29 521 Nederlandse deelname aan vredesmissies

BF VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 maart 2024

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 hebben kennisgenomen van de brief inzake Beleidsreactie op de eindevaluatie van de Nederlandse artikel-100 bijdrage aan de VN-missie MINUSMA in Mali, die de Minister van Buitenlandse Zaken op 17 januari 2024 samen met de Minister van Defensie en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking naar de Kamer heeft gestuurd.2

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie op 7 februari 2024 een brief gestuurd naar de Minister van Buitenlandse Zaken, met een afschrift aan de Minister van Defensie.

De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie hebben op 12 maart 2024 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Den Haag, 7 februari 2024

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking hebben kennisgenomen van de brief inzake Beleidsreactie op de eindevaluatie van de Nederlandse artikel-100 bijdrage aan de VN-missie MINUSMA in Mali, die u op 17 januari 2024 samen met de Minister van Defensie en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking naar de Kamer heeft gestuurd.3 Naar aanleiding hiervan zouden de leden van de commissie graag willen benadrukken dat in artikel 100 van de Grondwet de betrokkenheid van beide Kamers van de Staten-Generaal is geregeld. In de evaluatie van de Nederlandse artikel-100 bijdrage aan de VN-missie MINUSMA in Mali en de beleidsreactie wordt echter alleen verwezen naar de Tweede Kamer. Zij verzoeken u in de toekomst de Eerste Kamer dan ook blijven te informeren over de Nederlandse artikel-100 bijdragen en te betrekken bij de evaluatie van deze missies.

Daarnaast hebben de leden van de BBB-fractie nog een aanvullende vraag naar aanleiding van de voornoemde brief. Zij vragen u aan te geven of het kabinet voornemens is aanbeveling 3.2 uit die brief («Zet voorafgaand aan een inzet in op een eenduidige interne communicatie naar uit te zenden personeel toe waarbij verwachtingenmanagement centraal staat») ook te volgen bij de aanvullende militaire bijdrage aan de NAVO-missie in Irak (NMI) van mei 2024 tot en met mei 2025 in de vorm van een Nederlandse commandant, ongeveer vijftien personen aanvullende staf en drie transporthelikopters inclusief personeel (ongeveer honderdtwintig personen).

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk vier weken na dagtekening van deze brief.

Een afschrift van deze brief zal worden verstuurd naar de Minister van Defensie

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, K. Petersen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 maart 2024

In uw brief van 7 februari jl. (kenmerk 167676.05U) geeft u aan dat de leden van de commissie graag willen benadrukken dat in artikel 100 van de Grondwet de betrokkenheid van beide Kamers van de Staten-Generaal is geregeld, en eraan te hechten dat het kabinet in de toekomst de Eerste Kamer blijft informeren over de Nederlandse artikel-100 bijdragen en blijft betrekken bij de evaluatie van deze missies. U wijst erop dat in de evaluatie van de Nederlandse artikel-100 bijdrage aan de VN-missie MINUSMA in Mali en de beleidsreactie echter alleen wordt verwezen naar de Tweede Kamer.

Het kabinet erkent het belang van de betrokkenheid van beide Kamers van de Staten-Generaal zoals vastgelegd in artikel 100 van de Grondwet. Het is staande praktijk dat beide Kamers worden betrokken conform de bepalingen van artikel 100 van de Grondwet. Het feit dat de IOB-evaluatie en de Beleidsreactie abusievelijk alleen verwijzen naar de Tweede Kamer, doet hier niets aan af. Het kabinet zal er op toezien dat ook in volgende beleidsreacties op IOB-rapporten over beide Kamers wordt gesproken, en zal bij IOB het belang onder de aandacht brengen dit ook in IOB-rapporten te doen.

De leden van de BBB-fractie vragen in dezelfde brief aan te geven of het kabinet voornemens is aanbeveling 3.2 uit die brief («Zet voorafgaand aan een inzet in op een eenduidige interne communicatie naar uit te zenden personeel toe waarbij verwachtingenmanagement centraal staat») ook te volgen bij de aanvullende militaire bijdrage aan de NAVO-missie in Irak (NMI) van mei 2024 tot en met mei 2025.

In antwoord hierop erkent het kabinet het belang van eenduidige interne communicatie naar uit te zenden personeel. Deze aanbeveling wordt dan ook opgevolgd ten aanzien van de aanvullende militaire bijdrage aan de NAVO-missie in Irak (NMI). Ten aanzien van de evaluatie van de C-130 inzet in MINUSMA, concludeerde de IOB dat er onder uitgezonden respondenten de verwachting was dat het Nederlandse detachement een uitdagend en gevarieerd takenpakket op zich zou nemen. Dit sloot niet aan bij wat realistisch verwacht mocht worden van de inzet in de missie, waarbinnen de Nederlandse C-130 vooral ingezet werd voor repetitieve transportopdrachten en voor een lager aantal vlieguren dan verwacht. Defensie besteedt veel aandacht aan de communicatie richting de militairen die op uitzending gaan en werkt eraan dit continu te verbeteren. Ook de aanbeveling van het IOB, die het kabinet heeft omarmd, dragen daar aan bij. Met betrekking tot NMI worden de uit te zenden militairen vooraf geïnformeerd over de missie en de Nederlandse missiedoelstellingen. Daarnaast wordt in de voorbereiding op de missie een zo realistisch mogelijk beeld van het takenpakket tijdens de inzet meegegeven. Daarbij geldt dat ontwikkelingen en omstandigheden in missiegebieden altijd onderhevig zijn aan veranderingen die invloed kunnen hebben op de uitvoering van de missie. Dit blijft inherent aan militair optreden in een conflictgebied.

De Minister van Buitenlandse Zaken, H.G.J. Bruins Slot

De Minister van Defensie, K.H. Ollongren


X Noot
1

Samenstelling: Oplaat (BBB), Croll (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Goossen (BBB), Van Gasteren (BBB), Karimi (GroenLinks-PvdA), Roovers (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Petersen (VVD) (voorzitter), Vogels (VVD), Van Ballekom (VVD), Van Toorenburg (CDA), Prins (CDA), Belhirch (D66), Moonen (D66), Van Strien (PVV), Koffeman (PvdD), Van Bijsterveld (JA21), Van Apeldoorn (SP), Huizinga-Heringa (CU) (1e ondervoorzitter), Dessing (FVD) (2e ondervoorzitter), De Vries (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot(OPNL)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2023–2024, 29 521, BD.

X Noot
3

Kamerstukken I, 2023–2024, 29 521, BD.

Naar boven