Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 29521 nr. AU |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 29521 nr. AU |
Vastgesteld 7 januari 2022
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO)1 hebben kennisgenomen van de aanvullende Artikel 100-brief over de voorziene bijdrage van een C130-transportvliegtuig aan de VN-missie MINUSMA in Mali en technische verlenging van de kleine missiebijdragen in de Sahel, die op 15 oktober 2021 naar de Kamer is gestuurd.2 Deze artikel 100-brief geeft de leden van de fracties van D66 en de OSF aanleiding tot het stellen van een enkele vragen. De leden van de fracties van CDA, GroenLinks, PvdA, SP en ChristenUnie sluiten zich graag aan bij de vragen van de leden van de D66-fractie.
Naar aanleiding hiervan is op 26 november 2021 een brief gestuurd aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie hebben op 6 januari 2022 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk
Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Den Haag, 26 november 2021
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) hebben kennisgenomen van uw aanvullende Artikel 100-brief over de voorziene bijdrage van een C130-transportvliegtuig aan de VN-missie MINUSMA in Mali en technische verlenging van de kleine missiebijdragen in de Sahel, die op 15 oktober 2021 naar de Kamer is gestuurd.3 Deze artikel 100-brief geeft de leden van de fracties van D66 en de OSF aanleiding tot het stellen van een enkele vragen. De leden van de fracties van CDA, GroenLinks, PvdA, SP en ChristenUnie sluiten zich graag aan bij de vragen van de leden van de D66-fractie.
Vragen van de leden van de D66-fractie
In de Artikel 100-brief van 15 oktober 2021 wordt gesproken over de nazorg voor alle uitgezonden militairen aan de VN-missie MIMUSMA in Mali. De vraag van de leden van de D66-fractie is of deze nazorg uitgebreid kan worden met zorg voor degenen die werken voor Nederland en hun gezinnen in het kader van deze internationale militaire missie, waaronder ook de lokale ambassadestaf. Het gaat daarbij om zorg wanneer levens in direct gevaar zijn. Bent u bereid medewerkers die Nederlandse militairen bij deze missie ondersteund hebben bij acuut levensgevaar naar Nederland te evacueren? Bent u bereid veiligheid van betrokkenen boven zorgvuldigheid te laten gaan wanneer levens in direct gevaar zijn?
Vragen van het lid van de OSF-fractie
Het lid van de OSF-fractie is van mening dat achterstanden op het gebied van materieel bij de krijgsmacht zo snel mogelijk dienen te worden opgelost en dat de krijgsmacht hiertoe meer middelen moet krijgen. Aangezien het handelen van de regering van de laatste jaren niet helemaal in de geest van deze gedachte past, voelt dit lid zich genoodzaakt de volgende vragen te stellen.
Hoe noodzakelijk is de inzet van het Nederlandse C130-transportvliegtuig en in hoeverre is deze inzet – mede gezien eerdere technische problemen bij C-130 transportvliegtuigen – vervangbaar door ander materieel dan wel door andere landen dan Nederland?
Is het denkbaar dat de Nederlandse inzet van de C130 – en daarmee ook bijbehorend luchtmachtpersoneel – in de toekomst verlengd zal worden wanneer het vliegtuig gedurende de verlengingsperiode (medio november 2021 t/m mei 2022) vanwege (bijvoorbeeld) technische problemen een deel van deze periode niet inzetbaar is?
Hoe verhoudt deze verlengde inzet van de C130 zich tot het voornemen van de Minister van Defensie om versneld afscheid te nemen van de C130-transportvliegtuigen?
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Een afschrift van deze brief zal worden verstuurd naar de Minister van Defensie.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, E.B. van Apeldoorn
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 januari 2022
Hierbij bieden we de antwoorden aan op de schriftelijke vragen van de leden van de fracties van D66 en de OSF over de aanvullende Artikel 100-brief over de voorziene bijdrage van een C130-transportvliegtuig aan de VN-missie MINUSMA in Mali d.d. 15 oktober jl. Deze vragen werden ingezonden op 26 november jl. met kenmerk 167676.02U.
De Minister van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen
De Minister van Defensie, H.G.J. Kamp
Vraag:
In de Artikel 100-brief van 15 oktober 2021 wordt gesproken over de nazorg voor alle uitgezonden militairen aan de VN-missie MINUSMA in Mali. De vraag van de leden van de D66-fractie is of deze nazorg uitgebreid kan worden met zorg voor degenen die werken voor Nederland en hun gezinnen in het kader van deze internationale militaire missie, waaronder ook de lokale ambassadestaf. Het gaat daarbij om zorg wanneer levens in direct gevaar zijn. Bent u bereid medewerkers die Nederlandse militairen bij deze missie ondersteund hebben bij acuut levensgevaar naar Nederland te evacueren? Bent u bereid veiligheid van betrokkenen boven zorgvuldigheid te laten gaan wanneer levens in direct gevaar zijn?
Antwoord:
Het Nederlandse C-130 detachement maakt geen gebruik van tolken of ander lokaal ingehuurd personeel. Defensie onderzoekt in hoeverre hier tijdens de Nederlandse inzet, gedurende de periode 2014–2019 gebruik van is gemaakt en brengt met terugwerkende kracht deze administratie op orde. De Kamer kan erop rekenen dat het kabinet zijn verantwoordelijkheid als werkgever of opdrachtgever steeds zorgvuldig neemt en dat van geval tot geval wordt voorzien in passende maatregelen. Algemene kaders zijn lastig te formuleren, omdat de arbeidsrechtelijke, politieke en veiligheidsomstandigheden onderling sterk kunnen verschillen.
Ten aanzien van lokaal ambassadepersoneel hanteert het kabinet de lijn dat er geen sprake is van evacuatie zolang er geen sprake is van dreiging richting lokaal personeel. Indien verwacht wordt dat het lokale personeel, net als de rest van de bevolking, direct gevaar loopt, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een inspanningsverplichting om deze collega’s in veiligheid te brengen. Dit kan betekenen dat deze collega’s naar een veilige plaats in de regio worden overgebracht. Als lokaal personeel door hun werk voor de ambassade direct gevaar loopt (zoals het geval was in Kaboel, Afghanistan), dan rust er een verdergaande zorgplicht op de werkgever en kan evacuatie naar Nederland aan de orde zijn. Indien het kabinet besluit om over te gaan tot het evacueren van Nederlanders uit Mali kunnen (eventueel aanwezige) lokale medewerkers met de Nederlandse nationaliteit vanzelfsprekend ook mee indien zij dat wensen.
Vraag:
Hoe noodzakelijk is de inzet van het Nederlandse C130-transportvliegtuig en in hoeverre is deze inzet – mede gezien eerdere technische problemen bij C-130 transportvliegtuigen – vervangbaar door ander materieel dan wel door andere landen dan Nederland?
Antwoord:
In de aanvullende artikel 100-brief van 15 oktober 2021 zijn de gronden voor deelname toegelicht. Hierin is aangegeven dat het strategische belang van de Sahel, als instabiele regio aan de rand van Europa, onverminderd groot is. Stabiliteit en veiligheid in de Sahel dienen een direct Nederlands veiligheidsbelang. De Sahel is daarom een prioritaire regio in het Nederlandse buitenland- en veiligheidsbeleid. De VN-missie MINUSMA speelt hierin een belangrijke rol. Het kabinet hecht belang aan het adequaat functioneren van VN-vredesmissies, zoals MINUSMA, ter uitvoering van het vredes- en veiligheidsmandaat van de VN. Met de inzet van het C-130 transportvliegtuig voorziet Nederland de VN-missie MINUSMA van kritieke en schaarse luchttransportcapaciteit. Dit is van belang voor de effectiviteit van VN-vredesmissies, omdat deze wordt bepaald door de personele, materiële en financiële inzet van de VN-lidstaten. In generieke zin belemmert het gebrek aan hoogwaardige capaciteiten de effectiviteit van VN-vredesmissies. De VN is afhankelijk van VN-lidstaten om de benodigde capaciteiten voor een missie te leveren. Landen zijn doorgaans terughoudend om hun schaarse capaciteiten toe te zeggen.
Een van de redenen dat landen terughoudend zijn in het toezeggen van capaciteiten, is omdat er vaak geen zicht is op aflossing. Door deel te nemen aan het multilaterale C-130 rotatieverband («Multinational Rotational Concept») onder leiding van Noorwegen, is aflossing van de Nederlandse capaciteit gegarandeerd. Dit maakt deze deelname voor het kabinet interessanter. De ervaring die met het rotatiemechanisme wordt opgedaan is bovendien van toegevoegde waarde bij de verdere inspanningen voor totstandkoming van toekomstige rotatieschema's voor inzet van schaarse en hoogwaardige capaciteiten ten behoeve van (VN-)vredesmissies.
Nederland zal voor de inzet in het multilateraal rotatieschema gebruik maken van twee C-130 Herculesvliegtuigen. Het eerste C-130 vliegtuig wordt halverwege de uitzending gewisseld voor een tweede C-130 vliegtuig. Dit gebeurt in verband met groot onderhoud aan het eerste vliegtuig dat in Nederland plaats zal vinden. Klein onderhoud aan de vliegtuigen wordt door het onderhoudspersoneel ter plaatse gedaan.
Vraag:
Is het denkbaar dat de Nederlandse inzet van de C130 – en daarmee ook bijbehorend luchtmachtpersoneel – in de toekomst verlengd zal worden wanneer het vliegtuig gedurende de verlengingsperiode (medio november 2021 t/m mei 2022) vanwege (bijvoorbeeld) technische problemen een deel van deze periode niet inzetbaar is?
Antwoord:
Zoals hierboven gemeld, maakt de Nederlandse C-130 deel uit van een multilateraal rotatieschema onder leiding van Noorwegen. Ook Denemarken en Portugal maken deel uit van dit rotatieschema. Nederland vult het tijdsslot van november 2021 tot en met mei 2022. Binnen het Multinational Rotational Concept is afgesproken dat Denemarken medio mei 2022 de taak van Nederland overneemt. Een verlenging van de Nederlandse C-130 inzet ligt derhalve niet voor de hand. Tevens wordt het risico op technische problemen zoveel mogelijk beperkt, onder andere door het beschikbaar stellen van twee C-130 vliegtuigen (elk voor een periode van drie maanden).
Het rotatieschema wordt elke twee jaar door Noorwegen, als trekker van het rotatieschema, aan MINUSMA aangeboden, met daarin vier rotaties van zes maanden. Vanaf 2023 zal opnieuw een schema worden gemaakt met geïnteresseerde landen. Er zijn geen afspraken gemaakt of en wanneer Nederland in de toekomst weer een rotatie voor zijn rekening neemt.
Vraag:
Hoe verhoudt deze verlengde inzet van de C130 zich tot het voornemen van de Minister van Defensie om versneld afscheid te nemen van de C130-transportvliegtuigen?
Antwoord:
De inzet van de C-130 staat los van de verwerving van vervangende capaciteit.
Zoals gemeld aan de Tweede Kamer met de A-brief Vervanging capaciteit tactisch luchttransport (Kenmerk 27 830, nr. 317) van 12 oktober 2020 is de gebruikelijke technische en operationele levensduur van dertig jaar van de huidige vloot van vier C-130 Herculesvliegtuigen ruim verstreken, wat ten koste gaat van de beschikbaarheid van de vloot. Desalniettemin blijven de kwaliteit en veiligheid van de twee C-130 vliegtuigen gewaarborgd. Vanaf eind 2026 worden de eerste tactisch transportvliegtuigen en het gerelateerde materieel vervangen. Volgend jaar ontvangt de Tweede Kamer de B-brief over de uitkomst van de onderzoeksfase van het vervangingsproject.
Samenstelling:
Faber-Van de Klashorst (PVV), Ganzevoort (GL), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Jorritsma-Lebbink (VVD), Vacature (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Koole (PvdA), Prast (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), arbouw (VVD), Van Ballekom (VVD) (1e ondervoorzitter), Beukering (Fractie-Nanninga), Bezaan (PVV), Dittrich (D66), Huizinga-Heringa (CU) (2e ondervoorzitter), Dessing (FVD), Karimi (GL), Kluit (GL), Moonen (D66), Otten (Fractie-Otten), Vos (PvdA), Van Wely (Fractie-Nanninga) en Raven (OSF).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29521-AU.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.