29 540
Jaarverslagen over het jaar 2003

nr. 16
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP (VIII)

Aangeboden 19 mei 2004

Ontvangsten OCW 2003

kst-29540-16-1.gif

Uitgaven OCW 2003

kst-29540-16-2.gif

INHOUDSOPGAVE

AALGEMEEN 
 Voorwoord6
 Dechargeverlening7
 Leeswijzer10
    
B.HET BELEIDSVERSLAG 
 Beleidsprioriteiten12
 De beleidsartikelen 
 1.Basisonderwijs41
 2.Expertisecentra41
 3.Voortgezet onderwijs79
 4.Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie111
 Overzichtsconstructie beroepskolom 
 5.Technocentra138
 6.Hoger beroepsonderwijs141
 7.Wetenschappelijk onderwijs156
 8.Internationaal onderwijsbeleid169
 Overzichtsconstructie internationaal beleid170
 9.Onderwijspersoneel186
 Overzichtsconstructie onderwijspersoneel190
 10.Informatie- en communicatietechnologie213
 11.Studiefinanciering230
 12.Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten238
 13.Lesgelden242
 14.Cultuur244
 15.Media264
 16.Onderzoek en wetenschappen273
 De niet-beleidsartikelen 
 17.Nominaal en onvoorzien301
 18.-23Apparaatskosten304
 Bedrijfsvoeringsparagraaf306
    
C.JAARREKENING 
 Verantwoordingsstaten 
 Verantwoordingsstaat van het ministerie van OCenW312
 Verantwoordingsstaat van de agentschappen313
 Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten 
 Budgettaire gevolgen van beleid314
 Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet-en regelgeving330
 Toelichting bij de agentschappen 
 Centrale Financiën Instellingen (CFI)333
 Rijksarchiefdienst (RAD)342
    
BIJLAGEN
1.Verdiepingsbijlage361
2.Saldibalans373
3.Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer382
4.Afkortingen389
5.Trefwoorden397
6.Begrippen401

VOORWOORD

Sinds de invoering van VBTB, of voluit «Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording» is veel ervaring opgedaan met het vooraf benadrukken van de gewenste resultaten van beleid en het achteraf verantwoorden of die gewenste resultaten ook zijn gerealiseerd. In het vorige jaarverslag is een verantwoordingssystematiek gekozen waarbij consequent antwoord is gegeven op drie vragen: Hebben we bereikt wat we wilden bereiken? Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen? Heeft het gekost wat het mocht kosten? Deze consequente aanpak is goed ontvangen. Zo wordt deze aanpak in het juryverslag van de F.C. Kordes-trofee beloond met een best practice. Voor het ministerie was dit reden om op deze weg verder te gaan en om nog concreter weer te geven welke resultaten zijn geboekt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap decharge te verlenen over het in het jaar 2003 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

d. de departementale saldibalans;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. Het financieel jaarverslag van het Rijk over 2003; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

b. De slotwet van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaar 2003; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2003 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het financieel jaarverslag van het Rijk over 2003 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2003, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2003 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 84, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001). Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

mede namens

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

A. D. S. M. Nijs, MBA

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. C. van der Laan

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van ........(datum).

De Voorzitter van Tweede Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van .......(datum).

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Het departementaal jaarverslag 2003 bestaat uit de volgende onderdelen:

A. Een algemeen deel

B. Het beleidsverslag

C. De jaarrekening

D. Bijlagen

A. Het algemeen deel bevat het voorwoord, de dechargeverlening en deze leeswijzer.

B. Het beleidsverslag kent de volgende elementen:

1. Terugblik beleidsprioriteiten

2. De beleidsartikelen

3. De niet-beleidsartikelen

4. Overzichtsconstructies

5. Bedrijfsvoeringparagraaf

1. Terugblik beleidsprioriteiten

In dit onderdeel worden de resultaten belicht van de beleidsprioriteiten die voor het jaar 2003 waren gesteld. Het betreft zowel de prioriteiten uit de begroting als uit de suppletore begrotingswetten.

2. De beleidsartikelen

In dit onderdeel worden de doelen die destijds zijn gesteld in herinnering geroepen en wordt systematisch antwoord gegeven op de vragen

• Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

• Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

• Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Hierbij is beoogd een zo transparant en logisch mogelijk geheel te maken. Hierdoor zijn er hier en daar wat afwijkingen ten opzichte van de begroting 2003, waar transparantie en logische opbouw aandachtspunten waren.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid is aangesloten bij de opstelling van de tabel budgettaire gevolgen van beleid in de begroting 2003. Destijds is in overleg met het ministerie van Financiën op enkele plekken afgeweken van de rijksbegrotingvoorschriften. Die afwijking komt hier daarom terug.

Waar relevant is een overzicht gegeven van de informatie die de Kamer in 2003 over het betreffende onderwerp heeft ontvangen.

3. De niet-beleidsartikelen

In de begroting 2003 waren de apparaatuitgaven nog niet toegerekend aan de beleidsartikelen. In dit jaarverslag is dat vanzelfsprekend ook niet gedaan. Vanaf de begroting 2004 worden de apparaatuitgaven op de beleidsartikelen verantwoord.

4. Overzichtsconstructies

Net als in de begroting 2003 zijn de volgende overzichtsconstructies opgenomen:

• Beroepskolom

• Internationaal beleid

• Onderwijspersoneel

Om doublures in de tekst te voorkomen wordt op de beleidsartikelen vaak verwezen naar de overzichtsconstructies voor een toelichting op bepaalde aspecten. Dit leidt er toe dat toelichtingen in dit jaarverslag niet altijd op dezelfde plek staan als in de begroting 2003. De overzichtsconstructies zijn opgenomen na de beleidsartikelen waaraan ze gerelateerd zijn (dus overzichtsconstructie beroepskolom na het beleidsartikel beroepsonderwijs en volwasseneneducatie).

5. Bedrijfsvoeringparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties.

C. De jaarrekening bevat de verantwoordingsstaten en een toelichting op de verantwoordingsstaten per beleidsartikel. Voor de tabellen budgettaire gevolgen van beleid geldt wat is opgemerkt bij de beleidsartikelen in het beleidsverslag.

Tevens bevat de jaarrekening de verantwoording van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen (CFI) en de Rijksarchiefdienst (RAD).

D. De volgende bijlagen zijn opgenomen:

• Verdiepingsbijlage

• Saldibalans

• Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer

• Afkortingen

• Trefwoorden

• Begrippen

BELEIDSPRIORITEITEN

1. Inleiding

In de beleidsagenda 2003 staat de burger centraal. Leerlingen, studenten en andere onderwijsdeelnemers, maar ook hun ouders, het onderwijspersoneel, onderzoekers en kunstenaars: allemaal hebben ze te maken met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Uitgangspunt van het beleid was in 2003 dan ook dat ieder de verantwoordelijkheid moet krijgen die hem toekomt, dat ieder die verantwoordelijkheid daadwerkelijk neemt, en uiteindelijk verantwoording aflegt over zijn inzet en het bereikte resultaat.

Ondanks de demissionaire status van het kabinet in de eerste helft van het jaar, heeft OCW zich in 2003 ingespannen om dit uitgangspunt gestalte te geven in het beleid, zodat de mensen in en om de instellingen in het onderwijs, de cultuur en de wetenschap meer ruimte krijgen om hun werk te doen. Zij zijn immers de echte professionals.

Vanuit een gezamenlijke en gedeelde verantwoordelijkheid met burgers en instellingen, heeft de overheid in 2003 geïnvesteerd in beter onderwijs, gericht op de uitdagingen van de kennissamenleving. In juli zijn daarnaast in de zogenaamde «Uitgangspuntenbrief» de contouren geschetst voor een nieuwe cultuurnotaprocedure, waarin de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen centraal staat. Deze contouren zijn verder uitgewerkt in «Meer dan de som», de beleidsbrief Cultuur 2004–2007 die in november 2003 aan de Tweede Kamer is gestuurd. Ten slotte heeft OCW eind 2003 het Wetenschapsbudget 2004 gelanceerd, met maatregelen om de Nederlandse kennispositie en het innovatieve vermogen van bedrijven te versterken.

Deze en andere ontwikkelingen op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschap hebben in 2003 bijgedragen aan de discussie over de rol en verantwoordelijkheden van het departement. OCW heeft daarin een duidelijke positie ingenomen: het stelt de kaders die de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs, de cultuur en de wetenschappen waarborgen. Met andere woorden: het ministerie zorgt ervoor dat leerlingen, studenten en andere onderwijsdeelnemers optimaal kunnen leren en studeren, maar ook dat leraren, wetenschappers, kunstenaars, bestuurders en toezichthouders zoals de Inspectie van het Onderwijs zo goed mogelijk hun werk kunnen doen.

Centraal in het beleid voor OCW stonden in 2003 de volgende prioriteiten:

• autonomie, deregulering en rekenschap;

• aantrekkelijk lerarenberoep;

• sterke beroepskolom;

• moderne voorzieningen;

• doorlopende leerwegen.

Dit jaarverslag is niet alleen een middel om het beleid te verantwoorden maar ook om te laten zien dat OCW wil luisteren en open de discussie met de Kamer en samenleving aan wil gaan. In paragraaf 2 blikken we in algemene zin terug op het jaar 2003. Leidraad daarbij zijn de beleidsprioriteiten, conform de begroting 2003. Paragraaf 3 beschrijft de voortgang op het gebied van twee moties op de Regeringsverklaring 2003, over de kenniseconomie en over cultuur. Paragraaf 4 gaat in op het beleidsprogramma uit de begroting 2003. De oorspronkelijke tabellen met beleidsvoornemens zijn voorzien van een toelichting waarin wordt verantwoord hoe deze voornemens in 2003 zijn aangepakt.

2. Prioriteiten 2003

Autonomie, deregulering en rekenschap

Het motto voor het beleid van autonomie, deregulering en rekenschap in 2003 was: «minder regels, meer onderwijs, cultuur en wetenschap». OCW wil de verantwoordelijkheden dáár leggen waar ze het beste waargemaakt kunnen worden.

Leraren, schoolleiders en leerlingen maken samen het onderwijs en krijgen daarvoor de ruimte. Zij worden intensief betrokken bij de beleidsplannen voor de komende jaren, die in 2004 verschijnen als Koers PO, Koers VO en Koers BVE.

In «Meer dan de som», de beleidsbrief cultuur die in november 2003 naar de Tweede Kamer is gestuurd, is minder bureaucratie en meer eigen verantwoordelijkheid een van de drie prioriteiten.

Het «Wetenschapsbudget 2004» dat eind 2003 verscheen, vergroot de ruimte voor wetenschappelijke instellingen en onderzoekers om de best mogelijke keuzes te maken, ongehinderd door bemoeizuchtige en belastende bureaucratie.

In het primair en voortgezet ondertwijs is in 2003 het traject in gang gezet dat moet uitmonden in de documenten Koers PO en Koers VO. Deze zullen «de school van morgen» beschrijven, en bevatten een visie op en een beleidsprogramma voor de toekomst van het primair en voortgezet onderwijs. Zowel in Koers PO als in Koers VO is deregulering een belangrijk instrument om de creativiteit en professionaliteit van het onderwijspersoneel te benutten, zodat het «onderwijs op maat» kan verzorgen voor leerlingen. In het primair onderwijs is de lumpsumbekostiging, die naar verwachting in 2006 wordt ingevoerd, een concreet voorbeeld van deregulering.

In het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie is onder meer gewerkt aan het vereenvoudigen en flexibiliseren van de kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod. Op 1 oktober 2003 hebben de betrokken partijen, Colo en Bve Raad en Paepon, een convenant getekend over hun onderlinge samenwerking en rolverdeling bij de ontwikkeling van de kwalificatiestructuur. Het einddoel is het aantal kwalificaties in 2007 substantieel te verminderen.

In het hoger onderwijs is in 2003 langs verschillende sporen gewerkt aan autonomievergroting en deregulering. Zo bevat de kabinetsnota «Ruim baan voor talent», die in december 2003 is verstuurd naar de Tweede Kamer, voorstellen om te experimenteren met selectie en collegegelddifferentiatie. Verder is de opleidingscapaciteit aan medische faculteiten stapsgewijs verder vergroot en is per september 2003 het eerste cohort van 50 studenten begonnen aan de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente.

In juli 2003 heeft de staatssecretaris Cultuur haar uitgangspuntenbrief voor de nieuwe cultuurnota verzonden aan de Kamer. In «Meer dan de som», de beleidsbrief cultuur 2004–2007, zijn deze uitgangspunten verder uitgewerkt. Een van deze uitgangspunten is het streven naar meer eigen verantwoordelijkheid (autonomie) en minder regels (deregulering) in de cultuursector, en in het bijzonder naar vereenvoudiging van de regelgeving rond de cultuurnota.

In december zijn de aanvragen volgens de vereenvoudigde eisen ontvangen; daarbij bestond voor het eerst de mogelijkheid om ook digitaal aanvragen in te dienen. Ook de subsidiebeschikkingen, de verantwoordingseisen en het toezicht zullen worden vereenvoudigd.

In het onderzoeksbestel is de bureaucratie voor onderzoekers en instellingen verder aangepakt. Het uitgangspunt daarbij was «zelfregulering gekoppeld aan een sterker geaccentueerde verantwoording». Het Wetenschapsbudget dat eind 2003 aan de Kamer is gestuurd, beschrijft in dat kader de zogenaamde «rekenschapsconvenanten» die OCW heeft afgesloten met onderzoeksinstituten NWO, TNO, KNAW en de KB, met onder meer afspraken over het gebruik van prestatie-indicatoren. Daarmee kunnen de instellingen laten zien hoe zij hun geld hebben uitgegeven, terwijl de administratieve lasten tot een minimum worden beperkt.

Om de administratieve lasten voor onderwijsinstellingen en instellingen in de cultuur en de wetenschap verder terug te dringen, heeft OCW in 2003 een nulmeting opgezet. Deze brengt ook de informatielasten in kaart die ándere partijen dan OCW veroorzaken. De uitkomsten van de nulmetingen worden gebruikt om de regeldruk voor scholen en instellingen actief en substantieel terug te dringen. Verder heeft OCW in 2003 minder circulaires verspreid dan het jaar daarvoor. Vooral in het primair en voortgezet onderwijs is het aantal circulaires drastisch afgenomen: van 102 in 2002 tot 75 in 2003.

Voor de culturele sector heeft het ministerie in 2003 verder vorm en inhoud gegeven aan het begrip «cultural governance»: goed, verantwoord en transparant bestuur en toezicht in de culturele sector. Zo zijn in opdracht van het ministerie een website en een handleiding ontwikkeld voor cultural governance. Verder heeft het ministerie de cultuurinstellingen meegedeeld dat zij vanaf 2004 bij een subsidieaanvraag onderworpen kunnen worden aan een bedrijfsmatigheidstoets.

Naast het traject waarin OCW de regeldruk voor scholen en instellingen aanpakt, heeft OCW in 2003 nog twee andere dereguleringstrajecten opgezet. Doel van deze trajecten is om in de kabinetsperiode 2004–2007 de administratieve lasten voor bedrijven en burgers met een kwart terug te dringen ten opzichte van 31 december 2002. Deze trajecten vloeien voort uit een gelijkluidende afspraak in het Hoofdlijnenakkoord

In 2003 is een begin gemaakt met de aanpak van de versnippering en verkokering in het jeugdbeleid. De Operatie Jong heeft als doel de verkokering te doorbreken, zodat er een sluitend netwerk ontstaat van voorzieningen rond de school, zoals jeugdzorg, welzijnswerk, politie en justitie.

Verder is er in het jeugdbeleid veel aandacht besteed aan de bevordering van veiligheid op scholen. Het Transferpunt Jongeren, school en veiligheid, dat gericht is op informatievoorziening, deskundigheidsbevordering en ondersteuning van scholen, speelde daarbij een belangrijke rol. Ook de Inspectie van het Onderwijs heeft in 2003 het toezicht op veiligheid aangescherpt door dit onderwerp expliciet in het toezichtskader op te nemen. Op 8 oktober heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen over veiligheid in het primair en voortgezet onderwijs en in december 2003 is veiligheid in het onderwijs besproken tijdens een algemeen overleg. In vervolg daarop wordt een plan van aanpak «Veiligheid op scholen en opvang van risicoleerlingen» uitgewerkt, dat in 2004 naar de Kamer wordt gestuurd.

Nu scholen meer en meer ruimte krijgen om hun eigen beleid te ontwikkelen en uit te voeren, verandert het toezicht. Er wordt van hen verwacht dat zij aan de ouders, de samenleving en aan de overheid verantwoording afleggen over de wijze waarop zij van hun ruimte gebruik maken, over de resultaten die ze halen en over de uitgaven die ze daarvoor hebben gedaan.

De Inspectie voor het Onderwijs heeft een centrale rol bij de verantwoording. De Inspectie heeft in 2003 met het aannemen van de Wet op het onderwijstoezicht mogelijkheden gekregen die passen bij de veranderde verhoudingen. Proportioneel toezicht en stimulerend toezicht op de kwaliteitszorg van de instellingen zijn daar voorbeelden van. Proportioneel toezicht houdt in dat het toezicht de instellingen niet méér belast dan nodig is. Stimulerend toezicht ontstaat als de inspectie haar bevindingen over de kwaliteit van een instelling rapporteert aan deze instelling en de omgeving daarvan.

In 2003 heeft OCW verder gewerkt aan het Actieplan Rekenschap. Dit actieplan is in maart 2003 aangeboden aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de rapporten «Ruimte voor rekenschap» en «Onregelmatigheden in de bekostiging (hoger) onderwijs» van de Algemene Rekenkamer. Eind september 2003 heeft de Tweede Kamer de eerste halfjaarlijkse rapportage ontvangen, met een nadere uitwerking van de nieuwe besturingsfilosofie – deregulering, autonomievergroting en rekenschap. De rapportage gaat ook in op de eerste bekostigingsoverleggen in de sectoren wo, hbo en bve over de juiste interpretatie van wet- en regelgeving. De neerslag daarvan – de notities «Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie» en «Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs» – is als bijlage meegezonden met de rapportage.

Het toezicht is verbeterd: het is méér op risico's gericht, de audits zijn versterkt en de accountantsdienst verricht een tweejaarlijks onderzoek bij de instellingen. Ten slotte is ook de kwaliteit van regelgeving voor handhaafbaarheid en naleefbaarheid verbeterd. Zo is er bijvoorbeeld een handhaafbaarheidstoets ontwikkeld.

Een aantrekkelijk lerarenberoep

Het kabinet en de onderwijssector hebben zich in 2003 ingespannen voor voldoende personeel in de school. Meer mensen moeten meedoen in het onderwijs, en meer mensen moeten – op meer verschillende manieren – worden opgeleid voor het lerarenberoep. Zo is er een begin gemaakt met de uitvoering van het convenant dat OCW eind 2002 heeft gesloten met het Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt, over onder meer zij-instromers, onderwijsassistenten, leraren-in-opleiding en herintreders. De subsidieregelingen voor leraren-in-opleiding in het primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector zijn met één jaar verlengd.

In de bve-sector richt men zich op een bredere groep potentiële docenten – een groep die zich al werkend kwalificeert. In 2003 hebben 589 mensen hun duale opleidingstrajecten afgerond. In het hoger beroepsonderwijs wordt het convenant lerarenopleidingen vo/bve uitgevoerd om het lerarenaanbod te verruimen en beter aan te laten sluiten op de vraag. Tegelijkertijd worden er meer middelen vrijgemaakt voor stageplekken. Ook de instroom in universitaire lerarenopleidingen is in 2003 weer toegenomen, hoewel langzamer dan verwacht. Verder is beleid ingezet om uitval van het bestaande personeel te verminderen. Zo is in het basisonderwijs en in het speciaal en voortgezet onderwijs het verzuimpercentage in 2003 verder teruggedrongen.

In de meeste sectoren in het onderwijs zijn de contractlonen in 2003 met 2,4 à 2,5% gestegen. Dat is een marktconforme loonontwikkeling, binnen de kaders van het Najaarsakkoord voor 2003. Deze ontwikkeling bestendigt de positie van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Verder heeft het kabinet in 2003 extra geld uitgetrokken voor verbetering van de lerarensalarissen. Daarnaast moet elke sector een eigen invulling kunnen geven aan de arbeidsvoorwaarden, om maatwerk te leveren en afspraken beter af te stemmen op de behoefte van de sector. Daarom moeten de partijen bij voorkeur zelf onderhandelen over arbeidsvoorwaarden.

In het hoger onderwijs is de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden geëvalueerd. Daarbij zijn zowel de inhoudelijke als de financiële aspecten van het convenant uit 1999 aan de orde gekomen. Over het geheel genomen zijn alle partijen tevreden met de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden. In de bve-sector is men vanaf 2003 zelf verantwoordelijk voor de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en daar is dan ook voor het eerst een cao afgesloten. Het primair en voortgezet onderwijs hebben een start gemaakt met de decentralisatie van arbeidsvoorwaarden.

Een sterke beroepskolom

Zestig procent van alle jongeren volgde in 2003 een opleiding in de «beroepskolom» – de route van vmbo via mbo naar hbo. In de beroepskolom staat de loopbaan van de leerling centraal. Dit impliceert meer doorlopende leerwegen, maar ook meer maatwerk: flexibele programma's en flexibele overgangen tussen werken en leren, zowel tijdens als na een initiële opleiding. Het plan van aanpak jeugdwerkloosheid dat in de zomer van 2003 is verschenen, kondigt een aantal concrete activiteiten aan die de doorstroom van vmbo naar mbo moeten verbeteren.

In 2002 is het Platform Beroepsonderwijs opgericht, onder andere om de beroepskolom extern onder de aandacht te brengen en om betere randvoorwaarden te scheppen voor de aansluiting van de onderwijssoorten binnen de beroepskolom. In 2003 heeft het platform zich vooral gericht op het vmbo in relatie tot het mbo en het bedrijfsleven. Zo heeft het platform regioportretten ontwikkeld om inzicht te verkrijgen in de stand van zaken van de regionale en sectorale samenwerking. Ook werkt het platform hard aan de verbetering van het imago van het beroepsonderwijs.

In mei 2003 heeft OCW een convenant afgesloten met het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid over de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven, onderwijs in de praktijk en in het bijzonder over de innovatiearrangementen. Voor de subsidiëring van innovatieprojecten is € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Instellingen en bedrijfsleven hebben vervolgens 64 projectvoorstellen ingediend, waarvan er 21 zijn gehonoreerd.

Moderne voorzieningen

Modern onderwijs heeft moderne en eigentijdse voorzieningen nodig. Het kabinet investeert al geruime tijd in informatie- en communicatietechnologie (ict) op en rond de scholen. Het uitgangspunt daarbij is dat de integratie van ict in het onderwijs een zaak is van de scholen zelf. De minister zorgt voor het stelsel en voor voldoende middelen; de scholen spannen zich in om hun verantwoordelijkheid waar te maken en bepalen zelf hoe zij ict inzetten.

Tot eind 2003 waren ongeveer 10 800 locaties aangesloten op het internet. Het centrale contract voor internetaansluiting voor alle scholen in po, vo en bve is per 1 januari 2004 beëindigd. Vanaf 2004 kunnen scholen zelf kiezen hoe zij hun internetvoorziening regelen; dat past bij de OCW-prioriteit deregulering en autonomievergroting. De stichtingen Kennisnet en ICT op School begeleiden deze overgang. Zo is onder meer met de huidige leverancier een afrondingsovereenkomst ondertekend, waarbij scholen een overgangscontract kunnen afsluiten ter overbrugging van de migratieperiode naar een andere internetleverancier.

Informatie- en communicatietechnologie heeft in 2003 ook bijgedragen aan de professionalisering van docenten, vooral via het amendement Bonke. Meer dan 1000 leraren hebben via 2200 kleinschalige ict-projecten («Grassroots») positieve ervaringen opgedaan. Verder zijn voor docenten instrumenten en voorbeelden van werkwijzen ontwikkeld.

Doorlopende leerwegen

Het kabinet staat voor de uitdaging om vanuit vaste kaders voor kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid, maximale vernieuwing te stimuleren. Vernieuwing binnen het onderwijs, maar ook tussen het onderwijs en de vele beleidsterreinen die aan het onderwijs grenzen. De term «doorlopende leerwegen» heeft zowel betrekking op de grenzen binnen het onderwijs als op de grenzen tussen onderwijs en andere terreinen.

Het ministerie van OCW is sinds november 2003 coördinerend departement voor leven lang leren. Doelstelling van het beleid voor leven lang leren is het opleidingsniveau van de Nederlandse (beroeps)bevolking te verhogen, om (toekomstige) knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen en om vorm te geven aan de kennissamenleving.

In 2003 heeft OCW onder meer gewerkt aan de kabinetsreactie op het advies van de Sociaal Economische Raad «Het nieuwe leren: advies op een leven lang leren in de kenniseconomie». De reactie is met enige vertraging op 16 januari 2004 aan de Tweede Kamer gezonden. Het kabinet kondigt daarin de oprichting aan van het Platform Leven Lang Leren, dat onder meer de volgende onderwerpen agendeert:

1. Het bezien van de effectiviteit van het huidige scholingsinstrumentarium;

2. het vergroten van de transparantie van het scholingsaanbod;

3. de uitwerking van het deltaplan bèta-techniek voor zover dit betrekking heeft op leven lang leren; en

4. het verminderen van het aantal mensen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt.

Het platform wordt in de eerste helft van 2004 opgericht.

Instroom

Van de circa 1,6 miljoen kinderen in het basisonderwijs behoren ongeveer 400 000 kinderen tot de doelgroep van het achterstandenbeleid. De helft daarvan zijn autochtone leerlingen uit een achterstandsituatie. De andere 200 000 zijn leerlingen van allochtone afkomst uit een achterstandssituatie. Het kabinet wil deze achterstand in de periode 2002–2006 met 25% verkleinen. In de beleidsagenda werd de invoering van een begintoets als optie genoemd. Bij de behandeling van de begrotingen voor 2003 en 2004 heeft de Tweede Kamer zich echter uitgesproken tegen een landelijk verplichte begintoets (zie voor de verdere verantwoording van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in 2003 artikel 1 primair onderwijs, onderdeel toegankelijkheid/achterstandenbeleid).

De instroom in het totaal aan bèta- en technische opleidingen in het hoger onderwijs toonde het afgelopen jaar een tweezijdig beeld: in absolute zin is de instroom toegenomen (ruim 300 eerstejaars extra, een stijging van ruim 1% ten opzichte van 2002), maar als fractie van alle eerstejaars is de instroom juist afgenomen met 1%-punt, van 21,7% naar 20,8%. Het Deltaplan Bèta & Techniek dat in december is verschenen, bevat voorstellen om de instroom te verbeteren.

Doorstroom

De verschillende onderwijsniveaus – voorschoolse educatie, primair en voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en hoger onderwijs – moeten zo goed en soepel mogelijk op elkaar aansluiten. Daar is in 2003 langs verschillende wegen aan gewerkt. De acties ter versterking van de beroepskolom richten zich onder meer op:

Het verbeteren van intake en maatwerk

Inhoud en organisatie van het onderwijs worden zoveel mogelijk afgestemd op de loopbaan van de leerling, en niet op de grenzen van de onderwijsinstelling of sector. In 2003 zijn de mogelijkheden voor maatwerk bijvoorbeeld uitgebreid met de introductie van het leerwerktraject in de basisberoepsgerichte leerweg, en van de assistentroute, beide in het vmbo.

Onderwijs op maat voor risicoleerlingen

Optimaal gebruik van de mogelijkheden voor maatwerk en goede samenwerking van tussen scholen voor vmbo, roc en aoc en gemeentelijke instanties als leerplichtzaken en jeugdhulpverlening. Zo is in 2003 gewerkt aan de mogelijkheid dat een leerling geld meekrijgt van een school voor voortgezet onderwijs als hij tussentijds doorstroomt naar roc of aoc. Hierdoor wordt een gezamenlijke bekostiging van doorlopende leerlijnen mogelijk.

Sterkere samenwerking tussen vmbo en mbo

Het belang van samenwerking is breed onderkend. Zo is er een landelijk dekkend netwerk ontstaan van onderwijsinstellingen die samenwerken. Samenwerking tussen een vmbo-school en een roc of aoc is een voorwaarde voor uitvoering van het leerwerktraject en van de assistentroute. Daarmee heeft deze samenwerking ook een verankering in de regelgeving gekregen.

Versterken van het werkend leren

In het leerwerktraject en de assistentroute zijn de mogelijkheden voor praktijkleren aanzienlijk verruimd.

Sturen via financiële prikkels

In juni 2003 is aangekondigd dat OCW prestatieafspraken wil maken met de onderwijssectoren. In Koers BVE2, dat begin 2004 verschijnt, wordt dit voornemen verder uitgewerkt.

In 2001 is ook de Wet onderwijsnummer aangenomen. Het onderwijsnummer is een persoonsgebonden nummer voor iedere leerling in het bekostigd onderwijs. De wet wordt uitgevoerd door de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) en Centrale Financiën Instellingen (Cfi) in samenwerking met het onderwijsveld. Het onderwijsnummer maakt het mogelijk om de weg in beeld te brengen die leerlingen afleggen door het onderwijs. Deze (geanonimiseerde) informatie wordt onder meer gebruikt om beleidsplannen te maken voor zaken als voortijdig schoolverlaten en onderwijsachterstanden.

Bij de invoering van het onderwijsnummer wordt de grootste zorgvuldigheid betracht. Daarom is gekozen voor een gefaseerde invoering ervan. In 2003 is de registratie van het onderwijsnummer verplicht gesteld in het bve, wat onder andere inhoudt dat scholen gegevens mogen uitwisselen met de IB-Groep. Een jaar eerder is de registratie al ingevoerd in het voortgezet onderwijs. Voor het primair onderwijs zal de wet naar verwachting in 2004 in werking treden.

Uitstroom

In 2003 is verder gewerkt aan een vloeiende overgang van school naar werk. In juni 2003 hebben de staatssecretarissen van SZW en OCW daarom een Plan van aanpak jeugdwerkloosheid aan de Kamer gezonden. Daarin wordt onder meer onderzocht of er de komende vier jaar 40 000 (leer)werkplekken voor jongeren bij het bedrijfsleven kunnen worden gecreëerd. Aan een werkgever die een werkloze jongere in dienst neemt en deze jongere daarnaast een opleiding biedt, wordt vanaf 1 januari 2004 een belastingkorting van circa 1500 euro per jaar geboden. Verder is in november 2003 een Taskforce opgericht om jongeren actief op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen door middel van een publiciteitscampagne. De Taskforce zal (vooral kleinere) gemeenten helpen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Jongeren zelf zullen bij het werk van de Taskforce worden betrokken.

Vanaf 1 september 2002 kent het hoger onderwijs de bachelor-masterstructuur. Het bekostigingsmodel voor de universiteiten is voor het jaar 2003 aangepast voor de bama-structuur. Uit het inspectierapport «BaMatransities: de invoering van het bama-stelsel in het wo en hbo», verschenen in september 2003, blijkt dat vrijwel alle hbo-opleidingen inmiddels zijn omgezet in bacheloropleidingen. Hetzelfde geldt voor het merendeel van de wo-opleidingen. De kwaliteitsborging van opleidingen is in handen de Nederlandse Accreditatieorganisatie (NAO), die op 1 mei 2003 van start is gegaan.

Moties regeringsverklaring

Kenniseconomie (TK 28 375, nr 35)

De EU heeft de ambitie uitgesproken om in 2010 de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld te zijn. Nederland wil daarbij tot de top van Europa behoren. Goed onderwijs en hoogwaardig onderzoek zijn daarbij van essentieel belang. Het EU-«scoreboard» laat zien dat Nederland nog ver verwijderd is van onze ambitie. Op dit moment presteert Nederland in de EU gemiddeld (zie hoofdstuk 16). Op het thema wetenschappelijke en technologische productiviteit scoorde Nederland in 2003 goed, zelfs iets beter dan in 2002. Nederland bevond zich in de middenmoot voor wat betreft het thema investeringen. Maar in 2003 is onze positie wel verslechterd, vooral op het gebied van de investeringen in R&D. De score op het thema menselijk kapitaal bleef in 2003 onveranderd matig. De indicatoren voor de invloed op het concurrentievermogen en werkgelegenheid laten een gemengd beeld zien. Nederland scoorde laag op het aandeel technologisch hoogwaardige bedrijven in werkgelegenheid en productie, maar het beeld is veel beter voor de kennisintensieve diensten; daar bekleedde Nederland zelfs de eerste positie binnen de EU. Over het geheel genomen behoorde Nederland echter slechts bij drie van de 17 indicatoren tot de top-3 van Europa.

Per saldo behoorde Nederland in 2003 nog steeds tot de Europese middenmoot. De urgentie om onze ambities waar te maken, blijft dus onverminderd hoog. Het kabinet heeft zich in 2003 ingespannen om daaraan verder te werken. Zo is eind 2003 het Deltaplan Bèta & Techniek verschenen, dat voorstellen bevat om de tekorten aan kenniswerkers in bèta en techniek aan te pakken. Bovendien is een deel van de FES-gelden ingezet om kwalitatief hoogwaardige netwerken in de kennisinfrastructuur te realiseren en vernieuwende onderzoeksgebieden te stimuleren. In 2003 zijn daar concreet 34 projecten voor uitgekozen, verdeeld over vijf thema's: informatie- en communicatietechnologie; hoogwaardig ruimtegebruik; duurzame systeeminnovaties; microsysteem- en nanotechnologie; gezondheids-, voedings-, gen-, en biotechnologische doorbraken. Onder het beheer van OCW vallen 14 projecten, waaronder bijvoorbeeld Biomade en Delft Cluster.

Het kabinet zet stevig in op het internationale vlak. In 2003 hebben zowel veelbelovende als gerenommeerde Nederlandse onderzoekers wederom meegedaan aan de onderzoeksfaciliteiten van de vijf grote internationale toponderzoeksorganisaties (CERN, ESO, ESA, EMBL en EMBC). De bilaterale samenwerking met drie prioriteitslanden (China, Indonesië, Rusland) is volgens planning gerealiseerd. In het vijfde kaderprogramma van de Europese Commissie is een gemiddeld retourpercentage van ongeveer 6% behaald. Dat ligt boven het gemiddelde.

Het kabinet heeft in 2003 vaart gezet achter de voorbereiding van het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004. OCW heeft in december een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met specifieke prioriteiten voor het voorzitterschap. De prioriteiten zijn: a) open coördinatie en transparantie, b) kennis en kwaliteit, c) mobiliteit en uitwisseling en d) burgerschap en cohesie – met als algemene inzet bij te dragen aan een Europa waarin lidstaten en burgers leren van elkaar.

Andere belangrijke thema's tijdens het EU-voorzitterschap zijn de meeneembaarheid van studiefinanciering, en de rol van de publieke en commerciële zenders in de samenleving.

Cultuur (TK 28 375, nr 36)

Bij de formatie 2002 heeft de Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht haar visie op het cultuurbeleid voor de komende jaren neer te leggen (motie De Graaf c.s., TK 2001–2002 28 375 nr. 36). Op 1 juli 2003 is de uitgangspuntenbrief voor de cultuurnotaperiode 2005–2008 naar de Kamer gezonden. In de brief «Meer dan de som» van 3 november 2003 is het cultuurbeleid in de breedte voor de komende jaren geschetst. Met deze brieven heeft de regering uitvoering gegeven aan de motie De Graaf.

«Meer dan de som» schetst de volgende uitgangspunten voor het cultuurbeleid van de komende jaren:

• Niet het maatschappelijk bewustzijn in de cultuur, maar het culturele bewustzijn in de maatschappij moet worden vergroot. Daarom krijgt de versterking van de culturele factor in de samenleving prioriteit.

• Het cultuurbeleid moet niet alleen gericht zijn op de top, maar op alle segmenten van het culturele leven en de samenhang ertussen. Daarom is meer samenhang en wisselwerking in het culturele leven de komende jaren het streven.

• Culturele instellingen zijn geen dochterondernemingen van het ministerie, maar zelfstandige professionele organisaties die vanuit hun eigen verantwoordelijkheid vorm geven aan een bloeiend cultureel leven. Minder bureaucratie en meer eigen verantwoordelijkheid krijgen dan ook prioriteit.

4. Beleidsprogramma 2003–2006

Hieronder wordt weergegeven welke acties in 2003 zijn uitgevoerd om de 5 prioriteiten van beleid uit de begroting 2003 gestalte te geven. Daar het beleidsprogramma 2003–2006 inmiddels is opgegaan in het beleidsprogramma 2004–2007, kunnen bepaalde voorgenomen activiteiten voor 2003 vertraagd of achterhaald zijn. In deze paragraaf zijn eerst de meerjarige voornemens uit de begroting 2003 gerangschikt. Daaronder is toegelicht tot welke activiteiten of resultaten dit in 2003 geleid heeft.

4.1 Autonomie, deregulering en rekenschap

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Scholen moeten een omvang hebben op menselijke maat. Fusies en de vorming van steeds grotere scholen worden daarom afgeremd. (p. 12)Scholen en instellingen bieden leerlingen/deel- nemers/studenten én leraren/docen- ten een aantrekkelijke en veilige leer- en werkomgeving die geborgenheid en betrokkenheid ademt (met name in het primair en voortgezet onderwijs).• Inventariseren van feitelijke situatie in po en vo• Scholen stimuleren zelf actie te ondernemen en «good practice» voorbeel- den uit te wisse- len (creëren van een aantrekkelijke leeromge- ving)• Heroverweging van criteria voor samenvoeging in het vo• M.OCenW • Onderwijsorganisaties (besturen, management en personeel)• Ouders, leerlingen en hun organisatiesEind 2002; afronding inventarisatie Voorjaar 2003: nieuw toetsingskader voor samenvoegingN.v.t.

Stand van zaken

In het voorjaar 2003 is het nieuwe toetsingskader voor samenvoeging voor scholen (en vestiging in het algemeen) naar de Kamer gezonden. Hiernaast heeft de inspectie in 2003 onderzoek gedaan naar de relatie tussen schoolgrootte en kwaliteit, waarbij eveneens is gelet op een kleinschalige indeling van de organisatie en de opdeling van schoolgebouwen in kleinere eenheden. Uit dit onderzoek komen geen eenduidige verbanden tussen schoolgrootte en kwaliteitskenmerken naar voren. Aan scholen is een brochure gestuurd met overzichten van mogelijkheden voor nieuwbouw en verbouw van gebouwen in kleinere eenheden. Hiernaast zijn de mogelijkheden voor het oprichten van nevenvestigingen van scholen verruimd.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Leraren, ouders en leerlingen moeten de ruimte en het vertrou- wen krijgen (p. 12).De overheid is primair verantwoordelijk voor het vaststellen van de kaders waarbinnen scholen (en instellingen) hun eigen invulling mogen geven (p. 12).Ouders en leerlingen moeten objectief inzicht kunnen krijgen in de kwaliteit van een school (p. 12).Minder centrale sturing (p. 13).Scholen/instel- lingen hebben meer ruimte en ondervinden geen belemmeringen door wet- en regelgeving. Zij leggen aan de omgeving en aan de overheid verantwoording af over gemaakte keuzes en bereikte resultaten.• Systematisch de mogelijkheden nagaan voor vermindering en/of andere vormgeving van regels, inclusief de effecten daar- van (voor- en nadelen risico's, gevolgen voor administratieve lasten, handhaafbaarheid etc)• Wetswijzigingen • Implementatie WOT en transparantie van de informatie over scholen/instel- lingen vergroten• M.OCenW en S.OCenW• Onderwijsorganisaties (besturen, management en personeel)• Ouders, leerlingen en hun organisaties• Brancheorga- nisaties (BVE-raad, HBO-raad, VSNU)Najaar 2002: Voortgangsrapportage deregulering en verantwoording2002–2006: dere- guleringswetsvoorstellenN.v.t.

Stand van zaken

Na verzending van de voortgangsrapportage «autonomie en deregulering» eind 2002 heeft OCW in 2003 een project opgezet om te komen tot vermindering van administratieve lasten en regeldruk voor drie verschillende doelgroepen: bedrijfsleven, burgers, en OCW-instellingen. Er zijn en worden nulmetingen uitgezet voor deze doelgroepen. Op basis hiervan wordt in 2004 een samenhangend pakket aan maatregelen ontwikkeld waarmee de administratieve lastendruk en regeldruk kan worden teruggedrongen.

Ouders en leerlingen moeten objectief inzicht hebben in de kwaliteit van het onderwijs. De transparantie van informatie wordt vergroot door het uitbrengen van een kwaliteitskaart met onafhankelijke oordelen over de kwaliteit van het onderwijs van de afzonderlijke scholen en instellingen. Daarom publiceert sinds 1 oktober 2003 de inspectie op haar website de kwaliteitskaarten primair onderwijs: een voor ouders toegankelijk overzicht van de kwaliteitsoordelen per school. Inmiddels heeft de inspectie ook de kwaliteitskaart BVE via internet uitgebracht.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Er wordt meer ruimte gegeven voor eigen invulling van het studiehuis, de basisvorming en klassenverkleining (p.12)Meer autonomie en keuzevrijheid ten aanzien van profielen (vrij te kiezen vakkenpakketten) en werkvormen in de tweede fase havo/vwo, waardoor ook een groter beroep op professionaliteit van schoolbesturen, schoolleiders en leraren wordt gedaan. Nieuw ingericht programma in de basisvorming, met meer zeggenschap voor scholen, verlaging van verplicht curriculum in eerste drie jaar naar 70% in eerste twee jaar.• Voor het studiehuis: herziening regelgeving (inclusief invoe- rings- en overgangsrecht) en hernieuwde afstemming van vooropleidingseisen in het hoger onderwijs• In de basisvor- ming: invoering kerncurriculum, een beperkt aan- tal kerndoelen en leergebieden, en leerstandaar- den afstemmen op niveau kaderberoepsgerichte leerweg vmbo• M.OCenW • LNV• Onderwijsorganisaties (besturen, management en personeel)• Scholen• VSNU en HBO-Raad• VVO, vakinhou- delijke verenigingen en onderwijsondersteuningsinstellingen• Ouders, leerlingen en hun organisatiesBegin 2003: wijzi- gingsvoorstellen studiehuis bij TK, in 2003: aanpassing diverse besluiten en in 2005: invoering. Voor de basisvorming: in 2003: advies kerndoelen voor het kerncurri- culum, in mei 2003: indienen wetwijziging WVO, in het najaar 2003: voorstellen voor leergebieden en op 1 augustus 2005: ingangsdatum wetswijziging WVO.N.v.t.

Stand van zaken

De Taakgroep Vernieuwing Basisvorming zal in juni 2004 haar eindrapport aanbieden, dat vóór het zomerreces met beleidsreactie van M.OCW naar de TK gezonden zal worden. Effectuering wetswijziging is voorzien op 1 augustus 2006.

Voorstellen voor bijstelling van de tweede fase, om de gebleken knelpunten weg te nemen en meer keuzevrijheid te realiseren, zijn begin 2003 gepresenteerd in de notitie «Ruimte laten en keuzes bieden in de tweede fase havo en vwo». Nadat hierover uitvoerig het onderwijsveld is gehoord, is een voorstel voorgelegd aan de Tweede Kamer bij brief van 4 juli 2003. De bespreking van deze voorstellen in de Kamer heeft tot resultaat gehad dat een herzien voorstel aan de Kamer is gezonden bij brief van 4 december 2003. Per 1 augustus 2003 zijn reeds kleine aanpassingen in de examenprogramma's aangebracht die leiden tot een vermindering van de belasting van scholen en leraren en waar mogelijk tot een grotere keuzevrijheid.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Financiële bevoegdheden zullen zoveel mogelijk worden neergelegd bij scholen. (p. 12)Scholen in het primair onderwijs hebben meer bestedingsvrijheid door lumpsum-bekostiging. Het budget voor schoolbegeleiding is (gefaseerd) aan de scholen overgedragen. In het voortgezet onderwijs zijn wacht- geld- en vervan- gingsuitgaven gedecentraliseerd, evenals de arbeidsvoorwaarden en de onderhoudscom- ponent van de huisvesting. Scholen hebben bestedingsvrijheid bij het inzetten van de middelen voor «groepsgrootte en kwaliteit» (klassenverkleining).• Wetswijziging (WPO en WEC): invoering lumpsumsystematiek Wetswijziging schoolbegelei- ding• Wetswijziging VF en PF• Doordecentrali- satie arbeidsvoorwaarden• Decentralisatie onderhoud huisvesting in het vo • Wijziging van de Wet op het primair onderwijs (afschaffen bestedingsverplichting klassenverklei- ning onderbouw)• M.OCenW• On derwijsorga- nisaties (besturen, management en personeel)• (Initiatiefrijke) scholen• VNG/gemeenten en Edventure/-schoolbegeleidingsdienstenLumpsum: november 2002 brief aan TK met nadere uitwerking acties. Najaar 2003: indiening wetsvoorstel TK. 2005: stapsgewijze invoering. Schoolbegeleiding: oktober 2002: brief aan TK over resultaat bestuurlijke/brancheafspraken, februari 2003: indiening wetsvoorstel bij TK. Gefaseerde invoering: 2004–2006. 1 augustus 2003: beoogde inwerkingtreding Wetswijziging VF/PF. 2003–2006: Doordecentralisatie arbeidsvoorwaar- den en onderhoud huisvesting. September 2002: informeren TK over planning traject klassenverkleining, wetgevingstraject en per 1 augustus 2003: invoeringN.v.t.

Stand van zaken

Meer autonomie voor de scholen betekent dat de huidige gescheiden budgetten (een materieel lumpsumbudget, een personeel declaratiebudget en een klein personeel lumpsumbudget) samengevoegd worden tot één (ontschot) budget. Daarmee kunnen scholen zelf beslissen hoe ze het geld het best kunnen besteden voor goed onderwijs. Bij brief van 11 juni 2003 is de Kamer geïnformeerd over het invoeringsplan betreffende lumpsum in het primair onderwijs. Dit plan voorziet in de start van de pilots lumpsumbekostiging met 35 schoolbesturen per 1 januari 2004 en eindigt met de lumpsum voor de hele sector 1 augustus 2006. Tevens wordt voorzien dat de vraagfinanciering voor schoolbegeleidingsmiddelen vanaf 2006 geleidelijk ingevoerd wordt.

In 2003 is de bestedingsvrijheid voor scholen in het primair onderwijs vergroot bij het inzetten van middelen voor «groepsgrootte en kwaliteit». De wetswijziging waarmee de bestedingsverplichting van klassenverkleiningsmiddelen is afgeschaft, is op 1 augustus 2003 in werking getreden (dossier Tweede Kamer: 28 729).

Bij brief van 18 november 2003 is de Tweede Kamer nader geïnformeerd over decentralisatie van de wachtgelduitgaven. Het kabinet bereidt een nota van wijziging voor op het wetsvoorstel in verband met de decentralisatie vervangingsuitgaven en wachtgelduitgaven. Daarbij streeft het kabinet een model van normatief verevenen na. Dit houdt in dat een substantieel deel van de wachtgelduitgaven dat een bestuur veroorzaakt, ook ten laste van dat schoolbestuur komt.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Administratieve lasten worden op nut en noodzaak bekeken. (p. 12)Het veld heeft meer ruimte en verantwoordelijkheid. De uitvoe- ringslast van regels is lager. De prestaties van overheid en instellingen zijn transparant.De uitvoerings- en informatielasten van OCenW en andere partijen worden verlaagd door invoering onderwijsnummer.• Invoering onder- wijsnummer• Gerichte service informatiebestan- den• Overleg over stroomlijning en beperking regels en informatiestromen• Condities schep- pen voor ver- nieuwing en uitwisseling kennis (experimenten)• Bezien van intermediaire structuren• Monitoren beleving veld• M.OC enW en S.OCenW• SZW, VROM e.d.• Instellingen onderwijs, cultuur en wetenschap• Besturenorga- nisaties• BrancheorganisatiesNajaar 2002: concrete voorstellen per sector met planning. 1 november 2002: plan van aanpak monitor.2003: € 8,8 miljoen, 2004 e.v. € 2,5 miljoen op beleidsartikel 21 (uitvoe- ringsorganisaties onderwijs)

Stand van zaken

OCW heeft in het kader van een meeromvattend actieplan, gericht op deregulering, een traject opgezet om de regeldruk voor instellingen in het veld terug te dringen. Eind 2003 is een nulmeting begonnen naar de regeldruk in 5 OCW-sectoren: een basisschool, een roc, een universiteit, een onderzoeksinstelling en een poppodium. Het onderzoek wordt nog uitgebreid met een nulmeting in de overige sectoren. Op basis van de nulmeting stelt OCW, in overleg met vertegenwoordigers uit het veld, reductiescenario's op voor de vermindering van de regeldruk. Vervolgens kan het veld zich in 2004 in focusgroepen of andere vormen van kwalitatief onderzoek uitspreken over de haalbaarheid en wenselijkheid van de voorgestelde maatregelen.

In 2003 is door alle betrokken partijen hard gewerkt aan de implementatie van de wet op het onderwijsnummer. De implementatie varieert per onderwijssector. Voor het voortgezet onderwijs worden sinds 1 oktober 2003 113 scholen bekostigd op basis van de gegevens verzameld met het onderwijsnummer. Het aantal te leveren overzichten door instellingen in het voortgezet onderwijs is in het schooljaar 2003–2004 met 5% verlaagd.

In het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie is het programma van eisen vastgesteld dat de grondslag vormt voor de gegevensuitwisseling van de instellingen met de IB-Groep. In 2003 is begonnen met de bouw en aanpassingen van de benodigde systemen. In het primair onderwijs heeft de IB-Groep een onderzoek uitgevoerd bij alle scholen naar de stand van zaken van de automatisering (welke pakketten worden gebruikt en welke gegevens zijn hierin opgenomen) ter voorbereiding op het traject van afstemming en vaststellen van het programma van eisen dat voor de uitwisseling van de gegevens wordt opgesteld.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Binnen de grenzen die de Grondwet stelt wordt openbaar onderwijs bestuurlijk zoveel mogelijk ver- zelfstandigd (p. 12)Waar mogelijk en gewenst is de verantwoordelijkheid van het college van BenW voor het lokaal onderwijsbeleid gescheiden van haar verantwoordelijkheid als bestuur van een openbare school.• Onderzoek naar stand van zaken in het openbaar onderwijs• Uitwisselen van «good practices»• Afsluiten van een convenant met de VNG• M.OCenW • BZK• VNG/gemeenten• Besturenorga- nisatie (VOS/ABB)Medio 2003: resultaat inventarisatie Eind 2003: uitwisselen «good practices» 2004: Afsluiten convenantN.v.t.

Stand van zaken

Overleg met de VNG en de VOS/ABB medio 2003 leverde een beeld op dat steeds meer besturen in het openbaar funderend onderwijs de weg naar bestuurlijke verzelfstandiging inslaan. Er is een grote verschuiving gaande van integraal bestuur (onder de paraplu van gemeenten) naar onafhankelijke besturen in de vorm van stichtingen. De VOS/ABB is daarbij actief op het terrein van voorlichting en verspreiding van «good practices». De VNG staat daar positief tegenover. Het genoemde beeld wordt bevestigd in diverse onderzoeken en enquêtes. Gezien deze positieve ontwikkeling van onderop is afgezien van een verdere interventie of bemoeienis van de rijksoverheid.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
De 2e lezing van de grondwetswijziging ter regeling van de samenwerkingsschool wordt, voorzien van een wetsvoorstel, bij de TK ingediend. Het ontstaan van samenwerkingsscholen wordt niet gestimuleerd (p. 12)Indien noodzakelijk zijn samenwerkingsscholen opgericht.• Indienen 2e lezing grondwetswijziging ter regeling van de samenwerkingsschool• Opstellen wetsontwerp samen- werkingsscho- len• M.OCenW• LNVJanuari 2003: indienen 2e lezing grondwetswijziging TK, voorzien van wetsvoorstel samenwerkingsscholen. 2004: inwerkingtreding.N.v.t.

Stand van zaken

In 2003 is de 2e lezing grondwetswijziging bij de Kamer ingediend, voorzien van een proeve van een wetsvoorstel samenwerkingsscholen. Dit ligt gereed voor plenaire behandeling in de Kamer.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Selectie en differentiatie van collegegel- den worden alleen mogelijk in geval van specifieke opleidingen met een erkende evidente meerwaarde (p. 12)Instellingen in het hoger onderwijs hebben de ruimte om bijvoorbeeld topmasters aan te bieden en daarvoor studenten te selecteren op basis van kwaliteitseisen.• Advies Werkgroep «positie topmasters»• Beleidsreactie op advies ont- wikkelen en acties• S.OCenW• Werkgroep topmasters• VSNU en HBO-raad1 november 2002: advies van de Werkgroep top- masters gereed. Medio 2003: reactie op het advies.N.v.t.

Stand van zaken

In 2003 is een interdepartementaal beleidsonderzoek collegegelddifferentiatie uitgevoerd. De beleidsreactie daarop is neergelegd in de kabinetsnota «Ruim baan voor talent», die in december 2003 is verstuurd naar de Tweede Kamer. Deze nota is tevens de kabinetsreactie op de adviesrapporten over topmasters en selectie. In de nota wordt voorgesteld om selectie en collegegelddifferentiatie nader te beproeven in experimenten om te onderzoeken in hoeverre zij bijdragen aan het vergroten van kwaliteit en doelmatigheid. De experimenten zijn gepland in de jaren 2004/2005 en 2005/2006.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Stapsgewijze vergroting van de oplei- dingscapaciteit aan de medische faculteiten moet uiteindelijk lei- den tot een situatie waarin de numerus fixus overbodig wordt. Vernieuwende initiatieven om de opleidingscapaciteit voor artsen te verhogen worden ondersteund (p. 11)Het tekort aan praktiserende artsen in Nederland is teruggedrongen, de ver- kenning naar nieuwe opleidin- gen in Brabant en Twente worden ondersteund,de mogelijkheden om zorgmasters aan te merken als bekostigde hbo-master zijn verkend.• Overleg met HO-instellingen en VWS• Opstellen beleidskader voor de aanmerking van bekostigde hbo- master• S.OCenW• VWS• VSNU en HBO-raad• CapaciteitsorgaanSeptember 2002: 310 extra oplei- dingsplaatsen. Najaar 2002: beleidskader voor bekostigde hbo- master.2003: € 16,6 miljoen, 2004: € 27,2 miljoen, 2005: € 38,4 miljoen 2006: € 52,1 miljoen op beleidsartikel 7 (wetenschappelijk onderwijs)

Stand van zaken

In 2003 is opleidingscapaciteit aan medische faculteiten stapsgewijs verder vergroot, v.w.b. geneeskunde van 2550 in 2002 naar 2850 in 2003. De instroom van de opleiding tandheelkunde is in 2003 gestabiliseerd op 300. Hiernaast is per september 2003 het eerste cohort van 50 studenten begonnen aan de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente. Daarvoor is het wetsvoorstel «wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de start van de bacheloropleiding klinische technologie» in werking getreden (Wet van 2 juli 2003, Stb. 2003, 287).

Ten aanzien van de ontwikkeling van een beleidskader voor bekostigde hbo-masters is de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs gerealiseerd (Staatscourant 23 september 2003). Eind 2003 zijn de eerste aanvragen voorgelegd ter toetsing aan de beleidsregel om aangemerkt te worden als initiële master in het hbo.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Met oog op overmatige bureaucratie en overhead bij de publieke omroep wordt de rijksbijdrage met 5% verminderd (p. 23) (Efficiency)kortingen departement, IBG, hoger onderwijs (p. 45/46) Korting externen (p. 34)Er is minder bureaucratie en overhead en meer efficiency bij het bestuursdepartement, IBG, instellingen voor hoger onderwijs en de organisaties en voorzieningen die uit de mediabegroting worden gefinancierd. Er worden door het departement minder externen ingehuurd.• Organisatieonderzoek, overleg met de publieke om- roep en wijziging Mediawet• Loonsomeven- redige verdeling van de korting bestuursdepartement en hoger onderwijs, ont- wikkelen maatregelen• Opname in het prestatiecon- tract 2003 met de IBG• Verdeling kor- ting externen naar rato van het aantal externen in 2000/2001, ontwikkelen maatregelen• M.OCenW en S.OCenW• Publieke Omroep• HO-Instellingen• HBO-Raad en VSNU• IB-Groep (en Raad van Toe- zicht)1 januari 2004: inwerkingtreding wijzigingen Media- wet. Begin november 2002: verzending Prestatiecontract IBG 2003 aan TK2003: € 46,7 miljoen2004: € 117,9 miljoen 2005: € 159,3 miljoen2006: € 200,5 miljoen op verschillende beleidsartike- len

Stand van zaken

In 2003 is het eindrapport van het onderzoek «Organisatie- en efficiëntieverbeteringen publieke omroep» aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin wordt een overzicht gegeven van de mogelijkheden tot kostenbesparingen door efficiëntieverbeteringen in indirecte taken en verdergaande samenwerking tussen omroeporganisaties rondom programma-gerelateerde taken. De publieke omroep heeft verschillende werkgroepen ingesteld om de aanbevelingen van het rapport verder uit te werken. De publieke omroep heeft in haar meerjarenbegroting 2004–2008 de bezuiniging van 40 miljoen euro voor het jaar 2004 ingevuld. Voor verlaging van de rijksomroepbijdrage dient de Mediawet gewijzigd te worden. Het desbetreffende wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2003/2004, 29 032) is op 22 januari 2004 door de Tweede Kamer bij hamerslag aanvaard. Het wetsvoorstel voorziet in terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004.

De taakstellingen op het departement betroffen een efficiencykorting en een korting op de inhuur van externen. In 2003 zijn deze taakstellingen ingevuld en op de begroting verwerkt.

De efficiencykorting hoger onderwijs tenslotte is loonsomevenredig verdeeld over de beleidsartikelen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. De efficiencytaakstelling IBG is betrokken bij het prestatiecontract 2003 en meerjarig verwerkt in de begroting.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Conform de bepalingen van de Media- wet zal in 2004 een beoordeling plaatsvinden van de wijze waarop de publieke omroep uitvoering heeft gegeven aan haar taakopdracht. Deze beoordeling biedt een adequaat aanknopingspunt voor de discussie over het functioneren van de publiek omroep (p. 24)Een beoordeling van de wijze waar- op de NOS en overige zendgemachtigden uit- voering hebben gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep (artikel 30c Mediawet).Uitvoering con- form artikel 30c van de Mediawet• S.OCenW• NOS/OmroepenApril 2004: rapportageN.v.t.

Stand van zaken

De door de publieke omroep ingestelde visitatiecommissie (Commissie Rinnooy Kan) is in 2003 begonnen met de beoordeling van de wijze waarop de publieke omroep uitvoering heeft gegeven aan haar taakopdracht. Conform de Mediawet zal de commissie voor 1 mei 2004 rapporteren.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Stroomlijning cultuurnotasystematiek (Niet in strategisch akkoord)Vermindering bestuurslast, meer nadruk op uit- gangspunten, versterking advisering, betere samenwerking overheden.• Bepaling van afbakeningscriterium tussen rijks- en fondssubsidies• Versterking Raad voor Cultuur• Tussentijdse waarneming en sectoranalyses door Raad voor Cultuur• Consultatie cultuurfondsen• Vaststelling vorm cultuurprofielen con- venantspartners (=andere overheden) en over- leg• S.OCenW• BZK (adviesorganen)• Raad voor Cultuur• IPO en VNG• Convenantspartners• Veldorganisaties• CultuurfondsenSeptember 2002: vaststellen vorm cultuurprofielen aanlevering uiterlijk 1 januari 2003. Voorjaar 2003: toezending Uit- gangspuntenbrief aan TK (kader waartegen subsi- dieaanvragen worden afgezet). 15 december 2003: indieningsdatum subsidieaanvra- gen.N.v.t.

Stand van zaken

In juli 2003 is de uitgangspuntenbrief voor de nieuwe cultuurnota verzonden. Hierin wordt veel aandacht besteed aan autonomie en deregulering en in het bijzonder vereenvoudiging van de regelgeving rond de cultuurnota. Inmiddels zijn de aanvragen volgens de vereenvoudigde eisen ontvangen (1 december 2003); daarbij bestond voor het eerst de mogelijkheid om ook digitaal aanvragen in te dienen. Ook de subsidiebeschikkingen, de verantwoordingseisen en het toezicht zullen worden vereenvoudigd. Hieraan wordt in verschillende projectgroepen gewerkt. Er zijn scherpere afspraken met de Raad voor Cultuur gemaakt over hun advisering.

4.2 Een aantrekkelijk leraarsberoep

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Het kabinet zal de inspanningen moeten voortzetten om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken. Onderdeel daarvan kan zijn dat binnen de arbeids- voorwaardenregeling ruimte wordt gescha- pen om extra beloning mogelijk te maken voor leraren met achterstandsgroepen en voor bijzondere prestaties. Ook moet worden bezien hoe uitval van oudere werknemers kan worden teruggedrongen (p. 13)Lesgeven en pro- fessionaliteit van de docent staat centraal. School en leraar hebben de vrijheid om het onderwijs anders te organiseren. Onnodige drempels van het leraarsberoep zijn weggenomen. Leraren die werken met achterstandsgroepen en/of bij- zondere prestaties leveren kunnen extra beloond worden. De uitval onder «oudere» leraren is teruggedrongen• Opstellen pro- gramma lera- renbeleid 2002–2006 (speerpunten: maatwerk bij lerarenopleiding zij-instro- mers, stimule- ren/overdragen creatieve nieu- we organisatievormen, gerich- te aanpak lera- rentekorten speciaal onderwijs en vmbo, verbeteren werking arbeidsmarkt o.a. door beloningsdiffe- rentiatie en opti- malisatie/-behoud huidig personeels- bestand/61+-ers)• Concrete afspra- ken in de cao 2003• M.OCenW en S.OCenW• scholen, leraren• werkgevers- en werknemersorganisaties, besturenorgani- saties• Lerarenopleidingen• Sectorbestuur onderwijs (sbo)• Stichting samenwerkingsorgaan beroepskwaliteit leraren (sbl)November 2002: Indiening programma bij TK. December 2002: Nota van wijziging wet BIO. Februari 2003: nieuwe onderwijs cao.2003–2006: € 625 miljoen aan schoolbudgetten structureel op de beleidsartikelen 1 (basis- onderwijs), 3 (voortgezet onderwijs en 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) Arbeidsvoor- waardenruimte

Stand van zaken

In 2003 is de bestrijding van het lerarentekort op verschillende manieren aangepakt. In de cao 2003 zijn maatregelen afgesproken om het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid van scholen te versterken. Met ingang van 1 augustus 2003 zijn aan het primair en voortgezet onderwijs extra middelen toegekend (structureel € 25 miljoen in elk van de genoemde onderwijssectoren). Met deze middelen kan de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep worden verbeterd via extra onderwijsondersteunende functies in het basisonderwijs en meer hogere leraarsfuncties aan scholen met vmbo.

In de begroting 2003 werd geconstateerd dat veel leraren stoppen met werken als zij 61 jaar worden, omdat zij dan in aanmerking komen voor FPU. In 2003 heeft het ABP een bonus geïntroduceerd voor degenen die langer blijven doorwerken. Nu kan geconstateerd worden dat leraren in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs inderdaad langer blijven doorwerken. Uit een analyse van het ABP blijkt dat het deelnamepercentage van 61-jarigen aan de FPU regeling in 2003 met ruim eenderde is gedaald ten opzichte van 2002.

Een tussenstand van de onderwijsinspectie laat zien dat in de eerste helft van 2003 bijna 600 geschiktheidverklaringen aan zij-instromers zijn uitgereikt (zowel in het primair als voortgezet onderwijs ongeveer 300). Gedetailleerde cijfers over 2003 worden vermeld in de nota «werken in het onderwijs 2005», die in september naar de Tweede Kamer gestuurd wordt.

Het aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs is de laatste jaren flink gestegen. De verwachting is dat dit aantal in de toekomst alleen nog maar verder zal toenemen. Waren er in maart 2002 nog ongeveer 3200 onderwijsassistenten, in maart 2003 waren het er al ruim 4500 en aan het eind van het jaar 2003 bijna 5000.

Bovengenoemde inspanningen hebben bijgedragen aan het feit dat het aantal openstaande vacatures daalde van ruim 2800 voltijdbanen in het derde kwartaal van 2002 naar ruim 1250 voltijdbanen in het derde kwartaal 2003. Ondanks deze daling blijft de situatie precair. De komende jaren zullen veel nieuwe leraren nodig zijn, vooral als gevolg van de vergrijzing van het onderwijspersoneel.

4.3 Een sterke beroepskolom

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Het vmbo is de grootste leerroute in het beroepsonderwijs en is de basis van de beroepsonderwijskolom (vmbo, mbo, hbo). De te hoge uitval in het beroepsonderwijs en onvoldoende doorstroom naar vervolgoplei- dingen moet worden gestopt (p. 13) Verbetering en ver- sterking van het beroepsonderwijs. (p. 19)Realisatie kwali- ficatiewinst, en 30% reductie vroegtijdig schoolverlaten in 2006. Betere afstemming tussen de oplei- dingsniveau's van de beroepskolom door intensievere samenwerking vmbo-roc. Realisatie van doorlopende leerlijnen op maat, Het imago van het beroepsonderwijs is verbeterd en er heeft een herwaardering plaatsgevonden.• Integrale aanpak van schooluitval door betere samenwerking school en andere organisaties (uitwerking o.a.via landelijke jeugdagenda)• Moderne en vernieuwde onderwijsprogramma's (mede in het kader van de beroepskolom en aansluitende leerwegen)• Nieuwe trajec- ten rond imagoverbetering• M.OCenW en S.OCenW (1st vw)• VWS, BZK, SZW en Justitie• Besturenorgani- saties• IPO/provincies, VNG/gemeenten• Sociale partners (VNO/NCW)• Partners op lokaal/regionaal niveau• BVE-Raad en HBO-Raad• Ouders, leerlingen en hun organisatiesVoorjaar 2003: vaststelling kaders, resultaatsafspra- ken voortijdig schoolverlaten, regionale arrangementen infrastructuur en het treffen van landelijke innovatiearrange- menten. Najaar 2003: indie- nen wetsvoorstel planning infrastructuur vmbo en afspraken met partners over kwaliteit van de zorg in het vmbo.2003–2006 € 136 miljoen (beroepskolom) op de beleidsartikelen 3 (voortgezet onderwijs), 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) en 6 (hoger beroepsonderwijs)

Stand van zaken

Een sterke beroepskolom kenmerkt zich door een lage uitval en een goede doorstroom. In de zomer 2003 is het plan van aanpak jeugdwerkloosheid aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin is een aantal acties aangekondigd dat de uitval uit het vmbo en mbo moet verminderen en de doorstroom van vmbo naar mbo moet vergroten met als doel het versterken van de positie van deze jongeren op de arbeidsmarkt. Eind december 2003 is hier een regeling uit voortgekomen die vmbo instellingen de mogelijkheid biedt om mbo niveau 1 in het vmbo aan te bieden.

Verder is de stuurgroep beroepsonderwijs gevraagd om experimenten op assistentniveau mbo te begeleiden en hierover de staatssecretaris te adviseren. Doel hiervan is het aanbieden van aantrekkelijke op de praktijk aansluitende brede assistentopleidingen waarin werken en leren meer wordt gecombineerd dan nu het geval is. Op het vlak van doorstroom mbo-hbo is een aantal initiatieven gestart dat in 2004 opgepakt zal worden.

a. De HBO-raad, Bve Raad, Colo en Paepon hebben op 30 september 2003 advies uitgebracht over de doorstroom mbo niveau 3 – hbo en over de voorwaarden waaronder verkorte geïntegreerde leerwegen kunnen worden toegestaan. Een reactie hierop is in voorbereiding.

b. Regioplan heeft onderzoek gedaan naar de verwantschapsregeling. Dit kwalitatieve onderzoek richtte zich in het bijzonder op de kwaliteit en de studeerbaarheid van deze regeling. Dit onderzoek is augustus 2003 afgerond. Een reactie hierop is in voorbereiding.

Voor het vmbo is en wordt met de organisaties gesproken over een kader waarmee versterking van het vmbo, de doorlopende leerlijn naar het vmbo en verbetering van de resultaten wordt bereikt. Ook in het kader van het interactieve traject voor Koers VO komt dit aspect aan de orde.

Uit het monitoren van scholen en instellingen in de beroepskolom blijkt dat deze vooral worden ingezet op de verbetering van maatwerk binnen het vmbo en een doorlopende leerlijn van vmbo naar mbo. Verbetering van het imago van in het bijzonder het vmbo was hierbij aandachtspunt.

Het indienen van een wetsvoorstel planning infrastructuur vmbo wordt vooralsnog aangehouden in verband met de verkenning naar een grotere planningsvrijheid in het gehele voortgezet onderwijs. Met de Stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg zijn voor het vmbo en het praktijkonderwijs afspraken gemaakt, die zijn vervat in een actieplan.

4.4 Moderne voorzieningen

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
ICT na 2002/moderne voorzieningen(Niet in strategisch akkoord)Er is sprake van een significante en meetbare integra- tie van ict in het onderwijs dat leidt tot motiverend en kwalitatief beter onderwijs. Beleidsreactie op discussienota «ICT na 2002»• S.OCenW• Onderwijsorganisaties• Stichting Kennisnet• Stichting ICT op School• Aanbieders internetvoor- ziening• Verzorgingsstructuur onderwijsJaarwisseling 2002/2003: beleidsnota naar de TK. In deze beleidsnota worden concrete en verifieerbare doelstellingen opgenomen.N.v.t.

Stand van zaken

In 2003 heeft een verdere groei plaatsgevonden van het aantal op internet aangesloten computers, het ict-gebruik op de school en de vaardigheden van het onderwijspersoneel.

In oktober 2003 is, in aansluiting op het uitwerkingsplan Onderwijs on line, het beleidsplan Leren met ict uitgebracht (kamerstuk 25 733, nr. 95). In dit beleidsplan zijn de beleidsuitgangspunten en activiteiten meegenomen die gericht zijn op verdere integratie van ict in het onderwijs. Daarnaast is in 2003 het centrale contract met nl.tree beëindigd. Dit leidt tot keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid van de scholen voor hun internetverbinding vanaf 1 januari 2004. De uitkomsten van de kabinetsformatie hebben geleid tot koopkracht voor scholen om vanaf deze datum zelfstandig hun eigen internetvoorziening te regelen. Centrale voorzieningen zijn ingericht om scholen te begeleiden bij de keuze voor een internetaanbieder voor de gewijzigde situatie vanaf 2004.

4.5 Doorlopende leerwegen

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
In het voortgezet onderwijs wordt aandacht besteed aan maatschappelijke oriëntatie, waarbij verschillende levensbeschouwingen aan de orde komen (p. 12).In het voortgezet onderwijs is de aandacht voor maatschappelijke oriëntatie en levensbeschouwingen versterkt.• Verwerken in onderwijsprogramma• De school beter verbinden met de omgeving• M.OCenW en S.OCenW (beroepskolom)• VWS, SZW, VNG, BZK, SZW en Justitie,• Scholen• Stichting Leerplan Ontwikkeling en GEU, Landelijke Pedagogische Centra• Relevante maatschappelijke organisatiesNajaar 2003:brief TK met stand van zaken. Najaar 2004 eindrapportage.N.v.t.

Stand van zaken

De aandacht in het voortgezet onderwijs voor maatschappelijke oriëntatie en levensbeschouwingen moet versterkt worden. Daarom is het thema maatschappelijke oriëntatie een apart aandachtspunt voor de Taakgroep vernieuwing basisvorming. Daarnaast komen elementen van burgerschap, waarden en normen zowel in de bovenbouw van vmbo als van havo/vwo aan de orde in vakken als maatschappijleer, levensbeschouwelijk onderwijs en geschiedenis.

Verder kunnen scholen die projecten voor actief burgerschap willen uitvoeren, daarbij ondersteund worden door het KPC, niet alleen middels onderwijsmateriaal, maar ook middels een financiële bijdrage voor uitvoering van het project. Verder zijn in 2003 op tien scholen voor voortgezet onderwijs pilots maatschappelijke stage gestart. Dat zijn nu proefprojecten, maar met de expliciete bedoeling om deze de komende jaren verder uit te breiden. Vanaf 2004 start een campagne voor de verdere implementatie en promotie van de maatschappelijke stage. Ook nieuw is de website voor waarden en normen die Kennisnet scholen zal bieden als platform voor de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden, die begin 2004 actief wordt.

Binnen de educatie vormen de eindtermen maatschappijoriëntatie (MO) de basis voor de toetsing van nieuwkomers in het kader van inburgering. In overleg met de minister Vreemdelingenzaken en Integratie worden de eindtermen MO bijgesteld.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
De overheid stelt de eindtermen en het kerncurriculum per schooltype vast en garandeert onafhankelijk kwaliteitstoezicht (p. 12).Meer eigen ruimte voor scholen bij invulling onderwijsprogramma, naast de in het onderwijsaanbod vastgestelde kernvaardigheden (kerncurriculum) voor alle kinderen.• Formuleren beleidskoers inzake kerndoelen (kerncurriculum, differentieel deel, en eindtermen). • Wetswijziging, met wijziging over inhoud van huidige kerndoelen• Implementatie WOT• M.OCenW • Onderwijsorganisaties• Vakdidactici en educatieve uitgeversNovember 2002: brief aan TK met beleidskoers. Eind 2003: indiening wetsvoorstel. 2004–2005 voorbereiding scholen. 2005: invoering.N.v.t.

Stand van zaken

De indiening van voorstellen voor nieuwe kerndoelen is vertraagd, in verband met nieuwe consultaties van belanghebbende partijen over de ontwikkelde voorstellen. De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) is gevraagd een nieuw voorstel te ontwikkelen. Het streven is een nieuw voorstel voor herziening van de kerndoelen medio 2004 aan de Tweede Kamer voor te leggen.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
De overheid introduceert een verplichte begintoets voor het primair onderwijs. In lijn met het advies van de Onderwijsraad kan de toets worden benut bij de verdeling van middelen (wijziging gewichtenregeling) (p. 12).Per individuele leerling wordt het beginniveau vastgesteld en de vorderingen waardoor kwaliteit en toegevoegde waarde van de school zichtbaar wordt. Bij de toedeling van achterstandsmiddelen kan vervolgens beter worden aangesloten op gesignaleerde achterstanden.• Ontwikkeling plan van aanpak voor introductie van de begintoets• Indicatie van kosten voor verplichte landelijke invoering• Uitwerking van het bekosti- gingsmodel waarin capaciteiten leerling centraal staan• M.OCenW• Onderwijsorganisaties (bestuur, management en personeel)• VNG/gemeenten• Instellingen voor toetsontwikkeling• Ouders, leerlingen en hun organisatiesEind 2002: plan van aanpak aan TK. Eind 2003: indiening wetsvoorstel begintoets. 2003/2004: ontwik- keling/proefdraai- en en in 2005: invoering toets. Eind 2003: indiening wetsvoorstel herziening gewich- tenregeling en in 2006: invoering nieuwe gewichtenregeling.Plan van aanpak bevat uitwerking budgettaire gevol- gen.

Stand van zaken

Bij de behandeling van de begrotingen voor 2003 en 2004 heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken tegen een landelijk verplichte begintoets. De minister heeft daarom aangegeven dat bij de herijking van de gewichtenregeling het zal gaan over de principes van de nieuwe gewichtenregeling, de wijze waarop kan worden aangesloten bij feitelijke achterstanden, zonder dat alle kinderen worden getoetst, en dat aandacht zal worden geschonken aan de effecten die deze bekostiging heeft op het segregatievraagstuk.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
Onderwijs in allochtone levende talen (oalt) wordt afgeschaft (p. 12)Meer tijd en aan- dacht voor het leren van het Nederlands aan allochtonen; oalt wordt afgeschaft.• Wetswijziging tot afschaffing van OALT• Inventariseren consequenties voor OALT-leerkrachten• Maatregelen gericht op behoud leerkrachten voor de (onderwijs)-arbeidsmarkt• M.OCenW • Justitie• VNG/gemeenten• Onderwijsorganisaties (besturen en personeel)• Minderhedenorganisaties• OALT-oplei- dingenBegin 2003: indiening wetsvoorstel bij TK. 1 augustus 2004: invoering.(korting) 2004: € 29 miljoen2005: € 71 miljoen2006: € 72 miljoen op beleidsartikel 1 (basisonderwijs)

Stand van zaken

In overleg met vakbonden en werkgeversorganisaties is op 3 december 2003 een akkoord bereikt over een sociaal plan voor OALT-personeel. Hierbij zijn afspraken gemaakt over een bedrag per OALT-leraar, passende arbeid, loonsuppletie en afkoop van het bovenwettelijk deel van de uitkering. De TK is hierover bericht in een brief van 19 december 2003 (kenmerk PO/PJ-03 63857).

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
De invoering van het bachelormastersysteem in het hoger onderwijs wordt doorgezet (p. 12)De internationale vergelijkbaarheid en differentiatie in opleidingen is vergroot.• Aanpassen bekostiging • Monitoren bachelor-master• Uitwerken criteria voor financiering HBO-master• Invoering accreditatie• S.OCenW • VSNU en HBO-raadVoorjaar 2002: bekostiging aangepast en monitor gestart (1e rapportage begin 2003), Najaar 2002: beleidskader financiering HBO-mas- ter. 2003: invoering accreditatie2003–2006 € 2,6 miljoen structureel (accreditatie) op de beleidsartikelen 6 (hoger beroepsonderwijs) en 7 (wetenschappelijk onderwijs)

Stand van zaken

Met ingang van 1 september 2002 is de wettelijke regeling van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs van kracht. Het bekostigingsmodel voor de universiteiten is voor het jaar 2003 aangepast voor de bama-structuur. De Inspectie monitort de invoering van de bamastructuur en heeft in september 2003 daarover in het rapport (BaMatransities: de invoering van het bamastelsel in het wo en hbo» aan de minister en de Tweede Kamer gerapporteerd. Uit het rapport blijkt dat vrijwel alle hbo-opleidingen met ingang van het studiejaar 2002/2003 van rechtswege omgezet zijn in bacheloropleidingen. In het wo is van 82 procent van de geregistreerde opleidingen een BaMa-variant gestart. Tevens is bij de wetsbehandeling vastgelegd dat in 2007 de evaluatie plaatsvindt. Onder de universiteiten is in 2001–2002 in totaal € 45,4 miljoen verdeeld om de invoering te faciliteren. Uit de verantwoording in 2003 blijkt dat deze middelen volledig zijn besteed.

Tenslotte is in 2003 de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO) ingesteld zodat de kwaliteit van alle opleidingen door één orgaan worden getoetst.

Voornemen strategisch akkoordDoelenActiesActorenDeadlinesBudget (2003–2006)
De achteruitgang van wijken door het ver- dwijnen van sociale infrastructuur (waaronder scholen), moet worden gekeerd (p.14)De samenwerking tussen organisaties die gezamenlijk de sociale infra- structuur vormen (met daarin de school als spilfunctie) is geïntensiveerd.Door meer veiligheid in en om de school en de integrale aanpak van het jeugdbeleid,is de sociale infrastructuur versterkt.• Tegengaan schoolverzuim en uitval (rmc-functie) en sti- muleren leer- plichthandha- ving• Opstellen landelijke jeugdagen- da waarbij doelstellingen op rijksniveau wor- den geharmoniseerd, belemmeringen in regelgeving worden weggenomen en geldstromen worden gebundeld.• Herinrichten Transferpunt Jongeren, school en veiligheid (APS)• Realisatie sluitend netwerk van voorzieningen rond school (BANS)• Stimulering totstandkoming brede scholen• Ondersteuning samenwerking tussen onderwijs, sport en cultuurinstel- lingen• OCenW, VWS, BZK, SZW, Justitie, VROM • Onderwijsorga- nisaties, VNG/- gemeenten sociale partners, IPO/Provincies• Brede scholen, po- en vo-scho- len, roc's• CWI's, WIW- organisaties, Bureau's jeugdzorg, Raad voor de kinderbescherming en politie• Cultuurinstel- lingen, Nederlands Instituut voor sport en bewegen, NOC*NSF en KVLO.Eind 2004: model leerplichthand- having gereed. Begin 2003/2004: toetsing resultaten BANS-afspraken en informeren TK. November 2002: voortgangsbericht brede scholen aan TK. Voorjaar 2003: presentatie landelijke jeugdagenda, toezending aan TK. Januari 2004: evaluatie RMC-wet beschikbaar voor TK en EK.2003–2006: € 10 miljoen structureel voor de rmc-functie op beleidsartikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie). 2003–2006: € 0,35 miljoen structureel voor brede school op beleidsartikel 1 (basisonderwijs)

Stand van zaken

De Proeve van een Jeugdagenda is in het najaar 2003 aan de Kamer aangeboden. Het Kabinet heeft een commissaris voor het jeugdbeleid aangesteld die gaat bevorderen dat de agenda wordt uitgevoerd. Startdatum is 1 januari 2004. Voor het verbeteren van de makelende rol van het Transferpunt is in oktober 2003 gestart met een Adviesgroep Transferpunt Jongeren, School en Veiligheid onder voorzitterschap van OCW. In de adviesgroep zijn de organisaties voor ouders, besturen, onderwijspersoneel, directeuren en leerlingen vertegenwoordigd.

Deze ambitie, uitgesproken in het bestuursakkoord nieuwe stijl (BANS II, april 2002), is overgenomen in de jeugdagenda (zorgstructuur in en om de school). Inmiddels hebben 16 regionale conferenties plaatsgevonden om het directe contact tussen onderwijs en jeugdzorg op gang te brengen.

Stimulering heeft plaatsgevonden via het bevorderen van (boven)lokale communicatie en het verspreiden van resultaten en goede voorbeelden uit onderzoek. Deze samenwerking heeft, naast de ondersteuning via brede scholen, ook een impuls gekregen door de programma's cultuur en school en buurtonderwijs-sport.

De evaluatie van de RMC-wet door het SCO-Kohnstamm Instituut is januari 2004 afgerond. In februari 2004 is deze evaluatie tezamen met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer gezonden.

5. Financiële gevolgen 2003

Hieronder worden de belangrijkste beleidsmatige veranderingen op de begroting weergegeven. Onderdeel 5.1 tot en met 5.3 betreffen de wijzigingen die reeds in de begroting 2003 voorzien waren. Hierna worden de wijzigingen gedurende het begrotingsjaar 2003 behandeld. Dit betreffen de gevolgen van aangenomen amendementen en de suppletore wetten.

Tabel 1: Beleidsmatige wijzigingen (x € 1 miljoen)
 Artikel2003Nadere mutatiesRealisatie
5.1 Strategisch akkoord: intensiveringen676 76
5.2 Strategisch akkoord: ombuigingenOCW– 71 – 71
5.3 Bijstellingen 1 187 1 187
5.4. Nieuwe prioriteiten    
Amendementen  2923
1e suppletore begroting  – 37,4– 37,4
2e suppletore begroting1, 14, 17, 18 6,66,6

5.1 Strategisch akkoord: intensiveringen

In 2003 is op basis van de raming leerlingenontwikkeling het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs verhoogd met € 76 miljoen. Dit is inclusief het aandeel voor LNV dat € 14 miljoen beslaat. Conform het verdeelmodel zijn de instellingen voor het hoger onderwijs bekostigd.

5.2 Strategisch akkoord: ombuigingen

In 2003 heeft een aantal ombuigingen op de OCW-begroting plaatsgevonden. De voornaamste ombuigingen betroffen de efficiency-taakstellingen bij het hoger onderwijs, efficiency-, inhuur externen en volumetaakstelling op het bestuursdepartement, alsmede de korting op de incidentele loonontwikkeling. Deze taakstellingen zijn op de verschillende begrotingsartikelen verwerkt en hiermee gerealiseerd.

5.3 Bijstellingen

Dit onderdeel betreft de bijstellingen ten opzichte van de geautoriseerde begroting 2002 met budgettaire gevolgen voor 2003. De voornaamste bijstellingen zijn technisch en autonoom van aard.

Het zijn de loon-en prijsbijstelling, uitgaven voor leerlingenontwikkeling in voornamelijk het primair- en wetenschappelijk onderwijs, middelen voor de eerste opvang en de reguliere bekostiging van asielzoekers.

5.4 Nieuwe prioriteiten

Amendementen

Bij de OCenW-begroting 2003 zijn zeven amendementen aanvaard. Onderstaand vindt u een overzicht van deze amendementen en hun financiële consequenties, gevolgd door een korte toelichting per amendement.

Tabel 2: Amendementen (x € 1 000)
Nr.OmschrijvingArtikelnummerFinanciële consequenties
29Stichting Plato3337
31Innovatiearrangement bve410 000
32Voor- en vroegschoolse educatie110 000
33Zwemonderwijs11 000
34Professionalisering docenten ict104 000
45Opleiding tussenschoolse opvang12000
101Educatieve televisieprogramma's41 500

Ad. 29, Lambrechts en Hamer, Stichting Plato

Dit amendement beoogde de stichting Plato te subsidiëren teneinde de informatieverstrekking over en begeleiding van hoogbegaafde kinderen te continueren. Na beoordeling van het activiteitenplan van de stichting Plato is het geamendeerde bedrag deels in 2003 en deels in 2004 aan de stichting Plato ter beschikking gesteld.

Ad. 31, Monique de Vries en Jan de Vries, Innovatiearrangement bve

Naar aanleiding van dit amendement is in mei 2003 een convenant afgesloten met het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid over de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven, onderwijs in de praktijk en in het bijzonder over de innovatiearrangementen. Op basis van dit convenant is een regeling uitgewerkt voor de subsidiering van innovatieprojecten. Voor 2003 is hiervoor – conform de strekking van dit amendement – € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Er zijn voor 1 september 2003 een groot aantal projecten ingediend door instellingen samen met het bedrijfsleven. Op basis van een rangschikking en advies door de hiertoe ingestelde beoordelingscommissie kwamen 21 projecten in aanmerking voor subsidiëring. Dit advies is overgenomen, zodat deze 21 projectvoorstellen in 2003 gestart zijn.

Ad. 32, Jan de Vries c.s., voor- en vroegschoolse educatie

Dit amendement beoogde taalachterstanden effectief aan te pakken, door in de voor- en vroegschoolse fase al aandacht te besteden aan de Nederlandse taal. Hiertoe is in 2003 € 3,2 miljoen van dit budget besteed aan het versnellen van de ontwikkeling van één taallijn voor de voorschoolse periode, opdat een doorlopende leerlijn Nederlandse taal voor 2 tot 12-jarigen ontstaat. In 2004 zal de implementatie van de leerlijn door middel van deskundigheidsbevordering van personeel plaatsvinden, hiervoor is € 6 miljoen nodig. De doelstelling van het amendement, versnelde implementatie taal vve, wordt hiermee bereikt. Een uitgebreide toelichting wordt gegeven in beleidsartikel 1, § 1.3.1.1. Achterstandenbeleid.

Ad. 33, Rijpstra c.s., zwemonderwijs

Dit amendement strekt ertoe de veiligheid in het zwemonderwijs te verbeteren. Bij beschikking van 30 oktober 2003 is € 1 miljoen (€ 0,8 miljoen in 2003 en € 0,2 miljoen in 2004) toegekend aan het Nederlands Instituut voor Sport en Recreatie (NISR). Met deze middelen is een landelijke pilot met elektronische detectiesystemen voor drenkelingen opgezet en wordt onderzocht of dergelijke systemen een bijdrage leveren aan de integrale veiligheid in zwembaden. De zwembaden/gemeenten in Nederland zijn aangeschreven om hen opmerkzaam te maken op de mogelijkheid subsidie te krijgen voor het aanschaffen van een drenkelingendetectiesysteem in het zwembad. In 2004 volgt het feitelijke onderzoek naar de effecten van het plaatsen van een dergelijk systeem. In beleidsartikel 1, § 1.3.2.5 wordt nader ingegaan op het verhogen van de zwemvaardigheid.

Ad. 34, Bonke c.s., professionalisering docenten ict

Dit amendement heeft tot doel het daadwerkelijk gebruik van ict door leraren te bevorderen, met name door middel van projecten gericht op het «learning by doing». In 2003 hebben leraren hiertoe door middel van het «Grassroots»-project ervaringen opgedaan met het gebruik van ICT in de klas.

In november 2003 zijn er ruim 2200 van dergelijke projecten opgestart.

Ad. 45, Hamer en Lambrechts, opleiding tussenschoolse opvang

Dit amendement is bedoeld om ook in 2003 het opleiden van medewerkers voor de tussenschoolse opvang mogelijk te maken. In 2003 is daarom opnieuw geïnvesteerd in het opleiden van overblijfkrachten. Doel was het verder professionaliseren van de tussenschoolse opvang door het vergroten van de deskundigheid van de overblijfkrachten. In totaal zijn er ruim 7000 overblijfkrachten opgeleid. De doelstelling is hiermee bereikt. Ander doel van het beleid was het bundelen en verspreiden van ervaringen van scholen met tussenschoolse opvang. Ook dit doel is bereikt. Het budget voor bovenstaande is eveneens nagenoeg uitgeput. Een uitgebreide toelichting is te vinden in beleidsartikel 1, § 1.3.3.5. Tussenschoolse opvang.

Ad. 101, Hamer c.s., educatieve televisieprogramma's

Dit amendement beoogde middelen vrij te maken voor lokale televisie ten behoeve van educatieve programma's voor laagopgeleiden. Naar aanleiding hiervan is in 2003 de inzet van educatieve TV uitgebreid van Rotterdam naar de andere grote steden (Den Haag, Utrecht en Amsterdam). In alle vier de steden worden thans educatieve programma's via de regionale omroepen of een eigen kabel uitgezonden. De roc's in de vier grote steden hebben in 2003 gezamenlijk de Stichting Expertisecentrum ETV.nl opgericht. Deze stichting moet ervoor zorgen dat educatieve TV verder wordt ontwikkeld en verspreid naar de andere steden met als doel landelijke dekking. Voor bovenstaande hebben in 2003 de ministeries van OCW en SZW aan de stichting een bedrag van €1,1 miljoen (€ 0,7miljoen OCW, € 0,4 miljoen SZW) overgemaakt. Daarnaast heeft het ministerie van Justitie een bedrag van € 0,3 miljoen beschikbaar gesteld voor specifiek op inburgering gerichte programma's.

1e suppletore wet

Dit zijn aanpassingen van de OCW-begroting waartoe het kabinet bij Voorjaarsnota 2003 heeft besloten. In de 1e suppletore begroting 2003 is per saldo een beleidsmatige (uitgaven)verlaging van € 37,4 miljoen opgenomen. De intensiveringen betreffen voornamelijk de middelen uit de eindejaarsmarge 2002 en een opwaartse bijstelling als gevolg van de referentieraming. De ombuigingen betreffen de taakstellingen uit het hoofdlijnenakkoord, waarvan de voornaamste de taakstelling incidentele loonontwikkeling en de taakstelling niet-belastingontvangsten betreffen.

2e suppletore wet

Dit zijn beleidsmatige aanpassingen van de OCW-begroting waartoe het kabinet bij Najaarsnota 2003 heeft besloten. In de 2esuppletore begroting is per saldo een uitgavenverhoging van € 6,6 miljoen opgenomen. De belangrijkste beleidsmatige mutaties betreffen de extra investeringen in huisvesting musea (€ 3,7 miljoen) en leerlingenvervoer (€ 6,5 miljoen). Hiernaast is de begroting neerwaarts bijgesteld door vrijval van de btw voor de begeleidingsdiensten.

1. BASISONDERWIJS EN 2. EXPERTISECENTRA

1.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling van de minister voor het primair onderwijs is dat alle kinderen passend en kwalitatief goed onderwijs krijgen in deugdelijk toegeruste scholen. Het gaat hier om kinderen in de leeftijdscategorie van ongeveer 4 tot 12 (maximaal 14) jaar en jongeren van ongeveer 4 tot en met 19 jaar die door een handicap of een gedragsstoornis zijn aangewezen op een orthopedagogische en orthodidactische benadering.

Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC) vastgelegd dat de (rijks)overheid een stelsel van basisscholen, respectievelijk een stelsel van scholen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs in stand houdt.

De algemene beleidsdoelstelling wordt uitgewerkt in drie operationele doelstellingen op stelselniveau, toegankelijkheid, kwaliteit en toerusting.

Toegankelijkheid

Onderwijs helpt kinderen hun talenten te ontwikkelen. Daarom moet er een stelsel van scholen in stand gehouden worden dat het voor alle kinderen mogelijk maakt om onderwijs te volgen dat bij hen past.

Kwaliteit

Het primair onderwijs moet kwalitatief van een dusdanig niveau zijn, dat het de leerling voorbereidt op de Nederlandse samenleving en het de leerling mogelijk maakt om naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar talenten.

Toerusting

De overheid heeft de verantwoordelijkheid de door haar bekostigde scholen deugdelijk toe te rusten. Hierbij creëert zij de condities waaronder scholen in staat zijn te voldoen aan de toegankelijkheids- en kwaliteitseisen.

De minister is bij deze doelstellingen systeemverantwoordelijk. Dat wil zeggen dat de instellingen (scholen, gemeenten, fondsen en dergelijke) primair verantwoordelijk zijn voor hun handelen en de resultaten die zij behalen met de middelen die ze van OCW ontvangen. De verantwoordelijkheid van de rijksoverheid geldt dan voor het stelsel als geheel: voor het instandhouden van het stelsel en voor de gezamenlijke resultaten van alle instellingen. De precieze relatie tussen rijksoverheid en scholen is voor het primair onderwijs vastgelegd in de WPO en WEC.

Besturingsfilosofie: dereguleren en autonomie

De leerling staat centraal in het beleid. Scholen en instellingen moeten de ruimte krijgen om «onderwijs op maat» te realiseren voor leerlingen en om de creativiteit en professionaliteit van het onderwijspersoneel optimaal te kunnen benutten. Dat betekent een stevige dereguleringsslag. De invoering van een kerncurriculum en lumpsumbekostiging dragen hieraan bij. In respectievelijk § 1.3.2. en § 1.3.3 wordt de stand van zaken rond deze maatregelen toegelicht. Meer ruimte voor eigen beleid van scholen verandert ook het toezicht. Scholen zullen rekenschap moeten afleggen over de gerealiseerde kwaliteit van het onderwijs en de keuzes voor de besteding van de middelen. Een school dient dit zowel aan de ouders te doen, als aan de rijksoverheid.

Naast de accountantsdienst en CFI, als toezichthouders op het gebied van de financiële verantwoording, heeft de onderwijsinspectie hier een belangrijke rol. Met het aannemen van de Wet op het Onderwijstoezicht kan de inspectie stimulerend toezien op de kwaliteitszorg van de instellingen. De onderwijsinspectie rapporteert jaarlijks in het onderwijsverslag over de staat van het onderwijs in zijn geheel (zie § 1.2.2 Kwaliteit).

1.2 Het stelsel: de staat van het primair onderwijs

1.2.1 Toegankelijkheid

Hebben we bereikt wat wilden bereiken?

Onderwijs helpt kinderen hun talenten te ontwikkelen. Daarom moet er een stelsel van scholen in stand gehouden worden dat het voor alle kinderen – ook voor kinderen met (een groter risico op) leerachterstanden en leerproblemen – mogelijk maakt om onderwijs te volgen dat bij hen past. Een indicator om vast te stellen of scholen in staat zijn om leerlingen met speciale zorgbehoeften op te vangen, is het percentage basisscholen waar de inspectie een goede zorgstructuur aantreft, in 2003 was dit percentage 74,2%. In 2002 was dit percentage nog 54,8%. De vooruitgang van de kwaliteit van de leerlingenzorg is opvallend groot. Deze vooruitgang wordt met name waargenomen op twee terreinen. Ten eerste slagen scholen er beter in problemen bij leerlingen vroegtijdig te signaleren. Ten tweede volgt een toenemend aantal scholen dankzij het gebruik van betrouwbare toetsen en observatiesystemen de ontwikkeling en de vorderingen van hun leerlingen systematisch en nauwgezet. Daarnaast is er sprake van een toename van het aantal scholen dat consequent handelingsplannen opstelt voor leerlingen met extra onderwijsbehoeften. Ook stijgt de kwaliteit van de handelingsplannen voor leerlingen die extra zorg behoeven, al blijken de meeste scholen het nog lastig te vinden concrete en meetbare doelstellingen op te nemen in de handelingsplannen. Meer informatie over leerlingenzorg is te vinden in het onderwijsverslag 2003 van de Inspectie van het Onderwijs.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de toegankelijkheid van het stelsel te realiseren, zet de overheid een aantal beleidsinstrumenten in, te weten: onderwijsachterstandenbeleid (waaronder voor- en vroegschoolse educatie), onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis, weer samen naar school: onderwijs aan leerlingen met een specifieke zorgbehoefte, eerste opvang onderwijs aan leerplichtige asielzoekers, brede scholen en Nederlands onderwijs in het buitenland. Deze maatregelen worden in § 1.3.1 besproken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.1: Ingezette middelen toegankelijkheid (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Toegankelijkheid1 348,71 486,31 536,81 422,5114,3
Onderwijsachterstandenbeleid491,8539,9524,4517,96,5
Onderwijs in allochtone levende talen64,769,272,870,32,5
Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis455,4538,1595,7516,479,3
Weer samen naar school312,9313,7320,9295,525,4
Asielzoekers4,44,62,70,22,5
Brede school0,00,30,30,30,0
Onderwijs in het buitenland11,512,212,414,0– 1,6
Overig8,18,27,67,8– 0,2

Kwaliteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het primair onderwijs moet kwalitatief van een dusdanig niveau zijn, dat het de leerling voorbereidt op de Nederlandse samenleving en het de leerling mogelijk maakt om naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar talenten. Als indicator van de onderwijskwaliteit dienen de gegevens die de inspectie in haar jaarlijks onderwijsverslag bijhoudt. Deze gegevens bestaan uit het percentage scholen dat voldoet aan de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs. Deze kwaliteitskenmerken bestaan uit de kwaliteitsaspecten van het onderwijsleerproces, opbrengsten en condities voor goed onderwijs.

Tabel 1.2: Percentage basisscholen dat voldoet aan de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs*
 199819992000200120022003
Kwaliteitsaspecten onderwijsleerproces      
Leerstofaanbod: kerndoelen 60,469,673,381,091,4
Leerstofaanbod: doorgaande lijn 42,341,132,834,146,8
Leertijd89,695,696,193,193,190,1
Pedagogisch klimaat: veilig en structurerend96,598,896,596,398,597,4
Pedagogisch klimaat: stimulerend en uitdagend66,069,064,464,571,383,3
Didactisch handelen: helder en gestructureerd91,691,693,594,595,493,4
Didactisch handelen: actieve betrokkenheid leerlingen81,674,970,366,472,870,6
Didactisch handelen: leerstrategieën50,742,646,249,1
Didactisch handelen: afstemming29,139,436,430,438,337,7
Didactisch handelen: doelmatige klassenorganisatie95,097,49799,599,698,8
Leerlingenzorg58,758,456,846,854,874,2
Opbrengsten      
Opbrengsten eind Bao ten minste op verwacht niveau66,367,570,887,786,5
Opbrengsten eind Bao onder verwacht niveau5,16,38,54,67,4
Opbrengsten eind Bao onbekend28,626,320,87,76,2
Condities voor goed onderwijs      
Kwaliteitszorg22,127,937,525,927,026,3
Professionalisering66,764,864,573,084,4
Interne communicatie88,187,486,783,487,390,2
Externe contacten98,096,597,595,998,198,7
Contacten met ouders97,495,694,597,798,992,2

Bron: Onderwijsverslag 2003, Inspectie van het Onderwijs..

*De Inspectie van het Onderwijs meldt in het Onderwijsverslag 2003 dat het nieuwe toezichtskader (gebaseerd op de Wet op het onderwijstoezicht) verschilt van de vormen van toezicht in de periode 1998–2002 (IST en RST). Vergelijkingen met voorgaande jaren zijn niet zondermeer mogelijk. De inspectie heeft daarom scholen uit de steekproef voor het Onderwijsverslag 2003 niet alleen met het huidige toezichtskader beoordeeld, maar ook op indicatoren die bij het IST van kracht waren. De inspectie sluit niet uit dat de omvang van sommige ontwikkelingen hierdoor enigszins geflatteerd is.

Uit tabel 1.2 blijkt dat de kwaliteit van het basisonderwijs deels overeenkomt met dat uit vorige jaren. Sterke kanten zijn nog steeds leertijd, veiligheid en de structuur van het pedagogisch klimaat. Leraren bieden structuur en duidelijke uitleg in hun lessen en organiseren hun lessen goed. De doorgaande lijn in het leerstofaanbod, aandacht voor leerstrategieën en afstemming op verschillen tussen leerlingen blijven zwakke kanten. Op verschillende kwaliteitskenmerken hebben de basisscholen in het schooljaar 2002–2003 een flinke vooruitgang geboekt. Elk jaar groeit het aantal scholen dat een leerstofaanbod verzorgt dat dekkend is voor de kerndoelen en op bijna de helft van de scholen vertoont het leerstofaanbod een duidelijke doorgaande lijn. Scholen slagen er in hun pedagogisch klimaat uitdagender te laten zijn. Vooral de versterking van de leerlingenzorg is opvallend. Hierop is nader ingegaan in § 1.2.1 Toegankelijkheid. De condities voor goed onderwijs zijn, evenals in vorige jaren, gunstig. Een uitzondering hierop is de kwaliteitszorg. Deze blijft tekortkomingen vertonen. Op slechts 26% van de scholen voldoet de kwaliteitszorg aan de eisen. Binnen de kwaliteitszorg zijn in het basisonderwijs enkele sterke en zwakke elementen te onderscheiden. Driekwart van de basisscholen is goed op de hoogte van de kenmerken van de leerlingenpopulatie en de plaats van de school in de omgeving. Bijna alle scholen werken gericht aan verbetering van hun onderwijs en hebben daarvoor prioriteiten vastgelegd en planningen opgesteld, maar niet meer dan twee derde van de scholen doet dit op basis van een actuele analyse van de eigen kwaliteit. Opvallend is dat slechts één op de vijf scholen concrete doelen voor de opbrengsten heeft geformuleerd. Daarnaast is de cultuur om regelmatig de effecten van de verbeteractiviteiten te evalueren in het basisonderwijs zwak ontwikkeld. De aandacht van besturen en scholen voor dit onderwerp neemt toe. Dit wordt met name zichtbaar in de schoolplannen die zijn opgesteld voor de periode 2004–2007.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Diverse maatregelen en initiatieven hebben tot doel scholen te ondersteunen bij het op peil houden en desgewenst verbeteren van de onderwijskwaliteit. Met een herziening van de kerndoelen wordt beoogd scholen meer houvast te bieden bij het inrichten van het onderwijsleerproces. De wijze van formatietoekenning in de onderbouw is er op gericht docenten in staat te stellen het onderwijs af te stemmen op de verschillen tussen leerlingen. Met behulp van leerlingvolgsystemen kunnen scholen de individuele vorderingen en ontwikkelingen van alle leerlingen systematisch bepalen en bij de inrichting van het onderwijsproces rekening houden met de verschillen die er zijn tussen leerlingen. Voldoende schooltijd is een voorwaarde voor onderwijskwaliteit. Naast de maatregelen die genomen worden om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, heeft het ministerie sinds kort ook de zorg op zich genomen voor de zwemvaardigheid van de kinderen.

Hiertoe wordt aan 35 gemeenten een bijdrage verstrekt, waarmee zij aanvullende arrangementen kunnen inrichten om de zwemvaardigheid van kinderen te verhogen. De genoemde beleidsinstrumenten worden in § 1.3.2 uitgewerkt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.3: Ingezette middelen Kwaliteit (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Kwaliteit335,4498,2645,0570,574,5
Kerndoelen0,00,00,00,00,0
Groepsgrootteverkleining in de onderbouw326,5487,8631,0558,872,2
Leerlingvolgsystemen1,13,81,91,40,5
Schooltijden0,00,00,00,00,0
Schoolzwemmen0,04,45,35,5– 0,2
Overig7,92,36,84,72,1

1.2.3 Toerusting

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om de door haar bekostigde scholen deugdelijk toe te rusten. Hierbij creëert zij de condities waaronder scholen in staat zijn te voldoen aan de toegankelijkheids- en kwaliteitseisen. Het doel is dat de toerusting op scholen voldoet aan de gestelde normen. Het is niet mogelijk om één concrete streefwaarde te noemen voor deze doelstelling.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De volgende beleidsinstrumenten hebben bijgedragen aan een goede toerusting van scholen: onderwijspersoneel, huisvesting, materiële vergoedingen, ict in het onderwijs, tussenschoolse opvang, bestuurlijke krachtenbundeling, invoering lumpsumfinanciering in het primair onderwijs en schoolbegeleiding. Deze beleidsinstrumenten worden besproken in § 1.3.3

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.4: Ingezette middelen Toerusting (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Toerusting4 606,04 892,55 063,45 085,7– 22,3
Personeel3 740,44 016,64 177,93 887,5290,5
Materiele vergoedingen779,4779,2781,1769,111,9
Bestuurlijke krachtenbundeling30,030,735,835,10,7
Tussenschoolse opvang0,03,85,02,03,0
Schoolbegeleidingsdiensten54,757,259,459,00,4
Overig + voorcalculatorische uitdelingen1,55,04,2332,9– 328,7

1.2.4 Bekostiging

Tabel 1.5: Bekostiging basisonderwijs (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Verplichtingen5 672,36 165,26 493,06 309,7183,3
Waarvan garantieverplichtingen*0030,0030,0
Uitgaven5 671,36 168,36 461,86 311,8150,0
Personeel basisonderwijs4 468,24 914,65 162,05 046,8115,2
Personeel speciaal basisonderwijs334,9358,3381,1368,212,9
Materieel basisonderwijs757,9779,4796,5781,015,5
Materieel speciaal basisonderwijs41,844,141,941,20,7
Overig68,571,980,274,65,6
– waarvan schoolbegeleidingsdiensten54,757,259,459,00,4
– waarvan stimuleringsuitgaven13,814,720,915,65,3
Ontvangsten19,846,726,518,08,5
– waarvan bao18,544,925,517,08,5
– waarvan sbao1,41,81,01,00,0
Gesaldeerde uitgaven basisonderwijs5 275,35 720,26 012,05 884,4127,6
Gesaldeerde uitgaven speciaal basisonderwijs376,2401,4423,2409,313,9
Gesaldeerde uitgaven WPO5 651,46 121,66 435,36 293,7141,5
Budget WPO (saldo van)5 651,56 121,66 435,36 251,8183,4
– waarvan basisonderwijs5 275,35 720,26 012,05 845,3166,7
– waarvan speciaal basisonderwijs376,2401,4423,2406,516,7
Deelnemers/leerlingen/studenten WPO per 1 oktober van het jaartal boven de kolom (x 1 000)1 603,91 601,81 598,81 617,2– 18,4
– waarvan basisonderwijs1 552,11 549,71 547,31 565,7– 18,4
– waarvan speciaal basisonderwijs51,852,151,551,50,0
Uitgaven per leerling WPO (x € 1 000)3,53,84,03,90,1
– waarvan basisonderwijs3,43,73,93,70,2
– waarvan speciaal basisonderwijs7,37,78,27,90,3

*Het middelenbeheer van het vervangingsfonds en het participatiefonds is in 2003 geïntegreerd met het door het ministerie van Financiën te verzorgen middelenbeheer van de Staat (geïntegreerd middelenbeheer). Hierbij krijgen de fondsen, op basis van een rekeningcourant overeenkomst tussen het ministerie van Financiën en de fondsen, de beschikking over een leenfaciliteit. OCW staat garant ingeval de fondsen niet aan de verplichtingen kunnen voldoen die uit de rekening-courantovereenkomst voortvloeien.

Tabel 1.6: Bekostiging expertisecentra (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Verplichtingen618,9709,4783,0761,022,0
Waarvan garantieverplichtingen00000
Uitgaven618,8708,7783,5761,022,5
Personeel550,1638,9709,9687,322,6
Materieel67,167,773,071,61,4
Overig1,52,10,52,0– 1,5
Ontvangsten3,22,91,92,7-0,8
Gesaldeerde uitgaven WEC615,5705,8781,6758,323,3
Budget WEC (saldo van)615,5705,8781,6755,526,1
Deelnemers/leerlingen/studenten WEC per 1 oktober van het jaartal boven de kolom (x 1 000)48,252,154,653,31,3
Uitgaven per leerling WEC (x € 1 000)12,813,614,314,20,1

De reguliere bekostiging voor de scholen in het primair onderwijs bestaat uit bekostiging voor personeel, materieel en huisvesting. Middelen voor personeel en materieel ontvangen scholen van het Rijk. De middelen voor huisvesting worden via het Gemeentefonds over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de verdeling van de huisvestingsmiddelen over de scholen. De uitgaven van het Rijk voor het primair onderwijs bedragen € 7,2 miljard (excl. huisvesting). De personele uitgaven hebben hierin het grootste aandeel, 86%. Informatie over personeel is te vinden in de overzichtsconstructie arbeidsmarktbeleid. Kengetallen over personeel en materieel zijn te vinden in OCW in kerncijfers.

De bekostiging is voor het grootste deel gebaseerd op het leerlingenaantal van de school. Naast de reguliere bekostiging ontvangen scholen middelen via specifieke uitkeringen aan gemeenten en via samenwerkingsverbanden. In het kader van projecten ontvangen scholen van het ministerie ook incidentele middelen. Daarnaast kunnen scholen een ouderbijdrage vragen en middelen aanvaarden van sponsors en donateurs. Voor sponsorgelden zijn met de organisaties in het veld gedragscodes overeengekomen. In de wet is vastgelegd dat de ouderbijdrage vrijwillig is.

1.2.5 Rendement

Een indicator om het rendement vast te stellen in het basisonderwijs is het aantal basisscholen dat opbrengsten (de bijdragen van de school aan de ontwikkeling van kinderen) genereert aan het eind van de basisschool op of boven het verwachte niveau van de leerlingenpopulatie. Uit tabel 1.2 blijkt dat het aantal scholen met opbrengsten op of boven het verwachte niveau 86,5% bedraagt in 2003. 7,4% van de scholen heeft opbrengsten onder het verwachte niveau van de leerlingen en op 6,2% van de scholen is het niveau van de opbrengsten niet vast te stellen in verband met het ontbreken van betrouwbare en genormeerde gegevens. Het aandeel scholen waarvan de opbrengsten aan het eind van de basisschool niet is vast te stellen neemt af. Van de scholen die opbrengsten genereren onder het verwachte niveau (7,4%) vertoont ongeveer de helft ernstige tekortkomingen op cruciale aspecten in het onderwijsleerproces. In die gevallen wordt gesproken van zeer zwakke scholen. Scholen met veel autochtone achterstandsleerlingen en scholen met overwegend allochtone risicoleerlingen behoren vaker tot deze categorie dan andere scholen.

1.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen

De operationele doelstellingen toegankelijkheid, kwaliteit en toerusting zijn opgenomen en verantwoord in § 1.2. In deze paragraaf worden de operationele doelstellingen uitgewerkt in beleidsinstrumenten.

1.3.1 Toegankelijkheid

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beleidsinstrumenten die bijdragen aan het vergroten van de toegankelijkheid van het onderwijs.

1.3.1.1 Onderwijsachterstandenbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Van de circa 1,6 miljoen kinderen in het basisonderwijs behoren ongeveer 400 000 kinderen tot de doelgroep van het achterstandenbeleid. De helft daarvan zijn autochtone leerlingen uit een achterstandsituatie. De overige 200 000 zijn leerlingen van allochtone afkomst uit een achterstandssituatie. Het onderwijsachterstandenbeleid heeft tot doel onderwijsachterstanden aan te pakken en te voorkomen. Alle leerlingen moeten volwaardig kunnen participeren in de Nederlandse samenleving en naar een vorm van voortgezet onderwijs gaan die het beste aansluit bij hun talenten. De achterstand komt vooral tot uiting in een slechtere beheersing van de Nederlandse taal.

Hoewel harde monitorgegevens op dit moment nog ontbreken, zijn er wel sterke aanwijzingen uit onderzoeksresultaten dat het tot op heden gevoerde beleid resultaten afwerpt. Zo wordt in de Minderhedenrapportage 2003 (SCP) onder andere vermeld dat Turkse en Marokkaanse leerlingen in het basisonderwijs goede vooruitgang boeken in het rekenen, al staan ze nog op achterstand. Vooral de vooruitgang in de rekenresultaten van Turkse en Marokkaanse leerlingen in groep 8 is spectaculair te noemen. In taal lopen zij nog ongeveer twee leerjaren achter op autochtone niet-achterstandsleerlingen. Toch zijn er volgens het SCP aanwijzingen dat de Turkse en Marokkaanse leerlingen in de loop van het basisonderwijs iets van hun aanvankelijke taalachterstand goedmaken. Daarnaast meldt het SCP dat de eindtoetsscores in alle minderheidsgroepen (m.u.v. de Antilliaanse leerlingen) sinds 1994 omhoog gaan.

Ook de achterstand aan het begin van de basisschool wordt kleiner: sinds 1994 hebben Turkse en Marokkaanse leerlingen ongeveer 10% van hun achterstand aan het begin van de basisschool ingelopen, Surinaamse leerlingen zelfs 30%. Daar komt bij dat deze leerlingen in de loop van de basisschoolperiode hun achterstanden verder inlopen. Het percentage allochtone leerlingen op de peuterspeelzaal neemt toe.

De onderzoeksresultaten over de autochtone achterstandsleerlingen zijn minder gunstig. Uit een rapport van het SCP blijkt dat hun prestaties de afgelopen 12 jaar, vooral op taalgebied, achteruit zijn gegaan. Autochtone achterstandsleerlingen hebben in groep 8 een taalachterstand van 1 jaar op autochtone niet-achterstandsleerlingen. Ook op rekengebied lopen autochtone achterstandsleerlingen in groep 8 nog 5 maanden achter op autochtone niet-achterstandsleerlingen.

Het SCP geeft aan dat er voor de verklaring van de dalende schoolprestaties onderzoek nodig is, omdat daarover nog te weinig bekend is.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Er wordt aan de realisatie van genoemde doelstellingen gewerkt via scholen en via gemeenten.

Scholen krijgen financiële middelen in het kader van de gewichtenregeling. Gemeenten krijgen een specifieke uitkering, waarin met ingang van 1 augustus 2002 de middelen voor het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid (GOA), de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) en Onderwijskansen (OK) zijn gebundeld tot één budget en over de GOA-gemeenten verdeeld. Om in kleine gemeenten een lokaal onderwijskansenbeleid uit te kunnen voeren was naast de GOA-bekostiging een bedrag van € 9 miljoen beschikbaar.

In het hoofdlijnenakkoord is aangekondigd dat het onderwijsachterstandenbeleid zal worden aangepast en dat er met ingang van 2004 bezuinigd zal worden op het onderwijsachterstandenbudget.

Over de vormgeving van het nieuwe beleid en de invulling van de bezuiniging is op 31 oktober 2003 een brief aan de Tweede Kamer gezonden.

Gewichtenregeling

De gewichtenregeling stelt scholen met veel achterstandsleerlingen in staat om deze leerlingen onderwijs op maat te geven. Zo draagt de gewichtenregeling bij aan de doelstelling van het achterstandenbeleid. De regeling houdt in dat basisscholen met een substantieel aantal achterstandsleerlingen op basis van een «weging» van de leerlingen in aanmerking komen voor extra personeelsformatie.

Tabel 1.7: Leerlingen verdeeld naar gewicht (x 1000) op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren
Gewichtenleerlingen in het basisonderwijs2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Geen gewicht1 132,81 147,91 163,31 158,94,4
0.25212,6197,6184,1192,4– 8,3
0.41,11,11,11,10,0
0.73,33,13,13,4– 0,3
0.9202,3200,0195,8209,6– 13,8
Subtotaal1 552,11 549,71 547,31 562,4– 18,1
Leerlingen trekkende bevolking0,30,30,30,30,0
Totaal1 552,41 550,01 547,61 565,7– 18,1
Cumi-leerlingen in het sbao8,89,19,29,5– 0,3
Cumi-leerlingen in het (v)so9,110,210,610,7– 0,1

Bron: Cfi.

In tabel 1.7 is een overzicht gegeven van de ontwikkeling van het aantal gewichtenleerlingen in het basisonderwijs. In 2003 zijn er ruim 384 000 gewichtenleerlingen geteld die als zodanig worden aangemerkt. Daarvan kwamen er (door de drempel van 9% die bereikt moet worden voordat scholen gewichtengeld ontvangen) zo'n 290 500 leerlingen daadwerkelijk voor gewichtengeld in aanmerking. Van deze 290 500 bereikte gewichtenleerlingen gaat het om bijna 180 00 allochtone achterstandsleerlingen (met een gewicht van 0.9) en om zo'n 107 500 autochtone achterstandsleerlingen (met een gewicht van 0.25).

Wat de verdeling van het gewichtengeld over de scholen betreft is het zo dat van het totaal aantal van 7150 basisschoolvestigingen in Nederland (dit zijn zowel hoofd- als nevenvestigingen; er zijn in 2003 6995 basisscholen) er ruim 2800 vestigingen (zo'n 40%) gewichtenmiddelen ontvangen. In de G4 ontvangt 80% van de basisschoolvestigingen gewichtengeld, in de G30 57% en is dat percentage 31% van de basisschoolvestigingen die buiten de G4 en de G30 liggen.

Van het totaal aantal bereikte gewichtenleerlingen behoort in de G4 85% tot de categorie allochtone achterstandsleerlingen. In de G30 is dat 61% en in de overige delen van Nederland 47%. Door de drempel van 9% is het wel zo dat landelijk 42% van alle gewogen autochtone achterstandsleerlingen niet in aanmerking komt voor gewichtengeld. In de delen van Nederland die buiten de G4 en de G30 liggen, komt 50% van deze leerlingen niet in aanmerking voor gewichtengeld. In de G4 komt, door het hoge aantal 1.9 leerlingen, slechts 6% van de autochtone achterstandsleerlingen daarvoor niet in aanmerking. Anderzijds is het zo dat van alle gewogen allochtone leerlingen 8% niet in aanmerking komt voor gewichtengeld. In de G4 betreft het slechts 1% van de gewogen leerlingen, in de G30 7% en in de gebieden buiten de G4 en de G30 gaat het om 16% van de in die gebieden gewogen leerlingen.

In de toekomst wordt de gewichtenregeling zodanig aangepast dat beter wordt aangesloten bij feitelijke achterstanden van groepen leerlingen. Feitelijke achterstand zal dus een rol spelen bij de toekenning van gewichtengelden, echter zonder dat alle leerlingen worden getoetst. Ook wordt nagegaan op welke wijze tegemoet kan worden gekomen aan het feit dat er, door de drempel van 9%, veel autochtone achterstandsleerlingen zijn die nu niet in aanmerking komen voor gewichtengeld. Bij de herziening van de gewichtenregeling wordt ook de advisering van de Onderwijsraad betrokken.

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa)

Voor de periode 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006 zijn voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in het primair onderwijs de volgende doelstellingen geformuleerd in het landelijk beleidskader (lbk):

• reductie van de taalachterstand van doelgroepleerlingen met 25% in 2006 ten opzichte van niet-doelgroepleerlingen. Tegen het einde van de 4-jaarlijkse periode wordt door middel van onderzoek gemeten of deze doelstelling ook daadwerkelijk is gehaald. Tussentijdse streefwaarden zijn niet geformuleerd.

• verbetering van de startpositie in het basisonderwijs door middel van het realiseren van deelname aan kwalitatief goede programma's voor voor- en vroegschoolse educatie door tenminste 50% van de doelgroep in de leeftijd van 2 tot en met 5 jaar (zie verder onder Voor- en vroegschoolse educatie).

Naast de inhoudelijke doelstellingen van het landelijk beleidskader is de aanpak van het onderwijskansenbeleid als instrumenteel doel opgenomen. De onderwijskansenaanpak is erop gericht de effectiviteit van het onderwijsachterstandenbeleid te verhogen door, op basis van analyses van de concrete problemen in en rond een school, de middelen daar in te zetten waar ze het hardst nodig zijn.

In totaal hebben 362 gemeenten goa-middelen ontvangen. Alle 272 gemeenteraden van de planplichtige gemeenten hebben een goa-plan vastgesteld. In deze plannen geven gemeenten aan op welke wijze ze denken de doelstellingen van het landelijk beleidskader te zullen gaan halen. Het SCO-Kohnstamm instituut te Amsterdam heeft alle goa plannen globaal geanalyseerd. Daarnaast zijn de goa-plannen van de G4 en het merendeel van de G32 diepgaand geanalyseerd. Uit deze analyses is gebleken dat de aanpak van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid binnen de gemeenten een meer gestructureerd karakter heeft ten opzichte van de eerste goa periode (1998–2002). Daarnaast is gebleken dat bijna alle gemeenten de landelijke doelstellingen in hun plannen hebben opgenomen, inclusief de aanpak van het onderwijskansenbeleid.

Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid maakt deel uit van de sociale pijler van het grote stedenbeleid (GSB) van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In 2003 is gestreefd naar een verdere harmonisatie van de regelingen vanuit de betrokken departementen. In 2003 is het voor gemeenten mogelijk geworden om de verantwoording over 2002 van regelingen die een relatie hebben met GSB samen met andere regelingen uit de sociale pijler GSB gezamenlijk te verantwoorden op één datum, voorzien van één accountantsprotocol. Voor het (primair) onderwijs gaat het om de regelingen GOA (incl. voor- en vroegschoolse educatie en onderwijskansen), onderwijs in allochtone levende talen (oalt) en schoolbegeleidingsdiensten (SBD). Een aantal gemeenten heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

Voor- en vroegschoolse educatie is met ingang van het landelijk beleidskader 2002–2006 onderdeel van het goa-beleid. De middelen voor vve zijn sinds 1 augustus 2002 onderdeel van het goa-budget. Vve is opgezet om er voor zorg te dragen dat taal- en ontwikkelingsachterstanden in een vroeg stadium worden aangepakt, om de startpositie van kinderen in het basisonderwijs te verbeteren. Daarbij is het in ieder geval van belang dat bij de aanvang van het lees- en rekenonderwijs in de basisschool de doelgroepleerlingen voldoende zijn toegerust om het verdere basisonderwijs met succes te kunnen vervolgen. Er wordt naar gestreefd in 2006 een deelname aan vve programma's door 50% van de doelgroep te realiseren.

In 2003 gingen gemeenten verder met het voorbereiden en implementeren van activiteiten ten behoeve van het realiseren van een lokaal vve-aanbod voor kinderen van 2 tot en met 5 jaar met een aanzienlijke taal- en ontwikkelingsachterstand. Bij de begrotingsbehandeling 2003 is met het amendement van De Vries € 10 miljoen beschikbaar gekomen om de Nederlandse taal nadrukkelijker in de vve-programma's op te nemen en een doorlopende leerlijn Nederlandse taal voor 2 tot 12 jarigen te bevorderen. Met de middelen uit het amendement De Vries is een versnelling ingezet van de ontwikkeling van één taallijn voor de voorschoolse periode in aansluiting op de tussendoelen Nederlandse taal voor de basisschool. In 40 peuterspeelzalen is gestart met de implementatie van het in 2002 al ontwikkelde onderdeel «interactief voorlezen». De taallijn wordt ingepast in de vve-programma's Kaleidoscoop, Piramide en Startblokken en programmatrainers zijn en worden voorbereid. Ook integratie van de taallijn vve in het door bibliotheken geadopteerde Boekenpret is in voorbereiding. Via de tv-programma's voor de jeugd en de verspreidingskanalen van de publieke omroep zijn door middel van een voorleesactie 3000 vve-voorzieningen voorzien van 15 000 prentenboeken en leidsterhandleidingen en is de Taallijn verbreed naar zoveel mogelijk ouders en personeel van peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, bibliotheken en consultatiebureau's. Peuterspeelzaalleidsters en onderbouwleerkrachten zijn daarmee gestimuleerd aan scholingsmodules taal vve deel te nemen.

Onderwijskansen (ok)

De onderwijskansenaanpak is erop gericht de effectiviteit van het onderwijsachterstandenbeleid te verhogen door, op basis van analyses van de concrete problemen in en rond een school, de middelen daar in te zetten waar ze het hardst nodig zijn. Deze aanpak is in de G4, G32 en de pilotregio's (Friesland, Groningen, Drente en Zeeland) van start gegaan. In 2003 is de onderwijskansenaanpak verbreed naar kleinstedelijke en plattelandsgemeenten. De onderwijskansenaanpak is als instrumenteel doel opgenomen in het landelijk beleidskader GOA 2002–2006. De middelen voor het onderwijskansenbeleid van de G4 en G32 zijn met ingang van 1 augustus 2002 opgenomen in het GOA-budget.

De G4, de 32 gemeenten van de G21/100 000+ en de vier pilotregio's hebben begin 2003 tussenrapportages over de stand van zaken van het onderwijskansenbeleid binnen deze gemeenten en regio's opgesteld. Hieruit blijkt dat gemeenten en scholen overwegend enthousiast over het onderwijskansenbeleid. Uit het onderwijsverslag 2003 blijkt dat het pedagogisch klimaat, de kwaliteitszorg, de professionalisering, de interne en externe communicatie en de contacten met ouders op onderwijskansenscholen veel lager worden beoordeeld dan op scholen die geen deel uitmaken van het onderwijskansenbeleid. Sommige scholen gaan vooruit, andere blijven gelijk of vertonen een dalend kwaliteitsbeeld. Het is vooralsnog niet duidelijk welke verklaring aannemelijk is voor deze verschillen. In mei 2004 wordt een voortgangsrapportage over het onderwijskansenbeleid aan de Tweede Kamer gezonden.

Monitoring

In samenwerking met VNG is opdracht gegeven het aanbieden van scholing en handreikingen aan gemeenten ter ondersteuning bij de opzet van een goede leerplichtadministratie, RMC-registratie en monitor voor het lokale onderwijsbeleid. In opdracht van OCW en VNG wordt door een onderzoeksbureau de cursus geëvalueerd. Het eindrapport wordt in mei 2004 verwacht. Verder heeft het CBS in opdracht gewerkt aan de koppeling van basisgegevens voor de bouw van een landelijke monitor. De resultaten zijn gebruikt voor publicatie via de CBS-website Statline en op papier. Gemeenten ontvangen benchmarkinformatie over de examenscores van leerlingen in het voortgezet onderwijs en de deelname aan vbo, mavo, havo en vwo, uitgesplitst naar etniciteit. Deze monitor moet vanaf 2006 gevuld gaan worden met gegevens, die via het onderwijsnummer verzameld worden bij onderwijsinstellingen in alle onderwijssectoren.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.8: Ingezette middelen onderwijsachterstanden (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
GOA (incl. ok, vve, excl. asielzoekers)193,1222,6205,4204,11,3
Gewichtenregeling266,6280,0*285,9267,918,0
Cumi-leerlingen sbao13,115,016,014,71,3
Cumi-leerlingen (v)so13,114,716,415,60,8
(AFB, trekkende bevolking, div. projecten)5,97,60,75,6– 4,9
Totaal491,8539,9524,4507,916,5

Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele component van de gewichtenregeling niet in dit realisatiecijfer opgenomen, maar bij de realisatie van de materiele instandhouding.

Het verschil tussen raming en realisatie bij de gewichtenregeling wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.

In 2003 zijn de verantwoordingen van de gemeenten over de vve-periode 2000–2002 binnengekomen.

Uit deze verantwoordingen is gebleken dat een aantal gemeenten niet alle middelen heeft besteed of een deel onrechtmatig heeft besteed. In totaal ging het om € 37,9 miljoen. In 2003 is een begin gemaakt met het terugvorderen van deze middelen. De middelen worden teruggevorderd door middel van verrekening. Waar dit in 2003 niet volledig mogelijk is, vindt ook nog verrekening plaats in 2004. In totaal is in 2003 € 31,8 miljoen teruggevorderd.48 van de 162 gemeenten hebben bezwaar ingediend tegen het voornemen tot terugvordering van de niet-bestede of niet rechtmatig bestede extra middelen. Een aantal bezwaarschriften is al afgehandeld. Uit de afgehandelde bezwaarschriften blijkt dat met een aantal gemeenten een schikking moet worden getroffen, het gaat bij de afgehandelde bezwaarschriften om een bedrag van ruim € 0,5 miljoen. De overige bezwaarschriften worden in 2004 afgehandeld. De teruggevorderde middelen zijn in 2003 ingezet ter dekking van het OCW-brede tekort.

Voor de verbreding van de onderwijskansenaanpak naar kleinstedelijke en plattelandsgemeenten was in 2003 € 9 miljoen beschikbaar. Deze middelen zijn aan de kleinstedelijke en plattelandsgemeenten die hiervoor in aanmerking komen, toegekend.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

februari 2003Brief van de minister van OCW over de stand van zaken met betrekking tot de begintoets. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300093
28 april 2003Brief van de minister van OCW over de inzet en de opbrengsten van de extra middelen voor- en vroegschoolse educatie (VVE) door de gemeenten. Kamerstuk 2002–2003, 27 190, nr. 12
31 oktober 2003Brief van de minister van OCW over de beleidsvoornemens op het terrein van het onderwijsachterstandenbeleid voor het primair en voortgezet onderwijs. Kamerstuk 2003–2004, 27 020, nr. 35
3 november 2003 Brief van de minister van OCW over de verantwoording VVE en GOA. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0300950
15 december 2003Brief van de minister van OCW over de terugvordering van extra middelen VVE. Kamerstuk 2003–2004, 27 020, nr. 36

1.3.1.2 Onderwijs in allochtone levende talen (oalt)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Op dit moment heeft de wet OALT een dubbele doelstelling: voor allochtone leerlingen een aanbod van lessen in allochtone taal en cultuur realiseren dat aansluit bij de behoefte van ouders (cultuureducatie) en/of met behulp van de allochtone taal helpen de taalachterstanden van allochtone leerlingen verminderen (taalondersteuning).

Volgens (de meest recente) onderzoeksgegevens uit 2002 neemt ongeveer 35% van de allochtone leerlingen in het primair onderwijs deel aan oalt, dit zijn 61 000 leerlingen van voornamelijk Turkse (29 000) en Marokkaanse (22000) afkomst. De meeste middelen worden besteed aan taalondersteuning, ongeveer 70%. 32 500 leerlingen nemen deel aan oalt in de vorm van taalondersteuning, 29 000 in de vorm van cultuureducatie.

Het kabinet kondigde in het strategisch akkoord aan dat prioriteit moet worden gegeven aan het leren van het Nederlands. Daarom wordt de oalt-bekostiging met ingang van 1 augustus 2004 beëindigd.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de doelstellingen van oalt te realiseren zijn gemeenten via een specifieke uitkering (oalt-budget) in staat gesteld om het aanbod van lessen in allochtone levende talen en taalondersteuning te organiseren. Er zijn 215 gemeenten die in 2003 een specifieke uitkering oalt hebben ontvangen.

Het wetsvoorstel waarmee de beëindiging van de bekostiging formeel wordt geregeld is in 2003 in procedure gezet en in september 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden. In mei 2003 heeft de minister van Onderwijs de gemeenten en scholen per brief geadviseerd tijdig maatregelen te treffen die horen bij een voorgenomen beëindiging van de bekostiging van oalt met ingang van het schooljaar 2004–2005.

De periode tot aan 1 augustus 2004 wordt benut om de consequenties van de besluitvorming uit te werken en te formaliseren. Relevante partijen, waaronder gemeenten, worden daarbij betrokken. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk personeel werkzaam blijft in het primair onderwijs.

In 2003 zijn met de vakorganisaties onderhandelingen gestart over het flankerend beleid voor het oalt-personeel.

Op 3 december 2003 is er met de vakorganisaties een akkoord bereikt. Voor de afspraken die met de organisatie zijn gemaakt verwijs ik naar de brief aan de TK van december 2003 over het met de organisaties bereikte akkoord.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.9: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
 RealisatieRamingVerschil
 2001200220032003 
Onderwijs in allochtone levende talen64,769,272,870,32,5

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

31 maart 2003Brief van de minister van OCW ter aanbieding van het convenant ten behoeve van een Sociaal plan OALT-leraren in verband met het aanscherpen van de kwalificatievereisten per 1 augustus 2002 voor OALT-leraren die taalondersteuning geven. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300216
23 juni 2003Brief van de minister van OCW over het stopzet- ten van de bekostiging van OALT met ingang van 1 augustus 2004. Kamerstuk 2002–2003, 28 600 VIII, nr. 136
15 juli 2003Brief van de minister van OCW over kort geding inzake beëindiging van de bekostiging van het OALT-onderwijs per 01-08-2004. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300579
19 december 2003Brief van de minister van OCW over sociaal plan OALT i.v.m. beëindiging van de bekostiging per 1-8-2004. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0301135

1.3.1.3 Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Op 1 augustus 2003 is de Wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) (lgf) in werking getreden. Met de invoering van deze wet zijn drie grote wijzigingen in de organisatie van het onderwijs aan leerlingen met een handicap of stoornis gerealiseerd:

• een nieuwe systematiek van indicatiestelling;

• regionale expertisecentra;

• keuzevrijheid ouders voor inschrijving van hun geïndiceerde kind bij een school voor regulier of voor speciaal onderwijs.

De mate waarin de invoering van lgf bijdraagt aan de bevordering van de emancipatie en integratie van mensen (kinderen) met een handicap en de mate waarin met de invoering van lgf kwalitatief goed onderwijs aan kinderen met een handicap of stoornis wordt gerealiseerd zijn onderwerp van de evaluatie van de (eerste fase) wetgeving lgf die met de invoering op 1 augustus 2003 is gestart. De eerste resultaten van deze evaluatie worden eind 2004 verwacht. De resultaten van deze evaluatie zullen in samenhang met het wsns-beleid en het achterstandenbeleid worden bezien.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De in de wet voorgestelde wijzigingen in de organisatie van het onderwijs aan leerlingen met een handicap of stoornis zijn gerealiseerd:

a) onafhankelijke indicatiestelling

Op basis van landelijk vastgestelde criteria en procedures wordt beoordeeld of een leerling in aanmerking komt voor de leerlinggebonden financiering. De indicatiestelling wordt gedaan door een Commissie voor de indicatiestelling (CvI). Deze commissie beslist of de door de ouders aangemelde kinderen voldoen aan de landelijke indicatiecriteria. Alle regionale expertisecentra hebben een CvI ingericht en houden deze in stand. De werkwijze van de CvI's wordt gecontroleerd door de Landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI).

De signalen uit het onderwijs over werklast en bureaucratie na invoering van leerlinggebonden financiering worden serieus opgepakt. Op het terrein van de indicatiestelling voor het speciaal onderwijs heeft de LCTI op verzoek van de minister al meerdere voorstellen gedaan die de indicatiestelling vereenvoudigen en onnodige bureaucratie weghalen. Uitgangspunt blijft echter dat de toegang tot het (v)so/lgf beheersbaar blijft. Dat betekent dat aan de indicatiestelling, inclusief de criteria en de indicatietermijnen niet wordt getornd. Ook voor de evaluatie van lgf, die eind 2004 wordt opgeleverd, is de uitvoerbaarheid van de leerlinggebonden financiering een belangrijk aandachtspunt.

b) regionale expertisecentra (rec's)

Om tot een efficiënter en doelmatiger georganiseerd stelsel van (voortgezet) speciaal onderwijs te komen zijn de bestaande schoolsoorten gebundeld in vier clusters. Per cluster (met uitzondering van cluster 1) zijn de scholen met ingang van 1 augustus 2003 gaan samenwerken in 33 rec's. Een rec heeft in ieder geval de taak om een CvI in stand te houden, de ouders te ondersteunen bij het indienen van een verzoek voor de indicatiestelling van hun kind, de ambulante begeleiding aan leerlingen met een handicap of stoornis in het regulier onderwijs te coördineren en de ouders te ondersteunen bij het zoeken van een school voor hun geïndiceerde kind. Voor de uitvoering van de taken is een budget ter beschikking gesteld van € 9 miljoen. Voor de verdeling van deze middelen zijn drie grondslagen geformuleerd: een vaste voet, een vast bedrag per school binnen het rec en het aantal indicaties dat de CvI in het voorgaande jaar heeft afgegeven, vermeerderd met 15%. Omdat er in het vorige jaar nog geen indicaties zijn afgegeven waarop de bekostiging gebaseerd kan worden is de bekostiging van het rec op dit punt vastgesteld op basis van het leerlingenaantal van de scholen die deel uitmaken van het rec.

Om een betere spreiding van het (voortgezet) speciaal onderwijs te realiseren, krijgen de rec's de mogelijkheid om nevenvestigingen in te richten en kunnen geïndiceerde leerlingen binnen het rec verbreed worden toegelaten. Dit betekent dat een school van een bepaalde onderwijssoort leerlingen kan inschrijven die een indicatie hebben voor een andere schoolsoort binnen het rec.

De mate waarin de rec's gebruik maken van de mogelijkheden tot het inrichten van nevenvestigingen en verbrede toelating wordt geëvalueerd in het kader van de eerste fase wetgeving lgf waarvan de resultaten eind 2004 beschikbaar komen. Op basis hiervan wordt tevens bekeken of een evenwichtige spreiding van speciale onderwijsvoorzieningen is ontstaan.

c) keuzevrijheid ouders

De derde wijziging die is gerealiseerd met de invoering van lgf is de vrijheid die ouders hebben gekregen om te kiezen of zij hun geïndiceerde kind willen inschrijven bij een school voor regulier onderwijs of bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. In hoeverre deze keuzevrijheid ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd zal onderwerp zijn van de evaluatie lgf. Met de invoering van lgf is de verwachting uitgesproken dat na een aantal jaren ongeveer 25% van de geïndiceerde leerlingen geïntegreerd zal zijn in het reguliere onderwijs. De ontwikkeling van lgf heeft al een stijging van het aantal geïntegreerde leerlingen laten zien. Aan het begin van het schooljaar 2003–2004 is 20% van de geïndiceerde leerlingen (so en vso) geïntegreerd in het reguliere onderwijs.

Tabel 1.10: Aantal leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (x 1000) op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.
Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Speciaal onderwijs31,633,133,634,0– 0,4
Voortgezet speciaal onderwijs16,619,021,019,31,7
Totaal48,252,154,653,31,3
Ambulant begeleide leerlingen*9,410,412,59,92,6

*excl. visueel gehandicapte kinderen.

Bron: Cfi.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.11: Ingezette middelen leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (v)so (x € 1 miljoen)
 20012002Realisatie 2003Raming 2003Verschil
Leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (v)so455,4538,1595,7516,479,3

Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs en door een hoger aantal leerlingen dan geraamd.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

  
19 maart 2003Voorhang ministeriële regeling betreffende de indicatiecriteria leerlinggebonden financiering (Gele Katern 19-03-2003, nr. 7). Kamerstuk 2002–2003, 28 819, nr. 1
17 april 2003Brief van de minister van OCW met de vierde voortgangsrapportage Leerlinggebonden Financiering. Kamerstuk 2002–2003, 27 728, nr. 58
12 juni 2003Brief van de minister van OCW over de uitkomsten van het onderzoek naar de plaatsingsproble- matiek in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Kamerstuk 2002–2003, 28 600 VIII, nr. 133
8 oktober 2003Brief van de minister van OCW over leerlinggebonden financiering. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0300828
17 oktober 2003Brief van de minister van OCW met afschrift van haar antwoord op de brief van het bestuur van de Comeniusstichting te Veghel rijksvergoeding materiële instandhouding ingeval van verbrede toelating. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0300857
19 december 2003Brief van de minister van OCW met de vijfde voortgangsrapportage Leerlinggebonden finan- ciering. Kamerstuk 2003–2004, 27 728, nr. 60

1.3.1.4 Weer samen naar school

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het Weer samen naar school-beleid is om zoveel mogelijk kinderen zorg op maat te bieden en hen in de gelegenheid te stellen hun schoolloopbaan in het basisonderwijs af te ronden. Basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs werken samen in samenwerkingsverbanden Weer samen naar school. Deze scholen maken gezamenlijk beleid ten aanzien van de wijze waarop zorg aan leerlingen wordt georganiseerd. Er zijn twee indicatoren waaruit afgeleid kan worden dat kinderen daadwerkelijk zorg op maat krijgen, het percentage scholen met een goede leerlingenzorg en de omvang van de wachtlijsten in het sbao.

Uit het onderwijsverslag 2003 blijkt een forse stijging van het aantal scholen dat een voldoende scoort op het terrein van de leerlingenzorg: maar liefst 74,2% van alle scholen scoort nu een voldoende. De doelstelling is dus al een jaar eerder ruimschoots gehaald.

De inspectie van het onderwijs heeft in 2003 opnieuw onderzoek verricht naar wachtlijsten in het speciaal basisonderwijs. Uit dit onderzoek blijkt dat er 229 leerlingen per 1 oktober 2003 op een wachtlijst stonden, per 1 oktober 2001 waren dat er nog 620. Ook het aantal samenwerkingsverbanden met een wachtlijst is in 2003 sterk afgenomen. In 2003 hadden 47 samenwerkingsverbanden een wachtlijst, in 2001 waren dat er nog 91.

Tabel 1.12 Deelname aan het speciaal basisonderwijs
Deelnamepercentage199920002001Realisatie 20022003
Landelijk gemiddeld3,263,233,233,253,22
Maximum6,355,515,395,475.77

Bron: Cfi.

Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs is met 644 afgenomen, ook het aantal leerlingen in het regulier basisonderwijs is teruggelopen met 2353 leerlingen. Daarom is het landelijk deelnamepercentage per 1 oktober 2003 slechts licht afgenomen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Financieringssystematiek

De scholen zijn bekostigd conform de bestaande financieringssystematiek. In deze systematiek is een prikkel verwerkt die ertoe moet leiden dat basisscholen zoveel mogelijk zorg op maat bieden voor zoveel mogelijk leerlingen. Speciale scholen voor basisonderwijs krijgen een basisbekostiging op basis van 2% van het aantal leerlingen in het samenwerkingsverband. Als meer leerlingen naar de speciale school voor basisonderwijs worden verwezen, vloeit een deel van de zorgformatie van de basisscholen naar de speciale school voor basisonderwijs. Dat leidt ertoe dat basisscholen een financieel belang hebben om voor zoveel mogelijk leerlingen onderwijs op maat te bieden in het regulier onderwijs. Immers het verwijzen van leerlingen leidt tot vermindering van het zorgbudget voor basisscholen.

Vergroten zorgcapaciteit

De stuurgroep WSNS+ ondersteunt samenwerkingsverbanden op een aantal specifieke terreinen, deze ondersteuning is in 2003 voortgezet. De ondersteuning heeft ertoe geleid dat de zorgcapaciteit van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs is vergroot.

Wegwerken en structureel voorkomen van wachtlijsten

Op grond van het gegeven dat er in een aantal samenwerkingsverbanden wachtlijsten voor toelating tot de school voor speciaal basisonderwijs zijn ontstaan, zijn in 2002 maatregelen genomen die moeten leiden tot het oplossen en structureel voorkomen van plaatsingslijsten. In 2003 is verder gegaan met deze maatregelen. De specifieke aanpak is gericht op het uitvoeren van 49 door samenwerkingsverbanden ingediende verbeterplannen. De inspanningen zijn hierbij gericht op het structureel oplossen van wachtlijsten.

Kwaliteit van het speciaal basisonderwijs

In 2002 heeft de inspectie van het onderwijs een eerste meting verricht van de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs. De inspectie kwam tot de conclusie dat er tekortkomingen zijn in met name het leerstofaanbod en de leerlingenzorg. Voor wat betreft het leerstofaanbod constateert de inspectie enerzijds dat dit verouderd is, anderzijds dat het niet of onvoldoende dekkend is voor de kerndoelen.

De onderwijsorganisaties, verenigd in WSNS+, hebben een specifiek ondersteuningsaanbod voor het speciaal basisonderwijs ontwikkeld. Het plan van aanpak WSNS+ voorziet in een aantal activiteiten, gericht op het vergroten van de onderwijskundige en organisatorische kwaliteiten in het speciaal basisonderwijs, uiteraard in samenhang en afstemming met de inhoudelijke ontwikkelingen binnen het samenwerkingsverband. Deze activiteiten zijn voortgezet in 2003.

Naast de extra investeringen in taal- en rekenonderwijs en het aanbod van de stuurgroep WSNS+, hebben alle samenwerkingsverbanden ook in 2003 een bedrag per leerling ontvangen (in totaal € 4 miljoen) gekregen om specifiek leerstofmateriaal voor de speciale school voor basisonderwijs aan te kunnen schaffen, voor taal en rekenen is inmiddels materiaal voor drie leerjaren beschikbaar.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.13: Ingezette middelen Weer samen naar school (v)so (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Weer samen naar school312,9313,7*320,9295,525,4

Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele component van het Weer samen naar school-beleid niet in dit realisatiecijfer opgenomen, maar bij de realisatie van de materiele instandhouding.

Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.

De Stuurgroep WSNS+ wordt door OCW gedurende twee jaren met in totaal € 6,8 miljoen gefaciliteerd.

Voor het uitvoeren van de specifieke aanpak wachtlijsten is totaal € 6,8 mln. beschikbaar voor de schooljaren 2002/2003 en 2003/2004.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

  
24 februari 2003Brief van de minister van OCW ter aanbieding van de vijfde voortgangsrapportage Weer Samen Naar School. Als bijlage is bij de voortgangsrapportage gevoegd: «Wachtlijsten speciaal basis- onderwijs 2002». Kamerstuk 2002 2003, 21 860, nr. 70

1.3.1.5 Onderwijs aan leerplichtige asielzoekers

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Asielzoekers in de leerplichtige leeftijd hebben net als alle andere kinderen recht op en plicht tot het volgen van onderwijs. Doel van het gevoerde beleid is gemeenten en scholen in staat te stellen door middel van een flexibele bekostigingssystematiek deze groep leerlingen die vaak niet aan het begin van een schooljaar instromen, toch in het eerste jaar van hun verblijf in Nederland onderwijs te bieden. Daartoe hebben in 2003 ongeveer 70 gemeenten middelen ontvangen ten behoeve van bijna 2000 asielzoekersleerlingen in het primair onderwijs.

In 2003 hebben scholen met een sterke groei van asielzoekersleerlingen circa 2000 fre's extra toegekend gekregen op basis van de «regeling aanvullende formatie asielzoekers».

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ten behoeve van een flexibele bekostigingssystematiek voor de instroom van asielzoekers in het onderwijs, konden gemeenten en scholen beroep doen op een tweetal regelingen. Gemeenten kwamen op basis van de regeling «specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en voortgezet onderwijs 2002–2003» in aanmerking voor een specifieke uitkering als in de gemeente tenminste tien schoolgaande asielzoekers onderwijs volgden in het eerste jaar dat zij in Nederland verblijven. Scholen met een sterke groei van asielzoekersleerlingen konden in het schooljaar 2002–2003 een beroep doen op de «regeling aanvullende formatie asielzoekers», waarmee het ontbreken van achterstandsformatie in de groeiregeling wordt gecompenseerd.

Aangekondigd is dat in 2003 de specifieke uitkering structureel wordt geregeld. Hiertoe is in het afgelopen jaar het voorstel tot wijziging van de WPO, WEC en WVO tot opneming van een grondslag voor uitkeringen aan gemeenten in verband met de eerste opvang van vreemdelingen in het onderwijs in gang gezet. Tot de invoering van de wetswijziging wordt vanaf 2003 de uitkering toegekend op basis van de Financiële verhoudingswet. Inhoudelijk is de uitkering ongewijzigd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.14: Ingezette middelen onderwijs aan asielzoekers (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Onderwijs aan leerplichtige asielzoekers4,44,62,70,22,5

Het oorspronkelijk budget voor 2003 was € 5,4 miljoen. Bij nota's van wijziging is € 3,4 miljoen en € 1,7 miljoen ingeleverd in verband met een geraamde daling van het aantal asielzoekers.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

16 juni 2003 Brief van de minister van OCW over hoe het onderwijs is geregeld voor kinderen, inclusief ama's, in uitzetcentra. Kamerstuk 2002–2003, 25 828, nr. 24

1.3.1.6 Brede scholen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Brede scholen zijn lokale initiatieven. Gemeenten, scholen en instellingen beginnen aan brede scholen vanuit verschillende motieven, zoals het voorkomen van achterstanden van kinderen en het bieden van een sluitende dagindeling voor kinderen en hun ouders. Het doel van brede scholen is volgens de meeste gemeenten het vergroten van de ontwikkelingskansen van kinderen. Het doel van het rijksbeleid is dat betrokkenen bij brede scholen (bestuurders en uitvoerders van gemeenten, scholen en instellingen) de benodigde informatie kunnen vinden en krijgen over de ontwikkeling van brede scholen in het land, en een beeld krijgen van de knelpunten en good practices rondom deze ontwikkeling. Dit doel is in 2003 bereikt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De overheid voorziet in het uitzetten van onderzoeken en het verspreiden van de uitkomsten naar gemeenten en scholen. Daarnaast zou OCW in 2003 een evaluatieformat laten ontwikkelen door en voor gemeenten.

In 2003 is het evaluatieformat voor gemeenten ontwikkeld. Hiermee is gemeenten een instrument geboden waarmee ze de processen binnen hun brede scho(o)l(en) kunnen evalueren en knelpunten binnen hun bredeschoolontwikkeling kunnen opsporen en aanpakken. Het evaluatieformat is beschikbaar via www.bredeschool.nl. Deze website is in 2003 vernieuwd. Betrokkenen bij brede scholen kunnen hier – interactief – informatie vinden over onder andere good practices en knelpunten. Via de website is ook het businessplan multifunctionele accommodaties beschikbaar. Dit businessplan is in 2003 ontwikkeld ter ondersteuning van gemeenten bij beheer en exploitatie van brede scholen in multifunctionele accommodaties. Verder is in 2003 een drietal onderzoeken opgeleverd. In het Jaarbericht brede scholen 2003 is de stand van zaken met betrekking tot brede scholen in Nederland beschreven. Daaruit blijkt onder andere dat er inmiddels 500 brede scholen zijn. Gemeenten gebruiken dit jaarverslag om te zien waar zij staan ten opzichte van andere gemeenten.

«Combifuncties brede scholen» (Regioplan) is een onderzoek naar de behoefte aan combifuncties alsmede de kansen en knelpunten en de consequenties van combifuncties voor taak- en opleidingsprofielen. Uit dit onderzoek blijkt dat een aanzienlijk deel van het personeel in kinderopvang- en welzijnsinstellingen is geïnteresseerd in combifuncties en er behoefte aan heeft. Vanuit het onderwijs blijkt een minder grote behoefte, maar wel interesse. Hoe verder de samenwerking binnen de brede school is gevorderd, des te meer behoefte er ontstaat aan combifuncties. De meest voor de hand liggende combinatiefunctie is onderwijsassistent, leidster tussenschoolse opvang en leidster buitenschoolse opvang. De verschillende cao's vormen echter nog een knelpunt.

SCO-Kohnstamm heeft in «Brede basisscholen uitgelicht» onderzocht in welke verschijningsvormen de brede school in het basisonderwijs voorkomt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende doelen van brede scholen (leerlingdoelen versus intermediaire doelen) en tussen dimensies waarop brede scholen verschillen (doelgerichtheidsdimensie, integratiedimensie en gerichtheid op het bestrijden van onderwijsachterstanden).

Scholen en gemeenten kunnen hiermee ideeën opdoen wat zij belangrijk vinden in hún brede scho(o)l(en).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.15: Ingezette middelen brede scholen (x € 1 miljoen)
 20012002Realisatie 2003Raming 2003Verschil
Brede scholen0,00,30,30,30,0

1.3.1.7 Nederlands onderwijs in het buitenland

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De Nederlandse overheid vindt het van belang dat als kinderen van Nederlandse staatsburgers in het buitenland terugkeren naar Nederland zij zo min mogelijk aansluitingsproblemen ondervinden. Daartoe wordt via de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland een subsidiebijdrage ter beschikking gesteld voor het instandhouden van voorzieningen voor Nederlandstalig primair onderwijs en/of Nederlandse taal en cultuur. Het onderwijs is gebaseerd op een door de St. NOB vastgesteld raamleerplan opgesteld op grond van Nederlandse weten regelgeving.

Er is een verschuiving waarneembaar van subsidieaanvragen voor Nederlandstalig basisonderwijs naar aanvragen voor voorzieningen Nederlandse taal en cultuur. Het onderwijs op afstand wordt verzorgd door twee aanbieders die aan alle eisen voldoen: de St. IVIO en Edufax.

De door de St NOB verrichte overige activiteiten met betrekking tot het beheer van Nederlands onderwijs in het buitenland worden tot tevredenheid uitgevoerd.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De overheid heeft de middelen ter beschikking gesteld. Zij heeft ook voorzien in voorzieningen voor ict ten behoeve van deze Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland. De onderwijsinspectie oefent op sobere wijze toezicht uit op de Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland en draagt zo bij tot een goede aansluiting met het onderwijs in Nederland. In voorkomende gevallen bemiddelt de inspectie bij problemen rond de toelating tot universitair onderwijs door autonome faculteiten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.16: Ingezette middelen Nederlands onderwijs in het buitenland (x € 1 miljoen)
  Realisatie RamingVerschil
 2001200220032003 
Nederlands onderwijs in het buitenland11,512,212,414,0– 1,6

1.3.2 Kwaliteit

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beleidsinstrumenten die een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het onderwijs.

1.3.2.1 Kerndoelen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Kerndoelen zorgen voor duidelijkheid over het onderwijsaanbod en zorgen voor een goede inhoudelijke aansluiting op het voortgezet onderwijs. Zoals in de Wet op het primair onderwijs staat moeten de basisscholen de kerndoelen hanteren als doelstellingen die zij aan het eind van het basisonderwijs moeten bereiken. Een indicator voor de mate waarin de basisscholen de kerndoelen bij de onderwijsactiviteiten hanteren als doelstellingen, is het percentage scholen dat een leerstofaanbod heeft dat dekkend is voor de kerndoelen. Uit het Onderwijsverslag van de Inspectie over 2003 blijkt dat 91% van de scholen een leerstofaanbod heeft dat dekkend is voor de kerndoelen Nederlands en rekenen/wiskunde. Ten opzichte van voorgaande jaren zet de stijgende lijn duidelijk door. In 2003 heeft de Inspectie ook gegevens verzameld over de vakken geschiedenis en aardrijkskunde. Voor deze vakken geldt dat de afstemming op de kerndoelen minder dekkend is. Deze gegevens kunnen niet worden vergeleken met eerdere metingen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Geconstateerd is dat de kerndoelen niet alleen geactualiseerd moeten worden, maar ook verbetering behoeven. Het streven was om in het najaar van 2003 nieuwe kerndoelen voor het basisonderwijs in een Algemene Maatregel van Bestuur te publiceren.

De herziening van de kerndoelen is echter nog niet afgerond. In januari 2002 heeft de commissie herziening kerndoelen basisonderwijs, onder voorzitterschap van prof. W. Wijnen, de toenmalige staatssecretaris geadviseerd over de herziening. Dit advies is voorgelegd aan een groot aantal belanghebbenden. Uit deze consultatieronde bleek veel waardering voor het advies van de commissie Wijnen maar er werd ook een aantal risico's genoemd. Zo gaven de uitgevers bijvoorbeeld aan dat de leergebieden waarvoor geen kerndoelen waren geformuleerd, niet meer terug zouden keren in de methodes. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat scholen deze leergebieden ook niet meer zouden aanbieden. Naar aanleiding van de consultatieronde is de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) gevraagd een nieuw voorstel op te stellen dat recht doet aan het advies van de commissie Wijnen maar ook oog heeft voor de geconstateerde risico's. De SLO heeft haar advies inmiddels aangeboden aan de minister. Na een zorgvuldige weging van het advies en raadpleging van verschillende organisaties zal een voorstel voor herziening van de kerndoelen begin 2004 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In begroting 2003 is geen budget opgenomen voor de kerndoelen.

1.3.2.2 Groepsgrootte en kwaliteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Gebleken is dat grote groepen voor leraren een belemmering vormen om het onderwijs af te stemmen op de diversiteit tussen leerlingen. Beoogd is dan ook om leraren in staat te stellen het onderwijsaanbod beter af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van de leerlingen door middel van formatieverruiming in de onderbouw. Bij de inzet van formatie hebben scholen de keuze tussen:

• verkleining van groepen

• meer handen in de klas.

Leraren kunnen beter inspelen op verschillen tussen leerlingen als gewerkt wordt in kleinere groepen zo blijkt uit onderzoek (Universiteit van Twente, 2001).

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De doelstelling de formatietoekenning voor de onderbouw te verruimen naar 20 leerlingen per leraar werd reeds gehaald in augustus 2002. De gemiddelde groepsgrootte in de onderbouw is op 1 mei 2003 lager dan in alle voorgaande jaren. In mei 1995 bestond een onderbouwgroep gemiddeld uit 26.3 leerlingen. Acht jaar later blijkt de gemiddelde groepsgrootte met 3.1 leerling te zijn gedaald (tot 23.2). Vooral bij grote scholen (meer dan 400 leerlingen) is een daling van de groepsgrootte te zien. In oktober 2003 was de gemiddelde groepsgrootte in de onderbouw 21.1 leerling. Aan het einde van het schooljaar 2002–2003 heeft 65% leerlingengroepen minder dan 26 leerlingen. In 1995 was dat 42%.

In mei 2003 paste tweederde van de scholen «meer handen in de klas» toe. Door inzet van meer handen in de klas is de verhouding tussen het aantal personeelsleden en het aantal leerlingen lager dan de gemiddelde groepsgrootte. Er is sprake van een sterke toename van het aantal onderwijsassistenten, volgens het onderwijsverslag 70%.

Op driekwart van de scholen wordt de onderbouwformatie mede ingezet voor meer remedial teachers, vakleraren gymnastiek en muziek, zelfstandig lesgevende lio's. Het aantal scholen dat remedial teachers gebruikt, neemt wel af.

In het strategisch akkoord van het kabinet Balkenende I is het voorstel opgenomen om de oormerking van de groepsverkleining voor de onderbouw af te schaffen. Dit is sinds het begin van het schooljaar 2003/2004 het geval en dit betekent dat vanaf dat tijdstip de formatie ook kan worden ingezet voor de bovenbouw. Zestig procent van de scholen geeft aan de extra formatie ook in te zetten voor de bovenbouw. Het gaat vooral om intern begeleiders, remedial teachers, ict-coordinatoren en vakleraren gymnastiek. Meer handen in de klas komt in de bovenbouw op een kwart van de scholen voor.

Voor nadere informatie wordt verwezen naar de elfde (en laatste) voortgangsrapportage die kortgeleden aan de Tweede Kamer is toegezonden. Hierin zal uitvoerig worden gerapporteerd over de gegevens van de inspectie over de maanden mei en oktober 2003 en tevens over het onderzoek van NWO naar het effect van groepsverkleining op de prestaties van de leerlingen. De inspectie zal in de komende jaren via het onderwijsverslag jaarlijks rapporteren over de van belang zijnde gegevens.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.17: Ingezette middelen groepsgrootte en kwaliteit (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Groepsgrootte en kwaliteit326,5487,8*631,0558,972,1

*Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele component van het instrument groepsgrootte en kwaliteit niet in dit realisatiecijfer opgenomen, maar bij de realisatie van de materiele instandhouding.

Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

24 februari 2003Brief van de minister van OCW ter aanbieding van de tiende voortgangsrapportage Groepsgrootte en kwaliteit. Ook zijn bijgevoegd een rapport van de Accountantsdienst over de inzet van de groepsformatie en rapporten van het SCO-Kohnstamm instituut over leerlingvolgsystemen. Kamerstuk 2002–2003, 25 065, nr. 27
26 maart 2003Brief van de minister van OCW met reactie op de vragen en opmerkingen vanuit de fracties ten behoeve van het schriftelijk overleg inzake de tiende voortgangsrapportage groepsgrootte en kwaliteit. Kamerstuk 2002–2003, 25 065, nr. 27
31 maart 2003Brief van de minister van OCW met de reactie naar aanleiding van de motie van PvdA, D66, SP en LPF (28 729 nr. 6) over een extra meting van de groepsgrootte. Kamerstuk 2002–2003, 25 065, nr. 28

1.3.2.3 Leerlingvolgsystemen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met behulp van leerlingvolgsystemen kunnen scholen de individuele vorderingen en ontwikkelingen van alle leerlingen systematisch bepalen en bij de inrichting van het onderwijsproces rekening houden met de verschillen die er zijn tussen leerlingen. Dit draagt bij aan het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs.

De overheid streeft ernaar dat alle scholen een leerlingvolgsysteem hanteren. Uit onderzoek (SCO-Kohnstamm, 2002) is bekend dat vrijwel alle scholen een administratie voeren van vorderingen van leerlingen. Zij gebruiken daarbij verschillende systemen. De Inspectie van het Onderwijs constateert in het Onderwijsverslag over 2003 dat zij op 90% van de scholen het niveau van de opbrengsten tijdens de basisschoolperiode kan vaststellen. Dit is een duidelijke vooruitgang ten opzichte van 1999 toen dat nog maar op de helft van de scholen mogelijk was.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om bovengenoemd doel te bereiken faciliteert de overheid de ontwikkeling van leerlingvolgsystemen door de Citogroep. Op dit moment wordt, in opdracht van het ministerie van OCW, door de Citogroep een geautomatiseerd leerlingvolgsysteem ontwikkeld. Dit systeem stelt scholen in staat het onderwijs zo zorgvuldig mogelijk aan te laten sluiten op de behoeften van leerlingen. De ontwikkeling van dit systeem verloopt volgens planning en zal in schooljaar 2005–2006 worden afgerond. Inmiddels zijn enkele modules beschikbaar.

In de begroting 2003 is nog sprake van het gebruik van een verplichte begintoets om de vorderingen van individuele leerlingen vast te stellen. Vele scholen maken reeds gebruik van toetsen in de onderbouw om de vorderingen van leerlingen in beeld te brengen. Het is niet noodzakelijk om voor deze functie een begintoets verplicht te stellen. Met de Tweede Kamer is tijdens de begrotingsbehandeling 2004 afgesproken dat er geen verplichte uniforme begintoets voor het basisonderwijs wordt geïntroduceerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.18: Ingezette middelen leerlingvolgsystemen (x € 1 miljoen)
 20012002Realisatie 2003Raming 2003Verschil
Leerlingvolgsystemen1,13,81,91,40,5

De kosten die in de begroting 2003 zijn opgenomen voor het laten ontwikkelen van het geautomatiseerde leerlingvolgsysteem zijn voor dit doel ingezet.

1.3.2.4 Voldoende schooltijd

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de Wet op het primair onderwijs is voldoende onderwijstijd gedefinieerd als 7520 uren gedurende acht jaar. Uit inspectiegegevens blijkt dat ruim 98% van de scholen voldoende onderwijstijd plant. Het belang van voldoende onderwijstijd noemt de inspectie onomstreden.

Internationaal gezien programmeert Nederland veel onderwijstijd. Voldoende onderwijstijd is een noodzakelijke voorwaarde om een ieder optimaal in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op onze kennisintensieve samenleving. Tegelijk meldt de inspectie dat de onderwijstijd onder druk staat en dat scholen, vooral in de grote steden, naar mogelijkheden zoeken om organisatorische en personele knelpunten via aanpassingen van het rooster op te lossen. De vraag van scholen om meer wettelijke ruimte daarbij, is meegenomen in het voorstel flexibilisering schooltijden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In een brief van 2 september 2003 is een voorstel voor flexibilisering van de schooltijden naar de Tweede Kamer verstuurd. Doel van dit voorstel is dat scholen meer ruimte en verantwoordelijkheid krijgen om een rooster te plannen dat optimaal aansluit bij de eigen situatie. De voorgestelde flexibilisering vindt binnen een bandbreedte plaats. Zo blijft het minimum aantal uren over acht leerjaren gehandhaafd op 7520 uren.

In 2004 wordt het wetsvoorstel flexibilisering schooltijden aan de Tweede Kamer aangeboden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting 2003 is geen budget opgenomen voor de schooltijden.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

3 juni 2003Brief van de minister van OCW met een afschrift van het antwoord op de brief van de Hervormde basisschool De Triangel inzake flexibilisering van de schooltijden. Niet-dossierstuk 2002–2003, OCW 0300416.
2 september 2003Brief van de minister van OCW met voorstel tot flexibilisering van de schooltijden in het (speciaal) basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Kamerstuk 2002–2003, 29 029, nr. 1

1.3.2.5 Verhogen zwemvaardigheid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Er ontstaan nog te veel onveilige situaties door onvoldoende zwemvaardigheid bij kinderen. Daarom is beleid ontwikkeld om de zwemvaardigheid onder kinderen in de basisschoolleeftijd te verhogen. Uit onderzoek in 1997 bleek dat ongeveer 85% van de leerlingen het basisonderwijs verlaat met een zwemdiploma. Doel van het beleid is dat in 35 gemeenten waar de zwemvaardigheid onder jongeren het slechtst is, het percentage kinderen dat de basisschool verlaat met een zwemdiploma in 2004 gestegen is tot 95% of hoger. Om dat te bereiken ontv(i)angen deze gemeenten in 2002, 2003 en 2004 een specifieke uitkering.

Begin 2003 is aan de deelnemende gemeenten een format ter beschikking gesteld om te rapporteren over de activiteiten in 2002. In dat jaar hebben de gemeenten plannen ontwikkeld om tot verhoging van de zwemvaardigheid te komen, voor de opzet van een registratiesysteem en voor het geven van voorlichting aan ouders van zeer jonge kinderen. In 2004 rapporteren de deelnemende gemeenten over de activiteiten en resultaten in 2003. Dan zal blijken of de maatregelen die de gemeenten hebben getroffen leiden tot een zwemvaardigheid onder kinderen van 95% of hoger.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 is aan de 35 gemeenten die deelnemen aan de uitvoering van het Plan van aanpak zwemvaardigheid voor de tweede keer de doeluitkering voor verbetering zwemvaardigheid uitgekeerd. Ook is het ondersteuningstraject opgestart. Het ondersteuningstraject wordt uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor Bewegen en Sport (NISB), het Nederlands Instituut voor Lokale Sport en Recreatie (LC) en de Nationale Raad Zwemdiploma's (NRZ) en bestaat vooral uit rapportageactiviteiten en de zorg voor informatie-uitwisseling. In 2003 zijn enkele informatiebijeenkomsten gehouden voor gemeenteambtenaren die betrokken zijn bij het traject tot verbetering van de zwemvaardigheid. Het informatiegehalte van deze bijeenkomsten werd zeer gewaardeerd door de deelnemers.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.19: Ingezette middelen verhogen zwemvaardigheid (x € 1 miljoen)
 20012002Realisatie 2003Raming 2003Verschil
Verhogen zwemvaardigheid04,35,34,50,8

De kosten van de doeluitkering aan gemeenten en het ondersteuningstraject zijn in 2003 binnen het beschikbare budget gebleven.

1.3.3 Toerusting

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beleidsinstrumenten die bijdragen aan een goede toerusting van scholen in het primair onderwijs.

1.3.3.1 Onderwijspersoneel

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De overheid draagt zorg voor afdoende middelen zodat scholen in staat zijn om voldoende en kwalitatief goed onderwijspersoneel aan te stellen en te behouden. Het beleid in het primair onderwijs richt zich op twee zaken. Allereerst krijgen scholen via het regulier bekostigingssysteem middelen om voldoende onderwijspersoneel aan te kunnen stellen op hun eigen school. Daarnaast ontwikkelt het ministerie beleid waarmee de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit gewaarborgd wordt. Dit beleid is zowel gericht op het oplossen van knelpunten op korte termijn (tekorten) als op structurele personeelsvoorziening. Voor openstaande vacatures zie de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, paragraaf 1.2.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Regulier bekostigingssysteem

Iedere school en regionaal expertisecentrum heeft recht op een bepaald aantal formatierekeneenheden. Dit aantal wordt lineair gebaseerd op het aantal leerlingen en leerlingkenmerken als de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen. De formatie is toegekend op basis van de leerlingtellingen van 1 oktober in het vorige schooljaar. Met deze formatierekeneenheden kunnen schoolbesturen personeel aanstellen. De school kan zelf beslissen welke samenstelling van personeel men wil. De precieze opbouw van deze vergoeding is nader uitgewerkt in de Formatiebesluiten WPO en WEC.

Daarnaast ontvangen scholen voor primair onderwijs een schoolbudget. Dit budget is eveneens gebaseerd op leerlingaantallen en leerlingkenmerken.

a) Voldoende onderwijspersoneel voor het primair onderwijs

Via drie sporen heeft het ministerie van OCW scholen in staat gesteld voldoende onderwijspersoneel te behouden en te werven:

• Met het verhogen van de aantrekkelijkheid van het onderwijsberoep door een imagocampagne, het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden en het stimuleren van functiedifferentiatie, moet het voor scholen makkelijker worden om zittend personeel te behouden en nieuw personeel aan te stellen. Voor de resultaten zie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraaf 1.2.1.

• Daarnaast schept het ministerie randvoorwaarden waardoor mensen die niet in het onderwijs werken, het beroep in willen stromen. Dit kunnen zij-instromers of herintreders zijn. Voor het aantal herintreders is geen streefwaarde vastgesteld: zolang er mensen met een onderwijsbevoegdheid die niet (meer) in het onderwijs werken uit de zogenaamde «stille reserve» geworven kunnen worden, is het geven van de cursus herintreders gewenst. In 2003 zijn 410 cursisten ingeschreven bij de verschillende hogescholen. Voor zij-instromers is tot en met 2007 een streefwaarde opgenomen voor primair onderwijs van 400 instromende personen per jaar. Op 1 januari 2003 werkten in het primair en voortgezet onderwijs ongeveer 1500 zij-instromers (Bron: ITS, Aandachtsgroepenmonitor). Zie voor nadere informatie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraaf 1.2.2.

• Het beperken van de uitstroom van onderwijspersoneel is de derde methode om voldoende onderwijspersoneel te behouden voor de onderwijssector. Dit gebeurt door het ziekteverzuim terug te dringen, maar ook door beleid te richten op ouderen die in het onderwijs werkzaam zijn en door het mogelijk maken van het verzilveren van de adv-regeling. Zie voor nadere informatie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraaf 1.2.2.

In beleidsartikel 9 (onderwijspersoneel) en de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid worden deze maatregelen verder besproken.

Box 1: Project (Team)Onderwijs op maat

Binnen het TOM-project hebben de deelnemende scholen de vrijheid gekregen om TOM op een schooleigen wijze tot ontwikkeling te brengen en vorm te geven. Uit de eindrapportage blijkt dat alle scholen bezig geweest zijn met het vormgeven van onderwijs op maat. Zij richten zich hierbij bijvoorbeeld op zelfstandig werken, doorlopende leerlijnen, fasenonderwijs, groepen in plaats van klassen, flexibele groepen of het hergroeperen van leerlingen. Gedurende het TOM-project is men meer in de gelegenheid geweest om recht te doen aan individuele verschillen, om andere vormen te hanteren om leerlingen te groeperen, en om meer groepsoverstijgend te werken. Alle aan het TOM-project deelnemende scholen hebben meer breedte en diversiteit in functies gekregen. Daarbij gaat het om onderwijsondersteunend personeel, om unitleiders, incidenteel om Melkertbanen, secretariële ondersteuning, zij-instromers, technici, kunstenaars en andere rollen en functies. Vrijwel alle scholen werken met medewerkers in één van de onderwijsondersteunende functies. Tevens meldt ruim de helft van de scholen dat gedurende het TOM-project de onderwijsassistenten en andere onderwijsondersteunende personeelsleden steeds meer gewaardeerd worden om hun functie in de school.

Zij zijn meer als volwaardig teamlid beschouwd. Ook zijn taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in de loop van de tijd duidelijker geworden.

Door een aantal scholen wordt specifiek aangegeven dat het door functiedifferentiatie mogelijk wordt om onderwijskundige ontwikkelingen vorm te geven en zo goed mogelijk bij leerlingen aan te sluiten.

Bijna de helft van de scholen vermeldt dat de inzet van de onderwijsassistent daaraan bijdraagt. Het werken en leren in teams is één van de grootste veranderingen die TOM met zich meebrengt. Gedurende het TOM-project op de scholen ervaren betrokkenen dat het accent komt te liggen op andere, vaak nieuwe competenties.

b) Kwalitatief goed personeel

Bij vertrouwen in en ruimte voor leraren hoort ook dat zijzelf meer verantwoordelijkheden krijgen als het gaat om hun professionaliteit. OCW heeft het Samenwerkingsorgaan Beroepskwaliteit Leraren (SBL), gevraagd bekwaamheidseisen op te stellen voor onder andere het beroep van leraar. De grondslag voor deze rol van de beroepsgroep is neergelegd in de Wet op de beroepen in het onderwijs (Wet BIO). Zie ook de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, paragraaf 1.2.3.

De diversiteit van de beroepsgroep wordt steeds meer vergroot doordat gemotiveerde en gekwalificeerde mensen langs verschillende wegen in het onderwijs stromen. De nieuwe groepen die zo de school inkomen – zoals bijvoorbeeld zij-instromers, herintreders, lio-ers en onderwijsassistenten – moeten voor een belangrijk deel worden opgeleid op de werkplek. Dat vraagt om meer aandacht voor het opleiden in en door de school en om structurele inbedding van de «opleidingsfunctie» in het integraal personeelsbeleid van de school. Maar opleiden-in-de-school is ook een logische ontwikkeling: mensen willen leren op een manier die bij hen past (leerstijlen, op basis van verworven competenties).

Aan het ontwikkelproject in het primair onderwijs dat in 2002 gestart is en loopt tot 2004, doen 111 besturen mee (ongeveer 350 scholen). Binnen het project werken scholen samen met elkaar en met (leraren)opleidingen de opleidingsfunctie in de school vorm te geven. Dit houdt in dat verschillende varianten mogelijk zijn. Zie ook de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, paragraaf 1.2.3.

c) schoolbudget

Om scholen de mogelijkheid te geven hun personeelsbeleid af te stemmen op de specifieke situatie van de school ontvangen zij een vrij besteedbaar schoolbudget. Voor nadere informatie zie de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid, paragraag 1.2.2.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.20: Ingezette middelen personeel (x € 1 miljoen)
 20012002Realisatie 2003Raming 2003Verschil
Onderwijspersoneel3 740,44 016,64 178,03 887,5290,5

Het verschil tussen raming en realisatie wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten in het primair onderwijs.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

Zie overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid

1.3.3.2 Huisvesting

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De rijksoverheid stelt gemeenten door een uitkering in het Gemeentefonds in staat zorg te dragen voor deugdelijke huisvesting van scholen voor primair en voortgezet onderwijs, die voldoet aan te stellen kwaliteitscriteria. Het streefbeeld is dat alle scholen in staat worden gesteld leerlingen te huisvesten in deugdelijke gebouwen die voldoen aan de gestelde kwaliteitscriteria voor goed onderwijs. De monitor huisvesting 2002 geeft aan dat gemeenten in 2002 minder aan onderwijshuisvesting hebben uitgegeven dan het fictief budget onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. Een verklaring hiervoor is dat gemeenten de meeste uitgaven voor 2002 al in het najaar van 2001 hebben vastgesteld, terwijl de definitieve – en als gevolg van extra investeringen door het Rijk hogere – gemeentefondsuitkering in maart 2003 bekend is gemaakt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2002 heeft het kabinet extra geld ter beschikking gesteld voor een extra investeringsimpuls voor de scholenbouw. Met deze impuls is het mogelijk om aanpassingen van schoolgebouwen aan onderwijskundige vernieuwingen vorm te geven.

In augustus 2003 heeft de VNG de tweede fase van de aanpassing van de modelverordening huisvestingsvoorzieningen opgeleverd. De modelverordening bevat de ruimtelijke en financiële normen en toewijzingscriteria voor schoolgebouwen. De wijzigingen in de eerste fase hadden betrekking op het primair onderwijs. De tweede fase richt zich op het voortgezet onderwijs. De nieuwe ruimtenormering betekent substantieel meer m2 voor de scholen. Naast extra vierkante meters voor het avo-onderwijs, betekent de nieuwe normering vooral meer ruimte ten behoeve van het vmbo en het praktijkonderwijs.

Monitor decentralisatie huisvesting 2002

In 2002 is opnieuw de periodieke enquête onder alle gemeenten gehouden. In deze enquête wordt gekeken naar het financiële aspecten, en naar de wijze waarop de gemeenten omgaan met aanvragen rond onderwijshuisvesting. De komende jaren zal er financieel gemonitord worden om te kijken hoe de uitgaven van gemeenten zich ontwikkelen. Tevens is afgelopen jaar gekeken naar de hoeveelheid nieuwe investeringen van gemeenten in schoolgebouwen.

De afgelopen jaren zijn voorzieningen in de huisvesting toegekend aan eenderde van de scholen voor primair onderwijs en aan 45% van de scholen in het voortgezet onderwijs. In drie jaar tijd (2000–2002) hebben gemeenten in totaal € 593 miljoen verplicht. Hiervan heeft € 353 miljoen betrekking op voorzieningen als uitbreiding van de capaciteit van het gebouw, vervanging van bestaande gebouwen en verbetering van de functionele kwaliteit. Uit de meest recente rapportage blijkt dat gemeente hierin eigen keuze maken, toegesneden op de lokale situatie. En dat gemeenten actief zijn op het terrein van de onderwijshuisvesting en aangeven dat ook de komende tij te blijven doen. Gelet op deze uitkomsten ligt het in de verwachting dat de onderwijskundige vernieuwingen de komende jaren gestalte zullen krijgen en dat de schoolgebouwen hierop worden aangepast.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Middelen voor onderwijshuisvesting staan niet op de OCW-begroting, maar worden via een uitkering in het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar gesteld.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

2 december 2003Brief van de minister van OCW met de aanbieding van de rapporten over monitoring decentralisatie huisvesting PO en VO. Niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0301081

1.3.3.3 Materiële vergoedingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

OCW verstrekt schoolbesturen een vergoeding voor materiële instandhouding, die gebaseerd is op programma's vaneisen. Het doel van deze vergoeding is scholen in staat te stellen docenten en leerlingen een goed onderhouden, schone, eigentijdse werkomgeving te bieden, moderne effectieve leermethoden aan te schaffen en in alle materiele randvoorwaarden op adequate wijze te voorzien. Hierdoor worden de scholen in staat gesteld onderwijs te verzorgen dat voldoet aan de kerndoelen en de criteria van goed onderwijs. Het streefbeeld is de vergoeding op een niveau te houden c.q. te brengen, waardoor schoolbesturen bovengenoemde doelstellingen kunnen realiseren.

Of de scholen de beoogde doelen bereiken, wordt gemeten in:

• de 5-jaarlijkse evaluatie van de programma's van eisen (2001–2006). De staat van het onderhoud en de mate waarin scholen voldoen aan de arbo-eisen, maken hier onderdeel van uit. Deze evaluatie meet of de vergoeding kostendekkend is;

• de 2,5-jaarlijkse evaluatie van de schoonmaak (2002–2005). Het percentage scholen waarvan toiletten, lokalen en verkeersruimten schoon zijn, dient als indicator;

• de jaarlijkse meting van de inspectie naar de leermiddelen. Als indicator wordt het percentage scholen gebruikt waarvan de leermiddelen voor taal en rekenen, en eventueel nader vast te stellen vakken, voldoen aan de gestelde eisen.

Het percentage scholen dat voor de vakken Nederlandse taal en rekenen en wiskunde een leerstofaanbod heeft dekkend voor de kerndoelen, is in 2003 91,4%. De evaluaties van de schoonmaak en de programma's van eisen verschijnen in respectievelijk 2005 en 2006.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 zijn de vergoedingen voor materiële instandhouding aan schoolbesturen verstrekt op basis vande programma's van eisen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.21: Ingezette middelen materieel (x € 1 miljoen)
 20012002Realisatie 2003Raming 2003Verschil
Materiële vergoedingen779,4779,2*781,1769,111,9

*Deze realisatie wijkt af van de realisatie die is opgenomen in het departementaal jaarverslag 2002. In 2002 was de materiele vergoeding niet verdeeld opgenomen. In dit jaarverslag is de materiele vergoeding voor de gewichtenregeling, groepsgrootte en kwaliteit en het weer samen naar school-beleid opgenomen in de realisatiecijfers van deze instrumenten.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

4 april 2003Brief van de minister van OCW met antwoorden op vragen van enkele fracties tijdens het schrifte- lijk overleg over het rapport onderzoek schoon- maakkwaliteit primair onderwijs. Kamerstukken 2002–2003, 28 600 VIII, nr. 121
6 oktober 2003Brief van de minister van OCW met de program- ma's van eisen voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging voor het jaar 2004. Kamerstuk 2003–2004, 29 245, nr. 1

1.3.3.4 ICT in het onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Modern onderwijs kan niet meer zonder ict en de vele mogelijkheden van het internet. De internetvoorziening is een grote stimulans geweest voor het gebruik van ict in het onderwijs. De afgelopen jaren is daartoe extra geïnvesteerd in het onderwijs en hebben de scholen gebruik kunnen maken van een centrale voorziening via de overeenkomst dienstverlening tussen OCW en nl.tree. In december 2002 is in overleg met de Tweede Kamer besloten om deze overeenkomst na 31 december 2003 niet te verlengen. Scholen krijgen vanaf 1 januari 2004 de mogelijkheid om zelf een contract af te sluiten met een internetprovider.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 is door de stichting Kennisnet en de stichting Ict op school hard gewerkt aan de realisatie van de centrale voorzieningen. Op www.ispwijzer.nl kunnen scholen veel informatie vinden over internetvoorzieningen en zijn tools beschikbaar om hen te helpen bij het maken van hun keuzes.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De middelen voor ict worden door middel van de materiële vergoeding beschikbaar gesteld (zie onderdeel materiële vergoedingen).

1.3.3.5 Tussenschoolse opvang

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om het overblijven op scholen te verbeteren is in 2003 opnieuw geïnvesteerd in het opleiden van overblijfkrachten. Doel was het verder professionaliseren van de tussenschoolse opvang door het vergroten van de deskundigheid van de overblijfkrachten. In totaal zijn er ruim 7000 overblijfkrachten opgeleid. De doelstelling is hiermee bereikt. Ander doel van het beleid was het bundelen en verspreiden van ervaringen van scholen met tussenschoolse opvang. Ook dit doel is bereikt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Bij de begrotingsbehandeling 2003 van OCW en SZW zijn amendementen aangenomen voor het opleiden van overblijfkrachten. In totaal ging het om een bedrag van € 4 miljoen. Via een tweetal regelingen (in juni en oktober) zijn schoolbesturen in de gelegenheid gesteld deze middelen aan te vragen voor het opleiden van hun overblijfkrachten. Naast de regelingen zouden goede voorbeelden van tussenschoolse opvang in kaart worden gebracht en worden verspreid. In 2003 is het boekje «Brood op school» verschenen. In dit boekje zijn voorbeelden beschreven van scholen met tussenschoolse opvang. Het boekje is naar alle scholen voor primair onderwijs gestuurd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.22: Ingezette middelen tussenschoolse opvang (x € 1 miljoen)
 Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Tussenschoolse opvang3,85,02,03,0

Na miljoenennota 2003 hebben de ministeries van VWS en SZW, €1,0 miljoen respectievelijk € 2,0 miljoen overgeboekt. Hierdoor was er in 2003 totaal € 5,0 miljoen beschikbaar voor tussenschoolse opvang.

In totaal zijn er middelen aangevraagd voor het opleiden van ruim 7000 overblijfkrachten door middel van een korte cursus en 200 voor (deelkwalificaties voor) een beroepsgerichte opleiding.

Het boekje «Brood op school» is binnen het beschikbare budget ontwikkeld, vormgegeven, geproduceerd en verspreid.

1.3.3.6 Bestuurlijke krachtenbundeling

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van bestuurlijke krachtenbundeling (bkb) is het bevorderen van de bestuurlijke samenwerking tussen scholen in het primair onderwijs en daarmee de bestuurs- en managementkracht van deze scholen. Hiertoe is in 1997 de stimuleringsregeling bkb geïntroduceerd vanuit de overweging dat een gerichte versterking van de bestuurs- en managementkracht een voorwaarde is om in het primair onderwijs stappen richting meer autonomie te kunnen. Een essentiële schakel in dit proces was en is de invoering van lumpsumbekostiging. Sinds de invoering van de stimuleringsregeling in 1997 is de reikwijdte gestaag toegenomen. Per 1 augustus 2003 maakt ruim 53% van de schoolbesturen, al dan niet in samenwerking met andere besturen, gebruik van de regeling. Deze besturen vertegenwoordigen bijna 80% van de scholen, leerlingen en fte's. Ten opzichte van 2002 is sprake van een stabilisatie in het bereik van de regeling. Van de stimuleringsregeling is een duidelijke impuls uitgegaan naar de versterking van de bestuurs- en managementkracht. Deze heeft zich dusdanig ontwikkeld dat per 1 augustus 2006 de stap naar invoering van lumpsum verantwoord kan worden gezet. De beoogde doelstelling van de bkb-regeling wordt daarmee gerealiseerd. In dit licht eindigt de stimuleringsregeling per 1 augustus 2004. In 2004 vindt een afrondende kwalitatieve eindevaluatie van het effect van de regeling plaats.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het stimuleren van bestuurlijke samenwerking en krachtenbundeling tussen scholen vond in 2003 evenals in het jaar 2002 in ca. 500 gevallen plaats door middel van een jaarlijkse bijdrage.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.23: Ingezette middelen bestuurlijke krachtenbundeling (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Bestuurlijke krachtenbundeling30,030,735,835,10,7

Box 2: Invoering lumpsumfinanciering in het primair onderwijs

Om scholen meer bestedingsvrijheid te geven wordt lumpsumfinanciering in het primair onderwijs ingevoerd. Met deze manier van financiering worden scholen in staat gesteld voldoende personeel aan te stellen en rekening te houden met de eigen specifieke omstandigheden. De verwachting is dat een grotere bestedingsvrijheid, meer autonomie, leidt tot een betere personele toerusting van scholen. In het kader van de deregulering en de autonomievergroting is in 2003 de voorbereiding voor de invoering van lumpsum in het primair onderwijs van start gegaan. In 2002 waren reeds de uitgangspunten en randvoorwaarden geformuleerd. Op basis daarvan heeft in de eerste helft van 2003 een doorlichting van de bekostigingsprocessen en systemen plaatsgevonden. Zorgvuldige invoering van lumpsumbekostiging bleek alleen mogelijk als voldoende tijd wordt ingeruimd voor de aanpassing van deze processen en systemen. Daarop is besloten te starten met pilots per 1 januari 2004 en lumpsum voor de hele sector per 1 augustus 2006 in te voeren. Dit is verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van juni 2003 (brief d.d. 11 juni 2003, betreffende lumpsum primair onderwijs, 28 600 VIII nr. 132) en besproken in het overleg met de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.In de tweede helft van 2003 zijn de bestuurlijke randvoorwaarden (zeggenschap en medezeggenschap) nader uitgewerkt, is het bekostigingsstelsel inclusief de overgangsregeling vormgegeven, is het flankerend beleid voorbereid en zijn met de pilotscholen afspraken gemaakt over de start van de pilots per 1 januari 2004. Bij de behandeling van de wet verruiming bestedingsvrijheid (die de wettelijke basis biedt voor de pilots lump sum) heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen, waardoor per 1 augustus 2004 de personele middelen ook aan materiële zaken kunnen worden besteed (ontschotting budgetten).

1.3.3.7 Schoolbegeleidingsdiensten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De schoolbegeleidingsdiensten bieden scholen ondersteuning bij het invoeren van onderwijsvernieuwingen en het oplossen van problemen die zij ondervinden in het onderwijsleerproces. De hulp kan zowel leerlingbegeleiding als systeembegeleiding zijn. Ook in 2003 konden alle scholen in Nederland de ondersteuning van een schoolbegeleidingsdienst inroepen. In het kader van de verdere professionalisering van scholen is het beleid erop gericht om scholen meer ruimte te geven het eigen beleid te laten aansluiten bij de specifieke omstandigheden. Voor de schoolbegeleidingsdiensten heeft dit een omlegging van geldstromen tot gevolg. Het voornemen van het kabinet was om vanaf 1 augustus 2003 het huidige rijksbudget voor de schoolbegeleidingsdiensten rechtstreeks aan de scholen uit te keren. Dit voornemen is niet gerealiseerd. In een brief van 31 oktober 2003 zijn de achtergronden hiervan toegelicht. Met de betrokken organisaties is afgesproken om de invoering van de vraagfinanciering schoolbegeleiding per 1 januari 2005 wettelijk vast te leggen. Invoering geschiedt in drie stappen. De eerste stap, waarin scholen 25% van het begeleidingsbudget vrij kunnen besteden wordt genomen per 1 augustus 2005. Vanaf 1 januari 2008 is er dan 100% bestedingsvrijheid voor scholen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 is aan alle gemeenten een specifieke uitkering verstrekt om hun zorgplicht voor instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst te kunnen realiseren. De hoogte van de specifieke uitkering wordt gebaseerd op de leerlingenaantallen op 1 oktober 1996. Er is een groeiregeling voor gemeenten waarin het aantal leerlingen sterk toeneemt.

Verder is er overleg gevoerd met de betrokken instellingen en de Tweede Kamer is geïnformeerd over de voortgang van de plannen met betrekking tot de vraagfinanciering schoolbegeleiding.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.24: Ingezette middelen schoolbegeleidingsdiensten (x € 1 miljoen)
 2001Realisatie 20022003Raming 2003Verschil
Schoolbegeleidingsdiensten54,757,259,459,00,4

Voor de invoering van de vraagfinanciering schoolbegeleiding is in de loop van 2003 overleg gevoerd over de hoogte van de hiermee gepaard gaande kosten. In eerder genoemde brief is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2003 heeft ontvangen

31 oktober 2003Brief van de minister van OCW over invoering vraagfinanciering schoolbegeleiding primair onderwijs. Kamerstuk 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 18

1.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.25: Budgettaire gevolgen van beleid primair onderwijs (artikel 1 en 2) (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  6 291 0336 874 6317 275 9727 076 526199 466
– waarvan garantieverplichtingen  0030 000030 000
Uitgaven  6 290 0756 876 9917 245 2336 214 9831 030 250
        
Toegankelijkheid  1 348 6751 486 2841 536 829558 818114 333
• Onderwijsachterstandenbeleid  491 792539 930524 446517 9156 531
• OALT  64 68669 21472 77570 2652 510
• Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis  455 366538 127595 700516 38079 320
• WSNS  312 941313 733320 919295 54225 377
• Asielzoekers  4 3584 6062 7082482 460
• Onderwijs in het buitenland  11 46012 22912 37114 041– 1 670
• Brede school  02853093009
• Overig  8 0728 1617 6017 805– 204
Kwaliteit  335 419498 239644 981570 46874 513
• Kerndoelen  00000
• Groepsgrootteverkleining van de onderbouw  326 456487 777631 002558 81872 184
• Leerlingvolgsystemen  1 1023 8301 9091 363546
• Schooltijden  00000
• Schoolzwemmen  04 3555 2555 538– 283
• Overig  7 8612 2776 8154 7492 066
Toerusting  4 605 9814 892 4685 063 4235 085 697– 22 274
• Personeel  3 740 3614 016 5704 177 9783 887 482290 496
• Materiële vergoedingen  779 436779 184781 094769 14811 946
• Bestuurlijke krachtenbundeling  29 99030 71935 79235 116676
• Tussenschoolse opvang  03 7534 9542 0002 954
• Schoolbegeleidingsdiensten  54 72957 21259 38359 017366
• Overig (raming incl. voorcalc.uitd.)  1 4655 0304 222332 934– 328 712

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

3. VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het hoofddoel van het voortgezet onderwijs is leerlingen in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 à 18 jaar het voor hen hoogst haalbare en meest passende onderwijsdiploma te laten halen waarmee ze recht hebben op toegang tot het vervolgonderwijs en voorbereid worden op het bereiken van een volwaardige arbeidsplaats in de samenleving.

Om dit hoofddoel te blijven realiseren is het stelsel van voortgezet onderwijs het afgelopen decennium grondig vernieuwd door meerjarige innovaties en systeemaanpassingen zoals basisvorming, vmbo en tweede fase havo/vwo.

Paragraaf 3.2 geeft aan tot welke effecten dat beleid in 2003 heeft geleid op stelselniveau, paragraaf 3.3 gaat in op effecten/stand van zaken van afzonderlijke beleidstrajecten.

3.2 Stelsel

3.2.1 Toegankelijkheid

Onder de toegankelijkheid van het onderwijs verstaan we de mate waarin kinderen toegang hebben tot het voortgezet onderwijs. De 675 scholen zijn gehuisvest in ruim 2500 gebouwen (schatting).

Daarmee wordt bereikt dat elke leerling een school (gebouw) van de gewenste onderwijssoort in zijn/haar omgeving aantreft.

Aanbod en spreiding mogen geen belemmering vormen voor de deelname aan het onderwijs. Alle leerlingen in genoemde leeftijdscategorie moeten een plaats kunnen vinden in het stelsel voortgezet onderwijs. Vandaar dat dit fijnmazig is opgezet. Voorbeelden van maatwerk zijn de richtingen en niveaus binnen het vmbo, de profielen bovenbouw havo en vwo en de voorzieningen voor zorgleerlingen en leerlingen uit de culturele minderheden.

Kerncijfers voortgezet onderwijs

Tabel 3.1: Kerncijfers voortgezet onderwijs 2003 (gemiddeld)
Totaal aantal ingeschreven leerlingen incl. cumi's884 072
Totaal aantal ingeschreven cumi's78 144
Totaal aantal normatieve fte's72 873
Totaal aantal scholen675
Totaal aantal vestigingen1 079
Gemiddeld aantal leerlingen per school1 310
Gemiddeld aantal leerlingen per vestiging819
Gemiddeld aantal leerlingen per gebouw350
Bruto uitgaven per leerling excl. huisvesting (x 1 €)5 800
Lesgeld (x € 1 000)163 900

Aantal (zorg)leerlingen in het voortgezet onderwijs

In onderstaande tabel en grafiek wordt de ontwikkeling van het aantal leerlingen per onderwijssoort weergegeven. De afgelopen jaren werd de stijging van het aantal zorgleerlingen (lwoo+pro) vooral veroorzaakt door de toename van het aantal nieuwkomers (buitenlandse leerlingen korter dan een jaar in Nederland). Sinds 1 augustus 2002 komen nieuwkomers het eerste jaar niet meer in aanmerking voor lwoo1. In plaats daarvan ontvangen de scholen voor deze leerlingen een stevig verhoogde «cumi 0–1 jaar» bekostiging. In het schooljaar 2002/2003 zien we dan ook voor het eerst een daling van het aantal zorgleerlingen.

De stijging van het aantal zorgleerlingen wordt deels veroorzaakt door de toename van het aantal nieuwkomers, de verbreding van het lwoo (in 1998)1 en de integratie van het svo/lom en svo/mlk (voorheen po) met het regulier voortgezet onderwijs.

Vanaf schooljaar 2002/2003 vindt indicering van zorgleerlingen plaats op basis van een beschikking. In de jaren daarvoor was dat een advies. De indicering heeft er ook toe geleid dat het bewustwordingsproces is geprikkeld en een deel van de verborgen zorgvraag aan de oppervlakte is gekomen. Verder komen vanaf het schooljaar 2002/2003 de nieuwkomers het 1e jaar niet meer voor lwoo in aanmerking. Door het saldo van deze maatregelen is de constante stijging van het aantal lwoo leerlingen recentelijk omgebogen in een lichte daling, die zich stabiliseert in 2003/2004.

Tabel 3.2: Aantal leerlingen in het vo (x 1000)
 98/9999/0000/0101/0202/0303/04
Basisvorming 1,2325,3332,3332,3329,2334,3339,0
Vmbo 3,4183,1180,6181,2184,7180,8177,2
Havo, vwo 370,974,178,177,578,880,6
Tweede fase 4,5, (6)190,4182,6173,3177,2183,7190,2
Zorg (lwoo+ pro)86,692,098,0103,5102,2102,9
Totaal856,3861,6862,9872,1879,8889,9

Bron: ILT (excl. LNV).

Grafiek 3.1 : Aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs (excl. LNV)

kst-29540-16-3.gif

Aantallen leerlingen culturele minderheden in het voortgezet onderwijs

In de onderstaande tabel en grafiek is de ontwikkeling van het percentage cumi-leerlingen in de diverse onderwijssoorten weergegeven. Ook hier valt op dat het aantal zorgleerlingen met een cumi-achtergrond het laatste jaar daalt. De scholen ontvangen voor nieuwkomers vanaf 1 augustus 2002 een cumi-vergoeding. Voorheen konden de scholen voor deze leerlingen een lwoo-vergoeding krijgen. Deze groep wordt nu niet als zorgleerling maar als leerling in de basisvorming geteld.

Hierdoor zien we een stijging van het aantal cumi-leerlingen in 2002/2003 bij de basisvorming en een daling van het percentage cumi's bij de zorgleerlingen.

Tabel 3.3: Het percentage cumi's binnen een schoolsoort (in % van cijfers tabel 3.2)
 98/9999/0000/0101/0202/0303/04
Totaal vo8,38,89,39,69,59,1
Basis vorming 1,27,57,47,77,88,88,2
Vmbo 3,49,19,39,29,39,49,7
Havo, vwo 33,83,93,84,14,34,6
Tweede fase 4,5, (6)3,43,73,63,73,94,2
Zorg23,927,129,430,026,424,1

Bron: ILT (excl. LNV).

Grafiek 3.2: Percentage cumi's binnen een schoolsoort

kst-29540-16-4.gif

3.2.2 Kwaliteit (uit het Onderwijsverslag Inspectie 2003)

De kwaliteit van het voortgezet onderwijs is stabiel. Dit concludeert de Inspectie in het Onderwijsverslag over 2003.

Positief zijn het schoolklimaat, de plaatsing, doorstroming en keuzebegeleiding en de functionele externe contacten van scholen.

Minder ontwikkeld zijn het leren, het zelfstandig werken bij leerlingen en het taalachterstandenonderwijs. Het vmbo kampt nog met een imagoprobleem. Dit geldt niet voor het groene vmbo dat in het algemeen goed functioneert.

De inspectie acht dat de aansluiting tussen het havo/vwo en het hoger onderwijs is verbeterd.

De kwaliteitszorg op de vo-scholen voldoet maar in 36% van de gevallen aan de eisen die de Inspectie daaraan stelt.

Meningen samenleving/ouders

Uit de onderwijsmonitor 2003 (marktresponse 2003) komt naar voren dat de doorsnee Nederlander het voortgezet onderwijs iets hoger waardeert dan ouders met kinderen op het vo. Vanaf 2001 wordt de kwaliteit van het vo iets lager gewaardeerd dan de jaren daarvoor (1999–2000).

Tabel 3.4: Kwaliteit voortgezet onderwijs algemeen
 19992000200120022003
Doorsnee-Nederlanders6,86,96,66,66,5
Ouders met kinderen in het vo6,76,76,56,56,4

Bron: Onderwijsmeter 2003.

Voorts blijkt ook dat het rapportcijfer voor de school van het eigen kind stabiel blijft.

Vergelijken we beide tabellen dan zien we dat het onderwijs op de school van de eigen kinderen hoger wordt gewaardeerd dan het onderwijs in het algemeen.

Tabel 3.5: Kwaliteit voortgezet onderwijs eigen kind
 19992000200120022003
Kwaliteit vo eigen kind7,37,47,37,37,3
Kwaliteit leraren vo eigen school7,17,27,17,06,9

Bron: Onderwijsmeter 2003.

De tevredenheid van de ouders met de school van het kind blijft hoog.

Internationaal

In 2003 zijn geen nieuwe gegevens gepubliceerd over prestaties van Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs in internationaal perspectief. In december 2004 zijn de rapportages gepland van de TIMSS- en PISA-onderzoeken, waarvan de tests hebben plaatsgevonden in 2003. Nederland heeft daarbij voldaan aan de vereiste eisen van respons.

3.2.3 Rendement

Rendement is een maat om de geleverde inspanningen af te zetten tegen de verkregen resultaten.

In het voortgezet onderwijs gaat het om de onvertraagde doorstroom, het zittenblijven, het percentage geslaagden, de uitval, de uitstroom, de prestaties in het eerste jaar van het hoger onderwijs en de investeringen per leerling.

Intern rendement – onvertraagde doorstroom

De onderstaande onvertraagde doorstroomgegevens worden ook op de kwaliteitskaart van de Inspectie weergegeven. Bij deze cijfers wordt geen rekening gehouden met de op- en afstroom. Zo wordt de overgang van 2 havo naar 3 vmbo/theoretisch gezien als onvertraagde doorstroom. De veranderingen tussen 2001 en 2003 zijn klein. De onvertraagde doorstroom in de basisvorming van leerjaar 1 naar leerjaar 2 neemt iets toe (van 90% naar 92%). Ook neemt de onvertraagde doorstroom binnen het vmbo iets toe. Havo en vwo doorstroom blijft min of meer stabiel.

Tabel 3.6: Onvertraagde doorstroom
  2000/20012001/20022002/2003
Basisvormingvanaf leerjaar 1 naar leerjaar 390%91%92%
 havo3 naar havo481%79%83%
 vwo3 naar vwo486%85%86%
Vmbovbo3 naar vbo-d (vmbo bl)85%86%88%
 mavo3 naar mavo-d (vmbo tl)80%82%84%
Tweede fasehavo4 naar havo-d66%67%69%
 vwo-4 naar vwo-d70%68%71%

Bron: Onderwijsverslag 2003 (Inspectie van het Onderwijs Kwaliteitskaart)Leeswijzer: «havo4 naar havo-d» betekent van de 4e klas havo tot en met het behalen van het diploma.

In de tabellen worden nog benamingen gehanteerd als mavo en vbo, aangezien het vmbo eerst per augustus 2002 is gestart.

Intern rendement – geslaagden

In de leerwegen van het vmbo blijken de slaagpercentages bij examens op hetzelfde niveau te liggen als bij de voormalige vbo en mavo.

Hoewel er tussen 2000 en 2003 bij havo/vwo sprake is van een geleidelijke overgang van de oude naar de nieuwe stijl is toch te zien dat het percentage geslaagden in de tweede fase boven dat van de oude stijl ligt.

Tabel 3.7: Geslaagden per schoolsoort (%)
 19982000200120022003
Vbo/lwoo9394959692
Mavo9494959593
Vmbo-b/k/g    94
Vmbo-t    94
Havo oude stijl838984  
Havo nieuwe stijl 91909090
Vwo oude stijl898990  
Vwo nieuwe stijl  939393

Bron: Onderwijsverslag 2003 (Inspectie van het Onderwijs).

Intern rendement – uitval

De uitval (= uitstroom zonder diploma) in het vo stijgt. In de 1e fase is de uitval het grootst.

Omdat hier de risicogroepen uit het vmbo in zitten is dat hogere percentage verklaarbaar. Met de eerste fase wordt hier het onderwijs bedoeld in vmbo 1 en 2 en havo/vwo 1, 2 en 3.

Tabel 3.8: Uitval uit het voltijd onderwijs, in aantallen en als percentage van de totale uitstroom
  1998 1999 2000 2001 2002
 aantal%aantal%aantal%aantal%aantal%
Totaal vo23 60012,524 00012,625 60013,127 30014,628 90015,0
Waarvan 1e fase16 60014,216 90014,718 90015,921 60017,721 90017,2

Bron: kerncijfers 1999–2003.

Grafiek 3.3: Uitval uit het voortgezet onderwijs

kst-29540-16-5.gif

(zie verder paragraaf 3.3.4 onderdeel «voortijdig schoolverlaten» en beleidsartikel 4 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie)

Uitstroom

Meer dan 50% van de vbo-leerlingen vervolgde hun opleiding op de beroepsopleidende leerweg (bol).

Een zeer klein deel kwam terug in het (i)vbo. Waarschijnlijk ging het hier vooral om leerlingen die na het examen op het vbo een andere of aanvullende richting zijn gaan volgen. In het vmbo is dat niet meer mogelijk. De verwachting is dan ook dat de daling zich verder zal voortzetten. In het vbo zagen we tot 2001 een toename van uitstroom uit onderwijs met diploma. Deze groep heeft geen beroepskwalificatie. In 2002 zien we een lichte daling. Het percentage van ruim 22% is echter nog te hoog gelet op het streven om het aantal leerlingen dat geen startkwalificatie haalt, te halveren.

Grafiek 3.4: Uitstroom gediplomeerde (voormalige) vbo leerlingenkst-29540-16-6.gif

Bron: Cfi-matrix.

Circa 70% van de leerlingen met een mavo diploma gaat naar de mbo/bol. Het aantal leerlingen dat met een vmbo/t-diploma naar het havo doorstroomt neemt af. Dat kan mede worden veroorzaakt doordat het vmbo meer gericht is op het bol dan op de doorstroom naar de havo-tweede fase.

De uitstroom uit het onderwijs van leerlingen met diploma is stabiel ten opzichte van voorgaande jaren. Het percentage van ruim 12% blijft echter te hoog gelet op het streven om dit te halveren.

Grafiek 3.5: Uitstroom gediplomeerde mavo leerlingen

kst-29540-16-7.gif

Bron: Cfi-matrix.

De doorstroom van leerlingen met een havo-diploma naar het vwo en het bol neemt af. De toestroom naar het hbo stijgt.

Grafiek 3.6: Uitstroom gediplomeerde havo leerlingen

kst-29540-16-8.gif

Bron: Cfi-matrix

De toename van het aantal leerlingen in het vwo dat uit het onderwijs stapt, is weer gekeerd.

Het zou kunnen gaan om een groep leerlingen die na het vwo eerst een jaar iets anders gaat doen en daarna de draad weer oppakt. De stroom naar het hbo neemt af. De afname van de doorstroom naar het hbo gaat door evenals de toename van de doorstroom naar het wo.

Grafiek 3.7: Uitstroom gediplomeerde vwo leerlingen

kst-29540-16-9.gif

Bron: Cfi-matrix.

Extern rendement – prestaties in het ho van havo en vwo gediplomeerden

De mate waarin leerlingen (met een havo of vwo-diploma) succesvol zijn in het hoger onderwijs is een indicator voor de doeltreffendheid in de bovenbouw havo/vwo van het vo. Het hoogste rendement wordt gehaald door vwo leerlingen die doorstromen naar het hbo. In 2001 deed het overgrote deel van de leerlingen nog examen oude stijl. Deze meting is daarom te beschouwen als een nulmeting.

De komende jaren zal blijken of door de invoering van de tweede fase de prestaties van havo en vwo gediplomeerden zullen toenemen. Opvallend is dat meisjes over de hele linie beter presteren dan jongens.

Tabel 3.9: Percentage gediplomeerde havo en vwo studenten dat na 1 jaar ho-onderwijs de prestatienorm haalt
  20012002
havo-hbojongens7676
 meisjes8786
vwo-hbojongens8990
 meisjes9393
vwo-wojongens7375
 meisjes8384

Leeswijzer: Geslaagd in 2001. Prestatienorm in 2002 gehaald. Bron: Cfi, IB-Groep

3.2.4 Bekostiging

Doel is het handhaven van een adequaat, maatschappelijk aanvaardbaar bekostigingsniveau. De grondslag voor de bekostiging en subsidiëring is neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA) en diverse algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.

Basis voor de bekostiging van personele uitgaven zijn de leerlingentellingen met als peildatum 1 oktober voorafgaand aan het schooljaar. Door middel van leerling/leraar-ratio's, vaste voeten, frictieopslag en dergelijke wordt een koppeling gelegd tussen die leerlingaantallen en de normatieve formatie. De hoogte van de lumpsum voor een school wordt vervolgens bepaald en is afhankelijk van de schoolsoort en de gewogen gemiddelde leeftijd van het lerarenbestand. Naast de middelentoewijzing voor personele kosten vindt er een toekenning plaats voor materiële kosten. Ook voor de berekening daarvan vormen de leerlingaantallen de basis. In 2002 is een voorbereidende stap gezet tot een vereenvoudiging van het bekostigingsmodel (zie paragraaf 3.3.9). Zie paragraaf 3.4 «budgettaire» gevolgen van het beleid voor de totale uitgaven van het voortgezet onderwijs, het verschil met de oorspronkelijke begroting en een korte verklaring van het verschil.

3.2.5 Continuïteit

Financiële positie van het voortgezet onderwijs

Doelmatige financiering moet ervoor zorgen dat de door het rijk bekostigde scholen de in de aanhef van het hoofdstuk voortgezet onderwijs genoemde hoofddoelstelling kunnen realiseren. Daartoe moet de continuïteit van het stelsel van scholen verzekerd zijn. Om na te gaan hoe het scholenveld ervoor staat wordt de financiële positie van het veld gevolgd aan de hand van de ingediende jaarrekeningen.

De financiële positie wordt geschetst aan de hand van de volgende drie kengetallen:

solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit. De solvabiliteit zegt iets over de financiële positie voor de langere termijn. Het gaat om het aandeel van het eigen vermogen in het totale vermogen. De liquiditeit laat zien in welke mate de instelling haar korte termijnschulden kan terugbetalen. De rentabiliteit laat het resultaat zien van de instelling in een bepaald jaar:

zijn de uitgaven en de inkomsten in evenwicht. In de publicatie «Kerncijfers 1999–2003» is de toelichting bij de gehanteerde kwalificaties «goed, matig/voldoende, slecht» te vinden. Tevens is daar de normering opgenomen voor de solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit.

De financiële positie van de gezamenlijke vo-instellingen kan ultimo 2002 (laatste jaar waarover gegevens beschikbaar zijn) als «goed» gekwalificeerd worden. De solvabiliteit 1 (exclusief voorzieningen) en 2 (inclusief voorzieningen) zijn vrijwel gelijk gebleven. De liquiditeit en de rentabiliteit zijn echter wel iets afgenomen.

Het totale exploitatieresultaat is voor het eerst in 5 jaar afgenomen. Ten opzichte van 2001 bedraagt deze daling € 32,7 miljoen. Deze daling wordt veroorzaakt door een afname van het «saldo baten en lasten» met € 35,6 miljoen. In 2002 is er door het gezamenlijke vo-veld voor ruim € 300 miljoen geïnvesteerd in materiële vaste activa.

Bij de behandeling van de begroting 2004 van OCW is door de leden Lambrechts en Van der Laan gevraagd of er sprake is van een verschil in de financiële positie bij grote en kleine besturen, openbaar en niet openbaar onderwijs en besturen in randstedelijke gebieden of daarbuiten. Bij de analyse is een bestuur met meer dan 2500 leerlingen als groot gedefinieerd en is randstedelijk zowel smal (alleen de besturen in de G4) als breed (besturen in de G4 +G21) opgevat. De belangrijkste conclusie was dat er bij deze indelingen geen onderscheid in de financiële positie was waar te nemen.

Solvabiliteit

De solvabiliteit van de gezamenlijke instellingen is de laatste vijf jaar zeer stabiel. De groei van het eigen vermogen en de voorzieningen houdt al jaren gelijke tred met de toename van het totale vermogen.

Het totale eigen vermogen van de 319 besturen bedroeg op 31 december 2002 € 1 308,4 miljoen. Dat is gemiddeld € 4,1 miljoen per bevoegd gezag. De spreiding is groot. Boven de grens van 0,3 wordt de solvabiliteit als goed gekenmerkt. In 2002 zaten 40 besturen onder die grens. Dat is 2 meer dan in 2001.

Grafiek 3.8: Spreiding solvabiliteit 1

kst-29540-16-10.gif

Bron: Cfi.

Binnen het totale eigen vermogen zien we de algemene reserve toenemen van € 593,7 miljoen naar € 727,0 miljoen en de bestemmingsreserves afnemen van € 601,8 naar € 566,6 miljoen.

De voorzieningen zijn ten opzichte van 2001 met 7% toegenomen. Deze toename is aanzienlijk kleiner dan in 2000 (toename van 15%) en 2001 (toename van 14%). Per 31 december 2002 is er een bedrag van € 479,1 miljoen aan voorzieningen beschikbaar (voor concrete of specifieke risico's en toekomstige verplichtingen die op balansdatum bestaan moeten voorzieningen worden gevormd, deze zijn niet «vrij» beschikbaar). Het aandeel van de voorzieningen in het totale vermogen is over de afgelopen 5 jaar vrijwel gelijk gebleven.

Tabel 3.10: Solvabiliteit
 19981999200020012002
Solvabiliteit 1 (exclusief voorzieningen)0,500,500,500,500,50
Solvabiliteit 2 (inclusief voorzieningen)0,670,670,660,660,67

Grafiek 3.9: Solvabiliteit

kst-29540-16-11.gif

Bron: Cfi.

De liquiditeit

De liquiditeit is wederom afgenomen, maar kan ultimo 2002 nog steeds als «goed» worden gekwalificeerd. Dit betekent dat de instellingen nog steeds aan hun verplichtingen op korte termijn kunnen voldoen, hoewel de dalende trend van de afgelopen 5 jaar doorzet. Het aantal besturen met een slechte liquiditeit is gestegen naar 7 (2001: 5). Na de stijging van het werkkapitaal (de bestedingsruimte van de gezamenlijke instellingen) in de jaren 2000 en 2001 is in 2002 het werkkapitaal afgenomen. De daling is beperkt van omvang.

Tabel 3.11: Liquiditeit
 19981999200020012002
Liquiditeit (quick ratio)2,191,951,851,821,75

Grafiek 3.10: Liquiditeit

kst-29540-16-12.gif

Bron: Cfi.

De rentabiliteit

De rentabiliteit in 2002 is ten opzichte van 2001 aanzienlijk afgenomen en bevindt zich weer op het niveau van 2000. Het resultaat uit gewone bedrijfsvoering is met € 36,9 miljoen afgenomen tot € 81,2 miljoen. Deze daling heeft voornamelijk plaatsgevonden bij het totale saldo van baten en lasten. De afname van het saldo baten en lasten wordt veroorzaakt doordat de lasten (toename van € 520,8 miljoen) aanzienlijk sneller zijn toegenomen dan de baten (toename van € 485,1 miljoen).

Opmerkelijk is dat in 2002 de stijging van de personele lasten € 425 miljoen bedraagt, terwijl in de jaren 1999–2001 de stijging van de personele lasten jaarlijks gemiddeld € 250 miljoen bedroeg. Omdat de stijging van de rijksbijdragen hierbij achterblijft, verklaart dat voor een deel de daling van het resultaat uit de gewone bedrijfsvoering.

Het aantal besturen met een slechte rentabiliteit (minder dan – 1%) is toegenomen van 33 naar 66.

Hierbij zitten 5 besturen die de afgelopen drie jaar een slechte rentabiliteit hebben. Gezien de solvabiliteitspositie bij deze 5 instellingen is er geen reden voor ongerustheid.

Tabel 3.12: Rentabiliteit
 19981999200020012002
Rentabiliteit1,0%1,0%1,5%2,5%1,6%

Grafiek 3.11: Rentabiliteit

kst-29540-16-13.gif

Bron: Cfi.

Nog steeds zijn bij een groot aantal instellingen de bestuursverslagen zeer beperkt. Vaak wordt wel een aantal algemene dingen besproken, maar een analyse van het resultaat, een vergelijking met de begroting en het aangeven van de financiële streefwaarden ontbreekt veelvuldig. Steeds meer besturen geven aan investeringsplannen te hebben.

Voor een gedetailleerde analyse van de financiële positie van het voortgezet onderwijs verwijs ik u naar de publicatie «Kerncijfers 1999–2003».

3.3 Operationele doelstellingen

3.3.1 Basisvorming

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Gebleken is dat het werken met één landelijk geldend, uniform onderwijsprogramma onvoldoende recht doet aan verschillen tussen leerlingen. De Inspectie gaf in 1999 aan dat het programma basisvorming overladen en versnipperd was en dat scholen onvoldoende recht konden doen aan verschillen. In algemene zin was het probleem dat het aanbieden van het programma basisvorming aan alle leerlingen voor scholen onvoldoende organiseerbaar was. In de brief van de minister van 2 december 2003 aan de Tweede Kamer staat dat niet meer wordt uitgegaan van een centraal voorgeschreven, voor alle leerlingen geldend en uniform onderwijsprogramma. Om dat te onderstrepen wordt de term «onderbouw voortgezet onderwijs» gebruikt waar het gaat om de periode, en de term «kerndoelen» waar het gaat om de gemeenschappelijke doelen voor de scholen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2001 heeft de toenmalige staatssecretaris (tijdelijke) maatregelen getroffen met als doel scholen beter in staat te stellen de doelstellingen van de basisvorming te realiseren (OCW, Ruimte voor kwaliteit in de basisvorming,2000). De maatregelen beoogden de knelpunten ten aanzien van overladenheid en versnippering te verminderen. Scholen kunnen nu keuzes maken t.a.v. de kerndoelen, mits ze alle verplichte vakken aanbieden.

Eind 2002 is de Taakgroep vernieuwing basisvorming van start gegaan om in nauwe samenwerking met de scholen voorstellen te ontwikkelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De taakgroep heeft een dubbele opdracht: ontwikkel in samenspraak met scholen (schoolleiders, leraren, ouders, leerlingen) verschillende scenario's voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs en adviseer de overheid over daarbij passende landelijke kaders.

De taakgroep heeft in maart 2003 een eerste proeve van nieuwe kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs opgesteld. Deze is met honderden scholen en duizenden betrokkenen uit het onderwijs besproken. Op basis daarvan heeft de taakgroep een tweede voorstel voor nieuwe kerndoelen geformuleerd. Dit tweede ontwerp kerndoelen zal de komende maanden wederom met het onderwijsveld worden besproken, zodat de taakgroep in – conform planning – juni 2004 een breed gedragen voorstel aan de minister kan aanbieden. De aanpak van de taakgroep leeft, zie de grote opkomst op twee door de taakgroep over «de nieuwe onderbouw» georganiseerde conferenties begin 2004: ongeveer 1350 deelnemers vanuit circa 475 schoollocaties. De werkzaamheden van de taakgroep liggen op schema. Te verwachten is dat de voorstellen van de Taakgroep vernieuwing basisvorming hun beslag krijgen vanaf 1 augustus 2006. Om het welslagen hiervan te bevorderen is al in 2003 als flankerend beleid een start gemaakt met het laten ontwikkelen van flexibele leermiddelen.

Het Onderwijsverslag van de Inspectie over 2003 verschaft informatie over de effectiviteit van de «tijdelijke maatregelen». De mate waarin scholen er in slagen een hedendaags onderwijsaanbod te realiseren zoals vastgelegd in de kerndoelen basisvorming en de nieuwe examenprogramma's, is op een toegenomen aantal scholen (34% in 2002/2003 i.t.t. 29% in 2001/2002) als voldoende beoordeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat de kerndoelen waaruit scholen keuzes moeten maken voor hun onderbouwprogramma te omvangrijk en onvoldoende samenhangend is. Alle scholen boden de verplichte vakken aan, zoals bedoeld met de tijdelijke maatregelen. De onderdelen van het aanbod waarop de Inspectie veel scholen nog onvoldoende beoordeelt, zijn het aanbod van de algemene vaardigheden (zoals leren samenwerken, plannen, zelfstandig werken, presenteren, onderzoeken), de samenhang tussen de vakken en het taalonderwijs aan leerlingen met taalachterstanden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Zie voor de totale geraamde en de feitelijke kosten van de basisvorming tabel 3.15 onder paragraaf 3.4 «Budgettaire gevolgen van het beleid».

De geraamde kosten en de feitelijke kosten van de aanvullende bekostiging komen overeen. De «tijdelijke maatregelen» hebben als zodanig geen geld gekost. De verlichting van de wettelijke kaders heeft de organiseerbaarheid van het programma op schoolniveau doen toenemen.

Voor de werkzaamheden van de Taakgroep vernieuwing basisvorming was in 2003 € 1,6 miljoen beschikbaar. Daarnaast was € 1 miljoen beschikbaar voor een project waarin voor alle vakgebieden in de onderbouw experimentele, maar wel direct bruikbare, flexibele leermiddelen ontwikkeld kunnen worden.

Er zijn voor de inrichting van de basisvorming door OCW middelen beschikbaar gesteld aan scholen en ondersteuningsinstellingen voor (door)ontwikkeling van de basisvorming in de scholen. Het betreft:

• vernieuwingsgelden voor schoolontwikkeling (€ 27,2 miljoen) die onder andere voor de ontwikkeling van de basisvorming op schoolniveau ingezet kunnen worden;

• projectsubsidies voor (her)ontwerp van de basisvorming, onder andere een groot VVO-project. Scholen hebben hierin activiteiten ondernomen gericht op herinrichting van de basisvorming. Daarin werden ze ondersteund.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• op 25 maart 2003 heeft de minister de Tweede Kamer een brief gestuurd over de stand van zaken rondom de werkzaamheden van de taakgroep;

• daarover heeft een schriftelijk overleg plaatsgehad, dat is vastgesteld op 26 mei 2003 (als bijlage daarbij is de opdracht aan de taakgroep ter informatie bijgevoegd);

• op 2 december 2003 heeft de minister een tussenrapportage van de taakgroep met haar beleidsreactiedaarop aan de Tweede Kamer gezonden. Over deze rapportage zal nog een schriftelijk overleg gevoerd worden, met als laatste datum voor indiening van vragen uit de Tweede Kamer 29 januari 2004.

3.3.3 vmbo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 1998 is besloten het mavo en het vbo te herstructureren tot het vmbo waarbij de diverse opleidingen zijn omgezet in leerwegen (invoeringsdatum; 1 augustus 2002). De invoering van het vmbo is met ingang van 1 augustus 2002 een feit. Het lom en mlk is omgezet in lwoo resp. pro. In het verslag 2002 is hierop al ingegaan.

In het jaar 2003 lag het accent binnen het vmbo op de verdere invulling van de leer-wegen, de zorgstructuur, de examinering en het actieprogramma vmbo. Maatwerk is hierbij een centraal begrip.

Het veld is verantwoordelijk voor de inrichting. De overheid faciliteert.

Zie voor de totale geraamde en de feitelijke kosten van het vmbo de tabel 3.15 onder paragraaf 3.4 «Budgettaire gevolgen van het beleid».

De leerwegen

Scholen hebben op indicatie van OCW – en veelal ook geholpen door externe organisaties – in toenemende mate variatie aangebracht binnen de leerwegen waarbij ingespeeld wordt op de individuele leerling. Leerwerktrajecten en assistent-opleidingen (mbo1) binnen het vmbo zijn hiervan de voorbeelden.

Ook combinaties van avo-vakken met beroepsgerichte vakken is een model.

Via door het instituut AXIS begeleide trajecten is een verdere modernisering (continu-proces) in gang gezet. Pedagogisch-didactische concepten moeten er toe leiden dat het onderwijs voor de leerling «eigentijds» is. Er wordt ingespeeld op de interesse van de hedendaagse leerling.

De zorgstructuur

De structuur is ingericht via samenwerkingsverbanden, de indicatiestelling en de zorgopvang. Het veld heeft laten weten nu zelf verantwoordelijk te willen zijn voor die structuur maar ook voor de kwaliteit van de zorg. Vanuit de diverse onderwijsorganisaties (besturenbonden, VVO, vakbonden, AOC-raad en landelijk werkverband pro) is de «stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg vmbo en pro» opgericht.

De stuurgroep is vanaf 1 augustus 2003 gestart met het ondersteunen en begeleiden van scholen bij een kwaliteitsonderzoek, het formuleren van verbeterpunten en het in gang zetten van die verbeteringen.

Ook hier geldt dat dit traject enige jaren zal duren voordat direct meetbare resultaten te boeken zijn. De kosten voor de 5 maanden in 2003 zijn bestreden uit het projectartikel. Voor 2004 en verder dragen de scholen bij vanuit de zorgmiddelen.

Ten aanzien van de indicatiestelling is overleg gevoerd met de regionale verwijzingscommissies. Dit heeft geleid tot wijzigingen in de «aanvraagprocedure indicatiestelling», waardoor de uitvoeringslast van de scholen wordt verminderd.

Examens

De eerste centrale examens vmbo zijn in april 2003 afgelegd.

De angst bij de scholen dat minder leerlingen de eindstreep zouden halen is niet bewaarheid. Ruim 90% van de examenkandidaten heeft het diploma behaald. In 2003 is gestart met een experiment rond geïntegreerde examens (praktijk en theorie) binnen de basisberoepsgerichte leerweg. De resultaten zijn van dien aard dat een integrale invoering per 2004 kan worden doorgevoerd. Een verdere uitbreiding van deze geïntegreerde vorm naar kaderberoepsgerichte leerweg is in onderzoek.

Verder worden vormen van flexibilisering in tijd en vorm van het afnemen van examens onderzocht.

Aktieprogramma vmbo

Mede als onderdeel van de impuls beroepsonderwijs zijn ook in 2003, in het licht van de invulling van de leerwegen en de afstemming met bedrijfsleven en mbo, door de scholen vele initiatieven gestart.

Stabilisatie van het aantal vmbo-gediplomeerden is bereikt. Gegevens over de doorstroom naar het mbo en de eerste resultaten binnen het mbo worden begin 2004 verzameld en beoordeeld. Eerst dan kan voorzichtig worden geconstateerd of er sprake is van een succesvolle doorstroom van de eerste lichting gediplomeerde vmbo-ers nieuwe stijl.

Signalen dat de inhoudelijke afstemming tussen de opleidingen binnen het vmbo en die binnen het mbo nog beter dient te verlopen is door de scholen opgepakt. De eerste stappen tot die verdere inhoudelijke afstemming zijn gezet. In 2004 zal hieraan door OCW verder op worden aangedrongen en aangestuurd.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ja, met diverse instrumenten (projectsubsidies, ontheffingen, begeleiding en advies) zijn scholen gestimuleerd tot maatwerk en tot verdere vernieuwing, maar ook tot een betere afstemming. Via de Stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg vmbo en pro heeft het veld de verantwoordelijkheid geclaimd en ingevuld.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde respectievelijk de beschikbare aanvullende middelen voor het vmbo binnen de begroting 2003 (€ 68 miljoen) en de feitelijke kosten komen overeen.

3.3.3 Profielen tweede fase havo/vwo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De tweede fase havo/vwo heeft volgens de wet twee hoofddoelen (Stb. 1997, 322):

1. Verbetering van de aansluiting tussen het voortgezet en het hoger onderwijs; zowel tussen havo en hbo als tussen vwo en wo.

2. Modernisering en actualisering van de inhoud en de werkwijze binnen het havo en vwo.

Over het bereiken van deze beide doelstellingen is inmiddels het volgende bekend.

Verbetering aansluiting voortgezet en hoger onderwijs (hbo en universiteit)

De aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs komt tot uitdrukking in:

• het percentage leerlingen dat naar het hoger onderwijs doorstroomt;

• het daarbij gerealiseerde succes in het vervolgonderwijs (zie paragraaf 3.2.3 tabel 3.9);

• de keuze binnen het hoger onderwijs: de tweede fase zou mede als gevolg moeten hebben dat vwo-gediplomeeren kiezen voor het wo in plaats van het hbo en dat havo-gediplomeerden vaker kiezen voor het hbo in plaats van het mbo;

• uiteraard past bij de ambitie tot verbetering van de doorstroom van havo- en vwo-gediplomeerden dat het aantal leerlingen dat het diploma behaalt tenminste op het oude niveau blijft.

Daarnaast zijn uit een aantal instellingen onderzoeksgegevens beschikbaar die een indruk geven van de mate waarin de nieuwe stroom leerlingen is voorbereid op het hoger onderwijs.

Aansluiting vwo en wetenschappelijk onderwijs

Onderzoeksinstituut IOWO voert een jaarlijks onderzoek uit «Instroommonitor» onder eerstejaarsstudenten, waarin ook de tevredenheid over de aansluiting tussen het voortgezet en het wetenschappelijk onderwijs aan de orde komt. In het studiejaar 2001–2002, het eerste jaar waarin een deel van de nieuwe studenten via de nieuwe tweede fase op de universiteit waren voorbereid, bleek dat vwo-ers nieuwe stijl de aansluiting vwo-wo in vergelijking met vwo-ers oude stijl als beter beoordeelden op het gebied van studievaardigheden zoals zelfstandig studietaken aanpakken, kunnen plannen, communicatieve vaardigheden, ict-vaardigheden en basale onderzoeksvaardigheden. Minder tevreden toonden de vwo-ers nieuwe stijl zich op het gebied van de vakinhoudelijke kennis, in het bijzonder binnen de sector techniek. Bij de gegevens past de kanttekening dat het hier gaat om een jaargang studenten, waarin de vwo-ers nieuwe stijl nog een minderheid vormen. In het studiejaar 2002–2003 is het onderzoek herhaald, waarbij bleek dat de eerste volledige lichting universiteitsstudenten uit de vernieuwde tweede fase vwo beduidend meer tevreden is over de aansluiting met de diverse vaardigheden dan de laatste volledige lichting vwo-ers nieuwe stijl (2000–2001). Over de aansluiting van de vakinhoud is de jongste groep nieuwe-stijlers wat minder ontevreden dan de oude-stijlers. Vooral in de bètasectoren is de situatie in dit opzicht duidelijk verbeterd.

Aansluiting havo en hoger beroepsonderwijs

Omdat het havo zijn nieuwe-stijl leerlingen een jaar eerder afleverde, is op de hogescholen al wat meer ervaring beschikbaar. De uitkomsten van onderzoeken op een reeks van afzonderlijke hogescholen zijn in hoge mate gelijkluidend.

Het belangrijkste verschil dat aan het licht treedt is, dat de profiel-instromers de overgang naar hbo als minder groot ervaren dan de leerlingen voortgezet onderwijs oude-stijl. Daarnaast beschikken de profielleerlingen over meer algemene vaardigheden, zoals zelfstandig studeren, samenwerken in groepen en een actieve opstelling en omgaan met ict. De studenten nieuwe stijl kunnen ook beter reflecteren op de eigen studievaardigheden, en hun schriftelijke uitingen worden hoger aangeslagen.

Wel blijkt, evenals bij vwo-ers, bij sommige vakken de zuiver vakmatige kennis wat geringer dan voorheen. Dit punt geldt echter zeker niet voor alle vakken.

De beoordeling van de docenten over deze verschuivingen vallen over het algemeen positief uit. Echt zorgelijk wordt de teruggang in kennis niet gevonden, zolang ze de hoofdlijnen blijven zien: minder kennis is repareerbaar. Dat algemene studievaardigheden vooruit zijn gegaan wordt door de docenten als minder belangrijk beoordeeld.

In 2003 werd deze uitkomst bevestigd. Een gezamenlijk onderzoek van de Haagse Hogeschool, de Technische Hogeschool Rijswijk en de Hogeschool Leiden wees uit dat de genoemde verbetering zich heeft doorgezet. In het onderzoek over 2001/2002 was gebleken dat de nieuwe-stijlers gemiddeld 31 studiepunten haalden (van de maximaal 42 te behalen punten), 4 punten meer dan de oude-stijlers. Dit blijkt in het studiejaar 2002/2003 verder te zijn gestegen tot een gemiddelde onder de havisten van 33 studiepunten. In dit jaar konden voor het eerst ook vwo-instromers nieuwe stijl worden vergeleken met de oude-stijlers. Ook hier onderscheidden de nieuwe-stijlers zich positief, met gemiddeld 38 studiepunten tegen 33 bij de oude-stijlers.

Modernisering en actualisering van inhoud en werkwijze in havo en vwo

Met de profielen (verplichte combinaties van vakken) en de nieuwe examenprogramma's (omschrijving van kennis en vaardigheden die aan het eind van de opleiding dienen te worden beheerst) is de nieuwe inhoud van het onderwijs vastgelegd. Een nieuwe werkwijze is niet bij regelgeving opgelegd, maar is bevorderd door het benadrukken van de voordelen van meer zelfstandig leren, met het «studiehuis» als metafoor voor de school die de leerling hiertoe optimaal in staat stelt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Sinds de invoering van de nieuwe tweede fase in '99 is door diverse onderzoekingen (o.m. door Tweede Fase Adviespunt en Inspectie) aan het licht getreden dat de profielen en examenprogramma's lijden aan een zekere mate van overladenheid en versnippering. Dit heeft geleid tot tijdelijke verlichtingsmaatregelen en voor de langere termijn tot voorstellen voor bijstelling van het systeem.

Vooruitlopend hierop zijn al per 1 augustus 2003 kleine aanpassingen in de examenprogramma's aangebracht, die leiden tot een vermindering van belasting voor scholen en leraren en waar mogelijk tot een grotere keuzevrijheid.

Mede als gevolg van de bovengenoemde knelpunten is op de meeste scholen een breed didactisch handelen zoals in het «studiehuis» kan worden verwacht nog niet in volle omvang tot stand gekomen. Verwacht kan worden dat dit op langere termijn zal verbeteren, door gewenning van de docenten en ook door de bovengenoemde maatregelen tot het wegnemen van huidige knelpunten.

Overigens hebben de genoemde aanloopproblemen geen negatieve invloed gehad op het percentage leerlingen dat in het nieuwe systeem voor het havo- en vwo-examens is geslaagd: dit is zelfs wat hoger dan in de voorafgaande jaren.

Uitgewerkte gedachten tot bijstelling van de tweede fase, om de gebleken knelpunten weg te nemen en meer keuzevrijheid te realiseren, zijn begin 2003 gepresenteerd in de notitie «Ruimte laten en keuzes bieden in de tweede fase havo en vwo». Nadat hierover uitvoerig het onderwijsveld is gehoord, is een voorstel voorgelegd aan de Tweede Kamer bij brief van 4 juli 2003. De bespreking van deze voorstellen in de Kamer heeft tot resultaat gehad dat een herzien voortstel aan de Kamer is gezonden bij brief van 4 december 2003.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De bekostiging van de leerjaren 4 en hoger op havo en vwo is niet veranderd als gevolg van de nieuwe tweede fase. Wel zijn ten tijde van de invoering (1998 en 1999) éénmalige bedragen beschikbaar gesteld ten behoeve van personeel (voorbereidingstijd) en materieel (mediatheek, aanpassing gebouw). Zie voor de totale geraamde en de feitelijke kosten van de tweede fase havo/vwo tabel 3.15, paragraaf 3.4 «Budgettaire gevolgen van het beleid».

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Ruimte laten en keuzes bieden, nr. VO/BOB/03/61946, 8-1-'03

• Inspectierapport «Tweede fase vierde jaar», VO/BOB/03/7139, 20-2-'03

• Beantwoording in kader Schriftelijk Overleg, 14 maart 2003, TK 28 600 VIII nr. 119

• Voorstel 2e fase havo/vwo, VO/OI/03/23487, 4-7-'03

• Herzien voorstel, VO/OK/03/53723, 4-12-'03.

3.3.4 Sociale cohesie en voorkomen uitval

Sterke leeromgeving

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De minister heeft zich de opdracht gesteld een veilige en sterke leeromgeving te creëren, waarin leerlingen zich gerespecteerd en serieus genomen voelen. Daarbij is signalering van moeilijkheden die leerlingen kunnen ondervinden in hun schoolcarrière en begeleiding en ondersteuning van die leerlingen essentieel. Dit stelt eisen aan het pedagogisch en didactisch klimaat in de school en maakt een goede samenwerking tussen de school en omliggende voorzieningen noodzakelijk.

Uit de meest recente beschikbare gegevens van de Onderwijsinspectie, het Onderwijsverslag 2003, blijkt dat de inspectie het schoolklimaat op vrijwel alle scholen voor voortgezet onderwijs positief beoordeelt. Ook de meeste ouders (90%) tonen zich tevreden over de aandacht op school voor het veiligheidsgevoel van hun kind. Wanneer leerlingen zich in meer algemene zin uitspreken over de veiligheid op hun school, geven ze aan zich op hun school veilig te voelen. Toch blijkt dat veel scholen worden geconfronteerd met incidenten, uiteenlopend van pesten tot diefstal, discriminatie en fysiek geweld, zowel tussen leerlingen onderling als tussen leerlingen en docenten. (Hieromtrent heeft het ministerie ruim 100 brieven ontvangen.) Hier doet zich een spanningsveld voor. Veiligheid vraagt daarmee om structurele aandacht. Leerlingen in het havo-vwo en brugklassers oordelen positiever over hun welbevinden dan leerlingen in het vmbo. In oktober 2003 is het integraal standpunt ten aanzien van veiligheid op scholen in het primair en voortgezet onderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd (VO/SO/2003/46866).

Het Landelijk Centrum Onderwijs en Jeugdzorg (LCOJ) heeft op basis van uitkomsten van regionale conferenties Leerling & Zorg en een via het NIBUD uitgezette vragenlijst een aantal conclusies opgesteld over de mate en vormen van samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs en voorzieningen voor jeugdzorg, welzijn, gezondheidszorg en veiligheid. Het blijkt dat de samenwerking tussen onderwijs en andere jeugdvoorzieningen steeds meer van de grond komt. De meeste scholen (circa 80%) beschikken inmiddels over een zorgadviesteam, waarin naast de interne leerlingbegeleiding van de school ook externen deelnemen. Dit zijn vooral de schoolarts (86%), de leerplichtambtenaar (80%), de (school)maatschappelijk werker (71%) en het bureau jeugdzorg (68%). Deze cijfers laten zien dat de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling in gang is gezet. Dit laat onverlet dat ieder incident de noodzaak van blijvende aandacht opnieuw onderstreept.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om een sterk sociaal-pedagogisch en didactisch schoolklimaat te bevorderen en zo problemen van leerlingen tijdig te signaleren en adequate begeleiding te bieden zijn de volgende maatregelen genomen.

Voor het Transferpunt Jongeren, School en Veiligheid is een adviesgroep in het leven geroepen om het transferpunt meer vraaggericht aan te sturen en daarmee beter aan te sluiten bij de problemen in het veld. De adviesgroep bestaat uit vertegenwoordigers van ouders, schoolleiders, leerlingen (ook de personeelvakorganisaties zullen daarvoor worden uitgenodigd) en komt circa 6 keer per jaar bijeen.

Het traject «Conflicthantering en sociale competentie in het onderwijs» is voortgezet.

Daarnaast loopt het programma «Wendbare weerbaarheid». Dit programma is gericht op het vergroten van de weerbaarheid van de lagere klassen van het voortgezet onderwijs. Het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum heeft het cursusmateriaal voor Wendbare weerbaarheid ontwikkeld. Daarin is onder meer ook aandacht besteed aan het inbedden van de methodiek in een schoolbrede aanpak van fysieke en sociale veiligheid in het schoolbeleid.

Vanaf 2003 maakt het thema veiligheid expliciet onderdeel uit van de toezichtsystematiek van de Inspectie van het onderwijs. Bovendien zijn de taken van de vertrouwensinspecteurs met de wijziging van de WOT (2002) uitgebreid tot vormen van fysiek of psychisch geweld.

De Inspectie heeft de brochure «Iedereen is anders» ontwikkeld, die in het najaar van 2003 naar alle scholen is gestuurd. Deze brochure bevat, naast informatie over waarop de inspectie bij haar schoolbezoek let, ook praktische tips en suggesties voor scholen voor het bevorderen van een tolerant schoolklimaat.

Tenslotte kan worden vermeld dat de integrale aanpak van het jeugdbeleid vorm krijgt in het kader van de Operatie JONG waarin de ministeries van VWS, BZK, Justitie, OCW en SZW samenwerken. Op 31 oktober 2003 is de concept-jeugdagenda naar de Tweede Kamer gezonden. De agenda bevat de prioriteiten voor de komende jaren. In dit kader zijn belangrijke agendapunten: een sluitend aanbod van zorg rondom scholen, maximalisering van onderwijsrendement en integraal toezicht. In 2004 zullen deze thema's van actiepunten worden voorzien; er moet nog veel werk worden verzet.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor het Transferpunt is een bedrag van € 0,7 miljoen beschikbaar gesteld. Een deel daarvan is bestemd voor de Onderwijstelefoon en het Project Preventie Seksuele Intimidatie (PPSI).

Aan het traject «conflicthantering en sociale competentie in het onderwijs» zijn geen middelen meer verbonden. Deze budgetten zijn al eerder weggezet bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De middelen voor «wendbare weerbaarheid» zijn al eerder beschikbaar gesteld.

Voor de brochure «Iedereen is anders» is een bedrag van € 140 975,– besteed. De genoemde feitelijke kosten komen overeen met de geraamde kosten.

Voortijdig schoolverlaten

De algemene doelstellingen en ontwikkelingen die het voortijdig schoolverlaten betreffen zijn beschreven in het hoofdstuk beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, paragraaf 3.4.16. Hier wordt kort ingegaan op de specifieke situatie van het voortgezet onderwijs.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Van 2001 op 2002 is het voortijdig schoolverlaten in het voortgezet onderwijs wederom gestegen (zie paragraaf 3.2.3 tabel 3.8). Het is dus vooralsnog niet gelukt om een reductie tot stand te brengen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De activiteiten die in het voortgezet onderwijs zijn ontplooid betreffen het toezicht op en handhaving van de leerplicht via het project «handhaven op niveau – leerplicht» en de brochure voor de ouders.

Bij wijze van preventie wordt er in het vmbo gestreefd naar maatwerk voor de leerling en zijn er in de basisberoepsgerichte vakken leerwerktrajecten ingevoerd, die voor de leerlingen zeer motiverend zijn. Er wordt gestudeerd op de mogelijkheid van uitbreiding daarvan naar de kaderberoepsgerichte leerweg.

Van belang voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten is verder de versterking van de zorgstructuur in het vmbo door de instelling van de «stuurgroep kwaliteit van de leerlingzorg vmbo en pro».

Daarnaast wordt er in het kader van de ontwikkeling van de beroepskolom gewerkt aan een verbetering van de aansluiting tussen het vmbo en het mbo. De gebrekkige aansluiting tussen deze twee sectoren van het onderwijs blijkt een belangrijke oorzaak te zijn van voortijdig schoolverlaten.

Een andere oorzaak van voortijdig schoolverlaten is te vinden in de sociaal-emotionele problemen van veel leerlingen. Inzet van een instelling voor jeugdhulpverlening kan essentieel zijn bij het voorkomen van uitval van jongeren die met deze problemen kampen. Daarvoor moet de structuur van instellingen voor zorg en hulpverlening rondom de school doorzichtiger worden en meer in samenhang worden gebracht. Daarvoor werkt het ministerie van OCW samen met de ministeries van BZK, VWS, SZW en Justitie in de operatie JONG.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Handhaven op niveau – leerplicht heeft in 2003 conform de begroting € 75 000 gekost. Zie verder het hoofdstuk beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Onderwijsachterstandenbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid is gericht op een evenredige deelname van allochtone leerlingen aan het onderwijs. Dit kan worden bereikt door uitval onder allochtone leerlingen tegen te gaan en doorstroming naar havo en vwo te bevorderen. Voorts wordt er van scholen met veel allochtone leerlingen verwacht dat zij een expliciet taalbeleid voeren. Het streven is dat:

• in 2006 er 4% meer allochtone leerlingen in havo en vwo zijn vanaf leerjaar 3 dan in 2002;

• alle scholen met doelgroepleerlingen een taalbeleid voeren.

Er is sprake van een licht stijgende tendens van het aantal allochtone leerlingen in het havo en vwo. Zo is in 2003 het aantal allochtone leerlingen in het havo/vwo in schooljaar 3 opnieuw toegenomen.

Ook de (lichte) stijging van het aandeel allochtone leerlingen binnen de groep havo/vwo-scholieren in klas 4/5/6 heeft zich in 2003 doorgezet.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal scholen met doelgroepleerlingen dat een taalbeleid voert. In ieder geval is bekend dat alle onderwijskansenscholen een taalbeleid voeren. Wel is bekend dat scholen zich de afgelopen tijd in het bijzonder gericht hebben op de invoering van onderwijsvernieuwingen als vmbo en profielen havo/vwo, waardoor de aandacht voor taalbeleid (nog) niet voldoende is. Nu de invoering van de onderwijsvernieuwingen goeddeels achter de rug is, zal taalbeleid de komende jaren meer aandacht moeten kunnen krijgen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het beleid is neergelegd in de Wet gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid (GOA), de Regeling personele vergoeding culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen voorgezet onderwijs (de cumi-regeling vo), de Regeling specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en voortgezet onderwijs 2002–2003, NT2 en het onderwijskansenbeleid.

De uitvoering van de eerste jaar van de periode 2002–2006 van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa) is door SCO-Kohnstamm geëvalueerd. Vóór de zomer van 2004 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het huidige goa-beleid, waaronder ook de uitvoering van de onderwijskansenplannen.

Via de cumi-regeling vo hebben scholen aanvullende vergoeding ontvangen voor specifieke doelgroepen van leerlingen. De regeling specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en voortgezet onderwijs is in 2003 wettelijk verankerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het aandeel voortgezet onderwijs, inclusief onderwijskansen in het goa-beleid, bedroeg in 2003 ruim € 14,5 miljoen. Voor gerichte begeleiding en ondersteuning van taalbeleid is in 2003 € 71,3 miljoen uitgegeven voor de cumi-regeling vo. Dit is conform de voor 2003 geraamde bedragen.

Asielzoekers

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Asielzoekers in de leerplichtige leeftijd hebben net als alle andere jongeren recht op en de plicht tot het volgen van onderwijs. Inspanningen zijn erop gericht deze kinderen zo snel mogelijk na binnenkomst te laten instromen in het reguliere onderwijs.

Doel van het gevoerde beleid is gemeenten en scholen in staat te stellen door middel van een flexibele bekostigingssystematiek deze groep van leerlingen, die vaak niet aan het begin van een schooljaar instromen, toch in het eerste jaar van hun verblijf in Nederland onderwijs te bieden.

Gemeenten komen in aanmerking voor een specifieke uitkering als in de gemeente tenminste 10 schoolgaande asielzoekers onderwijs volgen in het eerste jaar dat zij in Nederland verblijven. Op basis van deze regeling zijn in 2003 door gemeenten aanvragen ingediend voor asielzoekersleerlingen.

Het ging hierbij om de volgende aantallen leerlingen in het voortgezet onderwijs: 3 615 leerlingen per 1 februari 2003, 2 925 leerlingen per 1 juni 2003 en 2 106 leerlingen per 1 oktober 2003.

Daarmee ontvingen alle asielzoekersleerlingen, die in Nederland werden opgevangen en waarvoor de gemeenten een verzoek om bekostiging aan OCW hebben gedaan, extra middelen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Aangekondigd is dat in 2003 de specifieke uitkering structureel wordt geregeld. Hiertoe is in het afgelopen jaar het voorstel tot wijziging van de WPO, WEC en WVO in gang gezet dat moet leiden tot opneming van een grondslag voor uitkeringen aan gemeenten in verband met de eerste opvang van vreemdelingen in het onderwijs. Vanaf 2003 tot de invoering van de wetswijziging wordt de uitkering toegekend op basis van de Financiële verhoudingswet. Inhoudelijk is de uitkering ongewijzigd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 3.13: middelen specifieke uitkering voortgezet onderwijs (x € 1 miljoen)
 Begroting 2003Realisatie 2003Verschil
Onderwijs aan asielzoekers in het eerste jaar van opvang primair en voortgezet onderwijs23,711,911,8

Bron: Oorspronkelijke begroting 2003/realisatie Cfi.

De oorspronkelijke begroting 2003 was gebaseerd op de (geraamde) instroomcijfers van 2002 (ruim 5 700 leerlingen). Er is in 2003 minder uitgegeven dan begroot door de daling van de instroom van asielzoekers (realisatie 2003 2 900 leerlingen).

3.3.5 Personeelsvoorziening

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De algemene beleidsdoelstelling is een adequate personeelsvoorziening in het voortgezet onderwijs, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Het tegengaan van personeelsschaarste was hierbij eerste prioriteit.

Uit de arbeidsmarktmonitor 2002–2003 blijkt dat de onvervulde vacaturevoorraad aan het begin van het schooljaar 2002/2003 vrijwel gelijk is met die aan het begin van 2001/2002 (Regioplan: Arbeidsmarktmonitor 2002–2003). De inspectie van het onderwijs constateert in het onderwijsverslag dat het aantal vacatures, na een periode van stijging in voorafgaande jaren, in het schooljaar 2002/2003 afgenomen is met 26% ten opzichte van schooljaar 2001/2002 (Inspectie van het Onderwijs, 2003). De afname wordt deels verklaard door een grotere instroom van mensen uit andere sectoren (pas afgestudeerden, lio's, zij-instromers), de afname van de baan-baan mobiliteit van docenten en deels door de veranderde economische situatie. Doordat er ontslagen vielen in de marktsector kozen, in vergelijking tot voorgaande jaren, relatief meer mensen voor een baan in het onderwijs.

Het doel, om de stijgende lijn in het aantal vacatures om te buigen, is gehaald. Wel moet opgemerkt worden dat het lastig is te beoordelen in hoeverre deze omslag het gevolg is van ingezette instrumenten en welk deel aan de veranderde economische situatie.

Inmiddels laten de cijfers van het vierde kwartaal 2003 (Regioplan: Arbeidsmarktmonitor 2003/2004) voor de sector voortgezet onderwijs weer een stijging zien van het aantal openstaande vacatures. Hoewel in 2003 over het hele jaar gemeten het aantal openstaande vacatures gedaald is blijft de situatie dus zorgelijk. De komende jaren zijn veel nieuwe leraren nodig, vooral als gevolg van de vergrijzing van het onderwijspersoneel. Bovendien zou de keuze voor het onderwijs niet een negatieve keuze moeten zijn (daling aantal vacatures door economische teruggang), maar gebaseerd moeten zijn op aantrekkelijkheid van het werken in het onderwijs.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om dit te bereiken is het beleid erop gericht de onderwijsarbeidsmarkt te verruimen, de concurrentiepositie van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren alsook de omstandigheden en het personeelsbeleid te versterken.

Hiervoor zijn verschillende instrumenten ingezet. In de overzichtsconstructie onderwijspersoneel wordt het beleid dat gericht is op een adequate personeelsvoorziening in het onderwijs uitgebreid beschreven. Voor het voortgezet onderwijs betreft het de volgende instrumenten:

• Regeling aanvullende vergoeding in verband met arbeidsmarktknelpunten in het voortgezet onderwijs 2003;

• tegengaan uitstroom uit het onderwijs (waaronder oudere werknemers);

• het bevorderen van de instroom in het voortgezet onderwijs door: voorlichting en imagocampagne, concurrerende arbeidsvoorwaarden voor het voortgezet onderwijs, arbeidsvoorwaarden op maat per school of groep scholen (decentrale cao's), het verbeteren van de arbeidsomstandigheden;

• maatregelen gericht op zij-instroom (maatwerk-trajecten, subsidieregeling, matchingsorganisaties, projecten voor zij-instroom in het vmbo – vakmensen voor de klas – en detachering in het onderwijs – bedrijf voor de klas), functiedifferentiatie binnen en naast de leraarsfuncties (projecten);

• betere benutting van het beschikbare personeel door: schoolbudgetten, integraal personeelsbeleid (ipb, sps, functiedifferentiatie, opleiden in de school), professionalisering schoolleiders, uitbreiding onderwijsbevoegdheid.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het voortgezet onderwijs kent het systeem van de normatieve bekostiging. Dat wil zeggen dat aan de hand van het aantal leerlingen dat voor bekostiging in aanmerking komt de school een bedrag als lumpsum ontvangt. In 2003 ontvingen de scholen normatief circa € 4,1 miljard voor de reguliere personele uitgaven. Daarnaast is voor de bekostiging van de hierboven genoemde instrumenten een bedrag van € 16 miljoen uitgegeven, welk bedrag overeenkomt met de daarvoor geraamde kosten.

Zie ook beleidsartikel 9 Onderwijspersoneel.

3.3.6 Onderwijsondersteuning

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de Wet SLOA zijn de onderwijsondersteunende activiteiten voor primair en voortgezet onderwijs en bve geregeld. Het doel is ondersteuning van de ontwikkelingen in scholen en instellingen om een bijdrage te leveren aan het stimuleren van de kwaliteit en de toegankelijkheid van het onderwijs.

Dit betekent:

• dat met behulp van de sloa-activiteiten innovaties (zoals ict, lerarenbeleid en competenties) op voor scholen bruikbare wijze worden uitgewerkt;

• dat overige onderdelen van het onderwijsbeleid met behulp van de sloa-activiteiten worden geïmplementeerd.

De eindverslagen van de ondersteunende (sloa-)instellingen over de activiteiten van 2003 worden in het eerste kwartaal van 2004 verwacht.

Uit de tussentijdse rapportages van september 2003 blijkt dat het merendeel van de projecten op schema ligt. De instellingen verwachten dat in bijna alle gevallen de einddatum van 31 december 2003 zal worden gehaald. De ondersteuning bij de examens is gebonden aan een strakke tijdsplanning.

Afwijkingen van de gestelde termijnen zijn hier nauwelijks aanwezig.

De projecten worden in nauwe samenwerking met de scholen uitgevoerd. Deze samenwerking verloopt voor het merendeel naar wens.

Sommige projecten vereisen een gedegen voorbereiding voordat met scholen aan de daadwerkelijke uitvoering kan worden begonnen. Het opschuiven in de tijd heeft soms tot gevolg dat projecten niet voor het einde van het jaar kunnen worden afgerond.

Uit de eindverslagen over het jaar 2002 blijkt dat de voor dat jaar geplande activiteiten vrijwel allemaal zijn afgerond, maar een beperkt aantal projecten nog een doorloop hebben gehad naar 2003.

Ook voor een gering aantal projecten uit 2003 wordt verwacht dat zij in de eerste helft van 2004 zullen worden beëindigd.

De Vereniging van Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra (VSLPC) publiceren jaarlijks een gezamenlijk overzicht met de producten die zij met de scholen voor voortgezet onderwijs hebben ontwikkeld. Scholen kunnen ook via de websites van de instellingen feitelijke informatie krijgen over ontwikkeld materiaal dat hen van dienst kan zijn bij de eigen ontwikkeling.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Bijna alle projecten zijn uitgevoerd volgens de planning. Bij sommige projecten bleek het echter noodzakelijk om tussentijds op onderdelen het projectplan te wijzigen. De oorzaken daarvan waren divers. Zowel het departement als de scholen hebben verzocht om de doelstellingen van enkele projecten bij te stellen.

Productie landelijke examens voortgezet onderwijs

De CEVO coördineert de organisatie van het centraal examen en geeft sturing aan de deskundigen. De feitelijke productie van de opgaven voor de centrale examens wordt verzorgd door het CITO. De CEVO stelt deze vast namens de minister.

Jaarlijks worden de productie en de examenresultaten verantwoord in het «Examenverslag vbo/mavo/havo/vwo». Naast de inhoudelijke ontwikkeling en niveaubepaling is een substantieel deel van de werkzaamheden gericht op normvergelijking. De centrale examens van het vmbo zijn dit jaar voor het eerst gehouden. De slaagpercentages wijken nauwelijks af van die van de voorgaande jaren.

De marktwerking in de landelijke onderwijsondersteuning is in 2003 toegenomen. Een groot aantal instanties heeft hierop met diverse projecten ingeschreven. De eindrapportages van de projecten zijn nog niet ontvangen. Deze worden in het eerste kwartaal van 2004 verwacht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde en feitelijke kosten voor de reguliere sloa-activiteiten komen overeen. Sommige projecten hebben meer gekost dan feitelijk was voorzien, maar hebben van OCW de gelegenheid gekregen deze met onderschrijdingen elders te compenseren. Deze compensatie moest echter wel plaatsvinden binnen de middelen die voor de afzonderlijke mantels ter beschikking werden gesteld en binnen de verschillende onderwijssoorten. Voor enkele projecten heeft OCW additionele middelen ter beschikking gesteld. Het gaat om circa € 2,5 miljoen en betreft voornamelijk onderhoud examens en ontwikkeling van het gebruik van computers bij het centraal examen.

Tabel 3.14: uitgaven 2003 sloa-activiteiten (x € 1 miljoen)
Ondersteuning vernieuwingsactiviteiten11,2
Examenontwikkeling13,2
Denktank5,4
Veldaanvragen en onderzoek4,4
Totaal34,2

Bron: Cfi.

3.3.7 Kwaliteitszorg

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Volgens de wetgeving voor schoolplan, schoolgids en klachtenregeling (WVO 1998) moeten alle scholen beschikken over een systeem van kwaliteitszorg, opdat zij voldoende zicht hebben op mogelijkheden tot verbetering daarvan, inclusief de daarvoor benodigde instrumenten.

Om de invoering van een professionele kwaliteitszorg in het voortgezet onderwijs te bevorderen is een meerjarig stimuleringsproject opgezet, het Q-5 project dat loopt van 2000 tot 2005. Doel van het project is om scholen bij invoering van de kwaliteitszorg te ondersteunen. De hoofdtaken zijn voorlichting, deskundigheidsbevordering en informatieverstrekking bij de vormgeving van het kwaliteitsbeleid. Het Q-5 project voorziet in een tweejaarlijkse monitor, en rapporteert jaarlijks over de voortgang. De inspectie geeft jaarlijks in het onderwijsverslag de stand van zaken van de invoering van de kwaliteitszorg.

De doelbereiking kan op verschillende niveau's worden geformuleerd. De inspectie stelt jaarlijks vast of de door scholen gehanteerde kwaliteitszorg voldoen aan de kwaliteitskenmerken van de inspectie. In 2002 voldeed 34% van de scholen hieraan; in 2003 36% van de scholen. Over 2001 kwam de inspectie tot een percentage van ruim 60% van de scholen dat voldeed, daarbij werden echter minder strenge criteria aangelegd.

Volgens de monitor in opdracht van Q-5, gehouden in 2002, hanteerde 60% van de scholen periodiek een vorm van zelfevaluatie. Deze monitor zal in 2004 worden herhaald.

Aan het begin van het Q-5 project is de volgende omschrijving van de opbrengsten van het project (voor 2005 derhalve) opgesteld:

• 25 tot 30% van de scholen past integrale systematische kwaliteitszorg toe;

• 50% past beperkte vormen van kwaliteitszorg toe;

• 60% legt resultaten van zelfevaluatie voor aan derden;

• 90% betrekt ouders/leerlingen bij hun kwaliteitszorg.

Het door de inspectie vastgestelde percentage van 36% is enerzijds ver weg van een gewenst percentage van ruim 90% van de scholen met een werkend stelsel van kwaliteitszorg. Anderzijds ligt het boven het percentage van 30% gesteld in het projectplan van Q-5 voor integrale systematische kwaliteitszorg.

Nader uitsluitsel wordt nog verwacht van de monitor in 2004 en van het externe evaluatieonderzoek naar inspectietoezicht, dat eveneens in 2004 plaats vindt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De door het Q-5 project voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd:

• voorlichting via website, periodiek, brochures en conferenties;

• bevordering netwerken scholen;

• bevordering voorbeeldprojecten;

• ondersteuning instrumentontwikkeling kwaliteitszorg tweede fase, schoolexamens, curriculum, kwaliteit van zorg bij zorgleerlingen;

• deelname internationale projecten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het Q-5 project kost ongeveer € 0,5 miljoen per jaar. Een vergelijkbaar bedrag is besteed via de sloa-middelen aan instrumentontwikkeling e.d. De gedane uitgaven zijn conform de begrote bedragen.

3.3.8 Infrastructuur

Schoolomvang

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Leerlingen en ouders zijn er bij gebaat dat het onderwijs wordt gegeven in organisatorische eenheden waarbinnen gevoelens van geborgenheid en betrokkenheid mogelijk blijven. De schoolomvang moet de menselijke maat niet overstijgen. Fusies en verdere schaalvergroting worden in het voortgezet onderwijs daarom niet gestimuleerd.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Scholen kunnen kennis nemen hoe het onderwijs in kleinschalige eenheden aangeboden kan worden, zodat de betrokkenheid en geborgenheid van leerlingen en ouders bij de school gewaarborgd kunnen worden.

Hiervoor is onder scholen in 2003 een brochure verspreid met daarin voorbeelden van scholen die hun gebouw en organisatie vanuit een streven naar kleinschaligheid hebben ingericht.

Verder is bij de toetsingskaders het uitgangspunt gehanteerd dat niet schaalvergroting maar de school op menselijke maat bevorderd moet worden.

Daartoe zijn twee onderzoeken uitgevoerd om te kijken naar de relatie tussen de schoolgrootte en de kwaliteit van het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs heeft een onderzoek gedaan naar het verband tussen de kwaliteit van de school en de aspecten schoolgrootte (aantal leerlingen per vestiging), inrichting (aparte eenheden, gebouwen, gescheiden leerlingstromen) en samenstelling (schooltypes). Het bureau Doordecentralisatie Huisvesting VO (DHV) en de KPC-groep hebben een brochure opgesteld waarin een aantal voorbeelden zijn beschreven. Deze brochure is verspreid onder de scholen.

Regionale arrangementen vmbo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het is van belang dat scholen komen met een onderwijsaanbod dat passend is voor de regio om zo de aantrekkelijkheid van het vmbo te verbeteren. Dit kan door middel van regionale arrangementen, waarbij scholen in de regio samenwerken met elkaar, het vervolgonderwijs, gemeente(n), provincie en bedrijfsleven met als doel een vmbo-aanbod dat aansluit op de behoeften van leerlingen en ouders.

Ook de relatie met de arbeidsmarkt speelt een rol.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Er zijn vier in plaats van tien regionale arrangementen gerealiseerd per 1 augustus 2003. De andere arrangementen waren nog niet ver genoeg met hun plannen op het gebied van het aanbod om in 2003 al gerealiseerd te worden. Verwacht wordt dat veel van deze arrangementen in 2004 wel ver genoeg zijn om tot goedkeuring over te gaan.

Er is ervaring opgedaan met regionale arrangementen. De werkgroep «planningsvrijheid vmbo» heeft een rapport geschreven Ruimte voor scholen, waarin een advies wordt gegeven over de landelijke beleidsvorming en voorbereiding van de wetgeving met betrekking tot de planningsvrijheid in het vmbo.

Dit rapport is op 10 juli 2003 aan de Kamer verzonden. Uit dit rapport bleek dat er een centrale rol is voor de visie op het aanbod van onderwijs in de regio, wat door de regionale arrangementen de regiovisie wordt genoemd. In het kader van deze uitkomst is besloten om aan de hand van ervaringen van regionale arrangementen «good practice» te verzamelen over de vorm en de inhoud van de regiovisie. Dit heeft het rapport «de regiovisie nader bekeken» opgeleverd. Dit rapport bevat veel bruikbare informatie, zeker voor arrangementen die in de startfase zitten, en zal daarom verspreid worden onder betrokkenen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het betreft een viertal samenwerkingsverbanden waarmee een bedrag van circa € 0,1 miljoen is gemoeid.

3.3.9 Vereenvoudiging bekostigingsmodel

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het huidige bekostigingsmodel bevat teveel parameters en is daardoor nodeloos ingewikkeld. Daarnaast is het model verouderd en gezien de verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden niet transparant genoeg. De materiële bekostiging sluit onvoldoende aan op de personele bekostiging.

De bekostiging vindt daarnaast plaats op schooljaarbasis. Dat levert voor scholen die een groeiend aantal leerlingen hebben financiële problemen op. Zij moeten teveel voorfinancieren. Bekostiging op schooljaarbasis sluit voorts niet aan op verantwoording op kalenderjaarbasis.

De beoogde datum van invoering van de vereenvoudiging is 1 januari 2005.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?.

De oplossing van bovenstaande problemen is een verdergaande vereenvoudiging van de bekostiging.

Hiertoe is een wetswijziging voorbereid. Daarover is overleg gevoerd met besturenorganisaties. Deze zijn in meerderheid akkoord gegaan met het voorstel tot vereenvoudiging inclusief de overgangsregeling (i.v.m. herverdeeleffecten). De wetswijziging zal naar verwachting in het begin van 2004 naar de Kamer worden gezonden.

Genoemde (uitvoering van) plannen past in het streven van deregulering.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Nog niet van toepassing.

3.3.10 Materiële toerusting

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Zoals ook blijkt uit het Jaarverslag 2002 is in voorgaande jaren flink geïnvesteerd in de materiële vergoeding voor scholen met incidentele en structurele impulsen. Maar in dat jaarverslag is ook te lezen dat uit extern onderzoek van eind 2001 blijkt dat de materiële bekostiging als gevolg van diverse ontwikkelingen in het onderwijs wel onder druk is komen te staan.

De mate waarin geïnvesteerd wordt in eigentijds materieel en in functionele gebouwen, is een verantwoordelijkheid van scholen zelf, afhankelijk van de eigen behoefte.

Daarnaast is verder gegaan met het kritisch op nut en noodzaak bezien van de administratieve lasten die op scholen drukken (zie onderstaand). Minder centrale sturing en beperking van administratieve lasten maken het mogelijk dat scholen meer doen met de huidige budgetten.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Met het oog op deregulering en autonomievergroting zijn met ingang van het schooljaar 2002–2003 de aparte regelingen voor ict en dyslexie niet verlengd maar de daarmee gepaard gaande vergoedingen zijn aan de materiële exploitatiekostenvergoeding toegevoegd. In lijn hiermee is in 2003 besloten om de individuele bekostiging van scholen in verband met leerlingen met een handicap (uit het zogenaamde potje Smeenk) met ingang van 1 augustus 2004 af te schaffen. Het jaarlijks daaraan bestede bedrag zal per die datum worden toegevoegd aan de lumpsum van scholen.

In 2003 is ook besloten de «Wijziging regeling visueel of auditief gehandicapte leerlingen WVO» per 1 augustus 2004 in te trekken. Het bedrag dat in het kader van die regeling voor auditief gehandicapte leerlingen aan scholen wordt toegekend, wordt met ingang van 1 augustus 2004 in de vorm van lumpsumbekostiging aan de scholen toegekend.

Voor beiden geldt dat de exacte wijze waarop de betreffende middelen worden toegevoegd aan de lumpsum in 2004 verder vorm zal krijgen. Bovenstaande betekent in ieder geval dat met ingang van het schooljaar 2004–2005 scholen hiervoor geen arbeidsintensieve aanvragen voor aanvullende bekostiging meer hoeven in te dienen.

Het intrekken van eerder genoemde regeling per 1 augustus 2004 geldt ook voor de aanvullende bekostiging voor visueel gehandicapte leerlingen. In 2003 is gestart met overleg met onder andere de betrokken instellingen en organisaties voor visueel gehandicapten en in 2004 zal duidelijk worden hoe de bekostiging van deze groep leerlingen ingericht gaat worden.

Daarnaast is in 2003 besloten het centrale contract tussen het ministerie en nl.tree voor de internetvoorziening van scholen per 1 januari 2004 te beëindigen en met ingang van die datum zijn scholen vrij om hun eigen internetprovider te kiezen. Met ingang van 2004 ontvangen scholen een lumpsumvergoeding bedoeld voor de internetvoorziening.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Zoals al is gemeld, is er in 2003 niet extra geïnvesteerd in specifiek de materiële vergoeding voor de scholen in het voortgezet onderwijs. De verschillende vergoedingen voor de exploitatiekosten voor het schooljaar 2003–2004 waren gelijk aan die voor het schooljaar 2002–2003. In 2003 bedroeg de totale exploitatiekostenvergoeding € 563 miljoen.

3.3.11 Informatie- en communicatietechnologie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling: integratie van ict in het onderwijsleerproces. Informatie- en communicatietechnologie is geen doel op zich meer, de inzet van ict in het onderwijsleerproces wordt gebruikt om andere doelstellingen binnen het onderwijs te bereiken.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om integratie van ict in het onderwijsleerproces te bevorderen zijn de lopende experimenten voortgezet en zijn daarnaast in 2003 twee nieuwe projecten ten behoeve van integratie van ict afgegeven binnen de marktwerking SLOA.

• Door middel van uitvoering van het victo-project (vmbo informatie communicatie technologie onderwijs). Victo levert een bijdrage aan de doelstelling om in het vmbo 80% van de leerlingen in 80% van de maximale verblijfstijd de eindtermen te laten halen. Dit project richt zich in het bijzonder op de vmbo, bbl en kbl. Het percentage geslaagden in deze leerwegen ligt respectievelijk op 89% en 87%, waarmee de 80% doelstelling ruimschoots is gehaald in 2003 (vmbo-examens 2003, Inspectierapport nr. 2003–20).

• In 2001 hebben 7 scholen een eenmalige subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van het programma ict-route in het vmbo. Inmiddels hebben de eerste leerlingen examen afgelegd op basis van dit programma. In de afgelopen periode hebben zich verschillende scholen gemeld om als volgschool dit programma mede vorm te kunnen geven. Aan 10 scholen is toestemming verleend om hieraan mee te werken. Nu is overleg met een tweede tranche van volgscholen die de komende periode actief vorm geven aan dit programma.

• Om ervaring op te doen met ict en examens is het project «computerexamens» van start gegaan. In 2003 is de constructie gerealiseerd van experimentele ict-examens met examenstatus en het opzetten en uitvoeren van ict-examens zonder examenstatus. Tevens is gewerkt aan de (niet vakinhoudelijke) infrastructuur.

• Twee projecten marktwerking sloa. Beide zijn uitgezet/gestart met de bedoeling een impuls te geven aan de integratie van ict in het onderwijsleerproces en ict als hulpmiddel te gebruiken. In het eerste project wordt een vakoverstijgende leergang gericht op de vaardigheden in het vmbo ontworpen. Het tweede project is gericht op competentieleren gekoppeld aan een leerlingvolgsysteem.

Alle scholen in het voortgezet onderwijs zijn in het bezit van een internetverbinding. Het centrale contract van OCW met nl.tree voor de infrastructuurvoorziening is op 31 december 2003 afgelopen. Om scholen in staat te stellen hun eigen internetprovider te kiezen worden vanaf 1 januari 2004 de middelen die voor de infrastructuur beschikbaar zijn rechtstreeks toegevoegd aan de lumpsum van de scholen (€ 18 per leerling).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De ict-vergoeding voor het voortgezet bedraagt € 58 per leerling. Dit bedrag is opgenomen in de reguliere bekostiging via de lumpsum. De middelen die voor de infrastructuur beschikbaar waren, zijn uitgegeven volgens het centrale contract van de directie ICT met nl.tree. Daarnaast ontving iedere vo-school via een aparte regeling een vergoeding van € 11,24 voor het gebruik van Kennisnet.

Zie ook beleidsartikel 10 Informatie en communicatietechnonogie

3.4 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 3.15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 RealisatieVastgesteldeBegrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen4 094 0514 385 5134 954 5815 165 24 95 201 7965 050 352151 444
– waarvan garanties000020 000020 000
Uitgaven3 395 9584 250 7284 661 2904 932 0215 12 5 3275 020 081105 246
Basisvorming   2 348 7402 432 6782 379 09553 583
Vmbo-leerwegen   1 402 9021 474 7301 442 24732 483
Tweede fase havo/vwo   820 055876 388857 08419 304
Onderwijsverzorging en projecten   71 92872 14571 298847
Overige voorzieningen   288 396269 386270 357– 971
Ontvangsten4 2114 9383 1503 2212 5311 3611 170

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling van het beroepsonderwijs en de educatie is alle deelnemers de kans te geven hun talenten te ontwikkelen en hen te kwalificeren voor de beroepsuitoefening of een vervolgopleiding dan wel hen een basis te geven om op latere leeftijd weer te leren, sociaal redzaam te zijn en te participeren in de Nederlandse maatschappij door onder meer het goed beheersen van de Nederlandse taal.

4.2 Het stelsel: de staat van de sector

4.2.1 Toegankelijkheid

Uit het onderwijsverslag over het jaar 2003 van de Onderwijsinspectie blijkt dat de instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in principe voldoende toegankelijk zijn voor specifieke doelgroepen en kansarmen. Waarbij wordt opgemerkt, dat meer dan de helft van de instellingen binnen het beroepsonderwijs geen expliciet doelgroepenbeleid voert, en ook niet differentieert naar doelgroep.

De doorstroom vanuit de educatie naar het beroepsonderwijs lijkt echter onder druk te komen staan.

Tabel 4.1: Deelnemers mbo in 2003 (aantal x 1 000)
 Realisatie 2003Vastgestelde begrotingVerschil
Bol271 672260 16611 506
waarvan niveau 1 en 260 60550 39910 206
Bbl154 280162 375– 8 095
waarvan niveau 1 en 275 31283 465– 7 072
Bol-dt23 42035 956– 12 536
waarvan niveau 1 en 210 95117 559– 6 608
Totaal mbo449 372458 497– 9 125

Bron: Bekostigingstelling 2002, Referentietelling 2003.

In de realisatie is een forse daling van bol deeltijd waar te nemen. De belangrijkste oorzaken van deze daling zijn waarschijnlijk het effect van het wetsvoorstel «korte klap» dat voorschrijft dat er voor deeltijdbol een minimumnorm van 300 uur geldt en de lage conjunctuur. Hierdoor stellen potentiële deelnemers een voorgenomen deeltijdopleiding uit en zijn bedrijven minder genegen om hun personeel te scholen.

Tabel 4.2: Deelnemers educatie (inclusief inburgering) (aantal x 1 000)
 Realisatie 2003Vastgestelde begrotingVerschil
Educatie160,6169,5– 8,9

Bron: Beleidstelling 2002, Referentietelling 2003.

Tabel 4.3: Aantallen instellingen
SoortAantal in 2003
Roc's41
Vakinstellingen13
Met hbo geïntegreerde mbo-instelling1
Instellingen voor doven2
Instellingen van een «laatste richting»2
Totaal59

Bron: Informatiesysteem bve 2004.

Tabel 4.4: Aantallen personeel (in fte)
TypeAantal in 2003
Onderwijzend personeel23 600
Management600
Onderwijs ondersteunend personeel13 400
Totaal aantal fte's37 600

Bron: OCW, basisregistratie personeel (BRP).

4.2.2 Kwaliteit

Uit het onderwijsverslag over 2003 blijkt dat de leeractiviteiten van de deelnemers voldoende zijn gericht op de eindtermen, maar dat het onderwijsleerproces nog te weinig uitdagend en passend is. Evenals over het jaar 2002 heeft de inspectie de onderwijsleerprocessen bij meer dan 90 procent van de opleidingen als voldoende beoordeeld. Inspanningen om vernieuwend onderwijs te geven zijn weliswaar merkbaar tijdens sommige lessen, maar leiden veelal nog niet tot zelfreflectie en zelfsturing van het leerproces door de deelnemer.

In 2003 is voor de vijfde keer aan een representatieve groep Nederlanders gevraagd naar hun mening over het onderwijs (Onderwijsmonitor 2003). De kwaliteit van het mbo wordt door deze groep gewaardeerd met een 7,2 (ter vergelijking; vmbo met 6,6 en wo met 7,4). Deze rapportcijfers zijn door de jaren heen vrij stabiel. De bekendheid van het regionaal opleidingencentrum (roc) is niet significant gewijzigd ten opzichte van vorig jaar. Bijna de helft van de Nederlanders (46%) zegt te weten wat een roc is.

4.2.3 Bekostiging

De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs is gebaseerd op het aantal ingeschreven deelnemers en het aantal afgegeven diploma's. Daarnaast worden middelen voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten (voa) toegekend. Deze middelen zijn bestemd voor deelnemers die – vanwege beperkte vooropleiding – extra ondersteuning kunnen gebruiken om de opleiding met gunstig gevolg af te ronden. De voa-middelen worden verdeeld over de deelnemers ingeschreven op niveau 1 en (40% van) niveau 2.

Tabel 4.5: Uitgaven per deelnemer mbo (x € 1 000)
 Realisatie 2003Vastgestelde begrotingVerschil
Uitgaven per deelnemer mbo6.16.00.1

Bron: Bekostigingstelling 2002, Referentietelling 2003.

De verdeling van de rijksbijdrage over de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven is gebaseerd op het aantal opleidingen dat zij hebben ontwikkeld en onderhouden, het aantal erkende leerbedrijven en het aantal deelnemers, ingeschreven bij de instellingen, waarvoor een praktijkplaats nodig is. Met ingang van 2004 is de bekostiging voor de opleidingen bevroren op het niveau van het aantal op 1 augustus 2001. Reden daarvoor is dat de kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs vernieuwd wordt en daarmee ook een reductie van het aantal opleidingen tot stand wordt gebracht. Op peildatum 1 oktober 2002 zijn 166 726 leerbedrijven erkend.

De verdeling van de rijksbijdrage educatie over de gemeenten is gebaseerd op het aantal volwassen inwoners, de volwassen inwoners met een bepaalde etnische achtergrond en de volwassen inwoners met een laag opleidingsniveau. Met deze middelen kopen de gemeenten via contracten educatieve activiteiten in bij roc's.

4.2.4 Rendement

Tabel 4.6: Gediplomeerde uitstroom in het mbo in 2002 (aantal x 1000)
 DiplomaTotale uitstroomPercentage gediplomeerd
bol-vt62 806112 31456%
waarvan niveau 1–216 21235 02246%
waarvan niveau 3–446 59477 29260%
bbl54 27393 54858%
waarvan niveau 1–228 73051 32056%
waarvan niveau 3–425 54342 22860%
bol-dt3 59518 41920%
waarvan niveau 1–280411 3527%
waarvan niveau 3–42 7917 06739%
Totaal120 674224 28154%

Bron: Bekostigingstelling 2002, Beleidstelling 2002.

Het totaal percentage gediplomeerden is nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van een jaar geleden. Waarschijnlijk is slechts een deel van de ongediplomeerde uitstroom aan te duiden als voortijdig schoolverlater. Een groot deel van de ongediplomeerde uitstroom heeft al eerder in het mbo een diploma gehaald, of is veranderd van opleiding. Verder doet zich bij deeltijd bol het verschijnsel voor dat veel deelnemers zich inschrijven voor een bepaald vak en niet het doel hebben een volledig diploma te behalen.

Gediplomeerde schoolverlaters van het mbo kregen, zo blijkt uit het onderzoek van het ROA1, vrijwel allemaal een baan. Eind 2002 had bijna 60% van de mbo-leerlingen die in 2001 van school waren gekomen een baan gevonden. Een kleine 40% van de schoolverlaters is verder gaan leren.

De werkloosheidpercentages liggen nog altijd laag, hoewel het werkloosheidspercentage van afgestudeerde mbo'ers gestegen is van 1,8 naar 3,3%. Het arbeidsmarktperspectief voor mbo'ers kan op de middellange termijn over het algemeen als «voldoende tot goed» bestempeld worden.

Tabel 4.7: Percentage in- en uitstroom in het mbo
VanNaar mbo in 2002 (2002/2003)Van mbo in 2002 (2001/2002)Naar
vmbo2,70  
vmbo-d28,640,56overig
havo-d0,816,95hbo
mbo12,2112,97mbo
buiten onderwijs/anders55,6479,52buiten onderwijs/anders

Bron: Referentieraming 2004, gebaseerd op de Onderwijsmatrix 2002.

4.2.5 Continuïteit

Op grond van de financiële kengetallen solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit kan worden gesteld dat de financiële positie van de bve-sector in 2002 ten opzichte van 2001 gelijk is gebleven en gemiddeld genomen als «goed» is te kwalificeren. Het exploitatieresultaat is negatief. De belangrijkste oorzaak van het negatieve exploitatieresultaat is de toename van de personele lasten. De investeringen zijn in 2002 ook weer toegenomen. Het gaat hier om een momentopname voor de hele sector (regionale opleidingencentra, vakinstellingen en overige onderwijsinstellingen).

Solvabiliteit is goed

De solvabiliteit (eigen vermogen inclusief voorzieningen/totaal vermogen) van de sector bevond zich in 2002 op een hoog niveau van 61%. Ten opzichte van 2001 is de solvabiliteit gelijk gebleven.

Er zijn twee roc's die onder de norm van 0,3 vallen en waarmee hun solvabiliteit als «zwak» gekwalificeerd wordt. Eén van deze roc's scoort al gedurende 3 jaar onder de norm.

Grafiek 4.1: Solvabiliteit

kst-29540-16-14.gif

Liquiditeit is goed

Hoewel de liquiditeit (vlottende activa/kortlopende schulden) ten opzichte van vorig jaar iets is afgenomen (van 1,32 naar 1,24) kan deze nog altijd als gemiddeld genomen «goed» worden gekwalificeerd.

Negen roc's kenden in 2002 een zwakke liquiditeit (< 0,6). Dit zijn er 2 meer dan het aantal in 2001. Van deze negen roc's met een zwakke liquiditeit scoren er vier al gedurende 3 jaar of langer onder de norm.

Grafiek 4.2: Liquiditeit

kst-29540-16-15.gif

Rentabiliteit is matig/voldoende

De rentabiliteit (resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering) van de bve-sector is in 2002 – 0,1, en dus aanzienlijk afgenomen ten opzichte van 2001 (2,6). De rentabiliteit is «matig/voldoende» te noemen. Dat betekent dat er reden is om alert te zijn. De komende jaren zal hier extra op gelet worden.

De lage rentabiliteit komt doordat het saldo van de baten en lasten uit de gewone bedrijfsvoering sterk is gedaald. Oorzaak voor de afname is het feit dat de lasten sneller toenamen dan de baten.

Deze lasten- zoals personele lasten, afschrijvingen, huisvesting en overige lasten- stegen met 9,3% ten opzichte van 2001.

Grafiek 4.3 Rentabiliteit

kst-29540-16-16.gif

De omvang van contractactiviteiten toegenomen

de contractactiviteiten is ten opzichte van de totale baten, voorzover niet belegd in aparte contractstichtingen, etcetera, toegenomen van 3,8% in 2001 tot 4,1% in 2002. De baten van werk in opdracht van derden bedroeg in 2002 € 122,5 miljoen.

Voorzieningen stabiel

De voorzieningen zijn ten opzichte van vorig jaar met € 5,9 miljoen toegenomen. Het aandeel van de voorzieningen in het totale vermogen blijft over de jaren heen redelijk constant (circa 8,5% van het balanstotaal).

Algemene reserves groeien

De post algemene reserves van de instellingen bedroeg in 2002 € 1 055 miljoen, een stijging van meer dan 7% ten opzichte van 2001. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat andere reserves (bestemmingsreserves) gedaald zijn ten opzichte van 2001. De post algemene reserves als percentage van de totale baten is zelfs iets gedaald vergeleken met 2001 (van 35,9% in 2001 naar 35,6% in 2002).

Beleggen en belenen

De post effecten is ten opzichte van 2001 met 23% afgenomen.

De post effecten bedroeg in 2002 € 40,2 miljoen. Er is een verschuiving waar te nemen van vaste activa naar vlottende activa. Deze verschuiving heeft zowel plaats gevonden bij de obligaties, als bij de aandelen.

4.3 Operationele doelstellingen

4.3.1 Toezicht/meervoudige publieke verantwoording/kwaliteitszorg

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling was om in 2003 het toezicht op instellingen (intern en extern), de accountability (horizontaal en verticaal) en de kwaliteitszorg, te versterken.

Met betrekking tot het interne en externe toezicht is wetgeving gerealiseerd voor het instellen van Raden van toezicht en het introduceren van een nieuw toezichtkader voor de onderwijsinspectie op de onderwijsinstellingen. Begin 2003 heeft de Bve Raad een verenigingsreglement vastgesteld, waarmee de sector vooruitloopt op het inwerkingtreden van het wetsvoorstel korte klap.

Het streven was voorts dat de onderwijsinstellingen in het tijdvak 1996 tot en met 2003 een volwaardig en adequaat functionerend kwaliteitszorgsysteem zouden hebben, waarbij alle instellingen een de kwaliteitscyclus doorlopen, belanghebbenden betrekken bij de kwaliteitsbeoordeling en de resultaten die ze willen bereiken, en verantwoording afleggen over de prestaties, die ze leveren aan belanghebbenden (meervoudige publieke verantwoording (mpv)).

Indicator voor dit streven is het percentage met een oordeel «voldoende» door de inspectie over de kwaliteitszorg.

Uit het onderwijsverslag 2003 blijkt dat van de onderzochte opleidingen in 2003 maar 38% een voldoende op het aspect kwaliteitszorg scoort. Met de stijging van 20% (van de bestandsopname 2000 tot en met 2002) naar 38% is een lichte verbetering te zien. Waar het gaat om publieke verantwoording in de vorm van zelfevaluaties van de instellingen oordeelde de inspectie dat deze in 2003 veelal nog onvoldoende transparant zijn (de gegevens van de instellingen zijn te weinig valide en betrouwbaar). De resultaten van tevredenheidsonderzoeken werden daarnaast nog onvoldoende teruggekoppeld naar deelnemers en docenten. Tot slot verbond men volgens de inspectie in 2003 nog onvoldoende concrete acties aan de dialoog met de regionale arbeidsmarkt.

Het gegeven dat de doelstelling niet is gehaald, is in belangrijke mate terug te voeren op de invoering van de WEB en het herstructureringsproces van roc-vorming welke een flinke vernieuwingsslag betekende voor de bedrijfsvoering van bve-instellingen. De doelstelling die vanaf de invoering van de WEB werd geformuleerd is dan ook te ambitieus geweest.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 is gewerkt aan versterking van het interne toezicht. Thans ligt er een wetvoorstel Raden van toezicht, dat begin 2004 naar de Raad van State is gestuurd.

In het kader van de Wet onderwijstoezicht (WOT) is het nieuwe toezichtkader bve vastgesteld en aan de Tweede Kamer gestuurd en is in 2003 een start gemaakt met het proportionele toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij wordt aangesloten bij de zelfevaluatie van de instellingen.

De Bve Raad heeft begin 2003 een verenigingsreglement vastgesteld waarin ook aspecten van zelfregulering zijn opgenomen.

Deze aspecten lopen voor een deel vooruit op de invoering van het wetsvoorstel korte klap. Het wetsvoorstel korte klap behelst het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.

Een belangrijke activiteit in het verslagjaar vormde het opstellen van de notitie Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, waarin helderheid wordt geboden met betrekking tot de vigerende regelgeving inzake bekostiging. In deze notitie is ook aangegeven hoe wordt omgegaan met publieke en private activiteiten.

Voor het versterken van de kwaliteitszorg en de meervoudig publieke verantwoording werden de voorgenomen bestuurlijke afspraken met de Bve Raad met het oog op een convenant niet doorgezet, omdat het niet meer passend is om hierover afzonderlijke afspraken te maken met de Bve Raad, Colo en Paepon. Dit door veranderende bestuurlijke verhoudingen tussen OCW, de bestuurlijke organisaties en de instellingen.

Colo heeft met ondersteuning van OCW in 2003 het project, om de publieke verantwoording en kwaliteitszorg van de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven te versterken, voortgezet.

Daarnaast werd in 2003 samen met Colo een verkenning gestart naar de ontwikkeling van een sluitend toezicht op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

In het kader van flankerend beleid zijn instrumenten ontwikkeld c.q. in ontwikkeling, die een stimulans vormen voor de ontwikkeling van de kwaliteitszorg en meervoudig publieke verantwoording van de instellingen. Dit zijn instrumenten die de positie van belanghebbenden en met name de deelnemers versterken (medezeggenschap van deelnemers en personeel, betere consumenteninformatie); tot een grotere transparantie van prestaties leiden (kwaliteitskaart van de inspectie) en tot een stimulerend toezicht en scherpere handhaving leiden (proportionele toezicht in het kader van de WOT, wetgeving interne raden van toezicht en aanscherping van het sanctiebeleid).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Meervoudige publieke verantwoording en kwaliteitszorg zijn taken die via de rijksbijdrage worden gefinancierd.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 205, nr. 5. Verslag wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met verbetering kwaliteit beroepsopleidingen.

• Kamerstukken II, 2002–2003, niet-dossierstuk, ocw 0300032. Brief van de minister van onderwijs (d.d. 12 februari 2003) ter aanbieding van de toezichtskaders primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs, expertisecentra, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 28 817, nr. 5. Bijlage: Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 371, nr. 3. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met modernisering medezeggenschap; Memorie van toelichting.

4.3.2 Vervolg evaluatie WEB (mbo)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De onderwerpen die in het evaluatieverslag WEB aan de orde zijn gesteld, zouden in afzonderlijke trajecten worden uitgewerkt. Het betrof onder meer onderwerpen als de vernieuwing kwalificatiestructuur beroepsonderwijs, kwaliteit beroepspraktijkvorming, de examinering en de beroepskolom. Zie voor de stand van zaken van deze trajecten de betreffende paragrafen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In de begroting 2003 is aangekondigd dat eventuele acties uit de kabinetsreactie op dit advies in 2003 van start gaan. De reactie op het SER-advies «Koersen op vernieuwing» over de betrokkenheid van het bedrijfsleven/sociale partners bij het innovatiearrangement (met als onderwerpen regie opleidingenaanbod, innovatie binnen de beroepskolom en de beroepspraktijkvorming) wordt meegenomen in de uitwerking van Koers Bve 2.

Bij de invoering van de huidige bekostigingssystematiek voor het middelbaar beroepsonderwijs is aangekondigd dat deze systematiek in 2004 zou worden geëvalueerd. In de aanloop naar dat moment is, zoals aangekondigd in de begroting 2003, al in 2002 een ambtelijke verkenning gestart naar mogelijke ijkpunten voor een nieuwe systematiek. In 2003 kwam daarbij steeds meer de nadruk te liggen op de betekenis en mogelijke gevolgen van de rekenschapsdiscussie. Dat heeft in september 2003 geresulteerd in de publicatie van de notitie Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Hierin zijn onder meer preciseringen gegeven ten aanzien van het in- en uitschrijven van deelnemers. De reeds voor 2002 aangekondigde aanpassing van de wet- en regelgeving met betrekking tot les- en cursusgelden zal in het vervolg hierop nu in de eerste helft van 2004 zijn beslag krijgen. De geplande evaluatie van de bekostigingssystematiek is voorzien voor het najaar 2004, zodat, indien daartoe aanleiding is, ook de resultaten van de commissie Schutte en de afspraken rondom Koers Bve 2 in de evaluatie kunnen worden meegenomen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het vervolg evaluatie WEB heeft geen kosten met zich mee gebracht.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 27, Tweede Kamer, Koers bve. Brief staatssecretaris van onderwijs over de voortgang Koers BVE ter voorbereiding van het overleg op 26 november.

4.3.3 Decentralisatie arbeidsvoorwaarden

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel was het bereiken van op de sector toegesneden arbeidsvoorwaarden, zodat kwaliteit en bedrijfsvoering kunnen worden verbeterd. De sociale partners in de bve-sector, de Bve Raad en Colo, hebben met de centrales van de werknemersorganisaties in 2003 voor het eerst een cao afgesloten. Met het decentraliseren van de arbeidsvoorwaarden zijn de afspraken over de arbeidsvoorwaarden beter afgestemd op de sector.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In het kader van de convenantafspraken over de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden is de regelgeving aangepast. Vanaf 1 februari 2003 zijn de werkgevers en werknemers zelf verantwoordelijk voor het pakket aan primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. De uitwerking van de decentralisatie is vastgelegd in een amvb, het zogenoemde decentralisatiebesluit.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De decentralisatie heeft geen financiële gevolgen met zich mee gebracht.

4.3.4 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid bve

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De overzichtsconstructie onderwijspersoneel beschrijft de ontwikkeling van de onderwijsarbeidsmarkt, ook voor de bve-sector.

Inzet was, gezien de krapte op de arbeidsmarkt en de toenemende behoefte aan instroom van personeel, de instellingen zich te laten richten op een bredere groep dan enkel de hoogopgeleiden.

Uit het aantal toegekende aanvragen voor een tegemoetkoming in de scholings- en verletkosten, blijkt dat de instellingen zich op een bredere doelgroep richten voor het aantrekken van onderwijspersoneel bve dat zich al werkend kwalificeert. In 2003 zijn er 589 duale opleidingstrajecten afgerond.

In de situatie met aanbodfinanciering werden er 428 nieuwe instromers voor de pedagogische didactische cursus gefinancierd. Na de omzetting naar vraagfinanciering is dit aantal ruimschoots gehaald; naast de aanvragen voor de tegemoetkoming in de scholingskosten voor 662 deelnemers aan de didactische cursus bve zijn er door circa 50 instellingen 589 aanvragen ingediend voor andere duale opleidingstrajecten, waarvoor een tegemoetkoming in de kosten is toegekend.

Voor wat betreft integraal personeelsbeleid en voorkomen uitstroom (ziekteverzuim) wordt verwezen naar de overzichtsconstructie onderwijspersoneel.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Per 1 januari 2003 is de aanbodfinanciering van de pedagogisch didactische cursus bve omgezet in vraagfinanciering. Het budget voor de cursus is toegevoegd aan het instellingsbudget.

De regeling subsidiëring duale opleidingstrajecten is, zoals gesteld in de begroting 2003, verlengd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het budget voor de pedagogische didactische cursus bve, dat is toegevoegd aan het instellingsbudget, bedraagt € 680 000.

Het beschikbare budget van € 2 miljoen voor duale opleidingstrajecten is overschreden met € 350 000 omdat alle aanvragen betreffende de duale opleidingstrajecten voor onderwijsberoepen bve zijn toegekend. Deze overschrijding is ondermeer betaald uit de onderuitputting matchingskosten.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

In artikel 9 staat een overzicht van informatie die aan de Tweede Kamer is verzonden.

4.3.5 Open bestel

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 2003 is de studie naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van een open bestel in de bve-sector afgerond. Onder een open bestel verstaan we het openstellen van de bekostigingssystematiek van het mbo voor de huidige particuliere aanbieders.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Er is conform de begroting 2003 een onderzoek geweest waarbij de instellingen (zowel besturen als deelnemers) en de omgeving van de instellingen is betrokken. Het onderzoek vormt een verdieping en toespitsing op de bve-sector van eerder onderzoek naar de mogelijkheden van marktwerking in het onderwijs en de daarbij horende randvoorwaarden. Het onderzoek laat zien dat de invoering van een open bestel een complexe operatie is die veel ingrijpende maatregelen vereist.

De input van de notitie Helderheid in overweging nemend en omdat medio 2003 duidelijk werd dat er een interdepartementaal beleidsonderzoek naar een open bestel in bve en ho zou starten (waarvan de resultaten in het voorjaar van 2004 beschikbaar komen) is ervan afgezien het specifieke bve-onderzoek te publiceren. Wel is het rapport aangeboden aan het genoemde interdepartementaal beleidsonderzoek.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 zijn hier geen uitgaven voor gedaan.

4.3.6 Informatie- en communicatietechnologie (ict)

In artikel 10 ict in het onderwijs, paragraaf 10.2.9.3, wordt weergegeven in hoeverre de voornemens rond informatie- en communicatietechnologie in de sector bve zijn verwezenlijkt.

4.3.7 Beroepskolom

In de overzichtsconstructie beroepsonderwijs wordt weergegeven in hoeverre de voornemens rond dit onderwerp voor vmbo, mbo en hbo zijn verwezenlijkt.

4.3.8 Kwaliteit beroepspraktijkvorming

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel was het percentage instellingen dat een voldoende scoort op de standaard beroepspraktijkvorming (bpv), te verhogen. Evenals in het jaar 2001 heeft de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) in het voorjaar van 2003 onder deelnemers aan het secundair beroepsonderwijs een onderzoek gehouden. In deze brede enquête werd ook het thema bpv leren en bpv begeleiding aan de orde gesteld. Uit het ODINII is gebleken dat de deelnemers tevreden zijn over de begeleiding die zij hebben ontvangen van de begeleiders op de bpv-plaats.

Ruim 63% van de deelnemers is (zeer) tevreden en slechts 11,5% (zeer) ontevreden. Minder te spreken waren de deelnemers over de bpv-begeleiding door de school. Hierover is een derde (zeer) tevreden, maar ook een derde (zeer) ontevreden.

Uit het onderwijsverslag over het jaar 2003 blijkt dat voor de bpv geldt dat de organisatie voor een deel op orde is. Toch blijft de kwaliteit van buitenschools leren en de beoordeling ervan, net als in 2002, een zwakke schakel in het beroepsonderwijs.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In het afgelopen jaar is een aantal afspraken gemaakt over de verbetering van de beroepspraktijkvorming. Dit onder andere naar aanleiding van de uitkomsten van het onderwijsverslag van de inspectie en het rapport ODIN van de JOB. De afspraken hebben betrekking op de ontwikkeling van een meetarrangement en een studie naar de mogelijkheden informatie over bpv te ontsluiten. De contactgroep werkend leren (cwl) heeft de basis gelegd voor een breed gedragen beeld over de kwaliteitsverbetering van de bpv. Dit was belangrijk, omdat tot voor kort betrokken partijen nog geen duidelijkheid en overeenstemming hadden over ten eerste het huidige kwaliteitsniveau van de bpv en ten tweede wie waarvoor verantwoordelijkheid droeg. Daarnaast is in de cwl de (wettelijke) verantwoordelijkheidsverdeling van partijen nog eens ten principale aan de orde gesteld. Hierbij ging het met name om de uitvoering van de leerlingbegeleiding, die van de landelijke organen naar de onderwijsinstellingen werd overgeheveld.

Toen de verantwoordelijkheidsverdeling helder was, kon naast de acties die al in gang zijn gezet door Colo en Bve Raad, gewerkt worden aan instrumenten om de kwaliteit verder te verbeteren. Concreet heeft dit gestalte gekregen door het ontwikkelen van een meetarrangement.

Dit meetarrangement kan de basis gaan vormen van prestatieafspraken die met het veld worden gemaakt over de verbetering van de beroepspraktijkvorming. Onderzoek heeft uitgewezen dat het niet haalbaar is een zelfstandige bpv-site te ontwikkelen. Bij de informatie ontsluiting bpv wordt aangesloten bij de site deelnemersinformatie bve-sector die in ontwikkeling is.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De activiteiten vonden plaats binnen het kader van de rijksbijdrage.

4.3.9 Vernieuwing kwalificatiestructuur beroepsonderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling was het vereenvoudigen en flexibiliseren van de kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod. Het einddoel is te komen tot een substantiële vermindering van het aantal kwalificaties in 2007. Vereenvoudiging en flexibilisering wordt gestart als de wetgeving is aangepast. Colo heeft in 2003 een nieuwe systematiek ontwikkeld voor de beschrijving van de beroepsinhouden aan de hand van competenties. Inzet is te komen tot een beperking van het aantal kwalificaties, door overlap in competenties inzichtelijk te maken. In 2002 is de Stuurgroep Kwalificatiestructuur (Colo, Bve Raad en Paepon) door OCW gevraagd om deze systematiek nader te concretiseren en voorstellen bij OCW in te dienen voor wijziging van wet- en regelgeving.

Op 1 oktober 2003 hebben de partijen hun samenwerking op het gebied van ontwikkeling van de kwalificatiestructuur en de daarbijbehorende implementatie van het competentiegerichte onderwijs bekrachtigd met het tekenen van een convenant. Daarin zijn tevens afspraken gemaakt over ieders rol en verantwoordelijkheid binnen de genoemde processen. Dit convenant is aangeboden aan OCW.

Onder regie van de Stuurgroep Kwalificatiestructuur is door alle kenniscentra alvast een eerste slag gemaakt in de beschrijving van de kwalificatiestructuur in competenties. Deze eerste slag heeft al opgeleverd dat er sprake is van een halvering van het huidige aantal kwalificaties. Gestreefd wordt naar een verdere indikking van dit aantal.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod wordt vereenvoudigd en geflexibiliseerd. Om dit te bereiken is in 2002–2003 door de betrokken partijen, Colo en Bve Raad en Paepon, gezamenlijk een nieuwe systematiek ontwikkeld, waarbij de kwalificaties worden beschreven aan de hand van competenties.

Het proces van samenwerking en besluitvorming blijft complex. Daarnaast is het verkrijgen van begrip en draagvlak bij alle betrokken partijen van het grootste belang voor het welslagen van de implementatie. De Stuurgroep Kwalificatiestructuur heeft daarom in het belang van een zorgvuldig besluitvormingsproces van OCW uitstel gekregen voor het indienen van de concrete voorstellen voor de nieuwe kwalificatiestructuur.

Om de operatie van de implementatie van het competentiegericht onderwijs en de daarbij horende vernieuwing en modernisering van het middelbare beroeps onderwijs goed te begeleiden, heeft OCW aan de Bve Raad en Colo gevraagd een plan van aanpak inrichting procesmanagement herontwerp beroepsonderwijs op te stellen. Dit plan is eind 2003 bij OCW ingediend.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De activiteiten van roc's en kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven in 2003 vonden plaats binnende rijksbijdrage.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 27, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs over de voortgang Koers Bve ter voorbereiding van het overleg op 26 november

4.3.10 Onderwijsprogrammering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 2001 is het convenant onderwijsprogrammering afgesloten tussen de minister van OCW en de Bve Raad, met als doel de onderwijsintensiteit – met een omvang van 1600 studiebelastingsuren – vorm te geven en inzichtelijk te maken. Het streven was dat alle instellingen in het studiejaar 2003/2004inzichtelijk maakten hoe de onderwijsprogrammering van een opleiding eruitziet, in termen van programmatijd en bedrijfsvoeringsindicatoren. Dit streven is niet helemaal gerealiseerd. Dit heeft te maken met uitstel van de invoering van het top-model (zie hierna).

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De Bve Raad heeft in zijn brief van 4 maart 2003 gevraagd om een jaar uitstel van de invoering van het top-model (model voor transparante onderwijsprogrammering), vanwege de herziening en verdere ontwikkeling van het top-model. Onder voorwaarden is uitstel verleend. Deze voorwaarden hielden in dat de 850-urennorm strenger gehandhaafd zal worden (uit het onderwijsverslag over het jaar 2002 blijkt dat niet alle opleidingen deze norm halen), dat de verantwoording van de 1600 studiebelastingsuren wettelijk verankerd wordt en dat er regie-afspraken gemaakt worden over het verdere proces.

In 2003 is een begin gemaakt met het uitwerken en uitvoeren van deze drie voorwaarden. Ten aanzien van de 850 urennorm wordt ook een minimumnorm van 300 gesteld voor de bekostiging van de deeltijd-bol. Ondertussen werd in 2003 door de Bve Raad verder gewerkt aan het optimaliseren van het top-model.

In het onderwijsverslag over het jaar 2003 concludeert de Inspectie van het onderwijs, dat de onderwijsprogramma's voor het grootste gedeelte doelmatig zijn geprogrammeerd. Controle op de realisatie van de geplande onderwijstijd wijst uit dat nogal wat opleidingen net voldoen aan de 850 contacturen om voor studiefinanciering in aanmerking te komen. Opleidingen gaan via bijvoorbeeld deelnemersenquêtes wel steeds vaker na, hoe deelnemers de studielast ervaren.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De acties rondom onderwijsprogrammering moeten budgettair neutraal worden gerealiseerd binnen de rijksbijdrage.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• De Tweede Kamer is per brief van 2 oktober 2003 (Kamerstukken II, 2003–2004, niet-dossierstuk ocw 0300814) geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoering van het convenant onderwijsprogrammering.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 29. Verslag algemeen overleg d.d. 26 november 2003.

4.3.11 Examens mbo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De nieuwe examensystematiek mbo moet ervoor zorgen dat in 2005 bij ten minste 85% van de aangeboden beroepsopleidingen sprake is van voldoende kwaliteit van het examen, volgens de landelijke standaarden voor de examenkwaliteit die het KwaliteitsCentrum Examinering (KCE) opstelt. Het KCE heeft, in de implementatiefase tot 1 augustus 2003, de landelijke standaarden 2003/2004 ontwikkeld.

Deze standaarden zijn vervolgens vastgesteld, evenals de voorbereiding van de uitvoeringswijze van de externe borg.

Een tweede aspect betreft de realisatie van op de examenkwaliteit onder de bestaande examensystematiek. De inspectie concludeert op basis van de huidige inspectiestandaarden – dat in het schooljaar 2002/2003 bij 55% van de onderzochte opleidingen sprake was van voldoende voorwaarden voor een goede uitvoering van examens (te weten de bewaking en de organisatie van de examens).

Tijdens de bestandsopname in de periode 1999–2002 was 42% voldoende.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het toegroeien naar de nieuwe examensystematiek zou door de volgende activiteiten worden vorm gegeven:

Het wetsvoorstel wijziging van de WEB is inmiddels naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het ontwikkelen van examenstandaarden door het KCE en het voorbereiden van de uitvoeringswijze van de externe borg. Het KCE heeft, in de implementatiefase tot 1 augustus 2003, de landelijke standaarden 2003/2004 ontwikkeld samen met de sectorale platforms examinering (sep's). Deze standaarden zijn vervolgens vastgesteld, evenals de voorbereiding van de uitvoeringswijze van de externe borg. Tijdens het voorbereidingsjaar 2003/2004, groeien onderwijsinstellingen, in samenwerking met leerbedrijven, al zo veel mogelijk toe naar de nieuwe examensystematiek. Dit betreft vooral de versterking van de interne borg van de examenkwaliteit, opdat de examens al zo veel mogelijk aan de landelijke standaarden gaan voldoen. Tevens werken instellingen aan de vernieuwing en doelmatigheidsverbetering van de examinering. De Bve Raad en Colo verrichten hierbij ondersteunende activiteiten voor hun leden.

Van de afgeronde stimuleringsprojecten op basis van de regelingen 2001 en 2002 zijn de ontwikkelde producten beschikbaar gekomen. Elke instelling kan hier desgewenst gebruik van maken bij de verbetering en vernieuwing van examens.

Als beoogde datum van inwerkingtreding van de nieuwe examensystematiek gold aanvankelijk 1 augustus 2003. Die datum bleek voor het wetgevingstraject niet haalbaar; de beoogde datum van inwerkingtreding is nu 1 augustus 2004. De instellingen is toegestaan om in het schooljaar 2003/2004 reeds een overeenkomst met het KCE te sluiten voor het uitvoeren van de externe bewaking van de examenkwaliteit. Wanneer instellingen nog niet van deze mogelijkheid gebruik maken, geldt de bestaande verplichting tot externe legitimering/controle door een exameninstelling aangevuld met inspectietoezicht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De € 11,3 miljoen die jaarlijks additioneel voor examens beschikbaar is, is – zoals aangekondigd – ingezet voor enerzijds de bekostiging van het KCE (voor de implementatieactiviteiten zowel als de vaste overheadkosten van het KCE) en anderzijds voor de stimuleringsprojecten ten behoeve van de instellingen.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Het wetsvoorstel wijziging van de WEB, waarmee de formele basis wordt gelegd voor de nieuwe examensystematiek. Dit wetsvoorstel is op 21 november 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 augustus 2004.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451 nr. 23. De beleidsreactie op het Examenverslag 2002 is besproken in het algemeen overleg d.d. 26 november 2003.

• Het Examenverslag 2003, waarin de inspectie een gespecificeerd totaalbeeld van haar bevindingen weergeeft van het onderzoek naar de examens 2002/2003.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 31. De beleidsreactie op het Examenverslag 2003.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 205, nr. 3. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en Wet onderwijstoezicht in verband met verbetering kwaliteit examens beroepsopeidingen; Memorie van toelichting.

4.3.12 Educatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Educatie vindt haar grondslag in de WEB. De operationele doelstelling voor de educatie is het verzorgen van kwalitatief hoogstaand en doelmatig onderwijs. Dat onderwijs levert een bijdrage aan de maatschappelijke integratie van volwassenen die in een achterstandssituatie verkeren.

Gemeenten hebben een regierol bij de educatie. De gemeenten beslissen over de inzet van en de prioriteiten binnen het educatiebudget en sluiten contracten met de roc's.

In het Evaluatieverslag WEB is aangekondigd dat een besluit zal worden genomen over het al dan niet gefaseerd afschaffen van de gedwongen winkelnering. De minister voor vreemdelingenbeleid en integratie heeft in 2003 een begin gemaakt met de voorbereidingen voor de afschaffing van de gedwongen winkelnering inburgering. Wat betreft de afschaffing van de gedwongen winkelnering educatie wordt in Koers Bve 2 een uitspraak gedaan over de randvoorwaarden en condities. Ook wordt daar ingegaan op een eventuele fasering.

In de verkenning naar de positie van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) binnen de educatie, is stil gestaan bij het voorstel van de Onderwijsraad om het vavo anders aan te sturen dan tot op heden het geval was. Uit de verkenning is gebleken dat het vavo de laatste jaren steeds minder in de traditionele vorm is aangeboden. De uitkomsten van de verkenning worden meegenomen in Koers Bve 2.

Hebben we gedaan wat zouden doen?

Voor wat betreft de gedwongen winkelnering wordt onderscheid gemaakt tussen de inburgering en de educatie. De minister voor vreemdelingenbeleid en integratie heeft in 2003 een begin gemaakt met de voorbereidingen voor de afschaffing van de gedwongen winkelnering inburgering. In paragraaf 4.3.14 wordt dit nader toegelicht.

De staatssecretaris van onderwijs is verantwoordelijk voor het afschaffen van de gedwongen winkelnering voor de educatie. In Koers Bve 2 zal worden teruggekomen op de afschaffing van de gedwongen winkelnering.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 29. Verslag algemeen overleg d.d. 26 november 2003.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 28, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs met schriftelijke antwoorden op de in algemeen overleg van 26 november 2003 gestelde vragen.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 27, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs over de voortgang Koers Bve ter voorbereiding op het algemeen overleg van 26 november 2003.

• Kamerstukken II, 2002–2003, 27 451, nr. 21, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs met agenda Koers Bve.

4.3.13 Inburgering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het streven is om de zelfredzaamheid van nieuwkomers en oudkomers zo spoedig mogelijk op het niveau te brengen waarop men zelfstandig in de samenleving kan functioneren.

Met betrekking tot het inburgeringsbeleid voor nieuwkomers hebben de gemeenten evenals bij de educatie een primaire eindverantwoordelijkheid.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In september 2002 is besloten om het inburgeringsbudget van OCW over te hevelen naar het ministerie van Justitie. Daartoe zijn met ingang van januari 2003 de middelen voor het inburgeringsbeleid overgeheveld van OCW naar het ministerie van Justitie. In 2003 hebben de betrokken departementen (BZK, OCW, VWS en SZW) bezien hoe de verantwoordelijkheden voor inburgering verdeeld gaan worden, aarbij het zwaartepunt verschoven is naar de minister voor vreemdelingenbeleid en integratie.

In 2003 werd een onderzoek afgerond naar de tevredenheid onder de gemeenten over de dienstverlening van de taskforce inburgering, waarin geconcludeerd werd dat de taskforce in afgeslankte vorm nog enige tijd een vervolg zou moeten krijgen.

In 2003 is daarom in opdracht van de ministers van VenI, OCW, VWS, SZW, BZK de Frontoffice Inburgering (FOI) ingesteld. De FOI ondersteunt gemeenten en uitvoeringsinstanties bij het verbeteren van het inburgeringsproces van nieuwkomers en oudkomers. Daarnaast is de FOI aanspreekpunt van het Rijk voor gemeenten en uitvoeringsinstanties voor de implementatie van het informatiemodel inburgering.

Het wetsontwerp «Vrijgeven cursusaanbod WIN» is in april 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het afschaffen van de gedwongen winkelnering bij de inburgering van nieuwkomers kan gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van de roc's. De minister van VenI heeft aangegeven dat reeds bij de inwerkingtreding van de WIN is aangegeven, dat de gedwongen winkelnering bij roc's voor een beperkte tijd zou gelden. Daarnaast is de verwachting dat het vrijgeven van het cursusaanbod leidt tot een betere prijs/kwaliteit van de inburgeringscursussen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het kabinet heeft in 2002 besloten per 1 januari 2003 de middelen voor inburgering van nieuwkomers van de begrotingen van VWS en OCW over te hevelen naar de begroting van Justitie. Voor OCW gaat het om een bedrag van € 114,2 miljoen. Daarmee is ook de verantwoordelijkheid voor inburgering naar Justitie overgeheveld.

De FOI wordt gefinancierd door alle betrokken departementen. In 2003 is vanuit OCW een bedrag van € 200 000 ter beschikking gesteld.

4.3.14 Alfabetisering autochtone Nederlanders

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel was te stimuleren dat de gemeenten, als opdrachtgevers in de volwasseneneducatie, meer aandacht besteden aan analfabeten onder de autochtone bevolking. In dat doel is de campagne geslaagd. Uit de nulmeting over het jaar 2001–2002 blijkt dat – gecorrigeerd voor twee grote roc's die niet hebben meegewerkt – landelijk in totaal ongeveer 5000 cursisten een basiscursus lezen, schrijven of rekenen volgden. De voorlopige informatie over de vervolgmeting over het cursusjaar 2002–2003 laat ten opzichte van de nulmeting grote verschillen zien. Sommige locaties hebben te maken met een (flinke) toename van het aantal cursisten, maar er zijn anderen waar de situatie stabiel is gebleven of zelfs is verslechterd. Gecorrigeerd voor de eenmalige negatieve effecten (doordat de meldingen over 2001–2002 op enkele onderdelen zijn vervuild door de zogenaamde eenmalige «eurocursussen»), is landelijk een toename te constateren van het aantal deelnemers met ongeveer vijf procent. In het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste Commissie voor OCW, waarbij ook de nulmeting is gevoegd, wordt dan ook vastgesteld dat in volgende jaren wordt vastgehouden aan de oorspronkelijke doelstelling om jaarlijks tenminste vijf procent meer deelnemers te werven en van een passend aanbod te voorzien.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Bve Raad is de uitvoering van het Actieplan alfabetisering autochtone Nederlanders (uit december 2001) voortgezet. Het meerjarenplan 2003–2006 «Van de zijlijn naar het speelveld» dat in december 2002 aan de Tweede Kamer werd gezonden, vormde hiervoor de basis. In lijn hiermee heeft het accent opnieuw gelegen op landelijke campagne activiteiten. Zo is op Wereld Alfabetiseringsdag 2003 een rondgang georganiseerd langs een aantal succesvolle regionale opleidingencentra en een bedrijf dat tekortkomingen onder het eigen personeel met goed gevolg bestrijdt. Verder zijn radio- en tv-spotjes uitgezonden door alle regionale zenders en is een conferentie over regionale good practices georganiseerd. Een en ander heeft geleid tot geregelde aandacht in de (massa)media en een stijgend bezoek aan de website www.alfabetisering.nl. Daarnaast is, zoals beoogd, een beter zicht ontstaan op activiteiten op regionaal en lokaal niveau waaraan de komende jaren meer aandacht zal worden geschonken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het beschikbare budget van € 400 000 is besteed.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 29. Verslag algemeen overleg d.d. 26 november 2003.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 451, nr. 28, Koers Bve. Brief staatssecretaris van onderwijs met schriftelijke antwoorden op de in algemeen overleg van 26 november 2003 gestelde vragen.

• Kamerstukken II, 2002–2003, 28 760, nr. 1, Meerjarenplan alfabetisering 2003–2006. Brief staatssecretaris van onderwijs inzake aanbieding van het meerjarenplan «Van de zijlijn naar het speelveld».

4.3.15 Leven lang leren

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In het licht van de in Lissabon geformuleerde doelstelling om in 2010 van Europa de meest concurrerende kenniseconomie te maken, streeft Nederland naar algehele verhoging van het opleidingsniveau van de Nederlandse (beroeps)bevolking, naar het oplossen van (toekomstige) knelpunten op de arbeidsmarkt en daarmee de kennissamenleving te realiseren. Het ministerie van OCW is sinds november 2003 coördinerend departement voor leven lang leren. Om bovenstaande doelen te bereiken werd door OCW onder andere een aantal activiteiten uitgevoerd. De Europese Commissie heeft, eind 2003, gemeld dat de meeste landen waaronder ook Nederland nog veel werk moeten verrichten om deze doelstelling in 2010 te bereiken.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In de kabinetsreactie op het advies van de Sociaal Economische Raad «Het nieuwe leren: advies op een leven lang leren in de kenniseconomie» die op 21 januari 2004 aan de Tweede Kamer is gezonden wordt het Platform leven lang leren aangekondigd, dat een aantal in de kabinetsreactie genoemde onderwerpen agendeert. Het platform wordt in 2004 opgericht.

Middels een regeling heeft OCW in 2003 de tweede ronde van experimenten individuele leerrekening (ilr) gefaciliteerd. Deze experimenten zijn beëindigd op 31 december 2003. Doel van de experimenten was om het gebruik van persoonlijke leerbudgetten te verbreden naar meer branches en sectoren en naar werkzoekenden. Er zijn volgens planning in de tweede ronde 1300 nieuwe leerrekeningen geopend. Het verbredingsdoel is dus bereikt. Het impliciete doel om de beëindiging van de experimenten naadloos aan te laten sluiten bij de introductie van een fiscale faciliteit voor de persoonlijke ontwikkelingsrekening (por) is niet gehaald. Cinop heeft de projecten begin 2004 geëvalueerd. In enkele van de aan het experiment deelnemende sectoren en regio's wordt het instrument na afloop van de experimenten blijvend ingezet in het scholingsbeleid.

Om moeilijk bereikbare groepen weer bij het leren te betrekken heeft OCW middelen beschikbaar gesteld voor de organisatie van de Week van het leren. Deze is voor de vierde keer georganiseerd van 6 tot en met 13 september 2003. Er hebben op lokaal niveau wat minder activiteiten plaatsgevonden dan in de voorgaande jaren. Late beschikbaarstelling van middelen is daarvan de oorzaak. Mede door de Week van het leren 2003 is er continuïteit blijven bestaan in de opgebouwde samenwerking op lokaal en regionaal niveau tussen enerzijds de formele en non-formele educatie en anderzijds tussen onderwijs en bedrijfsleven.

OCW heeft in 2003 subsidie beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van educatieve TV, ten behoeve van moeilijk te bereiken groepen in de grote steden. Mede met behulp van deze subsidie is in 2003 de inzet van educatieve TV uitgebreid van Rotterdam naar de andere grote steden (Den Haag, Utrecht en Amsterdam). In alle vier de steden worden thans educatieve programma's via de regionale omroepen of een eigen kabel uitgezonden. De roc's in de vier grote steden hebben in 2003 gezamenlijk de Stichting Expertisecentrum ETV.nl opgericht. Deze stichting moet ervoor zorgen dat educatieve TV verder wordt ontwikkeld en verspreid naar de andere steden met als doel landelijke dekking.

De activiteiten van het Kenniscentrum EVC zijn in 2003 specifiek gericht geweest op het versnellen van versterking van de fundamenten van de evc-systematiek, verankering van evc op de werkvloer en stimulering van de dialoog tussen de verschillende verantwoordelijke partijen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de experimenten individuele leerrekening was een budget van € 1 032 000 beschikbaar. Dit is uitgeput (€ 1 023 531).

Voor de week van het leren was € 140 000 beschikbaar en dat is ook gebruikt.

Voor de educatieve TV is dit jaar door de ministeries van OCW en SZW aan de stichting een bedrag van € 1 100 000 (€ 700 000 OCW, € 400 000 SZW) overgemaakt. Daarnaast heeft het ministerie van Justitie een bedrag van € 307 294 beschikbaar gesteld voor specifiek op inburgering gerichte programma's. Hiermee is uitvoering gegeven aan amendement nr. 101 op de OCW-begroting 2003, waarin is bepaald dat extra middelen moeten worden vrijgemaakt ten behoeve van ETV.nl

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 27 406, nr. 7. Kabinetsnota «De kenniseconomie in zicht»; brief minister met bijlage: de tweede kabinetsreactie op het SER-advies «Het nieuwe leren: Advies over een leven lang leren in de kenniseconomie».

• Kamerstukken II, 2002–2003, 27 406, nr. 3. Kabinetsnota «De kenniseconomie in zicht»; brief minister met een kabinetsreactie op het SER-advies «Het nieuwe leren: advies over een leven lang leren in de kenniseconomie».

• Kamerstukken II, 2003–2004, Niet-dossierstuk ocw0300976. Advies Onderwijsraad: Werk maken van een leven lang leren.

4.3.16 Bestrijding voortijdig schoolverlaten (vsv)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Nederland heeft zich geconfirmeerd aan de afspraak van de Europese Raad dat het aantal 18–24 jarigen zonder startkwalificatie dat niet meer staat ingeschreven voor onderwijs of opleiding in 2010 moet zijn gehalveerd ten opzichte van 1999. Deze doelstelling moet bereikt worden door een gezamenlijke inspanning van de departementen OCW (onderwijsbeleid) en SZW (arbeidsmarktbeleid).

Het aantal voortijdige schoolverlaters in 2006 moet met 30% worden teruggebracht ten opzichte van het aantal in 1999 en in 2010 met 50% ten opzichte van het aantal in 2000.

De voortgangsrapportage regionale meld- en coördinatiefunctie (rmc) 2002 laat zien dat door het verplichte karakter van de aanmelding en de verscherping van de definitie sinds de invoering van de rmc-wet (eind 2001) in 2002 beduidend meer jongeren geregistreerd werden dan in 2001 (70 500 respectievelijk 47 100). Het aantal herplaatsingen door rmc in 2002 bedroeg 20 100. Dit aantal is ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van 2001 (22 600).

Tabel 4.8 Aantal geregistreerde en herplaatste voortijdig schoolverlaters in 2001 en 2002
 20012002
Aantal geregistreerd47 10070 500
Aantal herplaatsingen22 60020 100

Bron: voortgangsrapportage rmc 2002.

De toename van het aantal geregistreerde voortijdig schoolverlaters heeft ertoe geleid dat er in 2001 voor het eerst sprake was van een «netto» stijging van het aantal voortijdige schoolverlaters.

De belangrijkste verklaring voor deze stijging is de verbeterde registratie als gevolg van de meldplicht. Het vermoeden bestaat dat de groep jongeren in het vmbo (mede vanwege de leerplicht) beter in beeld is, dan dezelfde groep in het mbo.

Dit kabinet vindt de problematiek rondom het voortijdig schoolverlaten een serieuze zaak. De nieuwe inzichten uit de rmc-rapportage over 2002 maken duidelijk, dat er een zeer grote inspanning vereist is van dit kabinet om het aantal jongeren dat uitvalt zonder startkwalificatie terug te brengen.

Het kabinet neigt ernaar de vernieuwde cijfers uit de verbeterde rmc-registratie over 2002 als nieuwe nulmeting te nemen, ondanks het feit dat deze registratie nog niet voor 100% sluitend is.

Daarmee wordt het startpunt van het beleid om het aantal jongeren dat zonder startkwalificatie uitvalt terug te brengen dus het hogere aantal van 70 500. Het vsv-beleid zal er dan op gericht zijn het aantal voortijdig schoolverlaters te verminderen met 21 000 in 2006 en met 35 000 in 2010.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Gemeenten hebben de regierol bij de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten. De rijksoverheid stimuleert en ondersteunt hen daarbij, draagt zorg voor de verspreiding van innovatieve projecten en volgt en signaleert relevante ontwikkelingen. Daarnaast worden met inzet van ESF-geld projecten op roc's mogelijk gemaakt die als doel hebben het voortijdig schoolverlaten te voorkomen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor bestrijding voortijdig schoolverlaten was € 11,1 miljoen beschikbaar, waarvan € 10,8 miljoen besteed is aan de rmc-functie.

Ook hebben de gemeenten in 2003 middelen ontvangen:

• in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa-beleidskader 2002–2006);

• in het kader van het grote stedenbeleid, via de bijdrageregeling Sociale integratie en veiligheid (€ 21,7 miljoen per jaar);

• voor de regionale meld- en coördinatiefunctie (€ 10,8 miljoen per jaar).

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2002–2003, niet-dossierstuk ocw 0300651. Brief van 1 september 2003 met de voortgangsrapportage rmc 2002.

• Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 43. Brief van 4 november 2003 over de vsv-doelstelling van dit kabinet.

4.3.17 Verbetering prestaties en kwaliteit educatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De opleiding Nederlands als tweede taal (NT2) is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is. Sinds 1992 bestaan staatsexamens NT2. De staatsexamens NT2 zijn ook in 2003 voor zowel de opleidingen I als de opleidingen II driemaal per jaar afgenomen.

Opleiding I toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor deelname aan opleidingen onder mbo-niveau en te kunnen functioneren in lagere, doch boven het niveau van ongeschoolde arbeid gelegen, functies op de arbeidsmarkt.

Opleiding II toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor deelname aan opleidingen op mbo-niveau en hoger en te kunnen functioneren in midden- en hogere functies op de arbeidsmarkt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In de WEB is als doelstelling opgenomen dat ook voor NT2 instellingsexamens worden ingevoerd.

In opdracht van OCW heeft Cinop daartoe een advies uitgebracht, dat onder meer strekt tot het invoeren van een instellingsexamen NT2, bestaande uit een schoolexamen en een centraal examen en het invoeren van een portfolio NT2. In het najaar van 2003 is over de implicaties hiervan gesproken met de bve-instellingen. Naar aanleiding hiervan worden enkele aspecten nader onderzocht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De middelen voor ontwikkeling van de staatsexamens NT2 (€ 2,2 miljoen) zijn volledig uitgeput.

Voor de instellingsexamens NT2 zijn geen kosten gemaakt.

4.3.18 Internationaal

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Tijdens de Europese Raad van maart 2003 zijn een aantal elementen uit de Verklaring van Kopenhagen onderschreven en hebben zo een formeel karakter gekregen. Het betreft de elementen: mobiliteit bevorderen, transparantie en erkenning en kwaliteitszorg voor kwalificaties.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Naast onderstaande activiteiten is in 2003 een aantal aanvullende activiteiten ondernomen in het kader van internationalisering. Dit wordt in artikel 8 (internationaal onderwijsbeleid) nader toegelicht.

Naar aanleiding van de Verklaring van Kopenhagen is in 2003 een coördinatiegroep geformeerd, waarin alle landen op ambtelijk niveau zijn vertegenwoordigd, is in 2003 opgericht en actief geweest. Nederland heeft in de coördinatiegroep deelgenomen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Bijdrage aan activiteiten in het kader van internationaal hebben geen kosten met zich meegebracht.

4.3.19 Innovatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van de KeBB-regeling (subsidieregeling kennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven) is het verstrekken van een subsidie ter stimulering van projecten die gericht zijn op het tot stand brengen van nieuwe vormen van kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.

Uit de evaluatie van de gehonoreerde projecten van de subsidieregeling KeBB 2002 blijkt dat ieder project leidt tot de ontwikkeling en implementatie van innovatieve leermiddelen, methoden of daarmee vergelijkbare instrumenten voor bestaande beroepsopleidingen die de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk verbeteren.

Het doel van de silo-regeling (subsidieregeling stimulans innovatieve leeromgevingen bve 2001–2004) is om projecten te stimuleren die (delen van) een opleiding van het reguliere bve-onderwijs innoveren door een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving te ontwikkelen, waarin bestaande of nieuwe ict-toepassingen geïntegreerd en geïmplementeerd worden. De deelnemers moeten de toepassingen via Kennisnet kunnen gebruiken.

Uit de evaluatie van de gehonoreerde projecten van 2001 en 2002 en de eerste tender in 2003 blijkt dat ieder project bijdraagt aan de innovatie van (delen van) een opleiding van het reguliere bve-onderwijs door de ontwikkeling van een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving, waarin bestaande of nieuwe ict-toepassingen geïntegreerd worden. De deelnemers maken gebruik van de toepassingen via Kennisnet, maar uit de silo-projecten blijkt dat in de loop van de tijd de aandacht meer verschuift naar het verspreiden van de informatie over het project via Kennisnet.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Met de subsidieregeling KeBB 2003 zijn innovaties binnen het bve-onderwijs gestimuleerd door het ontwikkelen en implementeren van nieuwe vormen van leermiddelen, methoden of daarmee vergelijkbare instrumenten voor bestaande beroepsopleidingen ter verbetering van de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk.

In 2003 zijn in het kader van deze subsidieregeling in totaal 16 projecten gestart en in het kader van de subsidieregeling Silo 14. De subsidieplafonds zijn ter beschikking gesteld en subsidies zijn verstrekt aan de kwalitatief beste projecten.

Naast de genoemde subsidieregelingen Silo en KeBB, is in 2003 het innovatiearrangement gestart. Het innovatiearrangement wordt nader toegelicht in de overzichtscontructie beroepskolom.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de subsidieregeling KeBB 2003 is in 2003 € 4 miljoen begroot, dit bedrag is overeenkomstig de regeling besteed en licht overschreden (€ 4,1 miljoen). Voor de Silo-regeling is in 2003 € 4,4 miljoen begroot, dit bedrag is overeenkomstig de regeling besteed (€ 4,3 miljoen).

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Kamerstukken II, 2003–2004, 25 733, nr. 91, ICT-Onderwijsmonitor 2001–2002; beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

4.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.9: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   2 631 0642 705 2322 573 158132 074
– waarvan garantieverplichtingen   0000
Uitgaven   2 545 6432 576 2302 499 33576 895
Mbo   2 148 1782 288 9062 232 11556 791
Educatie en inburgering   350 839241 314226 87314 441
Specifieke stimulering   46 62646 01040 3475 663
Ontvangsten   17 78133 04827 2275 821

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE BEROEPSKOLOM

Een efficiënte beroepskolom moet resulteren in meer mensen met minimaal een startkwalificatie, meer mensen met een niveau 3–4 mbo-opleiding, meer mensen die doorstromen naar het hbo en er moet stevig ingezet worden op een betere wisselwerking tussen bedrijfsleven en beroepsonderwijs. Als middel om deze ambitie waar te maken hebben experts, veld en politiek het loopbaandenken breed omarmd.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De algemene doelstelling in het kader van de versterking van het beroepsonderwijs is het realiseren van kwalificatiewinst. Kwalificatiewinst uit zich in een verhoogde doorstroom binnen de beroepskolom en een hoger intern rendement door minder uitval. De beroepskolom gaat niet alleen over doorstroom tussen sectoren. Het gaat over instellingen die investeren in aantrekkelijk onderwijs, over instellingen die samenwerken over de eigen grenzen heen.

Het belang van samenwerking is breed onderkend. In het veld is een landelijk dekkend netwerk ontstaan van onderwijsinstellingen (vmbo/mbo en/of mbo/hbo) die samenwerken; brancheorganisaties hebben zich verenigd in het platform beroepsonderwijs.

De ontwikkeling van de beroepskolom wordt via twee monitors in kaart gebracht. De kwantitatieve monitor van STOAS over de ontwikkeling van de kwalificatiewinst. Daarnaast de kwalitatieve monitor van CINOP over inhoudelijke en procesmatige ontwikkeling van de beroepskolom.

In mei 2003 is de eindrapportage over 2001 verschenen. Deze eindrapportage van CINOP laat zien dat:

• er in de projecten vergelijkbare aandacht is voor drie thema's: «voorlichting en begeleiding», «de programmatische aansluiting» en «de pedagogisch-didactische aansluiting». De aandacht voor de kennisinfrastructuur (relatie met het regionale bedrijfsleven) is aanzienlijk geringer;

• de meeste aandacht voor de met impulsmiddelen bekostigde activiteiten is gericht op de aansluiting tussen het vmbo en het mbo; de activiteiten die met impulsmiddelen zijn gefinancierd al op belangrijke punten vastgelegd lijken te zijn in het beleid van de instellingen;

• de impulsmiddelen in het algemeen leiden tot een uitbreiding, een versnelling en/of een verdieping van de activiteiten en ontwikkelingen die vanuit het eigen en het door de overheid gestimuleerde beleid zijn uitgezet;

• nagenoeg alle instellingen in de drie sectoren activiteiten financieren met impulsmiddelen, waarin samengewerkt wordt met instellingen uit een andere sector;

• de samenwerking vooral plaatsvindt op een strategisch en operationeel niveau («werkvloer»).

Om de kwantitatieve effecten te kunnen volgen is, na de nulmeting in 2002, in 2003 de eerste vervolgmeting (over het registratiejaar 2001) uitgevoerd. Er worden vier indicatoren onderscheiden:

• slaagkans: de kans dat een leerling daadwerkelijk met een diploma vertrekt;

• doorstroomkans: de kans om met een diploma door te stromen naar een vervolgopleiding in het beroepsonderwijs;

• verblijfsduur: het aantal jaren dat het duurt om een diploma te behalen of om uit te stromen;

• het aantal deelnemers (absoluut en als percentage van de beroepsbevolking).

In april 2004 zijn de concept-eindrapportages over 2002 en 2003 verschenen, deze rapportages zullen in één rapport worden gebundeld.

Het rapport laat zien dat de indicatoren slaagkans, verblijfsduur en doorstroomkans voor vbo/mavo en hbo geringe veranderingen laten zien. Opvallend zijn de schommelingen in het mbo. Het systeem presteert op dit niveau in 2001 beter dan in 2000: meer leerlingen halen de eindstreep. Daarvoor hebben zij weliswaar meer tijd nodig, maar niet meer dan de nominale cursusduur gemiddeld. De doorstroomkans van mbo naar hbo vertoont een dip van 0,49 naar 0,44 – in een overigens opgaande langere termijn tendens. Al met al presteert de kolom in 2001 dus op ongeveer gelijk niveau als in 2000. Voor verdergaande uitspraken is het na twee meetjaren nog te vroeg.

De impulsmonitoren (STOAS en CINOP) kunnen eventueel dienen als opmaat voor de brede afspraken diegemaakt gaan worden in het kader van Koers vo, Koers bve 2 en HOOP. De ervaring met de impulsmonitoren laat zien dat er bereidheid is om de prestaties van het beroepsonderwijs op eentransparante manier te presenteren.

Dit lukt des te beter naarmate indicatoren in direct overleg met de instellingen in het veld worden ontwikkeld.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ruimte voor maatwerk

Een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van de beroepskolom is het principe dat de inhoud en de organisatie van het onderwijs zoveel mogelijk wordt afgestemd op de loopbaan van de leerling; niet op de grenzen van de (onderwijs)instelling of sector. Dit impliceert meer doorlopende leerwegen (van vmbo naar mbo1–4; van mbo1–2 naar mbo-3–4; van mbo3–4 naar hbo en van educatie naar mbo), maar ook meer maatwerk en flexibele (toegang tot) programma's en flexibele overgangen tussen werken en leren (tijdens en na een initiële opleiding). Hieronder staat aangegeven welke activiteiten zijn ontplooid op het snijvlak vmbo-mbo en mbo-hbo.

Ten opzichte van het vorige verslagjaar constateert de inspectie van het onderwijs weliswaar een lichte verbetering in het realiseren van flexibele leerroutes, maar bij eenderde van de onderzochte opleidingen sluiten de lessen en begeleiding nog onvoldoende aan op de behoeften van de deelnemers.

De systematiek van de begeleiding is bij het overgrote deel van de bve-opleidingen op orde, maar een goede inhoudelijke trajectbegeleiding is daarmee nog niet gegarandeerd.

vmbo-mbo

In het plan van aanpak jeugdwerkloosheid is een aantal concrete activiteiten aangekondigd dat de doorstroom vmbo-mbo moet verbeteren. Met ingang van het schooljaar 2004–2005 krijgen vmbo-instellingen de mogelijkheid om de assistentroute (mbo niveau 1) aan te bieden. Om dit mogelijk te maken is 17 december 2003 een beleidsregel gepubliceerd in het Gele Katern (VO/OK/2003/57010). De overige maatregelen uit het plan van aanpak zullen medio 2004 uitgevoerd worden.

mbo-hbo

Door de Hbo-raad, Bve Raad, Colo en Paepon is op 30 september 2003 advies uitgebracht over een aantal specifieke vraagstukken betreffende de aansluiting mbo-hbo (over de voorwaarden waaronder verkorte geïntegreerde leerwegen kunnen worden toegestaan en doorstroom mbo niveau 3-hbo). Dit advies zal worden betrokken bij de landelijke afspraken die met de HBO-raad en de Bve Raad worden gemaakt over doorstroom.

Regioplan heeft een onderzoek gedaan naar de verwantschapsregeling. Dit kwalitatieve onderzoek richt zich in het bijzonder op de kwaliteit en de studeerbaarheid van deze regeling. Dit onderzoek is in augustus 2003 afgerond, het rapport zal op korte termijn met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer gestuurd worden.

Innovatiearrangement

In mei 2003 is een convenant afgesloten met het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid over de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven, onderwijs in de praktijk en in het bijzonder over de innovatiearrangementen. Op basis van dit convenant is een regeling uitgewerkt voor de subsidiering van innovatieprojecten. De subsidieregeling innovatiearrangement 2003 is op 30 juli jl. gepubliceerd in Uitleg (nr. 18). Voor 2003 is hiervoor € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Er zijn voor 1 september 2003 een groot aantal projecten ingediend door instellingen samen met het bedrijfsleven. Aan de beoordelingscommissie zijn 64 projectvoorstellen voorgelegd. De beoordelingscommissie heeft 19 projectvoorstellen negatief beoordeeld en 45 projectvoorstellen gerangschikt. De beoordelingscommissie heeft de eerste 21 projectvoorstellen van de rangschikkinglijst voorgedragen voor honorering voor een subsidie in het kader van de subsidieregeling innovatiearrangement 2003. Dit advies is overgenomen, zodat deze 21 projectvoorstellen kunnen worden uitgevoerd.

Impulsregeling

Dankzij de inzet van de impulsmiddelen kunnen onderwijsinstellingen hun activiteiten gericht op verbetering van de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs en kwalificatiewinst (slaagkans en doorstroomkans) verbreden en intensiveren. De impulsregeling voor de onderwijsinstellingen in de bve-sector is erop gericht om de beroepsonderwijskolom te versterken door voor vier doorstroommomenten verbeteringen op vier thema's te stimuleren. De vier belangrijkste thema's waarop impulsmiddelen kunnen worden ingezet zijn:

1. intensiveren van voorlichting en begeleiding van deelnemers die doorstromen en ontwikkelen van een gezamenlijke visie op de loopbaanoriëntatie en loopbaanleren;

2. ontwikkelen van een gemeenschappelijke pedagogiek en didactiek voor het beroepsonderwijs;

3. versterken van de programmatische aansluiting tussen sectoren in de beroepskolom;

4. versterken van de relatie met het bedrijfsleven.

De activiteiten die met de impulsmiddelen in gang worden gezet worden in de hiervoor besproken monitors in kaart gebracht.

Platform beroepsonderwijs

In 2002 is het Platform Beroepsonderwijs opgericht om onder andere de beroepskolom extern te presenteren en betere randvoorwaarden te creëren voor de aansluiting van de onderwijssoorten binnen de beroepskolom. In 2003 heeft het platform het accent gelegd op activiteiten die met name het vmbo betreffen in relatie tot het mbo en het bedrijfsleven. Zo heeft het platform regioportretten ontwikkeld met als doel inzicht te verkrijgen in de stand van zaken van de regionale en sectorale samenwerking in de regio's. Ook werkt zij er hard aan het imago van het beroepsonderwijs te verbeteren.

Ook op het gebied van de andere scharnierpunten tussen de diverse onderwijsniveaus heeft het platform het afgelopen jaar activiteiten ontplooid. Het uitgebreide jaarverslag over 2003 wordt in juni 2004 verwacht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1: Budgettaire gevolgen van beleid beroepskolom (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Impuls beroepskolom   102 600106 300104 3002000
Platform beroepsonderwijs (2002 incl. monitoring en voorlichting)   1 9001 4001 600– 200
Monitoring en voorlichting    200300– 100
Specifieke activiteiten vmbo       
– verbetering inventaris   9 1009 1009 100
Specifieke activiteiten mbo       
– verbetering kwaliteit examens   10 60011 30011 300
– verbetering verantwoording   4 5002 300– 2 300
Totaal beroepskolom OCW   128 700128 300128 900– 600
Inzet in LNV onderwijs   7 0007 1007 100
Totaal beroepskolom   135 700135 400136 000– 600

De middelen voor verbetering van de verantwoording die in de begroting apart geraamd waren, zijn toegevoegd aan de impuls beroepskolom. Vandaar dat de realisatie op het onderdeel impuls hoger is dan de begroting en de realisatie voor verbetering verantwoording lager dan begroot. Verder is op de onderdelen platform en monitoring en voorlichting iets minder uitgegeven dan geraamd.

Overzicht van informatie die de TK heeft ontvangen

• Plan van aanpak jeugdwerkloosheid (Kamerstukken II, 2002–2003, 23 972, nr.65). Deze brief is op 30 juni 2003 door de minister van SZW en de minister van OCW aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Uitvoering amendement nr. 31 op begroting 2003 (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 600 VII, nr. 125). De brief over het innovatiearrangement is op 22 mei 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Examinering vmbo, jeugdwerkloosheid en beroepskolom (Kamerstukken II, 2003–2004, 24 578, nr. 56). Deze brief is ter voorbereiding op het algemeen overleg van 30 oktober 2003 op 24 oktober 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.

5. TECHNOCENTRA

5.1 Algemene beleidsdoelstelling

Technocentra zijn kleine organisaties, gebaseerd op een publiek-private samenwerking van instellingen voor beroepsonderwijs, bedrijfsleven en evt. anderen. Zij vervullen in hoofdzaak een makel-, schakel- en organisatiefunctie, gericht op het tot stand brengen van regionale samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en evt. andere partijen rond concrete doelen en activiteiten binnen drie doelstellingen. De technocentra hebben de deskundigheid en de middelen om deze samenwerking te initiëren, te faciliteren en te stimuleren.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstellingen voor de technocentra zijn:

• Versnellen van de kennisdiffusie.

• Gezamenlijke benutting van hoogwaardige apparatuur.

• Een effectieve en efficiënte aansluiting van het technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoefte van de arbeidsmarkt.

In 2003 heeft, mede in verband met de verlengde evaluatie, een uitgebreide monitor en aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de mate van doelrealisatie en naar de complementariteit en de toegevoegde waarde van de technocentra binnen de kennisinfrastructuur. Uit de monitor en het onderzoek kwam een overwegend positief beeld naar voren van de doelrealisatie en van de complementariteit en toegevoegde waarde.

De monitor biedt een volledig overzicht van de activiteiten van de technocentra en de bereikte resultaten ultimo 2002, de afsluiting van de zogenaamde startfase (zie hieronder). Uit de opdracht van de technocentra, het tot stand brengen van regionale samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven in de technische sector, vloeit voort dat die resultaten veelal worden geboekt door de samenwerkingspartners; het technocentrum heeft dan in het bereiken van dat resultaat een bemiddelende, ondersteunende of faciliterende rol gehad.

Een belangrijke conclusie van het onderzoek was dat de technocentra in hun makel- en schakelrol betrekkelijk uniek zijn binnen de technische sector. Technocentra hebben vooral in die rol een aantoonbare toegevoegde waarde. Uit het overleg met deskundigen, dat plaatsvond in het kader van de evaluatie, kwam echter ook naar voren dat het profiel van de technocentra niet steeds voldoende helder was en dat een duidelijker kader op zijn plaats zou zijn.

De resultaten over het jaar 2003 komen in april 2004 beschikbaar op basis van de monitor 2003. Naar verwachting zijn de resultaten over 2003 minder omvangrijk dan die over 2002. Dit hangt samen met de verlengde evaluatie in 2003, waardoor de technocentra pas in mei 2003 zekerheid hebben gekregen over de beschikbaarheid van subsidiemiddelen.

De verlengde evaluatie heeft wel geleid tot intensieve communicatie met de technocentra over het gewenste profiel en de gewenste inzet als complementaire organisaties met een eigen toegevoegde waarde. Dit heeft geresulteerd in een grotere doelgerichtheid en een meer gerichte inzet van subsidiemiddelen, die naar verwachting zichtbaar worden in de resultaten over 2004.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Volgens de planning van het project zou in 2002 de startfase worden afgerond en zou in 2003 de uitvoeringsfase starten. De afronding van de startfase zou worden gemarkeerd met een evaluatie van de regeling en een beoordeling van de businessplannen van de afzonderlijke technocentra.

Conform de planning is in september 2002 het evaluatieverslag voor advies ingediend bij ICES. Aangezien dit verslag niet alle voor de werkgroep ICES/KIS benodigde informatie bevatte is verzocht om aanvullende informatieverzameling. Het betreft met name de doelrealisatie en de complementariteit, de vraag of de technocentra qua organisatie en activiteiten in voldoende mate aanvullend zijn op en meerwaarde hebben ten opzichte van de bestaande kennisinfrastuctuur.

Daarnaast heeft intensief overleg plaatsgevonden met de betrokken departementen EZ, FIN en LNV en met de Stichting voor de Arbeid, en zijn deskundigen geraadpleegd.

In februari 2003 is een strategisch document over het gewenste profiel aangeboden aan de ICES. Deze heeft, na advies van ICES/KIS, geconcludeerd dat het bestaansrecht van de technocentra voldoende was aangetoond en dat voortzetting van de subsidie uit het Fonds economische structuurversterking (FES) verantwoord was, voorlopig voor een periode van twee jaar. Daarbij adviseerde de ICES het kader voor de technocentra op een aantal punten aan te passen. Dit advies is door de betrokken bewindslieden overgenomen. In mei 2003 heeft dit geleid tot een kabinetsbesluit over de beschikbaarstelling van FES-middelen voor de periode 2004–2005 en reservering van de middelen voor de periode 2006–2010.

De door ICES geadviseerde wijzigingen in het kader zijn vastgelegd in de gewijzigde Kaderregeling technocentra 2003 van september 2003. De nieuwe kaderregeling beoogt vooral de subsidieverlening te baseren op een hechte «vbtb-cyclus» van planvorming, uitvoering en evaluatie op doelrealisatie.

In het algemeen kan de uitkomst van de evaluatie positief worden genoemd. Niet alleen zijn de effectiviteit en de toegevoegde waarde van de technocentra aan het einde van de startfase (2002) aangetoond (zie boven), maar ook is het bestuurlijk draagvlak van het project versterkt en is een nieuw kader geformuleerd met een sterker vbtb-karakter en een geringere uitvoeringslast.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De begrotingsmiddelen voor het project technocentra zijn afkomstig uit het FES. De middelen worden uitgegeven binnen een, in de Kaderregeling technocentra vastgelegd, subsidieplafond. Voor de jaren 2003–2005 is dit plafond bepaald op € 9,1 miljoen per jaar (voor de jaren 2006–2010 zijn de FES-middelen nog gereserveerd). Subsidies worden verleend op voorwaarde van een goedgekeurd plan.

In december 2002 is ongeveer de helft van het beschikbare bedrag als overbruggingsfinanciering beschikbaar gesteld, met het oog op voortzetting van de lopende activiteiten tot de afronding van de evaluatie. Inmiddels is de overbruggingsfinanciering verrekend met de subsidies waarop de technocentra krachtens de goedgekeurde plannen recht hadden. Daarnaast zijn uitvoeringskosten uit het beschikbare budget betaald. Het budget is daarmee bijna tot het subsidieplafond uitgeput.

Uitkomsten beoordeling technocentra

Parallel aan de evaluatie van de Kaderregeling heeft de beoordeling van de businessplannen van de afzonderlijke technocentra plaatsgevonden. Uitgangspunt was daarbij dat, gegeven de voortzetting van de Kaderregeling na de evaluatie, alleen technocentra met een positieve beoordeling van hun businessplan in de uitvoeringsfase (2003–2010) verder zouden gaan.

De beoordeling van de businessplannen is uitgevoerd door de Adviescommissie Technocentra. Deze heeft volgens plan in augustus 2002 advies uitgebracht. Daarbij kregen 9 van de 15 technocentra een positief advies. In september 2002 is besloten aan de zes technocentra met een negatief advies gelegenheid te geven een nieuw businessplan in te dienen. Belangrijke overweging hiervoor was dat de negatieve adviezen in minstens twee van de zes gevallen samenhingen met de aanscherping van het profiel van de technocentra, die in de loop van 2002 in gang is gezet (de businessplannen zijn reeds in 2001 ingediend). Het ging daarbij met name om het afstoten van uitvoerende werkzaamheden en om verdere uitbouw van de makel- en schakelrol.

In eerste instantie hebben vijf van de zes betreffende technocentra een nieuw businessplan ingediend.

Op deze nieuwe plannen is in alle gevallen positief geadviseerd. Na het Kabinetsbesluit tot voortzetting van de Kaderregeling (zie voorgaande) hebben dus 14 technocentra in juli 2003 hun «aanwijzing» als technocentrum gehad.

Eén technocentrum heeft in eerste instantie geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid in verband met een nog lopende gedachtewisseling over de organisatievorm. Na bestuurlijk overleg is alsnog gelegenheid geboden een businessplan in te dienen, echter onder aanvullende voorwaarden. Deze procedure was ultimo 2003 nog niet afgerond.

5.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   08 5961368 460
– waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven   5 4468 5961368 460
Ontvangsten   5 4451390139

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

6. HOGER BEROEPSONDERWIJS

6.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling voor het hbo in de begroting 2003 is als volgt aangeduid: «Het borgen en bevorderen van de kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid en maatschappelijke responsiviteit van het hoger beroepsonderwijs, binnen de nationale en internationale context».

De maatschappelijke taak van het hbo is zorgen voor hoger beroepsopgeleiden en kenniscirculatie. Deze vraag komt voort uit de maatschappelijke behoefte aan een goede economische ontwikkeling in Nederland (ook in de internationale context) en het bevorderen van de sociale cohesie.

6.2 Het stelsel: de staat van de sector hoger beroepsonderwijs

De algemene sturingsfilosofie gaat uit van zelfstandige hogescholen die autonoom hun eigen weg kiezen binnen de randvoorwaarden van het stelsel, die in regelgeving zijn vastgelegd en waar de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk voor is. De algemene controle op de werkzaamheden van de instellingen en de monitoring vanuit Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is primair gericht op de volgende randvoorwaarden:

– de toegankelijkheid van het onderwijs;

– de kwaliteit van onderwijs;

– de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van overheidsmiddelen;

– continuïteit.

Tabel 6.1: Kerncijfers hoger beroepsonderwijs
Aantal instellingen: 
– hogescholen (excl. LNV)49
Omvang hbo-personeel (in fte):Per 1–10–2003
– onderwijzend personeel13 570
– ondersteunend personeel10 478
Omvang rijksmiddelen voor hoger beroepsonderwijs 2003€ 1,6 miljard

Bron: RAHO.

Op 29 september 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de notitie «Doelgericht naar 2010» aangeboden aan de Kamer. Hierin zijn de concepthoofdlijnen voor het hoger onderwijsbeleid in de komende kabinetsperiode uiteengezet. In het HOOP 2004 dat in januari 2004 wordt uitgebracht, worden de hoofdlijnen verder uitgewerkt.

6.2.1 Toegankelijkheid

De toegankelijkheid van het hoger onderwijs is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewaarborgd. Een ieder die voldoet aan onderwijskundige, administratieve en financiële voorwaarden, kan zich als student of extraneus laten inschrijven, zij het dat een beperking daarvan mogelijk is in specifiek in de WHW omschreven gevallen.

De instroom wordt gemonitord bijvoorbeeld naar herkomstgroepering, leeftijd, nationaliteit en geslacht. Bij sterke fluctuaties in de studentenstromen wordt bezien of belemmeringen ontstaan (bijvoorbeeld financiële, zoals studiefinanciering, of onderwijskundige) voor studenten om een opleiding te kunnen volgen en of maatregelen gewenst zijn. De directe instroom naar vooropleiding is een indicator voor de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs.

Tabel 6.2: Aandeel directe instroom naar vooropleiding
 1999/002000/012001/022002/032003/04
havo-direct32,9%35,6%30,8%*33,1%34,7%
mbo-direct21,5%18,3%21,3%19,4%21,5%
vwo-direct8,3%7,3%6,7%5,7%5,6%
Indirect en overig direct37,3%38,8%41,2%41,7%38,3%

Bron: CRIHO (kleine historische wijzigingen door overgang 1 cijfer HO).

*Het aandeel van de havo-gediplomeerden in de hbo-instroom is hier lager dan het aandeel in 00/01. Dit wordt veroorzaakt doordat het aandeel havo-gediplomeerden na de invoering van de tweede fase van het voortgezet onderwijs (studiehuis) tijdelijk aanzienlijk lager is.

Gegevens over aantallen ingeschreven studenten in het hbo geven het volgende beeld:

Tabel 6.3: Aantal studenten op peildatum 1 oktober 2003 (x1 000)
 BegrotingRealisatie
Voltijd251,2257,2
Deeltijd69,763,7
Totaal aantal studenten*320,9320,9

Bron begroting: Referentieraming 2002, excl. studenten in de sector Landbouw en natuurlijke omgeving; deze zijn opgenomen in de begroting van LNV.

Bron realisatie: CRIHO, voorlopige gegevens, idem excl. studenten in de sector Landbouw en natuurlijke omgeving

*exclusief niet voor bekostiging in aanmerking komende studenten

6.2.2 Kwaliteit

De kwaliteitsborging van opleidingen is door middel van wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek als taak neergelegd bij de Nederlandse Accreditatieorganisatie (NAO), die op 1 mei 2003 van start is gegaan. In artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (paragraaf 7.2.2) wordt nader ingegaan op de overgang van taken van de Onderwijsinspectie naar de NAO en de samenwerking met Vlaanderen. In elk geval hebben vanaf september de hogescholen voor wat betreft de kwaliteit van de opleidingen alleen met de NAO van doen.

Voor de borging van kwaliteit was € 3,5 miljoen geraamd. De financiering van de NAO loopt via artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs en de bijdrage van het hoger beroepsonderwijs in 2003 bedroeg € 1,7 miljoen. Voor het uitvoeren van de visitaties is aan de HBO-Raad € 2,0 miljoen ter beschikking gesteld. Dit bedrag is hoger dan geraamd omdat compensatie is verleend voor loon- en prijsontwikkeling.

In het onderwijsverslag 2003 rapporteert de inspectie dat uit de visitaties een overwegend positief beeld tevoorschijn komt. In het onderwijsverslag 2003 werd door de inspectie gerapporteerd over visitaties van 231 HBO-opleidingen (19,6% van het totaal aantal opleidingen hbo).

6.2.3 Bekostiging

De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen voor het hbo is gebaseerd op de volgende parameters:

• Het aantal ingeschrevenen;

• Het aantal afgestudeerden;

• Het totaal aantal inschrijvingsjaren per afgestudeerde;

• Het aantal uitvallers;

• Het totaal aantal inschrijvingsjaren per uitvaller;

• Het bekostigingsniveau (hoog en laag);

• Bedrag per m2 ruimtebehoefte.

De bekostigingssystematiek is vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW en de Regeling bekostiging hoger onderwijs 2002. De bekostigingssystematiek is voor 2003 niet aangepast.

De onderwijsuitgaven per student kunnen uit het macrobudget worden afgeleid:

Tabel 6.4: Onderwijsuitgaven per student (x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Uitgaven per student excl. WSF incl. huisvesting5,05,2
Collegegeld per student1,41,4

De stijging in de uitgaven per student laat zich onder meer verklaren door loon- en prijsbijstellingen.

In de notitie «Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs», van 29 augustus 2003, is op basis van gevoerd bekostigingsoverleg ingegaan op de interpretatie en toepassing van de bestaande bekostigingsregels.

Op 29 december 2003 is het onderzoek «Kosten per student. Methodologie, schattingen en een internationale vergelijking» met een begeleidende brief aan de Tweede Kamer gestuurd.

6.2.4 Rendement

De door- en uitstroom van studenten (verwacht intern rendement/slaagkans) en de arbeidsmarktpositie van afgestudeerde hbo'ers (extern rendement) geeft een indicatie van de onderwijskundige doelmatigheid.

De ontwikkeling in het verwachte intern rendement (cross-sectionele slaagkans) is weergegeven in tabel 6.5. Het wordt bepaald door bij de overgang van het ene naar het andere studiejaar de doorstroompercentages van alle studenten tussen de opeenvolgende verblijfsjaren te berekenen en die te vermenigvuldigen. De recente grote groei van dit rendement heeft deels te maken met het kunstmatig lage rendement in 2002, want de uitval was in dat jaar verhoogd door de aandacht voor onregelmatigheden in studentenadministraties. Voor het overige deel heeft het te maken met terugloop in economische groei, waardoor meer studenten verder studeren in plaats van de studie staken. Doordat de uitval met 1 of 2 procentpunten daalt in ieder verblijfsjaar telt dat voor dit rendement snel op door de vermenigvuldiging.

Tabel 6.5: Verwacht intern rendement (cross-sectionele slaagkans) in %
 19992000200120022003
Gemiddeld*69,867,669,567,975,0

Bron: OCW telling & berekening op CRIHO dec 2003 (excl LNV).

*De percentages wijken af van de percentages die in de begroting 2003 zijn opgenomen, omdat ten tijde van het opstellen van de begroting 2003 nog niet alle behaalde diploma's bekend waren en door de invoering van 1 cijfer HO.

Een van de belangrijkste doelstellingen van het hbo is het leveren van voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de arbeidsmarkt. Eén van de indicaties hiervoor is de mate waarin afgestudeerde hbo'ers betaald werk vinden, hoewel dit ook afhankelijk is van de economische situatie.

Tabel 6.6: Hoofdbezigheid na 1,5 jaar afstuderen en aansluiting niveau en richting
hoofdbezigheid einde van het jaar:97/9898/9999/0000/01
betaald werk (%)87858482
werkzoekend (%)2222
studie (%)9111212
overig (%)3233
aansluiting niveau en richting    
werkend op minimaal hbo-niveau (%)81818079
werkend eigen/aanverwante opleiding vereist is (%)78797881

Bron: HBO-monitor 2002 (HBO-raad).

In 2003 zijn de volgende acties ondernomen in het kader van de versterking van de macrodoelmatigheid hoger onderwijs:

• Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs

Op 19 september 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, de beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs uitgebracht (Staatscourant 23 september, nr. 183). Deze beleidsregel is gebaseerd op artikel 6.2, vierde lid WHW. Het betreft de criteria, de vereisten en de procedure voor de beoordeling van de macrodoelmatigheid van voornemens van bekostigde instellingen voor hoger onderwijs voor nieuwe opleidingen. De geldigheidsduur van de beleidsregel eindigt op 1 september 2005.

De beleidsregel is gebaseerd op informatie verkregen uit door de staatssecretaris van Onderwijs in de periode maart tot en met april gehouden bijeenkomsten met universiteiten, hogescholen en de organisaties van studenten, werkgevers en branches (de zogenaamde roadshows).

• Inwerkingtreding accreditatiekaders/opheffing ACO/toetsing macrodoelmatigheid nieuwe opleidingen

Ingevolge het Koninklijk Besluit van 22 september 2003 (Staatsblad 2003 368) zijn de WHW-bepalingen over de accreditatiekaders en de opheffing van de Adviescommissie Onderwijsaanbod van kracht geworden. Dit betekent dat nieuwe opleidingen uitsluitend in het CROHO kunnen worden geregistreerd wanneer de toets nieuwe opleiding van het Nederlands-Vlaamse Accreditatieorgaan met positieve uitkomst is doorlopen en deze ter toetsing op macrodoelmatigheid aan de minister zijn voorgelegd.

• Wetswijziging regelgeving vestigingsplaats

In oktober is het voorstel tot wijziging van de WHW in verband met aanpassing van de regelgeving inzake de vestigingsplaats van een opleiding bij de Tweede Kamer ingediend (29 244). Belangrijkste elementen in dit wetsvoorstel zijn dat de vestigingsplaats niet meer gekoppeld is aan de instelling maar uitsluitend aan de opleiding en dat de minister de bevoegdheid krijgt een vestigingsplaats op te heffen i.v.m. ondoelmatigheid. Op 21 november heeft de Tweede Kamer het verslag vastgesteld.

6.2.5 Continuïteit

De jaarrapportages van de hogescholen over het jaar 2003 komen pas medio 2004 binnen. Om deze reden is 2002 het meest recente jaar waarover gerapporteerd kan worden.

Voor de hogescholen gezamenlijk was het jaar 2002 in financieel opzicht goed. De goede resultaten kunnen onder meer worden toegerekend aan de extra financiële middelen (€ 50 miljoen), die bij tweede suppletore begroting 2002 beschikbaar zijn gesteld ter compensatie voor de groei van het aantal hbo-studenten.

Het collectief van hogescholen heeft sinds 1999 jaarlijks een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De financiële positie van het hbo was eind 2002 voldoende tot goed. Met name twee van de drie indicatoren: solvabiliteit en rentabiliteit kunnen als goed worden gekwalificeerd.

Aan de hand van de indicatoren solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit wordt hierna de financiële trend grafisch weergegeven. Voor wat betreft de liquiditeit wordt daarbij voor de kwalificatie «goed» een ondergrens aangehouden van 1,2, voor de solvabiliteit 30% en voor de rentabiliteit een gemiddelde – op langere termijn – van 1%.

Liquiditeit (current ratio) is matig tot voldoende:

definitie: vlottende activa/kortlopende schulden

kst-29540-16-17.gif

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998–2002, door CFI.

Solvabiliteit, exclusief voorzieningen (%)is goed:

definitie: eigen vermogen/totaal vermogen

kst-29540-16-18.gif

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998–2002, door CFI.

Rentabiliteit gewone bedrijfsvoering (%) is goed:

definitie: resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering

kst-29540-16-19.gif

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998–2002, door CFI.

Zie voor meer cijfers over de financiële positie van het hbo de «Kerncijfers 1999–2003 Onderwijs Cultuur en Wetenschap».

6.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen

6.3.1 Versterken internationale positie

Zie overzichtsconstructie Internationaal beleid.

6.3.2 Innovatie (lectoren en kenniskringen)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling van lectoren en kenniskringen is het vergroten van kennisinnovatie in het hbo en de daarmee samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs enerzijds en versterking van de externe oriëntatie anderzijds. Met de HBO-raad zijn in 2002 afspraken over de indicatoren en streefwaarden gemaakt die benut zullen worden bij de evaluatie in 2004.

De volgende indicatoren over de toewijzing van lectoren zijn beschikbaar:

Tabel 6.7: Indicatoren lectoren en kenniskringen
Meet-momentStreefwaarde minimaal aantal lectoren in fte (cumulatief)Aantal aangestelde lectoren in fte (cumulatief)Aantal aangestelde lectoren in personen (cumulatief)
20016257
200212850,533
2003128112195

Bron: Stichting Kennisontwikkeling hbo (stand december 2003).

Het aantal lectoren is in 2003 fors toegenomen, maar de streefwaarde is nog niet helemaal bereikt. Voor de overige 12% geldt in meerderheid van de gevallen dat lectoren reeds zijn geworven maar de aanstellingen begin 2004 volgen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2001 is tussen de HBO-raad en de minister een convenant gesloten waarbij voor de periode 2001–2004 subsidie wordt verleend om lectoren en kenniskringen in het hbo te introduceren. In het convenant zijn daartoe meetbare indicatoren vastgelegd die betrekking hebben op het instellen van kenniskringen en lectoraten, de relatie met het onderwijsproces en de invulling van de externe oriëntatie.

De HBO-raad is verantwoordelijk voor een doelmatige en doeltreffende inzet van de middelen. Hiertoe heeft zij de stichting Kennisontwikkeling hbo (SKOHBO) opgericht, welke de aanvragen beoordeelt. Instellingen ontvangen middelen wanneer op basis van een goedgekeurd businessplan een lector is aangesteld. De verantwoording door de HBO-raad geschiedt jaarlijks.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 is de begrote subsidie ad € 29,8 miljoen ter beschikking gesteld.

6.3.3 Versterking beroepskolom

Zie hiervoor de overzichtsconstructie beroepsonderwijs.

6.3.4 Doelgroepenbeleid

6.3.4.1. Minderhedenbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met het minderhedenbeleid wordt beoogd om (relatieve) gelijkheid in de deelname van allochtonen aan het hoger onderwijs te bereiken door het verhogen van de in-, en door- en uitstroom in het hoger onderwijs van deze doelgroep.

Vastgesteld kan worden dat in het voltijds hoger onderwijs de ontwikkeling voor niet-westers allochtonen naar evenredige deelname in beperkte mate in gang lijkt gezet.

Tabel 6.8: Ingeschrevenen voltijds HBO naar herkomst, als % van de desbetreffende bevolkingsgroep van 17 t/m 25 jaar, 1996 t/m 2002
Bevolkingsgroep95/9697/9899/0000/0101/02
Autochtone studenten12,613,714,614,714,6
Westers allochtone studenten9,610,310,911,011,0
Niet-westers allochtone studenten4,25,66,77,07,1

Bron: CBS (StatLine).

Indicatoren voor de effecten van het minderhedenbeleid zijn het percentage gediplomeerden na een aantal jaren onder allochtone studenten t.o.v. het percentage onder autochtonen. Ook wordt gekeken naar het percentage uitval na 2 jaar onder allochtone studenten t.o.v. het percentage onder autochtone studenten.

Het percentage gediplomeerde niet-westerse allochtonen laat duidelijk een stijgende lijn zien. Het percentage is echter nog wel lager dan het percentage autochtonen. Het percentage van niet-westerse allochtonen dat na 2 jaar zonder diploma vertrekt, is stabiel maar is hoger dan het percentage uitval na 2 jaar onder autochtonen.

Tabel 6.9 Percentage gediplomeerden naar etniciteit na 4, 5 en 6 jaar op basis van instroomjaar
 na 4 jaarna 5 jaarna 6 jaar
Etniciteit jaar instroom199719981999199719981997
Autochtoon454545606067
Westerse allochtoon252526393847
Niet-westerse allochtoon333334484855
Onbekend474848545457
Gemiddeld434443575763
percentage vertrokken zonder diploma naar etniciteit
 na 2 jaar 
Etniciteit jaar instroom19971998199920002001
Autochtoon2122232323
Westerse allochtoon2729303028
Niet-westerse allochtoon2728302928
Onbekend3234353838
Gemiddeld2325262726

Bron: telling OCW in CRIHO per december 2003 (IBG).

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 zijn voor het laatste jaar middelen ter beschikking gesteld aan ECHO, het Expertisecentrum Diversiteitsbeleid. Het doel van de middelen was om de taakvervulling van ECHO mogelijk te maken, inclusief de coördinatie van specifieke projecten. ECHO heeft onder meer een onderzoek naar de oorzaken van uitval van allochtonen in het HO laten uitvoeren («Blijvers en uitvallers in het hoger onderwijs», Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam, 2003 ECHO, Utrecht).

Na beëindiging van de subsidiëring zal Echo haar werkzaamheden voortzetten als een profitorganisatie, die haar inkomsten verwerft uit marktactiviteiten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting 2003 was voor ECHO een bedrag gereserveerd van € 2,1 miljoen. Dit bedrag is later verhoogd met € 0,6 miljoen uit middelen 2002 als gevolg van vertraging in de uitvoering van de projecten. In 2003 is een aanvullende toekenning gedaan van € 0,4 miljoen voor de financiering van de pilots. In totaal is er in 2003 een bedrag ter beschikking gesteld van € 3,1 miljoen.

6.3.4.2 Emancipatiebeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met het emancipatiebeleid wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van mannelijke en vrouwelijke studenten in alle opleidingen én mannelijk en vrouwelijk personeel in alle managementfuncties.

De algemene doelstelling wordt bereikt met behulp van de volgende operationele doelstellingen:

• het bevorderen van de instroom en doorstroom van vrouwen in technische opleidingen en het tegengaan van vroegtijdig verlaten van de opleiding;

• het bevorderen van de in- en doorstroom van mannelijke studenten op de leraren- en zorgopleidingen en het tegengaan van vroegtijdig verlaten van de opleiding;

• de toename van vrouwen in managementfuncties in het hoger onderwijs.

Om te kunnen bepalen in hoeverre de algemene doelstelling wordt bereikt, wordt gekeken naar de ontwikkeling van de indicatoren van de operationele doelstellingen.

Tabel 6.10: Emancipatiebeleid
 2000200120022003
Percentage vrouwen vanaf schaal 13 op hogescholen16,416,618,319,7
Instroompercentage vrouwen in hbo technische opleidingen15,614,414,213,6
Instroompercentage mannen in onderwijs, zorgopleidingen23,723,424,124,3

Bron: instroom% vrouw in techniek en mannen in zorg & onderwijs: 1cijfer HO telling op CRIHO dec 2003.

Bron % vrouw vanaf schaal13: RAHO (excl. LNV).

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat het percentage vrouwen vanaf schaal 13 duidelijk stijgt, maar dat de instroom van vrouwen in het hbo technische opleidingen een dalende lijn vertoont. Het is echter niet te zeggen of de daling sterker was geweest zonder het gevoerde beleid. De instroom van mannen in onderwijs en zorgopleidingen stijgt licht.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de algemene en operationele doelstellingen te bereiken, is als instrument de VHTO (de Vereniging vrouwen in hoger technisch onderwijs) ingezet. De VHTO heeft voor dit doel een kernpakket van activiteiten uitgevoerd en daarnaast enkele specifieke projecten. Het kernpakket betreft voornamelijk advisering van de hogescholen die technische opleidingen verzorgen op het gebied van onderwijs-emancipatie-techniek, het genereren van kwantitatieve managementinformatie over de deelname van meisjes en vrouwen aan het technisch onderwijs, het wo en het vo, alsmede van de participatie van vrouwen op de (technische) arbeidsmarkt en de publicatie van deze gegevens op de VHTO-cijfersite «Barometer»(www.vhto.nl). Naast de uitvoering van dit kernpakket heeft de VHTO het afgelopen jaar een mentorprogramma voor mannelijke studenten op de lerarenopleidingen basisonderwijs ontwikkeld, getest en geïmplementeerd. Voorts heeft de VHTO de derde fase van het project «gender radar» uitgevoerd, waarvan in mei 2004 een evaluatie wordt geleverd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de activiteiten van het VHTO was € 338 000 geraamd en is € 225 000 gerealiseerd.

6.3.5 Sectorenbeleid

6.3.5.1. Convenant lerarenopleidingen vo en bve

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het convenant lerarenopleidingen vo/bve is één van de instrumenten in het kader van de doelstelling om het lerarenaanbod op de arbeidsmarkt te verruimen en beter te laten aansluiten op de vraag van enerzijds de student en anderzijds het afnemende scholenveld.

Om de continuïteit en verdergaande vernieuwing van de lerarenopleidingen vo/bve te garanderen ten behoeve van een voldoende aanbod van leraren op de arbeidsmarkt, is in 2001 met de 10 hogescholen, welke lerarenopleidingen vo/bve aanbieden, het convenant lerarenopleidingen vo/bve afgesloten. De doelstelling is geoperationaliseerd door:

• handhaving van het huidige aanbod en de spreiding van lerarenopleidingen vo/bve tot in elk geval 1 januari 2005;

• een positief bedrijfsresultaat per 1 januari 2005.

Op dit moment kan worden geconstateerd dat nog niet alle hogescholen een bedrijfseconomisch gezonde situatie hebben bereikt. Wel is een verbetering ten opzichte van 2002 geconstateerd. In 2005 kan worden vastgesteld of de doelstelling is bereikt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De hogescholen hebben voor het toezicht op de verwezenlijking van de doelstellingen een overleg ingesteld, waarin vertegenwoordigers van het departement als waarnemer participeren. In 2002 hebben alle hogescholen conform afspraak een nulmeting ingediend, waarin ze onder andere aangeven wat de oorzaken zijn van de financiële problematiek, welke oplossingsrichtingen ze zien, wat de doelen per 1 januari 2005 zijn en waarin een plan van aanpak wordt gepresenteerd.

Op 6 oktober 2003 heeft een vergadering van de overlegtafel van de convenanthogescholen plaatsgevonden, waarin de voortgang van de convenantactiviteiten onderwerp van gesprek is geweest. Begin 2004 zal in de vergadering van de overlegtafel gesproken worden over de verwachtingen van de hogescholen ten aanzien van het realiseren van het einddoel.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 is het begrote bedrag ad € 6 miljoen ter beschikking gesteld.

6.3.5.2 Stagevergoedingsregeling

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De realisatie van de doelstelling vergt dat er goede stageplekken beschikbaar zijn voor studenten aan lerarenopleidingen vo/bve. De subsidiebijdrage heeft ertoe bijgedragen dat de scholen meer dan voorheen, naast de verkregen subsidie, eigen middelen vrijmaken voor een stageplek, dat de bereidheid een stageplek aan te bieden, is verhoogd en dat de stagebegeleiding is verbeterd.

De subsidie aan de hogescholen uit het hbo-budget is per eind 2003 beëindigd, maar wordt met ingang van 2004 (tijdelijk) voortgezet ten laste van artikel 9 Onderwijspersoneel.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Door middel van een subsidieregeling krijgen hogescholen die een lerarenopleiding vo/bve verzorgen € 454 per student toegekend. Dit geld keren hogescholen uit aan scholen die een stageplek aanbieden aan studenten aan de lerarenopleidingen vo/bve.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de stagevergoedingsregeling was € 5,9 miljoen geraamd en is € 6,5 miljoen beschikbaar gesteld. Dit komt doordat er meer studenten aan de lerarenopleidingen vo/bve waren dan was geraamd.

6.3.5.3 Verbetering aansluiting vraag en aanbod beta/techniek-opleidingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Er is een tekort aan technisch opgeleiden op de arbeidsmarkt en de aansluiting tussen technische hbo-opleidingen en de arbeidsmarkt moet worden verbeterd. De doelstelling is dan ook het ontwikkelen van een kennisstrategie ten aanzien van het bèta/techniekprobleem.

Tabel 6.11 Instroom in sector techniek
 19992000200120022003
Voltijd 13 63312 91012 93913 177
Deeltijd 1 7491 6311 3121 067
Duaal 237416471444
Totaal hbo-techniek 15 61914 95714 72214 688
Cross-sectioneel rendement     
Hbo-techniek6663646368

Bron instroom techniek: OCW tellingen in CRIHO (IBG) dec 2003 (historische wijzigingen door overgang 1 cijfer HO).

Bron rendement: telling en berekening door OCW op CRIHO stand dec 2003 (IBG).

Uit bovenstaande tabellen blijkt dat de duale instroom de laatste jaren fors is gestegen, maar in 2003 weer is gedaald. Het aantal deeltijdstudenten is fors gedaald. Het verwacht intern rendement (cross-sectionele slaagkans, zie par. 6.2.4 voor toelichting) vertoont een stijgende tendens.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de doelstelling te bereiken heeft de overheid (OCW, EZ, SZW en LNV) samen met het onderwijs, werkgevers en de arbeidsvoorziening in 1998 de stichting AXIS opgericht. De afgelopen jaren zijn (mede geïnitieerd en gesteund door Axis als gezamenlijk initiatief van overheid, onderwijsinstellingen en bedrijfsleven) diverse activiteiten ondernomen om de deelname aan technische opleidingen te vergroten, het rendement te verhogen en ook de aansluiting met het bedrijfsleven te verbeteren. Borging van hetgeen reeds bereikt is, is essentieel. Begin 2003 is een beleidsinventarisatie van Axis afgerond, waarin een aantal aanbevelingen is opgenomen. De aanbevelingen van Axis zijn gebruikt bij de gedachtevorming over bèta/techniekbeleid in de toekomst en dit heeft geresulteerd in het Deltaplan Bèta en techniek, dat op 19 december 2003 aan de Kamer is gezonden.

Voorbeelden van door Axis gestimuleerde en gecoördineerde projecten zijn: Verbredingsplan Techniek Basisonderwijs en het Innovatieprogramma VMBO. Axis maakt uitkomsten van de projecten schriftelijk toegankelijk alsmede via haar website www.platform-axis.nl.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 is door OCenW aan de AXIS een subsidie beschikbaar gesteld via het Ministerie van Economische Zaken van € 650 000.

Welke stukken zijn naar de Tweede Kamer gestuurd?

Op 19 december 2003 is het Deltaplan Bèta echniek naar de Tweede Kamer gestuurd (OCW0301150).

6.3.5.4 Vraaggestuurd onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het kabinet wil scholen meer ruimte en burgers meer keuzevrijheid bieden. Hierbij dient zich het perspectief van vraagsturing aan. Voor de toekomst is het van belang een beeld te krijgen of en hoe een (volledige) omslag van aanbod naar vraagsturing kan plaatsvinden. Vraagsturing kan een middel zijn om meer maatwerk en kwaliteitswinst in het onderwijs te boeken. Door de onderwijsdeelnemer of -vrager centraal te stellen en de vraag naar onderwijs te stimuleren, kan meer variatie en differentiatie in het onderwijs tot stand komen. Bovendien lijkt vraagsturing een bijdrage te kunnen leveren aan het verhogen van het rendement van het hoger onderwijs omdat immers beter wordt aangesloten bij de voorkeuren van de student.

Uit de jaarrapportage van het in 2001 gestarte experiment over 2002 blijkt dat vraagsturing inmiddels breed wordt gedragen door zowel studenten, docenten als instellingen, die deelnemen aan het experiment

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De invulling van het begrip vraagsturing heeft een kanteling gemaakt. In het begin van het experiment werd het begrip nog ingevuld als: de student die vrij kiest uit wat hogescholen aanbieden. Gedurende het experiment is gebleken dat het gaat om het ontwerprecht van de student voor de laatste twee jaren van zijn opleiding.

Daarvoor is noodzakelijk dat de docent een andere rol vervult. In het experiment ontwikkelt zich het beeld dat de professionalisering van de docent vanuit macroniveau krachtiger moet worden aangepakt.

De rol van de examencommissie verandert eveneens. Ze beoordeelt de POP-en, stelt de studiepunten vast per POP-onderdeel en heeft ook nog eens een rol in het beoordelen van competenties.

De mobiliteit van studenten tussen verschillende onderwijsinstellingen blijft in de praktijd achter bij de oorspronkelijke verwachtingen. Het volgen van onderwijs bij andere instellingen heeft volgens Stoas om verschillende redenen geen prioriteit: vanwege de reistijd, administratieve rompslomp en omdat men vraagsturing vorm geeft door zelf het leerproces te ontwerpen.

In 2003 is besloten het experiment met een jaar te verlengen. Het experiment zal op 1 september 2004 worden beëindigd. Het accent in het laatste jaar zal met name liggen op het opdoen van ervaring met de implementatie van de resultaten van het experiment en het bevorderen van het breed invoeren van vraagsturing door hogescholen. Daarnaast zullen activiteiten worden ontplooid om het bedrijfsleven meer te betrekken bij vraagsturing.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 is € 1,7 miljoen ter beschikking gesteld.

6.3.6 Transparante informatie over het aanbod van het hoger onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is dat aanstaande studenten bij de keuze van een opleiding meer gebruik kunnen maken van relevante, onafhankelijk verzamelde, kwalitatief onomstreden en daardoor gezaghebbende informatie over onder meer de kwaliteit van het aangeboden onderwijs.

Deze doelstelling is nog niet bereikt. Aanstaande studenten zijn voor het maken van hun studiekeuze nog overwegend afhankelijk van «voorlichtingsmateriaal» van hogescholen en universiteiten. De huidige papieren Keuzegids hoger onderwijs kent een beperkte toegankelijkheid (4000 verkochte exemplaren in 2002) en is beperkt bruikbaar bij de studiekeuze.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de doelstelling te realiseren heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na een Europese aanbestedingsprocedure aan Choice, een samenwerkingsverband van het Hoger Onderwijs Persbureau en Research voor Beleid, voor een periode van drie jaar (2003–2005) opdracht gegeven voor het uitvoeren van:

• het verzamelen van oordelen van studenten over de kwaliteit van het door hen gevolgde onderwijs (studentenenquêtes);

• het verzamelen en consolideren van studiekeuze-informatie uit uiteenlopende bronnen naar een voor derden bruikbare database; doelgroepen zijn organisaties van belanghebbenden en marktpartijen die studiekeuze-informatie aanbieden;

• het uitgeven van een papieren keuzegids.

Om het beleid te monitoren wordt o.a. gekeken naar het aantal websites dat de onafhankelijk verzamelde vergelijkingsinformatie presenteert (jaarlijks te rapporteren door de opdrachtnemer). Deze informatie komt pas in 2004 voor het eerst beschikbaar.

Begin 2005 wordt geëvalueerd of de opdracht aan Choice onder dezelfde condities met nog eens drie jaar dient te worden verlengd.

Om de kwaliteit van de gepresenteerde informatie te waarborgen heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Kwaliteitscollege Studiekeuze Informatie ingesteld onder voorzitterschap van mevrouw Netelenbos. Het Kwaliteitscollege houdt toezicht op de werkzaamheden van de uitvoerder en doet voorstellen voor verbeteringen. Daarnaast bevordert het Kwaliteitscollege de kwaliteit en daarmee het gezag van de verzamelde informatie door draagvlak te creëren en de instellingen te betrekken bij verbeteringen. De instellingsbeschikking is bij brief (kenmerk HBO/SB/2003/40959 d.d. 26 augustus 2003) ter kennisneming aan de TK gezonden.

Verder adviseert een Platform waarin organisaties van schooldecanen, scholieren en studenten vertegenwoordigd zijn vanuit de optiek van belanghebbenden over de manier waarop de informatievoorziening voor studiekeuze verbeterd kan worden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor studiekeuzeinformatie in het hoger onderwijs is jaarlijks € 1,3 miljoen geraamd.

In het jaar 2003 is € 1,2 miljoen beschikbaar gesteld.

6.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.12: Budgettaire gevolgen hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen1 319 4381 466 4191 708 7721 727 5351 628 6041 587 77140 833
– waarvan garanties  
Uitgaven1 286 2031 331 9491 491 3941 603 5691 634 1461 609 90024 246
– reguliere bekostiging 1 284 1001 426 1211 545 8081 580 2761 555 57324 703
– specifieke stimulering 47 84965 27357 76153 87054 327– 457
* internationale positie  1 1724024871 394– 907
* innovatie  17 91229 75429 75429 7540
* versterking beroepsopleiding       
* doelgroepenbeleid1  4523663 2252 403822
* borging kwaliteit  2 0302 2932 0493 472– 1 423
* sectorenbeleid 1)  27 02119 29013 14913 498– 349
* transparante info aanbod hop    1 203650553
* overige spec. stimulering  16 6865 6564 0033 156847
Ontvangsten4 7111 105121358771760

1Bij deze onderdelen is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de begroting 2003 abusievelijk een onjuiste verdeling van de middelen gehanteerd. Dit is nu gecorrigeerd.

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

7. WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

7.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling voor het wetenschappelijk onderwijs is het waarborgen van kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid en variëteit van het wetenschappelijk onderwijs.

Het wetenschappelijk onderwijs voorziet in de vraag naar academici op de arbeidsmarkt en de vraag naar academische vorming van studenten. Daarnaast verrichten de instellingen wetenschappelijk onderzoek en dragen zij nieuw ontwikkelde kennis over aan de samenleving.

7.2 Het stelsel: de staat van de sector wetenschappelijk onderwijs

De algemene sturingsfilosofie gaat uit van zelfstandige, autonome universiteiten die zelf hun eigen weg kiezen binnen de randvoorwaarden van het stelsel als geheel, die in regelgeving zijn vastgelegd en waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk is. De algemene controle op de werkzaamheden van de instellingen en de monitoring door het ministerie is primair gericht op de volgende aspecten:

• de toegankelijkheid van het onderwijs;

• de kwaliteit van onderwijs;

• de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van overheidsmiddelen;

• de continuïteit.

Tabel 7.1: Kerncijfers wetenschappelijk onderwijs (kalenderjaar)
Aantal bekostigde instellingen: 
– universiteiten (excl. LNV en Open Universiteit)12
– academische ziekenhuizen8
– instellingen voor internationaal onderwijs en onderzoek10
– instellingen voor levensbeschouwelijk onderwijs12
Omvang universitair personeel (in fte excl. LNV en OU):per 31-12-2002
– wetenschappelijk personeel21 226
– ondersteunend personeel18 281
Omvang rijksmiddelen voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (incl. AZ) 2003€ 3,0 miljard

Bron: o.a. WOPI (VSNU).

Op 29 september 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de notitie «Doelgericht naar 2010» aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin zijn de concepthoofdlijnen voor het hoger onderwijsbeleid in de komende kabinetsperiode uiteengezet. In het HOOP 2004 dat in januari 2004 is uitgebracht, worden de hoofdlijnen verder uitgewerkt.

7.2.1 Toegankelijkheid

De toegankelijkheid van het hoger onderwijs is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewaarborgd. Een ieder die voldoet aan onderwijskundige, administratieve en financiële voorwaarden, kan zich als student of extraneus laten inschrijven, zij het dat een beperking daarvan mogelijk is in specifiek in de WHW omschreven gevallen.

De directe instroom vanuit het voortgezet onderwijs in het wetenschappelijk onderwijs is hoog. Een aandachtspunt bij de instroom is de deelname van het aantal allochtonen in het wetenschappelijk onderwijs. Het aandeel allochtonen in het wetenschappelijk onderwijs stijgt, maar er is nog sprake van flinke ondervertegenwoordiging. Voor een belangrijk deel ontstaat die ondervertegenwoordiging in het voorgezet onderwijs. De instroom wordt gemonitord bijvoorbeeld naar herkomstgroepering, leeftijd, nationaliteit en geslacht. Bij sterke fluctuaties in de studentenstromen wordt bezien of belemmeringen ontstaan (bijvoorbeeld financiële, zoals studiefinanciering, of onderwijskundige) voor studenten om een opleiding te kunnen volgen en of maatregelen gewenst zijn. De directe instroom vanuit het voortgezet onderwijs naar het wetenschappelijk onderwijs is een indicator voor de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs. De onderstaande tabel geeft een beeld van de instroom van studenten in het wetenschappelijk onderwijs. Van de vwo-gediplomeerden stroomt in 2003 69% van het totaal direct door naar het wetenschappelijk onderwijs. Van de hbo-gediplomeerden stroomt 11% van het totaal direct door naar het wetenschappelijk onderwijs.

Tabel 7.2: Doorstroom naar wetenschappelijk onderwijs (in procenten)
 97/9898/9999/0000/0101/0202/0303/04
% vwo-gediplomeerden dat direct instroomt (concept Referentieraming 2004)*58,861,362,762,063,768,368,9
% directe doorstroom hbo-diploma (concept Referentieraming 2004)*6,17,58,88,69,210,310,9
% buitenlandse studenten ingeschreven voor hele studie (telling OCW)3,03,02,62,73,03,33,2
% niet-westerse allochtonen (telling OCW)**4,34,44,54,64,74,85,0

Bron: CRIHO/concept referentieraming 2004.

*In de begroting 2003 zijn voor de onderwijsstromen historische cijfers gepubliceerd die hoger liggen onder verwijzing naar het CBS. Met overgang naar 1-cijfer HO worden in samenwerking met het CBS de onderwijsstromen in kaart gebracht en gebruikt in de Referentieraming. Het hanteren van deze cijfers heeft geleid tot nieuwe inzichten in de historische percentages voor directe doorstroom.

**In de begroting 2003 is deze tabel getoond met % allochtone studenten van de zogenoemde doelgroeplanden. Hier is de nu gebruikelijke definitie van niet-westerse allochtone afkomst gebruikt, als % van de bevolkingsgroep, welke minder dan een procentpunt afwijkt.

In de onderstaande tabel wordt weergegeven hoe de aantallen eerstejaarsstudenten, de deelname van het totaal aantal studenten en het aantal behaalde diploma's er uit zien:

Tabel 7.3: Instroom, totaal deelname en uitstroom (collegejaar) x 1000
 Raming begroting 2003/04 (RR2002)Realisatie 2003/04 (concept RR2004)
Eerstejaars hoger onderwijs in WO32,736,5
Ingeschrevenen176,4182,9
Aantal gediplomeerden20,02002/03: 20,6

Bron: Referentieramingen (afgekort tot RR).

Ten behoeve van de toegankelijkheid en vernieuwing van het hoger onderwijs speelt ook de Open Universiteit Nederland (OU) een belangrijke rol. Uit tabel 7.4 blijkt dat de OU in een blijvende behoefte voorziet. De bijdrage aan de OU bedroeg in 2003 € 34,9 miljoen. Geraamd was € 31,0 miljoen. Het verschil wordt veroorzaakt door de bijdrage voor scholing van zij-instromers ad € 3,2 miljoen en door de uitgekeerde loonbijstelling in 2003.

Tabel 7.4: Kerncijfers Open Universiteit
 wo diploma's (incl. 2e kans)2e kans diploma'sinstroomtotaal studenten*
1998286709 48521 876
1999326668 98721 477
2000353718 85320 852
2001329819 08721 182
2002337969 13821 182**

*student is iemand die tenminste één module afneemt.

**studentenaantal in 2002 inderdaad identiek aan 2001.

Bron: jaarverslagen OU.

7.2.2 Kwaliteit

In samenhang met de invoering van het Ba/Ma stelsel (92% van de opleidingen had in 2003 de Ba/Ma-structuur) is besloten tot de oprichting van de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO). In 2002 en 2003 is de accreditatie voorbereid door de zogenaamde kwartiermakers en per 1 mei 2003 is de NAO van start gegaan. In verband daarmee zijn op 3 maart 2003 afspraken gemaakt over de overgang van taken van de Onderwijsinspectie naar de NAO, opdat er voor de instellingen voor hoger onderwijs zo snel mogelijk één aanspreekpunt zou zijn voor de kwaliteitsborging van opleidingen. Vanaf 1 mei 2003 stopte de Inspectie met in behandeling nemen van nieuwe visitatierapporten en vanaf september 2003 functioneert de NAO als de waarborgende organisatie voor de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs.

De Inspectie heeft tot nieuwe taak gekregen toezicht te houden op de NAO. Hiervoor en vanwege de overgang van taken van de Inspectie naar de NAO is conform de geldende procedure aan de Inspectie een uitvoeringstoets gevraagd. Deze procedure werd afgerond in 2003 en wordt begin 2004 geformaliseerd.

Vooruitlopend op eventuele verdere Europese samenwerking op het gebied van kwaliteitszorg en accreditatie hebben Vlaanderen en Nederland besloten tot een gezamenlijk orgaan. In september 2003 hebben beide ministers van onderwijs het verdrag ondertekend waarmee de taak van de NAO werd uitgebreid met opleidingen die door instellingen voor hoger onderwijs in Vlaanderen worden aangeboden. De organisatie voert vanaf eind 2003 daarom de naam «Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie in oprichting», afgekort NVAO i.o.

In het onderwijsverslag over het jaar 2003 rapporteert de inspectie dat het globale beeld dat uit de visitaties naar voren komt overwegend positief is. In het onderwijsverslag 2003 werd door de inspectie gerapporteerd over visitaties van 65 wo-opleidingen (8,6% van het totaal aantal opleidingen wo).

7.2.3 Bekostiging

De overheid bekostigt de universiteiten en de werkplaatsfunctie van de academische ziekenhuizen voor het initiële onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. De rijksbijdrage wordt als lumpsum ter beschikking gesteld.

Het totale budget voor de universiteiten, het zogenaamde macrokader, wordt verdeeld over de universiteiten op basis van een algemene berekeningswijze, vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW. De bekostigingsparameters zijn aantallen eerstejaarsstudenten, einddiploma's, waaronder vanaf 2003 bachelor- en masterdiploma's, proefschriften, ontwerpercertificaten en toponderzoekscholen.

Het bekostigingsmodel voor de universiteiten is voor het jaar 2003 aangepast aan de bachelor-masterstructuur. De belangrijkste wijziging die in de bekostigingssystematiek is aangebracht, is het meetellen van bachelor- en masterdiploma's. Daarnaast is de basisvoorziening onderzoek gewijzigd van een vaste component in een variabele component, die wordt verdeeld naar evenredigheid van diploma's. Voorts is de middeling van bekostigingsgegevens over meerdere jaren beëindigd.

De bekostigingsparameters die gelden voor 2003 zien er (conform begroting) als volgt uit:

Tabel 7.5: Bekostigingsparameters
Studiejaar2000/'012001/'022002/'03
Aantal eerstejaars studenten34 69637 37038 447
Aantal einddiploma's inclusief beroepsdiploma's medisch20 11319 89820 741
Aantal proefschriften (resp. kalenderjaar 2000, 2001 en 2002)2 1582 3192 293
Aantal ontwerpercertificaten (resp. kalenderjaar 2000, 2001 en 2002)135147143

Bron: CRIHO en van accountantsverklaring voorziene opgaven van universiteiten.

Tabel 7.6: Lumpsum universiteiten (x € 1 000)
 Vastgestelde begroting 2003Realisatie 2003
Bekostigde instellingen (7.1)2 438 0102 509 435
Academische ziekenhuizen472 297486 958
Totaal2 910 3072 996 393

Voor een historisch overzicht wordt verwezen naar het hoofdstuk wetenschappelijk onderwijs in de publicatie «Verantwoording in kerncijfers 2003», onder het kopje «stelsel en financiën».

De onderwijscomponent binnen de lumpsum wordt zonder oormerking aan de instellingen beschikbaar gesteld en is in de aanwending niet als zodanig te herkennen. Voor de bepaling van de onderwijsuitgaven per student dient daarom een schatting te worden gemaakt. Met nadruk wordt vermeld dat onderstaande tabel illustratief is bedoeld.

Tabel 7.7: Onderwijsuitgaven per student (x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Uitgaven per student excl. WSF incl. huisvesting4,95,0
Collegegeld per student1,41,4

De stijging in de uitgaven per student laat zich onder meer verklaren door loonbijstellingen en budgetverhogingen voor de gestegen capaciteit van de medische opleidingen.

Op 29 december 2003 is het onderzoek «Kosten per student. Methodologie, schattingen en een internationale vergelijking» met een begeleidende brief aan de Tweede Kamer gestuurd.

7.2.4 Rendement

Het percentage afgestudeerden ten opzichte van het aantal 18-jarigen op t-5 is een indicator voor de bijdrage aan de beroepsbevolking. De overheid streeft naar een goede invulling van de maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden. Tegelijkertijd heerst het besef dat wel streefcijfers kunnen worden geformuleerd, maar dat realisatie van deze streefcijfers vanwege het niet kunnen beïnvloeden van persoonlijke en/of sociaal-economische factoren, niet door de overheid te garanderen is.

Tabel 7.8: wo-afgestudeerden als percentage van 18-jarigen op t-5
 98/9999/0000/0101/0202/03
wo-afgestudeerden10,2%10,6%10,5%11,3%11,8%

Bron: CRIHO en CBS.

Uit de tabel blijkt dat het aandeel wetenschappelijk opgeleiden onder jongeren een stijgende trend vertoont. De vraag naar en het aanbod van hoger opgeleiden wordt gemonitord door middel van de zogenaamde wo-monitor van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Uit deze onderzoeken blijkt dat er op de arbeidsmarkt een grote behoefte is aan vele soorten hoger opgeleiden.

In 2003 is een aantal acties ondernomen in het kader van de versterking van de macrodoelmatigheid hoger onderwijs, zie voor verdere toelichting paragraaf 6.2.4 Rendement van artikel 6 Hoger beroepsonderwijs.

7.2.5 Continuïteit

De financiële weerbaarheid van de universitaire sector -exclusief Wageningen Universiteit (LNV) en de Open Universiteit- daalt inmiddels gedurende een reeks van jaren richting het minimaal wenselijk geachte niveau. Vanwege deze daling zijn in de zogenaamde Enveloppebrief vanaf 2003 middelen gereserveerd, oplopend tot € 40 miljoen structureel vanaf 2006, als tegemoetkoming voor het oplossen van knelpunten bij de financiering van de huisvesting. Over deze middelen vindt nog besluitvorming plaats en zal nog een financieringsarrangement worden ontwikkeld. Verwacht wordt dat ondanks deze bijdrage de universiteiten vanwege de omvang de investeringen in toenemende mate met vreemd vermogen zullen financieren.

Aan de hand van de indicatoren solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit wordt hierna de financiële trend grafisch weergegeven. Voor wat betreft de liquiditeit wordt daarbij voor de kwalificatie «goed» een ondergrens aangehouden van 1,2, voor de solvabiliteit 30% en voor de rentabiliteit een gemiddelde – op langere termijn – van 1%.

Liquiditeit (current ratio) is matig tot voldoende:

Definitie: vlottende activa/kortlopende schulden

kst-29540-16-20.gif

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998 – 2002, door CFI.

Solvabiliteit exclusief voorzieningen (%)is goed:

Definitie: eigen vermogen/totaal vermogen

kst-29540-16-21.gif

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998 – 2002, door CFI.

Rentabiliteit gewone bedrijfsvoering (%)is matig tot voldoende:

Definitie: resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering

kst-29540-16-22.gif

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1998 – 2002, door CFI.

Deze drie financiele kengetallen tonen op enkele afwijkingen na (solvabiliteit ultimo 2000 en rentabiliteit over 2002 een voortdurende daling. Daarbij is het goed te benadrukken dat de gewijzigde OCW richtlijn voor de Jaarverslaglegging, ingaande het verslagjaar 2001, de kengetallen zowel in positieve als in negatieve zin kan beïnvloeden («stelselwijzigingen»): van een vergelijking in absolute zin tussen de beschouwde jaren mag daarom geen sprake zijn, wel kan in relatieve zin worden geconcludeerd dat er sprake is van een daling.

Zie voor meer cijfers over de financiële positie van het wetenschappelijk onderwijs de publicatie «Kerncijfers 1999–2003 Onderwijs Cultuur en Wetenschap».

7.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen

7.3.1 Opleidingscapaciteit geneeskunde, tandheelkunde en klinische technologie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om bij te dragen aan het oplossen van de personeelsproblematiek in de zorg wordt een tweesporenbeleid gevoerd: meer èn anders. Het «meer» houdt verband met een verhoging van de instroom in de bestaande opleidingen geneeskunde. Daarnaast worden ontwikkelingen gestimuleerd die ertoe leiden dat andere beroepen in de zorg tot ontwikkeling kunnen komen en de daarbij horende opleidingen gerealiseerd worden.

De ambitie was om per september 2003 de instroom van de opleidingen geneeskunde weer verder te verruimen met 250 plaatsen. Daarmee zou dan een instroom gerealiseerd worden van 2800 tegenover 2550 in het studiejaar 2002.

Per september 2003 is een instroom gerealiseerd van 2850 studenten in de opleidingen geneeskunde.

De instroom van de opleiding tandheelkunde is in 2003 gestabiliseerd op 300.

Bovendien is per september 2003 het eerste cohort van 50 studenten begonnen aan de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de bacheloropleiding klinische technologie van de universiteit Twente mogelijk te maken, is het wetsvoorstel «Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de start van de bacheloropleiding klinische technologie» in werking getreden (Wet van 2 juli 2003, Stb. 2003, 287). Verder zijn de numeri fixi geneeskunde opgehoogd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de ophoging van de numerus fixus geneeskunde door de universiteiten en de bacheloropleiding klinische technologie zijn in 2003 de volgende budgetten beschikbaar gesteld:

Tabel 7.9: Ophoging numerus fixus geneeskunde (x € 1 miljoen)
 2003
Van 1875 naar 2010 plaatsen per 2000/20017,9
Van 2010 naar 2140 plaatsen per 2001/20025,9
Van 2140 naar 2550 plaatsen per 2002/200310,3
Van 2550 naar 2900 plaatsen per 2003/200410,0
Totaal24,1

1Waarvan 50 plaatsen klinische technologie. De subsidie van € 2,0 miljoen voor de verhoging van 2550 tot 2900 plaatsen voor het jaar 2003 wordt uitgekeerd in 2004 uit de enveloppemiddelen.

7.3.2 Personeelsbeleid

7.3.2.1 Wegwerken en voorkomen van tekorten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om tijdig op de tekorten aan jonge wetenschappers te anticiperen en deze terug te dringen (onderzoeken van o.a. van Vucht-Tijssen «Talent voor de toekomst, toekomst voor talent», OCenW 2000 en het rapport van de commissie Van Rijn, «De arbeidsmarkt in de collectieve sector, investeren in mensen en kwaliteit», 2001) zijn binnen de universiteiten maatregelen ontwikkeld om wetenschappelijke functies voor jonge onderzoekers en docenten aantrekkelijker te maken en hen zo mogelijk een loopbaanperspectief in de wetenschap te bieden.

Tabel 7.10: Wetenschappelijk personeel jong en oud (fte; excl. LNV en OU)
 19981999200020012002
% 50 jaar en ouder28,827,927,327,328,3
% jonger dan 30 jaar19,823,225,125,923,8

Bron: WOPI (VSNU).

Tabel 7.11: Vrouwen in wetenschappelijke functies (fte; incl. LNV en OU)
 199719981999200020012002
vrouwen in wetenschappelijke functies5 1805 5935 8776 2446 1556 735
% vrouwelijk wetenschappelijk personeel24,125,426,727,728,329,7
vrouwelijke hoogleraren121133144156166192
% vrouwelijke hoogleraren4,95,45,96,37,18,1
vrouwelijke universitaire hoofddocenten197214209257250314
% vrouwelijke universitair hoofddocenten7,58,28,610,711,213,7

Bron: WOPI (VSNU).

In 2002 is het aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies t.o.v. 2001 met 1,4% toegenomen. De toename van het aandeel vrouwen in de functie van hoogleraar is in 2002 toegenomen met 1%. Bij de functie van universitair hoofddocent is de toename het sterkst, namelijk 2,5%. Bij deze relatieve toenames is in alle gevallen ook sprake van een toename in absolute zin.

Tabel 7.12: fte universitair docent én overig wetenschappelijk personeel tot 35 jaar (incl. OU en WU)
 199719981999200020012002
Fte's universitair docent758782731772762771
Fte's overig wetenschappelijk personeel2 5633 1783 3823 6302 7983 021

Bron: WOPI (VSNU).

Het aantal universitaire docenten en overig wetenschappelijk personeel tot 35 jaar is in 2002 stabiel gebleven respectievelijk toegenomen. De afname van het overig wetenschappelijk personeel in 2001 houdt verband met de overdracht van universiteitspersoneel aan de UMC's.

Tabel 7.13: Assistenten in opleiding (incl. LNV en OU)
 1996199719981999200020012002
Assistenten in opleiding4 4794 0913 8864 2314 6025 6326 270

Bron: WOPI (VSNU).

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft € 12 miljoen in 2001 en vanaf 2002 € 32 miljoen jaarlijks in de lumpsum beschikbaar gesteld voor de door de commissie Van Rijn genoemde maatregelen. Deze maatregelen hebben vooral betrekking op het terugdringen van vergrijzing en toename van instroom van jong wetenschappelijk personeel. De eerste effecten lijken zichtbaar door minder groei in de vergrijzing en een stijgende instroom van jongeren (tabel 7.10 en 7.12).

Ter verbetering van de salarispositie van assistenten in opleiding en promovendi zijn vanaf 2000 specifieke middelen voor deze personeelscategorieën beschikbaar gesteld. Het betreft € 18,2 miljoen structureel vanaf 2000.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Uit de jaarlijkse verantwoording van de VSNU over de besteding van de van Rijn-middelen blijkt dat de instellingen voor maatregelen gericht op instroom in 2002 € 16,5 miljoen hebben besteed, voor maatregelen gericht op doorstroom en behoud € 11,5 miljoen, voor beleidsmaatregelen gericht op ontwikkeling € 2,4 miljoen en voor overige instellingsspecifieke maatregelen € 1,8 miljoen.

Uit de verantwoording van de VSNU over de besteding van deze aio-middelen blijkt dat de instellingen voor genoemde maatregelen in 2002 € 27,2 miljoen hebben besteed. Het betreft circa € 10 miljoen aan verhoging van aio-salariëring en circa € 10,7 miljoen voor inkomensmaatregelen voor promovendi/postdoc's en circa € 6,5 miljoen aan faciliteiten ter versterking van het loopbaanperspectief en overige maatregelen. Deels zijn deze maatregelen uit eigen middelen gefinancierd. De verantwoording over de besteding van de aio- en Van Rijn middelen over 2003 wordt in maart 2004 verwacht.

7.3.2.2 Resultaat evaluatie decentralisatie arbeidsvoorwaarden hoger onderwijs

In 2003 heeft een evaluatie plaatsgevonden van de decentralisatie arbeidsvoorwaarden in de hoger onderwijssector. Dit op basis van het convenant «decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming hoger onderwijs» van 1 juni 1999. Hierin is opgenomen dat de evaluatie een tweeledig karakter heeft; het betreft zowel een evaluatie van de inhoudelijke aspecten als de financiële aspecten van de decentralisatie. De decentralisatie is door alle drie partijen geëvalueerd (de werkgeversorganisaties (VSNU, HBO-raad en WVOI), werknemersorganisaties en OCW). Over het geheel genomen zijn alle partijen tevreden met de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden. De oorspronkelijke doelstelling van de decentralisatie namelijk «meer maatwerk kunnen leveren op het gebied van arbeidsvoorwaarden ten behoeve van de sector hoger onderwijs en onderzoek» is bereikt. Op een aantal punten ten aanzien van de informatie-uitwisseling tussen werkgevers en OCW zullen de afspraken worden aangescherpt en procedures worden verbeterd.

7.3.3 Universitaire lerarenopleidingen (ulo)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het «ulo-convenant» 1999–2005 is te komen tot een toename van het aantal universitair opgeleide leraren van 600 tot 1200 per jaar.

De universiteiten hebben een scala van leerwegen ontwikkeld om de ulo aantrekkelijker te maken. Het aantal opgeleide leraren is sinds 1998 toegenomen, zij het langzamer dan gepland. Uit de tussenevaluatie van het ulo-convenant van juni 2003 blijkt dat hieraan een complex van oorzaken ten grondslag ligt die deels buiten de universiteiten liggen, zoals de situatie op de arbeidsmarkt en de invoering van de bachelor-master structuur.

Tabel 7.14 Convenant universitaire lerarenopleidingen
 1999200020012002200320042005
Raming6007008009001 0001 1001 200
Gerealiseerd560*)728*)750**)707**)881**)

*CRIHO, peildatum 1 oktober.

**telling inschrijvingen op basis van nieuwe bekostigingssystematiek.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De vernieuwing van de opleidingen en van de begeleiding is in gang gezet conform het ulo-convenant 1998. De tussenevaluatie van het ulo-convenant is uitgevoerd, geïntegreerd met de visitatie van de ulo's (juni 2003).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In het ulo-convenant was voor 2003 € 5,4 miljoen geraamd voor de opleiding van leraren en is er € 4,0 miljoen beschikbaar gesteld. Er is minder uitgegeven dan begroot omdat het aantal opgeleide leraren lager was dan geraamd.

Aan de imagocampagne leraren zijn voor de periode 2002 t/m 2006 extra middelen beschikbaar gesteld. Het gaat hier om € 320 000 per jaar.

7.3.4 Decentrale toelating

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is, naar aanleiding van de uitkomsten van een experiment en na een evaluatie (door de Commissie Sorgdrager), nieuwe vormen van toelating tot numerus fixus opleidingen, als mogelijk alternatief voor het huidige stelsel van gewogen loting te ontwikkelen. Daartoe werd ervaring opgedaan met een stelsel waarbij opleidingen met een numerus fixus, een deel van de beschikbare plaatsen zelf, op basis van eigen criteria, decentraal konden toewijzen. Dit doel is bereikt. In februari 2003 werd het experiment met decentrale toelating, dat in 2000 begon, afgerond.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ter begeleiding van het experiment werd een commissie ingesteld onder leiding van mw. W. Sorgdrager die het proces heeft begeleid en die jaarlijks aan de minister rapporteerde over de werking van het experiment. Het proces werd afgerond met een slotcongres op 19 februari 2003, waarbij het eindrapport met de evaluatieresultaten aan de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschap werd aangeboden. Dat eindrapport vormt een van de grondslagen van de beleidsnotitie «Toelatingsbeleid», die in december 2003 naar de Kamer is gezonden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor het experiment was in 2003 € 0,5 miljoen geraamd. In 2003 is € 0,2 miljoen betaald.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Op 19 december 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de notitie «Ruim baan voor het toelatingsbeleid in het hoger onderwijs» aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 388, nr. 1). De notitie is tevens de kabinetsreactie op het IBO-rapport over collegegelddifferentiatie het advies «Over de top, duidelijkheid door differentiatie» van de werkgroep topmasters en de rapporten «De juiste student op de juiste plaats» en «Lot in eigen hand» van de Begeleidingscommissie decentrale toelating.

7.3.5 Vraagsturing

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 2002 is door middel van een simulatie en een experiment de haalbaarheid en invoeringscondities van vraagsturing onderzocht. De bevindingen hiervan zijn in 2003 gepresenteerd.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In maart 2003 is het eindverslag van de simulatie getiteld «Simulatieonderzoek vraagfinanciering. Een verkennend onderzoek naar de effecten van vraagfinanciering in het wetenschappelijk onderwijs» afgerond. De belangrijkste bevinding is dat er uit dit onderzoek geen harde conclusies zijn te trekken gezien de beperkte omvang van het aantal uitgevoerde simulaties. De invoering van de BaMa-structuur confronteert de universiteiten al met grote onzekerheden, hetgeen zowel kansen als belemmeringen voor de effectieve invoering van vraagfinanciering met zich brengt. Verdere stappen op het gebied van vraagsturing zullen in samenhang worden bezien met de resultaten van het lopende MKB-voucher experiment in het hoger beroepsonderwijs.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor experimenten met vraagsturing waren geen middelen geraamd. De kosten bedroegen € 0,1 miljoen.

7.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen 2 908 5463 108 9783 192 2863 227 9833 030 874197 109
– waarvan garanties*       
Uitgaven 2 713 2392 901 9083 045 2443 131 6453 027 615104 030
        
Bekostigde instellingen (7.01) 2 577 1672 757 9722 906 2532 996 3932 910 30786 086
Universiteiten       
– bekostiging 1 948 7852 171 2592 304 1632 385 1152 305 70079 415
– universitaire lerarenopleiding 2 6322 9564 2124 0195 400– 1 381
– investeringen in huisvesting 88 54492 51792 52492 52692 5260
– academische ziekenhuizen 441 286461 645473 777486 958472 29714 661
– overige 95 92029 59531 57727 77534 384– 6 609
        
Gesubsidieerde instellingen (7.02) 118 431120 320124 678123 541110 35013 191
Open Universiteit Nederland (OUNL) 35 69137 47837 76134 90031 0063 894
Instellingen internationaal onderwijs en onderzoek 45 34947 52047 55949 59946 5873 012
Levensbeschouwelijke instellingen 23 73324 60225 23024 42123 846575
Faciliterende organisaties 12 7639 81413 07613 04111 0661 975
Overige 8969061 0521 580– 2 1553 735
        
Stimuleringsuitgaven (7.03) 16 67122 10612 54610 6295 9344 695
        
Overige uitgaven (7.04) 9701 5101 7671 0821 02458
Ontvangsten 1 2041 0981 3901 5351 248287

*In de begroting 2003 wordt hier de stand van garanties weergegeven. In 2003 zijn er geen nieuwe garanties aangegaan.

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

8. INTERNATIONAAL ONDERWIJSBELEID

Voor de inhoudelijke verantwoording van de onderstaande uitgaven wordt verwezen naar de overzichtsconstructie internationaal beleid. Deze overzichtsconstructie biedt een geïntegreerd overzicht van alle internationale uitgaven van het ministerie van OCW in 2003.

8.1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschilHGIS realisatie
 199920002001200220032003  
Verplichtingen6 7037 05215 22420 99815 99317 917– 1 924 
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven7 2957 33912 60418 03919 31718 8494682 224
Mobiliteit  4 2449 2389 8649 951– 871 781
Samenwerkingsverbanden  4 2263 2173 3783 387– 9 
Institutionele subsidies Nederland  3 2774 4564 5944 54747443
Instellingen buitenland  54671158150081 
Overig  311417900464436 
Ontvangsten857291 01252541999320 

Over de jaren 1999 en 2000 is geen onderverdeling te geven. Tot 2002 gold een andere artikelindeling met andere artikelonderdelen.

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE INTERNATIONAAL BELEID

1. Inleiding

De overzichtsconstructie internationaal beleid biedt een overzicht van de internationale uitgaven van OCW. Dit overzicht geeft vanzelfsprekend geen totaalbeeld van de internationale activiteiten die op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschappen in Nederland plaatsvinden. De daadwerkelijke omvang van de middelen die worden besteed aan de bevordering van mobiliteit en samenwerkingsverbanden is veelal groter dan hieronder is aangegeven. Zo financieren zowel de EU als de instellingen zelf verschillende vormen van internationale samenwerking.

2. Algemene beleidsdoelstellingen

In de begroting 2003 zijn de volgende algemene beleidsdoelstellingen voor 2003 opgenomen:

• Het bevorderen van de mogelijkheden voor deelnemers aan onderwijs, cultuur en wetenschappen voor internationale oriëntatie en kennisverwerving;

• het bevorderen van de kwaliteit van het aanbod en de beoefening van onderwijs, cultuur en wetenschappen in Nederland door internationale oriëntatie, vergelijking en competitie;

• het versterken van het internationale profiel van Nederlandse onderwijs-, cultuur- en wetenschappelijke instellingen op de internationale markt;

• het leren van elkaar en samenwerken met andere landen op centraal niveau; ontsluiting van – voor Nederland relevante – kennis en benchmarking.

Om deze algemene doelen te bereiken, is er een vijftal operationele doelstellingen met financiële consequenties geformuleerd, op het terrein van:

• mobiliteit;

• samenwerkingsverbanden;

• institutionele subsidies;

• instellingen buitenland;

• overig.

In paragraaf 3 zal per operationele doelstelling worden aangegeven wat bereikt is, wat gedaan is en wat dat heeft gekost. Daaruit zal blijken dat er op diverse terreinen goede voortgang is geboekt.

Het is allereerst van belang aan te geven dat de Europese dimensie van steeds grotere betekenis wordt voor het bereiken van de doelen. De Europese Raad stelde in 2002 als doel dat Europa in 2010 de meest competitieve kenniseconomie van de wereld moet zijn. Het daaruit voortvloeiende Lissabonproces is door Nederland in 2003 voortvarend opgepakt. In mei 2003 heeft de EU-Onderwijsraad – met actieve inbreng van Nederland – een vijftal Europese benchmarks vastgesteld (streefwaarden voor Europese gemiddelde prestatie in 2010, met ruimte voor nationale invulling en binnen de nationale budgettaire kaders). In december 2003 zijn deze Europese benchmarks opgenomen in een nationaal actieplan, dat aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Tabel 1: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de EU
BewindspersoonOmschrijvingBriefdatum
Minister Van der HoevenVerslag van het onderwijsgedeelte van de EU-Onderwijs-/Cultuur-/Jeugdraad van 6 februari 2003 te Brussel13-2-2003
Minister Van der HoevenVerslag van de Informele EU-Onderwijsraad, 1–2 maart te Athene14-2-2003
Minister Van der HoevenAdvies Onderwijsraad EU-benchmarks12-5-2003
Minister Van der HoevenVerslag van het onderwijsgedeelte van de EU-Onderwijs-/Cultuur-/Jeugdraad van 5 mei 2003 te Brussel15-5-2003
Minister Van der HoevenBeleidsreactie advies Onderwijsraad «Europese richtpunten»1-7-2003
Staatssecretaris NijsToezeggingen Europa overleg 23 april 20038-9-2003
Minister Van der HoevenVerslag van de Onderwijs- en Cultuurgedeelten van de EU-Onderwijs-/Cultuur-/Jeugdraad van 24–25 november 2003 te Brussel17-12-2003
Minister Van der HoevenActieplan EU-benchmarks Onderwijs19-12-2003

N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.

3. Operationele doelstellingen

3.1 Bevordering van mobiliteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid van de overheid is vooral gericht op het versterken van de positie van het Nederlandse onderwijs, zowel binnen Europa als op de groeiende wereldmarkt. Het met nationale en Europese – beurzenprogramma's bevorderen van inkomende en uitgaande (studenten)mobiliteit vormt een daartoe essentieel instrument, waarvan de resultaten goed kwantificeerbaar zijn.

Inkomende mobiliteit

Met name in het hoger onderwijs is met het oog op de concurrentiepositie op de internationale onderwijsmarkt ook de inkomende mobiliteit van belang. In 2003 is zowel de programmamobilteit als de geschatte totale mobiliteit fors toegenomen onder invloed van het beurzenprogramma Dutch education: learning at top level abroad (Delta) en de activiteit van de Netherlands' education support officies (Neso's) in positioneringslanden als China en Indonesië.

Tabel 2: Overzicht inkomende mobiliteit 1999–2002
 1999/20002000/20012001/2002
Inkomende programmamobiliteit HO 8 2579 107
Inkomende totale mobiliteit HO (geschat)ca. 21 500 ca. 29 500

Bron: Bison-monitor 2002 (Nuffic, Cinop, Ep).

Het positioneringsbeleid begint daarmee zijn vruchten af te werpen. Toch neemt Nederland conform onderzoek van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso) onder de Oeso-landen nog steeds een bescheiden (11e) positie in.

In de cultuursector blijkt dat er in het buitenland veel vraag is naar werkplaatsen en gastateliers in Nederland. Uit een inventarisatie door Transartist blijkt dat Nederland tot de top vijf van Europa behoort wat betreft de mogelijkheden voor Artists-in-Residence. Nederland neemt de tweede plaats in qua deelnemers uit het Europese Artists-in-Residence-programma Pepinieres.

Uitgaande mobiliteit

De uitgaande mobiliteit van studenten, scholieren en docenten in het onderwijs neemt de laatste jaren gestaag toe, dankzij de diverse nationale en Europese programma's, die worden uitgevoerd door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic), het Centrum voor innovatie van opleidingen (Cinop, beroepsonderwijs) en het Europees platform (Ep, funderend onderwijs).

Tabel 3: Overzicht uitgaande mobiliteit 1999–2002
 1999/20002001/2002
Totale uitgaande mobiliteit29 64533 072
Funderend onderwijs18 72120 329
Middelbaar beroepsonderwijs5 3796 841
Hoger onderwijs5 5455 902

Bron: BISON-monitor 2002 (Nuffic, Cinop, Ep).

De belangstelling voor nationale beurzenprogramma's, zoals het Fulbrightprogramma en het Talentenprogramma, is over het algemeen groot. Niet meer dan een kwart van de aanmeldingen kan worden gehonoreerd. In het totaal van de uitgaande mobiliteit nemen deze programma's overigens een beperkte plaats in. De doelstelling is dan ook meer gericht op kwaliteit dan op kwantiteit.

Europese programma's zoals Erasmus, Leonardo en Tempus dragen wel in belangrijke mate bij aan de kwantiteit. In deze programma's participeren nagenoeg alle bekostigde en aangewezen Nederlandse hoger onderwijsinstellingen.

Voor de cultuursector ontbreken exacte gegevens, maar op basis van onder meer analyse van websitebezoek kan wel worden geconstateerd dat de belangstelling onder Nederlandse kunstenaars nog altijd groeit.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Inkomende mobiliteit

Evaluatie positioneringsinstrumenten hoger onderwijs

Het positioneringsbeleid kent twee instrumenten: de Neso's en het Delta-beurzenprogramma. De Neso's hebben tot taak om in de doelgebieden (Indonesië, China, Hong-Kong, Taiwan) Nederland als Kennisland te promoten. Zij ondersteunen tevens de institutionele samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse hoger onderwijsinstellingen en helpen ze Nederlandse instellingen bij het werven van buitenlandse studenten. Het doel van het Delta-beurzenprogramma is door beurzen de instroom van buitenlandse studenten te vergroten. Deze instrumenten zijn in 2003 geëvalueerd door het Centrum voor studies hoger onderwijsbeleid (Cheps). De conclusie van deze evaluatie is dat in de doelgebieden de generieke promotie van Nederland als kennisland goed in gang is gezet en dat het aantal buitenlandse studenten uit de doelgebieden sterk is gestegen. De evaluatie wijst erop dat de kosten en baten van de internationalisering en de positionering van het hoger onderwijs op korte termijn positief lijken uit te vallen. Eveneens kunnen ook op lange termijn voordelen worden verwacht in termen van goede politieke, culturele en zakelijke relaties als gevolg van een netwerk van buitenlandse alumni die in Nederland hebben gestudeerd. Er zijn ook enkele aandachtspunten. De wervingskracht van het Delta-beurzenprogramma kan worden vergroot. Aanbevolen wordt meer focus op kwaliteit en op specifieke sectoren (bijvoorbeeld bèta/techniek), maar ook uitbreiding van doelgebieden. Het positioneringsbeleid dient beter aan te sluiten op de behoeftes van de kennissamenleving; nauwe samenwerking tussen betrokken ministeries is wenselijk. Deze en andere aanbevelingen uit het Cheps-rapport hebben gediend als input voor het Hoger onderwijsen onderzoekplan (Hoop) 2004.

Ondersteuning Neso's

Besloten is om het Neso Beijing in China de Engelse taalvaardigheid en authenticiteit van (onderwijs) documentatie van Chinese kandidaten te laten toetsen. Het doel is te verzekeren dat vanuit China alleen aan voldoende gekwalificeerde studenten een visum wordt verstrekt onder de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Dit steunpunt doet van het resultaat uitspraak in een per kandidaat op te stellen certificaat voor de Nederlandse onderwijsinstelling. Op basis van de door de instelling voorgelegde gegevens besluit de Immigratieen Naturalisatiedienst (IND) over de toelating van de student. In 2003 is begonnen met de invoering van deze procedure die op 1 februari 2004 volledig operationeel moet zijn.

Vooruitlopend op het besluitvormingsproces over herinrichting van het positioneringsbeleid, is besloten de subsidie voor het steunpunt in Hongkong voort te zetten gedurende de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004. Dit maakt het mogelijk om de besluitvorming over alle steunpunten tegelijkertijd te laten plaatsvinden.

Legesproblematiek

De hoogte van de leges voor binnenkomende studenten en kenniswerkers heeft voortdurend aandacht gehad. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft aangegeven dat het overleg hierover tot duidelijkheid moet leiden. De positie van studenten wordt ook bekeken in het kader van het kostprijsonderzoek dat zij begin volgend jaar gaat uitvoeren. Binnen het Innovatieplatform is een werkgroep bezig met obstakels voor internationale mobiliteit van kenniswerkers, waaronder de legesproblematiek.

EU-positioneringsbeleid

In november hebben de Raad en het Europees Parlement een gemeenschappelijk besluit genomen over het programma Erasmus Mundus. Dit is een programma op het gebied van het hoger onderwijs, waarbij consortia van Europese hoger onderwijsinstellingen worden gevormd die gezamenlijke Mastersopleidingen aanbieden, die in het bijzonder zijn gericht op niet-Europese studenten. Nederland ziet dit als een goede aanvulling op het eigen positioneringsbeleid.

Uitgaande mobiliteit

Meeneembare studiefinanciering en Visie-beurzenprogramma

De aangekondigde voornemens om de studiefinanciering meeneembaar te maken voor een opleiding in het buitenland zijn als gevolg van ontwikkelingen binnen de Europese Unie uitgesteld. Als gevolg van uitspraken van het Europees Hof van Justitie en een steeds verdergaande invulling van het begrip «Europees burgerschap» kan een toenemend aantal EU-onderdanen aanspraak maken op de Nederlandse voorzieningen voor studiefinanciering.

In 2003 hebben 199 studenten gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een volledige hoger onderwijsopleiding te volgen in één van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat op grond van de regels gegeven bij of krachtens de Wet op de studiefinanciering (WSF) 2000. Dit is een toename van 40 studenten ten opzichte van 2002. Per 1 september 2003 heeft het laatste cohort gebruik kunnen maken van het beurzenprogramma Volledige internationale studie europa (Visie). Besloten is om de huidige Visie-regeling te beëindigen per 1 september 2004. De studenten die nu studeren met een Visie-beurs kunnen de opleiding nog wel afronden met deze beurs.

Transparantie

In december 2003 heeft de Europese Commissie het Europass-voorstel gepubliceerd dat één enkel kader voor transparantie op het gebied van kwalificatie en competenties bevat. Dit is zowel voor het middelbaar beroepsonderwijs als voor het hoger onderwijs van belang. Het past in het proces van de Kopenhagenverklaring, dat gericht is op een grotere transparantie van beroepskwalificaties en vertrouwen in de kwaliteit van de wederzijdse beroepsonderwijsstelsels binnen Europa. Tevens past het in het Bolognaproces voor het hoger onderwijs, waar het diplomasupplement onderdeel van uitmaakt.

Nieuwe regeling nationale programma's primair en voortgezet onderwijs

Voor het bevorderen van mobiliteit in het primair en voortgezet onderwijs worden de nationale programma's voor de periode 2003–2007 voortgezet. In 2003 is de nieuwe regeling opgesteld op grond van de evaluatie in 2002, waarin enkele nieuwe beleidsprioriteiten zijn opgenomen. Zo is er bijzondere aandacht voor mobiliteit met de buurlanden (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk). Voor het primair onderwijs is een speciaal op deze landen gericht nieuw programma geïntroduceerd met de focus op gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ict) bij internationalisering. Hiermee wordt naast de fysieke ook virtuele mobiliteit gestimuleerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 4: Mobiliteit (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003HGIS-deel
Onderwijs artikel 8:   
Internationaal onderwijsbeleid9 9519 8641 781
Onderwijs overige artikelen:   
Primair onderwijs (artikel 1) 80 
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4)4339 
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)136136136
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)1 4671 033 
Studiefinanciering (artikel 11)1 0001 539 
Totaal12 59712 6911 917

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Tabel 5: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de bevordering van mobiliteit
BewindspersoonOmschrijvingBriefdatum
Minister Van der HoevenBISON monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs 20029-7-2003

N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.

3.2 Bevordering van samenwerkingsverbanden

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Bilaterale samenwerking op overheidsniveau met partnerlanden draagt er aan bij dat een toenemend aantal Nederlandse instellingen participeert in internationale netwerken en hun internationale relaties uitbreidt en onderhoudt. Onderscheiden groepen landen vragen om een verschillende inzet vanuit de Nederlandse overheid.

In 2003 is de samenwerking met diverse landen versterkt, in het bijzonder de samenwerking met Vlaanderen, Rusland, enkele landen die in 2004 tot de EU zullen toetreden zoals Hongarije, Suriname (toetreding Nederlandse Taalunie) en Turkije. Dit blijkt uit onderstaand verslag van de samenwerking in 2003 met enkele belangrijke partnerlanden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Samenwerking in Koninkrijksverband

De voor juni 2003 in Den Haag voorziene tripartiete conferentie van de onderwijsministers van het Koninkrijk is op verzoek van de Antillen uitgesteld vanwege de regeringswisseling aldaar. Er is voortgang geboekt in het overleg met de Koninkrijkspartners over het beëindigen van de Nederlandse studiefinanciering voor studie aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen en de Universiteit van Aruba en een – vanuit de vrijkomende middelen gefinancierde – voorziening voor studie van Antillianen en Arubanen in de eigen regio. Afgesproken is tevens dat de Nederlandse minister voor Koninkrijksrelaties dit overleg met de partners verder namens Nederland voert, in aansluiting op het reeds lopende onderwijssamenwerkingsprogramma.

Het beurzenprogramma Koninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen (Kans) voor samenwerking tussen Nederlandse middelbare scholen en Antilliaanse of Arubaanse scholen liep in 2003 af. Tripartiet overleg over een eventueel vervolg is voorzien voor 2004.

Grenslandenbeleid

Op 8 oktober 2003 is de «Verklaring van Münster» getekend. Deze verklaring heeft betrekking op het terrein van het hoger onderwijs, wetenschap en onderzoek. Bij de uitwerking hiervan zijn Vlaanderen, Luxemburg, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Nederland betrokken.

Vlaanderen

Het gehele Europese Nederlandse taalgebied (Gent)-6 akkoord dat is gesloten met Vlaanderen, bouwt voort op een langdurige en vruchtbare samenwerking in het kader van de Gent-akkoorden, met als recent hoogtepunt de tekening van het Verdrag voor de accreditatie van het Hoger Onderwijs in Vlaanderen en Nederland (september 2003). Het Gent-6 akkoord richt zich op beleidsuitwisseling; stimulering en monitoring van wederzijdse en internationale mobiliteit; gezamenlijk voorbereiding, waar mogelijk, van optreden in multilaterale organen op het terrein van EU en OESO; en oprichting van gezamenlijke instellingen en het delen van voorzieningen.

In 2003 heeft intensief overleg plaatsgevonden met Vlaanderen over de verschillende aspecten van culturele uitwisseling en in het bijzonder over de plannen tot oprichting van een Nederlands-Vlaams centrum voor Europa in Brussel. Er is een opdracht verstrekt aan een informateur die de kansen en mogelijkheden voor een dergelijk centrum in kaart brengt en een opzet maakt voor een beleidsplan dat voor financiering in de komende jaren in aanmerking kan komen.

Duitsland

Uit het beurzenprogramma Bilateraal Austausch programma Nederland-Duitsland (Band), uitgevoerd door Cinop, is in 2003 een deelnemersconferentie voor projectleiders georganiseerd, naast de financiering van 25 kwalitatief hoogstaande uitwisselingsprojecten volgens planning. In 2004 evalueren Nederland en Duitsland het Band-programma.

Suriname

De Nederlandse Taalunie heeft een associatieovereenkomst met de Republiek Suriname gesloten. Hierdoor zal Suriname aansluiten bij veel van de activiteiten van de Taalunie waaronder de spelling.

Indonesië en Vietnam

Het HBO-Platform OS/Indonesië, een initiatief van de HBO-raad, is in 2003 verder ondersteund. Een aantal hogescholen heeft consortia gevormd, die bezig zijn tot samenwerking te komen met diverse regio's in Indonesië en het realiseren van actieve institutionele structurele samenwerkingsrelaties met Indonesische hoger onderwijsinstellingen. Daarbij gaat het om samenwerking op het gebied van curriculumontwikkeling, het werven van studenten, uitwisseling van studenten en docenten, samenwerking in projecten en het zenden van studenten naar Indonesië voor stages of afstudeeropdrachten. Ook de activiteiten van de HBO-raad in Vietnam – met een soortgelijke doelstelling – zijn in 2003 éénmalig ondersteund.

Zuid-Afrika

Het programma Co-operation in education between The Netherlands and South Africa (Cenesa) wordt in 2004 extern geëvalueerd. In 2003 zijn in nauw overleg met het Zuid-Afrikaanse onderwijsministerie en het ministerie van Buitenlandse zaken/Ontwikkelingssamenwerking «terms of reference» opgesteld.

Turkije

In 2002 was Turkije, net zoals al eerder Marokko, op proef toegevoegd aan het programma promotie lerarenmobiliteit arbeidservaring en training in het onderwijs (plato). Door de positieve ervaringen is Turkije bij de nieuwe regeling nationale programma's in 2003 voor de periode t/m 2006 wederom opgenomen in het plato-programma. Uit de evaluaties bleek dat de deelnemers zeer te spreken zijn over de onderwijssamenwerking met Turkije. Het Turkse Nationale Socrates Agentschap bezocht in oktober 2003 het Europees Platform, ter voorbereiding op de Turkse deelname aan de EU-programma's.

Op cultuurgebied is in 2003 een onderzoek uitgevoerd naar de samenwerkings-mogelijkheden met Turkije en zijn activiteiten ondersteund die de culturele uitwisseling met onder meer Turkije bevorderen.

Rusland

Met de Russische Federatie is een nieuw memorandum of understanding (mou) voor onderwijssamenwerking afgesloten voor de periode 2003–2007, gebaseerd op de conclusies van de externe evaluatie die in 2002 was afgerond.

Hongarije

Ook met Hongarije is een nieuw mou voor onderwijssamenwerking afgesloten voor de periode 2003–2004. Naar aanleiding van de evaluatie uit 2002 focust deze samenwerking sterker op een aantal specifieke thema's.

Toetredingslanden EU / Midden- en Oost-Europa

Nu de toetreding van een twaalftal landen, waarvan 10 landen per mei 2004, tot de EU aanstaande is, is besloten de bestaande onderwijssamenwerking met 4 Midden en Oost-Europese landen te verbreden tot al deze landen voor de periode 2003–2004 gebaseerd op de resultaten van eerdere samenwerking. De nadruk ligt op expertise-uitwisseling op het terrein van: hoger onderwijs (beleidsvraagstukken in het licht van de Bologna-declaratie), beroepsonderwijs (vooral gericht op de relatie met de arbeidsmarkt als vervolg van de Kopenhagen-verklaring) en ict in het onderwijs.

Op cultuurgebied is Kennisuitwisseling de kern van een serie vanuit Nederland op niveau van de non-gouvernementele organisaties geïnitieerde projecten op het gebied van training van media professionals in kandidaat-lidstaten en andere Oost-Europese landen. Dit soort projecten wordt voornamelijk geïnitieerd vanuit het ministerie Buitenlandse Zaken in het kader van het programma Maatschappelijke Transformatie in Midden- en Oost-Europa (Matra) OCW doet hiervoor de advisering. OCW heeft zelf op het gebied van training van mediaprofessionals en vrije media in 2003 de volgende betrokkenheid gehad:

• Subsidie aan de instellingen ROOS, Press Now, European Journalism Centre en de Stichting Christelijke Mediaprojecten 3xM ten behoeve van projecten ter stimulering van de vrije media in Oost-Europa (Roemenië, voormalig Joegoslavië, Bulgarije, etcetera);

• een bijdrage voor de jaren 2001–2003 geleverd aan het medium-term Training Programma for media professionals van de Raad van Europa (verantwoord in oktober 2003).

Samenwerking op het gebied van ict

De uitgangspunten van het ict-internationaliseringsbeleid zijn uitgewerkt zoals voorgenomen. Zo zijn er bilaterale en multilaterale contacten geweest met vooruitstrevende landen als Canada en de Scandinavische landen. De contacten met het European SchoolNet (EUN) werden versterkt, ook op het gebied van inhoudelijke ontwikkeling. Eveneens werd de inbreng in de expertgroepen «e-Learning» en «ICT in Education» van de Europese Commissie geïntensiveerd.

Europese samenwerking Audiovisuele sector

Nederland maakte in 2003 deel uit van verschillende samenwerkingsverbanden in de audiovisuele (av) sector, zoals Eurimages, AV Eureka en het Europees Audiovisueel Observatorium. Nederland heeft als lid van Eurimages, het Europese coproductiefonds van de Raad van Europa, in 2003 succesvol geparticipeerd in verschillende projecten. In februari 2004 volgt een evaluatie van het coproductiefonds over het jaar 2003 opgesteld door het Nederlands Fonds voor de Film. Nederland is in 2003 ook lid geweest van AV Eureka, de intergouvernementele organisatie voor samenwerking en uitwisseling in de av-sector. Op 30 juni 2003 heeft het Coördinatoren Comité van Eureka AV besloten de organisatie op te heffen, omdat de meerwaarde van de organisatie ten opzichte van andere Europese instellingen steeds kleiner werd. Het Nederlands lidmaatschap van het Europees Audiovisueel Observatorium is in 2003 gecontinueerd (contributie gezamenlijk bekostigd door het ministerie van OCW en het ministerie van Economische Zaken). De organisatie functioneert naar tevredenheid van Nederland en de andere lidstaten. De middelen zijn in 2003 onder meer besteed aan een toegenomen aantal publicaties over de Europese av-sector, de lancering van twee databases voor en over de av-sector en het versterken van de positie van het Observatorium als kenniscentrum en netwerkorganisatie voor de Europese av-sector.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 6: Samenwerkingsverbanden (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003HGIS-deel
Onderwijs artikel 8:   
Internationaal onderwijsbeleid3 3873 378 
Onderwijs overige artikelen:   
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)31821566
Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) 82 
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)4 1355 626 
Cultuur:   
Media (artikel 15) 979 
Totaal7 84010 28066

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Tabel 7: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de bevordering van samenwerkingsverbanden
BewindspersoonOmschrijvingBriefdatum
Minister Van der HoevenGENT-6 akkoord20-11-2003
Minister Van der HoevenBeknopt verslag werkbezoeken minister najaar 2003 (aan Rusland, Hongarije en Duitsland)12-1-2004

N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.

3.3 Institutionele subsidies Nederland

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Institutionele subsidies in Nederland beogen onder meer de Nederlandse belangen in het buitenland te helpen behartigen. Er is een bijgedragen aan de algemene versterking van het beeldmerk Nederland in het buitenland en van het Nederlandse (hoger) onderwijs en de Nederlandse cultuur in het bijzonder. Daarnaast worden deze subsidies aangewend voor de bekostiging van Nederlandse instellingen en organisaties die een actieve rol spelen en taken uitvoeren in internationalisering, met als doel de ondersteuning, uitvoering, coördinatie en bevordering van internationale activiteiten op de terreinen onderwijs, cultuur en wetenschappen.

In 2003 zijn meer prestatiegerichte en efficiëntere uitvoeringsmodaliteiten tot stand gekomen. Met name op het terrein van de institutionele subsidies aan de Nuffic en het Europees Platform (EP) zijn goede resultaten geboekt. Met de Nuffic zijn nieuwe operationele afspraken met prestatie-indicatoren gemaakt over de basissubsidie en is een eerste stap gezet met het verlagen van de uitvoeringslasten van het programma High-level university year to gain excellence in the Netherlands (Huygens) en de Culturele Verdragen. Het EP heeft, op verzoek van OCW, voor het jaar 2003 voor het eerst een prestatiegerichte begroting ingediend.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Een belangrijk instrument vormen, naast de hierboven genoemde instellingen, de Internationaal Onderwijsinstellingen, die zich richten op de ontwikkeling van menselijk potentieel door onderwijs en training in Nederland, teneinde (op korte termijn) te voorzien in zowel kwantitatieve en kwalitatieve tekorten aan geschoold kader in ontwikkelingslanden, en duurzame capaciteitsversterking in ontwikkelingslanden (zie artikel 7).

Een tweede grote post is de Wereldomroep. De Wereldomroep wordt gefinancierd uit de rijksbijdrage media, die uit de belastinginkomsten wordt gevormd, en heeft als doel in het buitenland een beeld te geven van Nederland in geestelijk, levensbeschouwelijk, staatkundig, cultureel, wetenschappelijk, economisch, sociaal en humanitair opzicht. Daarmee beoogt het de verbreiding van goodwill ten aanzien van Nederland te bevorderen.

Onder de institutionele subsidies vallen eveneens de uitgaven ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Nederlandse Taalunie en de taken van de scholen voor Nederlands onderwijs in het buitenland. De uitgaven voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Nederlandse Taalunie worden vanaf 2003 toegekend in de vorm van een lumpsum door Vlaanderen en Nederland.

Via de Cultuurnota worden ook instellingensubsidies verstrekt aan Europese netwerken en organisaties. Er bestaan internationale subsidieregelingen bij de Nederlandse fondsen: Mondriaan Stichting, fonds voor podiumkunsten, fonds voor de amateurkunsten en het stimuleringsfonds architectuur. Op het terrein van media en letteren worden BVN-tv, Mediadesk (Voorlichtingsbureau Mediaprogramma EC) en verschillende instellingen op het terrein van Letteren (mede-)gefinancierd. De Stichting internationale culturele activiteiten (Sica) inventariseert en publiceert gegevens over de buitenlandse activiteiten die Nederlandse kunstenaars en organisaties ondernemen. In 2002 werden 84 landen bestreken en 2086 activiteiten geregistreerd. Deze stijging ten opzichte van 2001 is deels toe te schrijven aan een actiever relatiebeheer en verbetering van de gegevensinvoer. De export van Nederlandse culturele activiteiten concentreerde zich – voor ruim de helft – ook in 2002 op respectievelijk Duitsland, de Verenigde Staten, België (Vlaanderen), Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 8: Institutionele subsidies Nederland (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003HGIS-deel
Onderwijs artikel 8:   
Internationaal onderwijsbeleid4 5474 594443
Onderwijs overige artikelen:   
Primair onderwijs (artikel 1)13 32113 395 
Voortgezet onderwijs (artikel 3)1 5051 505 
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4)324349 
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)53 47457 83751 235
Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) 50 
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)454454454
Cultuur:   
Algemeen cultuurbeleid (artikel 14)1 8071 210631
Kunsten (artikel 14)5 2315 873 
Media (artikel 15)47 43546 889 
Cultureel erfgoed (artikel 14)135858 
Totaal128 233133 01452 763

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Wat betreft institutionele subsidies zijn in 2003 op het gebied van onderwijs geen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter aan de Tweede Kamer gestuurd. Informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.

3.4 Instellingen buitenland

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De Nederlandse bijdragen of contributies aan verschillende instellingen en organisaties in het buitenland vloeien voor een deel voort uit verdragen en wettelijke verplichtingen. Met deelname wordt beoogd relevante kennis voor Nederland te ontsluiten. Deze instellingen en organisaties zijn door hun grotere financiële slagkrachten hun brede deelnemersveld beter dan Nederland alleen toegerust resultaten te boeken op verschillende deelterreinen van onderwijs, cultuur en onderzoek. Het gaat om vooral om multilaterale organisaties als de OESO, UNESCO, de Raad van Europa, de Verenigde Naties en de World Trade Organisation (WTO). Deze organisaties bleken ook in 2003 weer belangrijke fora om Nederlandse doelstellingen te (helpen) realiseren en belangen te behartigen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

OESO

Nederland heeft ook in 2003 meegedaan aan het onderzoek «programme for international student assessment» (PISA). In tegenstelling tot 2002 heeft Nederland nu wel heeft de voor opname in het rapport benodigde «response rate» behaald. In december 2004 zullen de resultaten van dit onderzoek bekend worden.

Verder is Nederland opgenomen in de jaarlijkse uitgaven van Education at a Glance en Education Policy Analysis, waarvan samenvattingen met een beleidsreactie in het najaar aan de Tweede Kamer zijn toegestuurd.

WTO-gats

In het kader van WTO-general agreement on trade in services (gats) stonden de onderhandelingen over liberalisering van diensten in de audiovisuele sector hoog op de agenda. Vanuit de EU is geen nieuw aanbod gedaan op het terrein van onderwijsdiensten, zodat het publieke domein buiten de WTO-gats blijft. De EU heeft de Verenigde Staten wel verzocht om op het terrein van commerciële onderwijsdiensten de VS-markt net zo open te stellen als de Europese sinds de gats-overeenkomst in 1995 al is. Door het mislukken van de ministeriële bijeenkomst in Cancùn in september 2003, hebben zich echter geen verdere ontwikkelingen voorgedaan.

UNESCO

In 2003 is door de tweejaarlijkse Algemene Conferentie van UNESCO over de instelling van een paar belangrijke instrumenten overeenstemming bereikt. Mede dankzij de intensieve bemoeienis van Nederland in het voorbereidende traject is een Conventie voor het behoud van Immaterieel Erfgoed aangenomen, als pendant van de Werelderfgoed Conventie die betrekking heeft op materieel en landschappelijk erfgoed. Tegelijkertijd is, mede dankzij Nederlandse inspanningen, een aanbeveling aangenomen ter bevordering van het gebruik van multilingualisme en van de universele toegang tot cyberspace. Er is bovendien een Charter geadopteerd met betrekking tot het behoud van digitaal erfgoed. Nederland was initiatiefnemer. Op het terrein van Culturele Diversiteit is tijdens de UNESCO-conferentie het besluit genomen over het tot stand brengen van een conventie. Omdat er vooralsnog geen duidelijkheid was over het doel en de reikwijdte van een toekomstige conventie heeft Nederland afwachtend op het voornemen gereageerd.

Raad van Europa

De Nederlandse inspanningen zijn in 2003 vooral gericht geweest op participatie bij de voorbereidingen van een Declaration on Intercultural Dialogue and Conflict. Er is een verklaring tot stand gebracht die door de Raad van Europa ministers in oktober is aangenomen. In de verklaring is recht gedaan aan de voor Nederland belangrijke thema's als: een dynamische opvatting van het cultuurbegrip en een nadruk op het concept culturele democratie (rechten maar ook plichten voor individuele leden van de culturele groepen die samen de samenleving vormen).

Op het gebied van media heeft Nederland in 2003 bijgedragen aan het tot stand komen van een Verklaring over Vrijheid van Communicatie op het Internet, een Aanbeveling en Verklaring over berichtgeving in de media in de context van strafzaken en een Aanbeveling om de democratische en sociale bijdrage van digitale televisie te bevorderen. Daarnaast heeft Nederland meegewerkt aan een politieke boodschap van de Raad van Europa aan de world summit on the information society en aan de voorbereidingen van de 7e ministeriële conferentie voor de massa media, die zal plaatsvinden in november 2004.

Onderzoeksnetwerken

Binnen het onderzoeksbeleid van OCW is deelname aan Europese wetenschappelijke samenwerkingsorganisaties één van de prioriteiten. Via Europese intergouvernementele organisaties als het Europese ruimte agentschap (ESA), de Europese organisatie voor astronomisch onderzoek (ESO), het Europees moleculair biologisch laboratorium (EMBL), Europese moleculaire biologische conferentie (EMBC) en de Europese organisatie voor kern- en hoger energiefysica (CERN) blijven enkele terreinen van onderzoek, zoals kernfysica, ruimteonderzoek, astronomie en moleculair onderzoek toegankelijk voor Nederlandse onderzoekers. Deze in toenemende mate mondiaal opererende organisaties stellen onderzoekers in staat gebruik te maken van de meest geavanceerde faciliteiten in de wereld. Scherpe internationale selectie van programma's leidt tot excellent onderzoek, dat een uitstraling heeft in het Nederlandse onderzoeksbestel.

Het ministerie behartigt met deze deelnames de Nederlandse wetenschappelijke belangen. De bijdragen aan deze organisaties zijn wettelijk verplicht en bekostigen het Nederlands lidmaatschap. In artikel 16: Onderzoek en Wetenschappen is hierover meer informatie opgenomen.

Overig

Nederland levert ook bijdragen aan instellingen als het Centrum voor Moderne Vreemde Talen van de Raad van Europa in Graz en aan verschillende Nederlandse instituten in het buitenland, waaronder het Erasmushuis Jakarta, het Nederlands-Vlaams Instituut in Caïro en het Europa College in Brugge. Tevens zijn de middelen opgenomen, die zijn gedelegeerd aan de cultureel attaché's op de Nederlandse ambassades.

Met betrekking tot het Graz Talencentrum valt nog meer specifiek te vermelden dat Nederland in 2003 bij de Europese Commissie een voorstel heeft ingediend voor een haalbaarheidsstudie naar een Europese itembank voor het testen van taalvaardigheid. Dit voorstel is door de Europese Commissie overgenomen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 9: Instellingen buitenland (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003HGIS-deel
Onderwijs artikel 8:   
Internationaal onderwijsbeleid500581 
Onderwijs overige artikelen:   
Primair onderwijs (artikel 1)10141 
Voortgezet onderwijs (artikel 3)4545 
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)1 4871 253 
Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) 25 
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)67 68468 926 
Cultuur:   
Algemeen cultuurbeleid (artikel 14)908383
Cultureel erfgoed (artikel 14)28561 
Totaal69 84471 61583

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Tabel 10: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de instellingen buitenland
BewindspersoonOmschrijvingBriefdatum
Staatssecretaris NijsPositie van het HO in de GATS-onderhandelingen10-2-2003
Minister Van der HoevenPublicatie OESO Education Policy Analysis 200320-11-2003
Minister Van der HoevenDelegatieverslag UNESCO 32e Algemene Conferentie18-12-2003

N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.

3.5 Overige activiteiten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De categorie overig bevat diverse activiteiten, die gezamenlijk ongeveer 1% van het totale internationale budget beslaan. Dit zijn veelal activiteiten die in de loop van de tijd explicieter worden ingevuld, zoals middelen geoormerkt voor beleidsonderzoek. Onderzoek is onder meer verricht voor de evaluatie van het positioneringsbeleid (zie paragraaf 3.1) en voor de EU-benchmarks, dat wil zeggen kwantitatieve streefwaarden (zie paragraaf 2) te monitoren. De Tweede Kamer is hierover apart geïnformeerd. Daarnaast vallen de werkzaamheden ter voorbereiding van het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004 binnen deze categorie.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Vermeldenswaardig is het Good practice onderzoek dat in 2003 heeft plaatsgevonden in het kader van de algemene beleidsdoelstelling «het leren van elkaar». Om een beter beeld te krijgen van de mogelijkheden en valkuilen van het gebruik van good practices is door de Universiteit Twente een onderzoek uitgevoerd naar de methodologie achter good practices. Mede op basis van dit onderzoek kan in 2004 gewerkt worden aan het opzetten van internationaal kennismanagement met een meer systematische ontsluiting en toepassing van good practices en andere internationaal aanwezige kennis.

In juni 2003 verscheen de vijfde editie van de monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs van het Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs (BISON), bestaande uit NUFFIC, CINOP en het EP. De BISON-monitor beoogt inzicht te geven in de kwantitatieve ontwikkelingen betreffende internationale mobiliteit en moet daarmee bijdragen aan een verdere verbetering van de beleidsontwikkeling. Daartoe biedt de monitor een overzicht van de internationale mobiliteit in het Nederlandse onderwijs in het kader van de daarvoor in het leven geroepen nationale en Europese subsidieprogramma's.

In 2003 zijn ook de eerste stappen gezet om niet alleen de kwantitatieve maar ook de kwalitatieve effecten van mobiliteit te gaan meten en daarmee de veronderstelde positieve effecten van mobiliteit. In de vierde en vijfde editie van de BISON-monitor (2001 + 2002) zijn conclusies opgenomen over de aard van indicatoren zoals die bruikbaar kunnen zijn bij het meten van (kwalitatieve effecten van) mobiliteit. In deze conclusies wordt de (eerder aangekondigde) sterkere accentuering van output-metingen genoemd als middel om de effecten van internationalisering transparant te maken. Mede op basis van deze conclusies heeft OCW het Centraal Planbureau (CPB) gevraagd om, met ondersteuning van de BISON-partners, in 2004 een onderzoek uit te voeren naar de haalbaarheid van het meten van de kwalitatieve effecten van mobiliteit.

In 2003 is een begin gemaakt met de voorbereiding van het Nederlands EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004. OCW heeft actief meegewerkt aan de Nederlandse bijdragen aan zowel het Meerjarenprogramma EU-voorzitterschappen 2004–2006 en Iers-Nederlands werkprogramma 2004. Ook zijn specifieke OCW-prioriteiten voor het voorzitterschap geïdentificeerd, die vervolgens zijn neergelegd in de brief van 12 december 2003 aan de Tweede Kamer. De prioriteiten zijn: open coördinatie en transparantie; kennis en kwaliteit; mobiliteit en uitwisseling; en burgerschap en cohesie – met als algemene inzet bij te dragen aan een Europa waarin lidstaten en burgers leren van elkaar.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 11: Internationaal beleid overige uitgaven (bedrag x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003HGIS-deel
Onderwijs artikel 8:   
Internationaal onderwijsbeleid464900 
Onderwijs overige artikelen:   
Primair onderwijs (artikel 1)207  
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4)306288 
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)658138131
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)38785590
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)20  
Cultuur:   
Algemeen cultuurbeleid (artikel 14)282396396
Cultureel erfgoed (artikel 14)302212 
Totaal2 2772 7191 117

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Tabel 12: Informatie aan de Tweede Kamer betreffende de overige activiteiten
BewindspersoonOmschrijvingBriefdatum
Minister Van der HoevenDe internationale OCW-agenda en het EU-voorzitterschap 200416-12-2003

N.B. Dit overzicht is niet uitputtend. Het bevat alleen brieven met een beleidsinhoudelijk karakter. Daarnaast is de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen op het gebied van Cultuur en Onderzoek & Wetenschap opgenomen in respectievelijk de beleidsartikelen 14 en 16.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13: Budgettaire gevolgen van beleid Overzichtsconstructie (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschilHGIS realisatie
 19992000200120022003200320032003
Mobiliteit   13 26112 69112 597941 917
Samenwerkingsverbanden   9 71310 2807 8402 44066
Institutionele subsidies Nederland   128 740133 014128 2334 78152 763
Instellingen buitenland   69 97671 61569 8441 77183
Overig   1 5202 7192 2774421 117
Totaal Programma-uitgaven   223 210230 319220 7919 52855 946

Een nadere toelichting is opgenomen in de betreffende beleidsartikelen, 1, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 14, 15 en 16.

9. ARBEIDSMARKT EN PERSONEELSBELEID

9.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene doelstelling van de minister is het met de daarvoor bestemde middelen bevorderen van een open en transparante onderwijsarbeidsmarkt in samenwerking met werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede van een structuur voor overleg over de arbeidsvoorwaardenontwikkeling. Eveneens is de doelstelling van de minister het terugdringen van de financiële gevolgen van bovenmatige ziektekosten voor het (gewezen) onderwijspersoneel.

Overigens wordt verwezen naar de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid voor gedetailleerde gegevens over ontwikkelingen in en initiatieven op de onderwijsarbeidsmarkt.

9.2 Operationele doelstellingen

9.2.1 Arbeidsmarkt

Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt (SBO)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het SBO is als samenwerkingsverband van sociale partners in het onderwijs aanspreekpunt voor de minister van OCW op het gebied van arbeidsmarktbeleid. Binnen de door de minister bepaalde strategische beleidskaders neemt het SBO verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en de uitvoering van het arbeidsmarktbeleid in de sector onderwijs. Het SBO is het kennis- en expertisecentrum van en voor de sociale partners en vormt het platform voor ontmoeting en de uitwisseling van ideeën, visies en ervaringen op en rond de onderwijsarbeidsmarkt. Het SBO draagt hierbij zorg voor afstemming tussen decentrale cao-tafels en met subsectorale organen. Het SBO adviseert de minister gevraagd en ongevraagd over het te voeren arbeidsmarktbeleid en ontwikkelt arbeidsmarktinstrumenten. De aanpak van het lerarentekort is een belangrijk thema. Voorts zal het SBO actief en gestructureerd werken aan zowel verspreiding van de ontwikkelde kennis en expertise over beleidsinitiatieven en beleidsontwikkelingen op de arbeidsmarkt alsook aan de implementatie hiervan.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Op 20 december 2002 is een convenant gesloten tussen OCW en het SBO met als doel de aanpak van het lerarentekort. In het convenant zijn afspraken gemaakt over landelijk te realiseren doelstellingen voor 2003 over onder meer zij-instromers, onderwijsassistenten en het realiseren van regionale netwerken van scholen en lerarenopleidingen, waarin de regionale partijen van vraag- en aanbodzijde op de onderwijsarbeidsmarkt gezamenlijk afspraken kunnen maken over knelpunten en wensen in de regio. Bovendien gaat het SBO scholen, lerarenopleidingen en andere partijen in de regio stimuleren tot en ondersteunen bij het afsluiten van regionale convenanten. Inmiddels zijn meer dan 20 regionale convenanten afgesloten.

Tevens is afgesproken dat de verdeling van de budgetten voor arbeidsmarktbeleid over de sectorfondsen gefaseerd wordt overgeheveld naar het SBO. Over de uitvoering van de afspraken in het convenant vindt regulier voortgangsoverleg plaats.

In 2003 is in mijn opdracht de werking van het voorgaande convenant met het SBO geëvalueerd. Het evaluatierapport is in 2003 beschikbaar gekomen en bevat een uitgebreide beschrijving van de activiteiten en resultaten van het SBO en de sectorfondsen (Participatiefonds, Sofokles, Mobiliteitsfonds en BVE raad) over de afgelopen subsidieperiode van 2001 en 2002. Uit de evaluatie blijkt dat het eerste convenant niet op alle punten heeft voldaan. Middels het tweede convenant OCW-SBO (2002) en de aanvullende afspraken voortvloeiend uit de beleidsreactie naar aanleiding van de evaluatie zullen verbeterpunten worden geëffectueerd.

De evaluaties en een nieuwe analyse van de knelpunten op de arbeidsmarkt van het SBO vormen de basis voor subsidietoekenning en -verdeling voor de volgende periode van twee jaar aan de sociale partners en voor nadere invulling en uitwerking van het nieuwe convenant.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor 2003 is € 9,8 miljoen beschikbaar gesteld en gerealiseerd.

9.2.2 Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

9.2.2.1 Regeling georganiseerd overleg en vakbondsfaciliteiten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is werknemersorganisaties in staat stellen tot het voeren van arbeidsvoorwaardenoverleg. Centrales voor het onderwijs- en het onderzoekspersoneel, evenals de aangesloten vakorganisaties, worden in staat gesteld om mede met behulp van onderwijspersoneel werkzaamheden te verrichten voor het georganiseerd overleg en voor vakbondswerkzaamheden ten behoeve van het personeel van onderwijs- en onderzoekinstellingen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Faciliteren van het overleg door middel van (uitvoering van) de regeling georganiseerd overleg en vakbondsfaciliteiten.

De vakbondsfaciliteiten moeten gezien worden als de tegenhanger van het zogenaamde vakbondstientje dat ongeveer 40 jaar geleden in de (financiële) verhoudingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties is overeengekomen, evenals regelingen voor vrijstelling van werk voor vakbondsactiviteiten in bedrijven en instellingen in de marktsector. In het onderwijs impliceert vrijstelling dat er vervanging moet worden geregeld. In de regeling «Georganiseerd overleg en vakbondsfaciliteiten 1998» worden de voorwaarden aangegeven waaronder de faciliteiten kunnen worden verleend. Het geld wordt verstrekt aan de centrales c.q. vakbonden en deze betalen aan de scholen de vervangingskosten als een personeelslid van de school met buitengewoon verlof gaat om vakbondswerkzaamheden te verrichten. Ook kunnen de vakbonden de faciliteiten aanwenden voor het in dienst nemen van personeel ten behoeve van vakbondswerkzaamheden voor onderwijspersoneel.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven van € 11,8 miljoen zijn in 2003 volledig gerealiseerd.

9.2.2.2 Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is vernieuwende projecten te faciliteren die bijdragen aan de oplossing van de personele problemen in het onderwijs. Het gaat hier om projecten op het gebied van arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid en arbeidsmarkt zoals beschreven in de nota's Maatwerk en het Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeelsbeleid d.d. 2 december 2002.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De voortgang van de projecten is in 2003 in het algemeen overleg met de Tweede Kamer besproken op 29 oktober 2003.

Zie ook de overzichtsconstructie «arbeidsmarkt en personeelsbeleid» hierna.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De realisatie is hoger dan geraamd. De stijging van de uitgavenraming van € 13,4 miljoen is veroorzaakt door het beschikbaar komen van extra middelen voor het lerarenbeleid.

9.2.3 Ziektekostenvoorziening voor onderwijs en onderzoekspersoneel (zvoo)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is te voorkomen dat (voormalige) onderwijs- en onderzoekspersoneelsleden voor ziektekostenverzekeringen duurder uit zijn dan vergelijkbaar personeel in de marktsector dat in het ziekenfonds zit.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De doelstelling is bereikt door in 2003 aan 35 138 personen een zvoo-vergoeding te verstrekken.

De zvoo stelt actieven (werknemers) en post-actieven (voormalige werknemers) uit de sector onderwijs in de gelegenheid hun ziektekosten ongeveer gelijk te laten zijn aan die van een vergelijkbare werknemer in de marktsector die ziekenfondsverzekerd is. Omdat de zvoo het meerdere volledig vergoed, wordt de doelstelling per definitie gehaald. In 2003 hebben in totaal 35 138 personen een zvoo-vergoeding gekregen. Zie onderstaande tabel.

Tabel 9.1: Aantal zvoo-uitkeringen 2000–2002
 2000200120022003
Actieven3 6563 0052 8452 712
Post-actieven28 89932 59232 31432 426
Totaal32 55535 59735 15935 138

Bron: KPMG-Flexsourcing.

Voor post-actieven bedroeg in 2003 de gemiddelde uitkering € 1 005 en voor actieven € 379 (zie tabel). De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene, de gezinssamenstelling en de ontwikkeling van de ziekenfondspremie ten opzichte van die van de particuliere verzekeringen.

Tabel 9.2: Gemiddelde hoogte zvoo-uitkering (x € 1)
 2000200120022003
Actieven233256344379
Post-actieven8138629831 005

Bron: KPMG-Flexsourcing.

De genoemde bedragen zijn netto-uitkeringen aan betrokkenen. Door de fiscus wordt over de aanspraken (bij wijze van vervangende loon-/inkomstenbelasting) belasting geheven bij de uitkeringsinstellingen (met name UWV en ABP). Deze aansprakenbelasting wordt eveneens uit dit budget vergoed.

Actief personeel maakt veel minder gebruik van de regeling en krijgt een gemiddeld lagere uitkering vanwege het hogere inkomen en met name door de ziektekostenregeling zkoo, op grond waarvan actieven wél een compensatie krijgen en post-actieven niet (met uitzondering van fpu-ers). Actieven hebben hierdoor gemiddeld lagere (netto) ziektekosten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De realisatie is lager dan geraamd. De onderschrijding van € 3 miljoen is veroorzaakt door een geringere relatieve stijging van de particuliere ziektekosten dan waar in de raming mee rekening was gehouden.

9.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   74 85595 93378 17817 755
– waarvan garanties       
Uitgaven   84 93588 47978 17810 301
Arbeidsmarkt   9 5759 8139 8130
Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen   31 30238 70225 33913 363
Zvoo   44 05839 96443 026– 3 062
Ontvangsten   684 22104 221

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE ARBEIDSMARKT EN PERSONEELSBELEID

1.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene doelstelling is het zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit op korte, middellange en lange termijn. Dit betekent dat het beleid zich richt op zowel het doelmatig oplossen van de huidige tekortenproblematiek in het funderend onderwijs als op de structurele personeelsvoorziening in het gehele onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.

De doelstelling kan alleen worden gehaald als alle niveaus binnen het onderwijssysteem (de minister, brancheorganisaties, besturen en management van instellingen) een bijdrage daaraan leveren. Tot de verantwoordelijkheid van de minister behoort het scheppen en bevorderen van de juiste randvoorwaarden en het stimuleren van de scholen tot het zoeken naar andere, creatieve oplossingen.

De verdeling van de verantwoordelijkheid over de niveaus verschilt per onderwijssector. Voor de hoger onderwijssectoren1, de sector onderzoek en wetenschap en de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) geldt de sturingsfilosofie dat de instellingen autonoom en zelfstandig zijn, en daarmee ook in de eerste plaats verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden die binnen deze sectoren van kracht zijn en voor een adequaat personeelsbeleid. De verantwoordelijkheid van de minister is gericht op de instandhouding van het stelsel. Voor de opleidingen van onderwijspersoneel heeft de minister een specifieke verantwoordelijkheid. Voor de sectoren primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) heeft de minister de verantwoordelijkheid voor het afsluiten van de centrale cao. Verder is het scheppen van de juiste randvoorwaarden een verantwoordelijkheid van de minister: stimuleren, faciliteren en het bieden van ondersteuning als het gaat om het versterken van het integrale personeels- en opleidingsbeleid van scholen en het verbeteren van de toegang en doorstroom binnen de onderwijsberoepen.

Werkgelegenheid in het onderwijs

In 2002 zijn er 417 000 personen werkzaam in het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Dit komt overeen met 329 000 voltijdse banen. De werkgelegenheid is sinds 1997 met 21% gegroeid. In het primair en voortgezet onderwijs bedraagt de groei in de periode van 1997 tot 2002 rond de 27%, in de bve-sector en in het hoger beroepsonderwijs rond de 16% en in het wetenschappelijk onderwijs 9%. Bij de onderzoekinstituten neemt de werkgelegenheid af.

Figuur 1: Ontwikkeling van de werkgelegenheid in het onderwijs, 1997–2002 (personen en fte)

kst-29540-16-23.gif

Bron: Ministerie van BZK, Kerngegevens Overheidspersoneel.

De werkgelegenheid in de sectoren po, vo en bve is in 2003 ten opzichte van 2002 met 5 400 fte toegenomen. Dat is een groei van 2,2%. Deze toename is het gevolg van een instroom van 16 700 fte en een uitstroom van 12 700 fte (zie tabel 1 en 2) en door uitbreiding van de deeltijdfactor.

Tabel 1: In- en uitstroom onderwijspersoneel naar sector 2002–2003 (x 1 000 fte)
SectorWerkgelegenheidUitstroomInstroomWerkgelegenheid
 20022002–20032002–20032003
Primair onderwijs108,24,75,5109,8
Voortgezet onderwijs64,83,43,765,6
Bve-sector24,31,31,224,2
Totaal197,39,410,4199,6

Bron: OCW, basisregistratie personeel (BRP). De cijfers hebben betrekking op directeuren en leerkrachten.

Tabel 2: In- en uitstroom onderwijsondersteunend naar sector 2002–2003 (x 1 000 fte)
SectorWerkgelegenheidUitstroomInstroomWerkgelegenheid
 20022002–20032002–20032003
Primair onderwijs18,11,32,819,5
Voortgezet onderwijs15,41,01,616,3
Bve-sector12,61,01,913,4
Totaal46,13,36,349,2

Bron: OCW, basisregistratie personeel (BRP). De aantallen zijn inclusief in- en doorstroombanen.

Vacatures

Het aantal openstaande vacatures daalde van ruim 2 800 voltijdbanen in het derde kwartaal van 2002 naar ruim 1 250 voltijdbanen in het derde kwartaal 2003 (zie tabel 3). Voor het primair onderwijs was deze daling verwacht omdat in 2002 de laatste tranche van de klassenverkleining is afgerond. De daling in het voortgezet onderwijs en de bve-sector is onder andere het gevolg van de economische teruggang en een verminderde baan-baan mobiliteit. Inmiddels laten de cijfers van het vierde kwartaal voor de sector voortgezet onderwijs weer een stijging zien van het aantal openstaande vacatures. Hoewel in 2003 het aantal openstaande vacatures gedaald is blijft de situatie zorgelijk. De komende jaren zijn veel nieuwe leraren nodig, vooral als gevolg van de vergrijzing van het onderwijspersoneel (zie figuur 2, grafieken met leeftijdsverdeling po en vo).

Tabel 3: openstaande vacatures (in voltijdbanen)
 2001/32002/32003/3
Primair onderwijs   
Directiepersoneel310345227
Leraren1 1211 153405
Onderwijsondersteunend personeel20632380
Totaal1 6371 821712
Voortgezet onderwijs   
Directiepersoneel485841
Leraren430409259
Onderwijsondersteunend personeel16913350
Totaal647600350
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie   
Directiepersoneel152210
Leraren16628099
Onderwijsondersteunend personeel1899384
Totaal370395193
Totaal po, vo en bve2 6542 8161 255

Bron: Regioplan, Arbeidsmarktbarometer PO, VO en BVE.

Figuur 2: Leeftijdsverdeling leraren in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs

Basisonderwijs

kst-29540-16-24.gif

Voortgezet onderwijs

kst-29540-16-25.gif

Bron: CASO, peildatum 1 maart.

In de nota Werken in het onderwijs 2005, die in september verschijnt, wordt uitgebreid ingegaan op de vacatureproblematiek in het onderwijs.

1.2 Operationele doelstellingen

• Versterken arbeidsmarktpositie van onderwijs en onderzoeksinstellingen (paragraaf 1.2.1 Arbeidsmarkt).

• Versterken integraal personeels- en opleidingsbeleid van scholen (paragraaf 1.2.2 Scholen).

• Verbeteren toegang tot en doorstroom binnen onderwijsberoepen (paragraaf 1.2.3 Opleidingen en kwaliteit).

Per maatregel wordt specifiek ingegaan op de drie zogeheten h-vragen volgens de gehanteerde VBTB-vereisten. Bij enkele maatregelen met beknopte tekstomvang is vanwege de leesbaarheid hiervan afgeweken. Voor een betere toegankelijkheid is uitgegaan van de hoofdindeling uit de begroting 2004. De onderliggende structuur per onderwerp is gelijk gebleven.

1.2.1 Arbeidsmarkt

Het arbeidsmarktbeleid heeft verruiming van de onderwijsarbeidsmarkt en het verbeteren van de structuur en de werking van de arbeidsmarkt tot doel.

In deze paragraaf komen de verschillende maatregelen aan de orde die gericht zijn op de verruiming van het aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt. Om meer zicht te krijgen op het effect van de maatregelen is eind 2002 een onderzoek gestart onder de titel «Aandachtsgroepenmonitor». Deze monitor is in 2003 verder ontwikkeld. In de nota Werken in het onderwijs (WIO) die bij de onderwijsbegroting 2004 is uitgekomen, zijn de resultaten opgenomen. De aandachtsgroepen monitor is ook een internet toepassing waarin veel gegevens over personeel beschikbaar gesteld worden.

Deze website wordt jaarlijks geactualiseerd.

1.2.1.1 Afstemmen vraag en aanbod

Netwerk arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In december 2001 is besloten tot de instelling van het Netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid. Het doel van het netwerk is dat vragende en aanbiedende partijen op de onderwijsarbeidsmarkt – in samenspraak met elkaar – die vernieuwingen bespreken en begeleiden waardoor scholen gefaciliteerd en gestimuleerd worden om een zelfbewust en effectief personeelsbeleid te voeren.

Het netwerk heeft twee componenten: het Bestuurlijk netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid en het Netwerk van sleutelfiguren.

Het doel van het bestuurlijk netwerk is om op meer strategisch niveau de ontwikkelingen en beleidslijnen te bespreken. Hieraan nemen tenminste vragers (vswo, BVE raad, avs, vvo) en aanbieders (BVE raad, HBO-Raad en VSNU) deel. Het netwerk van sleutelfiguren heeft tot doel op het niveau van ontwikkelprojecten en stimuleringsprogramma's vernieuwende initiatieven te bundelen, om samenhang te brengen in de verschillende projecten die lopen en om tot gezamenlijk gedragen innovaties vanuit de scholen te komen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het bestuurlijk netwerk is in 2003 conform de raming viermaal bijeen geweest. Met name de uitwerking van de beleidsvoornemens uit het Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeelsbeleid (d.d. 2 december 2002) en het wetsvoorstel «Beroepen in het onderwijs» zijn aan de orde geweest. Ook zijn de arbeidsmarktrealisaties en -prognoses besproken die zijn opgenomen in de nota «Werken in het onderwijs 2004» (op Prinsjesdag 2003 aan de Tweede Kamer gezonden).

Het netwerk van sleutelfiguren is driemaal bijeen geweest. In deze bijeenkomsten is op interactieve wijze gesproken over de mogelijkheden van een kwalificatiestructuur voor de onderwijsberoepen, resulterend in de notitie «Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen» die op 17 oktober 2003 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Ook zijn de thema's van het Programma arbeidsmarkt- en personeelsbeleid die voor uitwerking in targets in aanmerking komen, aan de orde geweest.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Er zijn geen extra uitgaven gedaan.

SBO-convenant

Voor de resultaten van het Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt (SBO) wordt verwezen naar artikel 9, paragraaf 9.2.1. «Arbeidsmarkt».

1.2.1.2 Verbeteren concurrentiepositie

Arbeidsvoorwaardenbeleid

Het arbeidsvoorwaardenbeleid moet bijdragen aan versterking van de arbeidsmarktpositie van de onderwijssector en verbetering van het imago van het onderwijs als werkgever. Het arbeidsvoorwaardenbeleid moet scholen ruimte bieden voor eigen arbeidsmarkt- en personeelsbeleid, toegesneden op de (locale) situatie op de arbeidsmarkt. Verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming draagt hieraan bij. Daarnaast zijn marktconforme loonontwikkeling en carrièrepatronen van groot belang voor de arbeidsmarktpositie van de sector.

Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming po en vo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling van de decentralisatie is bevoegdheden en taken neer te leggen op dat niveau waarop de arbeidsvoorwaarden zo goed mogelijk kunnen worden afgestemd op de arbeidsmarktsituatie van de instellingen. Volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming is het eindperspectief.

In het primair onderwijs zijn verdere stappen mogelijk bij de decentralisatie van de secundaire arbeidsvoorwaarden. In de cao po en vo 2003 is afgesproken dat de decentrale cao-partners voor een aantal onderwerpen zullen bezien of zij in de decentrale cao-po (kaderstellende) afspraken willen maken over deze onderwerpen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Door OCW is een studiedag over decentralisatie in het po en vo georganiseerd. Op deze studiedag is met vertegenwoordigers van centrales en werkgeversorganisaties van gedachten gewisseld over de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden in het po en vo. De studiedag is besloten met de afspraak dat in tripartiet verband een plan van aanpak voor de decentralisatie in het po en vo zal worden uitgewerkt. Hiermee wordt in januari 2004 begonnen. Hierbij worden ook de uitkomsten van het interdepartementale beleidsonderzoek (ibo) naar de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden (medio 2003 afgerond) betrokken. In dit ibo worden voorstellen gedaan voor aanscherping en verheldering van het toetsingskader waaraan bij decentralisatie moet worden voldaan. Per type budgettering (output, proces, taak) wordt aangegeven welke«checks and balances» nodig zijn, wil de minister na decentralisatie haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het voorzieningenniveau waar kunnen blijven maken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Geen middelen begroot. Decentralisatie als zodanig verloopt budgettair neutraal.

Bevorderen marktconforme loonontwikkeling

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 2003 is in de verschillende sectoren een marktconforme loonontwikkeling gerealiseerd, binnen de kaders van het Najaarsakkoord voor 2003. Daarin is afgesproken de loonontwikkeling te begrenzen tot maximaal 2,5%:

Tabel 4: Contractloonontwikkeling op jaarbasis in de onderwijssectoren in 2003
SectorStijgingspercentage
Onderwijs (po,vo)2,36
BVE2,48
Hogescholen2,51
Universiteiten2,34
Onderzoeksinstellingen1,51

Bron: Ministerie van OCW, directie AP.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De afspraken voor een marktconforme loonontwikkeling zijn vastgelegd in de met de Centrales van overheids- en onderwijspersoneel overeengekomen collectieve arbeidsovereenkomsten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De generieke salarismaatregelen zijn gefinancierd vanuit de reguliere bijdrage van het kabinet voor de arbeidskostenontwikkeling.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• CAO, sector onderwijs (po,vo) 2003, brief van 4 april 2003

• Nota werken in het onderwijs 2004, brief van 16 september 2003

Imagocampagne werken in het onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In navolging op eerdere campagnes loopt sinds september 2001 de imagocampagne «Je groeit in het onderwijs». Deze campagne is in 2003 voortgezet. De campagne richt zich op het algemene publiek en de potentiële doelgroepen voor een baan in het onderwijs. Het primaire doel van de campagne is het imago van werken in het onderwijs te verbeteren. Daarnaast moet de campagne ook de voedingsbodem leggen voor de werving van personeel door scholen en fungeren als paraplucampagne voor alle andere communicatieactiviteiten over het werken in het onderwijs. Voorgaande jaren richtte de campagne zich met name op leraren. Dit jaar is de campagne uitgebreid naar onderwijs ondersteunend personeel en schoolleiders/managers. De effecten van de campagne zijn positief. Het beroep leraar wordt door het algemeen publiek als maatschappelijk relevant en positief beoordeeld. De website www.werkeninhetonderwijs.nl wordt goed bezocht en zowel scholen als potentieel onderwijspersoneel tonen grote belangstelling voor de informatiebrochures en bellen met het Landelijk Informatiepunt Onderwijs.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Er zijn nieuwe televisie- en radiocommercials ontwikkeld. Dit vanwege het feit dat de vorige televisiecommercial veel is ingezet. In de nieuwe commercials is «je groeit in het onderwijs» vertaald in de boodschap «kinderen leren je anders kijken». In de maanden maart, april, september en oktober van 2003 zijn die uitgezonden op televisie en radio.

Daarnaast is een nieuwe website online www.werkeninhetonderwijs.nl. Deze website richt zich niet alleen op potentiële leraren, maar ook op onderwijsondersteunend personeel en schoolleiders/managers.

Ook is er een nieuwe brochure verschenen over werken in het onderwijs. Deze brochure biedt net als de website informatie over de verschillende beroepen in het onderwijs.

In de grote steden is in december een abricampagne geweest.

Verder konden mensen met vragen over werken in het onderwijs terecht bij het Landelijk Informatiepunt Onderwijs dat is ondergebracht bij Postbus 51. Ook de mails die via werkeninhetonderwijs.nl of de algemene OCW-website (www.minocw.nl) over werken in het onderwijs binnen kwamen, zijn doorgestuurd naar Postbus 51.

Naast deze meer algemene middelen zijn er acties geweest gericht op specifieke doelgroepen. Aan huidige leraren is aandacht besteed op de dag van de leraar. In diverse dagbladen zijn advertenties verschenen waarin bekende Nederlanders hun favoriete leraar bedanken. Doel hiervan was om aan te tonen dat leraren inderdaad een mooi vak uitoefenen.

Om jongeren tijdens hun studiekeuze van de juiste informatie over werken in het onderwijs te voorzien, is er een webvertisingcampagne geweest om jongeren naar de site te trekken. Daarnaast is er een stand op de studiebeurs geweest en is er aandacht aan werken in het onderwijs besteed op studiekeuze cd-roms.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven (€ 2,7 miljoen) zijn gerealiseerd.

Kinderopvang

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is te voorkomen dat personeel in de sectoren po, vo en bve uitstroomt in verband met zorgtaken en te bevorderen dat nieuwe werknemers worden aangetrokken die arbeid willen combineren met de zorg voor kinderen. Deze doelstelling is in 2003 gerealiseerd. Iedere werknemer in de sectoren po, vo en bve die behoefte had aan kinderopvang kon direct een beroep doen op een bijdrage van de werkgever.

Tabel 5: Aantal voltijdse opvangplaatsen
 19961997199819992000200120022003
0–4 jarigen1 7371 8911 9092 0152 8163 6774 3084 713
4–13 jarigen    2639481 5922 066
Totaal1 7371 8911 9092 0153 0794 6255 8906 779

Bron: Kintent, peilmoment ultimo het jaar.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

OCW heeft aangegeven te willen voorkomen dat in 2003 wachtlijsten voor kinderopvang moesten worden ingesteld, gegeven de arbeidsproblematiek. Door de invoering van verplichte kostendeling voor alle ouders (per 1 juni 2003) en de inzet van extra begrotingsmiddelen is het niet nodig gebleken wachtlijsten in te stellen. Daarmee is voorkomen dat de kinderopvang een belemmerende factor was in het aantrekken of behouden van personeel.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op basis van prognoses van Kintent, de organisatie die de kinderopvangregeling voor ons uitvoert, is geraamd hoeveel extra middelen nodig zouden zijn in 2003. Deze ramingen zijn uitgekomen. Het structurele budget van € 17,7 miljoen is in 2003 incidenteel opgehoogd met € 15,5 miljoen. In de cao sector onderwijs (po en vo) is € 5 miljoen (€ 7,1 miljoen inclusief Wet vermindering afdrachten) toegevoegd; daarnaast is nog € 8,4 miljoen eenmalig toegevoegd in 2003.

In- en doorstroombanen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk van de banen die nu door ID-werknemers worden vervuld behouden blijven voor het onderwijs, ondanks de wijzigingen in het kabinetsbeleid rond gesubsidieerde arbeid. Hiertoe is in april 2003 een convenant gesloten met onderwijswerkgevers, werknemers en gemeenten. Na een aarzelend begin is het omzetten van ID-banen in regulier gefinancierde banen tegen het eind van het jaar goed op gang gekomen. De kwantitatieve doelstelling uit het convenant – 1930 ID-banen in het onderwijs omzetten in reguliere banen – was eind 2003 nog maar voor de helft gehaald, maar de verwachting is dat in 2004 een verdere stijging optreedt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Conform de afspraak in het convenant heeft OCW in 2003 een tijdelijke stimuleringsregeling in het leven geroepen, die erin voorziet dat alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs eenmalig een bedrag van € 1750 per ID-werknemer ontvangen. De scholen hebben deze subsidie eind 2003 ontvangen. Daarnaast heeft OCW ingezet op voorlichting en informatieverstrekking om de scholen te ondersteunen bij de ID-problematiek.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten van de eenmalige stimuleringsregeling ID-banen voor het onderwijs bedroegen € 16 miljoen. Dit is precies het bedrag dat daarvoor was gereserveerd.

Betaald ouderschapsverlof

Als maatregel om de aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten is met ingang van het schooljaar 2001–2002 in de sector onderwijs (po, vo en bve) de mogelijkheid voor betaald ouderschapsverlof geïntroduceerd. Deze regeling wordt gefaseerd ingevoerd en wordt gefinancierd vanuit de schoolbudgetten. Uiteindelijk moet het schoolbudget ruimte bieden voor betaald ouderschapsverlof voor kinderen tot acht jaar. In het schooljaar 2002–2003 besteedde 61% van de scholen in het po en 57% van de scholen in het vo een deel van het schoolbudget aan betaald ouderschapsverlof. In de bve-sector valt op dat in het kalenderjaar 2002 nog 70% van de instellingen een deel van het instellingsbudget besteedde aan betaald ouderschapsverlof. In 2003 geeft 44% van de instellingen aan een deel van het instellingsbudget hieraan te besteden.

Jonge wetenschappers

Om tijdig op de tekorten aan jonge wetenschappers te anticiperen en deze terug te dringen (onderzoeken van o.a. van Vucht-Tijssen «Talent voor de toekomst, toekomst voor talent», OCenW 2000 en het rapport van de commissie Van Rijn, «De arbeidsmarkt in de collectieve sector, investeren in mensen en kwaliteit», 2001) zijn binnen de universiteiten maatregelen ontwikkeld om wetenschappelijke functies voor jonge onderzoekers en docenten aantrekkelijker te maken en hen zo mogelijk een loopbaanperspectief in de wetenschap te bieden en de vergrijzing terug te dringen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft € 12 miljoen in 2001 en vanaf 2002 € 32 miljoen jaarlijks in de lumpsum beschikbaar gesteld voor de door de commissie Van Rijn genoemde maatregelen. Zie voor meer informatie paragraaf 7.3.2 van beleidsartikel 7.

1.2.1.3 Arbeidsparticipatie

Vergroten werktijdfactor

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De afgelopen jaren is, deels in het kader van cao-afspraken en deels op initiatief van individuele werkgevers en werknemers in het onderwijs, gestreefd naar het vergroten van de gemiddelde betrekkingsomvang van een baan. Het vergroten van de werktijdfactor kan een bijdrage leveren aan de terugdringing van het lerarentekort. De gemiddelde betrekkingsomvang van het onderwijzend personeel is de afgelopen 5 jaar met 15% toegenomen. Voor het ondersteunend en beheerpersoneel is die toename 10%.

Figuur 3: Ontwikkeling gemiddelde betrekkingsomvang deeltijdpersoneel in het onderwijs, 1997–2002

kst-29540-16-26.gif

Bron: Ministerie van BZK, Kerngegevens Overheidspersoneel.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Een van de mogelijkheden om de betrekkingsomvang te vergroten, is het sparen van adv-uren via de regeling spaarverlof. De regeling bestaat sinds 1998 en kent een minimum spaarperiode van 5 jaar. Bij aanvang van het sparen hebben veel mensen voor de minimum spaartermijn gekozen. Hierdoor is er een piek in de vrijval van spaarverlof in 2003. In de periode december 2002–januari 2003 is een onderzoek uitgevoerd naar de verwachte vervangingsvraag als gevolg van de vrijval van spaarverlof. In het onderzoek is ook nagegaan onder welke voorwaarden spaarders bereid zijn het verlof uit te stellen of de spaarperiode te verlengen.

De uitkomsten van het onderzoek waren aanleiding in de cao 2003 af te spreken te verkennen wat de mogelijkheden zijn om de regeling spaarverlof primair onderwijs te flexibiliseren. Dit heeft geresulteerd in een wijziging van de regeling; de mogelijkheden voor het verlengen van de spaarovereenkomst zijn verruimd, de opnamevormen zijn verruimd en de opnametermijn is verlengd.

Om onderwijspersoneel te informeren over de verruimde regeling spaarverlof is een nieuwe voorlichtingsbrochure «werken voor vrije tijd» gemaakt. Deze brochure is naar alle instellingen in het primair onderwijs verstuurd.

In de cao sector po en vo 2003 is afgesproken een werktijdfactor groter dan 1 pensioengevend te maken. Hiermee wordt het aantrekkelijker meer dan de normjaartaak te werken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De regeling spaarverlof is een kostenneutrale regeling.

Werkloosheid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid is gericht op reductie van uitkeringsuitgaven en reïntegratie van werkloos onderwijspersoneel. De dalende trend van het aantal werkloosheidsuitkeringen die in 1997 is ingezet heeft zich bij de meeste onderwijssectoren ook in 2003 voorgedaan. Ten behoeve van het Wachtgeld informatiesysteem (WIS) is in 2001 gestart met de bouw van een nieuwe interface om de informatie over de WW-uitkeringen elektronisch beschikbaar te krijgen voor beleids- en managementinformatie. De verwachting is dat deze informatie in de eerste helft van 2004 regulier beschikbaar komt. Over de ontwikkeling van het aantal uitkeringen in 2003 zijn nu schattingen gemaakt op basis van informatie uit het WIS over de werkloosheidsuitkeringen.

In de volgende tabel is de ontwikkeling van de omvang van werkloosheid weergegeven, uitgedrukt in personen en fte (fulltime equivalent).

Tabel 6: Ontwikkeling omvang van de werkloosheid per onderwijssector, 2002–2003 (personen en fte)
 PersonenFte
 2002200320022003
Primair onderwijs4 0804 1052 1602 298
Voortgezet onderwijs3 6513 4732 1372 050
Bve-sector2 3542 1871 2521 200
Hoger beroepsonderwijs2 1411 9441 1921 109
Wetenschappelijk onderwijs4 2964 0552 4472 436
Onderzoek en wetenschap326348233282
Totaal16 84816 1129 4219 375

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari.

In de volgende tabel is de gemiddelde leeftijd aangegeven.

Tabel 7: Gemiddelde leeftijd deelnemers werkloosheidsregeling naar onderwijssector, 2002–2003 (jaar)
 20022003
Primair onderwijs55,354,4
Voortgezet onderwijs57,857,1
Bve-sector58,457,2
Hoger beroepsonderwijs58,357,3
Wetenschappelijk onderwijs50,349,6
Onderzoek en wetenschap41,139,5
Totaal55,154,0

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De inspanningen die zijn gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitkeringen worden onverminderd gecontinueerd door middel van preventief beleid en volumebeleid. Ook de huidige arbeidsmarktsituatie in het onderwijs zorgt voor een vermindering van de werkloosheidsuitgaven. De vermindering van de uitgaven leidt bij de instellingen die op lumpsum basis worden bekostigd tot financiële ruimte die door de instellingen wordt benut voor seniorenbeleid en voor de financiering van maatregelen gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitgaven. Uit de cijfers blijkt tevens de vergrijzing van het bestand. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 55 jaar. 78% van de personen met een werkloosheidsuitkering is thans 50 jaar of ouder. Reïntegratiebeleid gericht op ouderen is een belangrijk aandachtspunt geweest in het volumebeleid in 2003.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen, preventief beleid en volumebeleid zijn binnen het budget gebleven. Voor de hoger onderwijssectoren, voortgezet onderwijs en de bve-sector betreft het lumpsum budgetten.

1.2.2 Scholen

Het beleid heeft tot doel de kwaliteit van het zittende personeel te bevorderen en het personeelsbeleid en de organisatie binnen de instelling te versterken.

1.2.2.1 Onderwijs anders organiseren

Onderwijs op maat/lerarenondersteuners

Hebben we bereikt wat we willen bereiken?

Om het aanbod van onderwijspersoneel te verruimen zijn diverse maatregelen genomen. Om de mogelijkheden van de inzet van meer gedifferentieerde functies van onderwijsondersteunend personeel te vergroten, hebben scholen in het basisonderwijs de ruimte gekregen om naast onderwijsassistenten ook lerarenondersteuners aan te trekken.

Het aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs is de laatste jaren flink gestegen. De verwachting is dat dit aantal in de toekomst alleen nog maar verder zal toenemen. Waren er in maart 2002 nog ongeveer 3200 onderwijsassistenten, in maart 2003 waren het er al ruim 4500 en aan het eind van het jaar 2003 bijna 5000.

Onderwijsassistenten werken vooral in het westen van het land en dan vooral in de vier grote steden. Dit is niet zo verwonderlijk, omdat daar immers de meeste scholen met achterstandsleerlingen zijn. Die scholen hebben meer financiële mogelijkheden om onderwijsondersteunend personeel aan te stellen.

Een vrij nieuwe functie in het primair onderwijs is die van lerarenondersteuner. Deze functie is inhoudelijk zwaarder dan die van onderwijsassistent en wordt daarom ook hoger gewaardeerd, financieel gezien. Op 1 januari 2003 waren er in het primair onderwijs ongeveer 450 lerarenondersteuners die samen 300 voltijdbanen invulden. Deze lerarenondersteuners zijn vooral te vinden in de vier grote steden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om ervaring op te doen met onderwijs op maat door de inzet van meer gedifferentieerde functies van onderwijspersoneel zijn in het primair en voortgezet onderwijs en in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie pilots gestart. De kennis en ervaring die in deze pilots wordt opgedaan, wordt overgedragen aan andere scholen en instellingen, zodat ook zij stappen kunnen zetten in de richting van eigentijds onderwijs en een moderne organisatie. In 2003 is de eindrapportage van het project beschikbaar gekomen (voor een korte samenvatting van de resultaten wordt verwezen naar paragraaf 1.3.3 Toerusting, van beleidsartikel 1, de passage over TOM rapportage).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven voor de pilots (Team)Onderwijs op Maat (€ 1,2 miljoen) zijn gerealiseerd.

1.2.2.2 Integraal personeelsbeleid

Schoolbudgetten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Instellingen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie ontvangen een schoolbudget dat bestemd is voor de professionalisering van de onderwijsinstelling als arbeidsorganisatie. Het schoolbudget is vrij besteedbaar. De inzet kan afgestemd worden op de verschillende sector- en instellingsspecifieke kenmerken waarmee wordt bijgedragen aan de vergroting van de autonomie van de instellingen.

Begin 2003 is opnieuw de besteding van de schoolbudgetten onderzocht (monitor decentrale budgetten 2002–2003). Dit onderzoek heeft betrekking op de inzet in het schooljaar 2002–2003 voor het primair en voortgezet onderwijs en het kalenderjaar 2003 voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

De onderzoeksresultaten laten zien dat de inzet van de schoolbudgetten overeenkomt met de doelen die destijds zijn beoogd met de introductie en de verhoging van het schoolbudget in 2001.

Tabel 9.10: De meest genoemde concrete bestedingen van het schoolbudget, schooljaar 2002–2003
Primair onderwijsVoortgezet onderwijsBeroepsonderwijs en volwasseneneducatie
Scholing van lerarenWerkdrukverlagende maatregelenProfessionalisering instellingsorganisatie
Scholing van managementBetaald ouderschapsverlofScholing van docenten
Betaald ouderschapsverlofExtra onderwijsondersteunend personeel voor het primaire procesScholing van management

Verder blijkt dat ten opzichte van voorgaande jaren in het voortgezet onderwijs gemiddeld meer wordt ingezet en beduidend minder wordt gereserveerd. Deze ontwikkeling is nog niet zichtbaar in het primair onderwijs. Daarnaast worden ook andere middelen, bijvoorbeeld uit het reguliere personeelsbudget, ingezet voor de doelen van het schoolbudget. Dit gebeurt in het voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie vaker dan in het primair onderwijs. In het primair onderwijs is een verdere stijging zichtbaar van het percentage scholen dat een deel van het schoolbudget op bovenschools niveau inzet.

Ter ondersteuning van het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid op de instellingen voor primair en voortgezet onderwijs worden aan deze instellingen met ingang van 1 augustus 2003 extra middelen toegekend (structureel € 25 miljoen in elk van de genoemde onderwijssectoren). Deze maatregel is overeengekomen in de cao sector onderwijs (po en vo) 2003. Met deze middelen kan de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep worden verbeterd via extra onderwijsondersteunende functies in het basisonderwijs en meer hogere leraarsfuncties aan scholen met vmbo. In het basisonderwijs worden de extra middelen toegekend via het schoolbudget; in het voortgezet onderwijs via de gemiddelde personeelslasten in de lumpsum.

In het schooljaar 2003–2004 wordt opnieuw de inzet van de schoolbudgetten onderzocht. De onderzoeksresultaten komen medio 2004 beschikbaar.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De (verhoging van) schoolbudgetten zijn via algemeen verbindende voorschriften, bekostigingsbrieven en voorlichtingspublicaties aan de instellingen bekend gemaakt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De in de cao sector onderwijs (po en vo) 2003 overeengekomen financiële impuls voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid is voor 2003 geraamd op € 20 miljoen, waarvan € 10 miljoen voor het primair onderwijs en € 10 miljoen voor het voortgezet onderwijs.

De realisaties 2003 voor deze sectoren zijn respectievelijk € 10,5 en € 8 miljoen.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

De monitor decentrale budgetten 2002/2003 is op 11 juni 2003 aan de Tweede Kamer gezonden.

Terugdringen ziekteverzuim po en vo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In het arboconvenant «Verzuimbegeleiding en reïntegratie po en vo» is de afspraak gemaakt om het ziekteverzuim in drie jaar tijd terug te brengen met één procentpunt ten opzichte van het niveau in 1999. De daling is medio 2001 ingezet, binnen een jaar na de ondertekening van het eerste arboconvenant voor het po en vo. In het primair onderwijs is het ziekteverzuim onder het afgesproken niveau van één procentpunt daling ten opzichte van het ziekteverzuimniveau van 1999 gekomen. De verwachting is dat uit de ziekteverzuimcijfers op jaarbasis over het jaar 2003 (deze moeten nog komen) zal blijken dat deze mijlpaal ook voor het voortgezet onderwijs gehaald is (dit is af te leiden van de trendcijfers ziekteverzuim).

Vergeleken met 2001 is het ziekteverzuim in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs in het jaar 2002 met 0,8% afgenomen. In de praktijk komt dit percentage van 0,8% neer op circa 800 fulltime leraren in het basisonderwijs en 470 fulltime leraren in het voortgezet onderwijs.

Tabel 9: Ziekteverzuimcijfers onderwijzend personeel po/vo/so in 2002
 Verzuim- percentageMeldingsfrequentieGemiddelde verzuimduur
Basisonderwijs7,570,9428,6
Speciaal onderwijs8,731,2925,5
Voortgezet onderwijs7,031,4919,4
Tabel 10: Ziekteverzuimpercentage onderwijzend personeel 1999–2002
 1999200020012002
Basisonderwijs8,658,908,357,57
Speciaal onderwijs9,439,619,758,73
Voortgezet onderwijs7,367,927,847,03

Bron: Regioplan.

Figuur 4: Ziekteverzuimpercentage onderwijzend personeel.

kst-29540-16-27.gif

In de cao 2003 po en vo is een verdere doelstelling ziekteverzuimreductie afgesproken die eind 2004 bereikt moet worden. De doelstelling in de cao is dat het ziekteverzuim in het basisonderwijs daalt naar 6,63 procent, in het speciaal onderwijs naar 7,93 procent en in het voortgezet onderwijs naar 5,86 procent. Verder hebben in 2003 de eerste oriënterende gesprekken plaatsgevonden over een tweede fase arboconvenant «Plusconvenanten».

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In de cao 2003 is afgesproken een verdere reductie van ziekteverzuim in het po en vo te bereiken. Hiervoor is € 5 miljoen gereserveerd. De uitvoering zal in 2004 plaatsvinden in overleg met sociale partners.

In het deelconvenant «Verzuimbegeleiding en reïntegratie» is afgesproken dat de hoogverzuimscholen worden begeleid door een regioadviseur van het Vervangingsfonds. In 2003 is deze begeleiding uitgebreid naar een HVS+ project, waarin meer tijd en aandacht aan deze scholen wordt gegeven. Het gemiddelde ziekteverzuim bij deze convenantscholen is 2,6% gedaald.

De Subsidie individuele reïntegratie (SIR) is in 2003 gehandhaafd. Er wordt nog steeds veel van deze regeling gebruik gemaakt. De regeling sorteert ook duidelijk effect. Bijna 90% van de reïntegratietrajecten slaagt, wat tot een gehele of gedeeltelijke werkhervatting heeft geleid. De Subsidie voorkomen uitval onderwijspersoneel (SVUO) heeft ook haar waarde bewezen. Tot en met het derde kwartaal 2003 waren er meer dan 1000 aanvragen binnengekomen ter voorkoming van uitval.

Het project zorgbemiddeling is in 2003 beëindigd. Zoals uit evaluatieonderzoek blijkt is «zorgbemiddeling» weliswaar succesvol en voorziet het in een behoefte, doch er wordt door het scholenveld minder gebruik gemaakt dan oorspronkelijk was verwacht. De lessen die uit dit project zijn geleerd worden gebruikt in het nieuwe project «reïntegratie-adviseur». Net zoals bij zorgbemiddeling is het doel van de reïntegratieadvisering om vastgelopen reïntegratietrajecten weer «vlot te trekken».

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Kosten zijn binnen het budget gebleven.

Ziekteverzuim bve

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Op basis van het Arbo-deelvconvenant bve is overeengekomen met sociale partners om tijdens de looptijd van het convenant, tot en met 2004, het ziekteverzuim in de bve-sector met 10% te verminderen. Dat doel is op dit moment nog niet bereikt, maar in vergelijking met de andere sectoren lijkt ook in de bve-sector het ziekteverzuim te dalen. Voor een juiste constatering van een daadwerkelijke vermindering is een betrouwbare meting van het ziekteverzuim en zijn vergelijkbare resultaten over meerdere jaren van belang.

In 2003 zijn voor het eerst betrouwbare ziekteverzuimgegevens beschikbaar gekomen over een periode van 12 maanden voor de bve-sector, namelijk over 3 kwartalen van het jaar 2002 en het eerste kwartaal 2003. Over deze meetperiode is het gemiddelde verzuimpercentage 6%, waarin alle verzuim dat langer dan een jaar duurt niet is meegenomen. Het verzuimpercentage waarin alle verzuimgevallen zijn opgenomen is over deze 12 maanden 7,15% voor de bve-sector.

Het gemiddelde ziekteverzuim over het kalenderjaar 2003 bedraagt voor het gehele personeel 7,15% met een meldingsfrequentie per jaar van 1.35. De gemiddelde verzuimduur is 21,36 werkdagen. Voor het onderwijsgevend personeel is het gemiddelde verzuimpercentage 7,01% en voor het onderwijssteunend- en beheerspersoneel 7,39%.

Wanneer het verzuim van langer dan één jaar als geëindigd wordt beschouwd daalt het gemiddelde verzuimpercentage voor het gehele personeel naar 5,40% (onderwijsgevend personeel 5,16% en onderwijssteunend- en beheerspersoneel 5,83%) met een gemiddelde verzuimduur van 17,17 werkdagen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het Arboservicepunt bve heeft de verzuimregistratie uitgevoerd en gepubliceerd. Daarnaast biedt het servicepunt bve actieve ondersteuning aan instellingen voor het verbeteren van het verzuimbeleid. Dit jaar is de ondersteuning van het aantal instellingen nog eens extra geïntensiveerd met het oog op de looptijd van het convenant. Het servicepunt heeft een instrumentarium ontwikkeld voor de aanpak van het verzuimbeleid en werkdruk op instellingsniveau binnen de bve-sector. Daarnaast beoordeelt het servicepunt de aanvragen voor subsidie van reïntegratietrajecten voor langdurig zieken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Bij het aangaan van het Arbo-convevant is een jaarlijkse bijdrage aan de kosten van het Arbo-servicepunt bve overeengekomen voor de looptijd van het convenant, jaarlijks een bijdrage van € 354 516.

Ziekteverzuim personeel hbo

Voor het totale personeel in het hbo bedraagt het ziekteverzuimpercentage 5,1% in het kalenderjaar 2002 (bron: HBO-raad). De medewerkers meldden zich in 2002 gemiddeld 1,2 keer ziek. Deze ziektemelding leidde tot een ziekteverlof van gemiddeld 17 dagen. Het verzuimpercentage in 2002 is hoger dan het percentage in 2001. Hierbij moet worden opgemerkt dat de representativiteit aanzienlijk gestegen is. Omvatte in 2001 het verzuimpercentage 41% van het totale personeelsbestand in het hoger beroepsonderwijs, in 2002 is dat 89%. Hogescholen rapporteren vanaf het jaar 2002 op basis van nieuwe verzuimdefinities uit de toolkit verzuimregistratie en -analyse. Deze toolkit is ontwikkeld voor het hoger onderwijs in het kader van het Arboconvenant, waarin afspraken zijn gemaakt over het optimaliseren van de verzuimregistratie (bron: HBO-raad).

Ziekteverzuim personeel universiteiten

Tabel 11: Ziekteverzuimpercentage personeel universiteiten
 1999200020012002
Universiteiten4,34,54,34,4

Bron: VSNU.

Het verzuimpercentage is per 2002 op grond van afspraken uit het Arboconvenant hoger onderwijs opnieuw samengesteld. De hoogte van het verzuimpercentage van de gezamenlijke universiteiten is redelijk stabiel op ongeveer 4,3% (zie tabel).

Het percentage van het personeel dat zich in 2002 niet ziek meldde, daalde enigszins naar 58,3% (bron: VSNU).

1.2.2.3 Onderwijs als tweede loopbaan

Zij-instroom

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Vanaf 2000 is het op basis van de Interimwet zij-instroom primair en voortgezet onderwijs mogelijk geworden om leraar te worden via een andere route dan de reguliere lerarenopleiding.

Ook in 2003 is geprobeerd zoveel mogelijk zij-instromers aan te trekken. Doelstelling was om 400 plaatsingen in het primair onderwijs en 200 in het voortgezet onderwijs te realiseren.

In de onderstaande tabel is het aantal door bemiddeling geplaatste zij-instromers weergegeven in 2003. Zij-instromers worden overigens niet alleen door bemiddelingsorganisaties, maar ook door scholen zelf aangetrokken.

Tabel 12: Aantal door bemiddeling geplaatste zij-instromers in 2003
 StreefwaardeRealisatie
Primair onderwijs400309
Voortgezet onderwijs200401
Bve-sector400662

Opmerking: voor po en vo zijn in de tabel het aantal te plaatsen en (door bemiddeling) geplaatste zij-instromers opgenomen. Voor de bve-sector gaat het om het aantal deelnemers aan de didactische cursus bve.

Bron: Realisatiegegevens 4e kwartaal 2003 van Career Center Onderwijs, Onderwijs BV en Word Leraar! (po en vo).

Op 1 januari 2003 werkten in het primair en voortgezet onderwijs ongeveer 1500 zij-instromers (Bron: ITS, Aandachtsgroepenmonitor). Daarnaast hebben in 2002 ongeveer 400 zij-instromers hun bevoegdheid gehaald. In 2002 hebben ongeveer 150 zij-instromers hun dienstverband voortijdig beëindigd, omdat zij gestopt zijn met werken of omdat zij naar een andere school zijn gegaan. Een tussenstand van de onderwijsinspectie laat zien dat in de eerste helft van 2003 bijna 600 geschiktheidverklaringen zijn uitgereikt (zowel in het primair als voortgezet onderwijs ongeveer 300). Gedetailleerde cijfers over 2003 worden vermeld in de nota «werken in het onderwijs 2005», die in september naar de Tweede kamer gestuurd wordt.

Voor de bve-sector geldt het volgende: de in de aanbod gefinancierde 428 cursusplaatsen voor nieuwe instromers voor de pedagogische didactische cursus bve is bij de omzetting naar vraagfinanciering ruimschoots gehaald. Naast de aanvragen voor een tegemoetkoming in de scholingskosten voor 662 deelnemers aan didactische cursus bve zijn er door circa 50 instellingen 589 aanvragen ingediend voor andere duale opleidingstrajecten, waarvoor een tegemoetkoming in de scholings- en loonverletkosten is toegekend.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om zij-instroom in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs te bevorderen, wordt subsidie verstrekt aan besturen van scholen, zodat zij de benoeming of aanstelling van zij-instromers kunnen realiseren. Scholen konden op basis van de «subsidieregeling zij-instroom po 2002–2003», «subsidieregeling zij-instroom vo 2002–2003» en de «regeling bijdrage kosten zij-instromers 2003–2004 voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs» een subsidie aanvragen voor scholing, begeleiding en verletkosten. In de bve-sector is de opleidingscapaciteit volledig benut, de aanbodfinanciering van de didactische cursus bve is in 2003 omgezet naar vraagfinanciering.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De uitgaven zijn binnen het voor de sectoren po, vo en bve beschikbare budget van € 13 miljoen gebleven.

Leraren in opleiding (lio's)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is het bevorderen van de instroom van leraren. De maatregel heeft als bijkomend effect dat de student ervaring in het zelfstandig lesgeven opdoet en daardoor beter is toegerust op een toekomstig leraarschap. In de tabel zijn de streefwaarden en realisaties opgenomen.

Tabel 13: Aantal lio's in 2003
 Streefwaarde 2003Realisatie december 2003
Primair onderwijs1 2501 413
Voortgezet onderwijs1 000292
Bve-sector425
Totaal2 2921 710

Bron: CASO

Opmerking: Bij de bepaling van het aantal voltijdbanen is uitgegaan van 0,42 fte per lio (5 maanden stage per jaar).

Dit betekent bijvoorbeeld dat de streefwaarde van het aantal lio's in de bve-sector in 2003 100 personen bedroeg.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 is besloten de bestaande subsidieregelingen leraren-in-opleiding voor primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector te verlengen met één jaar. Op basis van die regeling kunnen scholen geld aanvragen voor de begeleiding van (betaalde) lio's en stagiaires met 126 studiepunten. Door deze regeling wordt een motie van de Tweede Kamer bij de behandeling van de lio-wet uitgevoerd. In het primair onderwijs is de streefwaarde ruimschoots gehaald, in het voortgezet onderwijs en de bve-sector is dit niet het geval (dit wordt onder meer veroorzaakt door de te late publicatie van de verlenging van de regeling).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 is het beschikbare budget voor de regeling toekenningen leraren in opleiding en stagiaires (€ 5,2 miljoen) niet volledig uitgeput, de realisatie bedroeg circa € 4,0 miljoen. Onderuitputting van dit budget wordt veroorzaakt door te late publicatie van de verlenging van de regeling. De aanvragen van 2003 zullen in 2004 alsnog in behandeling worden genomen.

Vakmensen voor de klas

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is het bevorderen van de instroom van leraren. In 2000 is in de regio Rijnmond een opleiding gestart om vakmensen uit de metaalsector op te leiden tot deeltijdleraar in het vmbo. Vervolgens is een opleiding in de regio Twente/Overijssel van start gegaan, waaraan naast het opleidingsfonds van de sector metaal ook de sectoren bouw, horeca, bakkers en installatietechniek meedoen. De pilot in de regio Rijnmond is met succes afgerond. In maart 2002 hebben 14 nieuwe leraren hun getuigschrift ontvangen. In Twente/Overijssel zijn 21 vakmensen begonnen aan de laatste opleidingsfase. Er zijn twee regiogroepen samengesteld, in 2003 is de opleiding opgestart in de regio Noord-Holland (Amsterdam) en Noord-Brabant (Eindhoven) met beide circa 20 kandidaten.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Cinop is aangetrokken als projectcoördinator. Cinop heeft de opdracht gekregen om met de ervaringen van de projecten in de regio Rijnmond en Twente/Overijssel te komen tot een landelijk dekkend stelstel van het opleidingsaanbod. Tevens ontwikkelt Cinop een structuur, waarin de diverse betrokken partijen elkaar in de toekomst zelfstandig kunnen vinden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven in 2003 (€ 0,5 miljoen) zijn gerealiseerd.

Bedrijf voor de klas (uitvoering SBO)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In april 2001 werd een convenant gesloten tussen VNO/NCW, het beroepsonderwijs (de BVE raad en de HBO-raad), besturenorganisaties, vakorganisaties en het ministerie van OCW. Het convenant heeft tot doel de uitwisseling tussen bedrijfsleven en onderwijs te versterken, onder andere door detachering van mensen die werkzaam zijn in bedrijven naar het onderwijs. Dit initiatief is onder de projecttitel «Bedrijf voor de klas» uitgewerkt door het SBO in samenwerking met de convenantpartners. Het project loopt van 1 september 2001 tot 1 september 2003.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In het verslagjaar is vooral gewerkt aan de totstandkoming van de benodigde infrastructuur in de regio. Er is samenwerking en uitwisseling tot stand gekomen in de regio's Utrecht, Rotterdam, Eindhoven, Den Haag, Noord Nederland, Haarlemmermeer en Limburg. In de bestaande regio's worden de resterende middelen ingezet, voor het overige vindt afbouw plaats van de inzet van OCW. Het SBO draagt zorg voor verankering van bestaande initiatieven.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten zijn gefinancierd binnen het budget van het SBO.

1.2.3 Opleidingen en kwaliteit

Het beleid heeft tot doel het verbeteren van de toegang tot en de doorstroom binnen de onderwijsberoepen. Deze doelstelling is verder geoperationaliseerd in: ontwikkelen van een nieuwe kwalificatiestructuur voor onderwijsberoepen en het ontwikkelen van een opleidingsstelsel voor onderwijspersoneel dat aansluit bij wat scholen aan kwalificaties nodig hebben. Verder gaat het om het versterken van de leeromgeving in scholen die medeverantwoordelijk willen zijn voor het opleiden en scholen van (nieuw) onderwijspersoneel.

Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen/wetsvoorstel beroepen in het onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is een transparante kwalificatiestructuur voor alle onderwijsberoepen, waarbij als uitgangspunt geldt: de onderwijssector als geheel heeft zelf, vanuit zijn eigen behoefte, directe invloed op het formuleren van het basispakket aan bekwaamheidseisen voor alle onderwijsberoepen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In dit kader is in 2003 op interactieve wijze gewerkt aan de notitie «Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen». Op 17 oktober 2003 is de notitie «Een samenhangend opleidingsstelsel voor de onderwijsberoepen» aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze notitie staan voorstellen voor een transparante en samenhangende kwalificatiestructuur voor alle beroepen in het onderwijs. Voor deze onderwijsberoepen zullen op basis van de wet Beroepen in het onderwijs (begin 2004 nog in behandeling bij het parlement) bekwaamheidseisen worden vastgesteld. Een landelijk platform zal daarvoor voorstellen kunnen doen. Daarmee is dit wetsvoorstel een belangrijk kader voor een nieuwe kwalificatiestructuur.

Op 11 april 2003 is aan de Tweede Kamer de 2e nota van wijziging op het wetsvoorstel Beroepen in het onderwijs aangeboden, op 2 juni 2003 heeft de Kamer een Nota n.a.v. Nader Verslag en een 3e Nota van Wijziging ontvangen, en op 19 december 2003 is een 4e Nota van Wijziging bij de Tweede Kamer ingediend.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven (€ 1,6 miljoen) zijn gerealiseerd.

Opleiden in de school

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de nota's Maatwerk 2 en 3 en het Plan van aanpak arbeidsmarkt- en personeelsbeleid is aangekondigd scholen toe te rusten om medeverantwoordelijk te zijn voor het opleiden van (nieuw) onderwijspersoneel.

Voor scholen in het primair onderwijs geldt dat op steeds meer scholen gewerkt wordt met een divers samengesteld team. Ook in het voortgezet onderwijs en in de bve-sector zijn steeds meer mensen werkzaam met gevarieerde achtergrond in verschillende functies. Dat vraagt om goed opleidingsbeleid, bijvoorbeeld om het personeel binnen de school op te scholen. Daarnaast komt lang niet al het personeel volledig gekwalificeerd de school binnen. Voor een groot deel worden mensen al werkend in de school opgeleid.

Genoemde ontwikkelingen zijn voor veel scholen en roc's een stimulans om aan de slag te gaan met opleiden in de school, dan wel deze activiteiten te intensiveren. Essentie van de ontwikkeling van het opleiden in de school is dat scholen de opleidingsfunctie binnen de school vormgeven en zicht krijgen op verschillende varianten van werkplekleren – waarbij duidelijk wordt wat men het beste op school kan leren en wat in de opleiding.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In het primair onderwijs is in juni 2002 de regeling «Ontwikkelprojecten opleiden in de school 2002–2004» gestart. Gedurende deze projectjaren werken 111 schoolbesturen (ruim 350 scholen) aan opleiden in de school. De schoolbesturen/scholen wisselen in (5) regionale netwerken ervaringen uit en werken samen. De resultaten van het project worden via deze netwerken overgedragen naar andere scholen. Het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) organiseert dit communicatie- en overdrachtstraject.

Al in 2001 zijn in het voortgezet onderwijs diverse projecten opleiden in de school gestart waarin scholen werken aan de ontwikkeling van de opleidingsfunctie. Er zijn 11 projecten ondersteund waarin scholen (variërend van 5 tot 15 per project) en één of meer lerarenopleidingen samenwerken. Ook is een netwerk van scholen voor voortgezet onderwijs van start gegaan dat als doel heeft de verschillende projecten met elkaar in contact te brengen en spin-off van de gezamenlijke projecten te optimaliseren. Ook wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een opleidingsdidactiek voor het werkplekleren.

Vanaf augustus 2002 is aan het instellingsbudget van de bve-instellingen een budget toegevoegd voor opleidingsmanagement. Dat is bedoeld om instellingen in staat te stellen om personeel dat zich via een (duaal) opleidingstraject verder kwalificeert en/of nieuw benoemd personeel op te leiden en te begeleiden in hun pas verworven functie. Voorts is de pilot «Opleiden in de school» (2003–2004) gestart voor onderwijsfuncties in de bve-sector. Zeven deelnemende bve-instellingen werken gedurende de projectjaren samen met de lerarenopleidingen aan de ontwikkeling van de opleidingsfunctie, passend bij de desbetreffende instelling, evenals aan het werkplekleren.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven (€ 8 miljoen) zijn gerealiseerd.

Lectoren en kenniskringen

Voor dit onderwerp wordt verwezen naar paragraaf 6.3.2. Innovatie (lectoren en kenniskringen) van beleidsartikel 6.

10. INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE

10.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het beleid van het departement is er op gericht het gebruik van informatie en communicatie technologie (ict) in het onderwijs te bevorderen.

Ict moet een plaats krijgen binnen het onderwijs om zo de scholen in staat te stellen leerlingen gebruik te laten maken van het nieuwe leren (toegespitst op de individuele capaciteiten en behoeften, plaats- en tijdonafhankelijk) en zich voor te bereiden op de arbeidsmarkt van morgen.

Het bestuurlijk uitgangspunt bij zowel het uitwerkingsplan Onderwijs on line (kamerstuk 25 733, nr. 30) voor de periode 1999–2002 als het beleidsplan Leren met ict (kamerstuk 25 733, nr. 95) voor de periode 2003–2005 is, dat de integratie van ict in het onderwijs een zaak is van de scholen. De minister is verantwoordelijk voor het stelsel, scholen moeten in staat zijn ict in het onderwijs te integreren. De minister zorgt ervoor dat de scholen voldoende ict-middelen krijgen en spant zich in scholen de ondersteuning te laten krijgen die zij nodig hebben om hun verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Scholen bepalen zelf hoe zij gebruik maken van ict om het onderwijs te vernieuwen en te verbeteren.

Dit is niet vrijblijvend. De Inspectie controleert de kwaliteit van het onderwijs en let hierbij ook op het gebruik van ict. Jaarlijks wordt via de ict-onderwijsmonitor de integratie van ict in het onderwijs gevolgd. Met de jaarlijkse voortgangsrapportage ict in het onderwijs legt het ministerie verantwoording af aan de Tweede Kamer en anderen.

In 2003 heeft de Tweede Kamer laten weten voornemens te zijn de Groot-Projectstatus te laten eindigen.

Tot de verworvenheden van het beleid van de afgelopen periode behoren de enorme groei van het aantal op internet aangesloten computers, het groeiende ict-gebruik en de toename van de vaardigheden van het onderwijspersoneel. In het hoger onderwijs beginnen specifiek op het onderwijs gerichte toepassingen zoals elektronische leeromgevingen gemeengoed te worden. Actuele aandachtspunten zijn: geschikte educatieve software, de didactische inzet van ict, de didactische ict-vaardigheden en de beschikbare financiën.

Tevens is in de kabinetsformatie eenmalig € 22 miljoen vanaf 2004 beschikbaar gesteld voor innovatieve projecten.

In het beleidsplan Leren met ict (oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 95) voor de periode 2003–2005 wordt uitgebreid stilgestaan bij de stand van zaken inzake de integratie van ict in het onderwijs en de wenselijkheid van verdere stappen.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Voortgangsrapportage Ict in het onderwijs (maart 2002–maart 2003), 16 april 2003, kamerstuk 25 733, nr. 91;

• Brief over het contract met nl.tree, 24 juni 2003, kamerstuk 25 733, nr. 94;

• Beleidsplan Leren met ict, 8 oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 95;

• Brief over de internetvoorziening na 2003, 20 oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 96;

• Brief over de afrondingsovereenkomst met nl.tree, 20 november 2003, kamerstuk 25 733, nr. 98;

• Brief over de internetvoorziening na 2003, 1 december 2003, kamerstuk 25 733, nr. 99;

10.2 Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Het beleid voor informatie- en communicatietechnologie volgt twee stromen: centraal beleid en decentraal beleid.

De centrale activiteiten zijn gericht op het ondersteunen van scholen bij het in gang zetten van ontwikkelingen die de spankracht van een individuele school te boven gaan. In paragraaf 10.2.1 wordt het centraal beleid weergegeven.

Bij het decentraal beleid zijn de scholen, die daarvoor een structurele vergoeding ontvangen, volledig aan zet voor de integratie van ict in het onderwijs.

In paragraaf 10.2.2 wordt het decentraal beleid per onderwijssector weergegeven. In de begroting 2003 is dit de overzichtsconstructie.

10.2.1 Centraal beleid

10.2.1.1 Het faciliteren van de scholen bij de integratie van ict

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is dat iedere school in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie kan beschikken over een kwalitatief hoogwaardige internetverbinding en de daarbij behorende internetfaciliteiten.

Vanaf medio 2002 – en dus ook in het jaar 2003 – zijn alle scholen die dit wilden in deze sectoren aangesloten op het internet. Het betreft in totaal circa 10 800 locaties (bron: rapportage opleverprotocollen Kennisnet december 2003).

Met deze infrastructuur hebben scholen ervaring opgedaan en gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van het internet. Op deze manier is een goede basis gelegd voor het gebruik en integratie van ict in het onderwijs.

Als gevolg van het streven naar minder regels en meer ruimte voor de scholen is, na overleg met de Tweede Kamer, in december 2002 besloten om het centrale contract waarmee de scholen in het po, vo en bve aangesloten zijn op internet te beëindigen per 1 januari 2004. Vanaf deze datum krijgen de scholen een bedrag om naar eigen inzicht hun internetvoorziening te regelen.

In de loop van 2003 is met de Balkenende I en II gelden voor de periode vanaf 2004 € 70 miljoen structureel aan de begroting OCW toegevoegd, waarvan € 55 miljoen voor de koopkracht van de scholen voor de internetvoorziening, € 10 miljoen voor de centrale voorzieningen en € 5 miljoen voor scholen die zich in onrendabele gebieden bevinden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Van een fors aantal scholen is de minimale bandbreedte in 2003 opgehoogd zodat zij beter gebruik kunnen maken van de multimediale mogelijkheden.

Tabel 10.1: aantal opgehoogde aansluitingen in 2003
Van 156 naar 256 KbpsVan 256 naar 384 KbpsTotaal
2 7402 9435 683

Bron: Offerte-, uitrol- en exploitatierapportage nl.tree april 2003.

Scholen zijn vanaf 2004 zelf verantwoordelijk voor het inrichten van de internetvoorziening. De stichtingen Kennisnet en Ict op School ontwikkelen ieder instrumenten om de keuze van een aanbieder en een eventuele overgang goed te laten verlopen. Zij hebben gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de inrichting van een aantal centrale voorzieningen. De doelstellingen zijn het faciliteren van scholen gedurende het overgangstraject én het waarborgen van de toegankelijkheid van de portal Kennisnet (met alle educatieve content en diensten) voor scholen na 1 januari 2004.

Voor de inrichting van de centrale internetvoorzieningen voor het onderwijs na 2003 zijn op hoofdlijnen de volgende drie onderdelen gerealiseerd door de stichtingen Kennisnet en Ict op School:

• een kwaliteitsregeling voor internet service providers (ISP's) ter bevordering van markttransparantie. Door standaardcriteria te gebruiken in de dienstenomschrijving, kan een school de providers vergelijken op prijs en dienstverlening;

advies en ondersteuning: een virtuele en telefonische helpdesk voor onderwijsinstellingen. Het project wordt uitgevoerd en gecommuniceerd onder het label ISPwijzer. Op de website www.ispwijzer.nl kunnen onderwijsinstellingen informatie en hulpmiddelen vinden voor de diverse fasen van het inkopen van ISP-diensten: doelen stellen, specificeren, selecteren, contracteren, migreren en beheren;

• een content- en dienstenplatform voor onderwijsinstellingen om toegang tot en bereikbaarheid van educatieve content en diensten zo goed mogelijk te kunnen waarborgen. Via het platform kan webbased content effectief en efficiënt ingericht worden en biedt daarnaast mogelijkheden voor geavanceerde zoek- en vindfuncties. Eveneens kan met proefomgevingen gewerkt worden, wat mogelijkheden biedt om nieuwe producten uit te proberen.

Eind 2003 heeft intensief overleg plaatsgevonden met de leverancier van de internetvoorziening om de overgang van de centrale naar de decentrale voorziening goed te regelen. De onderhandelingen hebben geleid tot het op 19 november 2003 ondertekenen van een afrondingsovereenkomst. Belangrijk onderdeel van de afspraken is de mogelijkheid voor scholen om een overgangscontract af te sluiten met de huidige leverancier ter overbrugging van de migratieperiode naar een andere internetleverancier. Hiermee verkrijgt de school de zekerheid van een werkende internetvoorziening in de eerste helft van 2004. Daarnaast heeft nl.tree een geldelijke vergoeding betaald aan OCW voor het niet volledig nakomen van de verplichtingen uit het centrale contract en voor de contractueel overeengekomen verwerking van prijsontwikkelingen in de markt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 10.2: kosten internetvoorziening 2003 (x € miljoen)
 BegrootGerealiseerdVerschil
Verbinding + centrale dienstverlening70,562,2– 8,3
Decentrale dienstverlening31,531,50,0
Voorbereidingen internetvoorziening0,09,99,9
Totaal102,0103,61,6

Bron: Begroting 2003 en departementale administratie (GEFIS)

• Bij de verbinding (€ 70,5 miljoen) gaat het om de exploitatiekosten (begroot: € 45 miljoen), om de vaste kosten van de centrale internetdienstverlening (begroot : € 14,5 miljoen), en om de kosten voor bijzondere aansluitingen en breedband (begroot: € 11,0 miljoen). De realisatie (€ 62,2 miljoen) komt in 2003 – € 8,3 miljoen lager uit als gevolg van nadere afspraken uit de afrondingsovereenkomst. Deze middelen zijn grotendeels geïnvesteerd in de voorbereiding van de internetvoorziening vanaf 1 januari 2004 (de centrale voorzieningen).

• Bij de decentrale dienstverlening (€ 31,5 miljoen) gaat het om de koopkracht van de scholen voor de variabele kosten van de internetdienstverlening in verband met het contract met nl.tree. Dit bedrag is overgeboekt naar de velddirecties.

• De kosten van de voorbereiding voor het zelf regelen door de scholen van de internetvoorziening (€ 9,9 miljoen) zijn vergoed op basis van de projectplannen van de stichtingen Kennisnet en Ict op School.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brief over het contract met nl.tree, 24 juni 2003, kamerstuk 25 733, nr. 94;

• Brief over de internetvoorziening na 2003, 20 oktober 2003, kamerstuk 25 733, nr. 96;

• Brief over de besprekingen met nl.tree, 20 november 2003, kamerstuk 25 733, nr. 98;

10.2.1.2 Het stimuleren van samenwerking (Stichting Ict op School)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Zoals in de begroting van 2003 staat aangegeven heeft de stichting Ict op School als organisatie van en voor de scholen tot taak effectief en efficiënt gebruik van ict in het onderwijs te bevorderen. Het stimuleren van samenwerking tussen scholen heeft daarbij hoge prioriteit.

Stichting Ict op School formuleert in haar werkplannen de doelstelling dat eind 2004 het merendeel van de po-scholen op enigerlei wijze participeert in een samenwerkingsverband en/of gebruik kan maken van de diensten van een regionaal steunpunt ICT.

Tabel 10.3: Aantal samenwerkingsverbanden po-scholen
Begin 2002Begin 2003Eind 2003Doelstelling eind 2004
Circa 50 samenwerkingsverbanden, 1400 scholenCirca 140 samen- werkingsverban- den, 3000 scholenCirca 200 samen- werkingsverban- den, 4000 scholenMerendeel van de (in totaal circa 8000) po-scholen

Bron: Focus op samenwerking, Oberon, maart 2003, regiokaart + werkplan 2002, 2003, 2004 stichting Ict op School.

Daarnaast blijkt dat het aantal participerende samenwerkingsverbanden in het Platform van Samenwerkingsverbanden dit jaar is toegenomen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Stichting Ict op School heeft activiteiten ondernomen op het gebied van stimuleren van regionale samenwerking, deskundigheidsbevordering, kennisuitwisseling over effectief gebruik van ict in het onderwijs en kennisontwikkeling.

• Ict op School heeft ook in 2003 de stimulering van de totstandkoming van betekenisvolle samenwerkingsverbanden en het in kaart brengen hiervan verder gecontinueerd (zie http://www.ictopschool.net/samenwerking). Op basis van de resultaten van een in opdracht van stichting Ict op School uitgevoerd grootscheeps inventariserend onderzoek naar samenwerkingsverbanden in oktober 2002 (nulmeting) heeft Ict op School in 2003 het instrumentarium voor verdere stimulering van samenwerking verder toegespitst op de zogenaamde «witte vlekken» in relatie tot de vraag van scholen, schoolbesturen en gemeenten.

Daarnaast heeft de stichting een «deskundigenpool» opgericht, bestaande uit experts op het gebied van onderwijs en regionale samenwerking. Deelnemers uit deze pool zijn ingezet om samenwerking te stimuleren bij scholen, besturen en lokale overheden in regio's waar dit nog niet gebeurt.

• Om docenten en leerkrachten te ondersteunen bij de didactische toepassing van ict in de lespraktijk (deskundigheidsbevordering) heeft Ict op School docenten en leerkrachten via diverse tools en praktijkvoorbeelden handreikingen gegeven om ict effectief in te zetten in de lespraktijk. Onder meer met de «competentietool», een instrument waarmee docenten de eigen deskundigheid kunnen meten en op basis van de uitkomst een route kunnen uitstippelen om verdere competenties te verwerven. Een ander voorbeeld is de «ict-boom». Met deze tool kunnen docenten inzicht verwerven in de didactische mogelijkheden van de computer.

• Binnen het thema techniek en beheer worden scholen met een speciaal door Ict op School ontwikkelde tool geholpen snel een weg te vinden naar leveranciers die een passend ict-pakket bieden (de Online Tool voor Totaal Oplossingen, OTTO).

• Met onderzoek en kennisuitwisseling is onder meer de aard, de omvang en het aantal deelnemers aan samenwerkingsverbanden inzichtelijk gemaakt. Niet alleen het aantal samenwerkingsverbanden en het aantal deelnemende scholen is van belang, maar steeds meer nadruk komt te liggen op de kwaliteit van samenwerking.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op grond van de subsidiebeschikking bedroeg de basissubsidie voor de activiteiten van Ict op School op bovengenoemde vier gebieden € 2,7 miljoen.

De stichting legt verantwoording af door voor 1 april 2004 het jaarverslag en de financiële verantwoording over 2003 in te dienen. Op basis daarvan wordt de definitieve subsidie voor 2003 vastgesteld.

10.2.1.3 Op internet een plaats creëren waar voor onderwijsdoelen materiaal op toegankelijke en vertrouwde wijze beschikbaar is

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is het realiseren van een duurzame op het onderwijs afgestemde en voor het onderwijs profijtelijke internetplaats waar kwalitatief hoogwaardig aanbod van voor het onderwijs relevante content en diensten beschikbaar is. Op deze manier wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het beschikbaar stellen van content en wordt kennisuitwisseling gefaciliteerd.

Tabel 10.4: realisatiecijfers stichting Kennisnet
 Startsituatie 2001Realisatie 2002Realisatie 2003 Doel 2003*
Totaal gebruik leerlingen    
PO16%19%31% 
VO15%26%21% 
BVE15%10%15% 
Totaal gebruik docenten    
PO37%42%69%70%
VO52%56%66%80%
BVE30%36%57%70%
Maandelijks gebruik leerlingen    
PO5%13%19%35%
VO15%11%9%50%
BVE15%3%6%50%
Maandelijks gebruik docenten    
PO24%31%49% 
VO41%31%46% 
BVE26%15%23% 
Educatieve aanbod content0%80%100%Dit is gerealiseerd met het beschikbaar komen van de dienst Entree**. Voor 2004 zijn specifieke doelen voor het gebruik van Entree door de scholen geformuleerd.
On line leeractiviteit:Deze indicator bleek uiteindelijk niet goed te meten. Het maandelijkse gebruik van Kennisnet onder de doelgroep geeft beter inzicht in hoe vaak Kennisnet gebruikt wordt voor het leerproces. 

Bron: 3e meting NIPO-enquete 2003.

In de begroting 2003 zijn de streefwaarden gewogen gemiddeldes van de streefwaarden per sector. Bovenstaande uitsplitsing per sector doet meer recht aan de daadwerkelijke realisatie.

*bron: jaarplan Kennisnet.

**Entree biedt op een eenvoudige en veilige manier toegang tot besloten online lesmateriaal. Entree is een authenticatie en autorisatiedienst waarmee wordt vastgesteld wie toegang heeft tot welke content of diensten. Met één enkele digitale sleutel krijgen docenten en leerlingen toegang. De gebruiker kan vanaf elke pc met internetaansluiting inloggen in Entree, of dat nu thuis is, op school of in de bibliotheek en bereikt daarmee het digitale materiaal waarvoor hij of zijn school een licentie heeft. Op deze manier kan meer gedifferentieerd én op maat onderwijsmateriaal worden geboden.

Kennisnet heeft het afgelopen jaar op bijna alle strategische doelen vooruitgang geboekt. Zowel de naamsbekendheid als het gebruik van www.kennisnet.nl zijn gestegen. Dat kan ook worden vastgesteld aan de hand van de bezoekcijfers. Wekelijks registreert Kennisnet zo'n 500 000 unieke bezoeken (6,7 miljoen pageviews).

Dat neemt niet weg dat het gebruik achterblijft bij de gestelde doelen. Met name het gebruik van leerlingen in het po, vo en bve blijft duidelijk onder het geplande niveau en kent geen of weinig groei. In het laatste kwartaal van 2003 is een start gemaakt met een grootschalige leerlingencampagne. Stichting Kennisnet blijft werken aan een verdere uitbreiding van educatief online lesmateriaal en aan diensten om dit materiaal te ontsluiten.

Kennisnet had eerder een doel geformuleerd voor het percentage online leeractiviteiten. Hiervan is gebleken dat dit niet goed te meten is en dat het maandelijks gebruik van Kennisnet onder de doelgroep beter inzicht geeft in hoe vaak Kennisnet wordt gebruikt in het leerproces.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste activiteiten die stichting kennisnet – naast tal van andere activiteiten – in 2003 heeft gerealiseerd:

• portal: opzetten en uitbreiden communities en externe redacties, bijgestelde indeling van de portal en aanpassingen in de presentatie van de site;

• oplevering en introductie van de dienst Entree in de vo- en bve-sector, momenteel ligt de focus op het verkrijgen van commitment van contentaanbieders en gebruikers;

• realisering van een platform voor content en diensten;

• tweetal themasites opgezet binnen 48 uur (Irak en SARS) met praktisch (toepasbaar) educatief materiaal;

• Beeldbank met NOT/Teleac ontwikkeld en ontsloten;

• Samenwerking met bibliotheken voor onderwijszoekmachine gerealiseerd;

• een viertal ThinkQuest-wedstrijden zijn georganiseerd en gehouden.

Tabel 10.5: aantal inschrijvingen en websites ThinkQuest
InschrijvingenRealisatie per 31/12/2003Opgeleverde websitesRealisatie per 31/12/2003
ThinkQuest po222ThinkQuest po152
ThinkQuest vo323ThinkQuest vo92
ThinkQuest voor de klas73ThinkQuest voor de klas23
ThinkQuest uit de kunst47ThinkQuest uit de kunst32
ThinkQuest internationaal7ThinkQuest internationaalNvt (loopt nog)

Bron: Opgaaf door stichting Kennisnet.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op grond van de subsidiebeschikking bedroeg de basissubsidie € 18,6 miljoen. Daarnaast heeft de stichting aanvullende subsidietoekenningen ontvangen voor de projecten in de bve-sector van € 2 miljoen (dit bedrag komt ten laste van artikel 04.03), een betaling op het in 2002 toegekende project Authenticatie en Autorisatie Dienst (Entree) van € 1,9 miljoen.

De stichting legt verantwoording af door voor 1 april 2004 het jaarverslag en de financiële verantwoording over 2003 in te dienen. Op basis daarvan wordt de definitieve subsidie voor 2003 vastgesteld.

10.2.1.4 Beschikbaarheid educatief materiaal

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om ict in het onderwijs te kunnen integreren is beschikbaarheid van kwalitatief hoogstaande educatieve programmatuur noodzakelijk. Die moet rekening houden met de verschillende leerdoelen en eindtermen maar ook met de verschillen in onderwijsconcepten. Daar waar de markt te beperkt is of niet op gang komt, zal additioneel beleid nodig zijn. De ontwikkeling van educatieve software/content is een verantwoordelijkheid van marktpartijen.

Toegankelijkheid

Stichting Kennisnet is een belangrijke partner bij het stimuleren en ontwikkelen van voor het onderwijs relevante content. Naast het ordenen en op kwaliteit beoordelen van content dat beschikbaar is via de portalsite www.kennisnet.nl, heeft zij in 2003 op dit gebied gerichte acties gerealiseerd (zie onder paragraaf 10.2.1.3). Een belangrijk onderdeel hiervan is de realisatie van de authenticatie- en autorisatiedienst Entree.

Ruim 200 sites van een aantal grote educatieve uitgevers en het Freudenthal Instituut, die aansluiten bij hun onderwijsmethoden, zijn hiermee beschikbaar gemaakt voor het onderwijsveld. Zie: http://methodesites. kennisnet.nl.

Transparantie

Om in de behoefte van docenten aan informatie over alle beschikbare programmatuur en over de mogelijkheden van het beschikbare materiaal te voorzien, staan op Kennisnet drie leermiddelenbanken:

• www.programmamatrix.nl: database van het APS met uitgebreide beschrijvingen van educatieve software voor het primair en voortgezet onderwijs;

• www.leermiddelenplein.nl: database van de SLO/NICL met korte beschrijvingen van lesmateriaal (ook niet-digitaal) voor het primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector;

• www.leermiddelenbank.nl: een gratis dienst van Kennisnet voor de bve-sector. Uitgevers, scholen en docenten kunnen zelf ook leermiddelen aanbieden.

Ontwikkeling

Met de subsidieregeling ict-projecten in het onderwijs is een stevige impuls gegeven aan de ontwikkeling van educatief materiaal, aansluitend bij de vraag van het onderwijs.

Uit een effectevaluatie van de subsidieregeling uit 2000 «Ict-projecten in het Onderwijs» die eind 2003 is uitgevoerd door IVA Tilburg blijkt dat de doelen van deze subsidieregeling in grote lijnen zijn bereikt. De projecten richten zich met name op de bevordering van ict-gebruik en het gebruik van kennisnet, de ontwikkeling van methoden en educatieve programmatuur en deskundigheidsbevordering.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

• Zie paragraaf 10.2.1.3 voor activiteiten stichting Kennisnet.

• Subsidie is toegekend aan het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum voor het up-to-date brengen en uitbreiden van de programmamatrix.

• Senter, de organisatie die de subsidieregelingen Ict-projecten in het Onderwijs uitvoert en in beheer heeft, heeft ook in 2003 zorggedragen voor het beheer van de in 2000, in 2001 en in 2002 toegekende projecten. Zij heeft hiertoe onder andere de tussen- en eindrapportages en de eindproducten van de projecten beoordeeld en toegezien op naleving van de subsidievoorwaarden, waaronder het opleveren van een voor het onderwijsveld vrij beschikbaar en direct toepasbaar ict-product. De voortgang en de (voorlopige) resultaten van alle ontwikkelprojecten uit de subsidieregelingen uit 2000 en 2001–2002 worden zichtbaar gemaakt via de Projectenetalage op Kennisnet (http://projectenetalage.kennisnet.nl) die begin 2003 operationeel geworden is. De gegevens worden periodiek geactualiseerd. De resultaten van de projecten zijn verder op grote schaal verspreid, vooral via presentaties op workshops, studiedagen, congressen en beurzen. Maar ook via artikelen in dagbladen en vakbladen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De uitgaven voor educatieve content bedroegen € 1,2 miljoen. Dat is € 2,3 miljoen lager dan begroot. Dit komt omdat van de in 2001 en in 2002 toegekende ontwikkel-, netwerken implementatieprojecten het grootste deel nog wordt uitgevoerd. De meeste van deze projecten zullen in 2004 worden afgerond. Dit laatste heeft geleid tot kostenvertragingen van een aantal projecten, waardoor uitgaven niet in 2003, maar in 2004 plaatsvinden.

Het bedrag voor Entree is verantwoord onder paragraaf 10.2.1.3.

10.2.1.5 Het gebruik van ict in het onderwijs als onderwijsmiddel te bevorderen – gebruiken om te leren

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het ict-beleid richt zich op de grote groep scholen die de stap van «leren gebruiken» naar «gebruiken om te leren» moeten maken. Scholen worden steeds meer overtuigd van het nut van gebruik van ict in het onderwijs. De scholen kunnen dit doen door de ict-integratie in de eigen situatie vorm en inhoud te geven en gebruik te maken van overheidsstimulering op het gebied van deskundigheidsbevordering en het aanbod van (kleinschalige) projecten.

Een beeld van het gebruik van ict in de klas kan worden verkregen op basis van de ict-onderwijsmonitor. Een samenvatting van de ict-onderwijsmonitor voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie wordt gegeven onder paragraaf 10.2.2. Zie voor een compleet overzicht de website www.ict-onderwijsmonitor.nl.

Ict-gebruik in het vmbo

De doelstelling voor 2003 om 80% van de vmbo-leerlingen in 80% van de tijd met behulp van ict de eindtermen te laten halen is ruimschoots gehaald. In de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg ligt dit respectievelijk op 89% en 87%. (bron: vmbo-examens 2003, Inspectierapport nr. 2003–20).

Verzamelen en verspreiden van informatie

Via de websites van de acht expertisecentra ict is in 2003 geactualiseerde informatie beschikbaar geweest over ict in de onderwijspraktijk. Daarnaast zijn per centrum onder meer gemiddeld vier artikelen in vakbladen gepubliceerd, twee workshops verzorgd, vijf expertmeetings georganiseerd en is advies en ondersteuning verleend aan tientallen scholen en docenten.

Ict als hulpmiddel bij herinrichting van het onderwijs

Binnen twee proeftuinen ict en innovatief onderwijs is geëxperimenteerd met de herinrichting van het onderwijs, waarbij ict als hulpmiddel is ingezet. Veel aandacht is besteed aan de verspreiding van de ervaringen naar het onderwijsveld. Door de betrokken scholen zijn diverse presentaties gehouden, onder meer binnen het TOM-project. Op de scholen zijn rondleidingen verzorgd voor geïnteresseerde scholen en onderwijsondersteunende instellingen. Dit heeft onder meer geleid tot deelname aan het project door diverse scholen binnen en buiten de betreffende regio.

Professionalisering

Door middel van het project Grassroots hebben leraren op kleinschalige wijze ervaringen opgedaan bij het gebruik van ict in het onderwijs.

Minstens de helft van de deelnemende leraren (meer dan 1000) is hierdoor gemotiveerder om ict in de klas toe te passen; één kwart van de leraren zegt dat ze een beetje geleerd hebben van het project en driekwart vindt dat ze een flinke of grote stap gezet hebben. Uit de antwoorden op de evaluatievragen blijkt onder meer dat met name de leraren die positief staan tegenover ict zich aangesproken voelen door de GrassRoots en steeds beter willen worden.

Verder zijn in het werkplan 2003 van stichting Ict op School onderwerpen opgenomen ter versterking van de professionalisering. Doelstelling van dit project is dat scholen en samenwerkingsverbanden in staat zijn om zelf, of met ondersteuning, een proces in gang te zetten dat ze verder brengt op het gebied van integratie van ict. Onder meer door een visie op leren en ict te ontwikkelen en door bewust en gericht keuzes te kunnen maken voor de inrichting van het onderwijs en de inzet van ict.

Voor stimulering van de professionalisering is verder aangesloten op de bestaande departementale beleidslijnen, zoals het lerarenbeleid en de beroepskolom. In het kader daarvan is in 2003 een voorstudie gestart naar de school als arbeidsorganisatie met als insteek waarom ict in schoolorganisaties minder wordt benut dan in andere bedrijven en organisaties.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

• In het VICTO-project zijn in het vmbo voor de beroepsgerichte vakken voor alle sectoren ict-leermiddelen (pakketten van software, hardware en leermateriaal) ontwikkeld, aansluitend op de ict-gerelateerde exameneisen zoals die voorkomen in de examenprogramma's. Ondersteuning bij de implementatie en deskundigheidsbevordering maken ook onderdeel uit van het VICTO-project. (bron: invoeringsplan VICTO, Enschede, september 2003).

• Aan de expertisecentra ict is subsidie toegekend voor de uitvoering van bovengenoemde activiteiten.

• Aan twee projecten van ict en innovatief onderwijs is subsidie toegekend: Proeftuin Nijmegen en Wadden On Line.

• Het aantal GrassRoots-locaties uit 2002 is verdubbeld, waarbij in principe elke leraar in Nederland een GrassRootsproject kan aanvragen. Begin november zijn er bijna 2200 GrassRootsprojecten, die zijn uitgevoerd vanuit één van de 16 GrassRoots-locaties. Meer dan 1000 leraren hebben één of meer GrassRoots gedaan.

• Stichting Ict op School heeft in 2003 in het kader van het projectplan «Deskundigheidsbevordering in de praktijk» diverse activiteiten uitgevoerd om bovenstaande doelstellingen te bereiken. Zij heeft in 2003 een samenhangende collectie instrumenten, stappenplannen, invoeringsscenario's, beschrijvingen en andere hulpmiddelen ontwikkeld en via haar website www.ictopschool.net beschikbaar gesteld. Docenten kunnen hier via een routekaart diverse routes volgen die passen bij hun eigen specifieke situatie. Op de routekaart staan etappes aangegeven die scholen (achtereenvolgens) kunnen volgen om deskundigheid te ontwikkelen die nodig is voor een succesvol gebruik van ict in het onderwijs. Bij de routebeschrijvingen horen instrumenten die helpen om de route met succes af te leggen en op sleutelmomenten docenten te kunnen gebruiken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Bij de begrotingsbehandeling van 2003 is het amendement Bonke aangenomen waarmee € 4 miljoen beschikbaar is gesteld voor de professionalisering van leraren op het terrein van ict. De gerealiseerde uitgaven bedroegen € 3,2 miljoen. Dit is lager (€ 0,8 miljoen) dan het beschikbare budget (€ 4,0 miljoen) enerzijds in verband met de systematiek van bevoorschotting, anderzijds omdat het project ICT coach is doorgeschoven naar 2004.

Aan de expertisecentra en de proeftuinen is in 2003 respectievelijk € 326 000 en € 133 000 uitgegeven.

10.2.1.6 Bevorderen participatie bedrijfsleven in de ontwikkeling van professionaliseringstrajecten voor onderwijsmedewerkers op het gebied van ict

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om de participatie van het bedrijfsleven bij de integratie van ict in het onderwijs te stimuleren en te coördineren is de stichting Platform Onderwijs en Informatiesamenleving ondersteund. De stichting is er ondanks de inzet niet in geslaagd een significant deel van het bedrijfsleven bereid te vinden zich te committeren aan een bijdrage. De stichting wijt dat aan de verslechterde economische situatie.

Medio 2003 heeft de stichting Platform Onderwijs en Informatiesamenleving de activiteiten beëindigd.

De stichting Ict op School is gevraagd een plan te maken om via andere lijnen de betrokkenheid van het bedrijfsleven te mobiliseren.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De stichting Platform Informatiesamenleving en onderwijs is in 2003 actief geweest in de benadering van bedrijven om hen te vragen op verschillende manieren een bijdrage aan het proces van ict in het onderwijs te leveren. De stichting heeft bedrijven aangeschreven en aangesproken, is aanwezig geweest op beurzen en seminars en hebben zich via andere media tot het bedrijfsleven gericht. Het besluit om de subsidiëring van de stichting niet voort te zetten is besproken met de voorzitter van de stichting. Het stichtingsbestuur heeft daarop besloten de activiteiten te beëindigen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De toegekende subsidie is door de stichting niet volledig besteed. De afrekening van de stichting betreft een bedrag van € 23 730 in 2003.

De realisatie is daarmee ruim € 0,4 miljoen lager dan begroot.

10.2.1.7 Ict en internationaal: kennisuitwisseling en samenwerking met het buitenland, de vertaling naar Nederland

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Uitwisseling van ervaringen en ideeën over ict-beleid en -implementatie in Europa en in breder internationaal verband, hebben zowel bilateraal, als in multilateraal verband plaatsgevonden. Dit resulteerde in concrete producten als de productie van Ict-Schoolportretten door de Inspectie en de vaststelling van goede ict-beleidspraktijken voor de Europese Commissie. Dit gebeurde ook op verschillende niveaus; zowel docenten en hun leerlingen, strategische instellingen als stichting Kennisnet, beleidsmakers en deskundigen waren in verschillende trajecten betrokken.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De uitgangspunten zoals voorgenomen zijn uitgewerkt. Door verschillende actoren in het Nederlands onderwijs werden studiebezoeken afgelegd, bijeenkomsten belegd of zinvolle contacten aangegaan. Zo zijn er bilaterale en multilaterale contacten geweest met vooruitstrevende landen als Canada en de Scandinavische landen. De contacten met het European SchoolNet (EUN) werden versterkt, ook op het gebied van inhoudelijke ontwikkeling. Eveneens werd de inbreng in de expertgroepen «e-Learning» en «Ict in Education» van de Europese Commissie geïntensiveerd. De internationale contacten die door verschillende geledingen van het onderwijs zijn aangegaan zoals onder a. beschreven zijn door onze bemiddelende en faciliterende activiteiten gerealiseerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De gerealiseerde uitgaven bedroegen € 157 000,–. De realisatie is € 0,3 miljoen lager dan eerder geraamd, omdat de benodigde uitgaven minder bleken te zijn dan aanvankelijk bedacht.

10.2.1.8 Het volgen van vorderingen van ict in het onderwijs en onderzoek naar de mogelijkheden

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de grote beleidsruimte voor de scholen in het ict beleid wordt grote waarde gehecht aan het monitoren van de ontwikkelingen in het veld.

Het volgen van ict vorderingen in het onderwijs wordt gemeten door middel van de quick scan. De quick scan dient meerdere doelen. Ten eerste wordt met de informatie uit de quick scan voldaan aan de jaarlijkse verantwoordingsplicht richting Tweede Kamer (representatief beeld van de stand van zaken rondom ict in het onderwijs). Ten tweede is het mogelijk om (licht) evaluatieve uitspraken te doen rondom de ontwikkelingen van ict in het onderwijs door de jaren heen (VBTB). Ten derde levert het ook aanknopingspunten voor beleid (waar moet de nadruk op komen te liggen) en ten vierde kan het instrument als benchmark voor de scholen gebruikt worden.

Het volgen van vorderingen van ict in het onderwijs en onderzoek naar de mogelijkheden van ict is grotendeels geregeld in de joint venture die tussen het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs in 2000 is afgesloten. Medio 2003 is de joint venture met succes afgerond. Daarom is er aansluitend een nieuwe samenwerkingsovereenkomst gesloten tot eind 2005.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In maart 2003 zijn de resultaten gepubliceerd van de vijfde meting van de ict-onderwijsmonitor (2002–2003). Voor deze meting was, na consultatie van betrokkenen uit het onderwijsveld en het departement, in 2002 een nieuwe opzet vastgesteld waarin kwantitatieve (ICT in cijfers) en kwalitatieve dataverzameling zijn gecombineerd.

In 2003 is besloten de ict-onderwijsmonitor te beperken tot een kwantitatieve quick scan. Medio 2003 is dit rapport «ICT in cijfers 2003–2004» gepubliceerd en aan de Tweede Kamer aangeboden. Naast deze quick scan zijn er in 2003 vijf thematische studies gestart, die mei 2004 worden afgerond.

Verder zijn er in 2003 enkele deelonderzoeken van de ict-onderwijsmonitor Hoger Onderwijs afgerond evenals het onderzoek naar «De nieuwe leraar». In 2003 is een vervolg op het onderzoek «De nieuwe leraar» gestart.

De Inspectie heeft verder bundels Ict-schoolportretten gepubliceerd onder de titels: Zoektocht naar nieuwe rollen, taken en functies, Internationaliseren, Cultuur, Beroepsgerichte vakken in technisch onderwijs, Miniaturen en Slash 21, Scholen opnieuw en Lokale samenwerking Den Haag. Ook zijn bundels verschenen over beleid en praktijk in Canada en Schotland, evenals de vertalingen in Frans en Engels.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan het meten van de vorderingen in het onderwijs is in 2003 een bedrag van € 0,6 miljoen besteed. De uitputting van de begroting is conform de voorgenomen bestedingen gegaan. Daarnaast is een bedrag van € 0,6 miljoen aan de Inspectie betaalbaar gesteld via het begrotingsartikel 21.04.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Ict-onderwijsmonitor 2001–2002;

• ICT in cijfers 2002–2003 primair onderwijs, voortgezet onderwijs, lerarenopleidingen, basisonderwijs;

• ICT in cijfers 2002–2003 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;

• ICT in cijfers 2002–2003 lerarenopleidingen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;

• Voortgangsrapportage Ict in het onderwijs (maart 2002–maart 2003), 16 april 2003, kamerstuk 25 733, nr. 91.

10.2.2 Decentraal beleid

In de begroting 2003 is dit de overzichtsconstructie informatie- en communicatietechnologie.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De integratie van ict in het onderwijs is vooral een zaak van de scholen. De overheid zorgt voor een aantal voorzieningen en voor structurele middelen. De koopkracht van de scholen in po, vo en bve bestaat uit de ict-bijdrage per leerling. In 2003 was deze ongeveer € 60 per leerling.

De scholen hebben vrijheid bij de besteding van de voor ict toegekende middelen. De exacte omvang van de gerealiseerde uitgaven aan ict is dan ook niet te geven. De Inspectie controleert de kwaliteit van het onderwijs, en aan de hand van de jaarlijkse ict-onderwijsmonitor wordt verantwoording aan de Tweede Kamer en anderen afgelegd.

In onderstaande tabel wordt op basis van de ict-onderwijsmonitor een overzicht gegeven van de streefwaarden en realisaties in de schooljaren 2001–2002 en 2002–2003.

Deze streefwaarden betreffen een inschatting waarover geen afspraken zijn gemaakt met het onderwijsveld.

Tabel 10.6: kengetallen (realisatiecijfers) en streefwaarden ict in het onderwijs
Kengetallen/Streefwaarden*BasisonderwijsVoortgezet onderwijsBeroepsonderwijs en volwasseneneducatieLerarenopleidingen basisonderwijs
 01/0202/0301/0202/0301/0202/0301/0202/03
Ict-investeringsplan(75) 76(75) 83(87) 86(88) 90(58) 59(59) 60(88) 70(88) 76
Redelijk tot sterke bijdrage van ict aan realisatie van onderwijskundige doelen51
Ict-vaardigheden van leraren (in %)        
Basisvaardigheden(72) 64(76) 73(83) 73(85) 72(77) 52(80) 56(85) 96(86) 83
Didactische vaardigheden(18) 61(20) 67(26) 43(28) 42(29) 32(30) 36(38) 51(40) 54
Ict-infrastructuur        
Leerling-computerratio(10) 8,1(10) 7,2(12) 9,7(11) 9,2(10) 7,2(9) 7,5(10) 6.5(9) 8.3
Leerling-internetratio17,310,78,3
Toegang tot internet (in %)**(47) 68(50) 73(81) –(80) 92(75) –(80) –(100) –(100) –

Bron: schooljaar 2001–2002: Ict in cijfers, ict-onderwijsmonitor 2001–2002.

Bron: schooljaar 2002–2003: Ict in cijfers, ict-onderwijsmonitor 2002–2003.

*De waarden die tussen haakjes staan, zijn streefwaarden die in de begroting 2003 zijn opgenomen voor de schooljaren 2001–2002 en 2002–2003.

**De toegang tot internet in % betreft het percentage computers voor onderwijsdoeleinden met een internetaansluiting.

Met de wijziging van de beleidsfocus van de implementatie van ict naar de toepassing van ict in het onderwijs is ook de ict-onderwijsmonitor daarop aangepast. Een aantal kengetallen, die sinds 1997 waren gevolgd, zijn in de laatste versie niet meer opgenomen. Dit is gedaan omdat de gegevens niet meer aansluiten bij de huidige ontwikkelingen (e-mailvaardigheden van leerlingen, aanwezigheid ict-beleidsplan), omdat doelen zijn gerealiseerd (100% computergebruik door docenten), of omdat vragenlijsten niet zijn gestuurd vanwege ontlasting van het onderwijsveld (opvatting leraren bij ict-gebruik verbeteren leerprestaties, opvatting leraren ict stimuleert samenwerking tussen leerlingen, ict-vaardigheden leerlingen internet, computergebruik door leerlingen).

Daarentegen zijn er twee nieuwe kengetallen opgenomen die meer aansluiten bij de huidige ontwikkelingen, namelijk de mate waarin ict heeft bijgedragen aan de realisatie van onderwijskundige doelen en de leerling-internetratio.

In de begroting van 2003 is voor de studiejaren 2001–2002 en 2002–2003 een aantal streefwaarden opgesteld. Geconcludeerd kan worden dat de meeste streefwaarden (ruim) voldoende zijn gehaald.

Een uitzondering daarop lijkt het percentage leraren dat ict-basisvaardig is. Dit heeft te maken met het besluit om het percentage leraren dat in geringe mate de ict-basisvaardigheden beheerst niet mee te tellen. Indien dat wel gedaan wordt, liggen de percentages veel hoger.

Primair onderwijs

Een belangrijk deel van de leraren is een gevorderd gebruiker van ict. De infrastructuur is op orde, maar er blijft behoefte aan investeringen, onder andere om aan de vervangingsvraag tegemoet te komen.

Er is ruim voldoende draagvlak voor ict bij leraren. Leraren zijn over het algemeen ict-basisvaardig en een belangrijk deel van de leraren is volgens de ict-coördinatoren voldoende in staat om ict didactisch in te zetten.

(Bron: ICT in cijfers, Ict-onderwijsmonitor schooljaar 2002–2003).

Voortgezet onderwijs

De meeste docenten in het voortgezet onderwijs kunnen omgaan met de computer. Opvallend is de stijging van het percentage leraren dat de vaardigheden beheerst om ict ook didactisch in te zetten. Ook de infrastructuur is verder verbeterd. Voor elke 9 leerlingen is inmiddels een computer beschikbaar. Voor elke 11 leerlingen is een computer met internetverbinding beschikbaar. (Bron: Ict-onderwijsmonitor 2002–2003).

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

In 2002–2003 is er in de bve-instellingen gemiddeld per zeven à acht deelnemers een computer beschikbaar. Dat vindt men toereikend, al zou men buiten de instelling betere toegang willen hebben tot internet en e-mail. De ict-basisvaardigheden van meer dan de helft van de docenten zijn op orde. De vaardigheden om ict didactisch in te zetten zijn nog onderontwikkeld, net zoals de daadwerkelijke inzet van ict in het onderwijs en bij de beroepspraktijkvorming.

Hoger onderwijs

Het ministerie van OCW subsidieert de digitale universiteit en het educatiefonds van stichting Surf. De digitale universiteit is een initiatief van een consortium van hogescholen en universiteiten. De digitale universiteit ontwikkelt en exploiteert elektronische leeromgevingen in het hoger onderwijs en implementeert deze innovaties.

Uit een evaluatie is gebleken dat zowel Surf als de digitale universiteit voldoende tot goed functioneren, maar dat een betere samenwerking gewenst is. Inmiddels komt deze samenwerking van de grond, onder meer door de gezamenlijke oprichting van Espelon waarlangs bijvoorbeeld e-learningproducten op de markt worden gebracht.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De scholen in het primair onderwijs hebben een structurele vergoeding per leerling ontvangen voor de integratie van ict in het onderwijs. In het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie is dit gerealiseerd via bijdragen aan de lumpsum. Daarnaast hebben de scholen in het po, vo en bve een vergoeding ontvangen voor de aansluiting op het Kennisnet-netwerk.

Surf-educatief en de digitale universiteit hebben subsidie van OCW gekregen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 kregen alle basisscholen en speciale scholen voor het basisonderwijs een structurele bijdrage van € 64,21 per leerling voor ict en € 5,96 voor Kennisnet. Voor speciaal onderwijs ontvangen scholen gedifferentieerde bedragen. De hoogte van die bedragen is afhankelijk van de soort handicap van de leerling. Bij basisonderwijs en speciaal onderwijs maakt de ict-vergoeding deel uit van de exploitatievergoeding (materiële instandhouding).

In 2003 zijn de volgende bedragen aan de scholen in het primair onderwijs vergoed:

Tabel 10.7: ict-vergoeding inclusief prijscompensatie (x € 1 miljoen)
Basisonderwijs en speciaal basisonderwijs 
ICT106
Kennisnet10
(Voortgezet) speciaal onderwijs 
ICT3
Kennisnet1
Totaal120

De ict-vergoeding voor het voortgezet onderwijs bedraagt € 57,86 per leerling. Hiermee is een bedrag gemoeid van circa € 52 miljoen. De exacte omvang van dit budget is niet te geven omdat de ict-vergoeding integraal is opgenomen in de reguliere bekostiging (lumpsum). Daarnaast is de koopkracht van de scholen in 2003 met € 9,4 miljoen verhoogd in verband met de bijdrage kennisnet.

Voor het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (€ 23 miljoen) is de ict-vergoeding opgenomen in de reguliere bekostiging via de lumpsum. Tevens is een aanvullende vergoeding voor de bijdrage kennisnet verstrekt van € 11 miljoen.

Aan het hoger onderwijs is een vergoeding gegeven van € 11,3 miljoen voor de digitale universiteit en € 6,8 miljoen voor het SURF educatiefonds.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief van 11 december 2003 (HBO/AS/2003/53911) over de resultaten van de evaluatie van het Surf Educatiefonds.

10.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 10.8: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen15 88058 991102 026127 7158 755138 816– 130 061
Waarvan garantieverplichtingen      
Uitgaven15 88058 537102 02679 269101 290138 816– 37 526
Het faciliteren van scholen bij integratie van ict    72 133107 429– 35 296
Het stimuleren van samenwerking    2 7222 7220
Beschikbaarstellen onderwijskundig materiaal    18 60018 6000
• BVE net: € 2,042 miljoen, t.l.v. artikel 4.03     
• Authenticatie en autorisatiedienst (Entree)    1 8601 8600
Open Source/Open Standaarden    210210
Beschikbaarheid educatief materiaal    1 1713 500– 2 329
Gebruik ict als onderwijsmiddel    3 6482 5001 148
Participatie bedrijfsleven    23455– 432
Ict en internationaal    157450– 293
Meten van vorderingen van ict in het onderwijs    6511 300– 649
Onderwijsinspectie: € 668 000, t.g.v. artikel 21.01     
Overige activiteiten    115115
Ontvangsten 58 99158 99147 91848 22045 3782 842

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

11. STUDIEFINANCIERINGSBELEID

11.1 Algemene beleidsdoelstelling

Studiefinanciering is een zaak van drie partijen: de overheid, studenten en hun ouders. Alle drie leveren ze een onmisbare bijdrage. De overheid zet de middelen voor studiefinanciering in op een zodanige wijze, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van degene die voor studiefinanciering in aanmerking komt, wordt een tegenprestatie verwacht.

11.2 Stelsel

De middelen die de overheid voor studiefinanciering beschikbaar stelt, zijn zowel voor een bijdrage in de kosten die direct samenhangen met het volgen van onderwijs, als voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud.

Het beleid richt zich daarbij op de volgende doelgroepen:

• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;

• studenten in het hoger beroepsonderwijs;

• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.

Het beleid is vastgelegd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), die sinds 1 september 2000 van kracht is.

Hierin hebben studenten ruime mogelijkheden om hun studiefinanciering flexibel op te nemen. Zo kunnen studenten tot aan 30-jarige leeftijd hun studiefinanciering opnemen, en is de diplomatermijn 10 jaar.

Onderdeel van de studiefinanciering is de reisvoorziening. Met deze reisvoorziening wordt beoogd bij te dragen in de reiskosten van studenten.

Vanaf januari 2003 is een nieuw contract voor onbepaalde tijd met de vervoersbedrijven afgesloten in verband met de ov-studentenkaart.

In de WSF 2000 is exact beschreven welke bijdragen de overheid aan studerenden beschikbaar stelt en aan welke voorwaarden studerenden moeten voldoen om voor studiefinanciering in aanmerking te komen.

Maandbudget

Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs voor iedereen, een aanvullende beurs die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen en (eventueel) een rentedragende lening. Samen is dit het maandelijkse normbudget. Dit maandbudget is opgebouwd uit componenten voor de kosten van levensonderhoud, kosten voor boeken en leermiddelen, kosten van de onderwijsbijdrage en ziektekosten. Ook een reisvoorziening vormt onderdeel van het normbudget.

De diverse normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd.

Voor 2003 staan in tabel 11.1 de belangrijkste normbedragen vermeld.

Tabel 11.1: Normbedragen WSF 2000 per maand in euro's (per 1 januari 2003 en 1 augustus/september 2003)
 1-1-20031-8/9-2003
Wo en hbo  
Basisbeurs  
– thuiswonend71,7071,70
– uitwonend220,78220,78
Maximale aanvullende beurs226,90231,00
Rekenmaximum rentedragende lening245,04245,04
Maximaal normbudget692,72696,82
Bol  
Basisbeurs  
– thuiswonend54,0354,03
– uitwonend203,11203,11
Maximale aanvullende beurs306.88309,46
Rekenmaximum rentedragende lening134,02134,02
Maximaal normbudget644,01646,59

Aantallen studiefinancieringsgerechtigden

De toegankelijkheid van het onderwijs wordt gewaarborgd door een basisbeurs voor iedereen.

De doelstelling dat het onderwijs ook voor mensen met een lager inkomen toegankelijk is, komt in het studiefinancieringsstelsel tot uiting in de verstrekking van de aanvullende beurs.

In tabel 11.2 worden de aantallen, zoals die zijn vermeld in de begroting 2003, vergeleken met de gerealiseerde aantallen over het jaar 2003.

Tabel 11.2: Aantallen studiefinancieringsgerechtigden
 Begroting 2003Realisatie 2003
Basisbeursgerechtigden wo95 09099 490
– waarvan prestatiebeurs95 09097 321
– waarvan tempobeurs*02 169
Basisbeursgerechtigden hbo206 818205 405
– waarvan prestatiebeurs206 818203 774
– waarvan tempobeurs*01 631
Basisbeursgerechtigden bol157 930164 257
Totaal459 838469 152
Aanvullende beursgerechtigden  
– wo27 31124 315
– hbo86 22073 228
– bol88 10184 940
Totaal201 632182 483

*Tempobeursgerechtigden zijn vanaf 2003 vanwege het geringe aantal niet meer in de raming opgenomen.

Bovengenoemd aantal aanvullende beursgerechtigden kan worden uitgedrukt in een percentage van het aantal basisbeursgerechtigden. Tabel 11.3 geeft de gerealiseerde percentages weer ten opzichte van de percentages zoals in de begroting 2003 vermeld.

Tabel 11.3: Percentage aanvullende beursgerechtigden t.o.v. de basisbeurs
 Begroting 2003*Realisatie 2003
Wo2924
Hbo4236
Bol5652
Totaal4439

*Dit is het in 2001 gerealiseerd percentage.

Het percentage aanvullende beursgerechtigden wordt vooral bepaald door de hoogte van het ouderlijk inkomen. Waar het totaal aantal basisbeursgerechtigden met ruim 9 000 is toegenomen is het aantal aanvullende beursgerechtigden in 2003 met ruim 19 000 gedaald in vergelijking met de raming (zie tabel 11.2). Dit is eveneens zichtbaar in tabel 11.3.

Waar de raming gebaseerd is op de realisatiecijfers 2001, kan uit de daling worden geconstateerd dat blijkbaar het ouderlijk inkomen (bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs) relatief gezien gestegen is.

Tabel 11.4: Percentage uitwonende beursgerechtigden
 Begroting 2003Realisatie 2003
Wo7772
Hbo5046
Bol2526
Totaal4744

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de gerealiseerde percentages uitwonende beursgerechtigden in 2003 lager zijn dan wat in de begroting werd geraamd. De begroting is gebaseerd op de realisaties in eerdere jaren. Voor deze daling is geen duidelijke verklaring beschikbaar. Dit komt voor bij het wetenschappelijk onderwijs (wo) en hoger beroepsonderwijs (hbo). Bij de beroepsopleidende leerweg (bol) ligt dit gerealiseerde percentage iets hoger. Het percentage uitwonenden is van belang bij (de raming van) de uitgaven voor de basisbeurs, die voor uitwonenden hoger is dan voor thuiswonenden.

Tabel 11.5: Aantal gerechtigden ov-studentenkaart
 Begroting 2003Realisatie 2003
Wo119 560129 659
Hbo219 890233 967
Bol157 930164 257
Totaal497 380527 883

Het totaal aantal ov-kaartgerechtigden bestaat uit degenen die recht hebben op een basisbeurs én degenen die uitsluitend recht hebben op een rentedragende lening. Het gerealiseerde aantal ov-kaartgerechtigden in 2003 is voor een deel hoger dan de raming als gevolg van een hoger aantal basisbeursgerechtigden (zie tabel 11.2). Het grootste deel betreft het hoger aantal studenten in het hoger onderwijs dat alleen recht heeft op een rentedragende lening. In 2002 en 2003 is dit aantal fors gestegen ten opzichte van voorgaande jaren, doordat studenten vanaf dat moment één jaar minder recht op een basisbeurs hebben dan daarvoor. Ten tijde van het opstellen van de begroting (in 2001) was deze stijging in 2003 niet voldoende voorzien.

Rentedragende leningen

Naast een basisbeurs voor iedereen en een aanvullende beurs, die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen, kan de student zijn maandbudget verruimen door naast de studie te gaan werken of een rentedragende lening op te nemen.

Het verschil tussen het normbudget enerzijds en het totaal van de ontvangen basisbeurs en aanvullende beurs anderzijds, bepaalt het maximaal op te nemen bedrag aan rentedragende lening. Voor studenten in het hoger onderwijs die geen recht meer hebben op een basisbeurs geldt een vast bedrag dat maximaal geleend kan worden.

Met de invoering van de prestatiebeurs in 1996 is het aantal jaren dat een student recht heeft op een basisbeurs gelijkgesteld aan het aantal jaren dat zijn opleiding formeel duurt. Nadat een student zijn basisbeursrechten heeft verbruikt, heeft hij nog drie jaar recht op een rentedragende lening. De opgenomen lening kan worden uitgedrukt als percentage van het maximum te lenen bedrag.

Tabel 11.6 geeft de gerealiseerde percentages over 2003 weer ten opzichte van de percentages zoals die in de begroting 2003 staan vermeld.

Er wordt steeds meer geleend. In 2001 was dit nog totaal € 398,7 miljoen, in 2002 € 477,9 miljoen en in 2003 € 578,6 miljoen. Nader onderzoek is aanbesteed om de oorzaken van de stijging van het leenvolume in kaart te brengen. Uit de tabel valt op te maken dat dit zich voordoet bij het wo en in iets mindere mate bij het hbo. Het percentage opgenomen leningen bij de bol is ongewijzigd gebleven.

Tabel 11.6: Percentage opgenomen reguliere rentedragende leningen
 Begroting 2003Realisatie 2003
Wo3848
Hbo1923
Bol77
Totaal2124

11.3 Operationele doelstellingen

11.3.1 Internationalisering; grenslandenbeleid hoger onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De in de begroting aangekondigde voornemens om de studiefinanciering op internationaal gebied flexibeler te maken zijn uitgesteld als gevolg van ontwikkelingen binnen de Europese Unie. Door uitspraken van het Europees Hof van Justitie en steeds verdergaande invulling van het begrip «Europees burgerschap» kan een toenemend aantal EU-onderdanen aanspraak maken op de Nederlandse voorzieningen voor studiefinanciering. Vanwege de financiële risico's, met name op het gebied van onbedoeld gebruik, is besloten deze problematiek op Europees niveau te agenderen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Als gevolg van het arrest Meeusen is de WSF 2000 in 2003 aangepast. Dit betreft vooral het schrappen van de woonplaatsvereiste.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Er zijn geen extra kosten gemaakt (met het arrest Meeusen was al rekening gehouden in de uitvoeringspraktijk).

11.3.2 WSF 2000; Amvb kwijtschelding aanvullende beurs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Ja. Bij de behandeling van de volledig herziene WSF 2000 heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) te regelen dat niet tijdig afgestudeerde studenten al naar gelang hun draagkracht na hun studie in aanmerking komen voor volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van hun studieschuld uit hoofde van de aanvullende beurs. Effect van deze maatregel is dat studenten met een aanvullende beurs die uiteindelijk geen diploma halen ongeveer dezelfde uitgangssituatie hebben als ze de arbeidsmarkt betreden als studenten zonder aanvullende beurs die het diploma niet behalen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met kwijtschelding van de aanvullende beurs is, zoals beoogd, in werking getreden per 1 januari 2003. Zoals in de toelichting bij de amvb is vermeld wordt pas feitelijk kwijtgescholden per 1 januari 2006. De eerste aanvragen hiertoe zullen vanaf 1 november 2005 in behandeling worden genomen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 zijn hiervoor nog geen kosten gemaakt.

11.3.3 Meeneembare studiefinanciering in de bol

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De pilot meeneembare studiefinanciering in de beroepsopleidende leerweg (bol) zal onderdeel gaan uitmaken van het traject om rechten en plichten van deelnemers in het mbo te versterken, zoals inmiddels staat aangekondigd in de begroting 2004. Planning is dat de pilot tegelijk met de invoering van de prestatiebeurs in het mbo met ingang van 1 augustus 2005 in werking zal treden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Studenten in het hoger onderwijs hebben de mogelijkheid om in grenslanden een studie te volgen met behoud van studiefinanciering. Ook op dit punt worden de rechten van deelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs meer in overeenstemming gebracht met die van studenten in het hoger onderwijs.

Als concrete maatregel creëert het kabinet met een pilot de mogelijkheid om met behoud van studiefinanciering in Vlaanderen, Duitsland en Engeland mbo-opleidingen te volgen in de sectoren gezondheid en welzijn (ovdb), metaal en elektro (som), economie en administratie (ecabo). Tevens wordt de mogelijkheid geboden tot het volgen van unieke opleidingen die niet in Nederland worden gegeven, maar wel elders in de Europese economische ruimte.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2003 waren hier nog geen kosten mee gemoeid.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief van 31 oktober 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 17.

11.3.4 Bachelor-mastermodel voor de studiefinanciering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De bachelor-masterstructuur is op 1 september 2002 ingevoerd in het hoger onderwijs. De invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs betekende voor de studiefinanciering twee relevante wijzigingen. Allereerst heeft de student de mogelijkheid om na het behalen van zijn bachelor in het wetenschappelijk onderwijs zijn voorlopige lening om te laten zetten in een gift. Ook kunnen resterende studiefinancieringsrechten ingezet worden voor postinitiële opleidingen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ja, met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs op 1 september 2002 zijn deze wijzigingen geëffectueerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De verwachting is dat de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs voor de studiefinanciering beperkte effecten zal hebben, die per saldo budgettair neutraal uitwerken. In 2003 zijn geen budgettaire effecten opgetreden.

11.3.5 Koppeling van WSF 2000-bestand aan GBA

Met ingang van het studiejaar 2002/2003 is er een koppeling gelegd tussen de adresgegevens van de studerenden zoals zij deze aan de IB-Groep verstrekken en de adressen waar zij staan ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Deze koppeling geldt voor studerenden die voor het eerst op of na 1 september 2002 studiefinanciering ontvingen. Voor uitwonende studerenden is er een prikkel ingebouwd: als die studerenden niet zorgen dat beide adressen aan elkaar gelijk zijn, wordt de uitwonende beurs omgezet in een thuiswonende beurs.

Het doel van deze koppeling aan de GBA is in de eerste plaats om ervoor te zorgen dat studenten zich correct in de GBA inschrijven. Ook kan op deze manier misbruik en oneigenlijk gebruik worden voorkomen. Aan de hand van de GBA inschrijvingen van de studerende en van zijn ouders kan gecontroleerd worden of de studerende niet ten onrechte een beurs voor uitwonenden heeft ontvangen.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Ja. Op 1 juli 2003 stond één procent van de groep (1 188 van 105 833 studenten) niet goed ingeschreven, waardoor voor deze groep voor een totaal bedrag van € 0,4 miljoen op de studiefinanciering is gekort. Dit is een grote verbetering ten opzichte van de eerste bestandsvergelijking in december 2002, toen zeven procent (6 283 van 89 756 studenten) niet goed ingeschreven stond.

De GBA-adressen van studenten en hun ouders zijn tevens gebruikt voor de uitwonendencontrole. De nieuwe, aangescherpte controleaanpak is in de huidige vorm door de rechter in kort geding afgewezen, omdat deze aanpak niet vooraf bekend was gemaakt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ja. Met ingang van het studiejaar 2002/2003 zijn de adresgegevens van de studerende van de IB-Groep gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten zijn onderdeel van de reguliere uitvoeringskosten van de IB-Groep.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brief van 15 april 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken 2002/2003, 24 724 nr. 62),

• Brief van 19 augustus 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken 2002/2003, 24 724 nr. 63),

• Brief van 2 oktober 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (onbekend).

11.3.6 Commissie uitgangspunten nieuw studiefinancieringsstelsel (Cuns)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de begroting 2003 is aangekondigd dat een commissie wordt ingesteld om een studie te verrichten naar een passend stelsel voor studiefinanciering. Een stelsel dat recht doet aan verregaande differentiatie en flexibilisering binnen het hoger onderwijs en de internationale mobiliteit van studenten. De Commissie uitgangspunten nieuw studiefinancieringsstelsel heeft ontwikkelingen geïnventariseerd die de structuur van het huidige stelsel van studiefinanciering aantasten en randvoorwaarden geformuleerd voor een nieuw stelsel van studiefinanciering en op basis daarvan een brede verkenning verricht naar stelsels van studiefinanciering.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Op 13 december 2002 is de Commissie uitgangspunten nieuw studiefinancieringsstelsel ingesteld onder voorzitterschap van de heer prof. dr. W. A. Vermeend. Studentenvakbonden, politieke jongerenorganisaties, experts en ambtenaren hadden zitting in deze commissie. De commissie heeft op 30 oktober 2003 haar rapport aangeboden aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In 2004 (vóór de begrotingsbehandeling 2005) zal een uitgebreide reactie op het rapport worden gegeven.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Vooraf werd een bedrag van € 300 000,– geraamd als kosten voor de commissie. De gerealiseerde uitgaven voor de commissie bedroegen € 297 500,–.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Het «rapport Cuns» is met brief SFB/2003/52 265 van 30 oktober 2003, van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

• Brief SFB/2003/52804 van 4 november 2003 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken 2003/2004, 24 724 nr. 64).

11.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  1 987 4901 804 2542 318 8452 143 623175 222
– waarvan garanties  00000
Uitgaven  1 987 4901 804 2542 318 8452 143 623175 222
        
Waarvan relevante uitgaven:  1 173 700920 5031 326 4181 325 1191 299
11.1 Basis- en aanvullende beurs  854 077840 501956 9431 009 079– 52 136
11.2 Reisvoorziening  251 21229 887287 439238 08649 353
11.3 Overige uitgaven  68 41150 11582 03677 9544 082
        
Waarvan niet-relevante uitgaven:  813 790883 751992 427818 504173 923
11.4 Prestatiebeurs  415 089405 823413 803357 72956 074
11.5 Reguliere rentedragende lening  398 701477 928578 624460 775117 848
Ontvangsten  331 928332 613356 483331 30925 174
waarvan:       
11.1 Relevant studiefinanciering  254 541245 571251 756233 72918 027
11.2 Niet-relevante studiefinanciering  77 38787 042104 72797 5807 147

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

12.1 Algemene beleidsdoelstelling

Schoolgaande kinderen kosten geld. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat er geen financiële drempel bestaat voor het volgen van onderwijs. De toegankelijkheid wordt erdoor gewaarborgd.

Het beleid richt zich daarbij op de volgende doelgroepen:

• Ouders van leerlingen tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (afgekort TS17-). Voor deze doelgroep is een lesgeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten beschikbaar, afhankelijk van het inkomen van de ouder(s), de leeftijd van de kinderen en de schoolsoort.

• Leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (afgekort VO18+). Alle leerlingen in deze doelgroep hebben recht op een basistoelage. Daarnaast kunnen zij, afhankelijk van het inkomen van de ouder(s), een lesgeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten ontvangen.

• Leerlingen van 18 jaar en ouder die ofwel een lerarenopleiding in het hoger onderwijs volgen ofwel (deeltijd) voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen en die geen recht (meer) hebben op WSF (afgekort TS18+). Afhankelijk van het eigen inkomen ontvangt deze doelgroep een les- of collegegeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten.

12.2 Het stelsel

12.2.1 Toegankelijkheid

Door uitbreiding naar inkomensgroepen met een hoger belastbaar inkomen (voor 2003 is deze grens geïndexeerd tot circa € 27 000,–), invoering van de glijdende inkomensschaal en verhoging van de normvergoedingen vormt de WTOS een aanzienlijke verruiming ten opzichte van de WTS, die tot schooljaar 2000 – 2001 van kracht was. Daardoor is de toegankelijkheid meer gewaarborgd.

In de diverse hoofdstukken van de WTOS staat exact beschreven om welke tegemoetkomingen het gaat en aan welke voorwaarden voor tegemoetkoming moet worden voldaan.

Normen

De genormeerde tegemoetkomingen voor de diverse groepen van leerlingen/studenten zoals die groepen bij 12.1 zijn beschreven, worden jaarlijks geïndexeerd.

In onderstaande drie tabellen staan de normen aangegeven die voor het school/studiejaar 2002–2003 en 2003–2004 zijn gehanteerd voor de hoofdstukken III, IV en V van de WTOS.

Tabel 12.1: Normbedragen WTOS hoofdstuk III (TS17-) in euro's
Schooljaarvo-onderbouwvo-bovenbouwbol(v)so
Schooljaar 02/03*    
Schoolkosten517,16586,93866,440
Onderwijsbijdrage885,00885,00885,00885,00
Schooljaar 03/04**    
Schoolkosten540,90613,87906,210
Onderwijsbijdrage916,00916,00916,00916,00

*het betreft de normbedragen tot een belastbaar inkomen van € 25 748,40 over het peiljaar 2000.

**het betreft de normbedragen tot een belastbaar inkomen van € 26 966,30 over het peiljaar 2001.

NB: lesgeldvergoeding wordt uitsluitend toegekend aan lesgeldplichtige studerenden.

Tabel 12.2: Basistoelage per maand WTOS hoofdstuk IV (VO18+) in euro's
Kalenderjaar 2003vo(v)so
Uitwonenden211,40211,40
Thuiswonenden90,6890,68
Tabel 12.3 Normbedragen WTOS hoofdstuk V (TS18+) in euro's
 Lesminuten per weekVavoho (tlo)
Schooljaar 2002/2003   
Schoolkosten270–540 min162,31563,04
 > 540 min240,91 
Onderwijsbijdrage270–540 min182,40567,23
 > 540 min273,60 
Schooljaar 2003/2004   
Schoolkosten270–540 min169,76588,84
 > 540 min251,97 
Onderwijsbijdrage270–540 min188,80567,23
 > 540 min283,20 

Aantallen WTOS-gerechtigden

In tabel 12.4 worden de aantallen WTOS-gerechtigden voor de hoofdstukken III, IV en V vermeld, zoals die staan opgenomen in de begroting 2003 en vergeleken met de realisatie over het jaar 2003.

Tabel 12.4: Aantallen WTOS-gerechtigden
 Begroting 2003Realisatie 2003
TS17-358 222367 245
– waarvan vo289 603294 109
– waarvan bol68 61973 136
VO18+23 75327 119
– waarvan (v)so2 0341 680
– waarvan vo21 71925 439
TS18+5 98716 999
– waarvan vo9892 737
– waarvan hbo (tlo)4 99814 262
Totaal387 962411 363

Ten opzichte van de begroting 2003 wijkt het gerealiseerde totaal aantal rechthebbenden 23 401 af. Behalve bij de VO18+, onderdeel voortgezet speciaal onderwijs ((v)so), zijn bij alle WTOS-regelingen de aantallen WTOS-gerechtigden in de diverse onderwijssoorten hoger dan oorspronkelijk geraamd. Dit verschil in gerechtigden wordt vooral verklaard door een hoger dan geraamd totaal aan leerlingen in de betreffende onderwijssoorten.

Vooral bij de TS18+ -gerechtigden in het hbo (studerend aan lerarenopleidingen die geen gebruik van de WSF kunnen maken; TLO) verschilt de realisatie aanzienlijk met de raming voor 2003. Er is sprake van aanzienlijk meer toekenningen dan geraamd in het studiejaar 2003–2004, terwijl het aantal toekenningen voor het studiejaar 2002–2003 ook nog fors is toegenomen. De verruiming van de regeling heeft bijgedragen aan deze toename.

12.3 Operationele doelstellingen

12.3.1 Onderzoek beheersing schoolkosten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Toegezegd is dat in 2003 een onderzoek zou worden uitgevoerd naar de hoogte van de schoolkosten in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs.

Dit onderzoek geeft inzicht in de ontwikkeling van de schoolkosten in de periode 2001–2003.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het onderzoek naar de hoogte van de schoolkosten is in de tweede helft van 2003 aanbesteed. Eind januari 2004 zal het onderzoek worden afgerond.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Kosten voor het onderzoek bedroegen volgens verwachting € 44 000,–.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief van SFB/2003/7748 van 10 maart 2003 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

12.3.2 Tegemoetkoming lerarenopleidingen (tlo)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is om de drempel voor potentiële studenten aan de lerarenopleiding te verlagen om deze opleiding te volgen. Uit een evaluatieonderzoek van de Regeling tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo is onderdeel van de TS 18+) dat in 2003 heeft plaatsgevonden, is gebleken dat de doelgroep de tegemoetkoming waardeert. Voor 29% van de studenten is de tlo van (zeer) grote invloed op de studiekeuze; 11% geeft aan dat ze hadden afgezien van de studie als ze niet in aanmerking waren gekomen voor de tegemoetkoming.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Naar aanleiding van de evaluatie is besloten om de beleidsregel die het partnerinkomen buiten beschouwing laat vanaf schooljaar 2004–2005 met vier jaar te verlengen. Verder blijft de tegemoetkoming lerarenopleiding gelijk.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het toenemende gebruik van de regeling en daarmee de extra uitgaven passen in de beleidsdoelstelling.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief van SFB/2003/56 817 van 19 december 2003 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

12.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  331 329347 751363 174361 7771 397
– waarvan garanties  00000
Uitgaven  331 329347 751363 174361 7771 397
– TS 17-  276 593289 263294 558307 869– 13 311
– VO 18+  48 78348 42550 13348 4461 687
– TS 18+  5 2759 05917 5304 83712 693
Niet relevante uitgaven  6781 004953625328
Ontvangsten  14 79213 02510 43613 835– 3 399

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

13. LESGELDEN

13.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het volgen van kwalitatief goed onderwijs kost geld. Omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers draagt de overheid een deel van deze kosten. Het individu heeft ook profijt van scholing. Daarom vraagt de overheid aan leerlingen die niet meer volledig leerplichtig zijn een bijdrage in de kosten in de vorm van lesgeld. Tot de doelgroep behoren de ouders/leerlingen van 16 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg.

13.2 Stelsel

In de Les- en cursusgeldwet (LCW) is bepaald vanaf welke leeftijd leerlingen in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg lesgeldplichtig zijn.

Daarnaast is in de LCW vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het les- en cursusgeld wordt vastgesteld.

Lesgeldplichtigen zijn (de wettelijke vertegenwoordigers van) leerlingen van 16 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg.

Hoogte van het lesgeld

Vanaf het schooljaar 2000–2001 wordt voor de bepaling van de hoogte van het lesgeld aangesloten bij de algemene prijsontwikkeling.

Tabel 13.1: Lesgeldbedrag in euro's
 2002/20032003/2004
Lesgeld885,00916,00

Het vermelde lesgeld in de ontwerpbegroting 2003 voor het schooljaar 2003/2004 was € 903,00. Dit betrof een raming. Voor het schooljaar 2003/2004 is het lesgeldbedrag in het najaar van 2002 (op basis van de algemene prijsontwikkeling in de periode 2001–2002) vastgesteld op € 916,00.

Lesgeldplichtigen

In tabel 13.2 worden de aantallen lesgeldplichtigen vermeld zoals die staan opgenomen in de begroting 2003 vergeleken met de realisatie over het jaar 2003.

Tabel 13.2: Aantallen lesgeldplichtigen
 BegrotingRealisatieVerschil
– waarvan bol261 500280 12918 629
– waarvan vo (incl. (v)so))182 158186 9484 790
Totaal443 658467 07723 419

De stijging van het aantal lesgeldplichtigen is toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen.

13.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Ontvangsten lesgeld  370 931388 764409 373401 6077 766

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

14. CULTUUR

14.1 Algemene beleidsdoelstelling

De tweeledige doelstelling van het beleid is het waarborgen van een hoogwaardig en divers aanbod van cultuuruitingen en het bevorderen van de publieke belangstelling daarvoor. De ministeriële verantwoordelijkheid betreft primair het scheppen van voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven.

14.2 Het stelsel

De verdeling van de grootste geldstroom voor het beleidsterrein cultuur vindt iedere vier jaar plaats. Het betreft hier de meerjarige instellingensubsidies in het kader van de cultuurnota. Hierbij is een belangrijke rol voor de Raad voor Cultuur weggelegd. Over het te voeren beleid wordt advies gevraagd aan de Raad voor Cultuur. De raad voor Cultuur brengt op basis van sectoranalyses eerst in het jaar voorafgaande aan de cultuurnota een vooradvies uit. De beleidsvoornemens worden in het jaar voorafgaand aan de cultuurnota opgenomen in een uitgangspuntenbrief die aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. In de zomer van 2003 en in het najaar van 2003 zijn twee brieven aan de Tweede Kamer gestuurd namelijk de «Uitgangspuntenbrief cultuur» en de beleidsbrief «Meer dan de som».

De uitgangspuntenbrief van 1 juli 2003 markeerde het begin van de cultuurnotaprocedure. Daarin is vastgelegd wat instellingen moeten weten om een aanvraag voor vierjarige rijksfinanciering te kunnen doen: procedure, criteria en verantwoordingsregels. Uitgangspunten daarbij zijn: meer eigen verantwoordelijkheid van de instellingen, minder regelzucht en bureaucratie, een zorgvuldige procedure met transparante criteria en een goede samenwerking met de andere overheden.

De beleidsbrief «Meer dan de som» van 3 november 2003, schetst de contouren van het cultuurbeleid in de breedte, voor de komende periode. Het cultureel zelfbewustzijn is het uitgangspunt voor de beleidsbrief «Meer dan de som». Dit laat zich vertalen tot drie prioriteiten voor de komende periode:

1. minder bureaucratie en meer eigen verantwoordelijkheid;

2. meer samenhang en wisselwerking in het culturele leven;

3. Versterking van de culturele factor in de samenleving.

De Raad voor Cultuur geeft een kwaliteitsoordeel over de instellingen die een aanvraag indienen om voor subsidie middels de cultuurnota in aanmerking te komen. Bij zijn integrale advisering in het kader van de cultuurnota houdt de Raad voor Cultuur rekening met de financiële kaders van het ministerie van OCenW en de inhoudelijke richtlijnen, die door de bewindspersoon zijn opgesteld in de uitgangspuntenbrief. Op basis van de kwaliteitsafweging van de Raad voor Cultuur wordt een integrale afweging van subsidieaanvragen gemaakt. Het resultaat wordt samengevat en toegelicht in de cultuurnota.

De wetgever heeft bepaald dat de cultuurnota niet alleen beleidsvoornemens voor de volgende periode van vier jaar bevat, maar ook een verslag van de uitvoering in de voorafgaande periode en van belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest (art. 3, tweede lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid). Er is sprake van voortdurende interactie tussen evaluatie en ontwikkeling van cultuurbeleid.

In het kader van de cultuurnota 2001–2004 worden 455 instellingen gesubsidieerd. De te subsidiëren voormalige Rijksmusea maken ook onderdeel uit van de vierjaarlijkse cyclus. Onderdeel van de cultuurnota 2001–2004 is het actieplan cultuurbereik. De culturele instellingen die op grond van de cultuurnota worden gesubsidieerd leggen jaarlijks een tussentijdse verantwoording af aan OCenW middels jaarverslagen en jaarrekeningen. Aan het eind van de cultuurnotaperiode wordt verantwoording afgelegd over de gehele periode.

In 2003 zijn de voorbereiding begonnen van de cultuurnota 2005–2008. In juli 2003 is als startpunt voor de nieuwe cultuurnotaperiode de Uitgangspuntenbrief gepubliceerd. De brief beschrijft de aanvraagprocedure voor de komende cultuurnota. Nieuwe elementen zijn de vermindering van de administratieve lasten voor de instellingen en het uitgangspunt dat niet de staatssecretaris voorschrijft hoe de instellingen hun plannen moeten inrichten, maar de instellingen zelf aangeven wat hun plannen zijn. De subsidieaanvragen voor de cultuurnota 2005–2008 zijn in 2003 ingediend. Op 18 december 2003 zijn de subsidieaanvragen en een adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur verzonden. Uiterlijk in juni 2004 zal de Raad voor Cultuur een definitief advies uitbrengen over de te subsidiëren instellingen in de cultuurnota 2005–2008, waarna de cultuurnota 2005–2008 op 21 september 2004 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

14.2.1 Continuïteit (financiële positie)

Informatie uit de jaarrekeningen van de instellingen die middels de cultuurnota subsidie ontvangen wordt jaarlijks geanalyseerd. De resultaten van deze evaluatie worden gebundeld in een interne evaluatie. Eind 2003 is de evaluatie van de jaarrekeningen van het tweede jaar (2002) van de cultuurnota 2001–2004 afgerond. In 2003 was het voor de kunsteninstellingen voor het eerst mogelijk jaarrekeninggegevens digitaal aan te leveren.

Ten aanzien van de financiële positie van de instellingen wordt onder andere gemonitord op de solvabiliteit en de liquiditeit. De beoordeling vindt echter niet per aspect plaats, maar per instelling. Daarbij worden naast de items solvabiliteit en liquiditeit (vele) andere items in de beschouwing betrokken.

Er wordt gekeken of bij de instellingen voldoende buffer is om mogelijke tegenslagen op te vangen. Daarnaast wordt gekeken of voldoende liquiditeiten aanwezig zijn om betalingen te kunnen voldoen dan wel te veel liquiditeiten aanwezig zijn.

Op het terrein van de vermindering van de administratieve lasten (deregulering) zijn het afgelopen jaar goede vorderingen gemaakt. Met ingang van 2002 zijn enkele administratieve verplichtingen vereenvoudigd (modellen uit het handboek verantwoording cultuurnotasubsidies, en minder beleidsinformatie). Bij het vaststellen van de inrichtingseisen (in de uitgangspuntenbrief d.d. 1 juli 2003) voor de nieuwe cultuurnota 2005–2008 zijn eveneens de lasten verminderd. Daarnaast heeft de mogelijkheid voor instellingen in 2002 om financiële gegevens digitaal aan te leveren met name voor OCW vereenvoudigend gewerkt.

14.3 Operationele doelstellingen

14.3.1 Cultuurnota

14.3.1.1 Cultuurinstellingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De staatssecretaris voor cultuur stelt zich ten doel cultuurinstellingen in staat te stellen een verscheiden en kwalitatief hoogwaardig aanbod, met een goede geografische spreiding in het hele land en een breed publieksbereik, tot stand te brengen.

Daartoe worden gedurende de cultuurnotaperiode 2001–2004 subsidies verstrekt aan instellingen in de sectoren archieven, bibliotheken, erfgoed, letteren, amateurkunst, podiumkunsten, bouwkunst, beeldende kunst en vormgeving, film en cultuureducatie. In de subsidiebeschikkingen zijn eisen opgenomen over de voor de subsidie te leveren prestaties. In 2003 onderhield het ministerie van OCW in het kader van de cultuurnota subsidierelaties met in totaal 455 instellingen.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de prestaties in een aantal belangrijke sectoren. De cijfers zijn gebaseerd op gegevens uit de rapportages over het jaar 2002.

Tabel 14.1: Uitvoeringen en bezoeken podiumkunsten 1998–2002
 NEDERLANDBUITENLAND
Aantal uitvoeringen1998199920002001200219981999200020012002
Ensembles6458577611 0981 179216159213381386
Orkesten1 3751 3851 2997696626760945778
Ballet en dans1 3951 4641 6451 5071 702234221241330196
Muziektheater29932821547949212801316
Theater4 5144 4714 4737 1756 907391408378655765
Jeugdtheater1 7101 6882 0672 0692 191177157172362357
Totaal9 93810 19310 46013 09713 1331 0971 0131 0981 7981 798
Tabel 14.1: Uitvoeringen en bezoeken podiumkunsten 1998–2002
 NEDERLANDBUITENLAND
Aantal bezoeken1998199920002001200219981999200020012002
Ensembles316320298385412148116152195216
Orkesten1 2831 1811 2217496749810116595134
Ballet en dans428407434462488145129150147117
Muziektheater250258265233291860410
Theater7127998811 089970707586119172
Jeugdtheater1571711962242532621199766
Totaal3 1463 1373 2953 1423 088495447572657715

1998–2002: jaarverslagen instellingen

Toelichting op tabel 14.1

De cijfers over 2001 en 2002 zijn in de tabel opgenomen exclusief specifieke uitvoeringen (waaronder activiteiten op scholen), festivals en begeleidingsuitvoeringen. Deze stelselwijziging zorgt voor een zuiverder beeld. Zonder deze stelselwijziging zou het aantal uitvoeringen en bezoeken van orkesten over de periode 1998 tot en met 2002 stabiel zijn gebleven.

Onder muziektheater zijn ook de drie grote operagezelschappen opgenomen, te weten: De Nederlandse Opera, Opera Zuid en de Nationale Reisopera.

Het aantal voorstellingen en het publieksbereik bij de tien gesubsidieerde symfonische orkesten zijn min of meer stabiel gebleven (in tabel 14.1 is dit niet zichtbaar, zie de toelichting bij deze tabel). Dat is opmerkelijk, omdat in een aantal westerse landen duidelijk sprake is van een terugloop in de publieksbelangstelling voor klassieke concerten. Het werven van nieuw publiek, bijvoorbeeld via educatie, is niettemin belangrijk voor de orkesten. Uit de in december 2003 ingediende beleidsplannen van de orkesten blijkt dat de sector hier ook aandacht voor heeft.

Hoewel het aantal uitvoeringen van opera en muziektheater in 2002 licht is afgenomen is er meer publiek bereikt. De overgrote meerderheid van de kleinschalige muziekensembles is in 2002 in staat gebleken de gestelde doelen te behalen. Instellingen in deze categorie blijken zeer goed in staat met een relatief beperkte ondersteuning vanuit de cultuurnota een aanzienlijk bedrag aan publieksinkomsten te genereren. De vergroting van het publieksbereik in zowel binnen- als buitenland, gekoppeld aan een laagblijvend gemiddeld subsidiebedrag per bezoeker, duidt op een vitale en ondernemende sector.

In het gesubsidieerde theater deden zich in 2002 geen grote schommelingen voor in het aantal voorstellingen en het publieksbereik. In het bestel vonden in 2003 geen grote veranderingen plaats. Er zijn twee kleine gezelschappen gestopt met hun activiteiten. Binnen de grote gezelschappen kondigde een aantal artistiek leiders hun vertrek aan. Nog niet ieder gezelschap heeft daarvoor reeds een opvolger gevonden. Het Nederlandse jeugdtheater is de afgelopen jaren gegroeid in professionaliteit. Per traditie heeft het jeugdtheater een stevige band met het onderwijs. De positieve ontwikkeling van deze sector vertaalt zich in de groei van het publieksbereik.

De groei in aantal voorstellingen en publiek van het gesubsidieerde dansaanbod in Nederland werd voortgezet. In het derde jaar van de cultuurnota 2001–2004 vonden geen grote wijzigingen in het dansbestel plaats. Wel was er een wisseling van artistiek leider bij zowel Het Nationale Ballet als het Nederlands Dans Theater.

De belangrijkste instrumenten voor de uitvoering van het amateurkunstbeleid zijn de landelijke instituten, die ieder een bepaalde sector bestrijken. Hun doel is de kwaliteit van de beoefening van de amateurkunst te verhogen. De behoeften van de beoefenaars, die als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen steeds veranderen, zijn daarbij in hoge mate richtinggevend. De instituten spelen daar voortdurend op in. Zo is in 2003 in nauwe samenwerking tussen het ministerie, het sectorinstituut voor het amateurtheater en het VSB-fonds een regeling tot stand gekomen die voorziet in (tijdelijke) steun aan jeugdtheaterscholen.

Een ander belangrijk instrument is het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten. Dit fonds deed verder ervaring op met de behandeling van aanvragen op het snijvlak van amateurkunst en professionele kunst, waarvoor eind 2001 een speciale commissie werd ingesteld. In 2003 is deze werkwijze geëvalueerd, waarbij de conclusie luidde dat zij in een grote behoefte voorziet.

Behalve het filmstimuleringsbeleid dat gevoerd wordt in samenwerking met de ministeries van Economische Zaken en Financiën (waarover meer in paragraaf 14.3.5), voert OCW een filmbeleid door middel van subsidiëring van een twintigtal instellingen met verschillende functies. Deze subsidiëring geschiedt via de cultuurnota en is vastgelegd voor vier jaar (2001–2004). Het Nederlands Fonds voor de Film is de grootste instelling die uit het filmbudget (± € 22 miljoen.) gesubsidieerd wordt. Deze instelling is primair gericht op de productie van verschillende filmgenres (speelfilms, experimentele films, documentaires, etcetera). Verder worden onder andere het Filmmuseum gesubsidieerd, enkele opleidingsinstituten, een drietal filmdistributeurs, een vijftal filmfestivals, een instituut voor filmeducatie en een tweetal filmbladen. Het doel van het filmbeleid is een divers filmaanbod te realiseren en hiermee een breed en zo groot mogelijk publiek te bereiken.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De vierjarige subsidies zijn conform de cultuurnota 2001–2004 ter beschikking gesteld aan cultuurinstellingen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De onderstaande tabel geeft inzicht in de uitgaven in het kader van de cultuurnota in 2003.

Tabel 14.2: Uitgaven cultuurnota 2003 (x € 1000)
 RegulierWaarvan actieplanDoelgroepen-beleid
14.1 Kunsten   
Podiumkunsten179 4002 8002 200
Film11 000700100
Beeldende kunst/bouwkunst/vormgeving25 5005 900200
Amateurkunst en kunsteducatie11 5006 000100
Kunsten algemeen (incl. geldstroom bkv)43 10041 800
    
14.2 Letteren en bibliotheken   
Bibliotheken6 8007000
Letteren7 400200100
Internationaal5000
    
14.3 Fondsen   
Kunsten61 8002000
Letteren7 60000
Cultureel erfgoed7 90000
    
14.4 Cultureel erfgoed   
Musea90 6005 900465
Monumentenzorg40590 
Archeologie45226937
Archieven3 201339 
    
14.5 Overig1 00000
Totaal457 70864 8983 202

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief over eindrapport Deloitte & Touche «De BKV tegen het licht» d.d. 02-10-2003 (2003/45996); Rapport «Evaluatie van de stimuleringsmaatregelen voor de Nederlandse film 1999–2003» door Berenschot d.d. 17-09-2003.

14.3.1.2 Actieplan cultuurbereik

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met het Actieplan cultuurbereik 2001–2004 leveren drie overheidslagen – rijk, provincies en gemeenten – een gezamenlijke inspanning om het bereik van cultuur te vergroten. De staatssecretaris van OCW, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) formuleerden samen de kaders voor het actieplan. Deelnemers zijn de 30 grootste steden van Nederland en de 12 provincies. De drie overheden benoemden vijf doelstellingen:

• versterking van de programmering;

• ruim baan maken voor culturele diversiteit;

• investeren in jeugd;

• beter zichtbaar maken van cultureel vermogen;

• culturele planologie op de agenda zetten.

Ook twee reeds bestaande geldstromen zijn in het actieplan opgenomen, te weten het project «cultuur en school» (waarop nader wordt ingegaan in paragraaf 14.3.2) en de geldstroom beeldende kunst en vormgeving (bkv).

Het Actieplan cultuurbereik 2001–2004 is naar het zich laat aanzien – het plan heeft nog een jaar voor de boeg – succesvol geweest. Alle gemeenten en provincies die in aanmerking kwamen om deel te nemen, hebben de uitnodiging aanvaard en hebben extra middelen vrijgemaakt voor dit doel. Culturele instellingen, kunstenaars, scholen, welzijnsinstellingen en individuele burgers hebben plannen ontwikkeld en uitgevoerd.

In 2003 verscheen het rapport van de visitatiecommissie cultuurbereik: Van jonge mensen en de dingen die gaan komen. Ook verschenen de eerste twee monitors (1999–2001 en 2002) van de Erasmus Universiteit Rotterdam, die verantwoordelijk is voor het landelijk onderzoek naar het Actieplan cultuurbereik. Een aantal gemeenten en provincies heeft met behulp van de Richtlijn cultuurparticipatie onderzoek (RCO) al gegevens over publieksbereik geleverd.

De aanbeveling van de visitatiecommissie was het actieplan nog eens vier jaar voort te zetten, omdat het proces dat het actieplan in gang heeft gezet tijd vraagt. Zowel het visitatierapport als de monitors geven aanbevelingen voor de wijze waarop het actieplan zou kunnen worden voortgezet. De belangrijkste aanbevelingen zijn:

Visitatiecommissie

• integrale aanpak is nodig (er moeten allianties ontstaan tussen verschillende beleidsterreinen);

• gemeenten en provincies moeten afhankelijk van lokale of regionale situatie keuzes maken;

• het aantal doelstellingen moet worden beperkt;

• meer investeren in cultuureducatie is wenselijk;

• bereikbaarheid van cultuur voor kleine gemeenten moet beter;

• procedures kunnen eenvoudiger, zowel bij het rijk als bij gemeenten en provincies.

Erasmus Universiteit Rotterdam

• versterking en verdieping relaties tussen rijk en andere overheden op basis van vertrouwen en professionaliteit;

• meer ruimte voor gemeenten en provincies die zich het actieplan meer «eigen» moeten kunnen maken (zelf richting geven);

• meetbare doelstellingen formuleren op basis van een sterkte/zwakte analyse;

• hiertoe prestatie-indicatoren en parameters ontwikkelen;

• minder en eenvoudiger procedures.

Nieuwe periode actieplan

Op basis van genoemde evaluatiedocumenten zijn de staatssecretaris van OCW, het IPO en de VNG op 17 december 2003 overeengekomen het Actieplan cultuurbereik met vier jaar te verlengen. Voortzetting van het actieplan past ook binnen het huidige kabinetsbeleid waarin veel aandacht is voor de regio.

Geldstroom beeldende kunst en vormgeving (bkv)

In 2003 is de effectiviteit van de geldstroom beeldende kunst en vormgeving geëvalueerd. Mede op basis van het preadvies van de Raad voor Cultuur van 2003 hebben de staatssecretaris van OCW, het IPO en de VNG, vanuit de drie bij het bkv-beleid betrokken overheidslagen, knelpunten in de sector beeldende kunst en vormgeving in kaart gebracht. Deze analyse heeft geleid tot het formuleren van ambities en randvoorwaarden voor de inzet van de geldstroom voor de periode 2005–2008. In 2003 zijn uitgangspunten voor een nieuwe verdeelsystematiek geformuleerd, gericht op de provincies en steden met een kansrijke infrastructuur.

In de sector bouwkunst zijn in de cultuurnotaperiode 2001–2004 tien grote projecten geëntameerd en intensief begeleid: het nieuwe Rijksmuseum, de nieuwbouw RDMZ en ROB, de Deltametropool, Zuiderzeelijn, reconstructie A12, reconstructie zandgebieden, nieuwe Hollandse waterlinie, openbare ruimte in revisie, particulier opdrachtgeverschap en bedrijventerreinen. Een voortgangsrapportage wordt begin 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd. Inmiddels is de evaluatie van de grote projecten gestart. Daarnaast zijn de eerste lijnen uitgezet voor de ontwikkeling van de culturele planologie, die hun beslag zullen krijgen in het architectuurbeleid 2005–2008.

Doelstelling van «beter zichtbaar maken van cultureel vermogen» is een beter zichtbare collectie cultureel erfgoed Nederland (ook digitaal). Van de rijksgesubsidieerde musea, beheerders van het publieke culturele vermogen, wordt verwacht dat zij een optimale toegankelijkheid van de collectie cultureel erfgoed Nederland realiseren.

Ten aanzien van het tonen en verwerven van museumcollecties vervullen de rijksgesubsidieerde musea een sleutelrol in de uitvoering.

Daarbij krijgt de vraagkant bijzondere aandacht, onder andere door presentaties op verrassende locaties en door het gevoerde tentoonstellingsbeleid.

Deze doelstelling is geoperationaliseerd in de beleidsbrief «Vermogen om te laten zien».

De beleidsdoelen van «culturele planologie» richten zich op een actuele ontwikkeling van waardevolle cultuurhistorische elementen in Nederland, en op een brede betrokkenheid van het publiek bij belangrijke ontwerpopgaven. Daarnaast richten de beleidsdoelen zich op een goede inhoudelijke samenwerking tussen alle disciplines die van invloed zijn op de leefomgeving, zoals planologie, landschapsarchitectuur, natuurbehoud, weg- en waterbouw, stedenbouw (waar onder welstandstoezicht), architectuur, monumentenzorg, en archeologie.

Het thema culturele planologie is verankerd in de nota «Belvedère» en de nota «Ontwerpen aan Nederland», en daarmee verbonden aan het beleid ten aanzien van het cultureel erfgoed en het architectuurbeleid.

De oorspronkelijke doelstellingen verwoord in de Nota Belvedère (zomer '99) bieden voor 2003 en komende jaren nog een bruikbaar kader voor het uitvoeringsprogramma. De spil daarin is het in Utrecht gevestigde projectbureau Belvedère.

Het projectbureau vervult de landelijke aanjaagrol voor het verspreiden van het Belvedèrebeleid. Die rol laat zich vertalen in een reeks van acties om het gedachtegoed te hechten aan het gewone werkprogramma van de betrokken ministeries (LNV, VROM, OCW en VenW). Daarnaast werd en wordt er aanjaagwerk verricht op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het meest in het oog springend onderdeel van de uitvoering van de Nota Belvedère is de «regeling projectsubsidies Belvedère» die wordt uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

• het actieplan is een gezamenlijk beleidsprogramma van gemeenten, provincies en het rijk. Het ministerie heeft met 30 gemeenten en de 12 provincies overeenkomsten over vierjaarlijkse programma's cultuurbereik afgesloten. De subsidies die in deze overeenkomsten zijn opgenomen zijn uitgekeerd;

• de geldstroom beeldende kunst en vormgeving is uitgekeerd aan 12 provincies en 30 gemeenten;

• de evaluatierapporten zijn opgeleverd;

• naar aanleiding van de bevindingen zijn de doelstellingen en de uitwerking voor een volgende periode aangescherpt;

• voorbeeld van een Belvedère project is het aangewezen project «De nieuwe Hollandse waterlinie»(NHWL). De opgave om de waterlinie weer tot een herkenbare ruimtelijke eenheid te maken en de houdbaarheid te bevorderen door er nieuwe ruimtelijke en maatschappelijke functies aan de linie toe te kennen, lijkt te gaan lukken. In 2003 werden er extra middelen voor het NHWL-project ter beschikking gesteld, evenals voor het Limes-project (de noordgrens van het Romeinse Rijk in Nederland).

Meest opvallende resultaten van «beter zichtbaar maken van cultureel vermogen» waren:

• de realisatie van de geheel nieuwe «i-zaal» in het Teylers Museum (digitale poort van de collectie voor scholieren en overige bezoekers);

• de goede resultaten en leereffecten van het project «collecties in de klas». In een project te Rotterdam werden in 2003 40 scholen bereikt met ieder 2 klassen van circa 35 leerlingen (het aantal scholen dat participeert in 2004 wordt naar verwachting 60).

Ook werden voor de Collectie Nederland met steun van OCW enkele belangrijke aankopen gerealiseerd:

• de aankoop van de schilderijen van Jordaens (drie portretten) door het Rijksmuseum Amsterdam;

• de aankoop van de twee portretten van Rubens door het Mauritshuis;

• de aankoop van een unieke zilveren beker uit de collectie Guttmann door het Rijksmuseum.

Daarnaast werd aan de gemaakte afspraken in het kader van «het cultureel vermogen beter zichtbaar maken» verder uitwerking gegeven. Het betrof hier voornamelijk de volgende activiteiten:

• het verder uitvoering geven aan de Wet behoud cultuurbezit (WBC). In 2004 wordt getracht het schilderij van De Witte in het bezit van de Oude Kerk te Amsterdam te verwerven;

• de beleidsvisie met betrekking tot de historische interieurs;

• onderzoek/advies/collectiemakelaardij door het Instituut Collectie Nederland, vooral naar de Verkade-collectie;

• vergroting van de mobiliteit en de digitale ontsluiting van de rijkscollectie;

• de voorbereidingen voor het nieuwe museum voor grafische vormgeving De Beyerd te Breda;

• tenslotte de uitvoering en verbetering van de subsidieregelingen door de Mondriaan Stichting.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op de begroting van cultuur is in 2003 een bedrag van € 41,8 miljoen opgenomen, inclusief de bijdragen aan gemeenten en provincies. Hiervan werd voor het actieplan cultuurbereik € 32,3 miljoen aan provincies en gemeenten beschikbaar gesteld. De overige middelen zijn aan instellingen beschikbaar gesteld (zie tabel 14.2).

Met het dossier «beter zichtbaar maken van cultureel vermogen» is in de periode 2001–2004 jaarlijks een bedrag van circa € 8,5 miljoen gemoeid (waaronder jaarlijks € 4 miljoen voor fondsvorming WBC, € 0,7 miljoen voor het Instituut Collectie Nederland en € 2,5 miljoen voor de Mondriaan Stichting).

Het totale jaarlijkse budget Belvedère van € 8,2 miljoen wordt voor een groot deel direct beschikbaar gesteld in de vorm van projectsubsidies conform de subsidieregeling Belvedère. De regeling wordt sinds 2002 uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur. Een klein deel van het budget wordt vervolgens aangewend voor het uitvoeren van het werkprogramma van het projectbureau Belvedère.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief over onderzoek naar het Actieplan cultuurbereik d.d. 20-11-2003 (2003/56 381); brief over onderzoek visitatiecommissie Actieplan cultuurbereik d.d. 06-05-2003 (2003/18202).

14.3.1.3 Cultuurfondsen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De fondsen hebben de opdracht een hoogwaardig en divers nieuw aanbod te laten ontwikkelen, het ondernemerschap van kunstenaars te stimuleren en het publieksbereik te bevorderen. Het totaal aantal aanvragen bij de fondsen bedroeg in 2002 8018. Dat is een fractie minder dan het voorgaande jaar. Het aantal toezeggingen is wel gestegen: 4265 in 2002 tegenover 3982 in het jaar daarvoor. De toewijzingspercentages ten opzichte van het aantal aanvragen verschilt per fonds. De toewijzingspercentages bij het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten, het Fonds voor de Scheppende Toonkunst en het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing liggen met percentage tussen de 29 en 37% beduidend laag. De Mondriaan Stichting en het Fonds voor de Letteren kennen beide beduidend hogere toekenningspercentages: resp. 73 en 72%.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De fondsen zijn conform de cultuurnota 2001–2004 gesubsidieerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op de begroting van cultuur is een bedrag van € 76 miljoen voor de fondsen opgenomen.

Tabel 14.3 : Fondsen (x € 1 000)
 2003
Stimuleringsfonds voor architectuur1 700
Het Nederlands fonds voor de film (incl. intendant)11 400
Fonds voor amateurkunst en podiumkunsten14 000
Fonds voor de scheppende toonkunst1 700
Fonds BKVB22000
Fonds voor de podiumprogrammering en marketing6 200
Fonds voor de letteren5 800
NLPVF2 100
Mondriaanstichting12 700

14.3.2 Cultuur en school

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 2003 is het programma «cultuur en school» voortgezet. Het doel van het programma «cultuur en school» was in 2003 om structurele relaties tot stand te brengen tussen de werelden van onderwijs en cultuur en cultuureducatieve activiteiten te laten verankeren in de praktijk van scholen en culturele instellingen.

Een belangrijke doelstelling was het stimuleringsbeleid van projectmatige initiatieven met een landelijke voorbeeldwerking. Cultuur en school heeft in 2003 verscheidene initiatieven gesubsidieerd die bijgedragen hebben aan de doelstelling van allianties tussen het culturele veld en het onderwijs. Voorbeelden van deze projecten zijn het initiatief «kunstenaars in de klas», waarbij 60 kunstenaars gecertificeerd zijn om lessen te verzorgen in het basisonderwijs. Een tweede voorbeeld zijn de inspanningen op het gebied van cultureel erfgoed. Het bureau Erfgoed Actueel is verder gegaan met het ontwikkelen van de «content» voor erfgoededucatie.

Een andere belangrijke doelstelling was het bevorderen van culturele diversiteit.

Succesvolle projecten zijn uitgevoerd door bijvoorbeeld theatergroep Drang. Deze projecten waren gericht op het ontdekken van jong (allochtoon) talent. Een ander voorbeeld is het project Cultuurschool (een samenwerkingsverband tussen het Volksbuurtmuseum en het Johan de Witt college in de Haagse schilderswijk), waarbij onderwijsleerstof wordt aangeboden die uitgaat van de cultureel diverse ervaringswereld van de leerlingen. Toch blijft culturele diversiteit een onderwerp dat continue aandacht vereist.

Een belangrijk instrument van «cultuur en school» zijn de cultuurvouchers (of: CKV-bonnen). De stichting CJP voert de daarmee samenhangende regeling sinds 1999 uit. Bij de introductie van de cultuurvouchers werden deze alleen verstrekt aan leerlingen in het havo of vwo.

In 2000 is deze regeling uitgebreid met het vmbo en in 2001 met de basisvorming. In 2003 is de regeling uitgebreid met vouchers voor het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en de opleidingen voor docent basisonderwijs. CJP registreert de bestedingscijfers en rapporteert ieder kwartaal aan OCW. De bestedingscijfers over het schooljaar 2001–2002 laten onder meer het volgende beeld zien:

Tabel 14.4: Vouchers 2001–2002
 vmbohavovwototaal
Aantal leerlingen dat vouchers ontvangt105 16247 93234 739187 833
Aantal leerlingen dat vouchers gebruikt84 37637 82627 840150 042
Percentage gebruik bonnen80,278,980,179,9

Bron: rapportage van het CJP

Hoewel bijna 80% van de leerlingen die vouchers ontvangen deze ook daadwerkelijk gebruiken, wordt niet de volledige waarde van de vouchers besteed. Het percentage van de uitgezette voucherwaarde dat daadwerkelijk wordt besteed, stijgt wel en bevond zich voor de periode 2001–2002 rond de 62%. Om de bonbesteding te verhogen wordt extra geïnvesteerd in een leerlingencampagne van CJP. Hierover is in 2003 een resultaatafspraak gemaakt met CJP: 70% besteding van het uitgezette voucherbedrag in 2004.

Om de verankering van cultuureducatieve activiteiten te bereiken in de praktijk van scholen en culturele instellingen is het programma van «cultuur en school» zich ook steeds meer gaan richten op de ontwikkelingen binnen het onderwijs, opdat alle kinderen in de leerplichtige leeftijd in een doorlopende leerlijn kennis opdoen over en met cultuur en ze een gevarieerd programma van culturele activiteiten wordt aangeboden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

• Een intensieve samenwerking met provincies en gemeenten In 2003 heeft in het kader van het Actieplan cultuurbereik gezamenlijke subsidiëring met provincies en steden plaatsgevonden, waarbij het rijk in een 1:1 verhouding de subsidies van andere overheden heeft gematchd. Hiermee zijn samenwerkingsprojecten tussen scholen en culturele instellingen op lokaal en regionaal niveau gesubsidieerd.

• Culturele en kunstzinnige vorming in vmbo en havo/vwo In het schooljaar 2003–2004 is het vak culturele en kunstzinnige vorming verplicht geworden voor het vmbo. De ondersteuning bij deze introductie heeft vanuit «cultuur en school» plaatsgevonden en is succesvol verlopen. Er is beduidend meer geschikt aanbod voor vmbo-leerlingen ontstaan.

• Stimuleringsbeleid van projectmatige initiatieven met een landelijke voorbeeldwerking die bijdragen aan de doelstelling van allianties tussen het culturele veld en het onderwijs.

• Cultuurvouchers (waarover hierboven meer is geschreven)

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op de begroting van cultuur is in 2003 een bedrag van € 14 556 596,– opgenomen, inclusief de bijdragen aan gemeenten en provincies. Hiervan werd voor het actieplan cultuurbereik € 2,4 miljoen aan provincies en gemeenten beschikbaar gesteld. Voor de ckv-vouchers was € 8,3 miljoen beschikbaar, waarvan in 2003 € 6,9 miljoen is besteed. Aan projecten is € 3 miljoen uitgegeven.

14.3.3 Investeren in cultuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om particulieren en bedrijven te stimuleren om geld te investeren in cultuur zijn een aantal fiscale regelingen beschikbaar, dan wel in voorbereiding:

• Met ingang van 1 januari 2002 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Regeling cultuurprojecten 2002 (vrijstelling voor cultureel beleggen).

• De fiscale Regeling vrijstelling voorwerpen van kunst of wetenschap.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De regeling «cultureel beleggen» is op 5 november 2003 de Europese Commissie gepasseerd en deze heeft geen bezwaar. De vrijstelling voor cultureel beleggen is in 2003 nog niet in werking getreden. Het is de taak van banken om cultuurfondsen op te richten en gelden van particulieren aan te trekken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op de begroting van cultuur heeft de regeling «cultureel beleggen» geen gevolgen.

Ten aanzien van de regeling vrijstelling voorwerpen van kunst of wetenschap wordt geschat dat voor een bedrag van € 450 miljoen aan kunst in particuliere handen is, die niet als belegging wordt aangehouden. Op basis daarvan wordt een belastingderving geraamd als gevolg van de regeling van € 5 miljoen.

14.3.4 eCultuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van eCultuur is zorgdragen voor een grotere participatie van burgers op het terrein van cultuur door creatieve benutting van ict door kunstenaars en culturele instellingen. De volgende vier terreinen worden onderscheiden: artistiek gebruik van digitale media, digitalisering van collecties en kennis, de rol van bibliotheken als toegangspoort en de internetactiviteiten van de publieke omroep en digitalisering van het audiovisuele productieproces.

In 2003 is de rol van de bibliotheken als toegangspoort verder uitgewerkt. De internetactiviteiten van de publieke omroep zijn in 2003 voortgezet.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In het kader van de bibliotheekvernieuwing wordt de rol van bibliotheken als toegangspoort tot en wegwijzer naar betrouwbare informatie gestimuleerd. De inzet van ict speelt hierbij een belangrijke rol en krijgt concreet vorm in de portalsite Bibliotheek.nl; de nationale digitale openbare bibliotheek (http://www.bibliotheek.nl). Deze bestaat uit een reeks van diensten en producten: zoeken in een nationale catalogus en de beschikbaarstelling van digitale content. In 2003 zijn daaraan toegevoegd een landelijk digitaal inlichtingen bureau (Al[@000d]in) en een speciaal op het onderwijs gerichte informatieservice (virtuele mediatheek).

Het internet van de publieke omroep heeft een stevige positie op de Nederlandse internetmarkt. In 2003 is de toegankelijkheid van de portal verder vergroot en is de content aangevuld met audio- en videoarchief, een elektronische programmagids en programmagerelateerde websites. Door middel van verticals wordt het aanbod thematisch geclusterd. Deze verticals werden in 2003 door de gebruikers gemiddeld met een 7,0 gewaardeerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting 2003 is een bedrag van € 7,7 miljoen structureel opgenomen.

14.3.5 Filmstimuleringsbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De ministeries van OCW, EZ en Financiën voeren vanaf 1998 een gezamenlijk filmstimuleringsbeleid met als doel de financieel-economische structuur van de filmindustrie in Nederland te versterken en de ontwikkelingsmogelijkheden van artistieke kwaliteitsfilms te verbeteren.

In 2002 gingen meer dan 24 miljoen mensen in Nederland naar de bioscoop. Circa 80% van het bioscoopaanbod in Nederland bestaat uit Amerikaanse films, maar de concurrentiepositie van de Nederlandse film is in de afgelopen jaren verbeterd: het marktaandeel van de Nederlandse film steeg van 3,7% in 1997 tot 14% in 2003. Vooral jongeren hebben de laatste jaren de Nederlandse film ontdekt.

Ook het productievolume (± € 300 miljoen in de afgelopen 5 jaar) is sterk gegroeid.

Een evaluatie van Berenschot, die op 17 september 2003 aan de Tweede Kamer is aangeboden, concludeert dat de financieel-economische structuur van de filmindustrie in Nederland is verbeterd.

Het kabinet heeft in 2003 besloten om het pakket stimuleringsmaatregelen voor de filmsector per 2004 te beëindigen. Hiermee wordt de samenwerking tussen de ministeries van OCW, EZ en Financiën op dit terrein ook beëindigd. Op verzoek van de Tweede Kamer is de bestaande fiscale regeling nog één jaar verlengd tot 1 januari 2005.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het gezamenlijke filmstimuleringsbeleid bestond in 2003 uit een combinatie van maatregelen met culturele en economische aspecten:

• instelling van FINE dat professionele filmprojecten met een commerciële potentie selecteert voor het aantrekken van durfkapitaal (uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken);

• uitvoeren van een fiscale maatregel om het investeren met durfkapitaal aantrekkelijker te maken (uitgevoerd door het ministerie van Financiën);

• meer samenwerking met de publieke omroepen in het project Telefilm (uitgevoerd door het ministerie van OCW);

• aanstelling van een intendant bij het Filmfonds om scriptontwikkeling van publieksfilms te bevorderen (uitgevoerd door het ministerie van OCW);

• een regeling voor publieksfilms (€ 6,8 miljoen per jaar) bij het Filmfonds (uitgevoerd door het ministerie van OCW en bekostigd uit algemene middelen).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De intendant bij het Filmfonds wordt gefinancierd via de cultuurnota. De betreffende subsidie bedroeg € 0,9 miljoen en is conform de cultuurnota uitgekeerd. Het project Telefilm wordt bekostigd via beleidsartikel 15 (media) en de betreffende subsidie bedroeg € 3,2 miljoen.

14.3.6 Beheer en behoud van cultureel erfgoed

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleidsterrein van het cultureel erfgoed omvat de sectoren musea, monumentenzorg, archieven en de archeologie. Met de musea zijn voor de periode 2001–2004 resultaatafspraken gemaakt in het bijzonder over het publieksbereik. Voor de meting van de resultaten is vooral de verslaglegging over de gehele Cultuurnota 2001–2004 van betekenis. Die verslaglegging is in 2005 te verwachten. De plannen tot vernieuwing van het Rijksmuseum te Amsterdam zijn in 2002 gepresenteerd in het voorlopig ontwerp van de architecten Cruz y Ortiz en de restauratiearchitect Van Hoogevest. Het definitief ontwerp is in 2003 door de architecten ingeleverd om door de betrokken partijen te worden besproken. Het Rijksmuseum heeft in 2003 een uitvoerig programma ontwikkeld om een belangrijk deel van de collectie gedurende de gehele vernieuwingsperiode voor het publiek in stand te houden. Enkele topstukken van de 17e eeuwse kunst en geschiedenis zijn in de Philipsvleugel te zien, alwaar eveneens wisseltentoonstellingen uit de collecties van het Rijksmuseum zullen worden ingericht. Een deel van de verantwoording van het beleid over de musea is opgenomen in paragraaf 14.3.1.2 «Actieplan cultuurbereik».

In de archiefsector is de belangrijkste verantwoordelijkheid het beheer, de ontsluiting van de collectie en het voor het publiek toegankelijk maken van de collectie van de archieven van de rijksoverheid en onder andere de Hoge Colleges van Staat.

Om meer en een breder publiek te bereiken is de vorming van regionale cultuurhistorische centra (rhc) noodzakelijk. Met de vorming van een rhc kunnen tevens de collecties van verschillende partijen beter toegankelijk worden gemaakt.

Door de fusie van de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden met een of meerdere gemeentelijke archieven, en/of andere cultuurhistorische centra in een rhc kan het publiek beter worden bereikt. Daarbij kan eerder gebruikt worden gemaakt van nieuwe informatie- en communicatietechnologie.

De kern van de monumentenzorg is gelegen in de verantwoordelijkheid van de minister voor de instandhouding van rijksmonumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. De uitvoering is opgedragen aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Een van de doelen daarbij is het terugbrengen van de restauratieachterstand tot een aanvaardbaar niveau van 10% in 2010. Van het bedrag dat benodigd is om dit doel te bereiken is reeds 73% gerealiseerd.

Met de huidige middelen kan de restauratieachterstand worden teruggebracht tot 17% in 2010. In 2003 is de restauratieachterstand verder teruggelopen.

Op het terrein van de archeologie is het uitgangspunt de archeologische waarden in de bodem te bewaren. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld door economische activiteiten, wordt ernaar gestreefd om de bodeminformatie door middel van onderzoek (lees: opgravingen) veilig te stellen. In toenemende mate zijn private partijen, gemeenten, provincies, waterschappen en rijkspartners bereid dit doel na te streven. Zonder de bodem te verstoren onttrekken de meeste archeologische sporen zich aan onze waarneming. Wel is op het terrein van de archeologie, naar analogie met de milieu- en natuursector, in 2002 door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) voor het eerst een archeologiebalans opgesteld. Deze maakt het in de volgende jaren mogelijk het gevoerde archeologiebeleid te evalueren.

Het verdrag van Valletta (Malta) uit 1992 regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. In oktober 2003 heeft staatssecretaris Van der Laan het wetsvoorstel waarmee het verdrag kan worden ingevoerd naar de Tweede Kamer gestuurd. Vooruitlopend op invoering van het verdrag wordt op verschillende niveaus en op verschillende plaatsen al gehandeld in «de geest van Malta». Ter dekking van eventuele excessieve opgravingskosten kan een beroep worden gedaan op het ministerie van OCW. Jaarlijks wordt aan de hand van de aanvragen van de diverse gemeenten bepaald wat de hoogte van het budget zou moeten zijn. In 2003 is er € 1,8 miljoen aan de gemeenten beschikbaar gesteld.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Voor de musea geldt dat de voornemens zoals vastgelegd in de cultuurnota 2001–2004 zijn uitgevoerd.

Tabel 14.5: Bezoeken gesubsidieerde musea (x 1 000)
 Locatie19981999200020012002
Totaal (ex)rijksmusea 4 1384 1004 2934 0474 791
RijksmuseumAmsterdam1 2291 3101 1461 0161 100
Ned. Scheepvaart MuseumAmsterdam229203188170243
Vincent van Gogh3, 4Amsterdam7587211 3121 2761 593
H.W. MesdagDen Haag11991115
Meermanno-Westreenianum10Den Haag1096514
Mauritshuis6Den Haag173268137176203
CatharijneconventUtrecht5588547286
Volkenkunde7Leiden12468426069
BoerhaaveLeiden3132312930
Oudh + Penningkabinet2Leiden119104191160130
Naturalis1Leiden271259245240262
Kröller-Müller9Otterloo350350343274311
Paleis Het LooApeldoorn421325304283445
Twenthe8Enschede373382427
ZuiderzeemuseumEnkhuizen317319276251263
Totaal niet-rijksmusea 621601614558591
Afrika MuseumBerg en Dal8279696863
Ned.OpenluchtmuseumArnhem300290315286286
Joods Historisch MuseumAmsterdam9710310395134
Teijlers MuseumHaarlem9070846663
PrincessehofLeeuwarden3234212023
Holl. SchouwburgAmsterdam2025212322
Totaal overig 363369342320319
MuiderslotMuiden129126115113114
Slot LoevesteinPoederoijen7871727273
GevangenpoortDen Haag3230303232
Kastelenstichting H-ZHaarlem1623171817
Huis DoornDoorn4740464132
St. Hubertus (Jachtslot)5 en 9Otterloo3454362430
RadboudMedemblik2625282021
Totaal 5 1225 0705 2494 9255 701

diverse jaarverslagen betrokken musea

Toelichting

1wegens verbouwing gesloten, vanaf eind april 1998 weer open

2incl. Penningkabinet

3tot 1 september 98 daarna gesloten i.v.m. verbouwing

4vanaf 24 juni 1999 heropend

5openingstijden zijn verruimd (1999)

6waarvan 170 000 voor de Rembrandttentoonstelling (1999)

7tot 30 september 2000, daarna gesloten. Half 2001 weer opengesteld

8i.v.m. met vuurwerkramp op 13 mei 2000

9i.v.m. met MKZ-cricis in 2001

10in 2001 een deel van het jaar gesloten geweest wegens verbouwing

Tabel 14.6: Gerealiseerd publieksbereik in aantal schoolgroepen van door OCW gesubsidieerde musea
 2002
Schoolgroepen totaal14 107
Tabel 14.7: Aantal korte en langdurige bruiklenen in 2002 van de door OCW gesubsidieerde musea
 KortLang
Bruiklenen totaal3 9574 037
Tabel 14.8 Rijksmonumenten en Rijksarchieven
 19981999200020012002
A) Geregistreerde gebouwde Rijksmonumenten (x 1000)44,848,047,048,550,6
      
B) Aantal bezoeken Rijksarchief via internet (x 1000)     
Geschiedenis Online/Nieuws uit het verleden1151 5009701 0181 100
– waaronder zogenaamde «Genlias» bezoeken125180300320322

A) Jaarverslagen Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

B) Jaarverslagen Rijksarchiefdienst/Nationaal Archief.

Toelichting:

RAD-site «Nieuws uit het verleden» vanaf 3 juni 1999 toegankelijk

Tabel 14.9: Publieksbereik uitgedrukt in aantal bezoeken voor de door OCW gesubsidieerde musea (x 1 000)
 20012002
Totaal gerealiseerde resultaatafspraken4 9255 701

Inmiddels zijn de fusies tot regionaal historische centra (rhc) in de provincies Utrecht, Zeeland, Groningen, Friesland, Gelderland en Overijssel gerealiseerd. In de overige provincies Flevoland, Noord-Holland, Noord-Brabant en Limburg zijn de vier fusieprocessen in 2003 nagenoeg afgerond, met uitzondering van het rijksarchief in Drenthe en het Nationaal Archief.

Het Nationaal Archief en de rhc's hebben daarnaast inspanningen geleverd om de digitale toegang tot het bronnenmateriaal te vergroten voornamelijk door het verbeteren van het op afstand raadplegen van persoonsgegevens (onder andere familiegeschiedenis) en de gegevens over de woonomgeving.

Voor de Monumentenzorg is, behalve via de bestaande subsidieregeling (het Brrm 1997), de restauratieachterstand verder teruggebracht met het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties 2002 (Brgr 2002) oftewel de tweede kanjerregeling. Op grond hiervan kon worden doorgegaan met de uitvoering van zestien grootschalige restauraties die in de eerste kanjerregeling niet of slechts gedeeltelijk waren gehonoreerd.

Voor de archeologie was de vorige staatssecretaris Van Leeuwen voornemens het wetsvoorstel ter implementatie van het verdrag van Valletta voor het kerstreces 2002 aan de Tweede Kamer te sturen. Als gevolg van de demissionaire status van het vorige kabinet is dit niet gebeurd. Staatssecretaris Van der Laan heeft het wetsvoorstel in 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De vierjarige subsidies zijn conform de Cultuurnota 2001–2004 in 2003 aan de cultuurnotainstellingen op het terrein van cultureel erfgoed ter beschikking gesteld. Voor het fusietraject van de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden met de gemeentelijke archieven en/of andere cultuurhistorische centra in een rhc heeft de Rijksarchiefdienst in 2000 een bedrag van structureel € 2,2 miljoen beschikbaar gekregen. Met betrekking tot de totale specifieke financiële verantwoording van het Nationaal Archief wordt verwezen naar de jaarrekening van het agentschap Rijksarchiefdienst.

Voor het inlopen van de restauratieachterstand is reeds € 545 miljoen beschikbaar gesteld. Voor de tweede kanjerregeling en de start van de restauratiefondshypotheek is respectievelijk € 29,6 en € 34 miljoen ingezet. Via de reguliere bekostiging werd € 4,8 miljoen uitgegeven voor archeologie.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brief over stand van zaken monumentenzorg en Malta d.d. 18-12-2002 (DCE/02/61215).

• Brief over uitvoering tweede kanjerregeling (2002) d.d. 4-2-2003 (DCE/03/2282).

14.3.7 Nederlandstalige en Friese letteren, leesbevordering en de Nederlandse Taalunie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De specifieke beleidsdoelstellingen op het vlak van de letteren zijn het bevorderen van de kwaliteit en pluriformiteit van de Nederlandstalige en Friestalige literatuur en het stimuleren van de literaire participatie. Daarbij krijgt ook de literaire buitenlandpromotie de nodige aandacht. Verder wordt gestreefd naar het behoud, beheer en ontsluiten van het literaire erfgoed, evenals het bevorderen van de (literaire) leescultuur. In het kader van de Nederlandse Taalunie wordt door Nederland en Vlaanderen – voor zover wenselijk – gestreefd naar integratie van het beleid op het terrein van de Nederlandse taal en letteren.

Een groot deel van de lettereninstellingen wordt gesubsidieerd in het kader van de cultuurnota. Ongeveer de helft van het beschikbare budget (circa € 7,7 miljoen) gaat naar de twee letterenfondsen die een belangrijk deel van de beleidsuitvoering voor hun rekening nemen. Met deze fondsen bestaat een zeer geregeld contact over de uitvoering van hun beleid; in 2003 hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan.

Op basis van het reguliere instellingenbeheer kan geconcludeerd worden dat de meeste instellingen erin zijn geslaagd hun activiteitenplan 2003 adequaat uit te voeren.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Aan het instellingenbeheer is evenals in 2002 veel aandacht geschonken. Met diverse instellingen is een meer formeel jaargesprek gevoerd over de uitvoering van hun meerjarenbeleidsplan 2001–2004. In het algemeen hebben de lettereninstellingen hun verantwoording over 2003 binnen de gestelde termijn ingediend. Ten opzichte van 2002 is hierin een stijgende lijn te ontdekken.

In 2003 heeft de opzet en begeleiding van een externe en grootschalige evaluatie van het leesbevorderingsbeleid veel aandacht gevraagd. Uit de evaluatie van het leesbevorderingsbeleid over de afgelopen tien jaar is gebleken dat zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs extra inspanningen ter stimulering van het lezen positief worden gewaardeerd. Wel wordt in het voortgezet onderwijs het aanbod van activiteiten en projecten als onoverzichtelijk en onsamenhangend ervaren. Deskundigen pleiten voor structurele inpassing van leesbevordering in de onderwijscurricula. Vooral de openbare bibliotheek scoort hoog als instelling waarvan men veel leesbevorderende initiatieven en begeleiding verwacht. Genoemde evaluatie werd eind 2003 afgerond, waarna direct begonnen werd aan de voorbereiding van een adviesaanvraag voor de Raad voor Cultuur.

Voorts werd een bijdrage geleverd aan de opdrachtformulering van de visitatiecommissie van de Nederlandse Taalunie. Ook de uitvoering van de visitatie vergde de nodige tijd en aandacht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De uitvoering van de letterenbegroting (€ 8,0 miljoen) is binnen het geaccordeerde meerjarenkader gebleven (€ 8,1 miljoen).

14.3.8 Goed functioneren van het stelsel van openbare bibliotheken

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid voor het openbaar bibliotheekwerk is gericht op een, voor een breed publiek toegankelijk, hoogwaardig en gevarieerd informatieaanbod.

De rijksoverheid is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel van openbare bibliotheken als geheel en bekostigt hiervoor de landelijke vereniging van openbare bibliotheken VOB NBLC (Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum). Daarnaast is de Rijksoverheid verantwoordelijk voor een tweetal bijzondere bibliotheekvoorzieningen: de blindenbibliotheken en de bibliotheek voor varenden.

In december 2001 hebben Rijk, IPO en VNG het koepelconvenant «Herstructurering openbaar bibliotheekwerk» gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de realisering van de doelstellingen uit het onderzoeksrapport Open poort tot kennis. Vervolgens is de stuurgroep bibliotheken, met vertegenwoordigers van de convenantpartners en koepelorganisatie van openbare bibliotheken, ingesteld die deze afspraken nader uitwerkt. Het door het Rijk gesubsidieerde procesbureau voor de begeleiding van dit vierjarige herstructurerings- en moderniseringstraject is in 2002 gestart met de opzet van een monitor voor de levering van de gewenste kerngegevens.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Met de instelling van de stuurgroep bibliotheken en het procesbureau voor de herstructurering en modernisering van het openbaar bibliotheekwerk is een aanvang gemaakt met de uitwerking op provinciaal en gemeentelijk niveau van de in het rapport Open poort tot kennis aangegeven acties. Het procesbureau stimuleert, faciliteert en regisseert de bibliotheekvernieuwing, onder meer door actieve kennisuitwisseling te initiëren tussen de betrokken partijen. Dit doet het bureau in nauw overleg met gemeenten, provincies, rijksoverheid en de bibliotheekbranche en haakt hierbij zoveel mogelijk aan bij vernieuwingsprocessen waarmee al is begonnen.

In de periode 2002–2003 is de vorming van zgn. basisbibliotheken van start gegaan. In overleg met de vereniging van openbare bibliotheken wordt gewerkt aan een kwalitatieve vernieuwing en verbreding van de landelijke stelseltaken.

Vanuit het departement is intensief bijgedragen aan het vernieuwingsproces van het bibliotheekwerk.

Het bibliotheekwerk kan in de volgende jaren verder worden gemoderniseerd met behulp van enveloppemiddelen die met het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II beschikbaar kwamen.

De reorganisaties binnen de speciale bibliotheekvoorzieningen bleven op schema: de integratie van de bibliotheek voor varenden in de openbare bibliotheek Rotterdam werd in het jaar 2003 voltooid en in het blindenbibliotheekwerk vond ultimo 2003 de majeure overgang van analoge dragers (cassettebandjes) naar digitale (cd-roms) plaats.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Binnen de huidige budgetten is voor de periode 2001–2004 een jaarlijks bedrag van € 5,5 miljoen beschikbaar voor de vorming van de basisbibliotheken in kleine gemeenten.

Voor de instandhouding en vernieuwing van de stelseltaken is in het kader van de cultuurnota jaarlijks ruim € 5 miljoen beschikbaar voor de vereniging van openbare bibliotheken.

Met incidentele middelen is voor de ict-ontwikkeling via het Nationaal actieplan digitale snelwegen (NAP) projectmatig subsidie verleend.

De overige middelen zijn beschikbaar gesteld aan de blindenbibliotheken, de bibliotheek voor varenden en overige organisaties.

14.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.10: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen 1 854 386493 583374 477266 852520 973– 254 121
waarvan garantieverplichtingen 68 2703 177111 50753 465263 395– 209 930
Uitgaven 592 318657 166654 014668 662666 8611 801
        
Kunsten 254 418336 666296 994298 357303 024– 4 667
Podiumkunsten 147 901180 774174 466179 817  
Film 11 50619 47410 48911 456  
Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving 54 45473 40845 60444 929  
Amateurkunst en kunsteducatie 19 95123 26023 75924 539  
Overige subsidies kunsten 20 60639 75042 67637 616  
        
Letteren en bibliotheken 43 90043 30039 08940 85640 681175
Bibliotheken 26 00027 00029 75431 106  
Letteren 11 50015 0007 8548 003  
Overig 6 4001 3001 4811 747  
        
Fondsen   74 35577 62569 8047 821
        
Cultureel erfgoed 285 200271 000237 984246 775244 7712004
Musea 183 500138 400140 159140 599  
Monumentenzorg 94 800113 40077 73580 258  
Archeologie 3 6005 1004 2564 811  
Archieven 2 7003 2003 5953 854  
Erfgoed algemeen 60010 90012 24117 253  
        
Overig 8 8006 2005 5915 0498 581– 3 532
Ontvangsten 2 8004 8004 9703 0532502 803

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

15. MEDIA

15.1 Algemene beleidsdoelstelling

De doelstelling van het mediabeleid van OCW is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, bestaande uit radio, televisie, kranten, tijdschriften en Internet, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking.

15.2 Het stelsel

Het regeringsbeleid betreft in de eerste plaats de publieke omroep. Daarnaast strekt het beleid zich uit tot aanbieders die op de commerciële markt opereren. Het beleid houdt zich eveneens bezig met vraagstukken over onder andere marktordening en technische ontwikkelingen.

In dit kader past de samenwerking met het ministerie van Economische Zaken, die het terrein bekijkt vanuit algemene economische overwegingen, toegespitst op liberalisering en mededinging (mededingingswet en de Nederlandse Mededingingsautoriteit). De scheidslijn bij de telecommunicatie is als volgt: OCW is verantwoordelijk voor de inhoudelijke bepalingen over het beleidsterrein, en het ministerie van Economische Zaken voor de aanwezigheid en efficiëntie van de telecom(omroep)infrastructuur, in het bijzonder de frequenties.

15.2.1 Toegankelijkheid

Sinds de liberalisering van de Mediawet in 1997 is een aantal garanties neergelegd voor de doorgifte van omroepprogramma's via de kabel. Het betreft het vastleggen van een must-carry pakket (verplichte opname van een aantal zenders), de instelling van programmaraden en de mogelijkheid van een prijsmaatregel. Het Commissariaat voor de Media ziet erop toe dat de in de Mediawet opgenomen bepalingen door de omroepen en kabelexploitanten worden nageleefd.

15.2.2 Variëteit

Verschillende wettelijke programmavoorschriften waarborgen diversiteit van de publieke radio en televisieprogrammering. Daarnaast is de toegang van zendgemachtigden tot het publieke bestel gebaseerd op hun representativiteit voor bepaalde culturele, levensbeschouwelijke en politieke stromingen binnen de Nederlandse bevolking.

Het beleid van de rijksoverheid is er verder op gericht om de pluriformiteit van de pers (met name de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften) zoveel mogelijk in stand te houden. Dat is van groot belang voor de informatievoorziening van de burger en daarmee voor het democratisch functioneren van de samenleving. De overheidsbemoeienis met de pers is afstandelijker dan met de omroep. Het Bedrijfsfonds voor de pers vormt het voornaamste instrument.

15.2.3 Kwaliteit en bereik

De kerntaak van de publieke omroep bestaat uit het aanbieden op open netten van een gevarieerd, kwalitatief hoogstaand radio- en televisieaanbod, voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen.

15.2.4 Continuïteit

In de Mediawet staan de verantwoordelijkheden en taken van de overheid op het terrein van de publieke omroep, de commerciële omroep en de pers beschreven. De taakopdracht van de publieke omroep strekt zich uit over de gehele publieke omroep in Nederland, dus zowel op landelijk, als op regionaal en lokaal niveau.

Op grond van de Mediawet stelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap jaarlijks vast welke bedragen beschikbaar zijn voor de publieke omroepen en de andere media-instellingen. In de mediabegroting worden de geraamde inkomsten en uitgaven zichtbaar gemaakt. De inkomsten op de mediabegroting bestaan uit de Rijksomroepbijdrage, de reclameontvangsten (Ster) en de rente op de algemene omroepreserve. De uitgaven gaan naar de publieke omroep (landelijk en regionaal) en naar andere media-instellingen.

Onderstaand is schematisch weergegeven hoe de financiële stromen lopen in het Nederlandse publieke omroepbestel.

Figuur 15.1: Financiële stromen exclusief kosten en opbrengsten zero base (x € 1 miljoen)

kst-29540-16-28.gif

15.2.5 Verantwoordelijkheidsverdeling overheid, veld en toezicht

De minister is systeemverantwoordelijk voor de landelijke publieke omroep, regionale en lokale publieke omroep en pers. De resultaatverantwoordelijkheid is in het geval van de landelijke publieke omroep overgedragen aan de NOS, in het geval van regionale publieke omroep aan de provincies, in het geval van lokale publieke omroep aan de gemeenten en in het geval van de pers aan het bedrijfsfonds voor de pers.

15.3 Nader geoperationaliseerde doelstellingen

15.3.1 Landelijke publieke omroep

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van de landelijke publieke omroep is om op open netten een gevarieerd, kwalitatief hoogstaand radio-, televisie- en internetaanbod, voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen met voldoende draagvlak aan te bieden.

Voor de publieke omroep geldt de wettelijke opdracht om de gehele bevolking te bedienen. Bij de concessieverlening in 2000 is deze opdracht vertaald in meetbare resultaatafspraken tussen overheid en omroep.

Een belangrijke doelstelling van de landelijke publieke omroep is om voldoende draagvlak onder de bevolking te behouden. Er wordt gestreefd naar een kijktijdaandeel1 van 40% voor de drie televisiezenders en een weekbereik2 van 85%.

Tabel 15.1: doelstellingen publieke omroep
Kijktijddoelstellingen publieke omroep (18.00–24.00 uur)Doelstelling concessiebeleidsplan00/0101/0202/03
Aandeel in kijktijd40%39%39%37%
Nederland 113%13%13%12%
Nederland 217%17%18%17%
Nederland 310%9%8%8%

Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004–2008 (programmatisch jaarverslag)

Uit tabel 15.1 blijkt dat in het televisieseizoen 2002/2003 het werkelijke kijktijdaandeel 37% bedraagt. Hiermee is de doelstelling van 40% niet gehaald. Deze cijfers brengen tot uiting welke positie de publieke omroep inneemt op de kijk- en luistermarkt, dus hoeveel mensen bij het kiezen tussen de zenders hun keuze op een publiek programma laten vallen. De doelstelling van het kijktijdaandeel 40% staat de laatste jaren sterk onder druk. Vanaf het seizoen 00/01 heeft het percentage geschommeld tussen de 37% en 39%.

In 2003 bedroeg het weekbereik 89%. Dit betekent dat 89% van de Nederlandse bevolking minimaal één kwartier per week naar de publieke omroep kijkt. Hiermee is de doelstelling van 85% ruim behaald.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om een gevarieerd en kwalitatief hoogstaand radio- en televisieaanbod te realiseren zijn voorschriften voor programmacategorieën die in de programmering aan bod moeten komen (programmavoorschriften). Deze wettelijke voorschriften bewegen zich op het terrein van informatie, educatie, verstrooiing, kunst, cultuur, Europese en onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige programma's, programma's gericht op minderheden en programma's die zijn ondertiteld voor doven en slechthorenden. Voor de meeste onderdelen gelden minimumpercentages. Op basis van voortdurende registratie en categorisering van programma's door de NOS toetst het Commissariaat voor de Media of de publieke omroep aan de voorschriften voldoet.

Tabel 15.2: programmavoorschriften
Percentage van de televisiezendtijd (16.00–24.00 uur)Wettelijk20012002***
Informatie/educatie: omroepverenigingMinimaal 35%54%57%
Kunst: omroepvereniging**Minimaal 12,5%15%13%
Kunst: NPS**Minimaal 20%33%32%
Cultuur/kunst: omroepverenigingMinimaal 25%35%31%
Cultuur/kunst: NPSMinimaal 40%78%72%
Minderheden: NPSMinimaal 20%27%26%
Verstrooiing: Nederland 1*Maximaal 25%1%21%
Verstrooiing: Nederland 2*Maximaal 25%4%12%
Verstrooiing: Nederland 3*Maximaal 25%0%12%
Europese producties: per net**Minimaal 50%88%/82%/91%93%/85%/89%
Opdrachtproducties: publieke omroepMinimaal 25%29%30%
Oorspronkelijk Nederlands of Fries: per omroep**Minimaal 50%76%82%
Daarvan ondertiteld voor doven**Minimaal 50% 47%

Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004–2008 en Programmavoorschriften 2002, Commissariaat voor de Media. De percentages hebben betrekking op het tijdvak 16.00–24.00 tenzij anders vermeld en kunnen niet bij elkaar worden opgeteld, omdat de verschillende categorieën elkaar niet uitsluiten. Ook gelden voor de NPS specifieke voorschriften.

*In 2002 heeft er een wijziging plaatsgevonden in het programmaonderdeel verstrooiing. De categorieën amusement en licht buitenlands drama maken sinds 2002 deel uit van het onderdeel verstrooiing.

**Percentages hebben betrekking op het tijdvak 00.00–24.00 uur.

***Cijfers van 2003 zijn nog niet beschikbaar.

Uit tabel 15.2 blijkt dat de publieke omroep aan vrijwel alle wettelijke programmavoorschriften voldoet. In de reactie op de meerjarenbegroting 2003 kondigde het Commissariaat voor de Media aan met de raad van bestuur van de publieke omroep te overleggen over een alternatieve definitie van verstrooiing. Dit heeft ertoe geleid dat de publieke omroep met ingang van afgelopen jaar (2002) een bredere invulling van het begrip verstrooiing hanteert. Naast typische amusementsprogramma's (grote spelshows, spelprogramma's) worden nu ook de categorie licht buitenlands drama (excl. jeugddrama) en educatieve quizzen, cabaret & kleinkunst en satire meegerekend. Ook met de nieuwe invulling van de categorie verstrooiing blijft de publieke omroep ruim onder het maximum van 25%.

Los van de wettelijke programmavoorschriften heeft de publieke omroep nog een aantal doelstellingen geformuleerd op het terrein van sport en (Nederlands) drama.

Tabel 15.3: Overige prestatieafspraken
Percentage van de televisiezendtijdDoelstelling20012002*
Sport (in jaren zonder grote evenementen geldt een maximum van 9%)Maximaal 11%9%8%
Totaal drama (tijdvak 16–24 uur)25%24%23%
Nederlands drama (tijdvak 16–24 uur)9%8%8%

Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004–2008

*Cijfers van 2003 zijn nog niet beschikbaar

Uit tabel 15.3 blijkt dat de publieke omroep ten opzichte van 2001 minder drama heeft uitgezonden. Het aanbod lag, in vergelijking met de jaren 1999 en 2000, weliswaar hoger, maar de opgaande lijn van 2001 is niet doorgetrokken.

Hierbij is de doelstelling om in het tijdvak 16.00–24.00 uur een aandeel drama van 25% te realiseren, waarbinnen 9% Nederlands drama in 2002 niet verwezenlijkt. Uit het programmatische verslag over 2002 blijkt zelfs dat het aandeel drama in 2002 is afgenomen ten opzichte van 2001. Dit is een ongewenste situatie. In de brief over de mediabegroting 2004 is aangekondigd dat de publieke omroep is verzocht een langere termijnvisie te ontwikkelen en de omroepen meer dienen samen te werken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het budget van de landelijke publieke omroep is voor het jaar 2003 vastgesteld op € 798 miljoen. Uit de exploitatie van de landelijke omroep blijkt dat aan uitgaven in 2003 een bedrag van € 793 miljoen is verantwoord.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Naast de Rijksbegroting op hoofdlijnen wordt er ieder jaar een aparte mediabegrotingsbrief aan de Tweede Kamer verzonden. In deze brief wordt uitgebreider op de onderdelen van de uitgaven ingegaan (waaronder de taakstelling Balkenende II), waarbij tevens een uitgebreide beleidsmatige onderbouwing aan de orde is. Deze brief is op 14 november 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.

15.3.2 Verdeling en digitalisering infrastructuren

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van het beleid is het stimuleren van keuzevrijheid, betaalbaarheid en tegelijkertijd consumenten te beschermen. De regionale dekking van digitale ethertelevisie is in 2003 behaald.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Ten tijde van het schrijven van de rijksbegroting 2003 was nog niet bekend op welke wijze de radiofrequenties voor commerciële omroep verdeeld zouden worden. In 2003 zijn de commerciële radiofrequenties in nauwe samenwerking met het ministerie van Economische Zaken voor een periode van acht jaar verdeeld middels een vergelijkende toets. Hierbij heeft een onafhankelijke commissie advies uitgebracht. De vergunningverlening is uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken op voordracht van de staatssecretaris cultuur van OCW.

Nadat de AM- en FM-frequenties waren verdeeld is een aanvang gemaakt met het formuleren van het beleid ten aanzien van de verdeling van de frequenties voor digitale radio (dab). De regie hiervoor ligt bij Economische Zaken. Naar verwachting zal in 2004 een vergelijkende toets plaatsvinden.

In april 2003 zijn de digitale ethertelevisie-uitzendingen (dvb-t) van start gegaan in een deel van het land. De intentie is dit bereik in komende jaren uit te breiden tot landelijke dekking.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het beschikbare budget voor de verdeling van de radiofrequenties bedroeg € 3,5 miljoen in 2003. In totaal is in 2003 € 2,6 miljoen besteed.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

In 2003 is een groot aantal brieven aan de Tweede Kamer gezonden. Op 14 januari is een brief verzonden waarin de rol, taakomschrijving en invulling van de adviescommissie wordt toegelicht. Vervolgens is op 12 februari het advies van de onafhankelijke commissie over de uitwerking van de vergelijkende toets aan de Kamer verzonden. Op 26 mei zijn de uitkomsten van de vergelijkende toets aan de Kamer aangeboden. Een uitkomst van de vergelijkende toets was dat een beperkt aantal frequenties niet kon worden verdeeld. In de brief van 17 juni 2003 is hiervoor een passende oplossing gegeven. Naar aanleiding van het algemeen overleg met de Kamer op 26 juni 2003 zijn op 9 juli de referentietabellen waarvan de adviescommissie gebruik heeft gemaakt en de spreidingsanalyses verzonden. Tenslotte is in de brief van 18 november aan de Kamer de uitslag van de vervolgtoets medegedeeld.

15.3.3 Nieuwe media

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is een aantrekkelijke inhoud voor digitale kanalen te stimuleren.

Met ingang van de concessiewet in september 2000 mag de publieke omroep nieuwe diensten die aansluiten bij de hoofdtaak (neventaken) bekostigen uit de omroepmiddelen. Om te stimuleren dat de publieke omroep ook daadwerkelijk investeert in innovatie, is vanaf 2001 tot en met 2003 cumulatief 1,5% van het budget van de landelijke publieke omroep gereserveerd voor nieuwe diensten. Dit wil zeggen dat in 2001 1,5% gereserveerd is en in 2002 het bedrag van 2001 plus 1,5% gereserveerd is. Aan deze financiering is de eis verbonden van een gezamenlijke strategie en een verantwoord bestedingsplan van de publieke omroep.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Begin 2001 heeft het bureau McKinsey & Company in opdracht van het ministerie van OCW, de NOS en de STER de digitale toekomst verkend en advies uitgebracht. In vervolg hierop heeft de publieke omroep in de meerjarenbegroting 2002–2006 een hoofdstuk opgenomen over de nieuwe media en heeft de publieke omroep een gezamenlijk plan Internet geschreven. Hiermee wordt de samenwerking op internet tussen de zendgemachtigden versterkt.

De publieke omroep heeft in 2003 geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe diensten voor wat betreft de aanwezigheid op Internet en andere digitale platforms. Voorbeelden hiervan zijn de thematisch georganiseerde portalsites («verticals») die het aanbod clusteren op onderwerpen als wetenschap, natuur en milieu, kunst en cultuur, etcetera. Uit een gebruikersenquête bleek dat de verticals voldoende tot goed gewaardeerd werden (gemiddeld met een 7,0).

Onder regie van OCW is in 2003 gestart met de voorbereiding rond digitale opslag, ontsluiting en beschikbaarstelling van audiovisuele documenten. Realisatie van dit traject is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de publieke omroep, NOB en het Instituut voor Beeld en Geluid.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het budget landelijke publieke omroep, dat gereserveerd is voor nieuwe diensten bedroeg voor 2003 € 29,9 miljoen. In 2003 is € 24,8 miljoen besteed.

15.3.4 Migranten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De overheid investeert in de versterking van op minderheden gerichte televisieprogrammering in de vier grote steden. In de nota Media en minderheden van juni 1999 (Kamerstukken II, vergaderjaar 1998–1999, 26 597 nr. 1) zijn deze voornemens opgenomen. Verder heeft de overheid in 2003 geïnvesteerd in radioprogrammering via de regionale en lokale zendgemachtigden.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2001 is door OCW en de vier grote steden de productiemaatschappij MTNL (Multiculturele Televisie Nederland) opgericht. Deze organisatie is gevestigd in Amsterdam en produceert voor de vier grote doelgroepen (Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken) wekelijks per groep drie kwartier tweetalig actueel nieuws en informatie in een modern programmaformat op een wijze die ook voor het brede publiek interessant is. Per stad wordt een kwartier lokaal nieuws geproduceerd door de vaste samenwerkingspartners van MTNL, te weten zowel regionale omroep als ook lokale producenten ter plaatse. De programma's worden uitgezonden door de publieke lokale en regionale omroepen. In Amsterdam en Rotterdam wordt de MTNL-programmering gedurende de week nog herhaald, waardoor het bereik toeneemt.

Verder is vanaf januari 2003 een radiostation onder de naam «FunX» gestart dat te beluisteren is in de vier grote steden. Het radiostation valt onder de hoede van de lokale zendgemachtigden in de vier grote steden. FunX zendt een aantrekkelijke mix van plaatselijke informatie en onderscheidende muziek uit primair gericht op grootstedelijke multiculturele jongeren en jongvolwassenen (15–34 jaar) en secundair op de gehele jongere publieksgroep.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Ja, MTNL beschikt over een budget dat door de grote steden en OCW beschikbaar is gesteld. In totaal is in de mediabegroting 2003 ruim € 2,4 miljoen opgenomen als bijdrage voor lokale migrantentelevisie. De organisatie blijft binnen de overeengekomen meerjarenbegroting.

FunX wordt op basis van matching gefinancierd door OCW en de vier grote steden. In totaal is in de mediabegroting 2003 ruim € 1,0 miljoen opgenomen als bijdrage voor FunX. De organisatie blijft binnen de overeengekomen meerjarenbegroting.

15.3.5 Jeugd en jongeren

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling is om meer jongeren in de categorie van 13 tot 19 jaar en 20 tot 34 jaar op de televisie te bereiken.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Het weekbereik onder jongeren in de leeftijd 13–24 jaar is sinds 2000 gemiddeld 68%. In 2003 ligt dit bereik hoger met 77%.

Tabel 15.4: Weekbereik publieke omroep 13–24 jaar
WeekbereikDoelstelling2000200120022003
Doelstelling75%68%68%68%77%

Bron: Meerjarenbegroting Publieke Omroep 2004–2008

Het gemiddelde kijktijdaandeel in de leeftijdsgroep 13 tot en met 19 jaar bedroeg in het seizoen 2002/2003 22% en is hiermee gestegen ten opzichte van het seizoen 2001/2002. Het gemiddelde kijktijdaandeel in de leeftijdsgroep 20–34 jaar bedroeg in het seizoen 2002/2003 27% en is hiermee gedaald ten opzichte van het seizoen 2001/2002.

Tabel 15.5: Kijktijdaandeel publieke omroep 13–19 jaar en 20–34 jaar
Kijktijdaandelen publieke omroep (18.00–24.00 uur)00/0101/0202/03
13–19 jaar20%20%22%
20–34 jaar29%31%27%

Bron: Meerjarenbegroting publieke omroep 2004 -2008

Een belangrijk instrument dat kan worden ingezet om het kijktijdaandeel onder de groep 13 tot en met 34 jaar te verhogen is Nederlands drama.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Financiering van deze doelstelling heeft plaatsgevonden binnen het reguliere mediabudget.

15.3.6 Pers

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is het zoveel mogelijk in stand houden en stimuleren van de pluriformiteit van de pers (met name de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften). De mate van pluriformiteit wordt uitgedrukt in het aantal redactioneel zelfstandige bladen dat op de markt verschijnt. Tevens worden de bestaande en de nieuwe bladen, die zich richten op minderheden evenals de nieuwe journalistieke internetproducten, tijdelijk gestimuleerd.

Tabel 15.6: Persmediamonitor
Oplage dagbladen met zelfstandige hoofdredactie199819992000200120022003
Specialistisch100 954103 385109 094112 862109 54097 036
Regionaal2 432 2132 404 6812 362 7272 330 6222 304 3642 258 912
Landelijk1 981 5391 969 3661 959 8021 923 9481 888 9941 832 922
Totaal4 514 7064 477 4324 431 6234 367 4324 302 8984 18 8 870
Index totaal100.099.298.296.895.392.8
Gratis dagbladen 515 000594 000845 000774 000654 338

Bron: Dagbladen oplage specificaties van Cebuco (1998–2003), www.HOI-online.nl, Handboek voor de Nederlandse Pers en Publiciteit, eigen opgaven Bedrijfsfonds voor de pers (zie www.persmediamonitor.nl).

De verspreide oplage bestaat uit: abonnementen en losse verkoop plus gratis exemplaren voor medewerkers, relaties, adverteerders, verkooppunten en marketingdoeleinden. Er is gemeten over de eerste drie kwartalen van elk jaar plus het laatste kwartaal van het jaar daarvoor.

Uit de tabel blijkt dat de oplage van de (betaalde) dagbladen sinds 1998 daalt. De regionale oplage daalde met bijna 175 000 exemplaren, de landelijke oplage met circa 150 000. Specialistische dagbladen bleven in deze periode op hetzelfde niveau. Over een langere periode gerekend (vanaf 1981) blijkt dat specialistische bladen sterk zijn gegroeid, terwijl de grootste verliezen bij de regionale titels terecht zijn gekomen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Conform de voornemens is het instrumentarium van het Bedrijfsfonds voor de pers in juli 2002 uitgebreid met twee regelingen: een stimuleringsregeling voor bladen die zich speciaal richten op minderheden in ons land en een regeling voor journalistieke informatieproducten via het Internet. De eerste regeling heeft een looptijd van vier jaar, met een evaluatie in het derde jaar. De tweede regeling heeft een looptijd van drie jaar, met een evaluatie na twee jaar.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De structurele dotatie van € 2,3 miljoen aan het Bedrijfsfonds voor de pers is in 2003 niet aangewend.

15.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen 832 972834 425882 964878 009857 17320 836
– waarvan garanties 000000
Uitgaven 830 642836 127881 344880 707857 66123 046
Media 830 642836 127881 344878 493857 66120 832
Zero base    2 21402 214
Ontvangsten 243 245231 335222 155253 542226 98126 561
Rijksomroepbijdrage  601 786654 404661 058630 68030 378

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPPEN

16.1 Algemene beleidsdoelstelling

De minister heeft de zorg voor het scheppen van een onderzoeksklimaat dat uitdaagt tot optimale prestaties: wetenschap van hoog niveau voor welvaart en welzijn.

Vanuit deze algemene beleidsdoelstelling is de minister verantwoordelijk voor:

• Het goed en doelmatig laten functioneren van het onderzoeksbestel binnen de maatschappij. Dit impliceert het stimuleren en ondersteunen van het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek, een efficiënte inzet van de middelen, maar ook van voldoende kennisdiffusie en openheid naar afnemers van wetenschappelijke kennis;

• Het scheppen van voorwaarden voor het functioneren van een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder onderzoeksorganisaties en wetenschappelijke bibliotheekinstellingen, die binnen het onderzoeksbestel een belangrijke plaats innemen;

• Sturing en toezicht op hoofdlijnen gericht op het in positie brengen van actoren om hun rol goed te vervullen en op het ontwikkelen van instrumenten voor het geven van richting, het scheppen van ruimte, het meten van resultaat en het afleggen van rekenschap.

16.2 Het stelsel: de staat van de sector onderzoek en wetenschappen

16.2.1 Variëteit

Het stelsel van onderzoek en wetenschappen bestaat uit een groot aantal instellingen, grotere en kleinere, ieder met een verschillende positie binnen het onderzoeksbestel. Ze kunnen als volgt worden ingedeeld:

• de onderzoeksorganisaties: de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO);

• de Koninklijke Bibliotheek (KB), en andere wetenschappelijke bibliotheken;

• instellingen voor de uitvoering van alfa- en gammaonderzoek;

• de grote technologische instituten (gti's);

• internationale onderzoekinstellingen;

• instellingen voor publieksvoorlichting en technologisch aspectenonderzoek, en

• adviesraden.

De uitgaven van OCW voor deze instellingen in 2003 staan in paragraaf 16.4.

16.2.2 Kwaliteit en internationale positie

De kwaliteit van (het functioneren van) het onderzoeksbestel kan worden beoordeeld aan de hand van een diversiteit aan kwantitatieve gegevens (indicatoren), aangevuld met meer kwalitatief materiaal. De Europese Commissie heeft voor verschillende thema's een «scoreboard» opgesteld, dat gebruikt kan worden om de Nederlandse positie in EU-verband te beoordelen, afgezet tegen de eerder genoemde ambitie dat Nederland tot de top van Europa wil behoren. Het gaat om de thema's menselijk kapitaal, investeringen in Research and Development (R&D), wetenschappelijke en technologische productiviteit, en de invloed van R&D op het concurrentievermogen en werkgelegenheid. De volgende tabel geeft de relatieve positie van Nederland aan ten opzichte van de andere EU-landen.

Tabel 16.1: De positie van Nederland binnen de EU op basis van 17 indicatoren
 Score 2003Verschil met 2002
Thema 1: menselijk kapitaal voor R&D  
Het aandeel onderzoekers ten opzichte van het totaal aantal arbeidskrachten9– 1
Het aandeel nieuwe promovendi t.o.v. de populatie in de betreffende leeftijdsgroep10+ 1
Thema 2: publieke en private investeringen in R&D  
Totale R&D-uitgaven als percentage van het BBP8– 2
Private R&D-uitgaven ten opzichte van de industriële output8– 1
Het aandeel van de overheidsuitgaven voor R&D als percentage van het BBP5– 1
In het MKB uitgevoerd onderzoek gefinancierd door de overheid6+ 1
De omvang van in vroege stadia geïnvesteerd risicodragend kapitaal als % van het BBP4+ 2
Thema 3: wetenschappelijke en technologische productiviteit  
Het aantal octrooien per hoofd van de bevolking  
• bij EPO (European Patent Office)4+ 1
• bij USPTO (United States Patent and Trademark Office)5+ 1
Het aantal wetenschappelijke publicaties per hoofd van de bevolking4+ 1
Het aantal meest geciteerde publicaties als % van het totaal aantal wetenschappelijke publicaties**
Thema 4: de invloed van R&D op het concurrentievermogen en werkgelegenheid  
De arbeidsproductiviteit (BBP per gewerkt uur)5– 2
Het aandeel van hoog en middelhoog technologische bedrijven  
• in de totale werkgelegenheid12=
• in de industriële output11– 2
Het aandeel van kennisintensieve diensten  
• in de totale werkgelegenheid1+ 4
• in de industriële output4=
De technologische betalingsbalans als percentage van het BBP2+ 1
Het wereldmarktaandeel van een land in de uitvoer van hoog technologische producten4=

Bron: EU (Key Figures 2003–2004)

*Deze indicator is niet meer opgenomen in Key figures 2003–2004.

Noot: de score geeft de plaats weer van Nederland binnen de EU, waarbij «1» de hoogste positie is; een plusscore ten opzichte van 2002. De score 2003 is ontleend aan de meest recente EU-publicatie «Key figures 2003–2004» en heeft voor de meeste indicatoren betrekking op het jaar 2001. Deze positie is vergeleken met de positie van Nederland in «Key figures 2002» (score 2002), waarbij de gegevens voor de indicatoren betrekking hebben op het jaar 2000. Een plusscore ten opzichte van 2002 betekent een verbetering, een min-score een verslechtering.

De vergelijking van de cijfers voor de twee jaren laat globaal zien dat de positie van Nederland wat betreft menselijk kapitaal gelijk is gebleven, verslechterd is bij investeringen, verbeterd wat betreft wetenschappelijke en technologische productiviteit en dat de indicatoren over de invloed op het concurrentievermogen en werkgelegenheid een gemengd beeld geven. Wel geven de diverse scores over het jaar 2001 en gegevens over de overheidsinspanningen voor de jaren erna aan dat Nederland zich op verschillende thema's nog inspanningen moet getroosten om haar ambitie te bereiken. Slechts bij twee van de 17 indicatoren behoort Nederland bij de top-3 van Europa, bij 10 indicatoren tot de top-5.

De volgende figuur geeft aan voor hoeveel benchmark-indicatoren de EU-lidstaten beter dan wel slechter scoren dan het Europees gemiddelde.

Figuur 16.1: totaalscore EU-lidstaten op de benchmarkindicatoren

kst-29540-16-29.gif

(Bron: Key Figures 2003–2004, Europese Commissie)

Behoorde Nederland in het jaar 2000 nog tot de zes landen met een positieve balans, in het jaar 2001 (Fig. 16.1) scoorde Nederland op evenveel indicatoren hoger dan wel lager dan het EU gemiddelde.

Menselijk kapitaal

Er is sprake van een nagenoeg gelijkblijvende positie van Nederland. Een lichte verbetering is te constateren wat het aandeel promovendi betreft, de voorpost van een lichting nieuwe onderzoekers. Over de problematiek van kenniswerkers, specifiek gericht op de gebieden bèta/techniek heeft het Kabinet begin 2004 een nota uitgebracht met maatregelen. Daarnaast kan verwezen worden naar de paragraaf over human resource management (hrm) (paragraaf 16.3.1.2).

Investeringen

Op drie van de vijf indicatoren is Nederland qua positie gezakt na de stijging in het voorafgaande jaar. Investeringen in R&D, de resultante van publieke én private investeringen, blijven een belangrijk aandachtspunt. Dat geldt met name voor de private investeringen, tegen de achtergrond van de Europese ambitie om 3 procent te investeren in R&D, waarvan de private sector 2/3 voor haar rekening zou moeten nemen. De volgende tabel geeft de ontwikkeling weer van de Nederlandse en Europese investeringen in R&D, onderscheiden naar financieringsbron. Hieruit blijkt dat zowel voor Nederland als de EU geldt dat met name de bedrijven nog niet op het gewenste niveau investeren.

Tabel 16.2: Investeringen in R&D
 EU-gemiddeldNederland
 199920002001199920002001
Overheid0,650,650,660,720,660,68
Bedrijven1,041,061,081,000,970,98
Overig0,170,180,190,300,270,23
Totaal1,861,891,932,021,901,89

B: OESO

Op enkele punten heeft het Kabinet besloten tot extra investeringen: investeringen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) € 800 miljoen, gerichte investeringen in de kennisinfrastructuur € 100 miljoen en € 100 miljoen verhoging van de WBSO (Wet Bevordering speur- en ontwikkelingswerk). Zie verder ook paragraaf 16.3.2.

Wetenschappelijke en technologische productiviteit

Nederland scoort op dit onderdeel goed; dit is een sterkte van Nederland. De indicator «aantallen meest geciteerde publicaties», waar Nederland de absolute topper binnen de EU is, ontbreekt ten opzichte van vorig jaar. Om deze goede positie te behouden zijn blijvende inspanningen nodig voor het stimuleren van excellent onderzoek.

Invloed op concurrentievermogen en werkgelegenheid

De indicatoren geven een wisselend beeld. Voornamelijk bij de indicatoren die betrekking hebben op high-tech en medium-tech bedrijven scoort Nederland laag. Bij de andere indicatoren is het beeld positiever en bij het aandeel van kennisintensieve diensten in de totale werkgelegenheid neemt Nederland zelfs de 1ste positie binnen de Europese Unie in.

Om de Nederlandse kennispositie en het innovatieve vermogen van bedrijven te versterken zijn eind 2003 twee nota's verschenen, die verschillende maatregelen bevatten: het Wetenschapsbudget 2004 en de Innovatiebrief van de minister van Economische Zaken.

Kwaliteit heeft ook te maken met samenwerking in het onderzoek, vooral via internationale samenwerking. Dat blijkt onder andere uit de gegevens van het eind 2003 verschenen rapport van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie (NOWT) Wetenschaps- en Technologie Indicatoren 2003. Dit rapport laat zien dat bij publicaties waarbij Nederlandse onderzoekers samenwerken met onderzoekers uit andere landen de citatiescores 25 tot 80% hoger liggen dan het wereldgemiddelde. Internationale samenwerking loont daarom. Inmiddels is 44% van de publicaties waarbij een Nederlandse onderzoeker is betrokken een co-publicatie met een onderzoeker uit een ander land, waarbij landen van de EU een steeds grotere plaats gaan innemen. Paragraaf 16.3.3.3 gaat nader in op een aantal van de internationale samenwerkingsrelaties.

16.2.3 Toegankelijkheid

Het NOWT-rapport (2003) geeft ook een beeld van de toegankelijkheid van de Nederlandse kennisinstellingen voor private partijen. Op de twee gebruikte indicatoren scoort Nederland bovengemiddeld ten opzichte van de vergelijkingslanden en laat het Nederlandse niveau ook in absolute zin in de laatste vijf jaar een toename van meer dan 20% zien. Het gaat om:

• het aandeel van bedrijven in de financiering van (semi)publieke R&D;

• publiek-private co-publicaties als percentage van de nationale totale output.

Overigens zijn dit maar twee van de vele mechanismen om de publiek-private relaties in kaart te brengen, zij het dat het bij veel andere mechanismen moeilijker is om kwantitatieve gegevens te verzamelen. Instellingen als TNO en de grote technische instituten spelen in dit opzicht een belangrijke rol. Deze rol is geëvalueerd en komt verder aan de orde in paragraaf 16.3.3.2. Om de toegankelijkheid voor het brede publiek van publieke kennisinstellingen en de resultaten van onderzoek te vergroten is wetenschap en techniekcommunicatie een belangrijk instrument (zie paragraaf 16.3.3.1).

16.2.4 Rendement

Daar waar het begrip rendement meetbaarheid veronderstelt is het operationaliseren ervan in het stelsel van onderzoek en wetenschapsbeleid geen sinecure. Er valt hier immers te rekenen met het gegeven dat de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek nogal eens verrassend en dus ongewis kunnen zijn. Factoren als geluk en toeval (men heeft het wel over «serendipiteit») beïnvloeden de doorlooptijden en uiteindelijke resultaten van vooral het fundamentele onderzoek aanzienlijk. Dit werkt door in de voorspelbaarheid, het bereik en zeker ook de meetbaarheid van de effecten van het gevoerde beleid. Toch worden in dit stelsel sinds een tweetal jaren aanzienlijke inspanningen gepleegd om zicht op het rendement van de instellingsactiviteiten te krijgen. Door de inspanningen op het gebied van indicatoren en prestatie-informatie begint zich nu een bestuurlijk relevante informatiepositie te ontwikkelen. Na het tekenen van de zogenoemde rekenschapconvenanten in 2002 en 2003 ontvangt de minister ondertussen de gegevens van de vier grote als ook van een tweetal kleinere instellingen. De daaraan te ontlenen informatie krijgt in toenemende mate een plaats in het diverse ambtelijk en bestuurlijke overleg.

16.2.5 Continuïteit, de financiële positie van de vier grote instellingen

Van de begroting voor onderzoek en wetenschapsbeleid is een substantieel deel bestemd voor het onderzoeksbestel. De vier belangrijkste instellingen daarbinnen (NWO, TNO, KNAW en KB) ontvangen samen 79% van de ter beschikking te stellen middelen. De financiële positie van deze instellingen garandeert hun continuïteit (zie ook Verantwoording in kerncijfers). Hieronder komt hun financiële positie per ultimo 2002 aan de orde.

Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO)

De rijksbijdrage inclusief de specifieke subsidies van OCW over 2002 bedroeg in totaal € 382 miljoen (in 2001 € 347 miljoen), ofwel circa 82% van de inkomsten (2001: circa 80%). Men ontving die grotendeels vanwege de lumpsum van OCW. De lumpsum is door technische bijstellingen onder andere voor loonontwikkeling licht verhoogd (+ 1,7%). De belangrijkste verhoging van de inkomsten betreft echter de bijzondere en op basis van afspraken met de Kamer geoormerkte toevoegingen voor Genomics en de Vernieuwingsimpuls. Terwijl het lastenniveau vrijwel stationair was, stegen de baten met 4,6%: het exploitatie resultaat steeg erdoor van € 43 naar € 62 miljoen.

Van het totale vermogen van € 472 miljoen behoort ondertussen dan ook 64% tot het zogenoemde eigen vermogen. Een jaar eerder was dat 50% (zie figuur 16.2). Deze stijging komt voornamelijk op het conto van de hierboven genoemde bijzondere toevoegingen. Dit betekent dat de stijging van de liquiditeit optisch boekhoudkundig is. Op het grootste deel van de gelden rust immers al een bestemming. Het extra beschikbare vermogen is ook grotendeels liquide aanwezig. De in figuur 16.1 goed zichtbare verhoging is daarom tijdelijk van aard. De uitgaven voor diverse programma's zijn in de loop van 2003 versneld.

Figuur 16.2: Financiële positie NWO

kst-29540-16-30.gif

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen

Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)

De rijksbijdrage aan TNO bedroeg in 2002 € 164 miljoen (2001: € 186 miljoen), ofwel circa 31% van haar omzet. De overige omzet haalt TNO uit opdrachten voor overheden en bedrijven. Het jaar 2002 is afgesloten met een positief resultaat van bijna € 7 miljoen. Dat betekent een herstel in de richting van twee jaar eerder (2000: € 7 miljoen; 2001: € 3 miljoen). Aan de basis van dit lichte herstel ligt een actief beleid van aanpassingen en reorganisaties, vooral bij de instituten van TNO.

Per ultimo 2002 bedroeg het (vooral voor de financiering van de vaste activa dienende) eigen vermogen 56% van het totale vermogen. De daling ten opzichte van een jaar eerder (zie figuur 16.3) hangt samen met de na risicoanalyse gepleegde toevoegingen aan de voorzieningen. Het weerstandsvermogen van TNO is voldoende. Het per ultimo 2002 te onderkennen risico school eerst en vooral in de door de financiele markten veroorzaakte druk op de pensioenlasten. Naar het zich laat aanzien zijn deze door TNO zelf gedragen lasten (bedrijfspensioenfonds) een bedreiging voor het resultaat 2003. De directie en de Raad van Toezicht van TNO zijn echter alert en werken concrete maatregelen uit.

Figuur 16.3: Financiële positie TNO

kst-29540-16-31.gif

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)

De rijksbijdrage aan de KNAW bedroeg in 2002 € 79 miljoen (2001: € 79 miljoen), ofwel ruim 77% van de baten. Het netto resultaat van de KNAW bedroeg iets minder dan € 1 miljoen (2001: € 3 miljoen). Daaronder ligt overigens een opmerkelijke stijging van de baten door werk voor derden, van € 14 naar € 21 miljoen (aandeel in de baten van 15 naar 21%), het een en ander als gevolg van het succesvol werven van onderzoekscontracten door de instituten.

Het aandeel van het eigen vermogen lag per ultimo 2002 op een gezonde 52% (inclusief de geoormerkte fondsen). De in figuur 16.4 tot uitdrukking komende daling van dat aandeel is boekhoudkundig van aard. De liquiditeit is ten opzichte van een jaar eerder ook lager maar nog steeds adequaat.

Figuur 16.4: Financiële positie KNAW

kst-29540-16-32.gif

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen

Koninklijke Bibliotheek (KB)

De rijksbijdrage voor de KB bedroeg in 2002 circa € 28 miljoen (2001: € 27 miljoen). Dit komt overeen met 81% van de totale baten (2001: 81%). Het exploitatieresultaat beweegt zich inmiddels al een aantal jaren rond de nullijn, en bleek € 67 000 negatief. Van het totale vermogen behoort circa 39% tot het eigen vermogen (2001: 36%). Dat is afdoende en niet te ruim. Daarbij past de kanttekening dat het weerstandsvermogen van de KB relatief gering kan zijn omdat zij bijvoorbeeld geen gebouwen in eigendom heeft (lagere afschrijving, minder risico, etc.). De liquiditeit – het directe betaalvermogen – is ten opzichte van een jaar eerder licht verbeterd.

Figuur 16.5: Financiële positie KB

kst-29540-16-33.gif

Solvabiliteit = exclusief voorzieningen

16.3 Operationele doelstellingen

Uit de algemene beleidsdoelstelling van het onderzoek en wetenschapsbeleid volgen drie clusters van operationele doelstellingen.

• zorgen voor een goed functionerend onderzoeksbestel dat is toegerust voor de uitdagingen van de toekomst;

• zorgen voor specifieke stimulering voor investering in kennisopbouw van de toekomst;

• zorgen voor coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid.

Een verantwoording van de nadere operationalisering van deze doelstellingen vindt plaats in onderstaande paragrafen.

16.3.1 Zorgen voor een goed functionerend onderzoeksbestel

In het verlengde van de algemene beleidsdoelstelling is het de verantwoordelijkheid van de minister te zorgen voor een onderzoeksbestel dat is toegerust voor de uitdagingen van de toekomst. Deze verantwoordelijkheid is in het in november 2003 verschenen Wetenschapsbudget 2004 nader uitgewerkt in lijn met de prioriteiten van het regeerakkoord van het kabinet Balkenende 2. Dit heeft geleid tot de volgende 4 thema's van het nieuwe wetenschapsbeleid: focus en concentratie, samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen, kenniswerkers (human resources) en kwaliteit. Uitgangspunt is dat de ruimte die het vorige Wetenschapsbudget aan de kennisinstellingen heeft gegeven behouden moet blijven om instellingen en onderzoekers in staat te stellen op basis van hun eigen deskundigheid de best mogelijke keuzes te maken. Het zorgen voor een goed functionerend bestel in de vorm van de bekostiging van de vier grote nationale onderzoeksinstellingen past in dat beeld. Dit geldt ook voor de ingezette instrumenten op het gebied van HRM in het onderzoeksveld (paragraaf 16.3.1.2), en voor de beleidsacties gericht op de versterking van de wisselwerking tussen het onderzoek en het bedrijfsleven (paragraaf 16.3.3.2). Voor meer informatie over de nieuwe richting van het onderzoek en wetenschapsbeleid wordt verwezen naar het Wetenschapsbudget 2004 – Focus op excellentie en meer waarde.

16.3.1.1 De vier grote nationale onderzoeksinstellingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van de minister is, de vier op het terrein van onderzoek en wetenschapsbeleid belangrijkste instellingen NWO, TNO, KNAW en KB, in staat te stellen via hun specifieke missies en doelstellingen condities te scheppen voor de uitoefening van kwalitatief hoogstaand onderzoek.

Box 16.1: Missies en doelstellingen van de vier grote instellingen

Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

Het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin. Tevens het bevorderen van de overdracht van kennis uit het door haar zelf geïnitieerde en gestimuleerde onderzoek ten behoeve van de maatschappij.

Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)

Het bevorderen dat toepassingsgericht technisch en natuurwetenschappelijk onderzoek (en daarmee te verbinden sociaal-wetenschappelijk en ander op toepassing gericht onderzoek) op een doelmatige wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemene belang en de daarbinnen te onderscheiden deelbelangen.

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)

Het bevorderen van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland. In dit kader adviseert zij de regering over aangelegenheden op het gebied van wetenschapsbeoefening. Daarnaast het beoordelen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek, het bieden van een forum voor de wetenschappelijke wereld en het bevorderen van de internationale wetenschappelijke samenwerking.

Koninklijke Bibliotheek (KB)

Het behoud, beheer en de beschikbaarstelling van het nationale, wetenschappelijk en culturele erfgoed voor zover gedrukt of vastgelegd in elektronische media; met daarbij de zorg voor de landelijke dienstverlening op deze gebieden, en het onderhouden en aanbieden van de centrale humaniorabibliotheek.

Tegen de achtergrond van het principe «zelfregulering gekoppeld aan een sterker geaccentueerde verantwoording» wil de minister gezamenlijk met de instellingen een verbeterd instrumentarium voor rekenschap ontwikkelen.

De vier instellingen hebben wat dat betreft in 2003 constructief met het ministerie samengewerkt aan de verdere invoering van rekenschap met indicatoren op maat. In dat kader zijn in het voorjaar van 2003 met de KNAW en NWO zogenoemde rekenschapsconvenanten overeengekomen voor jaarlijkse levering en gebruik van prestatie-indicatoren. Met de al in 2002 vastgestelde convenanten met de KB en TNO zijn hiermee nu voor alle vier instellingen convenanten van kracht. Hetzelfde geldt voor een tweetal kleinere instellingen. Met de gegevensleveranties – en eerste evaluaties daarover – is een aanvang gemaakt.

Daarnaast komen de producten van de planning & control cyclus met grotere regelmaat aan de orde in bijvoorbeeld het ambtelijke en bestuurlijke overleg. Daarbij valt te denken aan de beoordeling van de jaarverantwoordingen, indicatoren, financiële kansen en risico's, evaluaties, etc.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 werd een zeer substantieel deel (79%) van de hier relevante begrotingsgelden aan de vier grote instellingen toegekend. Er werd meer capaciteit besteed aan de met de toezicht & control functie verbonden activiteiten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.3: Vier grote instellingen (bedragen x € 1 000)
 Begroot 2003Realisatie 2003
NWO305 041313 833
TNO176 234189 231
KNAW74 56678 398
KNAW-bibliotheek2 2052 263
KB30 45031 359
Totaal588 496615 084

Toelichting: de verschillen werden veroorzaakt door aanvullende posten zoals loonbijstellingen, de onderbrenging van het NIDI bij de KNAW en de overdracht van de infrastructuur defensiegebouwen aan TNO

16.3.1.2 Een goede hrm (human resources management) in het onderzoeksbestel

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek te handhaven en te versterken zijn goede wetenschappers nodig. Onderzoek is immers mensenwerk. Een goed personeelsbeleid en aantrekkelijke loopbaanperspectieven voor getalenteerde onderzoekers zijn dus van groot belang voor een kwalitatief hoogwaardig onderzoeksbestel. De lage instroom van jong wetenschappelijk talent en de vergrijzing van vooral het universitaire wetenschappelijke personeel wekt echter zorgen. Naar verwachting zal de komende vijf jaar 1000 fte aan wetenschappelijk personeel vertrekken. De komende tien jaar zal dat aantal oplopen tot 3000 fte. Figuur 16.6 toont aan dat er momenteel sprake is van een lichte neerwaartse trend in de leeftijdsopbouw van het universitaire personeel. Het is dus zaak deze door te zetten. Daarnaast is de ondervertegenwoordiging van vrouwen in vooral de hogere wetenschappelijke posities een punt van zorg, niet alleen uit emancipatorische overwegingen, maar juist ook met het oog op de toenemende behoefte aan (jong) talent en daarmee op de kwaliteit van de wetenschap.

Figuur 16.6: Leeftijdsopbouw van het wetenschappelijk personeel ouder dan 50 jaar, als % van het totaal

kst-29540-16-34.gif

HGL= hoogleraar

UHD= universitair hoofddocent

UD= universitair docent

OVWP= overig wetenschappelijk personeel

Bron: VSNU/WOPI, 2003

Om de neerwaartse tendens in de vergrijzing van het universitair wetenschappelijk personeel door te zetten en daarmee de verwachte uitstroom van onderzoekers op te vangen, is het van belang de in- en doorstroom van talentvolle jonge onderzoekers en vrouwen te bevorderen en de loopbaanperspectieven in het onderzoek te verbeteren. Om dit doel te bereiken zijn de volgende instrumenten ingezet:

• de Vernieuwingsimpuls;

• het Aspasia-programma.

Doel van het in 2000 bij NWO ondergebrachte programma «Vernieuwingsimpuls» is vernieuwing van het onderzoek door (jonge) talentvolle onderzoekers kansen te bieden met een nadrukkelijke aandacht voor vrouwen. Om de vergrijzing een halt toe te roepen en jonge onderzoekers een aantrekkelijker perspectief te bieden op een carrière in de wetenschap, richt de Vernieuwingsimpuls zich sinds 2002 op het persoonsgericht stimuleren van onderzoekers in de verschillende fasen van hun carrière. De Vernieuwingsimpuls nieuwe stijl is gesplitst in drie subsidievormen: voor de pas gepromoveerde veelbelovende onderzoeker (Veni), de post-doc die heeft aangetoond zelfstandige ideeën te genereren en tot ontwikkeling te brengen (Vidi), en de meer ervaren onderzoekers die in staat wordt geacht een vernieuwende onderzoeksgroep op te kunnen zetten (Vici).

In 2003 werd gestreefd naar toekenning aan 115 jonge gepromoveerden, 75 post-doc's en 25 ervaren onderzoekers. NWO stelde zich hierbij ten doel de honoreringspercentages voor vrouwelijke kandidaten gemiddeld en in meerjarig perspectief tenminste even hoog te laten zijn als die van de mannelijke kandidaten.

In alle categorieën (Veni, Vidi, Vici) is het aantal gehonoreerde aanvragen hoger uitgevallen. In totaal zijn er 7 aanvragen meer gehonoreerd dan voorzien. Het honoreringspercentage van de vrouwelijke kandidaten zijn in de Veni- en Vici-categorieën vrijwel gelijk aan het indieningspercentage. Het indieningspercentage bij de Veni's was 38% en bij de Vici's 26%. Bij de Vidi's, waar het indieningspercentage 22% bedroeg, valt het honoreringspercentage van 16% tegen.

Tabel 16.4: Vernieuwingsimpuls (aantallen honoreringen)
 Streefwaarde 2003Realisatie 2003Aandeel vrouwen
Veni-toekenningen80 (115)*8238%
Vidi-toekenningen757916%
Vici-toekenningen252624%

*Toelichting: De streefwaarde van de Veni's betreft een gemiddelde waarde over meerdere jaren. Hierdoor kan het jaarlijkse resultaat, zowel in positieve als negatieve zin, sterk afwijken van deze streefwaarde. Over meerdere jaren genomen wordt de gehanteerde gemiddelde streefwaarde wel gerealiseerd.

In 2003 is de Vernieuwingsimpuls nieuwe stijl geëvalueerd door Technopolis. Uit de evaluatie blijkt duidelijk dat de Vernieuwingsimpuls een breed gewaardeerd programma is. Als sterke punten komen naar voren: het persoonsgerichte karakter, stimulering van onderzoekstalent op nationaal niveau, verbetering van het loopbaanperspectief en verhoging van kansen voor baanbrekend onderzoek. Begin 2004 zal de minister haar reactie op de evaluatie aan de Tweede Kamer zenden.

Figuur 16.7: De ontwikkeling van het aandeel vrouwen bij universiteiten, per functiecategorie

kst-29540-16-35.gif

Bron: VSNU/WOPI, 2003

Figuur 16.8: Het aandeel vrouwelijk wetenschappelijk personeel bij universiteiten, 2000

kst-29540-16-36.gif

Bron: EU, She figures, 2003

Figuur 16.7 laat zien dat bij alle functiecategorieën van het universitair wetenschappelijk personeel er sprake is van een stijging in het aandeel vrouwen. Als deze cijfers internationaal worden vergeleken (zie figuur 16.8), verblijft Nederland in vergelijking met de andere EU-landen in de achterhoede met een 11de positie als het gaat om het aandeel vrouwen voor de WP-categorieën gezamenlijk en zelfs op de 14de positie als het om hoogleraren gaat.

Het Aspasia-programma richt zich op het verbeteren van het doorstromen van vrouwen naar de positie van universitair hoofddocent (uhd). NWO die het programma sinds 1999 uitvoert heeft twee ronden gehouden, in 2000 en in 2002. Doel was het aantal vrouwelijke uhd's met tenminste 100 te verhogen. Dit aantal is ruimschoots bereikt. In totaal zijn 168 vrouwen benoemd tot universitair hoofddocent, mede dankzij extra bevorderingen door de universiteiten. Hoewel het programma nog niet volledig is afgerond kan gezegd worden dat deze uitkomst succesvol is en in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de stijging van het aantal vrouwen in uhd-posities. Zoals uit figuur 16.7 is op te maken, is in de periode 1999–2003 het landelijke percentage vrouwelijke uhd's gestegen van 8,6% naar 13,7%. Hoewel het programma tot en met 2004 doorloopt, zullen er geen indieningsronden meer worden gehouden. De financiering van het programma in 2003 betrof uitsluitend de al gehonoreerde aanvragen.

In 2003 is de tweede ronde van het Aspasia-programma geëvalueerd door het Nederlands Genootschap Vrouwenstudies op verzoek van het Landelijk Overleg Emancipatie Kwaliteit Wetenschappelijk Onderwijs (LOEKWO). De evaluatie bevestigde dat het Aspasia-programma heeft geleid tot een effectieve bevordering van vrouwelijke universitaire docenten naar de positie van universitair hoofddocent, en toonde aan dat het programma ook een positief neveneffect heeft gehad op de doorstroom van vrouwelijke uhd's naar hoogleraarposities. Figuur 16.7 toont aan dat het aandeel vrouwen in alle functiecategorieën van het wetenschappelijke personeel de laatste jaren is gestegen. Om deze opwaartse trend door te zetten en het aandeel vrouwen in de hogere wetenschappelijke functies verder te versterken heeft de minister besloten het Aspasia-programma na 2004 te continueren.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Om de loopbaanperspectieven voor talentvolle jonge onderzoekers en vrouwen te verbeteren zijn twee instrumenten ingezet: de Vernieuwingsimpuls en het Aspasia-programma. Beide zijn persoonsgerichte stimuleringen die zijn uitgevoerd door NWO en succesvol zijn verlopen. Dit werd bevestigd door de evaluatie van beide programma's die in 2003 zijn uitgevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.5: Vernieuwingsimpuls en Aspasia (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003
Vernieuwingsimpuls10 43710 437
Aspasia431431

Gezien het succes van de bovengenoemde programma's, dat zowel uit de resultaten als uit de evaluaties blijkt, kan worden gesteld dat de inzet van middelen zeker hebben opgeleverd wat aanvankelijk was voorzien.

16.3.2 Zorgen voor specifieke stimulering voor kennisopbouw voor de toekomst

Om te zorgen dat het Nederlandse onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten, investeert de overheid naast de bestaande geldstromen in een aantal specifieke thema's. Deze thema's vragen vanwege hun potenties om bijzondere prioriteitsstelling en financiering. Bij de meeste thema's is sprake van cofinanciering door de betreffende onderzoeksinstelling en/of andere departementen. Een aantal thema's komt hieronder aan bod.

16.3.2.1 Investeringen uit het Fonds Economische Structuur versterking (FES)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met deze investeringen uit het FES in de kennisinfrastructuur, de Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking/werkgroep kennisinfrastructuur(ICES/KIS)-investeringen, wordt beoogd kwalitatief hoogwaardige netwerken in de kennisinfrastructuur te realiseren, die inspelen op lange termijn kennisvragen, evenals vernieuwende onderzoeksgebieden te identificeren en te stimuleren. Deze investeringen vereisen een meerjarige termijn om de beoogde effecten te bewerkstellingen.

Vanuit de ICES/KIS-2-impuls beheert OCW drie projecten, namelijk BioMaDe, Delft Cluster en Watergraafsmeer. Met een jaar verlenging, was 2003 het laatste jaar van de subsidieperiode. Eventuele continuering van deze projecten was onderdeel gemaakt van de besluitvorming over ICES/KIS 3. Een eindrapportage over de ICES/KIS-2-projecten is voorzien in 2004.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Volgens verwachting kunnen de bovengenoemde ICES/KIS-2-projecten worden voortgezet op basis van de besluitvorming over de ICES/KIS-3 programma's. Daarnaast is volgens plan de besluitvorming over de ICES/KIS-3-impuls in 2003 door het kabinet afgerond.

Medio 2002 besloot het kabinet, na raadpleging van kennisinstellingen en bedrijven, om de ICES/KIS-3 middelen in te zetten op vijf thema's. Het gaat om de thema's informatie- en communicatietechnologie; hoogwaardig ruimtegebruik; duurzame systeeminnovaties; microsysteem- en nanotechnologie; gezondheids-, voedings- , gen-, en biotechnologische doorbraken. Op 28 november 2003 heeft het Kabinet besloten om aan 34 programma's subsidies toe te kennen met een totale omvang van € 800 miljoen. De inzet van de ICES/KIS-3 middelen worden geregeld vanuit het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (BSIK, Staatsblad december 2002, nr. 649).

Onder het beheer van OCW komen 14 projecten te vallen, waaronder de continuering voor een volgende periode van de projecten BioMaDe en Delft Cluster. Het project Watergraafsmeer wordt via andere projectplannen deels voortgezet. Daarnaast zijn de volgende projecten onder het penvoerderschap van OCW gebracht: bricks (fundamenteel onderzoek in de informatica); VL-E (Virtueel laboratorium voor e-science); LOFAR (ict-toepassingen voor radiotelescopie); een omnibusvoorstel van zes projecten op het gebied van het genomics-onderzoek; het project «Stem Cells in development and disease» en tenslotte het project «Dutch program for tissue engineering». De subsidie voor deze projecten beloopt in totaal € 248,9 miljoen voor de periode tot en met 2010.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De lopende ICES/KIS-projecten hebben door aangegane verplichtingen het beschikbare budget van ICES/KIS-2 uitgeput. De financiering van de projecten kwam ook in 2003 uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES)

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brief van 1 juli 2003 van de staatssecretaris van Economische Zaken met voortgangsrapportage over de ICES-investeringsimpulsen, waaronder de voortgang van de ICES/KIS-2 projecten.

• Brief van 28 november 2003 door de minister van Economische Zaken met het Kabinetsbesluit over de ICES/KIS-3-projecten.

16.3.2.2 Genomics

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het Nationaal regieorgaan Genomics, dat in 2002 bij NWO van start is gegaan, heeft in 2003 verder uitvoering gegeven aan een nationale strategie om door extra stimulering het Nederlandse genomics-onderzoek binnen vijf jaar (in 2006) bij de wereldtop te laten behoren. Bij deze strategie staan excellentie in kennis, innovatie, communicatie en maatschappelijke verantwoording centraal (Nationale Genomics Strategie, Strategisch plan 2002–2006; kabinetsstandpunt 18 juli 2002).

Met de uitvoering van de geplande activiteiten is goede voortgang geboekt. Nederland staat inmiddels op de internationale onderzoekskaart door de grote investeringen op dit terrein voor het oprichten van de onderzoekszwaartepunten. Opvallend hierbij is de samenwerking tussen onderzoeksgroepen, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De eerste inhoudelijke jaarrapportage van het Nationaal regieorgaan Genomics is in de zomer aan de Tweede Kamer aangeboden. In het jaarverslag geeft het regieorgaan aan welke activiteiten in 2002 zijn ontplooid op grond van de aanbevelingen gedaan door de Commissie Wijffels (rapport Wijffels, april 2001).

In het begin van 2003 konden de vier zwaartepunten nog niet volledig van start gaan, vanwege de toetsing aan het EU onderzoek- en ontwikkelingssteunkader. De voorbereiding voor de aanmelding tot toetsing heeft zeer veel tijd gevergd. Om te voorkomen dat door de opgelopen vertraging de beoogde resultaten van de eerste vijfjaarsperiode niet gehaald worden, is besloten de instellingstermijn van het regieorgaan met 2 jaar te verlengen tot eind 2008. Na positieve beschikking uit Brussel eind oktober 2003 konden de consortium agreements van de onderzoekszwaartepunten worden getekend. De zwaartepunten kunnen nu volledig van start gaan, met naast het al opgestarte fundamentele onderzoek ook toegepast onderzoek bij het bedrijfsleven.

Ook is in 2003 de stichting BioASP (Bioinformatica Application Service Provider) van start gegaan. Dit is onderdeel van het National Bioinformatics Centre, één van de nationale centra ter ondersteuning van het Genomics-onderzoek.

Voor verdere versterking van het onderzoek is via BSIK-voorstellen voor € 87,1 miljoen toegevoegd aan de Genomics impuls. De gehonoreerde voorstellen betreffen vier consortia op het terrein van ecogenomics, virusinfecties, koeliaki en nutrigenomics, en voorstellen van twee nationale centra op het gebied van bioinformatica en proteomics.

In verband met de effectmeting van de Genomics impuls is in het najaar van 2003 een nulpuntsmeting, verricht door TNO-stb in samenwerking met CWTS, gepubliceerd. Deze nulpuntsmeting zal een basis vormen voor een mid-term review (begin 2005) en een eindterm review (medio 2007).

De financiële verantwoording is onderdeel van het reguliere financiële jaarverslag van NWO dat begin juli is verschenen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.6: Genomics (x € 1 000)
Begroting 2003Realisatie 2003
11 34511 345

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Op 29 juli is het jaarverslag 2002 van het Nationaal regieorgaan Genomics aan de Tweede Kamer aangeboden (kenmerk: OWB/WG/2003/17 669).

16.3.2.3 BPRC en voorzieningen primatenonderzoek

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Primatenonderzoek wordt in Nederland ondermeer uitgevoerd bij het Biomedical Primate Research Centre (BPRC). Doel van het primatenonderzoek is biomedisch onderzoek ten behoeve van de volksgezondheid, waarbij gebruik gemaakt wordt van primaten. De conclusies van een advies van de KNAW commissie voor primatenonderzoek hebben geleid tot de constatering dat onderzoek met chimpansees in Nederland niet meer nodig is en dat de chimpansees van het BPRC moeten worden uitgeplaatst. Onderzoek met kleinere primaten ten behoeve van de volksgezondheid is echter nog steeds nodig. Een en ander heeft geleid tot de volgende doelstellingen van beleid:

• volledige vernieuwing van de huisvesting van de apen in de jaren 2002 tot en met 2004;

• verbod van onderzoek met chimpansees en andere mensapen;

• uitplaatsen van alle chimpansees uit het BPRC;

• afsluiten van het commerciële standaard testonderzoek;

• terugbrengen van het aantal proefdieren in de periode 2002–2005 van 400 naar 230 en vermindering van de omvang van de kolonie van 1600 naar 1000 dieren;

• oprichting door het BPRC van een afdeling voor de ontwikkeling van alternatieven voor proeven met primaten.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2003 heeft dit beleid tot de volgende concrete acties en resultaten geleid:

• De nieuwbouw van de apengebouwen bij het BPRC ligt goed op schema. Najaar 2002 is een aanvang gemaakt met de vernieuwing van het eerste resusapenverblijf dat in de zomer van 2003 gereed gekomen is. Voorjaar 2004 komen de volgende twee gebouwen gereed;

• Het onderzoek met chimpansees is verboden via een wijziging van de Wet op de Dierproeven;

• In 2003 zijn geen chimpansees uitgeplaatst. In mei werd tussen Stichting AAP, het BPRC en de overheid een convenant hiertoe ondertekend. De bouw van de onderkomens voor de BPRC chimpansees in Spanje en in Almere bij de Stichting AAP zal respectievelijk in 2004 en 2005 starten;

• Het commerciële testonderzoek is vrijwel geheel afgestoten. Er is nog één contract dat in maart 2004 afloopt;

• De vermindering van het aantal proefdieren en de kolonie ligt goed op schema;

• In 2003 is de afdeling Comperative Genetics and Environment van start gegaan. Deze afdeling maakt geen gebruik van proefdieren. De afdeling Alternatieven voor Dierproeven verkeert eind 2003 in de oprichtingsfase.

Ter realisatie van dit beleid is de exploitatiesubsidie van het BPRC in 2003 verhoogd naar € 6,2 miljoen (exclusief de kosten voor de uitplaatsing van de chimpansees). Verder heeft de minister van VWS in overleg met de minister van OCW ervoor gezorgd via een wijziging in de Wet op de dierproeven, dat proeven met chimpansees nu verboden zijn.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.7: BPRC/Stichting AAP – voorzieningen primatenonderzoek (x € 1 000)
Begroting 2003Realisatie 2003
6 8406 939

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brief van 29 april 2003 (kenmerk: OWB/WG/03/8238) met antwoorden op vragen uit de Tweede kamer over de uitplaatsing van chimpansees van het BPRC.

• Brief van 11 juni 2003 (kenmerk: OWB/FO/2003/17642) met informatie over het convenant betreffende uitplaatsing van chimpansees.

16.3.2.4 Conservering («Metamorfoze»)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van het nationale programma Metamorfoze is het inlopen van de grote achterstanden in het behouden van het nationale papieren erfgoed. Op basis van een selectiemodel en het beschikbare budget is gekozen voor een gefaseerde aanpak. De eerste fase (1997–2000) is volgens planning verlopen. In 2001 is begonnen met de tweede fase. De doelstelling hiervan is aan de hand van streefwaarden een beperkt deel van de grote achterstanden in te lopen. In 2003 is voortgang geboekt volgens planning. De doelstelling zal naar verwachting zijn gerealiseerd in 2004. Zoals uit de overzichtstabel blijkt, zal hiermee slechts een beperkt deel van de totale problematiek zijn opgelost.

De onderstaande tabel geeft een indruk van de omvang van de totale problematiek, van de nagestreefde doelen voor de conservering tegen het eind van de tweede fase van het programma, het aandeel daarvan op de totale problematiek, de in 2003 gerealiseerde aantallen en wat de omvang van de achterstand ultimo 2003, respectievelijk na afloop van de tweede fase in 2005 is.

Tabel 16.8: Metamorfoze (1997–2004)
 BoekenTijdschriftenLiteraire collectiesCultuur-historische collectiesInternationale collecties
Omvang totale problematiek400 00030 0002005323
Streefwaarden conservering tot 2005 (fase 1+2)65 0001 7501522515
% van totale problematiek165,8764765
Reeds gerealiseerd t/m 200252 800947118136
Gerealiseerd in 200310 000500453
% van totale problematiek2,51,72,01013
Nog te realiseren tot 20052 2003033076
% van totale problematiek0,61,0151326
Nog te conserveren na afloop fase 2335 00028 25048288
% van totale problematiek8494245335

Bron: tussentijdse rapportage door de KB, januari 2004.

Toelichting:

•In afwijking van eerdere opgaven in de begroting zijn de oorspronkelijke cijfers over de omvang van de totale problematiek bijgesteld op basis van nader onderzoek door de KB.

•In afwijking van een eerdere opgave in de begroting is het aantal cultuurhistorische collecties beperkt tot de problematiek van de A-collecties.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Voor de periode 2001–2004 is de tweede fase van het programma Metamorfoze in werking getreden. De coördinatie is in handen van de Koninklijke Bibliotheek. Samengevat komt de aanpak voor deze fase er op neer dat de achterstand in het behoud van het papieren erfgoed gedeeltelijk wordt weggewerkt door:

• voortzetting van het microverfilmen en gedeeltelijk ontzuren van gedrukte publicaties (de Nederlandse Boekproductie van 1900–1909);

• het microverfilmen en digitaliseren van literaire collecties;

• het microverfilmen van cultuurhistorische en internationaal waardevolle collecties, en van een aantal geïllustreerde tijdschriften.

Dit is in overeenstemming met de oorspronkelijk vastgestelde aanpak. Voor het jaar 2003 is deze aanpak daarom voortgezet.

Met de Koninklijke Bibliotheek is op reguliere basis overleg gevoerd over de voortgang van het programma. In het kader van het met de KB overeengekomen convenant betreffende prestatie-indicatoren, is ook een set indicatoren ontwikkeld voor een meer transparante verantwoording over van de bereikte resultaten van het programma Metamorfoze. Deze maken inmiddels onderdeel uit van de jaarlijkse verantwoordingsdocumenten van de KB.

In 2003 is op verzoek van de minister een interne evaluatie uitgevoerd door de beoordelingscommissie Metamorfoze. Het betreft een tussentijdse evaluatie van de uitvoeringsfase 2001–2004. De uitkomsten ervan zullen worden verwerkt in een brief die de minister voornemens is in 2004 naar de Kamer te zenden. In deze brief zal de problematiek van het behoud in den brede aan de orde worden gesteld.

De minister heeft samen met de staatssecretaris voor cultuur de KB, het Nationaal Archief en het Instituut Collectie Nederland in 2003 gevraagd om tot intensievere samenwerking te komen op het gebied van het duurzame behoud van papieren en digitale documenten. Metamorfoze maakt daar onderdeel van uit. In dat verband zullen de instellingen gezamenlijk voorstellen gaan doen voor de besteding van de middelen voor behoud voor de komende jaren. Wel is al besloten dat het Metamorfoze-programma wordt verbreed tot de archiefsector.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.9: Metamorfoze (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003
Wetenschapsbeleid (*)681681
Cultuurbeleid735735

*Toelichting: onderdeel van artikel 16.3 coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid.

16.3.3 Zorgen voor een goede coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid

16.3.3.1 Wetenschap en techniekcommunicatie (Stichting WeTeN)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het beleid is het vergroten van de toegankelijkheid en de verspreiding van onderzoeksresultaten voor een breed publiek. In dat verband wordt beoogd de wetenschap en techniekcommunicatie (wtc) te intensiveren door het creëren van bewustwording bij het publiek van het belang van wetenschap en techniek, het versterken van het draagvlak voor een evenwichtige verdere ontwikkeling van wetenschap en techniek in de kennissamenleving en het stimuleren van het debat over wetenschapstoepassingen.

De nota over wetenschaps- en techniekcommunicatie Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk uit 2000 geeft WeTeN een belangrijke rol voor de uitvoering van het overheidsbeleid. WeTen moest als intermediair een goede makel/schakelfunctie vervullen tussen wtc-organisaties en deze organisaties financieel en professioneel ondersteunen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

Bij de verantwoording over het functioneren van WeTeN zijn per functie outputcriteria gedefinieerd. WeTeN heeft in haar verantwoordingsrapportage 2002 (juni 2003) voor de eerste maal gerapporteerd over haar activiteiten met de outputcriteria als uitgangspunt. WeTeN heeft in deze rapportage verantwoording afgelegd op het geaggregeerde niveau van de indicatoren, namelijk op het niveau van de drie onderscheiden hoofdtypen indicatoren:

Landelijk expertisecentrum. Onder deze functie wordt gekeken of de klanten van WeTeN voor de meerderheid tevreden zijn over inhoudelijk werk respectievelijk de service (financiële ondersteuning) en of er waardering in het veld is voor de effectiviteit van elk ingezet (interactief) overdrachtskanaal. WeTeN rapporteert dat de gemiddelde waardering tussen de ruim voldoende en goed ligt.

Makelaar landelijke en regionale initiatieven (inclusief verbreding adoptierelaties en het project Kennislink). Bij deze functie gaat het om het aantal organisaties dat deelneemt aan de invulling van het jaarthema en het daarmee gerealiseerde publieksbereik. Tevens gaat het om het aantal bemiddelingsprojecten op het totale aantal projecten, naar het aantal samenwerkingsrelaties per project, de waardering in het veld en naar de landelijke en regionale spreiding van het publieksbereik. WeTeN geeft aan dat het publieksbereik in de periode 2000 tot en met 2002 is toegenomen van bijna 3 miljoen tot ruim 9 miljoen deelnemers, bezoekers en kijkers. De inzet van massamedia speelt hierbij een grote rol. Ook is het bereik van professionals in het veld toegenomen evenals het aantal deelnemende organisaties aan het jaarthema en aan de WetenWeek.

Financiële ondersteuning van het veld van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek. Hier wordt gekeken naar het publieksbereik in aantallen en duur van bereik, gerelateerd aan het door WeTeN ingezette volume geld. Daarbinnen wordt ook gelet op de landelijke spreiding van dat bereik. De streefwaarden met betrekking tot de financiële ondersteuning zijn echter moeilijk te bepalen. Voor de overige streefwaarden, spreiding bereik regio en informatieretentie, zijn geen waarden te bepalen.

In 2003 is WeTeN geëvalueerd. De commissie stelt dat het niet goed mogelijk is om WeTeN te scoren op de outputcriteria. De commissie concludeert in haar rapport dat voortzetting van WeTeN in de huidige vorm geen optie is. In haar toekomstvisie voor de uitvoering van het beleid voor wetenschap- en techniekcommunicatie, acht de commissie een gezaghebbende programmaraad wenselijk, waarvan Stichting WeTeN het secretariaat zou kunnen voeren. Begin 2004 wordt het rapport voor commentaar voorgelegd aan de meest betrokken organisaties en vervolgens kan de Tweede Kamer een reactie op de conclusies en aanbevelingen van het rapport tegemoet zien. Daarbij spelen de uitgangspunten die zijn neergelegd in het Wetenschapsbudget een rol, te weten: een meer regionale invulling, een intensievere relatie tussen communicatie en educatie, en een grotere plaats voor de science centra.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.10: Stichting WeTeN (x € 1 000)
Begroting 2003Realisatie 2003
2 5492 785

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brief van 14 januari 2003 (kenmerk: OWB/AI/03/594) met informatie over de voortgang van het project Kennislink.

• Rapportage naar aanleiding van de evaluatie en de toekomstvisie (16 december 2003, brief OWB/AI/2003/53185).

16.3.3.2 Wisselwerking onderzoek en bedrijfsleven

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het beleid is te bevorderen dat meer gebruik wordt gemaakt van de hoogwaardige kennis uit fundamenteel onderzoek om de mogelijkheden voor innovatie optimaal te kunnen benutten. Hiervoor is het nodig de wisselwerking te versterken tussen het onderzoek en het bedrijfsleven. Om dit doel te bereiken zijn op basis van de uitkomsten van diverse verkenningsstudies twee beleidsacties gestart. Het gaat allereerst om de evaluatie van de brugfunctie TNO (Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) en de grote technologische instituten (de zgn. gti's). In de tweede plaats gaat het om de stimulering van een universitair octrooibeleid.

De evaluatie van de brugfunctie van TNO en de gti's (ECN, MARIN, NLR, WL en GeoDelft) heeft ten doel om meer inzicht te krijgen in de rol die deze onderzoekinstituten spelen in het tot stand brengen van de vertaalslag van het (fundamentele) onderzoek in de universiteiten naar de toepassingen in het bedrijfsleven en de overheid. Deze evaluatie is begin 2003 van start gegaan en zal in mei 2004 een rapport opleveren dat door een externe commissie wordt opgesteld. Op grond van dat rapport zal vervolgens het Kabinet medio 2004 de nodige beslissingen nemen. In 2003 is dus nog geen sprake van een eindresultaat. Wel hebben de in 2003 ondernomen activiteiten de beoogde resultaten opgeleverd.

Het doel van de beleidsactie gericht op het universitaire octrooibeleid is de totstandkoming van een actief en professioneel uitgevoerd octrooibeleid binnen de universiteiten. Dat doel is in 2003 dichterbij gekomen, getuige de toenemende belangstelling en discussie over het belang van octrooien binnen de universitaire wereld (zie hieronder). Het betreft hier een meerjarige beleidsactie, waarvoor pas op langere termijn het doel kan worden bereikt.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

De beoogde activiteiten rond de evaluatie van de brugfunctie zijn in 2003 volgens plan verlopen. Allereerst is een plan van aanpak opgesteld, mede op basis van een gevraagd advies van de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid dat in december 2002 verscheen. Dat plan van aanpak is op 10 maart 2003 door de minister van OCW ter kennisneming aan de Tweede Kamer toegezonden. Er is een externe evaluatiecommissie ingesteld onder leiding van de heer Wijffels, die goede voortgang maakt. De betrokken instituten (TNO en de gti's) hebben volgens schema begin september 2003 ieder een rapport met de resultaten van de door hen uitgevoerde zelfevaluatie opgeleverd. De genoemde Commissie Wijffels heeft, mede aan de hand van deze zelfevaluaties, begin november gesprekken gevoerd met de directies van ieder van deze instituten. De in deze gesprekken verkregen inzichten, evenals het materiaal van drie op verzoek van de commissie uitgevoerde studies, vormen de basis voor het door de commissie op te stellen rapport. Dat rapport zal in mei 2004 gereed zijn.

Ook de plannen voor het tot stand brengen van een universitair octrooibeleid zijn in 2003 goed op gang gekomen. Er is met de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten overleg gevoerd over de oprichting van een nationaal netwerk van professionals die zich binnen de universiteiten bezig houden met kennisbescherming en kennisoverdracht. De VSNU is bezig met het formuleren van een definitief actieplan, dat naar verwachting begin 2004 gereed zal zijn. OCW en EZ hebben het belang benadrukt om waarborgen te scheppen voor de noodzakelijke hoge kwaliteit van het nationale netwerk.

In 2003 is eveneens voortgang gemaakt met het ontwerpen van een regeling voor de financiële ondersteuning van het aanvragen van octrooien door de universiteiten. Hierover is met de VSNU overleg gevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten van de werkzaamheden van de Commissie Wijffels en de studies die door externe bureaus zijn uitgevoerd, worden opgebracht door OCW samen met de ministeries van EZ, V&W, LNV en Defensie. De bijdrage van OCW is betaald uit de beschikbare budgetten voor evaluatieonderzoek. De kosten bleven in 2003 binnen het ter beschikking gestelde budget.

Aan de acties gericht op het tot stand brengen van een universitair octrooibeleid waren in 2003 geen budgettaire consequenties verbonden.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Brief van 10 maart 2003 (kenmerk: OWB/AI/2003/2095) met het plan van aanpak voor de evaluatie van de brugfunctie.

16.3.3.3 Internationale wetenschappelijke samenwerking

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met het beleid gericht op internationale samenwerking in wetenschappelijk onderzoek worden de volgende doelen beoogd:

• verhoging van de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek door aan te sluiten bij het beste onderzoek in andere landen;

• verschaffen van toegang tot kennis die elders wordt geproduceerd;

• bundeling van middelen om toegang te verkrijgen tot dure onderzoeksfaciliteiten, waarvoor wij niet zelf de middelen hebben;

• versterking van de positie van het Nederlandse onderzoek in Europa.

Door ons verdragslidmaatschap en de daaraan verbonden contributieverplichting was ook in 2003 deelname van veelbelovende en al gearriveerde Nederlandse onderzoekers aan de onderzoeksfaciliteiten van de vijf grote internationale toponderzoeksorganisaties (CERN, ESO, ESA, EMBL en EMBC) mogelijk. De bilaterale samenwerking met drie prioriteitslanden (China, Indonesië, Rusland) werd tot tevredenheid en volgens planning gerealiseerd. In het geval van de samenwerking met Hongarije zijn er in 2003 tegenvallende resultaten geconstateerd (toelichting hieronder).

Nederlandse onderzoekers hebben naar tevredenheid geparticipeerd in het eind 2002 afgesloten Vijfde Kaderprogramma (1998–2002). Uit een gezamenlijke rapportage van Senter/EG-Liaison blijkt dat Nederland, zoals beoogd, heeft gescoord met een gemiddeld retourpercentage van ongeveer 6%. Daarmee lag het gemiddelde van de Nederlandse deelname op vrijwel elk thema hoger dan het Europese gemiddelde. In het eerste jaar van het in 2003 gestarte Zesde kaderprogramma (2002–2006) is deze lijn voortgezet.

Hebben wij gedaan wat we zouden doen?

Met betrekking tot de vijf internationale onderzoeksorganisaties is het volgende bereikt:

• Vanaf 2002 heeft het Europese centrum voor deeltjesfysica CERN als hoofdtaak om de nieuwe deeltjesversneller LHC (Large Hadron Collidor) te bouwen. Het project kost € 4 miljard en moet in 2007 zijn afgerond. In 2003 is het project in tijd en kosten op schema gebleven. CERN heeft tweederde van de productiemiddelen van de organisatie (mensen en geld) besteed aan dit project. De politieke betrokkenheid bij de organisatie heeft ook dit jaar geleid tot samenwerkingsovereenkomsten met een aantal niet-lidstaten. De Nederlandse deelname is van dusdanig niveau dat de wetenschappelijke leiding van CERN de komende jaren in handen van een Nederlander ligt;

• Door de toetreding van Engeland in de ESO in 2002 is het budget in 2003 met 20% gestegen zonder extra bijdragen van de andere lidstaten. Hiermee is het mogelijk geworden om naast de verdere uitbouw van de Very Large Telescope, de grootste ter wereld, in 2003 een start te maken met de constructie van ALMA. De ALMA (Atacama Large Millimeter Array) in Chili bestaat uit 64 radiotelescopen op een hoogte van 5000 meter. Dit project wordt samen met de Verenigde Staten uitgevoerd. De tot de wereldtop behorende Nederlandse astronomen, organisaties en instituten op het terrein van het wetenschappelijk astronomisch onderzoek en de bouw van geavanceerde instrumenten nemen zeer actief deel aan de programma's van ESO;

• In mei 2003 is tijdens een ESA ministersconferentie het besluit genomen dat, door herprioritering van het ESA lanceerprogramma, de onafhankelijke toegang van Europa tot de ruimte in stand gehouden moet worden. Na jarenlange onderhandelingen hebben de EU en ESA in november 2003 een overeenkomst getekend voor verdere samenwerking binnen Europa op het gebied van Ruimtevaart. Tevens is een Witboek Ruimtevaart uitgebracht door de EU. Het nationale ruimtevaartbeleid van 2003 stond in het bijzonder in het teken van de voorbereiding van de ruimtevlucht van André Kuipers. In april 2004 zal deze ESA astronaut voor een wetenschappelijke en educatieve missie, DELTA genaamd, naar het ruimtestation ISS gaan;

• In de Raad voor het EMBL (European Molecular Biology Laboratory) is de Strategic Forward Look 2006–2015, een nieuw wetenschappelijk programma, aanvaard. In dit document wordt als grootste uitdaging gezien: de Systeem Biologie, en de uitdaging van de internationale competitie met de VS en Japan. De overeenkomst Partnership for Structural Biology (samenwerking tussen EMBL, ESRF, Institut Laue-Langevin (ILL) en Institut Biologie Structurale (IBS) alle in Grenoble) is ondertekend. EMBL ontwikkelt zich hiermee als een sterk Europees centrum voor functionele genomics;

• In de Raad van het EMBC (European Molecular Biology Conference) is in 2003 een discussie gestart over de strategie voor het toekomstige programma van activiteiten. De Raad heeft een programma op het terrein van Science and Society goedgekeurd. De betrokkenheid van Nederlandse onderzoekers bij het EMBC blijkt wel uit de verkiezing van een Nederlander tot vice-voorzitter in de Raad van het EMBC.

Met betrekking tot de versterking van de positie van het Nederlandse onderzoek in Europa is het volgende bereikt:

• Eind 2003 zijn de definitieve resultaten bekend geworden van de Nederlandse deelname in het vijfde kaderprogramma (1998–2002). Nederland heeft daarin naar tevredenheid gescoord met een retourpercentage van ongeveer 6%. Daarmee lag het gemiddelde van de Nederlandse deelname op vrijwel elk thema hoger dan het Europese gemiddelde. Nederland heeft deze resultaten in 2003 doorgezet in het eerste jaar van het zesde kaderprogramma (dat formeel loopt van 2002–2006), ondanks de kinderziektes die de start van nieuwe modaliteiten met zich mee hebben gebracht;

• Nederland heeft in 2003 zowel financieel als in ondersteunende zin succesvol bijgedragen aan het tot stand komen van het EDCTP-programma (European and Developing Countries Clinical Trials Partnerships-programma). Het betreft een uniek en omvangrijk Europees-Afrikaans samenwerkingsverband tussen 14 EU landen, Noorwegen en een groot aantal Afrikaanse landen. In het EDCTP werken topinstituten en toponderzoekers samen op het gebied van armoedegerelateerde infectieziekten. Nederland heeft zich in 2003 op succesvolle wijze sterk gemaakt om het secretariaat van dit programma in ons land te huisvesten. Het secretariaat dat de internationale coördinatie van het programma verzorgt is sinds de zomer 2003 gehuisvest bij NWO, dat een coördinerende rol speelt bij de Nederlandse inbreng in dit programma. De huisvesting zal naar verwachting een gunstige uitwerking hebben op de positionering van NWO in de Europese onderzoeksruimte;

• In 2003 is door Nederland in Europees verband verder meegewerkt aan het realiseren van de 3%-doelstelling van Barcelona. De uitwerking van deze doelstelling om 3% van het Europese BNP aan onderzoek te besteden in 2010 vindt plaats op basis van het Europese actieplan«Investeren in onderzoek». Nadere informatie wordt gegeven in het Wetenschapsbudget 2004;

• 2003 heeft voornamelijk in het teken gestaan van de voorbereidingen op het EU-voorzitterschap dat Nederland in de tweede helft van 2004 in handen zal hebben. Samen met Ierland is er gewerkt aan de opzet van een Iers-Nederlands programma dat de prioriteiten van de beide voorzitterschappen voor 2004 vaststelt. De minister heeft in december de Tweede Kamer geïnformeerd over haar inzet tijdens het Nederlands voorzitterschap.

Met betrekking tot de bilaterale samenwerking met de 4 prioriteitslanden is het volgende bereikt:

• Met China werd in 2003 de eerste fase van het «Programma strategische wetenschappelijke allianties» afgerond. Het programma concentreert zich op samenwerking tussen toponderzoekinstituten op de gebieden materiaalonderzoek, biotechnologie/drug research en milieuonderzoek. In 2003 werd het al bestaande reguliere programma, waarin via cofinanciering onderzoeksprojecten op een breed scala aan gebieden worden gerealiseerd, door de KNAW geëvalueerd. De hoofdconclusie was dat er veel projecten van goede kwaliteit plaatsvinden en dat het programma resulteert in veel wetenschappelijke publicaties. Als gevolg waarvan werd besloten het programma te continueren. Uitvoerende organisatie voor beide programma's is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW);

• De samenwerking met Indonesië verliep in 2003 positief. Tijdens een «Open Science Meeting» in september in Jakarta toonden Indonesische en Nederlandse wetenschappers de eerste resultaten van de programmaronde van 2000;

• De samenwerking met Rusland richtte zich in 2003 op twee gekozen prioriteitsgebieden: plasma fysica en computational sciences. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voert dit programma uit. Minister Van der Hoeven bracht in september van dit jaar een bezoek aan Rusland en sprak de intentie uit deze bilaterale samenwerking ook na 2003, wanneer het huidige Memorandum of Understanding (MoU) afloopt, voort te zetten. In oktober organiseerde NWO in samenwerking met haar Russische counterpart een symposium ter gelegenheid van de 10-jarige bilaterale samenwerking op wetenschapsgebied tussen Nederland en Rusland. De zelfevaluatie van NWO van het programma met Rusland is eind 2003 ontvangen. De uitkomsten van het bezoek van de minister, het symposium en de zelfevaluatie zullen de basis vormen voor de invulling van het nieuwe MoU dat in 2004 wordt ondertekend;

• De samenwerking met Hongarije werd in 2003 uitgevoerd door NWO, TNO en het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Studies). Al in 2002 bleek dat het aantal inschrijvingen op het programma van NWO tegenviel. Dit beeld heeft zich ook in 2003 bevestigd. TNO en NIAS zullen in tegenstelling tot eerdere berichten begin 2004 haar evaluatie opstellen. In december bracht minister Van der Hoeven een bezoek aan Hongarije. De samenwerking met Hongarije vanaf 2002 geeft tegenvallende resultaten te zien. De minister heeft daarop besloten het huidige MoU niet te verlengen. In plaats daarvan ondertekende de minister een «Letter of Intent» zonder financiële consequenties. Deze geeft in Europees kader een vervolg aan de al meer dan tien jaar bestaande samenwerking. Beide landen doen gezamenlijk goed mee in de Europese kaderprogramma's. De zelfevaluatie van NWO van het programma met Hongarije is eind 2003 ontvangen. De Tweede Kamer wordt in 2004 over deze evaluatie geïnformeerd;

• Met Bulgarije en Roemenië zijn begin 2003 de voorbereidingen gestart voor een pilot-fellowship programma voor jonge onderzoekers voor de duur van één jaar. NWO is de uitvoerende organisatie van dit pilotprogramma. Na de bekendmakingen, inschrijvingen en selecties van de onderzoeksvoorstellen in 2003, zijn in december 2003 de toekenningen van de voorstellen verricht.

De AWT bracht in oktober van dit jaar een advies over de bilaterale samenwerking, waarin wordt voorgesteld de samenwerkingsprogramma's met de meeste landen te beëindigen. De minister van OCW zendt medio januari 2004 haar standpunt aan de Tweede Kamer.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.11: Internationale onderzoeksorganisaties (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003
CERN29 99128 997
ESO5 4915 524
ESA/ruimtevaart31 06431 299
EMBL2 5412 662
EMBC454444
Totaal69 54168 926
Tabel 16.12: Bilaterale onderzoekssamenwerking (x € 1 000)
Begroting 2003Realisatie 2003
4 1355 685

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Brieven van de penvoerende minister van Economische Zaken van 12 mei 2003 (24 446, nr. 18) en 18 juni 2003 (24 446, nr. 19) over respectievelijk het mandaat voor en het verslag van de ESA ministersconferentie van mei 2003.

• Brief van 16 december 2003 (kenmerk: IB/2003/58092) over de inzet van de minister van OCW voor het aankomend Nederlands voorzitterschap.

16.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16.13: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  1 110 122737 162745 245697 10048 145
– waarvan garantieverplichtingen  00000
Uitgaven  757 123801 650773 264741 35731 907
1. Onderzoekbestel       
NWO  286 728287 477313 833305 0418 792
KNAW  74 85277 06378 39874 5663 832
Koninklijke Bibliotheek  28 66429 87131 35930 450909
KNAW Bibliotheek  2 1162 1892 2632 20558
LF TUD Bibliotheek  6 3736 5546 7416 592149
IISG  2622622622620
SURF  2 2692 2692 2702 2682
CPG  26742844843216
NIDI  1 4661 48801 632– 1 632
TNO  186 245194 036189 231176 23412 997
BPRC/Stichting AAP  3 3396 6096 9396 84099
Nationaal Herbarium  9981 0411 0761 04234
NLR  7627627977961
Waterloopkundig Laboratorium  1 1901 1901 1901 231– 41
Grondmechanica Delft  713713713757– 44
MARIN  803771680885– 205
STT  1711771821775
WeTeN  2 3842 7472 7852 549236
EMBC  425436444454– 10
EMBL  2 3762 4712 6622 541121
ESA  32 27530 21431 29931 064235
CERN  26 82130 12928 99729 991– 994
ESO  5 4925 4865 5245 49133
EG-Liaison  173174179189– 10
NTU/INL  1 0271 6331 3571 400– 43
EIB  1 0361 0701 1301 08149
Nader te verdelen  604142671 282– 1 015
Taakstelling regeerakkoord  0– 311311
Subtotaal onderzoekbestel  669 772687 674711 026687 14123 885
        
2. Specifieke beleidsthema's       
FES  12 07127 49917 10911 9475 162
Genomics  34 03463 86811 34511 3450
Vernieuwingsimpuls  11 3459 07610 43710 4370
Economie Ecologie Technologie  9 020013 07210 6642 408
COS  46551948845335
Verkenningen  106830500– 500
Aspasia  2744314314310
Taakstelling regeerakkoord  0– 993993
Subtotaal specifieke beleidsthema's  67 315101 47652 88244 7848 098
        
3. Coördinatie en samenwerking       
Coördinatie wetenschapsbeleid  12 7868 5303 6715 297– 1 626
Bilaterale samenwerking  7 2503 9705 6854 1351 550
Subtotaal coördinatie en samenwerking  20 03612 5009 3569 432– 76
Ontvangsten  101 108108 11493 27080 45512 815

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

17. NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Dit artikel dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

Tabel 17.1: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen    0– 65 68965 689
Uitgaven    0– 65 68965 689
• Loonbijstelling    0– 6 5326 532
• Prijsbijstelling    00,00,0
• Nader te verdelen    0– 59 15759 157
• Asielzoekers    00,00,0
Ontvangsten    02 996– 2 996

Algemeen

De negatieve beginstand van het artikelonderdeel loonbijstelling is veroorzaakt doordat er een meerjarige cao is afgesloten met het onderwijsveld (po, vo en bve). Deze beleidsterreinen worden dan verhoogd met de afgesproken cao-middelen ten laste van het artikelonderdeel loonbijstelling. Het teveel uitgedeelde wordt daardoor negatief geparkeerd op het artikelonderdeel loonbijstelling. In het daaropvolgende jaar wordt deze negatieve stand verrekend met een deel van de volgende loonbijstellingstranche.

De negatieve stand van het artikelonderdeel nader te verdelen is veroorzaakt doordat het centrale tekort en een aantal nog te verdelen middelen naar beleidsterreinen op dit artikelonderdeel worden geparkeerd.

Tabel 17.2: Loonbijstelling (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Loonbijstelling 2003 (toegevoegd uit de aanvullende post)600 456 600 456
CAO-sector (po/vo/bve) – 414 960– 414 960
HO-sector (hbo/wo/owb) – 123 885– 123 885
Arbeidsvoorwaarden gepremieerde en gesubsidieerde sector (G&G) – 31 309– 31 309
Arbeidsvoorwaarden Rijk – 8 307– 8 307
Arbeid en zorg – 6 773– 6 773
REA/UFO-premie – 12 839– 12 839
Diversen: arbeidsvoorwaarden4 149 4 149
Totaal604 605– 598 0736 532

In 2003 hebben zich een aantal wijzigingen op dit artikelonderdeel voorgedaan. De ontvangen loonbijstelling bedroeg in totaal € 600,5 miljoen. Uitgedeeld is € 598,1 miljoen. Deze uitdeling is lager dan de ontvangen loonbijstelling omdat de cao-middelen (2001–2003) al vóóraf aan de beleidsterreinen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie zijn uitgekeerd. Het tekort wat hierdoor is ontstaan is verrekend met de loonbijstellingstranche 2003.

De budgetten voor arbeidsvoorwaarden in het hoger onderwijs en het onderzoek- en wetenschapsbeleid zijn bijgesteld. Ook de budgetten van de beleidsonderdelen die vallen onder de sector Rijk en G&G zijn met de reguliere loonbijstelling 2003 bijgesteld. Daarnaast zijn er middelen uitgedeeld voor arbeid en zorg en de REA/UFO-premie (Reïntegratie Arbeidsgehandicapten/Uitvoeringsfonds voor de Overheid).

De post arbeidsvoorwaarden tenslotte betreft een saldering van verschillende mutaties op het terrein van arbeidsvoorwaarden.

Tabel 17.3: Prijsbijstelling (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Tekort prijsbijstelling 2002 (vrijgemaakt door reallocatie binnen de OCenW-begroting)2 074 2 074
    
Voortgezet onderwijs – 1 674– 1 674
Internationaal onderwijsbeleid – 400– 400
Uitdeling prijsbijstelling 2002 – 2 074– 2 074
    
Prijsbijstelling 2003/indexering omroepbijdrage (toegevoegd uit de aanvullende post)56 613 56 613
Overschot prijsbijstelling 2003– 14 309 – 14 309
Subtotaal42 304 42 304
    
Basisonderwijs – 576– 576
Expertisecentra – 50– 50
Voortgezet onderwijs – 316– 316
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie – 587– 587
Internationaal onderwijsbeleid – 13– 13
Studiefinanciering – 8 911– 8 911
Cultuur – 897– 897
Media (indexering omroepbijdrage) – 27 161– 27 161
Onderzoek en wetenschappen – 2 071– 2 071
Bestuursdepartement – 1 182– 1 182
Inspecties – 92– 92
Adviesraden – 10– 10
Uitvoeringsorganisaties Onderwijs – 77– 77
Uitvoeringsorganisaties Cultuur – 361– 361
Uitdeling prijsbijstelling 2003 – 42 304– 42 304
Totaal44 378– 44 3780

Dit artikelonderdeel heeft dezelfde functie als het artikelonderdeel loonbijstelling, maar dan voor de uitdeling van de prijscompensatie. Het betreft een bijstelling uit de aanvullende post van € 56,6 miljoen (40% van de tranche 2003) in de 1e suppletore begroting en de uitdeling van de juridisch verplichte prijsbijstelling van € 42,3 miljoen in de 2e suppletore begroting. Het restant van € 14,3 miljoen zal worden gebruikt om het tekort op de doorwerking van de prijsbijstelling tranche 2002 te beperken.

De verdeling van de prijsbijstelling over de verschillende beleidsterreinen is in de bovenstaande tabel weergegeven. Bovenstaande bedragen betreffen de juridisch verplichte prijsbijstelling. De berekening van de prijsbijstelling voor de programma's van eisen voor de materiële instandhouding primair onderwijs is wettelijk voorgeschreven en vindt plaats op basis van CPB-ramingen. Voor 2002 is de prijsbijstelling 0,07%.

Tabel 17.4: Nominaal en onvoorzien (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Bestandopname Wet op het onderwijstoezicht (WOT) – 753– 753
Commissie gelijke behandeling – 272– 272
Inverdieneffecten arbeidsmarktbeleid (LNV-aandeel) – 250– 250
Eindejaarsmarge 2002/200354 017 54 017
Eindejaarsmarge 2003/2004– 66 759 – 66 759
Voordelig saldo van toevoegingen en onttrekkingen73 174 73 174
Totaal60 432– 1 27559 157

Het verschil van € 59,2 miljoen is als volgt te verklaren. In 2003 is voor € 0,8 miljoen naar de inspecties overgeheveld ten behoeve van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Daarnaast is er € 0,3 miljoen overgemaakt naar het ministerie van Justitie voor de commissie gelijke behandeling. De volgende post betreft het LNV-aandeel in de ombuiging van de inverdieneffecten op het arbeidsmarktbeleid. Deze middelen van € 0,3 miljoen zijn uitgedeeld aan de beleidsterreinen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hoger onderwijs.

In de ontwerpbegroting 2003 is op het artikelonderdeel «nader te verdelen» het OCW-tekort in 2003 van € 59,2 miljoen opgenomen. In 2002 eindigde OCW met een overschot van € 54 miljoen. Het overschot 2002 is via de eindejaarsmarge doorgeschoven naar 2003 en toegevoegd aan het artikelonderdeel «nader te verdelen». In 2003 eindigde OCW door diverse mee- en tegenvallers met een overschot van € 66,8 miljoen. Dit overschot zal conform de begrotingsregels onderdeel uitmaken van de eindejaarsmarge van OCW. In de Voorjaarsnota 2004 wordt er over de eindejaarsmarge besloten.

Tabel 17.5: Ontvangsten toegevoegd uit de aanvullende post miljoenennota (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Uitdeling:   
Technocentra – 136– 136
Informatie- en communicatietechnologie – 1 406– 1 406
Onderzoek en wetenschappen – 1 454– 1 454
Totaal – 2 996– 2 996

In 2003 is de prijsbijstelling over het Fonds Economische Structuurversterking (FES) ad € 3,0 miljoen uitgedeeld naar de bovenstaande beleidsterreinen.

18. T/M 23. APPARAATSKOSTEN

Algemeen

In dit onderdeel worden de apparaatsuitgaven van het ministerie verantwoord. Het betreft de apparaatsuitgaven van:

• het bestuursdepartement (artikel 18);

• de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Cultuurbezit (artikel 19);

• de drie adviesraden: Onderwijsraad, Raad voor Cultuur, en Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (artikel 20);

• de uitvoeringsorganisaties onderwijs: de Centrale Financiën Instellingen (CFI) en Informatie Beheer Groep (IB-Groep), KPMG voor de uitvoering van de ziektekostenregeling en de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) (artikel 21);

• de uitvoeringsorganisaties cultuur: de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), het Instituut Collectie Nederland (ICN) en de Rijksarchiefdienst (RAD) (artikel 22);

• de uitvoeringsorganisaties wetenschappen: de uitvoeringsorganisatie Centrale Financiën Instellingen (CFI) zorgt voor een juiste en tijdige betaling van de bedragen waarop onderzoeksinstellingen recht hebben.

In de hierna volgende tabellen zijn voor de jaren 1999 tot en met 2001 geen realisatiecijfers ingevuld. Oorzaken hiervan zijn dat in die jaren artikel 18 niet voor de apparaatskosten werd gebruikt en dat de verschillende organisatie-onderdelen vanaf 2002 anders gegroepeerd zijn per artikel. Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

Tabel 1: Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   170 072182 723155 66427 059
Uitgaven   164 231192 806155 66437 142
Bestuursdepartement   164 231192 806155 66437 142
Ontvangsten   5814 3435673 776
Tabel 2: Budgettaire gevolgen artikel 19 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   53 47548 72746 3442 383
Uitgaven   52 39648 91746 3442 573
Inspectie van het Onderwijs   50 59647 49745 5931 904
Inspectie Cultuurbezit   1 8001 420751669
Ontvangsten   160909
Tabel 3: Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   7 2176 9447 161– 217
Uitgaven   7 2176 9447 161– 217
Onderwijsraad   3 0352 5172 659– 142
Raad voor Cultuur   3 1153 1393 005134
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid   1 0671 2881 497– 209
Ontvangsten   0000
Tabel 4: Budgettaire gevolgen artikel 21 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   202 576206 320173 12233 198
Uitgaven   202 576206 320173 12233 198
Centrale Financiën Instellingen (CFI)   48 53156 73242 05314 679
Informatie Beheer Groep (IBG)   122 407118 32299 17119 151
Overige uitvoeringsorganisaties   31 63831 26625 3115 955
Onverdeeld   006 587– 6 587
Ontvangsten   6714084080
Tabel 5: Budgettaire gevolgen artikel 22 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   81 53081 43268 62712 805
Uitgaven   81 53081 43268 62712 805
Cultuurinstellingen   46 52547 56833 27314 295
Nationaal archief   35 00533 86435 354– 1 490
Ontvangsten   4 0943 7162443 472
Tabel 6: Budgettaire gevolgen artikel 23 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   2 4502 4182 36553
Uitgaven   2 4502 4182 36553
Centrale Financiën Instellingen (CFI)   2 4502 4182 36553
Ontvangsten   0000

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

1. Inleiding

Met de verhuizing naar de Hoftoren in oktober 2003, is dit het eerste jaarverslag van OCW vanuit Den Haag. Naast deze verhuizing heeft 2003 voor OCW vooral in het teken gestaan van de verbeteringen van de externe en interne sturing (Rekenschap en Kwaliteitsslag OCW) en de consequenties daarvan voor de organisatie. In dit hoofdstuk een terugblik daarop en een vooruitblik op de reeds in gang gezette ontwikkelingen.

Dit hoofdstuk bevat tevens de Mededeling bedrijfsvoering 2003. Met deze mededeling legt OCW verantwoording af over de bedrijfsvoering en wordt ingegaan op de bereikte kwaliteitsverbeteringen.

2. De mededeling over de bedrijfsvoering 2003

In 2003 is OCW erin geslaagd haar financiële taakstelling te realiseren en is de OCW begroting niet overschreden. Tevens is in 2003 in ruime mate uitvoering gegeven aan verbeteracties op het gebied van financieel en materieel beheer, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Auditdienst en de Algemene Rekenkamer. In bijlage 3 bij dit jaarverslag wordt uitgebreid ingegaan op de aanbevelingen van de Rekenkamer op het vorige jaarverslag en de acties die naar aanleiding daarvan door OCW zijn ondernomen.

In het verslagjaar 2003 zijn de belangrijkste bedrijfsprocessen in voldoende mate beheerst. Uitzondering hierop is het proces van de externe sturing. Ook enkele aspecten van interne sturing, zoals risicomanagement en de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord, voldoen nog niet geheel aan de gestelde eisen. In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt nader ingegaan op de hiervoor ingezette verbeteracties en beheersmaatregelen. Daarnaast heeft de Auditdienst van OCW in verband met de werkzaamheden van de Commissie Schutte geen eigen onderzoek meer uitgevoerd naar de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de door de bve- en ho-instellingen aangeleverde bekostigingsgegevens. Hierdoor heeft de Auditdienst geen zekerheid over de rechtmatigheid van de bekostiging van de instellingen in het bve- en ho-veld.

3. De bedrijfsvoering in 2003

De bedrijfsvoering van OCW heeft in 2003 voor een belangrijk deel in het teken gestaan van het verbeteren van de externe en interne sturing.

3.1 Externe sturing (Rekenschap en ATC)

Actieplan Rekenschap en Motie Joldersma

Voor het verbeteren van de externe sturing door OCW van de instellingen is een Actieplan Rekenschap opgesteld. Het actieplan is in maart 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden naar aanleiding van het rapport «Ruimte voor rekenschap» en het rapport «Onregelmatigheden bekostiging (joger) onderwijs» van de Algemene Rekenkamer. In 2003 is gewerkt aan de uitvoering van dit actieplan.

De Kamer wordt conform de motie Joldersma (TK 2002–2003, 28 248, nr. 34) halfjaarlijks geïnformeerd over de concreet bereikte resultaten op het gebied van «good governance» in het (hoger) onderwijs en de cultuurverandering op het ministerie. In de rapportage van 29 september 2003 (TK 2002–2003, 28 248, nr. 42) is uitgebreid stil gestaan bij de rol en de werkwijze die het departement voor ogen staan en de nieuwe bestuurlijke verhoudingen waar naar toe wordt gewerkt.

In de rapportage van maart 2004 is ingegaan op de samenhang tussen de versterking van de interne en externe sturing en op de recente uitwerking van de nieuwe besturingsfilosofie. Tot slot is de stand van zaken geschetst van het actieplan en de maatregelen die getroffen zijn naar aanleiding van de motie Joldersma. In de volgende paragraaf wordt op een aantal van die maatregelen voor de interne sturing kort ingegaan.

Onderzoek Commissie Schutte

Onderdeel van het Actieplan Rekenschap is de uitvoering van een vervolgonderzoek rekenschap, onder aansturing van de Commissie Schutte. Dit onderzoek heeft een tweeledig doel:

1. nagaan of alle oranje handelwijzen, dit zijn handelwijzen waarvan onduidelijk was of in strijd met de wet of de bedoeling van de wet is gehandeld, zijn in te delen in de categorieën groen (niet in strijd met de wet) en rood (in strijd met de wet). Over dit laatste onderdeel heeft de Commissie op 23 juni 2003 een rapport uitgebracht en aan de Kamer gezonden;

2. bij alle instellingen in de sectoren bve, hbo en wo nagaan of daar handelwijzen zijn voorgekomen of voorkomen die in het rapport Ruimte voor Rekenschap zijn gekenschetst als in strijd met de wet of met de bedoeling van de wet. Het rapport van de commissie is in het voorjaar van 2004 verschenen.

In verband met het onderzoek van de Commissie Schutte heeft de Auditdienst van OCW geen reviews uitgevoerd op de accountantscontrole op de bekostigingsgegevens van de instellingen in het bve- en ho-veld. Hierdoor heeft de Auditdienst geen zekerheid over de rechtmatigheid van die bekostiging.

Sanctiebeleid

Gedurende 2003 is gewerkt aan de beleidsregel sanctiebeleid, die in januari 2004 is gepubliceerd. De beleidsregel geldt voor alle onderwijsinstellingen. In deze publicatie wordt weergegeven op welke manier de minister gebruik zal maken van haar bevoegdheid om sancties op te leggen. De beleidsregel biedt duidelijkheid aan de onderwijsinstellingen over de toepassing van de sancties en over de opschorting en inhouding van de bekostiging in situaties waar wettelijke regels niet worden nageleefd. Verder wordt duidelijk welke procedure wordt gevolgd wanneer naar het oordeel van de minister sprake is van een overtreding of het niet naleven van de wettelijke regels.

In 2003 zijn sancties toegepast bij een aantal specifieke uitkeringen in verband met onrechtmatige besteding van middelen. Het gaat hierbij om de volgende specifieke uitkeringen:

• Voor- en vroegschoolse educatie. In de periode 2000–2002 zijn middelen verstrekt aan gemeenten voor voor- en vroegschoolse educatie (totaal € 160 miljoen). Uit de verantwoordingen van gemeenten over deze periode is gebleken dat niet alle gemeenten (170 van de 357) deze middelen (rechtmatig) hebben besteed. De oorzaken hiervoor lagen in lagere kosten van de voorbereiding en een langere opstartfase dan gepland. Deze middelen zijn in 2003 en voor een deel ook nog in 2004 teruggevorderd bij gemeenten. Totaal is in 2003 € 37 942 767 teruggevorderd.

• Rijksbijdrage educatie. In dit kader hebben 234 gemeenten een bijdrage ontvangen. In totaal 13 gemeenten zijn gesanctioneerd, waarbij in 2003 € 235 305 is teruggevorderd. Opgemerkt moet worden dat 35 gemeenten nog niet definitief zijn afgehandeld. Voor de beoordeling van die gemeenten is aanvullende informatie gevraagd.

• Gemeentelijke onderwijsachterstanden, beleidskader 1. In totaal 496 gemeenten ontvingen een specifieke uitkering GOA 1. Van de meeste gemeenten is inmiddels de verantwoording binnen over de periode 1998–2002. Bij 77 gemeenten wordt met ingang van januari 2004 in totaal een bedrag van € 5 430 459 teruggevorderd en ingezet voor de taakstelling achterstandenbeleid.

De specifieke uitkering «rijksbijdrage inburgering nieuwkomers» is buiten beschouwing gelaten. Deze uitkering is immers met ingang van 1 januari 2003 overgedragen aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

Naast de sancties bij specifieke uitkeringen lopen er nog drie sanctietrajecten in verband met het in stand houden van onvolledige scholen in het primair onderwijs. In de sector Kunsten is aan vijftien instellingen een subsidiekorting opgelegd in verband met te lage publieksinkomsten of te late indiening van de verantwoordingsstukken over 2002.

Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO-beleid)

In 2003 is de aangepaste interne richtlijn MenO-beleid vastgesteld en opgenomen in de planning en controlcyclus. Directies hebben tegelijk met hun managementafspraken een inventarisatie van MenO-gevoelige regelingen opgesteld. Op basis hiervan is bepaald welk deel van de bekostiging als restant MenO is aan te merken. Restant MenO is de MenO-gevoeligheid die (bewust) overblijft nadat alle adequate maatregelen ten aanzien van voorlichting, controle en sancties zijn getroffen. De richtlijn voorziet er in dat jaarlijks een nadere afweging door OCW zal plaatsvinden over de aanvaardbaarheid van restant MenO. Deze afweging heeft plaatsgevonden over het restant MenO van 2003. De uitkomsten daarvan zijn meegenomen in de interne planning en controlcyclus van het ministerie.

Versterking ATC (Accountability, Toezicht en Control)

Er is een projectgroep ATC ingesteld om de geconstateerde tekortkomingen in het ATC stelsel op te heffen. Ultimo 2003 is de situatie als volgt:

• OCW beschikt over een actueel ATC model met daarin een heldere beschrijving van rollen en verantwoordelijkheden voor alle actoren en een heldere beschrijving hoe moet worden omgegaan met bovensectorale regie;

• ATC maakt onderdeel uit van alle managementafspraken 2004 en is daarmee onderdeel van de cyclus van planning en control;

• alle beleidsdirecties hebben een periodiek overleg met alle toezichthouders gezamenlijk (regievoerdersoverleg toezichthouders);

• er functioneert een departementaal ATC platform;

• alle beleidsdirecties zijn gestart met het opstellen van een risicoanalyse op hun beleidsterrein om op basis daarvan nadere beheersmaatregelen te nemen;

• de Auditdienst heeft in 2003 een audit uitgevoerd op de voortgang van de directies; de Auditdienst zal jaarlijks themagerichte audits uitvoeren.

Ondanks de inspanningen op dit gebied is de handhaving en het toezicht door beleidsdirecties een blijvend aandachtspunt. Daarom heeft de departementsleiding aangekondigd deze taken weg te halen bij de beleidsdirecties en afzonderlijk in de organisatie te beleggen. Hiermee wordt een betere borging van het ATC-gedachtegoed beoogd.

3.2 Interne sturing (kwaliteitsslag OCW 2002–2004)

Een belangrijke randvoorwaarde voor de beoogde verbetering van de externe sturing is het verbeteren van de interne sturing. OCW heeft zich de afgelopen jaren intensief ingezet om een integraal veranderingsproces tot stand te brengen. Dit om zowel de kwaliteit, efficiency en effectiviteit van het beleid alsook van de bedrijfsvoering structureel te verbeteren. OCW wil én de juiste dingen doen én deze dingen goed doen. In 2002 en 2003 hebben deze veranderingen vorm gekregen onder de noemer kwaliteitsslag OCW. Onder de kwaliteitsslag heeft het accent van de veranderingen vooral gelegen op het ontwerpen en opzetten van efficiëntere en professionelere systemen, processen en instrumenten.

Versterking lijnsturing

De bestuurlijke verhoudingen binnen OCW worden zodanig herijkt dat de positie van de directeuren-generaal (DG'en) in de lijn wordt versterkt. In dat kader zijn tevens de hoofdlijnen vastgesteld van een herziene inrichting van financiële en controlfuncties op concern-, DG- en directieniveau. De organisatie en mandaatregeling van OCW is hier begin 2004 op aangepast.

Reorganisatie

De verschillende verbetertrajecten hebben in 2003 voor vrijwel alle directies van OCW geleid tot een reorganisatie. De fase van verandering waarin deze directies zich momenteel bevinden, varieert van «net uit de startblokken» tot «vrijwel afgerond». Leidraad voor de reorganisaties vormt de inhoudelijke discussie over kerntaken en -rollen in het licht van de kwaliteitsslag enerzijds en de taakstellingen van de regeerakkoorden Balkenende I en II anderzijds.

Versterking planning en control

In 2003 is de infrastructuur voor de interne besturing verder ontwikkeld met behulp van een integrale systematiek van planning en control. Deze systematiek verbindt de strategische cyclus met de beleids- en de begrotingscyclus. In aansluiting hierop is met een jaarlijks systeem – plus instrumentarium – van managementafspraken en 4R-gesprekken (richting ruimte, rekenschap en resultaat) gestart. In 2003 is deze cyclus voor de eerste keer volledig doorlopen.

Belangrijke doelen in de P&C cyclus zijn het maken van resultaatgerichte afspraken en het inventariseren van risico's in de bedrijfsvoering, het aangeven van de beheersmaatregelen hiervoor en vervolgens het monitoren van de effecten hiervan op de bedrijfsvoering. Met name het onderdeel risicomanagement vergt nog de nodige aandacht. In 2004 zal daarvoor een intern opleidingstraject worden verzorgd.

Verbetering bedrijfsprocessen

In haar rapport over de onregelmatigheden in de hbo-sector uitte de Algemene Rekenkamer kritiek op het beleidsproces bij OCW. Mede naar aanleiding hiervan is ter verbetering van de bedrijfsvoering binnen de beleidsdirecties in 2003 een referentieproces ontwikkeld: een richtlijn voor het ideale beleidsproces, waarin alle gewenste onderdelen van het proces aan bod komen. De directies zullen het komende jaar mede aan de hand van dit referentieproces hun beleidsprocessen inrichten.

Klokkenluiderssignalen

Na het opzetten van een sluitende registratie en afhandelingprocedure van klokkenluiderssignalen is een systeem opgezet om managementinformatie te genereren uit klokkenluiderssignalen. Er is een prototype ontwikkeld van een klokkenluiderregistratiesysteem waarmee deze informatie kan worden gegenereerd. Het prototype is eerst gevuld met de historische gegevens en is daarna voor nieuwe signalen in gebruik genomen. In mei 2004 zal het gebruik worden geëvalueerd en zal het prototype worden omgezet in een meer permanente toepassing. Op deze manier kan informatie uit dergelijke signalen worden benut voor beleidsbijsturing en beleidsontwikkeling.

Naar aanleiding van klokkenluiderssignalen zijn in het primair en voortgezet onderwijs door de Auditdienst in een viertal situaties onderzoeken bij instellingen uitgevoerd.

Kwaliteitsplan auditfunctie

Het rijksbrede kwaliteitsplan voor de auditfunctie is voor OCW eind 2003 volledig ingevoerd.

De instellingsbeschikking voor het Audit Committee is aangepast aan de nieuwe taken en het Audit Committee heeft een kwaliteitsimpuls gekregen door de uitbreiding met twee externe leden die een adviserende taak hebben. Het Audit Committee ziet onder meer toe op de naleving van de aanbevelingen van de Auditdienst en de Rekenkamer. Ook stelt het Audit Committee jaarlijks een auditplan vast en monitort de uitvoering daarvan.

De omvangrijke reorganisatie van de accountantsdienst, die in 2003 is uitgevoerd, is in januari 2004 formeel afgerond.

100 dagen plan

Eind 2003 heeft OCW het zogenoemde 100 dagenplan ontvouwd. In dit plan zijn de vervolgacties van de bovengenoemde aspecten voor de komende twee jaar aangegeven.

3.3 Personeel en organisatie

Op het gebied van personeel en organisatie hebben in 2003 diverse onderwerpen gespeeld waaronder de invulling van de taakstellingen uit het regeerakkoord.

Taakstellingen regeerakkoord

OCW heeft de volumetaakstelling en de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord beleidsmatig per organisatieonderdeel ingevuld. In dat kader moet op 1 januari 2007 een reductie van 570 fte gerealiseerd zijn waarbij nieuwe taken buiten beschouwing blijven.

Tot nu toe ligt OCW met de invulling van de taakstelling redelijk op schema. Hoewel in de periode januari t/m december 2003 weliswaar per saldo een geringe toename is gerealiseerd, is de omvang van het bestuursdepartement echter gekrompen. De toename van het aantal fte bij de buitendiensten is veroorzaakt door de nieuwe taken bij de Inspectie van het Onderwijs in verband met de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) en door een verhoogde capaciteit bij de Rijksdienst Monumentenzorg in verband met het inhalen van achterstallige werkzaamheden. Ook het aantal geplaatste boventalligen veroorzaakt nog een naijleffect van 18 maanden op de bezetting.

Sedert juli 2003 wordt de bezetting nauwlettend in de gaten gehouden met de monitor taakstelling. Tevens hebben de directies inmiddels een strategisch personeelsplan gemaakt waarin is vastgelegd hoe zij in de komende jaren tot de benodigde personeelsreductie denken te komen.

Met de Departementale Ondernemingsraad en de bonden is een akkoord gesloten over de invulling van de taakstelling Balkenende I en II en het sociaal beleidskader.

Terugdringen ziekteverzuim

In 2002 was het ziekteverzuim voor totaal OCW 7,50%. Voor het bestuursdepartement was dat 7,60%. Volgens de interne doelstelling zoals vastgelegd in de managementafspraken van 2003 zou het ziekteverzuim met 10% moeten dalen naar respectievelijk 6,75% en 6,84%. De realisatie 2003 voor totaal OCW is uitgekomen op 6,6% en voor het bestuursdepartement op 6,8%. Het ziekteverzuim van OCW is in 2003 dus substantieel gedaald.

Overige ontwikkelingen op personeelsgebied

Binnen de meeste directies is een start gemaakt met de invoering van competentiemanagement. Medewerkers en leidinggevenden hebben voorlichting gehad, er zijn competentieprofielen opgesteld en er hebben pop-gesprekken (persoonlijk ontwikkelingsplan) plaatsgevonden. Uit het ervaringsonderzoek Waarderen en Belonen blijkt dat de kwaliteit van de gespreksvoering omhoog is gegaan bij directies waar competentiemanagement is ingevoerd.

In 2003 is gestart met het project SAP-HR. Dit project ondersteunt de verdere decentralisatie van de P-taken.

In 2003 heeft OCW met vier departementen geparticipeerd in de ontwikkeling van SAP-payroll ter vervanging van het IPA systeem (salarissysteem voor de overheid). Per 1-1-2005 zal OCW overstappen op dit nieuwe systeem.

3.4 Professioneel inkopen en (Europees)aanbesteden

In 2003 heeft bij OCW sterk de nadruk gelegen op het gezamenlijk inkopen waar dat meerwaarde oplevert (Professioneel Inkopen en Aanbesteden: PIA).

In diverse interdepartementale Europese aanbestedingen die in 2003 zijn gestart is door OCW geparticipeerd. Ook alle buitendiensten zijn actief benaderd om als mede-aanbesteder deel te nemen in een aantal departementale en interdepartementale aanbestedingen met als doel het sluiten van concernbrede raamovereenkomsten. In 2003 heeft OCW ook actief deelgenomen aan het PIA-project «Elektronisch bestellen en factureren»

Mede naar aanleiding van opmerkingen van de Algemene Rekenkamer zijn in 2003 de Europese aanbestedingsregels wederom nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Ook het toezicht daarop heeft OCW in 2003 verscherpt.

Aan dit toezicht is onder meer invulling gegeven door het concernbreed uitzetten van een inventarisatie naar voorgenomen opdrachten en aanbestedingen voor de tweede helft van 2003.

Departementale verantwoordingsstaat 2003 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)

Bedragen x € 1 000
  (1)(2)(3)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  VerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangsten
 TOTAAL24 521 96824 630 4441 154 75125 269 55325 473 7521 253 240747 585843 30898 489
           
 Beleidsartikelen24 134 37424 242 8501 150 53624 740 98924 934 9151 244 764606 615692 06594 228
01Basisonderwijs6 315 5346 317 66918 0466 492 9706 461 75926 508177 436144 0908 462
02Expertisecentra760 992760 9922 723783 002783 4741 90922 01022 482– 814
03Voortgezet onderwijs5 050 3525 020 0811 3615 201 7965 125 3272 531151 444105 2461 170
04Beroepsonderwijs en volwassenen- educatie2 573 1582 499 33527 2272 705 2322 576 23033 048132 07476 8955 821
05Technocentra13613608 5968 5961398 4608 460139
06Hoger beroepsonderwijs1 587 7711 609 900171 628 6041 634 1467740 83324 24660
07Wetenschappelijk onderwijs3 030 8743 027 6151 2483 227 9833 131 6451 535197 109104 030287
08Internationaal onderwijsbeleid17 91718 8499915 99319 317419– 1 924468320
09Onderwijspersoneel78 17878 178095 93388 4794 22117 75510 3014 221
10Informatie- en communicatietechnologie138 816138 81645 3788 755101 29048 220– 130 061– 37 5262 842
11Studiefinanciering2 143 6232 143 623331 3092 318 8452 318 845356 483175 222175 22225 174
12Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten361 777361 77713 835363 174363 17410 4361 3971 397– 3 399
13Lesgelden00401 60700409 373007 766
14Cultuur520 973666 861250266 852668 6623 053– 254 1211 8012 803
15Media857 173857 661226 981878 009880 707253 54220 83623 04626 561
16Onderzoek en wetenschappen697 100741 35780 455745 245773 26493 27048 14531 90712 815
           
           
 Niet-beleidsartikelen387 594387 5944 215528 564538 8378 476140 970151 2434 261
17Nominaal en onvoorzien– 65 689– 65 6892 99600065 68965 689– 2 996
18Bestuursdepartement155 664155 664567182 723192 8064 34327 05937 1423 776
19Inspecties46 34446 344048 72748 91792 3832 5739
20Adviesraden7 1617 16106 9446 9440– 217– 2170
21Uitvoeringsorganisaties onderwijs173 122173 122408206 320206 32040833 19833 1980
22Uitvoeringsorganisaties cultuur68 62768 62724481 43281 4323 71612 80512 8053 472
23Uitvoeringsorganisaties wetenschappen2 3652 36502 4182 418053530

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Samenvattende verantwoordingsstaat 2003 inzake agentschappen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)

Bedragen x € 1 000
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Naam agentschapTotaal batenTotaal lastenSaldo baten en lastenTotaal batenTotaal lastenSaldo baten en lastenTotaal batenTotaal lastenSaldo baten en lasten
Centrale Financiën Instellingen (CFI)45 81645 816060 48760 12236514 67114 306365
Rijksarchiefdienst (RAD)33 35033 350037 86040 270– 2 4104 5106 920– 2 410
Totaal79 16679 166098 347100 392– 2 04519 18121 226– 2 045
Naam agentschapTotaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangstenTotaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangstenTotaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangsten
Centrale Financiën Instellingen (CFI)10 4004 3003 7402 998– 6 660– 1 302
Rijksarchiefdienst (RAD)– 1 5512 688– 2 270113– 719– 2 575
Totaal8 8496 9881 4703 111– 7 379– 3 877

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1: Budgettaire gevolgen van beleid primair onderwijs, beleidsartikelen 1 en 2 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  6 291 1336 874 6317 245 9727 070 526199 446
– waarvan garantieverplichtingen  0030 000030 000
Uitgaven  6 290 0756 876 9917 245 2336 214 9831 030 250
Toegankelijkheid  1 348 6751 486 2841 536 829558 818114 333
Onderwijsachterstandenbeleid  491 792539 930524 446517 9156 531
OALT  64 68669 21472 77570 2652 510
Onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis  455 366538 127595 700516 38079 320
Weer samen naar school  312 941313 733320 919295 54225 377
Onderwijs aan leerplichtige asielzoekers  4 3584 6062 7082482 460
Brede school  02853093009
Nederlands onderwijs in het buitenland  11 46012 22912 37114 041– 1 670
Overig  8 0728 1617 6017 805– 204
Kwaliteit  335 419498 239644 981570 46874 513
Kerndoelen  00000
Groepsgrootteverkleining van de onderbouw  326 456487 777631 002558 81872 184
Leerlingvolgsystemen  1 1023 8301 9091 363546
Schooltijden  00000
Verhogen zwemvaardigheid  04 3555 2555 538– 283
Overig  7 8612 2776 8154 7492 066
Toerusting  4 605 9814 892 4685 063 4235 085 697– 22 274
Onderwijspersoneel  3 740 3614 016 5704 177 9783 887 482290 496
Materiële vergoedingen (incl. ict)  779 436779 184781 094769 14811 946
Tussenschoolse opvang  03 7194 9542 0002 954
Bestuurlijke krachtenbundeling  29 90030 71935 79235 116676
Schoolbegeleidingsdiensten  54 72957 21259 38359 017366
Overig + voorcalculatorische uitdelingen  1 4655 0304 222334 934– 330 712
Ontvangsten  23,249,628,420,77,7

Het verschil tussen de raming en realisatie van de uitgaven voor het primair onderwijs wordt veroorzaakt door een stijging van de personele kosten. Het verschil tussen raming en realisatie bij de post «overig en voorcalculatorische uitdelingen» is het gevolg van het indalen van voornamelijk de loonbijstelling in de personele bekostiging.

Tabel 2: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen4 094 0514 385 5134 954 5815 165 2495 201 7965 050 352151 444
– waarvan garantieverplichtingen000020 000020 000
Uitgaven3 395 9584 250 7284 661 2904 932 0215 125 3275 020 081105 246
Basisvorming   2 348 7402 432 6782 379 09553 583
Vmbo-leerwegen   1 402 9021 474 7301 442 24732 483
Tweede fase havo/vwo   820 055876 388857 08419 304
Onderwijsverzorging en projecten   71 92872 14571 298847
Overige voorzieningen   288 396269 386270 357– 971
Ontvangsten4 2114 9383 1503 2212 5311 3611 170

De totale uitgaven op het beleidsartikel zijn circa € 105 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd in de vastgestelde begroting. De belangrijkste mutaties zijn hieronder weergegeven.

De loonbijstellingen (voornamelijk premies en cao-afspraken) hebben gesommeerd tot een verhoging geleid van circa € 152 miljoen. Voorts is per saldo het budget verlaagd met € 13 miljoen als gevolg van een bijstelling van het aantal leerlingen en asielzoekers.

Voor de uitvoering van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid is het aandeel van beleidsartikel 3 van € 14,5 miljoen overgeboekt naar beleidsartikel 1. Ook is door de latere invoering van de wetswijziging «voortgezet onderwijs uit het vervangingsfonds» het overgangsbudget van € 7,3 miljoen in 2003 vrijgevallen en verschoven naar de jaren 2005 tot en met 2007.

Tenslotte is de begroting neerwaarts bijgesteld in verband met het saldo van een aantal overboekingen (– € 8,7 miljoen) en waren op diverse onderdelen de uitgaven lager dan geraamd (€ 3,5 miljoen).

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   2 631 0642 705 2322 573 158132 074
– waarvan garantieverplichtingen   0000
Uitgaven   2 545 6432 576 2302 499 33576 895
Mbo   2 148 1782 288 9062 232 11556 791
Educatie en inburgering   350 839241 314226 87314 441
Specifieke stimulering   46 62646 01040 3475 663
Ontvangsten   17 78133 04827 2275 821

De totale uitgaven zijn € 76,9 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd.

Het verschil bij het mbo is het saldo van enkele forse plussen en minnen. Bij de plussen gaat het met name om:

• het doorschuiven van € 44,7 miljoen voor ESF van 2002 naar 2003;

• een overboeking voor informatie- en communicatietechnologie van € 11 miljoen;

• de loonbijstelling van € 64 miljoen.

Bij de minnen gaat het om:

• het overboeken van de middelen voor innovatie-arrangement naar het artikelonderdeel specifieke stimulering (€ 10 miljoen);

• het overboeken van middelen voor arbeidsmarktknelpunten naar het artikelonderdeel educatie (€ 6,2 miljoen);

• het overboeken van de middelen voor educatieve tv naar artikelonderdeel specifieke stimulering en het afboeken van de ESF-middelen (€ 42,6 miljoen).

Het verschil bij educatie en inburgering wordt voornamelijk veroorzaakt door een verhoging van het budget voor de loonbijstelling.

De overschrijding op het budget specifieke stimulering wordt vooral veroorzaakt door een toevoeging van € 10 miljoen voor het innovatiearrangement. Daarnaast is er sprake van onderuitputting op enkele onderdelen.

Op de ontvangsten zijn afrekeningen uit oude jaren ontvangen die niet op de begroting geraamd worden.

Tabel 4: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   08 5961368 460
– waarvan garantieverplichtingen   0000
Uitgaven   5 4468 5961368 460
Ontvangsten   5 4451390139

De ontvangsten vanuit het FES zijn per abuis niet meer in 2003 binnengekomen. Deze zullen in 2004 aan de OCW-begroting worden toegevoegd. De uitgaven aan de technocentra hebben wel plaatsgevonden.

Tabel 5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen1 319 4381 466 4191 708 7721 727 5351 628 6041 587 77140 833
– waarvan garantieverplichtingen0000000
Uitgaven1 286 2031 331 9491 491 3941 603 5691 634 1461 609 90024 246
– reguliere bekostiging 1 284 1001 426 1211 545 8081 580 2761 555 57324 703
– specifieke stimulering 47 84965 27357 76153 87054 327– 457
* internationale positie  1 1724024871 394– 907
* innovatie  17 91229 75429 75429 7540
* versterking beroepsopleiding       
* doelgroepenbeleid1  4523663 2252 403822
* borging kwaliteit  2 0302 2932 0493 472– 1 423
* sectorenbeleid1  27 02119 29013 14913 498– 349
* transparante info aanbod hop    1 203650553
* overige spec. stimulering  16 6865 6564 0033 156847
Ontvangsten4 7111 105121358771760

1Bij deze onderdelen is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de begroting 2003 abusievelijk een onjuiste verdeling van de middelen gehanteerd. Dit is nu gecorrigeerd.

De programma-uitgaven (€ 1,6 miljard) betreffen hoofdzakelijk de rijksbijdrage die voor 2003 aan de hogescholen zijn toegekend. De in 2003 gerealiseerde verplichtingen (eveneens € 1,6 miljard) hebben voornamelijk betrekking op de (voorlopig) toegekende rijksbijdrage voor het jaar 2004.

De realisatie op de programma-uitgaven ligt € 24,2 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begrotingsstand. Deze toename van het uitgavenkader wordt voornamelijk verklaard door een positieve bijstelling van € 44,9 miljoen voor de loonontwikkeling 2003 en een negatieve bijstelling van € 19,1 miljoen door de ontwikkeling van het aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs.

De verplichtingenmutatie ligt € 16,6 miljoen hoger dan de uitgavenmutatie. Dit verschil is het gevolg van kasmutaties in 2004 die, gelet op de geldende bekostigingssystematiek (in jaar «t» worden de uitgaven voor jaar «t+1» verplicht), effect hebben op het verplichtingenbudget 2003. De belangrijkste mutaties zijn: de doorwerking in 2004 van de loonbijstelling 2003, de doorwerking in 2004 van de (negatieve) bijstelling voor de ontwikkeling van het aantal studenten in het hbo én de taakstellingen en beleidsintensiveringen voor 2004 uit het hoofdlijnenakkoord.

Tabel 6: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen 2 908 5463 108 9783 192 2863 227 9833 030 874197 109
– waarvan garantieverplichtingen* 000000
Uitgaven 2 713 2392 901 9083 045 2443 131 6453 027 615104 030
        
Bekostigde instellingen (7.01) 2 577 1672 757 9722 906 2532 996 3932 910 30786 0 86
Universiteiten       
– bekostiging 1 948 7852 171 2592 304 1632 385 1152 305 70079 415
– universitaire lerarenopleiding 2 6322 9564 2124 0195 400– 1 381
– investeringen in huisvesting 88 54492 51792 52492 52692 5260
– academische ziekenhuizen 441 286461 645473 777486 958472 29714 661
– overige 95 92029 59531 57727 77534 384– 6 609
        
Gesubsidieerde instellingen (7.02) 118 431120 320124 678123 541110 35013 191
Open Universiteit Nederland (OUNL) 35 69137 47837 76134 90031 0063 894
Instellingen internationaal onderwijs en onderzoek 45 34947 52047 55949 59946 5873 012
Levensbeschouwelijke instellingen 23 73324 60225 23024 42123 846575
Faciliterende organisaties 12 7639 81413 07613 04111 0661 975
Overige 8969061 0521 580– 2 1553 735
        
Stimuleringsuitgaven (7.03) 16 67122 10612 54610 6295 9344 695
        
Overige uitgaven (7.04) 9701 5101 7671 0821 02458
Ontvangsten 1 2041 0981 3901 5351 248287

*In de begroting 2003 wordt hier de stand van garanties weergegeven. In 2003 zijn er geen nieuwe garanties aangegaan.

De programma-uitgaven (€ 3,1 miljard) betreffen hoofdzakelijk rijksbijdragen die voor 2003 aan universiteiten, inclusief de werkplaatsfunctie academische ziekenhuizen, en subsidies aan een verscheidenheid aan overige instellingen zijn toegekend. De in 2003 gerealiseerde verplichtingen (€ 3,2 miljard) hebben voornamelijk betrekking op de (voorlopig) toegekende rijksbijdragen en subsidies voor het jaar 2004.

De realisatie op de programma-uitgaven ligt € 104,0 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begrotingsstand. Deze toename van het uitgavenkader wordt voornamelijk verklaard door een positieve bijstelling van € 82,4 miljoen voor de loonontwikkeling 2003 en een bijstelling van € 18,1 miljoen door de ontwikkeling van het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs.

De verplichtingenmutatie ligt € 150,6 miljoen hoger dan de uitgavenmutatie. Dit verschil is het gevolg van kasmutaties in 2004 die, gelet op de geldende bekostigingssystematiek (in jaar «t» worden de uitgaven voor jaar «t+1» verplicht), effect hebben op het verplichtingenbudget 2003. De belangrijkste mutaties zijn: de doorwerking in 2004 van de loonbijstelling 2003, de doorwerking in 2004 van de (positieve) bijstelling voor de ontwikkeling van het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs én de taakstellingen en beleidsintensiveringen voor 2004 uit het hoofdlijnenakkoord.

Tabel 7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen6 7037 05215 22420 99815 99317 917– 1 924
– waarvan garantieverplichtingen0000000
Uitgaven7 2957 33912 60418 03919 31718 849468
Mobiliteit  4 2449 2389 8649 951– 87
Samenwerkingsverbanden  4 2263 2173 3783 387– 9
Institutionele subsidies Nederland  3 2774 4564 5944 54747
Instellingen buitenland  54671158150081
Overig  311417900464436
Ontvangsten857291 01252541999320

Op het totale artikel is in 2003 € 0,5 miljoen meer uitgegeven ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Deze extra uitgaven zijn, voor het grootste deel (€ 0,4 miljoen), gedaan in het kader van de aanloop naar het EU-voorzitterschap in de tweede helft van het jaar 2004.

In 2003 is € 0,3 miljoen meer ontvangen op dit artikel. Het betreft extra ontvangsten in verband met de definitieve vaststelling van subsidies en bijdragen uit voorgaande jaren. Waar bij de verantwoording een onderuitputting van de subsidies en bijdragen is vastgesteld, is het teveel aan voorschot teruggevorderd.

Tabel 8: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   74 85595 93378 17817 755
– waarvan garantieverplichtingen   0000
Uitgaven   84 93588 47978 17810 301
Arbeidsmarkt   9 5759 8139 8130
Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen   31 30238 70225 33913 363
Zvoo   44 05839 96443 026– 3 062
Ontvangsten   684 22104 221

De uitgaven zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting 2003 met € 10,3 miljoen toegenomen. Bij de uitgaven aan vakbondsfaciliteiten en voorzieningen is er een toename van € 13,4 miljoen. Deze overschrijding is veroorzaakt door het beschikbaar komen van extra middelen voor het lerarenbeleid. De realisatie op de ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel (zvoo) is lager dan geraamd; de onderschrijding van € 3,1 miljoen is veroorzaakt door een geringere relatieve stijging van de particuliere ziektekosten dan geraamd.

De hogere ontvangsten van € 4,2 miljoen wordt veroorzaakt door het terugbetalen van een lening door het vervangingsfonds.

Tabel 9: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen15 88058 991102 026127 7158 755138 816– 130 061
Waarvan garantieverplichtingen      
Uitgaven15 88058 537102 02679 269101 290138 816– 37 526
Het faciliteren van scholen bij integratie van ict    72 133107 429– 35 296
Het stimuleren van samenwerking    2 7222 7220
Beschikbaarstellen onderwijskundig materiaal    18 60018 6000
• BVE net: € 2,042 miljoen, t.l.v. artikel 4.03     
• Authenticatie en autorisatiedienst (Entree)    1 8601 8600
• Open Source/Open Standaarden    210210
Beschikbaarheid educatief materiaal    1 1713 500– 2 329
Gebruik ict als onderwijsmiddel    3 6482 5001 148
Participatie bedrijfsleven    23455– 432
Ict en internationaal    157450– 293
Meten van vorderingen van ict in het onderwijs    6511 300– 649
Onderwijsinspectie: € 668 000, t.g.v. artikel 21.01     
Overige activiteiten    115115
Ontvangsten 58 99158 99147 91848 22045 3782 842

De gerealiseerde uitgaven 2003 voor informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs zijn nagenoeg gelijk aan het voorziene budget. De neerwaartse bijstelling van de begroting (€ 33,5 miljoen) is grotendeels het gevolg van een overboeking naar de betrokken directies (circa € 31,5 miljoen) in verband met het verhogen van de koopkracht van de scholen voor de Kennisnet-bijdrage. Daarnaast is de realisatie per saldo circa € 2 miljoen lager. Dit saldo komt enerzijds voort uit het kostenverloop van een aantal projecten. Anderzijds is € 0,4 miljoen minder uitgegeven aan de samenwerking met het bedrijfsleven en € 0,3 miljoen minder aan internationale activiteiten.

Op het ontvangstenartikel is € 48 miljoen ontvangen van het Fonds Economische Structuurversterking van het ministerie van Economische Zaken. Dit fonds draagt bij in de dekking van de decentrale bestedingen. De bijdrage wordt jaarlijks toegekend in principe tot en met het jaar 2010.

Tabel 10: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  1 987 4901 804 2542 318 8452 143 623175 222
– waarvan garantieverplichtingen  00000
Uitgaven  1 987 4901 804 2542 318 8452 143 623175 222
        
Waarvan relevante uitgaven:  1 173 700920 5031 326 4181 325 1191 299
11.1 Basis- en aanvullende beurs  854 077840 501956 9431 009 079– 52 136
11.2 Reisvoorziening  251 21229 887287 439238 08649 353
11.3 Overige uitgaven  68 41150 11582 03677 9544 082
        
Waarvan niet-relevante uitgaven:  813 790883 751992 427818 504173 923
11.4 Prestatiebeurs  415 089405 823413 803357 72956 074
11.5 Reguliere rentedragende lening  398 701477 928578 624460 775117 849
Ontvangsten  331 928332 613356 483331 30925 174
waarvan:       
11.1 Relevant studiefinanciering  254 541245 571251 756233 72918 027
11.2 Niet-relevante studiefinanciering  77 38787 042104 72797 5807 147

Relevante uitgaven

Het verschil van – € 52,1 miljoen bij artikel 11.1 bestaat voor € 60,1 miljoen uit minder basis- en voor € 7,9 miljoen uit meer aanvullende beursuitgaven.

Bij de basisbeursuitgaven ontstaat het verschil voor het grootste deel omdat er minder aan prestatiebeursuitgaven van studenten in het hoger onderwijs is omgezet van een lening naar een gift (– € 73,7 miljoen). De normale betalingen zijn € 13,6 miljoen hoger dan geraamd als gevolg van meer basisbeursgerechtigden.

De hogere aanvullende beursuitgaven van € 7,9 miljoen zijn voor € 13,9 miljoen het gevolg van een stijging van het gemiddeld uitgekeerd bedrag in 2003 per gerechtigde, hoewel er per saldo minder aanvullende beursgerechtigden waren. Daarnaast is voor € 6,0 miljoen minder aanvullende prestatiebeurs omgezet in een gift.

De reisvoorziening 2003 geeft een verschil van € 49,4 miljoen. Dit betreft hogere uitgaven als gevolg van het nieuwe ov-contract per 2003 (€ 82,6 miljoen) en € 40,2 miljoen aan lagere uitgaven als gevolg van minder omzettingen van de ov-studentenkaart in een gift. Aan reisvoorziening overig is € 6,9 miljoen meer uitgegeven.

Het verschil bij de overige uitgaven van € 4,1 miljoen bestaat voornamelijk uit minder uitgaven op het gebied van de lesgeldvoorschotten (– € 0,9 miljoen) en € 4,8 miljoen meeruitgaven aan EU-studerenden.

Niet-relevante uitgaven

Bij de prestatiebeursuitgaven wordt het verschil van € 56,1 miljoen tussen begroting en realisatie 2003 voornamelijk veroorzaakt door de hiervoor al aangegeven verschillen bij de omzettingen van een lening in een gift (zowel bij de basis- en aanvullende beurs als bij de reisvoorziening). Ook zijn de normale betalingen voor studenten in het hoger onderwijs lager, vooral als gevolg van lagere uitgaven aan aanvullende beurs.

Bij de rentedragende leningen wordt het verschil van € 117,8 miljoen tussen begroting en realisatie 2003 verklaard omdat er meer wordt geleend. Alleen al hierdoor zijn de uitgaven ten opzichte van de begroting 2003 € 127,7 miljoen hoger. Op de overige posten van dit artikelonderdeel (studievoortgangscontrole, achterstallig recht, afboekingen op rentedragende leningen en technische bijstelling) is in 2003 een lagere uitgave van € 9,9 miljoen gerealiseerd.

Ontvangsten

Er is € 18,0 miljoen meer aan relevante ontvangsten (renteloze voorschotten, rente) gerealiseerd. Dit komt vooral doordat de aflossingen van renteloze voorschotten (verstrekt tot 1986) langer doorlopen dan verwacht (+ € 9,8 miljoen) en door meer ontvangsten dan begroot (+ € 14,1 miljoen) aan rente op de nieuwe rentedragende leningen. Daarnaast is aan kortlopende schulden € 5,3 miljoen minder ontvangen dan geraamd.

Het verschil tussen begrote en gerealiseerde niet-relevante ontvangsten in 2003 bedraagt € 7,2 miljoen, vooral doordat de termijnbetalingen hoger uitvielen.

Tabel 11: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  331 329347 751363 174361 7771 397
– waarvan garantieverplichtingen  00000
Uitgaven  331 329347 751363 174361 7771 397
– TS 17-  276 593289 263294 558307 869– 13 311
– VO 18+  48 78348 42550 13348 4461 687
– TS 18+  5 2759 05917 5304 83712 693
Niet relevante uitgaven  6781 004953625328
Ontvangsten  14 79213 02510 43613 835– 3 399

De gerealiseerde relevante WTOS – uitgaven 2003 zijn € 1,4 miljoen hoger dan begroot.

De meeruitgaven van € 1,4 miljoen zijn te splitsen in:

• € 13,3 miljoen minderuitgaven bij de TS17-; ondanks een hoger aantal TS17--gerechtigden is het gemiddeld uitgekeerd bedrag in 2003 lager geweest. Dit duidt erop dat er meer gerechtigden met een gedeeltelijke tegemoetkoming zijn dan geraamd;

• € 1,7 miljoen meeruitgaven bij het onderdeel VO18+. Deze verhoging is voornamelijk toe te schrijven aan een stijging van het aantal gerechtigden in 2003 ten opzichte van de raming;

• € 12,7 miljoen meeruitgaven bij het onderdeel TS18+. Deze stijging is zowel het gevolg van een hoger aantal gerechtigden dan geraamd als van een hoger gemiddeld uitgekeerd bedrag.

• De WTOS-ontvangsten betreffen terugontvangen van teveel of onterecht uitgekeerde tegemoetkoming studiekosten. Deze ontvangsten zijn moeilijk in te schatten. Voor zowel de TS17- als de VO18+ zijn de ontvangsten € 3,4 miljoen minder dan voor 2003 was begroot.

Tabel 12: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Ontvangsten lesgeld  370 931388 764409 373401 6077 766

In 2003 is € 7,8 miljoen meer aan lesgeldontvangsten gerealiseerd dan begroot. Dit verschil is vooral het gevolg van hogere aantallen lesgeldplichtigen.

De realisatie voor het schooljaar 2002–2003 (451 778) laat een stijging van het aantal lesgeldplichtigen zien van 11 447 ten opzichte van het begrote aantal voor dat schooljaar (440 331). Het verschil tussen begroting en realisatie voor het schooljaar 2003–2004 bedraagt + 23 419.

Tabel 13: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen 1 854 386493 583374 477266 852520 973– 254 121
waarvan garantieverplichtingen 68 2703 177111 50753 465263 395– 209 930
Uitgaven 592 318657 166654 014668 662666 8611 801
        
Kunsten 254 418336 666296 994298 357303 024– 4 667
Podiumkunsten 147 901180 774174 466179 817  
Film 11 50619 47410 48911 456  
Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving 54 45473 40845 60444 929  
Amateurkunst en kunsteducatie 19 95123 26023 75924 539  
Overige subsidies kunsten 20 60639 75042 67637 616  
        
Letteren en bibliotheken 43 90043 30039 08940 85640 681175
Bibliotheken 26 00027 00029 75431 106  
Letteren 11 50015 0007 8548 003  
Overig 6 4001 3001 4811 747  
        
Fondsen   74 35577 62569 8047 821
        
Cultureel erfgoed 285 200271 000237 984246 775244 7712004
Musea 183 500138 400140 159140 599  
Monumentenzorg 94 800113 40077 73580 258  
Archeologie 3 6005 1004 2564 811  
Archieven 2 7003 2003 5953 854  
Erfgoed algemeen 60010 90012 24117 253  
        
Overig 8 8006 2005 5915 0498 581– 3 532
Ontvangsten 2 8004 8004 9703 0532502 803

De realisatie op het artikel cultuur is in totaal circa € 2 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd in de begroting.

Op het artikelonderdeel kunsten is per saldo € 4,7 miljoen minder uitgegeven dan geraamd. Dit wordt onder meer verklaard door overboekingen naar het artikelonderdeel fondsen (circa € 4 miljoen). Daarnaast is in 2003 minder uitgegeven dan verwacht aan onder meer cultuurvouchers en aan de aanvullende regeling voor ID-banen cultuur (€ 7,5 miljoen). Een deel van de voor ID-banen bestemde middelen zal naar verwachting in 2004 nog tot besteding komen (€ 1,5 miljoen). Tegenover deze verlagingen staat een verhoging als gevolg van de loonbijstelling van circa € 7 miljoen.

Op het artikelonderdeel fondsen is € 7,8 miljoen meer uitgegeven dan geraamd. Dit is voornamelijk het gevolg van overboekingen van het artikelonderdeel kunsten (circa € 4 miljoen), een bijdrage aan de aankoop van twee schilderijen van Rubens door het Mauritshuis (€ 2 miljoen) en de loonbijstelling (circa € 1,6 miljoen).

Op het artikelonderdeel cultureel erfgoed is per saldo € 2 miljoen meer uitgegeven dan geraamd. De grootste wijzigingen hebben betrekking op bijdragen van VROM en LNV voor het project Belvedère (€ 5,4 miljoen), een verhoging van het budget voor achterstanden huisvesting musea, archieven en diensten (€ 3,7 miljoen) en loonbijstelling (€ 3 miljoen). Daartegenover staat een verlaging van de uitgaven als gevolg van overboekingen naar andere onderdelen van het departement, onder meer de cultuurdiensten (circa € 7,8 miljoen).

Op het artikelonderdeel overig is € 3,5 miljoen minder uitgegeven dan geraamd als gevolg van onderuitputting op verschillende budgetten.

Tabel 14: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen 832 972834 425882 964878 009857 17320 836
– waarvan garanties 000000
Uitgaven 830 642836 127881 344880 707857 66123 046
Media 830 642836 127881 344878 493857 66120 832
Zero base    2 21402 214
Ontvangsten 243 245231 335222 155253 542226 98126 561
Rijksomroepbijdrage  601 786654 404661 058630 68030 378

De realisatie op het artikelonderdeel media is in totaal € 20,8 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd in de begroting.

Dit wordt voornamelijk verklaard door de loon- en prijsbijstelling 2003 (circa € 28 miljoen). Daarnaast zijn de reclameontvangsten en de renteontvangsten 2003 circa € 10 miljoen lager dan geraamd. Het overige verschil wordt veroorzaakt door een correctie op de afrekening met het Commissariaat voor de Media (circa € 2 miljoen), de huishoudenindex (circa € 1,8 miljoen), G&G gelden cultuur (circa € 0,3 miljoen) en een overschot in verband met onderuitputting interferentie (circa € 1,2 miljoen).

De realisatie op het artikelonderdeel zero base is in totaal circa € 2,2 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd in de begroting.

Dit verschil wordt verklaard doordat ten tijde van de begroting 2003 hiervoor nog geen bedragen waren geraamd. Op dit artikel is € 1,3 miljoen minder uitgegeven dan in de loop van 2003 is geraamd (€ 3,5 miljoen) als gevolg van onderuitputting.

De ontvangsten zijn € 26,6 miljoen hoger dan geraamd. Naast de hierboven reeds genoemde lagere reclame- en renteontvangsten (circa € 10 miljoen) wordt dit veroorzaakt door de opbrengst van de vergelijkende toets van commerciële radiofrequenties (zero base).

Tabel 15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen  1 110 122737 162745 245697 10048 145
– waarvan garantieverplichtingen  00000
Uitgaven  757 123801 650773 264741 35731 907
        
1. Onderzoekbestel       
NWO  286 728287 477313 833305 0418 792
KNAW  74 85277 06378 39874 5663 832
Koninklijke Bibliotheek  28 66429 87131 35930 450909
KNAW Bibliotheek  2 1162 1892 2632 20558
LF TUD Bibliotheek  6 3736 5546 7416 592149
IISG  2622622622620
SURF  2 2692 2692 2702 2682
CPG  26742844843216
NIDI  1 4661 48801 632– 1 632
TNO  186 245194 036189 231176 23412 997
BPRC/Stichting AAP  3 3396 6096 9396 84099
Nationaal Herbarium  9981 0411 0761 04234
NLR  7627627977961
Waterloopkundig Laboratorium  1 1901 1901 1901 231– 41
Grondmechanica Delft  713713713757– 44
MARIN  803771680885– 205
STT  1711771821775
WeTeN  2 3842 7472 7852 549236
EMBC  425436444454– 10
EMBL  2 3762 4712 6622 541121
ESA  32 27530 21431 29931 064235
CERN  26 82130 12928 99729 991– 994
ESO  5 4925 4865 5245 49133
EG-Liaison  173174179189– 10
NTU/INL  1 0271 6331 3571 400– 43
EIB  1 0361 0701 1301 08149
Nader te verdelen  604142671 282– 1 015
Taakstelling regeerakkoord  0– 311311
Subtotaal onderzoekbestel  669 772687 674711 026687 14123 885
        
2. Specifieke beleidsthema's       
FES  12 07127 49917 10911 9475 162
Genomics  34 03463 86811 34511 3450
Vernieuwingsimpuls  11 3459 07610 43710 4370
Economie Ecologie Technologie  9 020013 07210 6642 408
COS  46551948845335
Verkenningen  106830500– 500
Aspasia  2744314314310
Taakstelling regeerakkoord  0– 993993
Subtotaal specifieke beleidsthema's  67 315101 47652 88244 7848 098
        
3. Coördinatie en samenwerking       
Coördinatie wetenschapsbeleid  12 7868 5303 6715 297– 1 626
Bilaterale samenwerking  7 2503 9705 6854 1351 550
Subtotaal coördinatie en samenwerking  20 03612 5009 3569 432– 76
Ontvangsten  101 108108 11493 27080 45512 815

De stand ontwerpbegroting 2003 is verhoogd met € 31,9 miljoen. Dit is grotendeels veroorzaakt door technische begrotingsmutaties, zoals bijstellingen uit de aanvullende posten en desalderingen in het kader van de loonbijstellingen 2003. De belangrijkste wijziging, anders dan bovengenoemde reden, betreft het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Het NIDI is met ingang van 2003 ondergebracht bij de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en in de realisatie voor 2003 op nul gesteld.

Tabel 16: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen    0– 65 68965 689
Uitgaven    0– 65 68965 689
• Loonbijstelling    0– 6 5326 532
• Prijsbijstelling    00,00,0
• Nader te verdelen    0– 59 15759 157
• Asielzoekers    00,00,0
Ontvangsten    02 996– 2 996

De negatieve beginstand van het artikelonderdeel loonbijstelling is veroorzaakt doordat er een meerjarige cao is afgesloten met het onderwijsveld (po, vo en bve). Deze beleidsterreinen worden dan verhoogd met de afgesproken cao-middelen ten laste van het artikelonderdeel loonbijstelling. Het teveel uitgedeelde wordt daardoor negatief geparkeerd op het artikelonderdeel loonbijstelling. In het daaropvolgende jaar wordt deze negatieve stand verrekend met een deel van de volgende loonbijstellingstranche.

De negatieve stand van het artikelonderdeel nader te verdelen is veroorzaakt doordat het centrale tekort en een aantal nog te verdelen middelen op dit artikelonderdeel worden geparkeerd.

Tabel 17: Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   170 072182 723155 66427 059
Uitgaven   164 231192 806155 66437 142
Bestuursdepartement   164 231192 806155 66437 142
Ontvangsten   5814 3435673 776

Het verschil tussen realisatie en begroting van de uitgaven op dit artikel bedraagt € 37,1 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door:

• een verhoging van € 6,3 miljoen door uitstel van betalingen voor de Hoftoren als gevolg van een vertraging in het bouwproces en als gevolg van een kasschuif voor de eindejaarsmarge van de apparaatskosten;

• een verhoging van € 28,6 miljoen voor de problematiek van de apparaatskosten;

• een verhoging van € 3,3 miljoen voor vervolgonderzoek voor de Commissie Schutte;

• een verhoging van € 4,0 miljoen voor de loon- en prijsbijstelling 2003;

• een verhoging van € 1,2 miljoen door een overboeking uit het programma ICT aan het apparaatbudget van de directie ICT;

• een verhoging van € 1,2 miljoen voor een overboeking van onderzoekskosten naar het apparaatskostenbudget;

• een verhoging van € 2,4 miljoen door een overboeking van het programma artikel naar artikel 18;

• een verlaging van € 3,2 miljoen als gevolg van een convenant met de bonden, waardoor het budget bestemd voor flankerend beleid pas in 2004 wordt uitgeput;

• een verhoging van € 10 miljoen dat bestemd is voor de verbouwing van het pand aan de Europaweg en vervolgens een verlaging van € 10 miljoen omdat BZK het bedrag pas in 2004 wil ontvangen;

• een verlaging van € 4,1 miljoen doordat de uitgaven voor de Commissie Schutte voor een groot deel worden gerealiseerd in 2004;

• een verlaging van € 2 miljoen als gevolg van een aantal overboekingen in het kader van de externentaakstelling en de volume- en efficiencytaakstelling;

• een verlaging van € 5,4 miljoen als gevolg van de uitkering van de eindejaarsmarge aan directies in 2004 en voor lopende projecten in verband met de Hoftoren die pas in 2004 worden opgeleverd.

Het verschil tussen realisatie en begroting van de ontvangsten bedraagt € 3,8 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door:

• een verhoging van € 3,2 miljoen als gevolg van terugbetalingen voor huisvesting en WAO-uitkeringen.

Tabel 18: Budgettaire gevolgen artikel 19 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   53 47548 72746 3442 383
Uitgaven   52 39648 91746 3442 573
Inspectie van het Onderwijs   50 59647 49745 5931 904
Inspectie Cultuurbezit   1 8001 420751669
Ontvangsten   160909

Het verschil tussen realisatie en begroting van de Inspectie van het onderwijs is in 2003 uitgekomen op € 1,9 miljoen. Het betreft de onderstaande wijzigingen:

• € 1,1 miljoen loon- en prijsbijstelling;

• € 1,8 miljoen is per saldo verschoven naar de begroting 2002;

• € 1,0 miljoen voor incidenteel meerwerk in opdracht van beleidsdirecties;

• € 0,3 miljoen voor de inpassing van de landbouwinspectie;

• € 0,5 miljoen als compensatie voor de technisch ingeboekte taakstellingen;

• € 0,7 is per saldo verschoven van de begroting 2004 naar 2003 om tot een sluitende exploitatie te komen.

De realisatie 2003 van de cultuurinspecties is uitgekomen op € 1,4 miljoen; een stijging van de uitgaven met € 669 000. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de overboeking van € 681 000 van artikel 22 (uitvoeringsorganisaties cultuur) ten behoeve van de Rijksarchiefinspectie.

Tabel 19: Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   7 2176 9447 161– 217
Uitgaven   7 2176 9447 161– 217
Onderwijsraad   3 0352 5172 659– 142
Raad voor Cultuur   3 1153 1393 005134
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid   1 0671 2881 497– 209
Ontvangsten   0000

Het totaal aan realisatie voor de drie adviesraden over 2003 is € 217 000 lager dan begroot. Belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

• een verhoging van € 0,7 miljoen voor de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid als gevolg van de bijdrage van het ministerie van Economische Zaken;

• een verlaging met € 1,2 miljoen als gevolg van de uitkering van de eindejaarsmarge aan de adviesraden in 2004;

• een verhoging met € 0,1 miljoen als gevolg van de loon- en prijsbijstelling.

Tabel 20: Budgettaire gevolgen artikel 21 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   202 576206 320173 12233 198
Uitgaven   202 576206 320173 12233 198
Centrale Financiën Instellingen (CFI)   48 53156 73242 05314 679
Informatie Beheer Groep (IBG)   122 407118 32299 17119 151
Overige uitvoeringsorganisaties   31 63831 26625 3115 955
Onverdeeld   006 587– 6 587
Ontvangsten   6714084080

De realisatie over 2003 van de uitvoeringsorganisaties onderwijs is € 33,2 miljoen hoger dan begroot. Het betreft de onderstaande aanvullingen:

• € 3,3 miljoen loon- en prijsbijstelling;

• € 3,2 miljoen van Domeinen voor de huur van de IB-Groep;

• € 0,9 miljoen van het ministerie van Financiën voor de kosten van de wijzigingen in de inkomstenbelasting;

• € 4,7 miljoen van het bestuursdepartement voor werkzaamheden 2002;

• € 6,8 miljoen voor de hogere uitvoeringskosten sociale zekerheid door UWV-USZO;

• € 4,0 miljoen voor de invoeringskosten van het onderwijsnummer;

• € 10,3 miljoen voor extra werk in opdracht van diverse beleidsdirecties.

Tabel 21: Budgettaire gevolgen artikel 22 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   81 53081 43268 62712 805
Uitgaven   81 53081 43268 62712 805
Cultuurinstellingen   46 52547 56833 27314 295
Nationaal archief   35 00533 86435 354– 1 490
Ontvangsten   4 0943 7162443 472

Met een realisatie van in totaal € 81,4 miljoen is er op dit artikel in totaal € 12,8 miljoen meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn de loonbijstellingen en de interne overboekingen van het artikelonderdeel cultureel erfgoed. Daarnaast heeft een desalderingsboeking van uitgaven en ontvangsten plaatsgevonden voor een bedrag van € 3,5 miljoen.

Tabel 22: Budgettaire gevolgen artikel 23 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199920002001200220032003 
Verplichtingen   2 4502 4182 36553
Uitgaven   2 4502 4182 36553
Centrale Financiën Instellingen (CFI)   2 4502 4182 36553
Ontvangsten   0000

Het artikel uitvoeringsorganisaties wetenschappen is verhoogd met de loonbijstelling 2003.

2. Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving

De wet- en regelgeving is voor een belangrijk gedeelte van de uitgaven en ontvangsten gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO) door derden. Dit is onvermijdelijk omdat het ministerie gegevens van belanghebbenden moet gebruiken voor het bekostigen van instellingen en het verstrekken van beurzen en dergelijke. Een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid kan de hiermee verbonden risico's sterk verminderen. De MenO-gevoeligheid in alle regelingen is geïnventariseerd en wordt jaarlijks geactualiseerd.

Toch kan in een beperkt deel van de regelingen de MenO-gevoeligheid niet of niet geheel worden weggenomen door een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid. Dit vormt het restant MenO. Hierna zijn deze regelingen weergegeven.

Primair onderwijs

Leerlinggewichten

Het grootste deel van de uitgaven voor het basisonderwijs is MenO-gevoelig. Het belangrijkste, niet afgedekte risico betreft het toekennen van formatie aan basisscholen op grond van leerlinggewichten. Het financiële effect hiervan is ongeveer € 264 miljoen per jaar. Het leerlinggewicht is afhankelijk van de opleiding van de ouders, hun beroep, de gezinsomstandigheden en het land van herkomst. Ook het inkomen kan van invloed zijn. De directeur van de basisschool kent de gewichten toe op basis van de gegevens die de ouders verstrekken. Deze gegevens worden tot nu toe bij de ouders niet geverifieerd. Redenen daarvoor liggen op het vlak van privacy- en doelmatigheidsaspecten. Het niet hebben van een opleiding is bovendien niet controleerbaar.

Culturele minderheden

Onder het primair onderwijs vallen ook de speciale scholen voor basisonderwijs. Deze scholen kennen geen leerlinggewichten maar maken wel aanspraak op extra formatie voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. De hiermee gemoeide uitgave van € 15 miljoen is MenO-gevoelig. Het MenO-risico betreft het toekennen van extra formatie op basis van gegevens van leerlingen en hun ouders zonder dat nog aangetoond hoeft te worden dat deze juist zijn.

Voortgezet onderwijs

In 2003 kent het voortgezet onderwijs naast scholen voor voortgezet onderwijs (vo) ook scholen voor speciaal voortgezet onderwijs (svo). Dit zijn de vroegere vso-lom en mlk-scholen of afdelingen. Zowel de vo- als de svo-scholen en afdelingen hebben aanspraak op extra formatie om onderwijsachterstanden te bestrijden van leerlingen uit culturele minderheidsgroepen. Voor vo-scholen is hiervoor in 2003 circa € 71,3 miljoen uitgegeven en voor svo-scholen circa € 7 miljoen. Het MenO-risico wordt bij de scholen voor voortgezet onderwijs aanzienlijk beperkt, doordat de leerlingenadministratie een of meerdere documenten moet bevatten waarmee de juistheid van de gegevens van de leerlingen en hun ouders kan worden aangetoond.

Voor svo-scholen geldt dit voorschrift niet. Zij dienen minimaal te voldoen aan de regelgeving zoals die tot 31 juli 1998 krachtens de interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gold. Op grond van die regelgeving hoeft de school de juistheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders niet aan te tonen. Door de overgang van declaratiebekostiging op lumpsumfinanciering vervalt deze problematiek op termijn.

Tegemoetkoming ziektekosten

In diverse begrotingsartikelen is in totaal circa € 189 miljoen voor de tegemoetkoming van ziektekosten opgenomen. Dit bedrag betreft het departementale personeel en het personeel in het primair onderwijs en een gedeelte van het voortgezet onderwijs. De tegemoetkoming is van diverse factoren afhankelijk, zoals de aanspraken op gelijksoortige regelingen, de aard van de verzekering, de ontvangen uitkering van de partner en de gezinssamenstelling. De aanvrager van de tegemoetkoming verstrekt deze gegevens. Sinds enige jaren is een intensief controle- en sanctiebeleid voorgeschreven. Daarmee is het risico van het betalen van te hoge tegemoetkomingen aanzienlijk beperkt. Het restantrisico bestaat nog voornamelijk bij de tegemoetkoming voor medebelanghebbenden en kinderen. Hiervoor is in 2003 in totaal circa € 53 miljoen betaald.

Studiefinanciering

Woonsituatie

In het boekjaar 2003 is € 372 miljoen aan uitwonende toelage verstrekt op grond van de Wet Studiefinanciering (WSF) en voor € 4 miljoen op grond van het onderdeel VO18+ van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Het is onder beide regelingen voor studerende voordelig om zich als uitwonende op te geven.

De mogelijkheden om de woonomstandigheden van studenten te controleren zijn beperkt. Het percentage misbruik en oneigenlijk gebruik is hierdoor niet precies te berekenen. De minimale omvang is via steekproefcontroles in eerdere jaren bepaald op ongeveer 0,8%.

Met ingang van studiejaar 2002/2003 worden de adresgegevens van studenten die voor het eerst vallen onder de WSF gekoppeld aan de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Deze studenten komen dan alleen nog in aanmerking voor een uitwonende toelage als de woonsituatie kan worden geverifieerd met de GBA. Dit kan het MenO-risico in de toekomst verder terugdringen.

Voor studenten die vallen onder de WTOS onderdeel VO18+ is de GBA-status reeds langer bepalend voor de woonsituatie. Het restant-MenO wordt voor laatstgenoemde regeling dan ook relatief lager ingeschat.

Inkomen

De hoogte van de toelagen op grond van de WTOS is vrijwel volledig afhankelijk van het inkomen.

Het totaal van de uitgaven voor de verschillende onderdelen bedraagt € 363 miljoen, waarvan € 330 miljoen inkomensafhankelijk is. Bij € 94 miljoen spelen hierbij niet verifieerbare gegevens een rol.

Voor de toelage onderdelen WTS 18- en Tegemoetkoming lerarenopleiding (TLO) is het inkomen van zowel de aanvrager als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een aanvrager geen partner heeft.

Voor de toelage onderdeel 18+ is het inkomen van zowel de geregistreerde verzorgende ouder als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een ouder geen partner heeft.

Voor de toelage onderdeel WTS 18+ is de hoogte van het inkomen van de aanvrager in de drie maanden voorafgaande aan het studiejaar relevant voor de toekenning. De belastingdienst registreert alleen jaarinkomens. Hierdoor is uitwisseling van inkomens met de belastingdienst niet mogelijk.

In de wet studiefinanciering doet zich de afhankelijkheid van het inkomen van een eventuele partner ook voor bij studenten die verzoeken om draagkrachtmeting bij het terugbetalen van hun studieschulden.

FINANCIELE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTAAT VAN DE AGENTSCHAPPEN

CENTRALE FINANCIEN INSTELLINGEN

Algemeen

Tabel 1: Balans per 31 december 2003 (voor verwerking resultaat) (x € 1 000)
 Balans per 31-12-2003Balans per 31-12-2002
Activa  
Materiële activa6 49711 104
* Grond en gebouwen073
* Installaties en inventaris6 49711 031
* Overige materiële vaste activa00
Voorraden00
Debiteuren5143 708
Nog te ontvangen1 1780
Vooruitbetaalde kosten226261
Liquide middelen14 0613 309
Totaal activa22 47618 382
   
Passiva  
Eigen vermogen1 022– 2 343
* Exploitatiereserve6572 541
* Onverdeeld resultaat365– 4 884
Leningen bij het ministerie van Financiën6 70610 958
Voorzieningen7 0531 909
Crediteuren2 1693 895
Betalingen onderweg015
Vooruit ontvangen bedragen2 5601 564
Nog te betalen2 9662 384
Totaal passiva22 47618 382

Na vaststelling van de jaarrekening 2002 is een vordering van € 3 miljoen alsnog toegekend. De vordering is conform de opmerking in het jaarverslag 2002 als bijdrage van het bestuursdepartement verwerkt in de exploitatiebuffer.

Toelichting op de individuele balansposten

Activa

Tabel 2: Materiële vaste activa (x € 1 000)
 Bedrijfsproces ondersteunende syste-menHardwareMeubilairKA en bedrijfs-softwareGebouwTotaal
Historische aanschaf waarde19 5257 5011 7861 34921930 380
Cumulatieve afschrijving13 0163 6601 1191 33514619 276
Boekwaarde 01-01-20036 5093 841667147311 104
       
Mutaties 2003      
Investeringen171– 686300– 512
Desinvesteringen000000
* Historische aanschafwaarde– 1 575– 834– 30– 219– 2 631
* Cumulatieve afschrijving1 575834302192 631
Afschrijvingen2 4081 4351746734 096
Totaal mutaties 2003– 2 237– 2 121– 171– 6– 73– 4 608
Aanschafprijs18 1215 9811 7861 349027 237
Cumulatieve afschrijvingen13 8494 2611 2901 341020 741
Boekwaarde 31-12-034 2721 720496806 497
Afschrijvingstermijn5 jaar3 jaar10 jaar3 jaar3 jaar 

De investeringen in het gebouw zijn, overeenkomstig het huurcontract, afgeschreven in drie jaar. Dit jaar heeft een afschrijving van de historische boekwaarde plaatsgevonden. Dit is gespecificeerd in de bovenstaande tabel.

Debiteuren

De post debiteuren betreft vorderingen grotendeels de wachtgeldregeling en een factuur aan de HBO-raad.

Tabel 3: Nog te ontvangen (x € 1 000)
Vakantiegeld personeel931
BTZK personeel247
Totaal1 178

Dit is een technische post voor vakantiegeld en tegemoetkoming ziektekosten personeel.

Vooruitbetaalde kosten

Het betreft voornamelijk onderhoudskosten van computers.

Tabel 4: Liquide middelen (x € 1 000)
Rekening courant bestuursdepartement14 059
Overige liquide middelen2
Totaal liquide middelen14 061

Het totaal aan liquide middelen is het saldo van rekening courant bij de Rijkshoofdboekhouding en het saldo van de kas (inclusief waardebonnen). De mutatie in liquide middelen ten opzichte van 2002 is voornamelijk veroorzaakt door:

• Ontvangst ten behoeve van de vorming van de voorziening flankerend beleid 2004/2005 ad € 5,2 miljoen;

• Aanvulling exploitatiebuffer ad € 3 miljoen;

• Toename vooruitontvangen baten ad € 1 miljoen;

• Afname vlottende activa ad € 2 miljoen.

Passiva

Tabel 5: Exploitatiebuffer (x € 1 000)
Stand 31-12-20022 541
Resultaat per 31-12-2002– 4 882
Dotatie bestuursdepartement2 998
Stand 01-01-2003657
Stand 31-12-2003657
Tabel 6: Vreemd vermogen (x € 1 000)
Stand 31-12-200210 958
Beroep op de leenfaciliteit0
Aflossing op vreemd vermogen– 4 252
Totaal vreemd vermogen6 706

De aflossingen op de leningen zijn lineair. In 2003 heeft Cfi geen beroep gedaan op de leenfaciliteit.

Specificatie vreemd vermogen: saldo-overzicht per 31-12-2003 (x € 1 000)
BegindatumEinddatumResterend looptijdHoofdsomOpenstaand begin jaarOpenstaand einde jaar
31-12-199931-12-20041,006 4861 134226
15-12-200017-11-20031 0893630
15-12-200015-11-20040,882 5411 271636
03-12-200103-12-20040,931 134756378
03-12-200104-12-20062,932 0421 6341 226
01-08-200201-08-20051,593 0003 0002000
01-08-200201-08-20073,58800800640
16-12-200217-12-20073,96200020001 600
Totaal  19 09210 9586 706
Tabel 7: Voorzieningen (x € 1 000)
 01-01-2003OnttrekkingenDotaties31-12-2003
Flankerend beleid/wachtgeld1 908– 3983431 853
Voorziening flankerend beleid 2004/2005005 2005 200
Totaal voorzieningen1 908– 3985 5437 053

De voorziening flankerend beleid is in het kader van het sociaal beleidskader Cfi.

Crediteuren

De crediteuren betreffen voornamelijk externe dienstverleners.

Tabel 8: Vooruit ontvangen bedragen (x € 1 000)
EFJ43
Leerling gebonden financiering850
Onderwijs nummer680
Wachtgelden vo187
IPTO270
Kwantitatief informatiebeleid150
Huisvesting380
Realisatie 20032 560

Vooruit ontvangen bedragen zijn middelen die Cfi in het boekjaar 2003 al heeft ontvangen, maar waarvoor nog geen prestatie is verricht. Op het moment dat de prestatie is verricht, worden de ontvangsten geboekt als baten.

Tabel 9: Nog te betalen (x € 1 000)
Vakantiegeld personeel931
BTZK personeel247
Personeel overigen366
Nog te betalen overigen1 033
Nog te ontvangen facturen389
Totaal2 966
Tabel 10: Rekening van baten en lasten 2003 (x € 1 000)
OmschrijvingOorspronkelijke vastgestelde begroting 2003Realisatie 2003Verschil realisatie en oorspronkelijke vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengst bestuursdepartement44 21652 7528 536
Opbrengst overige departementen0148148
Opbrengst werken voor derden1 1881 480292
* Participatiefonds1 089
* Opbrengst derden386
* Informatievoorziening5
Rentebaten15853105-
Bijzondere baten254854600
Exploitatiebijdrage5 2005 200
Totale baten45 81660 48714 671
    
Lasten   
Personele kosten30 28730 679392
* Vast personeel27 318
* Tijdelijk personeel2 243
* Overige personele kosten1 118
    
Materiële kosten10 93918 9968 057
* Externen7 559
* Automatisering6 847
* Overige materiële kosten4 590
Afschrijvingen4 9334 096– 837
Rentekosten489465– 24
Dotaties voorzieningen4505 5435 093
Korting strategisch akkoord– 1 282 1 282
Bijzondere lasten0343343
Totale lasten45 81660 12214 306
Saldo van baten en lasten0365365

De afwijking tussen de oorspronkelijke begroting voor 2003 en de gerealiseerde baten wordt veroorzaakt door drie categorieën mutaties:

• Technische mutaties;

• Mutaties in de orderportefeuille van Cfi;

• Bijdragen in de kosten van majeure projecten.

De stijging van baten ten opzichte van de begroting wordt verklaard door additionele bijdragen voor majeure projecten als het onderwijsnummer, leerlinggebonden financiering en ESF. De exploitatiebijdrage van € 5,2 miljoen is voor de voorziening flankerend beleid 2004/2005.

Toelichting op de individuele posten uit de rekening van baten en lasten

Tabel 11: Opbrengst bestuursdepartement (x € 1 000)
Oorspronkelijke begroting boekjaar44 216
Technische mutaties– 1 468
Mutaties in orderportefeuille374
Bijdrage in majeure projecten10 583
Vooruit ontvangen baten 20021 564
Vooruit ontvangen baten 2003– 2 517
Realisatie 200352 752

Het agentschap Cfi voert een financiële administratie op basis van het baten- en lastenstelsel. Het bestuursdepartement daarentegen voert een administratie op basis van het kasstelsel. Door deze andere uitgangspositie verschilt het totaal van de baten over 2003 van de uitgaven aan Cfi, zoals die worden opgevoerd in de apparaatskostenbegroting van het ministerie van OCW. Het verschil tussen de baten van Cfi en de uitgaven van het bestuursdepartement is te herleiden tot:

• Technische mutaties;

• Ontvangsten die voor Cfi geen baten zijn;

• Baten waarvoor geldt dat het realisatiemoment van onderliggende kosten niet overeenkomt met de periode waarin de baten zijn/worden ontvangen.

Tabel 12: Aansluiting OCW – Cfi (x € 1 000)
Baten bestuursdepartement52 752
Bijzondere baten254
Exploitatiebijdrage5 200
Vordering bestuursdepartement5 263
Ontvangsten direct geboekt– 71
Mutaties matching kosten met baten953
Kasstroom OCW64 351

Bovenstaande kasstroom OCW komt overeen met artikel 21.02 (€ 56,732 miljoen) en artikel 23 (€ 2,418 miljoen) en een betaling van € 5,2 miljoen flankerend beleid 2004/2005 uit artikel 18.

Tabel 13: Bijzondere baten (x € 1 000)
Correctie op de balanspost «nog te betalen kosten 2002»592
IPTO 2002231
Correctie investering 200231
Totaal bijzondere baten854

Personele kosten

De personele kosten zijn gering hoger dan begroot. De afwijking wordt veroorzaakt door het inhuren van ict-capaciteit voor systeemaanpassingen als gevolg van veranderde wet- en regelgeving. De zogenoemde overige lasten zijn ten behoeve van opleidingen, bewust belonen en overige personele vergoedingen.

Tabel 14: Materiële kosten (x € 1 000)
Externen7 559
Automatisering6 847
Overige materiële kosten4 590
Totaal materiële kosten18 996

De materiële kosten zijn hoger dan de begroot. Deze stijging wordt veroorzaakt door de noodzaak externen in te huren voor additionele projectopdrachten en hogere facilitaire kosten door vertrek departement in najaar 2003 naar den Haag.

Tabel 15: Dotaties voorzieningen (x € 1 000)
Flankerend beleid/wachtgeld343
Voorziening flankerend beleid 2004/20055 200
Totaal dotatie voorzieningen5 543
Tabel 16: Afwikkeling exploitatieresultaat (x € 1 000)
Omzet 200157 261  
Omzet 200255 561  
Omzet 200354 379  
Gemiddelde omzet 55 734 
    
Maximale exploitatiebuffer (5%) 2 787 
Terug naar BD 25% van het exploitatieresultaat  91
Exploitatiereserve per 01–01–2003657  
Toevoeging exploitatieresultaat 2003274  
  931 
Maximaal toegestaan 2 787 
Extra bedrag naar bestuursdepartement  0
Totaal af te storten  91
Tabel 17: Rekening van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (x € 1 000)
ArtikelomschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Totale baten45 81660 48714 671
Totale lasten45 81660 12214 306
Saldo van baten en lasten0365365
Totale kapitaalsontvangsten4 3002 998– 1 302
Totale kapitaaluitgaven10 4003 740– 6 660

Toelichting op de rekening van kapitaaluitgaven en- ontvangsten

Kapitaalontvangsten

Tabel 18: kasstroomoverzicht 2003 (x € 1 000)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1. Rekening courant RIC 1 januari 20034 4103 309– 1 101
2. Totaal operationele kasstroom2 5216 2933 772
• totaal investeringen (-/-)– 4 5385125 050
• totaal boekwaarde desinvesteringen (+)000
3. Totaal investeringskasstroom– 4 5385125 050
• eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)000
• eenmalig storting van moederdepartement (+)08 1988 198
• aflossingen op leningen (-/-)– 2 952– 4 252– 1 300
• beroep op leenfaciliteit (+)4 5380– 4 538
4. Totaal financieringskasstroom1 5863 9462 360
5. Rekening courant RIC 31 december 2003 (=1+2+3+4)3 97914 06010 081
Tabel 19: Overzicht meerjarige vermogensontwikkeling van een baten-lastendienst (x € 1 000)
 t-4t-3t-2t-1t begrotingt realisatie
1. Eigen vermogen per 1 januari 20037 4617 3432 3063 1351 105– 2 343
2. Saldo van baten en lasten– 6331 936829– 4 884 365
3a. Uitkering aan moederdepartement – 6 974 – 594  
3b. Bijdrage door moederdepartement ter versterking van het eigen vermogen523     
3c. Overige mutaties in eigen vermogen– 7    2 998
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen516– 6 9740– 59402 998
4. Eigen vermogen per 31 december 2003 (1+2+3)7 3432 3063 135– 2 3431 1051 019
Tabel 20: Kengetallen over volumes agentschapproducten
 Prognose 2002Realisatie 2002Prognose 2003Realisatie 2003
Uitvoeringstoetsen30193021
Implementatie majeure wetgevingsprojecten3431
Onderwijsvoorzieningen aanbod1 6001 7021 6001 637
Bekostigingsaanvragen120 000120 327200 000141 540
Verantwoordingsdocumenten10 5009 506120009 202
Instroomtoetsen2 70020082 3003 067
Verweerschriften1 600357650503
Telefoongesprekken75 00059 03165 00052 318
Correspondentie9 0005 4946 5003 672
Informatieleveringen600470900529
Verantwoordingsrapportages4444

Toelichting

Algemeen

De realisatiecijfers 2003 van de agentschapproducten Cfi wijken fors af van de prognose 2003. Dit komt omdat de prognoses gebaseerd zijn op realisatiecijfers uit voorgaande jaren en er is geen rekening gehouden met de dalende trend van de output. Op verzoek van de plaatsvervangend secretaris-generaal van OCW doet Cfi in 2004 een uitgebreid onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de daling van de output.

Uitvoeringstoetsen

Realisatie 2003 is nagenoeg gelijk aan 2002.

Implementatie majeure wetgeving

Het betreft de invoering van leerlinggebonden financiering.

Bekostigingsaanvragen

Met name bij de bekostigingsaanvragen zijn er over de jaren heen majeure verschillen in de realisatie output. Dit wordt in opdracht van de plaatsvervangend secretaris-generaal onderzocht.

Verantwoordingsdocumenten

Dit volume blijft stabiel.

Instroomtoetsen

Het bestuur van het Participatiefonds heeft Cfi gevraagd een onderzoekt te doen naar de forse stijging ten opzichte van 2002. De resultaten van dit onderzoek zijn thans nog niet bekend.

Verweerschriften

De daling 2003 is een gevolg van de algemene daling van de output van Cfi. In een percentage uitgedrukt is het aantal verweerschriften al enkele jaren minder dan 1% ten opzichte van de beslissingen van Cfi waartegen verweer kan worden ingediend.

Telefoongesprekken

Ook dit agentschapsproduct heeft een relatie met de algemene daling van de output. Daarnaast speelt het toenemende emailverkeer en de informatievoorziening via internet een duidelijke rol.

Correspondentie

Zie hiervoor bij het agentschapproduct «telefoongesprekken».

Informatieleveringen

De uitkomst komt nagenoeg overeen met de prognose.

Verantwoordingsdocumenten

In 2003 werd om de 4 maanden verantwoording afgelegd aan de plaatsvervangend secretaris-generaal. Daarnaast is het jaarverslag 2002 in 2003 opgesteld.

RIJKSARCHIEFDIENST (RAD)

1. Inleiding

1.1 Archiefbeleid

Archieven nemen binnen het culturele erfgoed een bijzondere plaats in. Het zijn historische bronnen die op directe en authentieke wijze getuigen over het leven en handelen van individuen en groepen in het nabije en verre verleden. Archieven bieden iedereen de mogelijkheid om zelf de informatie te verzamelen die nodig is om inzicht te krijgen in maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, de omgeving waarin men leeft of iemands eigen persoonlijke afkomst.

1.2 Regionale historische centra

Krachtens de archiefwet heeft de minister een specifieke verantwoordelijkheid voor de rijksarchieven, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. Het Nationaal Archief bewaart archieven van nationale betekenis, de rijksarchieven in de provincie die van regionale betekenis. De Rijksarchiefdienst is de overkoepelende organisatie; in 1996 is deze dienst agentschap geworden.

Eind jaren '90 is gebleken dat de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden steeds minder in staat waren om aan de hedendaagse eisen van publieksbereik te voldoen. Verbetering is de laatste jaren bereikt door het gebruik van informatie- en communicatie technologie. Een handicap was echter de kleinschaligheid van de afzonderlijke rijksarchieven. In 1997 is daarom een beleid ingezet dat erop gericht is de rijksarchieven te laten fuseren met andere instellingen op het gebied van historische informatie (zoals gemeente- en streekarchieven, historische musea, documentatiecentra en bibliotheken). De efficiencywinst die hieruit ontstaat wordt ingezet voor een betere dienstverlening aan het publiek.

Ultimo 2003 maken reeds zes rijksarchieven deel uit van een gefuseerde organisatie, een zogenaamd Regionaal Historisch Centrum, namelijk in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zeeland. In de provincie Flevoland wordt op 1 januari 2004 gestart met het Erfgoed Centrum Nieuw Land. Verder zullen in de loop van 2004 naar verwachting ook de rijksarchieven in Noord-Brabant, Noord-Holland en Limburg fuseren. In Zuid-Holland is het rijksarchief een onderdeel van het Nationaal Archief en in Drenthe wordt nog onderzocht op welke wijze het archief (mogelijk zelfstandig) verder kan.

1.3 Nationaal Archief

Op 4 juni 2002 is het Nationaal Archief van start gegaan. Het Nationaal Archief (ontstaan uit het Algemeen Rijksarchief) is een centrum dat de nationale geschiedenis openstelt voor een breed en gevarieerd publiek. Het richt zich daarbij op specifieke publieksgroepen: mensen met brede interesse in onze geschiedenis (de zgn. «grasduiners»), onderwijs en de jeugd, professionele onderzoekers en geïnteresseerden in hun eigen persoonlijke geschiedenis en/of woonomgeving. Dit doet het Nationaal Archief op basis van haar collectie, zijnde de archieven van de nationale overheid en haar voorgangers. Het Nationaal Archief draagt zorg voor het beheer van ruim 90 kilometer archiefbescheiden, 1 miljoen foto's en 300 000 kaarten.

Behalve tot een nationaal historisch informatiecentrum ontwikkelt het Nationaal Archief zich tevens tot een kenniscentrum op het gebied van conservering, restauratie (van archieven), selectie en digitale duurzaamheid.

1.4 Organisatie RAD

Een regionaal historisch centrum (rhc) is een openbaar lichaam, opgericht op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een rhc is een zelfstandige publiekrechtelijke rechtspersoon, en beheert de rijkscollectie. Als deelnemer aan het openbaar lichaam is de minister dan ook verantwoordelijk.

In iedere gemeenschappelijke regeling (waarbij een rhc is opgericht) is bepaald hoe het bestuur is samengesteld, hoeveel leden de minister benoemt en op welke wijze de aansturing (begroting- en verantwoordingscyclus) is vormgegeven. Bovendien zijn in de regelingen de bijdragen van de partners bepaald. Verhoging of verlaging van de rijksbijdrage kan alleen in onderling overleg met de andere partners.

Onlangs is bepaald dat het agentschap RAD de taken rond de aansturing (planning- en control) van de rhc blijft behouden. Dit heeft consequenties voor de opzet en inrichting van de Rijksarchiefdienst, en derhalve voor de agentschapsbegroting en verantwoording. De rijksbijdragen aan de regionale historische centra, die tot nu toe via de agentschapsbegroting lopen, zullen vanaf de begrotingsvoorbereiding 2005 apart worden weergegeven. Het zijn programmagelden, die feitelijk niet thuishoren in een agentschapsbegroting. In deze verantwoording zijn de rijksbijdragen al zo veel mogelijk gescheiden van de kosten/baten van het Nationaal Archief.

1.5 Resultaten RAD

Een groot deel van het RAD budget (ongeveer 2/3) wordt besteed aan de rijksbijdragen aan de rhc's. Ongeveer een derde is als bijdrage beschikbaar voor het Nationaal Archief (en overige concernonderdelen). Eén keer per vier jaar, parallel aan de cultuurnota periode, worden met een rhc resultaatafspraken gemaakt. Deze worden gezamenlijk met de desbetreffende partners in het rhc gemaakt, en strekken zich uit over het totale budget. (= inclusief de bijdragen van de andere partners).

Voor 2003 zijn de resultaten van de rhc's gebaseerd op een model voor resultaatafspraken, dat voor de beleidsperiode 2001–2004 is gemaakt. De belangrijkste speerpunten daarin zijn:

• Inlopen achterstanden in de conservering

• Verbeteren van de bestaande dienstverlening

• Ontwikkelen van digitale dienstverlening

• Relaties opbouwen met het onderwijs

• Specifiek voor het Nationaal Archief: Het verwerven van recente archieven (pivot)

• Ontwikkelen tot kenniscentrum

De rhc's (en de nog bestaande rijksarchieven in de provinciehoofdsteden) stellen jaarlijks elk afzonderlijk een jaarrekening op. Zij gaan daar specifiek in op de behaalde resultaten, de bestede middelen en de prestatie indicatoren/kengetallen. Dit gebeurt zoveel mogelijk conform de VBTB-uitgangspunten.

In deze jaarrekening worden deze afzonderlijke verantwoordingen niet in geconsolideerde vorm weergegeven. Ondanks het gemeenschappelijke model voor resultaatafspraken hebben de rijksarchieven en rhc's een grote mate van eigen identiteit en verschillen zij sterk in omvang, organisatie en collectie. Samenvoeging van resultaten geeft geen meerwaarde. Ook lopen de tijdspaden (welke in de gemeenschappelijke regelingen zijn vastgelegd), niet gelijk aan de jaarcyclus van het rijk. De meeste regelingen gaan uit van een verantwoordingsdatum 1 april.

In deze verantwoording (paragraaf 4.3) worden wel de resultaten en prestatie-indicatoren van Nationaal Archief afzonderlijk weergegeven.

2. Financieel resultaat 2003

Tabel 1: Rekening RAD (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003Verschil
Baten33 35037 8604 510
Lasten33 35040 2706 920
Saldo0– 2 410– 2 410
    
Kapitaalontvangsten2 688113– 2 575
Kapitaaluitgaven– 1 551– 2 270– 719

2.1 Exploitatiesaldo

De RAD heeft 2003 afgesloten met een negatief resultaat van € 2,4 miljoen. Dit is het geconsolideerde resultaat: gespecificeerd naar de verschillende organisatorische onderdelen van de RAD ziet het financiële resultaat er als volgt uit:

• Rijksarchieven in de provinciehoofdsteden; gezamenlijk € 82 000 negatief

• Nationaal Archief: € 1 338 000 negatief

• Concernniveau: € 990 000 negatief

Het negatieve saldo wordt voor een bedrag van € 1,4 miljoen gedekt met de reserves (het eigen vermogen) van de RAD. Na resultaat verwerking resteert bij de RAD een negatief vermogen van iets minder dan € 1,0 miljoen (zie ook paragraaf 2.2).

Het tekort op concernniveau (niet toegerekend aan een specifiek archief) is ontstaan door een eenmalige korting op het RAD-budget van € 1,5 miljoen. Deze korting hangt samen met een correctie op het kasritme van de bijdrage van het moederdepartement door de taakstelling uit het regeerakkoord 1998.

De negatieve saldi bij de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden waren grotendeels voorzien en gepland. Bij de vijf nog resterende rijksarchieven zijn veelal de bestaande (bestemmings)reserves aangesproken en zijn in het kader van hun aanstaande fusie enkele voorzieningen getroffen.

Het negatieve saldo van € 1,3 miljoen bij het Nationaal Archief kent in hoofdlijn twee oorzaken. Er is een voorziening getroffen van € 734 000 voor al bestaande wachtgeldverplichtingen voor voormalige medewerkers (zie paragraaf 3.2). De tweede oorzaak betreft een tekort in de normale bedrijfsvoering. De exploitatie van het Nationaal Archief blijkt meer te kosten dan oorspronkelijk begroot. Inmiddels is voor 2004 het budget van de RAD hierop structureel aangepast.

De Rijksarchiefdienst is 2003 begonnen met een eigen vermogen van € 1,4 miljoen. Door het exploitatieresultaat zijn de aanwezige reserves om onvoorziene tegenvallers in de exploitatie te kunnen opvangen volledig verbruikt. Verder is het eigen vermogen fors onder de nullijn gedaald. Met behulp van een bijdrage van het moederdepartement wordt het negatief eigen vermogen aangevuld.

Tabel 2: vermogensontwikkeling RAD (x € 1 000)
 19992000200120022003 begroting2003 realisatie
Eigen vermogen per 1 januari6 6105 8271331 0871 0861 421
       
Saldo van baten en lasten– 4376639543340– 2 410
Uitkering aan moederdepartement      
Bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen      
Overige mutaties in eigen vermogen– 346 – 454318 21
Leenfaciliteit – 6 357    
Bestemmingsreserves  454– 318 – 21
       
Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 346– 6 3570000
Eigen vermogen per 31 december5 8271331 0871 4211 086– 989

3. Financiële verantwoording/explitatierekening

De oorspronkelijk vastgestelde begroting van de Rijksarchiefdienst bedroeg € 33,5 miljoen. Het uiteindelijke budget is uitgekomen op € 37,9 miljoen.

3.1 Toelichting op de baten

De baten van de Rijksarchiefdienst bestaan uit de volgende componenten: de bijdrage van OCW, geoormerkte programmagelden, baten uit dienstverlening, rente en overige baten.

Bijdrage moederdepartement (totaal € 33,6 miljoen)

Het structurele deel van de bijdrage is uitgekomen op € 32,6 miljoen. Daarnaast ontvangt de RAD € 998 000 aan geoormerkte behoudsgelden. Het verschil met de begroting (€ 32,4 miljoen) bestaat uit loon- en prijsbijstellingen uit 2002 en 2003, een inhouding op het budget van € 1,45 miljoen in verband met de correctie op het kasritme, de taakstelling '98, taakstellingen van Balkenende I & II en een structurele verhoging in verband met ict-knelpunten (€ 0,5 miljoen) en diverse kleine (technische) correcties.

Tabel 3: Gespecificeerde baten en lasten (x € 1 000)
 Begroting 2003Realisatie 2003Verschil realisatie en oorspronkelijke begroting 2003Realisatie 2002
Baten    
Opbrengst moederdepartement OCW:32 42833 6451 21734 511
– personeel13 45715 1591 70233 432
– materieel6 6407 5198791 079
– huisvesting10 78711 424637 
– programmagelden9989980 
– correctie kasritme546– 1 455– 2 001 
Opbrengst derden:9221 8088861 417
Rentebaten:07272170
Buitengewone baten: 2 3352 335 
– bijzondere baten 2552555 160
– vrijval voorzieningen 3683681 032
– (vrijval) project/subsidiegeldenPm1 7121 7124 128
Totaal baten33 35037 8604 51041 258
     
Lasten    
Apparaatskosten:15 40225 50610 10430 006
– personeel8 44012 1043 66413 323
– materieel1 8461 644– 2026 908
– huren/huisvesting4 2317 7593 5287 521
– projectkosten8853 9993 1142 254
Rentelasten159110– 49121
Kapitaallasten    
– afschrijfkosten materieel671850179879
– afschrijfkosten immaterieel 
Dotaties voorzieningen: 828828567
Buitengewone lasten518393– 125100
Bijdrage RHC's16 60012 583– 4 0179 251
Totaal lasten33 35040 2706 92040 924
Saldo van baten en lasten0– 2 410– 2 410334

Baten in de archieven

De eigen baten bestaan uit inkomsten uit de reguliere dienstverlening van archieven en het werken voor tweeden (en in beperkte mate aan derden). Het totaal aan inkomsten bedroeg € 1,8 miljoen, bestaande uit:

• Baten uit dienstverlening (€ 904 000)

• Opdrachten faciliteiten en zakelijke dienstverlening (€ 328 000)

• Depotverhuur: de totale opbrengst van ongeveer € 577 000 ligt € 47 000 hoger dan in 2002. Het aantal strekkende meters verhuur is toegenomen, bovendien zijn bij de nieuwe contracten huurprijzen meer in de lijn van de kostprijs gebracht.

Rente

De totale rentebaten bedroeg € 72 304. De rente-inkomsten zijn aanzienlijk lager dan in 2002 (€ 170 000), vooral veroorzaakt door een forse afname van de liquide middelen en de lagere rentestand. Ten opzichte van de begroting is de rente een meevaller; deze was niet begroot.

Bijzondere baten (€ 255 000)

Dit betreft voornamelijk baten uit voorgaande boekjaren (€ 235 000). Deze baten zijn min of meer in evenwicht met de kosten die uit voorgaande boekjaren in 2003 zijn verantwoord (zie paragraaf 3.3). Aan diverse baten is € 20 000 binnen gekomen.

Vrijval uit voorzieningen

Er is € 368 000 vrijgevallen en of onttrokken aan de voorzieningen. Het betreft ondermeer oude voorzieningen in het kader van mobiliteit en wachtgeld. Deze voorzieningen dekten geen reëel risico meer af. De vrijval staat tegenover een nieuwe voorziening voor wachtgelden die is gevormd (zie paragraaf 3.3).

Subsidies/vrijgevallen subsidies en programmagelden uit balans (€ 1,7 miljoen)

Een groot aantal projecten wordt mede gefinancierd met subsidies. Het betreft onder meer Tanap, Kleur van Nederland en Suriname. De ontvangst van de subsidies en de feitelijke bestedingen vallen veelal niet in hetzelfde boekjaar; de hier verantwoorde baten betreffen subsidies ontvangen in 2002 en besteed in 2003.

3.2 Toelichting op de lasten

De lasten van de RAD zijn totaal € 6,9 miljoen hoger dan begroot. De apparaatskosten van de rijksarchieven zijn € 10 miljoen hoger, de bijdragen aan de rhc's zijn € 4 miljoen lager. Dit komt doordat het fusieproces minder snel verloopt dan begroot. De apparaatskosten zijn hoger, doordat in de begroting de externe middelen (subsidies voor projecten) als PM waren opgenomen.

Personele lasten in archieven (totaal € 12,1 miljoen)

De salarislasten van de RAD bedroegen totaal € 11,4 miljoen, waarvan € 3,4 miljoen bij de archieven in de provincie en € 7,8 miljoen bij het Nationaal Archief (en concernonderdelen). De gemiddelde bezetting van de Rijksarchieven is uitgekomen op 238,2 formatie-eenheden, 222 fte in vast dienstverband, 16,2 fte op tijdelijke basis. (In 2002: 291 fte, waarvan 241,6 vast en 49,2 tijdelijk). De gemiddelde salarislasten bedragen € 47 799. Ten opzichte van 2002 (€ 43 749) is dit een stijging van ruim 9%.

De vaste formatie van de RAD is in absolute zin afgenomen. De uitstroom is veroorzaakt door de verzelfstandiging van het Rijksarchief Friesland (per 1 september 2002).

NB: In de personeelscijfers is de inzet van de diverse vrijwilligers niet meegenomen. In de meeste archieven zijn dagelijks tientallen vrijwilligers bezig met het toegankelijk maken van data, veelal op genealogisch gebied.

Daarnaast was de RAD € 1,2 miljoen aan personele lasten kwijt; dit is € 5 080 per fte.

• Wachtgelden en kosten voor voormalige medewerkers (€ 269 000);

• Kosten tijdelijk ingehuurde medewerkers (€ 482 000) (IF, uitzendkrachten, WIW);

• Reservering vakantietoeslag ten behoeve van de archieven in de provinciehoofdsteden (€ 147 000);

• Overige personeelskosten, scholing, kinderopvang, arbo, enz (€ 313 000);

• Aan personele baten zijn binnengekomen (€ 0,5 miljoen);

• Verrekening personeelskosten met externen, vanwege IF-contracten (€ 465 000);

• WAO-baten (€ 44 000).

Materiële lasten en huur

In de materiële kosten van de archieven (totaal € 13,4 miljoen) zijn de volgende componenten opgenomen:

• Huur en exploitatiekosten huisvesting (€ 7,8 miljoen);

• Organisatiekosten (€ 1,6 miljoen);

• Projectkosten: totaal betreft het € 4 miljoen, besteed aan projecten in het kader van behoud en beheer, publieksbereik en digitalisering. Dit is fors hoger dan begroot, omdat hierin de bestedingen met betrekking tot de ontvangen en vrijgevallen subsidies zijn meegenomen. Deze waren niet begroot.

Rentekosten

Aan rente op de lopende leningen bij het ministerie van Financiën is € 110 000 aan rente betaald.

Kapitaallasten

De kapitaallasten betreffen de kosten voor afschrijvingen van de aanwezige activa (€ 850 000). De RAD heeft geen immateriële activa.

De kapitaallasten zijn als volgt verdeeld: € 387 000 bij de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden; € 317 000 indirecte en € 146 000 aan projecten gelieerde afschrijvingen bij het Nationaal Archief.

Dotaties voorzieningen

In 2003 is een bedrag van € 828 000 toegevoegd aan de voorzieningen. De grootste voorziening betreft die voor wachtgelden ad € 734 000 bij het Nationaal Archief. Deze is gevormd ter dekking van de kosten van bestaande wachtgeldverplichtingen van een tiental medewerkers. Deze ontvangen nog tot gemiddeld 2008 wachtgeld. Daarnaast is er een reorganisatie – en dubieuze debiteurenvoorziening gevormd voor € 94 000 ten behoeve van de fusie in Flevoland.

Buitengewone lasten (totaal € 393 000)

De buitengewone lasten bestaan uit:

• Kosten uit vorig boekjaar (€ 219 000); betreft afrekeningen die niet in de jaarrekening over 2002 zijn verantwoord. Is globaal in evenwicht met de baten uit vorig boekjaar.

• Diverse lasten (€ 174 000), bestaande uit afboekingen van oude geactiveerde balansposten, zoals incourante voorraden (€ 52 000), toegezegde bijdragen (aan st. actueel verleden ad € 57 000) en verder diverse kleinere posten.

Bijdrage aan regionaal historische centra (rhc's)

De Rijksarchiefdienst financiert uit haar budget de reeds gevormde regionale historische centra door middel van een rijksbijdrage (totaal € 12,6 miljoen). Dit bedrag is lager dan begroot; destijds werd verwacht dat er eind 2003 al meer archieven zouden zijn gefuseerd. De planning van het project loop ongeveer een halfjaar achter op de oorspronkelijke planning.

In tabel 9 is de budgetverdeling van de archieven weergegeven.

3.3 Balans

Tabel 4: Balans (x € 1 000)
 Balans 2003Balans 2002
Activa  
Immateriële activaNihilnihil
Materiële vaste activa  
– grond en gebouwen00
– installaties en inventarissen4 4814 082
– overige materiële activa00
Voorraden92130
Debiteuren352846
Nog te ontvangen874956
Liquide middelen1 2384 118
Totaal activa7 03710 132
   
Passiva  
Eigen vermogen  
* exploitatiereserves1 4211 087
* verplichte reservesNihilnihil
* onverdeeld resultaat– 2 410334
Leningen bij het Ministerie van Financiën1 7102 583
Voorzieningen1 075407
Vooruit ontvangen projectgelden2 4423 096
Crediteuren593 
Nog te betalen kosten2 2062 625
Totaal passiva7 03710 132

Toelichting op de balans

Activa

Materiële activa (€ 4,5 miljoen) betreft de waarde van de aanwezige inventaris (zie tabel 5). De grondslagen van waardering zijn niet veranderd. De materiële activa wordt tegen historische kostprijs geactiveerd. Afschrijvingen vinden lineair en evenredig over het jaar plaats, startend op de factuurdatum of de ingebruikname. De afschrijftermijnen zijn: depotstellingen 15 tot 25 jaar, meubilair 10 jaar, computerapparatuur en software 3 jaar, overige inventaris 5 tot 10 jaar.

De aanwezige activa is met een bedrag van € 1,8 miljoen beleend bij het ministerie van Financiën. Dit is ongeveer 39%. Dit is een forse daling ten opzichte van 2002 (toen 62%). Dit komt doordat er in 2003 geen nieuwe leningen zijn afgesloten. Het grootste deel van de investeringen is gedaan in de rijksarchieven in de provincie. Het aangaan van een lening was niet opportuun; bij de fusie in 2004 zouden leningen weer terugbetaald moeten worden.

Tabel 5: Kapitaal overzicht: afschrijvingen investeringen (x € 1 000)
 Balans per 31-12-2002DesinvesteringInvesteringen 2003Afschrijvingen 2003Balans per 31-12-2003
Inventaris studiezaal/dienstverlening565 120137548
Inventaris depots/mat. beheer2 1771047932822 584
Inventaris kantoor/overhead1 34094494311 349
Totaal4 0821131 3628504 481

In 2003 is voor € 1,4 miljoen geïnvesteerd, bij het Nationaal Archief voor € 600 000, en bij de archieven in de provincie voor € 464 000. De belangrijkste investeringen hadden betrekking op automatisering (€ 438 000), diverse apparatuur voor de studiezaal en restauratieateliers (€ 276 000), het plaatsen van compactus berging in het rijksarchief Noord-Holland (€ 621 000), en diversen (€ 27 000).

De desinvesteringen betreffen correcties voor in onbruik geraakte verfilmings- en conserveringsapparatuur bij het Nationaal Archief (€ 103 000) en automatiserings- en kantoorapparatuur bij de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden (€ 10 000).

Voorraden (€ 92 000):

Deze betreffen vooral voorraden bij de archiefwinkels (aanschafwaarde van boeken en publicaties) en voorraden boeken in het kader van Pivot. In 2003 heeft een afboeking plaatsgevonden van oude voorraden (zie bijzondere lasten).

Vorderingen en debiteuren (€ 1,2 miljoen):

Grotere posten zijn de post lopende debiteuren van € 352 000 en de overige vorderingen van € 0,87 miljoen. Bij de debiteuren (totaal openstaand € 452 000) is een voorziening opgenomen van € 100 000 voor dubieuze debiteuren.

Bij de overige vorderingen zit een grote vordering op de Rijksgebouwendienst voor teveel afgeboekte huur (€ 382 000) en nog niet ontvangen gelden in verband met afrekeningen van projecten en subsidies.

Liquide middelen (totaal € 1,24 miljoen)

Aan kasgeld was er € 10 000 aanwezig op 31 december 2002. Op de lopende rekening van de BNG staat € 1,227 miljoen (zie ook kasstroomoverzicht). Er zijn geen deposito's meer aanwezig.

Tabel 6: Liquiditeitskengetallen
 20032002
Quick ratio liquiditeit (vorderingen + liquiditeit/crediteuren en nog te betalen kosten)88%225%
Liquiditeit (vorderingen + liquiditeit/crediteuren & projectgelden & voorz.)39%96%
Marge quick ratio– 3353 295
Percentage eigen vermogen op structurele bijdrage OCWNvt4,1%
Dekkingsgraad leningen ministerie van Financiën op activa38%62%

De liquiditeitspositie is mede door het negatieve exploitatiesaldo van € 2,4 miljoen ten opzichte van 2002 aanzienlijk verslechterd. De quick ratio (vlottende activa gedeeld door vlottende passiva) bedraagt nog maar 91%; de kortlopende schulden kunnen met een marge van minus € 335 000 gedekt worden. Indien de schulden op (middellange) termijn, zoals de voorzieningen en de vooruitbetaalde projectgelden, meegenomen worden in het liquiditeitskengetal, daalt de liquiditeit tot 39% (vorig jaar 96%).

Passiva

Eigen vermogen/onverdeeld resultaat: Het eigen vermogen bedroeg € 1,4 miljoen. Het resultaat van € 2,4 miljoen negatief wordt hierop afgeboekt. Het vermogen per 1 januari 2004 komt uit op € 1 miljoen negatief.

Leningen (€ 1,7 miljoen):

Hierop staat het saldo van de conversielening uit 2000 en van de leningen die in 2001 en 2002 zijn afgesloten. De conversielening bedroeg in aanvang € 6,4 miljoen. Er moet nu nog € 681 000 op worden afgelost. De rest betreft leningen uit 2001 en 2002, variërend met looptijden 3 tot 25 jaar.

Voorzieningen:

Er is een bedrag van ongeveer € 1,07 miljoen aan voorzieningen aanwezig. Dit zijn voorzieningen voor:

• de reorganisatie en schadefonds in Schaarsbergen (€ 96 000). Hieruit worden de kosten van voormalige medewerkers uit gefinancierd plus mogelijke claims in verband met schade (door de slechte klimatologische omstandigheden aldaar) aan de opgeslagen documenten. Ongeveer € 40 000 wordt in 2004 aangewend; de rest in 2005 of later.

• FPU+ fonds in het kader van de fusies (€ 62 000). Wordt aangesproken bij vertrek van medewerkers uit voorgaande fusietrajecten. Besteding na 2004.

• Wachtgeldvoorziening bij het Nationaal Archief van € 734 000; ongeveer € 140 000 wordt in 2004 aangewend, de rest in de jaren daarna.

• Reorganisatie- en fusievoorzieningen in verband met de fusie rijksarchieven in 2004 (€ 123 000); aanwending vindt grotendeels plaats in 2004.

• Daarnaast zijn er een aantal kleinere voorzieningen bij archieven (€ 59 000) voor onder meer onderhoudsverplichtingen en mobiliteitskosten. Aanwending vindt plaats na 2004.

Tabel 7: Verloop voorzieningen (x € 1000)
 Waarde per 31-12-2002OnttrekkingenDotatiesWaarde per 31-12-2003
Wachtgelden3939734734
Reorganisatie/fusie Flevoland  7979
Fusie voorzieningen7228 44
Reorganisatie en schadefonds Schaarsbergen18084 96
FPU fonds fusies62  62
Voorzieningen (onderhoud/voorraden/mobiliteit)18 4159
Dub. debiteuren3636  
Totaal voorzieningen4071878541 075

Vooruit ontvangen programmagelden/fondsen (€ 2,4 miljoen)

Hierin zijn ondermeer opgenomen de vooruit ontvangen c.q. nog niet bestede subsidiebedragen voor tal van projecten, zoals de middelen voor flankerend beleid voor de reorganisatie (€ 0,6 miljoen), voor «De kleur van Nederland» (nog € 403 000 beschikbaar) en ondermeer de Pivotgelden (nog € 0,6 miljoen).

Nog te betalen kosten (€ 2,2 miljoen) en crediteuren (€ 593 000)

Betreft voornamelijk de reeds ingeboekte facturen van handelscrediteuren (€ 593 000) en de nog te betalen kosten, zoals aflossing lening bij ministerie van Financiën (€ 85 000), kosten die reeds in de exploitatie zijn verwerkt, maar waar nog geen facturen voor binnen zijn gekomen (€ 1,8 miljoen), en vakantiegelden/-uren (€ 259 000).

In 2001 is de RAD er toe overgegaan om de resterende verlofuren van de medewerkers van de rijksarchieven in de provincie te waarderen en op te nemen in de jaarrekening. De verlofuren leiden tot een financiële verplichting als de medewerkers overgaan naar een rhc. In 2003 zijn ook voor de rijksarchieven in de provincie de vakantiegelden opgenomen in de balans; zodat deze middelen beschikbaar zijn bij de fusie van een rijksarchief.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen:

De RAD heeft op dit moment geen leasecontracten of andere verplichtingen lopen die nog niet in de balans zijn vermeld.

3.4 Kasstroom

De bovengenoemde mutaties in het werkkapitaal, de afschrijvingen en de investeringen zijn verwerkt in het onderstaande kasstroomoverzicht.

Grote verschillen in de kasstroom ten opzichte van de begroting treden vooral op bij:

• De desinvesteringen en aflossing langlopende leningen; gepland was dat er meer archieven zouden fuseren in 2003, de activa van rijksarchieven die fuseren wordt afgerekend.

• Beroep op de leenfaciliteit; de investeringen die zijn gedaan voor de onderdelen van de RAD die niet zullen fuseren waren te klein om een lening voor af te sluiten.

Tabel 8: Kasstroomoverzicht (x € 1 000)
  Begroting 2003Realisatie 2003Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 2003Realisatie 2002
1Rekening-courant RIC per 1 januari 20032 2004 1761 9767 641
 Saldo baten -/- lasten – 2 4102 410334
 Afschrijvingen671850179879
 Voorzieningen 668668– 465
 Mutaties werkkapitaal– 2 000101– 2 101– 3 449
 Totaal operationele activiteiten– 1 329– 791– 538– 2 701
      
2Totaal investeringen in activa (-/-)– 1 190– 1 3621721 732
 Totaal boekwaarde desinvesteringen8261137131 030
 Totaal investeringskasstroom– 364– 1 249885– 702
      
3Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)    
 Eenmalige storting door moederdepartement (+)    
 Aflossing op langlopende leningen (-/-)– 241– 908667873
 Aflossing door RHC-vorming (-/-)– 120 – 120177
 Aflossing vermogensbestanddelen    
 Beroep op leenfaciliteit (+)1 190 1 190988
 Totaal financieringskasstroom829– 9081 737– 62
4Rekening courant RHB per 31 december1 3361 2271094 176

4. Verantwoording op activiteiten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de resultaten die in 2003 zijn bereikt in relatie met de kosten. Achtereenvolgens wordt aangegeven met welke budgetten de rhc's en rijksarchieven zijn gefinancierd; daarna wordt er specifiek ingegaan op en de resultaten van het Nationaal Archief, in relatie met de kosten hiervan.

4.1 Budgetten van de rijksarchieven en RHC's

De bijdrage van het ministerie van OCW bedroeg in 2003 totaal € 33 645 000. De budgetverdeling was als volgt:

• € 13 134 000 aan het Nationaal Archief (en beleidsbureau RAD);

• € 9 046 000 aan de rijksarchieven in de provincie;

• € 12 583 000 aan de rhc's;

• Totaal € 34 763 000.

In tabel 9 is een specificatie gegeven van de rijksbijdragen aan rhc's, en (voor de volledigheid) eveneens de budgetten van de rijksarchieven en het Nationaal Archief.

In deze budgetten zijn de geoormerkte huurbudgetten en de programmagelden verwerkt.

Het totaal uitgedeelde budget is groter dan de ontvangen bijdrage van het departement (tekort van € 1 118 000). Dit heeft vooral betrekking op de correctie van € 1,455 miljoen op de bijdrage van het departement (zie paragraaf 2.1).

De uitgedeelde budgetten zijn bij alle archieven hoger dan begroot. Dit betreft vooral aanpassingen van het budget in verband met de gestegen prijs- en loonkosten.

De onderlinge verschillen in de budgetten bij de archieven zijn groot. In een aantal gevallen heeft dit te maken met de omvang (bijvoorbeeld: Nationaal Archief en Flevoland). Bij de meeste archiefinstellingen komt het verschil door de wijze van huisvesting.

Op het uitgedeelde budget hebben de rijksarchieven € 82000 negatief resultaat geboekt, het Nationaal Archief € 1 338 000. Op de rijksbijdragen van de regionale historische centra (rhc's) vindt geen verrekening plaats; exploitatie saldi worden toegevoegd aan de algemene en of bestemmingsreserves van het desbetreffende rhc.

Tabel 9: Budgetten rhc's en rijksarchieven (x € 1 000)
 Begroting 2003Beschikbaar budget 2003Realisatie 2002
Baten   
Bijdrage moederdepartement OCW33 28633 64534 511
Overige beschikbare baten (concern)  185
Totaal baten33 28633 64534 696
Exploitatie saldi begrotingsonderdelen  Uitgedeeld budget 2003Realisatie 2002
Rijksbijdragen aan rhc's   
Groninger Archieven (okt. 2001)2 3672 4932 453
Tresoar (sept. 2002)1 4951 8181 544
HC. Overijssel (jan. 2000)1 5821 6471 604
Gelderland (sept. 2052)1 8051 8681 828
Utrechts Archief (1998)1 7261 8151 787
Zeeuws Archief2 7752 9422 893
Toe te voegen aan budget i.v.m. verplichtingen bouwtrajecten353  
Totaal rijksbijdragen rhc's12 10312 58312 109
    
Budgetten rijksarchieven   
Drents Archief (rijksarchief)1 2241 2821 265
Flevoland (jan. 2004)361379374
Noord-Holland (medio 2004)1 8311 9261 896
Noord-Brabant (voorjaar 2004)2 2042 3232 286
Limburg (medio 2004)2 9713 1363 083
Totaal rijksarchieven provincie8 5919 0468 904
    
Lumpsum NA en overige RAD   
Nationaal Archief9 96010 71310 673
Beleidsbureau/schaarbergen1 2291 3711 355
Divers340257629
Programmagelden/Landelijke fondsen   
Fusie – traject440585687
Mobiliteitsfonds fusie105135 
Overig 73 
Totaal Nationaal Archief & beleidsbureau12 07413 13413 344
    
Dotatie overbruggingsfonds518 339
Totaal lasten33 28634 76334 696
Saldo van baten en lasten0– 1 1180

4.2 Besteding budget voor fusies

Voor de financiering van het proces «bestuurlijke vernieuwing» is het budget van de Rijksarchiefdienst vanaf 2000 structureel met € 2,2 miljoen opgehoogd. Tabel 10 geeft de besteding hiervan aan. Een groot deel van de beschikbaar gekomen middelen is bestemd voor het wegwerken van financiële achterstanden en knelpunten binnen de archieven. Er is bijna € 1,2 miljoen structureel aan de budgetten van de archieven toegevoegd. Voor een ander deel worden de middelen aangewend voor ver- en nieuwbouw activiteiten die nodig zijn om de publieksfunctie van de rhc's naar behoren te kunnen invullen. Ook deze middelen worden op termijn aan de rijksbijdragen toegevoegd.

De incidentele kosten voor het fusieproject zijn hoger uitgekomen dan begroot. Dit heeft te maken met de langere voorbereiding van een aantal geplande fusies (meer projectleidingskosten). Daarnaast zijn aan een aantal rhc's incidentele budgetten toegekend in het kader van de overgang naar een rhc. De geplande structurele toevoeging aan de budgetten heeft niet plaatsgevonden. Deze waren begroot ten behoeve van lasten voortkomend uit bouwtrajecten. Deze trajecten zijn vertraagd.

Tabel 10: Bestedingen Fusies (x € 1 000)
 Real. 2000Real. 2001Real. 2002Begroting 2003Real. 2003Begroting 2004Begroting 2005
Beleidsintensivering2 2242 2242 2242 2242 2242 2242 224
Eigen middelen RAD182182182182182182182
        
Besteding       
Toegevoegd aan rijksbijdragen (structureel)1 1771 1771 1771 1771 1771 3031 303
Geplande toevoeging aan rijksbijdrage227117 3530136977
Incidentele budgetten351 68 405318209
Projectkosten5095816904404671250
Overig (o.a. mobiliteitsfonds)25918110038072  
Saldo– 117349371106285524– 83

4.3. Out-put verantwoording Nationaal Archief

Het Nationaal Archief (en beleidsbureau RAD) hebben gezamenlijk een budget van € 13,1 miljoen ontvangen (ongeveer 35% van het totale RAD budget). Daarvan is € 12 431 geboekt als algemene bijdrage (lumpsum) en € 793 000 als programmagelden. Op dit budget heeft het Nationaal Archief een tekort van € 1,34 miljoen gerealiseerd.

Tabel 11: Output/resultaatgebieden Nationaal Archief (in percentages van de lumpsum; zijnde € 12 431 000)
 Begroot 2003Realisatie 2003Realisatie 2002
De collectie blijft in goede staat   
• bewaren collectie1820,826,0
• behoud86,42,1
• digitale duurzaamheid02,41,3
De collectie is volledig/op orde2013,812,9
Infrastructuur publiek   
• studiezaal2325,817,7
• virtuele studiezaal205,013,0
Producten voor doelgroepen  9,5
• genealogen/geïnteresseerden in pers. woonomgeving 2,7 
• historische onderzoekers53,8 
• educatie 2,62,0
• historisch geïnteresseerden 7,2 
Kenniscentrum behoud/conservering   
• advisering en onderzoek52,52,1
• internationale samenwerking05,86,8
Overige activiteiten  3,2
• zakelijke diensten15,0 
• beleidsproducten/landelijke activiteitenPM6,7 
Totaal100110,596,6

NB: kosten 2003 en 2002 zijn niet gelijk aan 100% doordat exploitatiekosten ongelijk het budget is (saldo kosten € 13 679 000 op € 12 341 000 alg. lumpsum).

Het Nationaal Archief heeft haar activiteiten en begroting gestructureerd op basis van de zgn. outputcategorieën. Op basis van een kostprijssystematiek zijn alle indirecte kosten toegerekend aan deze outputcategorieën. Hierdoor ontstaan kostprijzen per outputgebied. In tabel 11 zijn deze kosten zichtbaar gemaakt.

In 2003 zijn de outputcategorieën aangepast ten opzicht van 2002. Deze andere opzet komt voort uit de doelgroep gerichte benadering die het Nationaal Archief voorstaat. Door de kosten toe te schrijven aan product-doelgroep combinaties, ontstaat beter inzicht in de kosten versus het resultaat in publieksbereik. Vanaf 2004 zal ook het publieksbereik via deze doelgroep benadering worden gemeten. In de hieronder gegeven toelichting is nog de oude indeling van kengetallen gebruikt; door de verdere ontwikkeling van de prestatie-indicatoren bij het Nationaal Archief zijn niet voor alle getallen in de onderstaande tabellen begrotingen aanwezig.

Toelichting bij de outputcategorieën en prestatie-indicatoren.

Collectie blijft in goede staat:

• In deze categorie zijn de activiteiten ondergebracht rond behoud, digitale duurzaamheid/digitaal depot. In 2003 is er uitvoering gegeven aan het behoudsplan, voornamelijk restauratie – en verfilmingsactiviteiten. Inzake digitale duurzaamheid is gewerkt aan een plan van aanpak voor het in te richten digitale depot. In 2003 is het eerste digitale bestand naar het Nationaal Archief overgebracht.

• De grootste kostenpost in deze categorie betreft de «bewaarkosten van de archieven». 70% van de huisvestingslasten zijn toe te rekenen aan de depots van het Nationaal Archief.

• Prestatie indicatoren: De omvang van de collectie is met 3,7 km gegroeid naar 99 km. Daarnaast bevat de collectie één miljoen negatieven en 300 000 kaarten. De kostprijs van een m2 opslag is ongeveer € 129,– (uitgaande van 5 meter op 1 m2) In 2002 was dit € 150,–. De kostprijsverlaging is toe te schrijven aan een geringere personele inzet en verbetering van de toerekeningsystematiek, waardoor een nauwkeuriger beeld ontstaat.

Tabel 12: prestatie-indicatoren behoud
 Realisatie 2002Begroot 2003Realisatie 2003Begroot 2004
Depotcapaciteit (in km's)112,5 114,7 
Omvang collectie archief (in km's)95,29698,998
Verhuurd  4,0 
Omvang kaarten collectie (stuks)300 000300 000323 708300 000
Omvang collectie negatieven (stuks)1 000 0001 000 0001 000 0001 000 000
     
Kosten opslag archieven (x € 1000)2 8641 9592 563 
Prijs (per m2)€ 150€ 102€ 130 
Kosten behoud en digitale duurzaamheid (x € 1 000)3678711 095 

Collectie is op orde/toegankelijk en volledig

• Collectie op orde: Betreft activiteiten in het kader van beheer en het toegankelijk maken en houden van de collectie. De kosten zijn voornamelijk personele kosten. Ten opzichte van 2002 zijn procentueel de kosten gelijk; de personele inzet op deze output is gedaald.

• Collectie is volledig: betreft vooral activiteiten in het kader van normering, verwerving en Pivot. De kosten zijn voornamelijk personele kosten.

Tabel 13: Prestatie-indicatoren beheer
 Realisatie 2002Begroot 2003Realisatie 2003Begroot 2004
Collectie is op orde:    
• km's bewerkt (verpakken/verfilmen )  3,3 km5,0 km
Collectie is volledig:    
• instroom particuliere archieven1,0 km1,0 km 2,0 km
• instroom overheidsarchieven  4,0 km5 km
• dequisitie0,2 km 0,3 km 
     
Kosten gefinancierd uit lumpsum (x € 1 000)1 4192 1771 698 

Publieksbereik (infrastructuur)

• Betreft de studiezaal, de publieksruimtes (hal, tentoonstellingsruimten, auditorium). De kosten bestaan voornamelijk uit personele kosten, huisvestingslasten en ict-kosten. De publieksruimtes beslaan in oppervlakte ongeveer 15% van het totale Nationaal Archief gebouw.

Virtuele studiezaal:

• In 2003 is dit een belangrijk speerpunt geweest. De website is geheel herzien en verbeterd. Klantonderzoek had uitgewezen dat de zoekfunctionaliteit en gebruikersvriendelijkheid verder geoptimaliseerd konden worden.

• Prestatie indicatoren: Het belangrijkste meetpunt zijn de website bezoekers. Bijna 2 miljoen pageviews zijn afgelopen jaar geteld, op 400 000 bezoeken. Genlias (landelijke genealogische database) is een product dat een zeer groot gebruik kent. In 2002 heeft de database 322000 verschillende bezoekers getrokken, die 4 014 000 zoekopdrachten hebben losgelaten op de database. In 2003 betrof dit 6 miljoen bezoeken, een stijging van 50%.

Tabel 14: Prestatie-indicatoren virtuele studiezaal
 Realisatie 2002Begroot 2003Realisatie 2003Begroot 2004
Pageviews website Nationaal Archief1 352 624800 0001 980 0002000 000
Aantal bezoeken website  400 000400 000
Verblijfsduur in minuten  4:50 
Zoekvragen Genlias4 014 0001 200 0005 980 4535 000 000
Aantal bezoeken Genlias761 563 1 188 298350 000
Aantal unieke namen in GenLias  7 943 854 
     
Kosten gefinancierd uit lumpsum (x € 1 000)3 3774 6792 051 

Producten voor doelgroepen

• Historisch geïnteresseerden: De belangrijkste producten in 2003 zijn het Nationaal Archief Magazine en het Vaderlandse geschiedenisboek. In de voorbereidende sfeer is in 2003 gewerkt aan een grote tentoonstelling in Artis die in 2004 wordt gehouden, het project «beeld-online», (digitaliseren van de fotocollectie) en in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek het realiseren van een gezamenlijke entree en tentoonstellingsruimte.

Tabel 15: Prestatie-indicatoren publieksbereik
 Realisatie 2002Begroot 2003Realisatie 2003Begroot 2004
Studiezaal    
Bezoeken28 78332 50028 44430 000
Bezoekers8 2129 6008 1479 000
Telefonische/schriftelijke/e-mail vragen11 8491200010 71312000
Aanvragen stukken (incl. ext. uitleningen)91 527105 00090 005100 000
Overig publieksbereik    
Deelname aan externe tentoonstellingen26 24 
Bereik cursussen/lezingen (in personen)1 51920003 6052000
Op aantal evenementen102120154100
Naamsbekendheid (spontaan)1%2%1%5%
Naamsbekendheid (geholpen)  49% 
     
Kosten gefinancierd uit lumpsum (x € 1 000)1 2605443 755 

• Historische onderzoekers/genealogen. Het aantal bezoeken in de studiezaal is uitgekomen op 28 444. Ten opzichte van 2002 (28 800) en 2001 (29 650) is de dalende tendens ook in 2003 bestendigd. Deze daling is in veel archiefinstellingen te zien, en wordt toegeschreven aan de verbeterde mogelijkheden om op afstand (digitaal) informatie uit de archieven te krijgen. Het aantal raadplegingen van originele stukken is eveneens licht afgenomen van 91 527 in 2002 tot 90 005 in 2003.

• Historische onderzoekers: Inlichtingen op afstand; het aantal verstrekte inlichtingen via brieven, telefoon, e-mail (8147) kent ook een lichte daling tov 2002 (8212). Dit is vooral toe te schrijven aan een vermindering van inlichtingen uit het CABR-archief.

• Presentatie/educatie: In 2003 is het aantal evenementen (lezingen, rondleidingen, cursussen) toegenomen tot 154, met totaal 3605 deelnemers. (gemiddeld 23 per evenement: in 2002 was dit 15 per evenement)

Kenniscentrum/internationaal:

• Hieronder vallen alle activiteiten met betrekking tot de het kenniscentrum behoud dat activiteiten verricht c.q. adviezen geeft aan het gehele archiefveld in binnen- en buitenland. Met betrekking tot het laatste: in 2003 is het Nationaal Archief actief geweest in tal van landen. Enkele voorbeelden: Rusland (Neerlandica Rossica), Tanap (VOC-archieven), Suriname (hulp bij het opbouwen van het archiefwezen) en Baltische Zee landen. Veel van de internationale projecten worden met behulp van (HGIS) subsidies. Ongeveer de helft van de kosten wordt gedekt met externe geldstromen.

Tabel 16: Prestatie indicatoren kenniscentrum/overig
 Realisatie 2002Begroot 2003Realisatie 2003
Kosten kenniscentrum gefinancierd uit lumpsum (x € 1000)   
– advisering/onderzoek229544317
– internationaal744 713
– externe geldstromen902; 52% 842: 45%
Overig (gefinancierd uit lumpsum x € 1 000)   
– beleidsproductenpm 874
– zakelijke diensten 109613
– externe geldstromen zakelijke diensten  691; 53%

Beleidsproducten

• Betreft activiteiten en kosten voor ondermeer het fusietraject en gezamenlijke (met het veld) onderzoeken. Voor de fusies in Noord Brabant, Noord Holland, Flevoland en Limburg is veelal externe deskundigheid ingehuurd voor het realiseren van de fusierapporten. (zie ook tabel 10)

Zakelijke diensten

• Schaarsbergen: Het hulpdepot in Schaarsbergen wordt niet meer gebruikt voor de eigen collectie. De klimatologische omstandigheden van de depots aldaar voldoen niet aan de wettelijke eisen. De ruimte in het gebouw wordt op dit moment verhuurd aan derden. Bijna 14 van de 27 km depotruimte is verhuurd. Helaas is de RAD niet in staat om het hulpdepot rendabel te exploiteren of geheel af te stoten.

• Depotverhuur en faciliteiten; deze zijn nog niet kostendekkend met betrekking tot de integrale kostprijs.

BIJLAGE 1

VERDIEPINGSBIJLAGE

Artikel 1: Basisonderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)6 309 6526 311 78718 046
Nota van wijziging (28 600 VIII, nr. 98)– 5 118– 5 1180
Amendement (28 600 VIII, nr. 32)10 00010 0000
Amendement (28 600 VIII, nr. 33)1 0001 0000
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)6 315 5346 317 66918 046
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 4 767– 4 7678 218
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 4 767– 4 7678 218
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)173 952173 9522 514
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)173 952173 9522 514
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet8 251– 25 095– 2 270
Vast te stellen mutatie slotwet8 251– 25 095– 2 270
Totaal geraamd tevens realisatie 20036 492 9706 461 75926 508

Artikel 2: Expertisecentra

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)760 992760 9922 723
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)760 992760 9922 723
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)19 43219 432546
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)19 43219 432546
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)12 70012 7000
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)12 70012 7000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 10 122– 9 650– 1 360
Vast te stellen mutatie slotwet– 10 122– 9 650– 1 360
Totaal geraamd tevens realisatie 2003783 002783 4741 909

Artikel 3: Voortgezet onderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)5 067 6365 037 3651 361
Nota van wijziging (28 600 VIII, nr. 98)– 17 284– 17 2840
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)5 050 3525 020 0811 361
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 6 843– 6 8430
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 6 843– 6 8430
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)121 403119 7560
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)121 403119 7560
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet36 884– 7 6671 170
Vast te stellen mutatie slotwet36 884– 7 6671 170
Totaal geraamd tevens realisatie 20035 201 7965 125 3272 531

Artikel 4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)2 694 6872 626 61927 227
Nota van wijziging (28 600 VIII, nr. 98)– 108 029– 113 7840
Amendement (28 600 VIII, nr. 32)– 10 000– 10 0000
Amendement (28 600 VIII, nr. 33)– 1 000– 1 0000
Amendement (28 600 VIII, nr. 34)– 4 000– 4 0000
Amendement (28 600 VIII, nr. 101)1 5001 5000
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)2 573 1582 499 33527 227
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)78 58645 88640 921
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)78 58645 88640 921
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)160 61093 1200
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)160 61093 1200
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 107 122– 62 111– 35 100
Vast te stellen mutatie slotwet– 107 122– 62 111– 35 100
Totaal geraamd tevens realisatie 20032 705 2322 576 23033 048

Artikel 5: Technocentra

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)1361360
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)1361360
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)3 9033 9034 039
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)3 9033 9034 039
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)14 2495 1735 173
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)14 2495 1735 173
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 9 692– 616– 9 073
Vast te stellen mutatie slotwet– 9 692– 616– 9 073
Totaal geraamd tevens realisatie 20038 5968 596139

Artikel 6: Hoger beroepsonderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)1 587 7711 609 90017
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)1 587 7711 609 90017
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 39 516– 19 6440
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 39 516– 19 6440
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)93 53543 3870
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)93 53543 3870
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 13 18650360
Vast te stellen mutatie slotwet– 13 18650360
Totaal geraamd tevens realisatie 20031 628 6041 634 14677

Artikel 7: Wetenschappelijk onderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)3 030 8743 027 6151 248
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)3 030 8743 027 6151 248
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)47 05119 8740
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)47 05119 8740
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)205 89882 3480
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)205 89882 3480
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 55 8401 808287
Vast te stellen mutatie slotwet– 55 8401 808287
Totaal geraamd tevens realisatie 20033 227 9833 131 6451 535

Artikel 8: Internationaal onderwijsbeleid

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)17 91718 84999
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)17 91718 84999
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 2 3284000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 2 3284000
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)259259204
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)259259204
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet145– 191116
Vast te stellen mutatie slotwet145– 191116
Totaal geraamd tevens realisatie 200315 99319 317419

Artikel 9: Onderwijspersoneel

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)78 17878 1780
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)78 17878 1780
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)000
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)9 2929 2920
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)9 2929 2920
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet8 4631 0094 221
Vast te stellen mutatie slotwet8 4631 0094 221
Totaal geraamd tevens realisatie 200395 93388 4794 221

Artikel 10: Informatie- en communicatietechnologie

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)134 816134 81645 378
Amendement (28 600 VIII, nr. 34)4 0004 0000
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)138 816138 81645 378
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 6 998– 6 9981 408
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 6 998– 6 9981 408
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)– 87 051– 29 2130
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)– 87 051– 29 2130
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 36 012– 1 3151 434
Vast te stellen mutatie slotwet– 36 012– 1 3151 434
Totaal geraamd tevens realisatie 20038 755101 29048 220

Artikel 11: Studiefinanciering

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)2 143 6232 143 623331 309
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)2 143 6232 143 623331 309
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)32 50032 5000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)32 50032 5000
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)127 067127 06725 000
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)127 067127 06725 000
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet15 65515 655174
Vast te stellen mutatie slotwet15 65515 655174
Totaal geraamd tevens realisatie 20032 318 8452 318 845356 483

Artikel 12: Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)361 777361 77713 835
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)361 777361 77713 835
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 730– 7300
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 730– 7300
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)– 7 600– 7 600– 800
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)– 7 600– 7 600– 800
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet9 7279 727– 2 599
Vast te stellen mutatie slotwet9 7279 727– 2 599
Totaal geraamd tevens realisatie 2003363 174363 17410 436

Artikel 13: Lesgelden

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)00401 607
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)00401 607
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)007 400
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)007 400
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)00200
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)00200
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet00166
Vast te stellen mutatie slotwet00166
Totaal geraamd tevens realisatie 200300409 373

Artikel 14: Cultuur

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)520 973666 861250
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)520 973666 861250
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 36 5991 5560
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 36 5991 5560
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)1 1101 2100
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)1 1101 2100
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 218 632– 9652 803
Vast te stellen mutatie slotwet– 218 632– 9652 803
Totaal geraamd tevens realisatie 2003266 852668 6623 053

Artikel 15: Media

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)857 173857 661226 981
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)857 173857 661226 981
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)– 6 386– 6 38660 080
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)– 6 386– 6 38660 080
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)31 90131 901– 33 591
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)31 90131 901– 33 591
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 4 679– 2 46972
Vast te stellen mutatie slotwet– 4 679– 2 46972
Totaal geraamd tevens realisatie 2003878 009880 707253 542

Artikel 16: Onderzoek en wetenschappen

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)697 100741 35780 455
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)697 100741 35780 455
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)10 65611 74012 712
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)10 65611 74012 712
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)36 15618 3710
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)36 15618 3710
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet1 3331 796103
Vast te stellen mutatie slotwet1 3331 796103
Totaal geraamd tevens realisatie 2003745 245773 26493 270

Artikel 17: Nominaal en onvoorzien

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)– 65 689– 65 6892 996
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)– 65 689– 65 6892 996
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)591 867591 86715 604
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)591 867591 86715 604
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)– 537 916– 537 916– 18 600
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)– 537 916– 537 916– 18 600
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet11 73811 7380
Vast te stellen mutatie slotwet11 73811 7380
Totaal geraamd tevens realisatie 2003000

Artikel 18: Bestuursdepartement

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)157 164157 164567
Amendement (28 600 VIII, nr. 101)– 1 500– 1 5000
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)155 664155 664567
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)18 57118 5710
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)18 57118 5710
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)40 31340 3130
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)40 31340 3130
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 31 825– 21 7423 776
Vast te stellen mutatie slotwet– 31 825– 21 7423 776
Totaal geraamd tevens realisatie 2003182 723192 8064 343

Artikel 19: Inspecties

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)46 34446 3440
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)46 34446 3440
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)8188180
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)8188180
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)4 3434 3430
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)4 3434 3430
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 2 778– 2 5889
Vast te stellen mutatie slotwet– 2 778– 2 5889
Totaal geraamd tevens realisatie 200348 72748 9179

Artikel 20: Adviesraden

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)7 1617 1610
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)7 1617 1610
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)27270
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)27270
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)9449440
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)9449440
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 1 188– 1 1880
Vast te stellen mutatie slotwet– 1 188– 1 1880
Totaal geraamd tevens realisatie 20036 9446 9440

Artikel 21: Uitvoeringsorganisaties onderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)173 122173 122408
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)173 122173 122408
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)6 0596 0590
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)6 0596 0590
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)23 55423 5540
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)23 55423 5540
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet3 5853 5850
Vast te stellen mutatie slotwet3 5853 5850
Totaal geraamd tevens realisatie 2003206 320206 320408

Artikel 22: Uitvoeringsorganisaties cultuur

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)68 62768 627244
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)68 62768 627244
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)1 1391 1390
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)1 1391 1390
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)5 8275 8270
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)5 8275 8270
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet5 8395 8393 472
Vast te stellen mutatie slotwet5 8395 8393 472
Totaal geraamd tevens realisatie 200381 43281 4323 716

Artikel 23: Uitvoeringsorganisaties wetenschappen

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2003 (28 600 VIII, nr. 1 en 2)2 3652 3650
Vastgestelde begroting (Stb. 2003, nr. 68)2 3652 3650
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 933, nr. 1 en 2)000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 443)000
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (29 336 nr. 1 en 2)53530
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2004, nr. 72)53530
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet000
Vast te stellen mutatie slotwet000
Totaal geraamd tevens realisatie 20032 4182 4180

BIJLAGE 2

SALDIBALANS

Tabel 1: Saldibalans per 31 december 2003 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (x € 1 000)
Uitgaven ten laste van de begroting25 473 721 Ontvangsten ten gunste van de begroting1 253 240
     
Liquide middelen1 379   
     
Rekening-courant RIC  Rekening-courant RIC24 212 293
     
Te verrekenen extern museaal aankoopfonds59 215 Begrotingsreserve museaal aankoopfonds59 215
     
Uitgaven buiten begrotingsverband (=intra comptabele vordering)2 832 Ontvangsten buiten begrotingsverband (= intra- comptabele schulden)12 399
Extra comptabele vorderingen6 501 187 Tegenrekening extra comptabele vorderingen6 501 187
     
Voorschotten8 688 694 Tegenrekening voorschotten8 688 694
     
Tegenrekening garantieverplichtingen625 423 Garantieverplichtingen625 423
     
Tegenrekening openstaande verplichtingen12 384 953 Openstaande verplichtingen12 384 953
     
Deelnemingen Tegenrekening deelnemingen
     
Totaal53 737 404 Totaal53 737 404

Toelichting bij de saldibalans

Uitgaven/ontvangsten 2003

De uitgaven over 2003 zijn uitgekomen op € 25 473 721 385,72 en de ontvangsten op € 1 253 240 236,22. In de departementale jaarrekening komen de uitgaven uit op € 25 473 752 000,– en de ontvangsten op € 1 253 240 000,–.

Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en de realisatie volgens de departementale jaarrekening 2003, wordt veroorzaakt door de in deze rekening gehanteerde afrondingsregels.

Liquide middelen

Deze balansrekening geeft de saldi van de bank- en girotegoeden weer. De samenstelling is als volgt:

Tabel 2: Balansrekening (x € 1 000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
Informatie Beheer Groep0– 1 715
Cultuurinstellingen1 08645
Overige kasbeheerders2933
Totaal1 379– 1 667

Tot 2003 werden de saldi op de sluitrekening met de kasbeheerders, bestaande uit het saldo van liquide middelen en diverse vorderingen en schulden, niet naar deze afzonderlijke saldi gesplitst en opgenomen in de desbetreffende posten op de saldibalans, maar opgenomen in de post «liquide middelen». Vanaf 2003 zijn deze saldi wel naar de desbetreffende posten op de saldibalans opgenomen.

Rekening-courant RIC

Op de rekening-courant wordt de financiële verhouding met het ministerie van Financiën geadministreerd. Tevens worden door middel van deze administratie de begrotingsuitgaven en ontvangsten met het ministerie van Financiën afgewikkeld.

Begrotingsreserve museaal aankoopfonds

In 1998 is het museaal aankoopfonds opgericht. Dit is een intra-comptabel fonds met het karakter van een interne reserverekening. Op deze rekening wordt bijgehouden hoeveel geld er voor kunstaankopen voor latere jaren beschikbaar is. In december 1998 is er € 45 378 022 ten laste van artikel 27.03 in dit fonds gestort.

In 2003 zijn er geen aankopen verricht.

Tabel 3: Rekening-courant museaal aankoopfonds (x € 1 000)
Saldo 1 januari 200356 887
Rentebijschrijving 20032 328
Saldo per 31 december 200359 215

Rekening courant museaal aankoopfonds

Voor de begrotingsreserve museaal aankoopfonds wordt een rekening-courant aangehouden bij het ministerie van Financiën.

Uitgaven buiten begrotingsverband (= intra-comptabele vordering)

Tabel 4: Uitgaven buiten begrotingsverband (x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
Te verrekenen personeel en voormalig personeel4124
Informatie Beheer Groep829
Cultuurinstellingen1 367
Overige kasbeheerders3
Overig592128
Totaal2 832152

Tot 2003 werden de saldi op de sluitrekening met de kasbeheerders, bestaande uit het saldo van liquide middelen en diverse vorderingen en schulden, niet naar deze afzonderlijke saldi gesplitst en opgenomen in de desbetreffende posten op de saldibalans, maar opgenomen in de post «liquide middelen». Vanaf 2003 zijn deze saldi wel naar de desbetreffende posten op de saldibalans opgenomen.

Ontvangsten buiten begrotingsverband (= intra comptabele schulden)

Tabel 5: Ontvangsten buiten begrotingsverband (x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
Loonheffing en inhouding ABP/USZO6 8475 028
Informatie Beheer Groep0
Cultuurinstellingen3 401
Overige kasbeheerders302
Diversen1 84967
Totaal12 3995 095

De af te dragen loonheffing en inhoudingen ABP/USZO (departementaal personeel) heeft betrekking op de maand december 2003. In januari 2004 is dit verschuldigde bedrag betaald.

De post diversen bestaat voor € 1,6 miljoen uit te vroeg (=2004) ontvangen middelen uit het Europees Sociaal Fonds van het Agentschap SWZ.

Tot 2003 werden de saldi op de sluitrekening met de kasbeheerders, bestaande uit het saldo van liquide middelen en diverse vorderingen en schulden, niet naar deze afzonderlijke saldi gesplitst en opgenomen in de desbetreffende posten op de saldibalans, maar opgenomen in de post «liquide middelen». Vanaf 2003 zijn deze saldi wel naar de desbetreffende posten op de saldibalans opgenomen.

Extra comptabele vorderingen

De stand van de debiteuren per 31-12-2003 wordt als volgt gespecificeerd naar beleidsartikel en overige onderdelen:

Tabel 6: Stand debiteuren (x € 1 000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
01 Basisonderwijs5337
03 Voortgezet onderwijs209414
04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie3486 684
06 Hoger beroepsonderwijs2 3301 645
07 Wetenschappelijk onderwijs3
08 Internationaal onderwijsbeleid9
09 Onderwijspersoneel03
10 Informatie- en communicatietechnologie024
11 Studiefinanciering6 331 2315 443 495
12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten10 58315 536
13 Lesgelden132 590117 376
14 Cultuur1 0201 213
16 Onderzoek en wetenschappen2859
18 Bestuursdepartement842728
19 Inspecties7142
   
Wachtgelden onderwijspersoneel6 6806 680
Solvabiliteitsbuffers participatiefonds en vervangingsfonds15 00011 037
Totaal6 501 1875 605 026

De openstaande vorderingen studiefinanciering (beleidsartikel 11) betreffen de door de produktgroep Studiefinanciering van de Informatie Beheer Groep Groningen verstrekte leningen en voorschotten aan studenten als gevolg van de oude regeling studiefinanciering en de nieuwe Wet studiefinanciering.

De verstrekte leningen en voorschotten aan studenten kan als volgt worden gespecificeerd:

Tabel 7: Verstrekte leningen en voorschotten (x € 1 000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
Rentedragende leningen6 180 8075 277 425
Renteloze voorschotten94 557112 623
Overige vorderingen55 86753 447
Totaal6 331 2315 443 495

De specificatie van het verloop van de posten rentedragende leningen en renteloze voorschotten is als volgt:

Tabel 8: Verloop (x € 1 000)
 Rentedragende leningenOpenstaande voorschotten
Openstaande bedragen per 01-01-20035 277 425112 623
Nieuw verstrekt1 226 5473 167
Afgelost– 242 262– 13 625
Correcties en omzettingen– 77 029– 566
Overige mutaties
Kwijtschelding– 3 874– 7 042
Totaal6 180 80794 557

Voor de bedragen voor rentedragende leningen en renteloze voorschotten geldt de nominale waarde. De werkelijke waarde (uiteindelijk inbaar) hiervan wordt grotendeels beïnvloed door:

• de mate waarin de als voorlopige rentedragende leningen uitgekeerde studiefinanciering (prestatiebeurs) zullen worden omgezet in beurzen, vanwege het voldoen aan de eerstejaars prestatienorm en/of diploma norm;

• het sociaal risico bij de (aflosbaar gestelde) langlopende leningen en renteloze voorschotten in verband met de wettelijk beperkte aflossingstermijnen;

• de mate waarin de achterstallige vorderingen studiefinanciering (achterstallig lager recht en aflosbaar gestelde leningen en voorschotten) uit het deurwaarderstraject geïnd kunnen worden.

Het bedrag aan (niet aflosbaar gestelde) rentedragende leningen in het toekenningstraject bedraagt ultimo 2003 € 4 310 miljoen. Naar verwachting zal hiervan in de toekomst € 2 360 miljoen worden omgezet van voorlopig rentedragende leningen naar beurzen. Verder moet een bedrag van € 154 miljoen op grond van garantiebepalingen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan aflosbaar gestelde leningen en voorschotten (exclusief deurwaarderstraject) bedraagt ultimo 2003 € 1 891 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 128 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan achterstallige vorderingen studiefinanciering in het deurwaarderstraject bedraagt ultimo 2003 € 84 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 37 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan vorderingen lesgelden (beleidsartikel 13) in het deurwaarderstraject ultimo 2003 bedraagt circa € 33 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 13 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

De openstaande vorderingen op de onderwijsbeleidsartikelen hebben onder meer betrekking op de afrekeningen van voorschotten.

Het bedrag van € 6,7 miljoen aan openstaande vorderingen wachtgelden onderwijspersoneel betreft vorderingen op het participatiefonds als gevolg van door OCW teveel betaalde wachtgelduitkeringen in het verleden voor invoering van het participatiefonds. Hiervan is een bedrag van € 2,2 miljoen, als gevolg van de uittreding bve, voorlopig buiten invordering gesteld.

In het bestuurlijk akkoord dat in 2003 met de fondsen is gesloten is een aanvullende buffer voor mogelijke tijdelijke insolvabiliteit afgesproken van € 15 miljoen (vervangingsfonds € 10 miljoen en participatiefonds € 5 miljoen).

Voorschotten

De stand van de voorschotten per 31-12-2003 wordt als volgt naar beleidsartikel gespecificeerd:

Tabel 9: Stand voorschotten (x € 1 000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
01 Basisonderwijs7 724 2915 922 602
03 Voortgezet onderwijs328 406313 299
04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie139 099121 490
06 Hoger beroepsonderwijs46 98758 721
07 Wetenschappelijk onderwijs2 3191 880
08 Internationaal onderwijsbeleid20 24520 530
09 Onderwijspersoneel89 699130 609
10 Informatie- en communicatietechnologie57 99237 870
14 Cultuur188 920154 838
15 Media85 57856 559
18 Bestuursdepartement4 3887 216
19 Inspecties21655
   
Permanente voorschotten554554
Totaal8 688 6946 826 223

Verreweg het grootste deel van de voorschotten die jaarlijks worden verstekt, bestaat uit de bekostiging van het primair onderwijs. Deze voorschotten worden afgerekend op basis van de aanvraag vaststelling rijksvergoeding (AVR) en de daarbij gevoegde accountantsverklaring, die instellingen voor 1 juli van het daaropvolgende jaar indienen. Ultimo 2002 was circa 80% afgerekend van de voorschotten primair onderwijs die ultimo 2001 openstonden. Ultimo 2003 is circa 60% van de voorschotten primair onderwijs die ultimo 2002 openstonden afgerekend. Deze daling van de omvang van de afgerekende voorschotten is het gevolg van het grotere aantal accountantsverklaringen bij de AVR's met opmerkingen. Deze AVR's vergen meer afhandelingstijd.

De stand van de voorschotten per 31-12-2003 wordt als volgt gespecificeerd naar vergoedingsjaar:

Tabel 10: Stand van de voorschotten (x € 1 000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
19930106
1994154596
1995193
19963 7053 913
19974 4826 362
19984 84317 069
19997 50327 084
200053 783143 177
2001123 7891 051 725
20022 663 4215 575 544
Subtotaal scholen en instellingen2 861 6816 825 669
20035 826 459
Totaal scholen en instellingen8 688 1406 825 669
Permanente voorschotten554554
Totaal-Generaal8 688 6946 826 223

Van een achterstand in de afrekening van de oude jaargangen voorschotten is geen sprake, omdat deze vooral betrekking hebben op langlopende projecten op de verschillende beleidsterreinen.

Garantieverplichtingen

In het verleden zijn instellingen zelfstandig op de kapitaalmarkt leningen aangegaan ter financiering van bouwinvesteringen, onder garantiestelling van het Rijk jegens de geldverschaffers voor de rente en aflossingsverplichtingen. De destijds vigerende garantieregelingen zijn inmiddels niet meer van kracht. Het bedrag van de garantie verplichtingen (nog openstaande rente en aflossingsverplichtingen op lopende leningen) is het theoretisch maximale risico dat het ministerie ultimo 2003 nog loopt in verband met garantiestellingen op bouwleningen en overige garantieleningen.

In onderstaand overzicht zijn de openstaande garanties gespecificeerd opgenomen in vergelijking met ultimo 2002:

Tabel 11: Garantieverplichtingen (x € 1 000)
 Openstaand per 31-12-2003Openstaand per 31-12-2002
Bouwleningen aan academische ziekenhuizen402 663449 011
Bouwleningen aan scholen en instellingen vo25 59333 771
Bouwleningen aan scholen en instellingen bve7 54310 156
Bouwleningen aan scholen en instellingen hbo1 6143 744
Leningen studiefinanciering150188
Garanties cultuur137 860111 508
Garantie vervangingsfonds38 0000
Garantie participatiefonds12 0000
Totaal625 423608 378

Voor de academische ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

In het hoger beroepsonderwijs (hbo) zijn sinds 1985 geen garanties op bouwleningen meer verstrekt.

In het voortgezet onderwijs (vo) en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) worden eveneens geen garanties op bouwleningen meer verstrekt. Dit in verband met de decentralisatie van de huisvesting vo en de okf-operatie bve. De meeste van deze leningen hebben een looptijd van gemiddeld 25 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2013 volledig hebben plaatsgevonden. Het feitelijke risico op deze garanties wordt als beperkt geschat.

De post leningen studiefinanciering is gebaseerd op een schatting van de waardering van de uitstaande schuld inclusief de rente, naar de stand ultimo 2003.

De uitstaande garanties bij cultuur bedragen ruim € 137 miljoen. Hiervan is € 98 miljoen verstrekt door het Nationaal Restauratiefonds en € 2 miljoen betreft een garantie onder de indemniteitsregeling.

Voorts heeft OCW zich voor een bedrag van € 37 miljoen garant gesteld voor eventuele toekomstige tekorten bij de kunstfondsen. Dit is het gevolg van de in 2000, 2001, 2002 en 2003 gerealiseerde afroming van de liquiditeiten bij de fondsen.

De uitstaande garanties participatie- en vervangingsfonds zijn het gevolg van het bestuurlijk akkoord dat in 2003 met de fondsen is gesloten en houden verband met garantstelling in verband met het schatkistbankieren.

Openstaande verplichtingen

De opbouw van de stand van de aangegane verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

Tabel 11: Stand aangegane verplichtingen (x € 1 000)
Stand 1 januari 2003 12 692 573
Bij: correcties op de beginstand 44
Gecorrigeerde stand 1 januari 2003 12 692 617
   
Bij: aangegaan in 200325 269 522 
Waarvan garantieverplichtingen103 465 
Totaal aangegaan in 2003 25 166 057
   
Af: tot betaling gekomen in 2003 25 473 721
Stand 31 december 200312 384 953 

De specificatie van de openstaande verplichtingen per beleidsartikel ultimo 2003 is hieronder opgenomen.

Tabel 12: Openstaande verplichtingen (x € 1 000)
01 Basisonderwijs73 956
02 Expertisecentra831
03 Voortgezet onderwijs3 370 249
04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie2 439 044
06 Hoger beroepsonderwijs1 631 288
07 Wetenschappelijk onderwijs3 121 395
08 Internationaal onderwijsbeleid4 809
09 Onderwijspersoneel43 494
10 Informatie- en communicatietechnologie8 531
14 Cultuur836 840
15 Media1 350
16 Onderzoek en wetenschappen851 934
18 Bestuursdepartement343
19 Inspecties889
Totaal12 384 953

BIJLAGE 3

TOEZEGGINGEN AAN DE ALGEMENE REKENKAMER

In deze bijlage wordt ingegaan op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij het departementale jaarverslag van het jaar 2002 en de maatregelen die zijn getroffen om de geconstateerde tekortkomingen in het verslagjaar 2003 en de jaren daarna te voorkomen.

Audit actielijst 2003 van het ministerie van OCW
Stand van zaken RJV2002Conclusie ARAanbeveling ARToezeggingen/maatregelen minister
Jaarverslag en saldibalans   
De toelichting op de rekening van de RAD voldoet niet geheel aan eisen, met name als het gaat om prestatiegegevens en om de toelichting op posten van balans en exploitatierekening.Het beoogde niveau van informatieverschaffing wordt op onderdelen niet gehaald.Meer aandacht voor de naleving van de regelgeving terzake.OCW zal bezien welke toelichtingen in het jaarverslag 2003 kunnen worden aangescherpt. In de toelichting op de jaarrekening 2003 van de RAD zijn verbeteringen aangebracht.
    
De saldibalans voldoet niet geheel aan de eisen m.b.t. uitsplitsing van sluitregelingen, saldering van de post liquiditeiten en het toelichten van mutaties in de posten van de saldibalans.De regelgeving wordt niet volledig nageleefd, waardoor het beoogde niveau van informatieverschaffing op onderdelen niet wordt gehaald.Meer aandacht voor de naleving van de regelgeving terzake.Ten aanzien van de uitsplit- sing van de sluitrekeningen en de saldering van de post liquiditeiten neemt OCW de opmerkingen van de AR ter harte bij het opstellen van de saldibalans van het jaar 2003.Substantiële toe- en afnamen van mutaties zal OCW voor- taan toelichten. De toelichting bij de saldibalans 2003 heeft OCW verbeterd.
    
Beleidsinformatie   
De operationele doelen uit het jaarverslag sluiten bij een aantal beleidsartikelen slecht aan met die uit de begroting. Daar de herformulering van doelen plaatsvond in het kader van het VBTB-traject kan hier eenmalig begrip voor worden opgebracht.Het inzicht in de realisatie van de doelen wordt bemoeilijkt door herformulering van de beleidsdoelen.Zorgdragen voor aansluiting door aanpassing in doelformulering pas in de eerstvolgende begroting door te voeren.OCW is het niet eens met de aanbeveling van de AR om aanpassing in de doelformu- lering pas in de eerstvolgende begroting door te voeren. Om een beter gestructureerde begroting en jaarverslag op te stellen is in beide documenten consequent dezelfde indeling bij de operationele doelstellingen gehanteerd. Deze indeling heeft een «best practice» opgeleverd in de beoordeling door de Kordes-commissie. Er is verder voldaan aan de VBTB-eisen waar zinnig en haalbaar.
De rekening wordt niet volledig gedekt door prestatiegegevens en kengetallen, met name bij het cultuurartikel. Naar aanleiding van het RMO 2001 is toegezegd te onderzoeken of en welke kengetallen zullen worden opgenomen in de begroting 2003. Dit heeft met ingang van de begro- tingscyclus 2003 tot verbeteringen geleid.Het inzicht in de geleverde prestaties en de realisatie van de doelen wordt bemoeilijkt.Doorgaan met de verbeteringen die in gang zijn gezet met de begrotingscyclus 2003.OCW onderschrijft de aanbeveling van de AR en zal onderzoeken welke verbeteringen nog mogelijk zijn. FEZ heeft onderzocht of verbetering mogelijk is bij kengetallen in de begroting en de rekening.Gewerkt wordt samen met de directies om te komen tot uitgebreidere doelmatigheids- kengetallen al in de DJV2003 door introductie van de integrale kosten (d.w.z. van overheid, gemeenten en eigen bijdragen) per afgestudeerde.Het project 24 indicatoren moet voor de RBG2004 leiden tot verbeterde prestatie-indi- catoren voor het stelsel (en vervolgens later voor de vbtb-beleidsthema's).
    
In het jaarverslag wordt geen aandacht geschonken aan het al dan niet opleggen van sancties bij specifieke uitkeringen. Dit was wel toegezegd naar aanleiding van het RMO 2001.Er wordt geen volledig inzicht verschaft in de werking van het sanctiebeleid. De toezegging van de minister is niet nagekomen.Afleggen van verantwoording over het sanctiebeleid en de opgelegde sancties. Aandacht voor de naleving van toezeggingen aan de AR.OCW zal in het jaarverslag 2003 verslag doen over het sanctiebeleid en de opgelegde sancties bij specifieke uitkeringen. In het jaarverslag 2003 is in de bedrijfsvoeringsparagraaf een passage m.b.t. het gevoerde sanctiebeleid/opgelegde sancties bij specifieke uitkeringen opgenomen. In januari 2004 is de beleidsregel sanctiebeleid gepubliceerd, met daarin weergegeven de manier waarop de minister gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om sancties op te leggen. De beleidsregel biedt duidelijkheid aan onderwijsinstellingen over de toepassing van sancties en opschorting en inhouding van de bekostiging in situaties waar wettelijke regels niet worden nageleefd. Verder wordt duidelijk welke procedure wordt gevolgd wanneer naar het oordeel van de minister sprake is van een overtreding of nalevingstekort.
Bedrijfsvoering   
Onvolkomenheden in het MenO- beleid voor de sectoren bve, hbo en wo. In maart 2003 heeft de minister het Actieplan Rekenschap gepresenteerd, waarin zij maatregelen aankondigt die moeten leiden tot een effectiever MenO-beleid.Het risico van onrechtmatige bekostiging van onderwijsinstellingen wordt nog onvoldoende beheerst. In 2002 en 2003 zijn belangrijke stappen gezet die op termijn een bijdrage kunnen leveren aan de beheersing van deze risico's.Aanscherping van het MenO- beleid (regelgeving, voorlichting, controleaanpak en sanctiemaatregelen).OCW onderschrijft de aanbeveling van de AR om het MenO-beleid aan te scherpen en verwijst hierbij naar de aangekondigde maatregelen in het Actieplan Rekenschap.In 2003 zal een aangepaste richtlijn MenO- beleid voor OCW worden vastgesteld. In juni 2003 is de aangepaste Richtlijn MenO vastgesteld. Inmiddels zijn diverse acties uitgevoerd (o.a. instellen van regieoverleg met toezichthouders en wetsvoorstel Korte Klap). Afronding van een aantal andere acties is in 2004 (zoals eindrapport modernisering bekostiging) gepland.N.a.v. het rapport van de Commissie Schutte zullen aanvullende maatregelen worden getroffen.
    
Onvolkomenheid in het reviewbeleid van de accountantsdienst. Een groot deel van de geplande reviews is vervallen i.v.m. het «zelfreinigend onderzoek» naar de bekostiging van de sectoren bve, hbo en wo. Met uitzondering van deze sectoren is er geen sprake van compenserende controlemaatregelen.Het niet uitvoeren van reviews leidt tot een mindere beheersing van het risico op mis- bruik en oneigenlijk gebruik buiten de sectoren bve, hbo en wo.Uitvoering geven aan geplande reviews.OCW geeft aan van plan te zijn de in 2003 geplande reviews uit te voeren. In beginsel is de verantwoordelijkheid voor in te stellen reviews in 2003 verschoven van de AD naar de beleidsdirecties.In 2003 zijn diverse reviews gehouden.Een beperkt aantal reviews uit het auditplan 2003 is in en na overleg met de opdrachtgevers overgeheveld naar 2004.
Onvolkomenheden in het MenO beleid rond studiefinanciering, met name wat betreft de risicogerichtheid van de controles. Koppeling met het GBA kan vanaf 2003 tot een effectievere aanpak leiden bij de controle op uitwonendheid.De controleaanpak kan aan effectiviteit winnen door een meer risicogerichte aanpak.Meer aandacht voor een risicogerichte controleaanpak.De aanbeveling van de AR om meer aandacht te besteden aan een risicogerichte controleaanpak wordt door OCW overgenomen. Het zwaartepunt van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik door de IB-Groep ligt thans voornamelijk bij grote reguliere controles. In 2003/2004 zal de IB-Groep verder invulling geven aan de concretisering van een (nog) meer risicogerichte controle aanpak. Hiertoe worden de risicokenmerken nader geanalyseerd, om daarmee te komen tot een indeling in risicogebieden en -groepen. Onderkende risicogroepen zullen vervolgens intensiever worden gecontroleerd.In 2003 heeft de IB-Groep vooruitgang geboekt bij het vormgeven van een meer risicogerichte aanpak. Naast een risicogerichte uitwonen- dencontrole zijn diverse andere risicogerichte contro- les uitgevoerd. In een aantal gevallen is gemotiveerd afgezien van een risicogerichte aanpak.
    
Onvolkomenheden in het sanctiebeleid bij specifieke uitkeringen. De minister heeft naar aanleiding van het RMO 2001 toegezegd het sanctiebeleid verder uit te werken. In 2002 is geen wezenlijke voortgang geboekt bij het formuleren van een departe- mentsbreed sanctiebeleid. Wel is er vooruitgang bij het sanctiebeleid voor de afzonderlijke specifieke uitkeringen.Het ontbreken van departe- mentsbreed sanctiebeleid vormt een risico voor de ordelijkheid van de besluitvorming over het opleggen van sancties.Het risico bestaat dat naar gemeenten toe, het belang van naleving van verant- woordingsprocedures onvoldoende wordt benadrukt.Verdere uitwerking van het sanctiebeleid voor specifieke uitkeringen.De uitwerking van het sanctiebeleid voor specifieke uitkeringen zal worden ingepast in het departementsbrede sanctiebeleid (Project uitvoe- rings- en handhavingsbeleid) zoals dat is aangekondigd in het rapport Ruimte voor Rekenschap. In januari 2004 is de beleidsregel sanctiebeleid gepubliceerd over de toepassing van sancties bij misbruik en oneigenlijk gebruik van regelgeving.
    
Onvolkomenheden in het contractbeheer door gebrekkige naleving van regelgeving.Er zijn risico's voor de doelmatigheid van het contractbeheer en voor claims als gevolg van het ten onrechte niet Europees aanbesteden.Maatregelen treffen voor naleving van de regeling contractbeheer en deze maatregelen en de naleving daarvan na verloop van tijd evalueren.De aanbeveling om maatregelen te treffen voor naleving van de regeling contractbeheer wordt door OCW onderschre- ven. In 2003 zal OCW de regeling contractbeheer evalueren. De door de AR gesignaleerde onvolkomenheden zullen hierbij worden betrokken.
    
   Europees aanbestedenMede n.a.v. opmerkingen van de AR zijn in 2003 de Europese aanbestedingsregels wederom nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Het toezicht daarop is verscherpt door o.m. invulling te geven aan het concernbreed uitzetten van een inventarisatie van voorgenomen opdrachten/aanbestedingen voor de 2e helft van 2003. Door het ex-ante beoordelen van voorgenomen opdrachten kan 1) pro-actief en gericht geadviseerd worden hoe opdrachten in de markt moeten worden gezet, 2) er een adequate planning voor voorgenomen aanbestedingen voorhanden komen waardoor een goede voorbereiding en een beter inzicht ontstaat in de mogelijkheden voor vraagaggregatie.
   Volgens de Landsadvocaat zijn bij de koopsompolissen 58+-regeling de Europese regels niet overtreden.
    
   Contractbeheer OCWBij het jaarverslag 2002 heeft de AR geconstateerd dat 1) contractdossiers vaak ontbre- ken, 2) contractregisters ontbreken, 3) er geen zekerheid is dat de interne regeling die medeparafering van contracten vereist door WJZ wordt nageleefd, 4) de wettelijke vereiste evaluatie van het contractbeheer nog niet is uitgevoerd. Naar aanleiding van deze bevindingen is in 2003 een operational audit uitgevoerd naar het gevoerde contractbeheer binnen OCW met als doel om de onvolkomenheden hierin en de control daarop te verbeteren. In 2004 zal hieraan de nodige aandacht worden gegeven.
Beheer en aansturing RAD voldoen niet aan de criteria voor een baten-lastendienst. In 2002 is hier wel aangewerkt maar een totaal kostprijsmodel en een volledige planning- en controlcyclus ontbreken nog. De ver- schillen binnen de RAD maken het overigens moeilijk om te voldoen aan de criteria voor een baten-lastendienst.De RAD voldoet niet aan alle eisen die worden gesteld aan een agentschap. De met de agentschapstatus beoogde effecten zijn daardoor lastig zichtbaar te maken. In 2002 is er op dit punt wel vooruitgang geboekt. Er is overleg gaande met Financiën over het opvolgen van de agentschapstatus van de RAD door het NA in 2005. Het ontwikkelen van een kostprijsmodel is gereed. De P&C cyclus wordt uitgewerkt in een werkgroep met DCE. Er is een audit uitgevoerd naar de bedrijfsvoering bij de RAD.Streven is om beheer en aan- sturing RAD te laten voldoen aan de criteria van een agentschap.
    
Beschrijving administratieve organisatie van de RDMZ is niet actueel. In 2002 is een plan van aanpak opgesteld dat in 2003 tot een AO-beschrijving moet leiden.Risico's voor de continuïteit en de betrouwbaarheid van de procesuitvoering. OCW zegt toe dat de RDMZ in 2003 de resterende achterstand in de beschrijving van de AO met kracht zal aanpakken. RDMZ heeft een werkplan opgesteld om in 2003 de score voldoende te halen.Dit plan is echter niet geheel gehaald. Er is beperkt aanvullende AO-capaciteit ingehuurd. Wel zijn stevige stappen voor- uit gemaakt.
    
Verbeterpunten in het materieelbeheer bij RDMZ, Inspectie voor het Onderwijs en ROB. In 2002 is het materieel beheer van de eerste twee nauwelijks verbeterd.Bij de ROB worden verbeteringen ingevoerd.De toereikendheid van het materieelbeheer is niet gewaarborgd. De RDMZ zal in 2003 een administratie voor het materieelbeheer opzetten en daar periodiek controle op uitoefenen. De Inspectie van het Onderwijs zal voor de zomer van 2003 een risicoanalyse uitvoeren voor wat betreft het materieelbeheer en zal nagaan of de getroffen beheersmaatregelen voldoende zijn.
    
   RDMZMomenteel is de AO in uitwerking voor het materieelbeheer. De procedurebeschrijving op hoofdlijnen is gereed. Een nadere detaillering daarvan volgt. Daarnaast worden de administraties getoetst op het voldoen aan de vereisten. In 2004 wordt een audit uitgevoerd op de aanwezigheid van activa.
    
   Inspectie van het OnderwijsIn 2003 heeft de inspectie een begin gemaakt met het opstel- len van een risico-analyse m.b.t. de bedrijfsvoering. Op basis van deze inventarisatie is de bedrijfsvoeringstabel specifiek gemaakt voor de inspectie. Wat betreft financieel en materieel beheer zijn de verbeteracties gekoppeld aan de werkprocessen in de administra- tieve organisatie.
    
De informatievoorziening over decentraal ontvangen en beheerde gelden is onvoldoende geregeld, waardoor niet kan worden voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet TES.De minister heeft onvoldoende zicht op decentraal ontvangen en beheerde Europese subsidies, terwijl zij daar wel op kan worden aangesproken.Ontwikkelen van een toezichtinstrumentarium rondom alle decentraal ontvangen en beheerde gelden.OCW geeft aan dat, voordat OCW toezichtsmaatregelen wil treffen, er eerst duidelijkheid moet zijn over de subsidies en instellingen die onder de reikwijdte van de wet TES vallen. In dit verband heeft OCW advies gevraagd aan de Landsadvocaat. Inmiddels is over de reikwijdte van de Wet TES een rijksbrede rapportage – inclusief OCW- deel – verstuurd aan de TK. De verantwoordelijkheden voor de aansturing van en toezicht houden op de drie nationale agentschappen zijn nu eenduidig toegewezen.

BIJLAGE 4

AFKORTINGEN

abaanvullende beurs
ABPAlgemeen Burgerlijk Pensioenfonds
ASCStichting Afrika Studiecentrum
ACOAdviescommissie Onderwijsaanbod
ACOAAdviescommissie Onderwijs Arbeidsmarkt
ADAccountantsdienst
advarbeidsduurverkorting
ahrachterstallig hoger recht
aioassistent in opleiding
almaatacama large millimeter array
alrachterstallig lager recht
ALLAdult Literacy en Lifeskills Survey
AMCAcademisch Medisch Centrum
AMvBAlgemene maatregel van bestuur
AOAlgemeen overleg met de Tweede Kamer
aocagrarisch opleidingencentrum
APSAlgemeen Pedagogisch Studiecentrum
arboarbeidsomstandigheden
atcaccountability, toezicht en controle
avaudiovisueel
avoalgemeen voortgezet onderwijs
AVSAlgemene Vereniging Schoolleiders
AWTAdviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid
AZVUAcademisch Ziekenhuis bij de Vrije Universiteit
BandBilateraal austausch programma Nederland-Duitsland
baobasisonderwijs
bapobevordering arbeidsparticipatie ouderen
BbcuBekostigingsbesluit cultuuruitingen
bblberoepsbegeleidende leerweg
bboberoepsbegeleidend onderwijs
bbpbruto binnenlands product
BioASPBioinformatica Application Service Providers
BisonBeraad Internationale Samenwerking Onderwijs (samenwerkingsverband van de intermediaire organisaties Cinop, Nuffic en EP)
bkbbestuurlijke krachtenbundeling
bkvbeeldende kunst en vormgeving
bmfbreed maatschappelijk functioneren
bolberoepsopleidende leerweg
bol-tdberoepsopleidende leerweg in deeltijd
BPRCBiomedical Primate Research Centre
bpvberoepspraktijkvorming
BrgrBesluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties
bricksbasic research in informatics for creating the knowledge society
BRINBasisregistratie instellingen
BRPBasisregistratie personeel
BsikBesluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur
BsmBekostigingssysteem materieel
bveberoepsonderwijs en volwasseneneducatie
BwooBesluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
BzaBesluit ziekte en arbeidsongeschiktheid
BZKministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
caocollectieve arbeidsovereenkomst
CASOCommissie Automatisering Salarisadministratie Onderwijs
CBSCentraal Bureau voor de Statistiek
CCOCareer Center Onderwijs
CenesaCooperation in education between the Netherlands and South Africa
CernEuropese organisatie voor kern- en hoger energiefysica
CFICentrale Financiën Instellingen
ChepsCentre for higher education policy studies
CinopCentrum voor Innovatie van Opleidingen
cjpcultureel jongeren paspoort
ckvculturele en kunstzinnige vorming
ColoVereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
ComboCombinatie onderwijsorganisatie
COSCommissie van overleg sectorraden
CPBCultureel Planbureau
CPGCentrum voor Parlementaire Geschiedenis
CPSChristelijk Pedagogisch Studiecentrum
Crebocentraal register beroepsopleidingen
CrihoCentraal register instellingen hoger onderwijs
CrohoCentraal register opleidingen hoger onderwijs
CSTPCommittee for Scientific and Technological Policy van de OESO
cumiculturele minderheden
cwlcontactgroep werkend leren
CWTSCentrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies
DeltaDutch education: learning at top level abroad
DIADuitsland Instituut Amsterdam
drodigitaal rijbewijs onderwijs
dudigitale universiteit
EchoExpertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs
ECNEnergie Centrum Nederland
ECTSEuropean Credit Transfer System
EDCTPEuropean and developing countries clinical trails partnership
eerEuropese economische ruimte
eeteconomie, ecologie, technologie
EIBEuropees Instituut voor Bestuurskunde
EIMEconomisch instituut voor midden- en kleinbedrijf
EmbcEuropese moleculaire biologische conferentie
EmblEuropees moleculair biologische laboratorium
EPEuropees platform voor het Nederlandse onderwijs
ESAEuropees ruimte agentschap
ESFEuropees Sociaal Fonds
ESOEuropese organisatie voor astronomisch onderzoek
ESRFEuropean Synchotron Radiation Facility
E-tvEducatieve tv
EUEuropese Unie
evcelders verworven competenties
EyesEuropean year of education through sport
EZministerie van Economische Zaken
FBBSFederatie Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden
FESFonds Economische Structuurversterking
FOIFrontoffice Inburgering
fpuflexibele pensioen uittreden
freformatie rekeneenheden
ftefulltime equivalent (formatie-eenheid)
GBAGemeenschappelijke basisadministratie persoonsgegevens
GBIFGlobal Biodiversity Information Facility
GDGrondmechanica Delft
Gentgehele Europese Nederlandse taalgebied
goagemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid
GOAWet gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid
gsbgrote stedenbeleid
gti'sgrote technologische instituten
havohoger algemeen voortgezet onderwijs
hbohoger beroepsonderwijs
HGISHomogene groep internationale samenwerking
hohoger onderwijs
HOOPhoger onderwijs en onderzoek plan
hrmhuman resources management
HuygensHigh level university year to gain excellence in the Netherlands
IALSInternational Adult Literacy Project
ibinternationaal beleid
IB-GroepInformatie Beheer Groep
ibointerdepartementaal beleidsonderzoek
IBSInstitut Biologie Structurale
ICBInspectie Cultuurbezit
ICNInstituut Collectie Nederland
ICESInterdepartementale Commissie Economische Structuurversterking
ICES/KISInterdepartementale Commissie Economische Structuurversterking/werkgroep kennisinfrastructuur
ictinformatie- en communicatietechnologie
idinstitutional development
id'ersinstroom/doorstroom
ifinterim functievervulling
igbointernationaal georiënteerd basisonderwijs
igvointernationaal georiënteerd voortgezet onderwijs
IHEInternational institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering
IHSInstitute for housing and urban development studies
IISGInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
iivoin instellingstijd verzorgd onderwijs
ILLInstitut Laue-Langevin
ilrindividuele leerrekening
INDImmigratie- en Naturalisatiedienst
iointernationaal onderwijs
iobkin hun ontwikkeling bedreigde kleuters
ipbintegraal personeelsbeleid
ipointerprovinciaal overleg
ISIOInterdepartementale stuurgroep internationaal onderwijs
ISOInterstedelijk Studentenoverleg
ISSInstitute of Social Studies
ITCInternational Institute for Aerospace Survey and Earth Sciences
ITSInstituut voor toegepaste sociale wetenschap
IVAInstituut voor arbeidsvraagstukken
JOBJongerenorganisatie Beroepsonderwijs
KansKoninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen
KBKoninklijke bibliotheek
kblkaderberoepsgerichte leerweg
KCEKwaliteitscentrum examens mbo
kdc-zmlkinderdagcentrum zeer moeilijke kinderen
keakleinschalig experiment achterstandsbestrijding
KeBBKennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven
KNAWKoninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen
KPCKatholiek Pedagogisch Centrum
ksbkwalificatiestructuur beroepsonderwijs
ksekwalificatiestructuur educatie
LAKSLandelijk actie komité scholieren
laolesgeven anders organiseren
lbklandelijk beleidskader (onderwijsachterstanden)
LCTILandelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
LCWLes- en cursusgeldwet
lglichamelijk gehandicapte leerlingen
lgfleerlinggebonden financiering
lhclarge hadron collider
LICALandelijk informatiecentrum aansluiting vo-hbo
lioleraar in opleiding
LNVministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
loblandelijk orgaan beroepsonderwijs
LOKVLandelijke organisatie kunstzinnige vorming
lomleer- en opvoedingsmoeilijkheden
looklandelijk overleg onderwijskansen
LOFARLow Frequency Array
LSVbLandelijke studentenvakbond
lwooleerwegondersteunend onderwijs
MARINMaritiem Research Instituut Nederland
mavomiddelbaar algemeen voortgezet onderwijs
mbomiddelbaar beroepsonderwijs
MenOmisbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen
MEVMacro Economische Verkenningen
MGKMax Grootte Kenniscentrum
MKBMidden- en kleinbedrijf
mlkmoeilijk lerende kinderen
momaatschappij oriëntatie
moamanagement, ondersteuning, arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden
moumemorandum of understanding
mpvmeervoudige publieke verantwoording
MSMMaastricht School of Management
mspmonumenten selectie project
MTNLMulticultulere Televisie Nederland
mvvmachtiging tot voorlopig verblijf
NAANederlands Audiovisueel Archief
NACEENetherlands America commission for educational exchange
NAONederlandse Accreditatie Organisatie
nbiniet bekostigde instelling
NBLCNederlands Bibliotheek en Lectuurcentrum
NCWNederlanse Christelijke Werkgeversbond
NESONetherlands Education Support Office
Ngonon-gouvernementele organisatie
NIASNetherlands Institute for Advanced Studies
NIBUDNationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
NICLNationaal Informatiecentrum Leermiddelen
NIDINederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut
NIPONederlands Instituut voor de Publieke Opiniepeiling
NIZWNederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
NLRNationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium
noatNederlandstalig onderwijs aan anderstaligen
NOBNederlandse Omroepproductie Bedrijf
NOSNederlandse Omroep Stichting
NOWTNederlands Observatoriu van Wetenschap en Technologie
NPSNederlandse Programma Stichting
NRFNationaal Restauratie Fonds
NT2Nederlands als tweede taal
NTUNederlandse Taalunie
NTU/INLNederlandse Taalunie/Instituut voor Nederlandse Lexicologie
NUCNationale Unesco Commissie
NufficNederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs
NWONederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
oa'sonderwijsassistenten
oaltonderwijs in allochtone levende talen
OCWministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OCTOOnderwijscentrum Toegepaste Onderwijskunde
ODAOfficial Development Association
odinonderzoek deelnemersinformatie
oeronderwijs- en examenregeling
OesoOrganisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling
oioonderzoeker in opleiding
okonderwijskansen
osontwikkelingssamenwerking
OUOpen Universiteit
OUNLOpen Universiteit Nederland
ovopenbaar vervoer
ovskopenbaar vervoer studentenkaart
owbonderzoek en wetenschapsbeleid
o&ionderwijs en informatie samenleving
pabopedagogische academie basisonderwijs
PaeponPlatform van aangewezen/erkende particuliere onderwijsinstellingen in Nederland
p-beursprestatiebeurs
pclpermanente commissie leerlingenzorg
pisaprogramme for international student assessment
platopromotie lerarenmobiliteit arbeidservaring en training in het onderwijs
pmpoprocesmanagement primair onderwijs
pmvoprocesmanagement voortgezet onderwijs
poprimair onderwijs
pokprojectgroep onderwijskansen
porpersoonlijke ontwikkelingsrekening
ppspubliek private samenwerking
propraktijkonderwijs
R&DResearch and Development
RADRijksarchiefdienst
RDMZRijksdienst voor de Monumentenzorg
recregionaal expertisecentrum
RgdRijksgebouwendienst
rhcregionale historische centra
rmcregionale meld- en coördinatiefunctie
ROAResearchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
ROBRijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek
rocregionaal opleidingencentrum
rubsregistratie uitstroom en bestemming schoolverlaters
sbaospeciaal basisonderwijs
sbdschoolbegeleidingsdienst
SBOSectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt
sbosecundair beroepsonderwijs
sbustudiebelastingsuren
SCPSociaal en Cultureel Planbureau
SERSociaal Economische Raad
SEOStichting voor Economisch Onderzoek
sfstudiefinanciering
sfbstudiefinancieringsbeleid
SicaStichting internationale culturele activiteiten
SICIstanding international conference of central en general inspectorates of education
silostimulans innovatieve leeromgevingen bve
sirsubsidie individuele reïntegratie
SKOHBOStichting Kennisontwikkeling hbo
SKORStichting Kunst en Openbare Ruimte
SLOInstituut voor leerplanontwikkeling
sloasubsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten
SNOBStichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland
sospeciaal onderwijs
spsschoolbudgetten, personeelsbeleid en schoolontwikkeling
StoebStudent op eigen benen
STTStichting Toekomstbeeld der Techniek
SurfSamenwerkingsorganisatie voor netwerkdienstverlening en informatie- en communicatietechnologie in het hoger onderwijs en onderzoek
SUWIStructuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen
svcstudievoortgangscontrole
svospeciaal voortgezet onderwijs
svuosubsidie voorkoming uitval onderwijspersoneel
SZWministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TCAITijdelijke Commissie Advisering Indicatiestelling
TIMMSTrends in Mathematic and Science Studies
TKTweede Kamer
tlotegemoetkoming lerarenopleiding
TNONederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
TNO-stbTNO strategie, technologie en beleid
toatechnisch onderwijsassistent
tomteamonderwijs op maat
top-modelmodel voor transparante onderwijsprogrammering
TS17-tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (volgens hoofdstuk 3 van de WTOS)
TS18+tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen ouder dan 18 jaar in (deeltijd) voortgezet onderwijs die geen recht meer hebben op VO18+ en studerenden in het hoger onderwijs van 18 jaar en ouder aan lerarenopleidingen die geen recht meer hebben op WSF (volgens hoofdstuk 5 van de WTOS)
uduniversitair docent
uhduniversitair hoofddocent
ulouniversitaire lerarenopleiding
UnescoUnited Nations educational scientific and cultural organisation
UNUUnited Nations University
USZOUitvoeringinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs
UvAUniversiteit van Amsterdam
UWVUitvoering werknemersverzekeringen
vavovoortgezet algemeen volwassenenonderwijs
vbovoorbereidend beroepsonderwijs
vbtbvan beleidsbegroting tot beleidsverantwoording
VeLoVereenvoudigd Londostelsel
v&ivreemdelingenbeleid en integratie
VfVervaningsfonds
Visievolledige internationale studie Europa
VL-EVirtueel Laboratorium voor E-science
vmbovoorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VNOVerbond van Nederlandse Ondernemingen
vovoortgezet onderwijs
VO18+Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (volgens hoofdstuk 4 van de WTOS)
voavoorbereidende en ondersteunende activiteiten
VROMministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
VSNUVereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
vsovoortgezet speciaal onderwijs
vsvvoortijdig schoolverlaten
VSWOVereniging van Samenwerkende Werkgeversorganisaties in het Onderwijs
VUVrije Universiteit
vvevoor- en vroegschoolse educatie
VVOVereniging voor het management in het voortgezet onderwijs
VenWministerie van Verkeer en Waterstaat
vwovoorbereidend wetenschappelijk onderwijs
VWSministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAOWet arbeidsongeschiktheid
WBSOWet bevordering speur- en ontwikkelingswerk
WEBWet educatie en beroepsonderwijs
WECWet op de expertise centra
WeTeNStichting Wetenschap en Techniek Nederland
WINWet inburgering nieuwkomers
wiowerken in het onderwijs
WISWachtgeld informatiesysteem
WHWWet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
WLWaterloopkundig Laboratorium
WMOWet medezeggenschap onderwijs
wowetenschappelijk onderwijs
WORWet op de ondernemingsraden
wpwetenschappelijk personeel
wopiwetenschappelijk onderwijs personeels informatie
WOTWet onderwijstoezicht
WPOWet op het primair onderwijs
WSCWet op het specifiek cultuurbeleid
WSFWet studiefinanciering
WSLOAWet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten
wsnsweer samen naar school
WSWWet sociale werkvoorziening
wtcwetenschap- en techniekcommunicatie
WTOWorld Trade Organisation
WTO-gatsWorld Trade Organisation – general agreement on Trade in Services
WTOSWet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
WTOS18+tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht hebben op SF of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS)
WTSWet tegemoetkoming studiekosten
WTS18+tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht heeft op studiefinanciering of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS)
WVAWet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen
WVOWet op het voortgezet onderwijs
WVOIWerkgeversvereniging onderzoekinstellingen
WWWerkloosheidswet
zbozelfstandig bestuursorgaan
zmlzeer moeilijk lerend
zvooziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel

BIJLAGE 5

TREFWOORDEN

Aankoopfonds 373, 374

Aanvullende beurs 230, 231, 232, 233, 234, 321

Achterstallig recht 322, 398

Achterstandenbeleid 17, 38, 42, 43, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 56, 78, 101, 130, 308, 314, 315, 391

Actieplan cultuurbereik 245, 249, 250, 252, 254, 257

Allochtonen 35, 148, 149, 157, 390

Arbeidsmarktknelpunten 103, 316

Arbeidsvoorwaarden 16, 24, 70, 103, 108, 119, 165, 166, 186, 187, 190, 195, 196, 301, 302

Archeologie 248, 251, 257, 258, 260, 263, 323

Archiefwet 342

Archieven 246, 248, 257, 259, 260, 263, 323, 324, 342, 343, 344, 346, 347, 348, 349, 350, 351, 352, 353, 354, 355, 358, 360

Aspasia 284, 287, 300, 326, 398

Basisbeurs 230, 231, 232, 233, 321

Basisvorming 23, 33, 79, 80, 81, 83, 92, 93, 94, 110, 253, 315, 399, 407

Beeldende kunst 249, 250, 251

Bekostiging 13, 15, 18, 19, 24, 34, 35, 37, 41, 47, 48, 50, 55, 56, 57, 61, 69, 74, 75, 76, 80, 88, 93, 98, 102, 104, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 117, 118, 119, 120, 123, 124, 142, 143, 155, 159, 166, 168, 179, 204, 228, 260, 281, 306, 307, 308, 314, 317, 318, 331, 340, 341, 378, 383, 384, 389

Beroepskolom 5, 10, 11, 12, 16, 18, 31, 32, 33, 100, 118, 121, 132, 134, 135, 136, 137, 148, 222, 400, 405

Beroepsonderwijs 5, 11, 13, 15, 16, 18, 25, 30, 31, 36, 38, 84, 95, 100, 111, 112, 113, 117, 118, 119, 121, 122, 123, 125, 132, 134, 135, 136, 137, 138, 141, 148, 172, 174, 177, 180, 184, 190, 192, 201, 202, 203, 210, 214, 221, 225, 226, 227, 228, 235, 301, 302, 303, 312, 362, 363, 376, 378, 380, 381, 389, 390, 392, 394, 395, 396, 399, 400, 401, 402, 404, 405, 406, 407, 408, 409, 410

Beroepsopleidende leerweg 84, 232, 238, 242, 389, 395, 400

Beroepspraktijkvorming 118, 121, 227, 389, 400, 405

Bestuurlijke krachtenbundeling 75, 76, 389

Beurzenprogramma 171, 172, 173, 174, 175, 176

Bibliotheken 52, 53, 219, 246, 248, 255, 261, 262, 263, 273, 323, 342

Bilaterale samenwerking 20, 175, 296, 298

BPRC 290, 291, 300, 326, 389

Bve Raad 13, 32, 117, 119, 121, 122, 123, 124, 135, 136, 409

Bve-sector 15, 16, 114, 115, 119, 120, 122, 136, 190, 191, 192, 199, 201, 202, 206, 207, 208, 209, 211, 212, 219, 220

Collegegeld 13, 27, 143, 160, 167, 238, 401

Conservering 291, 292, 343, 350, 357

Convenant 13, 14, 15, 16, 26, 29, 38, 56, 118, 119, 122, 123, 136, 148, 151, 165, 166, 186, 187, 195, 198, 204, 205, 206, 207, 210, 261, 277, 282, 290, 291, 292, 328

Cultureel erfgoed 180, 182, 250, 251, 257, 324, 330

Culturele diversiteit 249, 253

Culturele planologie 249, 250, 251

Cultuur en school 37, 249, 253, 254

Cultuuruitingen 244, 389

Decentralisatie arbeidsvoorwaarden 119, 165, 195

Deelname 30, 51, 52, 53, 59, 79, 101, 106, 131, 148, 150, 152, 157, 176, 180, 181, 182, 222, 296, 297, 359

Deregulering 12, 13, 14, 15, 17, 21, 22, 25, 29, 41, 76, 108, 245

Differentiatie 13, 27, 35, 70, 103, 153, 167, 236

Doelgroepenbeleid 111, 148, 155, 317

Doorstroom 16, 18, 31, 32, 83, 85, 86, 87, 95, 96, 111, 134, 135, 136, 143, 150, 157, 165, 190, 192, 194, 198, 210, 284, 287, 391, 398, 405

Educatie 5, 11, 13, 15, 18, 25, 30, 31, 33, 34, 36, 38, 39, 42, 50, 55, 84, 100, 111, 113, 117, 118, 119, 125, 126, 127, 128, 129, 131, 132, 133, 135, 174, 180, 184, 190, 192, 202, 203, 214, 215, 218, 219, 220, 221, 225, 226, 227, 228, 229, 246, 247, 248, 249, 253, 254, 263, 266, 267, 294, 297, 302, 303, 307, 312, 315, 316, 320, 323, 357, 360, 362, 376, 378, 380, 381, 389, 390, 392, 395, 396, 401, 402, 404, 405, 407, 410

Educatieve software 213, 220

Enveloppebrief 160

ESF 130, 315, 316, 337, 390

FES 20, 139, 276, 288, 289, 300, 303, 316, 326, 391

Film 178, 246, 248, 249, 253, 256, 263, 292, 323, 357, 358

Fondsen 29, 41, 47, 179, 186, 187, 248, 252, 253, 255, 260, 263, 279, 323, 324, 352, 355, 378, 380

Fundamenteel onderzoek 294

Genomics 278, 288, 289, 290, 297, 300, 326, 403

Gewichtenregeling 34, 50, 51, 54, 73

Gigaport 403

GOA 50, 52, 53, 54, 55, 101, 308, 391

Groepsgrootte en kwaliteit 24, 65, 66

Havo/vwo 23, 33, 79, 82, 83, 84, 87, 96, 98, 101, 105, 110, 254, 315, 409

Hoger beroepsonderwijs 28, 35, 37, 97, 141, 142, 155, 160, 167, 174, 178, 184, 207, 230, 232, 317, 380, 391, 403, 405, 406, 411

Hoger onderwijs 13, 16, 18, 19, 27, 28, 35, 37, 83, 87, 96, 117, 141, 142, 143, 144, 148, 149, 150, 153, 154, 156, 157, 158, 160, 163, 165, 166, 167, 171, 172, 173, 174, 176, 177, 190, 207, 213, 227, 228, 233, 234, 235, 236, 238, 302, 303, 321, 391, 393, 394, 395, 396, 402, 403, 411

Huisvesting 24, 40, 45, 48, 71, 72, 79, 107, 116, 143, 160, 161, 168, 290, 297, 318, 324, 328, 336, 346, 348, 354, 358, 380, 395, 398

Inburgering 33, 39, 111, 125, 126, 129, 133, 308, 315, 316, 391, 396, 404

Individuele leerrekening 128, 129, 404

Informatie- en communicatietechnologie 10, 17, 109, 121, 214, 288, 316, 394

Instroom 15, 17, 18, 27, 61, 96, 102, 103, 119, 142, 149, 150, 152, 157, 158, 163, 165, 172, 191, 192, 207, 208, 209, 283, 340, 341, 358, 391, 398

Internationale samenwerking 170, 172, 276, 296, 391

Inventaris 21, 26, 35, 137, 152, 172, 179, 217, 308, 309, 311, 333, 349, 350, 386, 388

Jeugdbeleid 14, 36, 99

KCE 124, 125, 392, 405

KeBB 132, 392

Kennisnet 17, 32, 33, 74, 110, 132, 214, 215, 216, 218, 219, 220, 221, 224, 227, 228, 320

Koers 13, 18, 32, 34, 118, 119, 123, 125, 126, 127, 135

Kwalificatiestructuur 13, 113, 118, 122, 195, 210, 211, 392, 400

Kwalificatiewinst 134, 136, 405

Kwaliteit 12, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 27, 30, 31, 32, 34, 36, 41, 42, 43, 44, 45, 49, 53, 60, 64, 66, 69, 71, 72, 73, 74, 78, 81, 82, 83, 92, 94, 95, 100, 104, 105, 106, 107, 112, 116, 117, 118, 119, 121, 124, 125, 126, 131, 136, 137, 141, 142, 144, 147, 153, 154, 155, 156, 158, 164, 170, 172, 173, 174, 184, 190, 194, 196, 199, 202, 210, 213, 215, 217, 220, 225, 244, 247, 256, 260, 264, 273, 276, 281, 282, 283, 287, 295, 296, 298, 306, 309, 310, 311, 314, 317, 392, 405

Kwaliteitsbeleid 106

Kwaliteitscentrum examens 392

Leerlingenzorg 42, 44, 59, 60, 393

Leerlinggebonden financiering 56, 57, 58, 59, 337, 341, 392

Leerlingvolgsysteem 66, 67, 110

Leermiddelen 73, 93, 132, 220, 222, 230, 393

Leerplicht 18, 36, 42, 53, 61, 62, 99, 100, 102, 130, 242, 254, 314

Leerwerktrajecten 94, 100

Lerarenbeleid 104, 188, 222, 319

Les- en cursusgeldwet (LCW) 242

Lesgeld 5, 79, 238, 239, 242, 243, 312, 321, 323, 367, 376, 377

Letteren 179, 246, 248, 252, 253, 260, 261, 263, 323

Leven lang leren 17, 128, 129

Liquiditeit 88, 89, 90, 91, 114, 115, 145, 161, 245, 278, 279, 280, 350, 351, 380, 382, 406

Loopbaanperspectief 164, 165, 199, 285

Materiële bekostiging 108

Metamorfoze 291, 292, 293

Middelbaar beroepsonderwijs 119, 174, 240, 392, 400, 401, 402, 403, 405, 406, 408, 409, 410

Monumenten 257, 259, 392, 404

Monumentenzorg 248, 251, 257, 259, 260, 263, 304, 310, 323, 394

Musea 40, 245, 248, 250, 257, 258, 259, 263, 323, 324, 342, 373, 374

Numerus fixus 27, 163, 166

OALT 35, 55, 56, 78, 314

Octrooibeleid 294, 295, 296

Onderwijskansen 50, 51, 52, 53, 54, 101, 392, 393, 394

Onderwijsprogrammering 123, 395, 409

Onderzoekspersoneel 187, 188, 319, 396

Ontwikkelingssamenwerking 176, 393

Ov-studentenkaart 230, 233, 321

Podiumkunsten 179, 246, 247, 248, 252, 253, 263, 323

Prestatiebeurs 231, 233, 235, 237, 321, 377, 393

Primair onderwijs 13, 17, 22, 24, 25, 31, 34, 41, 42, 43, 48, 51, 54, 55, 56, 58, 61, 63, 64, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 74, 75, 76, 77, 78, 118, 174, 180, 182, 184, 195, 200, 202, 203, 204, 207, 208, 209, 211, 221, 225, 227, 302, 314, 331, 378, 394, 399, 408

Raad voor Cultuur 29, 244, 245, 261, 304

Regeerakkoord 281, 300, 306, 309, 310, 326, 344

Reisvoorziening 230, 237, 321

Rendement 48, 82, 83, 84, 87, 100, 113, 134, 143, 144, 152, 153, 160, 277

Rentabiliteit 88, 89, 91, 92, 114, 115, 116, 145, 146, 161, 162, 408

Rentedragende lening 230, 233, 321, 322, 376, 377

Renteloze voorschotten 322, 376, 377

Rijksbijdrage 28, 91, 112, 113, 118, 122, 123, 143, 159, 179, 277, 278, 279, 280, 307, 308, 317, 318, 343, 348, 353, 354, 355, 356

Roc 112

Schoolgids 105

Schoolontwikkeling 62, 94, 394

Silo 132, 394

Solvabiliteit 88, 89, 90, 91, 114, 115, 145, 146, 161, 162, 245, 278, 279, 280, 281, 376, 378, 408, 409

Studiefinanciering 5, 20, 123, 142, 157, 173, 174, 175, 230, 231, 234, 235, 236, 237, 302, 312, 321, 332, 366, 376, 377, 379, 380, 385, 394, 396, 398, 407

Studieschuld 234, 332

Studievoortgang 322, 394

Taskforce inburgering 126

Technocentra 5, 138, 139, 140, 303, 312, 316, 363

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 395

Tempobeurs 231

Toegankelijkheid 12, 17, 41, 42, 43, 44, 45, 49, 78, 79, 104, 111, 141, 154, 156, 157, 194, 215, 220, 231, 238, 250, 255, 264, 276, 277, 293, 314, 410

Universitaire lerarenopleiding 15, 166

Variëteit 156

Vernieuwingsimpuls 278, 284, 285, 287, 300, 326, 410

Vervangingsfonds 47, 205, 315, 319, 376, 378, 379, 380

Vmbo 16, 18, 23, 30, 31, 32, 33, 72, 79, 82, 83, 84, 85, 94, 95, 99, 100, 101, 103, 105, 107, 109, 110, 112, 114, 121, 130, 134, 135, 136, 137, 204, 209, 221, 222, 253, 254, 395, 400, 402, 403, 405, 406, 408, 410

Voor- en vroegschoolse educatie 38, 51, 52, 54, 307

(voortgezet) speciaal onderwijs 57, 58, 59, 74

Voortijdig schoolverlaten 18, 31, 100, 129, 130, 395

Vouchers 253, 254, 324

Vraagfinanciering 24, 76, 77, 120, 167, 208

Wachtgeld 25, 201, 334, 336, 339, 344, 347, 348, 351, 376, 377, 396

WEC 24, 41, 48, 62, 69, 102, 396

Weer samen naar school 42, 59, 61, 73

Wet op de studiefinanciering (WSF) 174

Wetenschappelijk onderwijs 27, 28, 35, 96, 142, 156, 157, 159, 163, 167, 174, 180, 182, 184, 190, 230, 232, 235, 318, 396, 399, 400, 401, 402, 403, 406, 407, 408, 409, 410, 411

Wetenschaps- en techniekcommunicatie 293

Wetenschapsbudget 12, 13, 276, 281, 282, 294, 298

Wisselwerking 20, 134, 244, 281, 294

WPO 24, 41, 47, 62, 69, 102, 396

Ziekteverzuim 70, 120, 204, 205, 206, 207, 311

Zij-instromers 15, 31, 70, 71, 103, 158, 186, 207, 208

Zorgbudget 60

BIJLAGE 6

BEGRIPPEN

Aantal gediplomeerden in een onderwijssector

Het op de peildatum (1 oktober) bepaalde aantal afgestudeerden in het direct daaraan voorafgaande schooljaar of het geraamde aantal afgestudeerden in een (deel-)onderwijssector. Voor het primair onderwijs geldt het aantal deelnemers dat de sector po verlaat in het schooljaar voorafgaand aan de peildatum en in een andere onderwijssector instroomt.

Aantal onderwijsdeelnemers in een onderwijssector

Het op de peildatum (1 oktober) getelde of geraamde aantal ingeschreven onderwijsdeelnemers in een (deel-)onderwijssector.

Achterstallig recht

Achterstallig recht, te verdelen in achterstallig lager recht en achterstallig hoger recht, betreft een correctie voor onterecht (niet) verstrekte studiefinanciering. Oorzaken van deze achterstallige rechten zijn onder meer (onbewuste) fouten in de gegevens die studenten moeten aanleveren, fouten van de IB-Groep bij verwerking van die gegevens en fraude.

Agentschap

Een agentschap is één van de modellen voor verzelfstandiging, namelijk een interne verzelfstandiging met een beheersmatig karakter. De ministeriële verantwoordelijkheid en het budgetrecht van de Kamer worden door deze verzelfstandiging niet ingeperkt. Een agentschap past een baten-lastenstelsel toe, heeft een afzonderlijke plaats in de begroting en voert een administratie los van de begrotingsadministratie van het moederministerie.

Algemeen voortgezet onderwijs

Het algemeen voortgezet onderwijs (avo) omvat middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs duurt 4 jaar en is voor leerlingen van 12–16 jaar. Hoger algemeen voortgezet onderwijs duurt 5 jaar, voor leerlingen van 12–17 jaar.

Apparaatskosten

Het totaal van de personele en materiële uitgaven (voor huisvesting, energie, apparatuur, schoonmaken etc.) van het ministerie.

Artikel

Eenheid voor het boeken van uitgaven of ontvangsten op de begroting. Onderling samenhangende begrotingsartikelen worden samengevoegd op één hoofdbeleidsterrein. Begrotingsartikelen hebben een uniek nummer op de begroting en zijn veelal op te splitsen in meerdere artikelonderdelen.

Artikelonderdeel

Onderdeel van een begrotingsartikel. Artikelonderdelen maken geen deel uit van de begrotingsstaat.

Aspasia

Stimuleringsprogramma dat beoogt een initiërende bijdrage te leveren aan de vergroting van de doorstroom van vrouwen van universitair docent naar universitair hoofddocent.

Assistent opleiding

De assistent opleiding duurt een half tot één jaar en leidt op tot niveau één van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, niveau één is het laagste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen zijn meestal vanaf ongeveer 16 jaar oud.

Atheneum

Het atheneum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Er wordt op het atheneum geen Grieks en Latijn gegeven. Andere schooltypen in het vwo zijn het gymnasium en het lyceum. Zie beroepsonderwijs.

Basisberoepsopleiding

De basisberoepsopleiding duurt twee tot drie jaar en leidt op tot niveau twee van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen die naar een basisberoepsopleiding gaan zijn ongeveer 16 jaar oud.

Basisonderwijs

Basisonderwijs wordt gegeven aan scholen voor basisonderwijs en is bestemd voor leerlingen van 4 tot ongeveer 12 jaar. Het onderwijs omvat in principe acht aaneensluitende jaren. De overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs is primair onderwijs.

Basisvorming

Voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) beginnen met een periode van basisvorming van drie jaar. Het doel is een brede vorming te geven aan leerlingen tussen 12 en 15 jaar. Er is geen strikte scheiding tussen algemene en technische vakken. Basisvorming is geen schooltype, maar een inhoudelijke vernieuwing die geldt voor alle schooltypen binnen het voortgezet onderwijs die aanvangen na het basisonderwijs.

Baten-lastenstelsel

In een baten-lastenstelsel worden de uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten ontstaan. Dit stelsel maakt het mogelijk om de integrale kosten en opbrengsten af te leiden uit de administratie en leidt daarmee tot een doelmatiger beheer.

Bedrijfsvoering

Het geheel van activiteiten inzake de aanwending van financiële, materiële en informatiemiddelen in het kader van de beleids- en begrotingsprocessen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt.

Begrotingswet

Wet waarbij de financiële vastlegging van het te voeren beleid met betrekking tot een begrotingsjaar is geautoriseerd. De wet bevat ramingen van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten.

Beleidsevaluatie

Onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van het te voeren (ex ante) en/of gevoerde (ex post) beleid.

Beleidsintensivering

Verhoging van uitgaven en/of verlaging van ontvangsten ten opzichte van de begroting en/of de meerjarencijfers, waaraan een beleidsbeslissing ten grondslag ligt.

Beleidsterrein

Het beleidsterrein is de afbakening van een aandachtsgebied binnen de taakopdracht van het departement. Per begroting worden de begrotingsartikelen zodanig afgebakend en gegroepeerd dat deze gezamenlijk een helder beeld geven van de onderwerpen van beleid.

Beroepskolom

De route van vmbo, via mbo, naar hbo.

Beroepsonderwijs

Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het algemeen voortgezet onderwijs (avo), en is voor leerlingen vanaf ongeveer 16 jaar. Het beroepsonderwijs omvat vier opleidingsniveaus: de assistent opleiding, de basisberoepsopleiding, de vakopleiding en de middenkader- of specialistenopleiding. Alle opleidingen bevatten een beroepsopleidende leerweg (beroepspraktijkvorming 20–60%) en een beroepsbegeleidende leerweg (meer dan 60% beroepspraktijkvorming).

Beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20% en maximaal 60% van de studieduur is een praktijkdeel. In de bbl opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 60% of meer van de studieduur.

Beroepspraktijkvorming

Het onderricht in de praktijk van het beroep.

Budgettair neutraal

Zonder effect op het saldo van uitgaven en ontvangsten van de begroting.

Centraal register beroepsopleidingen

Het centraal register beroepsopleidingen (crebo) is een systematische geordende verzameling van gegevens met betrekking tot de opleidingen uit de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs die door de bekostigde en niet-bekostigde instellingen worden verzorgd. Het crebo bevat een overzicht van opleidingen per instelling en registreert voor elke deelkwalificatie welke exameninstellingen de externe legitimering kunnen verzorgen.

Centraal examen

Het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Het maakt samen met het schoolexamen deel uit van het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs. Zie eindexamen.

Certificaat

Voor een met succes afgerond vak of deelkwalificatie kan een certificaat worden verkregen. Meerdere certificaten kunnen leiden tot een diploma, ter afsluiting van een volledige opleiding. Certificaten zijn te behalen in het algemeen vormend onderwijs, het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, educatie en beroepsonderwijs (vanaf 1–8-97) en de Open Universiteit. Bij voldoende afsluiten van de opleiding schoolleiders primair onderwijs wordt ook een certificaat behaald.

Certificaateenheid

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met certificaateenheden. Certificaateenheden hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het nieuwe mbo, dat in augustus 1997 van start is gegaan, worden de certificaateenheden vervangen door deelkwalificaties.

Collegegeld

Collegegeld is de verplichte eigen bijdrage van de student. Collegegeld is verschuldigd door de inschrijving als student voor een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool.

Deelkwalificatie

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met deelkwalificaties. Deelkwalificaties hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs.

Diploma

Bij het met succes afronden van een bepaalde opleiding wordt een diploma verkregen. Dit geldt voor het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), educatie en beroepsonderwijs (na 1-8-97) en voor de deeltijd opleiding tot leraar speciaal onderwijs.

Doelmatigheidskengetal

Een doelmatigheidskengetal geeft de kostprijs per activiteit of prestatie aan.

Doeltreffendheidskengetal

Een doeltreffendheidskengetal geeft de mate aan waarin zich beoogde en niet beoogde effecten van beleid voordoen.

Educatie

Educatie is gericht op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van volwassenen door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften, mogelijkheden en ervaringen, alsmede bij maatschappelijke behoeften.

Educatie omvat opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid. Educatie is uitsluitend voor volwassenen. Waar mogelijk sluit de educatie aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs.

Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge is het bedrag dat moet worden gecompenseerd in, respectievelijk mag worden meegenomen naar het volgende begrotingsjaar. Het gaat daarbij om een tekort of overschot (als saldo van de uitgaven en ontvangsten) in het betreffende begrotingsjaar. De eindejaarsmarge bedraagt maximaal 1% van het begrotingstotaal. Op deze wijze kan het ondoelmatig besteden van begrotingsgelden worden beperkt.

Eindexamen

Het eindexamen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) bestaat uit twee delen: het schoolexamen en het centraal examen. Het schoolexamen wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Zie ook centraal examen, schoolexamen.

Eindtermen

Definitie van de kennis, vaardigheden en competenties die van deelnemers op elk van de kwalificatieniveaus worden verwacht

Eindtoets basisonderwijs

Eindtoets voor het basisonderwijs, die scholen kunnen gebruiken om hun resultaten te meten en te kunnen vergelijken met andere scholen. Ongeveer 75% van de scholen gebruikt de eindtoets basisonderwijs van het Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito).

Examen

Een examen is een afsluiting van een opleiding of een deel van een opleiding. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) zijn voltooid na het examen. De meeste opleidingen in beroepsonderwijs en educatie kunnen worden afgesloten met een examen of een staatsexamen. In het hoger onderwijs kan er aan het eind van het eerste studiejaar een propedeutisch examen zijn. Na vier jaar is er een afsluitend examen. Zie ook centraal examen.

Financieel beheer

Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de uitgaven, de verplichtingen, de ontvangsten en de voorschotten van het ministerie.

Financieel beheerbrief

In de financieel beheerbrief geeft het ministerie van Financiën (DAR) op basis van de rapporten van de OCW-accountantsdienst en eigen onderzoeken haar opmerkingen bij het financieel beheer over een bepaald jaar en de ontwikkelingen naar het hierop volgend jaar. Deze brief verschijnt uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop de brief betrekking heeft.

Gedwongen winkelnering

De gemeenten zijn volgens de WEB verplicht om educatie bij roc's in te kopen voor zover de gemeente deze financiert uit het rijksbudget educatie. Deze verplichting is in de WEB opgenomen om enerzijds de gemeenten en de roc's gelegenheid te geven een contractrelatie tussen beide op te bouwen en anderzijds om een doorlopende leerlijn en soepele doorstroming vanuit de educatie naar het mbo te waarborgen.

Genomics

Het door grootschalige DNA sequentieanalyse in kaart brengen van mensen, dieren, planten en micro-organismen en het grootschalig onderzoek naar de functie van genen en de manier waarop erfelijke eigenschappen zoals vastgelegd in de genen, worden vertaald naar het functioneren van een cel en uiteindelijk het gehele organisme. Ook «high throughput» technologieën zoals proteomics en metabolomics en de bioinformatica, die informatieverwerking en analyse van de zeer grote hoeveelheden complexe data mogelijk maken, vallen onder genomics.

Getuigschrift

De afgestudeerden van een hoger beroepsopleiding (hbo) of een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs (wo) ontvangen een getuigschrift. Hierop staat vermeld de studierichting en het vak. Indien een lerarenopleiding is gedaan wordt ook de bevoegdheidsgraad vermeld. Bij het hoger beroepsonderwijs worden ook vermeld: voltijd- of deeltijdopleiding, de duur van de opleiding en de titel.

Gigaport

Project waarmee wordt beoogd Nederland een voorsprong te geven in de ontwikkeling en het gebruik van een geavanceerde en innovatieve internettechnologie.

Grote technologische instituten

Hieronder vallen de volgende instellingen: Stichting Waterloopkundig Laboratorium, Stichting Grondmechanica Delft, Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, Stichting Maritiem Research Instituut Nederland en Energiecentrum Nederland (het ECN ontvangt sinds 1983 geen bijdrage meer van OCW).

Gymnasium

Het gymnasium is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het gymnasium zijn Grieks en Latijn verplicht. Andere schooltypen in het vwo zijn het atheneum en het lyceum.

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Hoger algemeen voorgezet onderwijs duurt vijf jaar voor leerlingen van 12–17 jaar. Het bereidt leerlingen hoofdzakelijk voor op het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Hoger beroepsonderwijs

De bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) duren vier jaar en zijn bestemd voor studenten met een diploma havo, vwo of mbo 4-jarig. Het hbo is georganiseerd in zeven sectoren (Chroho-onderdelen) en wordt gegeven aan 50 hogescholen. Het maakt samen met het wetenschappelijk onderwijs deel uit van het hoger onderwijs.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs omvat het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo).

Inburgering

Inburgering is de eerste fase van integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Hierbij wordt gestreefd nieuwkomers door een vlot en intensief programma zo snel mogelijk een vorm van zelfredzaamheid te laten bereiken. Het inburgeringstraject heeft een welzijns- en educatieve component. De educatieve component is een programma dat kan bestaan uit onderwijs in Nederlands als tweede taal, maatschappelijke oriëntatie en beroepenoriëntatie.

Individuele leerrekening

Spaarrekening bestemd voor scholing en opleiding.

In hun ontwikkeling bedreigde kleuters

Onderwijs voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is er afgestemd op de specifieke moeilijkheden die jonge kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Iobk-onderwijs wordt gegeven aan afdelingen, verbonden aan scholen voor speciaal basisonderwijs en is voor kinderen van 3–7 jaar met ontwikkelingsproblemen.

Individueel voorbereidend beroepsonderwijs

Het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo) maakt deel uit van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en is bedoeld voor leerlingen die veel hulp en individuele aandacht nodig hebben. Het ivbo is onderwijs in de eerste fase van het voortgezet onderwijs en duurt vier jaar, voor leerlingen van 12–16 jaar. Met ingang van 1 augustus 1998 is het ivbo veranderd in afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs. Zie ook leerwegondersteunend onderwijs.

Intensivering

Zie beleidsintensivering.

Kanjers

Een nationale keurcollectie van bijzondere gebouwen en complexen uit verschillende tijden. Rijksmonumenten die om verschillende redenen grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding van groot belang is.

Kas-/verplichtingenadministratie

Een administratie waarin de aangegane verplichtingen worden geregistreerd, tezamen met de hieruit voortvloeiende betalingen in het jaar van aangaan en eventuele volgende jaren. Gedane betalingen worden geregistreerd in relatie tot de aangegane verplichtingen, zodat de nog openstaande verplichtingenbedragen kunnen worden vastgesteld.

Kasverschuiving/kasschuif

Een vervroeging of vertraging van de uitgaven over de jaargrens heen.

Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven

Per bedrijfstak of groep van bedrijfstakken is er een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven (kbb). Het bestuur van een kbb bestaat uit werkgevers en werknemers (bipartiet) of uit vertegenwoordigers werkgevers, werknemers en onderwijsinstellingen (tripartiet).

Kengetal

Een kengetal is een getal dat inzicht geeft in de situatie en/of de ontwikkeling van een beleids- of productieproces.

Kwalificatieniveau beroepsonderwijs

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs bestaan 4 kwalificatieniveaus. Aan elk niveau is een opleiding verbonden. De niveaus zijn:

NiveauOpleidingDuur
1 Eenvoudige uitvoerende werkzaamhedenAssistent opleiding0,5–1 jaar
2 Uitvoerende werkzaamhedenBasisberoepsopleiding2–3 jaar
3 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamhedenVakopleiding2–4 jaar
4 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamheden met brede inzetbaarheid dan wel specialisatieMiddenkaderopleidingSpecialistenopleiding3–4 jaar1–2 jaar

Kwalificatieniveau educatie

Binnen de educatie zijn zes kwalificatieniveaus, die worden aangeboden via 4 soorten opleidingen: de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) I en II, en de opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren en gericht op sociale redzaamheid (basiseducatie).

Kwalificatiewinst

Toename van het aantal gediplomeerden in de beroepskolom (vo, mbo, hbo) als gevolg van vermindering van de ongediplomeerde uitval en verbetering van de doorstroom naar de hogere opleidingsniveaus in het beroepsonderwijs.

KwaliteitsCentrum Examinering

Het KwaliteitsCentrum Examinering (KCE) is een instantie die – met ingang van de inwerkingtreding van de beoogde nieuwe examensystematiek beroepsonderwijs – belast is met het toezicht op de examens mbo aan de hand van de standaarden voor de examenkwaliteit.

Lectoraten/kenniskringen

Het in het hoger beroepsonderwijs aanstellen van lectoren/instellen van kenniskringen ter versterking van de kenniseconomie.

Leer- en opvoedingsmoeilijkheden

Onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.

Leerwegen: beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20% en maximaal 60% van de studieduur is een praktijkdeel. In de bbl opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 60% of meer van de studieduur.

Leerwegondersteunend onderwijs

Afdeling binnen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) voor leerlingen die moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, en meer individuele begeleiding nodig hebben dan in het gewone vmbo (gericht op het verwerven van een diploma).

Liquiditeit (current ratio)

Liquiditeit is een maatstaf voor de mate waarin de instelling op korte termijn aan zijn schulden kan voldoen, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal als resultaat van de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden. Voor de beoordeling van de liquiditeitspositie van een instelling worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een liquiditeitsratio van meer dan 1,2 is goed, tussen 0,6 en/of gelijk aan 1,2 is matig/voldoende en 0,6 of lager is slecht.

Loonbijstelling

Middelen die nodig zijn om de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van loonstijgingen te financieren.

Lyceum

Het lyceum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het lyceum zijn Grieks en Latijn keuzevakken. Andere schooltypen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zijn het atheneum en het gymnasium.

Meevaller

Lagere begrotingsuitgaven of hogere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.

Middelbaar beroepsonderwijs

Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) behoort tot de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Onderwijs in het mbo duurt vier jaar en is voor leerlingen van 16–20 jaar. Er worden zowel algemene als beroepsgerichte vakken gegeven. In het mbo stromen leerlingen door naar een baan of naar het hoger beroepsonderwijs (hbo). In augustus 1997 is het mbo opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

Middenkaderopleiding

De middenkaderopleiding duurt drie tot vier jaar en leidt op tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), drie jaar hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar.

Moeilijk lerende kinderen

Onderwijs voor moeilijk lerende kinderen is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.

Nota van wijziging

Een door het ministerie ingediende verandering op een wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer in behandeling is.

Ombuiging

Beleidsmatige verlaging van de begroting.

Onderwijs- en examenregeling

De onderwijs- en examenregeling is het document waarin de belangrijkste kenmerken van de opleiding waaronder inhoud en inrichting, de studieduur voor een groep of groepen van deelnemers en de toetsing en examinering, worden vastgelegd door het bevoegd gezag van de instelling. Ook wordt in de onderwijsen examenregeling vastgelegd welke opleidingstrajecten voldoen aan de eisen van de Wet studiefinanciering (WSF) of de eisen voor tegemoetkoming van de studiekosten voor studerenden tot 18 jaar.

Onderwijskundig rapport

Aan het einde van de basisschool krijgen de leerlingen geen getuigschrift of diploma, maar een onderwijskundig rapport over de schoolvorderingen en leermogelijkheden. Dit rapport wordt opgesteld door de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school voor voortgezet onderwijs. Een afschrift van het rapport wordt aan de ouders van de leerlingen verstrekt. De minister van onderwijs, cultuur en wetenschap kan nadere voorschriften over dit rapport geven.

Onderwijsovereenkomst

De onderwijsovereenkomst is de overeenkomst tussen deelnemer en bevoegd gezag die ten grondslag ligt aan de inschrijving. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen tussen instelling en deelnemer.

In de overeenkomst worden per deelnemer zaken zoals de inhoud van het onderwijs, de examens en de studiebegeleiding overeengekomen.

Ontwerpbegroting

Begrotingswetsvoorstel dat (ter autorisatie) bij de Staten-Generaal wordt ingediend op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Open Universiteit

De Open Universiteit is een instelling voor afstandsonderwijs, die opleidingen biedt op het niveau van het wetenschappelijk onderwijs, voor personen van 18 jaar en ouder. De Open Universiteit is vooral gericht op personen die geen studie op de gebruikelijke manier kunnen of willen volgen.

Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren

Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren maken deel uit van de educatie en zijn gericht op het eindniveau van de eerste fase van het voorgezet onderwijs (basisvorming). De opleidingen zijn bedoeld als voorbereiding op een voortgezette opleiding, bijvoorbeeld in het beroepsonderwijs. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Opleidingen gericht op sociale redzaamheid

Opleidingen gericht op sociale redzaamheid maken deel uit van de educatie, en richten zich op een niveau van minimale redzaamheid op het gebied van taal, rekenen en sociale vaardigheden. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Opleidingen Nederlands als tweede taal

Opleidingen Nederlands als tweede taal maken deel uit van de educatie, en zijn bedoeld voor niet-Nederlanders om hun taalvaardigheid op een aanvaardbaar niveau te brengen. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Overboeking

Een verschuiving van begrotingsuitgaven tussen de artikelen van het ministerie of een verschuiving van begrotingsuitgaven naar of van een ander departement.

Pedagogische academie basisonderwijs

Een pedagogische academie basisonderwijs verzorgt de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en valt onder het hoger beroepsonderwijs (hbo). Zowel de voltijdopleidingen als de deeltijdopleidingen duren vier jaar. De praktische studieduur bij de deeltijdopleiding verschilt, afhankelijk van de vooropleiding. Het getuigschrift geeft een volledige bevoegdheid om les te geven aan de basisschool in alle vakken en alle leeftijdsgroepen (4 tot 12 jaar).

Praktijkonderwijs

Afdeling binnen het vmbo voor leerlingen die veel moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, extra individuele begeleiding nodig hebben, maar niet in staat worden geacht een diploma voor vervolgonderwijs te behalen.

Primair onderwijs

Dit is de overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs. Deze term wordt gebruikt sinds de invoering van de Wet op het primair onderwijs in augustus 1998. Zie ook basisonderwijs en speciaal basisonderwijs.

Prijsbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van de prijsstijgingen.

Realisatie

Resultaten van de begrotingsuitvoering in termen van uitgaven, verplichtingen en ontvangsten. Ook de prestatiegegevens die in een bepaald begrotingsjaar zijn geleverd, worden aangeduid als realisaties.

Rentabiliteit

Rentabiliteit geeft de mate van winstgevendheid aan, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal door het resultaat te delen op baten uit gewone bedrijfsvoering. Het bedrijfsresultaat is lastiger te normeren. Idealiter en gemeten over een lange periode zou dit nul moeten zijn. Het is immers niet direct de bedoeling dat instellingen structureel winst of verlies boeken. Voor de beoordeling van dit kengetal worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een ratio van meer dan 1% is goed, tussen – 1% en/of gelijk aan 1% is matig/voldoende en – 1% of lager is slecht.

Scholengemeenschap

Een scholengemeenschap bevat meerdere schooltypen voor voortgezet onderwijs die samenwerken.

Schoolonderzoek

Het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) bestaat uit twee delen: het schoolonderzoek en het centraal examen. Het schoolonderzoek wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Vanaf augustus 1998 is de term schoolonderzoek vervangen door de term schoolexamen. Zie ook centraal examen, eindexamen.

Solvabiliteit (exclusief voorzieningen)

Solvabiliteit is een maatstaf die aangeeft of de instelling op langere termijn (bij liquidatie) in staat zal zijn haar schulden te voldoen. Dit verhoudingsgetal wordt verkregen door het eigen vermogen te delen op het totaal vermogen, waarbij voor de analyse de volgende normering en kwalificatie worden gehanteerd. Een solvabiliteit van meer dan 30% is goed, tussen 10 en/of gelijk aan 30% is matig/voldoende en 10% of lager wordt als slecht gekwalificeerd.

Speciaal basisonderwijs

Dit is sinds augustus 1998 de verzamelterm voor bepaalde vormen van speciaal onderwijs, namelijk scholen voor lom, mlk en iobk. Het speciaal basisonderwijs vormt samen met het basisonderwijs het primair onderwijs.

Speciaal onderwijs

Het speciaal onderwijs (so) is voor leerlingen vanaf 3 à 4 jaar tot circa 12 jaar. Het voortgezet speciaal onderwijs (vso) is voor leerlingen van 12 tot maximaal 20 jaar. Speciaal onderwijs wordt gegeven aan aparte scholen. Scholen voor speciaal onderwijs zijn afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen kunnen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Zie ook speciaal basisonderwijs.

Specialistenopleiding

De specialistenopleiding duurt één tot twee jaar en leidt tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Om een specialistenopleiding te kunnen volgen is een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep op beroepencategorie vereist. Zie ook beroepsonderwijs.

Startkwalificatie

Een startkwalificatie is ten minste het diploma niveau 2 middelbaar beroepsonderwijs of een diploma voor havo/vwo.

Studiehuis

De tweede fase van scholen voor voortgezet onderwijs (leerjaren 4–5 van het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en leerjaren 4–6 van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo)) zullen zich tot een studiehuis ontwikkelen. Dit houdt in dat leerlingen in toenemende mate hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren. De rol van de docent zal verschuiven van lesgeven naar begeleiden.

Tegenvaller

Hogere begrotingsuitgaven of lagere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.

TOP-model

De Bve Raad heeft, als gevolg van het plan van aanpak optimalisering en verantwoording opleidingsprogramma's, een model ontwikkeld waarmee de onderwijsintensiteit inzichtelijk wordt gemaakt Dit model staat bekend onder de naam Model Transparante Onderwijsprogrammering.

Uitgaven OCW voor een onderwijssector

Het totaal van de uitgaven OCW (zie hieronder) voor onderwijs voor een (deel-)onderwijssector, voor zover dat bedoeld is voor de instandhouding en exploitatie van het onderwijsstelsel voor de betreffende onderwijsdeelnemers.

Vakopleiding

De vakopleiding duurt twee tot vier jaar en leidt op tot niveau drie van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) of drie jaar hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar. Zie ook beroepsonderwijs.

VBTB

Een proces om te komen tot een duidelijke koppeling tussen beleid, prestaties en geld, met als belangrijkste doel vergroting van de informatiewaarde en toegankelijkheid van de begroting en het jaarverslag.

Vernieuwingsimpuls

Impuls binnen het onderzoek en wetenschapsbeleid, die erop gericht is creatieve en kwalitatief goede jonge onderzoekers ruimte te bieden en daarmee voor een carrière in de wetenschap te behouden.

Volwasseneneducatie

De volwasseneneducatie richt zich op het opleiden van cursisten voor een zelfstandige positie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Tot de volwasseneneducatie worden gerekend: het vormings- en ontwikkelingswerk, de basiseducatie, het onderwijs aan de erkende onderwijsinstellingen en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).

Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) is op 1 augustus 1999 ingevoerd, en bestaat uit de schoolsoorten vbo en mavo met vier leerwegen.

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). De opleiding duurt zes jaar, voor leerlingen van 12–18 jaar, en bereidt leerlingen voor op de universiteit.

Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) is één vorm van voortgezet onderwijs voor volwassenen. Het wordt gegeven aan avondscholen of dag-/avondscholen. Dag-/avondscholen is onderwijs dat volgens de wet avondonderwijs is, maar dat overdag gegeven wordt. In augustus 1997 is het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

Voortgezet onderwijs

Het voorgezet onderwijs omvat het onderwijs dat wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal onderwijs, voor leerlingen vanaf 12 jaar. Het bestaat uit het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Vmbo duurt vier jaar, havo vijf jaar en vwo zes jaar.

Voortijdig schoolverlater

Jongeren tot 23 jaar die geen onderwijs volgen en die geen startkwalificatie hebben. Een startkwalificatie is ten minste het diploma niveau 2 van het middelbaar beroepsonderwijs of het diploma havo.

Wetenschappelijk onderwijs

Het wetenschappelijk onderwijs omvat zowel diepgaande theoretische studies als specialistische training voor beroepen. De meeste opleidingen duren vier jaar. Er zijn echter beroepen waarvoor een langere opleiding noodzakelijk is. Het wetenschappelijk onderwijs is voor studenten vanaf ongeveer 18 jaar en wordt gegeven aan 13 universiteiten. Toelating tot het wetenschappelijk onderwijs is mogelijk na het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs vormen samen het hoger onderwijs.


XNoot
1

Als leerlingen door een regionale verwijzingscommissie worden geïndiceerd komt een school met licentie in aanmerking voor een extra vergoeding ten behoeve van leerweg ondersteunend onderwijs (lwoo).

XNoot
1

Op scholen waar ivbo werd gegeven mocht daarna ook in de bovenbouw in alle richtingen ivbo worden gegeven.

XNoot
1

Registratie van uitstroom en bestemming schoolverlaters, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, juli 2003.

XNoot
1

Hoger beroepsonderwijs (hbo), wetenschappelijk onderwijs (wo).

XNoot
1

Kijktijdaandeel is het percentage van het totale aantal mensen dat op dat moment televisie kijkt.

XNoot
2

Bereik is het gemiddelde percentage van de bevolking dat minimal een kwartier per week op een zender afstemt.

Naar boven