002 zijn procentueel de kosten gelijk; de personele inzet op deze output is gedaald.
• Collectie is volledig: betreft vooral activiteiten in het kader van normering, verwerving en Pivot. De kosten zijn voornamelijk personele kosten.
| Tabel 13: Prestatie-indicatoren beheer | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2002 | Begroot 2003 | Realisatie 2003 | Begroot 2004 | |
| Collectie is op orde: | ||||
| • km's bewerkt (verpakken/verfilmen ) | 3,3 km | 5,0 km | ||
| Collectie is volledig: | ||||
| • instroom particuliere archieven | 1,0 km | 1,0 km | 2,0 km | |
| • instroom overheidsarchieven | 4,0 km | 5 km | ||
| • dequisitie | 0,2 km | 0,3 km | ||
| Kosten gefinancierd uit lumpsum (x € 1 000) | 1 419 | 2 177 | 1 698 | |
Publieksbereik (infrastructuur)
• Betreft de studiezaal, de publieksruimtes (hal, tentoonstellingsruimten, auditorium). De kosten bestaan voornamelijk uit personele kosten, huisvestingslasten en ict-kosten. De publieksruimtes beslaan in oppervlakte ongeveer 15% van het totale Nationaal Archief gebouw.
Virtuele studiezaal:
• In 2003 is dit een belangrijk speerpunt geweest. De website is geheel herzien en verbeterd. Klantonderzoek had uitgewezen dat de zoekfunctionaliteit en gebruikersvriendelijkheid verder geoptimaliseerd konden worden.
• Prestatie indicatoren: Het belangrijkste meetpunt zijn de website bezoekers. Bijna 2 miljoen pageviews zijn afgelopen jaar geteld, op 400 000 bezoeken. Genlias (landelijke genealogische database) is een product dat een zeer groot gebruik kent. In 2002 heeft de database 322000 verschillende bezoekers getrokken, die 4 014 000 zoekopdrachten hebben losgelaten op de database. In 2003 betrof dit 6 miljoen bezoeken, een stijging van 50%.
| Tabel 14: Prestatie-indicatoren virtuele studiezaal | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2002 | Begroot 2003 | Realisatie 2003 | Begroot 2004 | |
| Pageviews website Nationaal Archief | 1 352 624 | 800 000 | 1 980 000 | 2000 000 |
| Aantal bezoeken website | 400 000 | 400 000 | ||
| Verblijfsduur in minuten | 4:50 | |||
| Zoekvragen Genlias | 4 014 000 | 1 200 000 | 5 980 453 | 5 000 000 |
| Aantal bezoeken Genlias | 761 563 | 1 188 298 | 350 000 | |
| Aantal unieke namen in GenLias | 7 943 854 | |||
| Kosten gefinancierd uit lumpsum (x € 1 000) | 3 377 | 4 679 | 2 051 | |
• Historisch geïnteresseerden: De belangrijkste producten in 2003 zijn het Nationaal Archief Magazine en het Vaderlandse geschiedenisboek. In de voorbereidende sfeer is in 2003 gewerkt aan een grote tentoonstelling in Artis die in 2004 wordt gehouden, het project «beeld-online», (digitaliseren van de fotocollectie) en in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek het realiseren van een gezamenlijke entree en tentoonstellingsruimte.
| Tabel 15: Prestatie-indicatoren publieksbereik | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2002 | Begroot 2003 | Realisatie 2003 | Begroot 2004 | |
| Studiezaal | ||||
| Bezoeken | 28 783 | 32 500 | 28 444 | 30 000 |
| Bezoekers | 8 212 | 9 600 | 8 147 | 9 000 |
| Telefonische/schriftelijke/e-mail vragen | 11 849 | 12000 | 10 713 | 12000 |
| Aanvragen stukken (incl. ext. uitleningen) | 91 527 | 105 000 | 90 005 | 100 000 |
| Overig publieksbereik | ||||
| Deelname aan externe tentoonstellingen | 26 | 24 | ||
| Bereik cursussen/lezingen (in personen) | 1 519 | 2000 | 3 605 | 2000 |
| Op aantal evenementen | 102 | 120 | 154 | 100 |
| Naamsbekendheid (spontaan) | 1% | 2% | 1% | 5% |
| Naamsbekendheid (geholpen) | 49% | |||
| Kosten gefinancierd uit lumpsum (x € 1 000) | 1 260 | 544 | 3 755 | |
• Historische onderzoekers/genealogen. Het aantal bezoeken in de studiezaal is uitgekomen op 28 444. Ten opzichte van 2002 (28 800) en 2001 (29 650) is de dalende tendens ook in 2003 bestendigd. Deze daling is in veel archiefinstellingen te zien, en wordt toegeschreven aan de verbeterde mogelijkheden om op afstand (digitaal) informatie uit de archieven te krijgen. Het aantal raadplegingen van originele stukken is eveneens licht afgenomen van 91 527 in 2002 tot 90 005 in 2003.
• Historische onderzoekers: Inlichtingen op afstand; het aantal verstrekte inlichtingen via brieven, telefoon, e-mail (8147) kent ook een lichte daling tov 2002 (8212). Dit is vooral toe te schrijven aan een vermindering van inlichtingen uit het CABR-archief.
• Presentatie/educatie: In 2003 is het aantal evenementen (lezingen, rondleidingen, cursussen) toegenomen tot 154, met totaal 3605 deelnemers. (gemiddeld 23 per evenement: in 2002 was dit 15 per evenement)
• Hieronder vallen alle activiteiten met betrekking tot de het kenniscentrum behoud dat activiteiten verricht c.q. adviezen geeft aan het gehele archiefveld in binnen- en buitenland. Met betrekking tot het laatste: in 2003 is het Nationaal Archief actief geweest in tal van landen. Enkele voorbeelden: Rusland (Neerlandica Rossica), Tanap (VOC-archieven), Suriname (hulp bij het opbouwen van het archiefwezen) en Baltische Zee landen. Veel van de internationale projecten worden met behulp van (HGIS) subsidies. Ongeveer de helft van de kosten wordt gedekt met externe geldstromen.
| Tabel 16: Prestatie indicatoren kenniscentrum/overig | |||
|---|---|---|---|
| Realisatie 2002 | Begroot 2003 | Realisatie 2003 | |
| Kosten kenniscentrum gefinancierd uit lumpsum (x € 1000) | |||
| – advisering/onderzoek | 229 | 544 | 317 |
| – internationaal | 744 | 713 | |
| – externe geldstromen | 902; 52% | 842: 45% | |
| Overig (gefinancierd uit lumpsum x € 1 000) | |||
| – beleidsproducten | pm | 874 | |
| – zakelijke diensten | 109 | 613 | |
| – externe geldstromen zakelijke diensten | 691; 53% | ||
• Betreft activiteiten en kosten voor ondermeer het fusietraject en gezamenlijke (met het veld) onderzoeken. Voor de fusies in Noord Brabant, Noord Holland, Flevoland en Limburg is veelal externe deskundigheid ingehuurd voor het realiseren van de fusierapporten. (zie ook tabel 10)
• Schaarsbergen: Het hulpdepot in Schaarsbergen wordt niet meer gebruikt voor de eigen collectie. De klimatologische omstandigheden van de depots aldaar voldoen niet aan de wettelijke eisen. De ruimte in het gebouw wordt op dit moment verhuurd aan derden. Bijna 14 van de 27 km depotruimte is verhuurd. Helaas is de RAD niet in staat om het hulpdepot rendabel te exploiteren of geheel af te stoten.
• Depotverhuur en faciliteiten; deze zijn nog niet kostendekkend met betrekking tot de integrale kostprijs.
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 6 309 652 | 6 311 787 | 18 046 |
| Nota van wijziging (28 600 VIII, nr. 98) | – 5 118 | – 5 118 | 0 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 32) | 10 000 | 10 000 | 0 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 33) | 1 000 | 1 000 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 6 315 534 | 6 317 669 | 18 046 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 4 767 | – 4 767 | 8 218 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 4 767 | – 4 767 | 8 218 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 173 952 | 173 952 | 2 514 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 173 952 | 173 952 | 2 514 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 8 251 | – 25 095 | – 2 270 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 8 251 | – 25 095 | – 2 270 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 6 492 970 | 6 461 759 | 26 508 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 760 992 | 760 992 | 2 723 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 760 992 | 760 992 | 2 723 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 19 432 | 19 432 | 546 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 19 432 | 19 432 | 546 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 12 700 | 12 700 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 12 700 | 12 700 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 10 122 | – 9 650 | – 1 360 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 10 122 | – 9 650 | – 1 360 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 783 002 | 783 474 | 1 909 |
Artikel 3: Voortgezet onderwijs
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 5 067 636 | 5 037 365 | 1 361 |
| Nota van wijziging (28 600 VIII, nr. 98) | – 17 284 | – 17 284 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 5 050 352 | 5 020 081 | 1 361 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 6 843 | – 6 843 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 6 843 | – 6 843 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 121 403 | 119 756 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 121 403 | 119 756 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 36 884 | – 7 667 | 1 170 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 36 884 | – 7 667 | 1 170 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 5 201 796 | 5 125 327 | 2 531 |
Artikel 4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 2 694 687 | 2 626 619 | 27 227 |
| Nota van wijziging (28 600 VIII, nr. 98) | – 108 029 | – 113 784 | 0 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 32) | – 10 000 | – 10 000 | 0 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 33) | – 1 000 | – 1 000 | 0 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 34) | – 4 000 | – 4 000 | 0 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 101) | 1 500 | 1 500 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 2 573 158 | 2 499 335 | 27 227 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 78 586 | 45 886 | 40 921 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 78 586 | 45 886 | 40 921 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 160 610 | 93 120 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 160 610 | 93 120 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 107 122 | – 62 111 | – 35 100 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 107 122 | – 62 111 | – 35 100 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 2 705 232 | 2 576 230 | 33 048 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 136 | 136 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 136 | 136 | 0 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 3 903 | 3 903 | 4 039 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 3 903 | 3 903 | 4 039 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 14 249 | 5 173 | 5 173 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 14 249 | 5 173 | 5 173 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 9 692 | – 616 | – 9 073 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 9 692 | – 616 | – 9 073 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 8 596 | 8 596 | 139 |
Artikel 6: Hoger beroepsonderwijs
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 1 587 771 | 1 609 900 | 17 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 1 587 771 | 1 609 900 | 17 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 39 516 | – 19 644 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 39 516 | – 19 644 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 93 535 | 43 387 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 93 535 | 43 387 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 13 186 | 503 | 60 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 13 186 | 503 | 60 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 1 628 604 | 1 634 146 | 77 |
Artikel 7: Wetenschappelijk onderwijs
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 3 030 874 | 3 027 615 | 1 248 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 3 030 874 | 3 027 615 | 1 248 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 47 051 | 19 874 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 47 051 | 19 874 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 205 898 | 82 348 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 205 898 | 82 348 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 55 840 | 1 808 | 287 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 55 840 | 1 808 | 287 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 3 227 983 | 3 131 645 | 1 535 |
Artikel 8: Internationaal onderwijsbeleid
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 17 917 | 18 849 | 99 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 17 917 | 18 849 | 99 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 2 328 | 400 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 2 328 | 400 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 259 | 259 | 204 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 259 | 259 | 204 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 145 | – 191 | 116 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 145 | – 191 | 116 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 15 993 | 19 317 | 419 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 78 178 | 78 178 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 78 178 | 78 178 | 0 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 0 | 0 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 9 292 | 9 292 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 9 292 | 9 292 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 8 463 | 1 009 | 4 221 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 8 463 | 1 009 | 4 221 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 95 933 | 88 479 | 4 221 |
Artikel 10: Informatie- en communicatietechnologie
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 134 816 | 134 816 | 45 378 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 34) | 4 000 | 4 000 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 138 816 | 138 816 | 45 378 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 6 998 | – 6 998 | 1 408 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 6 998 | – 6 998 | 1 408 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | – 87 051 | – 29 213 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | – 87 051 | – 29 213 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 36 012 | – 1 315 | 1 434 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 36 012 | – 1 315 | 1 434 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 8 755 | 101 290 | 48 220 |
Artikel 11: Studiefinanciering
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 2 143 623 | 2 143 623 | 331 309 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 2 143 623 | 2 143 623 | 331 309 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 32 500 | 32 500 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 32 500 | 32 500 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 127 067 | 127 067 | 25 000 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 127 067 | 127 067 | 25 000 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 15 655 | 15 655 | 174 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 15 655 | 15 655 | 174 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 2 318 845 | 2 318 845 | 356 483 |
Artikel 12: Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 361 777 | 361 777 | 13 835 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 361 777 | 361 777 | 13 835 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 730 | – 730 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 730 | – 730 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | – 7 600 | – 7 600 | – 800 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | – 7 600 | – 7 600 | – 800 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 9 727 | 9 727 | – 2 599 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 9 727 | 9 727 | – 2 599 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 363 174 | 363 174 | 10 436 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 0 | 0 | 401 607 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 0 | 0 | 401 607 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 0 | 0 | 7 400 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 0 | 0 | 7 400 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 0 | 0 | 200 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 0 | 0 | 200 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 0 | 0 | 166 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 0 | 0 | 166 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 0 | 0 | 409 373 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 520 973 | 666 861 | 250 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 520 973 | 666 861 | 250 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 36 599 | 1 556 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 36 599 | 1 556 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 1 110 | 1 210 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 1 110 | 1 210 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 218 632 | – 965 | 2 803 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 218 632 | – 965 | 2 803 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 266 852 | 668 662 | 3 053 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 857 173 | 857 661 | 226 981 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 857 173 | 857 661 | 226 981 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | – 6 386 | – 6 386 | 60 080 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | – 6 386 | – 6 386 | 60 080 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 31 901 | 31 901 | – 33 591 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 31 901 | 31 901 | – 33 591 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 4 679 | – 2 469 | 72 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 4 679 | – 2 469 | 72 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 878 009 | 880 707 | 253 542 |
Artikel 16: Onderzoek en wetenschappen
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 697 100 | 741 357 | 80 455 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 697 100 | 741 357 | 80 455 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 10 656 | 11 740 | 12 712 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 10 656 | 11 740 | 12 712 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 36 156 | 18 371 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 36 156 | 18 371 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 1 333 | 1 796 | 103 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 1 333 | 1 796 | 103 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 745 245 | 773 264 | 93 270 |
Artikel 17: Nominaal en onvoorzien
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | – 65 689 | – 65 689 | 2 996 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | – 65 689 | – 65 689 | 2 996 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 591 867 | 591 867 | 15 604 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 591 867 | 591 867 | 15 604 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | – 537 916 | – 537 916 | – 18 600 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | – 537 916 | – 537 916 | – 18 600 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 11 738 | 11 738 | 0 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 11 738 | 11 738 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 0 | 0 | 0 |
Artikel 18: Bestuursdepartement
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 157 164 | 157 164 | 567 |
| Amendement (28 600 VIII, nr. 101) | – 1 500 | – 1 500 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 155 664 | 155 664 | 567 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 18 571 | 18 571 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 18 571 | 18 571 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 40 313 | 40 313 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 40 313 | 40 313 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 31 825 | – 21 742 | 3 776 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 31 825 | – 21 742 | 3 776 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 182 723 | 192 806 | 4 343 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 46 344 | 46 344 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 46 344 | 46 344 | 0 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 818 | 818 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 818 | 818 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 4 343 | 4 343 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 4 343 | 4 343 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 2 778 | – 2 588 | 9 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 2 778 | – 2 588 | 9 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 48 727 | 48 917 | 9 |
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 7 161 | 7 161 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 7 161 | 7 161 | 0 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 27 | 27 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 27 | 27 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 944 | 944 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 944 | 944 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | – 1 188 | – 1 188 | 0 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | – 1 188 | – 1 188 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 6 944 | 6 944 | 0 |
Artikel 21: Uitvoeringsorganisaties onderwijs
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 173 122 | 173 122 | 408 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 173 122 | 173 122 | 408 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 6 059 | 6 059 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 6 059 | 6 059 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 23 554 | 23 554 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 23 554 | 23 554 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 3 585 | 3 585 | 0 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 3 585 | 3 585 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 206 320 | 206 320 | 408 |
Artikel 22: Uitvoeringsorganisaties cultuur
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 68 627 | 68 627 | 244 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 68 627 | 68 627 | 244 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 1 139 | 1 139 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 1 139 | 1 139 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 5 827 | 5 827 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 5 827 | 5 827 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 5 839 | 5 839 | 3 472 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 5 839 | 5 839 | 3 472 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 81 432 | 81 432 | 3 716 |
Artikel 23: Uitvoeringsorganisaties wetenschappen
| Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | |
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2) | 2 365 | 2 365 | 0 |
| Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68) | 2 365 | 2 365 | 0 |
| Mutaties 1e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2) | 0 | 0 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting | |||
| Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2) | 53 | 53 | 0 |
| Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72) | 53 | 53 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp slotwet | 0 | 0 | 0 |
| Vast te stellen mutatie slotwet | 0 | 0 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2003 | 2 418 | 2 418 | 0 |
| Tabel 1: Saldibalans per 31 december 2003 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (x € 1 000) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Uitgaven ten laste van de begroting | 25 473 721 | Ontvangsten ten gunste van de begroting | 1 253 240 | |
| Liquide middelen | 1 379 | |||
| Rekening-courant RIC | Rekening-courant RIC | 24 212 293 | ||
| Te verrekenen extern museaal aankoopfonds | 59 215 | Begrotingsreserve museaal aankoopfonds | 59 215 | |
| Uitgaven buiten begrotingsverband (=intra comptabele vordering) | 2 832 | Ontvangsten buiten begrotingsverband (= intra- comptabele schulden) | 12 399 | |
| Extra comptabele vorderingen | 6 501 187 | Tegenrekening extra comptabele vorderingen | 6 501 187 | |
| Voorschotten | 8 688 694 | Tegenrekening voorschotten | 8 688 694 | |
| Tegenrekening garantieverplichtingen | 625 423 | Garantieverplichtingen | 625 423 | |
| Tegenrekening openstaande verplichtingen | 12 384 953 | Openstaande verplichtingen | 12 384 953 | |
| Deelnemingen | – | Tegenrekening deelnemingen | – | |
| Totaal | 53 737 404 | Totaal | 53 737 404 | |
Toelichting bij de saldibalans
De uitgaven over 2003 zijn uitgekomen op € 25 473 721 385,72 en de ontvangsten op € 1 253 240 236,22. In de departementale jaarrekening komen de uitgaven uit op € 25 473 752 000,– en de ontvangsten op € 1 253 240 000,–.
Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en de realisatie volgens de departementale jaarrekening 2003, wordt veroorzaakt door de in deze rekening gehanteerde afrondingsregels.
Deze balansrekening geeft de saldi van de bank- en girotegoeden weer. De samenstelling is als volgt:
| Tabel 2: Balansrekening (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| Informatie Beheer Groep | 0 | – 1 715 |
| Cultuurinstellingen | 1 086 | 45 |
| Overige kasbeheerders | 293 | 3 |
| Totaal | 1 379 | – 1 667 |
Tot 2003 werden de saldi op de sluitrekening met de kasbeheerders, bestaande uit het saldo van liquide middelen en diverse vorderingen en schulden, niet naar deze afzonderlijke saldi gesplitst en opgenomen in de desbetreffende posten op de saldibalans, maar opgenomen in de post «liquide middelen». Vanaf 2003 zijn deze saldi wel naar de desbetreffende posten op de saldibalans opgenomen.
Op de rekening-courant wordt de financiële verhouding met het ministerie van Financiën geadministreerd. Tevens worden door middel van deze administratie de begrotingsuitgaven en ontvangsten met het ministerie van Financiën afgewikkeld.
Begrotingsreserve museaal aankoopfonds
In 1998 is het museaal aankoopfonds opgericht. Dit is een intra-comptabel fonds met het karakter van een interne reserverekening. Op deze rekening wordt bijgehouden hoeveel geld er voor kunstaankopen voor latere jaren beschikbaar is. In december 1998 is er € 45 378 022 ten laste van artikel 27.03 in dit fonds gestort.
In 2003 zijn er geen aankopen verricht.
| Tabel 3: Rekening-courant museaal aankoopfonds (x € 1 000) | |
|---|---|
| Saldo 1 januari 2003 | 56 887 |
| Rentebijschrijving 2003 | 2 328 |
| Saldo per 31 december 2003 | 59 215 |
Rekening courant museaal aankoopfonds
Voor de begrotingsreserve museaal aankoopfonds wordt een rekening-courant aangehouden bij het ministerie van Financiën.
Uitgaven buiten begrotingsverband (= intra-comptabele vordering)
| Tabel 4: Uitgaven buiten begrotingsverband (x € 1000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| Te verrekenen personeel en voormalig personeel | 41 | 24 |
| Informatie Beheer Groep | 829 | – |
| Cultuurinstellingen | 1 367 | – |
| Overige kasbeheerders | 3 | – |
| Overig | 592 | 128 |
| Totaal | 2 832 | 152 |
Tot 2003 werden de saldi op de sluitrekening met de kasbeheerders, bestaande uit het saldo van liquide middelen en diverse vorderingen en schulden, niet naar deze afzonderlijke saldi gesplitst en opgenomen in de desbetreffende posten op de saldibalans, maar opgenomen in de post «liquide middelen». Vanaf 2003 zijn deze saldi wel naar de desbetreffende posten op de saldibalans opgenomen.
Ontvangsten buiten begrotingsverband (= intra comptabele schulden)
| Tabel 5: Ontvangsten buiten begrotingsverband (x € 1000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| Loonheffing en inhouding ABP/USZO | 6 847 | 5 028 |
| Informatie Beheer Groep | 0 | – |
| Cultuurinstellingen | 3 401 | – |
| Overige kasbeheerders | 302 | – |
| Diversen | 1 849 | 67 |
| Totaal | 12 399 | 5 095 |
De af te dragen loonheffing en inhoudingen ABP/USZO (departementaal personeel) heeft betrekking op de maand december 2003. In januari 2004 is dit verschuldigde bedrag betaald.
De post diversen bestaat voor € 1,6 miljoen uit te vroeg (=2004) ontvangen middelen uit het Europees Sociaal Fonds van het Agentschap SWZ.
Tot 2003 werden de saldi op de sluitrekening met de kasbeheerders, bestaande uit het saldo van liquide middelen en diverse vorderingen en schulden, niet naar deze afzonderlijke saldi gesplitst en opgenomen in de desbetreffende posten op de saldibalans, maar opgenomen in de post «liquide middelen». Vanaf 2003 zijn deze saldi wel naar de desbetreffende posten op de saldibalans opgenomen.
De stand van de debiteuren per 31-12-2003 wordt als volgt gespecificeerd naar beleidsartikel en overige onderdelen:
| Tabel 6: Stand debiteuren (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| 01 Basisonderwijs | 53 | 37 |
| 03 Voortgezet onderwijs | 209 | 414 |
| 04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | 348 | 6 684 |
| 06 Hoger beroepsonderwijs | 2 330 | 1 645 |
| 07 Wetenschappelijk onderwijs | – | 3 |
| 08 Internationaal onderwijsbeleid | 9 | – |
| 09 Onderwijspersoneel | 0 | 3 |
| 10 Informatie- en communicatietechnologie | 0 | 24 |
| 11 Studiefinanciering | 6 331 231 | 5 443 495 |
| 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten | 10 583 | 15 536 |
| 13 Lesgelden | 132 590 | 117 376 |
| 14 Cultuur | 1 020 | 1 213 |
| 16 Onderzoek en wetenschappen | 285 | 9 |
| 18 Bestuursdepartement | 842 | 728 |
| 19 Inspecties | 7 | 142 |
| Wachtgelden onderwijspersoneel | 6 680 | 6 680 |
| Solvabiliteitsbuffers participatiefonds en vervangingsfonds | 15 000 | 11 037 |
| Totaal | 6 501 187 | 5 605 026 |
De openstaande vorderingen studiefinanciering (beleidsartikel 11) betreffen de door de produktgroep Studiefinanciering van de Informatie Beheer Groep Groningen verstrekte leningen en voorschotten aan studenten als gevolg van de oude regeling studiefinanciering en de nieuwe Wet studiefinanciering.
De verstrekte leningen en voorschotten aan studenten kan als volgt worden gespecificeerd:
| Tabel 7: Verstrekte leningen en voorschotten (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| Rentedragende leningen | 6 180 807 | 5 277 425 |
| Renteloze voorschotten | 94 557 | 112 623 |
| Overige vorderingen | 55 867 | 53 447 |
| Totaal | 6 331 231 | 5 443 495 |
De specificatie van het verloop van de posten rentedragende leningen en renteloze voorschotten is als volgt:
| Tabel 8: Verloop (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Rentedragende leningen | Openstaande voorschotten | |
| Openstaande bedragen per 01-01-2003 | 5 277 425 | 112 623 |
| Nieuw verstrekt | 1 226 547 | 3 167 |
| Afgelost | – 242 262 | – 13 625 |
| Correcties en omzettingen | – 77 029 | – 566 |
| Overige mutaties | – | – |
| Kwijtschelding | – 3 874 | – 7 042 |
| Totaal | 6 180 807 | 94 557 |
Voor de bedragen voor rentedragende leningen en renteloze voorschotten geldt de nominale waarde. De werkelijke waarde (uiteindelijk inbaar) hiervan wordt grotendeels beïnvloed door:
• de mate waarin de als voorlopige rentedragende leningen uitgekeerde studiefinanciering (prestatiebeurs) zullen worden omgezet in beurzen, vanwege het voldoen aan de eerstejaars prestatienorm en/of diploma norm;
• het sociaal risico bij de (aflosbaar gestelde) langlopende leningen en renteloze voorschotten in verband met de wettelijk beperkte aflossingstermijnen;
• de mate waarin de achterstallige vorderingen studiefinanciering (achterstallig lager recht en aflosbaar gestelde leningen en voorschotten) uit het deurwaarderstraject geïnd kunnen worden.
Het bedrag aan (niet aflosbaar gestelde) rentedragende leningen in het toekenningstraject bedraagt ultimo 2003 € 4 310 miljoen. Naar verwachting zal hiervan in de toekomst € 2 360 miljoen worden omgezet van voorlopig rentedragende leningen naar beurzen. Verder moet een bedrag van € 154 miljoen op grond van garantiebepalingen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.
Het bedrag aan aflosbaar gestelde leningen en voorschotten (exclusief deurwaarderstraject) bedraagt ultimo 2003 € 1 891 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 128 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.
Het bedrag aan achterstallige vorderingen studiefinanciering in het deurwaarderstraject bedraagt ultimo 2003 € 84 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 37 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.
Het bedrag aan vorderingen lesgelden (beleidsartikel 13) in het deurwaarderstraject ultimo 2003 bedraagt circa € 33 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 13 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.
De openstaande vorderingen op de onderwijsbeleidsartikelen hebben onder meer betrekking op de afrekeningen van voorschotten.
Het bedrag van € 6,7 miljoen aan openstaande vorderingen wachtgelden onderwijspersoneel betreft vorderingen op het participatiefonds als gevolg van door OCW teveel betaalde wachtgelduitkeringen in het verleden voor invoering van het participatiefonds. Hiervan is een bedrag van € 2,2 miljoen, als gevolg van de uittreding bve, voorlopig buiten invordering gesteld.
In het bestuurlijk akkoord dat in 2003 met de fondsen is gesloten is een aanvullende buffer voor mogelijke tijdelijke insolvabiliteit afgesproken van € 15 miljoen (vervangingsfonds € 10 miljoen en participatiefonds € 5 miljoen).
De stand van de voorschotten per 31-12-2003 wordt als volgt naar beleidsartikel gespecificeerd:
| Tabel 9: Stand voorschotten (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| 01 Basisonderwijs | 7 724 291 | 5 922 602 |
| 03 Voortgezet onderwijs | 328 406 | 313 299 |
| 04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | 139 099 | 121 490 |
| 06 Hoger beroepsonderwijs | 46 987 | 58 721 |
| 07 Wetenschappelijk onderwijs | 2 319 | 1 880 |
| 08 Internationaal onderwijsbeleid | 20 245 | 20 530 |
| 09 Onderwijspersoneel | 89 699 | 130 609 |
| 10 Informatie- en communicatietechnologie | 57 992 | 37 870 |
| 14 Cultuur | 188 920 | 154 838 |
| 15 Media | 85 578 | 56 559 |
| 18 Bestuursdepartement | 4 388 | 7 216 |
| 19 Inspecties | 216 | 55 |
| Permanente voorschotten | 554 | 554 |
| Totaal | 8 688 694 | 6 826 223 |
Verreweg het grootste deel van de voorschotten die jaarlijks worden verstekt, bestaat uit de bekostiging van het primair onderwijs. Deze voorschotten worden afgerekend op basis van de aanvraag vaststelling rijksvergoeding (AVR) en de daarbij gevoegde accountantsverklaring, die instellingen voor 1 juli van het daaropvolgende jaar indienen. Ultimo 2002 was circa 80% afgerekend van de voorschotten primair onderwijs die ultimo 2001 openstonden. Ultimo 2003 is circa 60% van de voorschotten primair onderwijs die ultimo 2002 openstonden afgerekend. Deze daling van de omvang van de afgerekende voorschotten is het gevolg van het grotere aantal accountantsverklaringen bij de AVR's met opmerkingen. Deze AVR's vergen meer afhandelingstijd.
De stand van de voorschotten per 31-12-2003 wordt als volgt gespecificeerd naar vergoedingsjaar:
| Tabel 10: Stand van de voorschotten (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| 1993 | 0 | 106 |
| 1994 | 154 | 596 |
| 1995 | 1 | 93 |
| 1996 | 3 705 | 3 913 |
| 1997 | 4 482 | 6 362 |
| 1998 | 4 843 | 17 069 |
| 1999 | 7 503 | 27 084 |
| 2000 | 53 783 | 143 177 |
| 2001 | 123 789 | 1 051 725 |
| 2002 | 2 663 421 | 5 575 544 |
| Subtotaal scholen en instellingen | 2 861 681 | 6 825 669 |
| 2003 | 5 826 459 | – |
| Totaal scholen en instellingen | 8 688 140 | 6 825 669 |
| Permanente voorschotten | 554 | 554 |
| Totaal-Generaal | 8 688 694 | 6 826 223 |
Van een achterstand in de afrekening van de oude jaargangen voorschotten is geen sprake, omdat deze vooral betrekking hebben op langlopende projecten op de verschillende beleidsterreinen.
In het verleden zijn instellingen zelfstandig op de kapitaalmarkt leningen aangegaan ter financiering van bouwinvesteringen, onder garantiestelling van het Rijk jegens de geldverschaffers voor de rente en aflossingsverplichtingen. De destijds vigerende garantieregelingen zijn inmiddels niet meer van kracht. Het bedrag van de garantie verplichtingen (nog openstaande rente en aflossingsverplichtingen op lopende leningen) is het theoretisch maximale risico dat het ministerie ultimo 2003 nog loopt in verband met garantiestellingen op bouwleningen en overige garantieleningen.
In onderstaand overzicht zijn de openstaande garanties gespecificeerd opgenomen in vergelijking met ultimo 2002:
| Tabel 11: Garantieverplichtingen (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Openstaand per 31-12-2003 | Openstaand per 31-12-2002 | |
| Bouwleningen aan academische ziekenhuizen | 402 663 | 449 011 |
| Bouwleningen aan scholen en instellingen vo | 25 593 | 33 771 |
| Bouwleningen aan scholen en instellingen bve | 7 543 | 10 156 |
| Bouwleningen aan scholen en instellingen hbo | 1 614 | 3 744 |
| Leningen studiefinanciering | 150 | 188 |
| Garanties cultuur | 137 860 | 111 508 |
| Garantie vervangingsfonds | 38 000 | 0 |
| Garantie participatiefonds | 12 000 | 0 |
| Totaal | 625 423 | 608 378 |
Voor de academische ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.
In het hoger beroepsonderwijs (hbo) zijn sinds 1985 geen garanties op bouwleningen meer verstrekt.
In het voortgezet onderwijs (vo) en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) worden eveneens geen garanties op bouwleningen meer verstrekt. Dit in verband met de decentralisatie van de huisvesting vo en de okf-operatie bve. De meeste van deze leningen hebben een looptijd van gemiddeld 25 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2013 volledig hebben plaatsgevonden. Het feitelijke risico op deze garanties wordt als beperkt geschat.
De post leningen studiefinanciering is gebaseerd op een schatting van de waardering van de uitstaande schuld inclusief de rente, naar de stand ultimo 2003.
De uitstaande garanties bij cultuur bedragen ruim € 137 miljoen. Hiervan is € 98 miljoen verstrekt door het Nationaal Restauratiefonds en € 2 miljoen betreft een garantie onder de indemniteitsregeling.
Voorts heeft OCW zich voor een bedrag van € 37 miljoen garant gesteld voor eventuele toekomstige tekorten bij de kunstfondsen. Dit is het gevolg van de in 2000, 2001, 2002 en 2003 gerealiseerde afroming van de liquiditeiten bij de fondsen.
De uitstaande garanties participatie- en vervangingsfonds zijn het gevolg van het bestuurlijk akkoord dat in 2003 met de fondsen is gesloten en houden verband met garantstelling in verband met het schatkistbankieren.
De opbouw van de stand van de aangegane verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:
| Tabel 11: Stand aangegane verplichtingen (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Stand 1 januari 2003 | 12 692 573 | |
| Bij: correcties op de beginstand | 44 | |
| Gecorrigeerde stand 1 januari 2003 | 12 692 617 | |
| Bij: aangegaan in 2003 | 25 269 522 | |
| Waarvan garantieverplichtingen | 103 465 | |
| Totaal aangegaan in 2003 | 25 166 057 | |
| Af: tot betaling gekomen in 2003 | 25 473 721 | |
| Stand 31 december 2003 | 12 384 953 | |
De specificatie van de openstaande verplichtingen per beleidsartikel ultimo 2003 is hieronder opgenomen.
| Tabel 12: Openstaande verplichtingen (x € 1 000) | |
|---|---|
| 01 Basisonderwijs | 73 956 |
| 02 Expertisecentra | 831 |
| 03 Voortgezet onderwijs | 3 370 249 |
| 04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie | 2 439 044 |
| 06 Hoger beroepsonderwijs | 1 631 288 |
| 07 Wetenschappelijk onderwijs | 3 121 395 |
| 08 Internationaal onderwijsbeleid | 4 809 |
| 09 Onderwijspersoneel | 43 494 |
| 10 Informatie- en communicatietechnologie | 8 531 |
| 14 Cultuur | 836 840 |
| 15 Media | 1 350 |
| 16 Onderzoek en wetenschappen | 851 934 |
| 18 Bestuursdepartement | 343 |
| 19 Inspecties | 889 |
| Totaal | 12 384 953 |
TOEZEGGINGEN AAN DE ALGEMENE REKENKAMER
In deze bijlage wordt ingegaan op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij het departementale jaarverslag van het jaar 2002 en de maatregelen die zijn getroffen om de geconstateerde tekortkomingen in het verslagjaar 2003 en de jaren daarna te voorkomen.
| Audit actielijst 2003 van het ministerie van OCW | |||
|---|---|---|---|
| Stand van zaken RJV2002 | Conclusie AR | Aanbeveling AR | Toezeggingen/maatregelen minister |
| Jaarverslag en saldibalans | |||
| De toelichting op de rekening van de RAD voldoet niet geheel aan eisen, met name als het gaat om prestatiegegevens en om de toelichting op posten van balans en exploitatierekening. | Het beoogde niveau van informatieverschaffing wordt op onderdelen niet gehaald. | Meer aandacht voor de naleving van de regelgeving terzake. | OCW zal bezien welke toelichtingen in het jaarverslag 2003 kunnen worden aangescherpt. In de toelichting op de jaarrekening 2003 van de RAD zijn verbeteringen aangebracht. |
| De saldibalans voldoet niet geheel aan de eisen m.b.t. uitsplitsing van sluitregelingen, saldering van de post liquiditeiten en het toelichten van mutaties in de posten van de saldibalans. | De regelgeving wordt niet volledig nageleefd, waardoor het beoogde niveau van informatieverschaffing op onderdelen niet wordt gehaald. | Meer aandacht voor de naleving van de regelgeving terzake. | Ten aanzien van de uitsplit- sing van de sluitrekeningen en de saldering van de post liquiditeiten neemt OCW de opmerkingen van de AR ter harte bij het opstellen van de saldibalans van het jaar 2003.Substantiële toe- en afnamen van mutaties zal OCW voor- taan toelichten. De toelichting bij de saldibalans 2003 heeft OCW verbeterd. |
| Beleidsinformatie | |||
| De operationele doelen uit het jaarverslag sluiten bij een aantal beleidsartikelen slecht aan met die uit de begroting. Daar de herformulering van doelen plaatsvond in het kader van het VBTB-traject kan hier eenmalig begrip voor worden opgebracht. | Het inzicht in de realisatie van de doelen wordt bemoeilijkt door herformulering van de beleidsdoelen. | Zorgdragen voor aansluiting door aanpassing in doelformulering pas in de eerstvolgende begroting door te voeren. | OCW is het niet eens met de aanbeveling van de AR om aanpassing in de doelformu- lering pas in de eerstvolgende begroting door te voeren. Om een beter gestructureerde begroting en jaarverslag op te stellen is in beide documenten consequent dezelfde indeling bij de operationele doelstellingen gehanteerd. Deze indeling heeft een «best practice» opgeleverd in de beoordeling door de Kordes-commissie. Er is verder voldaan aan de VBTB-eisen waar zinnig en haalbaar. |
| De rekening wordt niet volledig gedekt door prestatiegegevens en kengetallen, met name bij het cultuurartikel. Naar aanleiding van het RMO 2001 is toegezegd te onderzoeken of en welke kengetallen zullen worden opgenomen in de begroting 2003. Dit heeft met ingang van de begro- tingscyclus 2003 tot verbeteringen geleid. | Het inzicht in de geleverde prestaties en de realisatie van de doelen wordt bemoeilijkt. | Doorgaan met de verbeteringen die in gang zijn gezet met de begrotingscyclus 2003. | OCW onderschrijft de aanbeveling van de AR en zal onderzoeken welke verbeteringen nog mogelijk zijn. FEZ heeft onderzocht of verbetering mogelijk is bij kengetallen in de begroting en de rekening.Gewerkt wordt samen met de directies om te komen tot uitgebreidere doelmatigheids- kengetallen al in de DJV2003 door introductie van de integrale kosten (d.w.z. van overheid, gemeenten en eigen bijdragen) per afgestudeerde.Het project 24 indicatoren moet voor de RBG2004 leiden tot verbeterde prestatie-indi- catoren voor het stelsel (en vervolgens later voor de vbtb-beleidsthema's). |
| In het jaarverslag wordt geen aandacht geschonken aan het al dan niet opleggen van sancties bij specifieke uitkeringen. Dit was wel toegezegd naar aanleiding van het RMO 2001. | Er wordt geen volledig inzicht verschaft in de werking van het sanctiebeleid. De toezegging van de minister is niet nagekomen. | Afleggen van verantwoording over het sanctiebeleid en de opgelegde sancties. Aandacht voor de naleving van toezeggingen aan de AR. | OCW zal in het jaarverslag 2003 verslag doen over het sanctiebeleid en de opgelegde sancties bij specifieke uitkeringen. In het jaarverslag 2003 is in de bedrijfsvoeringsparagraaf een passage m.b.t. het gevoerde sanctiebeleid/opgelegde sancties bij specifieke uitkeringen opgenomen. In januari 2004 is de beleidsregel sanctiebeleid gepubliceerd, met daarin weergegeven de manier waarop de minister gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om sancties op te leggen. De beleidsregel biedt duidelijkheid aan onderwijsinstellingen over de toepassing van sancties en opschorting en inhouding van de bekostiging in situaties waar wettelijke regels niet worden nageleefd. Verder wordt duidelijk welke procedure wordt gevolgd wanneer naar het oordeel van de minister sprake is van een overtreding of nalevingstekort. |
| Bedrijfsvoering | |||
| Onvolkomenheden in het MenO- beleid voor de sectoren bve, hbo en wo. In maart 2003 heeft de minister het Actieplan Rekenschap gepresenteerd, waarin zij maatregelen aankondigt die moeten leiden tot een effectiever MenO-beleid. | Het risico van onrechtmatige bekostiging van onderwijsinstellingen wordt nog onvoldoende beheerst. In 2002 en 2003 zijn belangrijke stappen gezet die op termijn een bijdrage kunnen leveren aan de beheersing van deze risico's. | Aanscherping van het MenO- beleid (regelgeving, voorlichting, controleaanpak en sanctiemaatregelen). | OCW onderschrijft de aanbeveling van de AR om het MenO-beleid aan te scherpen en verwijst hierbij naar de aangekondigde maatregelen in het Actieplan Rekenschap.In 2003 zal een aangepaste richtlijn MenO- beleid voor OCW worden vastgesteld. In juni 2003 is de aangepaste Richtlijn MenO vastgesteld. Inmiddels zijn diverse acties uitgevoerd (o.a. instellen van regieoverleg met toezichthouders en wetsvoorstel Korte Klap). Afronding van een aantal andere acties is in 2004 (zoals eindrapport modernisering bekostiging) gepland.N.a.v. het rapport van de Commissie Schutte zullen aanvullende maatregelen worden getroffen. |
| Onvolkomenheid in het reviewbeleid van de accountantsdienst. Een groot deel van de geplande reviews is vervallen i.v.m. het «zelfreinigend onderzoek» naar de bekostiging van de sectoren bve, hbo en wo. Met uitzondering van deze sectoren is er geen sprake van compenserende controlemaatregelen. | Het niet uitvoeren van reviews leidt tot een mindere beheersing van het risico op mis- bruik en oneigenlijk gebruik buiten de sectoren bve, hbo en wo. | Uitvoering geven aan geplande reviews. | OCW geeft aan van plan te zijn de in 2003 geplande reviews uit te voeren. In beginsel is de verantwoordelijkheid voor in te stellen reviews in 2003 verschoven van de AD naar de beleidsdirecties.In 2003 zijn diverse reviews gehouden.Een beperkt aantal reviews uit het auditplan 2003 is in en na overleg met de opdrachtgevers overgeheveld naar 2004. |
| Onvolkomenheden in het MenO beleid rond studiefinanciering, met name wat betreft de risicogerichtheid van de controles. Koppeling met het GBA kan vanaf 2003 tot een effectievere aanpak leiden bij de controle op uitwonendheid. | De controleaanpak kan aan effectiviteit winnen door een meer risicogerichte aanpak. | Meer aandacht voor een risicogerichte controleaanpak. | De aanbeveling van de AR om meer aandacht te besteden aan een risicogerichte controleaanpak wordt door OCW overgenomen. Het zwaartepunt van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik door de IB-Groep ligt thans voornamelijk bij grote reguliere controles. In 2003/2004 zal de IB-Groep verder invulling geven aan de concretisering van een (nog) meer risicogerichte controle aanpak. Hiertoe worden de risicokenmerken nader geanalyseerd, om daarmee te komen tot een indeling in risicogebieden en -groepen. Onderkende risicogroepen zullen vervolgens intensiever worden gecontroleerd.In 2003 heeft de IB-Groep vooruitgang geboekt bij het vormgeven van een meer risicogerichte aanpak. Naast een risicogerichte uitwonen- dencontrole zijn diverse andere risicogerichte contro- les uitgevoerd. In een aantal gevallen is gemotiveerd afgezien van een risicogerichte aanpak. |
| Onvolkomenheden in het sanctiebeleid bij specifieke uitkeringen. De minister heeft naar aanleiding van het RMO 2001 toegezegd het sanctiebeleid verder uit te werken. In 2002 is geen wezenlijke voortgang geboekt bij het formuleren van een departe- mentsbreed sanctiebeleid. Wel is er vooruitgang bij het sanctiebeleid voor de afzonderlijke specifieke uitkeringen. | Het ontbreken van departe- mentsbreed sanctiebeleid vormt een risico voor de ordelijkheid van de besluitvorming over het opleggen van sancties.Het risico bestaat dat naar gemeenten toe, het belang van naleving van verant- woordingsprocedures onvoldoende wordt benadrukt. | Verdere uitwerking van het sanctiebeleid voor specifieke uitkeringen. | De uitwerking van het sanctiebeleid voor specifieke uitkeringen zal worden ingepast in het departementsbrede sanctiebeleid (Project uitvoe- rings- en handhavingsbeleid) zoals dat is aangekondigd in het rapport Ruimte voor Rekenschap. In januari 2004 is de beleidsregel sanctiebeleid gepubliceerd over de toepassing van sancties bij misbruik en oneigenlijk gebruik van regelgeving. |
| Onvolkomenheden in het contractbeheer door gebrekkige naleving van regelgeving. | Er zijn risico's voor de doelmatigheid van het contractbeheer en voor claims als gevolg van het ten onrechte niet Europees aanbesteden. | Maatregelen treffen voor naleving van de regeling contractbeheer en deze maatregelen en de naleving daarvan na verloop van tijd evalueren. | De aanbeveling om maatregelen te treffen voor naleving van de regeling contractbeheer wordt door OCW onderschre- ven. In 2003 zal OCW de regeling contractbeheer evalueren. De door de AR gesignaleerde onvolkomenheden zullen hierbij worden betrokken. |
| Europees aanbestedenMede n.a.v. opmerkingen van de AR zijn in 2003 de Europese aanbestedingsregels wederom nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Het toezicht daarop is verscherpt door o.m. invulling te geven aan het concernbreed uitzetten van een inventarisatie van voorgenomen opdrachten/aanbestedingen voor de 2e helft van 2003. Door het ex-ante beoordelen van voorgenomen opdrachten kan 1) pro-actief en gericht geadviseerd worden hoe opdrachten in de markt moeten worden gezet, 2) er een adequate planning voor voorgenomen aanbestedingen voorhanden komen waardoor een goede voorbereiding en een beter inzicht ontstaat in de mogelijkheden voor vraagaggregatie. | |||
| Volgens de Landsadvocaat zijn bij de koopsompolissen 58+-regeling de Europese regels niet overtreden. | |||
| Contractbeheer OCWBij het jaarverslag 2002 heeft de AR geconstateerd dat 1) contractdossiers vaak ontbre- ken, 2) contractregisters ontbreken, 3) er geen zekerheid is dat de interne regeling die medeparafering van contracten vereist door WJZ wordt nageleefd, 4) de wettelijke vereiste evaluatie van het contractbeheer nog niet is uitgevoerd. Naar aanleiding van deze bevindingen is in 2003 een operational audit uitgevoerd naar het gevoerde contractbeheer binnen OCW met als doel om de onvolkomenheden hierin en de control daarop te verbeteren. In 2004 zal hieraan de nodige aandacht worden gegeven. | |||
| Beheer en aansturing RAD voldoen niet aan de criteria voor een baten-lastendienst. In 2002 is hier wel aangewerkt maar een totaal kostprijsmodel en een volledige planning- en controlcyclus ontbreken nog. De ver- schillen binnen de RAD maken het overigens moeilijk om te voldoen aan de criteria voor een baten-lastendienst. | De RAD voldoet niet aan alle eisen die worden gesteld aan een agentschap. De met de agentschapstatus beoogde effecten zijn daardoor lastig zichtbaar te maken. In 2002 is er op dit punt wel vooruitgang geboekt. | Er is overleg gaande met Financiën over het opvolgen van de agentschapstatus van de RAD door het NA in 2005. Het ontwikkelen van een kostprijsmodel is gereed. De P&C cyclus wordt uitgewerkt in een werkgroep met DCE. Er is een audit uitgevoerd naar de bedrijfsvoering bij de RAD.Streven is om beheer en aan- sturing RAD te laten voldoen aan de criteria van een agentschap. | |
| Beschrijving administratieve organisatie van de RDMZ is niet actueel. In 2002 is een plan van aanpak opgesteld dat in 2003 tot een AO-beschrijving moet leiden. | Risico's voor de continuïteit en de betrouwbaarheid van de procesuitvoering. | OCW zegt toe dat de RDMZ in 2003 de resterende achterstand in de beschrijving van de AO met kracht zal aanpakken. RDMZ heeft een werkplan opgesteld om in 2003 de score voldoende te halen.Dit plan is echter niet geheel gehaald. Er is beperkt aanvullende AO-capaciteit ingehuurd. Wel zijn stevige stappen voor- uit gemaakt. | |
| Verbeterpunten in het materieelbeheer bij RDMZ, Inspectie voor het Onderwijs en ROB. In 2002 is het materieel beheer van de eerste twee nauwelijks verbeterd.Bij de ROB worden verbeteringen ingevoerd. | De toereikendheid van het materieelbeheer is niet gewaarborgd. | De RDMZ zal in 2003 een administratie voor het materieelbeheer opzetten en daar periodiek controle op uitoefenen. De Inspectie van het Onderwijs zal voor de zomer van 2003 een risicoanalyse uitvoeren voor wat betreft het materieelbeheer en zal nagaan of de getroffen beheersmaatregelen voldoende zijn. | |
| RDMZMomenteel is de AO in uitwerking voor het materieelbeheer. De procedurebeschrijving op hoofdlijnen is gereed. Een nadere detaillering daarvan volgt. Daarnaast worden de administraties getoetst op het voldoen aan de vereisten. In 2004 wordt een audit uitgevoerd op de aanwezigheid van activa. | |||
| Inspectie van het OnderwijsIn 2003 heeft de inspectie een begin gemaakt met het opstel- len van een risico-analyse m.b.t. de bedrijfsvoering. Op basis van deze inventarisatie is de bedrijfsvoeringstabel specifiek gemaakt voor de inspectie. Wat betreft financieel en materieel beheer zijn de verbeteracties gekoppeld aan de werkprocessen in de administra- tieve organisatie. | |||
| De informatievoorziening over decentraal ontvangen en beheerde gelden is onvoldoende geregeld, waardoor niet kan worden voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet TES. | De minister heeft onvoldoende zicht op decentraal ontvangen en beheerde Europese subsidies, terwijl zij daar wel op kan worden aangesproken. | Ontwikkelen van een toezichtinstrumentarium rondom alle decentraal ontvangen en beheerde gelden. | OCW geeft aan dat, voordat OCW toezichtsmaatregelen wil treffen, er eerst duidelijkheid moet zijn over de subsidies en instellingen die onder de reikwijdte van de wet TES vallen. In dit verband heeft OCW advies gevraagd aan de Landsadvocaat. Inmiddels is over de reikwijdte van de Wet TES een rijksbrede rapportage – inclusief OCW- deel – verstuurd aan de TK. De verantwoordelijkheden voor de aansturing van en toezicht houden op de drie nationale agentschappen zijn nu eenduidig toegewezen. |
| ab | aanvullende beurs |
| ABP | Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds |
| ASC | Stichting Afrika Studiecentrum |
| ACO | Adviescommissie Onderwijsaanbod |
| ACOA | Adviescommissie Onderwijs Arbeidsmarkt |
| AD | Accountantsdienst |
| adv | arbeidsduurverkorting |
| ahr | achterstallig hoger recht |
| aio | assistent in opleiding |
| alma | atacama large millimeter array |
| alr | achterstallig lager recht |
| ALL | Adult Literacy en Lifeskills Survey |
| AMC | Academisch Medisch Centrum |
| AMvB | Algemene maatregel van bestuur |
| AO | Algemeen overleg met de Tweede Kamer |
| aoc | agrarisch opleidingencentrum |
| APS | Algemeen Pedagogisch Studiecentrum |
| arbo | arbeidsomstandigheden |
| atc | accountability, toezicht en controle |
| av | audiovisueel |
| avo | algemeen voortgezet onderwijs |
| AVS | Algemene Vereniging Schoolleiders |
| AWT | Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid |
| AZVU | Academisch Ziekenhuis bij de Vrije Universiteit |
| Band | Bilateraal austausch programma Nederland-Duitsland |
| bao | basisonderwijs |
| bapo | bevordering arbeidsparticipatie ouderen |
| Bbcu | Bekostigingsbesluit cultuuruitingen |
| bbl | beroepsbegeleidende leerweg |
| bbo | beroepsbegeleidend onderwijs |
| bbp | bruto binnenlands product |
| BioASP | Bioinformatica Application Service Providers |
| Bison | Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs (samenwerkingsverband van de intermediaire organisaties Cinop, Nuffic en EP) |
| bkb | bestuurlijke krachtenbundeling |
| bkv | beeldende kunst en vormgeving |
| bmf | breed maatschappelijk functioneren |
| bol | beroepsopleidende leerweg |
| bol-td | beroepsopleidende leerweg in deeltijd |
| BPRC | Biomedical Primate Research Centre |
| bpv | beroepspraktijkvorming |
| Brgr | Besluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties |
| bricks | basic research in informatics for creating the knowledge society |
| BRIN | Basisregistratie instellingen |
| BRP | Basisregistratie personeel |
| Bsik | Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur |
| Bsm | Bekostigingssysteem materieel |
| bve | beroepsonderwijs en volwasseneneducatie |
| Bwoo | Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel |
| Bza | Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid |
| BZK | ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
| cao | collectieve arbeidsovereenkomst |
| CASO | Commissie Automatisering Salarisadministratie Onderwijs |
| CBS | Centraal Bureau voor de Statistiek |
| CCO | Career Center Onderwijs |
| Cenesa | Cooperation in education between the Netherlands and South Africa |
| Cern | Europese organisatie voor kern- en hoger energiefysica |
| CFI | Centrale Financiën Instellingen |
| Cheps | Centre for higher education policy studies |
| Cinop | Centrum voor Innovatie van Opleidingen |
| cjp | cultureel jongeren paspoort |
| ckv | culturele en kunstzinnige vorming |
| Colo | Vereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven |
| Combo | Combinatie onderwijsorganisatie |
| COS | Commissie van overleg sectorraden |
| CPB | Cultureel Planbureau |
| CPG | Centrum voor Parlementaire Geschiedenis |
| CPS | Christelijk Pedagogisch Studiecentrum |
| Crebo | centraal register beroepsopleidingen |
| Criho | Centraal register instellingen hoger onderwijs |
| Croho | Centraal register opleidingen hoger onderwijs |
| CSTP | Committee for Scientific and Technological Policy van de OESO |
| cumi | culturele minderheden |
| cwl | contactgroep werkend leren |
| CWTS | Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies |
| Delta | Dutch education: learning at top level abroad |
| DIA | Duitsland Instituut Amsterdam |
| dro | digitaal rijbewijs onderwijs |
| du | digitale universiteit |
| Echo | Expertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs |
| ECN | Energie Centrum Nederland |
| ECTS | European Credit Transfer System |
| EDCTP | European and developing countries clinical trails partnership |
| eer | Europese economische ruimte |
| eet | economie, ecologie, technologie |
| EIB | Europees Instituut voor Bestuurskunde |
| EIM | Economisch instituut voor midden- en kleinbedrijf |
| Embc | Europese moleculaire biologische conferentie |
| Embl | Europees moleculair biologische laboratorium |
| EP | Europees platform voor het Nederlandse onderwijs |
| ESA | Europees ruimte agentschap |
| ESF | Europees Sociaal Fonds |
| ESO | Europese organisatie voor astronomisch onderzoek |
| ESRF | European Synchotron Radiation Facility |
| E-tv | Educatieve tv |
| EU | Europese Unie |
| evc | elders verworven competenties |
| Eyes | European year of education through sport |
| EZ | ministerie van Economische Zaken |
| FBBS | Federatie Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden |
| FES | Fonds Economische Structuurversterking |
| FOI | Frontoffice Inburgering |
| fpu | flexibele pensioen uittreden |
| fre | formatie rekeneenheden |
| fte | fulltime equivalent (formatie-eenheid) |
| GBA | Gemeenschappelijke basisadministratie persoonsgegevens |
| GBIF | Global Biodiversity Information Facility |
| GD | Grondmechanica Delft |
| Gent | gehele Europese Nederlandse taalgebied |
| goa | gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid |
| GOA | Wet gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid |
| gsb | grote stedenbeleid |
| gti's | grote technologische instituten |
| havo | hoger algemeen voortgezet onderwijs |
| hbo | hoger beroepsonderwijs |
| HGIS | Homogene groep internationale samenwerking |
| ho | hoger onderwijs |
| HOOP | hoger onderwijs en onderzoek plan |
| hrm | human resources management |
| Huygens | High level university year to gain excellence in the Netherlands |
| IALS | International Adult Literacy Project |
| ib | internationaal beleid |
| IB-Groep | Informatie Beheer Groep |
| ibo | interdepartementaal beleidsonderzoek |
| IBS | Institut Biologie Structurale |
| ICB | Inspectie Cultuurbezit |
| ICN | Instituut Collectie Nederland |
| ICES | Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking |
| ICES/KIS | Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking/werkgroep kennisinfrastructuur |
| ict | informatie- en communicatietechnologie |
| id | institutional development |
| id'ers | instroom/doorstroom |
| if | interim functievervulling |
| igbo | internationaal georiënteerd basisonderwijs |
| igvo | internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs |
| IHE | International institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering |
| IHS | Institute for housing and urban development studies |
| IISG | Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis |
| iivo | in instellingstijd verzorgd onderwijs |
| ILL | Institut Laue-Langevin |
| ilr | individuele leerrekening |
| IND | Immigratie- en Naturalisatiedienst |
| io | internationaal onderwijs |
| iobk | in hun ontwikkeling bedreigde kleuters |
| ipb | integraal personeelsbeleid |
| ipo | interprovinciaal overleg |
| ISIO | Interdepartementale stuurgroep internationaal onderwijs |
| ISO | Interstedelijk Studentenoverleg |
| ISS | Institute of Social Studies |
| ITC | International Institute for Aerospace Survey and Earth Sciences |
| ITS | Instituut voor toegepaste sociale wetenschap |
| IVA | Instituut voor arbeidsvraagstukken |
| JOB | Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs |
| Kans | Koninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen |
| KB | Koninklijke bibliotheek |
| kbl | kaderberoepsgerichte leerweg |
| KCE | Kwaliteitscentrum examens mbo |
| kdc-zml | kinderdagcentrum zeer moeilijke kinderen |
| kea | kleinschalig experiment achterstandsbestrijding |
| KeBB | Kennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven |
| KNAW | Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen |
| KPC | Katholiek Pedagogisch Centrum |
| ksb | kwalificatiestructuur beroepsonderwijs |
| kse | kwalificatiestructuur educatie |
| LAKS | Landelijk actie komité scholieren |
| lao | lesgeven anders organiseren |
| lbk | landelijk beleidskader (onderwijsachterstanden) |
| LCTI | Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling |
| LCW | Les- en cursusgeldwet |
| lg | lichamelijk gehandicapte leerlingen |
| lgf | leerlinggebonden financiering |
| lhc | large hadron collider |
| LICA | Landelijk informatiecentrum aansluiting vo-hbo |
| lio | leraar in opleiding |
| LNV | ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit |
| lob | landelijk orgaan beroepsonderwijs |
| LOKV | Landelijke organisatie kunstzinnige vorming |
| lom | leer- en opvoedingsmoeilijkheden |
| look | landelijk overleg onderwijskansen |
| LOFAR | Low Frequency Array |
| LSVb | Landelijke studentenvakbond |
| lwoo | leerwegondersteunend onderwijs |
| MARIN | Maritiem Research Instituut Nederland |
| mavo | middelbaar algemeen voortgezet onderwijs |
| mbo | middelbaar beroepsonderwijs |
| MenO | misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen |
| MEV | Macro Economische Verkenningen |
| MGK | Max Grootte Kenniscentrum |
| MKB | Midden- en kleinbedrijf |
| mlk | moeilijk lerende kinderen |
| mo | maatschappij oriëntatie |
| moa | management, ondersteuning, arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden |
| mou | memorandum of understanding |
| mpv | meervoudige publieke verantwoording |
| MSM | Maastricht School of Management |
| msp | monumenten selectie project |
| MTNL | Multicultulere Televisie Nederland |
| mvv | machtiging tot voorlopig verblijf |
| NAA | Nederlands Audiovisueel Archief |
| NACEE | Netherlands America commission for educational exchange |
| NAO | Nederlandse Accreditatie Organisatie |
| nbi | niet bekostigde instelling |
| NBLC | Nederlands Bibliotheek en Lectuurcentrum |
| NCW | Nederlanse Christelijke Werkgeversbond |
| NESO | Netherlands Education Support Office |
| Ngo | non-gouvernementele organisatie |
| NIAS | Netherlands Institute for Advanced Studies |
| NIBUD | Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting |
| NICL | Nationaal Informatiecentrum Leermiddelen |
| NIDI | Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut |
| NIPO | Nederlands Instituut voor de Publieke Opiniepeiling |
| NIZW | Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn |
| NLR | Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium |
| noat | Nederlandstalig onderwijs aan anderstaligen |
| NOB | Nederlandse Omroepproductie Bedrijf |
| NOS | Nederlandse Omroep Stichting |
| NOWT | Nederlands Observatoriu van Wetenschap en Technologie |
| NPS | Nederlandse Programma Stichting |
| NRF | Nationaal Restauratie Fonds |
| NT2 | Nederlands als tweede taal |
| NTU | Nederlandse Taalunie |
| NTU/INL | Nederlandse Taalunie/Instituut voor Nederlandse Lexicologie |
| NUC | Nationale Unesco Commissie |
| Nuffic | Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs |
| NWO | Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek |
| oa's | onderwijsassistenten |
| oalt | onderwijs in allochtone levende talen |
| OCW | ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
| OCTO | Onderwijscentrum Toegepaste Onderwijskunde |
| ODA | Official Development Association |
| odin | onderzoek deelnemersinformatie |
| oer | onderwijs- en examenregeling |
| Oeso | Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling |
| oio | onderzoeker in opleiding |
| ok | onderwijskansen |
| os | ontwikkelingssamenwerking |
| OU | Open Universiteit |
| OUNL | Open Universiteit Nederland |
| ov | openbaar vervoer |
| ovsk | openbaar vervoer studentenkaart |
| owb | onderzoek en wetenschapsbeleid |
| o&i | onderwijs en informatie samenleving |
| pabo | pedagogische academie basisonderwijs |
| Paepon | Platform van aangewezen/erkende particuliere onderwijsinstellingen in Nederland |
| p-beurs | prestatiebeurs |
| pcl | permanente commissie leerlingenzorg |
| pisa | programme for international student assessment |
| plato | promotie lerarenmobiliteit arbeidservaring en training in het onderwijs |
| pmpo | procesmanagement primair onderwijs |
| pmvo | procesmanagement voortgezet onderwijs |
| po | primair onderwijs |
| pok | projectgroep onderwijskansen |
| por | persoonlijke ontwikkelingsrekening |
| pps | publiek private samenwerking |
| pro | praktijkonderwijs |
| R&D | Research and Development |
| RAD | Rijksarchiefdienst |
| RDMZ | Rijksdienst voor de Monumentenzorg |
| rec | regionaal expertisecentrum |
| Rgd | Rijksgebouwendienst |
| rhc | regionale historische centra |
| rmc | regionale meld- en coördinatiefunctie |
| ROA | Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt |
| ROB | Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek |
| roc | regionaal opleidingencentrum |
| rubs | registratie uitstroom en bestemming schoolverlaters |
| sbao | speciaal basisonderwijs |
| sbd | schoolbegeleidingsdienst |
| SBO | Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt |
| sbo | secundair beroepsonderwijs |
| sbu | studiebelastingsuren |
| SCP | Sociaal en Cultureel Planbureau |
| SER | Sociaal Economische Raad |
| SEO | Stichting voor Economisch Onderzoek |
| sf | studiefinanciering |
| sfb | studiefinancieringsbeleid |
| Sica | Stichting internationale culturele activiteiten |
| SICI | standing international conference of central en general inspectorates of education |
| silo | stimulans innovatieve leeromgevingen bve |
| sir | subsidie individuele reïntegratie |
| SKOHBO | Stichting Kennisontwikkeling hbo |
| SKOR | Stichting Kunst en Openbare Ruimte |
| SLO | Instituut voor leerplanontwikkeling |
| sloa | subsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten |
| SNOB | Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland |
| so | speciaal onderwijs |
| sps | schoolbudgetten, personeelsbeleid en schoolontwikkeling |
| Stoeb | Student op eigen benen |
| STT | Stichting Toekomstbeeld der Techniek |
| Surf | Samenwerkingsorganisatie voor netwerkdienstverlening en informatie- en communicatietechnologie in het hoger onderwijs en onderzoek |
| SUWI | Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen |
| svc | studievoortgangscontrole |
| svo | speciaal voortgezet onderwijs |
| svuo | subsidie voorkoming uitval onderwijspersoneel |
| SZW | ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
| TCAI | Tijdelijke Commissie Advisering Indicatiestelling |
| TIMMS | Trends in Mathematic and Science Studies |
| TK | Tweede Kamer |
| tlo | tegemoetkoming lerarenopleiding |
| TNO | Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek |
| TNO-stb | TNO strategie, technologie en beleid |
| toa | technisch onderwijsassistent |
| tom | teamonderwijs op maat |
| top-model | model voor transparante onderwijsprogrammering |
| TS17- | tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (volgens hoofdstuk 3 van de WTOS) |
| TS18+ | tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen ouder dan 18 jaar in (deeltijd) voortgezet onderwijs die geen recht meer hebben op VO18+ en studerenden in het hoger onderwijs van 18 jaar en ouder aan lerarenopleidingen die geen recht meer hebben op WSF (volgens hoofdstuk 5 van de WTOS) |
| ud | universitair docent |
| uhd | universitair hoofddocent |
| ulo | universitaire lerarenopleiding |
| Unesco | United Nations educational scientific and cultural organisation |
| UNU | United Nations University |
| USZO | Uitvoeringinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs |
| UvA | Universiteit van Amsterdam |
| UWV | Uitvoering werknemersverzekeringen |
| vavo | voortgezet algemeen volwassenenonderwijs |
| vbo | voorbereidend beroepsonderwijs |
| vbtb | van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording |
| VeLo | Vereenvoudigd Londostelsel |
| v&i | vreemdelingenbeleid en integratie |
| Vf | Vervaningsfonds |
| Visie | volledige internationale studie Europa |
| VL-E | Virtueel Laboratorium voor E-science |
| vmbo | voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs |
| VNG | Vereniging van Nederlandse Gemeenten |
| VNO | Verbond van Nederlandse Ondernemingen |
| vo | voortgezet onderwijs |
| VO18+ | Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (volgens hoofdstuk 4 van de WTOS) |
| voa | voorbereidende en ondersteunende activiteiten |
| VROM | ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu |
| VSNU | Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten |
| vso | voortgezet speciaal onderwijs |
| vsv | voortijdig schoolverlaten |
| VSWO | Vereniging van Samenwerkende Werkgeversorganisaties in het Onderwijs |
| VU | Vrije Universiteit |
| vve | voor- en vroegschoolse educatie |
| VVO | Vereniging voor het management in het voortgezet onderwijs |
| VenW | ministerie van Verkeer en Waterstaat |
| vwo | voorbereidend wetenschappelijk onderwijs |
| VWS | ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| WAO | Wet arbeidsongeschiktheid |
| WBSO | Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk |
| WEB | Wet educatie en beroepsonderwijs |
| WEC | Wet op de expertise centra |
| WeTeN | Stichting Wetenschap en Techniek Nederland |
| WIN | Wet inburgering nieuwkomers |
| wio | werken in het onderwijs |
| WIS | Wachtgeld informatiesysteem |
| WHW | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek |
| WL | Waterloopkundig Laboratorium |
| WMO | Wet medezeggenschap onderwijs |
| wo | wetenschappelijk onderwijs |
| WOR | Wet op de ondernemingsraden |
| wp | wetenschappelijk personeel |
| wopi | wetenschappelijk onderwijs personeels informatie |
| WOT | Wet onderwijstoezicht |
| WPO | Wet op het primair onderwijs |
| WSC | Wet op het specifiek cultuurbeleid |
| WSF | Wet studiefinanciering |
| WSLOA | Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten |
| wsns | weer samen naar school |
| WSW | Wet sociale werkvoorziening |
| wtc | wetenschap- en techniekcommunicatie |
| WTO | World Trade Organisation |
| WTO-gats | World Trade Organisation – general agreement on Trade in Services |
| WTOS | Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten |
| WTOS18+ | tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht hebben op SF of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS) |
| WTS | Wet tegemoetkoming studiekosten |
| WTS18+ | tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht heeft op studiefinanciering of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS) |
| WVA | Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen |
| WVO | Wet op het voortgezet onderwijs |
| WVOI | Werkgeversvereniging onderzoekinstellingen |
| WW | Werkloosheidswet |
| zbo | zelfstandig bestuursorgaan |
| zml | zeer moeilijk lerend |
| zvoo | ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel |
Aankoopfonds 373, 374
Aanvullende beurs 230, 231, 232, 233, 234, 321
Achterstallig recht 322, 398
Achterstandenbeleid 17, 38, 42, 43, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 56, 78, 101, 130, 308, 314, 315, 391
Actieplan cultuurbereik 245, 249, 250, 252, 254, 257
Allochtonen 35, 148, 149, 157, 390
Arbeidsmarktknelpunten 103, 316
Arbeidsvoorwaarden 16, 24, 70, 103, 108, 119, 165, 166, 186, 187, 190, 195, 196, 301, 302
Archeologie 248, 251, 257, 258, 260, 263, 323
Archiefwet 342
Archieven 246, 248, 257, 259, 260, 263, 323, 324, 342, 343, 344, 346, 347, 348, 349, 350, 351, 352, 353, 354, 355, 358, 360
Aspasia 284, 287, 300, 326, 398
Basisbeurs 230, 231, 232, 233, 321
Basisvorming 23, 33, 79, 80, 81, 83, 92, 93, 94, 110, 253, 315, 399, 407
Beeldende kunst 249, 250, 251
Bekostiging 13, 15, 18, 19, 24, 34, 35, 37, 41, 47, 48, 50, 55, 56, 57, 61, 69, 74, 75, 76, 80, 88, 93, 98, 102, 104, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 117, 118, 119, 120, 123, 124, 142, 143, 155, 159, 166, 168, 179, 204, 228, 260, 281, 306, 307, 308, 314, 317, 318, 331, 340, 341, 378, 383, 384, 389
Beroepskolom 5, 10, 11, 12, 16, 18, 31, 32, 33, 100, 118, 121, 132, 134, 135, 136, 137, 148, 222, 400, 405
Beroepsonderwijs 5, 11, 13, 15, 16, 18, 25, 30, 31, 36, 38, 84, 95, 100, 111, 112, 113, 117, 118, 119, 121, 122, 123, 125, 132, 134, 135, 136, 137, 138, 141, 148, 172, 174, 177, 180, 184, 190, 192, 201, 202, 203, 210, 214, 221, 225, 226, 227, 228, 235, 301, 302, 303, 312, 362, 363, 376, 378, 380, 381, 389, 390, 392, 394, 395, 396, 399, 400, 401, 402, 404, 405, 406, 407, 408, 409, 410
Beroepsopleidende leerweg 84, 232, 238, 242, 389, 395, 400
Beroepspraktijkvorming 118, 121, 227, 389, 400, 405
Bestuurlijke krachtenbundeling 75, 76, 389
Beurzenprogramma 171, 172, 173, 174, 175, 176
Bibliotheken 52, 53, 219, 246, 248, 255, 261, 262, 263, 273, 323, 342
Bilaterale samenwerking 20, 175, 296, 298
BPRC 290, 291, 300, 326, 389
Bve Raad 13, 32, 117, 119, 121, 122, 123, 124, 135, 136, 409
Bve-sector 15, 16, 114, 115, 119, 120, 122, 136, 190, 191, 192, 199, 201, 202, 206, 207, 208, 209, 211, 212, 219, 220
Collegegeld 13, 27, 143, 160, 167, 238, 401
Conservering 291, 292, 343, 350, 357
Convenant 13, 14, 15, 16, 26, 29, 38, 56, 118, 119, 122, 123, 136, 148, 151, 165, 166, 186, 187, 195, 198, 204, 205, 206, 207, 210, 261, 277, 282, 290, 291, 292, 328
Cultureel erfgoed 180, 182, 250, 251, 257, 324, 330
Culturele diversiteit 249, 253
Culturele planologie 249, 250, 251
Cultuur en school 37, 249, 253, 254
Cultuuruitingen 244, 389
Decentralisatie arbeidsvoorwaarden 119, 165, 195
Deelname 30, 51, 52, 53, 59, 79, 101, 106, 131, 148, 150, 152, 157, 176, 180, 181, 182, 222, 296, 297, 359
Deregulering 12, 13, 14, 15, 17, 21, 22, 25, 29, 41, 76, 108, 245
Differentiatie 13, 27, 35, 70, 103, 153, 167, 236
Doelgroepenbeleid 111, 148, 155, 317
Doorstroom 16, 18, 31, 32, 83, 85, 86, 87, 95, 96, 111, 134, 135, 136, 143, 150, 157, 165, 190, 192, 194, 198, 210, 284, 287, 391, 398, 405
Educatie 5, 11, 13, 15, 18, 25, 30, 31, 33, 34, 36, 38, 39, 42, 50, 55, 84, 100, 111, 113, 117, 118, 119, 125, 126, 127, 128, 129, 131, 132, 133, 135, 174, 180, 184, 190, 192, 202, 203, 214, 215, 218, 219, 220, 221, 225, 226, 227, 228, 229, 246, 247, 248, 249, 253, 254, 263, 266, 267, 294, 297, 302, 303, 307, 312, 315, 316, 320, 323, 357, 360, 362, 376, 378, 380, 381, 389, 390, 392, 395, 396, 401, 402, 404, 405, 407, 410
Educatieve software 213, 220
Enveloppebrief 160
ESF 130, 315, 316, 337, 390
FES 20, 139, 276, 288, 289, 300, 303, 316, 326, 391
Film 178, 246, 248, 249, 253, 256, 263, 292, 323, 357, 358
Fondsen 29, 41, 47, 179, 186, 187, 248, 252, 253, 255, 260, 263, 279, 323, 324, 352, 355, 378, 380
Fundamenteel onderzoek 294
Genomics 278, 288, 289, 290, 297, 300, 326, 403
Gewichtenregeling 34, 50, 51, 54, 73
Gigaport 403
GOA 50, 52, 53, 54, 55, 101, 308, 391
Groepsgrootte en kwaliteit 24, 65, 66
Havo/vwo 23, 33, 79, 82, 83, 84, 87, 96, 98, 101, 105, 110, 254, 315, 409
Hoger beroepsonderwijs 28, 35, 37, 97, 141, 142, 155, 160, 167, 174, 178, 184, 207, 230, 232, 317, 380, 391, 403, 405, 406, 411
Hoger onderwijs 13, 16, 18, 19, 27, 28, 35, 37, 83, 87, 96, 117, 141, 142, 143, 144, 148, 149, 150, 153, 154, 156, 157, 158, 160, 163, 165, 166, 167, 171, 172, 173, 174, 176, 177, 190, 207, 213, 227, 228, 233, 234, 235, 236, 238, 302, 303, 321, 391, 393, 394, 395, 396, 402, 403, 411
Huisvesting 24, 40, 45, 48, 71, 72, 79, 107, 116, 143, 160, 161, 168, 290, 297, 318, 324, 328, 336, 346, 348, 354, 358, 380, 395, 398
Inburgering 33, 39, 111, 125, 126, 129, 133, 308, 315, 316, 391, 396, 404
Individuele leerrekening 128, 129, 404
Informatie- en communicatietechnologie 10, 17, 109, 121, 214, 288, 316, 394
Instroom 15, 17, 18, 27, 61, 96, 102, 103, 119, 142, 149, 150, 152, 157, 158, 163, 165, 172, 191, 192, 207, 208, 209, 283, 340, 341, 358, 391, 398
Internationale samenwerking 170, 172, 276, 296, 391
Inventaris 21, 26, 35, 137, 152, 172, 179, 217, 308, 309, 311, 333, 349, 350, 386, 388
Jeugdbeleid 14, 36, 99
KCE 124, 125, 392, 405
KeBB 132, 392
Kennisnet 17, 32, 33, 74, 110, 132, 214, 215, 216, 218, 219, 220, 221, 224, 227, 228, 320
Koers 13, 18, 32, 34, 118, 119, 123, 125, 126, 127, 135
Kwalificatiestructuur 13, 113, 118, 122, 195, 210, 211, 392, 400
Kwalificatiewinst 134, 136, 405
Kwaliteit 12, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 27, 30, 31, 32, 34, 36, 41, 42, 43, 44, 45, 49, 53, 60, 64, 66, 69, 71, 72, 73, 74, 78, 81, 82, 83, 92, 94, 95, 100, 104, 105, 106, 107, 112, 116, 117, 118, 119, 121, 124, 125, 126, 131, 136, 137, 141, 142, 144, 147, 153, 154, 155, 156, 158, 164, 170, 172, 173, 174, 184, 190, 194, 196, 199, 202, 210, 213, 215, 217, 220, 225, 244, 247, 256, 260, 264, 273, 276, 281, 282, 283, 287, 295, 296, 298, 306, 309, 310, 311, 314, 317, 392, 405
Kwaliteitsbeleid 106
Kwaliteitscentrum examens 392
Leerlingenzorg 42, 44, 59, 60, 393
Leerlinggebonden financiering 56, 57, 58, 59, 337, 341, 392
Leerlingvolgsysteem 66, 67, 110
Leermiddelen 73, 93, 132, 220, 222, 230, 393
Leerplicht 18, 36, 42, 53, 61, 62, 99, 100, 102, 130, 242, 254, 314
Leerwerktrajecten 94, 100
Lerarenbeleid 104, 188, 222, 319
Les- en cursusgeldwet (LCW) 242
Lesgeld 5, 79, 238, 239, 242, 243, 312, 321, 323, 367, 376, 377
Letteren 179, 246, 248, 252, 253, 260, 261, 263, 323
Leven lang leren 17, 128, 129
Liquiditeit 88, 89, 90, 91, 114, 115, 145, 161, 245, 278, 279, 280, 350, 351, 380, 382, 406
Loopbaanperspectief 164, 165, 199, 285
Materiële bekostiging 108
Metamorfoze 291, 292, 293
Middelbaar beroepsonderwijs 119, 174, 240, 392, 400, 401, 402, 403, 405, 406, 408, 409, 410
Monumenten 257, 259, 392, 404
Monumentenzorg 248, 251, 257, 259, 260, 263, 304, 310, 323, 394
Musea 40, 245, 248, 250, 257, 258, 259, 263, 323, 324, 342, 373, 374
Numerus fixus 27, 163, 166
OALT 35, 55, 56, 78, 314
Octrooibeleid 294, 295, 296
Onderwijskansen 50, 51, 52, 53, 54, 101, 392, 393, 394
Onderwijsprogrammering 123, 395, 409
Onderzoekspersoneel 187, 188, 319, 396
Ontwikkelingssamenwerking 176, 393
Ov-studentenkaart 230, 233, 321
Podiumkunsten 179, 246, 247, 248, 252, 253, 263, 323
Prestatiebeurs 231, 233, 235, 237, 321, 377, 393
Primair onderwijs 13, 17, 22, 24, 25, 31, 34, 41, 42, 43, 48, 51, 54, 55, 56, 58, 61, 63, 64, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 74, 75, 76, 77, 78, 118, 174, 180, 182, 184, 195, 200, 202, 203, 204, 207, 208, 209, 211, 221, 225, 227, 302, 314, 331, 378, 394, 399, 408
Raad voor Cultuur 29, 244, 245, 261, 304
Regeerakkoord 281, 300, 306, 309, 310, 326, 344
Reisvoorziening 230, 237, 321
Rendement 48, 82, 83, 84, 87, 100, 113, 134, 143, 144, 152, 153, 160, 277
Rentabiliteit 88, 89, 91, 92, 114, 115, 116, 145, 146, 161, 162, 408
Rentedragende lening 230, 233, 321, 322, 376, 377
Renteloze voorschotten 322, 376, 377
Rijksbijdrage 28, 91, 112, 113, 118, 122, 123, 143, 159, 179, 277, 278, 279, 280, 307, 308, 317, 318, 343, 348, 353, 354, 355, 356
Roc 112
Schoolgids 105
Schoolontwikkeling 62, 94, 394
Silo 132, 394
Solvabiliteit 88, 89, 90, 91, 114, 115, 145, 146, 161, 162, 245, 278, 279, 280, 281, 376, 378, 408, 409
Studiefinanciering 5, 20, 123, 142, 157, 173, 174, 175, 230, 231, 234, 235, 236, 237, 302, 312, 321, 332, 366, 376, 377, 379, 380, 385, 394, 396, 398, 407
Studieschuld 234, 332
Studievoortgang 322, 394
Taskforce inburgering 126
Technocentra 5, 138, 139, 140, 303, 312, 316, 363
Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 395
Tempobeurs 231
Toegankelijkheid 12, 17, 41, 42, 43, 44, 45, 49, 78, 79, 104, 111, 141, 154, 156, 157, 194, 215, 220, 231, 238, 250, 255, 264, 276, 277, 293, 314, 410
Universitaire lerarenopleiding 15, 166
Variëteit 156
Vernieuwingsimpuls 278, 284, 285, 287, 300, 326, 410
Vervangingsfonds 47, 205, 315, 319, 376, 378, 379, 380
Vmbo 16, 18, 23, 30, 31, 32, 33, 72, 79, 82, 83, 84, 85, 94, 95, 99, 100, 101, 103, 105, 107, 109, 110, 112, 114, 121, 130, 134, 135, 136, 137, 204, 209, 221, 222, 253, 254, 395, 400, 402, 403, 405, 406, 408, 410
Voor- en vroegschoolse educatie 38, 51, 52, 54, 307
(voortgezet) speciaal onderwijs 57, 58, 59, 74
Voortijdig schoolverlaten 18, 31, 100, 129, 130, 395
Vouchers 253, 254, 324
Vraagfinanciering 24, 76, 77, 120, 167, 208
Wachtgeld 25, 201, 334, 336, 339, 344, 347, 348, 351, 376, 377, 396
WEC 24, 41, 48, 62, 69, 102, 396
Weer samen naar school 42, 59, 61, 73
Wet op de studiefinanciering (WSF) 174
Wetenschappelijk onderwijs 27, 28, 35, 96, 142, 156, 157, 159, 163, 167, 174, 180, 182, 184, 190, 230, 232, 235, 318, 396, 399, 400, 401, 402, 403, 406, 407, 408, 409, 410, 411
Wetenschaps- en techniekcommunicatie 293
Wetenschapsbudget 12, 13, 276, 281, 282, 294, 298
Wisselwerking 20, 134, 244, 281, 294
WPO 24, 41, 47, 62, 69, 102, 396
Ziekteverzuim 70, 120, 204, 205, 206, 207, 311
Zij-instromers 15, 31, 70, 71, 103, 158, 186, 207, 208
Zorgbudget 60
Aantal gediplomeerden in een onderwijssector
Het op de peildatum (1 oktober) bepaalde aantal afgestudeerden in het direct daaraan voorafgaande schooljaar of het geraamde aantal afgestudeerden in een (deel-)onderwijssector. Voor het primair onderwijs geldt het aantal deelnemers dat de sector po verlaat in het schooljaar voorafgaand aan de peildatum en in een andere onderwijssector instroomt.
Aantal onderwijsdeelnemers in een onderwijssector
Het op de peildatum (1 oktober) getelde of geraamde aantal ingeschreven onderwijsdeelnemers in een (deel-)onderwijssector.
Achterstallig recht, te verdelen in achterstallig lager recht en achterstallig hoger recht, betreft een correctie voor onterecht (niet) verstrekte studiefinanciering. Oorzaken van deze achterstallige rechten zijn onder meer (onbewuste) fouten in de gegevens die studenten moeten aanleveren, fouten van de IB-Groep bij verwerking van die gegevens en fraude.
Een agentschap is één van de modellen voor verzelfstandiging, namelijk een interne verzelfstandiging met een beheersmatig karakter. De ministeriële verantwoordelijkheid en het budgetrecht van de Kamer worden door deze verzelfstandiging niet ingeperkt. Een agentschap past een baten-lastenstelsel toe, heeft een afzonderlijke plaats in de begroting en voert een administratie los van de begrotingsadministratie van het moederministerie.
Het algemeen voortgezet onderwijs (avo) omvat middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs duurt 4 jaar en is voor leerlingen van 12–16 jaar. Hoger algemeen voortgezet onderwijs duurt 5 jaar, voor leerlingen van 12–17 jaar.
Het totaal van de personele en materiële uitgaven (voor huisvesting, energie, apparatuur, schoonmaken etc.) van het ministerie.
Eenheid voor het boeken van uitgaven of ontvangsten op de begroting. Onderling samenhangende begrotingsartikelen worden samengevoegd op één hoofdbeleidsterrein. Begrotingsartikelen hebben een uniek nummer op de begroting en zijn veelal op te splitsen in meerdere artikelonderdelen.
Onderdeel van een begrotingsartikel. Artikelonderdelen maken geen deel uit van de begrotingsstaat.
Stimuleringsprogramma dat beoogt een initiërende bijdrage te leveren aan de vergroting van de doorstroom van vrouwen van universitair docent naar universitair hoofddocent.
De assistent opleiding duurt een half tot één jaar en leidt op tot niveau één van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, niveau één is het laagste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen zijn meestal vanaf ongeveer 16 jaar oud.
Het atheneum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Er wordt op het atheneum geen Grieks en Latijn gegeven. Andere schooltypen in het vwo zijn het gymnasium en het lyceum. Zie beroepsonderwijs.
De basisberoepsopleiding duurt twee tot drie jaar en leidt op tot niveau twee van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen die naar een basisberoepsopleiding gaan zijn ongeveer 16 jaar oud.
Basisonderwijs wordt gegeven aan scholen voor basisonderwijs en is bestemd voor leerlingen van 4 tot ongeveer 12 jaar. Het onderwijs omvat in principe acht aaneensluitende jaren. De overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs is primair onderwijs.
Voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) beginnen met een periode van basisvorming van drie jaar. Het doel is een brede vorming te geven aan leerlingen tussen 12 en 15 jaar. Er is geen strikte scheiding tussen algemene en technische vakken. Basisvorming is geen schooltype, maar een inhoudelijke vernieuwing die geldt voor alle schooltypen binnen het voortgezet onderwijs die aanvangen na het basisonderwijs.
In een baten-lastenstelsel worden de uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten ontstaan. Dit stelsel maakt het mogelijk om de integrale kosten en opbrengsten af te leiden uit de administratie en leidt daarmee tot een doelmatiger beheer.
Het geheel van activiteiten inzake de aanwending van financiële, materiële en informatiemiddelen in het kader van de beleids- en begrotingsprocessen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt.
Wet waarbij de financiële vastlegging van het te voeren beleid met betrekking tot een begrotingsjaar is geautoriseerd. De wet bevat ramingen van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten.
Onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van het te voeren (ex ante) en/of gevoerde (ex post) beleid.
Verhoging van uitgaven en/of verlaging van ontvangsten ten opzichte van de begroting en/of de meerjarencijfers, waaraan een beleidsbeslissing ten grondslag ligt.
Het beleidsterrein is de afbakening van een aandachtsgebied binnen de taakopdracht van het departement. Per begroting worden de begrotingsartikelen zodanig afgebakend en gegroepeerd dat deze gezamenlijk een helder beeld geven van de onderwerpen van beleid.
De route van vmbo, via mbo, naar hbo.
Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het algemeen voortgezet onderwijs (avo), en is voor leerlingen vanaf ongeveer 16 jaar. Het beroepsonderwijs omvat vier opleidingsniveaus: de assistent opleiding, de basisberoepsopleiding, de vakopleiding en de middenkader- of specialistenopleiding. Alle opleidingen bevatten een beroepsopleidende leerweg (beroepspraktijkvorming 20–60%) en een beroepsbegeleidende leerweg (meer dan 60% beroepspraktijkvorming).
Beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg
Binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20% en maximaal 60% van de studieduur is een praktijkdeel. In de bbl opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 60% of meer van de studieduur.
Het onderricht in de praktijk van het beroep.
Zonder effect op het saldo van uitgaven en ontvangsten van de begroting.
Centraal register beroepsopleidingen
Het centraal register beroepsopleidingen (crebo) is een systematische geordende verzameling van gegevens met betrekking tot de opleidingen uit de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs die door de bekostigde en niet-bekostigde instellingen worden verzorgd. Het crebo bevat een overzicht van opleidingen per instelling en registreert voor elke deelkwalificatie welke exameninstellingen de externe legitimering kunnen verzorgen.
Het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Het maakt samen met het schoolexamen deel uit van het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs. Zie eindexamen.
Voor een met succes afgerond vak of deelkwalificatie kan een certificaat worden verkregen. Meerdere certificaten kunnen leiden tot een diploma, ter afsluiting van een volledige opleiding. Certificaten zijn te behalen in het algemeen vormend onderwijs, het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, educatie en beroepsonderwijs (vanaf 1–8-97) en de Open Universiteit. Bij voldoende afsluiten van de opleiding schoolleiders primair onderwijs wordt ook een certificaat behaald.
Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met certificaateenheden. Certificaateenheden hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het nieuwe mbo, dat in augustus 1997 van start is gegaan, worden de certificaateenheden vervangen door deelkwalificaties.
Collegegeld is de verplichte eigen bijdrage van de student. Collegegeld is verschuldigd door de inschrijving als student voor een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool.
Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met deelkwalificaties. Deelkwalificaties hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs.
Bij het met succes afronden van een bepaalde opleiding wordt een diploma verkregen. Dit geldt voor het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), educatie en beroepsonderwijs (na 1-8-97) en voor de deeltijd opleiding tot leraar speciaal onderwijs.
Een doelmatigheidskengetal geeft de kostprijs per activiteit of prestatie aan.
Een doeltreffendheidskengetal geeft de mate aan waarin zich beoogde en niet beoogde effecten van beleid voordoen.
Educatie is gericht op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van volwassenen door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften, mogelijkheden en ervaringen, alsmede bij maatschappelijke behoeften.
Educatie omvat opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid. Educatie is uitsluitend voor volwassenen. Waar mogelijk sluit de educatie aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs.
De eindejaarsmarge is het bedrag dat moet worden gecompenseerd in, respectievelijk mag worden meegenomen naar het volgende begrotingsjaar. Het gaat daarbij om een tekort of overschot (als saldo van de uitgaven en ontvangsten) in het betreffende begrotingsjaar. De eindejaarsmarge bedraagt maximaal 1% van het begrotingstotaal. Op deze wijze kan het ondoelmatig besteden van begrotingsgelden worden beperkt.
Het eindexamen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) bestaat uit twee delen: het schoolexamen en het centraal examen. Het schoolexamen wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Zie ook centraal examen, schoolexamen.
Definitie van de kennis, vaardigheden en competenties die van deelnemers op elk van de kwalificatieniveaus worden verwacht
Eindtoets voor het basisonderwijs, die scholen kunnen gebruiken om hun resultaten te meten en te kunnen vergelijken met andere scholen. Ongeveer 75% van de scholen gebruikt de eindtoets basisonderwijs van het Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito).
Een examen is een afsluiting van een opleiding of een deel van een opleiding. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) zijn voltooid na het examen. De meeste opleidingen in beroepsonderwijs en educatie kunnen worden afgesloten met een examen of een staatsexamen. In het hoger onderwijs kan er aan het eind van het eerste studiejaar een propedeutisch examen zijn. Na vier jaar is er een afsluitend examen. Zie ook centraal examen.
Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de uitgaven, de verplichtingen, de ontvangsten en de voorschotten van het ministerie.
In de financieel beheerbrief geeft het ministerie van Financiën (DAR) op basis van de rapporten van de OCW-accountantsdienst en eigen onderzoeken haar opmerkingen bij het financieel beheer over een bepaald jaar en de ontwikkelingen naar het hierop volgend jaar. Deze brief verschijnt uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop de brief betrekking heeft.
De gemeenten zijn volgens de WEB verplicht om educatie bij roc's in te kopen voor zover de gemeente deze financiert uit het rijksbudget educatie. Deze verplichting is in de WEB opgenomen om enerzijds de gemeenten en de roc's gelegenheid te geven een contractrelatie tussen beide op te bouwen en anderzijds om een doorlopende leerlijn en soepele doorstroming vanuit de educatie naar het mbo te waarborgen.
Het door grootschalige DNA sequentieanalyse in kaart brengen van mensen, dieren, planten en micro-organismen en het grootschalig onderzoek naar de functie van genen en de manier waarop erfelijke eigenschappen zoals vastgelegd in de genen, worden vertaald naar het functioneren van een cel en uiteindelijk het gehele organisme. Ook «high throughput» technologieën zoals proteomics en metabolomics en de bioinformatica, die informatieverwerking en analyse van de zeer grote hoeveelheden complexe data mogelijk maken, vallen onder genomics.
De afgestudeerden van een hoger beroepsopleiding (hbo) of een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs (wo) ontvangen een getuigschrift. Hierop staat vermeld de studierichting en het vak. Indien een lerarenopleiding is gedaan wordt ook de bevoegdheidsgraad vermeld. Bij het hoger beroepsonderwijs worden ook vermeld: voltijd- of deeltijdopleiding, de duur van de opleiding en de titel.
Project waarmee wordt beoogd Nederland een voorsprong te geven in de ontwikkeling en het gebruik van een geavanceerde en innovatieve internettechnologie.
Grote technologische instituten
Hieronder vallen de volgende instellingen: Stichting Waterloopkundig Laboratorium, Stichting Grondmechanica Delft, Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, Stichting Maritiem Research Instituut Nederland en Energiecentrum Nederland (het ECN ontvangt sinds 1983 geen bijdrage meer van OCW).
Het gymnasium is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het gymnasium zijn Grieks en Latijn verplicht. Andere schooltypen in het vwo zijn het atheneum en het lyceum.
Hoger algemeen voortgezet onderwijs
Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Hoger algemeen voorgezet onderwijs duurt vijf jaar voor leerlingen van 12–17 jaar. Het bereidt leerlingen hoofdzakelijk voor op het hoger beroepsonderwijs (hbo).
De bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) duren vier jaar en zijn bestemd voor studenten met een diploma havo, vwo of mbo 4-jarig. Het hbo is georganiseerd in zeven sectoren (Chroho-onderdelen) en wordt gegeven aan 50 hogescholen. Het maakt samen met het wetenschappelijk onderwijs deel uit van het hoger onderwijs.
Het hoger onderwijs omvat het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo).
Inburgering is de eerste fase van integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Hierbij wordt gestreefd nieuwkomers door een vlot en intensief programma zo snel mogelijk een vorm van zelfredzaamheid te laten bereiken. Het inburgeringstraject heeft een welzijns- en educatieve component. De educatieve component is een programma dat kan bestaan uit onderwijs in Nederlands als tweede taal, maatschappelijke oriëntatie en beroepenoriëntatie.
Spaarrekening bestemd voor scholing en opleiding.
In hun ontwikkeling bedreigde kleuters
Onderwijs voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is er afgestemd op de specifieke moeilijkheden die jonge kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Iobk-onderwijs wordt gegeven aan afdelingen, verbonden aan scholen voor speciaal basisonderwijs en is voor kinderen van 3–7 jaar met ontwikkelingsproblemen.
Individueel voorbereidend beroepsonderwijs
Het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo) maakt deel uit van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en is bedoeld voor leerlingen die veel hulp en individuele aandacht nodig hebben. Het ivbo is onderwijs in de eerste fase van het voortgezet onderwijs en duurt vier jaar, voor leerlingen van 12–16 jaar. Met ingang van 1 augustus 1998 is het ivbo veranderd in afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs. Zie ook leerwegondersteunend onderwijs.
Zie beleidsintensivering.
Een nationale keurcollectie van bijzondere gebouwen en complexen uit verschillende tijden. Rijksmonumenten die om verschillende redenen grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding van groot belang is.
Kas-/verplichtingenadministratie
Een administratie waarin de aangegane verplichtingen worden geregistreerd, tezamen met de hieruit voortvloeiende betalingen in het jaar van aangaan en eventuele volgende jaren. Gedane betalingen worden geregistreerd in relatie tot de aangegane verplichtingen, zodat de nog openstaande verplichtingenbedragen kunnen worden vastgesteld.
Een vervroeging of vertraging van de uitgaven over de jaargrens heen.
Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Per bedrijfstak of groep van bedrijfstakken is er een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven (kbb). Het bestuur van een kbb bestaat uit werkgevers en werknemers (bipartiet) of uit vertegenwoordigers werkgevers, werknemers en onderwijsinstellingen (tripartiet).
Een kengetal is een getal dat inzicht geeft in de situatie en/of de ontwikkeling van een beleids- of productieproces.
Kwalificatieniveau beroepsonderwijs
Binnen het middelbaar beroepsonderwijs bestaan 4 kwalificatieniveaus. Aan elk niveau is een opleiding verbonden. De niveaus zijn:
| Niveau | Opleiding | Duur |
|---|---|---|
| 1 Eenvoudige uitvoerende werkzaamheden | Assistent opleiding | 0,5–1 jaar |
| 2 Uitvoerende werkzaamheden | Basisberoepsopleiding | 2–3 jaar |
| 3 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamheden | Vakopleiding | 2–4 jaar |
| 4 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamheden met brede inzetbaarheid dan wel specialisatie | MiddenkaderopleidingSpecialistenopleiding | 3–4 jaar1–2 jaar |
Binnen de educatie zijn zes kwalificatieniveaus, die worden aangeboden via 4 soorten opleidingen: de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) I en II, en de opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren en gericht op sociale redzaamheid (basiseducatie).
Toename van het aantal gediplomeerden in de beroepskolom (vo, mbo, hbo) als gevolg van vermindering van de ongediplomeerde uitval en verbetering van de doorstroom naar de hogere opleidingsniveaus in het beroepsonderwijs.
Het KwaliteitsCentrum Examinering (KCE) is een instantie die – met ingang van de inwerkingtreding van de beoogde nieuwe examensystematiek beroepsonderwijs – belast is met het toezicht op de examens mbo aan de hand van de standaarden voor de examenkwaliteit.
Het in het hoger beroepsonderwijs aanstellen van lectoren/instellen van kenniskringen ter versterking van de kenniseconomie.
Leer- en opvoedingsmoeilijkheden
Onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.
Leerwegen: beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg
Binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20% en maximaal 60% van de studieduur is een praktijkdeel. In de bbl opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 60% of meer van de studieduur.
Leerwegondersteunend onderwijs
Afdeling binnen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) voor leerlingen die moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, en meer individuele begeleiding nodig hebben dan in het gewone vmbo (gericht op het verwerven van een diploma).
Liquiditeit is een maatstaf voor de mate waarin de instelling op korte termijn aan zijn schulden kan voldoen, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal als resultaat van de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden. Voor de beoordeling van de liquiditeitspositie van een instelling worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een liquiditeitsratio van meer dan 1,2 is goed, tussen 0,6 en/of gelijk aan 1,2 is matig/voldoende en 0,6 of lager is slecht.
Middelen die nodig zijn om de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van loonstijgingen te financieren.
Het lyceum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het lyceum zijn Grieks en Latijn keuzevakken. Andere schooltypen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zijn het atheneum en het gymnasium.
Lagere begrotingsuitgaven of hogere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.
Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) behoort tot de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Onderwijs in het mbo duurt vier jaar en is voor leerlingen van 16–20 jaar. Er worden zowel algemene als beroepsgerichte vakken gegeven. In het mbo stromen leerlingen door naar een baan of naar het hoger beroepsonderwijs (hbo). In augustus 1997 is het mbo opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.
De middenkaderopleiding duurt drie tot vier jaar en leidt op tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), drie jaar hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar.
Onderwijs voor moeilijk lerende kinderen is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.
Een door het ministerie ingediende verandering op een wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer in behandeling is.
Beleidsmatige verlaging van de begroting.
De onderwijs- en examenregeling is het document waarin de belangrijkste kenmerken van de opleiding waaronder inhoud en inrichting, de studieduur voor een groep of groepen van deelnemers en de toetsing en examinering, worden vastgelegd door het bevoegd gezag van de instelling. Ook wordt in de onderwijsen examenregeling vastgelegd welke opleidingstrajecten voldoen aan de eisen van de Wet studiefinanciering (WSF) of de eisen voor tegemoetkoming van de studiekosten voor studerenden tot 18 jaar.
Aan het einde van de basisschool krijgen de leerlingen geen getuigschrift of diploma, maar een onderwijskundig rapport over de schoolvorderingen en leermogelijkheden. Dit rapport wordt opgesteld door de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school voor voortgezet onderwijs. Een afschrift van het rapport wordt aan de ouders van de leerlingen verstrekt. De minister van onderwijs, cultuur en wetenschap kan nadere voorschriften over dit rapport geven.
De onderwijsovereenkomst is de overeenkomst tussen deelnemer en bevoegd gezag die ten grondslag ligt aan de inschrijving. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen tussen instelling en deelnemer.
In de overeenkomst worden per deelnemer zaken zoals de inhoud van het onderwijs, de examens en de studiebegeleiding overeengekomen.
Begrotingswetsvoorstel dat (ter autorisatie) bij de Staten-Generaal wordt ingediend op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
De Open Universiteit is een instelling voor afstandsonderwijs, die opleidingen biedt op het niveau van het wetenschappelijk onderwijs, voor personen van 18 jaar en ouder. De Open Universiteit is vooral gericht op personen die geen studie op de gebruikelijke manier kunnen of willen volgen.
Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren
Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren maken deel uit van de educatie en zijn gericht op het eindniveau van de eerste fase van het voorgezet onderwijs (basisvorming). De opleidingen zijn bedoeld als voorbereiding op een voortgezette opleiding, bijvoorbeeld in het beroepsonderwijs. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.
Opleidingen gericht op sociale redzaamheid
Opleidingen gericht op sociale redzaamheid maken deel uit van de educatie, en richten zich op een niveau van minimale redzaamheid op het gebied van taal, rekenen en sociale vaardigheden. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.
Opleidingen Nederlands als tweede taal
Opleidingen Nederlands als tweede taal maken deel uit van de educatie, en zijn bedoeld voor niet-Nederlanders om hun taalvaardigheid op een aanvaardbaar niveau te brengen. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.
Een verschuiving van begrotingsuitgaven tussen de artikelen van het ministerie of een verschuiving van begrotingsuitgaven naar of van een ander departement.
Pedagogische academie basisonderwijs
Een pedagogische academie basisonderwijs verzorgt de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en valt onder het hoger beroepsonderwijs (hbo). Zowel de voltijdopleidingen als de deeltijdopleidingen duren vier jaar. De praktische studieduur bij de deeltijdopleiding verschilt, afhankelijk van de vooropleiding. Het getuigschrift geeft een volledige bevoegdheid om les te geven aan de basisschool in alle vakken en alle leeftijdsgroepen (4 tot 12 jaar).
Afdeling binnen het vmbo voor leerlingen die veel moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, extra individuele begeleiding nodig hebben, maar niet in staat worden geacht een diploma voor vervolgonderwijs te behalen.
Dit is de overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs. Deze term wordt gebruikt sinds de invoering van de Wet op het primair onderwijs in augustus 1998. Zie ook basisonderwijs en speciaal basisonderwijs.
Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van de prijsstijgingen.
Resultaten van de begrotingsuitvoering in termen van uitgaven, verplichtingen en ontvangsten. Ook de prestatiegegevens die in een bepaald begrotingsjaar zijn geleverd, worden aangeduid als realisaties.
Rentabiliteit geeft de mate van winstgevendheid aan, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal door het resultaat te delen op baten uit gewone bedrijfsvoering. Het bedrijfsresultaat is lastiger te normeren. Idealiter en gemeten over een lange periode zou dit nul moeten zijn. Het is immers niet direct de bedoeling dat instellingen structureel winst of verlies boeken. Voor de beoordeling van dit kengetal worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een ratio van meer dan 1% is goed, tussen – 1% en/of gelijk aan 1% is matig/voldoende en – 1% of lager is slecht.
Een scholengemeenschap bevat meerdere schooltypen voor voortgezet onderwijs die samenwerken.
Het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) bestaat uit twee delen: het schoolonderzoek en het centraal examen. Het schoolonderzoek wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Vanaf augustus 1998 is de term schoolonderzoek vervangen door de term schoolexamen. Zie ook centraal examen, eindexamen.
Solvabiliteit (exclusief voorzieningen)
Solvabiliteit is een maatstaf die aangeeft of de instelling op langere termijn (bij liquidatie) in staat zal zijn haar schulden te voldoen. Dit verhoudingsgetal wordt verkregen door het eigen vermogen te delen op het totaal vermogen, waarbij voor de analyse de volgende normering en kwalificatie worden gehanteerd. Een solvabiliteit van meer dan 30% is goed, tussen 10 en/of gelijk aan 30% is matig/voldoende en 10% of lager wordt als slecht gekwalificeerd.
Dit is sinds augustus 1998 de verzamelterm voor bepaalde vormen van speciaal onderwijs, namelijk scholen voor lom, mlk en iobk. Het speciaal basisonderwijs vormt samen met het basisonderwijs het primair onderwijs.
Het speciaal onderwijs (so) is voor leerlingen vanaf 3 à 4 jaar tot circa 12 jaar. Het voortgezet speciaal onderwijs (vso) is voor leerlingen van 12 tot maximaal 20 jaar. Speciaal onderwijs wordt gegeven aan aparte scholen. Scholen voor speciaal onderwijs zijn afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen kunnen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Zie ook speciaal basisonderwijs.
De specialistenopleiding duurt één tot twee jaar en leidt tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Om een specialistenopleiding te kunnen volgen is een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep op beroepencategorie vereist. Zie ook beroepsonderwijs.
Een startkwalificatie is ten minste het diploma niveau 2 middelbaar beroepsonderwijs of een diploma voor havo/vwo.
De tweede fase van scholen voor voortgezet onderwijs (leerjaren 4–5 van het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en leerjaren 4–6 van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo)) zullen zich tot een studiehuis ontwikkelen. Dit houdt in dat leerlingen in toenemende mate hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren. De rol van de docent zal verschuiven van lesgeven naar begeleiden.
Hogere begrotingsuitgaven of lagere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.
De Bve Raad heeft, als gevolg van het plan van aanpak optimalisering en verantwoording opleidingsprogramma's, een model ontwikkeld waarmee de onderwijsintensiteit inzichtelijk wordt gemaakt Dit model staat bekend onder de naam Model Transparante Onderwijsprogrammering.
Uitgaven OCW voor een onderwijssector
Het totaal van de uitgaven OCW (zie hieronder) voor onderwijs voor een (deel-)onderwijssector, voor zover dat bedoeld is voor de instandhouding en exploitatie van het onderwijsstelsel voor de betreffende onderwijsdeelnemers.
De vakopleiding duurt twee tot vier jaar en leidt op tot niveau drie van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) of drie jaar hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar. Zie ook beroepsonderwijs.
Een proces om te komen tot een duidelijke koppeling tussen beleid, prestaties en geld, met als belangrijkste doel vergroting van de informatiewaarde en toegankelijkheid van de begroting en het jaarverslag.
Impuls binnen het onderzoek en wetenschapsbeleid, die erop gericht is creatieve en kwalitatief goede jonge onderzoekers ruimte te bieden en daarmee voor een carrière in de wetenschap te behouden.
De volwasseneneducatie richt zich op het opleiden van cursisten voor een zelfstandige positie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Tot de volwasseneneducatie worden gerekend: het vormings- en ontwikkelingswerk, de basiseducatie, het onderwijs aan de erkende onderwijsinstellingen en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).
Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) is op 1 augustus 1999 ingevoerd, en bestaat uit de schoolsoorten vbo en mavo met vier leerwegen.
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). De opleiding duurt zes jaar, voor leerlingen van 12–18 jaar, en bereidt leerlingen voor op de universiteit.
Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) is één vorm van voortgezet onderwijs voor volwassenen. Het wordt gegeven aan avondscholen of dag-/avondscholen. Dag-/avondscholen is onderwijs dat volgens de wet avondonderwijs is, maar dat overdag gegeven wordt. In augustus 1997 is het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.
Het voorgezet onderwijs omvat het onderwijs dat wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal onderwijs, voor leerlingen vanaf 12 jaar. Het bestaat uit het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Vmbo duurt vier jaar, havo vijf jaar en vwo zes jaar.
Jongeren tot 23 jaar die geen onderwijs volgen en die geen startkwalificatie hebben. Een startkwalificatie is ten minste het diploma niveau 2 van het middelbaar beroepsonderwijs of het diploma havo.
Het wetenschappelijk onderwijs omvat zowel diepgaande theoretische studies als specialistische training voor beroepen. De meeste opleidingen duren vier jaar. Er zijn echter beroepen waarvoor een langere opleiding noodzakelijk is. Het wetenschappelijk onderwijs is voor studenten vanaf ongeveer 18 jaar en wordt gegeven aan 13 universiteiten. Toelating tot het wetenschappelijk onderwijs is mogelijk na het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs vormen samen het hoger onderwijs.
Als leerlingen door een regionale verwijzingscommissie worden geïndiceerd komt een school met licentie in aanmerking voor een extra vergoeding ten behoeve van leerweg ondersteunend onderwijs (lwoo).
Op scholen waar ivbo werd gegeven mocht daarna ook in de bovenbouw in alle richtingen ivbo worden gegeven.
Registratie van uitstroom en bestemming schoolverlaters, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, juli 2003.
Kijktijdaandeel is het percentage van het totale aantal mensen dat op dat moment televisie kijkt.
Bereik is het gemiddelde percentage van de bevolking dat minimal een kwartier per week op een zender afstemt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29540-16.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.