Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200829515 nr. 226

29 515
Kabinetsplan aanpak administratieve lasten

nr. 226
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN FINANCIËN EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 januari 2008

Tijdens het AO van 12 september 2007 (Kamerstuk 29 515, nr. 208) en het VAO op 11 oktober 2007 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2007–2008, nr. 12, blz. 789–795) werd opnieuw duidelijk dat uw Kamer zeer betrokken is bij het terugdringen van de regeldruk voor het bedrijfsleven. Er zijn zeven moties ingediend. Deze moties, zo hebben wij tijdens deze overleggen ook aangegeven, worden door ons nadrukkelijk als ondersteuning van ons beleid gezien.

In deze brief geven wij onze reactie op deze moties en informeren wij u over de acties die we inmiddels in gang hebben gezet om deze moties uit te voeren om ervoor te zorgen dat erook op die terreinen- snel resultaten worden geboekt. We maken van deze gelegenheid gebruik u – zoals in het AO toegezegd – ook te informeren over een aantal onderwerpen waarover geen motie is ingediend zoals de verplichting tot het bewaren van kassabonnen en de stand van zaken bij XBRL.

Tevens gaan wij in op de motie over het Bedrijvenloket (Kamerstukken 29 362, nr. 131) die door uw Kamer is ingediend bij het VAO over modernisering van de overheid van 11 oktober 2007.

Deze brief is niet een volledige opsomming van de huidige activiteiten die lopen om de regeldruk voor bedrijven terug te brengen. Zoals in de kabinetsbrief met Plan van Aanpak (kamerstukken 29 515, nr. 202) aangegeven, zult u halfjaarlijks een integrale voortgangsrapportage ontvangen. De eerste rapportage komt in het voorjaar.

Onderwerpen die dat betreft zijn onder andere de voortgang van het samen met het bedrijfsleven oppakken van de 27 actiepunten uit de Bijlage bij het hierboven genoemde Plan van Aanpak, de twee fundamentele verkenningen op de terreinen bouw en transport; de nulmeting op het terrein van de administratieve lasten, waarvoor de aanbestedingsprocedure in september in gang is gezet; de resultaten van de uitvoering van de quick scan – met het bedrijfsleven – om te bepalen welke nalevingkosten onnodig hoog zijn (over de opzet daarvan hieronder meer); de uitkomsten van de nieuwe belevingsmonitor conform de motie (over de opzet daarvan hieronder meer). Deze activiteiten zullen leiden tot concrete aanvullingen op de actiepunten van ons programma, vastgelegd in bovengenoemde Bijlage bij het Plan van Aanpak.

Ook de samenwerking met de rijksinspecties, met provincies en gemeenten, o.a. in de interbestuurlijke taskforce vermindering regeldruk (onder voorzitterschap van de heer Wallage), levert voor het bedrijfsleven merkbare verlichting van de regeldruk op, waarover we u in de integrale voorjaarsrapportage nader informeren. Tenslotte is de in het Coalitieakkoord aangekondigde Lex Silencio ontwikkeld. Over dat laatste instrument heeft u op 18 december 2007 een afzonderlijke brief ontvangen (Kamerstukken 29 515, nr. 224).

De acht moties, die door ons worden gezien als ondersteuning van het beleid, worden inmiddels – zoveel als mogelijk letterlijk – uitgevoerd. Bij twee moties geldt op een onderdeel – zoals al aangekondigd in het VAO – dat wij deze alleen in de geest kunnen uitvoeren. Hieronder volgt een korte toelichting op elke motie.

Bedrijvenloket; De motie Van der Burg en Gerkens (Handelingen TK 2007–2008, 29 362, nr. 131)

In de motie wordt gevraagd het bedrijvenloket voor 1 januari 2010 zo vorm te geven dat ondernemers op maat een lijst krijgen van de wet- en regelgeving waaraan zij moeten voldoen; dat zij verplichtingen en bijbehorende formulieren interactief af kunnen handelen; en dat zij bij complexe vragen worden geholpen door een vaste account manager.

Het digitale Bedrijvenloket is begin december 2007 omgedoopt tot «Antwoord voor Bedrijven». Met de nieuwe naam is ook een andere strategie in gang gezet. Deze is er op gericht om verschillende informatiebronnen binnen de overheid met elkaar te verbinden, en om die informatie via verschillende kanalen (website, e-mail, telefoon) toegankelijk te maken voor ondernemers. De vraag van de ondernemer staat centraal in dit dienstverleningsconcept.

De kern is dat ondernemers zelf hun ingang voor het vinden van overheidsinformatie kiezen. Daarom wordt de informatie die beschikbaar is op «Antwoord voor Bedrijven», ook gedeeld met andere, voor ondernemers logische ingangen, zoals een gemeente of een uitvoeringsorganisatie.

Mede met het oog op de uitvoering van de motie Van der Burg en Gerkens is er binnen dit concept nadrukkelijker voor gekozen te gaan sturen op de mogelijkheid om via «Antwoord voor Bedrijven» procedures en formaliteiten te kunnen afwikkelen die aansluiten op de behoefte van het bedrijfsleven.

Zoals door de staatssecretaris van Economische Zaken is aangegeven tijdens het VAO, zal in het voorjaar rond de reguliere voortgangsrapportage e-overheid uitgebreider worden ingegaan op de wijze waarop we de motie uitvoeren.

Voor specifieke sectoren, zoals landbouw, natuur en voedselkwaliteit bestaan toegesneden informatiekanalen («LNV Loket»).

Nalevingkosten; De motie Van der Burg, Smeets, Blanksma (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 211)

De motie van der Burg verzoekt de regering «op die terreinen waarop de inhoudelijke nalevingskosten substantieel zijn, direct te starten met het uitvoeren van een nulmeting en net als voor de administratieve lasten bedrijfsleven een reductiedoelstelling te formuleren van 25% vermindering voor de inhoudelijke nalevingskosten voor de gekozen wetgevingsterreinen in deze kabinetsperiode».

Deze motie komt grotendeels overeen met de in ons plan van aanpak geschetste aanpak van de nalevingkosten. De nalevingskosten van de geselecteerde wetten worden inderdaad met een meetmethodiek in kaart gebracht en vervolgens zullen per wet of regeling kwantitatieve ambities worden geformuleerd. Voor de zomer is het bedrijfsleven uitgenodigd aan te geven welke terreinen voor hen onnodig hoge nalevingkosten opleveren. Dit blijkt echter relatief lastig. Het bedrijfsleven heeft moeite om precies aan te geven wanneer hun klachten nalevingkosten betreffen en wanneer die onnodig hoog zijn.

Vandaar dat we ondertussen – samen met het bedrijfsleven – een Quick Scan hebben opgestart, waarbij door ons wordt aangegeven bij welke wetgeving sprake is van substantiële nalevingkosten voor bedrijven en het bedrijfsleven gevraagd wordt aan te geven wanneer die disproportioneel zijn. Complicerende factoren zijn enerzijds de nalevingskosten die direct voortvloeien uit internationale verplichtingen en dat anderzijds bij bedrijven vaak sprake is van reeds afgeschreven en verinnerlijkte kosten. Dus zelfs als de kosten substantieel zijn, kan de besparing van het veranderen of intrekken van de wetgeving beperkt zijn. Bij internationale verplichtingen is verandering of intrekking van regelgeving mogelijk beperkt. Dit moet goed worden uitgezocht.

Vervolgens worden maatschappelijke organisaties als vakbonden en consumentenorganisaties betrokken bij de afweging door het kabinet in welke gevallen het veranderen of intrekken van wetgeving mogelijk is zonder ongewenste maatschappelijke effecten. Op de terreinen waar ruimte bestaat voor vereenvoudiging en reductie van nalevingkosten, voert het kabinet – zoals gevraagd in de motie – een meting uit naar de nalevingskosten en wordt op basis daarvan een kwantitatieve ambitie geformuleerd.

Tevens vraagt de motie om voor alle nieuwe of gewijzigde voorstellen van wet- en regelgeving vooraf de inhoudelijke nalevingkosten kwantitatief in beeld te brengen. Dat is al de staande praktijk. De nalevingkosten worden in kaart gebracht in het kader van de bedrijfseffectentoets, waarop wordt toegezien door de Regiegroep Regeldruk.

Daarmee komen we in hoofdlijnen tegemoet aan wat in de motie wordt gevraagd. Het is niet betekenisvol van tevoren een doelstelling van 25% aan te geven aangezien dit mogelijk kan leiden tot ongewenste maatschappelijke effecten. Wel zullen we in de voorjaarsrapportage aangeven welke reductie haalbaar is in deze kabinetsperiode op de met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties gekozen wetgevingsterreinen. Daarover zal uiteraard dan ook met u worden doorgesproken en kunt u beoordelen of de geplande vereenvoudiging ambitieus genoeg is.

Toezichtlasten en gemeenten; De motie Van der Burg (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 212)

De motie roept het kabinet op bindende afspraken te maken met lokale overheden om de regeldruk vanuit het lokale toezicht terug te dringen, daarbij ook af te spreken dat er jaarlijks slechts één inspectie- en toezichtsbezoek op lokaal niveau is, en hierover uw Kamer in de voortgangsbrief voorjaar 2008 te informeren.

Deze motie wordt door het kabinet onderschreven. Het past ook binnen het door het huidige en het voorgaande kabinet gevoerde beleid om de regeldruk door inefficiënt toezicht terug te dringen. In dat kader heeft het kabinet op 5 juni 2007 een bestuursakkoord gesloten met de Vereniging Nederlandse Gemeenten, waarbij de gemeenten zich verplichten de administratieve lasten vanuit de lokale regelgeving in 2011 met 25% ten opzichte van het niveau van 2007 te hebben teruggedrongen. Deze afspraken uit het bestuursakkoord zijn óók van toepassing op de lasten vanuit het lokaal uitgeoefende toezicht, want deze zijn te zien als een specifieke vorm van administratieve lasten. Gemeenten kunnen bij de aanpak worden ondersteund door het Rijk vanuit de Regeling administratieve lasten gemeenten (de voucherregeling). De bindende afspraken waarom de motie verzoekt, zijn er dus.

Daarnaast lopen er zowel vanuit het oude rijksprogramma Eenduidig Toezicht als de pioniergemeenten inmiddels specifiek op het toezicht gerichte experimenten waarbinnen nationale en lokale toezichthouders samenwerken om de totale door bedrijven ervaren toezichtslasten terug te dringen. Hierbij kan ondermeer gedacht worden aan het integraal uitvoeren van lokale en nationale toezichtstaken. Binnen een groot aantal gemeenten wordt zo gewerkt aan het concreet terugdringen van de regeldruk voor de onder toezicht staande bedrijven. Over de resultaten van deze experimenten zal u in de voortgangsrapportages «regeldruk voor bedrijven» en het programma Vernieuwing Toezicht (de opvolger van Eenduidig Toezicht) worden bericht.

Nationale koppen; de Motie Van der Burg (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 213)

De motie verzoekt de regering expliciet te besluiten geen nationale koppen op Europese regelgeving te zetten, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn en dit uitdrukkelijk in de Memorie van Toelichting wordt uiteengezet en gekwantificeerd.

Dit is al bestaand beleid. Het kabinet heeft u per brief van 2 november 2007 (29 515, nr. 222) geïnformeerd over de resultaten van de tweede inventarisatie van nationale koppen op Europese regels en over het kabinetsstandpunt ten aanzien van nationale koppen in het algemeen en het voorkomen daarvan in de toekomst. Kortheidshalve verwijzen wij u naar deze brief. De inzet van het kabinet, zoals in deze brief uiteengezet, strookt met de motie-Van der Burg. Daarbij moet worden opgemerkt dat de administratieve lasten en nalevingkosten van nieuwe wetgeving in Nederland, ook als het gaat om implementatie van Europese regelgeving, altijd worden gekwantificeerd en in de Memorie van Toelichting verantwoord.

Auteursrechten; de motie Smeets, Van der Burg (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 219)

Op 20 december 2007 hebben de ministers van Justitie, Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een brief aan uw kamer gezonden, waarin de ontwikkelingen en het beleid van dit kabinet op het brede terrein van auteurs- en naburige rechten uiteen wordt gezet. Daarin is ook ingegaan op de verzoeken uit de motie, ten aanzien van de voortgang in de stroomlijning van de inning van vergoedingen. Op het (eerste) verzoek uit de motie om te komen tot één inningsorganisatie voor auteursrechten is al schriftelijk gereageerd door het kabinet, namelijk bij het antwoord van de minister van Economische Zaken op 26 oktober jl. n.a.v. motie 28 van kamerlid Aptroot.

De wijziging van de Wet toezicht collectief beheer, waarin de verbreding van het toezicht zal worden geregeld, zal naar verwachting komend voorjaar worden ingediend en is op dit moment onderwerp van consultatie. In dit voorstel zal het toezicht op de collectieve beheersorganisaties sterk worden verbeterd. Ook wordt de grondslag geboden om bij AMvB tot een stroomlijning van de organisaties en hun activiteiten te komen (als zelfregulering faalt).

Overigens is al bekend dat Buma Stemra en Sena binnenkort beginnen met de introductie van één factuur, zoals ook gemeld in de brief van 12 november jl. van de minister van Justitie aan uw Kamer (nr. Just 070776).

Belevingsmonitor; de motie Smeets, Blanksma (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 215)

Het kabinet heeft tot doel gesteld een merkbare vermindering van regeldruk bij ondernemers te verwezenlijken tussen 2007 en 2011. Om na te gaan of en in welke mate de beleefde regeldruk bij ondernemers aan veranderingen onderhevig is, ontwikkelt het kabinet een belevingsmonitor. Zoals gevraagd in de Motie zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaand onderzoek, zodat ondernemers niet onnodig worden belast, terwijl toch een representatief beeld ontstaat van de ervaren regeldruk. De belevingsmonitor wordt met ondersteuning van de RVD dan ook in samenspraak met belanghebbenden (zoals VNG, VNO-NCW, MKB-Nederland, gemeente Breda) ontwikkeld. In de motie wordt de regering gevraagd voor 1 januari 2008 met voorstellen te komen. Vandaar dat we wat uitvoeriger ingaan op deze Motie.

Het kabinet wil met de belevingsmonitor het volgende nagaan:

• Of en in hoeverre wordt voldaan aan de eis tot vermindering van de beleefde regeldruk bij ondernemers.

• De impact van genomen concretemaatregelen op het gebied van regeldruk. Op basis van deze informatie wil het kabinet succesfactoren achterhalen en aanknopingspunten vinden voor verdere vereenvoudiging.

De beleving van regeldruk is een breed begrip. In de belevingsmonitor wordt de beleving van regeldruk geoperationaliseerd als de beleving van administratieve lasten, de kosten van naleving en de kwaliteit van dienstverlening (voor zowel Rijksoverheid als gemeente). De beleving heeft betrekking op het hele palet van regelgeving, namelijk: regelgeving in het algemeen, vergunningen, toezicht en subsidies.

Het monitoren van de beleving

Om de beleving van regeldruk goed te kunnen monitoren is de belevingsmonitor opgebouwd uit twee componenten:

1. Jaarlijks te herhalen macrometing met behulp van (telefonische) interviews bij ondernemers. Hierbij zal onderscheid worden gemaakt naar sectoren en bedrijfsgrootte zodat een representatief beeld van de beleving van regeldruk ontstaat. Dit beeld zal zoveel mogelijk worden aangevuld met informatie uit bestaande metingen van de beleving van regeldruk.

2. Micrometingen en ex-postmetingen naar de beleving van specifieke veranderingen in regeldruk. Het is belangrijk dat ondernemers zich in de resultaten van de belevingsmonitor herkennen. Daarom willen we het representatieve – gemiddelde – beeld van de beleving kunnen toelichten aan de hand van concrete praktijkvoorbeelden (bijv. invoering Omgevingsvergunning). Bij de micrometing zal een selecte groep bedrijven vier jaar lang worden gevolgd, waarbij we alle voor hen relevante veranderingen in regeldruk volgen. Bij de selectie zullen we ondermeer kijken naar die groepen ondernemers waar de regeldruk zich ophoopt. Dit kunnen zowel kleine bedrijven (horeca) als grote bedrijven (industrie) zijn. In aanvulling op deze micrometing voeren we ook nog ex-post onderzoeken uit. Bij een ex-postonderzoek gaan we achteraf na hoe specifieke regeldrukmaatregelen in de praktijk uitpakken bij ondernemers. Micrometingen en ex-postonderzoeken plaatsen de beleving van ondernemers in een herkenbare context. Naar verwachting geven deze onderzoeken ook inzicht in exogene factoren die de beleving beïnvloeden (economie, seizoensinvloeden, door derden opgelegde regeldruk etc.)

De opzet van de belevingsmonitor sluit aan op de wensen van de Tweede Kamer. Door de interviews bij een representatieve groep ondernemers ontstaat een representatief beeld van de beleving op macro niveau, naar grootte klassen. In de steekproef zullen alle relevante sectoren vertegenwoordigd zijn, zodat signalen over afwijkende beleving van regeldruk hieruit kunnen worden afgevangen. De steekproefgrootte is hierbij echter tot een minimum beperkt. Dit kan omdat de genoemde micrometing en ex-post onderzoeken in aanvulling op de bovengenoemde interviews de gewenste verdieping in het beeld van de beleving zullen bieden voor specifieke sectoren en voor belangrijke, voor regeldruk vermindering relevante beleidsmaatregelen.

Verder wordt bij de opzet zo veel mogelijk aangesloten op bestaand onderzoek naar de beleving. Met bestaand onderzoek bedoelen we ondermeer:

• De Regeldrukbarometer van Breda, waarin de beleving van regeldruk bij ondernemers wordt gemeten.

• De nulmeting naar administratieve lasten, waarbij nu niet alleen de kosten maar ook de beleving van de administratieve lastendruk in kaart wordt gebracht.

• Het hierboven genoemde onderzoek (Quick Scan) naar overige nalevingkosten.

• Het bepalen van de kwaliteit van dienstverlening voor burgers (BZK). Bij het ontwerp van de vragenlijst voor de Rijksbrede Belevingsmonitor zal afstemming plaatsvinden met dit project.

Het meenemen van de opzet en resultaten van deze onderzoeken verrijkt de belevingsmonitor en zorgt tevens voor een vermindering van het risico dat resultaten van andere belevingsmonitoren de resultaten van deze monitor tegenspreken.

Tijdpad

Begin 2008 zal de beleving door middel van interviews voor het eerst in beeld worden gebracht. In januari 2008 zal hiertoe een vragenlijst worden ontwikkeld, waarna onderzoek onder ongeveer 1000 ondernemers plaats kan vinden. De bevindingen zullen, gecombineerd met de resultaten van de andere belevingsonderzoeken, gemeld worden in de eerstvolgende voortgangsbrief over het programma Regeldruk aan de Tweede Kamer.

Parallel aan dit onderzoek zullen de micrometingen en ex-postonderzoeken begin 2008 worden opgezet. Vanaf het tweede kwartaal van 2008 zullen de micrometingen plaatsvinden. De eerste bevindingen uit deze metingen zullen in het najaar 2008 beschikbaar komen.

In het najaar 2008 zal de opzet van dit eerste onderzoek ook worden geëvalueerd en bepaald worden hoe de beleving van regeldruk in navolgende jaren gemeten zal worden.

Het betrekken van ondernemers bij de ontwikkeling van de belevingsmonitor

De opzet van de belevingsmonitor zal met vertegenwoordigers van VNO-NCW en MKB-Nederland worden besproken. De interviewvragen van de belevingsmonitor zullen worden getest bij ondernemers.

Vrijwilligers; de motie Blanksma, Van der Burg (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 211)

We delen geheel de gedachte achter de motie, dat er geen urenadministratie nodig moet zijn om een vergoeding te betalen aan een vrijwilliger. En we zijn bereid deze op de volgende wijze uit te voeren:

Als de organisatie er zélf voor kiest om een vrijwilliger te vergoeden op basis van het aantal gewerkte uren, dan vormt het uurtarief wel een logisch aanknopingspunt voor de Belastingdienst in geval er redelijkerwijs getwijfeld wordt aan de aard van de beloning voor vrijwilligerswerk. De informatie om deze uurvergoeding te bepalen is dan immers ook beschikbaar en vormt geen aanvullende administratieve last. In die gevallen zal ik een uurvergoeding van € 4,50 als safe harbour beschouwen.

In andere gevallen zal het uitgangspunt zijn dat de Belastingdienst geen urenadministratie vraagt ter onderbouwing van de kwalificatie als vrijwilligersvergoeding.

Als er twijfel bestaat bij een organisatie of er sprake is van een vrijwilligersvergoeding, dan kan hierover contact worden opgenomen met de Belastingdienst. In het eerste kwartaal van 2008 worden de vrijwilligersorganisaties en uw Kamer ingelicht over de praktische invulling voor deze werkwijze.

ACTAL: De motie Blanksma, Van den Heuvel en Smeets (Handelingen TK 2007–2008, 29 515, nr. 217)

De motie verzoekt de regering de taken van ACTAL één op één uit te breiden met toetsing en advisering over toezichtkosten, nalevingkosten en verkrijgingkosten bij subsidies – zoals ACTAL nu doet op het terrein van de administratieve lasten – en voorts ACTAL volwaardig te betrekken bij het Plan van Aanpak Regeldruk bedrijven.

Deze motie is grotendeels een ondersteuning van het kabinetsbeleid. ACTAL wordt door ons consequent en volwaardig betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het programma. Ook de taken van ACTAL worden verbreed. Zoals eerder gemeld, volgt de taakuitbreiding van ACTAL de verbreding van het Programma regeldruk, op alle in de motie genoemde thema’s.

ACTAL behoudt de verantwoordelijkheid voor het adviseren over en ex ante toetsen van administratieve lasten voor bedrijven (en burgers). Dat omvat ook toezichtlasten en verkrijgingkosten, voorzover die bestaan uit informatieverplichtingen die aan wetgeving zijn toe te rekenen.

ACTAL krijgt daarenboven meer bevoegdheden om de regering – gevraagd en ongevraagd – te adviseren over alle aspecten van regeldruk op strategisch niveau, waaronder de «nieuwe onderwerpen» die nu naast administratieve lasten deel uitmaken van het kabinetsprogramma.

ACTAL krijgt dus ook een taak bij de bevordering van de toetsing van alle nieuwe nalevingkosten. Het is overigens zo dat daarop nu al wordt getoetst. Deze toetsing vindt momenteel plaats als onderdeel van de bedrijfseffectentoets, door het Meldpunt Voorgenomen Regelgeving en de Regiegroep Regeldruk. Deze taak overhevelen naar ACTAL zou afbreuk doen aan de verinnerlijking van deze toetsing binnen het wetgevingsproces. Deze verinnerlijking willen we versterken en dus juist niet verminderen.

Voorts is invoering van het integraal afwegingskader regeldruk aangekondigd, waarin alle aspecten die relevant zijn voor de mate waarin nieuwe regelgeving bijdraagt aan (vermindering van) regeldruk bijeen zijn gebracht, dus ook toezichtlasten, nalevingkosten en verkrijgingkosten. ACTAL is een belangrijke rol toebedacht bij ontwikkeling en invoering van het kader; het college zal – als onderdeel van de strategische adviestaak – periodiek adviseren over de ontwikkeling van het kader, en na invoering ook over de toepassing ervan, op basis van dossierbeoordelingen. Ook daarbij komt de wijze waarop ministeries omgaan met genoemde kosten en lasten dus aan de orde. Dit betekent dat ACTAL steekproefsgewijs – na besluitvorming in de MR – controleert of het integraal afwegingskader goed is toegepast, en dus ook of departementen onder meer de nalevingkosten goed in beeld hebben gebracht en of daar adequaat op is getoetst.

Wij menen dat wij op deze wijze de kracht van een onafhankelijke waakhond volwaardig kunnen benutten, zonder dat we een bestaande infrastructuur moeten afbreken terwijl deze juist versterkt moet worden.

Binnenkort kunt u een ontwerp-Koninklijk Besluit tegemoet zien dat deze bovenbeschreven taakuitbreidingen wettelijk verankert.

Overige verzoeken van de TK

Tijdens het AO hebben wij beloofd u ook op een aantal onderwerpen nader te informeren, waarover geen moties zijn ingediend. Bijgevoegd treft u in een bijlage de gevraagde update over het Nederlandse Taxonomie Project (XBRL).1 U ontvangt binnenkort tevens aanvullende informatie over de door u geconstateerde problemen rondom de verplichting voor het MKB om gedurende een lange periode kassabonnen te bewaren.

De staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager

De staatssecretaris van Economische Zaken,

F. Heemskerk


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.