A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 april 2004
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 6 april 2004.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 6 mei 2004.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 20 november 2002 te Sarajevo totstandgekomen verdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en Bosnië-Herzegowina betreffende internationaal
vervoer over de weg (Trb. 2003, 22).1
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot
Toelichtende nota
1. Inleiding
Niet alleen het uiteenvallen van Joegoslavië en de onafhankelijkheid
van Bosnië-Herzegovina, maar ook de wens naar een meer liberaal wegvervoersregime
gaven aanleiding tot de opstelling van het onderhavige verdrag. Dit verdrag
vervangt, voor wat betreft de verhouding tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en Bosnië-Herzegovina, de op 8 september 1966 te Belgrado totstandgekomen
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve
Republiek Joegoslavië betreffende het internationale wegvervoer (Trb.
1966, 215; laatstelijk Trb. 2002, 280).
Van al het vervoer naar Oost-Europa zal het vervoer over de weg zich het
snelst ontwikkelen. Hoewel de vervoervolumes nog relatief gering zijn, is
er sprake van een groeimarkt voor het goederenvervoer over de weg. Ook het
personenvervoer kan steeds meer zijn weg op deze markt vinden.
Het wegvervoer naar Midden- en Oost-Europa, en dus ook naar Bosnië-Herzegovina,
ontwikkelt zich langs een drietal beleidslijnen.
In de eerste plaats is er een actieve opstelling van de Europese Unie
(EU), met name in de vorm van hulpprogramma's. Het onderhavige verdrag zal,
afhankelijk van de mate waarin de EU haar bevoegdheden invult, als nuttige
en noodzakelijk aanvulling hierop dienen.
Ten tweede wordt de marktpositie van de Nederlandse vervoerder versterkt
door de samenwerking die het bedrijfsleven ontwikkelt met zijn tegenhanger
in deze landen. Dit geldt met name voor het goederenvervoer over de weg.
En ten slotte zijn er de hulpprogramma's voor Midden- en Oost-Europese
landen. Deze worden georganiseerd vanuit de EU en Nederland en zijn voor Bosnië-Herzegovina
met name gericht op de wederopbouw van de infrastructuur en ondersteuning
op het gebied van wetgeving.
De hier geschetste drie lijnen van beleid hebben door hun onderlinge verwevenheid
een versterkend effect op elkaar. Dit zal per saldo een gunstig effect hebben
op de ontwikkeling van het Nederlandse wegvervoer, ook in de relatie met Bosnië-Herzegovina.
2. Het Verdrag
In de verhouding tot Bosnië-Herzegovina is vanzelfsprekend van belang
dat een nauwkeurige afweging wordt gemaakt in het licht van de competentie
van de EU (conform artikel 1, tweede lid, nader uitgewerkt in het derde lid,
van het verdrag). Dat betekent voor Nederland dat terughoudendheid geboden
is zodra de externe bevoegdheden van de EU in het geding komen. Tegenover
Bosnië-Herzegovina biedt dit de nodige duidelijkheid in rangorde van
internationale regelgeving.
In het verdrag is gekozen voor een instrumentarium waarmee gelijke tred
kan worden gehouden met de Europese vervoersontwikkelingen. De bevoegdheden
van de Gemengde Commissie maken een snelle en efficiënte aanpassing aan
die ontwikkelingen mogelijk. Immers, het is de Gemengde Commissie die de markttoegangeisen
bepaalt en deze eisen kan aanpassen aan het gewenste niveau zonder dat voor
elke wijziging van het vervoerregime een officiële wijziging van het
verdrag nodig is. Alleen al uit een oogpunt van tijdwinst is deze vorm zeer
gewenst. Het verdrag heeft daarmee het karakter gekregen van een kaderverdrag.
De Gemengde Commissie zal in haar werkzaamheden het accent leggen op een goede
en consciëntieuze uitvoering en de toepassing van het verdrag, waarbij
ondermeer de activiteiten ter regulering van de markt worden bezien. Vandaar
dat, geheel in overeenstemming met de taken van de Gemengde Commissies
in de overige nieuwe wegvervoerverdragen, een ruime taakomschrijving voor
de Commissie is opgenomen. Voorzover datgene wat in de Gemengde Commissie
wordt overeengekomen, krachtens de bevoegdheden die terzake aan de Commissie
op grond van de artikelen 3, eerste lid, en 8, vierde lid, zijn gedelegeerd,
volkenrechtelijke rechten en verplichtingen voor beide staten in het leven
roept, dienen de betreffende regelingen te worden beschouwd als uitvoeringsverdragen
die op grond van artikel 7, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeven, behoudens het bepaalde
in artikel 8 van die Rijkswet.
In navolging van de bestaande bilaterale verdragen inzake het vervoer
over de weg tussen Nederland en de Midden- en Oost-Europese landen, zal ook
in dit verdrag uitgegaan worden van een vergunningenstelsel (ritmachtigingen).
De vergunning dient voor statistische doeleinden ten behoeve van marktobservatie
en indien noodzakelijk ook als instrument om het vervoer op het gewenste niveau
te houden, daaronder begrepen de mogelijkheid van inperking van het vervoer.
Dit laatste uiteraard uitsluitend indien het liberale regime ongewenste effecten
met zich brengt, zoals zich dat zal voordoen in geval van prijsdumping of
andere vormen van oneerlijke concurrentie. Met Bosnië-Herzegovina was
reeds een uitruil van vergunningen overeengekomen dat in de praktijk inhoudt
dat de vergunningen in beginsel zonder restricties worden verstrekt en in
voldoende mate voorhanden zijn voor de vervoerders.
Het liberale karakter van het onderhavige verdrag past dan ook in het
kader van de verdere ontsluiting van de wegvervoersmarkten met derde landen.
Voor het overige bevat het verdrag de op het gebied van het internationale
wegvervoer gebruikelijke bepalingen.
3. Koninkrijkspositie
Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor
Nederland gelden.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K. M. H. Peijs
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot