29 460
Jaarverslag Nationale ombudsman 2003

nr. 2
JAARVERSLAG

INHOUDSOPGAVE

 WOORD VOORAF8
     
 AANDACHTSPUNTEN9
     
Deel IKERNJAARVERSLAG 
     
1De overheid, gezien door de Nationale ombudsman in 2003 
1.1Kerncijfers 200313
1.2De Nationale ombudsman en de Algemene wet bestuursrecht15
 1.2.1Nationale ombudsman en Algemene wet bestuursrecht15
 1.2.2Nationale ombudsman en bestuursorgaan15
 1.2.3Nationale ombudsman en besluit17
 1.2.4Nationale ombudsman en Awb-beslistermijnen17
 1.2.5Nationale ombudsman en andere Awb-bepalingen19
 1.2.6Nationale ombudsman en rechtseenheid23
1.3Onderzoek 200324
 1.3.1Onderzoek uit eigen beweging24
  1.3.1.1Correspondentie burger-overheid24
  1.3.1.2Nakoming rechterlijke uitspraken26
  1.3.1.3Achterstandproblematiek bij vreemdelingendiensten28
  1.3.1.4Interne klachtbehandeling30
  1.3.1.5Overig onderzoek uit eigen beweging31
 1.3.2Onderzoek op verzoek32
  1.3.2.1Gebruik van handboeien en blinddoek door arrestatieteams32
  1.3.2.2Wegslepen en slopen van een auto in Almere34
  1.3.2.3Toezicht permanente bewoning recreatiehuisjes35
  1.3.2.4Aangetekende verzending overname invordering36
  1.3.2.5Storting op verkeerd rekeningnummer36
  1.3.2.6Raadplegend referendum37
  1.3.2.7Rookoverlast39
  1.3.2.8Vliegroutes40
  1.3.2.9Seceurop40
 1.3.3Grensoverschrijdende zaken41
1.4Bijzondere onderwerpen43
 1.4.1Interne klachtbehandeling en herkansing43
  1.4.1.1Interne klachtbehandeling43
  1.4.1.2Herkansing49
 1.4.2Publieksvoorlichting51
 1.4.3Missie en visie52
 1.4.4Klanttevredenheidsonderzoek54
 1.4.5Buitenlandbeleid56
     
2Wetgeving; ambt; bureau57
2.1Wetgeving c.a. 57
 2.1.1De Wet Nationale ombudsman57
 2.1.2Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman58
 2.1.3Aanwijzing decentrale overheden58
 2.1.4Wetsvoorstel extern klachtrecht59
 2.1.5Wetswijzigingen die de bevoegdheid van de Nationale ombudsman raken69
2.2Ambt70
2.3Klachten over de Nationale ombudsman en verzoeken om herziening70
 2.3.1Inleiding70
 2.3.2Klachten over de Nationale ombudsman en zijn bureau72
2.4Het Bureau Nationale ombudsman74
 2.4.1Personeel74
 2.4.2Financiën75
 2.4.3Bedrijfsvoering75
     
3Het werk van de Nationale ombudsman in cijfers77
3.1De te behandelen zaken77
3.2Afgedane zaken79
 3.2.1Cijfers afgedane zaken79
 3.2.2Onderzoek uit eigen beweging81
3.3Doorlooptijden verzoekschriften82
3.4Afgedane zaken per gebied84
3.5De conclusie van de Nationale ombudsman85
3.6Reden voor de klacht; beoordeling door de Nationale ombudsman86
 3.6.1Algemeen86
 3.6.2De beoordeling in de rapporten87
 3.6.3De reden voor de klacht in tussentijds afgedane zaken88
 3.6.4De meest voorkomende problemen in de afgedane zaken89
3.7De effecten van het werk van de Nationale ombudsman89
3.8Enkele achtergrondkenmerken van indieners van verzoekschriften90
     
4Effecten van het werk van de Nationale ombudsman91
4.1Soorten effecten91
4.2Actie door de overheid92
 4.2.1Op het gebied van de politie92
 4.2.2Alle ministeries93
 4.2.3Op het gebied van buitenlandse zaken94
 4.2.4Op het gebied van justitie94
 4.2.5Op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschappen98
 4.2.6Op het gebied van financiën99
 4.2.7Op het gebied van defensie100
 4.2.8Op het gebied van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer101
 4.2.9Op het gebied van economische zaken101
 4.2.10Op het gebied van sociale zekerheid en werkgelegenheid101
 4.2.11Op het gebied van volksgezondheid, welzijn en sport103
 4.2.12Op het gebied van de waterschappen104
 4.2.13Op het gebied van de provincies104
 4.2.14Op het gebied van de gemeenten105
     
5Nationale ombudsman en omgeving107
5.1Staten-Generaal107
5.2Bestuursorganen en andere instanties107
5.3Voorlichting108
 5.3.1Publieksvoorlichting108
 5.3.2Overige activiteiten110
5.4Buitenlandbeleid van de Nationale ombudsman112
5.5Buitenlandse betrekkingen113
5.6Voordrachten114
     
6Beoordeling verzoekschriften op bevoegdheid en ontvankelijkheid; telefonische verzoeken om informatie116
6.1Inleiding116
6.2Cijfermatig overzicht van de verwerking van de verzoekschriften116
6.3De toetsing van de verzoekschriften117
 6.3.1Inleiding117
 6.3.2Artikel 1a: Bevoegdheid naar bestuursorgaan118
 6.3.3Artikel 16: Bevoegdheidsafbakening naar gedraging121
  6.3.3.1Inleiding121
  6.3.3.2Onbevoegdheid bij algemeen regeringsbeleid en bij algemeen beleid betrokken bestuursorgaan (artikel 16, onderdeel a)122
  6.3.3.3Onbevoegdheid Nationale ombudsman ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften (artikel 16, onderdeel b)123
  6.3.3.4Onbevoegdheid Nationale ombudsman bij openstaan of aanhangig zijn van een bezwaar- of beroepsprocedure (artikel 16, onderdeel c)123
  6.3.3.5Uitspraak rechter ingevolge bestuursrechtelijke voorziening (artikel 16, onderdeel e)125
  6.3.3.6Aangelegenheid betreffende belastingen als geen gebruik is gemaakt van een wettelijk geregelde bestuursrechtelijke procedure (artikel 16, onderdeel f)125
  6.3.3.7Onbevoegdheid Nationale ombudsman bij rechterlijk toezicht (artikel 16, onderdeel g)126
 6.3.4Artikel 14: Ontvankelijkheid; discretionaire bevoegdheid Nationale ombudsman126
  6.3.4.1Inleiding126
  6.3.4.2Kennelijk ongegrond (artikel 14, onderdeel b)128
  6.3.4.3Onvoldoende belang of onvoldoende gewicht van de gedraging (artikel 14, onderdeel c)129
  6.3.4.4Verzoeker is een ander dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden (artikel 14, onderdeel d)129
  6.3.4.5Wettelijk geregelde klachtvoorziening (artikel 14, onderdeel f)130
  6.3.4.6Samenhangende gedragingen in lopende procedures (artikel 14, onderdelen j en k)130
6.4Buitenwettelijke verzoekschriften131
6.5Behandeling van klachten en verzoeken om informatie per telefoon, e-mail (niet-overheid) en bezoeken132
     
BIJLAGEN139
1Overzicht uitgebrachte rapporten139
2Hoofdstuk 9 Awb in rapporten van de Nationale ombudsman198
3Vermelding van rapporten in vakbladen in 2003200
4Toelichting op de beoordelingscriteria van de Nationale ombudsman205
5Bestuursorganen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman208
6Artikel 78a van de Grondwet213
7Wet Nationale ombudsman c.a. 214
7.1Wet Nationale ombudsman214
7.2Besluit bestuursorganen WNo en Wob224
7.3Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman225
8Klachtregeling Bureau Nationale ombudsman228
     
DEEL IIBEELD VAN HET IN 2003 VERRICHTE ONDERZOEK 
 De hoofdstukken 7 t/m 25 staan op de cd-rom bij dit jaarverslag. Voor de volledigheid zijn daarop ook de voorgaande hoofdstukken en bijlagen opgenomen. 
     
7Politie en openbaar ministerie235
7APolitie235
7A.1Inleiding235
 7A.1.1Cijfers235
 7A.1.2Praktijkcontacten235
7A.2Toepassing bepalingen betreffende de verdachte236
 7A.2.1Verdenking236
 7A.2.2Verhoor (ook bejegening tijdens)239
 7A.2.3Verstrekken kopie verklaring241
 7A.2.4Bijstand en waarschuwen raadsman241
7A.3Vrijheidsbenemende dwangmiddelen242
 7A.3.1Staande houden242
 7A.3.2Aanhouden243
 7A.3.3Voorgeleiden en in verzekering stellen246
 7A.3.4Dwangmiddelen ter identificatie246
 7A.3.5Heenzenden247
 7A.3.6Vastleggen van gebruik van vrijheidsbenemende dwangmiddelen247
7A.4Overige dwangmiddelen248
 7A.4.1Binnentreden248
 7A.4.2Doorzoeken (onderzoek in de) woning en doorzoeken auto's250
 7A.4.3Handboeien, blinddoeken en (veiligheids-/aanhoudings)fouillering250
 7A.4.4Inbeslagneming254
 7A.4.5Vastleggen van gebruik van overige dwangmiddelen254
7A.5Politieoptreden en vrijwilligheid (ook getuigenverhoor)254
7A.6Geweldgebruik254
 7A.6.1Arrestatieteam 254
 7A.6.2Vuurwapengebruik255
 7A.6.3Diensthond/pepperspray/wapenstok/fysiek geweld255
7A.7Verblijfsomstandigheden arrestanten261
7A.8Legitimatie265
7A.9Informatie266
 7A.9.1Vastleggen van informatie266
 7A.9.2Signaleringen (o.a. OPS/NSIS)271
 7A.9.3Verstrekken van informatie (aan derden, pers, Interpol en betrokkenen zelf)271
7A.10Optreden naar aanleiding van aangiften en meldingen276
 7A.10.1Aangiften en meldingen276
 7A.10.2Inrichting opsporingsonderzoek282
7A.11Bejegening285
 7A.11.1Houding en uitlatingen (taalgebruik)285
 7A.11.2Niet nakomen toezeggingen286
7A.12Hulpverlening287
 7A.12.1Slachtofferhulp (Aanwijzing slachtofferzorg)287
 7A.12.2Burenruzies287
 7A.12.3Overige (zie verder § 7A.4.1)288
7A.13Politieoptreden en verkeer290
 7A.13.1Aanrijdingen290
 7A.13.2Wegslepen293
 7A.13.3Politie en de Wahv (Wet Mulder)295
 7A.13.4Overig296
7A.14Openbare orde300
7A.15Vreemdelingendiensten300
 7A.15.1Cijfers300
 7A.15.2Algemeen300
 7A.15.3Onderzoek uit eigen beweging301
 7A.15.4Enkele zaken305
7A.16Minderjarigen312
7A.17Klachtbehandeling313
 7A.17.1De kwaliteit van interne klachtbehandeling313
 7A.17.2De behandeling van klachten314
 7A.17.3Enkele rapporten315
7A.18Schadevergoeding318
7A.19Politieoptreden en het civiele recht320
7A.20Administratieve organisatie (postregistratie, niet reageren op brieven, etc.)321
7A.21Overige rapporten op het terrein van politie321
 7A.21.1Bijzondere opsporingsambtenaren321
 7A.21.2Rijksrecherche323
 7A.21.3Overige rapporten/afdoeningen324
7A.22Integriteit327
     
7BOpenbaar ministerie329
7B.1Algemeen329
7B.2Inbeslagneming330
7B.3Opsporing331
7B.4Vervolging333
7B.5Tenuitvoerlegging straffen335
7B.6Schadevergoeding337
7B.7De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften337
7B.8Slachtoffers van delicten338
7B.9Informatieverstrekking340
7B.10Administratieve organisatie343
7B.11Klachtbehandeling door het openbaar ministerie343
7B.12Integriteit344
8Ministerie van Algemene Zaken345
8.1Cijfers345
8.2Rapporten345
     
9Ministerie van Buitenlandse Zaken347
9.1Cijfers347
9.2Algemeen347
 9.2.1Onderzoek uit eigen beweging347
 9.2.2Algemene wet bestuursrecht347
 9.2.3Interne klachtbehandeling347
9.3Ministerie349
 9.3.1De Visadienst kort verblijf en de Visadienst349
 9.3.2Legalisatie en verificatie van documenten349
 9.3.3Onderzoek uit eigen beweging350
 9.3.4Overige zaken351
9.4Ambassades en consulaten353
 9.4.1Afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf353
 9.4.2Legalisatie en verificatie van documenten355
 9.4.3Overige zaken356
     
10Justitie363
10AMinisterie van Justitie363
10A.1Algemeen; cijfers363
10A.2Immigratie- en Naturalisatiedienst364
 10A.2.1Algemene onderwerpen364
  10A.2.1.1Cijfers364
  10A.2.1.2De klachtenregeling van de IND364
  10A.2.1.3De behandeling door de Nationale ombudsman van klachten over de IND366
  10A.2.1.4Algemene wet bestuursrecht368
  10A.2.1.5Interne klachtbehandeling door de IND379
  10A.2.1.6Onderzoeken uit eigen beweging387
 10A.2.2Visa en machtigingen tot voorlopig verblijf390
  10A.2.2.1Cijfers390
  10A.2.2.2Bevoegdheid en toerekening390
  10A.2.2.3Overdracht van taken391
  10A.2.2.4Knelpunten392
  10A.2.2.5Rapporten393
  10A.2.2.6Tussentijdse beëindiging396
  10A.2.2.7Interventies396
 10A.2.3Verblijfsvergunningen397
  10A.2.3.1Cijfers397
  10A.2.3.2Behandeling asielaanvragen398
  10A.2.3.3Motiveren asielbeschikking399
  10A.2.3.4Alleenstaande minderjarige asielzoekers402
  10A.2.3.5Driejarenbeleid en eenmalige regeling404
  10A.2.3.6Aanvragen om verlening van een reguliere verblijfsvergunning406
  10A.2.3.7Aanvragen om verlenging van verblijfsvergunning409
  10A.2.3.8Legeskosten voor verblijfsvergunningen410
  10A.2.3.9Informatieverstrekking en non-respons413
 10A.2.4Naturalisaties414
10A.3Griffies van gerechten418
10A.4Gevangeniswezen en TBS418
10A.5Raad voor de Kinderbescherming420
10A.6Schadevergoeding421
10A.7Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen421
10A.8Administratieve organisatie421
10A.9Klachtbehandeling422
10A.10Centraal Justitieel Incasso Bureau422
 10A.10.1Tenuitvoerlegging van straffen422
 10A.10.2De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften423
 10A.10.3Schadevergoedingsmaatregelen423
 10A.10.4Overige (ook administratieve organisatie)423
10A.11Integriteit425
10A.12Overige425
10BBestuursorganen op het terrein van Justitie428
10B.1Raden voor Rechtsbijstand428
10B.2Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers429
 10B.2.1Algemeen429
 10B.2.2Algemene wet bestuursrecht430
 10B.2.3Overige rapporten431
 10B.2.4Interventies438
10B.3Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen438
10B.4Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie443
10B.5Commissie en secretariaat van het Schadefonds Geweldsmisdrijven444
10B.6Nederlandse Orde van Advocaten444
10B.7Orde van Advocaten in de verschillende arrondissementen444
10B.8Gerechtsdeurwaarders en notarissen445
10B.9Andere bestuursorganen op het terrein van het Ministerie van Justitie445
     
11Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties447
11AMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties447
 11A.1Cijfers447
 11A.2Rapporten447
11BAndere bestuursorganen op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties449
     
12Onderwijs, Cultuur en Wetenschap450
12AMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap450
 12A.1Cijfers; algemeen450
 12A.2Interne klachtbehandeling450
12BAndere bestuursorganen op het terrein van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap452
 12B.1Informatie Beheer Groep (IB-Groep)452
  12B.1.1Cijfers452
  12B.1.2Studiefinanciering452
  12B.1.3Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten453
  12B.1.4Lesgeld454
  12B.1.5Algemene wet bestuursrecht454
  12B.1.6Overige455
 12B.2Overige bestuursorganen op het terrein van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap456
  12B.2.1Op het terrein van onderwijs en onderzoek456
  12B.2.2Overige bestuursorganen457
     
13Financiën458
13AMinisterie van Financiën458
13A.1Cijfers458
13A.2Belastingdienst458
 13A.2.1Inleiding458
 13A.2.2Schadevergoeding, rentevergoeding459
 13A.2.3Behandelingsduur467
 13A.2.4Informatieverstrekking469
 13A.2.5Heffing470
  13A.2.5.1Controle470
  13A.2.5.2Ambtshalve vermindering471
  13A.2.5.3Hardheidsclausule476
  13A.2.5.4Onjuiste aanslagen476
  13A.2.5.5Belastingteruggaaf477
  13A.2.5.6Overige zaken op het terrein van de heffing482
 13A.2.6Invordering484
  13A.2.6.1Verrekening484
  13A.2.6.2Betalingsregeling484
  13A.2.6.3Kwijtschelding484
  13A.2.6.4Gebruik van dwangmiddelen484
 13A.2.7Douane487
 13A.2.8Klachtbehandeling488
 13A.2.9Overige zaken op het terrein van de Belastingdienst495
13A.3Ministerie van Financiën anderszins497
 13A.3.1Dienst Domeinen497
 13A.3.2Overige zaken op het terrein van het Ministerie van Financiën501
13BAndere bestuursorganen op het terrein van Financiën502
     
14Ministerie van Defensie503
14.1Cijfers503
14.2Ministerie503
14.3Nederlandse krijgsmacht503
 14.3.1Koninklijke Marechaussee504
  14.3.1.1Uitgebrachte rapporten504
  14.3.1.2Tussentijdse beëindiging en interventies512
 14.3.2Koninklijke Luchtmacht512
  14.3.2.1Uitgebrachte rapporten512
14.4(Voormalige) Militaire Inlichtingendienst515
14.5Topografische Dienst Nederland516
     
15Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer518
15AMinisterie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer518
15A.1Cijfers518
15A.2Directoraat-generaal Wonen518
 15A.2.1Algemeen518
 15A.2.2Huursubsidie518
 15A.2.3Secretariaat van de huurcommissies522
15A.3Overige zaken met betrekking tot het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer525
15BAndere bestuursorganen op het terrein van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer528
15B.1Huurcommissies528
15B.2Dienst voor het kadaster en de openbare registers529
     
16Verkeer en Waterstaat533
16AMinisterie van Verkeer en Waterstaat533
16A.1Cijfers533
16A.2Uitgebrachte rapporten533
16BAndere bestuursorganen op het terrein van Verkeer en Waterstaat537
16B.1Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen537
 16B.1.1Algemeen537
 16B.1.2Uitgebrachte rapporten537
16B.2Dienst Wegverkeer539
 16B.2.1Algemeen539
 16B.2.2Uitgebrachte rapporten539
16B.3Overige zaken op het terrein van Verkeer en Waterstaat543
     
17Economische Zaken546
17AMinisterie van Economische Zaken546
17A.1Cijfers546
17A.2Afgehandelde zaken in 2003546
 17A.2.1Uitgebrachte rapporten546
 17A.2.2Andere afdoening548
17BAndere bestuursorganen op het terrein van Economische Zaken549
17B.1Kamer van Koophandel en Fabrieken549
     
18Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit551
18AMinisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit551
18A.1Cijfers551
18A.2Uitgebrachte rapporten551
 18A.2.1Ministerie551
 18A.2.2Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees554
 18A.2.3Dienst Landelijk Gebied554
 18A.2.4Keuringsdienst van Waren556
18A.3Tussentijdse beëindiging557
18BAndere bestuursorganen op het terrein van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit558
18B.1Cijfers558
18B.2Rapporten558
 18B.2.1Staatsbosbeheer558
 18B.2.2Gemeenschappelijk Secretariaat Vorderingen Landbouwschap561
18B.3Tussentijdse beëindiging561
     
19Sociale Zaken en Werkgelegenheid563
19AMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid563
19A.1Cijfers563
19A.2Uitgebrachte rapporten en afgedane zaken563
19BAndere bestuursorganen op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid567
19B.1Bestuursorganen op het terrein van de sociale zekerheid567
 19B.1.2Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen567
  19B.1.2.1Algemeen; cijfers567
  19B.1.2.2Behandelingsduur569
  19B.1.2.3Informatieverstrekking573
  19B.1.2.4Dienstverlening; bejegening; klachtbehandeling576
  19B.1.2.5Rente- en schadevergoeding593
 19B.1.3Sociale verzekeringsbank595
  19B.1.3.1Algemeen; cijfers595
  19B.1.3.2Behandelingsduur596
  19B.1.3.3Informatieverstrekking597
  19B.1.3.4Dienstverlening; bejegening; klachtbehandeling597
  19B.1.3.5Rente- en schadevergoeding603
19B.2Centrale organisatie werk en inkomen603
 19B.2.1Cijfers603
 19B.2.2Centrale organisatie werk en inkomen603
  19B.2.2.1Ontslagvergunningen603
  19B.2.2.2Bemiddeling en scholing609
  19B.2.2.3Intake612
  19B.2.2.4Klachtbehandeling612
     
20Volksgezondheid, Welzijn en Sport614
20AMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport614
20A.1Cijfers614
20A.2Uitgebrachte rapporten614
 20A.2.1Ministerie614
 20A.2.2Keuringsdienst van Waren616
 20A.2.3Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees617
20BAndere bestuursorganen op het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport618
20B.1Ziekenfondsen en zorgverzekeraars618
20B.2Pensioen- en Uitkeringsraad625
20B.3Gezinsvoogdij-instellingen626
20B.4Overige bestuursorganen op het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport628
     
21Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie629
21.1Cijfers629
22Waterschappen630
22.1Algemeen630
 22.1.1Cijfers630
 22.1.2Uniformiteit; kwijtschelding630
22.2Interne klachtbehandeling631
22.3Behandelingsduur en non-respons631
22.4Informatieverstrekking632
22.5Bejegening633
22.6Privaatrechtelijk handelen633
22.7Handhaving634
22.8Openbare ruimte635
22.9Middelen636
 22.9.1Kwijtschelding636
 22.9.2Kosten van invordering636
     
23Provincies637
23.1Cijfers637
23.2Interne klachtbehandeling637
 23.2.1Termijn voor klachtbehandeling637
 23.2.2Beslissing op klaagschrift638
23.3Behandelingsduur en non-respons638
23.4Informatieverstrekking638
23.5Handhaving639
23.6Openbare ruimte639
     
24Gemeenten641
24.1Algemeen641
 24.1.1Aangesloten gemeenten641
 24.1.2Cijfers641
24.2Uniformiteit kwijtschelding641
24.3Interne klachtbehandeling642
 24.3.1Klachtherkenning644
 24.3.2Tegemoetkoming aan klacht645
 24.3.3Ontvangstbevestiging645
 24.3.4Wijze van klachtbehandeling645
 24.3.5Geen verplichting tot klachtbehandeling647
 24.3.6Hoorplicht652
 24.3.7Termijn voor klachtbehandeling655
 24.3.8Beslissing op klaagschrift656
 24.3.9Verwijzing naar externe klachtbehandelaar659
24.4Behandelingsduur en non-respons659
24.5Informatieverstrekking660
24.6Correspondentienormen666
24.7Bejegening666
24.8Privaatrechtelijk handelen668
24.9Schadevergoeding668
24.10Beleidsvrijheid670
24.11Handhaving671
24.12Publiekszaken673
24.13Openbare ruimte676
24.14Middelen679
     
25Gemeenschappelijke regelingen681

WOORD VOORAF

Voor u ligt het Jaarverslag 2003 van de Nationale ombudsman. Op 1 januari 1994 trad de Algemene wet bestuursrecht in werking. Nu, na tien jaar, kent dit jaarverslag als centraal thema de rol die de Nationale ombudsman in het kader van de Algemene wet bestuursrecht speelt. In hoofdstuk 1 wordt aangegeven hoe deze wet mede zijn bevoegdheid bepaalt en omgekeerd hoe de Nationale ombudsman door zijn rapporten invulling geeft aan verschillende bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en in het bijzonder aan de bepalingen inzake het interne klachtrecht. Ook in de hoofdstukken over de bestuursorganen komt dit centrale thema terug aan de hand van de beschrijving van rapporten. Verder geeft hoofdstuk 1 een weergave van de rapporten naar aanleiding van het in 2003 uitgevoerde onderzoek uit eigen beweging en van een aantal belangrijke rapporten naar aanleiding van onderzoek op verzoek.

In hoofdstuk 2 worden de ontwikkelingen met betrekking tot de wetgeving betreffende de Nationale ombudsman, het ambt en het bureau weergegeven. Hoofdstuk 3 geeft het werk van de Nationale ombudsman in cijfers weer, terwijl hoofdstuk 4 ingaat op de effecten die het werk van de Nationale ombudsman heeft gehad. Hoofdstuk 5 betreft de communicatieve kant van zijn werk: de publieksvoorlichting, de contacten met bestuursorganen en andere instanties, de buitenlandse betrekkingen etc. In hoofdstuk 6 tenslotte wordt meer in het algemeen weergegeven hoe de Nationale ombudsman in 2003 heeft geoordeeld over zijn bevoegdheid ten aanzien van bestuursorganen en over de ontvankelijkheid van burgers om bij hem een verzoek in te dienen.

Sinds het verslagjaar 2001 worden de jaarverslagen cumulatief uitgegeven op de bijgevoegde cd-rom en toegankelijk gemaakt met een eenvoudige zoekstructuur. Het eerste deel – het «kerndeel» van het jaarverslag is tevens gedrukt. Dit «kerndeel» bevat de hoofdstukken 1 tot en met 6 met algemene, inhoudelijke en cijfermatige gegevens over het werk van de Nationale ombudsman. De overige hoofdstukken geven een beeld van het verrichte onderzoek naar gedragingen van de verschillende bestuursorganen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman. Overigens zijn de jaarverslagen vanaf het verslagjaar 1997 ook integraal te raadplegen via de website (www.nationaleombudsman.nl).

In 2003 overleed Mies Koster-Douma die als secretaresse sinds 1982 aan het Bureau Nationale ombudsman verbonden is geweest. Haar grote inzet voor het Bureau en haar zorg voor de kwaliteit van ons werk zullen wij ons blijven herinneren.

De Nationale ombudsman,

R. Fernhout.

AANDACHTSPUNTEN

Met het oog op de behandeling van dit jaarverslag in de Tweede Kamer volgt hieronder een overzicht van enkele aandachtspunten:

a. Algemeen

– de voortvarendheid van behandeling van «burgerbrieven» door de Rijksdienst (zie § 1.3.1.1);

– de voorlichting aan burgers en (rechts)hulpverleners met als doel vergroting van de (juiste) bekendheid en «vindbaarheid» van de Nationale ombudsman (zie § 1.4.2 en § 5.3.1);

– de rechtseenheid tussen ombudsprudentie en jurisprudentie, met name waar het de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht betreft (zie § 1.2.6).

b. Afzonderlijke bestuursorganen

1. Politie

– het gebruik van dwangmiddelen als handboeien en blinddoek door arrestatieteams van de politie en het gebrek aan normering daarvan overeenkomstig de vereisten die voortvloeien uit Grondwet en mensenrechtenverdragen (zie § 1.3.2.1, en verder § 7A.2.1, § 7A.4.1, § 7A.4.3 en § 7A.6.2);

– de uitvoering door de politie van taken op het gebied van bestuursrechtelijke handhaving en de onduidelijkheid over de bevoegdheden die de politie daarbij heeft (zie § 1.3.2.2 en § 7A.13.2, § 1.3.2.3 en § 7A.21.4, en § 7A.13.3).

2. Politie, Justitie en Buitenlandse Zaken

– het na de overheveling van taken op het gebied van de reguliere toelating van vreemdelingen van de vreemdelingendiensten naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter beschikking stellen van voldoende capaciteit aan alle diensten die thans bij de reguliere toelating van vreemdelingen zijn betrokken (zie § 1.3.1.3 en verder § 7A.15.3, § 9.3.3 en § 10A.2.2.3).

3. Justitie en Buitenlandse Zaken

– de lange duur van de behandeling van aanvragen om een visum of een machtiging tot voorlopig verblijf, met name in de bezwaarfase, door de visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie, en door de diplomatieke posten (zie § 10A.2.2.4).

4. Justitie

– de verhoging van de leges voor de behandelingen van aanvragen om verlening en verlenging van verblijfsvergunningen (zie § 10A.2.3.8);

– de gebrekkige naleving van rechterlijke uitspraken door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (zie § 1.3.1.2 en § 10A.2.1.6).

5. Financiën

– de storting door de Belastingdienst van belastingteruggaven op een verkeerde rekening (zie § 13A.2.5.5);

– de telefonische bereikbaarheid van eenheden van de Belastingdienst (zie § 13A.2.9).

6. Defensie

– Het gebrek aan voortvarendheid in de behandeling van klachten over de Koninklijke Marechaussee (zie § 14.3.1).

7. Volkshuisvesting

– het gebrek aan voortvarendheid in de behandeling van aanvragen en het niet adequaat behandelen van klachten door de huurcommissies, in samenhang met het functioneren van het secretariaat van de huurcommissies (zie § 15A.2.3 en § 15B.1).

8. Sociale zekerheid

– de lange behandelingsduur van zaken met betrekking tot uitkeringen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (zie § 19B.1.2.2);

– de situatie bij kantoor Leiden van de Sociale verzekeringsbank (zie § 19B.1.3.1).

9. Gemeenten

– informatieverstrekking door gemeenten (zie § 1.3.2.6 en verder § 24.5);

– de samenloop van klacht en bezwaar (zie § 1.4.1.1 en verder § 24.3.5);

– de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9:10 Algemene wet bestuursrecht (zie § 1.4.1.1 en verder § 24.3.6).

DEEL I KERNJAARVERSLAG

1 DE OVERHEID, GEZIEN DOOR DE NATIONALE OMBUDSMAN IN 2003

1.1 Kerncijfers 2003

Nog nooit hebben zoveel mensen de Nationale ombudsman weten te vinden als in 2003. In 2003 zijn 10 518 verzoekschriften ontvangen tegenover 9643 in 2002. Daarnaast zochten 21 979 personen telefonisch contact met het Bureau Nationale ombudsman (zie § 6.5), tegenover 17 371 in 2002, een stijging met 27%. Ook werden 532 e-mailberichten met buitenwettelijke klachten en met informatieverzoeken ontvangen en afgedaan. Alles bijeen wendden in 2003 33 029 personen zich telefonisch of schriftelijk tot de Nationale ombudsman.

Klachten over de overheid

Over de ministeries zijn in 2003 4414 verzoekschriften ontvangen (49%; 2002: 48%). Hiervan neemt het Ministerie van Justitie het leeuwendeel voor zijn rekening: 1880 (43%; 2002: 45%). De Nationale ombudsman ontving in 2003 1389 verzoekschriften over de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder IND) tegenover 1216 in 2002. Het aantal afgedane zaken over de IND in 2003 bedroeg 1419 (2002:1366). Daarnaast zijn 291 klachten over de vreemdelingendiensten afgedaan (2002: 586). Het totaal aantal afgedane klachten over vreemdelingenzaken (IND en de vreemdelingendiensten) bedroeg daarmee in 2003: 1710 (2002: 1952). Hoewel onmiskenbaar sprake is van een daling vormen vreemdelingenzaken toch nog steeds 17% van het totaal aantal afgedane klachten.

In het verslagjaar valt verder op de forse stijging van het aantal klachten over het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer: van 372 in 2002 tot 567 in 2003. Het merendeel van deze klachten betrof de afdeling Informatie, Beheer en Subsidieregelingen aangaande huursubsidie (zie § 15A.2.2). Daarnaast deden zich veel klachten voor over het gebrek aan voortvarendheid van de kant van de huurcommissies en hun centraal secretariaat (zie § 15B.1), hetgeen de Nationale ombudsman heeft doen besluiten tot een onderzoek uit eigen beweging (zie ook § 1.3.1).

Het aandeel politieklachten binnen het geheel van verzoekschriften is licht gedaald tot 1059 (in 2002: 15%; in 2003: 12%).

Het aantal klachten over decentrale overheden is stabiel gebleven. Daarover zijn in 2003 1011 verzoekschriften ontvangen (11%; 2002: 10%). Hiervan kwam 9% voor rekening van de gemeenten. Het aantal aangesloten gemeenten is in het verslagjaar gestegen van 209 per 1 januari 2003 tot 220 per 1 januari 2004. Daarmee is de Nationale ombudsman voor bijna 46% van de Nederlandse bevolking ook de gemeentelijke ombudsman (zie § 24.1.1). Het aantal aangesloten gemeenschappelijke regelingen is met één gestegen tot negentien.

Ook het aandeel van de overige bestuursorganen bleef vrijwel stabiel. De 2555 verzoekschriften in deze categorie betekenen slechts een lichte stijging van 27% in 2002 naar 28% in 2003. Binnen de categorie overige bestuursorganen lagen de meeste verzoekschriften op het terrein van de uitvoeringsinstellingen voor de sociale zekerheid (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: 1129 en Sociale verzekeringsbank: 250). Over de Informatie Beheer Groep werden 190 verzoekschriften ontvangen en over de zorgverzekeraars 204.

De vijf beleidsterreinen waarover in 2003 de meeste verzoekschriften zijn ontvangen zijn:

– justitie (inclusief vreemdelingenzaken en integratie): 24%;

– sociale zaken en werkgelegenheid: 17%;

– politie: 12%;

– financiën: 10%;

– gemeenten: 9%.

Wijze van afhandeling

Van het totale aantal verzoekschriften betroffen 9039 verzoekschriften bestuursorganen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman, tegenover 8466 in 2002. Van de uiteindelijk in onderzoek genomen zaken (2750; 2002: 2898) kon in 82% van deze zaken het onderzoek tussentijds worden beëindigd, terwijl in 18% van de zaken het onderzoek met een rapport is afgesloten. Deze verhouding ligt in lijn met hetgeen de afgelopen jaren gebruikelijk was: 2002 (86%–14%) en 2001 (85%–15%). Anders dan in voorgaande jaren was de reden voor tussentijdse beëindiging in slechts 53% van de zaken gelegen in een interventie bij het bestuursorgaan. In 31% vond de tussentijdse beëindiging haar oorzaak in een afdoening op grond van het per 1 januari 2002 ingevoerde herkansingsbeleid (zie ook § 1.4.1).

Het aantal rapporten is gestegen van 411 in 2002 naar 504 in 2003. Het percentage beoordelingen «niet behoorlijk» is licht gestegen, van 52% in 2002 naar 54% in 2003. In 51 rapporten zijn één of meer aanbevelingen gedaan. Het percentage rapporten met aanbevelingen is licht gedaald van 12% in 2002 naar 10% in 2003. Overigens stonden aan het einde van het verslagjaar nog 38 aanbevelingen uit 2003 open.

Aard van de problemen

De Nationale ombudsman heeft tot taak om de door hem onderzochte gedragingen te beoordelen op behoorlijkheid. Met het oog daarop is de behoorlijkheidsnorm van artikel 26, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman uitgewerkt in een reeks van vereisten van behoorlijkheid (zie bijlage 4).

De vereisten van behoorlijkheid zijn te zien als de noemer waarop klachten bij de Nationale ombudsman kunnen worden herleid. Dit betekent dat de neerslag van het gebruik van deze vereisten inzicht geeft in de problemen met de overheid zoals de betreffende klagers die hebben ervaren. In het onderzoek van de Nationale ombudsman in 2003 waren de volgende vereisten van behoorlijkheid in verhouding het meest aan de orde (zie § 3.6.4):

a) voortvarendheid: 38%;

b) actieve informatieverstrekking: 14%;

c) overeenstemming met algemeen verbindende voorschriften: 10%;

d) belangenafweging/redelijkheid: 6%;

e) rechtszekerheid: 6%;

f) administratieve nauwkeurigheid: 5%.

Het vereiste van voortvarendheid kwam het meeste aan de orde (38%; 2002: 46%). Deze afname wordt mede veroorzaakt door een afname in het aantal interventies (53%; 2002: 57%) waar traag handelen door de overheid aan de orde was.

Bij elkaar beslaan de scores op deze vereisten 78% van alle keren dat een beoordelingscriterium werd gebruikt in zaken die in een rapport (18%) dan wel in een interventie (51%) zijn geëindigd. Evenals in 2002 is in 2003 een groot aantal zaken tussentijds beëindigd door herkansing (31%), waarbij geen behoorlijkheidscriterium wordt geregistreerd omdat het bestuursorgaan alsnog de mogelijkheid wordt geboden de klacht intern te behandelen. De scoringspercentages (a t/m f) mogen dan ook niet vergeleken worden met die van de jaren tot en met 2001. Niettemin, in deze herkansingszaken is per definitie sprake van een gebrek aan voortvarendheid, aangezien niet binnen de termijnen van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht door het bestuursorgaan op de ingediende klacht is beslist. Gebrek aan voortvarendheid is daarmee ook in 2003 opnieuw de meest voorkomende klacht.

1.2 De Nationale ombudsman en de Algemene wet bestuursrecht

1.2.1 Nationale ombudsman en Algemene wet bestuursrecht

Op 1 januari 2004 is het tien jaar geleden dat de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) in werking is getreden. Met de Awb is een belangwekkende aanzet gegeven tot systematisering en codificering van het bestuursrecht. Van een algehele codificatie van alle bestuursrechtelijke leerstukken is weliswaar nog geen sprake, maar de realisering van de voorgenomen tranches en geplande wetsontwerpen brengt die pretentie wel steeds dichterbij. Van meet af aan lag het in de bedoeling de Wet Nationale ombudsman in de Awb te incorporeren. Bij inwerkingtreding van het aanhangige voorstel voor de Wet extern klachtrecht (Kamerstukken 2002–2003, 28 747, nrs. 1–3 e.v.) zal het zover zijn. Vanaf dat moment zullen de procedurele bepalingen van de Wet Nationale ombudsman (verder WNo) in de Awb te vinden zijn en blijven in de WNo – afgezien van een paar procedurele bepalingen die alleen de Nationale ombudsman aangaan – slechts de institutionele bepalingen betreffende het ambt. Daarmee is een volgende stap gezet in de vervolmaking van de Awb als een werkelijk algemene wet bestuursrecht.

Overigens, ook al staat de Nationale ombudsman nog buiten de Awb, toch is hij reeds vanaf de inwerkingtreding in meerdere opzichten aan de Awb gebonden en omgekeerd bepaalt hij door zijn rapporten mede de interpretatie van verschillende bepalingen van de Awb. Die rol is ook uitdrukkelijk door de wetgever voorzien (zie bijvoorbeeld de memorie van toelichting bij artikel 2:6 Awb). Met name wat betreft de bepalingen inzake het interne klachtrecht van hoofdstuk 9 van de Awb is die rol vrijwel exclusief. Als externe klachtinstantie, naar wie op grond van artikel 9:12, tweede lid, Awb aan het einde van de interne klachtprocedure moet worden verwezen, geeft de Nationale ombudsman in de tweede lijn niet alleen een oordeel over de gedraging van het bestuursorgaan waarover wordt geklaagd, maar beoordeelt hij ook de wijze waarop het bestuursorgaan de klacht intern heeft behandeld (zie verder § 1.4.1.1).

Afgezien van hoofdstuk 9 spelen ook vele andere bepalingen van de Awb in de rapporten van de Nationale ombudsman een belangrijke rol, omdat zij hetzij medebepalend zijn voor zijn bevoegdheid, hetzij fungeren als toetsingskader bij zijn behoorlijkheidsbeoordeling. Aan de hand van een selectie van rapporten zal hieronder met name worden ingegaan op het belang van enkele niet tot hoofdstuk 9 behorende bepalingen van de Awb voor het werk van de Nationale ombudsman, en op de betekenis van zijn rapporten voor de interpretatie van die bepalingen. Afgezien van de aangegeven vindplaatsen zijn alle genoemde rapporten ook via de website te raadplegen.

1.2.2 Nationale ombudsman en bestuursorgaan

De bevoegdheid van de Nationale ombudsman ten aanzien van zelfstandige bestuursorganen wordt sinds 1998 bepaald door de definitie van bestuursorgaan van artikel 1:1 Awb. Zelfstandige bestuursorganen zijn in 1993 als categorie binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman gebracht. Aanvankelijk via een enumeratieve opsomming bij algemene maatregel van bestuur, maar deze aanpak bleek «een uitermate arbeidsintensieve aangelegenheid met veel bureaucratische rompslomp» te zijn. In 1998 werd dan ook besloten de enumeratieve aanwijzing van zelfstandige bestuursorganen los te laten en de WNo voortaan van toepassing te laten zijn op «andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd»: artikel 1a, eerste lid, onder e, WNo. Sinds 30 juni 1998 bepaalt de Nationale ombudsman dus zelf, onder toepassing van het bestuursorgaanbegrip van artikel 1:1 Awb, of een instantie als zelfstandig bestuursorgaan kan worden aangemerkt en daarmee binnen zijn bevoegdheid valt. Vergeleken met de enumeratieve aanpak is op deze wijze een groot aantal andere bestuursorganen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman gebracht, zoals de zorgverzekeraars voor zover zij de Ziekenfondswet, de Algemene wet bijzondere ziektekosten en de Wet toegang ziektekostenverzekeringen uitvoeren, de deurwaarders en de notarissen voor zover zij ambtshandelingen verrichten en recentelijk een groot aantal regionale indicatieorganen (RIO's, zie verder § 6.3.2).

De Nationale ombudsman pleegt zijn bevoegdheid ten aanzien van zelfstandige bestuursorganen in rapporten alleen te motiveren wanneer deze bestreden wordt. Van bestrijding van de bevoegdheid is overigens zelden sprake, al moet de Nationale ombudsman nog wel eens preciseren welk orgaan van de rechtspersoon bestuursorgaan is. Niet de hoogleraar-directeur of de directieraad van een departement, maar het College van Bestuur is het bestuursorgaan van de Universiteit Wageningen (rapport 2003/445, § 12B.2.1; zie ook rapport 2003/491, § 10B.7 over de bestuursorganen van de Orde van Advocaten). In zijn jaarverslagen legt de Nationale ombudsman verantwoording af over zijn beslissingen met betrekking tot de vraag of een persoon, college of orgaan is te beschouwen als bestuursorgaan in de zin van artikel 1a, eerste lid, onder e, WNo in samenhang met artikel 1:1 Awb (in dit jaarverslag § 6.3.2). Daarbij kan de Nationale ombudsman zich meestal (nog) niet baseren op bestaande jurisprudentie ter zake. Vaak is hij als eerste geroepen om een uitspraak te doen over het bestuursorgaankarakter van een persoon, college of andere instantie. Immers, de bestuursrechter komt aan deze vraag pas toe in het kader van de beoordeling of al dan niet sprake is van een besluit. Bij de Nationale ombudsman gaat het om (de behoorlijkheid van) alle andere handelingen dan besluiten. Die veelheid van handelingen waarover kan worden geklaagd, brengt dan vaak mee dat hij eerder door burgers wordt benaderd met klachten dan de bestuursrechter.

Vanzelfsprekend dient de jurisprudentie ter zake van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en van de andere hoogste bestuursrechters voor de Nationale ombudsman richtinggevend te zijn, maar verbindingen met deze colleges voor afstemming ontbreken. Soms gaat het dan ook mis, te meer omdat de Nationale ombudsman – zoals gezegd – zich vaak veel eerder over het bestuursorgaankarakter moet uitspreken dan de bestuursrechters. Zo merkt de Nationale ombudsman sinds 30 juni 1998 gerechtsdeurwaarders, voor zover zij ambtshandelingen verrichten, aan als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, Awb. Werkzaamheden van deurwaarders, die niet tot hun ambtelijke taken kunnen worden gerekend, zoals het uitoefenen van het incassobedrijf en het verlenen van rechtsbijstand, vallen buiten het bestuursorgaanbegrip. In haar uitspraak van 8 augustus 2001 (JB 2001, 216; AB 2002, 51) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak evenwel uitgesproken dat niet kan worden staande gehouden dat de deurwaarder bij het leggen van executoriaal beslag optreedt als persoon met enig openbaar gezag bekleed. Volgens de Afdeling is de deurwaarder dus geen b-orgaan. De casus speelde voor de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet en daarin ligt mogelijk de verklaring voor de afwijzende houding van de Afdeling. De parlementaire geschiedenis van de Gerechtsdeurwaarderswet laat immers geen twijfel over de positie van de gerechtsdeurwaarder: voor zover deze ambtshandelingen verricht, is hij bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 Awb. In die hoedanigheid oefent hij – desnoods met dwang of geweld – op grond van een wettelijk voorschrift publiekrechtelijke macht uit die binnen de samenleving geconcentreerd dient te zijn in de handen van de overheid.

Aanvankelijk heeft de Nationale ombudsman na 8 augustus 2001 de behandeling van klachten over deurwaarders (en over notarissen, ten aanzien van wie dezelfde vragen speelden) opgeschort. Vervolgens heeft de wetgever door toevoeging van een onderdeel j aan artikel 8:4 Awb (impliciet) het bestuursorgaankarakter van deurwaarders en notarissen herbevestigd, zij het dat ambtshandelingen van gerechtsdeurwaarders en notarissen van beroep (en daarmee van bezwaar) zijn uitgezonderd. De bepalingen van hoofdstuk 9 van de Awb inzake het interne klachtrecht zijn op deze ambtshandelingen wel van toepassing en vervolgens heeft ook de Nationale ombudsman als externe klachtinstantie de behandeling van klachten over ambtshandelingen van deurwaarders en notarissen hervat; zie rapport 2003/159, § 10B.8) en rapport 2003/417 (notaris).

1.2.3 Nationale ombudsman en besluit

Zolang ten aanzien van de gedraging van het bestuursorgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld is de Nationale ombudsman niet bevoegd, tenzij artikel 6:2 Awb van toepassing is en de gedraging dus bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit. Ook is de Nationale ombudsman niet bevoegd zolang bezwaar of beroep aanhangig zijn (artikel 16, aanhef en onder c, WNo). Heeft de verzoeker de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt laten verstrijken dan is de Nationale ombudsman wel bevoegd, maar niet verplicht tot onderzoek (artikel 14, aanhef en onder g, WNo). Naar vast beleid wordt bij het ongebruikt verstrijken van bezwaar- en beroepstermijnen niet tot onderzoek overgegaan. Aan een inhoudelijke beoordeling van besluiten komt de Nationale ombudsman dan ook niet toe. Het is uiteindelijk aan de bestuursrechter om besluiten inhoudelijk te toetsen.

Ook hier kan zich het risico voordoen dat vanwege het ontbreken van mogelijkheden van afstemming met de bestuursrechter Nationale ombudsman en rechter een eigen weg gaan bij beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een besluit. Van een uiteenlopende interpretatie is voor zover bekend (nog) niet gebleken. Wel heeft de Nationale ombudsman soms een voorschot genomen op te verwachten jurisprudentie. Zo oordeelde hij in rapport 1999/11 dat voor zover een legalisatie- of verificatiebeslissing niet zou moeten worden aangemerkt als een beschikking, het in de rede ligt wat betreft de termijnen voor behandeling van een legalisatieaanvraag aanknopingspunten te zoeken bij de betreffende Awb-bepalingen en die van overeenkomstige toepassing te achten. Vervolgens besloot de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 februari 1999 (Jaarverslag 1999, blz. 76) dat de legalisatie (of weigering), al dan niet na verificatie, van buitenlandse documenten voor het gebruik in het Nederlandse rechtsverkeer is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

1.2.4 Nationale ombudsman en Awb-beslistermijnen

Aangezien veel verzoekers die ontevreden zijn over een te traag reagerende overheid de rechtsgang naar de Nationale ombudsman die openstaat op grond van artikel 16, aanhef en onder c, WNo juncto 6:2 Awb verkiezen boven de omslachtige weg van artikel 6:2 Awb gevolgd door bezwaar of beroep, heeft de Nationale ombudsman een uitgebreide ombudsprudentie ontwikkeld over de beslistermijnen op een aanvraag (artikel 4:13 en 4:14 Awb), dan wel op bezwaar of beroep (artikel 7:10 c.q. 7:24 Awb). In feite staan klachten over de duur van de behandeling van een aanvraag of bezwaarschrift bij de Nationale ombudsman steevast op de eerste plaats. Veelal blijkt een klacht bij de Nationale ombudsman ook een effectief «rechtsmiddel» te zijn, omdat hij vaak door middel van een interventie kan bereiken dat alsnog binnen uiterlijk vier weken een beslissing wordt genomen, dan wel de volgende stap in de procedure wordt gezet (bijvoorbeeld de inschakeling van een ambtelijke commissie of een adviescommissie).

Voor zover beslistermijnen in rapporten aan de orde komen, komt de Nationale ombudsman veelvuldig tot het oordeel dat de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijnen voor het nemen van een beschikking zijn verstreken (in dit verslagjaar bijvoorbeeld rapport 2003/288, § 9.3.2). Ontbreekt een wettelijke beslistermijn, dan constateert hij dat in veel gevallen niet binnen acht weken een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 4:14 van de Awb (zie bijvoorbeeld de rapporten ter zake genoemd in § 10A.2.1.4 en rapport 2003/379, § 24.4) Ook geeft hij soms aan wat zijns inziens een redelijke termijn is waarbinnen een beschikking moet worden gegeven, bijvoorbeeld drie maanden voor een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (rapport 1997/607), één jaar voor opname buitenlands pleegkind (rapporten 1996/447 en 2001/387), dertien weken voor een uitkering van de Stichting Het Gebaar (rapport 2003/175, § 20B.4; JB 2003, 252) of veel korter dan acht weken waar het een aanvraag betreft voor opvang en medische zorg voor een ernstig zieke asielzoeker (rapport 2003/178, § 10B.2.2).

Ook ten aanzien van de beslistermijnen in bezwaar (artikel 7:10 Awb) en administratief beroep (artikel 7:24 Awb) is een uitvoerige ombudsprudentie ontstaan (zie bijvoorbeeld in dit jaarverslag de rapporten over artikel 7:10 Awb genoemd in § 10A.2.1.4). Hierin valt een aantal kernpunten op. De mogelijkheid van verdaging op grond van artikel 7:10, derde lid, Awb is blijkens de memorie van toelichting bedoeld voor bijzondere gevallen. Door het standaard, of structureel gebruik maken van de mogelijkheid om de beslissing op een bezwaarschrift met vier weken te verdagen komt een bestuursorgaan de ingevolge artikel 7:10 Awb op hem rustende rechtsplicht niet na (rapport 2001/085, JB 2001, 144; AB 2001, 170). Na verdaging is op grond van artikel 7:10, vierde lid, Awb verder uitstel alleen mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt. Nog afgezien van het feit dat verdagingsbesluiten en verzoeken om instemming vaak achterwege blijven (zie rapport 2001/242, JB 2001, 288; rapport 2001/345 en het zogeheten burgerbrievenrapport 2003/325, § 1.3.1; JB 2003, 361), accepteert de Nationale ombudsman ook niet dat in plaats van een verzoek om verder uitstel uitsluitend een kennisgeving wordt gedaan van de termijn waarop zal worden beslist. Het argument van bestuursorganen dat de Awb niet voorschrijft op welke wijze de instemming moet worden verkregen, en dat daarom instemming ook kan worden verkregen door (stilzwijgende) aanvaarding van de verdere verdaging, wordt door de Nationale ombudsman niet zonder meer aanvaard (rapport 2001/302; JB 2001, 311). Hoewel voor dit standpunt van bestuursorganen om redenen van efficiency wel iets valt te zeggen, is het standpunt alleen dan aanvaardbaar, wanneer de indiener van het bezwaarschrift er tevens duidelijk over is geïnformeerd dat het niet (tijdig) reageren op een mededeling van verder uitstel zal worden uitgelegd als instemming met dat uitstel, en wanneer hij daarbij duidelijk wordt gewezen op de mogelijkheid om aan te geven dat hij niet met dat verder uitstel instemt (rapport 1999/148, JB 1999, 131).

Bovendien moeten de verdaging en het verzoek om verder uitstel worden gedaan binnen de beslistermijn (rapport 2000/039; JB 2000, 86) en moet uit het verzoek om verder uitstel blijken voor welke concrete termijn om uitstel wordt gevraagd (rapport 2002/056). In het verzoek om verder uitstel dient te worden gewezen op de mogelijkheid om tegen het niet tijdig beslissen een beroepschrift bij de rechtbank (en een eventueel verzoek om voorlopige voorziening) in te dienen, zodat betrokkene de gelegenheid wordt geboden een afweging te maken tussen de geboden mogelijkheid om in te stemmen met uitstel van behandeling en het aanwenden van rechtsmiddelen (rapport 1997/433; JB 1997, 269); rapport 2000/190; JB 2000, 195) en rapport 2001/204).

In het kader van het burgerbrievenrapport 2003/325 (JB 2003/361; zie § 1.3.1) heeft de Nationale ombudsman een folder ontwikkeld waarin de wettelijke Awb-normen en de in de loop der jaren door de Nationale ombudsman ontwikkelde behoorlijkheidsnormen voor de behandeling van aanvragen, bezwaarschriften, klaagschriften en andere correspondentie met burgers kort en overzichtelijk bijeen zijn gebracht. De «Correspondentiewijzer» mag eigenlijk bij geen bestuursorgaan ontbreken.

Indien de rechtbank na gegrond verklaring van het beroep het bestuursorgaan geen specifieke termijn stelt voor het nemen van een nieuw besluit, doet zich de vraag voor binnen welke termijn een nieuw besluit moet worden genomen. In verschillende rapporten heeft de Nationale ombudsman met een beroep op de memorie van toelichting bij artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb uitgesproken dat een nieuwe beslissing zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, moet worden genomen, doch uiterlijk binnen de termijn die van toepassing is voor de eerste beslissing op bezwaar, zoals neergelegd in artikel 7:10 van de Awb (zie bijvoorbeeld rapport 2002/095 (JB 2002, 181); rapport 2003/037, § 24.4; rapport 2003/173 en rapport 2003/242, § 10A.2.1.4). Veelvuldig wordt de Nationale ombudsman geconfronteerd met klachten over het niet tijdig opvolgen van rechterlijke uitspraken door met name de IND. In rapport 2001/020 (NAV 2001, 180) heeft de Nationale ombudsman een aanbeveling gedaan betreffende het tijdig opvolgen van rechterlijke uitspraken. De staatssecretaris van Justitie liet weten deze aanbeveling te zullen opvolgen. Niettemin bleef de Nationale ombudsman hierover klachten ontvangen, hetgeen hem er uiteindelijk toe heeft gebracht om met gebruikmaking van de bevoegdheid uit eigen beweging onderzoek te doen naar hoe de IND omgaat met zaken waarin de rechtbank heeft bepaald dat een nieuw besluit moet worden genomen (rapport 2003/385 (MR 2003, 72; JB 2004, 40); zie verder § 10A.2.1.6).

1.2.5 Nationale ombudsman en andere Awb-bepalingen

Hoofdstuk 2 Awb

Vanzelfsprekend vormen de bepalingen over het verkeer tussen burgers en bestuursorganen van hoofdstuk 2 Awb een belangrijk toetsingskader voor de Nationale ombudsman bij de beantwoording van de vraag of een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen. Met toepassing van artikel 2:1 Awb heeft de Nationale ombudsman aangegeven dat een gemachtigde de belanghebbende in het verkeer met het bestuursorgaan vertegenwoordigt. Dit wil onder meer zeggen dat het contact met de belanghebbende in beginsel via de gemachtigde verloopt (rapport 2000/328 (JB 2000, 319); rapport 2003/348 (zie § 12B.1.5; JB 2003, 362)). Weliswaar kan een bestuursorgaan op grond van artikel 2:1, tweede lid, Awb ook van een advocaat een schriftelijke machtiging verlangen, maar daarvoor moet dan wel een toereikende reden bestaan. Van een dergelijke reden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het voor het bestuursorgaan niet zonder meer vaststaat of een bepaalde persoon inderdaad advocaat is (rapport 1999/392; JB 1999, 279). Indien een belastingplichtige een ander wil machtigen, kan de Belastingdienst gezien artikel 2:1 Awb de belastingplichtige niet voorschrijven dat hij de dienst daarvan schriftelijk op de hoogte moet stellen (rapport 2003/033, zie § 13A.2.8).

Het niet voldoen aan de doorzendplicht van artikel 2:3 Awb is het onderwerp van onder andere rapport 2000/344 (JB 2002, 360) en in dit verslagjaar de rapporten 2003/413 (zie § 7B.11) en 2003/472 (zie§ 10A.2.4).

Het verbod van vooringenomenheid van artikel 2:4 Awb en het tegengaan van (zelfs de schijn van) belangenverstrengeling zijn ook regelmatig onderwerp van rapporten (bijvoorbeeld rapport 1998/245 (JB 1998, 217); rapport 2000/338 (JB 2000, 342)), evenals het in strijd met artikel 2:5 Awb verstrekken van persoonlijke gegevens aan derden door een bestuursorgaan (rapport 2001/242; JB 2001, 288) of door een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame (politie)ambtenaar (rapport 2001/249).

Hoofdstuk 3 Awb

Hoewel de Nationale ombudsman terugtreedt ten aanzien van besluiten waartegen bezwaar of beroep openstaat dan wel heeft opengestaan, past hij op grond van de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb de beginselen van behoorlijke bestuur van afdeling 3.2 wel toe op andere handelingen dan besluiten (zie bijvoorbeeld rapport 1997/116 (JB 1997, 129); rapport 2001/316 (JB 2001, 335)). In feite lopen de behoorlijkheidsnormen die de Nationale ombudsman op grond van artikel 26 WNo heeft ontwikkeld (zie bijlage 4) ook voor een groot deel parallel met de beginselen van behoorlijk bestuur als gecodificeerd in afdeling 3.2 Awb. Wat betreft de onderzoeksplicht van artikel 3:2 Awb doet zich wel een spanning voor met de wettelijke beslistermijnen. Niet zelden rechtvaardigt een bestuursorgaan de overschrijding daarvan met een beroep op artikel 3:2 Awb. De Nationale ombudsman bestrijdt de noodzaak van een zorgvuldige voorbereiding van een beslissing niet, maar moet soms wel constateren dat de termijnoverschrijding niet zozeer in het nader onderzoek is gelegen, als wel in het feit dat het onderzoek zonder aanwijsbare reden heeft stilgelegen (rapport 2003/177) of veel te laat een aanvang heeft genomen (rapport 2003/429; zie verder § 10A.2.1.4).

Verder wordt hier met name gewezen op toepassing door de Nationale ombudsman van het mede aan artikel 3:4, tweede lid, Awb ten grondslag liggende rechtsbeginsel van «égalité devant les charges publiques» op het terrein van schadevergoeding voor een niet-verdachte als gevolg van rechtmatig strafvorderlijk optreden. In de zaak die geleid heeft tot rapport 2001/095 (AB 2001, 79) weigerde het College van procureurs-generaal schadevergoeding omdat de schade aan de auto van verzoeker ten gevolge van de aanhouding van een inzittende door een arrestatieteam het gevolg was van rechtmatig overheidsoptreden. Met verwijzing naar artikel 3:4, tweede lid, Awb overwoog de Nationale ombudsman echter dat het College hiermee had miskend dat ook rechtmatig overheidsoptreden aanleiding kan vormen tot toekenning van schadevergoeding.

Ook afdeling 3.3. inzake advisering vindt veelvuldig toepassing in de ombudsprudentie. Zo oordeelde de Nationale ombudsman bijvoorbeeld in het rapport over het leeftijdsonderzoek bij alleenstaande minderjarige asielzoekers dat de staatssecretaris van Justitie weliswaar niet verplicht was het advies terzake van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (verder IGZ) op te volgen, maar dat van de staatssecretaris wel mocht worden verwacht dat gemotiveerd was aangegeven waarom het advies van de IGZ, als de bij uitstek deskundige inspectie, niet werd gevolgd (rapport 2002/386; JB 2003, 74; zie verder § 10A.2.3.4). Het overschrijden van de adviestermijn van artikel 3:6 Awb betekent niet dat het bestuursorgaan zonder het advies een besluit had moeten nemen, aangezien in de toelichting bij dat artikel wordt beschreven dat er bij het uitblijven van een advies nog andere redenen kunnen zijn waardoor besluitvorming zonder dat advies niet mogelijk is (rapport 2003/487, zie § 19B.2.2.1).

Indien verzoeker de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt heeft laten verstrijken, omdat een rechtsmiddelenverwijzing als bedoeld in de artikelen 3:45 en 6:23 Awb heeft ontbroken, gaat de Nationale ombudsman – hoewel bevoegd – naar vaste praktijk niet tot onderzoek over. Tot voor kort was dit beleid weinig problematisch. De Nationale ombudsman bood verzoeker aan het bezwaar- of beroepschrift door te zenden en ging er dan van uit dat de bezwaar- of beroepsinstantie de overschrijding van de termijn verschoonbaar zou achten wegens het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing. Gezien de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 mei 2001 (termijnoverschrijding niet verschoonbaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden; JB 2001, 172; AB 2001, 291 ) mag de Nationale ombudsman er echter niet langer van uitgaan dat bij doorzending van verzoekschriften betreffende besluiten waarin een rechtsmiddelenverwijzing ontbreekt, maar waarvan de bezwaar- of beroepstermijn inmiddels is verstreken, de termijnoverschrijding verschoonbaar zal worden geacht. Het achterwege laten van een rechtsmiddelenverwijzing in strijd met artikel 3:45 of 6:23 Awb roept echter wel onmiskenbaar het vermoeden op dat sprake is van een niet behoorlijke gedraging (bijvoorbeeld rapport 2002/160; JB 2002, 236). Toch zal de Nationale ombudsman ingeval de bezwaar- of beroepsinstantie de verzoeker wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk acht, niet zelf de inhoud van de bestreden besluiten gaan onderzoeken. Een inhoudelijke beoordeling van besluiten is primair aan de bestuursrechter. Wel stelt hij voortaan – ook als verzoeker daarover niet klaagt – uit eigen beweging een onderzoek in naar het niet nakomen van de wettelijke verplichtingen met betrekking tot het opnemen van een rechtsmiddelenverwijzing, tenzij er aanwijzingen zijn dat het achterwege laten van de rechtsmiddelenverwijzing door het bestuursorgaan slechts een incident is (zie bijvoorbeeld rapport 2002/375; JB 2003, 75 en verder § 6.3.3.4).

Wat betreft afdeling 3.7 inzake motivering kan gewezen worden op een tweetal rapporten over de artikelen 3:48 en 4:82 Awb, waarin te onpas naar de Vreemdelingencirculaire 2000 werd verwezen als rechtvaardiging voor het achterwege laten van een motivering (rapport 2003/449 en rapport 2003/450, § 10A.2.3.3).

Hoofdstuk 4 Awb

Afgezien van de hiervoor reeds behandelde rapporten met betrekking tot de beslistermijnbepalingen van afdeling 4.1.3 kan nog gewezen worden op de volgende ombudsprudentie.

Ingevolge artikel 4:1 Awb dient een aanvraag bij het bestuursorgaan te worden ingediend dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In dit verband doet zich met enige regelmaat de vraag voor hoe te handelen als een aanvraag wordt ingediend bij een verkeerde dienst of afdeling van het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. Volgens de Nationale ombudsman is in de Awb, noch in enig ander wettelijk voorschrift bepaald hoe een bestuursorgaan dient te handelen in het geval dat een aanvraag wordt ingediend bij een verkeerde dienst of afdeling van dat orgaan, dan wel op een ander adres dan is opgegeven in een op grond van artikel 4:4 Awb vastgesteld aanvraagformulier. Het ligt voor de hand dat in zo'n geval zoveel mogelijk analoog aan de doorzendplicht van artikel 2:3 Awb wordt gehandeld. Dat doet er echter niet aan af dat een bestuursorgaan, dat ten behoeve van zijn taakvervulling vaak beschikt over meerdere adressen, naar het oordeel van de Nationale ombudsman van aanvragers mag verwachten dat zij hun aanvraag indienen op het juiste adres. Uiteraard dient de aanvrager van dat adres op de hoogte te zijn gesteld (zie rapport 2001/138 (JB 2001, 204); rapport 2003/248 (zie § 9.3.2); rapport 2004/003). Deze rapporten roepen wel de vraag op of artikel 4:5 Awb niet zo gewijzigd zou moeten worden dat een bestuursorgaan ook tot buitenbehandelingstelling kan besluiten indien de aanvraag niet op het in het formulier aangegeven adres wordt ingediend.

Ook met betrekking tot het bieden van gelegenheid tot het aanvullen van een onvolledige aanvraag als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, Awb is een uitvoerige ombudsprudentie ontstaan (bijvoorbeeld rapport 2001/302 en in het verslagjaar de rapporten 2003/113, 2003/197 en 2003/428; § 10A.2.1.4). Artikel 4:5 Awb is geschreven voor de aanvraagfase. In de bezwaarfase kan dan ook niet alsnog met een beroep op artikel 4:5 de aanvraag buiten behandeling worden gesteld (rapport 2003/428). De verhouding tussen de artikelen 4:6 en 4:5 Awb is eveneens in rapporten nader uiteengezet (bijvoorbeeld rapport 2001/288). Verder is de Nationale ombudsman van oordeel, dat het bieden van gelegenheid tot het aanvullen van de aanvraag de beslistermijn slechts opschort (zie artikel 4:15 juncto 4:5 Awb) en dat het dus niet zo is dat pas na herstel van het verzuim de wettelijke beslistermijn begint te lopen (rapport 2001/354; rapport 2002/050; rapport 2000/309). Dit standpunt wordt door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie echter niet gedeeld. Toch heeft de Nationale ombudsman de discussie met de minister niet voortgezet, te meer omdat de kwestie in beginsel ook voor de bestuursrechter kan spelen. Hij wacht eventuele jurisprudentie terzake dan ook af (zie § 10A.2.1.4). Ook hier laat zich dus de vraag naar rechtseenheid stellen.

Hoofdstuk 5 Awb

Wat hoofdstuk 5 Awb betreft valt het de Nationale ombudsman op dat het politieambtenaren nog niet altijd voldoende duidelijk is dat zij in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder WAHV) optreden als toezichthouders in de zin van artikel 5:11 Awb. Voor het hanteren van strafvorderlijke bevoegdheden als staande houden is in dit kader dan ook niet langer plaats. In plaats van staande houden gaat het om het stilhouden van voertuigen als bedoeld in artikel 5:19 Awb en het vorderen van inlichtingen op grond van artikel 5:16 Awb (rapport 2002/055; 2003/47; zie § 7A.13.4). Uit artikel 5:16 en 5:17 Awb kan overigens geen algemene plicht tot het tonen van identiteitsdocumenten worden afgeleid (rapport 2003/125; zie § 7A.13.3).

Ten aanzien van artikel 5:20 Awb heeft de Nationale ombudsman er op gewezen dat in dit artikel in vergelijking met zijn voorganger, artikel 18.6 Wet milieubeheer, de aanvullende voorwaarde is gesteld, dat een ieder verplicht is de toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (rapport 2001/277). In casu was niet getoetst of wel voldoende tijd was gegeven om aan de medewerkingsverplichting te voldoen.

Ten aanzien van de schriftelijke beslissing tot bestuursdwang (artikel 5:24 Awb) dient de Nationale ombudsman zich vanwege de mogelijkheden van bezwaar en beroep van een oordeel te onthouden (rapport 2002/327; JB 2003, 43). Wel kan hij beoordelen of de regels waaraan het toepassen van bestuursdwang moet voldoen, in acht zijn genomen (rapport 2003/414 en rapport 2003/493 (zie § 7A.13.2); rapport 2003/161 (zie § 24.9; rapport 2004/022).

Hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 Awb

Aangezien de Nationale ombudsman «wijkt» voor bezwaar en beroep tenzij artikel 6:12 Awb inzake het niet tijdig beslissen van toepassing is, is zijn betrokkenheid bij de interpretatie van de bepalingen van de hoofdstukken 6, 7 en 8 beperkt, zij het dat er wel een uitvoerige ombudsprudentie is ontstaan over de beslistermijnen (zie § 1.2.4). Daarnaast kan gewezen worden op de volgende rapporten. Zo oordeelde de Nationale ombudsman in rapport 2003/211 (§ 10A.2.1.4) dat het verstrekken van de naar aanleiding van de hoorzitting gevraagde informatie niet kan worden aangemerkt als het aanvoeren van (nadere) gronden van het bezwaar of beroep als bedoeld in artikel 6:5 Awb of als het voldoen aan één van de andere vereisten van artikel 6:5 dan wel aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van bezwaar of beroep, zodat artikel 6:6 Awb op het verstekken van de gevraagde informatie niet van toepassing was.

Wat de gang van zaken tijdens bezwaarprocedure zelf betreft valt te wijzen op rapport 1999/500 (AB 2000, 135; JB 2000, 41) en rapport 2002/141 (JB 2002, 218), waarin de Nationale ombudsman aangeeft onder welke omstandigheden een belanghebbende in de gelegenheid moet worden gesteld om telefonisch te worden gehoord. In rapport 2003/168 (§ 19B.1.2.4; JSV 2003, 170; RSV 2003, 248) was de vraag aan de orde of medewerkers bezwaar en beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering inzage mogen hebben in medische gegevens. De Nationale ombudsman oordeelde dat op grond van artikel 7:4 Awb een bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen voor belanghebbenden ter inzage legt (voor de fase van beroep geldt op grond van artikel 8:39 juncto artikel 8:29 en artikel 8:32 Awb een vergelijkbare regeling). Toepassing van deze regeling brengt met zich mee dat de medewerkers bezwaar en beroep toegang moeten hebben tot alle op de zaak betrekking hebbende documenten waaronder ook de op de zaak betrekking hebbende medische gegevens.

De wijze waarop de Nationale ombudsman in het verslagjaar aan de bepalingen van hoofdstuk 9 over het interne klachtrecht invulling heeft gegeven komt hierna afzonderlijk aan de orde in § 1.4.1.1.

Hoofdstuk 10

De mandaatregeling van afdeling 10.1.1. Awb is krachtens de schakelbepaling van artikel 10:12 Awb ook van toepassing op machtigingen in het kader van hoofdstuk 9 van de Awb. Toch constateert de Nationale ombudsman regelmatig dat klachten worden afgedaan door een ander dan het bestuursorgaan zelf, terwijl van een machtiging tot klachtafdoening geen sprake is (rapport 2000/374; JB 2001, 43; AB 2001, 143) en de rapporten 2001/153, 2001/393 en 2003/341; zie § 10A.10.4). Ten slotte kan nog gewezen worden op rapport 2001/209. In deze zaak viel het de Nationale ombudsman op dat de sepotbeslissing was genomen door een parketsecretaris. Op zichzelf kan op grond van artikel 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie juncto artikel 2 Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket de bevoegdheid om te seponeren aan een parketsecretaris worden gemandateerd. Een op schrift gesteld algemeen mandaatbesluit ontbrak evenwel. Weliswaar is ingevolge artikel 1:6, onder a, Awb hoofdstuk 10 van de Awb niet rechtstreeks van toepassing op de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden, toch heeft de regering in antwoord op kamervragen gesteld dat de Awb op het punt van mandaatverlening in hoge mate als een neerslag van het algemeen geldende recht is te beschouwen. Er bestaat in beginsel dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat bij mandaatverlening buiten de door de Awb bestreken gevallen andere regels dan die van de Awb zouden gelden. Het ligt daarom volgens de Nationale ombudsman voor de hand naar analogie van artikel 10:5, tweede lid, Awb de aan de parketsecretaris gemandateerde bevoegdheden op schrift te stellen.

1.2.6 Nationale ombudsman en rechtseenheid

De Nationale ombudsman is onmiskenbaar een speler op het veld van de Awb. Toch maakt hij geen deel uit van het team. Er zijn geen verbindingen met de andere spelers voor afstemming. De Nationale ombudsman moet veelal zijn eigen weg zoeken, waarbij hij door het ontbreken van jurisprudentie zelf invulling moet geven aan centrale begrippen van de Awb, zoals bestuursorgaan en besluit. Dit komt enerzijds doordat hij soms als eerste wordt geroepen om een antwoord te geven op de vraag of al dan niet sprake is van een bestuursorgaan, anderzijds doordat hij meer dan de andere spelers met een bepaald type klachten wordt geconfronteerd. De klachten over termijnoverschrijdingen en de invulling die hij heeft gegeven aan de Awb-bepalingen inzake beslistermijnen zijn van dit laatste een voorbeeld. Ook het feit dat alle andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten door hem worden beoordeeld, maakt dat hij het normenkader van de Awb op meer handelingen toepast dan de bestuursrechters. De toepassing van artikel 3:4, tweede lid, Awb inzake schadevergoeding bij rechtmatig feitelijk overheidsoptreden is hiervan een sprekend voorbeeld. Niettemin, de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters blijft voor de Nationale ombudsman richtinggevend. Hij zal zijn beoordelingen daarop aanpassen, al kan een eigen verantwoordelijkheid hem niet geheel worden ontzegd, zoals blijkt uit het voorbeeld van zijn bevoegdheid ten aanzien van ambtshandelingen van deurwaarders en notarissen. Niettemin is het gewenst dat het aspect van rechtseenheid in ombudsprudentie en jurisprudentie uitdrukkelijk wordt betrokken bij het ontwerpen van een toekomstige rechtseenheidsvoorziening, bijvoorbeeld doordat een dergelijke voorziening ook door de Nationale ombudsman benaderd kan worden met vragen om uitleg.

1.3 Onderzoek 2003

1.3.1 Onderzoek uit eigen beweging

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van het in 2003 uitgevoerde onderzoek uit eigen beweging, het vooronderzoek dat niet tot verder onderzoek heeft geleid en het aan het einde van het verslagjaar nog lopende onderzoek uit eigen beweging.

1.3.1.1 Correspondentie burger-overheid

Het thema «voortvarendheid» loopt als een rode draad door het werk van de Nationale ombudsman. Een – door de betrokken burger gevoeld – gebrek aan voortvarendheid bij bestuursorganen vormt sinds het bestaan van het instituut Nationale ombudsman met afstand de meest voorkomende reden om bij de Nationale ombudsman een klacht in te dienen.

In 1989 heeft de Nationale ombudsman een onderzoek uit eigen beweging ingesteld naar de wijze waarop de rijksoverheid gestalte heeft gegeven aan de door de Nationale ombudsman ontwikkelde norm dat behandelingsberichten, en zonodig tussenberichten, moeten worden verstuurd in de gevallen dat inhoudelijke beantwoording van brieven niet binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. Het afsluitende rapport van dat onderzoek (NO 89/975) bevat nader uitgewerkte criteria voor de behandeling van brieven van burgers. Elk van de ministers werd aanbevolen om, tegen de achtergrond van de conclusies van de Nationale ombudsman, de bestaande praktijk te toetsen aan die criteria en – waar nodig – te stimuleren dat in overeenstemming met die criteria wordt gehandeld. Deze criteria dienden voor de Nationale ombudsman als toetsingsmaatstaf bij de beoordeling van een groot aantal klachten.

De Nationale ombudsman heeft in 2003 opnieuw een onderzoek uit eigen beweging ingesteld naar de behandeling van brieven van burgers aan de rijksoverheid (rapport 2003/325; JB 2003, 361). Dit onderzoek kan in zekere zin worden beschouwd als een vervolg op dat van 1989. In dit nieuwe onderzoek is echter nadrukkelijk rekening gehouden met de in 1994 in werking getreden Algemene wet bestuursrecht (verder Awb). In deze wet worden aan de behandeling van verschillende categorieën van brieven namelijk wettelijke eisen gesteld. Ook is in dit nieuwe onderzoek aandacht besteed aan een nieuwe manier van communiceren, namelijk die langs elektronische weg. Samen met het gegeven dat het aantal klachten over een weinig voortvarend reagerende overheid onveranderd hoog is gebleven, vormden deze veranderingen ten opzichte van 1989 voor de Nationale ombudsman aanleiding tot dit nieuwe onderzoek. Daar kwam nog bij dat in oktober 2002 in de Tweede Kamer uitdrukkelijk aandacht werd gevraagd voor het onderwerp «beantwoording van burgerbrieven» (zie Kamerstukken II 2002–2003, 28 600 III, nrs. 5 en 6).

In het kader van het onderzoek is in januari 2003 aan alle ministers een brief gestuurd met een groot aantal vragen over de behandeling van correspondentie van burgers in 2002. In de vraagstelling is steeds onderscheid gemaakt tussen de volgende vijf categorieën van correspondentie: aanvragen (in de zin van de Awb), bezwaarschriften, klaagschriften, andere brieven en e-mailberichten. De informatie die langs deze weg is verkregen, levert een globaal beeld op over de mate van voortvarendheid waarmee de onderdelen van de rijksoverheid in 2002 zijn omgegaan met correspondentie van burgers. Daartoe heeft de Nationale ombudsman per categorie normen vastgesteld, en bijeengebracht in een zogenoemde correspondentiewijzer (zie hierna). In het rapport wordt per ministerie beoordeeld in hoeverre de uitvoeringspraktijk op het punt van de behandeling van achtereenvolgens aanvragen, bezwaarschriften, klaagschriften, andere brieven en e-mailberichten in 2002 heeft voldaan aan de daaraan te stellen eisen. De normen van de correspondentiewijzer vormden daarbij het toetsingskader.

Per ministerie is in het rapport ten aanzien van elk van de vijf categorieën van correspondentie een conclusie gegeven. De conclusies ten aanzien van alle ministeries zijn schematisch weergegeven in het volgende overzicht.

 AZBZJUSBZKOCWFINDEFVROMV&WEZLNVSZWVWSV&I
aanvragen              
behandelingsduur++/–+/–+/–/?+/?++/–/?++/–+/–+/–/?+/–
tussentijdse informatieverstrekking+/–+++/–++/–++++/–/?+/–
bezwaarschriften              
behandelingsduur++/–++/–/?
tussentijdse informatieverstrekking++/–+++/–+/–+++/–+/–+/–+/–
klaagschriften              
behandelingsduur++/?+/–+/–++/–+/–+/–++/–+
tussentijdse informatieverstrekking++/?++/–++/–+/–+/–+/–++++/–+
               
andere brieven+/–++/–+/–/?+/?+–/?+/–+/–+/–?
               
e-mailberichten+/–+++++++++++/??

+ = (overwegend) behoorlijk

– = (overwegend) niet behoorlijk

+/– = deels behoorlijk, deels niet behoorlijk

? = geen oordeel mogelijk vanwege het ontbreken van (voldoende) informatie

De besprekingen per ministerie bevatten na de conclusie telkens een aantal concrete aanbevelingen aan de betrokken minister.

In een afsluitend hoofdstuk van het rapport signaleert de Nationale ombudsman dat op het punt van de behandelingsduur is opgevallen dat de wettelijke beslistermijn voor aanvragen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de beslistermijnen van de Awb voor bezwaarschriften en, in iets mindere mate, klaagschriften in de praktijk vaak niet worden gehaald door de ministeries. Daarnaast is opgevallen dat de tussentijdse informatieverstrekking in veel gevallen verbetering behoeft. Al met al is het globale beeld uit 1989 dat er over de hele linie veel inspanningen waren verricht maar dat er niettemin nog veel viel te verbeteren, in 2003 niet wezenlijk gewijzigd. De Nationale ombudsman noemt het van essentieel belang dat de thema's behandelingsduur en tussentijdse informatieverstrekking ook in tijden van bezuinigingen voortdurend de aandacht van bestuursorganen hebben. Hij besluit zijn overwegingen met de stelling dat bestuursorganen die niet vlot reageren op correspondentie van burgers de betrokken burger noch zichzelf een goede dienst bewijzen.

Wat betreft de normering van de behandeling van de verschillende categorieën gaat de Nationale ombudsman uit van het gegeven dat de overheid er voor de burger is. Hij benadrukt het belang van de naleving door bestuursorganen van wettelijke termijnbepalingen. Vervolgens wordt een normenstelsel voor de beantwoording van verschillende soorten van correspondentie van burgers aan bestuursorganen uitgewerkt. Het gaat daarbij voor een deel om rechtsnormen die zijn opgenomen in de Awb en voor een ander deel om behoorlijkheidsnormen die de Nationale ombudsman zelf heeft ontwikkeld. Deze laatste normen vormen veelal een aanvulling op of een nadere invulling van de Awb-normen. De hoofdlijnen van het normenstelsel zijn schematisch weergegeven in een zogenoemde «correspondentiewijzer». Deze correspondentiewijzer, waarin per norm is aangegeven of die is ontleend aan de Awb of is ontwikkeld door de Nationale ombudsman, is verspreid over een groot aantal bestuursorganen in Nederland.

Centraal in de normstelling voor het beantwoorden van brieven van burgers staat de notie dat overheidsinstanties waar mogelijk brieven binnen enkele weken afhandelen, en dat zij in de gevallen waarin dat niet mogelijk is de briefschrijver binnen twee à drie weken een zogenoemd behandelingsbericht sturen.

Voorts is de Nationale ombudsman onder meer van oordeel dat de indiener van een aanvraag in beginsel binnen twee à drie weken een reactie van het bestuursorgaan op zijn aanvraag behoort te ontvangen. Dit betekent dat indien het bestuursorgaan niet binnen twee à drie weken op de aanvraag kan beslissen, de indiener van de aanvraag binnen die termijn een behandelingsbericht dient te ontvangen.

Wat betreft de behandeling van bezwaarschriften overweegt de Nationale ombudsman onder meer dat de wettelijke beslistermijn daarvoor met vier weken kan worden verdaagd, en dat daarna verder uitstel alleen mogelijk is voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt. Het bestuursorgaan behoort de betrokkene in zo'n geval, vóór het verstrijken van de beslistermijn, te vragen om instemming met verder uitstel.

Voor een uitgebreide bespreking van het normenkader wordt verwezen naar de weergave van het rapport op www.nationaleombudsman.nl.

1.3.1.2 Nakoming rechterlijke uitspraken

In een rapport van 25 januari 2001 (rapport 2001/020; NAV 2001, 180) had de Nationale ombudsman de minister van Justitie de aanbeveling gedaan te bevorderen dat de Immigratie-en Naturalisatiedienst (verder IND) rechterlijke uitspraken tijdig zou nakomen. De staatssecretaris van Justitie liet weten dat de aanbeveling werd opgevolgd. Ook nadien ontving de Nationale ombudsman hierover echter nog veel klachten. Daarom heeft de Nationale ombudsman een onderzoek uit eigen beweging ingesteld naar de nakoming door de IND van rechterlijke uitspraken waarin de rechtbank heeft bepaald dat een nieuw besluit dient te worden genomen. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in rapport 2003/385 (§ 10A.2.1.6; MR 2003, 72; JB 2004, 40).

De Nationale ombudsman overwoog in dit rapport onder meer dat overheidsorganen, gezien de verdeling van machten in een rechtsstaat prompte uitvoering behoren te geven aan uitspraken van een onafhankelijke rechter; die grondregel kan slechts uitzondering lijden indien er een – naar objectieve maatstaven gemeten – onmogelijkheid is tot uitvoering van die uitspraak. Een nieuw besluit dient te worden genomen binnen de door de rechter opgelegde termijn, dan wel binnen een termijn die in het algemeen zeker niet langer zal behoren te zijn dan voor de eerste beslissing op het bezwaar geldt; zo mogelijk moet sneller worden beslist.

Het onderzoek wees uit dat ten tijde van de hiervóór genoemde aanbeveling – begin 2001 – 2717 zaken openstonden na gegrondverklaring door de rechtbank. In 63 van deze zaken was in januari 2003 nog geen nieuw besluit genomen, zonder dat sprake was geweest van een onmogelijkheid om te beslissen. De werkinstructie van 22 mei 2001 die naar aanleiding van de aanbeveling was uitgebracht, was onvoldoende uitgevoerd. De verklaringen die de minister gaf, vormden in geen geval een rechtvaardiging voor het uitblijven van nieuwe besluiten; dit geldt ook voor de gevallen waarin, ondanks de duidelijke instructies, kennelijk toch werd besloten om in afwachting van onderzoeksresultaten of nieuw beleid de zaak op de lange baan te schuiven, aldus de Nationale ombudsman. Ook het van kracht zijn van een besluitmoratorium kan niet in alle gevallen het nemen van een beslissing in de weg staan: wanneer er sprake is van een aanvraag die is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, maar waarop nog niet is beslist, volgt op grond van de Vreemdelingenwet 2000 dat het oude formele recht van toepassing blijft op die aanvraag; een onder de oude Vreemdelingenwet gegeven beslistermijn kan niet op grond van de artikelen 42, vierde lid, of 43 van de Vreemdelingenwet 2000 worden verlengd. De Nationale ombudsman oordeelde dat in zo'n geval dus een beslissing moet worden genomen. Dit is ook het geval bij zaken waarin de op grond van (artikel 42, vierde lid en) artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000 verlengde termijn op het moment waarop het besluitmoratorium van kracht werd, reeds is verstreken; de verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 43 Vreemdelingenwet 2000 sluit immers direct aan op de wettelijke beslistermijn in een individuele zaak, aldus de Nationale ombudsman onder verwijzing naar de relevante rechtspraak op dit punt.

De inspanningen om feitelijk uitvoering te geven aan de aanbeveling van 25 januari 2001 waren kennelijk onvoldoende geweest. Hoewel er sprake was van een duidelijke afname van het (geschatte) totale aantal te behandelen zaken op 8 april 2003 (952) ten opzichte van 25 januari 2001 (2717), moest de Nationale ombudsman constateren dat de IND er op 8 april 2003 nog niet in was geslaagd zodanig uitvoering te geven aan de werkinstructie van 22 mei 2001 dat alle zaken waarin na vernietiging door de rechtbank opnieuw moet wordt beslist, tijdig worden behandeld behoudens in geval van een onmogelijkheid daartoe.

De Nationale ombudsman merkte op dat iedere zaak waarin een rechterlijk bevel om opnieuw te beslissen, niet wordt uitgevoerd binnen de door de rechter opgelegde termijn, dan wel binnen de termijnen van artikel 7:10 Awb, er één te veel is. Dat deze vanzelfsprekendheid kennelijk ver op de achtergrond is geraakt in de uitvoeringspraktijk van de IND, waardoor grote achterstanden ontstonden, acht de Nationale ombudsman dan ook zeer zorgwekkend; dat geldt ook voor de moeite die het kennelijk kost om de noodzakelijke omslag te maken. Door de gang van zaken zijn de rechtsbescherming van vreemdelingen, het gezag van rechter en wetgever, en het te stellen vertrouwen in de overheid ernstig geschaad, aldus de Nationale ombudsman. Aan de hand van de door de minister in augustus 2003 aan de Tweede Kamer verstrekte cijfers werd vastgesteld dat het aantal nog openstaande zaken met 22% was afgenomen ten opzichte van april van dat jaar, maar dat niettemin nog sprake was van een aanzienlijk aantal, te weten 778, waarin nog niet opnieuw was beslist; in een erg groot aantal daarvan was sprake van forse overschrijding van termijnen.

De Nationale ombudsman concludeerde dat er thans alles aan is gelegen om ervoor te zorgen dat aan uitspraken van de rechtbank tijdig gevolg wordt gegeven. De nieuwe werkinstructie voor de IND, aangekondigd in augustus 2002 en uiteindelijk uitgebracht in augustus 2003, is op dit punt duidelijk genoeg: de werkinstructie benadrukt vóór alles dat binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit moet worden genomen, en bij het ontbreken daarvan, binnen drie maanden. De Nationale ombudsman gaat er thans van uit dat wat betreft «nieuwe» zaken aan deze instructie de hand wordt gehouden, en dat ook de«oude» zaken zo spoedig mogelijk worden behandeld.

1.3.1.3 Achterstandproblematiek bij vreemdelingendiensten

In het jaarverslag over 2002 werd reeds gemeld dat de Nationale ombudsman in 2001 en 2002 een opvallende stijging had geconstateerd in het aantal klachten over gedragingen van de vreemdelingendiensten van de 25 regionale politiekorpsen. De klachten betroffen de bereikbaarheid van een aantal vreemdelingendiensten, de behandelingsduur van aanvragen om verlening en verlenging van verblijfsvergunningen, de behandelingsduur van (ambtshalve) adviezen die worden uitgebracht naar aanleiding van of voorafgaande aan aanvragen om machtigingen tot voorlopig verblijf (verder mvv), en de afgifte van verblijfsdocumenten. De Nationale ombudsman besloot daarom om uit eigen beweging een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een aantal vreemdelingendiensten in de periode van 1 januari 2001 tot 1 april 2002 uitvoering had gegeven aan taken met betrekking tot de toelating van vreemdelingen in Nederland. Het ging om de vreemdelingendiensten van de regionale politiekorpsen Amsterdam-Amstelland, Haaglanden, Hollands Midden en Rotterdam-Rijnmond. Het onderzoek betrof tevens de wijze waarop de staatssecretaris van Justitie en de minister van Buitenlandse Zaken uitvoering hadden gegeven aan hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de uitvoering van deze taken. In de onderzochte periode was het vreemdelingenbeleid ondergebracht in de portefeuille van de staatssecretaris van Justitie (vanaf augustus 2002 is de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verantwoordelijk). Het onderzoek mondde uit in rapport 2003/160 (§ 7A.15.3).

De vreemdelingendiensten speelden in de onderzochte periode een belangrijke rol bij de verwerking van aanvragen om het verlenen en verlengen van verblijfsvergunningen, en het uitreiken van verblijfsdocumenten. Verder brachten zij (ambtshalve) adviezen uit over visumaanvragen. Zij ondervonden daarbij hinder van een aantal ontwikkelingen, zoals de toename van het aantal te behandelen aanvragen, en de voortdurend veranderende en steeds complexer wordende regelgeving op vreemdelingrechtelijk gebied. Er was te weinig personeel beschikbaar, mede door vacatures en een hoog ziekteverzuim.

De Nationale ombudsman overwoog dat de problemen die zich bij de vreemdelingendiensten hadden voorgedaan, er al met al toe hadden geleid dat in de onderzochte periode de wettelijke dan wel redelijke termijn waarbinnen de behandeling van aanvragen en adviezen diende plaats te vinden, structureel was overschreden, en dat de betrokken vreemdelingendiensten er niet in waren geslaagd voldoende bereikbaar te blijven. De Nationale ombudsman was daarom van oordeel dat de onderzochte gedraging «niet behoorlijk» was.

Ten aanzien van de rol van de korpsbeheerders overwoog de Nationale ombudsman dat het aan de korpsbeheerders was om maatregelen te treffen om, waar het de bedrijfsvoering betreft, problemen te voorkomen of op te lossen. Uit het onderzoek was gebleken dat op centraal niveau lange tijd geen (echte) aandacht had bestaan voor de problemen van de vreemdelingendiensten. De Nationale ombudsman was van oordeel dat de korpsbeheerders aan hun verantwoordelijkheid onvoldoende invulling hadden gegeven, en achtte de onderzochte gedraging «niet behoorlijk».

In de onderzochte periode was de staatssecretaris van Justitie (thans: de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) verantwoordelijk voor de uitvoering van het vreemdelingenbeleid. De staatssecretaris had deze bevoegdheden op velerlei gebied gemandateerd aan de vreemdelingendiensten. Als mandaatverlener bleef de staatssecretaris van Justitie verantwoordelijk voor de uitvoering. De Nationale ombudsman overwoog in het rapport ten aanzien van de rol van de staatssecretaris het volgende. De staatssecretaris had in de loop der jaren wel op verscheidene manieren getracht verbeteringen te bereiken, onder meer door het aangaan van samenwerkingsovereenkomsten met de vreemdelingendiensten en door het opzetten van een kwaliteitsproject, maar dit had niet geleid tot een structurele oplossing van de problemen. De staatssecretaris had daarnaast geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de korpschef aanwijzingen te geven van bedrijfsmatige aard. Hoewel achteraf niet kon worden vastgesteld of daarmee wellicht vele problemen hadden kunnen voorkomen, kon wel worden vastgesteld dat de wegen die wel waren bewandeld, niet voldoende zijn geweest. De Nationale ombudsman was van oordeel dat de staatssecretaris van Justitie al met al de regie van de uitvoering van het vreemdelingenbeleid niet stevig genoeg ter hand had genomen, en achtte de onderzochte gedraging «niet behoorlijk».

Wat betreft de rol van de minister van Buitenlandse Zaken overwoog de Nationale ombudsman het volgende. De minister is bevoegd tot het verlenen van visa, waaronder de mvv. In verband met de samenhang met de verlening van een verblijfsvergunning heeft de minister deze bevoegdheid gemandateerd aan de Visadienst, met de mogelijkheid tot ondermandatering aan de korpschefs voor zover het gaat om het verrichten van handelingen met betrekking tot de visumverlening. Vanwege de afstemming tussen visum- en vreemdelingenbeleid werd de Visadienst ondergebracht bij de IND, ressorterend onder het Ministerie van Justitie.

Uit het onderzoek was gebleken dat de minister afstand nam van de problemen die zich rond de mvv-procedure hadden voorgedaan. De minister achtte zich slechts formeel verantwoordelijk. Hij miskende daarmee echter dat hij als mandaatverlener wel verantwoordelijkheid droeg voor de werkzaamheden van de vreemdelingendiensten, en in geval van problemen gehouden was in te grijpen. Bovendien diende de minister er zorg voor te dragen dat de vreemdelingendiensten zodanig tijdig advies uitbrachten dat hij kon beslissen binnen de beslistermijn. Daarvan was echter geen sprake geweest. De minister had zich onvoldoende ingespannen om, tezamen met de staatssecretaris van Justitie, de problematiek rond de mvv-procedure structureel op te lossen. De Nationale ombudsman achtte de onderzochte gedraging «niet behoorlijk».

De Nationale ombudsman overwoog ten slotte dat de problemen bij de verschillende betrokken bestuursorganen er al met al toe hadden geleid dat de wachttijden voor het verkrijgen van een mvv of verblijfsvergunning enorm waren opgelopen en de bereikbaarheid van de diensten in het geding was gekomen. Bij het uitbrengen van het rapport was de overheveling gaande van taken op het gebied van de toelating van de vreemdelingendiensten naar de IND. De Nationale ombudsman sprak in het rapport de verwachting uit dat al het mogelijke zou worden gedaan om ervoor te zorgen dat vreemdelingen in de nieuwe situatie de problemen zoals deze zich in de onderzochte periode hebben voorgedaan, bespaard zouden blijven. De Nationale ombudsman benadrukte daartoe onder meer het belang van het ter beschikking stellen van voldoende capaciteit voor de uitoefening van taken in het kader van de toelating van vreemdelingen, en van een goede aansturing, en hij vroeg speciale aandacht voor de bereikbaarheid.

De Nationale ombudsman deed de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie daarom de aanbeveling de betrokken diensten voldoende uit te rusten om de taken naar behoren te kunnen verrichten. Verder deed de Nationale ombudsman aan de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk de aanbeveling om een wettelijke regeling tot stand te brengen, waarin een termijn wordt vastgelegd waarbinnen een aanvraag om een mvv moet worden behandeld in samenhang met de beslistermijn voor de op basis van de mvv af te geven verblijfsvergunning. Voorts deed de Nationale ombudsman de minister van Buitenlandse Zaken de aanbeveling om, voor zover de inrichting van de mvv-procedure op grond van een eventuele Visumwet daartoe nog aanleiding vormt, te bevorderen dat de Nederlandse vertegenwoordigingen kort voor het verstrijken van de termijn waarbinnen een aldaar ingediende aanvraag om verlening van een mvv moet worden behandeld, de Visadienst zonodig rappelleren.

De Nationale ombudsman wees er ten slotte nog op dat de vreemdelingendiensten zich na de overheveling van de toelatingstaken konden wijden aan hun taak van het houden van toezicht op vreemdelingen. Hij gaf aan dat hij erop vertrouwde dat de vreemdelingendiensten nu daadwerkelijk in staat zouden worden gesteld deze belangrijke taak naar behoren te vervullen.

Bij brief van 23 september 2003 reageerden de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk op de aanbevelingen. Zij deelden mee de aanbevelingen over te nemen. Zo deelden de ministers mee dat het bevoegd gezag voor wat betreft de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 per 1 januari 2004 zou overgaan van de IND naar het Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie. Verder deelden zij mee dat de aanbeveling om te overwegen een wettelijke regeling tot stand te brengen waarin een termijn zou worden vastgelegd waarbinnen op een mvv-aanvraag diende te worden beslist, aansloot bij de ontwikkeling van een Visumwet. Voorts deelden de ministers mee dat de aanbeveling om te bevorderen dat de Nederlandse vertegenwoordigingen kort voor het verstrijken van de termijn waarbinnen een aldaar ingediende aanvraag om verlening van een mvv moet worden behandeld, de Visadienst zo nodig te rappelleren, reeds werd uitgevoerd. De ministers deelden verder mee welke maatregelen zij nog meer hadden getroffen om de knelpunten in de diverse procedures op te heffen.

In reactie op de brief van de ministers van 23 september 2003 verzocht de Nationale ombudsman de ministers bij brief van 12 december 2003 uiteen te zetten op welke wijze aan de aanbeveling met betrekking tot het adequaat toerusten van de betrokken diensten, concreet uitvoering zou worden gegeven.

1.3.1.4 Interne klachtbehandeling

Gezien het grote belang dat de Nationale ombudsman toekent aan adequate interne klachtbehandeling, betrof een aantal onderzoeken uit eigen beweging (al dan niet gecombineerd met een onderzoek op verzoek) aspecten van interne klachtbehandeling.

Met betrekking tot het uitblijven van een besluit is het in het algemeen mogelijk om zowel een klacht als een bezwaarschrift in te dienen. In de zaak die leidde tot rapport 2003/035 (§ 19B.1.3.4) was betrokkene door de Sociale verzekeringsbank (verder SVB) te Utrecht ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht met het argument dat tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag het rechtsmiddel van bezwaar openstond en hij bezwaar had kunnen indienen tegen de fictieve weigering om een beschikking af te geven. Volgens de Nationale ombudsman deed de situatie van artikel 9:8, eerste lid, onder c, van de Awb (geen verplichting tot klachtbehandeling) zich hier niet voor.

Rapport 2003/082 (§ 12A.2) had (mede) betrekking op de naleving door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de artikelen 9:10 (hoorplicht) en 9:12, tweede lid, Awb (verwijzing naar de Nationale ombudsman). Ook in rapport 2003/014 (Belastingdienst/Ondernemingen 1 Amsterdam; § 13A.2.8), rapport 2003/131 (gemeente Purmerend; § 24.3.6 en 24.3.9) en rapport 2003/134 (gemeente Bernheze; § 24.3.6 en 24.3.8) waren beide Awb-bepalingen aan de orde, zij het dat het in laatstgenoemd rapport niet het tweede lid, maar het eerste lid van artikel 9:12 (motiveringsplicht) betrof. In het onderzoek dat leidde tot rapport 2003/213 (§ 24.3.6; JB 2004, 19) stond de naleving van artikel 9:10 Awb door de klachtencommissie van de gemeente Graafstroom centraal.

Rapport 2003/033 (§ 19B.2.2.4) betrof de naleving van hoofdstuk 9 Awb door de Centrale organisatie werk en inkomen (verder CWI), district Noord Nederland.

In zeven gevallen heeft de Nationale ombudsman in 2003 een rapport uitgebracht naar aanleiding van een onderzoek (mede) uit eigen beweging dat hij had ingesteld naar de wijze waarop een huurcommissie een klacht had behandeld. Het betrof onder meer de huurcommisies te Utrecht (2003/045), Haarlem (2003/120), Den Haag (2003/092 en 2003/441), Maastricht (2003/170), Rotterdam (2003/358), en Groningen (2003/368); zie verder § 15B.1. In al deze gevallen kwam de Nationale ombudsman tot de conclusie dat de desbetreffende gedraging «niet behoorlijk» was. In de meeste gevallen was deze conclusie gebaseerd op de vaststelling dat de desbetreffende huurcommissie de klacht niet tijdig – binnen de in artikel 9:11 van de Awb genoemde termijn – had afgedaan.

1.3.1.5 Overig onderzoek uit eigen beweging

Voorts is een rapport uitgebracht naar aanleiding van een onderzoek uit eigen beweging dat was ingesteld omdat het betrokken bestuursorgaan had nagelaten in een besluit te vermelden welk rechtsmiddel de betrokkene kon instellen (rapport 2003/197, § 10A.2.1.6).

De wijze waarop de Informatie Beheer Groep (verder IB-Groep) met verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens (verder Wbp) beantwoording van brieven aan een ander dan aan de briefschrijver had doen plaatsvinden, leidde tot rapport 2003/348 (§ 12B.1.5; JB 2003, 348). De IB-Groep heeft inmiddels de eigen Wbp-instructie aangepast.

Vooronderzoek

Soms komt het niet tot een onderzoek uit eigen beweging in de strikte zin van het woord, omdat tijdens het vooronderzoek of lopende het onderzoek al blijkt dat het bestuursorgaan zelf tot onderzoek is overgegaan en maatregelen ter verbetering neemt of heeft genomen.

Zo deed de Nationale ombudsman bij de provincie Zuid-Holland (zie § 23.6) navraag naar aanleiding van een krantenartikel waarin aandacht werd gevraagd voor een «ware slachting» onder broedende weidevogels in het recreatiegebied Vlietland veroorzaakt door maaimachines handelend in opdracht van de provincie. De mededeling van de provincie dat zij de aannemer had gewezen op de naleving van de Flora- en faunawetgeving en een maatregel had getroffen om te helpen voorkomen dat zich in de toekomst nog een dergelijk voorval zou voordoen, was voor de Nationale ombudsman reden om het onderzoek te beëindigen.

Naar aanleiding van klachten over een slechte telefonische bereikbaarheid van eenheden van de Belastingdienst werden door de Nationale ombudsman ter beoordeling van de vraag of er aanleiding was over te gaan tot het instellen van een onderzoek uit eigen beweging, vragen gesteld aan de minister van Financiën (zie verder § 13A.2.9). In afwachting van de resultaten van de door de minister aangekondigde maatregelen die zouden moeten leiden tot een verbetering van de telefonische bereikbaarheid van de eenheden, werd besloten nog geen onderzoek in te stellen.

Ook het onderzoek uit eigen beweging naar de wijze waarop de gemeente Velsen omging met de adressen-problematiek van bewoners van woonschepen gelegen in Zijkanaal B, werd door de Nationale ombudsman vanwege de ontwikkelingen die hadden plaatsgevonden, beëindigd zonder dat een rapport werd uitgebracht (zie verder § 24.13).

Lopend onderzoek uit eigen beweging

Gelet op de toename van het aantal verzoekschriften met klachten over een gebrek aan voortvarendheid bij de huurcommissies en gelet op signalen die erop duiden dat de interne klachtbehandeling door de huurcommissies niet probleemloos verloopt, heeft de Nationale ombudsman besloten om uit eigen beweging een onderzoek in te stellen naar het functioneren van de huurcommissies, met de nadruk op behandelingsduur en klachtbehandeling. Het onderzoek is beperkt tot de huurcommissies te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven. Gezien de feitelijke rol van het Secretariaat van de huurcommissie is ook het functioneren van dit secretariaat – waarvoor de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu formeel verantwoordelijk is – in het onderzoek betrokken. Het onderzoek heeft betrekking op de periode van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003. Naar verwachting wordt het onderzoek vóór de zomer van 2004 met een rapport afgerond (zie verder § 15B.1).

Aan het eind van het verslagjaar liepen er ook nog (al dan niet gecombineerde) onderzoeken uit eigen beweging naar de wijze van informatieverstrekking door het regionale politiekorps Kennemerland en de Dienst Wegverkeer, naar de naleving van artikel 9:10 Awb door de CWI te Assen en naar het achterwege laten van een rechtsmiddelenverwijzing door verschillende bestuursorganen.

1.3.2 Onderzoek op verzoek

In de op de cd-rom opgenomen hoofdstukken 7 tot en met 25 wordt een uitvoerig verslag gedaan van de per beleidsterrein uitgevoerde onderzoeken en de daarover in 2003 verschenen rapporten. Naast de hierna onder § 1.4.1.1 opgenomen rapporten over interne klachtbehandeling wordt hier over een aantal andere onderwerpen een korte weergave gegeven van min of meer belangrijke rapporten die op basis van onderzoek naar aanleiding van tot de Nationale ombudsman gerichte verzoekschriften tot stand zijn gekomen.

1.3.2.1 Gebruik van handboeien en blinddoek door arrestatieteams

Voor de aanhouding van vuurwapengevaarlijke personen beschikt de politie over gespecialiseerde arrestatieteams (verder AT). Zij zijn erop getraind om verdachten en andere aanwezigen te overrompelen en zo snel onder controle te brengen dat deze niet naar wapens kunnen grijpen. Tot de standaardwerkwijze van deze teams behoort het forceren van toegangsdeuren, het onder schot houden van omstanders, het gebruiken van handboeien en blinddoek, ook bij anderen dan de aan te houden verdachte. In een reeks van vier rapporten (rapport 2003/351 tot en met 2003/354, zie § 7A.4.3) heeft de Nationale ombudsman het gebruik van handboeien en blinddoek in deze zaken uitdrukkelijk beoordeeld in het licht van bepalingen waarin het recht op onaantastbaarheid van het lichaam is neergelegd: artikel 11 Grondwet en artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder EVRM). Een persoon die wordt geblinddoekt of geboeid wordt immers beperkt in de uitoefening van deze rechten.

In de zaak die leidde tot rapport 2003/352 drong de politie een woning binnen waar de aan te houden verdachte op dat moment op bezoek was. De bewoner, die niet wist wat hem overkwam toen er ineens mannen met pistolen in zijn woonkamer stonden, reageerde ongedurig en stond af en toe op, terwijl de politie wilde dat hij rustig bleef zitten. Hij kreeg handboeien om. De Nationale ombudsman overwoog dat artikel 11 Grondwet eist dat een inbreuk op de lichamelijke integriteit is gebaseerd op een formele wet. Voor het boeien van een persoon die niet is aangehouden, is die basis er niet.

Ten aanzien van personen die wel zijn aangehouden (of aan wie anderszins rechtens de vrijheid is ontnomen) opent artikel 15, vierde lid, Grondwet de mogelijkheid om de uitoefening van grondrechten te beperken. In het op artikel 15, vierde lid, Grondwet gebaseerde artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar wordt de beperking van de uitoefening van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam door het omdoen van handboeien genormeerd. In de loop der jaren heeft de Nationale ombudsman het boeien van arrestanten in vele rapporten getoetst aan de strikte voorwaarden van die bepaling. Deze luiden bij aanhouden in AT-verband niet anders dan bij een doorsnee-aanhouding; wel zal in eerstgenoemde situatie vrijwel steeds aan de voorwaarden van artikel 22 van de Ambtsinstructie zijn voldaan.

Zo ook in de zaak die leidde tot rapport 2003/354. Daar kwam het AT in actie toen de verdachte die moest worden aangehouden achter het stuur van een auto zat. Het boeien van deze man na aanhouding was volgens de Nationale ombudsman in overeenstemming met artikel 22 van de Ambtsinstructie. Echter, niet alleen die verdachte, maar ook een voor de politie onbekende vrouw die in de auto zat werd geboeid, geblinddoekt en meegenomen. Een en ander was in overeenstemming met de «autoprocedure», de standaardwerkwijze van het AT in zo'n situatie. Het boeien van de vrouw, die niet rechtens van haar vrijheid was beroofd, werd afgekeurd. Immers, een wettelijke grondslag ontbreekt. Over het blinddoeken van de vrouw merkte de Nationale ombudsman op dat ook hiervoor een wettelijke grondslag is vereist (artikel 11 Grondwet), maar dat die eveneens ontbreekt.

De redenering aangaande het blinddoeken van de man luidde anders. Omdat hem rechtens de vrijheid was ontnomen, is artikel 15, vierde lid, Grondwet van toepassing: beperking in de uitoefening van zijn grondrechten is (tot op zekere hoogte) toegestaan. Toch kon het gebruik van de blinddoek niet door de beugel. Volgens artikel 8, tweede lid, EVRM, zoals uitgelegd in vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, moet een inbreuk op het recht op lichamelijke integriteit zijn voorzien bij een regeling die toegankelijk en voorzienbaar is. De Nationale ombudsman stelde vast dat een toegankelijke en voorzienbare regeling waarin is uitgewerkt dat en onder welke omstandigheden politieambtenaren een persoon mogen blinddoeken ontbreekt. Ook ten aanzien van personen aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen is een en ander niet in de Ambtsinstructie voor de politie geregeld. Dit tekort aan normering werkt willekeurige toepassing in de hand en is niet verenigbaar met de vereisten die in de jurisprudentie betreffende artikel 8 EVRM worden gesteld aan de wettelijke basis van inbreuken op het recht op lichamelijke integriteit.

De conclusie luidt dus dat het boeien van niet-aangehouden personen en het gebruik van een blinddoek door de politie strijdig zijn met Grondwet en/of EVRM. Anderzijds sprak de Nationale ombudsman in de rapporten begrip uit voor toepassing van deze maatregelen, nu deze dienen om de veiligheid van betrokken politieambtenaren in gevaarlijke situaties te waarborgen. Niettemin, het aanleggen van handboeien bij niet-verdachten en het omdoen van de blinddoek komt bij AT-acties meer dan incidenteel voor. Daarom acht de Nationale ombudsman het noodzakelijk dat er een nadere bezinning plaatsvindt over de vraag hoe het gebruik van deze dwangmiddelen door een arrestatieteam van de politie in overeenstemming met de Grondwet en internationaalrechtelijke verplichtingen wettelijk moet worden genormeerd.

De rapporten zijn dan ook uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht van de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en van Justitie. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties berichtte de Nationale ombudsman op 13 november 2003 mede namens de minister van Justitie dat zij zich zouden beraden over de door de Nationale ombudsman opgeworpen vraag en dat hij de Nationale ombudsman aan het begin van het volgende jaar over de uitkomst daarvan zou berichten. Op het moment van het schrijven van het jaarverslag, had de minister van hierover nog geen nader bericht gestuurd.

1.3.2.2 Wegslepen en slopen van een auto in Almere

In rapport 2003/493 (zie § 7A.13.2) speelde het volgende. Verzoekers hadden hun auto, een Oldsmobile Omega Brougham uit 1980, ter verkoop gestald bij een garagebedrijf. Deze auto werd in februari 2001 door de politie weggesleept, omdat het een voertuigwrak zou zijn en daarom op grond van de Algemene plaatselijke verordening (verder APV) van Almere niet op de openbare weg mocht staan. Tevens was sprake van een geschorst kenteken. In augustus 2001 liet de politie de auto afvoeren naar een sloopbedrijf.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de politie de auto niet had mogen wegslepen. Weliswaar was de Wegenverkeerswet 1994 (verder WVW) overtreden (geen geldig kenteken), maar de in artikel 170 (oud) WVW genoemde situaties (veiligheid op de weg, of de vrijheid van het verkeer, dan wel het vrijhouden van parkeerplaatsen voor invaliden) waarin mag worden weggesleept deden zich niet voor. Mogelijk is ook de APV Almere overtreden (voertuigwrak op straat zetten) en was bestuursdwang mogelijk op grond van artikel 125 Gemeentewet. Uit het onderzoek is echter niet gebleken dat de politie handelde namens het orgaan dat tot toepassen van bestuursdwang bevoegd is: het college van burgemeester en wethouders. Tevens is de voor bestuursdwang in artikel 5:24 en 5:29 Awb voorgeschreven procedure niet gevolgd, waardoor het optreden van de politie niet kan worden gelegitimeerd als uitoefening van bestuursdwang. De Nationale ombudsman acht de gedraging op dit punt «niet behoorlijk».

De Nationale ombudsman overwoog voorts dat de politie niet bevoegd was om over verkoop of vernietiging van de auto te beslissen; die bevoegdheid komt in de WVW-procedure toe aan de burgemeester, bij toepassing van bestuursdwang aan het college van burgemeester en wethouders. Zou de politie namens deze organen hebben gehandeld, dan was de Nationale ombudsman niet bevoegd geweest deze gedragingen te onderzoeken omdat de gemeente Almere geen bij de Nationale ombudsman aangesloten gemeente is (artikel 1a, eerste lid, onder b WNo).

Voorts is de Nationale ombudsman van oordeel dat verzoekers niet voldoende zijn geïnformeerd omtrent het voornemen van vernietiging van hun auto. Aan de voorschriften op dit punt in de wegsleepregeling van de WVW en de bestuursdwangbepalingen in de Awb is niet voldaan. De Nationale ombudsman acht de gedraging op dit punt «niet behoorlijk».

1.3.2.3 Toezicht permanente bewoning recreatiehuisjes

Rapport 2003/484 (zie § 7A.21.4) betreft de controle op permanente bewoning van recreatieverblijven. Verzoeker bezit een woning op een recreatieterrein in de gemeente Y. De gemeente houdt op dit terrein al enige jaren controles gericht op het tegengaan van permanente bewoning van recreatieverblijven. Het permanent bewonen van deze recreatieverblijven is strafbaar gesteld in het gemeentelijke bestemmingsplan; vgl. artikel 59 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder WRO). Voor het verrichten van de controles heeft de burgemeester conform artikel 69, eerste lid, onder c, WRO medewerkers van een uitzendbureau aangewezen als toezichthouder. Bij het controleren op permanente bewoning op het recreatieterrein wordt particulier terrein betreden, waarvan de vrije toegang middels slagbomen en borden «verboden toegang» aan derden wordt ontzegd. Op grond van genoemd artikel 69 WRO hebben de door de burgemeester aangewezen medewerkers van het uitzendbureau van zonsopgang tot zonsondergang toegang tot alle terreinen. Omdat de gemeente ook na zonsondergang controles wilde uitvoeren, verzocht zij bij brief van 23 november 1999 aan het regionale politiekorps IJsselland om bijstand van opsporingsambtenaren. Het regionale politiekorps IJsselland zegde hierop toe deze bijstand te zullen verlenen door middel van de inzet van vrijwillige politieambtenaren.

Verzoeker klaagde erover dat politieambtenaren in 2000 op particulier terrein controles hebben uitgevoerd op permanente bewoning van recreatiewoningen. Bij de opening van het onderzoek vroeg de Nationale ombudsman de korpsbeheerder op grond van welke wettelijke bepaling de politieambtenaren de controles uitvoerden. In reactie hierop wees de korpsbeheerder op artikel 141 Wetboek van Strafvordering (verder Sv), waarin is bepaald dat (onder meer) reguliere en vrijwillige ambtenaren van politie belast zijn met de opsporing van strafbare feiten. Voorts wees de korpsbeheerder op artikel 63 WRO. Voor de bevoegdheid tot het betreden van het recreatieterrein wees het regionale politiekorps IJsselland op artikel 64 WRO. De korpsbeheerder bracht verder in reactie op de klacht naar voren dat bij de uitgevoerde controles geen sprake was van opsporing, maar van bestuursrechtelijke handhaving onder regie van de gemeente.

Op grond van artikel 64, eerste lid, WRO hebben (onder meer) politieambtenaren bij het opsporen van strafbare feiten uit de WRO toegang tot elke plaats. Deze bepaling beperkt toepassing van de bevoegdheid niet tot de periode tussen zonsopgang en zonsondergang. Anders dan bij de bevoegdheden uit de Wet op de economische delicten, die «in het belang van de opsporing» reeds kunnen worden toegepast voordat sprake is van een concrete verdenking in de zin van artikel 27 Sv, vereist het opsporingsbegrip van artikel 64, eerste lid, WRO wel zo'n concrete verdenking.

Uitgaande van de situatie dat bij het optreden van de betrokken politieambtenaren nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit in de zin van de WRO, oordeelde de Nationale ombudsman – in het licht van het voorgaande – dat de politie niet bevoegd was om op grond van artikel 64, eerste lid, WRO het besloten recreatieterrein te betreden. Maar, ook indien er van wordt uitgegaan dat wel sprake was van de bedoelde concrete verdenking, kon de onderzochte gedraging de toets der kritiek niet doorstaan. Immers, het optreden van de politieambtenaren vond plaats ter bestuursrechtelijke handhaving en niet in het kader van de opsporing. Door onder die omstandigheden gebruik te maken van de betreffende (opsporings)bevoegdheid tot het betreden van elke plaats ontstaat een situatie waarbij de bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is bestemd. Nu politieambtenaren ook niet bij of krachtens enig wettelijk voorschrift zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de WRO bepaalde, concludeerde de Nationale ombudsman dat vrijwillige, noch reguliere ambtenaren van politie 's nachts, noch overdag bevoegd waren om op het recreatieterrein in het kader van de WRO bestuursrechtelijke controles uit te voeren op permanente bewoning van recreatieverblijven.

Overigens is op 12 december 2002 een wetsontwerp ingediend tot wijziging van de WRO, waarbij de overtreding van bestemmingsplanvoorschriften onder de werking van de Wet economische delicten wordt gebracht (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 734, nrs. 1–3 e.v.). Aan het einde van het verslagjaar was de parlementaire behandeling van dit wetsontwerp nog niet afgerond.

1.3.2.4 Aangetekende verzending overname invordering

Verzoeker, een alimentatieplichtige, klaagde over het optreden van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (verder LBIO) te Gouda (rapport 2003/370; zie § 10B.3). Tijdens het onderzoek in de onderhavige zaak bleek dat het LBIO de brief aan verzoeker, waarin was opgenomen het voornemen om over te gaan tot invordering van de kinderalimentatie, niet aangetekend had verstuurd. Het vijfde lid van artikel 1:408 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt echter dat de brief waarmee de onderhoudsplichtige in kennis wordt gesteld van eerdergenoemd voornemen, dient te worden verstuurd met bericht van ontvangst. Het doel van dit voorschrift is dat op die manier onweerlegbaar komt vast te staan dat het poststuk ook daadwerkelijk op de bestemde plaats is aangekomen. In een eerder rapport (2001/395) was het LBIO reeds hierop gewezen. Aangezien in het binnenlands postverkeer alleen nog de mogelijkheid van aangetekende verzending resteert, had het LBIO voormelde brief aan verzoeker aangetekend moeten verzenden. In deze zaak gaf het LBIO aan dat de betalingsplichtige altijd per gewone post werd geïnformeerd. Hiermee kwam vast te staan dat het LBIO nog immer in strijd handelde met de strekking van artikel 1:408, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek. De door het LBIO aangevoerde omstandigheid dat, in het geval geen reactie van de betalingsplichtige volgt, altijd verificatie plaatsvindt bij de Gemeentelijke Basis Administratie alvorens tot overname wordt overgegaan, doet hieraan niet af.

De reactie van het LBIO was voor de Nationale ombudsman aanleiding om de minister van Justitie te vragen zich uit te laten over de handelwijze van het LBIO. De minister liet weten dat het standpunt van het LBIO alsmede de inhoud van het eerdere rapport van de Nationale ombudsman, hem aanleiding hadden gegeven het LBIO te verzoeken zijn werkwijze aan te passen in die zin dat de brief van het LBIO waarin het voornemen tot invordering wordt aangekondigd, voortaan met bericht van ontvangst wordt verstuurd. Aangezien het niet meer mogelijk is om brieven met bericht van ontvangst te versturen, is de Nationale ombudsman ervan uitgegaan dat de minister van Justitie hierbij heeft gedoeld op de mogelijkheid van aangetekende verzending. Van deze beleidswijziging heeft de Nationale ombudsman met instemming kennis genomen.

1.3.2.5 Storting op verkeerd rekeningnummer

In rapport 2003/279 (zie § 13A.2.5.5; VN 2003, nr. 46.23; NTFR 2003, nr. 1566; FUTD nr. 1591) is een situatie aan de orde die in belangrijke mate overeenkomt met de situatie in rapport 2002/308 (Jaarverslag 2002, blz. 438). Verzoekster deed langs elektronische weg bij de Belastingdienst/Particulieren Heerlen (per 1 januari 2003 onderdeel van de Belastingdienst/Limburg) aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) (een «T-biljet») voor het jaar 2001. Verzoeksters aangifte leidde tot een terug te geven bedrag. De Belastingdienst maakte het bedrag van de teruggaaf in mei 2002 over op het rekeningnummer dat in zijn administratie voorkwam als rekening van verzoekster. Dit was een rekening die op naam stond van verzoekster en haar voormalige partner gezamenlijk. Na de opzegging van de rekening door verzoekster is haar voormalige partner vanaf januari 2000 echter als enige rekeninghouder aan deze rekening verbonden.

De Nationale ombudsman overwoog dat de Belastingdienst de teruggaaf niet had gestort op een rekening die op naam stond van verzoekster. De Belastingdienst had dan ook niet aan haar betaald. Voorts was gesteld noch gebleken dat verzoekster door de storting op de rekening van haar voormalige partner was gebaat. Uit de door de Belastingdienst verstrekte uitdraai van verzoeksters aangifte ib/pvv 2001 bleek dat verzoekster op de aangifte geen rekeningnummer had vermeld waarop een eventuele teruggaaf door de Belastingdienst moest worden gestort.

In de lijn van rapport 2002/308 oordeelde de Nationale ombudsman dat de Belastingdienst onvoldoende invulling had gegeven aan de op hem rustende onderzoeksplicht door gebruik te maken van een in zijn bestand voorkomend rekeningnummer in een situatie waarin niet een aangifte is uitgereikt waarop de Belastingdienst het bij hem bekende rekeningnummer ter verificatie door de belastingplichtige heeft afgedrukt en waarin de belastingplichtige op de aangifte ook zelf geen rekeningnummer heeft ingevuld.

Ook in dit geval had de Belastingdienst verzoekster niet in de gelegenheid gesteld alsnog het rekeningnummer op te geven waarop zij de teruggaaf wenste te ontvangen. De Belastingdienst had daarom niet juist gehandeld en niet bevrijdend betaald. De Nationale ombudsman achtte de klacht dan ook gegrond. De Nationale ombudsman deed de aanbeveling aan de minister van Financiën om de teruggaaf alsnog te storten op het door verzoekster gewenste rekeningnummer. Deze aanbeveling werd opgevolgd.

1.3.2.6 Raadplegend referendum

Rapport 2003/227 (§ 24.5; AB 2003, nr. 471; JB 2003, nr. 306) had onder meer betrekking op de informatieverstrekking door de gemeente Enschede inzake het referendum van 17 oktober 2001 over de Usseleres. In zijn vergadering van 2 juli 2001 had de raad van de gemeente Enschede besloten een raadplegend referendum in de zin van de gemeentelijke referendumverordening te houden over de aanwijzing van het noordelijk deel van de Usseleres als gemengd bedrijventerrein. De raad nam dit besluit naar aanleiding van een verzoek van verzoekster, een vereniging die van mening is dat de cultuurhistorische waarden van de Usseleres niet mogen worden aangetast. De raad benoemde een commissie die de raad zou adviseren over de vraagstelling van het referendum en de toelichting op de vraagstelling. De raad stelde in zijn vergadering van 17 september 2001 de vraagstelling en toelichting vast, overeenkomstig het door de vraagstellingscommissie uitgebrachte concept. Op 17 oktober 2001 had het referendum plaats. Het opkomstpercentage was 26,3%. Volgens de gemeentelijke referendumverordening werd een referendum als geldig beschouwd indien de opkomst van de stemgerechtigden meer dan 60% bedroeg. Mede gelet op deze bepaling en gezien het opkomstpercentage, besloot de raad op 20 november 2001 het noordelijk deel van de Usseleres aan te wijzen als locatie voor een gemengd bedrijventerrein.

Na een interne klachtprocedure wendde verzoekster zich vervolgens tot de Nationale ombudsman.

Verzoeksters klacht had onder meer betrekking op het volgende. Het merendeel van de partijen had in de raadsvergadering van 2 juli 2001 uitgesproken zich te zullen conformeren aan de uitslag van het referendum, mits rechtsgeldig. In het neutrale middendeel van de referendumbrochure was informatie over het referendum opgenomen, welke tekst eveneens was opgenomen als bijlage bij de oproepingskaart. Onder het kopje «Wat gebeurt er met de uitslag?» was de volgende informatie opgenomen:

«...In de referendumverordening staat dat minimaal 60% van de kiesgerechtigden in Enschede hun stem moeten uitbrengen voor een geldige uitslag. Alle fracties in de Gemeenteraad hebben gezegd in dat geval een groot gewicht toe te kennen aan de uitslag. Maar feit blijft dat de uitslag van het referendum niet rechtstreeks beslissend is. Het is uiteindelijk de Gemeenteraad die het besluit neemt over de vestiging van een bedrijventerrein in Usseleres Noord ...»

Verzoekster klaagde erover dat de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede vastgestelde tekst, zoals hierboven bedoeld, ontmoedigend was en bovendien onjuist. In reactie op de klacht bevestigde het college dat het merendeel van de fracties in de raad in de raadsvergadering van 2 juli 2001 had uitgesproken zich te zullen conformeren aan de uitslag van het referendum, mits rechtsgeldig. Hieraan voegde het college toe dat het college het niet op zijn weg vond liggen om deze vorm van politieke zelfbinding van politieke partijen op te nemen in een tekst waarvoor het college verantwoordelijkheid droeg. Daarom had het college voor een neutralere formulering gekozen.

Op 25 maart 2002 brachten prof. mr. J. W. M. Engels en mr. W. van de Woude van de Rijksuniversiteit Groningen een rapport uit over de door hen in opdracht van de gemeente Enschede uitgevoerde evaluatie van de gemeentelijke referendumverordening. Naar het oordeel van genoemde onderzoekers had het college op dit punt ongelukkig gehandeld. Met de gekozen formulering was twijfel gezaaid over een eerder expliciet afgegeven signaal vanuit de raad. Volgens de onderzoekers is het geven van absolute duidelijkheid over de referendumprocedure in het algemeen en over het omgaan met de uitslag in het bijzonder van essentieel belang.

Zij stelden in hun rapport dat, waar het college op basis van de toepasselijke verordening verantwoordelijk was voor de uitvoering van een raadsbesluit tot het houden van een referendum, niet te rechtvaardigen viel waarom een in het kader van het raadsbesluit tot het houden van een referendum gedane uitspraak van de raadsmeerderheid door het college in afgezwakte vorm naar buiten was gecommuniceerd. Het argument dat niet de indruk mocht en kon worden gewekt dat de raad aan de uitslag gebonden zou zijn, miskende volgens de onderzoekers het fundamentele verschil tussen juridische binding en politieke zelfbinding. Gelet op de overige tekst op dit punt in de brochure had dit volgens hen helder over het voetlicht gebracht kunnen worden. Zij kwamen tot de conclusie het te betreuren dat in de referendumbrochure, door over de politieke intentie van de raadsmeerderheid een afgezwakte formulering te hanteren, de winst dat de raad in meerderheid had aangegeven de uitslag van een rechtsgeldig referendum te zullen volgen, grotendeels teniet was gedaan. Volgens de onderzoekers is onzekerheid of zelfs verwarring over de reikwijdte van een referendum en zeker over de uitslag niet bevorderlijk voor de waarde van het referendum als instrument en evenmin voor de geloofwaardigheid van het bestuur.

Naar aanleiding van vragen van de Nationale ombudsman, deelde het college mee dat het heel goed mogelijk was dat het college nu, in het licht van onder meer bovengenoemd evaluatierapport, tot een andere formulering zou komen. Verder deelde het college mee de volgens het college door verzoekster gewekte suggestie, dat de informatie doelbewust zodanig was geformuleerd dat het de burger zou ontmoedigen te gaan stemmen, verre van zich te werpen.

De door het college vastgestelde informatie kon volgens de Nationale ombudsman niet worden aangemerkt als onjuist. Dat alle raadsfracties hadden gezegd groot gewicht toe te zullen kennen aan de uitslag van het referendum was op zich geen onjuiste informatie. Ditzelfde gold volgens de Nationale ombudsman voor de mededeling dat het uiteindelijk de raad was die het besluit zou nemen over de vestiging van een bedrijventerrein in de Usseleres. Mede gezien hetgeen in bovengenoemd evaluatierapport was overwogen, kon volgens de Nationale ombudsman worden geconcludeerd dat de door het college vastgestelde tekst weliswaar feitelijk niet onjuist was, doch wel onvolledig, als gevolg waarvan de burgers van de gemeente Enschede op een relevant punt (politieke zelfbinding van raadspartijen) onvoldoende waren geïnformeerd over wat er met de uitslag zou gebeuren. De bedoelde tekst kon verwarring wekken over het eerdere vanuit de raad gegeven signaal. Gelet op de onvolledigheid en daarmee de onduidelijkheid van de tekst, kon de tekst volgens de Nationale ombudsman niet als aanmoedigend of uitnodigend worden aangemerkt, eerder als ontmoedigend, waarmee overigens niet was gezegd dat dit doelbewust zo door het college was gedaan. Hiervoor waren volgens de Nationale ombudsman geen aanwijzingen gesteld of gebleken. De Nationale ombudsman overwoog dat het ontmoedigende karakter van de tekst hierdoor echter niet minder werd.

De onderzochte gedraging was volgens de Nationale ombudsman in zoverre «niet behoorlijk».

1.3.2.7 Rookoverlast

In de zaak die leidde tot rapport 2003/127 (zie § 12A.2.2) klaagde verzoekster er onder meer over dat de Keuringsdienst van Waren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport haar op 25 september 2001 ingediende klacht met betrekking tot rookoverlast vanuit de foyer van het LAK-theater van de Universiteit van Leiden niet gegrond had verklaard. Zij was onder meer van mening dat de rookgedoogzone in de foyer van het LAK-theater van de Universiteit van Leiden in strijd was met de Tabakswet.

De Nationale ombudsman overwoog hierover in het rapport dat het onderzoek van de Keuringsdienst van Waren onvoldoende was geweest. Uit de rapportage bleek bijvoorbeeld niet of was gecontroleerd of rookverbodaanduidingen waren aangebracht. Verder bleek dat alleen in de ochtend inspecties hadden plaatsgevonden, terwijl het voor de hand had gelegen dat de inspecties ook rond het tijdstip waarop het roken was toegestaan hadden plaatsgevonden. Immers pas dan had kunnen worden gecontroleerd of sprake was van rookoverlast. Voorts had de conclusie van de controleur dat bij het opengaan van de deur tussen de foyer en de zogenoemde «straat» sprake kon zijn van «hinder-geur», aanleiding dienen te zijn voor nader onderzoek. Immers met het open en dicht gaan van de deur, ook al sluit deze automatisch, was de rookoverlast (in welke mate ook) een gegeven. Hier komt bij dat de deur ook kon worden opengezet, wat de mogelijkheid van rookoverlast vergrootte. Tot slot bevatte de rapportage geen gegevens over het kantoor van het LAK-theater. Dat is slechts bereikbaar door de foyer, wat de vraag doet rijzen hoe de diensten en openingstijden zich verhielden tot de tijden waarop de foyer als rookgedoogzone in gebruik was.

De Nationale ombudsman overwoog dat de Keuringsdienst van Waren uit de rapportage niet had kunnen afleiden of sprake was van strijd met de Tabakswet en het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten, en daarmee dus ook niet of verzoeksters klacht gegrond was. De onderzochte gedraging was in zoverre «niet behoorlijk».

1.3.2.8 Vliegroutes

In de zaak die leidde tot rapport 2003/117 (zie § 16B.3) klaagde verzoeker erover dat Luchtverkeersleiding Nederland (verder LVNL) op willekeurige wijze gebruik maakte van vliegroutes nabij zijn woonwijk, de Bijlmer. Hij klaagde er in dit verband over dat LVNL vertrekkende vluchten vanaf Schiphol in oostelijke richting veelvuldig over zijn woonwijk leidde met alle veiligheidsrisico's en geluidsoverlast van dien, terwijl het ook mogelijk was gebruik te maken van een uitvliegroute over onbebouwd, althans dunbevolkt gebied dat enkele kilometers ten zuiden van de Bijlmer lag. Hij had er bezwaar tegen dat van deze laatstgenoemde route niet vaker gebruik werd gemaakt.

De Nationale ombudsman overwoog onder meer als volgt. Eén van de wijzen waarop de overheid bijdraagt aan een verantwoorde spreiding van overlast ten gevolge van luchtverkeer is door op basis van artikel 10 van het Luchtverkeersreglement uitvliegroutes wettelijk vast te stellen, zogenaamde Standard Instrument Departure Routes (verder SID's). Vliegtuigen moeten een SID volgen, waarbij wel rekening is gehouden met het «gedrag» van vliegtuigen in de lucht dat sterk wordt beïnvloed door het type vliegtuig, het startgewicht en de weersomstandigheden. Daartoe kent iedere SID een bepaald tolerantiegebied, dat per locatie is vastgesteld en waarbinnen de gezagvoerder de aan hem door de verkeersleider opgedragen SID uitvoert. Uit het wettelijk stelsel volgt dat LVNL geen invloed heeft op vastgelegde SID's. Verkeersleiders van LVNL zijn derhalve in zoverre niet vrij om te bepalen op welke manier zij vertrekkende vliegtuigen leiden, dat zij weliswaar tot op zekere hoogte kunnen kiezen tussen verschillende startbanen met de bijbehorende uitvliegroutes, maar dat zij de vliegers slechts in uitzonderingsgevallen kunnen toestaan af te wijken van een uitvliegroute, en evenmin invloed hebben op het vlieggedrag binnen de tolerantiegrenzen van de uitvliegroute.

Verzoekers woonwijk was gesitueerd onder een wettelijk vastgestelde uitvliegroute. Het daaromheen liggende tolerantiegebied omsloot ook de door verzoeker aangeduide «zuidelijkere route». Hieruit volgde dat verkeersleiders van LVNL niet onjuist handelden als zij vertrekkende vliegtuigen over verzoekers woning leidden. Evenmin handelden zij onjuist in geval vliegtuigen de «zuidelijkere route» namen: de verkeersleiders hadden immers geen invloed op de wijze waarop werd gevlogen binnen het tolerantiegebied van de uitvliegroute. LVNL heeft aangegeven dat aspecten als verkeersintensiteit, weersomstandigheden, baanbeschikbaarheid en vliegtuigtypes bepalend zijn voor de keuze van een SID en vervolgens voor de plaats waarop een vliegtuig zich binnen het bijbehorende tolerantiegebied bevindt. In elk geval stond vast dat de gestelde waarneming van verzoeker dat vanuit Schiphol vertrekkende vliegtuigen nu eens gedurende een lange periode boven zijn woning vlogen, en dan weer lange tijd de zuidelijker route namen, niet kon worden toegeschreven aan handelingen van LVNL. Op grond hiervan concludeerde de Nationale ombudsman dat LVNL niet op willekeurige wijze of onnodig gebruik had gemaakt van bepaalde uitvliegroutes. De onderzochte gedraging was «behoorlijk».

1.3.2.9 Seceurop

Drie rapporten (2003/256, 2003/375 en 2003/381, zie § 14.3.1.1) hadden betrekking op een gedraging van medewerkers van Seceurop Nederland Security Check B.V. (verder Seceurop) op de luchthaven Schiphol. De werkzaamheden van Seceurop vinden plaats onder verantwoordelijkheid van de Koninklijke Marechaussee, district Schiphol, die belast is met de algehele politietaak op de luchthaven Schiphol. De werkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomstig de (interne) instructies van de Koninklijke Marechaussee.

In de zaak die leidde tot rapport 2003/375 klaagde verzoeker, een Nederlander van Afrikaanse afkomst, erover dat beveiligingsmedewerkers van Seceurop hem discriminerend hadden bejegend, door hem als enige van alle passagiers van een vlucht aan meerdere inspecties te onderwerpen.

De Nationale ombudsman overwoog in deze zaak dat wordt volstaan met het controleren van alle passagiers en hun handbagage met daartoe bestemde detectieapparatuur, tenzij er reden is voor stelselmatig onderzoek van passagiers aan hun kleding en van hun handbagage, of wanneer er aanleiding is een passagier in het kader van de veiligheidsprocedure aan nader onderzoek te onderwerpen. Tijdens het onderzoek kwam naar voren dat verzoeker op basis van een viertal kenmerken was geselecteerd voor een dergelijk nader onderzoek. Deze kenmerken waren alle neergelegd in een werkinstructie. Van het selecteren van verzoeker was een registratie gemaakt. Hieruit kwam niet naar voren dat verzoeker in strijd met de instructie voor de veiligheidsprocedure was geselecteerd. Ook bleek niet dat de veiligheidsprocedure in enig opzicht onjuist was uitgevoerd. De Nationale ombudsman achtte het daarom niet aannemelijk dat verzoeker op discriminatoire gronden aan (nader) onderzoek was onderworpen, hoezeer het ook begrijpelijk was dat verzoeker het nadere onderzoek als onprettig had ervaren. De onderzochte gedraging was «behoorlijk».

1.3.3 Grensoverschrijdende zaken

De Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad – ook wel het Beneluxparlement genoemd – heeft op 15 maart 2003 aanbeveling 689/1 aangenomen betreffende het ombudsinstituut en de ombudsfunctie van het Beneluxparlement. Uit deze aanbeveling spreekt de wens om tot een goed samenspel te komen tussen de Raadgevende Interparlementaire Benelux-raad en de parlementaire ombudsmannen van de Beneluxlanden. In de aanbeveling wordt de parlementaire ombudsmannen van de Beneluxlanden gevraagd om voortaan in hun jaarverslagen afzonderlijk aandacht te schenken aan de behandelde klachten en uitgevoerde onderzoeken van grensoverschrijdende aard aan binnengrenzen van de Benelux. De Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie heeft de desbetreffende aanbeveling van het Beneluxparlement bij brief van 2 september 2003 ter kennis gebracht van de Nationale ombudsman. De Voorzitter van de Tweede Kamer sloot zich, na raadpleging van de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie uit die Kamer, in een brief van 24 september 2003 aan bij het in de hiervoor bedoelde aanbeveling van het Beneluxparlement vervatte verzoek aan de Nationale ombudsman om in het jaarverslag afzonderlijk aandacht te besteden aan behandelde klachten en uitgevoerde onderzoeken van grensoverschrijdende aard. In deze paragraaf wordt aan de wens op dit punt van het Beneluxparlement voldaan.

Het aantal in 2003 door de Nationale ombudsman afgehandelde zaken waarin zich grensoverschrijdende kwesties voordeden is beperkt. Er kan hier worden gewezen op een drietal van dergelijke zaken met grensoverschrijdende aspecten in de Benelux waarover de Nationale ombudsman in 2003 een rapport heeft uitgebracht.

De zaak die werd afgerond met rapport 2003/104 (zie ook § 20A.2.3) betreft het volgende. Verzoeker, die zich onder meer bezighoudt met de export van slachtpaarden, informeerde in verband met de in de eerste helft van 2001 heersende mond- en klauwzeercrisis (verder MKZ-crisis) begin april 2001 bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (verder RVV) of hij een aantal slachtpaarden kon exporteren naar België.

Zonder enig voorbehoud deelde de medewerker van de RVV die hem te woord stond mee dat dit (weer) was toegestaan. Nog dezelfde dag kwam een keuringsarts van de RVV verzoekers paarden keuren. De keuringsarts verstrekte verzoeker bij die gelegenheid een gezondheidscertificaat voor de desbetreffende vijf paarden. Toen verzoeker de dag daarop zijn paarden overbracht naar het Stedelijk Slachthuis te Antwerpen, werden zij in beslag genomen omdat het op grond van de Belgische regelgeving in verband met de MKZ-crisis niet was toegestaan paarden vanuit Nederland in België in te voeren. Verzoeker richtte zich daarop tot de RVV met het verzoek hem schadeloos te stellen. De directeur van de RVV wees dit verzoek af op grond van de overweging dat op de bewuste dag niet bij de RVV bekend was dat er vanuit Nederland geen paarden België ingevoerd mochten worden. Om die reden achtte de RVV zich niet aansprakelijk voor de schade die verzoeker had geleden. Een herhaald verzoek om schadeloosstelling werd namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (sinds 1 juli 2003 Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) eveneens afgewezen.

De Nationale ombudsman achtte het niet juist dat de schade die verzoeker had geleden voor diens rekening kwam. Hij overwoog in dit verband onder meer dat nu de medewerker van de RVV verzoeker zonder enig voorbehoud had meegedeeld dat export van levende slachtpaarden was toegestaan, verzoeker erop moest kunnen vertrouwen dat de verstrekte informatie juist was. Daarom mocht volgens de Nationale ombudsman van de RVV worden verwacht dat deze (alsnog) in overleg zou treden met verzoeker over een redelijke tegemoetkoming in de door verzoeker geleden schade. In het rapport is een aanbeveling opgenomen om het ertoe te leiden dat verzoeker alsnog een redelijke tegemoetkoming wordt toegekend.

Aangezien de RVV van 1 januari 2003 tot 27 mei 2003 was ondergebracht bij de Voedsel en Waren Autoriteit van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, was de aanbeveling gericht aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De minister heeft gevolg gegeven aan de aanbeveling, en de door verzoeker geleden schade vergoed.

Een andere zaak met een grensoverschrijdend aspect lag op het terrein van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. In het desbetreffende rapport (2003/330, zie ook § 10A.7) werd de klacht gegrond geacht.

In deze zaak klaagde verzoeker erover dat het Ministerie van Justitie zijn verzoek van medio 2001 om een aan hem opgelegde gevangenisstraf in België te mogen ondergaan, onvoldoende voortvarend had behandeld. De totale behandelingsduur van verzoekers aanvraag tot overdracht van de executie van de aan hem opgelegde gevangenisstraf aan België – gerekend vanaf de ontvangst van het verzoek tot de feitelijke overdracht – bedroeg ruim zestien maanden. De Nationale ombudsman achtte dat te lang. In dit verband was met name van belang dat in deze zaak niet was gebleken van een bijzondere juridische complexiteit of van feitelijke complicaties (zoals de noodzaak tot vertaling van stukken). Uit het onderzoek bleek dat het Ministerie van Justitie werkte met een termijn van maximaal zes weken voor het zetten van de vereiste vervolgstap in de procedure. De Nationale ombudsman vond het onlogisch, noch onjuist dat het ministerie werkt met zo'n (interne) termijnafspraak. Het werken met termijnen kan bijdragen aan het bewerkstelligen van redelijke doorlooptijden en kan voorkomen dat dossiers (al dan niet ongemerkt) stil blijven liggen. Anderzijds bestaat bij het werken met termijnen het gevaar dat in de praktijk – bijvoorbeeld door een hoge werkdruk – pas actie wordt ondernomen bij een dreigende termijnoverschrijding. Dit leek ook in deze zaak het geval te zijn geweest. De Nationale ombudsman kwam uiteindelijk tot de conclusie dat bij de behandeling van verzoekers aanvraag tot overdracht aan België van de executie van de aan hem opgelegde gevangenisstraf niet steeds was gehandeld in overeenstemming met het vereiste van voortvarendheid.

De derde hier te bespreken zaak betrof informatie-uitwisseling tussen de Nederlandse en Belgische politie. In deze zaak, die leidde tot rapport 2003/411 (zie ook § 7A.9.3), klaagde verzoeker er over dat het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost begin 2000 aan de Belgische politie onjuiste informatie over hem heeft verstrekt. De onjuiste informatie betreft de volgende – volgens verzoeker onjuiste – antecedenten: diefstal, valsheid in geschrifte, heling, verduistering, afpersing, overval, verboden wapenbezit en inbraak.

Verzoeker was op 2 maart 2000 in Turnhout (België) door de plaatselijke rijkswacht aangehouden wegens winkeldiefstal. Door de Belgische politie werd vervolgens telefonisch informatie over verzoeker ingewonnen bij het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost. Uit het door de rijkswacht terzake opgemaakte proces-verbaal blijkt dat deze informatie heeft uitgewezen dat verzoeker in Nederland veroordeeld zou zijn geweest voor de bovengenoemde feiten.

Uit het dossier kwam naar voren dat de politie op 2 maart 2000 telefonisch informatie had verstrekt aan de politie in België. Het was echter niet vast te stellen welke informatie er door de politie aan de Belgische politie was verstrekt. Uitgaande van de antecedenten van verzoeker die op 22 november 2002 in het geautomatiseerde herkenningsdienstsysteem (verder HKS) stonden vermeld, ging de politie ervan uit dat alleen aan de Belgische politie was doorgegeven dat verzoeker veroordeeld is geweest voor winkeldiefstal, inbraak, valsheid in geschrifte, (opzet)heling, diefstal met geweld en afpersing.

Aangezien de politie evenwel niet kon uitsluiten dat de informatie in het HKS in de tijd tussen 2 maart 2000 en 22 november 2002 zou kunnen zijn geschoond, alsook dat de afloopberichten van het OM niet tijdig waren verwerkt in het systeem, viel niet zonder meer uit te sluiten dat er ten tijde van de bevraging in het HKS wel gegevens waren vermeld ten aanzien van overval en verboden wapenbezit en dat ook deze antecedenten aan de Belgische politie zijn doorgegeven.

Nu niet was komen vast te staan welke gegevens er precies aan de Belgische autoriteiten waren doorgegeven, onthield de Nationale ombudsman zich op dit punt van een oordeel. Wel merkte de Nationale ombudsman op dat, gelet op het feit dat het de taak is van de politie om het HKS van juiste informatie te voorzien en afloopberichten van het openbaar ministerie goed te verwerken, niet kon worden gesteld dat de politie haar zorgplicht ten aanzien van de aan haar toevertrouwde belangen goed had vervuld; daarmee had de politie een onaanvaardbaar risico genomen dat er verkeerde gegevens aan de Belgische politie waren doorgegeven. In die zin was de onderzochte gedraging «niet behoorlijk».

1.4 Bijzondere onderwerpen

1.4.1 Interne klachtbehandeling en herkansing

1.4.1.1 Interne klachtbehandeling

Als externe klachtinstantie geeft de Nationale ombudsman in de tweede lijn niet alleen een oordeel over de gedraging van het bestuursorgaan waarover wordt geklaagd, maar beoordeelt hij ook de wijze waarop het bestuursorgaan de klacht intern heeft behandeld. Op deze wijze kan hij de kwaliteit van de interne klachtbehandeling en de naleving van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) bevorderen. In het hierna volgende is een overzicht opgenomen van rapporten uit dit verslagjaar betreffende verschillende bepalingen van hoofdstuk 9. Bijlage 2 geeft per artikel van hoofdstuk 9 Awb een overzicht van de belangrijkste tot nu toe verschenen rapporten.

Artikel 9:1 Awb Het recht op het indienen van een klacht

Uit het bepaalde in artikel 9:1 volgt dat een ieder het recht heeft om over een, zijns inziens, onbevredigend antwoord van een bestuursorgaan – of van een persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan – een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan. Het klachtrecht is echter niet bedoeld om onbeperkt te (kunnen) blijven discussiëren met een bestuursorgaan. Een burger, die van een bestuursorgaan de schriftelijke mededeling heeft ontvangen dat brieven die inhoudelijk hetzelfde zijn als eerder ontvangen brieven helemaal geen beantwoording (meer) zullen krijgen, kan daarover een klacht indienen. Bij de behandeling van de klacht dient beoordeeld te worden of het bestuursorgaan in het desbetreffende geval zich op het ingenomen standpunt heeft kunnen stellen (rapport 2003/442, § 24.6). Ook voor dit soort klachten geldt dat het bestuursorgaan, afhankelijk van het geval, eventueel een beroep kan doen op artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onder a (als er sprake is van een herhaalde klacht over het niet langer beantwoorden door het bestuursorgaan) of artikel 9:10, tweede lid (kennelijk ongegrond) (rapport 2003/469, § 8.2).

De raad van toezicht van de orde van advocaten in een arrondissement is het bestuursorgaan van de orde. Dit betekent dat de raad van toezicht van de orde van advocaten in het arrondissement in beginsel is gehouden om klachten over de raad van toezicht, en de deken van die orde overeenkomstig hoofdstuk 9 in behandeling te nemen (rapport 2003/491, § 10B.7).

Algemene klachten over het beleid van het betrokken bestuursorgaan, dan wel de beleidsuitvoering in het algemeen, hebben geen betrekking op een bepaalde aangelegenheid, zodat de bepalingen van hoofdstuk 9 niet op dergelijke, algemene klachten van toepassing zijn. Omdat de klacht een gedraging jegens iemand moet inhouden, zijn de bepalingen van hoofdstuk 9 eveneens niet van toepassing op meer algemene wensen over het optreden c.q. het beleid van het betrokken bestuursorgaan. Gemeentelijk beleid kan onder meer worden vastgelegd in een verordening. Op klachten over (de inhoud van) een dergelijk algemeen verbindend voorschrift zijn de bepalingen van hoofdstuk 9 niet van toepassing (rapport 2003/442, § 24.3.1). Een bestuursorgaan kan zich in beginsel niet op het standpunt stellen dat het een klacht niet behoeft te behandelen enkel en alleen omdat het een privaatrechtelijk geschil betreft (rapport 2003/253, § 24.3.1). Een klachtprocedure kan ertoe dienen tot een inhoudelijke oplossing te komen van het door klager ervaren probleem. De klachtprocedure beperkt zich niet tot louter formele aspecten (rapport 2003/210, § 24.3.8).

Artikel 9:5 Informele afdoening

Artikel 9:5 Awb biedt bestuursorganen de mogelijkheid voor een snelle en informele afhandeling van klachten. Iedere informele vorm van afdoening is mogelijk, mits dat geschiedt tot tevredenheid van de klager. Van belang is dat de tevredenheid van een klager niet kan worden aangenomen op grond van het feit dat het bestuursorgaan zelf overtuigd was van de adequaatheid of de redelijkheid van de eigen reactie op de klacht. Om te voorkomen dat verschil van mening hierover pas veel later blijkt, kan het verstandig zijn, dat het bestuursorgaan de klager schriftelijk meedeelt ervan uit te gaan dat de klacht naar tevredenheid is opgelost. Blijkt de klager niet tevreden over de meer informele afhandeling van zijn klacht, dan zal deze verder moeten worden afgehandeld overeenkomstig hoofdstuk 9 (rapport 2003/014, § 24.3.2 en rapport 2003/206, § 24.3.4).

Artikel 9:6 Awb Ontvangstbevestiging

Op grond van artikel 9:6 bevestigt het bestuursorgaan de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk. Hiermee wordt de rechtszekerheid gediend, mede omdat het tijdstip van ontvangst van de klacht van belang is voor (de aanvang van) de afdoeningstermijnen van artikel 9:11 (rapport 2003/166, § 24.3.3). De ontvangst van een klaagschrift dient binnen uiterlijk twee weken na ontvangst van het klaagschrift te worden bevestigd. Een ontvangstbevestiging is niet nodig als het klaagschrift binnen twee à drie weken wordt afgehandeld (burgerbrievenrapport 2003/325, § 1.3.1; JB 2003, 361).

Artikel 9:7 Awb Klachtbehandelaar

Artikel 9:7, eerste lid, bepaalt dat de behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest. Ingevolge artikel 9:7, tweede lid, is deze bepaling niet van toepassing indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid daarvan. Het feit dat het bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de wijze van afhandeling van een klacht betekent echter niet dat het bestuursorgaan de klacht ook altijd zelf dient af te handelen. De mandaatregeling van afdeling 10.1.1. is krachtens de schakelbepaling van artikel 10:12 van toepassing op machtigingen in het kader van hoofdstuk 9 (rapport 2003/206, § 24.3.4). Inzake de mandatering aan een niet-ondergeschikte persoon of instelling zal acht moeten worden geslagen op (met name de toelichting bij) artikel 10:4 (rapport 2003/166, § 24.3.8). De klachtenbehandelaar van een bepaalde gemeente is tevens voorzitter van de vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften. Verzoekers klacht had mede betrekking op de behandelingsduur bij die commissie. De klachtenbehandelaar stelde zich op het standpunt dat zijn dubbelrol hem niet in zodanige mate belemmerde dat hij zich geen onbevangen oordeel over de klacht zou kunnen vormen en zich dus bevoegd achtte tot behandeling van de klacht. Deze opvatting is, gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, strijdig met artikel 9:7 (rapport 2003/423, § 24.3.5).

Artikel 9:8 Awb Klacht buiten behandeling

Artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt dat het bestuursorgaan niet verplicht is om een klacht te behandelen, indien de klacht betrekking heeft op een gedraging waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van het bepaalde in afdeling 9.2 is behandeld. Indien het bestuursorgaan op grond van deze bepaling besluit om de klacht buiten behandeling te laten, behoeft de klager niet in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord (rapport 2003/422, § 24.3.6). Het bestuursorgaan dient wel te beoordelen of door verzoeker nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere reactie zouden moeten leiden. Indien dit het geval is dient het bestuursorgaan actie te ondernemen. Indien dit niet het geval is, dient het bestuursorgaan, zo mogelijk gemotiveerd, aan te geven dat hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die tot een heroverweging moeten leiden. De ongegrond verklaring van een eerder (door een klager die buitensporig veel klachten bij dat bestuursorgaan indient) ingediende klacht kan voor het bestuursorgaan geen reden zijn om in het geheel niet meer te reageren op nieuwe, andersoortige klachten van dezelfde klager (rapport 2003/467, § 13A.2.8).

Een aantal rapporten heeft betrekking op de samenloop van klacht en bezwaar. Een gemeente stelde zich ten onrechte op het standpunt dat zij op grond van artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede op grond van artikel 8 van de gemeentelijke klachtenregeling niet verplicht was om de door verzoekers namens hun cliënten ingediende klachten over het niet tijdig beslissen op een aanvraag in behandeling te nemen. De Nationale ombudsman verwees naar zijn rapport 2002/348 (zie Jaarverslag 2002, blz. 556–557). Evenals de Nationale ombudsman dienen ook bestuursorganen klachten te behandelen over het niet tijdig nemen van een besluit, ook al staat op grond van artikel 6:12 Awb de mogelijkheid van bezwaar nog open. Verder overwoog de Nationale ombudsman dat artikel 8 van de gemeentelijke klachtenregeling uit 1998 van rechtswege was vervallen bij de inwerkingtreding van hoofdstuk 9 op 1 juli 1999 (rapporten 2003/062, 2003/122 en 2003/379, alle § 24.3.5). Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, is het maken van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een vaste termijn gebonden. Het derde lid van dit artikel bepaalt hierover dat een bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard als het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend. Op het moment dat verzoeker zich tot het bestuursorgaan wendde was er nog geen sprake van dat de redelijke termijn om bezwaar te maken tegen het uitblijven van de beslissing op zijn aanvraag was verstreken. Daarom kon de grond genoemd in artikel 9:8, eerste lid, onder c, niet als reden worden aangevoerd om verzoekers klacht niet in behandeling te nemen (rapport 2003/035,§ 19B.1.3.4). Door de wetgever is uitdrukkelijk voorzien dat zowel een klacht als een bezwaarschrift wordt ingediend. Het bestuursorgaan kan de klacht volgens eenzelfde procedure behandelen als het bezwaar, en zou dus beide in dezelfde procedure kunnen inbrengen. De regeling van de klachtbehandeling is zodanig opgezet, dat het volgen van de regels voor de bezwaarschriftenprocedure tevens aan de eisen voor klachtbehandeling tegemoet kan komen, indien men daarbij tevens de artikelen 9:9 en 9:10 in acht neemt, en het bestuursorgaan op de klacht beslist. In plaats van de hier bedoelde gecombineerde behandeling van klacht en bezwaar moet een gesplitste behandeling ook mogelijk worden geacht (rapport 2003/062, § 24.3.5). Als er twijfel over bestaat of een ingediend geschrift nu is bedoeld als bezwaarschrift of als klaagschrift, ligt het in de rede om bij de indiener van het geschrift na te vragen wat hem voor ogen stond (rapport 2003/035, § 19B.1.3.4).

Artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt dat het bestuursorgaan niet verplicht is om een klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld. Uit de memorie van toelichting blijkt dat hiermee wordt bedoeld dat een klacht over een gedraging niet in behandeling behoeft te worden genomen, indien de klager tegen die gedraging beroep kan of kon instellen. Daarmee kan worden voorkomen dat dezelfde gedraging voorwerp is van zowel interne klachtbehandeling als van een procedure bij de bestuursrechter.

Voor het buiten behandeling laten van een klacht omdat deze betrekking heeft op een gedraging die volgens het bestuursorgaan niet los kan worden gezien van een andere gedraging die onderwerp is van een beroepsprocedure, zoals de gemeente in dit geval had gedaan, biedt de memorie van toelichting geen aanknopingspunt. Bovendien viel niet in te zien dat in dit geval behandeling van verzoekers klacht de lopende beroepsprocedure zou hebben kunnen doorkruisen (rapport 2003/425, § 24.3.5).

Artikel 46c, vierde lid, van de Advocatenwet bepaalt niet dwingend en exclusief op welke wijze een klacht over de deken van de orde van advocaten in een arrondissement moet worden behandeld. Een klacht over het optreden van de deken als zodanig dient in beginsel overeenkomstig hoofdstuk 9 door de raad van toezicht in behandeling te worden genomen. Dit brengt met zich dat een dergelijke klacht over een deken alleen dan naar de raad van discipline kan worden doorgestuurd, als duidelijk is dat verzoeker niet het klachtrecht maar het tuchtrecht toegepast wil zien (rapport 2003/491, § 10B.7).

Ingevolge artikel 9:8, tweede lid, bestaat geen verplichting tot behandeling van een klacht indien het belang van de klager (dan wel het gewicht van de gedraging) kennelijk onvoldoende is. Op grond van deze bepaling kon de gemeente verzoekers klacht van 1 oktober 2002 over het lange uitblijven van een beslissing op een aanvraag tot wijziging van een bestemmingsplan buiten behandeling laten voor zover daarover in de beslissing op het door verzoeker op 21 maart 2000 ingediende bezwaarschrift over het niet tijdig beslissen op de hiervoor genoemde aanvraag al een oordeel was gegeven. In de beslissing van 27 juli 2000 op verzoekers bezwaarschrift was immers al vastgesteld dat verzoekers bezwaar met betrekking tot de termijnoverschrijding gegrond was. Een behandeling van verzoekers klacht betreffende de termijnoverschrijding tot 27 juli 2000 had aan die conclusie niets kunnen toevoegen (rapport 2003/423, § 24.3.5). In rapport 2003/192 (§ 10A.2.1.5) oordeelde de Nationale ombudsman dat verzoekers klacht over de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder IND) ten onrechte buiten behandeling was gelaten op grond van diens verblijfsrechtelijke situatie.

Ook al schrijft het derde lid van artikel 9:8 zulks niet met zoveel woorden voor, de beslissing tot het niet in behandeling nemen van de klacht moet worden gemotiveerd (rapport 2003/459, § 24.3.5). De in artikel 9:12, tweede lid, neergelegde verplichting om aan de klager mededeling te doen van de mogelijkheid dat nog een klacht bij een externe instantie kan worden ingediend, geldt niet in de gevallen waarin op grond van artikel 9:8 geen onderzoek naar de klacht is ingesteld en dus van een in kennisstelling van bevindingen en conclusies geen sprake is geweest. Het had het betrokken bestuursorgaan echter niet misstaan, indien het klager uit overwegingen van actieve informatieverstrekking naar de Nationale ombudsman had verwezen. Bij de inwerkingtreding van de Wet extern klachtrecht wordt artikel 9:12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op artikel 9:8 (rapport 2003/320, § 18B.2.1).

Artikel 9:9 Awb Afschrift klaagschrift aan aangeklaagde

Niet voldoende is, dat de beklaagde de klacht slechts mag inzien; hieronder vallen ook de door de klager na het klaagschrift nader ingediende stukken, zeker indien deze stukken van essentieel belang zijn ter ondersteuning van de ingediende klacht (rapport 2003/107, § 24.3.6).

Artikel 9:10 Awb Hoorplicht

De wettelijke regeling met betrekking tot het horen van een klager, komt neer op «ja, tenzij» (dat wil zeggen altijd uitnodigen tenzij (a) de klacht kennelijk ongegrond is, (b) de klager aangeeft dat hij geen prijs stelt op een hoorzitting, (c) de klacht niet-ontvankelijk is of (d) wanneer naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen) (rapporten 2003/082, § 12A.2; 2003/131, § 24.3.6 en 2003/213, § 24.3.6; JB 2003, 281). Het initiatief moet altijd bij het bestuursorgaan liggen.

Het horen kan binnen de klachtenprocedure op verschillende momenten gebeuren, te weten direct na ontvangst van de klacht of nadat de klacht eerst onderzocht is. Het voordeel van het «tweede moment» is dat dan alsnog van het horen kan worden afgezien als uit onderzoek blijkt dat de klacht naar tevredenheid kan worden opgelost of kennelijk ongegrond is (rapport 2003/014, § 24.3.2). Het is aangewezen om (in beginsel) hoor en wederhoor toe te passen. Dit beginsel houdt in dat elk van de bij de klacht betrokken partijen de gelegenheid krijgt zijn standpunt naar voren te brengen, en dat vervolgens elke partij de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op hetgeen de andere partij over de klacht naar voren heeft gebracht. Er kan van worden afgeweken als de zienswijze van de persoon op wie de gedraging betrekking heeft over de feitelijke toedracht van de gedraging geheel aansluit bij hetgeen de klager hierover naar voren heeft gebracht in de klacht en de mondelinge toelichting (rapport 2003/472,§ 10A.2.1.5). Op grond van het beginsel van zorgvuldige voorbereiding is het bestuursorgaan gehouden ook getuigen te horen, als dat voor de volledigheid van het onderzoek noodzakelijk is. Als het horen van een getuige bijvoorbeeld essentieel is voor de waarheidsvinding, dan is het achterwege laten van het horen van een getuige onjuist (rapport 2003/107, § 24.3.6 en rapport 2003/246, § 10A.2.1.5). Hoofdstuk 9 kent geen vereiste dat de klager voorafgaande aan het horen de gelegenheid wordt geboden tot inzage in de stukken. Indien betrokkenen de eventuele op de zaak betrekking hebbende stukken wensen in te zien, kan dat kenbaar worden gemaakt (rapport 2003/188, § 24.3.6).

Een klacht is kennelijk ongegrond wanneer uit het klaagschrift zelf aanstonds blijkt dat de klachten van de indiener van het klaagschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie (rapport 2003/290, § 19B.1.3.4). Ook indien een hoorzitting niet heeft plaats gehad wegens kennelijke ongegrondheid van de klacht, dient de reden van het achterwege zijn gebleven van de hoorzitting te worden vermeld bij de afhandeling van de klacht (rapport 2003/134, § 24.3.6).

Een afzonderlijk verslag van de hoorzitting is niet vereist. Volstaan kan worden met vermelding in de brief waarmee de klacht wordt afgedaan, van wat tijdens het horen aan de orde is gesteld. Daarbij is het niet nodig dat het gesprokene woordelijk wordt weergegeven. Ten minste moet er sprake zijn van een zakelijke en representatieve weergave van het verhandelde tijdens de hoorzitting (rapport 2003/395, § 24.3.6).

Artikel 9:11 Awb Afdoeningstermijn

Op grond van artikel 9:11, tweede lid, kan het bestuursorgaan de afhandeling van de klacht voor ten hoogste vier weken verdagen. Verder uitstel na verdaging is mogelijk met instemming van de klager. Het eenzijdig stellen van een nieuwe door het bestuursorgaan zelf te bepalen redelijke termijn waarbinnen het de klacht kan afhandelen is ongewenst. Indien geen instemming van de klager wordt verkregen, zal het bestuursorgaan een kennisgeving van dreigende termijnoverschrijding moeten versturen, met vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de klacht alsnog zal worden afgehandeld en met een verwijzing naar de externe klachtvoorziening van het bestuursorgaan, voor het geval de klager zich niet kan verenigen met nader uitstel (rapport 2003/012, § 23.2.1 en burgerbrievenrapport 2003/325, § 1.3.1; JB 2003, 361).

Artikel 9:12 Awb Beslissing op de klacht

Artikel 9:12 verplicht het bestuursorgaan om, na het afsluiten van het onderzoek, de klager schriftelijk zijn bevindingen van het onderzoek naar de klacht en eventuele conclusies mee te delen.

Met «het onderzoek naar de klacht» wordt niet alleen bedoeld het onderzoek naar de gevolgde procedures rond de klacht zelf, maar ook het onderzoek naar de gedraging waarop de klacht betrekking heeft. Onder de bevindingen wordt verstaan een weergave van de feiten die tijdens het klachtonderzoek zijn komen vast te staan. Op grond daarvan zal het bestuursorgaan zich een oordeel vormen over de gang van zaken en daaraan wellicht conclusies verbinden. Wellicht, omdat de bevindingen niet altijd tot conclusies behoeven te leiden. Dat zal met name niet het geval zijn, indien een klacht ongegrond wordt geacht (rapport 2003/210, § 24.3.8). Het bestuursorgaan dient de beslissing op de klacht goed te motiveren. Het is een vereiste van zorgvuldige klachtbehandeling dat op alle grieven wordt ingegaan (rapporten 2003/246, § 10A.2.1.5 en 2003/395, § 24.3.4). Indien het bestuursorgaan van oordeel is dat een klaagschrift niet goed is gemotiveerd, dient het oordeel in de klachtafdoeningsbrief niettemin wel voldoende te zijn gemotiveerd. Wanneer dat niet mogelijk is omdat het bestuursorgaan daartoe over onvoldoende informatie beschikt, dient het bestuursorgaan aanvullend onderzoek te verrichten (rapport 2003/428, § 10A.2.1.5). Indien het na onderzoek van de klacht niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de gegrondheid van de klacht en het dus niet mogelijk is om een oordeel te geven, moet het bestuursorgaan zich van het geven van een oordeel onthouden in plaats van de klacht als ongegrond af te doen (rapport 2003/107, § 24.3.8). Naar aanleiding van een gegronde klacht dient het bestuursorgaan maatregelen te treffen die, gelet op de aard van de gedraging, passend zijn (rapport 2003/261, § 20B.1 en rapport 2003/299, § 10A.2.1.5). In artikel 9:12, tweede lid, is bepaald dat een klager erop moet worden gewezen dat hij, indien hij niet tevreden is met de afhandeling van de klacht, daarover een klacht kan indienen bij een externe klachtinstantie (rapporten 2003/060, § 24.3.9; 2003/082, § 12A.2 en 2003/131, § 24.3.9).

Artikel 9:12a Awb Registratie en publicatie

Ook schriftelijke klachten die op grond van art. 9:8 buiten behandeling worden gelaten moeten door het bestuursorgaan worden geregistreerd (rapport 2003/062, § 24.3.5).

1.4.1.2 Herkansing

Klachten worden in daarvoor in aanmerking komende gevallen sinds 1 januari 2002 behandeld door middel van de herkansingsmethode. Deze werkwijze is erop gericht om in zoveel mogelijk gevallen waarin interne klachtbehandeling conform hoofdstuk 9 van de Awb ten onrechte achterwege is gebleven, te bereiken dat dit alsnog gebeurt. Bij de invoering van deze werkwijze heeft de wetgever voor ogen gestaan dat een klacht met het oog op het herstel van vertrouwen van de burger in de overheid zo mogelijk door het betrokken bestuursorgaan zelf moet worden behandeld (zie Jaarverslag 2001, § 1.3.1). Het herkansingsbeleid is uitgebreid geëvalueerd in 2002 (zie Jaarverslag 2002, § 1.2.3). Een aandachtspunt dat nog openstond, was hoe verzoekers het herkansingsbeleid ervaren. Uit het klanttevredenheidsonderzoek (zie § 1.4.4) komt naar voren dat verzoekers in overgrote meerderheid tevreden zijn over dit beleid. Verder zegt 70% van deze groep bekend te zijn geweest met de procedure dat de overheidsinstantie nogmaals de kans krijgt de klacht af te handelen. Een derde van hen vindt deze procedure zeer goed/uitstekend en slechts 15% matig/slecht. Men is vooral te spreken over de rol van de Nationale ombudsman bij het doorsturen van de klacht.

In 2003 zijn in totaal 853 zaken via herkansing afgedaan. In 2002 waren dat er 893. Het aantal zaken waarin wel een klacht bij het bestuursorgaan is ingediend, maar waarin (nog) geen klachtbehandeling heeft plaatsgevonden en die daarom opnieuw aan het bestuursorgaan zijn voorgelegd, is licht gedaald. De doelstellingen van het herkansingsbeleid, betere klachtherkenning en betere toepassing van hoofdstuk 9 Awb door bestuursorganen, zijn overigens nog niet bereikt. Het beleid zal mede gezien de positieve evaluaties door bestuursorganen én verzoekers worden voortgezet.

Verdeling van de in totaal 853 herkansingszaken over de verschillende werkvelden geeft het volgende beeld:

gemeenten13215%
financiën*668%
IB-Groep273%
vreemdelingenzaken**25830%
sociale zekerheid***15819%
huurcommissies334%
zorgverzekeraars273%
overige werkterreinen15218%

* = Ministerie en Belastingdienst

** = IND, Visadienst, BuiZa en COA

***= UWV, CWI en SVB

De herkansingsmethode brengt mee dat de Nationale ombudsman klachten die op zichzelf in aanmerking komen voor onderzoek, in beginsel niet inhoudelijk beoordeelt; dat laat hij overeenkomstig de intentie van de wetgever over aan het betrokken bestuursorgaan, tenzij het betrokken bestuursorgaan aangeeft de klacht niet alsnog te zullen behandelen, of wanneer de betrokken burger klaagt over de interne klachtbehandeling. Meestal vindt daarom in individuele gevallen geen inhoudelijke toetsing door de Nationale ombudsman plaats van de gedraging waarover wordt geklaagd, noch van de wijze waarop de klacht wordt afgedaan. De controle van de Nationale ombudsman beperkt zich tot het vaststellen van de bereidheid van het bestuursorgaan om de klacht alsnog te behandelen en tot het verifiëren of daadwerkelijk klachtbehandeling heeft plaatsgevonden. Ter completering van deze werkwijze kan de Nationale ombudsman in het kader van zijn herkansingsbeleid wel in algemene zin, los van individuele klachten, terugkijken op de praktijk van een bepaald bestuursorgaan, om te bezien of de inhoud van de klachten en/of de wijze waarop die zijn behandeld, aanleiding vormen tot enige vorm van actie. In 2003 is dat gedaan ten aanzien van de IND (zie § 10A.2.1.3).

De Nationale ombudsman heeft in dat kader onderzocht of zich blijkens de afdoeningsbrieven van 117 klachten over de IND, de Visadienst en de Visadienst kort verblijf, die in de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003 waren doorgezonden in het kader van de herkansing, knelpunten hadden voorgedaan gelet op de inhoud van de klachten, en op de wijze waarop de klachten waren afgedaan.

Uit de inhoud van de desbetreffende klachten kon worden afgeleid dat de afwikkeling van aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf in de bezwaarschriftprocedure een knelpunt vormt, evenals de behandeling van bezwaarschriften tegen de afwijzing van een aanvraag om een visum kort verblijf.

Voorts bleek onder meer dat in twaalf herkansingszaken geen melding was gemaakt van de (on)gegrondheid van de klacht. In totaal werden in zes zaken ten onrechte geen verontschuldigingen aangeboden. In 103 zaken (88%) is een passende maatregel in het vooruitzicht gesteld of genomen. In 63 zaken is een toezegging gedaan (53,8%) en in veertig zaken heeft de Nationale ombudsman een afschrift van de door het bestuursorgaan genomen beslissing ontvangen (34,2%). Of alle 63 door de IND en de Visadienst (kort verblijf) gedane toezeggingen zijn nagekomen kon niet worden nagegaan; een en ander hangt af van de reactie van verzoeker. In acht zaken zijn verzoekers teruggekomen op de reactie van de IND op de klacht: in twee zaken werd het onderzoek schriftelijk voortgezet, in vier zaken werd geïntervenieerd en twee zaken werden afgedaan wegens onvoldoende belang. Voorts bleek dat één van de regionale directies van de IND stelselmatig had nagelaten in de ontvangstbevestiging van de herkansingsbrieven melding te maken van de termijn van zes weken waarbinnen de klacht behandeld moet worden. In de door deze directie verzonden ontvangstbevestigingen werd slechts vermeld dat een brief was ontvangen en dat die in het dossier zou worden gevoegd; ook was de IND niet consequent geweest in de verwijzing naar de Nationale ombudsman en de Commissie van de Verzoekschriften van de Eerste of Tweede Kamer als externe klachtbehandelaars.

De resultaten van de terugblik, en met name de gesignaleerde inhoudelijke knelpunten, zijn aan de orde gekomen in een ambtelijk overleg tussen medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman en medewerkers van de IND. Verdere actie was niet nodig.

1.4.2 Publieksvoorlichting

De Nationale ombudsman biedt burgers een (op de rechter aanvullende) vorm van rechtsbescherming tegen de overheid. Het is daarom belangrijk dat burgers de Nationale ombudsman weten te vinden en hem ervaren als een laagdrempelige en toegankelijke voorziening. De missie van de Nationale ombudsman (zie § 1.4.3) verwoordt dit doel. De afgelopen jaren is daarom een aanpak ontwikkeld voor de voorlichting aan het algemeen publiek en relevante (rechts)hulpverleners over de taak en functie van de Nationale ombudsman. Vanaf het Jaarverslag 1999 is aan de publieksvoorlichting ieder jaar aandacht besteed. Het streven om de voorlichting op een structurele en planmatige manier mede met de inzet van betaalde communicatiemiddelen te continueren heeft in de Tweede Kamer weerklank gevonden en is in de zomer van 2000 ondersteund door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor de jaren 2001 tot en met 2003 is een budget toegekend om de (juiste) bekendheid en daarmee de «vindbaarheid» van de Nationale ombudsman te vergroten. In zijn brief van augustus 2000 merkt de minister op het prematuur te achten om een structureel bedrag op te nemen, omdat informatie over de effecten van de nieuwe aanpak (zowel op de bekendheid als op de werkvoorraad van de Nationale ombudsman) ontbreekt. Jaarlijks zijn de campagnes op deze effecten geëvalueerd, zo ook het afgelopen jaar (zie hiervoor § 5.3.1). In het begin van dit verslagjaar zijn de conclusies die zijn getrokken naar aanleiding van de evaluatie van twee jaren campagne, aan de minister aangeboden. Hieronder worden die weergegeven, aangevuld met de ervaringen van de laatste campagne.

De afgelopen drie jaar heeft de publieksvoorlichting vorm gekregen in drie campagnes: in 2001 is landelijk van start gegaan met een Postbus 51 campagne, in 2002 heeft de Nationale ombudsman in vijf provincies aan zijn bekendheid gewerkt en in 2003 is opnieuw een Postbus 51 campagne geweest. Met deze campagnes is nieuwe aanpak ingezet: het bekend maken van een nieuw, gratis telefoonnummer om (potentiële) klagers zoveel mogelijk al aan de telefoon te kunnen (door)verwijzen. In samenhang daarmee is op verschillende manieren gewerkt aan de toegankelijkheid van het instituut voor burgers en voor intermediairs. De website is voorzien van een publieksdeel waar burgers ook via elektronische weg een klacht kunnen indienen, foldermateriaal is aangepast en brieven aan burgers in het kader van de klachtbehandeling zijn begrijpelijker geformuleerd (zie § 5.3.2). (Rechts)hulpverleners – als belangrijke intermediairs voor burgers – worden via nieuwsbrieven en mondelinge presentaties regelmatig geïnformeerd over de werkwijze en het werkterrein van de Nationale ombudsman.

De resultaten van de campagnes overziend, kan geconcludeerd worden dat de Nationale ombudsman door de campagnes beter vindbaar is (omdat meer mensen hem weten te vinden) en juister bekend is (meer mensen weten dat de Nationale ombudsman gaat over klachten over de overheid). De evaluatie van de laatste campagne laat ook zien dat de spontane naamsbekendheid van de Nationale ombudsman is gestegen (na de campagne geven meer mensen het goede antwoord op de vraag: Er is in Nederland een instantie waar u terecht kunt als u een klacht heeft over de overheid. Weet u welke instantie dat is?).

Twee opvallende uitkomsten verdienen de aandacht. De eerste is, dat tijdens de campagnes veel meer mensen, vooral telefonisch, hun vraag of probleem aan de Nationale ombudsman hebben voorgelegd. Uit de evaluatie blijkt dat vrijwel al deze mensen de Nationale ombudsman alleen door de campagnes hebben kunnen vinden. Massamediale aandacht blijkt daarmee van groot belang voor een betere vindbaarheid.

Het tweede vermeldenswaardige resultaat betreft de interne bedrijfsvoering. Uit de jaarcijfers over 2002 bleek dat voor het eerst sinds jaren het aandeel buitenwettelijke verzoekschriften op de totale instroom daalde. Deze ontwikkeling heeft zich bestendigd over het jaar 2003. Er lijkt daarmee sprake te zijn van een geleidelijk effect van de aanpak die met de campagnes is ingezet: het bekendmaken van een nieuw gratis telefoonnummer om (potentiële) klagers zoveel mogelijk al aan de telefoon te kunnen (door)verwijzen.

Het moge duidelijk zijn dat het noodzakelijk is om in de voorlichtingsaanpak op de ingeslagen weg door te gaan en daarvoor vanaf 2004 een structureel budget te krijgen. Het is immers gewenst dat burgers bekend zijn met de vorm van rechtsbescherming die de Nationale ombudsman biedt en dat zij hem – als ze menen hem nodig te hebben – ook kunnen vinden. Ook voor de overheid is een goede «vindbaarbaarheid» en bekendheid van de Nationale ombudsman belangrijk. Wanneer de overheid in alle transparantie actief laat zien dat er – volgend op een interne klachtprocedure – een externe, onafhankelijke voorziening openstaat voor mensen, creëert zij een basis voor vertrouwen.

1.4.3 Missie en visie

In 1997 is, vooral ook voor intern gebruik, de missie van de Nationale ombudsman geformuleerd (zie Jaarverslag 1997, blz. 67). Die missie is uitgangspunt geworden voor het in gang zetten van bedrijfsactiviteiten. Vanaf medio 2002 is opnieuw stilgestaan bij de identiteit van de Nationale ombudsman. Een identiteit die onder meer is opgebouwd uit missie (de bestaansreden) en visie (in welke richting wil het instituut zich ontwikkelen). Die gedachtewisseling heeft in 2003 geresulteerd in de onderstaande uitgangspunten. Daarbij is de destijds geformuleerde missie nagenoeg ongewijzigd gebleven. De missie en visie zullen de komende jaren richtinggevend zijn voor het denken en handelen van de organisatie en de medewerkers en leiden tot het formuleren van bedrijfsdoelstellingen, operationele doelstellingen (met de SMART systematiek) en inzet van middelen om tot realisatie te komen. Een aantal van die bedrijfsdoelstellingen is onderstaand eveneens opgenomen.

Missie:

Vanuit onpartijdigheid een open oog en oor hebben voor klachten over de overheid en deze zodanig behandelen dat aan de burger en de overheid recht wordt gedaan, de overheid van klachten leert en dat wordt bijgedragen aan herstel van vertrouwen in de overheid.

De missie wordt gevangen in de mission statement: «De Nationale ombudsman, daar wordt u beter van en de overheid ook».

Bedrijfsdoelstellingen:

– Verzoekschriften en andere signalen zodanig effectief behandelen dat aan de burger en de overheid recht wordt gedaan, de overheid van klachten leert en het vertrouwen in de overheid wordt hersteld.

– De hoeveelheid zaken ouder dan één jaar vóór medio 2004 terugbrengen tot 50.

Visie:

De Nationale ombudsman zelfbewust positioneren als een bij burgers ruim bekende externe (tweedelijns) klachtvoorziening voor de overheid waar het bestuur niet omheen kan.

Bedrijfsdoelstellingen:

– Zorgen voor een actief voorlichtingsbeleid zodanig dat burgers weten wat de Nationale ombudsman voor hen kan betekenen en dat zij hem weten te vinden.

– Het gezag van het instituut uitbouwen bij alle bestuursorganen, zodanig dat volledige en voortvarende medewerking wordt verleend, interventies worden geaccepteerd, oordelen worden gerespecteerd en aanbevelingen worden opgevolgd.

– Contacten onderhouden met en informeren van de vertegenwoordigende lichamen zodanig dat die pal voor het instituut blijven staan en het effect van het werk van de Nationale ombudsman verder toeneemt.

Visie:

Garanderen dat burgers die zich tot de Nationale ombudsman wenden met klachten over de overheid een volwaardige klachtbehandeling krijgen, en ernaartoe werken dat overal bij de overheid volwaardige klachtbehandeling plaatsvindt.

Bedrijfsdoelstellingen:

– Kritisch volgen van – onder de bevoegdheid van de Nationale ombudsman vallende – bestuursorganen zodanig dat klachten adequaat zelf door bestuursorganen worden afgedaan.

– Vanuit de rol van klachtbehandelingsexpert, interne klachtbehandelaars van en externe klachtbehandelaars bij de bestuursorganen zodanig toerusten dat er betere voorwaarden ontstaan voor een volwaardige klachtbehandeling door de overheid.

Visie:

Zorgen dat medewerkers van bestuursorganen de gedragsnormen voor de overheid zodanig kennen dat zij zich daarnaar gedragen.

Bedrijfsdoelstelling:

– Ontsluiten en (laten) uitdragen van gedragsnormen voor de overheid zodanig dat deze gemeengoed worden voor de desbetreffende medewerkers.

Visie:

Op initiatief van de Nederlandse regering, de Europese Unie of de Raad van Europa, dan wel op verzoek van het betrokken instituut ondersteunen van ombudsman- en vergelijkbare instituten, als bijdrage aan de vorming van goed bestuur, eerbiediging van mensenrechten en versterking van de rechtsstaat, in Midden en Oost Europa, de Balkan en in landen waarmee Nederland historische banden heeft.

Bedrijfsdoelstelling:

– Capaciteit van het bureau inzetten voor het verrichten van activiteiten die passen bij deze visie, zodanig dat in elk geval de projectkosten extern worden gedragen.

1.4.4 Klanttevredenheidsonderzoek

De Nationale ombudsman is een dienstverlenende organisatie bij uitstek. Het is voor de bedrijfsvoering van belang om te weten hoe mensen die zich tot de Nationale ombudsman hebben gewend, de dienstverlening ervaren. Daarnaast is met ingang van 1 januari 2002 een nieuwe werkwijze ingevoerd voor verzoekschriften waarin geen interne klachtbehandeling overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden. Deze zogenoemde herkansing is uitgebreid geëvalueerd in 2002 (zie Jaarverslag 2002, § 1.2.3). Een aandachtspunt dat nog openstond, was hoe verzoekers het herkansingsbeleid ervaren.

Om inzicht te krijgen in knelpunten en mogelijke verbeteringen in de dienstverlening heeft de Nationale ombudsman besloten een klanttevredenheidsonderzoek te laten uitvoeren. Na advies van de Rijksvoorlichtingsdienst is INTERVIEW*NSS gecontracteerd om dit onderzoek uit te voeren. Het onderzoek heeft zich gericht op de vraag hoe verzoekers het «proces» en het «product» in het kader van de schriftelijke klachtbehandeling beoordelen. Meer concreet gaat het onder meer om zaken als de klantgerichtheid van de contactpersoon, de informatiebehoefte van verzoekers, doorlooptijden van de klachtbehandeling, de begrijpelijkheid van de communicatie, de verwachtingen van verzoekers en het eindproduct (zoals een rapport met een eindoordeel of een brief in het kader van een interventie).

Ten behoeve van het onderzoek zijn de respondenten verdeeld in de volgende categorieën:

– intermediairs (zoals advocaten, bureaus rechtshulp e.d.);

– mensen van wie de klacht na toetsing op bevoegdheid en ontvankelijkheid niet in onderzoek is genomen en die een afschrijvingsbrief hebben ontvangen (hierna genoemd groep Afschrijving);

– mensen van wie de klacht is afgehandeld met een rapport (groep Rapport);

– mensen van wie de klacht via een interventie is afgedaan (groep Interventie);

– mensen van wie de klacht in het kader van de herkansing is doorgestuurd naar het bestuursorgaan (groep Herkansing).

In totaal zijn 348 mensen telefonisch geïnterviewd in de periode mei tot juli 2003.

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat het algemene oordeel over de Nationale ombudsman positief is: gemiddeld is ruim 80% van de respondenten (zeer) positief over de Nationale ombudsman en slechts 10% (zeer) negatief. Vooral intermediairs zijn positief en respondenten uit de groep Herkansing (ruim 90%). De meest kritische groep bestaat uit mensen die ter afronding van de klachtbehandeling een rapport hebben ontvangen.

Uit het onderzoek komt naar voren dat het algemene oordeel over de Nationale ombudsman wordt bepaald door twee aspecten, namelijk het oordeel over de wijze van klachtafhandeling (te weten het proces van de klachtbehandeling, de communicatie, de contactpersoon en het product) en door het beeld dat men van de Nationale ombudsman heeft. Het blijkt echter dat voor de verschillende categorieën ondervraagden deze twee aspecten verschillend wegen.

Zo spelen bij intermediairs imagoaspecten geen rol; zij baseren hun oordeel vooral op de wijze van klachtafhandeling. De overgrote meerderheid van de intermediairs (90%) beoordeelt in het algemeen de wijze van klachtafhandeling als goed tot uitstekend. Vooral de contactpersoon en het proces van klachtbehandeling spelen daarbij een rol. Sterke punten van de contactpersoon zijn diens klantgerichtheid en deskundigheid. Wel vindt iets meer dan een kwart van de intermediairs dat de contactpersoon sneller zou kunnen handelen en dat de tijd die de klachtbehandeling heeft geduurd (te) lang is.

Bij de groepen Rapport en Interventie zijn zowel het beeld dat zij van de Nationale ombudsman hebben als de wijze van klachtafhandeling van belang voor hun algemene oordeel. In de beleving van ongeveer eenderde van de respondenten uit de groep Rapport is de Nationale ombudsman niet onafhankelijk en niet betrouwbaar. De groep Rapport is het meest kritisch over de wijze van klachtafhandeling: 40% vindt die matig tot slecht. Bij ruim een vijfde van de groep Interventie is dat het geval. Op het oordeel over de klachtafhandeling hebben vooral de aspecten van de communicatie en het proces van klachtbehandeling invloed: bijna de helft van de respondenten uit de groep Rapport en een kwart van de groep Interventie vindt dat de snelheid van informatie en de terugkoppeling tijdens de klachtbehandeling beter zou moeten. Dat geldt ook voor de tijd die de klachtbehandeling in beslag nam.

De groepen Afschrijving en Herkansing baseren hun algemene oordeel over de Nationale ombudsman vooral op het beeld dat zij van hem hebben. Vrijwel alle respondenten uit deze groepen vinden dat termen als «onafhankelijk», «betrouwbaar» en «gezaghebbend» passen bij de Nationale ombudsman. Een meerderheid (ongeveer 70%) van de groep Afschrijving beoordeelt de wijze van klachtafhandeling als goed tot uitstekend. Dit oordeel wordt vooral bepaald door de communicatie. Ongeveer een vijfde van deze groep zegt ontevreden te zijn over de volledigheid van de informatie en terugkoppeling tijdens de klachtbehandeling.

De groep Herkansing is in overgrote meerderheid tevreden over de communicatie. Verder zegt 70% van deze groep bekend te zijn geweest met de procedure dat de overheidsinstantie nogmaals de kans krijgt de klacht af te handelen (het zogenoemde herkansingsbeleid). Een derde van hen vindt deze procedure zeer goed/uitstekend en slechts 15% matig/slecht. Men is vooral te spreken over de rol van de Nationale ombudsman bij het doorsturen van de klacht. (Zie ook § 1.4.1.)

Wat bij al deze uitkomsten overigens opvalt, is dat een overgrote meerderheid van de ondervraagden (gemiddeld 85%) de Nationale ombudsman zou aanraden aan anderen en opnieuw van de diensten gebruik zou maken.

Aanpak langs hoofdlijnen

Zoals aangegeven is het algemene oordeel over de Nationale ombudsman overwegend positief. Het is verheugend om te kunnen constateren dat verzoekers het herkansingsbeleid positief ervaren. De resultaten van het onderzoek laten echter ook zien dat er mogelijkheden zijn om de dienstverlening te verbeteren. Een eerste nadere analyse maakt duidelijk dat een aanpak mogelijk is langs een aantal lijnen.

Er is verbetering mogelijk in de communicatieaspecten rond de klachtbehandeling. Een opvallende conclusie die uit het klanttevredenheidsonderzoek te trekken is, sluit aan bij de uitkomsten uit de eerdere onderzoeken naar de naams- en functiebekendheid van de Nationale ombudsman en het klagerprofiel: verwachtingen van verzoekers die zich tot de Nationale ombudsman wenden, zijn vaak niet reëel. Voor een deel is dat terug te voeren op de onbekendheid met het werkterrein en de werkwijze van de Nationale ombudsman in relatie tot de vele andere ombudsmannen in Nederland. Daarom zal de voorlichting bij de ontvangst van een verzoekschrift worden uitgebreid. Er is in aanvulling op het «stappenschema» dat iedere verzoeker momenteel ontvangt, een folder ontwikkeld die meer uitleg geeft aan verzoekers over hoe de Nationale ombudsman te werk gaat (zie ook § 1.4.2). De bedoeling hiervan is om inzichtelijker te maken wat iemand kan en mag verwachten als hij zich tot de Nationale ombudsman heeft gewend.

Bij de communicatieaspecten tijdens de klachtbehandeling kan eveneens gedacht worden aan de momenten en de manier waarop terugkoppeling plaatsvindt richting verzoekers, informatie wordt gegeven over de stand van zaken en over de stappen die zijn genomen. De komende tijd zullen deze aspecten nauwkeuriger in kaart worden gebracht. Er zal vervolgens worden bezien of en hoe een meer gestructureerde aanpak van informatievoorziening aan verzoekers ingezet kan worden. Ook de duur van de klachtbehandeling is van invloed op het oordeel van verzoekers. Inmiddels zijn in het kader van de medio 2003 vastgestelde missie en visie (zie § 1.4.3), afspraken gemaakt om de hoeveelheid zaken ouder dan één jaar vóór medio 2004 terug te brengen tot 50.

1.4.5 Buitenlandbeleid

In het vorige jaarverslag heeft de Nationale ombudsman kenbaar gemaakt de kennis en ervaring van het bureau breder in te willen zetten voor internationale activiteiten. Daarmee gaf hij uitbreiding aan de meer klassieke invulling van het buitenlandbeleid dat voornamelijk gericht was op deelname aan internationale conferenties, het onderhouden van internationale contacten en het ontvangen van internationale delegaties. Inmiddels heeft dit geleid tot een wijziging in de interne structuur van de organisatie. Er is een stafmedewerker permanent belast met de coördinatie van de uitvoering van dit nieuwe beleid en er is een pool van medewerkers opgezet die bij de internationale activiteiten betrokken wordt. Hierbij is de afdeling buitenland van de Algemene Rekenkamer als leidraad gekozen.

In 2003 is verder uitvoering gegeven aan het voornemen samen te gaan werken met een buitenlands ombudsmaninstituut. Het bezoek van de Nationale ombudsman aan de Tsjechische ombudsman in 2002, heeft geleid tot een wederbezoek van onderzoekers van het Tsjechische kantoor. Zij hebben met onderzoekers van de Nationale ombudsman overleg gevoerd over een op te zetten project. Na een finale bespreking in Brno in augustus, is toen een projectvoorstel ter subsidiëring in het kader van Matra, voorgelegd aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierover is nog geen besluit genomen.

De besprekingen met de Roemeense ombudsman hebben een gelijksoortige ontwikkeling doorgemaakt. Na een bezoek van de Roemeense ombudsman aan Nederland, zijn de besprekingen voor een samenwerkingsproject gestart. Het is de bedoeling dat dit project in maart 2004 zal worden ingediend bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zie verder § 5.4).

2 WETGEVING; AMBT; BUREAU

2.1 Wetgeving c.a.

2.1.1 De Wet Nationale ombudsman

De Wet Nationale ombudsman (verder WNo) is in 2003 niet gewijzigd. Wel is per 30 juni 2003 een bepaling komen te vervallen als gevolg van een vijf jaar eerder in werking getreden overgangsbepaling.

In artikel VI van de – op 30 juni 1998 in werking getreden – wet van 18 juni 1998 tot wijziging van de WNo en de Wet openbaarheid van bestuur (verder Wob) (Stb. 1998, 356) is onder meer bepaald dat vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet artikel 1a, tweede lid, van de WNo zou komen te vervallen. In dat – nu dus vervallen – tweede lid van artikel 1a WNo was bepaald dat de WNo – in afwijking van artikel 1a, eerste lid, onder e – slechts van toepassing is op bestuursorganen belast met onderwijs en onderzoek op het beleidsterrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor zover deze bestuursorganen bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Deze bepaling betekende dat er voor de met onderwijs en onderzoek belaste bestuursorganen op het beleidsterrein van OCW een afwijkende aanwijzingssystematiek gold op het punt van de toepasselijkheid van de WNo en de Wob: op deze bestuursorganen waren WNo en Wob alleen van toepassing wanneer zij uitdrukkelijk bij algemene maatregel van bestuur waren aangewezen. Die aanwijzing heeft plaatsgevonden in artikel 2 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (Stb. 1998, 580), waarbij de bestuursorganen zijn aangewezen van:

a. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen;

b. de Open Universiteit;

c. openbare universiteiten;

d. openbare hogescholen;

e. de Koninklijke Bibliotheek;

f. landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

g. de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO;

h. de Centrale commissie vaststelling examenopgaven en beoordelingsnormen;

i. het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en

j. de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

Door het vervallen van artikel 1a, tweede lid, WNo geldt nu ook voor de met onderwijs en onderzoek belaste bestuursorganen op het beleidsterrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat de WNo en Wob op hen van toepassing zijn, tenzij zij bij algemene maatregel van bestuur zouden zijn uitgezonderd (artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder e WNo). Een dergelijke uitzondering heeft niet plaatsgevonden.

Voor de praktijk betekent dit dat de WNo en de Wob vanaf 30 juni 2003 ook van toepassing zijn op de bestuursorganen van onderwijs- en onderzoeksinstellingen op het beleidsterrein van het Ministerie van OCW die niet zijn genoemd in artikel 2 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob. Dat geldt in ieder geval voor de bestuursorganen van de academische ziekenhuizen bij openbare universiteiten. Deze academische ziekenhuizen genieten immers publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid (zie artikel 1.13, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek), zodat de organen van deze rechtspersonen bestuursorganen zijn.

De actuele tekst van de WNo is opgenomen als bijlage 7.1 van dit jaarverslag.

2.1.2 Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman

Het Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman (Stb. 1998, 547, gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415; zie bijlage 7.3 van dit jaarverslag) geeft een nadere regeling voor de berekening en de wijze van betaling van de vergoeding die bij de Nationale ombudsman aangesloten provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen ingevolge artikel 1c WNo verschuldigd zijn ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan het beschikbaar stellen van de klachtvoorziening bij de Nationale ombudsman aan de bestuursorganen van de desbetreffende decentrale overheden. Deze vergoeding bestaat in beginsel uit een vast bedrag per verzoekschrift dat de Nationale ombudsman over gedragingen van de bestuursorganen van een decentrale overheid ontvangt. Desgewenst kunnen decentrale overheden echter ook kiezen voor een gedifferentieerd tarief, waarbij een hoger bedrag is verschuldigd voor verzoekschriften die leiden tot een onderzoek van de Nationale ombudsman en een lager bedrag voor de overige verzoekschriften. Een indexeringsbepaling in het Vergoedingenbesluit draagt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de bedragen jaarlijks aan te passen aan het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde prijsindexcijfer van de consumptie van de overheid van de activiteit algemeen bestuur.

In 2003 zijn de bedragen aangepast bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 oktober 2003 (nummer CS/CZW0000016270, Stcrt. 199). Daarbij werden de bedragen voor de verzoekschriften ontvangen in de periode van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003 met 3,25% verhoogd. Zij werden daarmee vastgesteld op € 991 per verzoekschrift voor het uniforme tarief en respectievelijk € 3 076 en € 209 per verzoekschrift voor het gedifferentieerde tarief. Als gevolg van de wijze waarop de indexeringsbepaling in het Vergoedingenbesluit is geredigeerd en het tijdstip waarop het benodigde prijsindexcijfer beschikbaar komt, kan de jaarlijkse aanpassing van de bedragen pas plaatsvinden op een moment waarop de periode waarvoor die bedragen gelden al is verstreken (zie ook Jaarverslag 2000, blz. 35–36).

2.1.3 Aanwijzing decentrale overheden

Zoals al is vermeld in Jaarverslag 2002 (blz. 58), heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het eerste kwartaal van 2003 enkele gemeenten aangewezen op wier bestuursorganen de WNo met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 van toepassing is. Het ging hierbij enerzijds om twee nieuwe gemeenten die uit gemeentelijke herindelingen zijn ontstaan, te weten Echt-Susteren en Zwijndrecht, en anderzijds om twee gemeenten die niet waren meegenomen in het ministeriële besluit van 10 december 2002 (Stcrt. 245), namelijk Heiloo en Ouderkerk aan den IJssel. Deze aanwijzing, die heeft plaatsgevonden bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 februari 2003 (nr. CZK/CZW2003/54325) is gepubliceerd in Staatscourant 35 van 19 februari 2003. Hiermee kwam het aantal aangewezen gemeenten per 1 januari 2003 op 209.

De in de loop van 2003 gedane verzoeken van gemeenten aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om de WNo op hun bestuursorganen van toepassing te verklaren hebben geleid tot het ministeriële besluit van 12 december 2003 (nummer 0000018089 CZW, Stcrt. 249). Daarbij zijn met ingang van 1 januari 2004 de bestuursorganen van veertien gemeenten aangewezen. Deze veertien gemeenten zijn: Ameland, Amstelveen, Barneveld, Bernisse, Bergen (N-H), Boxmeer, Landgraaf, Meerlo-Wanssum, Papendrecht, Vaals, Waalwijk, Wassenaar, Wormerland en Zijpe.

Het hiervoor vermelde aanwijzingsbesluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 december 2003 zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2004 nog worden gevolgd door een besluit waarbij de WNo met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004 van toepassing wordt verklaard op de bestuursorganen van de gemeente Midden-Delfland en van de gemeenschappelijke regeling Gewest Eemland. De nieuwe gemeente Midden-Delfland is per 1 januari 2004 ontstaan uit de samenvoeging van de gemeenten Maasland en Schipluiden, die beide al behoorden tot de gemeenten op wier bestuursorganen de WNo van toepassing is. De eveneens sinds 1 januari 2004 bestaande nieuwe gemeente Westland heeft niet gekozen voor aansluiting bij de Nationale ombudsman. Deze gemeente is ontstaan uit de samenvoeging van vijf Zuid-Hollandse gemeenten, waarvan er twee De Lier en Wateringen – tot en met 31 december 2003 wel bij de Nationale ombudsman waren aangesloten. Het Gewest Eemland is de enige gemeenschappelijke regeling waarmee de bevoegdheid van de Nationale ombudsman per 1 januari 2004 is uitgebreid.

Met deze aanwijzingen en met aftrek van de aangesloten gemeenten die per 1 januari 2004 als gevolg van gemeentelijke herindelingen zijn opgeheven komt het aantal gemeenten op wier bestuursorganen de WNo van toepassing is per 1 januari 2004 op 220. Het gezamenlijke inwonertal van deze 220 gemeenten is ruim 6,6 miljoen. Het aantal bij de Nationale ombudsman aangesloten gemeenschappelijke regelingen is per 1 januari 2004 op negentien gekomen. Zoals bekend, zijn tevens alle provincies en alle waterschappen aangesloten bij de Nationale ombudsman.

De 220 bij de Nationale ombudsman aangesloten gemeenten maken 45,6% uit van de 483 Nederlandse gemeenten. Hun gezamenlijke inwoneraantal is 40,8% van de inwoners van alle gemeenten. Wanneer nader wordt gekeken naar de grootte van de gemeenten die hebben gekozen voor aansluiting bij de Nationale ombudsman, dan valt de tamelijk gelijkmatige spreiding over alle groottecategorieën op.

Zoals blijkt uit de verschillende ministeriële aanwijzingsbesluiten hebben vier provincies, alle waterschappen, 145 gemeenten en zeventien gemeenschappelijke regelingen de voorkeur gegeven aan het bekostigingsmodel met het uniforme tarief per verzoekschrift. Acht provincies, 75 gemeenten en twee gemeenschappelijke regelingen maakten de keuze voor het gedifferentieerde tarief (zie hiervoor, § 2.1.2).

2.1.4 Wetsvoorstel extern klachtrecht

Bij de Tweede Kamer is het voorstel voor de Wet extern klachtrecht aanhangig (Kamerstukken II 2002/03, 28 747, nrs. 1–3). Het is bij koninklijke boodschap van 24 december 2002 bij de Kamer ingediend (zie ook Jaarverslag 2002, blz. 58–65). Het wetsvoorstel voorziet in een eenvormige regeling voor de externe behandeling van klachten en in een landelijk dekkend stelsel van onafhankelijke klachtinstanties.

De in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling van het extern klachtrecht heeft een drieledig doel, te weten:

1. het bieden van een algemene regeling voor het indienen en behandelen van klachten bij externe klachtvoorzieningen;

2. het voorzien in een landelijk dekkend stelsel van volwaardige externe klachtvoorzieningen bij decentrale overheden; en

3. het harmoniseren van bestaande eisen waaraan externe klachtvoorzieningen moeten voldoen.

Het wetsvoorstel bevat een wettelijke stok achter de deur om te bereiken dat alle decentrale overheden in een met waarborgen omklede ombudsfunctie zullen voorzien. Tevens zijn procedureregels ontworpen voor deze externe klachtvoorzieningen. Voorgesteld wordt om het grootste deel van het procedurele hoofdstuk van de WNo over te hevelen naar de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb). Die operatie is echter niet beperkt gebleven tot een louter verplaatsen van artikelen van de ene wet naar de andere. De voorgestelde procedurele bepalingen zijn ook in harmonie gebracht met de rest van de Awb en in het bijzonder met de regeling in de Awb van het interne klachtrecht. Verder is de gelegenheid benut om een wettelijke bescherming van het gebruik van de naam ombudsman in de publieke sector in het wetsvoorstel op te nemen. Ook worden nog enkele andere inhoudelijke aanpassingen voorgesteld, zoals het in de wet neerleggen van de interventiemethode van de (Nationale) ombudsman.

Commentaar van de Nationale ombudsman

Bij brief van 17 maart 2003 heeft de Nationale ombudsman een aantal opmerkingen over het wetsvoorstel extern klachtrecht onder de aandacht gebracht van de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit de Tweede Kamer.

Algemeen

In die brief merkte de Nationale ombudsman in algemene zin op met veel belangstelling kennisgenomen te hebben van het wetsvoorstel, dat hij om verschillende redenen verwelkomt. In de eerste plaats omdat het voorstel, wanneer het tot wet wordt verheven, een einde zal maken aan de situatie dat klachten over een deel van de bestuursorganen – met name die van een aantal gemeenten en van het leeuwendeel van de gemeenschappelijke regelingen – nog niet kunnen worden voorgelegd aan een onafhankelijke externe klachtvoorziening. Hij acht het van groot belang dat nu een landelijk dekkend stelsel van externe klachtvoorzieningen wordt gerealiseerd en dat de nog bestaande lacunes in de externe klachtvoorzieningen door een wettelijke vangnetbepaling worden opgeheven. Een tweede reden waarom hij het wetsvoorstel met instemming begroet is gelegen in de codificatie die het beoogt van de eisen waaraan externe klachtvoorzieningen dienen te voldoen en de harmonisatie van de procedureregels voor externe klachtbehandeling. Bij de in het voorstel gestelde eisen aan deze voorzieningen zijn overigens nog wel enkele kanttekeningen te plaatsen, die verderop in de brief aan de orde komen. Ten derde doet het de Nationale ombudsman genoegen dat het wetsvoorstel kan leiden tot beteugeling van de wildgroei in het gebruik van de naam ombudsman in de publieke sector. Ook stemt hij er graag mee in dat de interventiemethode, die in de praktijk van de Nationale ombudsman inmiddels veelvuldig wordt toegepast, nu wettelijk wordt vastgelegd. Ten slotte is hij zeer ingenomen met de aanpassing van de ambtstermijn van de substituut-ombudsman, waardoor de continuïteit van het instituut van de Nationale ombudsman beter gewaarborgd zal zijn.

Het wetsvoorstel betekent een ingrijpende herziening van het extern klachtrecht. Het komt de Nationale ombudsman juist voor dat de procedureregels voor externe klachtbehandeling zoveel mogelijk worden opgenomen in de Awb en dat een groot deel van de bepalingen in hoofdstuk II van de WNo, met de nodige aanpassingen, naar de Awb wordt overgeheveld. Het resultaat van deze operatie beoordeelt de Nationale ombudsman overwegend positief. De kanttekeningen die hier volgen doen daar niet aan af.

De aan externe klachtvoorzieningen te stellen eisen

Het wetsvoorstel gaat uit van het beginsel van gelijkwaardigheid van de verschillende externe klachtvoorzieningen. Met het oog daarop wordt een aantal eisen gesteld aan door decentrale overheden in het leven geroepen voorzieningen, opdat deze vergelijkbaar kunnen zijn met de Nationale ombudsman. De gestelde eisen liggen vooral op het vlak van de rechtspositionele onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en de onderzoeksbevoegdheden van de ombudsman. Deze eisen, neergelegd in wetten in formele zin, zullen ontegenzeggelijk in vergelijking met de huidige situatie doorgaans een belangrijke versterking betekenen van de positie van de lokale ombudsman ten opzichte van de bestuursorganen en het ambtelijk apparaat van de gebiedscorporatie(s) waarbij hij is aangesteld.

Op het punt van de onpartijdigheid stelt het evenwel teleur dat niet de eis is gesteld dat medewerkers van de klachtinstantie niet tevens deel uit mogen maken van de ambtelijke ondersteuning van het bestuursorgaan over wiens gedragingen de klachtinstantie oordeelt. Het argument dat ook voor kleine gemeenten de mogelijkheid om te kiezen voor een eigen ombudsman een reële optie moet blijven (memorie van toelichting, blz. 11), overtuigt onvoldoende. In kleine gemeenten zal het aantal door een externe instantie te behandelen klachten in de regel gering zijn. Die omstandigheid vormt overigens op zichzelf al een reden om goed te overwegen of een zelfstandige eigen externe klachtvoorziening voldoende draagvlak heeft voor het opbouwen en onderhouden van de noodzakelijke expertise als klachtbehandelaar. Wanneer echter voor zo'n eigen voorziening in een kleine gemeente wordt gekozen, dan zal het geringe aantal te behandelen klachten ook met zich meebrengen dat de omvang van de ambtelijke ondersteuning van de ombudsman beperkt kan blijven en dat de kosten van ondersteuning die van buiten wordt aangetrokken overzienbaar zijn.

De Nationale ombudsman deelde de Kamercommissie mee dat hij het zorgelijk vindt dat de aan externe klachtvoorzieningen gestelde eisen zich niet of nauwelijks uitstrekken tot de deskundigheid en de professionaliteit van de voorziening. Hij acht dit bepaald een gemis. De Raad van State heeft hiervoor op indringende wijze aandacht gevraagd in zijn advies. Weliswaar zijn op dit punt destijds in de notitie van staatssecretaris Kohnstamm (Kamerstukken II 1997/98, 25 854, nr. 1) geen specifieke (kwaliteits)eisen genoemd. Waar echter in het wetsvoorstel – terecht – vergaande onderzoeksbevoegdheden worden toegekend aan ook de door decentrale overheden in het leven geroepen externe klachtvoorzieningen, kunnen waarborgen niet worden gemist dat bij die voorzieningen de deskundigheid aanwezig is om een juist gebruik van die bevoegdheden te kunnen maken.

Verder moet worden bedacht dat klachtbehandeling door een externe klachtinstantie ook om andere redenen dient te voldoen aan hoge eisen van zorgvuldigheid en deskundigheid. Het oordeel van een ombudsman is een eindoordeel, waartegen geen voorziening kan worden aangewend. De effectiviteit van de voorziening die de ombudsman biedt is vooral afhankelijk van het gezag dat hij zich weet te verwerven, en voor dat gezag is de kwaliteit van zijn werk de voornaamste pijler.

In ieder geval zouden in de wet eisen kunnen worden gesteld aan de ombudsman terzake van zijn bekwaamheid in zaken van regelgeving, bestuur en klachtrecht. Mogelijk is het ontbreken van een bepaling van deze aard in de Wet Nationale ombudsman er de reden van geweest om voor «decentrale» ombudsmannen ook niet zo'n eis te stellen. Daar staat echter tegenover dat de benoeming van de Nationale ombudsman, zowel door de procedure van benoeming – door de Tweede Kamer, nadat de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad en de president van de Algemene Rekenkamer gezamenlijk aan de Kamer een aanbeveling met de namen van tenminste drie personen hebben uitgebracht– als door de staatsrechtelijke positie van de Nationale ombudsman, met aanzienlijk zwaardere waarborgen is omgeven dan de benoeming van een «decentrale» ombudsman.

De Nationale ombudsman erkende dat het voor het overige voor de wetgever niet eenvoudig is om kwaliteitswaarborgen te geven. Veel zal afhangen van het belang dat de besturen van de gebiedscorporaties die een externe klachtvoorziening in het leven roepen en een ombudsman benoemen, hechten aan de kwaliteit van de klachtvoorziening. De Nationale ombudsman sprak de hoop uit dat deze besturen wanneer zij hun keuze bepalen voor één van de mogelijke varianten van de externe klachtvoorziening (eigen voorziening, gemeenschappelijke voorziening of de Nationale ombudsman) er ook oog voor zullen hebben dat externe klachtvoorzieningen voldoende werk omhanden moeten hebben om expertise als klachtbehandelaar op te kunnen bouwen en te onderhouden.

Verder gaf de Nationale ombudsman in zijn brief aan de Kamercommissie blijk van zijn instemming met het bepaalde in het tweede lid van artikel 9:36 van het wetsvoorstel, dat de ombudsman verplicht om in geval van een niet-behoorlijke gedraging in zijn rapport uitdrukkelijk aan te geven welk vereiste van behoorlijkheid is geschonden. Naar verwachting zal die bepaling bijdragen aan de kwaliteit van de beoordeling door de ombudsman en aan de bevordering van een zekere eenheid in de beoordelingen door de verschillende ombudsmannen.

Aanwijzing van bestuursorganen van provincies en waterschappen in de WNo?

Het wetsvoorstel strekt niet alleen tot aanvulling van de Awb met een regeling van het externe klachtrecht en een ingrijpende wijziging van de WNo, maar omvat ook een – meer dan marginale – wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en de Waterschapswet en een kleine wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (verder WGR). De Awb kan, als algemene wet, alleen die bepalingen bevatten die voor alle externe klachtvoorzieningen gelden. Regels die specifiek van toepassing zijn op de Nationale ombudsman en op door decentrale overheden in het leven geroepen externe klachtvoorzieningen worden opgenomen in de WNo en in de Provinciewet, de Gemeentewet, de Waterschapswet en de WGR. Op zichzelf dient het de overzichtelijkheid niet dat de wettelijke regels die van toepassing zijn op een bepaalde externe klachtvoorziening telkens over ten minste twee wetten zijn verdeeld, zo merkte de Nationale ombudsman in zijn brief aan de Kamercommissie op.

Zoals bekend, heeft de Tweede Kamer bij de behandeling van het voorstel van de WNo door aanvaarding van de amendementen-Stoffelen/Nijpels (Kamerstukken II 1979/80, 14 178, nr. 20) de WNo zodanig gewijzigd dat de bevoegdheid van de Nationale ombudsman zich op termijn in beginsel ook tot de decentrale overheden zou kunnen uitstrekken, daarbij overigens de bevoegdheid van decentrale overheden onverlet latend om zelf overeenkomstige voorzieningen te treffen. Onder meer om financiële redenen heeft het vervolgens nog geruime tijd geduurd voordat de WNo ook van toepassing werd op bestuursorganen van een aantal decentrale overheden. De waterschappen beten op dit punt het spits af. In het verband van de Unie van Waterschappen verzochten zij in 1992 de minister van Binnenlandse Zaken collectief om hun bestuursorganen onder de werking van de WNo te brengen, waarbij zij aanboden om de kosten – althans voorlopig – zelf te dragen. Dit verzoek werd gehonoreerd. Sinds 1 januari 1994 vallen de waterschappen, op hun eigen kosten, binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman. De provincies volgden, gecoördineerd door het Interprovinciaal Overleg, het voorbeeld van de waterschappen; hun bestuursorganen vallen sinds 1 juli 1996 onder de werking van de WNo. Voor gemeenten en gemeenschappelijke regelingen is collectieve aansluiting bij de Nationale ombudsman nooit aan de orde geweest, onder meer omdat een aantal gemeenten een eigen gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie heeft ingesteld en er de voorkeur aan geeft die voorziening te handhaven.

In het wetsvoorstel worden de verschillende categorieën decentrale overheden identiek behandeld. Gelet op het verschil in positie van de onderscheiden categorieën, is het echter ook denkbaar om na te gaan of bij de provincies en de waterschappen wellicht de bereidheid bestaat om mee te werken aan categoriale aanwijzing van hun bestuursorganen in artikel 1a, eerste lid, WNo. Indien dat het geval zou zijn, zou wijziging van de Provinciewet en/of van de Waterschapswet achterwege kunnen blijven, zo merkte de Nationale ombudsman op. De Raad van State heeft in zijn advies ook op deze mogelijkheid gewezen. Het bestuur van de Unie van Waterschappen heeft in een brief aan de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit de Tweede Kamer van 5 juli 2002 (kenmerk 15 078 AJBZ/EL) aangegeven geen bezwaren te zien in een dergelijke categoriale aanwijzing van de waterschappen in de WNo.

Artikel 9:22, onderdeel c

De Nationale ombudsman wees er in zijn brief aan de Kamercommissie verder op dat de WNo een scherpe afbakening kent tussen het werkterrein van de bestuursrechter en dat van de Nationale ombudsman. Wanneer bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, is de Nationale ombudsman niet bevoegd. Daarop bestaat slechts één uitzondering, namelijk indien het verzoekschrift betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit door het bestuursorgaan (zie het huidige artikel 16, onderdeel c, WNo). In het wetsvoorstel wordt deze bepaling uit de WNo, zij het in iets andere bewoordingen, overgenomen in de Awb, en wel in artikel 9:22, onderdeel c.

Van de kant van de gemeentelijke ombudsmannen is erop gewezen dat sommigen van hen niet verplicht maar – in tegenstelling tot de Nationale ombudsman – wel bevoegd zijn om een onderzoek in te stellen in het geval bezwaar of beroep openstaat, en dat zij met name in de bezwaarfase op tamelijk ruime schaal interveniëren, tot tevredenheid van alle betrokkenen. Vaak wordt op deze wijze snel resultaat bereikt en een omslachtiger bezwaarprocedure voorkomen. Overigens wordt er daarbij wel voor gewaakt dat de verzoeker nog tijdig bezwaar kan maken indien de interventie door de ombudsman niet het gewenste resultaat oplevert.

De Nationale ombudsman merkte op dat deze praktijk hem aanspreekt, omdat zij bijdraagt aan dejuridisering. Hij is het dan ook eens met de gemeentelijke ombudsmannen dat het te betreuren zou zijn wanneer de algemene regeling van het externe klachtrecht in de Awb voortzetting van deze werkwijze onmogelijk zou maken. In de memorie van toelichting (blz. 29) hebben de betrokken ministers aangegeven de methode die gemeentelijke ombudsinstanties op dit punt volgen uit een oogpunt van dejuridisering aantrekkelijk te vinden, maar eerst nog nader onderzoek te willen doen. Het is volgens de Nationale ombudsman wenselijk dat dit onderzoek met de nodige voortvarendheid ter hand wordt genomen, opdat de eventuele aanpassing van het voorstel kan plaatsvinden voordat de wet in werking treedt en de gemeentelijke ombudsinstanties hun werkwijze kunnen handhaven. De Nationale ombudsman zal overigens, indien de wet in de hier bedoelde zin wordt aangepast, zelf zeer terughoudend gebruik maken van deze mogelijkheid.

Een ander punt dat in verband met artikel 9:22, onderdeel c, de aandacht vraagt is de formulering van de corresponderende bepaling in het interne klachtrecht. Het geldende artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onder d, Awb houdt in dat een bestuursorgaan niet verplicht is een klacht in de interne klachtprocedure te behandelen indien het gaat om een gedraging waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld. Er zijn op dit punt verschillen tussen het interne en externe klachtrecht. Deze verschillen zijn voor een deel ongetwijfeld door de wetgever beoogd. Zo is in het wetsvoorstel bepaald dat de externe klachtvoorziening niet bevoegd is een onderzoek in te stellen indien het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen bezwaar gemaakt kan worden. In het interne klachtrecht is het bestuursorgaan in beginsel verplicht de klacht te behandelen, ook al staat de mogelijkheid van bezwaar open. Als beroep kan worden ingesteld, dan is het bestuursorgaan niet verplicht, maar nog wel bevoegd om de klacht te behandelen. In het externe klachtrecht is de ombudsman niet bevoegd om een onderzoek in te stellen in het geval dat de verzoeker gebruik kan maken van de mogelijkheid om beroep in te stellen. Deze onbevoegdheid geldt echter niet wanneer de gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit. In dat geval is de ombudsman in beginsel verplicht om een onderzoek in te stellen. In het interne klachtrecht is het bestuursorgaan in die situatie weliswaar wel bevoegd om de klacht te behandelen, maar de verplichting daartoe is er niet. Het is de vraag of de wetgever dit laatste verschil bewust heeft gewild. In 2002 is de Nationale ombudsman een aantal malen geconfronteerd met verzoekschriften over het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan, terwijl het bestuursorgaan telkens met verwijzing naar artikel 9:8, eerste lid, onderdeel d, Awb had besloten de desbetreffende klacht niet in behandeling te nemen (zie onder meer de rapporten 2002/348 en 2002/361). Het systeem van zowel de huidige WNo als van het wetsvoorstel is zodanig dat een klacht in beginsel pas voor behandeling door de externe klachtinstantie in aanmerking komt nadat eerst interne klachtbehandeling heeft plaatsgevonden. Om deze reden is het over het algemeen ongewenst dat het bestuursorgaan de ruimte zou toekomen om een klacht in de interne klachtprocedure niet in behandeling te nemen, wanneer vervolgens de externe klachtinstantie op grond van de regels van het externe klachtrecht verplicht is die klacht in behandeling te nemen. Daarom deed de Nationale ombudsman het voorstel de redactie van artikel 9:8, eerste lid, onderdel d, in overeenstemming te brengen met die van artikel 9:22, onderdeel c. Dit zou kunnen gebeuren door toevoeging van de zinsnede «tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit», zodanig dat artikel 9:8, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

«d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;».

Artikel 9:36, vierde lid

De Nationale ombudsman maakte verder nog een opmerking bij artikel 9:36, vierde lid, van het wetsvoorstel. Deze bepaling verplicht bestuursorganen de ombudsman «binnen een redelijke termijn» een reactie te geven op een aan hen gerichte aanbeveling van de ombudsman. Op andere plaatsen in het wetsvoorstel wordt het steeds aan de ombudsman overgelaten een termijn te stellen (vgl. de artikelen 9:28, derde lid, 9:21, derde lid, en 9:35, tweede lid). Omwille van de duidelijkheid en de consistentie verdient het volgens de Nationale ombudsman de voorkeur in artikel 9:36, derde lid, de woorden «binnen een redelijke termijn» te vervangen door «binnen een door de ombudsman te bepalen termijn».

Herziening Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman

Het wetsvoorstel brengt geen verandering in de wijze waarop de aansluiting van decentrale overheden bij de Nationale ombudsman wordt gefinancierd. Aangesloten provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen zijn op grond van artikel 1c WNo een door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan de behandeling van verzoekschriften ten aanzien van hun bestuursorganen door de Nationale ombudsman. De wijze van berekening en betaling van deze vergoeding is nader geregeld in het Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman. De beide betrokken ministers hebben in het Nader rapport aangegeven dat, wat hen betreft, de systematiek van dit Vergoedingenbesluit kan blijven bestaan wanneer het wetsvoorstel in werking treedt (Kamerstukken II 2002/03, 28 747, A, blz. 14).

Ieder jaar na de verzending door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de rekeningen wordt de Nationale ombudsman geconfronteerd met problemen rond het Vergoedingenbesluit, met name van de kant van gemeenten. De Nationale ombudsman heeft hiervoor bij verschillende gelegenheden aandacht gevraagd (zie bijvoorbeeld zijn Jaarverslag 2000, blz. 12). Mede in het licht van de opmerkingen van de Raad van State ter zake, is er dan ook alle aanleiding om het stelsel van het Vergoedingenbesluit nog eens zorgvuldig door te lichten. In ieder geval zou bezien kunnen worden in hoeverre het mogelijk is de aansluitingskosten door te berekenen op basis van maatstaven die minder aanleiding geven tot discussie en onvrede. De inwerkingtreding van het wetsvoorstel lijkt daartoe het aangewezen moment, zo merkte de Nationale ombudsman op aan het slot van zijn brief aan de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit de Tweede Kamer.

Nota naar aanleiding van het verslag

De vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit de Tweede Kamer stelde op 26 maart 2003 haar verslag vast inzake het wetsvoorstel extern klachtrecht (28 747, nr. 4). De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties antwoordde de Kamer, mede namens de minister van Justitie, in de nota naar aanleiding van het verslag (28 747, nr. 5), die op 20 november 2003 werd ontvangen.

Nut van extern klachtrecht

In de nota werd opgemerkt dat voor gemeenten, provincies en waterschappen die al een ombudsvoorziening hebben, het wetsvoorstel over het algemeen bij inwerkingtreding niet direct ingrijpende gevolgen zal hebben. Gemeenten die bij inwerkingtreding van de wet beschikken over een eigen externe klachtvoorziening moeten deze uiteraard wel toetsen aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die de wet daaraan stelt. De wet verplicht decentrale overheden te voorzien in een onafhankelijke ombudsfunctie, hetzij door instelling van een eigen externe klachtvoorziening, hetzij door aansluiting bij de Nationale ombudsman. Consequentie hiervan is dat decentrale overheden straks niet meer zomaar kunnen overgaan tot het afschaffen ervan. Bovendien is de Nationale ombudsman bevoegd in alle gevallen waarin een decentrale overheid niet (meer) heeft voorzien in een externe klachtvoorziening. Op dit moment is dat niet het geval. De nieuwe opzet komt de rechtszekerheid ten goede: voortaan heeft iedere burger toegang tot een externe klachtvoorziening.

Eisen aan externe klachtvoorzieningen

De betrokken ministers vinden de professionaliteit en de benoemingswijze van de lokale ombudsinstanties belangrijke punten van aandacht. Toch menen zij dat het niet nodig en ook niet wenselijk is om op deze punten in de wet meer gedetailleerde regels op te nemen dan in het wetsvoorstel is gedaan. Zij achten dat niet nodig, omdat zij ervan uitgaan dat de belangrijkste waarborg is gelegen in het wettelijk voorschrift dat de gemeenteraad de ombudsman of de leden van de ombudscommissie benoemt. De raad zal zelf bij verordening kunnen regelen hoe hij tot een voordracht wil komen en eventueel ook aan welke algemene eisen van professionaliteit de kandidaten zullen moeten voldoen.

De ministers hebben het voorstel op één punt nog aangescherpt. Toegevoegd is een bepaling waardoor een persoon die werkzaam is voor een ombudsinstantie, niet tevens deel kan uitmaken van de ambtelijke ondersteuning van een bestuursorgaan waarover de bevoegdheid van de ombudsinstantie zich uitstrekt. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de leden van vrijwel alle fracties om de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid voor het personeel van de ombudsman of ombudscommissie met meer wettelijke waarborgen te omringen, en zo ook de schijn van partijdigheid beter te voorkomen. Voor kleinere gemeenten met een eigen ombudsvoorziening betekent dit dat zij voor de ambtelijke ondersteuning daarvan geen beroep zullen kunnen doen op mensen uit de eigen gemeentelijke organisatie, maar bij voorbeeld wel op ambtenaren van een buurgemeente. Juist bij een kleine gemeente zullen de kosten daarvan overzienbaar kunnen blijven.

Bevoegdheid

In het wetsvoorstel is bepaald dat de ombudsman niet bevoegd is een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien het onderzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld of waartegen reeds een bezwaar- of beroepschrift is ingediend. Deze onbevoegdheidsregeling komt overeen met de huidige regeling in de Wet Nationale ombudsman. Naar aanleiding van signalen uit de gemeentelijke ombudsmanpraktijk is in de memorie van toelichting toegezegd dat de voor- en nadelen van een ruimere bevoegdheid op dit punt nog zou worden onderzocht.

Het in de memorie van toelichting aangekondigde onderzoek is door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf uitgevoerd en heeft bestaan uit het voeren van gesprekken met de ombudslieden van Den Haag, Amsterdam en Rotterdam over de decentrale ombudspraktijk.

De huidige regelingen van deze drie gemeenten op dit punt zijn niet helemaal gelijk. De Haagse ombudsman is op grond van de gemeentelijke verordening niet bevoegd tijdens de fase waarin ook bezwaar of beroep mogelijk is, ongeacht of daadwerkelijk een bezwaar- of beroepschrift is ingediend. Deze regeling komt dus overeen met de regeling in de Wet Nationale ombudsman op dit punt. De Amsterdamse en Rotterdamse ombudsman zijn niet verplicht maar wel bevoegd om een onderzoek in te stellen als er nog bezwaar of beroep openstaat, maar die bevoegdheid vervalt zodra daadwerkelijk een bezwaar- of beroepschrift is ingediend. Dit neemt niet weg dat elk van deze drie ombudslieden wel tussenbeide komt in de bezwaarfase, ook als reeds een bezwaarschrift is ingediend. Uit het onderzoek is gebleken dat het dan over het algemeen gaat om gevallen waarin de ombudsman in één oogopslag ziet dat er iets mis is gegaan in de besluitvorming, bijvoorbeeld als er bij de vaststelling van bijstand geen rekening is gehouden met de woonlasten van de aanvrager. Deze manier van tussenbeide komen vindt in alle drie de steden vooral plaats bij besluiten van de Sociale Diensten, maar daarnaast ook wel rond besluiten van een gemeentelijke belastingdienst of bij de toekenning van huisvesting. Doorgaans leidt in zo'n geval een telefoontje van de ombudsman met de betrokken dienst ertoe dat het foutieve besluit wordt vervangen of verbeterd. Hiermee wordt voorkomen dat onnodig de bezwaarschriftenprocedure moet worden gevolgd. In ingewikkelder gevallen plegen alle ombudslieden de verzoeker te wijzen op de bezwaarschriftprocedure. Dit geldt ook voor die gevallen waarin hun interventie niet tot een voor de verzoeker bevredigende oplossing leidt. Het komt in deze gevallen dus niet tot een uitgebreider onderzoek door de ombudsman, uitmondend in een rapport.

De geschetste praktijk is in de ogen van de beide ministers alleszins aanvaardbaar en ook geheel in overeenstemming met de laagdrempelige hulp en de dejuridiserende aanpak die van een ombudsman mag worden verwacht. Er is niets op tegen als een ombudsman, indien hij zich geconfronteerd ziet met een kennelijke misslag, even de telefoon pakt en probeert om dit rechtgezet te krijgen. Voor alle betrokkenen is dit een bevredigende handelwijze. Het bestuursorgaan blijft daarbij vanzelfsprekend verantwoordelijk voor de beslissing. Een wijziging van de wettelijke bevoegdheidsregeling is hiervoor in de ogen van de ministers echter niet nodig. De voorgestelde regeling staat aan deze praktijk niet in de weg. In dit verband is ook van belang dat het voorgestelde artikel 9:19 Awb een doorzendverplichting voor de ombudsman inhoudt, waardoor in dit soort gevallen het tijdstip van indiening van het verzoekschrift bij de ombudsman bepalend is voor de vraag of een bezwaarschrift tijdig is ingediend. Hiermee wordt voorkomen dat door de interventie van de ombudsman een rechtsmiddel verloren gaat.

Decentrale overheden: provincies en waterschappen

De ministers gingen ook in op de vraag of het niet voor de hand had gelegen de Nationale ombudsman in de WNo bevoegd te verklaren klachten over provincies en waterschappen te behandelen, gelet op het feit dat waterschappen en provincies reeds zonder uitzondering zijn aangesloten bij de Nationale ombudsman. Uit wetstechnisch oogpunt is dit wellicht een aantrekkelijke optie, zo merkten de ministers op, maar principieel zijn zij geen voorstander van een categoriale aanwijzing van de provincies en waterschappen. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is de gelijkwaardigheid van de verschillende externe klachtvoorzieningen. Het feit dat alle provincies en waterschappen op dit moment vrijwillig zijn aangesloten bij de Nationale ombudsman, is in de ogen van de beide ministers nog geen reden om provincies en waterschappen ook het recht te ontnemen in de toekomst desgewenst een eigen klachtinstantie in het leven te roepen.

Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman

De ministers deden de toezegging dat bekeken zal worden of het Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman zodanig kan worden aangepast dat het minder aanleiding geeft tot jaarlijks terugkerende klachten, terwijl het toch eenvoudig uitvoerbaar blijft. Overleg daarover met de Nationale ombudsman en met de vertegenwoordigers van decentrale overheden zal binnenkort worden gestart, zodat een eventueel gewijzigd besluit tegelijk met dit wetsvoorstel in werking zal kunnen treden. In de huidige regeling, die overigens na uitgebreid onderzoek en overleg tot stand is gekomen, worden de kosten die de Nationale ombudsman maakt voor zijn werkzaamheden ten behoeve van decentrale overheden omgeslagen over de betrokken overheden die daartoe een forfaitair bedrag per (op hun bestuursorganen betrekking hebbende) behandelde klacht betalen, ongeacht de vraag hoeveel werk die ene klacht de ombudsman daadwerkelijk heeft gekost. Het kan in dit systeem voorkomen dat bij voorbeeld een bepaalde gemeente in een bepaald jaar drie klachten heeft gehad bij de Nationale ombudsman waarvan er bijvoorbeeld twee betrekkelijk eenvoudig konden worden afgedaan. In zo'n situatie lijkt het te betalen bedrag voor dat jaar buiten proportie. Gemeenten die – wat evengoed voorkomt – enkele zeer omvangrijke klachten hebben gehad in een bepaald jaar klagen over het algemeen niet. Door de jaren heen is het naar de overtuiging van de ministers een fair systeem, maar nu het elk jaar weer tot briefwisselingen en klachten blijkt te leiden, zijn zij bereid te bekijken of hier een oplossing voor te vinden is. Voorwaarde daarbij is wel dat het stelsel eenvoudig toepasbaar blijft en dat het beginsel van kostendekkendheid wordt gehandhaafd, zo merkten de ministers op.

Artikel 9:22, onderdeel c

De ministers verklaarden zich bereid om, overeenkomstig het voorstel van de Nationale ombudsman, de redactie van artikel 9:8, eerste lid, onderdeel d van de Awb in overeenstemming te brengen met de redactie van artikel 9:22, onderdeel c van dezelfde wet. Dit is gebeurd in de Nota van wijziging. De ministers erkenden dat de huidige tekst van artikel 9:8, eerste lid, Awb inderdaad slechts een bevoegdheid bevat, maar geen verplichting voor het bestuursorgaan om een klacht tegen niet tijdig beslissen in behandeling te nemen. In zijn oordeel van 6 november 2002 (JB 2003/63), oordeelde de Nationale ombudsman dat, gelet op het kenbaarheidsvereiste, het bestuursorgaan in een dergelijk geval niet mag afzien van zijn bevoegdheid om een klacht te behandelen. Door de voorgestelde aanpassing van artikel 9:8, eerste lid, onderdeel d, wordt dit nu ook wettelijk vastgelegd.

Artikel 9:36, vierde lid

De ministers betoonden zich niet bereid om in artikel 9:36, vierde lid, Awb de formulering «binnen een redelijke termijn» te vervangen door «binnen een door de ombudsman te bepalen termijn». Anders dan bij de termijnen gedurende het onderzoek, gaat het hier niet meer om het verstrekken van informatie ten behoeve van het door de ombudsman in te stellen onderzoek, maar om het beslissen over naar aanleiding van het onderzoek te nemen maatregelen door het betrokken bestuursorgaan en soms ook door of met anderen, zo betoogden de ministers. De ombudsman zal over het algemeen moeilijk kunnen taxeren hoeveel tijd dat vergt, en ook het bestuursorgaan zal dat lang niet in alle gevallen vooraf kunnen aangeven. Met de term «redelijke termijn» wordt aangegeven dat men dit met de nodige voortvarendheid dient op te pakken. In voorkomend geval zal de ombudsman overigens het zijns inziens gewenste tempo kunnen opnemen in de aanbevelingen die hij doet. Zijn eventuele uitspraken daarover delen dan in het karakter van die aanbevelingen. Dat betekent dat zij niet bindend zijn, maar dat strookt in de ogen van de beide ministers ook met de positie van de ombudsman.

Nota van wijziging

De Tweede Kamer ontving gelijktijdig met de Nota naar aanleiding van het verslag op 20 november 2003 tevens een Nota van wijziging van het wetsvoorstel extern klachtrecht (28 747, nr. 6). Daarin is een aantal technische aanpassingen en verbeteringen in het wetsvoorstel extern klachtrecht opgenomen, alsmede de aanpassing in wetstechnisch opzicht van enkele andere wetten. Door dit laatste kan een afzonderlijke aanpassingswet achterwege blijven. Verder bevat de Nota van wijziging de hiervoor al genoemde wijziging van artikel 9:8, eerste lid, onderdel d, Awb, waarmee de redactie van artikel 9:8, eerste lid, onderdeel d van de Awb in overeenstemming wordt gebracht met de redactie van artikel 9:22, onderdeel c van dezelfde wet. Ook wordt in de Provinciewet, de Gemeentewet en de Waterschapswet alsnog geregeld dat het personeel van de ombudsman geen werkzaamheden verricht voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan instellen.

Een in de Nota van wijziging voorgesteld nieuw artikel in de Wet algemene regels herindeling voorziet erin dat nieuwe gemeenten die ontstaan als gevolg van een herindeling vanaf de datum van herindeling, altijd op 1 januari, een eigen klachtvoorziening kunnen hebben. Zonder deze regeling zouden nieuwe gemeenten steeds ten minste één jaar onder de werking van de Nationale ombudsman vallen. Het voorgestelde artikel 81p van de Gemeentewet regelt immers dat de Nationale ombudsman bevoegd is, tenzij voor 1 juli voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat, een besluit om de klachtbehandeling op te dragen aan een gemeentelijke of gezamenlijke ombudsvoorziening is genomen.

Verder wordt in de Nota van wijziging alsnog voorzien in een aparte regeling voor geheimhouding van stukken van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. De voorgestelde regeling komt overeen met de regeling voor bestuursrechtelijke procedures in artikel 87 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (verder Wet ivd). Hierin is geregeld dat indien de betrokken minister of de commissie van toezicht meedeelt dat stukken of inlichtingen niet worden gegeven of dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van inlichtingen en stukken, de rechtbank niet kan beslissen of dat gerechtvaardigd is. Op grond van de Wet Nationale ombudsman is dit thans ook het geval voor het geven van inlichtingen en het overleggen van stukken aan de Nationale ombudsman, zo merkten de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie in hun toelichting op de Nota van wijziging op. Zowel in bestuursrechtelijke procedures als in klachtprocedures werkt deze regeling volgens de beide ministers goed. In het in de Nota van wijziging voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 83 van de Wet ivd is voorzien in eenzelfde regeling voor het overleggen van stukken en het geven van inlichtingen aan de Nationale ombudsman. Het voorgestelde vijfde lid komt overeen met artikel 87, tweede lid, van de Wet ivd. Met deze regeling wordt voorkomen dat de desbetreffende stukken – over het algemeen gaat het dan om rechtstreeks aan het dossier van een persoon ontleende documenten – buiten het bereik van de dienst of de commissie van toezicht komen, hetgeen gelet op de zorgplicht die zowel de minister als de commissie van toezicht heeft met betrekking tot de geheimhouding daarvan op grond van artikel 15 van de Wet ivd niet wenselijk is. In dit verband merkten de beide ministers nog op dat ook wordt bezien in hoeverre een dergelijke procedure eveneens wenselijk is ten aanzien van de verstrekking van CIE-gegevens.

Naar verwachting zal de Tweede Kamer het wetsvoorstel extern klachtrecht in het vroege voorjaar van 2004 afhandelen.

2.1.5 Wetswijzigingen die de bevoegdheid van de Nationale ombudsman raken

Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de politieklachtregeling aan hoofdstuk 9 van de Awb

De Eerste Kamer heeft op 2 december 2003 het voorstel van wet aanvaard tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de politieklachtregeling aan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstuk 27 731; zie Jaarverslag 2001, blz. 65–68 , Jaarverslag 2002, blz. 66–70 en dit jaarverslag, hoofdstuk 7A, § 7A.17.1). Het wetsvoorstel strekt ertoe de klachtregeling die is opgenomen in hoofdstuk X van de Politiewet 1993 aan te passen aan het op 1 juli 1999 in werking getreden hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, dat een algemene regeling bevat voor de behandeling van klachten door bestuursorganen. Zowel in hoofdstuk X van de Politiewet 1993 als in hoofdstuk 9 van de Awb gaat het om een regeling voor interne klachtbehandeling, dat wil zeggen klachtbehandeling onder verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan. Indien deze interne klachtbehandeling niet tot tevredenheid van de klager leidt, kan deze doorgaans zijn klacht vervolgens voorleggen aan een onafhankelijke externe klachtinstantie. Voor klachten over de politie is de Nationale ombudsman die onafhankelijke externe klachtinstantie.

De desbetreffende wet dateert van 4 december 2003 en is geplaatst in Staatsblad 501. Artikel II van de wet bepaalt dat zij in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dat koninklijk besluit is bij de afsluiting van de tekst van dit jaarverslag nog niet verschenen.

2.2 Ambt

Nevenfuncties ambtsdragers

Nevenfuncties Nationale ombudsman

Mr. R. Fernhout bekleedt de volgende nevenfuncties:

– voorzitter van de jury voor de Max van der Stoel-Mensenrechtenprijs van de Onderzoekschool Rechten van de Mens, beschikbaar gesteld door de Universiteit van Tilburg (onbezoldigd);

– lid van de Raad van Advies van het E. M. Meijers Instituut voor Rechtswetenschappelijk Onderzoek (onbezoldigd);

– lid Comité van aanbeveling Stichting Yoesuf, islam en homoseksualiteit (onbezoldigd);

– lid Comité van aanbeveling Stichting Synagoge Nijmegen (onbezoldigd);

– lid Comité van aanbeveling van het Ankie Mensink Fonds (onbezoldigd);

– lid Comité van aanbeveling Juridische Bedrijvendag Nijmegen 2004 (onbezoldigd);

– medeauteur van het handboek Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat (Kluwer, Deventer) (auteursvergoeding).

Nevenfuncties substituut-ombudsman mevrouw mr. S. J. E. Horstink-von Meyenfeldt

Mevrouw mr. S. J. E. Horstink-von Meyenfeldt bekleedt de volgende nevenfuncties:

– lid van het college van bestuur van de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht (onbezoldigd);

– lid van de Beleidsadviescommissie van de Nederlandse Bisschoppenconferentie (onbezoldigd);

– lid van de raad van advies van het Thijmgenootschap (onbezoldigd);

– lid van de Commissie feitenonderzoek beveiliging Pim Fortuyn (tot 1 maart 2003) (in 2003 geen vacatiegeld);

– lid van de raad van advies van de Vereniging voor overheidsmanagement (onbezoldigd).

2.3 Klachten over de Nationale ombudsman en verzoeken om herziening

2.3.1 Inleiding

De bepalingen van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) zijn niet van toepassing op de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman is immers geen bestuursorgaan in de zin van de Awb. Hij beoordeelt echter wel of bestuursorganen klachten op een behoorlijke manier behandelen. Hij stelt daartoe normen, waar de bestuursorganen zich aan moeten houden. De Nationale ombudsman moet dan echter zelf het goede voorbeeld geven bij de behandeling van klachten over zijn bureau. In december 2003 heeft de Nationale ombudsman daarom een herziene interne klachtenregeling vastgesteld. De «Klachtenregeling bureau Nationale ombudsman» is als bijlage 8 gevoegd in dit jaarverslag. De regeling is in hoge mate gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Awb.

Om een zorgvuldige klachtenbehandeling te bevorderen is eind 2002 de functie van klachtencoördinator in het leven geroepen. De klachtencoördinator behandelt zelf geen klachten, maar adviseert over de (procedurele) behandeling van klachten, bewaakt termijnen en registreert klachten en de afhandeling daarvan ten behoeve van het jaarverslag.

In een machtigingsregeling is vastgelegd dat afdelingshoofden en de directeur bepaalde klachten namens de Nationale ombudsman mogen behandelen. De machtigingsregeling is gepubliceerd in de Staatscourant 2003, nr. 715.

Een grief over een beslissing, door of namens de Nationale ombudsman genomen over zijn bevoegdheid om een verzoekschrift in behandeling te nemen of over de ontvankelijkheid van een verzoeker, respectievelijk een grief over een onderzoeksbeslissing van de Nationale ombudsman of over een oordeel van de Nationale ombudsman over de behoorlijkheid van een gedraging is geen klacht in de zin van de klachtenregeling. In beginsel discussieert de Nationale ombudsman niet met partijen over de juistheid van een door hem in het kader van de behandeling van een verzoekschrift ingenomen standpunt. De Nationale ombudsman beslist in hoogste en laatste instantie. Met zijn beslissing is de zaak afgedaan. Alleen als er nieuwe feiten of omstandigheden naar voren worden gebracht die eerder niet bekend waren en die, waren ze wel bekend geweest, tot een ander oordeel zouden hebben geleid kan dat aanleiding zijn tot herziening. In 2003 heeft de Nationale ombudsman 24 verzoeken om herziening ontvangen (in 2002: 50).

In één geval is bij nader inzien besloten om een onderzoek in te stellen. Verzoeker klaagde erover dat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) was overgegaan tot invordering, hoewel hij geen betalingsachterstand had. Omdat het LBIO de invordering had stopgezet meende de Nationale ombudsman aanvankelijk dat verzoeker geen belang meer had bij een onderzoek. Uit een reactie van verzoeker bleek later echter dat het LBIO de invordering had stopgezet omdat verzoeker alsnog betalingen had gedaan, waarvan verzoeker echter stelde dat hij die niet verschuldigd was.

In twee gevallen was er aanleiding om tot herziening van een rapport over te gaan. Herzien is rapport 2002/317, in eerste instantie uitgebracht op 17 oktober 2002. In het rapport werd geconcludeerd dat de klacht over de onderzochte gedraging van een sociaal rechercheur van de gemeente Leeuwarden niet gegrond was. De klacht hield in dat de sociaal rechercheur aan de werkgever van verzoekster, het regionale politiekorps Friesland, ten onrechte had meegedeeld dat tegen verzoekster een strafrechtelijk onderzoek liep. Verzoekster stelde in een brief van 27 oktober 2002 gemotiveerd dat het niet tot de taak van de sociaal rechercheur behoort om informatie door te geven. Dat behoort tot de bevoegdheid van de officier van justitie. De brief van verzoekster was aanleiding om nader onderzoek te doen. In dat kader werd informatie opgevraagd bij het arrondissementsparket te Leeuwarden. Op grond van die informatie besloot de Nationale ombudsman de gedraging van de sociaal rechercheur alsnog als niet behoorlijk te beoordelen in een herzien rapport, gedateerd 6 mei 2003. Dit oordeel was mede gebaseerd op een beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 12 december 2002, ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin werd overwogen dat er een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken sociaal rechercheur, door informatie te geven aan het korps regiopolitie Friesland, zich schuldig heeft gemaakt aan schending van een geheim dat hij uit hoofde van zijn beroep verplicht was te bewaren.

Verder is op 11 december 2003 het onderzoek opnieuw geopend in de zaak die tot rapport 2003/029 van 10 februari 2003 heeft geleid. Op 16 oktober 2003 ontving de Nationale ombudsman een brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin zij verzocht het onderzoek naar de klacht te heropenen. De Nationale ombudsman heeft besloten aan het verzoek van de minister tegemoet te komen. De reden om tot heropening over te gaan is met name gelegen in de mededeling van de minister dat een brief van verzoeker, welke brief van belang was voor het oordeel, deels een andere inhoud heeft dan de versie van de brief, die verzoeker de Nationale ombudsman heeft doen toekomen. De Nationale ombudsman heeft geconstateerd dat de laatste zinsnede in beide versies inderdaad anders luidt. Aangezien de brief een rol heeft gespeeld bij en in de beoordeling van de Nationale ombudsman over de klacht, was deze nieuwe omstandigheid aanleiding het onderzoek te heropenen.

2.3.2 Klachten over de Nationale ombudsman en zijn bureau

In 2003 zijn 25 klachten in de zin van de «Klachtenregeling bureau Nationale ombudsman» ontvangen, tegenover 24 in 2002. De klachten zijn allemaal binnen de daarvoor staande termijn in 2003 afgehandeld, met uitzondering van één klacht, die op 24 december 2003 is ontvangen. Eén klacht, ontvangen in 2002, is in 2003 afgehandeld. Sommige van de klachtbrieven hadden meer dan één klachtonderdeel. Dertien klachten zijn geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard. Tien klachten zijn geheel of gedeeltelijk ongegrond verklaard. In één zaak, over het verloop van een als niet prettig ervaren telefoongesprek, kon geen oordeel worden gegeven. In een andere zaak is geen duidelijke conclusie getrokken. De klacht, ontvangen op 24 december 2003, was op 31 december 2003 nog in behandeling.

Tien klachten hadden betrekking op onvoldoende voortvarendheid bij de behandeling van verzoekschriften. Eén klacht over de lange duur van behandeling was afkomstig van een beklaagde politieambtenaar. Vijf klachten over de behandelingsduur waren geheel of gedeeltelijk gegrond. Een was ongegrond in die zin dat het onderzoek wel voortvarend was geopend. In die zaak was echter verzuimd verzoeker daarover te informeren. Een andere klacht was kennelijk ongegrond, omdat de vertraging was te wijten aan verzoeker zelf. In de gevallen waarin klachten geheel of gedeeltelijk gegrond waren zijn verontschuldigingen aangeboden. Het Bureau Nationale ombudsman heeft maatregelen genomen om de afhandeling van lang in behandeling zijnde klachten te bespoedigen (zie § 1.4.3).

De overige klachten waren verschillend van aard:

– een klacht was op persoonlijke titel afkomstig van een ambtenaar van een bestuursorgaan die als behandelend ambtenaar bij de klachtbehandeling was betrokken. De klacht ging in hoofdzaak over onderzoeksbeslissingen. De Nationale ombudsman achtte de klacht ongegrond;

– twee klachten hadden betrekking op een niet nagekomen belofte om een verzoeker telefonisch te informeren als zijn brief was aangekomen. In één geval was de oorzaak een misverstand. Twee verzoekers met een enigszins op elkaar lijkende naam werden met elkaar verward, met als gevolg dat het beloofde telefoontje uitbleef. Aan verzoeker werden verontschuldigingen aangeboden;

– een universiteit was teleurgesteld over de gang van zaken bij het aanvragen van een offerte voor een interne PAO-cursus. Bij de universiteit was de verwachting ontstaan dat men de cursus mocht verzorgen. De klacht werd ongegrond verklaard, omdat de verwachting niet was gewekt door een medewerker van de Nationale ombudsman. Wel werd aan klager meegedeeld dat het netter zou zijn geweest als bij het aanvragen van een offerte door het Bureau Nationale ombudsman was aangegeven dat bij meer dan één aanbieder een offerte zou worden opgevraagd;

– de redactie van het NOS-journaal klaagde over schending van een embargoafspraak met de Nationale ombudsman. Op de schriftelijk en mondeling verstrekte informatie rustte een embargo tot een persbijeenkomst. Het persbericht bevatte echter deels eerder in de Jaarverslagen 2001 en 2002 gepubliceerde informatie. Daarover sprak de Nationale ombudsman in een interview met 2Vandaag. De Nationale ombudsman achtte de klacht ongegrond, omdat op al eerder gepubliceerde informatie geen embargo kan rusten;

– een verzoeker klaagde erover dat een (geanonimiseerd) openbaar rapport van de Nationale ombudsman op de website van de Nationale ombudsman was gepubliceerd. De klacht werd ongegrond verklaard. Ingevolge artikel 27, vierde lid, van de Wet Nationale ombudsman (WNo) zijn rapporten openbaar;

– een sollicitant voelde zich gegriefd door een standaardtekst in een afwijzingsbrief. De gewraakte zin luidde «(De selectiecommissie) heeft de voorkeur gegeven aan kandidaten van wie de werkervaring (nog) beter aansluit bij de functie-eisen». Verzoeker meende dat zijn curriculum vitae daarmee werd gediskwalificeerd. De klacht werd ongegrond geacht. De subjectieve beleving van verzoeker volgde redelijkerwijs niet uit de neutrale tekst;

– een verzoeker klaagde erover (via de website) dat hij via de website van de Nationale ombudsman geen vragen zou kunnen stellen. De klacht werd ongegrond verklaard. Op de website is een e-mailadres genoemd waar ook los van een klachtenformulier vragen kunnen worden gesteld. Het moet dan wel gaan om vragen waarvan de beantwoording op de weg van de Nationale ombudsman ligt, gelet op zijn taak en bevoegdheid;

– een verzoeker klaagde erover dat een brief van hem niet kon worden getraceerd. Het telefoongesprek daarover verliep onvriendelijk. De klachten werden gegrond verklaard. Het had op de weg van de bureaumedewerker gelegen om verzoeker aan te bieden om hem terug te bellen, zodat er gelegenheid was om uit te zoeken waar de brief was gebleven;

– een verzoeker, aan wie al eerder schriftelijk was meegedeeld dat hij alleen nog maar telefonisch te woord zou worden gestaan door twee bepaalde medewerkers, had een klacht over de dienstdoende receptioniste/telefoniste. Hij klaagde erover dat:

a. hij niet werd doorverbonden met het secretariaat van de algemene leiding;

b. niet werd verteld in wiens opdracht hij alleen met bepaalde medewerkers werd doorverbonden;

c. de telefoniste niet wilde vertellen door wie zij over hem was geïnformeerd;

d. de telefoniste haar naam niet wilde noemen;

e. enkele malen de verbinding werd verbroken. De klacht sub a werd ongegrond geacht. De telefoniste handelde overeenkomstig instructies. Verzoeker was schriftelijk geïnformeerd over het jegens hem gevoerde beleid. Ook was hem verteld dat het gesprek zou worden beëindigd als hij bleef volharden in zijn standpunt. De klachten sub b tot en met d werden gegrond verklaard, onder het aanbieden van verontschuldigingen. Het had op de weg van de telefoniste gelegen om de gevraagde informatie te geven. De klacht onder e werd kennelijk ongegrond verklaard. Het gesprek werd door de telefoniste beëindigd nadat verzoeker er geen genoegen mee wilde nemen dat hij alleen met een bepaalde medewerkster doorverbonden kon worden. Dat het gesprek zou worden beëindigd als hij zou volharden in zijn standpunt was hem vóór het beëindigen van het gesprek ook meegedeeld;

– een klacht over een door verzoeker als onprettig ervaren gesprek met een onderzoeker kon niet tot een oordeel leiden, omdat het verloop van het gesprek niet gereconstrueerd kon worden;

– twee klachten hadden betrekking op de omstandigheid dat een aan de Nationale ombudsman persoonlijk gerichte brief was beantwoord door de substituut-ombudsman. Het ging in één geval om een brief waarin een beslissing op het punt van de bevoegdheid van de Nationale ombudsman werd aangevochten. Ingevolge artikel 9, vijfde lid, WNo regelt de Nationale ombudsman de werkzaamheden van de substituut-ombudsman. Tot de werkzaamheden van de substituut-ombudsman behoort onder meer de ondertekening van brieven waarin wordt geconcludeerd dat de Nationale ombudsman niet bevoegd is tot het instellen van een onderzoek. De antwoordbrief was daarom terecht aan de substituut-ombudsman ter tekening voorgelegd.

2.4 Het Bureau Nationale ombudsman

2.4.1 Personeel

Formatie

In 2003 is één medewerker, na een ziekbed, overleden en is één medewerker in de WAO terecht gekomen. Daarnaast hebben vijf medewerkers de dienst verlaten, waarvan één met FPU. In dezelfde periode zijn zes (2002: 17) nieuwe medewerkers aangetrokken.

De personeelsformatie voor 2003 bedroeg 110 plaatsen (2002: 110,5), waarvan zeven (2002: 7,5) gefinancierd door vrijwillig aangesloten bestuursorganen. De feitelijke bezetting van het Bureau Nationale ombudsman was op 31 december 2003 127 medewerkers; het aantal medewerkers omgerekend in fulltime equivalenten 113 (2002: 114,7).

Op 31 december 2003 was het aandeel van de personeelsformatie dat, in de vorm van onderzoekers, direct is ingezet voor de onderzoekstaak 67% (2002: 66%). Van alle medewerkers werkte 44% in deeltijd (2002: 45%). Het aantal vrouwelijke medewerkers was 69% van het totaal (2002: 70%).

Er zijn drie medewerkers bij de Nationale ombudsman werkzaam op basis van interim functievervulling (van Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

Ziekteverzuim en bedrijfsmaatschappelijke begeleiding

Het ziekteverzuim bij de medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman was in 2003 4,1% (exclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof en inclusief langdurig zieken). In 2002 was het ziekteverzuim 6,6%. Van de 127 op 31 december 2003 in dienst zijnde medewerkers hebben er zestien (13%) gebruik gemaakt van begeleiding door de bedrijfsmaatschappelijk werker.

Honorering

Op 31 december 2003 stonden 68 van de 127 medewerkers op het maximum van hun salarisschaal. Van deze 68 medewerkers ontvangen er zestien een toelage boven op het maximum van de salarisschaal. In het jaar 2003 is er met 80% (2002: 83%) van de medewerkers een functioneringsgesprek gevoerd respectievelijk zijn medewerkers beoordeeld.

Opleiding, vorming en loopbaanbegeleiding

In 2003 is een bedrag van € 103 066 uitgetrokken voor deskundigheidsbevordering en loopbaanbegeleiding. Ten opzichte van 2002 (€ 159 373) betekende dit een daling met 35%. Het gaat om 1,6% (2002: 2,5%) van de personele uitgaven.

Georganiseerd overleg

In de maand mei zijn er verkiezingen gehouden voor een nieuwe ondernemingsraad. Er zijn 108 stemmen uitgebracht en vijf leden, waarvan vier nieuw, gekozen. Er vond in 2003 twaalfmaal overleg plaats tussen de directeur van het Bureau Nationale ombudsman en de ondernemingsraad. Onderwerpen die daarbij aan de orde kwamen waren onder andere: de bezuinigingen in 2003, de risico inventarisatie en evaluatie, de aanpak van RSI, arbeidsomstandighedenbeleid, organisatieontwikkelingen waaronder evalueren vorige organisatiewijzigingen, aanwijzen verplichte verlofdag in 2004, competentiemanagement, privacyreglement persoonsgegevens in personeelsdossiers, stand van zaken organisatie, nevenwerkzaamheden, de klachtregeling Nationale ombudsman en ontwikkeling rijksbrede Shared Service Center op het terrein van HRM.

Met vertegenwoordigers van de ambtenarencentrales is twee keer overleg gevoerd. Onderwerpen die daarbij aan de orde kwamen waren onder andere: implementatie van de CAO-afspraken, stand van zaken organisatieontwikkeling, de kortingstaakstelling en het nieuwe vervoerplan per 1 januari 2004.

2.4.2 Financiën

Inclusief de bij eerste en tweede suppletore begroting beschikbaar gestelde middelen bedroeg het budget van de Nationale ombudsman in 2003 € 8 561 000 (in 2002 € 8 633 000).

Er is in 2003 € 6 509 000 (75%) besteed aan personele uitgaven en € 2 147 000 (25%) aan materiële uitgaven.

2.4.3 Bedrijfsvoering

Op de agenda van het managementteam

In 2003 heeft het managementteam 29 keer vergaderd. Daarbij kwamen onder meer de volgende onderwerpen aan de orde:

– het jaarplan communicatie 2003 (waaronder de publiekscampagne in 2003) en het informatieplan 2003;

– het periodiek bespreken van instroomgegevens en doorlooptijden van de klachtbehandeling;

– het bespreken en vaststellen van de klachtregeling Nationale ombudsman;

– het bespreken van de rapportage van de werkgroep Telewerken en het, als gevolg van schaarse middelen, parkeren van het onderwerp;

– de implementatie van de missie en visie;

– het (geclausuleerd) machtigen van leidinggevenden om afschrijvingsbrieven te tekenen namens de Nationale ombudsman;

– plan van aanpak om het volume oudere zaken terug te brengen;

– bespreking interne rapportages voor de kwaliteitscontrole op het terrein van de bevoegdheids- en ontvankelijkheidscorrespondentie;

– evaluatie van het dossierregistratiesysteem;

– het in 2003 gehouden klanttevredenheidsonderzoek en de vervolgactiviteiten;

– oprichting interne taskforce «Wet extern klachtrecht» om de organisatie voor te bereiden op een mogelijke aanpassing van de Awb;

– het Arbo-beleid, waaronder de risico inventarisatie en evaluatie;

– de vormgeving van het buitenlandbeleid en de inzet van de eigen medewerkers;

– doorlichten organisatie, waaronder evalueren effecten vorige organisatiewijziging en inventariseren van huidige knelpunten;

– de realisatie van een intranet om tot een centrale en betere toegankelijkheid van de informatiebronnen te komen.

Werklast

De raming van de instroom van klachten (inclusief klachten van betalende decentrale overheden) voor het jaar 2003 was gesteld op 10 400. Er zijn uiteindelijk 10 518 (2002: 9643) klachten ontvangen. In 2003 zijn 10 214 klachten afgedaan. De werkvoorraad is gestegen van 1525 naar 1823. De frontoffice verwerkte 21 979 (2002: 17 371) telefonische vragen. De doorlooptijden (zie § 3.3) laten een verbetering zien.

Huisvesting

Eind 2003 zijn van het hele pand alle raamkozijnen vervangen. Het door de Rijksgebouwendienst aangestuurde project kende een doorlooptijd van zes weken en is geheel volgens planning verlopen.

3 HET WERK VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN IN CIJFERS

3.1 De te behandelen zaken

In 2003 zijn 10 518 verzoekschriften ontvangen, tegenover 9643 in 2002. Een stijging van 9%.

Het aantal afgedane verzoekschriften is 10 214, tegenover 10 363 in 2002. De werkvoorraad steeg, van 1525 op 1 januari 2003 tot 1823 op 1 januari 2004, een stijging van 19%.

Tabel 1 geeft een overzicht van de aantallen te behandelen en afgedane verzoekschriften over 2003 en 2002.

Tabel 1 Werkvoorraad verzoekschriften

in behandeling per 1 januari20031 51920022 245
ontvangen + 10 518 + 9643
te behandelen 12 037 11 888
afgedaan – 10 214 – 10 363
in behandeling per 1 januari20041 82320031 525*

* In Tabel 1 in hoofdstuk 3 van het jaarverslag 2002 (blz. 79) is als werkvoorraad per 1 januari 2002 het getal 1525 genoemd. Naderhand is een correctie gebleken ter grootte van 6 verzoekschriften.

In 2003 zochten 21 979 personen telefonisch contact met het Bureau Nationale ombudsman (zie § 6.5), tegenover 17 371 in 2002, een stijging met 27%. Daarnaast werden 532 e-mailberichten met buitenwettelijke klachten en met informatieverzoeken ontvangen en afgedaan.

In 2003 wendden zich alles bijeen 33 029 personen telefonisch of schriftelijk tot de Nationale ombudsman.

Van de in 2003 ontvangen verzoekschriften zijn er in de loop van het jaar 9039 ingedeeld bij één van de bestuursorganen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman. Grafiek 1 geeft hiervan een overzicht, ingedeeld per gebied.

kst-29460-2-1.gif

De bestuursorganen in grafiek 1 zijn in te delen in vier categorieën:

– ministeries: 4414 verzoekschriften (49%; 2002: 48%);

– andere bestuursorganen (inclusief pbo): 2555 verzoekschriften (28%; 2002: 27%);

– politie: 1059 verzoekschriften (12%; 2002: 15%);

– lagere publiekrechtelijke lichamen: 1011 verzoekschriften (11%; 2002: 10%).

Binnen de categorie andere bestuursorganen lagen de meeste verzoekschriften op het terrein van de uitvoeringsinstellingen voor sociale zekerheid (UWV: 1129, SVB: 250). Op het terrein van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betrof het de Informatie Beheer Groep met 190 verzoekschriften, op het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Zorgverzekeraars (Ziekenfondsen) met 204 klachten en op het terrein van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, de Huurcommissies met 146 klachten.

Het grootste aandeel in grafiek 1 hebben de volgende gebieden:

– justitie (incl. Vreemdelingenzaken en Integratie) (24%);

– sociale Zaken en Werkgelegenheid (17%);

– politie (12%);

– financiën (10%).

– gemeenten (9%);

Het Ministerie van Justitie (incl. Vreemdelingenzaken en Integratie) torent uit boven alle andere gebieden, met 1880 verzoekschriften (43% van alle 4414 verzoekschriften die betrekking hebben op de ministeries). Van deze verzoekschriften hadden er 1389 betrekking op de IND (15% van de 9039 ontvangen verzoekschriften uit grafiek 1 over 2003; 2002: 14%)

3.2 Afgedane zaken

3.2.1 Cijfers afgedane zaken

In 2003 zijn 10 214 verzoekschriften afgehandeld.

kst-29460-2-2.gif

De afgedane verzoekschriften zijn te verdelen in drie categorieën:

1. buitenwettelijke verzoekschriften (betreffen instanties die, op grond van artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman (verder WNo), niet vallen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman: 16% (2002: 16%);

2. binnenwettelijke verzoekschriften die (na toetsing aan de artikelen 16 en 14 van de WNo) niet in aanmerking kwamen voor onderzoek: 57% (2002: 56%);

3. binnenwettelijke verzoekschriften die in onderzoek zijn genomen en vervolgens zijn afgedaan: 27% (2002: 28%).

Grafiek 2 vertoont een beeld over 2003 dat nauwelijks afwijkt van het beeld over 2002. De daling van 5% in de categorie «buitenwettelijk» in 2002, is in 2003 vastgehouden. Van de tussentijds beëindigde onderzoeken wordt een substantieel deel afgedaan via de in 2002 geïntroduceerde herkansing (zie § 1.4.1).

Elk jaar leiden veel klachten niet tot onderzoek als uitkomst van de toetsing aan de bepalingen in artikel 16 van de WNo over de bevoegdheid van de Nationale ombudsman ten aanzien van de desbetreffende gedraging en artikel 14 van de WNo over de ontvankelijkheid van de klager (zie voor deze toetsing nader: hoofdstuk 6). Dit was ook het geval in 2003. Bij de behandeling van de 10 214 afgedane zaken waren in verhouding de belangrijkste afwijzingsgronden uit deze twee artikelen:

– kenbaarheidsvereiste: 23% (2002: 23%);

– de afbakening van de bevoegdheid van de Nationale ombudsman tot die van de rechter: alles bijeengenomen 13% (2002: 11%);

– overschrijding van de jaartermijn of onvolledigheid van het verzoekschrift: 5% (2002: 6%);

– kennelijk ongegrond: 5% (2002: 5%).

Het aantal klachten dat is afgedaan na in aanmerking te zijn gebracht voor onderzoek bedraagt 2750. Daarvan hebben er 504 (18%; 2002: 14%) geleid tot een rapport. Dat is 5% van alle 10 214 afgedane zaken.

Het grootste deel van de genoemde 2750 verzoekschriften – 2243 (82%) – betreft zaken die in aanmerking waren gebracht voor onderzoek, maar waarbij, al dan niet via herkansing, het onderzoek tussentijds werd beëindigd, zonder het uitbrengen van een rapport. Dit is 22% van alle 10 214 afgedane zaken. Het aantal van deze zaken is iets gedaald ten opzichte van 2002 (2485).

Van de 2243 tussentijds beëindigde zaken werden er 1183 (53%) afgesloten omdat het betrokken bestuursorgaan de klager intussen voldoende tegemoet was gekomen. In 871 zaken werd het dossier om administratieve reden gesloten, waarvan in 853 zaken (38%) na een geslaagde herkansing.

Tabel 2 geeft daarvan een overzicht.

Tabel 2 Reden onderzoek tussentijds beëindigd

Reden beëindiging:aantal%
Verzoeker is inmiddels op afdoende wijze tegemoetgekomen1 18352,7
Dossier wordt om administratieve reden gesloten, bijvoorbeeld het bestuursorgaan reageert positief op een verzoek om afhandeling van de klacht met toepassing van hoofdstuk 9 Awb of vanwege samenvoeging met een ander dossier87138,8
Verzoeker heeft uitdrukkelijk laten weten dat geen prijs meer wordt gesteld op verder onderzoek (bijv. omdat hij daarvan geen gunstig resultaat (meer) verwacht, of omdat hij zijn klacht elders in behandeling heeft gegeven dan wel omdat hij ontevreden is391,7
Verzoeker heeft, ook na rappel, niets meer van zich laten horen190,9
Nationale ombudsman beëindigt het onderzoek omdat tijdens het onderzoek alsnog is gebleken van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid van verzoeker311,4
Nationale ombudsman beëindigt het onderzoek omdat tijdens het onderzoek duidelijk is geworden dat verder onderzoek niet zinvol meer is, terwijl verzoeker niet op afdoende wijze is tegemoetgekomen. 1004,5

3.2.2 Onderzoek uit eigen beweging

De Nationale ombudsman kan uit eigen beweging onderzoeken openen (artikel 15 WNo) en kan lopende onderzoeken eigener beweging uitbreiden (gecombineerde onderzoeken artikel 12 en artikel 15 WNo).

In 2003 zijn zes in 2002 uit eigen beweging gestarte onderzoeken en twaalf gecombineerde onderzoeken uit 2002 afgerond. Van de zeven uit eigen beweging in 2003 geopende onderzoeken zijn er drie in 2003 afgerond. De zes in 2003 eigener beweging uitgebreide onderzoeken waren op 1 januari 2004 nog in behandeling.

3.3 Doorlooptijden verzoekschriften

Hierna volgen vier grafieken met overzichten van de doorlooptijden.

kst-29460-2-3.gif

Grafiek 3a laat zien dat van alle afgedane 10 214 zaken 55% is afgehandeld binnen 4 weken, tegenover 46% in 2002. Binnen acht weken is 78% (2002: 67%) afgedaan, en binnen een half jaar 93% (2002; 93%).kst-29460-2-4.gif

In 2002 werd 53% van de niet in onderzoek genomen verzoekschriften afgedaan binnen vier weken. In 2003 was dit 67%. In 2002 werd 74% van deze dossiers binnen acht weken afgedaan en in 2003 88% van de dossiers. In de gevallen waarin de behandelingsduur langer was dan vier weken had dit voor een belangrijk deel te maken met de noodzaak om nadere informatie bij de verzoeker op te vragen, alvorens de vraag te beantwoorden of de klacht wel of niet in onderzoek kon worden genomen.

kst-29460-2-5.gif

Grafiek 3c betreft de zaken die zijn afgedaan na in aanmerking te zijn gebracht voor onderzoek. Van de 2750 zaken uit grafiek 3c is 24% afgedaan binnen vier weken (2002: 28%), en 50% binnen acht weken (2002: 51%).

Wanneer een zaak wordt afgedaan met een onderzoek dat leidt tot een rapport, vergt dat meer tijd. In totaal 640 zaken (2002: 553) werden afgedaan na een doorlooptijd van meer dan een half jaar, waarvan 473 (2002: 388) na meer dan veertig weken, en 356 (2002: 286) na meer dan een jaar.

Op 1 januari 2004 waren 364 zaken in behandeling die ouder waren dan zes maanden (1 januari 2003: 382 zaken) waarvan 151 zaken ouder dan 12 maanden (2002: 188).

Vanaf medio 2003 is als een van de bedrijfsdoelstellingen afgesproken om het aantal in behandeling zijnde zaken ouder dan 12 maanden per 1 juli 2004 terug te dringen naar het niveau van 50 (zie § 1.4.3). Het effect van die gerichte aanpak is zichtbaar in de doorloopcijfers omdat bij de afdoeningen het volume oude zaken procentueel is gestegen.

kst-29460-2-6.gif

Van de in grafiek 3c verwerkte verzoekschriften is een substantieel deel afgedaan via de herkansingswerkwijze (zie § 1.4.1). In grafiek 3d is dit deel nog apart inzichtelijk gemaakt. De doorlooptijden zijn berekend vanaf de datum van ontvangst van de klacht tot de datum waarop het bestuursorgaan laat weten de klachtbehandeling over te nemen.

3.4 Afgedane zaken per gebied

Tabel 3a Aantal rapporten per gebied1

gebied 2totaal
Algemene Zaken22
Buitenlandse Zaken3333
Justitie502575
Vreemdelingenzaken en Integratie6262
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties515
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap156
Financiën3434
Defensie2222
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer102030
Verkeer en Waterstaat41317
Economische Zaken314
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit628
Sociale Zaken en Werkgelegenheid23840
Volksgezondheid, Welzijn en Sport41520
Politie151151
Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie11
Waterschappen44
Gemeenten4646
Provincies44
 444120564

1 Rapporten kunnen betrekking hebben op meer dan één bestuursorgaan

2 Aantal rapporten over andere bestuursorganen van het desbetreffende gebied

De gebieden met in verhouding de meeste rapporten zijn:

Justitie (incl. Vreemdelingenzaken en Integratie): 137 (24%) en de Politie: 151 (27%).

Tabel 3b Afgedaan zonder rapport per gebied (m.u.v. herkansingszaken)1

gebied 2totaal
Algemene Zaken11
Buitenlandse Zaken174174
Justitie5941100
Vreemdelingenzaken en Integratie288288
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties415
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap12021
Financiën5757
Defensie66
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer26934303
Verkeer en Waterstaat7613
Economische Zaken213
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit314
Sociale Zaken en Werkgelegenheid3312315
Volksgezondheid, Welzijn en Sport22224
Politie246246
Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties22
Waterschappen1414
Gemeenten5757
Provincies22
 11964381 634

1 Verzoekschriften kunnen betrekking hebben op meer dan één bestuursorgaan

2 Afgedaan zonder rapport (m.u.v. herkansingszaken) over andere bestuursorganen van het desbetreffende gebied

Tabel 3c Afgedaan via herkansing per gebied1

gebied 2totaal
Buitenlandse Zaken126126
Justitie462470
Vreemdelingenzaken en Integratie187187
Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties213
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap12728
Financiën6666
Defensie88
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer593392
Verkeer en Waterstaat41115
Economische Zaken213
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit99
Sociale Zaken en Werkgelegenheid3158161
Volksgezondheid, Welzijn en Sport53136
Politie88
Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties11
Waterschappen2121
Gemeenten132132
Provincies55
Gemeenschappelijke Regelingen22
 687286973

1 Verzoekschriften kunnen betrekking hebben op meer dan één bestuursorgaan.

2 Afgedaan via herkansing over andere bestuursorganen van het betreffende gebied

3.5 De conclusie van de Nationale ombudsman

In zijn rapporten toetste de Nationale ombudsman de onderzochte gedraging aan de behoorlijkheidsnorm uit artikel 26, eerste lid van de WNo (zie hierna, § 3.6). Op grond van deze beoordeling werd vervolgens geconcludeerd of de klacht al dan niet gegrond is. Wanneer de feiten niet voldoende konden worden vastgesteld, moest de Nationale ombudsman zich van een dergelijke beoordeling onthouden.

Grafiek 4 bevat een overzicht van de conclusies in de 504 rapporten uit 2003. Zaken die worden afgedaan via interventie leiden niet tot een conclusie over de gegrondheid van de klacht. De ervaring leert dat het in die gevallen over het algemeen gaat om klachten die gegrond zouden zijn verklaard indien het wel zou zijn gekomen tot een rapport. Ook zaken die worden afgedaan via de herkansing leiden niet tot een conclusie.

kst-29460-2-7.gif

In 190 rapporten werd de klacht geheel gegrond verklaard, een aandeel van 37% (2002: 35%). In 97 rapporten was de klacht geheel niet gegrond, een aandeel van 19% (2002: 18%). In 399 rapporten werd de klacht geheel of op een of meer onderdelen gegrond verklaard, een aandeel van 79% (2002: 78%). In 300 rapporten was de klacht op een of meer onderdelen niet gegrond, een aandeel van 59% (2002: 61%).

3.6 Reden voor de klacht; beoordeling door de Nationale ombudsman

3.6.1 Algemeen

De Nationale ombudsman heeft de behoorlijkheidsnorm uit artikel 26, eerste lid, van de WNo uitgewerkt in een aantal vereisten van behoorlijkheid (zie bijlage 4 bij dit jaarverslag). De klachten bij de Nationale ombudsman kunnen worden herleid tot deze vereisten. Dit betekent dat de scores op deze vereisten inzicht geven in de problemen met de overheid die aanleiding gaven tot een klacht bij de Nationale ombudsman.

Grafiek 5 bevat een overzicht van het gebruik van de beoordelingscriteria in de 504 rapporten uit 2003. In totaal is 1427 keer een beoordeling gegeven, een gemiddelde per rapport van 2,8 (2002: 2,9). Tabel 4 bevat een vergelijkbaar overzicht voor de zaken die in aanmerking kwamen voor onderzoek maar niet hebben geleid tot een rapport. De zaken die via herkansing zijn afgedaan zijn niet in dit overzicht opgenomen. De gegevens uit deze beide overzichten vormen de basis voor de beschouwing in hoofdstuk 1 over de meest voorkomende problemen in 2003.

3.6.2 De beoordeling in de rapporten

Grafiek 5 bevat een overzicht van de beoordelingen door de Nationale ombudsman in de 504 rapporten uit 2003.kst-29460-2-8.gif

De informatie in grafiek 5 kent twee ingangen:

1. de verdeling van de totaalscore over de beoordelingscriteria

Zoals in voorgaande jaren hebben ook in 2003 de verschillende vereisten in de rubriek zorgvuldigheid (rubriek 7) het grootste aandeel: 60% (2002: 59%). Dit betreft met name de vereisten van voortvarendheid en van actieve informatieverstrekking.

In 2003 zijn de volgende vereisten in verhouding het meest aan de orde geweest:

– overeenstemming met algemeen verbindende voorschriften: 18%

– actieve informatieverstrekking: 16%;

– voortvarendheid: 13%;

– belangenafweging/redelijkheid: 9%;

– actieve informatieverwerving: 8%;

– correctheid van bejegening: 7%.

Deze vereisten beslaan 71% van alle keren dat een beoordelingscriterium is gebruikt.

2. het oordeel per beoordelingscriterium

Van alle 1427 keren dat een beoordelingscriterium is gebruikt, luidt het oordeel voor 39% «behoorlijk» (2002: 40%) en voor 54% «niet behoorlijk» (2002: 52%). Het beeld krijgt meer reliëf wanneer de scores op de afzonderlijke vereisten worden bezien. Zo is het aandeel van het oordeel «niet behoorlijk» voor het vereiste van voortvarendheid 77%, en voor actieve informatieverstrekking 61%.

3.6.3 De reden voor de klacht in tussentijds afgedane zaken

Afgezien van herkansingszaken wordt ook voor zaken die tussentijds worden afgedaan, vastgelegd welke van de vereisten van behoorlijkheid aan de orde waren. Tabel 4 vormt daarvan de neerslag.

Tabel 4 Reden voor de klacht in tussentijds afgedane zaken1

 2003220022
 Totaal%Totaal%
1 Grondrechten40,230,1
2 Algemeen verbindende voorschriften1436,0913,6
3 Redelijkheid/Proportionaliteit823,4893,4
4 Rechtszekerheid1546,41144,4
5 Gelijkheid30,160,2
6 Motivering582,4562,1
subtotaal44418,535913,8
     
7 Zorgvuldigheid    
7.1 Voortvarendheid (in behandeling; bij herstel fout)1 24652,11 59061,2
7.2 Actieve informatieverstrekking28511,929111,2
7.3 Actieve informatieverwerving612,6431,7
7.4 Administratieve nauwkeurigheid1425,91425,4
7.5 Toereikendheid admin./organisatorische voorzieningen291,2331,3
7.6 Toereikendheid fysieke voorzieningen220,9150,6
7.7 Correctheid bejegening542,3251,0
7.8 Respect/oog voor bescherming persoonlijke levenssfeer40,230,1
7.9 Overige1054,4963,7
subtotaal1 94881,52 23886,2
Totaal2 3921002 597100

1 De redenen zijn afgeleid uit de lijst met beoordelingscriteria zoals die worden gebruikt in de rapporten. Bij één onderzoek kan meer dan één reden van toepassing zijn.

2 De herkansingszaken zijn buiten beschouwing gelaten

Naar verhouding hadden de meeste tussentijds afgedane zaken – 52% – betrekking op het vereiste van voortvarendheid, ofwel op klachten over de behandelingsduur.

3.6.4 De meest voorkomende problemen in de afgedane zaken

Samenvoeging van de scores uit grafiek 5 en tabel 4 levert het aantal scores op voor elk van de beoordelingscriteria, en een totaal aantal scores van 3819 (zie voor een kanttekening daarbij: Jaarverslag 1995, blz. 24). Daarbinnen hebben de volgende zes vereisten van behoorlijkheid het volgende aandeel:

– voortvarendheid: 38%;

– actieve informatieverstrekking: 14%;

– overeenstemming met algemeen verbindende voorschriften: 10%;

– belangenafweging/redelijkheid: 6%;

– rechtszekerheid: 6%;

– administratieve nauwkeurigheid: 5%.

Het vereiste van voortvarendheid kwam het meeste aan de orde (38%; 2002: 46%). Deze afname wordt mede veroorzaakt door een afname in het aantal interventies (53%; 2002: 57%), waar traag handelen door de overheid aan de orde was.

Deze vereisten beslaan 78% van alle keren dat een beoordelingscriterium werd gebruikt in zaken die in een rapport dan wel in een interventie zijn geëindigd. Het gaat hier om de problemen zoals deze, blijkens hun klacht, werden ervaren door de indieners van de verzoekschriften.

3.7 De effecten van het werk van de Nationale ombudsman

De effecten van het werk van de Nationale ombudsman komen apart aan de orde in hoofdstuk 4. Hieronder worden enkele cijfers gegeven over de verschillende wegen waarlangs het werk van de Nationale ombudsman effect kan hebben:

a. Tussentijds beëindigd

Hiervoor, in § 3.2.1, is ingegaan op de zaken die in aanmerking waren gebracht voor onderzoek, maar waarin het onderzoek, in enig stadium voordat het was voltooid, tussentijds werd beëindigd. In 53% van de zaken die de Nationale ombudsman tussentijds afdeed zonder een rapport uit te brengen, werd de klager op afdoende wijze tegemoet gekomen.

Daarnaast werd in 38% van de zaken de behandeling van de klacht door het bestuursorgaan overgenomen (herkansing).

b. «Met instemming»

Het komt voor dat het betrokken bestuursorgaan tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman een maatregel neemt naar aanleiding van de klacht, zonder dat dit aanleiding geeft om het onderzoek vervolgens tussentijds te beëindigen. In zo'n geval kan de Nationale ombudsman reden zien om in het rapport, na de conclusie, op te merken dat hij «met instemming» heeft kennis genomen van die maatregel. Dit gebeurde in 2003 in 23 rapporten (4%).

c. Aanbeveling

In 2003 is in 51 rapporten een aanbeveling gedaan (10%; 2002: 12%). In twee van deze rapporten werd aan meer dan een bestuursorgaan een aanbeveling gedaan, waarmee het totaal aantal aanbevelingen in 2003 op 66 komt.

Uit tabel 5 blijkt dat de betrokken bestuursorganen op 1 januari 2004 in 28 gevallen op de aanbeveling had gereageerd. Deze aanbevelingen werden steeds opgevolgd. Op 1 januari 2004 stonden er nog 38 aanbevelingen uit 2003 open, waarvan er in de eerste weken van januari 2004 zes zijn opgevolgd.

In 2002 zijn aanbevelingen gedaan in vijftig rapporten. De betrokken bestuursorganen moesten op 1 januari 2003 nog in 26 gevallen reageren op die aanbevelingen. Drie van deze dossiers waren op 1 januari 2004 nog niet gesloten.

Tabel 5 het resultaat van de aanbeveling*

 abcdeTotaal
Per gebied dan wel bestuursorgaan**       
Algemene Zaken11
Buitenlandse Zaken123
Buitenlandse Zaken en Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk11
Justitie257
Vreemdelingenzaken en Integratie33
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties11
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap11
Financiën213511
Defensie112
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer112
Verkeer en Waterstaat11
Economische Zaken11
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit11
Sociale Zaken en Werkgelegenheid11
Volksgezondheid, Welzijn en Sport112
Politie112610
Waterschappen112
Gemeenten224
Provincies11
Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie11
Raden voor Rechtsbijstand112
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen112
(Gezins)voogdij-instellingen1 1
Sociale verzekeringsbank112
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen11
Zorgverzekeraars112
Totaal124123866

* Stand van zaken per 1 januari 2004

** Eén rapport kan betrekking hebben op meer dan één bestuursorgaan

Legenda tabel:

a = opvolgen aanbeveling ten behoeve van verzoeker: gevraagde actie (excl. b)

b = opvolgen aanbeveling ten behoeve van verzoeker: schadevergoeding

c = opvolgen aanbeveling inzake algemene maatregel

d = niet opvolgen

e = resultaat nog niet bekend

3.8 Enkele achtergrondkenmerken van indieners van verzoekschriften

Voorzover dat uit het verzoekschrift kon worden opgemaakt, werd in 968 zaken de klacht ingediend door een intermediair. Dit is 9% van de totale instroom van 10 518 zaken (2002: 11%).Dalingen waren te zien bij de volgende intermediairs: verenigingen respectievelijk stichtingen (van 165 naar 128), Bureaus Rechtshulp (van 49 naar 33), particuliere intermediairs (van 110 naar 57) en belastingconsulenten/administratiekantoren (van 108 naar 91).

4 EFFECTEN VAN HET WERK VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN

4.1 Soorten effecten

Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de effecten van het werk van de Nationale ombudsman zoals deze zich voordoen in de vorm van actie van de kant van de overheid. Van die actie kan sprake zijn in de volgende stadia:

a. tijdens de besluitvorming over het al dan niet in onderzoek nemen van een klacht

Verzoekschriften die binnenkomen bij de Nationale ombudsman worden eerst beoordeeld op bevoegdheid en ontvankelijkheid (zie hoofdstuk 6). Het komt voor dat medewerkers in dat kader telefonisch contact zoeken met de desbetreffende overheidsinstantie, vooral wanneer de klacht betrekking heeft op de lange behandelingsduur van een verzoek of aanvraag, of anderszins op het uitblijven van actie. Telefonisch verkregen informatie over de stand van zaken is dan soms al toereikend om de indiener van een klacht tevreden te stellen. Wanneer door deze interventie het probleem dat aanleiding vormde voor het indienen van de klacht is weggenomen, is er geen reden meer om een onderzoek in te stellen.

b. tijdens een onderzoek van de Nationale ombudsman

In 2003 werd in 2243 zaken het onderzoek tussentijds beëindigd (2002: 2485). In 53% van de zaken werd het onderzoek tussentijds beëindigd nadat de Nationale ombudsman de zaak succesvol had behandeld via de interventiemethode. Van deze methode wordt in het bijzonder gebruik gemaakt bij klachten die zijn ontstaan doordat de klager geen contact kan krijgen met het desbetreffende bestuursorgaan, of bij klachten waarvan behandeling geen uitstel kan dulden. Daarnaast werd in 38% van de zaken de behandeling van de klacht door het bestuursorgaan overgenomen (herkansing).

Het komt voor dat een bestuursorgaan in de loop van het onderzoek aangeeft maatregelen te hebben getroffen (of te zullen treffen), terwijl de Nationale ombudsman geen reden ziet om daarna het onderzoek tussentijds te beëindigen, zodat hij het afsluit met een rapport. In 2003 werd in 23 rapporten (4% van het totaal aantal uitgebrachte rapporten, 2002: 13; 3%) de zinsnede opgenomen dat de Nationale ombudsman met instemming kennis had genomen van een door een bestuursorgaan getroffen maatregel.

c. na afloop van een onderzoek van de Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman heeft de bevoegdheid om aanbevelingen te doen. In 2003 is dat gebeurd in 51 rapporten oftewel in 10% van het totaal aantal van de 504 uitgebrachte rapporten (2002: 50; 12%). In twee rapporten werd aan meer dan een bestuursorgaan een aanbeveling gedaan; een daarvan is rapport 2003/325 (Onderzoek communicatie burger-overheid oftewel de «burgerbrieven») en bevat aanbevelingen aan alle veertien ministeries. Het totale aantal gedane aanbevelingen komt daarmee op 66.

In 28 gevallen was aan het einde van 2003 al een reactie van het bestuursorgaan op de aanbeveling ontvangen. Deze aanbevelingen zijn allemaal opgevolgd (zie ook hoofdstuk 3, § 3.7, tabel 5).

Van de 38 op 1 januari 2004 nog openstaande aanbevelingen – in de eerste weken van januari 2004 zijn er daarvan inmiddels zes opgevolgd – dateert ongeveer de helft uit het laatste kwartaal, waarvan tien dateren uit de laatste maand.

Er zijn twee soorten aanbevelingen: aanbevelingen die zijn gericht op het nemen van een maatregel ten gunste van de desbetreffende verzoeker, en aanbevelingen die zijn gericht op het nemen van een maatregel met een meer structureel karakter. In 2003 was in dertig gevallen de aanbeveling gericht op de individuele zaak van een verzoeker, in 35 gevallen was de aanbeveling algemeen of preventief van aard en één rapport bevatte een combinatie van beide. Het merendeel van de nog openstaande aanbevelingen betreft een maatregel met een meer structureel karakter.

Het komt voor dat verschillende burgers klagen over dezelfde soort gedraging. Wanneer die gedraging aanleiding geeft tot het doen van een aanbeveling, wordt veelal volstaan met het opnemen van die aanbeveling in het eerste rapport dat de Nationale ombudsman over de desbetreffende soort gedraging uitbrengt. De aanbeveling wordt dan niet in volgende, gelijksoortige zaken herhaald.

4.2 Actie door de overheid

Hieronder volgt een selectie van maatregelen van bestuursorganen die vooral genomen zijn naar aanleiding van interventies en aanbevelingen van de Nationale ombudsman. Het gaat daarbij ook om acties in 2003 die een vervolg zijn op rapporten uit 2001 en 2002. De maatregelen zijn geordend per aandachtsgebied. In hoofdstuk 7 en volgende hoofdstukken komen de meeste maatregelen binnen het kader van de behandeling van rapporten en interventies per bestuursorgaan uitgebreider aan de orde.

4.2.1 Op het gebied van de politie

De beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond heeft laten weten dat aan verzoeker alsnog een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding zal worden gezonden (rapport 2002/356, met aanbeveling).

De beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden heeft meegedeeld dat de politie alsnog een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt naar aanleiding van een aanrijding waarbij verzoeker betrokken was. In het proces-verbaal is een weergave opgenomen van de verklaringen die verzoeker en de wederpartij na de aanrijding hebben afgelegd (rapport 2002/371, met aanbeveling).

De beheerder van het regionale politiekorps Friesland heeft de Nationale ombudsman bericht dat de nodige maatregelen zijn getroffen om in de tekst van een algemene brief aan betrokkenen bij verkeersongevallen een verwijzing op te nemen naar de instantie welke bevoegd is een kopie van het proces-verbaal te verstrekken (rapport 2003/133, met aanbeveling).

In 2002 was de beheerder van het regionale politiekorps Haaglanden in overweging gegeven om de standaardtekst in de machtiging tot binnentreden zodanig aan te passen dat deze aangeeft dat tussen middernacht en zes uur in de ochtend «wordt binnengetreden», in plaats van «kan worden binnengetreden», waarbij ruimte wordt opengelaten voor de vereiste motivering van de dringende noodzakelijkheid (rapport 2002/215, met aanbeveling). Na correspondentie hierover met de korpsbeheerder heeft de Nationale ombudsman geconcludeerd dat hij zich voor de discussie over de opvolging van deze aanbeveling tot de minister van Justitie diende te wenden, nu de tekst van de door Haaglanden gebruikte machtiging geheel overeenkomt met de tekst van het door de minister van Justitie vastgestelde model machtiging tot binnentreden. Deze discussie was in 2003 nog niet afgerond.

De beheerder van het regionale politiekorps Zeeland heeft laten weten dat de politie het model machtiging tot binnentreden, zoals dit door de minister van Justitie is vastgesteld, reeds in het bedrijfsprocessensysteem heeft opgenomen. Ook liet de korpsbeheerder weten dat er landelijk wordt gewerkt aan eenduidige formulieren conform het door de minister vastgestelde model (rapport 2003/265, met aanbeveling).

De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden heeft de Nationale ombudsman in kennis gesteld van het feit dat de politie een registratieset, opgemaakt naar aanleiding van een aanrijding waarbij verzoeker betrokken was, heeft aangepast (rapport 2003/280, met aanbeveling).

De beheerder van het regionale politiekorps Zeeland heeft de Nationale ombudsman erover geïnformeerd dat de schadeclaim van een verzoekster is heroverwogen, hetgeen heeft geleid tot de beslissing om alsnog de schade te vergoeden (rapport 2003/337, met aanbeveling). De Nationale ombudsman had in het desbetreffende rapport overwogen dat de politie in beginsel verplicht was de daadwerkelijk geleden schade aan verzoekster te vergoeden, nu het optreden van de politie tegen verzoeksters zoon achteraf als onrechtmatig diende te worden beschouwd.

In reactie op een klacht over het niet vergoeden van de schade die was ontstaan bij een politie-inval in verzoekers woning, heeft de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond laten weten de schade alsnog aan verzoeker te zullen vergoeden. Op grond van deze informatie besloot de Nationale ombudsman het onderzoek te beëindigen.

4.2.2 Alle ministeries

In zijn Jaarverslag 2002 (blz. 31) heeft de Nationale ombudsman al kort aandacht besteed aan het in januari 2003 begonnen onderzoek uit eigen beweging naar de behandelingsduur van brieven en van e-mailberichten van burgers aan de rijksoverheid. Dit onderzoek is in september 2003 afgesloten met een rapport (2003/325; JB 2003, 361). Dit rapport is besproken in § 1.3.1.1.

In het kader van het onderzoek is in januari 2003 aan alle ministers een brief gestuurd met een groot aantal vragen over de behandeling van correspondentie van burgers in 2002. In de vraagstelling is steeds consequent onderscheid gemaakt tussen de volgende vijf categorieën van correspondentie: aanvragen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb), bezwaarschriften, klaagschriften, andere brieven en e-mailberichten. De informatie die langs deze weg is verkregen, heeft een globaal beeld opgeleverd van de mate van voortvarendheid waarmee de verschillende onderdelen van de rijksoverheid in 2002 zijn omgegaan met correspondentie van burgers. De informatie van de ministers vormde tegelijkertijd de basis voor de beoordeling door de Nationale ombudsman.

In zijn rapport gaat de Nationale ombudsman eerst in op het belang van voortvarendheid. Hij wijst erop dat de overheid er voor de burger is, en hij benadrukt het belang van de naleving door bestuursorganen van wettelijke termijnbepalingen. Vervolgens beschrijft de Nationale ombudsman een uitgewerkt normenstelsel voor de beantwoording van verschillende soorten van correspondentie van burgers aan bestuursorganen. Het gaat daarbij voor een deel om rechtsnormen die zijn opgenomen in de Awb en voor een ander deel om behoorlijkheidsnormen die de Nationale ombudsman zelf heeft ontwikkeld. Deze laatste normen vormen veelal een aanvulling op of een nadere invulling van de Awb-normen. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten zijn aan elk van de veertien ministeries verschillende aanbevelingen gedaan. Op de aanbevelingen werd in het verslagjaar nog niet door alle ministeries gereageerd.

4.2.3 Op het gebied van buitenlandse zaken

In rapport 2003/295 werd verzoekers klacht over het nogmaals en onnodig moeten overleggen van originele documenten gegrond geacht en was het niet juist dat de vreemdelingendienst en de minister hebben geweigerd om de kosten te voldoen, die verzoeker heeft moeten maken voor de verzending van de originele documenten van zijn partner naar Nederland. Aan de minister van Buitenlandse Zaken als verantwoordelijk bestuursorgaan voor de werkzaamheden van de vreemdelingendiensten met betrekking tot de behandeling van aanvragen tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (verder mvv) werd om die reden de aanbeveling gedaan de door verzoeker gemaakte kosten van verzending om redenen van coulance te vergoeden. De minister liet weten de aanbeveling over te nemen, met dien verstande dat de genoemde vreemdelingendienst de aanbeveling zou uitvoeren. De desbetreffende vreemdelingendienst heeft vervolgens het bedrag aan verzoeker overgemaakt.

In rapport 2002/334 werd de minister van Buitenlandse Zaken in overweging gegeven te bevorderen dat ambtenaren van de Nederlandse ambassade te Rabat (Marokko) de inhoud van de door hen gevoerde zakelijke gesprekken met indieners van aanvragen tot afgifte van een mvv of ander visum schriftelijk vastleggen, op zodanige wijze dat de aantekening tenminste de datum van het gesprek, de namen van alle gespreksdeelnemers en een zakelijke weergave van het verloop van het gesprek bevat, en voorts dat de aantekening wordt bewaard zolang daarmee een redelijk doel kan zijn gediend. De minister van Buitenlandse Zaken liet weten de aanbeveling op te volgen.

4.2.4 Op het gebied van justitie

De minister van Justitie heeft de Nationale ombudsman laten weten dat de Aanwijzing stroomlijning transacties is ingetrokken, waardoor de praktijk van de inning van transactiegelden (wederom) in overeenstemming is met de bestaande regelgeving, meer in het bijzonder het Transactiebesluit van 1994 (rapport 2002/288, met aanbeveling).

De minister van Justitie heeft meegedeeld dat de officier van justitie in 's-Hertogenbosch verzoekers brief van 14 mei 2001 alsnog heeft beantwoord voor zover het verzoekers vragen betrof over de door de officier van justitie te nemen maatregelen tegen een naburig bedrijf dat geluidsoverlast veroorzaakt (rapport 2003/008, met aanbeveling).

De minister van Justitie heeft de Nationale ombudsman bericht dat de Raad voor de Kinderbescherming de afwijzing van verzoeksters verzoek om schadevergoeding heeft heroverwogen, hetgeen heeft geleid tot een hernieuwde afwijzing van de schadeclaim met aanvulling van de motivering (rapport 2003/053, met aanbeveling).

De minister van Justitie heeft laten weten dat het aan een verzoeker geboden bedrag van f 750 uit coulanceoogpunt is heroverwogen, hetgeen heeft geleid tot de beslissing verzoeker een bedrag van € 750 aan te bieden. Verzoeker heeft dit bedrag geaccepteerd als vergoeding voor zijn gestolen en weer teruggevonden auto, die ten onrechte was vernietigd nadat het arrondissementsparket te Breda had besloten dat deze auto – die in beslag genomen was nadat deze was teruggevonden – aan verzoeker teruggegeven diende te worden (rapport 2003/277, met aanbeveling).

De minister van Justitie heeft de Nationale ombudsman op de hoogte gesteld van het feit dat het Centraal Justitieel Incassobureau (verder CJIB) het innings- en incassoproces inzake de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften op twee punten kon verbeteren. Het betrof de verwerking van door de Duitse en Zwitserse autoriteiten aangeleverde persoonsgegevens, waaronder de geboorteplaats van de bevraagde kentekenhouder. De minister liet weten dat de beide wijzigingen naar verwachting in de eerste helft van 2004 zullen worden geïmplementeerd. In deze zaak overwoog de Nationale ombudsman dat het vereiste van zorgvuldigheid met zich meebrengt dat alle relevante gegevens die beschikbaar zijn, worden benut teneinde te voorkomen dat een ingrijpend dwangmiddel als gijzeling wordt toegepast bij de verkeerde persoon. De minister van Justitie werd daarom in overweging gegeven om in alle gevallen van opneming in het opsporings- en signaleringssysteem met het oog op toepassing van het dwangmiddel gijzeling, de identiteit van de betrokkene zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven, waartoe ook behoort vermelding van de geboorteplaats van de betrokkene voor wie een machtiging tot gijzeling is verleend (rapport 2003/297, met aanbeveling).

In dit rapport heeft de Nationale ombudsman tevens met instemming kennis genomen van het feit dat het CJIB verzoeker op 4 september 2002 heeft bericht dat het CJIB de Duitse autoriteiten alsnog heeft verzocht de relevante gegevens van de kentekenhouder, in het bijzonder de geboorteplaats, te verstrekken waarna het CJIB verzoeker heeft meegedeeld dat nu inderdaad kon worden uitgesloten dat verzoeker de kentekenhouder van het betreffende voertuig is geweest.

In de zaak die leidde tot rapport 2003/433 heeft de Nationale ombudsman met instemming kennis genomen van de wijziging in de administratie die het arrondissementsparket te Amsterdam naar aanleiding van de interne klachtprocedure heeft aangebracht, om in het vervolg te reageren op correspondentie van personen die beroepschriften indienen, maar daartoe niet gemachtigd zijn.

In de zaak die leidde tot rapport 2003/140 heeft de Nationale ombudsman met instemming kennis genomen van de mededeling van de minister van Justitie dat het CJIB met ingang van november 2001 een interne klachtenregeling heeft ingevoerd waardoor klachten conform hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht worden behandeld en afgedaan.

De Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag heeft de Nationale ombudsman ervan in kennis gesteld dat de aan verzoeker gedane toezeggingen om diens brief inhoudelijk te beantwoorden, alsnog is nagekomen (rapport 2003/199, met aanbeveling).

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen heeft laten weten te zijn overgegaan tot restitutie aan verzoeker van de teveel geïncasseerde opslagkosten (rapport 2003/339, met aanbeveling).

In reactie op een klacht over een reeds overleden gerechtsdeurwaarder die het bedrag dat hij uit een beslaglegging had ontvangen niet aan verzoekers had afgedragen, heeft de minister van Justitie zich bereid verklaard het desbetreffende bedrag aan verzoekers te betalen. Nu de overleden gerechtsdeurwaarder zijn verplichting tot afdracht aan verzoekers niet was nagekomen, terwijl er geen opvolger was die de ambtspraktijk van de overleden gerechtsdeurwaarder had overgenomen, was de Staat hoofdelijk aansprakelijk jegens verzoekers.

Ten aanzien van de Immigratie- en Naturalisatiedienst

In rapport 2001/020 van 25 januari 2001 had de Nationale ombudsman de minister van Justitie de aanbeveling gedaan te bevorderen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder IND) rechterlijke uitspraken tijdig zou nakomen. De staatssecretaris van Justitie liet weten dat de aanbeveling werd opgevolgd. Nadien ontving de Nationale ombudsman hierover echter nog veel klachten. Daarom heeft de Nationale ombudsman een onderzoek uit eigen beweging ingesteld naar de nakoming door de IND van rechterlijke uitspraken waarin de rechtbank heeft bepaald dat een nieuw besluit dient te worden genomen. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in rapport 2003/385 (MR 2003, 72; JB 2004, 40). Dit rapport is besproken in § 1.3.1.2 en het komt ook in § 10A. 2.1.6 uitgebreid aan de orde.

Rapport 2002/309 betrof een klacht over de lange duur van de behandeling door de IND van verzoekers aanvraag om een verblijfsvergunning, nadat zijn bezwaarschrift tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag gegrond was verklaard. De wettelijke termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, bedraagt zes maanden. De Nationale ombudsman gaf de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in overweging te bevorderen dat bij de verdere behandeling van een aanvraag die eerder buiten behandeling was gesteld, rekening wordt gehouden met de termijn die reeds was verstreken op het moment dat de betrokkene in de gelegenheid werd gesteld de aanvraag aan te vullen. De minister liet op 7 maart 2003 weten dat waar mogelijk de beslissing op de kortst mogelijke termijn wordt genomen. In voorkomende gevallen echter zal de maximale beslistermijn van zes maanden nodig zijn. De Nationale ombudsman zag geen aanleiding de discussie met de minister voort te zetten, te meer nu de kwestie ook voor de bestuursrechter kan spelen. De Nationale ombudsman wacht eventuele jurisprudentie ter zake dan ook af en heeft de zaak afgesloten.

In rapport 2002/310 heeft de Nationale ombudsman de aanbeveling gedaan aan de staatssecretaris van Justitie (thans de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) om met in achtneming van de overwegingen in het rapport een plan van aanpak op te stellen met maatregelen die er op zijn gericht de bestaande achterstanden in de behandeling van asielverzoeken waarin een 1F-aspect van het Vluchtelingenverdrag (vermoeden van misdrijven tegen de menselijkheid) aan de orde is, weg te werken en de IND in staat te stellen om binnen een jaar na het uitbrengen van dit rapport (22 april 2002) alle 1F-zaken binnen de wettelijke termijn af te doen (zie Jaarverslag 2002, blz. 33–34).

De minister liet in 2002 weten de aanbeveling op te volgen en zond op 7 januari 2003 het plan van aanpak. De Nationale ombudsman heeft met instemming van het plan kennisgenomen. De minister liet op 20 oktober 2003 aan de Nationale ombudsman weten dat het eerder aangekondigde streven om per 1 oktober 2003 een normale werkvoorraad te bereiken van ongeveer 700 procedures in eerste aanleg, was bereikt. Per 1 oktober 2003 bedroeg deze voorraad 587 procedures (ongeveer 400 dossiers).

De komende maanden zouden worden benut om de resterende oude 1F-zaken af te handelen, en om de nieuwe zaken die vanaf 1 oktober 2003 werden ontvangen, binnen de wettelijke termijn af te handelen.

Rapport 2002/386 heeft betrekking op een klacht over het verrichten van leeftijdsonderzoek door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ter vaststelling van de minder- of meerderjarigheid bij alleenstaande minderjarige asielzoekers door middel van röntgenfoto's van het sleutelbeen. Dit gebeurt ondanks de negatieve adviezen hierover van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (verder IGZ) en een uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2000. Ook werd erover geklaagd dat de IGZ geen actie had ondernomen om het leeftijdsonderzoek stop te zetten na bovengenoemde rechterlijke uitspraak.

In het Jaarverslag 2002 (blz. 44 e.v.; blz. 369 e.v.) wordt het rapport over het leeftijdsonderzoek uitgebreid besproken. De Nationale ombudsman verbond aan het rapport de aanbeveling om een medisch-ethische commissie in te stellen die erop toeziet dat de ethische en wetenschappelijke normen van het leeftijdsonderzoek zo goed mogelijk worden gewaarborgd. Daarnaast deed de Nationale ombudsman de aanbeveling om het sleutelbeenonderzoek alleen te gebruiken om vast te stellen dat een vreemdeling bij een gesloten sleutelbeen minimaal twintig jaar oud is. Bij een niet of onvolledig gesloten sleutelbeen kunnen niet met zekerheid uitspraken gedaan worden over de leeftijd van betrokkene.

De reactie van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op de aanbevelingen komt in § 10A. 2.3.3 uitgebreid aan de orde. Bij brief van 4 augustus 2003 liet de minister de Nationale ombudsman weten dat de Tweede Kamer er inmiddels bij brief van 20 mei 2003 over was geïnformeerd dat een medisch-ethische commissie ingesteld zou worden gezien het belang dat de Kamer, de Nationale ombudsman en de IGZ hechten aan het instellen van zo'n commissie. Het realiseren van deze commissie zou voortvarend ter hand worden genomen. Tijdens het verslagjaar was er nog geen medisch-ethische commissie ingesteld.

In antwoord op kamervragen liet de minister op 1 december 2003 ten aanzien van de toepassing van het botonderzoek weten dat zij de desbetreffende onderzoeker heeft gevraagd om de in het onderzoeksrapport opgenomen verslagen van bevindingen door de betrokken radiologen te laten ondertekenen, waardoor de desbetreffende radioloog de verantwoordelijkheid neemt.

In rapport 2003/214 deed Nationale ombudsman de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanbeveling in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (Herziene Rijkswet Nederlanderschap) te regelen dat van de genaturaliseerde kan worden verlangd dat hij de juistheid aantoont van het bewijs dat hij zijn andere nationaliteit heeft verloren door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Op 13 januari 2004 vond naar aanleiding van deze aanbeveling overleg plaats tussen medewerkers van de IND en het Bureau Nationale ombudsman. De IND maakte kenbaar van mening te zijn dat er geen reden was om de legalisatie- en verificatie-eis met betrekking tot de afstandsverklaring in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap op te nemen zoals de Nationale ombudsman had aanbevolen, nu deze is opgenomen in de Handleiding Rijkswet Nederlanderschap 2003. Afgesproken werd de evaluatie van de Rijkswet Nederlanderschap af te wachten.

Ten aanzien van de vreemdelingendiensten

In 2002 verrichtte de Nationale ombudsman een onderzoek uit eigen beweging naar de wijze waarop een aantal vreemdelingendiensten uitvoering heeft gegeven aan de taken met betrekking tot de toelating van vreemdelingen in Nederland. Dit gebeurde naar aanleiding van de in 2001 en 2002 geconstateerde opvallende stijging in het aantal klachten over de vreemdelingendiensten. Het ging om de vreemdelingendiensten van de regionale politiekorpsen waarover in 2001 de meeste klachten zijn ontvangen: Amsterdam-Amstelland, Haaglanden, Hollands Midden en Rotterdam-Rijnmond. Het onderzoek had tevens betrekking op de wijze waarop de staatssecretaris van Justitie en de minister van Buitenlandse Zaken uitvoering hebben gegeven aan hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de uitvoering van deze taken (vanaf augustus 2002 is de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verantwoordelijk).

De problemen die zich bij de vreemdelingendiensten voordeden, hebben er al met al toe geleid dat in de onderzochte periode de wettelijke dan wel redelijke termijn waarbinnen de behandeling van aanvragen en adviezen diende plaats te vinden, structureel werd overschreden, en dat de betrokken vreemdelingendiensten er niet in zijn geslaagd voldoende bereikbaar te zijn voor vreemdelingen.

De Nationale ombudsman deed de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie daarom de aanbeveling de betrokken diensten voldoende uit te rusten om de taken naar behoren te kunnen verrichten. Verder deed de Nationale ombudsman aan de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gezamenlijk de aanbeveling om een wettelijke regeling tot stand te brengen, waarin een termijn wordt vastgelegd waarbinnen een aanvraag om een mvv moet worden behandeld in samenhang met de beslistermijn voor de op basis van de mvv af te geven verblijfsvergunning. Voorts deed de Nationale ombudsman de minister van Buitenlandse Zaken de aanbeveling om, voor zover de inrichting van de mvv-procedure op grond van een eventuele visumwet daartoe nog aanleiding geeft, te bevorderen dat de Nederlandse vertegenwoordigingen kort voor het verstrijken van de termijn waarbinnen een aldaar ingediende aanvraag om verlening van een mvv moet worden behandeld, de Visadienst zonodig rappelleren.

De Nationale ombudsman wees er ten slotte nog op dat de vreemdelingendiensten zich na de overheveling van de toelatingstaken konden wijden aan hun taak van het houden van toezicht op vreemdelingen. Hij gaf aan dat hij erop vertrouwde dat de vreemdelingendiensten nu daadwerkelijk in staat zouden worden gesteld deze belangrijke taak naar behoren te vervullen.

Over de opvolging van de aanbevelingen werd in het verslagjaar nog gecorrespondeerd.

4.2.5 Op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschappen

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (verder OCW) heeft op het intranet van het ministerie de informatie over de klachtenprocedure OCW uitgebreid en daarin de verwijzing naar de Nationale ombudsman opgenomen (rapport 2003/082, met instemming).

De Informatie Beheer Groep (verder IB-Groep) besloot in een zaak het reeds gelegde derdenbeslag – in ieder geval voor het moment – op te heffen omdat tijdens het onderzoek was gebleken dat verzoekster geen verhaal bood (interventie).

De IB-Groep heeft de aan verzoeker in rekening gebrachte rente en kosten terugbetaald omdat was komen vast te staan dat de desbetreffende termijn van verzoekers studieschuld door hem tijdig was voldaan maar door de IB-Groep niet correct was afgeboekt (interventie).

De IB-Groep is alsnog overgegaan tot toekenning van het door verzoeker gewenste bedrag, waarna een versnelde uitbetaling plaatsvond (interventie).

De IB-Groep heeft inmiddels maatregelen op het personele vlak genomen zodat aanvragers van een tegemoetkoming voor een lerarenopleiding voortaan een ontvangstbevestiging ontvangen met daarin opgenomen het vermoedelijke moment van afhandeling (interventie).

De IB-Groep heeft het beslag op het loon van verzoeker opgeheven en is akkoord gegaan met het door verzoeker gedane voorstel voor een betalingsregeling (interventie).

De IB-Groep liet weten voornemens te zijn om op de acceptgirokaarten voor het lesgeld 2004/2005 als betalingskenmerk het correspondentienummer op te nemen om verschrijvingen op acceptgirokaarten gemakkelijker te kunnen signaleren (interventie).

De IB-Groep heeft inmiddels de door de IB-Groep gehanteerde instructie Wet bescherming persoonsgegevens aangepast in die zin, dat de IB-Groep voortaan bij twijfel of de briefschrijver wel als gemachtigde kan of mag optreden, die twijfel wegneemt door het opvragen van een schriftelijke machtiging (rapport 2003/348, met instemming).

Naar aanleiding van verzoekers klacht bleek dat de IB-Groep de benodigde stukken van verzoeker toch had ontvangen, zodat verzoeker alsnog aan de loting kon meedoen (interventie).

4.2.6 Op het gebied van financiën

De minister van Financiën heeft de Nationale ombudsman laten weten voornemens te zijn maatregelen te treffen die moeten leiden tot een verbetering van de telefonische bereikbaarheid van de eenheden van de Belastingdienst en de Nationale ombudsman daartoe periodieke cijfers te verstrekken (zie verder § 13A.2.9 van dit jaarverslag).

De staatssecretaris van Financiën heeft aan verzoeker alsnog een vergoeding toegekend van € 50 voor de kosten die verzoeker heeft moeten maken om een tweetal teruggaven die door de Belastingdienst abusievelijk op zijn rekening waren gestort, weer aan de Belastingdienst terug te laten storten (rapport 2003/372, met aanbeveling, FUTD 2003, nr. 2092).

De Dienst Domeinen Roerende Zaken keert voortaan zonder meer de taxatiewaarde of de opbrengst van de verkoop uit aan de betrokkene (rapport 2003/239, met instemming).

De staatssecretaris van Financiën heeft zich bereid verklaard om – als mocht blijken dat de door verzoekster verzonden facturen daadwerkelijk door haar cliënten waren betaald (inclusief de BTW) – alsnog voor de BTW een vergoeding te verlenen (interventie).

Het Ministerie van Financiën heeft alsnog de verzochte reiskosten vergoed (interventie).

De Belastingdienst heeft het aanbieden van verontschuldigingen niet voldoende geacht en derhalve mede gelet op de lange periode van onzekerheid met betrekking tot de komst van een deurwaarder en de door verzoeker gemaakte kosten, zoals telefoonkosten en portie, verzoeker aangeboden € 75 aan hem te betalen (rapport 2003/373, met instemming, FUTD 2003, nr. 2079).

De Belastingdienst heeft in verband met de (trage) terugbetaling in 2002 van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1992 aan verzoeker een rentevergoeding (zogenaamde coulancerente) aangeboden (interventie).

De Belastingdienst heeft verzoeker een vergoeding voor de door hem gemaakte reiskosten doen toekomen (interventie).

In rapport 2002/308 (JB 2003, nr. 31, Jaarverslag 2002, blz. 438) was de minister van Financiën de aanbeveling gedaan het bedrag van de teruggaaf inkomstenbelasting alsnog aan verzoekster uit te betalen. Het bedrag van de teruggaaf was in eerste instantie op een rekeningnummer teruggestort welke niet meer in bezit was van verzoekster. Deze aanbeveling werd opgevolgd in 2003.

De Nationale ombudsman deed in dit rapport tevens de aanbeveling om te bewerkstelligen dat de Belastingdienst in gevallen waarin geen nummer op het aangiftebiljet is afgedrukt en waarin de belastingplichtige heeft verzuimd zelf een rekeningnummer op te geven, de indiener van het biljet steeds in de gelegenheid stelt dit verzuim te herstellen. De minister liet de Nationale ombudsman in 2003 weten een breed onderzoek te zullen instellen naar de mogelijke aanpassingen in de werkwijze van de Belastingdienst om het aantal klachten op dit punt terug te dringen.

De staatssecretaris van Financiën heeft laten weten het Besluit van 16 maart 2001, nr. RTB2001/1081M, aan te passen in die zin dat de verrekening niet meer rauwelijks wordt toegepast maar dat de ontvanger het voornemen daartoe eerst bij de betrokken belastingplichtige aankondigt en hem of haar in de gelegenheid stelt zijn bezwaren en andere van belang zijnde omstandigheden naar voren te brengen. Indien niettemin wordt geconcludeerd tot een vordering van de Belastingdienst uit ongerechtvaardigde verrijking kan, wanneer aan enige voorwaarde is voldaan, aan betrokkene een overeenkomst worden aangeboden tot terugbetaling van de verrijking in termijnen (interventie).

De Belastingdienst ging in twee zaken er toe over om het bedrag van de teruggaaf alsnog op de door verzoeksters gewenste rekeningnummers over te maken (rapport 2003/369, met aanbeveling, NTFR 2003, nr. 1910 en rapport 2003/279, met aanbeveling, § 1.3.2.5; VN 2003, 46.23; NTFR 2003, nr. 1566; FUTD nr. 1591).

De Belastingdienst is alsnog tot de conclusie gekomen dat verzoekster toch in aanmerking diende te komen voor kwijtschelding (interventie).

De staatssecretaris van Financiën heeft de (interne) werkinstructie van de Belastingdienst die ziet op de klachtbehandeling en het rapport 2003/014 dat betrekking heeft op klachtafhandeling conform hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) onder de aandacht gebracht van de Belastingdienst (rapport 2003/014, met aanbeveling, FUTD 2003, nr. 0200; NTFR 2003, nr. 381; VN 2003, nr. 12.21).

De staatssecretaris van Financiën heeft het Handboek Klantenadministratie aangepast en daarin de bepaling opgenomen dat indien een belastingplichtige een ander schriftelijk wil machtigen, hij de Belastingdienst daarvan schriftelijk op de hoogte moet stellen (rapport 2003/033, met aanbeveling, FUTD 2003, nr. 0425; NTFR 2003, nr. 456).

De staatssecretaris van Financiën heeft Domeinen bij brief laten weten er bij verkoop via een makelaar op toe te zien dat de verkoop op adequate wijze wordt gepubliceerd in één of meer landelijke dagbladen en in één of meer regionale dagbladen en presentexemplaren van de betreffende dagbladen in het verkoopdossier te bewaren (rapport 2003/346).

4.2.7 Op het gebied van defensie

Ten aanzien van de Koninklijke Marechaussee

In rapport 2003/308 deed de Nationale ombudsman de minister van Defensie een aanbeveling met betrekking tot het bij de ontvangstbevestiging van klachten over de Koninklijke Marechaussee toegezonden informatieblad. Dit informatieblad vermeldt dat, als er na het onderzoek nog onduidelijkheden of tegenstrijdigheden zijn, de klager kan worden gevraagd om een (mondelinge of schriftelijke) reactie op de bevindingen van de onderzoeker of op de verklaring van de betrokken ambtenaar te geven. Dit strookt niet met de inhoud van artikel 10 van de Klachtenregeling politietaken Koninklijke Marechaussee/krijgsmacht. Immers, de klager dient, gelet op dit artikel, altijd in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. De Nationale ombudsman gaf de minister van Defensie, gelet op het belang van de hoorplicht, in overweging het informatieblad te wijzigen met inachtneming van het voorgaande. Bij brief van 12 december 2003 deelde de minister van Defensie mee de aanbeveling op te volgen en het informatieblad conform artikel 10 van de voornoemde Klachtenregeling te wijzigen.

4.2.8 Op het gebied van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer

In rapport 2003/276 gaf de Nationale ombudsman de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu in overweging om in, door het secretariaat van de huurcommissie te verzenden uitnodigingen voor zittingen van de huurcommissie ingevolge artikel 25a, derde lid Huurprijzenwet, partijen te informeren over de mogelijkheid dat ingevolge het bepaalde in het vijfde lid van artikel 25a Huurprijzenwet het onderliggende geschil tijdens de zitting door de huurcommissie zal worden behandeld. De aanbeveling is opgevolgd.

4.2.9 Op het gebied van economische zaken

De Kamer van Koophandel Amsterdam heeft de aanbeveling uit rapport 2002/393 om in het handelsregister als deponeringsdatum van de jaarstukken van rechtspersonen de datum van ontvangst en niet de datum van de verwerking van de stukken op te voeren in januari 2003 opgevolgd.

4.2.10 Op het gebied van sociale zekerheid en werkgelegenheid

In rapport 2002/344 (Jaarverslag 2002, blz. 499 e.v.) was de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de aanbeveling gedaan om te bevorderen dat klachtafhandeling geschiedt in overeenstemming met de artikelen 9:10 en 9:12 van de Awb. De minister liet de Nationale ombudsman in 2003 weten dat de aanbeveling was opgevolgd, in die zin dat de schriftelijk vastgelegde interne klachtafhandelingsprocedure was aangevuld met de onderwerpen telefonisch horen en de informele wijze van klachtafhandeling.

Naar aanleiding van een klacht van verzoekers over het optreden van de Arbeidsinspectie na een melding van vermoedelijke asbestblootstelling heeft de Arbeidsinspectie een vijftal maatregelen genomen om een mogelijke herhaling in de toekomst te voorkomen (rapport 2003/444, met instemming).

In rapport 2003/340 nam de Nationale ombudsman met instemming kennis van het feit dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verder UWV) voortaan voor het indienen van een aanvraag om een toeslag op grond van de Toeslagenwet door (voormalig) overheidspersoneel gebruik maakt van een daartoe bestemd aanvraagformulier.

In rapport 2002/361 (RSV 2003, nr. 43; Jaarverslag 2002, blz. 504 e.v.) was het UWV de aanbeveling gedaan om in voorkomende gevallen een klacht over de overschrijding van een termijn waarbinnen een besluit moet worden genomen in behandeling te nemen conform hoofdstuk 9 Awb. Deze aanbeveling werd opgevolgd in 2003 en de nieuwe beleidslijn is verwerkt in het werkproces.

In rapport 2002/379 (JB 2003, nr. 64; Jaarverslag 2002, blz. 505 e.v.) deed de Nationale ombudsman het UWV Eindhoven de aanbeveling alsnog de klachtbrieven van een verzoeker inhoudelijk te beantwoorden. Deze aanbeveling werd opgevolgd in 2003.

Het UWV Vlaardingen heeft verzoeker na afronding van de klachtprocedure alsnog uitgenodigd voor gesprek om zijn klacht nader toe te lichten (rapport 2003/171, met instemming).

In rapport 2002/399 (RSV 2003, nr. 72; Jaarverslag 2002, blz. 508) was het UWV de aanbeveling gedaan aan verzoekster een berekening te verstrekken van het bedrag dat verzoekster netto zou hebben ontvangen, indien haar uitkering tijdig zou zijn uitbetaald door het UWV. Uiteindelijk leidde overleg tussen partijen, met tussenkomst van de Nationale ombudsman, er toe dat er tussen het UWV en verzoekster overeenstemming werd bereikt over een aan haar toe te kennen bedrag aan schadevergoeding van € 1435. Gelet hierop had verzoekster geen belang meer om gegevens van het UWV te verkrijgen. De Nationale ombudsman beschouwde daarmee de aanbeveling als opgevolgd.

Het UWV gaat de werkbriefjes in januari 2004 vervangen door een verbeterde versie (interventie).

Het UWV stelt in 2004 één uniforme regeling op voor de gehele UWV-organisatie met betrekking tot het beheer en het gebruik van medische gegevens in de bezwaar- en beroepsprocedures (rapport 2003/168, met aanbeveling, JSV 2003, nr. 170; RSV 2003, 248).

In rapport 2002/142 (Jaarverslag 2002, blz. 510 en 511) was het UWV de aanbeveling gedaan om de tekst van zijn klachtenbrochure («Ik heb een klacht») in overeenstemming te brengen met het gestelde in artikel 9:10 Awb. Deze aanbeveling werd opgevolgd in 2003.

Het UWV ging in een vijftal zaken alsnog over tot uitbetaling van de door de betrokkenen geclaimde kosten (interventies).

De Sociale verzekeringsbank (verder SVB) Zaandam heeft alsnog een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot het teveel betaalde bedrag aan wezenpensioen aan verzoekster en besloten van de terugvordering op verzoekster af te zien en aan verzoekster te restitueren hetgeen reeds was voldaan (rapport 2003/039, met aanbeveling, RVS 2003, nr. 127).

De SVB gaat de interne instructies aanpassen in die zin dat aangegeven zal worden dat het met betrekking tot het uitblijven van besluiten mogelijk is zowel een klacht in te dienen als een bezwaarprocedure te starten, eventueel gevolgd door een beroep op de rechter (rapport 2003/035, met aanbeveling, RSV 2003, nr. 126).

Ter nadere uitvoering van de aanbeveling gedaan in rapport 2002/153 (Jaarverslag 2002, blz. 516) deelde de minister van Justitie in 2003 mee dat er afspraken waren gemaakt tussen de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam en de Raad van bestuur van de SVB over een zodanige afwikkeling van klachten over buitengewoon opsporingsambtenaren, dat de termijnen van de Awb voor klachtafwikkeling door de SVB kunnen worden nageleefd. Deze afspraken zijn vastgelegd in de «Procedure afstemming afhandeling klachten over buitengewoon opsporingsambtenaren SVB», ingaande 1 juli 2003.

De Centrale organisatie werk en inkomen (verder CWI) heeft de website aangepast en de zogenaamde disclaimer niet meer onder het privacy statement geplaatst maar een afzonderlijke plaats gegeven op de website (interventie).

CWI Rotterdam heeft alsnog een aanvraag voor een (aanvullende) bijstandsuitkering in behandeling genomen (interventie).

Naar aanleiding van vragen die de Nationale ombudsman de CWI had gesteld over een tweetal folders van de CWI, deelde de CWI de Nationale ombudsman in 2003 mee dat de inhoud van die folders zou worden gewijzigd. De brochure «Dat is toch geen manier van doen? Op uw klacht wordt altijd gereageerd» wordt aangepast en daarin wordt de tekst opgenomen dat tegen het verlenen van de ontslagvergunning altijd een klacht kan worden ingediend bij de CWI.

Ook wordt de brochure «Ontslag De procedure» aangepast, omdat daarin niet duidelijk stond vermeld dat er eerst een interne klachtprocedure moet worden gevolgd, voordat de Nationale ombudsman kan worden ingeschakeld.

4.2.11 Op het gebied van volksgezondheid, welzijn en sport

In rapport 2000/105 (Jaarverslag 2000, blz. 355 e.v.; JB 2000, 154; TvG 2000, 71) gaf de Nationale ombudsman de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overweging om in overleg met de betrokken beroepsgroepen tot een plan van aanpak te komen, dat er op is gericht dat de beroepsgroepen zich alsnog uitspreken over therapieën waarbij hervonden herinneringen een rol spelen. De Nationale ombudsman gaf de minister tevens in overweging om te bezien of het wenselijk is in bedoeld plan de mogelijkheden te betrekken voor hulp aan personen die onder enige vorm van psychotherapie tot verdrongen of hervonden incestherinneringen zijn gekomen.

De aanleiding voor het rapport van de Nationale ombudsman was een klacht van de Werkgroep Fictieve Herinneringen, opgericht door een aantal ouders die stelden door hun kind ten onrechte van incest te zijn beschuldigd. Deze beschuldigingen werden steeds geuit nadat de betrokken – inmiddels volwassen – kinderen een vorm van (psycho)therapie hadden ondergaan, in welk kader herinneringen aan vele jaren geleden ondergane incest naar boven zouden zijn gekomen. Steeds duidelijker werd dat de beroepsgroepen onderling verdeeld bleven over het waarheidsgehalte van via therapie «hervonden» incestherinneringen.

In reactie op de aanbeveling van de Nationale ombudsman liet de minister destijds weten de Gezondheidsraad om advies te vragen over de stand van de wetenschap ten aanzien van deze herinneringen. Eind januari 2004 bracht de Gezondheidsraad zijn advies uit aan de minister. De Nationale ombudsman heeft de minister inmiddels verzocht hem over de verdere stappen te informeren.

Rapport 2002/391 werd uitgebracht naar aanleiding van een klacht over een gedraging van het Zorgkantoor Amsterdam, welke gedraging diende te worden aangemerkt als een gedraging van OVM Univé Zorg u.a. De klacht betrof de door het zorgkantoor toegestuurde facturen eigen bijdrage Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (verder AWBZ) en de daarover verstrekte informatie. In mei 2003 liet Univé Zorg weten de aanbeveling op te volgen en op de facturen eigen bijdrage AWBZ expliciet te vermelden dat bij vragen over de factuur telefonisch contact kan worden opgenomen met het zorgkantoor onder vermelding van het desbetreffende telefoonnummer.

In de zaak die leidde tot rapport 2003/030 klaagde verzoeker erover dat zijn zorgverzekeraar VGZ Zorgverzekeraar hem in 2001 niet adequaat heeft geïnformeerd over de kosten die hij zelf zou moeten betalen indien hij instemde met behandeling in een bepaalde privé-kliniek. Door alleen aan te geven dat hotelkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, heeft VGZ Zorgverzekeraar onvoldoende duidelijk gemaakt dat de kosten voor verzoekers overnachting na een operatie in een zelfstandig behandelcentrum voor verzoekers rekening kwamen.

De Nationale ombudsman gaf VGZ Zorgverzekeraar in overweging de informatieverstrekking over het niet-gedekt zijn van de kosten voor overnachtingen in zelfstandige behandelcentra te verbeteren en om verzoeker – uit overwegingen van coulance en bij wijze van uitzondering – alsnog de kosten te vergoeden voor zijn overnachting in het behandelcentrum. Op 17 maart 2003 liet VGZ Zorgverzekeraar weten de aanbeveling op te zullen volgen.

In rapport 2003/479 klaagde verzoekster er allereerst over dat de William Schrikker Stichting geen uitvoering had gegeven aan de beslissing van de directeur van de stichting om een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar verzoeksters geschiktheid als pleegouder. Daarnaast klaagde verzoekster over de eenzijdige en onvolledige wijze waarop de stichting het Steunpunt Pleegzorg Amstelstad over haar heeft geïnformeerd in verband met verzoeksters aanmelding als pleegouder daar. De Nationale ombudsman was van oordeel dat de brief waarin de stichting informatie over verzoekster verstrekte ernstige aantijgingen bevatte die onvoldoende onderbouwd waren met feiten en op gespannen voet stonden met de uitspraak van de Interne Klachtencommissie waarbij verzoeksters klachten gegrond werden bevonden.

De WiIliam Schrikker Stichting werd in overweging gegeven alsnog uitvoering te geven aan de beslissing van de directeur van de stichting om een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar verzoeksters geschiktheid als pleegouder. Daarnaast werd de WiIliam Schrikker Stichting in overweging gegeven aan het Steunpunt Pleegzorg Amstelstad alsnog de uitspraak van de Interne Klachtencommissie toe te sturen, en daarbij mee te delen dat de uitspraak aanleiding vormde voor de directeur van de stichting om naar de geschiktheid van verzoekster een onafhankelijk onderzoek te (laten) uitvoeren. Op de aanbevelingen werd in het verslagjaar nog niet gereageerd.

4.2.12 Op het gebied van de waterschappen

In vier zaken nam het waterschap alsnog een beslissing op de bezwaarschriften dan wel deed het waterschap een voorstel voor de schadeclaims en de restitutie van teveel betaalde belastinggelden (interventies).

Het waterschap is alsnog de afspraak met verzoeker nagekomen en heeft bij verzoekers buurvrouw schriftelijk aangegeven dat het waterschap het uit een oogpunt van een goede afwatering noodzakelijk achtte dat een bepaalde duiker op haar perceel zou worden verwijderd (rapport 2003/191, met aanbeveling).

Het waterschap heeft een gebrek in de motivering van de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding alsnog hersteld (interventie).

In twee zaken liet het betrokken waterschap weten de aanmaningskosten van € 4 te laten vervallen (interventies).

4.2.13 Op het gebied van de provincies

Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft laten weten dat de interne klachtbehandeling door de provincie voortaan zal plaatsvinden binnen de termijnen genoemd in hoofdstuk 9 Awb en, wanneer dit toch niet mogelijk blijkt te zijn, de indiener van een klacht daarvan in kennis te stellen met vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de klacht alsnog zal worden afgehandeld (rapport 2003/012, met aanbeveling).

Naar aanleiding van een krantenartikel, waarin aandacht werd gevraagd voor «een ware slachting» onder broedende weidevogels in het recreatiegebied Vlietland veroorzaakt door maaimachines in opdracht van de provincie Zuid-Holland, deed de Nationale ombudsman bij de provincie navraag naar de omvang en oorzaak van dit voorval. Naar aanleiding van de mededeling van de provincie dat zij de aannemer die belast was met het maaien in het recreatiegebied de Vlietlanden had gewezen op de Flora- en faunawetgeving en een maatregel had getroffen om te helpen voorkomen dat zich in de toekomst weer een dergelijk voorval zal voordoen, sloot de Nationale ombudsman het dossier.

4.2.14 Op het gebied van de gemeenten

De gemeente Purmerend heeft naar aanleiding van een klacht dat ten onrechte was nagelaten betrokkene de ontvangst van zijn klacht schriftelijk te bevestigen, het proces van het verzenden van ontvangstbevestigingen aangepast (rapport 2003/060, met instemming, JG 2003, nr. 0119).

De gemeente Lingewaard heeft de Verordening Klachtbehandeling van haar gemeente in overeenstemming gebracht met hoofdstuk 9 Awb (rapport 2003/166, met aanbeveling).

Naar aanleiding van een klacht van een verzoekster dat niet was gebleken dat er een dossier ter inzage was waaruit duidelijk zou worden wat de leerplichtambtenaar had gedaan, nadat hij was geïnformeerd over de verwijdering van verzoeksters zoon van school, heeft de gemeente Haarlemmermeer erkend dat de dossiervorming in dit geval te wensen had overgelaten. De dossiervorming is aangepast (rapport 2003/395, met instemming).

De gemeente Haarlemmermeer heeft de gemeentelijke klachtenregeling aangepast aan hoofdstuk 9 Awb (rapport 2003/122, met aanbeveling, JB 2003, nr. 222).

De gemeente Schiermonnikoog zal de inwoners van de gemeente door middel van een in de gemeente verschijnend blad alsmede in een huis-aan-huisblad attenderen op het feit dat de gemeente zich per 1 januari 2002 heeft aangesloten bij de Nationale ombudsman als externe klachtvoorziening (rapport 2003/ 063, met instemming, JG 2003, nr. 0120).

De gemeente Weststellingwerf heeft verzoekers bezwaarschrift na tussenkomst van de Nationale ombudsman alsnog met voorrang afgehandeld. Om te voorkomen dat zich telkens nieuwe gevallen zouden voordoen die buiten de beslistermijn zouden worden afgehandeld, heeft de gemeente besloten de nieuwe bezwaarschriften voortaan tijdig af te doen, en de bestaande achterstand van oude bezwaarschriften met extra mankracht in het verslagjaar weg te werken (interventie).

De gemeente Haarlem was tot de vaststelling gekomen dat een in de loop van 1999 ingetreden beleidswijziging voor de berekening van de grondprijs weliswaar volgens bestuurlijke afspraken had plaatsgevonden, maar minder scherp in de tijd kon worden afgebakend De gemeente heeft verzoeker alsnog een nieuw koopaanbod gedaan op basis van de systematiek zoals die in 1998 gold (interventie).

De gemeente Leeuwarden erkende dat verzoekster schade had geleden als gevolg van de wijze van afhandeling van de aangifte van verhuizing van verzoekster, die niet zou zijn ontstaan als er door de gemeente in deze aangelegenheid adequater was opgetreden. De gemeente heeft aan verzoekster de door haar geleden financiële schade vergoed van € 50 (interventie).

De gemeente Apeldoorn heeft aan verzoeker alsnog een onkostenvergoeding toegekend voor de periode van ruim drie maanden dat hij als beoogd, maar niet benoemd, voorzitter van de Cliëntenraad actief was geweest (rapport 2003/081, met aanbeveling).

De gemeente Gulpen-Wittem heeft het besluit genomen om handhavend te gaan optreden tegen illegale ondernemingsactiviteiten van de buurman van verzoekers, die hebben geleid tot rattenoverlast alsmede aan verzoekers verontschuldigingen aangeboden voor de duur van dit handhavingstraject (interventie).

De gemeente Dronten heeft alsnog besloten om een bepaald weggedeelte binnen de gemeente met ingang van het winterseizoen 2003/2004 mee te nemen in het strooiprogramma. Directe aanleiding voor de klacht van verzoeker was een fietsongeval van zijn dochter in de afgelopen winter op een glad wegdek waarvan de gemeente wegbeheerder is (interventie).

De gemeente Bergh heeft alsnog een onderzoek gedaan naar de feitelijke woonsituatie van verzoeker ten tijde van de indiening van de aanvraag tot kwijtschelding voor 2001 en aan verzoeker alsnog kwijtschelding verleend.

Voorts heeft de gemeente laten weten de kwijtscheldingsregeling te zullen wijzigen, aldus dat degenen die voor kwijtschelding in aanmerking komen niet eerst de betreffende belastingschuld of een deel daarvan hoeven te betalen (rapport 2003/188, met aanbeveling).

5 NATIONALE OMBUDSMAN EN OMGEVING

5.1 Staten-Generaal

Op 19 maart 2003 werd het jaarverslag 2002 aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Naar aanleiding van het jaarverslag vond op 16 april het gebruikelijke overleg plaats met de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het jaarverslag 2002 werd op 27 augustus behandeld in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer. De tijdens de plenaire vergadering gestelde kamervragen zijn door de betrokken bewindslieden deels schriftelijk beantwoord. Een novum dit jaar was dat op verzoek van de Tweede Kamer minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie mevrouw drs. M. C. F. Verdonk aanwezig was bij de parlementaire behandeling.

In de loop van het jaar voerde de Nationale ombudsman kennismakingsgesprekken met verscheidene bewindslieden en de nieuwe voorzitter van de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw S. E. A. Noorman-Den Uyl, en met de woordvoerders voor ombudsmanaangelegenheden van een aantal fracties uit de Tweede Kamer.

5.2 Bestuursorganen en andere instanties

In 2003 werden wederom verschillende bijeenkomsten georganiseerd met de contactambtenaren van de Nationale ombudsman waarbij de ambtsdragers en onderzoekers van het bureau aanwezig waren. Zo vond op 13 mei een bijeenkomst ten kantore van de Nationale ombudsman plaats voor de contactambtenaren van de Belastingdienst. Op respectievelijk 15 mei (Heerenveen), 19 juni (Amersfoort), 3 juli (Tilburg) en 2 oktober (Haarlem) vonden de jaarlijkse bijeenkomsten plaats met de contactambtenaren van de provincies, de waterschappen, de bij de Nationale ombudsman aangesloten gemeenten en de gemeenschappelijke regelingen.

Op 30 juni vond de jaarlijkse bijeenkomst met de gemeentelijke ombudsmannen plaats op het Bureau van de Nationale ombudsman.

De Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman werden op 13 november ontvangen tijdens de overlegvergadering van de minister van Justitie en het College van procureurs-generaal.

In de loop van het jaar hebben verschillende overleggen plaatsgevonden. Zo had de Nationale ombudsman op 20 maart een kennismakingsgesprek met de heer mr. H. P. Heida, directeur constitutionele zaken en wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en ontving hij op 16 juni de heer A. Brouwer en mevrouw Scheepers van de Taakorganisatie Vreemdelingenzorg. Voorts ontvingen de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman de heer Joustra van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en maakten ze kennis met de nieuwe hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de heer drs. P. W. A. Veld. Op 25 augustus vond het jaarlijkse gesprek tussen de Nationale ombudsman en de Minister-President plaats. Mevrouw Prins van de Stichting de Ombudsman sprak op 14 oktober met de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman.

Ten slotte kan hier het gezamenlijk overleg van de Vice-President van de Raad van State, de President van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman worden vermeld. Dit overleg heeft ook dit jaar verschillende malen plaatsgevonden ter vergroting en verbetering van de kwaliteit en doelmatigheid van het werk van elk college.

5.3 Voorlichting

5.3.1 Publieksvoorlichting

De Nationale ombudsman heeft beleid vastgesteld voor de voorlichting aan het algemeen publiek en relevante (rechts)hulpverleners. Vanaf het Jaarverslag 1999 wordt hieraan ieder jaar aandacht besteed. Het streven om – naast free publicity – op een structurele manier vormen van betaalde communicatie in te zetten heeft in de Tweede Kamer weerklank gevonden en is in de zomer van 2000 ondersteund door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Vanaf het jaar 2001 is voor drie jaar een budget toegekend om de (juiste) bekendheid en «vindbaarheid» van de Nationale ombudsman voor burgers te vergroten. De minister heeft daarbij verzocht om na twee jaren een uitgebreide evaluatie op te stellen. In het begin van het verslagjaar is dit gebeurd. De evaluatie had betrekking op externe effecten, zoals de bekendheid van de Nationale ombudsman, en respons aan telefonische vragen en klachtinstroom. De conclusies van deze evaluatie zijn al opgenomen in Jaarverslag 2002, blz. 54–55. In § 1.4.2 wordt er eveneens kort aandacht aan besteed. Naar verwachting beslist het kabinet in het voorjaar van 2004 over structurele toekenning van het budget.

Een kernbegrip in de voorlichtingsaanpak richting het algemeen publiek is het verbeteren van de «vindbaarheid» van de Nationale ombudsman. Om «vindbaar» te zijn, is het noodzakelijk dat mensen weten van het bestaan van de Nationale ombudsman. Of anders geformuleerd: spontane naamsbekendheid is een belangrijke voorwaarde voor «vindbaarheid». Een complicerende factor voor spontane naamsbekendheid is, dat iemand de rechtsbescherming die de Nationale ombudsman biedt zeer waarschijnlijk maar een enkele keer in zijn leven nodig heeft. Er is dus geen reden om kennis daarover voortdurend paraat te hebben. Een gevolg daarvan is dat het vergroten van de spontane naamsbekendheid van de Nationale ombudsman een zaak van lange adem zal zijn. De «vindbaarheid» van de Nationale ombudsman moet zo optimaal mogelijk onderhouden worden. Als mensen naar hem op zoek gaan, moet informatie op voor de hand liggende plaatsen beschikbaar zijn. De website op internet speelt daarin een steeds belangrijker rol. Van belang is ook dat bestuursorganen op een juiste manier informatie beschikbaar stellen over de (mogelijkheid van een) externe klachtprocedure bij de Nationale ombudsman en de (rechts)hulpverleners goed op de hoogte zijn van het werkterrein en de werkwijze van de ombudsman.

Andere kernbegrippen in de voorlichtingsaanpak zijn juiste bekendheid en efficiëncy. De regels voor de bevoegdheid en ontvankelijkheid van de Nationale ombudsman zijn zo complex, dat van burgers niet zonder meer kan worden verwacht dat zij zelfstandig kunnen beoordelen of zij met hun probleem of klacht bij hem terechtkunnen. Het is daarom belangrijk dat mensen die overwegen om de ombudsman in te schakelen, eerst telefonisch contact zoeken. Dat voorkomt dat zij vergeefs de moeite nemen om uitgebreid een brief te schrijven. Aan de telefoon kunnen medewerkers van het frontoffice bepalen of iemand zijn klacht kan indienen of dat verwijzing op zijn plaats is. Door in de voorlichtingsmiddelen expliciet te wijzen op een (gratis) telefoonnummer wordt niet alleen gestreefd naar een klantvriendelijke aanpak, maar ook naar een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering: zo veel mogelijk telefonisch doorverwijzen en minder «buitenwettelijke» verzoekschriften. Uiteraard gaat het hier om een streven dat door de inzet van voorlichting zoveel mogelijk ondersteund wordt. Wat mensen uiteindelijk besluiten te doen, bellen of toch direct schrijven, is aan hen.

In 2001 is landelijk een Postbus 51 campagne gevoerd en in 2002 in vijf provincies. In het verslagjaar heeft vanaf 8 september 2003 gedurende zes weken opnieuw landelijk via Postbus 51 een campagne gelopen. De in 2001 ontwikkelde televisie- en radiospot zijn daarvoor ingezet. Alleen de publieksbrochure en poster zijn aangepast. Als experiment heeft via een aantal sites van RTL «webvertising» plaatsgevonden via een banner en een advertentie.

Evaluatie Postbus 51 campagne

De Postbus 51 campagne van 2003 is – net als voorgaande campagnes – langs drie sporen geëvalueerd:

– de externe evaluatie van het bereik en de waardering van de campagne en het effect op de bekendheid van de Nationale ombudsman (via het zogeheten trackingonderzoek van Postbus 51 campagnes, onder begeleiding van de Rijksvoorlichtingsdienst/directie Publiek en Communicatie);

– de meting van de respons op de campagne aan de telefoon (aantal en aard van de vragen);

– de meting van de schriftelijke instroom (aantal en type verzoekschriften).

Op het moment van het schrijven van dit jaarverslag is nog niet op alle onderdelen een volledige evaluatie mogelijk. De rapportage van het trackingonderzoek is in concept opgeleverd. De evaluatie van de instroom aan telefonische vragen bij het frontoffice tijdens en vlak na de campagne is afgerond. Dit geldt ook voor de instroom en het type verzoekschriften. De registratie van de aard van de klachten ijlt na, een evaluatie daarvan is dus nog niet mogelijk. Hier wordt volstaan met een korte beschrijving van de uitkomsten.

De resultaten van de externe evaluatie zijn vergelijkbaar met die van de eerste Postbus 51 campagne in 2001. Uit het concept trackingonderzoek komt het volgende beeld naar voren:

– de spontane naamsbekendheid van de Nationale ombudsman ligt in de nameting significant hoger dan in de voormeting (17% versus 7%, door een wijziging in onderzoeksmethode is een vergelijking van de spontane bekendheid met 2001 niet mogelijk);

– de functiebekendheid is toegenomen. Na de campagne zegt 42% van het algemeen publiek dat de Nationale ombudsman zich bezighoudt met het behandelen van klachten/helpen bij problemen rond overheidszaken versus 31% voor de campagne. Toch blijft er onduidelijkheid bestaan over de functie van de ombudsman: de meningen zijn verdeeld over de stellingen «de Nationale ombudsman is er alleen voor klachten over de overheid» en «de Nationale ombudsman kan je helpen als de wasmachine kapot is»;

– ongeveer de helft van de respondenten ziet de Nationale ombudsman als een instantie waar ook zij terecht kunnen. De campagne heeft die houding niet beïnvloed;

– de persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp «Nationale ombudsman» is laag te noemen;

– de zogenoemde geholpen herinnering van de campagne is laag vergeleken met andere Postbus 51 campagnes;

– de boodschap van de campagne is goed overgekomen bij de mensen die door de campagne zijn bereikt: de helft van deze respondenten is het er (helemaal) mee eens dat de campagne laat zien hoe je de Nationale ombudsman kunt bereiken en dat iedereen bij hem terecht kan voor klachten over de overheid;

– met een waardering van 6,4 scoort de campagne lager dan de andere Postbus 51 campagnes. Opvallend is dat de televisie- en radiospots hoger worden gewaardeerd dan de campagne in zijn geheel;

– op de aspecten «informatief» en «geloofwaardig» scoort de campagne conform de benchmark, vergeleken met andere campagnes wordt hij iets irritanter, minder duidelijk en minder mooi gevonden.

De meting van de directe respons aan telefonische vragen naar aanleiding van de campagne bij het frontoffice laat de volgende resultaten zien. Er is tijdens de campagnemaanden sprake van een forse toename in het aantal telefonische vragen. In de eerste maand zijn ruim twee keer zoveel vragen geregistreerd (1362) en in de tweede maand bijna drie keer zoveel (3925) dan het gemiddelde in de maanden daarvoor. Na deze «pieken» daalt het aantal geleidelijk weer. Verder neemt tijdens de campagne het percentage zogeheten buitenwettelijke vragen af en wordt bovendien meer gebeld over overheidsinstanties waarover de Nationale ombudsman niet bevoegd is, zoals gemeenten die niet zijn aangesloten.

De instroom aan schriftelijke klachten ontwikkelde zich als volgt. In de eerste campagnemaand werden 1023 verzoekschriften ontvangen (een derde meer dan het gemiddelde in de maanden daarvoor) en in de tweede maand 1349 verzoekschriften (75% meer) en in de eerste maand na de campagne 1025 (een derde meer). In december is sprake van iets minder dan 900 verzoekschriften.

Bij vergelijking van deze Postbus 51 campagne en de eerste in 2001 komt naar voren dat de stijging en de daling aan telefonische vragen en verzoekschriften bij de laatste campagne sneller is verlopen. Een mogelijke oorzaak is dat de campagne in 2003 korter duurde (zes weken in plaats van acht) maar wel hetzelfde aantal uitzendmomenten kende.

De conclusies die uit de externe evaluatie en responsmeting zijn te trekken, liggen in dezelfde lijn als de conclusies uit de twee eerste campagnes (zie ook Jaarverslag 2002, § 1.4.1). Die luiden dat de Nationale ombudsman door de campagnes beter vindbaar is (meer mensen weten hem te vinden) en juister bekend is (meer mensen weten dat de Nationale ombudsman gaat over klachten of problemen met de overheid). Opvallend is, dat deze laatste campagne voor het eerst een stijging laat zien de in spontane naamsbekendheid van de Nationale ombudsman (meer mensen geven het juiste antwoord op de vraag bij welke instantie men terecht kan met klachten over de overheid).

5.3.2 Overige activiteiten

Overige activiteiten op het terrein van externe communicatie van de Nationale ombudsman hadden te maken met de begeleiding van het klanttevredenheidsonderzoek (zie § 1.4.4), de aanpassing van de correspondentie tussen de Nationale ombudsman en verzoekers, de website en de huisstijl.

Modelbrieven bij klachtbehandeling

Begrijpelijke teksten zijn om verschillende redenen juist voor de Nationale ombudsman van groot belang. Ten eerste omdat begrijpelijkheid van zijn teksten een voorwaarde is om zijn functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De Nationale ombudsman biedt immers rechtsbescherming aan burgers die problemen hebben met de overheid. Vanuit deze functie is het noodzakelijk dat de Nationale ombudsman zich positioneert als een laagdrempelige, toegankelijke organisatie. Daarnaast is het evident dat een organisatie die oordeelt over onder meer de informatieverstrekking van (andere) overheidsorganisaties, zelf hoge eisen moet stellen aan de kwaliteit van haar eigen informatieverstrekking.

In 2003 is er een belangrijke impuls gegeven aan het verbeteren van de kwaliteit van de schriftelijke communicatie van de Nationale ombudsman met klagers (en intermediairs). Halverwege het jaar is een nieuw modelbrievensysteem geïmplementeerd ter vervanging van de oude bouwstenensystematiek. Het modelbrievensysteem is ontwikkeld met een tweeledig doel. Niet alleen moesten de brieven bekeken worden op helderheid en toegankelijkheid, ook was er intern behoefte aan een gebruiksvriendelijker systeem. De voordelen van de nieuwe modelbrieven zijn dus divers: de briefteksten lopen beter en dragen bij aan een uniforme uitstraling en efficiency in het werkproces.

Ter voorbereiding zijn in 2002 briefteksten voor burgers met behulp van externe deskundigheid van de Universiteit van Tilburg herschreven. De brieven zijn zodanig (her)schreven dat zij niet alleen voldoen aan eisen van juridische correctheid, maar ook beantwoorden aan het doel waarvoor ze zijn geschreven: de doelgroep iets vertellen of uitleggen. Er is een aantal uitgangspunten geformuleerd voor het herschrijven van alle brieven. Deze uitgangspunten hebben betrekking op de gewenste toon van de brieven, bepaalde formuleringen, de afsluiting en het gebruik van sentimenten, zoals «helaas» en «het spijt mij». Met name de gemaakte keuze voor een zakelijke toonzetting is van belang voor de manier waarop de brieven eruit zien. De Nationale ombudsman is een zakelijke organisatie en geen belangenbehartiger. Dus: zakelijk en respectvol, en zo persoonlijk als mogelijk.

In aansluiting op de aanpassing van de correspondentie met verzoekers is de toon en stijl van de algemene publieksfolder onder de loep genomen. Voorafgaand aan de start van de Postbus 51 campagne in september 2003 is de nieuwe publieksfolder in gebruik genomen. Daarnaast zijn in het verlengde van de ontwikkeling van modelbrieven twee nieuwe folderteksten opgesteld. Eén die bedoeld is voor mensen die een verzoekschrift hebben ingediend en die meer uitleg geeft over hoe de Nationale ombudsman te werk gaat (zie ook § 1.4.4). En één voor mensen die een buitenwettelijke klacht hebben ingediend, die meer inzicht biedt in de bevoegdheid van de Nationale ombudsman.

Internet

Net als in voorgaande jaren was er in 2003 weer sprake van een toename in het aantal gebruikers van de website van de Nationale ombudsman. Het gemiddeld aantal bezoekers per dag was 1470 (2002: 950). Voor een deel was hier sprake van een effect op de Postbus 51 campagne, maar ook in de maanden voor de campagne was er al sprake van een «autonome» groei naar gemiddeld ruim 1350 per dag. In de Postbus 51 campagne is voor meer informatie gewezen op de website van de Nationale ombudsman. Het effect hiervan is duidelijk merkbaar: het aantal bezoekers van de website neemt tijdens de campagnemaanden flink toe en verhoudingsgewijs vooral het aantal raadplegingen van het publieksdeel van de site. Bezochten voor de campagne gemiddeld 5800 mensen per maand dit deel van de site, in de twee campagnemaanden waren dat er ruim 8000 en 10 000.

De website is inmiddels een onmisbaar onderdeel in het voorlichtingsbeleid van de Nationale ombudsman. Het aantal mensen dat op de site komt, neemt gestaag toe. Daarnaast is het zo dat uit allerlei onderzoeken blijkt dat mensen in Nederland steeds vaker via internet hun informatie zoeken. Aan het eind van het verslagjaar is een begin gemaakt met de aanpassing van de site in vervolg op het gebruikersonderzoek dat in 2002 is uitgevoerd (zie Jaarverslag 2002 blz. 113–114).

Aanpassing huisstijl

Al sinds 1982 maakt het Bureau Nationale ombudsman gebruik van dezelfde huisstijl, zonder dat daar ooit iets aan is veranderd. Na meer dan 20 jaar doorstaat de huisstijl echter niet meer de tand des tijds. Het logo levert nogal eens problemen op bij digitale toepassingen, kopieerwerk en drukwerk. Bovendien heeft het logo een wat ouderwets aanzien gekregen. In het verslagjaar is de huisstijl geactualiseerd, zodanig dat de herkenbaarheid van het logo gewaarborgd blijft.

Op een aantal onderdelen is een aanpassing doorgevoerd. In het kleurgebruik is de koele, ijsblauwe kleur vervallen. De kleur geel, die in 2001 met de publiekscampagnes is geïntroduceerd, is nu ook in het logo verwerkt samen met de al gebruikte donkerblauwe kleur. De kleur geel geeft de organisatie een vriendelijker, toegankelijker aanzien. Verzoekers zien vanaf nu in alle uitingen van de Nationale ombudsman dezelfde kleuren terugkomen. Om misverstanden te voorkomen over de schrijfwijze van de Nationale ombudsman is de juiste schrijfwijze nu ook in het logo opgenomen. Bovendien is de letter niet meer «vet». Iets minder opvallend is dat ook het vignet opnieuw is gestyled. De schaduwen zijn bijvoorbeeld niet meer gearceerd, zodat ze beter gekopieerd kunnen worden.

5.4 Buitenlandbeleid van de Nationale ombudsman

In het vorige jaarverslag heeft de Nationale ombudsman kenbaar gemaakt de internationale contacten te willen intensiveren. Hiermee geeft hij een uitbreiding aan de meer klassieke internationale activiteiten die voornamelijk bestaan uit het ontvangen van buitenlandse delegaties en het bezoeken van andere instellingen. De Nationale ombudsman heeft daarbij onderstreept dat de primaire taak van de Nationale ombudsman niet uit het oog mag worden verloren. Die is en blijft, het behandelen van klachten. Wanneer een buitenlands ombudsmaninstituut om samenwerking vraagt, zal dat dan ook selectief worden gehonoreerd. Dit nieuwe beleid komt tot uitdrukking in de medio 2003 geformuleerde visie (zie § 1.4.3), die luidt:

«Op initiatief van de Nederlandse regering, de Europese Unie of de Raad van Europa, dan wel op verzoek van het betrokken instituut ondersteunen van ombudsman- en vergelijkbare instituten, als bijdrage aan de vorming van goed bestuur, eerbiediging van de mensenrechten en versterking van de rechtsstaat, in Midden en Oost Europa, de Balkan en in landen waarmee Nederland historische banden heeft.»

Daarbij hanteert de Nationale ombudsman de beperking dat de samenwerking extern moet worden gefinancierd en dat het slechts verzoeken van instellingen uit de aandachtsgebieden mag betreffen. Die beperking die de Nationale ombudsman zich bij de uitvoering van zijn internationale beleid heeft gesteld, komt mede tot uitdrukking in de bij de visie behorende bedrijfsdoelstelling (zie § 1.4.3), die luidt:

«Capaciteit van het bureau inzetten voor het verrichten van activiteiten die passen bij deze visie, zodanig dat in elk geval de projectkosten extern worden gedragen.»

Er wordt aan de klassieke activiteiten dus een belangrijk nieuw element toegevoegd, namelijk het opzetten van een internationale samenwerking. In 2002 was al begonnen met de invulling hiervan en dit jaar is dit verder ontwikkeld. Mede dankzij de steun van de Nederlandse overheid zijn dit jaar met zowel de Tsjechische als Roemeense ombudsman samenwerkingsprojecten voorbereid.

De projecten omvatten de versterking en de verbetering van de interne processen van de organisaties en worden op medewerkerniveau uitgewerkt. Het project met de Tsjechische ombudsman is kleinschalig van opzet. Het beoogt enkele aspecten van het onderzoeksproces te optimaliseren voor de Tsjechische situatie. Dit geldt eveneens voor het in voorbereiding zijnde project met de Roemeens ombudsman.

De voorbereidende besprekingen in Brno, Tsjechië, en Boekarest, Roemenië, respectievelijk Den Haag, zijn gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit de gelden voor Departementale Initiatieven Pre-accessie. Voor de uitvoering van de projecten zal een bijdrage in het kader van het Matra-Programma van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden gevraagd. De aanvraag is voor wat betreft het Tsjechische project reeds ingediend, voor wat betreft het Roemeense project zal dit begin 2004 gebeuren.

De Nationale ombudsman heeft inmiddels ook zelf consequenties getrokken uit zijn nieuwe buitenlandbeleid. In het zicht van de implementatie van een eerste project met een buitenlands ombudsmaninstituut, heeft hij het noodzakelijk geacht om tot een stevige inbedding te komen van een organisatiestructuur voor de uitvoering van de internationale activiteiten. Daarbij heeft hij zich mede laten inspireren door de structuur van Algemene Rekenkamer waar men al vele jaren activiteiten in het buitenland ontplooit. De Nationale ombudsman heeft een coördinator buitenland aangewezen die verantwoordelijk is voor het opzetten en (doen) uitvoeren van alle internationale activiteiten.

5.5 Buitenlandse betrekkingen

Evenals in voorgaande jaren werden verschillende buitenlandse bezoekers ontvangen voor de overdracht van ervaringen en soms ook voor steun anderszins. De volgende personen werden ontvangen:

– op 4 maart bracht een groep van zes Tsjechische studenten een bezoek aan het bureau van de Nationale ombudsman;

– van 25 tot 28 maart bracht een delegatie van het bureau van de Tsjechische ombudsman een bezoek aan het kantoor van de Nationale ombudsman ter voorbereiding op een samenwerking;

– op 12 mei en 16 juni vond de jaarlijkse training plaats van medewerkers van de nationale ombudsmaninstituten uit Midden-Amerika, Afrika en Indonesië;

– van 12 tot en met 13 juni bracht de Roemeense ombudsman, de heer Ioan Muraru, een werkbezoek aan het kantoor van de Nationale ombudsman ter voorbereiding op een samenwerking;

– op 24 juni ontving de Nationale ombudsman een parlementaire delegatie uit Vietnam;

– op 11 augustus ontving de substituut-ombudsman professor Sunaryati Hartono, deputy chairman Indonesian Ombudsman Commission;

– op 6 november ontving de Nationale ombudsman een delegatie uit de Servische provincie Vojvodina, waaronder de lokale ombudsman, de heer Petar Teofilovic, en medewerkers van de UNDP uit die regio;

– op 6 en 7 november bracht de Griekse ombudsman, de heer Yorgos Kaminis een werkbezoek aan de Nationale ombudsman. Het werkbezoek stond vooral in het teken van mediation;

– de substituut-ombudsman ontving op 10 november een delegatie van de Office for Legal Affairs van de Bhutanese regering.

De volgende buitenlandse activiteiten vonden plaats:

– op 12 en 13 januari woonde de Nationale ombudsman een bijeenkomst bij van van de Raad van Europa op uitnodiging van de Commissioner for Human Rights Alvaro Gil-Robles;

– onderzoekers mevrouw J. de Bruijn en mevrouw E. Meijer brachten, op uitnodiging van de Raad van Europa, van 10 tot en met 12 maart 2003 een werkbezoek aan het bureau van de Ombudsman van de Republiek Albanië, in Tirana. Het programma voorzag in een kennismaking met de Ombudsman van Albanië, Prof. Dr. Ermir Dobjani, en met medewerkers van het Bureau;

– de Nationale ombudsman heeft op uitnodiging van zijn Russische ambtsgenoot, Oleg Mironov, van 24 tot 25 maart een werkbezoek gebracht aan diens kantoor in Moskou. Aansluitend bezocht de Nationale ombudsman tezamen met de Russische ombudsman op 26 maart de 22e regionale ombudsliedenconferentie van de Russische Federatie in Kaliningrad;

– op 1 april heeft de Nationale ombudsman de inhuldiging van de nieuwe Europese Ombudsman, de heer Nikiforos Diamandouros (voormalig Griekse ombudsman), bijgewoond in Luxemburg;

– de Nationale ombudsman en substituut-ombudsman namen van 7 tot en met 8 april deel aan het 4e Seminar van Nationale ombudsmannen van de Europese Unie, getiteld «Ombudsmen and the Protection of Rights in the European Union», die in Athene werd georganiseerd door de Europese Ombudsman in samenwerking met de Griekse Ombudsman;

– op 15 mei brachten enkele medewerkers van afdeling 4 van het bureau een werkbezoek aan het College van Federale Ombudsmannen en de Vlaamse Ombudsdienst;

– de Nationale ombudsman nam van 28 tot en met 30 mei deel aan de conferentie «Ombudsman and the Law of the European Union», die werd gehouden in Warschau. De conferentie was georganiseerd door de Poolse ombudsman in samenwerking met de Europese ombudsman. Aanwezig waren alle ombudsmannen van de kandidaat-lidstaten van de Europese Unie;

– de Nationale ombudsman hield een voordracht op de conferentie «The free movement of workers and the coordination of social security systems, die van 20–21 juni in Athene werd gehouden;

– de Nationale ombudsman was een van de sprekers op de conferentie «The Changing Nature of the Ombudsman Institution in Europe», die van 9 en 10 oktober werd gehouden in Nicosia, Cyprus. Tijdens de conferentie vond eveneens de jaarlijkse bijeenkomst van de stemgerechtigde leden van de Europese regio van het Internationale Ombudsman Instituut plaats;

– de Nationale ombudsman nam van 3 tot en met 5 november, deel aan de Ronde Tafelconferentie voor Europese ombudsmannen in Oslo, die werd georganiseerd door de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, de heer Alvaro Gil-Robles in samenwerking met de Noorse Ombudsman;

– de ombudsman was één van de sprekers tijdens de van 7–9 december door de OVSE georganiseerde conferentie in Belgrado.

Net als in voorgaande jaren, werd ook dit jaar de Nationale ombudsman door de Raad van Europa gevraagd ontwerpwetgeving op het gebied van ombudsmannen te becommentariëren. Vorig jaar was dit al succesvol gebeurd voor Servië, dit jaar werd de Nationale ombudsman gevraagd te adviseren over ontwerpwetgeving voor een in te stellen Armeense ombudsman. Bij de bespreking van de wet tijdens een internationale bijeenkomst van experts in Jerevan, werd de inbreng van Nederlandse zijde zeer gewaardeerd en heeft dit ook tot aanpassing van de ontwerpregeling geleid.

5.6 Voordrachten

Naast de hiervoor genoemde voordrachten in internationaal verband hebben de Nationale ombudsman en enkele medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman ook bij verschillende andere gelegenheden voordrachten over (aspecten van) het werk van de Nationale ombudsman gegeven. Een selectie daarvan is het volgende.

De Nationale ombudsman gaf op 13 maart een presentatie op de door de Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving georganiseerde Expertconferentie in Ermelo. Op uitnodiging van een aantal zelfstandigeuitvoeringsorganisaties hield de Nationale ombudsman op 13 mei een voordracht tijdens de slotbijeenkomst in Zeist van de Benchmark Uitvoeringsorganisaties. Samen met zijn Vlaamse collega, Bernard Hubeau, gaf de Nationale ombudsman op 22 mei in Dordrecht een uiteenzetting over ombudsmanschap tijdens het Politicologenetmaal, dat was georganiseerd door de Vlaamse en Nederlandse verenigingen voor politieke wetenschap. De Nationale ombudsman gaf op 3 oktober tijdens de jaarlijkse themadag voor directeuren en wethouders van Financiën van grote gemeenten een voordracht getiteld «Wat bepaalt het succes van de bestuurder?» Op 10 oktober was de Nationale ombudsman een van de inleiders op de VAR-studiemiddag «Extern klachtrecht», te Utrecht. De substituut-ombudsman was een van de sprekers tijdens de conferentie die op 23 oktober werd gehouden in het kader van bestuurlijke vernieuwing. Voorts verzorgde de Nationale ombudsman op 19 november een gastcollege aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Evenals vorig jaar hield de ombudsman ook dit jaar een voordracht voor de Beroepsopleiding Gemeentejuristen, over de verhouding tussen gemeenten en de Nationale ombudsman, op 4 december in Nijmegen.

Medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman leverden onder meer een bijdrage aan een congres over politieklachtrecht te Zeist en een symposium bij de Universiteit van Tilburg over conflictbeheersing. Ook is een gastcollege verzorgd over het werk van de Nationale ombudsman op fiscaal gebied op de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

6 BEOORDELING VERZOEKSCHRIFTEN OP BEVOEGDHEID EN ONTVANKELIJKHEID; TELEFONISCHE VERZOEKEN OM INFORMATIE

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een beeld gegeven van de beoordeling van verzoekschriften op bevoegdheid en ontvankelijkheid (§ 6.2. tot en met § 6.5). Ook wordt aandacht besteed aan de behandeling van telefonische klachten en vragen. In § 6.2 wordt een cijfermatig overzicht gegeven van de toetsing van verzoekschriften. Een beschrijving van de toetsing van verzoekschriften aan de artikelen 1a, 16 en 14 van de Wet Nationale ombudsman (verder WNo) is te vinden in § 6.3. De behandeling van «buitenwettelijke» verzoekschriften wordt beschreven in § 6.4. In § 6.5 wordt onder meer aandacht besteed aan de per telefoon ontvangen klachten en vragen.

6.2 Cijfermatig overzicht van de verwerking van de verzoekschriften

In 2003 heeft de Nationale ombudsman een recordaantal verzoekschriften ontvangen. De magische grens van 10 000 verzoekschriften werd met het aantal van 10 518 ontvangen verzoekschriften ruim overschreden. Vergeleken met 2002, toen 9634 verzoekschriften werden ontvangen, is dit een stijging van ruim 9%.

Tabel 6 Jaarvergelijking nieuw binnengekomen verzoekschriften per maand

 19992000200120022003
januari683673756918811
februari627654738872761
maart730709739765832
april628620681786773
mei584698795755728
juni653810650732774
juli622753708897826
augustus561669708694737
september5986897947221 023
oktober6467921 2169281 349
november7136701 0788551 025
december636505665719879
Totaal7 6818 2429 5289 64310 518

In 2003 zijn 10 214 verzoekschriften afgedaan (afschrijvingen en rapporten). In 7564 zaken is geen onderzoek ingesteld omdat de Nationale ombudsman daartoe niet bevoegd was, of omdat het verzoek niet-ontvankelijk was. In die gevallen is aan verzoeker gemotiveerd toegelicht waarom de Nationale ombudsman geen onderzoek instelt.

Het aantal dossiers, dat op 1 januari 2004 nog definitief op bevoegdheid en ontvankelijkheid moest worden getoetst, bedroeg 962. In 210 dossiers had al wel een eerste beoordeling plaatsgevonden, maar er was nog onvoldoende informatie voor een eindbeslissing.

In 2002 werd 53,2% van de niet in onderzoek genomen dossiers afgedaan binnen vier weken. In 2003 was dit 67,1%. In 2002 werd 73,7% van de dossiers binnen acht weken afgedaan en in 2003 was dat 88,2%. Waar de behandelingsduur meer dan vier weken was, was dit vaak te verklaren doordat informatie bij verzoeker moest worden opgevraagd. Ook de verhoogde instroom van dossiers door de Postbus 51 campagne (zie § 5.3.1) zorgde eind van 2003 voor een wat langere behandelingsduur.

6.3 De toetsing van de verzoekschriften

6.3.1 Inleiding

In § 6.3 wordt een beeld gegeven van de toepassing van de artikelen 1a, 16 en 14 van de WNo.

In artikel 1a staat op welke bestuursorganen de WNo van toepassing is. De tekst van de WNo is opgenomen als bijlage bij dit jaarverslag. In artikel 16 is bepaald in welke gevallen de Nationale ombudsman geen onderzoek mag instellen naar gedragingen van bestuursorganen. In artikel 14 is te lezen in welke gevallen de Nationale ombudsman wel bevoegd, maar niet verplicht is om een onderzoek in te stellen.

Op twee punten zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest.

Ten eerste is door overgangsrecht artikel 1a, tweede lid, WNo per 30 juni 2003 vervallen. Zie artikel VI van de Wet van 18 juni 1998 tot wijziging van de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur, Staatsblad 1998, 356. In artikel 1a, tweede lid, was geregeld dat de WNo alleen van toepassing was op bestuursorganen belast met onderwijs en onderzoek op het beleidsterrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), voor zover deze bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.

De omstandigheid dat artikel 1a, tweede lid, WNo is vervallen heeft tot gevolg dat de Nationale ombudsman nu bevoegd is om klachten te behandelen over alle bestuursorganen op het beleidsterrein van OCW, bijvoorbeeld ook over academische ziekenhuizen bij openbare universiteiten.

Ten tweede acht de Nationale ombudsman zich nu in beginsel bevoegd om klachten te behandelen over artsen, werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan. In artikel 1a, vierde lid, WNo is geregeld dat een gedraging van een ambtenaar, verricht in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een gedraging van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is. Op grond van (oude) penitentiairrechtelijke jurisprudentie ging de Nationale ombudsman er in het verleden vanuit dat het medisch-professioneel handelen van een arts niet kon worden toegerekend aan het bestuursorgaan, onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam was.

In het klachtrecht (WKCZ), het burgerlijk recht (bijv. art. 6:170 BW) en het bestuursrecht worden gedragingen van artsen echter wél toegerekend aan de arts, werkzaam onder verantwoordelijkheid van een werkgever.

De Nationale ombudsman gaat er nu van uit dat medisch-professionele gedragingen van een arts (bijvoorbeeld een arts in dienst van een academisch ziekenhuis bij een openbare universiteit of een arts van het Uitvoeringsinstituut Werknemers verzekeringen UWV) kunnen worden toegerekend aan het bestuursorgaan waarvoor hij of zij werkt, behoudens de beperkingen van artikel 16 en 14 WNo. Een medisch advies dat zich oplost in een appellabel besluit valt onder artikel 16, onderdeel c, jo. 14, onderdeel g. Een arts die jegens het bestuursorgaan onafhankelijk is, is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (bijv. een huisarts, die een arrestant in een politiecel bezoekt of die bloed prikt in het kader van een alcoholcontrole). Schakelt het UWV wegens een tekort aan eigen artsen een arts in voor het geven van een second opinion als bedoeld in art. 30 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) – een eigen taak van het UWV – dan kan die gedraging wel worden toegerekend aan het UWV.

De juridische maatstaf voor de behoorlijkheidstoetsing wordt enerzijds gevormd door de wetgeving (o.a. Wet beroepen in de gezondheidszorg, Kwalititeitswet zorginstellingen) en anderzijds de specifieke jurisprudentie ter zake (met name van de medische tuchtrechter en de Centrale Raad van Beroep). Ontbreken duidelijke toetsingskaders, dan geldt als behoorlijkheidsmaatstaf de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht (de zgn. dubbele redelijkheidstoets, vgl. HR 9-11-1990, NJ 1991, 26, Speeckaert-Gradener). Wat redelijk is, zal in hoge mate worden bepaald door de medische beroepsgroep (denk aan protocollen, richtlijnen, gedragsregels van bijv. de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, KNMG). Bij de behandeling van klachten over specifiek medisch handelen zal de Nationale ombudsman zo nodig deskundigen moeten raadplegen.

Tabel 7 Verdeling afgedane verzoekschriften

  2003%2002%
1. Buitenwettelijke verzoekschriften geen onderzoek, op grond van     
artikel 1a1 612    
artikel 30  16    
  162816,01 67716,1
      
2. Binnenwettelijke verzoekschriften:     
a. geen onderzoek, op grond van     
artikel 161 288    
artikel 143 891    
artikel 1316    
kennisgevingen115    
overige (ingetrokken/non-respons) 526    
  583657,15 78855,9
      
b. Via onderzoek afgedaan     
rapporten507    
herkansingen853    
overige afdoeningen1 390    
  275026,92 89828
Totaal 10 21410010 363100

6.3.2 Artikel 1a: Bevoegdheid naar bestuursorgaan

In § 2.1.3 is vermeld van welke decentrale overheden bestuursorganen in 2003 ingevolge artikel 1b WNo door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn aangewezen als organen waarop de WNo van toepassing is. Zie verder bijlage 5 bij deel I van dit jaarverslag, waarin een (niet limitatief) overzicht is opgenomen van de bestuursorganen, waarop de WNo van toepassing is.

Gelet op artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, WNo komt de Nationale ombudsman met enige regelmaat voor de vraag te staan of een instelling waarover voor het eerst wordt geklaagd een bestuursorgaan is in de zin van die bepaling. Bepalend voor het antwoord op die vraag is of die instelling een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb). Ingevolge die laatste bepaling wordt onder bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon, die krachtens publiekrecht is ingesteld (a-orgaan);

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag (b-orgaan).

In 2003 heeft de Nationale ombudsman de organen van de volgende instanties aangemerkt als bestuursorgaan:

– een beklagcommissie bij een rijks-tbs-inrichting;

– de Gezondheidsraad;

– de Stichting Fonds MKZ-AI;

– een gemeentelijke lijkschouwer van een aangesloten gemeente;

– een stichting voortgezet onderwijs bij de weigering om herkansing voor een examen aan te bieden;

– de Hoge Raad van Adel;

– Verispect B.V., voor zover belast met toezicht op de naleving van de Wet op de Kansspelen;

– gezinsvoogdij-instellingen voor zover zij openbaar gezag uitoefenen (zie ook rapport 2003/051, beschreven in § 10B.9 van dit jaarverslag).

– een regionaal indicatie-orgaan in stichtingsvorm oefent openbaar gezag uit bij een indicatiestelling in het kader van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (verder AWBZ) en is bij de uitoefening daarvan b-orgaan. Sinds 1 oktober 2002 is de indicatiestelling een besluit in de zin van de Awb, en niet meer een advies (zie de wijziging van de AWBZ bij wet van 18 april 2002, Stb. 2002, 241)

Al eerder heeft de Nationale ombudsman vastgesteld dat een notaris bij de uitoefening van ambtshandelingen bestuursorgaan is. Naar aanleiding van een klacht dat een notaris de bankgarantiekosten niet tijdig had overgemaakt, kwam de vraag op of de notaris ook in dit kader als bestuursorgaan was aan te merken. Gelet op de nauwe samenhang met het verlijden van akten bij het transport van onroerend goed beantwoordde de Nationale ombudsman deze vraag bevestigend.

Het Agentschap Telecom, voorheen de divisie Telecom van de Inspectie van Verkeer en Waterstaat, is nu een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Ook de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu (Novem), vroeger zelf als besloten vennootschap een rechtspersoon met b-orgaan, is nu een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. Verder werd vastgesteld dat het Bureau voor Duitse Zaken niet meer een zelfstandige instelling is, maar thans een onderdeel is van de Sociale verzekeringsbank. Het Nationaal Archief, voorheen het Algemeen Rijksarchief, is een dienstonderdeel van het Ministerie van OCW.

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (verder UWV) is een a-orgaan. Als het UWV door de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) wordt gemachtigd om namens het Abp beslissingen te nemen, worden die besluiten als zodanig toegerekend aan het Abp. Het Abp is geen bestuursorgaan. Omdat het UWV zelf a-orgaan is, acht de Nationale ombudsman zich echter wel bevoegd om verzoekschriften te behandelen met als onderwerp bijvoorbeeld de behandelingsduur en de informatieverstrekking, ook als het UWV handelt in het kader van werkzaamheden, opgedragen door het Abp.

Wel een bestuursorgaan in zin van de Awb, maar niet in de zin van de WNo, is het Schadeschap Luchthaven Schiphol. Het betreft hier een gemeenschappelijke regeling waarvan de organen niet ingevolge artikel 1b WNo zijn aangewezen als organen waarop de WNo van toepassing is.

Hetzelfde gold voor het Werkvoorzieningsschap Nijmegen en Omgeving en de Centrale Post Ambulancevervoer Noord-Holland Noord.

Een gedraging, die zich aanvankelijk liet aanzien als een gedraging van de regionale politie Utrecht, bleek te zijn verricht namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Het ging om het wegslepen van een aanhangwagen bij wijze van toepassing van bestuursdwang op basis van artikel 125 van de Gemeentewet. Omdat Utrecht geen aangewezen gemeente is verklaarde de Nationale ombudsman zich niet bevoegd de aan het college van burgemeester en wethouders toe te rekenen gedraging te onderzoeken (zie over deze zaak rapport 2003/493, beschreven in § 7A.13.2).

Een individueel lid van een gemeenteraad is als zodanig geen bestuursorgaan.

Ingewikkeld is de regeling van de bevoegdheid van de Nationale ombudsman met betrekking tot de besturen van gerechten. Hoofdregel is dat de Nationale ombudsman niet bevoegd is om klachten over het bestuur van een gerecht te behandelen. Het bestuur van het gerecht is geen bestuursorgaan in de zin van de Awb (art. 1:1, tweede lid, onder g).

Het bestuur is echter wel bestuursorgaan in de zin van de Awb en dus ook in de zin van de WNo als het bestuur optreedt als werkgever van een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet (artikel 1:1, lid 3, Awb). De Nationale ombudsman is ook bevoegd een klacht te behandelen over de klachtbehandeling in dit kader. De Nationale ombudsman achtte zich niet bevoegd om een klacht van een oproepkracht te behandelen.

Op grond van artikel XIII, vierde lid, van de Wet organisatie en bestuur gerechten is de Nationale ombudsman bevoegd om gedragingen van niet rechtsprekende gerechtsambtenaren te onderzoeken. Die gedragingen worden toegerekend aan het bestuur van het gerecht, dat alleen in het kader van de toerekening van de gedraging bestuursorgaan is in de zin van de WNo. Bij klachten over de klachtbehandeling geldt weer de hoofdregel dat de Nationale ombudsman niet bevoegd is.

In de volgende gevallen stelde de Nationale ombudsman vast dat de organen van de instelling waarover werd geklaagd geen bestuursorgaan zijn, althans dat de gedraging niet aan een bestuursorgaan is toe te rekenen.

Een Bureau jeugdreclassering, onderdeel van een Bureau jeugdzorg (stichting), oefende bij de werkzaamheden geen openbaar gezag uit.

De terugvordering door het UWV van een onverschuldigd betaalde uitkering op basis van de Bovenwettelijke werkloosheidsregeling hoger beroepsonderwijs werd toegerekend aan de private onderwijsinstelling, namens wie UWV handelde. Het ging hier niet om een wettelijke regeling, maar om een cao-conforme regeling.

Geen bestuursorgaan zijn de organen van de Stichting Kunstenaars&Co, c.q. de organen belast met het beheer van het Noodfonds Kunstenaars Enschede.

Een gedraging van schoolbegeleidingsdienst in de vorm van een stichting kon niet worden toegerekend aan het college van burgemeester en wethouders van een «aangewezen gemeente». De stichting maakte geen deel uit van de gemeentelijke organisatie en handelde ook niet namens de gemeente. Dat het gemeentebestuur op grond van artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs verplicht was om een schoolbegeleidingsdienst in stand te houden deed hier niet aan af. In dit geval was de schoolbegeleidingsdienst overigens in samenwerking met andere gemeenten in het leven geroepen. Het bestuur van de stichting zelf was ook geen bestuursorgaan. De Nationale ombudsman was daarom niet bevoegd om een onderzoek in te stellen.

Uit bestuursrechtelijk oogpunt merkwaardig is de constructie van de Tijdelijke regeling energiepremies 2003. De aanvraag van een energiepremie moet worden ingediend bij een energiebedrijf. Het energiebedrijf krijgt subsidie om aanvragen te kunnen behandelen. De afwijzing van een aanvraag door het energiebedrijf wordt door de regelgever niet beschouwd als een besluit, omdat het energiebedrijf in dit verband niet als een bestuursorgaan wordt beschouwd. Is men het niet eens met de afwijzing, dan kan de aanvraag worden ingediend bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). De afwijzing die daarop volgt wordt beschouwd als een primaire beslissing, waartegen bezwaar kan worden gemaakt bij de minister van VROM. Hoewel de regeling op gespannen voet lijkt te staan met de Algemene wet bestuursrecht heeft de Nationale ombudsman de regelgever gevolgd in de opvatting dat het energiebedrijf geen bestuursorgaan is, maar als privaatrechtelijke partij een overeenkomst met het ministerie uitvoert.

Verder zijn in concrete gevallen niet als bestuursorgaan aangemerkt de organen van:

– de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneel;

– de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS), voor zover het ging om de weigering om een overeenkomst te sluiten met een toekomstige orgaanbank (bij het toewijzen van organen aan een ontvanger is de NTS wel bestuursorgaan);

– de Stichting Informatiecode;

– PTT Post BV en Postkantoren BV (de weigering om een schorsing van een kenteken ongedaan te maken werd toegerekend aan de Dienst Wegverkeer). In de regelgeving stond overigens PTT Post BV genoemd, terwijl Postkantoren BV nu namens de Dienst Wegverkeer het kentekenbewijs uitgeeft;

– een regionaal opleidingscentrum (ROC). Een klacht luidde dat er onvoldoende was voorzien in plaatsen voor de opleiding Nederlands als tweede taal, die verzoeker verplicht moet volgen in het kader van het educatieve programma inburgering nieuwkomers;

– een regionale investerings- en ontwikkelingsmaatschappij;

– de Stichting Reprorecht;

– het Instituut voor Toetsontwikkeling (CITO) (voor de privatisering nog a-orgaan);

– de Nederlandse Taalunie;

– Westerscheldetunnel BV;

– de Rijksberoepscommissie Woonruimtewet 1947 (onafhankelijk bij wet ingesteld orgaan met rechtspraak belast);

– de Raad van Arbitrage voor de Bouw;

– de Commissie voor de Rechtspraak Zorgverzekering (een scheidscollege op basis van privaatrecht, net als de Raad voor Arbitrage voor de Bouw).

6.3.3 Artikel 16: Bevoegdheidsafbakening naar gedraging

6.3.3.1 Inleiding

Staat eenmaal vast dat de instantie waarover wordt geklaagd een bestuursorgaan is, dan beziet de Nationale ombudsman of hij ingevolge artikel 16 WNo wellicht niet bevoegd is om een onderzoek in te stellen. Hieronder zijn enkele toepassingen beschreven.

kst-29460-2-9.gif

6.3.3.2 Onbevoegdheid bij algemeen regeringsbeleid en bij algemeen beleid betrokken bestuursorgaan (artikel 16, onderdeel a)

Iemand klaagde over een voorwaarde in de eenmalige regeling voor asielzoekers, zoals goedgekeurd door de ministerraad en vermeld in kamerstukken TK 2002–2003, 19 637, nr. 754. Nu het ging om een door het kabinet goedgekeurde en aan de Tweede Kamer voorgelegde regeling, geen algemeen verbindend voorschrift zijnde, beschouwde de Nationale ombudsman deze regeling als algemeen regeringsbeleid.

Een klacht over het systeem van loting voor een bepaalde studie was mede gericht tegen het beleid van een openbare universiteit om niet tot decentrale selectie als bedoeld in art. 7.57e WHW over te gaan. De beslissing om al dan niet tot decentrale selectie over te gaan behoort tot het algemeen beleid van het bestuur van de onderwijsinstelling.

Ook tot het algemeen beleid van een bestuursorgaan werd gerekend een bekostigingsbesluit van een gemeenteraad, genomen ingevolge artikel 222, eerste lid van de Gemeentewet. In het bekostigingsbesluit wordt onder meer bepaald in welke mate kosten voor voorzieningen (riolering) door het opleggen van baatbelasting verhaald zullen worden.

Ook tot een algemene beleidsaangelegenheid rekende de Nationale ombudsman de beslissing van het bestuur van de provincie Zeeland om het veer Kruiningen Perkpolder niet te vervangen door een voet/fietsveer.

De Nationale ombudsman achtte zich wel bevoegd om een oordeel te geven over het beleid van een college van burgemeester en wethouders van een aangewezen gemeente om bij de behandeling van een verzoek om herziening niet verder dan drie belastingjaren terug te gaan.

6.3.3.3 Onbevoegdheid Nationale ombudsman ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften (artikel 16, onderdeel b)

Ook in 2003 ontving de Nationale ombudsman weer een aantal klachten over de hoogte van leges voor reguliere verblijfsvergunningen. De verhoging van de legeskosten zijn vastgelegd in artikel 3.34 Voorschrift Vreemdelingen 2000 (verder VV 2000) en het toegevoegde 3.34a VV 2000. De door middel van het VV 2000 doorgevoerde verhogingen gelden als algemeen verbindend voorschrift. Op grond van artikel 16, onderdeel b, WNo is de Nationale ombudsman niet bevoegd een onderzoek in te stellen. Wel heeft de Nationale ombudsman bij brief van 20 juni 2003 aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zijn bezorgdheid uitgesproken over de problemen die de drastische verhogingen van de legeskosten voor reguliere verblijfsvergunningen voor een groot aantal vreemdelingen met zich meebrengt. Voor een verdere beschrijving wordt verwezen naar § 10A.2.3.9.

Verder ontving de Nationale ombudsman enkele klachten van mensen die niet in aanmerking kwamen voor opneming in het ziekenfonds, ondanks de omstandigheid dat hun inkomen lager is dan de in de Ziekenfondswet genoemde loongrens. Ook ontving de Nationale ombudsman klachten over de verhoging van de nominale premie ziekenfonds. Verder werden klachten ontvangen over onderdelen van de belastingwetgeving.

Iemand met een aandelenleasecontract klaagde erover dat de aftrekmogelijkheden waren vervallen. Hoewel hij de klacht richtte tegen de belastingdienst was de klacht feitelijk gericht tegen de wetgever. De Nationale ombudsman was alleen al om deze reden niet bevoegd om een onderzoek in te stellen.

6.3.3.4 Onbevoegdheid Nationale ombudsman bij openstaan of aanhangig zijn van een bezwaar- of beroepsprocedure (artikel 16, onderdeel c)

Een relatief groot aantal zaken is buiten onderzoek gebleven, omdat nog een bezwaar- of beroepschriftenprocedure openstond, of omdat een procedure ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening aanhangig was. De Nationale ombudsman is in dergelijke gevallen niet bevoegd een onderzoek in te stellen. Zo moet de Nationale ombudsman bijvoorbeeld vaak vreemdelingen teleurstellen die hopen via hem een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Staat er nog een procedure open, dan stuurt de Nationale ombudsman het verzoekschrift door ter behandeling als bezwaar- of beroepschrift, als verzoeker dat wenst.

Vaak zal een bestuursorgaan ingevolge de wettelijke verplichting daartoe wijzen op de openstaande rechtsgang. Als een bestuursorgaan dit verzuimt – de Nationale ombudsman zal daar alert op moeten zijn – dan stelt de Nationale ombudsman naar die gedraging een onderzoek uit eigen beweging in, tenzij aannemelijk is dat het gaat om een incidentele fout.

De Nationale ombudsman stelde geen onderzoek in naar een klacht dat beleidsregels niet juist zouden zijn toegepast. De klacht was in wezen gericht tegen een te nemen, naar verwachting voor verzoeker onwelgevallige, beslissing. Het is aan de bestuursrechter om bij een beroep tegen een eventueel afwijzende beslissing te bezien of de beleidsregels bij het nemen van die beslissing juist zijn toegepast.

Ook was de Nationale ombudsman niet bevoegd een onderzoek in te stellen naar de weigering om leges terug te betalen. De leges waren op 4 juli 2003 betaald voor de behandeling van een verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning. Op 12 juli 2003 werd meegedeeld dat het Nederlanderschap was verleend. De weigering om leges terug te betalen was echter een appellabel besluit.

Interessant was de volgende casus. Een verpleegde was ontslagen uit een verpleeghuis. De verpleegde was het niet eens met de ontslagdatum, die stond genoemd op de incassobrief bij de acceptgiro. De incassobrief werd door het betrokken zorgkantoor niet als appellabel besluit gezien. Bij een telefonische informatieronde bleek dat diverse zorgkantoren verschillend reageren op klachten over een verkeerde ontslagdatum. Sommige zorgkantoren informeren zelf bij het verpleeghuis, andere laten de klager informeren. In een aantal gevallen wordt wel een appellabel besluit genomen met vermelding van de einddatum. In andere gevallen wordt pas een primaire beslissing genomen als de klager volhoudt dat de ontslagdatum onjuist is. De voorgelegde zaak was aanleiding om een onderzoek in te stellen, met als inzet de vraag of het betrokken zorgkantoor naar aanleiding van de klacht een appellabele beslissing had moeten nemen, dan wel in de incassobrief een rechtsmiddelverwijzing had moeten opnemen. Het onderzoek liep nog op 31 december 2003.

Verder werd de Nationale ombudsman geconfronteerd met een onjuiste afhandeling van een bezwaarschrift door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder IND). Iemand maakte bezwaar tegen de te veel betaalde leges, met een beroep op de standstillbepaling van het Associatieverdrag EU-Turkije. De IND reageerde met een gewone informatieve brief, waarin stond dat de leges op grond van een algemeen verbindend voorschrift waren verhoogd. Tegen het algemeen verbindend voorschrift kon geen bezwaar worden gemaakt. Op een bezwaarschrift moet echter met een beslissing op bezwaar worden gereageerd, met rechtsmiddelverwijzing. Dit is niet anders als het bezwaarschrift, al dan niet terecht, niet-ontvankelijk wordt geacht. De beslissing op bezwaar luidt dan: «niet-ontvankelijk». De IND zegde toe alsnog een beslissing op bezwaar te zullen nemen.

Geen onderzoek werd ingesteld naar de (feitelijke) weigering van de Dienst Wegverkeer om een identificatienummer in te slaan in een voertuig. De Nationale ombudsman beschouwde de weigering niet als een voltooide gedraging. Verzoeker zou een schriftelijk beslissing kunnen vragen waartegen vervolgens bezwaar openstaat. In een andere zaak werd vastgesteld dat ook tegen de opschorting van een aanvraag van een kentekenbewijs bezwaar en beroep openstond.

Ingevolge artikel 284a, tweede lid, sub b, boek 2, Burgerlijk Wetboek, kan een aanvrager van een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een besloten vennootschap tegen een weigering van de minister van Justitie (na bezwaar te hebben gemaakt) beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De weigering van de minister van Justitie om schadevergoeding te betalen voor de (gestelde) te late afgifte van de verklaring van geen bezwaar werd door de Nationale ombudsman beschouwd als een zelfstandig schadebesluit, waartegen ook bezwaar en beroep openstond.

De ontheffing van het lidmaatschap van een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen beschouwde de Nationale ombudsman als een feitelijke gedraging, waartegen geen bezwaar of beroep openstond.

De terugvordering door de Sociale verzekeringsbank van het bedrag dat in het kader van een persoonsgebonden budget was uitbetaald aan iemand die voor de budgethouder werkzaam was, is geen besluit. De terugvordering, gebaseerd op de omstandigheid dat de werkneemster van de budgethouder haar contract met de budgethouder niet had nageleefd, had een civielrechtelijke karakter.

Een negatief antwoord op een verzoek om een besluit is geen besluit als het verzoek afkomstig is van iemand die geen belanghebbende is. Om een aanvraag te kunnen doen moet men belanghebbende zijn. De afwijzing van het bureau rechtsbijstandvoorziening van een raad voor rechtsbijstand van een verzoek om een ex-partner geen toevoeging te verlenen is geen besluit, omdat de het verzoek niet is gedaan door een belanghebbende. Zie verder § 6.3.4.5, waarin wordt beschreven hoe de Nationale ombudsman omgaat met klachten van iemand die niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in een bestuursrechtelijke procedure.

Ook geen besluit was de terugvordering van teveel betaald AOW-pensioen, dat na het overlijden van de rechthebbende nog was uitbetaald aan de erven. De terugvordering was gebaseerd op artikel 6:203 BW en miste dus een publiekrechtelijke grondslag. Dit betekende dat de Nationale ombudsman bevoegd was een onderzoek in te stellen naar de klacht dat teveel werd teruggevorderd.

6.3.3.5 Uitspraak rechter ingevolge bestuursrechtelijke voorziening (artikel 16, onderdeel e)

De Nationale ombudsman is niet bevoegd een onderzoek in te stellen als ten aanzien van de gedraging ingevolge een wettelijk geregelde bestuursrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan. De toepassing van deze bepaling levert in de praktijk weinig problemen op.

Het artikel werd onder meer toegepast toen iemand erover klaagde dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het doden van hobbydieren niet wilde opschorten in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift. Naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening had de president van de sector bestuursrecht van de rechtbank de aanvankelijk uitgesproken schorsing weer ongedaan gemaakt. Er was geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

6.3.3.6 Aangelegenheid betreffende belastingen als geen gebruik is gemaakt van een wettelijk geregelde bestuursrechtelijke procedure (artikel 16, onderdeel f)

De Nationale ombudsman is ingevolge artikel 16, onderdeel f, in belastingaangelegenheden niet bevoegd een onderzoek in te stellen naar een gedraging indien ten aanzien van die gedraging geen (volledig) gebruik is gemaakt van een openstaande bezwaar- en beroepsprocedure. Bij de invoering van de Wet extern klachtrecht zal deze bepaling overigens niet terugkomen. Zoals nu ook bij besluiten op andere bestuursrechtelijke terreinen het geval is, zal dan gelden dat de Nationale ombudsman wel bevoegd, maar niet verplicht is om een onderzoek in te stellen. De Nationale ombudsman acht zich wel bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de (motivering van een) ambtshalve beslissing op een te laat ingediend bezwaarschrift tegen een belastingaanslag, bijvoorbeeld als iemand is vergeten een aftrekpost op te voeren. Tegen die ambtshalve beslissing als zodanig staat immers geen rechtsmiddel open.

De Nationale ombudsman ging er in het volgende geval van uit dat een klacht over een ambtshalve beslissing in wezen was gericht tegen de opgelegde aanslag. In het kader van een boekenonderzoek ontstond er verschil van mening over de interpretatie van gegevens. Bij het opleggen van de aanslag bleef de inspecteur op het eerder door hem ingenomen standpunt staan. Desondanks maakte de belanghebbende niet tijdig gebruik van de openstaande bezwaarmogelijkheid. Pas na het verstrijken van de termijn maakte hij bezwaar. Zoals gebruikelijk in dit soort situaties verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk, maar ambtshalve beoordeelde hij het bezwaarschrift wel inhoudelijk. Het bezwaarschrift werd ongegrond verklaard. Nu er echter geen nieuwe feiten of omstandigheden waren oordeelde de Nationale ombudsman dat het verzoekschrift in wezen was gericht tegen de aanslag als zodanig en achtte hij zich niet bevoegd om een onderzoek in te stellen.

6.3.3.7 Onbevoegdheid Nationale ombudsman bij rechterlijk toezicht (artikel 16, onderdeel g)

Dit artikel wordt vaak toegepast bij klachten over een sepotbeslissing van een officier van justitie. Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) kan tegen die beslissing beklag worden gedaan bij het gerechtshof. Ook in de gevallen waarin beklag mogelijk is bij de rechter op grond van artikel 552a Sv. (kortweg inbeslagneming, uitblijven teruggave inbeslaggenomen zaken) is de Nationale ombudsman niet bevoegd om een onderzoek in te stellen.

De Nationale ombudsman was ook niet bevoegd toen iemand erover klaagde dat de officier van justitie nog niet had laten weten wanneer een rechtszaak zou worden voortgezet en ook geen kennisgeving van niet verdere vervolging had gestuurd. Op grond van artikel 253, tweede lid, Sv. kon aan de rechtbank worden verzocht om de officier van justitie een termijn te stellen waarbinnen moet worden gedagvaard of waarbinnen een kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden verstuurd.

Tegen een bevel beperkingen van een in verzekering gestelde verdachte kan bezwaar worden gemaakt bij de rechtbank (artikel 62a, vierde lid Sv.). Ook dit is een vorm van rechterlijk toezicht.

Artikel 16, onderdeel g, is ook van toepassing op gedragingen die in het kader van artikel 26, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verzetprocedure met betrekking tot de inning van een administratieve sanctie) aan het oordeel van de rechter kunnen worden voorgelegd.

Tegen de kennisgeving van de officier van justitie van de omzetting van een taakstraf in vervangende hechtenis (artikel 22g, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, Sr.) kan bezwaar worden aangetekend bij de rechter die de taakstraf heeft opgelegd (artikel 22g, derde lid Sr). Ook deze voorziening wordt beschouwd als rechterlijke toezicht.

6.3.4 Artikel 14: Ontvankelijkheid; discretionaire bevoegdheid Nationale ombudsman

6.3.4.1 Inleiding

Is vastgesteld dat de klacht is gericht tegen een gedraging van of is toe te rekenen aan een bestuursorgaan en dat artikel 16 niet van toepassing is, dan is de Nationale ombudsman in beginsel verplicht om een onderzoek in te stellen. Doet zich echter één der omstandigheden voor, genoemd in artikel 14, dan is de Nationale ombudsman wel bevoegd, maar niet verplicht om een onderzoek in te stellen. In bepaalde gevallen is de Nationale ombudsman tijdelijk niet verplicht een onderzoek in te stellen (onderdelen j en k, er loopt een procedure over een samenhangende gedraging). Soms heeft een verzoeker het zelf in de hand om de omstandigheden zodanig te beïnvloeden dat een beperking van de verplichting niet meer aan de orde is. Zie onderdeel i, het vereiste dat verzoeker alvorens het verzoek te doen over de gedraging een klacht indient bij het betrokken bestuursorgaan.

Bevat een verzoekschrift onvoldoende informatie, dan zal de Nationale ombudsman informatie opvragen. Alleen als die informatie uitblijft zal de Nationale ombudsman afzien van het instellen van een onderzoek.

Hoofdregel is dat de Nationale ombudsman geen onderzoek instelt als één der omstandigheden, genoemd in artikel 14 zich voordoet. Doet de omstandigheid, genoemd in onderdeel d zich voor – de verzoeker is een ander dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden – dan stelt de Nationale ombudsman in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, wel een onderzoek in. Dat geldt ook als een klacht ingevolge een wettelijk geregelde klachtvoorziening door een onafhankelijke klachtinstantie is afgedaan en een verzoeker gemotiveerd aangeeft waarom hij het met die beslissing niet eens is.

kst-29460-2-10.gif

6.3.4.2 Kennelijk ongegrond (artikel 14, onderdeel b)

De toepassing van deze bepaling is erg casuïstisch. Vaak gaat het om verzoekschriften die betrekking hebben op gedragingen, waartoe het bestuursorgaan op grond van de wet bevoegd is. Ook komt het voor dat een verzoeker een brief van een bestuursorgaan verkeerd begrijpt. Aan de verzoeker wordt dan uitleg gegeven.

Zo werd geen onderzoek ingesteld naar een klacht dat de Dienst Wegverkeer niet direct een kentekenbewijs wilde uitreiken voor een caravantype dat niet voorkwam in de registers. Op basis van artikel III, vierde lid, van het Wijzigingsbesluit Kentekenreglement mocht de Dienst Wegverkeer de beslissing op de aanvraag opschorten.

Een belastingplichtige had een schrijffout gemaakt bij het opgeven van het rekeningnummer waarop een grote teruggave kon worden gestort. Nu de teruggave door toedoen van de belastingplichtige op een verkeerd rekeningnummer was gestort, was het de Belastingdienst niet te verwijten dat die dienst de gevolgen van de verkeerde storting niet wilde herstellen. Civielrechtelijk had de Belastingdienst bevrijdend betaald. De Nationale ombudsman stelde daarom geen onderzoek in. Zie§ 13A2.5.5 voor de beschrijving van enigszins vergelijkbare gevallen waarin de Nationale ombudsman wel onderzoek instelde.

6.3.4.3 Onvoldoende belang of onvoldoende gewicht van de gedraging (artikel 14, onderdeel c)

Onvoldoende belang van de verzoeker is aan de orde als iemand klaagt over de lange duur van behandeling, maar nog voor de opening van het onderzoek antwoord krijgt. De achtergrond van dit beleid is dat het de verzoeker meestal niet gaat om een onderzoek, maar om een antwoord van het bestuursorgaan op zijn brief.

Ook wordt in het algemeen geen onderzoek ingesteld als het bestuursorgaan zelf al heeft erkend dat de gedraging (bijvoorbeeld behandelingsduur) niet behoorlijk was en de verzoeker verontschuldigingen heeft aangeboden. Krijgt de Nationale ombudsman signalen dat er structureel iets mis is bij het bestuursorgaan, dan kan er wel aanleiding zijn om een onderzoek in te stellen.

Geen onderzoek werd ingesteld naar de klacht, door de minister van Buitenlandse Zaken als zodanig behandeld, dat bij een beslissing over de afgifte van een visum voor kort verblijf geen rekening was gehouden met het aanbod van een derde garantsteller. De visumaanvraag was op geheel andere gronden afgewezen en verzoeker had daarom geen belang bij een onderzoek. Er was overigens een beroepsprocedure aanhangig tegen de beschikking, zodat de Nationale ombudsman niet bevoegd was om daarover een oordeel te geven.

6.3.4.4 Verzoeker is een ander dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden (artikel 14, onderdeel d)

Het enkele feit dat een derde op eigen titel klaagt over een gedraging die jegens iemand anders heeft plaatsgevonden betekent nog niet dat de Nationale ombudsman geen onderzoek zal instellen. Eventueel wordt nagegaan of degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden geen bezwaar heeft tegen een onderzoek. Dat is zeker van belang als de medewerking van die persoon, bijvoorbeeld als getuige bij het onderzoek, nodig is.

De Nationale ombudsman stelt echter geen onderzoek in als iemand klaagt over de weigering van een bestuursorgaan om een beslissing te nemen in een kwestie waarbij verzoeker niet-ontvankelijk zou zijn in een bestuursrechtelijke procedure, omdat hij daarin geen direct-belanghebbende is in de zin van de Awb. Het gaat niet aan dat iemand in een procedure bij de Nationale ombudsman iets zou kunnen bereiken, dat hij niet bij de bestuursrechter kan bereiken op de enkele grond dat hij geen belanghebbende is. Zo zal de Nationale ombudsman geen onderzoek instellen als een bureau rechtsbijstandvoorziening weigert om de toevoeging van de wederpartij in een juridisch geschil tussen verzoeker en de wederpartij in te trekken. Meent iemand dat hij ten onrechte door het bestuursorgaan niet als belanghebbende is aangemerkt, dan zal hij tegen die beslissing bezwaar en vervolgens eventueel beroep moeten aantekenen.

Ook werd geen onderzoek ingesteld toen een collega klaagde over de wijze waarop een bestuursorgaan een ex-collega had bejegend. Het ging hier om een zodanig gevoelige kwestie dat de ex-collega die zich eventueel onjuist bejegend acht beter zelf een verzoekschrift kan indienen.

6.3.4.5 Wettelijk geregelde klachtvoorziening (artikel 14, onderdeel f)

De Nationale ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen als een verzoekschrift, dezelfde gedraging betreffende, ingevolge een wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie in behandeling is, of daardoor is afgedaan. Heeft iemand geen gebruik gemaakt van de klachtvoorziening, dan is dat op zich geen reden om geen onderzoek in te stellen. Verzoeker moet echter wel hebben voldaan aan het vereiste dat de klacht eerst is voorgelegd aan het bestuursorgaan. Heeft iemand niet voldaan aan dat vereiste, dan ligt het voor de hand dat de verzoeker wordt gewezen op de openstaande klachtvoorziening.

Opmerkelijk was de volgende klacht. Een verzoeker klaagde over procedurele gedragingen van de klachtencommissie van de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag. Voor zover verzoeker die gedragingen aan de orde stelde in een procedure bij de Centrale klachtencommissie stelde de Nationale ombudsman dat hij op grond van artikel 14, onderdeel f, niet verplicht was een onderzoek in te stellen, zolang de kwestie nog in behandeling was. Na afloop zou kunnen worden bezien of er nog aanleiding was om een onderzoek in te stellen. Terzijde merkte de Nationale ombudsman overigens op dat geen oordeel kon worden gegeven over de gedraging van de medewerker van een Bureau Rechtshulp, die in de klachtenprocedure aan de orde was. Verzoeker merkte op dat in de klachtenregeling naar zijn mening ten onrechte niets was geregeld over wraking van leden van de klachtencommissie.

6.3.4.6 Samenhangende gedragingen in lopende procedures (artikel 14, onderdelen j en k)

De Nationale ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen naar een gedraging zolang in een andere procedure iets gezegd kan worden over een andere gedraging, die samenhangt met de gedraging die aan de Nationale ombudsman is voorgelegd. Als die andere gedraging voor het oordeel van de Nationale ombudsman over de gedraging of over de ontvankelijkheid van belang kan zijn, stelt de Nationale ombudsman in het algemeen geen onderzoek in.

6.4 Buitenwettelijke verzoekschriften

Tabel 8 Afgedane buitenwettelijke verzoekschriften naar aandachtsgebied*

  2003% 2002%
A. Overheid:      
1. Gemeenten      
a. huisvesting161  161  
b. bijstand c.a.151  148  
c. heffingen/belastingen127  129  
d. overige190  273  
  62938,2 71141,7
       
2. Lagere overheden overig      
a. gemeenschappelijke regelingen 140,8 90,5
       
3. Rechterlijke macht 1146,9 1207,0
4. Inhoud wettelijke regelingen 161,0 181,1
5. Diversen (overheid in zijn algemeen, vraag, onduidelijk geschrift) 593,6 593,5
       
B. Niet overheid:      
Overige (o.a. consumentenzaken, verzekeringen, arbeids-, huur- e.a. civielrechterlijke kwesties) 81549,5 78746,2
totaal 1647100 1 704100

* een verzoekschrift kan betrekking hebben op meer dan één aandachtsgebied

Verzoekschriften die geen betrekking hebben op bestuursorganen waarop de WNo van toepassing is, worden aangemerkt als buitenwettelijk. In 2003 zijn 1647 verzoekschriften als buitenwettelijk afgedaan. Dit is een afname ten opzichte van 2002 (1704) met 3,3%. De afdoening van evident buitenwettelijke verzoekschriften is geconcentreerd bij het frontoffice van afdeling 1.

Buitenwettelijke verzoekschriften zijn onder te verdelen in twee categorieën, te weten (bestuurs)organen van de overheid die niet onder de bevoegdheid van de Nationale ombudsman vallen (buitenwettelijke overheid) en instanties die niet tot de overheid gerekend kunnen worden. De eerste categorie betreft met name klachten over gemeenten die niet bij de Nationale ombudsman zijn aangesloten, bestuursorganen van gemeenschappelijke regelingen die niet zijn aangesloten en de rechterlijke macht.

De verdeling van klachten over buitenwettelijke overheid en niet-overheid was in 2003: 50,5%–49,5% (in 2002: 53,8%–46,2%). Het aantal verzoekschriften met betrekking tot niet-aangesloten gemeenten is afgenomen tot 38,2% van het aantal buitenwettelijke verzoekschriften (2002: 41,7%). Om te bevorderen dat bestuursorganen, waaronder niet-aangesloten gemeenten, klachten met toepassing van hoofdstuk 9 van de Awb behandelen, worden verzoekers in het voorkomende geval er door de Nationale ombudsman op gewezen hun klacht onder vermelding van deze wettelijke bepaling aan het bestuursorgaan voor te leggen. Voor zover is voorzien in een externe klachtinstantie en deze bij de Nationale ombudsman bekend is, wordt de klager hiervan in kennis gesteld.

Opvallend bij de klachten over niet-aangesloten gemeenten waren de verzoekschriften die betrekking hadden op de wijze waarop de gemeenten uitvoering gaven aan de zogenaamde lang-laag regeling (extraatje voor langdurige minima).

De klachten over instanties die niet tot de overheid behoren, betroffen voornamelijk energiebedrijven of nutsbedrijven, banken en verzekeraars. Daarnaast werd onverminderd over aanbieders van (mobiele) telefoondiensten geklaagd, meer in het bijzonder over een item waaraan door de Stichting De Ombudsman in de media veel aandacht is besteed, te weten het ongewenst tegen betaling toegestuurd krijgen van SMS-berichten. Ook over het functioneren van huisartsenposten zijn veel klachten ontvangen. Dit onderwerp is ook door Stichting De Ombudsman in de media belicht.

6.5 Behandeling van klachten en verzoeken om informatie per telefoon, e-mail (niet-overheid) en bezoeken

De concentratie van de beantwoording van publieksvragen ligt hoofdzakelijk bij het frontoffice van het Bureau Nationale ombudsman. Langs deze weg wordt beoogd het eerste contact tussen de burger en het Bureau zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Uitgangspunt is dat aan de telefoon een eerste beoordeling gemaakt kan worden of een klacht op het werkterrein van de Nationale ombudsman ligt (het onderscheid tussen binnen- en buitenwettelijke klachten). Wanneer telefonisch wordt geklaagd over een instantie waarover de Nationale ombudsman in beginsel bevoegd is, wordt langs grote lijnen bekeken of er geen wettelijke bepalingen zijn die een onderzoek door de Nationale ombudsman naar de klacht in de weg staan. Indien een klacht zich niet leent voor onderzoek door de Nationale ombudsman wordt de klager gewezen op andere (juridische) procedures voor zover die aanwezig zijn. In deze gevallen wordt verwezen naar instanties die de beller misschien verder kunnen helpen.

De landelijke publiekscampagne in het najaar van 2001 heeft in het najaar van 2003 een vervolg gekregen. Gedurende deze campagne lag het aantal telefoontjes ongeveer 150% boven het gemiddelde van de voorafgaande maanden. Het telefoonaanbod over 2003 nam in vergelijking met 2002 toe met ruim 24%. In 2003 kreeg de Nationale ombudsman in totaal 21 979 telefonische verzoeken om informatie (2002: 17 660). De hoeveelheid buitenwettelijke e-mail die via hetzelfde medium is afgedaan en geen betrekking had op een overheidsorgaan bedroeg in 2003 532 (2002: 198). Het aantal geregistreerde bezoeken aan het Bureau Nationale ombudsman lag in 2003 op 73 (2002: 91).

Tabel 9 Onderverdeling naar hoofdgroep van behandeling van klachten en verzoeken om informatie per telefoon, e-mail (niet-overheid) en bezoek.

HoofdgroepAantal
Politie1478
Ministeries4023
Andere bestuursorganen3774
Publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties14
Waterschappen80
Provincies58
Gemeenten1416
Gemeenschappelijke regelingen22
Buitenwettelijk10 739
Overige375
Totaal21 979

De hoofdgroepen «gemeenten» en «gemeenschappelijke regelingen» hebben betrekking op de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen die bij de Nationale ombudsman zijn aangesloten. De hoofdgroep «buitenwettelijk» valt evenals bij buitenwettelijke verzoekschriften uiteen in niet-overheid en overheid (zie § 6.4). De hoofdgroep «overige» slaat op klachten over organen waarvan telefonisch op korte termijn niet met zekerheid is te stellen of deze onder de bevoegdheid van de Nationale ombudsman vallen. Deze restgroep bevat ook registraties die om administratief-technische redenen niet bij een andere hoofdgroep kunnen worden ingedeeld. Alle klachten zijn geregistreerd naar hun aard in achttien (samengestelde) subcategorieën, waaronder «verzoek om informatie». Deze laatste categorie betreft de telefoontjes die niet het karakter hebben van een klacht, maar uitsluitend een vraag aan de Nationale ombudsman om juridisch advies of een doorverwijzing betreffen.

Tabel 10 Overzicht geregistreerde klachten naar aard van de klacht, verdeeld over buitenwettelijk en binnenwettelijk.

Aard van de klachtBuitenwettelijkBinnenwettelijk
Administratieve handeling2,4%4,3%
Behandelingsduur3,1%21,2%
Bejegening2,4%4,2%
Bereikbaarheid0,5%0,8%
Beslag/deurwaarder/invordering0,8%2,4%
Beslissing (inhoud)10,9%23,8%
Betaling/kwijtschelding12,3%5,7%
Dienstbetoon22,4%15%
Discriminatie0,3%0,2%
Inhoud wettelijke regeling1,0%2,4%
Integriteit0,3%0,4%
Klachtbehandeling0,9%3,0%
Non-respons0,3%1,7%
Overige16,6%4,0%
Privacy/inzage0,4%0,6%
Schadevergoeding0,9%1,1%
Verzoek om informatie22,9%7,0%
Voorlichting/informatieverstrekking1,6%2,2%
Totaal100%100%

Wat de verdeling betreft naar de aard van de binnenwettelijke klachten, springt in het oog dat bijna een kwart van de klachten betrekking had op de inhoud van een beslissing. In die gevallen werd de beller erop gewezen dat zijn klacht over een besluit van een bestuursorgaan niet voor onderzoek in aanmerking kwam, omdat de Nationale ombudsman in dergelijke gevallen niet bevoegd, dan wel niet verplicht is onderzoek in te stellen (artikelen 16, onderdeel c en 14 onderdeel g, Wet Nationale ombudsman). Meer dan 20% van de klachten had betrekking op de behandelingsduur bij, of het niet reageren door een bestuursorgaan. In veel zaken werd geklaagd over het gebrek aan dienstbetoon door de overheid, hoofdzakelijk door de politie.

In ruim 16% van de buitenwettelijke klachten werd de aard van de klacht geregistreerd onder de restcategorie «overige». Veelal bleek in die gevallen dat de Nationale ombudsman ten aanzien van de instelling waarover werd geklaagd niet bevoegd is (bijvoorbeeld in consumentenaangelegenheden). De beller wordt in die gevallen meegedeeld dat de Nationale ombudsman de klager niet van dienst kan zijn en de beller wordt doorverwezen. Aan de beoordeling van de aard van de klacht wordt dan niet toegekomen. Dikwijls zien mensen de Nationale ombudsman als algemene vraagbaak en vragen in veel buitenwettelijke aangelegenheden de Nationale ombudsman om informatie (22,9%). In de gevallen dat in een buitenwettelijke aangelegenheid werd geklaagd over een beslissing, had dit in overgrote meerderheid betrekking op een door een niet-aangesloten gemeente genomen besluit of een rechterlijke uitspraak.

Enkele hoofdgroepen zijn nader onderverdeeld naar organen en dienstonderdelen. Aan de hand van een aantal tabellen zullen deze hoofdgroepen besproken worden.

Tabel 11 Overzicht geregistreerde klachten politie, verdeeld naar diverse diensten

OnderdeelAantal
Arrestatieteams14
Externe commissies5
Interregionale rechercheteams2
Vreemdelingendiensten282
Algemeen (overige)1175
Totaal1 478

Bijna 80% van de klachten had betrekking op de politie in het algemeen. Met name werd telefonisch geklaagd over de bejegening en het dienstbetoon door politieambtenaren. Voor het overige ging een groot deel van de politieklachten over de vreemdelingendiensten. Grotendeels werd er in dat kader geklaagd over de behandelingsduur van vergunningaanvragen (61%).

Tabel 12 Overzicht geregistreerde klachten ministeries, verdeeld naar meest voorkomende dienstonderdelen

MinisterieDienstonderdeelAantal
Algemene Zaken  18
Buitenlandse ZakenDepartement algemeen27 
 Externe commissie1 
 Ambassades en consulaten80 
Subtotaal 108 
Justitie (inclusief Vreemdelingenzaken en Integratie)Departement algemeen89 
 Buitengewoon Opsporingsambtenaar10 
 Bureau Visadienst95 
 Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB)134 
 Dienst Justitiële inrichtingen5 
 Externe commissie1 
 Gevangenissen en huizen van bewaring35 
 Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)1 001 
 Openbaar ministerie149 
 Raad voor de Kinderbescherming56 
 Rijksinrichtingen TBS2 
 Rijksrecherche1 
 Subtotaal 1578
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (inclusief Grote Steden- en Integratiebeleid en Bestuurlijke vernieuwing en koningkrijkrelaties)Departement algemeen33 
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD, voorheen BVD)4 
Bestuurlijke vernieuwing1 
 Buitengewoon opsporingsambtenaar1 
 Dienst Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (DZVO)1 
 Grote steden en integratiebeleid2 
 Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD)5 
 Subtotaal 47
Onderwijs, Cultuur en WetenschapDepartement algemeen35 
 Inspectie voor het onderwijs10 
 Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD)3 
 Subtotaal 48
FinanciënDepartement algemeen18 
 Belastingdienst (particulieren en ondernemingen)930 
 Centraal Administratie16 
 Domeinen4 
 Douane18 
 Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische Controle Dienst (FIOD/ECD)6 
 Subtotaal 992
DefensieDepartement algemeen19 
 Koninklijke Landmacht12 
 Koninklijke Luchtmacht3 
 Koninklijke Marine2 
 Koninklijke Marechaussee17 
 Subtotaal 53
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Directoraat-Generaal MilieubeheerDepartement algemeen50 
Buitengewoon opsporingsambtenaar1 
 Directie Informatie Beheer en Subsidieregelingen (IBS, huursubsidie)781 
 Directoraat-Generaal Milieubeheer23 
 Externe commissie1 
 Directoraat-Generaal Wonen20 
 VROM-inspectie3 
 Subtotaal 879
Verkeer en Waterstaat Inspectie Verkeer en WaterstaatDepartement algemeen21 
 Directoraat-Generaal Goederenvervoer1 
 Directoraat-Generaal Luchtvaart1 
 Directoraat-Generaal Personenvervoer4 
 Inspectie Verkeer en Waterstaat3 
 Rijkswaterstaat (RWS)26 
 Subtotaal 56
Economische ZakenDepartement algemeen19 
 Centraal Bureau voor de Statistiek5 
 Centraal Planbureau1 
 Hoofddirectie Telecommunicatie en Post6 
 Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma)1 
 Subtotaal 32
Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitDepartement algemeen34 
 Algemene Inspectiedienst (AID)4 
 Buitengewoon opsporingsambtenaar1 
 Externe commissie1 
 LASER13 
 Voedsel- en Warenautoriteit (voorheen Keuringsdienst van Waren)11 
 Subtotaal 64
Sociale Zaken en WerkgelegenheidDepartement algemeen62 
 Arbeidsinspectie6 
 Inspectie Werk en Inkomen3 
 Subtotaal 71
Volksgezondheid, Welzijn en SportDepartement algemeen54 
 Externe commissie2 
 Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid19 
 Keuringsdienst van Waren1 
 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne1 
 Subtotaal 77
Totaal  4023

Sinds 2002 is er een minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie onder wiens verantwoordelijkheid de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (verder IND) is komen te vallen. Omwille van de samenhang wordt de registratie van telefonische klachten op het terrein van het Bureau Visadienst en de Visadienst gekoppeld aan de IND en daarmee aan de voor dit orgaan verantwoordelijke minister. In totaal zijn in 2003 over de IND 1001 telefonische klachten geregistreerd waarvan er 536 betrekking hadden op de behandelingsduur. Er werd 219 keer geklaagd over een door de IND genomen besluit. Van het totaal aantal telefonische klachten in 2003 over ministeries had een kleine 25% betrekking op de IND.

Op het terrein van het Ministerie van Justitie is er een toename te zien van het aantal klachten over de toepassing van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Vergeleken met vorig jaar zijn er 41% méér telefoontjes binnengekomen over het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Omdat de bepalingen van de artikelen 16, onderdeel c en 14 onderdeel g, Wet Nationale ombudsman toetsing van dergelijke beslissingen door de Nationale ombudsman in de weg staan, worden de bellers gewezen op de beroepsprocedure en voor bijstand verwezen naar rechtshulpverleners.

Het grootste deel van de klachten over het Ministerie van Buitenlandse Zaken ging over ambassades en consulaten. Voornamelijk werd geklaagd over de trage behandeling van visumaanvragen.

Het aantal telefonische klachten over de Directie Informatie Beheer en Subsidieregelingen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (verder VR0M) is in 2003 met ruim 42% toegenomen. Van het totaal aantal telefonische klachten in 2003 over de ministeries had ruim 19% betrekking op de Directie Informatie Beheer en Subsidieregelingen van het Ministerie van VROM. De nadruk lag sterk op de behandelingsduur van de aanvragen en de afdoeningstermijn van bezwaarschriften.

De behandeling van klachten en verzoeken om informatie per telefoon over het Ministerie van Financiën ging in bijna 94% van de gevallen over de belastingdienst. Ten opzichte van 2002 is er een toename van 46% van het aantal klachten over de belastingdienst. Er werd in ongeveer een derde van de gevallen geklaagd over een besluit van de belastingdienst. Aan het einde van het verslagjaar werd er ook regelmatig over de bereikbaarheid van de belastingdienst geklaagd.

Tabel 13 Overzicht geregistreerde klachten andere bestuursorganen, verdeeld naar aandachtsgebied

MinisterieDienstonderdeelAantal
JustitieBesturen van gerechten8 
 Bemiddelaars interlandelijke Adoptie1 
 Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA)24 
 College Bescherming Persoonsgegevens8 
 Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven2 
 Gerechtsdeurwaarders66 
 Gezinsvoogdij-instellingen (jeugdzorg)46 
 Klachtencommissie Raad voor de Kinderbescherming9 
 Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO)87 
 Nederlandse Orde van Advocaten en de Orden van advocaten in de arrondissementen14 
 Notarissen48 
 Particuliere justitiële inrichtingen TBS1 
 Raden voor Rechtsbijstand8 
Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesKiesraad1 
 Stichting Administratie Indonesische Pensioenen3 
Onderwijs, Cultuur en WetenschapCentrale commissie vaststelling examenopgaven en beoordelingsnormen1 
 Commissariaat voor de Media1 
 Informatie Beheer Groep (IBG)254 
 Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)1 
 Nederlandse Omroep Stichting1 
 Instelling voor bijzonder voortgezet onderwijs1 
 Openbare Hogescholen1 
 Openbare Universiteiten8 
 Open Universiteit1 
FinanciënDe Nederlandse Bank NV1 
 Stichting Autoriteit Financiële Markten1 
 Stichting Waarborgfonds Motorverkeer3 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerDienst voor het kadaster en de openbare registers16 
 Huurcommissies88 
Verkeer en WaterstaatAPK-keuringsstations2 
 Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)88 
 Dienst Wegverkeer (RDW)105 
 Stichting Bureau Examens voor het Beroepsvervoer1 
 Stichting VAM (Innovam)1 
Economische ZakenKamers van Koophandel5 
 Onafhankelijke Post- Telecommunicatieautoriteit (OPTA)2 
Landbouw, Natuurbeheer en VoedselkwaliteitFaunafonds1 
 Grondkamers2 
 Landinrichtingscommissies4 
 Staatsbosbeheer3 
Sociale Zaken en WerkgelegenheidCentrum voor Werk en Inkomen (CWI)109 
 Sociale verzekeringsbank (SVB)387 
 UWV1896 
Volksgezondheid, Welzijn en SportCommissie Algemene Oorlogsgevallenregelingen (CAOR)1 
 College voor Zorgverzekeringen14 
 Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)15 
 Regionale Indicatie Organen (RIO's stichtingvorm)12 
 Stichting Het Gebaar7 
 Stichting Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp1 
 Zorgonderzoek Nederland1 
ZorgverzekeraarsCentraal Administratie Kantoor (CAK)83407
 Ziekenfondsen293 
 Zorgkantoren31 
 Totaal  
Totaal 3 774 

Iets meer dan de helft van de telefonische klachten over andere bestuursorganen die de Nationale ombudsman in 2003 ontving, ging net als in 2002 over het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (verder UWV). Deze klachten betroffen met name de lange behandelingsduur van aanvragen en bezwaarschriften. Ook werd de Nationale ombudsman vaak telefonisch benaderd door mensen die het niet eens waren met een beslissing van het UWV. Deze bellers werden gewezen op de bezwaar- en beroepsprocedure en voor bijstand verwezen naar rechtshulpverleners.

In 2003 hadden 387 telefoontjes betrekking op de Sociale verzekeringsbank. Naast de klachten over het uitblijven van betaling van kinderbijslag, is de aard van deze klachten te vergelijken met die over het UWV.

Opvallend is de toename van het aantal klachten over de Informatie Beheer Groep (verder IB-Groep) met 27%. De in dat kader met de verzoekers gevoerde telefoongesprekken hadden met name betrekking op klachten over kwijtschelding/betaling van studieschuld en op klachten over beslissingen inzake het recht op studiefinanciering. De bellers die het laatste onderwerp aan de orde stelden, werden verwezen naar de bestuursrechtelijke voorzieningen die daartegen openstonden.

Ook bij de zorgverzekeraars was een forse stijging van het aantal klachten te bespeuren ten opzichte van 2002. In 2003 werd er 407 keer telefonisch geklaagd over zorgverzekeraars (2002: 250), in veel gevallen over de verhoging van de ziekenfondspremie per 1 januari 2003.

Tabel 14 Overzicht geregistreerde buitenwettelijke klachten, onderverdeeld naar overheid en niet-overheid

MinisterieDienstonderdeelAantal
OverheidGemeenten1992
 Gemeenschappelijke regelingen29
 Rechterlijke macht457
 Overige (overheid in het algemeen, wettelijke regelingen)441
Niet-overheidWoningcorporaties371
 Overige (consumentenzaken, etc.)7 449
Totaal 10 739

Het grootste deel van de buitenwettelijke telefonische klachten had in 2002 betrekking op organisaties die niet tot de overheid behoren. Het ging hier vaak om consumentenaangelegenheden, verzekeringskwesties, huurzaken of problemen in de arbeidsrechtelijke sfeer. De ervaring is dat mensen de Nationale ombudsman benaderen als algemene vraagbaak. Ook al weet men dat een bepaalde zaak niet tot de competentie van de Nationale ombudsman behoort, toch wordt vaak een (gratis) juridisch advies gevraagd of een verwijzing naar een andere hulpverlenende instantie. Op grond van de wetsgeschiedenis behoort deze maatschappelijke advies- en verwijsfunctie ook uitdrukkelijk tot de taak van de Nationale ombudsman.

Tabel 15 Overzicht geregistreerde klachten over gemeenten, onderverdeeld naar buiten- en binnenwettelijk

AandachtsgebiedBuitenwettelijkBinnenwettelijk
Bijstand/sociale zekerheid485386
Heffingen/belastingen241140
Huisvesting (bouwen en wonen)429481
Overige837409
Totaal19921 416

Nederland telt tegen de vijfhonderd gemeenten. Daarvan waren er in 2003 ruim tweehonderd aangesloten bij de Nationale ombudsman. 15,5% van alle telefoontjes die de Nationale ombudsman in 2003 ontving gingen over gemeenten. Verhoudingsgewijs werd er telefonisch in 2003 meer geklaagd over gemeenten die niet onder de bevoegdheid van de Nationale ombudsman vallen dan over aangesloten gemeenten. Wat de aangesloten gemeenten betreft werd telefonisch relatief veel geklaagd over aangelegenheden in de sfeer van huisvesting en wonen (bijna 34%). De klachten over niet-aangesloten gemeenten werden voornamelijk geregistreerd onder het aandachtsgebied «overige».

BIJLAGE 1

OVERZICHT UITGEBRACHTE RAPPORTEN

g = gegrond

ng = niet gegrond

go = geen oordeel

# = met aanbeveling

! = met instemming

Algemene zaken

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/469Minister van Algemene Zakenniet gereageerd op verzoekers bij herhaling schriftelijk kenbaar gemaakte klacht over het uitblijven van een antwoord op brief van 23 september 2002g

Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/004Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesniet geïnformeerd over de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Zvr-regeling)ng
2003/025Korps landelijke politiedienstenverzoekers naam als tipgever over mis- standen binnen het bedrijf waar hij werk- zaam was prijsgegeven aan werkgever, terwijl toegezegd was dat zijn naam niet bekend zou worden gemaaktgo
2003/175Stichting Het Gebaargeen beslissing genomen op verzoeksters aanvraag van 25 november 2001 om verle- ning van individuele uitkeringg

Buitenlandse zaken en justitie

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/027Visadienstnegatief gereageerd op verzoek om resti- tutie van bijdrage voor DNA-onderzoek, terwijl verzoeker had laten weten dat het onderzoek niet meer nodig was omdat zijn echtgenote en zoon hadden afgezien van voornemen om zich in Nederland met hem te herenigeng
2003/044Visadienst Ministerie van Buitenlandse Zakenlange behandelingsduur verlenging mvv ten behoeve van haar zoong
2003/090Visadienstonjuiste informatie verstrekt door twee medewerkers van telefonische informatielijn omtrent aanvraag om mvv ten behoeve van verzoekstergo
2003/112Visadienstgedane toezegging dat binnen vier weken zou worden beslist op aanvraag tot verle- ning van mvv niet nagekomeng
2003/146Visadienstlange behandelingsduur van de aanvraag van echtgenote om verlening van mvvg
2003/162Visadienstn.a.v. klacht over lange behandelingsduur van aanvraag tot verlening van mvv bij brief gedane toezegging dat interne besluitvorming binnen afzienbare tijd zou zijn afge- rond niet nagekomeng
2003/177Visadienstlange behandelingsduur van op 8 september 1998 ingediende aanvraag tot verlening van mvv t.b.v. verzoeksters in Pakistan verblijvende minderjarige kinderen, lange behandelingsduur van op 12 februari 2001 ingediende bezwaarschrift tegen afwijzende beslissing op aanvraag tot verlening van mvv t.b.v. verzoeksters in Pakistan verblij- vende echtgenoot; wijze van klachtbehan- delingg
2003/211Visadienst Kort Verblijfverzoeker is verzocht om binnen twee weken informatie te verstrekken in het kader van de behandeling van drie bezwaar- schriften tegen afwijzing van visumaanvra- gen, termijn is te kort nu termijn om op bezwaarschriften te beslissen al was ver- streken; klacht hierover kennelijk ongegrond verklaardg
2003/247Visadienstniet meegedeeld dat verzoekers echtgenote zich in persoon bij de ambassade diende te melden voor het maken van een afspraakng
  medewerkster van de informatielijn niet bereid om mee te werken aan een oplos- sing en weigering om haar naam te noemeng
2003/299Visadienstwijze van klachtbehandeling: geen passen- de maatregel in vooruitzicht gesteld terwijl klacht gegrond is verklaardg
2003/304Visadienstlange behandelingsduur van ambtshalve verzoeken van verzoekers neefje om advies over in te dienen aanvragen om mvvg
2003/388Visadienstverzoekster gebrekkig geïnformeerd over afwikkeling van mvv aanvraagg
2003/424Visadienstwijze van afhandeling klacht over lange behandelingsduur van aanvragen om mvv t.b.v. twee werknemers: geen aandacht besteed aan verwachting van verzoekster dat aanvragen via verkorte mvv-procedure zouden worden afgehandeldg
2003/477Visadienstlange duur van behandeling van bezwaarschrift tegen afwijzende beslissing op aanvraag verlening machtiging tot voorlo- pig verblijfg

Buitenlandse zaken

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/090Ambassade te Londenonjuiste informatie verstrekt door consul in een e-mailbericht omtrent aanvraag om mvv ten behoeve van verzoeksterg
 Ministerie van Buitenlandse Zakenonjuiste informatie verstrekt door het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Vreemdelingen- en Visumzaken omtrent aanvraag om mvv ten behoeve van verzoeksterng
 Minister van Buitenlandse Zakenniet gereageerd op klachtbriefg
2003/108Ministerie van Buitenlandse Zakentijdens onderzoek t.b.v. individueel ambts- bericht verzoekers identiteit onvoldoende afgeschermd: verzoekers foto getoond aan mensen op school in Soedan waar verzoe- ker werkzaam is geweestng
2003/116Ambassade te Beijingonvoldoende actie ondernomen om o.b.v. de Investering Bescherming Overeenkomst tot oplossing te komen voor bedoeld handelsconflictng
 Minister van Buitenlandse Zakenin augustus 2002 nog niet gereageerd op klacht over ambassade te Beijing zoals die op 19 april 2002 door de Nationale ombuds- man aan de Minister was doorgestuurd met het verzoek die overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Awb te behandeleng
2003/160Minister van Buitenlandse Zakenonderzoek uit eigen beweging naar wijze waarop de Minister van Buitenlandse Zaken uitvoering heeft gegeven aan verantwoordelijkheden met betrekking tot uitvoering van deze takeng
2003/173Ambassade te Rabattrage behandeling onderzoek (ruim 20 maanden) naar de bloedverwantschap van verzoeker en zijn partnerg
2003/214Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zakenzich geconfimeerd aan de door IND gestelde voorwaarden van legalisatie en verificatie van afstandverklaringeng
  aanvullende eis gesteld dat tevens een geboorteakte van de betrokkene dient te worden gelegaliseerdng
2003/218Visadienstlange duur van behandeling van aanvraag machtiging tot voorlopig verblijfg
2003/222Nederlands consulaat te Shanghaiin paspoorten van zwager en schoonzuster een visum verstrekt met codeletter «O» («onaangevraagd») terwijl verzoeker een garantverklaring en een kopie van een recente loonstrook had gezonden aan Visadienstg,!
2003/244Ministerie van Buitenlandse Zakenondanks herhaalde verzoeken de reisinstructies over het verplicht informeren van de zogenaamde contactpersoon over reisdoel, route e.d., die in Jemen ten tijde van verzoekers gijzeling in maart 1994 van kracht waren, niet toegezonden; klacht dat indien dergelijke instructies niet zijn uitge- geven, verzoeker daarover niet expliciet is geïnformeerdg
2003/247Ambassade te Islamabadeen medewerkster heeft geweigerd telefo- nisch een afspraak te maken voor een DNA-onderzoek voor verzoekers echtgenote en kindereng
  mededeling dat in het algemeen is uitgeslo- ten om telefonisch een afspraak te maken; een andere medewerkster weigert aan paar dagen later om telefonisch een afspraak te makengo
2003/248Ministerie van Buitenlandse Zakengeen mogelijkheid geboden om een aanvraag in te dienen om legalisatie en verificatie van de geboorteakte en onge- huwdverklaring van zijn partnerg
 Ambassade te Islamabadgeen mogelijkheid geboden om een aanvraag in te dienen om legalisatie en verificatie van de geboorteakte en onge- huwdverklaring van zijn partnerg
2003/282Ministerie van Buitenlandse Zakenlange behandelingsduur van namens verzoekster ingediend bezwaarschrift tegen beslissing waarbij legalisatie geboorteakte van haar dochtertje is geweigerdg
2003/285Nederlandse diplo- matieke vertegenwoordiging te Madridonvoldoende bijstand tijdens driejarige detentie in Spanje: te weinig bezocht in de beginperiode; niet geantwoord op het verzoek om een vertrouwensadvocaatg
  onvoldoende bijgestaan bij de communicatie met advocaat; verzoek om vertrouwensadvocaat in te schakelen niet gehonoreerdng
2003/288Ministerie van Buitenlandse Zakenlange duur behandeling verzoek om legalisatie van de Pakistaanse geboorteakte van dochter van verzoeker en verzoeker zelf en van zijn huwelijksakte, manier waarop klacht hierover is behandeld: wel erkend dat procedure voor onbepaalde tijd was opge- schort omdat de Nederlandse ambassade in Islamabad was gesloten voor publiek, maar geen passende maatregelen getroffeng
2003/295Ministerie van Buitenlandse Zakennogmaals en onnodig gevraagd, in het kader van de behandeling van de aanvraag om een mvv t.b.v. partner van Russische nationaliteit, originele documenten van zijn partner te overleggen, die partner reeds bij aanvraag had overlegd en geweigerd de door verzoeker gemaakte extra kosten te vergoedeng,#
2003/298Ambassade te Islamabadlange behandelingsduur van ingediende aanvraag tot verificatie en legalisatie van de geboorteakte van verzoeksters echtgenoot en hun huwelijksakte: wel laten weten dat verificatierapport gereed was maar geen concrete termijn gegeven waarbinnen beslissing op bovengenoemde aanvraag zal worden genomeng
2003/301Ambassade te Khartoumvan echtgenote en dochter geëist dat een reservering voor een vliegticket werd over- legd alvorens een mvv aan zijn echtgenote af te geven, terwijl Visadienst al verklaring van geen bezwaar had afgegeven aan de ambassade en daarnaast geëist dat zij een kopie van haar huwelijksakte en van de geboorteakte van dochter zou overleggen ondanks het feit dat deze stukken zich al op de ambassade bevondeng
2003/359Ambassade te Bangkokechtgenoot niet goed geïnformeerd over consequenties van verlies verblijfsvergunning in juni 2001g
  niet goed geïnformeerd in maart 2001go
  niet geregistreerd dat echtgenoot begin maart 2001 op ambassade is geweest om verlies van papieren te meldeng
2003/383Ambassade te Khartoemlange behandelingsduur van aanvraag mvvg
 Visadienstlange behandelingsduur van aanvraag van mvv; laten weten niet bekend te zijn met mvv-aanvraag, terwijl ambassade heeft verklaard zowel op of omstreeks 22 oktober 2002 als op 20 januari 2003 (een kopie van) de mvv-aanvraag te hebben verzondeng
2003/388Beneluxvisumkantoor te Rabatgeweigerd over te gaan tot afgifte van mvv, terwijl minister van Buitenlandse Zaken bij brief heeft meegedeeld dat er geen bezwaar bestaat tegen afgifte van mvvng
2003/432Visadienst Kort verblijfbehandeling van visumaanvraag voor kort verblijf van verzoekers moederg,!
 Ambassade te Rabatvisumaanvraag van verzoekers moeder niet in behandeling genomenng
  verzoeker verweten dat hij niet eerder over visumaanvraag heeft gereclameerd, terwijl meerdere malen telefonisch contact is geweestg

Defensie

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/010Bevelhebber der Koninklijke Marechausseeverslagen als bedoeld in art. 15 Klachtenregeling politietaken Koninklijke Marechaussee/krijgsmacht over 1998, 1999 en 2000 nog niet openbaar gemaakt en aan verzoeker toegestuurd, hoewel dit per brief van eind januari 2002 was toegezegd, en niet geïnformeerd over redenen hiervang
2003/077Ministerie van Defensietijdens hoorzitting in het kader van klachtbehandeling over gedraging van MID ten onrechte zijn medische achtergrond en contacten met personen uit voormalig Joegoslavië ter sprake gebracht en rele- vante kwesties die tijdens hoorzitting zijn besproken niet opgenomen in verslagng
  bijna zes maanden gedaan over klachtbehandelingg
2003/156Koninklijke Marechausseeverzoekers paspoort onderworpen aan onderzoek, terwijl dit bij overige 400 passa- giers in de rij niet werd gedaan, hem «te kijk gezet» voordat hij werd begeleid naar andere ruimte, hem 50 minuten opgehouden voor dit onderzoekng
  vragen over de redenen van dit onderzoek niet beantwoordgo
2003/204Koninklijke Marechausseewijze waarop verzoekster en haar kinderen zijn behandeld door ambtenaren tijdens transport met busje van rechtbank te Haarlem naar Grenshospitium in Amsterdam en bij aankomst grenshospitiumng
  wijze van klachtbehandeling: niet duidelijk gemaakt op welke wijze onderzoek is verricht en onvoldoende gemotiveerd waarom klacht ongegrond werd geachtg
2003/207Koninklijke Marechausseewijze van behandeling van verzoeker (van Tunesische nationaliteit) toen werd gecon- stateerd dat verzoeker zonder paspoort Nederland wilde binnenreizen:niet in moedertaal, noch met behulp van tolk gecommuniceerd maar in het Fransng
  mededeling dat verzoeker bij terugzending naar Tunesië zou worden gearresteerd niet opgevat als asielaanvraagg
2003/208Koninklijke Marechausseewijze van behandeling verzoeker tijdens poging verzoeker uit Nederland te verwij- deren: op hardhandige wijze boeien omge- daan; aan armen overeind getrokken en op roltrap in richting van vliegtuig geduwdng
  wijze van klachtbehandeling: niet duidelijk aangegeven op welke wijze onderzoek had plaatsgevonden en onvoldoende gemotiveerd waarom klacht ongegrond werd geachtg
2003/209Koninklijke Marechausseeoptreden jegens verzoeker bij poging om hem uit Nederland te verwijderen: hem hardhandig behandeld en fysiek geweld gebruikt, opgesloten in slecht geventileerde ruimte en niet toegestaan beroep te doen op artsng
  wijze van klachtbehandeling over bovenstaandeg
2003/217Topografische Dienst Nederlandbij afhandeling van verzoekers bestelling van zes luchtfoto's van hetzelfde perceel zich uitsluitend gebaseerd op een door verzoeker verstrekte plattegrond met globale aanduiding van het perceel; pas na betaling van voor verzoeker niet relevante foto's bereid opnieuw een luchtfoto toe te zendenng
  niet teruggebeld door medewerker ondanks meerdere telefonische toezeggingeng
2003/222Koninklijke Marechausseetoegang tot Nederland van zwager en schoonzuster van verzoeker onnodig lang opgehouden door opnieuw een garantverklaring van verzoeker te eisenng
  geen rekekning gehouden met situatie van verzoeker en familie: hoge bloeddruk van zwager; zware reis achter de rug en zwager voelde zich niet goed; slechts opgemerkt geen arts te zijn en niet gereageerd op mededeling dat jonge kinderen door opont- houd lange tijd alleen thuis zouden zijn; wijze van klachtafhandelingg
2003/226Koninklijke Marechausseeaangehouden en bij die gelegenheid geboeidng
2003/249Koninklijke Marechaussee, district Noord-Brabant/Limburg, Brigade Udenklacht over optreden ambtenaren tijdens aanhouding van verzoeksters op de vlieg- basis Volkel op 1 oktober 2001: onnodig overgebracht naar de kazerne in Eindhoven, urenlang gewacht op uitreiking van dag- vaardingg
2003/256Koninklijke Marechausseeop Schiphol verzoekers Zwitserse zakmes ingenomen ter vernietiging, terwijl er andere mogelijkheden waren om zakmes te verwijderen, geweigerd bewijs van inbe- slagname van zakmes te geveng,!
2003/257Koninklijke Marechausseelange behandelingsduur klachtg
2003/297Koninklijke Marechausseen.a.v. signalering aangehouden en toen verzoeker aanvoerde dat er sprake moest zijn van persoonsverwisseling niet bereid om nadere informatie in te winnen teneinde vast te stellen of verzoeker en gesignaleerde een en dezelfde persoon waren, in plaats daarvan dreigden zij met gijzeling wanneer verzoeker boete niet zou betalenng
2003/308Koninklijke Marechaussee #
bij aanhouding onheus bejegendgo
  klacht van 24 juni 2002 over houding en rijstijl van een ambtenaar eind oktober 2002 nog niet afgehandeldg
2003/360Koninklijke Luchtmachtwijze van bejegening door ambtenaren: ruimte waarin verzoekster was opgesloten was voorzien van ondeugdelijke deur, waardoor brandweer eraan te pas moest komen om deur te openen; verzoekster beschuldigd van vernieling van die deurng
  verzoekster eerst vastgepakt en niet meteen meegedeeld dat zij was aangehouden en waarom zij was aangehouden, op dat moment al geweld toegepast en een hond in de ophoudruimte gebrachtg
  schade toegebracht aan verzoeksters jas en tas doorzochtgo
2003/361Koninklijke Luchtmachtonjuist bejegend door ambtenareng
aanwezigheid hond bij aanhouding verzoek- ster en intimiderende opmerkingen gemaakt over inzet hondgo
2003/362Koninklijke Luchtmacht !
verblijfsomstandigheden op vliegbasis Volkel na aanhoudingen verzoekster: inge- sloten in ruimte die ongeschikt was voor verblijf omdat ruimte stoffig was, geen verwarming aanwezig; in deur gat geslepen met scherpe, gevaarlijke randen; onvoldoende verlichting aanwezig; bewakingspersoneel 's avonds niet aanwezig; geen gelegenheid om te zitteng
  tijd die is gemoeid met overdracht van verzoekster na aanhouding aan KMARng
 Koninklijke Marechausseeovername verzoekster op 17 december 2000ng
ambtenaren hebben verzoekster, nadat zij was aangehouden, niet voorgeleid aan officier van justitieg
2003/363Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marechaussee !
na aanhouding niet onverwijld overgedragen aan KMAR ondanks verzoek de KMAR te waarschuwen en ondanks dat apparatuur aanwezig was om aan verzoek te voldoenng
  verblijfsomstandigheden ophoudruimte: smerig en stoffig; geen ramen aanwezig; vies toilet; geen privacy; in eerste instantie geen stoel aanwezig en KMAR heeft verzoe- ker te lang ingesloten nadat hij was overge- bracht naar brigade in Udeng
2003/375Koninklijke Marechausseeverzoeker discriminerend bejegend door hem als enige passagier van zijn vlucht aan meerdere inspecties te onderwerpen; klacht hierover ongegrond verklaardng
  lange behandelingsduur van klachtg
2003/381Koninklijke Marechausseetijdens fouillering op Schiphol onbehoorlijk betast door een medewerker van Seceurop, werkzaam onder verantwoordelijkheid van de KMARgo
  de fouillering gebeurde zonder voorafgaande mededelingng
  verzoekers klacht over de gang van zaken doorgestuurd naar Seceurop; lange duur van de klachtbehandelingg

Economische zaken

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/116Minister van Economische Zakenonvoldoende actie ondernomen om o.b.v. de Investerings Beschermings Overeenkomst tot een oplossing te komen voor handelsconflict tussen verzoeker en Chinese handelspartnerng
2003/255Kamer van Koophandel Centraal Gelder- landnaam van secretaris van spellenvereniging in handelsregister gewijzigd zonder van mutatie schriftelijk melding te doen; jaarlijkse verplichte bijdrage via dwangbevel geïndng
2003/259Ministerie van Economische Zakenniet inhoudelijk gereageerd op brieven over aanbestedingsopdrachtenng
  niet gereageerd op klachtbriefg
2003/316Agentschap Telecomonvoldoende actie ondernomen om storingen in elektronische apparatuur van verzoeker en buurtgenoten, veroorzaakt door zendapparatuur van buurtgenoot werkzaam bij genoemd agentschap, te voorkomenng

Financiën

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/014Belastingdienst/Ondernemingen Amsterdam 1onderzoek uit eigen beweging naar wijze waarop bij behandeling van verzoeksters klacht toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 9:10 en 9:12, tweede lid, van de Awbg,!
 Belastingdienst/Ondernemingen Amsterdam 1wijze waarop is gereageerd op klacht; afhandeling onbevredigend omdat wordt volstaan met enkele mededeling dat klacht gegrond isg
2003/019Staatssecretaris van Financiënin besluit neergelegd dat de arresten van de Hoge Raad inzake opbrengst uit piramidespelen geen gevolgen hebben voor aansla- gen die op die datum onherroepelijk vaststaanng
2003/033Belastingdienst/Particulieren Rotterdam #
wijze van afhandelen klacht: klacht inzake onjuiste vermelding van ontvangstdatum in ontvangstbevestiging niet gegrond ver- klaard; laten weten dat ontvangstbevesti- gingen automatisch op sofi-nummer wor- den aangemaakt en derhalve niet naar gemachtigde gestuurdg
  datum waarop bezwaarschriften door administratie worden ingeschreven geregi- streerd als datum, en niet de datum waarop bezwaarschriften binnenkomenng
2003/036Belastingdienst/Particulierengeweigerd bedrag van voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2000 te storten op rekening waarop ook termijnen van voorlo- pige teruggaaf inkomstenbelasting 2001 worden gestort; verzoeker stelt dat zij ervan uit mocht gaan dat geen gebruik meer zou worden gemaakt van eerder opgegeven rekeningnummer en dat haar niet aan te rekenen valt dat zij het oude nummer niet nogmaals heeft gewijzigdng
2003/058Belastingdienst/Ondernemingen Eindhovenafwijzend beslist op verzoek om toekenning schadevergoedingng
2003/061Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen<wijze waarop is gereageerd op brieven van verzoeker en verzoeker geen ontvangstbevestiging of behandelingsbericht verzondeng
  lange behandelingsduur van brievenng
2003/071Belastingdienst/Ondernemingen Lelystadopnieuw standpunt ingenomen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor vergoeding van gemaakte adviseurskosten, verzoeker wijst daarbij op brief waarin toezegging zou zijn gedaanng
2003/091Belastingdienst/FIOD/ECDverzoeker niet uit eigen beweging op de hoogte gesteld van voortgang onderzoek n.a.v. aangifte ter zake valsheid in geschrifte, en niet schriftelijk op de hoogte gesteld van afloop onderzoekg,#
2003/099Regionale directie Domeinen Westonvoldoende en op onjuiste wijze bekendheid gegeven aan de verkoop van de «oude zoutopslag» gelegen ten westen van de Rijksweg A 208 onder Velseng,#
2003/102Belastingdienst/Ondernemingen Goesverzoekster of haar gemachtigde niet gehoord in kader van klachtbehandeling, bij behandeling van verzoeksters klacht uitge- gaan van onjuiste feiten, verzoekster of haar gemachtigde niet gehoord bij afhandeling van bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1998g
2003/109Belastingdienst/Particulieren Utrechtwijze van vragen om informatie m.b.t. verzoekers aangifte inkomstenbelasting 2000: verzoeker niet gehouden tot afgifte van bijgehouden administratie of kopieën daarvan; niet tegemoetgekomen aan verzoek om andere ambtenaar te belasten met behandeling van aangifteng
  gedreigd zaak voor te leggen aan de boete/fraudecoördinatorg
2003/144Belastingdienst/Ondernemingen Utrechtklachtbrief niet overeenkomstig toezegging afgehandeldg
2003/147Belastingdienst/Ondernemingen Amersfoortniet gereageerd op correspondentie en herinneringen van gemachtigde van verzoeker; geen ontvangstbevestigingen gestuurd; geen uitvoering gegeven aan bepalingen van intern klachtrecht zoals opgenomen in hoofdstuk 9 van de Awbg
2003/224Dienst Domeinenvergoeding die verzoeker in verband met vervreemding van inbeslaggenomen televisietoestellen en videorecorders is aangeboden, is te laagng
2003/239Dienst Domeinen Roerende Zakenslechts bereid een bedrag van 600 gulden aan schadevergoeding te betalen ter zake van een auto die in 2000 is vernietigdng,!
2003/243Belastingdienst/Ondernemingen Dordrechtpas in november 2002 een aanslag inkomstenbelasting 1999 opgelegd en niet eerder een voolopige aanslag opgelegd ondanks het tijdig indienen van de aangifteg
2003/258Belastingdienst/Oost-Brabantn.a.v. k lachtbrief telefonisch laten weten niets te kunnen, klacht was dat voor verzoekster bestemde teruggave was gestort op rekening zoon en niet aan haar was uitbetaald, waardoor haar financiële problemen groter zijn gewordeng,#
2003/270Belastingdienst/Ondernemingen Amstelveenaankondiging beslaglegging ter zake invordering van belastingschulden van P. op verzoekers adres bezorgdg
2003/279Belastingdienst/Particulieren Heerlenteruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gestort op een rekening die niet meer op verzoeksters naam stond; onvoldoende invulling gegeven aan onder- zoeksplicht ex artikel 3:2 Awbg,#
2003/302Belastingdienst/Douanebij aankomst op Schiphol bagage gecontroleerd, terwijl bagage van een vrouw met drie kinderen ongemoeid werd gelaten en toen verzoeker aangaf dat hij zich gediscrimineerd voelde geroepen dat hij maar thuis had moeten blijven als hij niet wilde wor- den gediscrimineerdgo
  in reactie op klacht laten weten dat identiteit van betrokken ambtenaar niet kon worden vastgesteld en dat verder onderzoek geen zin hadng
2003/338Staatssecretaris van Financiënniet aannemelijk geacht dat verzoekers in 1986 en nadien belangstelling hebben gehad de grond te kopen van het erfpachtperceel te Ameland en afwijzende beslissing van de regionale directie Domeinen Noordoost gesanctioneerd op hun verzoek de grond te mogen kopen op de voorwaarden 1987/1988g,#
2003/346Regionale directie Domeinen Westonvoldoende ondernomen om verzoekers in rustig genot te stellen van door hen gehuurde ligplaatsen in oude Rijn: niet opgetreden tegen huurders die met grote afgemeerde boten beslag leggen op deel van door verzoekers gehuurde plaatsen; wijze van behandelen klachtng
  gesteld dat situatietekening die bij aanbie- den van huurcontract overgelegd werd slechts indicatief bedoeld wasg
2003/349Belastingdienst/Ondernemingenverzoek van 24 september 2002 om ambts- halve herziening van beschikking van 30 augustus 1997 afgewezen, terwijl vol- gens verzoekers, erven, sprake is van vergissing op grond waarvan termijn voor ambtshalve herziening kan worden verlengd tot 10 jaarng
2003/369Belastingdienst/Particulieren/Rotterdamteruggaaf inzake de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen niet ontvangen, aangezien teruggaaf op ander rekeningnummer is gestort dan door verzoekster bij zogenaamd D.B.4-formulier was verzochtg,#
2003/371Belastingdienst/Particulieren Middelburgafwijzend beslist op het namens verzoekster ingediende verzoek om toekenning van kostenvergoedingng
  motivering van afwijzende beslissingg
2003/372Belastingdienst/Directie Ondernemingenwijze van afhandeling klachtbrief: niet in gelegenheid gesteld klacht mondeling toe te lichten en aanspraak op compensatie van de door verzoeker gemaakte kosten afge- wezen met motivering dat verzoeker de onverschuldigd aan hem betaalde bedragen een jaar in zijn bezit heeft gehad en dat voordelen die hieruit voortkomen opwegen tegen de gemaakte kosteng,#
2003/373Belastingdienst/Particulieren Amsterdamlange behandelingsduur van het door verzoeker ingediende bezwaarschrift en niet gereageerd op vele telefonische en schrif- telijke verzoeken van verzoeker en adviseur tot stopzetting van invorderingsactiviteiteng,!
2003/387Belastingdienst/Oost-Brabantverzoek om vergoeding van kosten die verzoekster gemaakt had als gevolg van het later onjuist geachte standpunt dat zij inkomstenbelasting was verschuldigd over opbrengsten van activiteiten in Duitsland afgewezenng
2003/391Belastingdienst/Oost-Brabantgeweigerd de verliezen uit periode voor 1995 voor verrekening in aanmerking te brengen met belastbare winst over het jaar 2000ng
2003/406Belastingdienst/Ondernemingen Maastrichthandelwijze van de Belastingdienst t.a.v. het voornemen om verzoeker aansprakelijk te stellen voor een belastingschuld van een rechtspersoon: op 22 november 2002 inge- diend beroepschrift gebruikt om de beslis- sing over de aansprakelijkheidstelling op te schortenng
  bezwaarschrift gebruikt als argument waar- om de Belastingdienst pas op 19 mei 2003 heeft gereageerd op dat beroepschrift; beslissing aansprakelijkheidsstelling opge- schort nadat verzoeker klacht had ingediendg
2003/407Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrechtmotivering van de afwijzende beslissing van de Belastingdienst op het verzoek van verzoeker om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslag inkomsten- belasting/premie volksverzekeringen 2000g
  vermindering aanslag niet verleendng
2003/467Belastingdienst/Holland Noord/kantoor Zaandamwijze van toepassing geven aan verschillende artikelen van de Awb bij meerdere klachtbrieveng,#
2003/486Belastingdienst/Particulieren/Onderneming Leidenprivé-agenda niet geretourneerd na behandeling aangifte inkomstenbelastinggo
2003/488Belastingdienstafwijzend beslist op verzoek om vergoeding van kosten die verzoeker heeft gemaakt in bezwaarfase m.b.t. de aan hem opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting 1997 tot en met 1999g,#

Gemeenten

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/021Gemeente Lingewaardper brief meegedeeld dat verzoek om aan- koop van aan verzoekers woonerf grenzende gemeentegrond is aangehouden i.v.m. de aanstaande overdracht van wateren aan een waterschap, hoewel recent in vergelijkbare gevallen wel is verkocht en verzoeker eerder eenzelfde reden voor aanhouden van zijn verzoek is gegevenng
  niet actief informatie verstrektg
2003/037Gemeente IJsselsteingeen uitvoering gegeven aan uitspraak van bestuursrechter, die inhoudt dat op zijn aanvraag om een bijstandsuitkering een nieuwe beslissing diende te worden geno- men (ondanks diverse verzoeken daartoe)g
2003/056Gemeente Ridderkerk, consulente afdeling Sociale dienstverleningbejegening door bijstandsconsulente: onder druk gezet om vrijwilligerswerk te gaan doen; tegengewerkt bij het aanvragen van bepaalde voorzieningen; diverse malen niet teruggebeld; niet op respectvolle manier behandeldng
 Afdeling Sociale dienstverleningniet op hoogte gesteld van het feit dat er een onderzoek gaande was naar door moeder gedane schenking aan verzoekster en onderzoek onnodig veel tijd in beslag genomengo
  aanvraag voor bijzondere bijstand t.b.v. tandheelkundige ingreep pas na drie maanden afgehandeldg
2003/060Gemeente Purmerend !
beslissing van gemeente op ingediende klachten over informatieverstrekking inzake realisering van een manege: college stelt dat verzoeker niet om een afschrift van alle ter inzage liggende stukken heeft gevraagd en wijze van klachtafhandeling: ontvangst klachten niet schriftelijk bevestigd; niet in gelegenheid gesteld te worden gehoord; niet gewezen op mogelijkheid om verzoekschrift in te dienen bij de Nationale ombudsmang
  college stelt in beslissing dat er geen aanleiding was om correctief op te treden tijdens gedachtewisseling tussen betrokken ambtenaren en verzoeker en dat burgers zich ter voorkoming van misverstanden tot derden dienen te wendenng
2003/062Gemeente Haarlem- mermeer, directeur van dienst Welzijn, Onderwijs en Cultuuringediende klacht niet-ontvankelijk ver- klaard; geweigerd klacht als klacht te registreren; niet aangegeven wat de resultaten zijn van het onderzoek naar de klacht; niet aangegeven welke stappen concreet zijn ondernomen om herhaling te voorkomen; meegedeelde verdagingstermijn overschredeng
2003/063Gemeente Schiermonnikoogniet beslist op klacht betreffende onvoldoende informatieverstrekking door gemeenteg,!
2003/070Gemeente Doetinchemmotivering en beoordeling van klacht over ambtenaar gemeenteg
  wijziging van gegevens in de Gbang
2003/079Gemeente Amersfoortdirecteur Stedelijke Ontwikkeling en Beheer stelt zich in reactie op klacht op standpunt dat gemeente gedurende de jaren voldoen- de actie heeft ondernomen om te komen tot een oplossing van de parkeerproblematiek voor de woningen van verzoekersng
2003/081Gemeente Apeldoornniet bereid om onkosten te vergoeden over de periode van drie maanden waarin verzoeker, hoewel niet benoemd, feitelijk wel actief in Cliëntenraad is geweestg,#
2003/084Gemeente Dordrechtingediende klacht over gang van zaken tijdens hoorzitting door de commisse van beroep- en bijzondere bezwaarschriften ongegrond verklaard en in reactie op klacht niet ingegaan op vermeld aspect betreffende de inhoud van het bezwaarschriftg
2003/106Gemeente Haarlemverzoekers klaagschrift niet binnen de in hoofdstuk 9 van de Awb opgenomen termijnen afgedaang,!
2003/107Gemeente Haarlemmermeerverzoeksters klacht over het doorgeven van vertrouwelijke informatie over verzoekster aan een derde onvoldoende onderzocht en ongegrond verklaardg
2003/121Gemeente Beverwijkpas in oktober 2002 meegedeeld dat verzoe- kers klacht over politieoptreden, zoals verwoord in zijn brief van juni 2002, dient te worden behandeld binnen klachtenregeling van politie zelf; in beslissing op klacht niet ingegaan op lange behandelingsduurg
2003/122Gemeente Haarlemmermeerin reactie op door verzoekster ingediende klachten over niet tijdig beslissen op aan- vraag, gesteld dat de gemeente op grond van art. 9:8, eerste lid, aanhef onder c van de Awb en art. 8 van de Klachtenregeling gemeente Haarlemmermeer niet verplicht is dergelijke klachten in behandeling te nemeng,#
2003/123Gemeente Kampengeen verklaring gegeven voor feit dat milieucontroleurs aan de sociale recherche hebben gemeld dat verzoeker aan een antieke auto werkte terwijl bekend was dat hij een uitkering ontving, maar dat hij kort daarna door UWV werd benaderd ter controle van verkregen informatie over «tegen betaling repareren en verhandelen van auto's aan derden»g
2003/124Gemeente Amersfoortlange behandelingsduur van verzoekers bezwaarschrift tegen beslissing over verle- ning bijzondere bijstandg
2003/131Gemeente Purmerendverzoekers adresgegevens gewijzigd in GBA zonder voorafgaand voldoende en zorgvul- dig onderzoek te verrichten; wijze van toepassing geven aan artikel 9:10 en 9:12 tweede lid van de Awb: verzoeker niet gehoord en niet verwezen naar externe klachtinstantieg
2003/134Gemeente Bernhezeonderzoek uit eigen beweging: wijze van uitvoering geven aan artikel 9:10 Awb omtrent het horen van klagerng
  wijze van uitvoering geven aan artikel 9:12 Awb omtrent het in kennis stellen van klager van het oordeel over de klachtg
2003/139Gemeente Echtantwoord op verzoekers brief waarin hij inzage vroeg in bescheiden m.b.t. door gemeente afgegeven vergunningen voor het slopen van een garage op een door verzoeker genoemd perceelng
2003/145Gemeente Franekeradeelbrief aan rechtbank gezonden waarin rechtbank werd geïnformeerd over stand van zaken betreffende een door de gemeen- te aan de bij een bouwvergunningsproce- dure betrokken partij gedane uitnodiging voor een overlegng
2003/161Gemeente Nieuwegeinverzoek tot vergoeding van schade i.v.m. het opslaan en vervolgens verkopen van verzoekers inboedel bij ontruiming van diens woning afgewezenng
  verzoek om schadevergoeding op onjuiste grond afgewezeng
2003/166Gemeente Lingewaardwijze waarop wethouder zich t.a.v. verzoe- kers heeft gedragen in procedure inzake planning van een nabij te bouwen school- gebouw alsmede over wijze waarop de gemeente klacht over voorgaande heeft behandeldg,#
2003/188Gemeente Bergh #
  verzoek om kwijtschelding aanslag(en) gemeentelijke heffingen 2001 afgewezen; al begin januari 2002 begonnen met invordering van pas in mei/juni 2002 opgelegde aanslag afvalstoffenheffing; verzoekers klacht over gevolgde procedure m.b.t. verzoek om kwijtschelding voor 2001 onvoldoende zorgvuldig behandeldng
  geweigerd verzoeker een kwijtscheldingsformulier te verstrekken; verzoekers woonsituatie niet onderzochtg
2003/201Gemeente Apeldoorn, Dienst Ruimtelijke Ordening en Wonenklaagschrift van verzoekers ongegrond verklaard en niet afgehandeld overeenkomstig klachtenregeling van de gemeenteg
2003/202Gemeente Breda, Dienst Stadsbeheergeen specificatie gegeven van de voor de aanleg van twee in- en uitritten berekende kosten; afgifte kapvergunning en vergunning voor realisering van een in- en uitrit afhankelijk gesteld van de ontvangst van de berekende kosten; na zeven maanden na indiening aanvraag tot een kostenberekening gekomeng
  berekende kosten staan niet in verhouding tot reële kosten voor aanleg in- en uitrittenng
2003/206Gemeente Haarlemwijze van klachtafhandeling: klacht niet door college zelf, waarop klacht betrekking had, afgedaan; klaagschrift niet ter advise- ring voorgelegd aan gemeentelijke klach- tencommissieng
  verzoeker niet gehoordg
2003/210Gemeente Alkmaar, Dienst Stadsontwik- keling en Beheerniet of niet voldoende voortvarend gehandeld n.a.v. door verzoeker aan de orde gestelde overlast van nabij zijn woning gevestigde speelplaats; ten onrechte gesteld dat klachtenprocedure niet het geëigende middel is om tot inhoudelijke oplossing te komen omtrent overlast; ten onrechte meegedeeld dat er geen notulen waren van overleg met buurtbewonersg
 Gemeente Alkmaar, wethouder Stadsbeheerverzoeker pas bijna een jaar later geïnformeerd over besluit van college van b&w tot herinrichting van de speelplaatsg
  gelet op argumenten, niet in redelijkheid tot besluit kunnen komen tot herinrichting speelplaatsng
2003/213Gemeente Graafstroom, Klachtencommissieonderzoek uit eigen beweging naar wijze waarop klachtencommissie toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 9:10 Awbg
2003/225Gemeente Haarlemmermeerde gemeente stelt zich op voorhand op het standpunt dat een eventuele tijdelijke verlenging van de huurtermijn van de woning van verzoeker niet zal worden verleend; de termijn voor het anti-specula- tiebeding pas aanvangt op moment dat verzoeker zelf in zijn woning gaat wonen; bezwaren verzoeker zijn niet volgens bepalingen interne klachtbehandeling afgedaang
2003/227Gemeente Enschedeklachten over de raad van de gemeente over diverse zaken rond referendum; niet verbinden van consequenties door college aan constatering klachtadviescommissie over gelijkwaardigheid informatieve tekst en over correctie van besprekingsverslagng
  informatieve tekst bij oproepingskaart is ontmoedigend en onjuist; oordeel over verzoekers klacht hieromtrent; niet behan- delen van verzoekers klacht over weigering om bijdrage te leveren in kosten zaalhuur; niet reageren op verzoek in te mogen spreken; oordeel over verzoekers klacht hieromtrent; motivering van conclusie dat dat college voldoende inspanning heeft geleverd bij onderzoek van klacht over verspreiding brochure; behandeling van klacht over niet bezorgde oproepingskaarten; klacht over oordeel van college over vermelden opkomstpercentagesg
  vermelden van opkomstpercentages op dag van referendumgo
2003/253Gemeente Overbetuweniets gedaan n.a.v. verzoekers melding dat door buren geplaatste coniferen strijdig zijn met in eigendomsakte opgenomen erfdienstbaarheidng
  verzoekers klaagschrift hierover niet-ont- vankelijk verklaard omdat het een privaatrechtelijk geschil betrofg
2003/268Gemeente Wûnseradielonvoldoende gereageerd op verzoekers klachten over stankoverlast door de manier waarop verzoekers buurman op diens erf kadavers van kippen aanbiedt aan een destructiebedrijfng
  geen informatie gegeven over welke instanties toezicht houden op naleving Destructiewetg
2003/347Gemeente Leiderdorpmeegedeeld niet te zullen voldoen aan verzoeksters verzoek om haar op de hoogte te stellen van ingediende aanvragen van bouwvergunningen d.m.v. toezending van afschriften van bekendmakingen in huis-aan-huisbladng
2003/379Gemeente Haarlem- mermeer, vaste com- missie van advies bezwaar- en beroep- schriftentoezegging gedaan tijdens hoorzitting van de vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften om binnen twee weken het verslag van de hoorzitting te sturen, niet nagekomengo
 Gemeente Haarlem- mermeer, directeur dienst Welzijn, Onderwijs en Cultuurklacht over lange behandelingsduur van aanvraag niet-ontvankelijk verklaard met een beroep op artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb en artikel 8 van de Klachtenregeling gemeente Haarlemmermeerg
 Gemeente Haarlemmermeerin januari 2002 beslist op aanvraag van eind maart 2001 voor een voorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten; niet beslist op bezwaarschriftg
2003/389Gemeente Leeuwardenovergegaan tot onnodig belastende terug- vordering van teveel betaalde uitkeringng
2003/395Gemeente Haarlemmermeerwijze van klachtbehandeling over optreden van leerplichtambtenaar van gemeente i.v.m. verwijdering van 10-jarige zoon van een school: niet gebleken dat dossier ter inzage is waaruit duidelijk wordt wat leer- plichtambtenaar heeft gedaan nadat hij was geïnformeerd over verwijdering zoon van verzoekster; geen verslag gemaakt van hoorzitting n.a.v. klacht; in antwoord op klachtaspecten die tijdens hoorzitting zijn besproken, niet genoemd; geen blijk gege- ven dat kennis is genomen van brief van verzoekster aan Inspectie van het Onderwijsg
  uit antwoord op klacht niet gebleken of leerplichtambtenaar stappen heeft onder- nomen om verzoekster en zoon helpende hand te biedenng
2003/412Gemeente Ermelobesloten geen ambtshalve vermindering te verlenen van aanslagen rioolrecht die over jaren 1992, 1993 en 1996 zijn opgelegd aan rechtsvoorgangerng
  onvoldoende motivering van het besluit voor zover deze ziet op het jaar 1996g
2003/422Gemeente Purmerendwijze waarop klaagschrift is afgehandeld: verzoekster niet gehoord en onvoldoende gemotiveerd welke beslissing op het ingediende bezwaarschrift is genomeng
  ontvangst van klaagschrift niet bevestigdng
2003/423Gemeente Epedeels onjuist en deels onvolledig onderzoek en de dientengevolge onzorgvuldige con- clusies van de klachtbehandelaar, op basis waarvan het college de klacht heeft afge- handeldg
  verzoekers klacht buiten behandeling gelaten voor zover deze betrekking had op behandelingsduur van aanvraag tot 27 juli 2000 en t.a.v. veronderstelde tegenwerkingng
2003/425Gemeente Sint-Michielsgestelniet overgegaan tot effectueren van bestuursdwangbesluit van 2 juli 2002ng
  verzoekers klacht hierover buiten behandeling gelateng
2003/430Gemeente Venloniet bereid om het schoonmaken van het centrum van Tegelen op ander tijdstip te laten plaatsvinden, verzoeker is woonachtig in centrum en ondervindt hinder als gevolg van het feit dat de gemeente het centrum zondagochtends om 06.00 uur laat schoon- makenng
2003/442Gemeente Nijmegenin beslissing op klacht van verzoeker over de wijze van totstandkoming van de Veror- dening raadscommissies 2002 op het standpunt gesteld dat: de spoedeisendheid van behandeling van raadstukken ter beoor- deling is van de raad en niet kan worden aangemerkt als gedraging als bedoeld in Hoofdstuk 9 Awb; de vraag of afgeweken kan worden van de normale oproep- en inzagetermijn is ter beoordeling aan de voorzitter van de raad en geen gedraging in de zin van de Awb; beleving van verzoeker dat geen bevredigend antwoord dat is gegeven op een eerder gestelde vraag niet als klachtwaardige gedraging kan worden aangemerkt; wijze waarop de tijd en plaats van de raadsvergaderingen en commissies bekend worden gemaaktg
  op het standpunt gesteld dat recht om klacht in te dienen geen drukmiddel kan zijn om discussies te continueren; zich het recht kan voorbehouden zinloos voortdurende discussies eenzijdig te beëindigenng
2003/454Gemeente Epeeen brandweerkorps is 5 dagen op reis geweest waarbij kosten voor vervanging door de gemeente zijn gedragen terwijl eerder was besloten dat de kosten voor een vervangend korps door het desbetreffende brandweerkorps zelf dienden te worden gedragenng
2003/459Gemeente Nijmegenklacht over onjuiste passage in beschikking op bezwaarschrift niet in behandeling geno- men omdat verzoekers belang dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvol- doende isg
2003/463Gemeente Franekeradeelklacht over rioolafvoer van zijn woning onvoldoende behandeldng
2003/474Gemeente Nijmegencollege gaat er bij registratie van verzoeker als inwoner van uit dat verzoeker zich voor het eerst aanmeldt als ingezeteneg

Justitie

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/002Arrondissementsparket Assenonvoldoende geïnformeerd over voortgang en afloop van het onderzoekng
  niet of niet voldoende gereageerd op ver- zoek wijkraad, verdachten erop gewezen dat mishandeling geen aangiftedelict isg
2003/006Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van bezwaarschrift tegen afwijzende beslissing van aanvraag om verlenging van reeds verleende verblijfsvergunningeng
2003/007Officier van justitie Bredaniet, althans onvoldoende, opgetreden tegen personen die tot ontruiming van gekraakt complex wilden overgaan: noch direct na aankomst op complex, noch tijdens en na het overleg met krakers en bedoelde personen opgetreden tegen die personen, toen zij hun spullen van de krakers naar buiten en hun eigen spullen naar binnen brachteng
2003/008Officier van justitie 's Hertogenbosch #
brief, waarin officier van justitie wordt verzocht maatregelen te nemen tegen een bedrijf dat geluidsoverlast veroorzaakt, aangemerkt als beroepschrift tegen een aan verzoeker opgelegde beschikking ter zake een verkeersovertredingng
  niet gereageerd op onderdeel van briefg
 Hoofdofficier van justitie 's Hertogenboschbrief als beroepschrift aangemerktng
niet gereageerd op alle punten inzake geluidsoverlastng
  tegenstrijdige informatie verstrekt in brieveng
2003/017Arrondissementsparket Utrechtverzoeker, slachtoffer van gewapende roofoverval, verzocht het in te vullen voegingsformulier binnen 8 dagen na dagtekening van die brief in te zenden en daarbij bericht dat later inzenden problemen oplevert en verzoeker niet op hoogte gesteld dat verdachten in hoger beroep zijn gegaan tegen hen gewezen vonnisg
  niet geïnformeerd dat de tegen beide verdachten geplande hoorzitting niet doorgingng
2003/020Officier van justitie te Zutphenpas op 27 juni beslist op beroepschrift van 27 februarig
2003/024Raad voor Rechtsbijstandals voorwaarde voor instellen onderzoek naar verzoekers klacht over toevoeging die aan zijn (ex-)echtgenote is verleend, gesteld dat hij ermee akkoord gaat dat zijn naam aan zijn (ex-)echtgenote bekend wordt gemaaktng
2003/029Immigratie- en Naturalisatiedienst #
geweigerd factuur van verzoeker te voldoenng
  verzoeker op geen enkele wijze gecompenseerd voor zijn voorbereidende adviezeng
2003/032Griffie kantongerecht Utrechtgezonden verweerschrift door toedoen van griffie niet voorafgaand aan de terechtzitting aan behandelend kantonrechter voor- gelegd en geen contact met verzoeker opgenomen toen was gebleken dat gezon- den verweerschrift onvolledig en onleesbaar was ontvangenng
2003/046Immigratie- en Naturalisatiediensttoezegging om vóór 4 juli 2002 bericht te sturen over afhandeling van verzoeksters klacht betreffende lange behandelingsduur van aanvraag om verblijfsvergunning niet nagekomen en toezegging om binnen 5 werkdagen alsnog gedane toezegging na te komen, niet nagekomeng
2003/050Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van verzoek van partner om verlening Nederlanderschapg
2003/051Bureau Jeugdzorg Utrechtniet gereageerd op brief van verzoekers waarin zij zich beklagen over de gezinsvoogd van hun onder toezicht gestelde kinderen, en verzoeken een andere gezinsvoogd aan te wijzeng
2003/052Griffie van de rechtbank Amsterdamtelefonisch medegedeeld dat verzoeker geen griffierechten verschuldigd zou zijn als hij beroepschrift zou intrekken of het niet- ontvankelijk verklaard zou wordengo
  slechte telefonische bereikbaarheid: verzoe- ker steeds doorverbonden zonder dat vragen inhoudelijk werden beantwoord; niet inhoudelijk gereageerd op verzoekers klachtbriefng
2003/053Raad voor de Kinder- bescherming #
n.a.v. verzoek om advies over toevertrouwing van verzoeksters kinderen op onjuiste gronden besloten om uit eigen beweging onderzoek uit te breiden naar algehele opvoedingssituatie, hierbij mening van psychiater van ex-partner laten meewegen terwijl deze de kinderen niet kent, folder met informatie over ondertoezichtstelling aan dochter overhandigd, niet aangegeven of informanten met weergave van hun verklaringen in onderzoeksrapport hebben ingestemd, onderzoeksvragen in kader van milieuonderzoek niet van te voren met verzoekster besproken, na vernietiging ondertoezichtstellingen verzoekster blijven bestoken met nieuwe onderzoekenng
  in onderzoeksrapport slechts negatieve aspecten van verklaringen informanten weergegeven en gesteld dat verzoekster iedere vorm van hulpverlening heeft afge- wezen, wijze van afwijzen van verzoek om schadevergoeding, verzoekster niet nader geïnformeerd na verzoek om conceptrapportage te vernietigeng
  verzoekster meegedeeld dat overwogen zou worden de kinderen uit huis te plaatsen als zij niet meewerkt aan onderzoekgo
2003/068Openbaar Ministerie te Rotterdambrief m.b.t. verstrekking van proces-verbaal gestuurd aan verzoekers werkgever die door werkgever verkeerd werd uitgelegd; sepotbeslissing in verzoekers strafzaak gemotiveerd met sepotcode 02 (onvoldoende wettig en overtuigend bewijs) i.p.v. sepotcode 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt)ng
  proces-verbaal reeds op 21 april 2000 aan verzoekers werkgever verstrekt, terwijl pas op 7 augustus 2000 werd meegedeeld dat tot verstrekking zou worden overgegaan; bij overleggen van proces-verbaal aan verte- genwoordigers van verzoekers werkgever aangegeven dat het «nieuwe feiten» betreftg
2003/069Officier van justitie Utrechtgeen opdracht gegeven om opsporingshandelingen te verrichten n.a.v. aangifte terzake huisvredebreuk met diefstalg
  aangifte van verzoeker lage prioriteit gegevenng
2003/073Officier van justitie Utrechtgeweigerd grond voor sepotbeslissing betreffende verzoeker te wijzigenng
2003/085Immigratie- en Naturalisatiedienstgeen reactie op aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van driejarenbeleid en haar tweede aanvraag – in het kader van verzoek tot heroverweging – op grond van het driejarenbeleid tegelijk willen behandelen met het bezwaar in de hoofdzaakg
2003/098Arrondissementsparket Groningenverzoekster niet tijdig geattendeerd op ontbreken van machtiging van verzoeksters administrateur, i.v.m. haar voeging als benadeelde partij in strafprocesng
2003/101Immigratie- en Naturalisatiedienstbrieven van verzoekers advocaat pas beantwoord nadat een klacht was ingediend; verzoeker geruime tijd in onzekerheid gelaten over vraag of zijn naturalisatie alsnog ongedaan zou worden gemaaktg
  meegedeeld dat verzoeker als genaturaliseerd Nederlander bewijs moest overleggen waaruit bleek dat zijn oorspronkelijke Nige- riaanse nationaliteit door het doen van afstand is verloren, terwijl de uit art. 9 Rijkswet op het Nederlanderschap voort- vloeiende afstandsverplichting slechts een inspanningsverplichting inhoudtng
2003/113Immigratie- en Naturalisatiedienstonzorgvuldig in telefonische informatieverstrekking aan verzoeker: indruk gewekt dat legalisatie van geboorteakte geen vereiste was voor naturalisatie onder verwijzing naar de folder «Naturalisatie tot Nederlander»g
2003/136Penitentiaire Inrich- ting Oosterhoek te Grave1000 Zwitserse francs, die verzoeker bij zijn insluiting had afgegeven, zoekgemaaktng
2003/140Centraal Justitieel Incassobureaugegevensuitwisseling tussen RDW en CJIB onvoldoende, klachtbrief aangemerkt als beroepschrift en doorgezonden naar officier van justitieng
  niet gereageerd op onderdeel in brief waarin verzoeker aangeeft tevergeefs om uitleg te hebben verzochtg
2003/146Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze van klachtafhandeling, in afdoeningsbrief niet ingegaan op lange duur behandeling van mvv-aanvraagg
2003/148Griffie van de recht- bank te Rotterdambrief van verzoeker niet tijdig aan kantonrechter ter hand gesteldng
2003/149Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragenonvoldoende voortvarendheid betracht bij inning van onderhoudsbijdrage voor kinde- ren van verzoeker bij ex-echtgenoot en nim- mer uit eigen beweging verzoeker geïnfor- meerd over stand van zakeng
2003/152Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragenonvoldoende getracht om kinderalimentatie voor verzoeksters dochter in te vorderen bij ex-echtgenoot te Arubag,!
2003/157Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze van behandeling van klacht betreffende lange behandelingsduur van aan- vraag om toelating tot Nederland als vluchteling: geen passende maatregel in vooruitzicht gesteld, terwijl de klacht gegrond is verklaardg
2003/159Gerechtsdeurwaarderswijze van corresponderen met verzoeker i.v.m. tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraak: deel van berekeningen van door verzoeker verschuldigde bedragen niet deugdelijk; slechts ondertekend met (onleesbare) handtekening of paraaf; niet gereageerd op vragen van verzoekerg
  overige berekeningen van door verzoeker verschuldigde bedragen niet deugdelijk; onaangename toonzetting van brieven; schadeclaim afgewezenng
2003/160Staatssecretaris van Justitieonderzoek uit eigen beweging naar wijze waarop de Staatssecretaris van Justitie uitvoering heeft gegeven aan verantwoordelijkheden met betrekking tot uitvoering van deze takeng
2003/163Immigratie- en Naturalisatiedienstverzoek om heropening van onderzoek naar verzoekers' klacht afgewezeng
2003/169Bureau Centrale Autoriteit, directie Jeugd en Crimina- liteitspreventie, Ministerie van JustitieKlacht n.a.v. verzoek ex-man van verzoekers dochter om haar kinderen terug te geleiden naar zijn (VS) land: CA heeft in eerste brief niet vermeld dat zij voor het verzoek van de vader in eerste instantie een bemiddelende positie zou innemen; geen inhoudelijke reactie op de brief van de advocaat van verzoekers dochter; niet schriftelijk meege- deeld dat de bemiddelende fase was beëindigd voordat de zaak aan de rechter werd voorgelegdg
  er niet voor gezorgd dat de kinderen van verzoekers dochter veilig naar de VS zijn teruggekeerdng
2003/173Immigratie- en Naturalisatiedienstlange duur behandeling van administratief beroepschrift tegen de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf van verzoekers partnerg
2003/174Officier van justitie Almeloverzoeker aangemerkt als verdachte van ambtsmisdrijf, bevolen hem buiten heter- daad aan te houdenng
 Rijksrecherche Arnhemverzoeker direct aangehouden zonder eerst uit te nodigen voor verstrekken van inlichtingenng
  verzoeker in verzekering gesteld zonder hem eerst te hebben verhoordg
2003/178Immigratie- en Naturalisatiedienstasielzoeker uit Turkije direct weggestuurd nadat hij zich had gemeld bij AC Zevenaar met verzoek om medische hulp en opvangng
  COA onjuist geïnformeerdg
 Centraal Orgaan opvang Asielzoekerspas op 10 januari 2000 gereageerd op ver- zoek van 19 november 1999 om opvang en medische zorgg
  geen opvang gebodenng
2003/182Arrondissementsparket Rotterdamafwjizend beslist op verzoek om wijziging van sepotcode van 02 naar 01 in strafzaak tegen verzoekerg,#
2003/189Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze van behandelen klacht m.b.t. lange behandelingsduur van bezwaarschrift tegen afwijzende beslissing op aanvraag van verlenging van geldigheidsduur verblijfsvergunning: hoewel verzoeksters klacht gegrond werd verklaard geen uitsluitsel gegeven over termijn waarbinnen bezwaarschrift zal worden behandeldg
2003/192Immigratie- en Naturalisatiedienstverzoekers klacht over het zonder zijn toestemming nemen van foto en publicatie daarvan in Justitie Magazine buiten behandeling gesteldg
2003/197Immigratie- en Naturalisatiedienstverzoek tot heroverweging van afwijzende beslissing op aanvraag om toelating als vluchteling niet in behandeling willen nemen; wijze van toepassing geven aan gestelde in art. 3:45 Awb (rechtsmiddelenverwijzing)g
2003/199Raad voor Rechtsbijstandniet inhoudelijk gereageerd op verzoekers brief van 28 januari 2001, op 1 augustus 2002 gedane toezegging om verzoekers brief uiterlijk 12 augustus 2002 inhoudelijk te beantwoorden wederom niet nagekomeng,#
2003/200Raad voor Rechtsbijstandintrekking van een aantal oude toevoegingen niet ongedaan gemaakt en de laatst aangevraagde toevoeging niet toegekend, ondanks toezeggingen bij brieven van 21 maart en 14 mei 2001g,#
2003/203Immigratie- en Naturalisatiedienstmedewerkster van het Gemeenschappelijk Kenniscentrum Procesvertegenwoordiging heeft rechter onjuist geïnformeerd, klacht hierover is kennelijk ongegrond verklaard en daaraan ondeugdelijke motivering ten grondslag gelegd, verzoeker niet gehoord n.a.v. klachtng
2003/212Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze waarop klacht over lange behande- lingsduur van aanvraag om toelating als vluchteling is behandeld, in afdoeningsbrief geen passende maatregel in vooruitzicht gesteld, terwijl klacht gegrond is verklaard en eerdere klacht over lange behandelingsduur ook al gegrond was verklaardg
2003/214Immigratie- en Naturalisatiedienstverlangd dat verzoekers een gelegaliseerde en op inhoud geverifieerde verklaring van afstand van hun Pakistaanse nationaliteit overleggen; ten onrechte geen genoegen genomen met door Pakistaanse ambassade in Nederland afgegeven verklaring van afstand; klacht niet in behandeling geno- men omdat deze geen betrekking zou hebben op een gedraging in de zin van artikel 9:1 Awbg,#
2003/216Centraal Orgaan opvang Asielzoekerstoegang tot AZC ontzegd nadat verzoeker zich tweemaal niet had gemeld bij de vreemdelingendienst met als reden «niet acceptabel gedrag»; verzoeker daarmee buitenproportionele sanctie opgelegd nu medewerkers van het COA op de hoogte waren dat verzoeker woonachtig was in AZC en zich door studieactiviteiten niet op tijd kon melden bij de vreemdelingendienst; kamer ontruimd buiten zijn aanwezigheid en op tijdstip dat hij nog aan meldplicht had kunnen voldoen; politie ingeschakeld waardoor goede naam is geschaad en hij geen afscheid heeft kunnen nemeng
2003/219Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze van afhandeling van klacht over lange behandelingsduur van bezwaarschrift, toe- zegging niet nagekomen en telefonisch op klacht gereageerd dat geen beslissing kon worden genomen en dat verzoekster binnenkort nader bericht zou ontvangeng
2003/220Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur bezwaarschrift tegen afwijzende beslissing op aanvraag om een verblijfsvergunning, toezegging niet nagekomeng
2003/223Officier van justitie Utrechttweetal pagina's uit verzoekers verklaring niet verstrekt en niet in dossier opgenomen; geklaagd dat informatie betreffende de kerkenraad per fax was uitgewisseld in plaats van in een persoonlijk gesprekng
  ambtsgeheim geschonden door vertrouwelijke informatie aan verzoekers ouders te geven; verzoekers ouders onjuiste inlich- tingen verstrekt over: wijze waarop verzoe- ker in beslag genomen materiaal kon terug- krijgen; over reden van lange behandelingsduur strafzaak; over verloop van gerechtelijk vooronderzoekg
 Hoofdofficier van justitie Utrechtbij klachtafhandeling twee klachtonderdelen niet beoordeeld; klachtonderdeel niet gegond verklaard terwijl verzoeker niet had geklaagd over betreffende klachtonderdeel en niet duidelijk geworden alle in dit kader geuite specifieke klachten gegrond werden geacht; zich niet gehouden aan artikel 13 van de klachtenregeling van het Utrechtse parket en geweigerd aantal klachtonderdelen in behandeling te nemen; aangegeven dat zaak tegen verzoeker om opportuniteitsredenen is geseponeerd, terwijl het sepot- bericht inhoudt dat er onvoldoende wettig bewijs wasg
2003/224Arrondissementsparket Amsterdamvergoeding die verzoeker in verband met vervreemding van inbeslaggenomen televisietoestellen en videorecorders is aangeboden, is te laagng
2003/242Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van de in 1995 en 1996 ingediende bezwaarschriften nadat de rechtbank bij uitspraak van 15 juni 2000 een eerder besluit op de bezwaarschriften had vernietigd, toezegging dat binnen vier weken op de bezwaarschriften zou worden beslist niet nagekomeng
2003/246Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze waarop een contactambtenaar verzoekster een nader gehoor heeft afge- nomen in het kader van haar asielverzoek: ongepaste en beledigende vraag gesteld en niet gegarandeerd dat verklaringen vertrou- welijk zouden worden behandeldng
  wijze waarop klachtencommissie van de IND de klacht heeft afgehandeld en beoor- deeld: aanwezigheid en inzetten van de tolk op de hoorzitting; het niet horen van de tolk als getuige; de inhoud van het verslag van de hoorzitting en de beslissing van de klachtencommissieg
2003/271Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze van behandelen van verzoekers klacht over gedraging van tolk tijdens nader gehoor in het kader van hun asielaanvra- gen: klacht ongegrond verklaard op advies van Klachtenadviescommissie Tolken; niet vastgesteld dat er sprake was van communicatiestoornis die (tenminste deels) aan tolk te wijten wasng
2003/274Asielzoekerscentrum Nijmegen en Centraal Orgaan opvang Asielzoekersverzoekers uitkering volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) zonder voorafgaande beschikking gestaakt; betrok- ken medewerker heeft collega's niet geïn- formeerd, zodat tijdens zijn afwezigheid niemand kon nagaan wat reden stopzetting was; hervatte uitkeringen contant betaald en niet, zoals voorheen, op bankrekening gestort; uitkering stopgezet met het doel dat verzoekers contact zouden opnemen met het COA; wijze van klachtbehandelingg
  hervatte uitkeringen lager dan die uit derde week juni 2000; niet gereageerd op brief maatschappelijk werkerng
2003/275College van procu- reurs-generaalschadevergoeding van 3 000 gulden aange- boden aan verzoeker i.p.v. 11 000 gulden, voor feit dat in beslaggenomen boot met trailer aan een ander was teruggegevenng
2003/277Officier van justitie te Bredaniet voorkomen dat verzoekers auto werd vernietigd, ondanks opdracht van openbaar ministerie aan politie om auto terug te geveng,#
 College van procu- reurs-generaalaangeboden schadevergoeding te laagng
2003/283Arrondissementsparket Den Haagbevel voor politieoptreden (voor zover afkomstig van officier van justitie) niet op goede gronden gegevenng
2003/289Openbaar ministerie Roermondtenuitvoerlegging gelast van vier niet onherroepelijke administratieve sancties en drie niet onherroepelijke boetevonnissen: beschikkingen terzake de opgelegde admi- nistratieve sancties nimmer naar verzoeker verstuurd en nimmer op hoogte gesteld van datum van terechtzitting waarop boetevonnissen zijn gewezen en boetevonnissen niet aan verzoeker betekend; voor tweede maal de tenuitvoerlegging van opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen gelastng
 Centraal Justitieel Incassobureauverzoek om betaalde administratieve sanc- ties en geldboetes terug te storten afge- wezen en verzoek om gedeeltelijke terug- storting van de betaalde geldboetes wegens het ondergaan van een dag vervangende hechtenis niet afgehandeldng
2003/292Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragenonvoldoende actie ondernomen om de door haar ex-echtgenoot verschuldigde kinder- alimentatie te innen en onduidelijke infor- matie verstrekt over de hoogte van het bedrag dat zij tegemoet kon zien na verkoop van onroerende zaak van ex-echtgenootg,!
2003/296Openbaar ministerieniet geïnformeerd over de afhandeling van zijn aangifte die verzoeker tijdens zijn verhoor heeft laten opnemen zodat verzoe- ker zich niet als benadeelde in strafzaak kon laten voegeng
2003/297Centraal Justitieel Incassobureauonvoldoende gegevens laten opnemen over de identiteit van de kentekenhouder van een Duits voertuig in het landelijk politieregister OPS, waardoor verzoeker op Schiphol werd aangezien voor deze kentekenhouder en werd aangehouden vanwege een niet betaalde boete wegens een overtreding die was begaan met het Duitse voertuig en niet willen uitsluiten dat verzoeker dezelfde persoon als de kentekenhouder isg,#
2003/309Centraal Orgaan opvang Asielzoekersverzoekster heeft met haar vijf kinderen aangeboden COW-woning niet kunnen betrekken terwijl zij hiervan officieel niet op de hoogte was gesteld en dit telefonisch via een medewerker van vluchtelingenwerk moest vernemeng,!
 Immigratie- en Naturalisatiedienstin brief meegedeeld dat die dienst geen toestemming had gegeven voor overplaatsing naar een COW-woning terwijl het COA in brief heeft meegedeeld dat woning is aangeboden n.a.v. informatie van de INDg
2003/310Immigratie- en Naturalisatiedienstniet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn beslist of ingediend asielverzoek is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen, klacht hierover ongegrond verklaard met als reden dat volgens het beleid de uitkomst van de asielprocedure van zijn vader afgewacht diende te wordeng
2003/315Officier van justitie te Rotterdambevel gegeven tot aanhouding van verzoek- sters moeder terwijl geen sprake was van redelijke verdenking jegens haarng
2003/317Arrondissementsparket Assenonvoldoende inhoudelijk gereageerd op brief van verzoekers rechtsbijstandverzeke- raar waarin werd gevraagd waarom officier van justitie van mening was dat het redelijk was om tegen verdachten van roofoverval waarvan verzoeker slachtoffer was, drie jaar gevangenisstraf te eiseng
2003/319Immigratie- en Naturalisatiedienstniet tijdig gereageerd op verzoeksters brief van 22 oktober 2001 en haar klacht van 9 november 2001, waardoor zij genoodzaakt was een verzoek tot voorlopige voorziening in te dienen bij de rechtbank; haar klacht op dit punt ongegrond verklaardg
2003/328Arrondissementsparket Haarlemgeen duidelijkheid verschaft over mogelijke strafvervolging n.a.v. aangifteng
  verzoeker onheus bejegend: in december 2001 niet willen nagaan waar strafdossier zich op dat moment bevond en gezegd dat verzoeker rond half januari maar moest terugbelleng
2003/329Arrondissementsparket Arnhemonjuiste verwerking van gegevens omtrent vonnis in eerste aanlegg,!
 Centraal Justitieel Incassobureauverzoeker een aanschrijving onherroepelijk boetevonnis met acceptgirokaart toegezonden ter zake strafbaar feit, waarvoor hij bij vonnis van kantonrechter is ontslagen van rechtsvervolgingg,!
2003/330Ministerie van Justitieverzoekers verzoek om een aan hem opge- legde gevangenisstraf in België te mogen ondergaan onvoldoende voortvarend afgehandeldg
  niet gereageerd op verzoekers klachtbriefng
2003/339Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragenverzoeker drie maanden te veel aan opslag- kosten in rekening gebrachtg,#
2003/341College van procu- reurs-generaal #
klacht over executie van een vonnis, gericht aan minister van Justitie, ter afhandeling doorgezonden naar CJIBg
  verzoekers brief betreffende afhandeling bovenvermelde klacht niet beantwoordng
2003/351Openbaar Ministerie te Amsterdambevolen tot verzoekers aanhouding en goedkeuring verleend aan inzetten arresta- tieteamng
  geen registratieformulier opgemaaktg
2003/352Arrondissementsparket Dordrechttoestemming gegeven tot inzet van arresta- tieteamng
2003/354Arrondissementsparket Den Haaggeen reactie gegeven op klacht over politieoptredenng
2003/359Immigratie- en Naturalisatiedienstindruk gegeven dat de vreemdelingendienst een beslissing in de zaak van echtgenoot diende te nemen en onjuist dan wel onvol- ledig geïnformeerd over regel dat na een verblijf langer dan negen maanden buiten Nederland, de verblijfsvergunning komt te vervalleng
2003/364Immigratie- en Naturalisatiedienstwijze van reageren op brieven van advocaat van verzoeker waarin werd verzocht om uitstel voor het indienen van nadere gron- den van het bezwaarschrift in verzoekers asielprocedure en om inschakeling van het BMA en wijze van klachtbehandelingg
2003/370Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrageninning van de door verzoeker verschuldigde kinderalimentatie overgenomen en verzoe- ker hiervan niet, althans niet tijdig in kennis gesteldng,!
2003/380Forensisch Psychiatrisch Centrum Veldzichtregels voor invoer van voorwerpen door bezoekers van verpleegden dusdanig aan- gescherpt dat verzoeker, op hoge uitzondering na, geen voorwerpen voor zijn kennis mag meenemen; over dit invoerverbod onjuiste informatie verschaft aan de minister van Justitie door te laten weten dan invoer van goederen in beginsel na overleg wél mogelijk zou zijng
2003/385Immigratie- en Naturalisatiedienstonderzoek ingevolge art. 15 Wet Nationale ombudsman naar de wijze van omgaan met zaken waarin de rechtbank heeft bepaald dat een nieuw besluit dient te worden genomeng
2003/390Raad voor de Kinderbeschermingwijze waarop adjunct-directeur op 14 juni 2001 gevolg heeft gegeven aan de beslis- sing van de Klachtencommissie III van de Raad voor de Kinderbescherming waarbij deze een aantal van verzoekers klachten gegrond heeft verklaardg,ng
2003/392Centraal Orgaan opvang Asielzoekerslange behandelingsduur van ingediend bezwaarschrift tegen het uitblijven van een beschikking ter vaststelling van de verschul- digde vergoeding op grond van de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met eigen inkomen of vermogen (Reba), toezegging niet nagekomen om het verzoekster toeko- mende bedrag over te maken op een bankrekening en geen berekening van het betreffende bedrag overlegdg
2003/398Raad voor de Kinderbescherminggeen enkel gevolg verbonden aan uitkomst van de klachtbehandeling door directeur waarbij een klacht van verzoeker over het optreden en werkwijze van een raadsonder- zoekster gedeeltelijk gegrond is bevondeng
2003/403Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van bezwaarschrift tegen het niet-tijdig beslissen op aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning; door lange duur behandeling door IND hebben medische adviezen uitgebracht door BMA hun actualiteitswaarde verloren, waardoor IND BMA driemaal heeft verzocht medisch advies uit te brengeng
2003/409Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van verzoekers aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, die hij ontving op 13 september 2002 en geldig was van 18 oktober 1999 tot 18 oktober 2002; eind maart 2003 nog steeds geen beslissing op verzoek tot verlengingg
2003/413Hoofdofficier van justitieklacht over politie niet naar tevredenheid afgehandeld, door klacht in twee zinnen af te doen en te concluderen dat door de politie formeel en inhoudelijk op een juiste wijze is gereageerdg
2003/417Notarisverzoek om een depot gehouden geldbedrag aan verzoekster uit te keren, niet ingewilligdng
2003/420College van procu- reurs-generaalverzoek om schadevergoeding onjuist afgewezen en afwijzing onbegrijpelijk gemotiveerd, medewerkster van College van procureurs-generaal heeft beslissing genomen terwijl zij daartoe niet was gemandateerdng
2003/421Arrondissementsparket te Zwollewijze van reactie op drie brieven van gemachtigde van verzoeker: niet ingegaan op verzoek om een gesprek op het parket en aantal gestelde vragen niet beantwoordng
  vraag om toelichting te geven op het in het proces-verbaal berekende nadeel niet beantwoord en gehanteerde antwoordtermijn voor brief van 14 maart 2002 te langg
2003/426Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van asielaanvra- gen en wijze van klachtafhandeling: klacht afgewezen met beroep op besluitmorato- rium dat is ingesteld vanwege onzekere situatie in Afghanistan terwijl asielaanvra- gen al vier en drie jaar geleden waren ingediendg
2003/427Hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen (plv.)richtlijn uitgevaardigd waarin expliciet is bepaald dat ook geprivilegieerde post buiten de aanwezigheid van de gedetineerde geopend en onderzocht mag worden door medewerkers van penitentiaire inrichtingenng
 Ministerie van Justitieverzoeker en gemachtigde niet terstond geïnformeerd over de uitgevaardigde richtlijn van 19 oktober 2001 en onvoldoende inhoudelijk gereageerd op brieven van gemachtigdeng
 Directeur Penitentiaire Inrichting Haarlemverzoeker en gemachtigde niet terstond geïnformeerd over de uitgevaardigde richtlijn van 19 oktober 2001g
  onvoldoende inhoudelijk gereageerd op brieven van gemachtigdeng
 Minister van Justitierichtlijn uitgevaardigd waaruit volgt dat geprivilegieerde post buiten aanwezigheid gedetineerde geopend en onderzocht mag worden: geen maatregelen genomen gericht op het niet kennisnemen van de geschreven inhoud van geprivilegieerde poststukkeng
  onvoldoende inhoudelijk gereageerd op brief van verzoekers gemachtigde, met uitzondering van het niet juist informeren m.b.t. het aantal inrichtingen dat verdacht poststuk had ontvangenng
2003/428Immigratie- en Naturalisatiedienstklacht over weigering om nader uitstel te verlenen voor het overleggen van nadere gegevens m.b.t. verzoekers bezwaarschriftenprocedure onvoldoende gemotiveerd afgewezeng
2003/429Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur asielaanvraag van 8 juni 2000: pas op 11 juni 2002 aan Ministe- rie van Buitenlandse Zaken verzocht om onderzoek in Guinee te verrichten naar ade- quate opvang en ter verkrijging van duide- lijkheid omtrent zijn asielrelaas; toezegging niet nagekomen en klacht deels ongegrond verklaardg
2003/433Officier van justitiegang van zaken bij een beroepsprocedure bij de officier van justitie tegen een beschik- king op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vanwege een snelheidsovertreding in een lease-auto: niet binnen termijn gerea- geerd, klachtbrieven ten onrechte aangemerkt als beroepschrift, ondanks verzoek om rechtstreeks aangeschreven te worden de kentekenhouder aangeschreven, geen foto van de overtreding toegestuurd en aangegeven dat tegen betaling een foto kan worden opgevraagd bij de politieg,!
2003/439Arrondissementsparket te Middelburgwijze waarop is omgegaan met de beroep- schriften die verzoeker heeft ingediend tegen een boete vanwege een snelheidsovertreding: pas de nodige informatie opgevraagd bij het kantongerecht nadat eerst het administratieve beroepschrift ongegrond was verklaard, beroepschrift bij kantongerecht niet meteen doorgezondeng
2003/443Centraal Justitieel Incassobureauniet adequaat gereageerd op verzoek om kwijtschelding of uitstel van betaling; klachtbrief niet doorgezonden aan het arrondissementsparket ter verdere behan- delingg
  niet gewezen op mogelijkheid gratieverzoek in te dienenng
 Arrondissementsparket te Haarlemopgelegde geldboete van f 10 000 niet meteen overgedragen aan het CJIB, zodat verzoeker 4,5 jaar later acceptgiro ontving om te betalen;g
  ten onrechte nagelaten het CJIB mee te delen om geldboete geheel of gedeeltelijk niet te executeren omdat het zo lang heeft geduurdng
2003/446Immigratie- en Naturalisatiedienstongegrondverklaring van klacht over gedra- ging tolk tijdens nader gehoor; niet vastge- steld dat communicatiestoornis deels aan tolk te wijten wasng
  geen mogelijkheid geboden tot toelichting asielaanvraag in nieuw nader gehoorg
2003/449Immigratie- en Naturalisatiedienstafwijzing verzoek om nadere motivering van beschikking op asielaanvraagg
2003/450Immigratie- en Naturalisatiedienstafwijzing verzoek om nadere motivering van beschikking op asielaanvraagg
2003/453Immigratie- en Naturalisatiedienstverzoek, om vergoeding BTW over aantal declaraties van tolk, afgewezeng
2003/455Immigratie- en Naturalisatiedienstverzoek tot naturalisatie van verzoekster en twee van haar kinderen zodanig traag behandeld dat zij voor keuze kwam te staan om driemaal € 285 te betalen om legaal verblijf en eventuele naturalisatie veilig te stellen of betaling achterwege te laten in hoop op spoedige afronding van natura- lisatieproceduresg
2003/458Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrageneen bedrag aan executiekosten wordt gevorderd van verzoeker inzake het innen van alimentatie t.b.v. zijn twee kinderenng
2003/460Openbaar ministerie te 's-Hertogenboschverzoeker heeft burgemeester brief geschre- ven naar aanleiding waarvan burgemeester contact heeft opgenomen met officier van justitie: ovj mening kenbaar gemaakt over brief aan burgemeester; ovj niet verzoeker gehoord alvorens mening te geven; ovj gesteld dat brief als smaadschrift kan worden gekwalificeerdng
  ovj onterecht beroep gedaan op vertrouwelijkheid communicatie tussen hem en burgemeesterg
2003/465Centraal Justitieel Incassobureau !
vonnis nog niet ten uitvoer gebrachtg
  onvoldoende geïnformeerd over termijn die gemoeid zou zijn met executie van het vonnisng
2003/466Immigratie- en Naturalisatiedienstlange behandelingsduur van bezwaarschrift van 12 maart tegen afwijzende beslissing op aanvraag om verlening van verblijfsvergunningg
  in reactie op klacht om informatie gevraagd die de IND reeds had gevraagd en door verzoeker was overlegdng
2003/470Arrondissementsparket te Groningenweigering om grond voor sepotbeslissing te wijzigen van onvoldoende wettig bewijs naar ten onrechte als verdacht aangemerktng
2003/472Staatssecretaris van Justitiewijze waarop klacht van verzoeker is behandeldg
 Voorzitter van tweede subcommissie van Adviescommissie voor Vreemdelingenzakenbejegening tijdens gehoorg
2003/473Vreemdelingendienst van regiopolitie Rotterdam-Rijnmondonjuiste informatie verstrekt tijdens telefoongesprekken over starten referentprocedureg
2003/479William Schrikker Stichtinggeen uitvoering gegeven aan beslissing directeur stichting om onafhankelijk onder- zoek in te laten stellen naar verzoeksters geschiktheid als pleegouderg,#
2003/481Immigratie- en Naturalisatiedienstonjuiste vermelding in registratiesysteem dat verzoekster «verwijderbaar» wasg,!
2003/483Buitengewoon opsporingsambtenaar Jachtcombinatietoegang tot openbaar landgoed ontzegd en daarbij geweld gebruikt tegen één van de medebestuursledeng
2003/491Nederlandse Orde van Advocatenklacht over raad van toezicht en de deken van de Orde van Advocaten niet conform haar klachtenreglement in behandeling genomen, maar doorgestuurd naar de dekenng
  onvoldoende gereageerd op ingediend verzoek om duidelijkheid te verschaffen over de in artikel 1 van haar klachtenrege- ling neergelegde bepaling dat ter zake geen rechterlijke voorziening mag openstaang
 Deken van de Orde van Advocatenonvoldoende onderzoek ingesteld naar alle klachten die verzoeker heeft ingediend tegen dertiental advocaten: klachten zonder verzoekers instemming beperkt tot tweetal advocaten; klacht over raad van toezicht en de deken niet conform H9 Awb behandeld, maar doorgestuurd naar raad van discipli- ne; verzoeker door deken alleen gewezen op mogelijkheid om klacht in te dienen bij de raad van disciplineg
  bij de klachtbehandeling het beginsel van repliek en dupliek niet, danwel onvoldoende toegepastng
2003/499Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragenwijze van handelen n.a.v. verzoek van verzoekers ex-partner om invordering van kinderalimentatie ter hand te nemen: verzoeker niet in gelegenheid gesteld het door hem verschuldigde bedrag van € 200 alsnog te voldoeng,#
2003/501Stichting Jeugd en Gezin Noord-Hollandnagelaten plaatsing van kleindochter van verzoeker in diens gezin aan te melden bij Voorziening voor Pleegzorg waardoor aan hem geen vergoeding is verstrektgo
2003/503Immigratie- en Naturalisatiedienstverzoekers' asielverzoeken afgewezen en hen uit Nederland doen uitzetten zonder dat de vreemdelingenrechter hun asielzaken had beoordeeldng

Landbouw, natuur en voedselkwaliteit

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/009Rijksdienst voor keuring van Vee en Vleesten onrechte brief gestuurd waarin alle op zijn bedrijf aanwezige evenhoevigen wer- den aangemerkt als verdacht van mond- en klauwzeer en naar aanleiding daarvan ten onrechte overgegaan tot het nemen van maatregelen i.v.m. mond- en klauwzeerng
  te lang geduurd voordat getroffen maatre- gelen werden beëindigdg
  tekort geschoten in zorgvuldigheid met betrekking tot adequate informatieverstrekking en brief niet inhoudelijk beantwoordg
2003/011Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserijschriftelijk gedane toezegging inzake de verstrekking van nadere informatie over een subsidiekwestie niet nagekomeng
2003/215Dienst Landelijk Gebiedonvoldoende gereageerd op brieven met betrekking tot ruilverkaveling Alblasserwaardng
2003/313Ministerie van Land- bouw, Natuur en Voedselkwaliteitniet gereageerd op verzoekers brief van 11 januari 2001g
 Minister van Land- bouw, Natuur en Voedselkwaliteitklacht hierover van 18 november 2002 niet afgehandeld binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijng
2003/320Staatsbosbeheeri.v.m. uitbraak van mond- en klauwzeer op onrechtmatige wijze openbare wegen afgesloten nabij Savelsbos te Gronsveld; klachtbehandeling niet conform H9 Awbng
  in antwoordbrief onvoldoende ingegaan op overleg met gemeente; vermelding tele- foonnummer van betrokken ambtenaar in klachtafdoeningsbriefg
2003/356Staatsbosbeheerpachtovereenkomst met verzoeker voor boerderij in de Biesbosch niet verlengd totdat een definitieve bestemming voor boerderij was gevonden, bruikleenover- eenkomst voor boerderij aangegaan met derde, bruikleenovereenkomst met verzoe- ker m.b.t. bij de boerderij horende bedrijfs- gebouwen opgezegdng
2003/357Gemeenschappelijk Secretariaat Vorde- ringen Landbouw- schapverzoek om aanslag Bestemmingsheffing Mest 1993 ambsthalve te vernietigen afgewezenng
2003/378Minister van Volks- huisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Minister van Land- bouw, Natuur en Voedselkwaliteitonvoldoende actie ondernomen om de totstandkoming van een Stimulans Duur- zame Landbouw (SDL)-schema voor de veehouderij te realiseren, waardoor het voor verzoeker niet mogelijk is voor een milieu-investeringsaftrek in aanmerking te komenng
2003/448Keuringsdienst van Warenniet optreden door Keuringsdienst tegen rookoverlast in door gemeente verhuurde halng

Onderwijs, cultuur en wetenschap

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/082Ministerie van Onder- wijs, Cultuur en Wetenschappenmedewerkster bij het Ministerie van OCenW gebruikt subsidie-instrument als middel om stichting voor multiculturele activiteiten het leven zuur te maken; getracht betaalbaarstelling subsidie te vertragen dan wel tegen te houden; buiten verzoekster om informatie verstrekt aan ex-advocaat van verzoekster over een hoog opgelopen rekening en geadviseerd juridische stappen te ondernemen zodat de subsidie niet betaalbaar gesteld hoefde te wordenng
 Ministerie van Onder- wijs, Cultuur en Wetenschappenonderzoek uit eigen beweging naar de wijze waarop het Ministerie van OCenW in een klachtafhandelingsbrief toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikelen 9:10 en 9:12, tweede lid, van de Awbg
2003/176Informatie Beheer Groepblijft volharden in invordering van f 3 542.76 aan teveel ontvangen studiefinanciering over augustus 1991 t/m maart 1992 van beide verzoekers afzonderlijk; meer dan acht jaar in gebreke geweest hen over terugvordering (deugdelijk) te informeren; het hen hierdoor onmogelijk gemaakt om juistheid van vordering te weerleggen; hen als gevolg van dit alles hoge invorderingskosten in rekening gebrachtng
2003/195Informatie Beheer Groepachternaam van verzoeker en kinderen op berichten over tegemoetkoming schoolkosten niet correct weergegeveng
2003/344Technische Universiteit Delfthandelwijze van aantal medewerkers tijdens en na bespreking over een aanstelling van verzoeker bij het Laboratorium voor Hoge Spanningen: salaris aangeboden en nadat verzoeker aanbod had aanvaard, het terug- gedraaid tot lager bedragng
  niet tijdig gereageerd op verzoekers e-mail en in verschillende reacties een onjuiste voorstelling gegeven van de gang van zaken rond de sollicitatieprocedureg
2003/348Informatie Beheer Groeponderzoek ingevolge art. 15 Wet Nationale ombudsman naar de wijze van beantwoording van brieven aan een ander dan aan de briefschrijver zelf, met verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevensg,!
2003/445College van Bestuur van Wageningen Universiteitafwikkeling klacht van verzoeker: niet afdoende inhoudelijk gereageerd en verzoeker niet gehoordg

Politie

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/001Regiopolitie Limburg Noordwijze waarop is gereageerd op de melding van een incident tussen verzoeker en zijn buurmanng
2003/002Regiopolitie Drenthewijze waarop opsporingsonderzoek is uitge- voerd, bewoners van Molukse gemeenschap anders benaderd dan andere Neder- landers, bewust en stelselmatig onvolledige en onjuiste informatie verstrekt aan raads- man verzoekerng
  weinig voortvarendheid in opsporingsonderzoekg
  geruime tijd na voorval een gebrekkig en onjuist persbericht doen uitgaango
2003/005Regiopolitie Limburg Zuidaangifte van vernieling auto en verlaten plaats ongeval niet op zorgvuldige wijze afgehandeld: bestuurder andere betrokken personenauto geïnformeerd over aangifte maar pas dagen later gehoord; aangifte niet overgedragen toen ambtenaar vier dagen verlof opnam; lage prioriteit aan aangifte toegekend; schadebeeld onjuist opgenomen in registratieset; geweigerd vergelijkend schadeonderzoek te laten verrichten door schade-expertng
  geen waarde gehecht aan getuigenverklaring zus vanwege het bestaan van een familieband; schade onzorgvuldig beoordeeldg
 Beheerder regiopolitie Limburg Zuidwijze van klachtbehandeling: onvoldoende duidelijk gemotiveerdg
2003/007Regiopolitie Midden- en West-Brabanttrachten te bewerkstelligen dat krakers het gebruik van een deel van het complex af zouden staan aan X Vastgoed Beheer, ondanks dat krakers volgens de politie in hun recht stondenng
  niet inhoudelijk gereageerd op brief waarin wordt geklaagd over politieoptredeng
2003/015Regiopolitie Amsterdam-Amstel- landgeweigerd aangifte van diefstal dan wel verduistering van goederen uit verzoekers voormalige verblijfplaats op te nemengo
 Beheerder regiopolitie Amsterdam-Amstellandbij beslissing dat het niet behoorlijk was dat proces-verbaal van bedreiging was zoekge- raakt, niet beslist dat politie alsnog een nieuw proces-verbaal diende op te makenng
2003/016Regiopolitie Utrecht, Herzieningscommis- sie klachtenin advies aan korpsbeheerder niet ingegaan op verzoekers klacht dat politieambtenaar hem ten onrechte had verwezen naar de leiding van verzorgingstehuis omdat hij had aangegeven al met de leiding gesproken te hebbenng
2003/018Regiopolitie Brabant Noordgetuige van verzoekers mishandeling niet gehoord, hoewel dat was toegezegdng
  klacht afgedaan op grond van ontoereikend onderzoekg
2003/022Regiopolitie Kennemerlandgeen inzet politieambtenaren bij alarmmel- ding vanuit verzoekers woning, zolang verzoeker niet beschikt over een sleutelhouder die binnen 15 minuten ter plaatse kan zijnng
2003/026Regiopolitie Brabant Zuid-Oostwijze van optreden jegens verzoeksters minderjarige zoon: hem op zijn bromfietshelm geslagen, onnodig hard door elkaar geschud en tegen een paal gedrukt; wijze van klachtbehandelingng
  wijze van optreden: verzoeksters zoon bij zijn jas vastgepaktg
2003/031Regiopolitie Utrechtwijze van optreden: verzoekers zoon niet onverwijld op de hoogte gesteld van reden arrestatie; gefouilleerd; in klachtrapportage verkeerde voorstelling van zaken gegeven; geen volledig proces-verbaal opgemaaktng
  ingesloten in cel die voor inverzekeringstelling is bestemd, naam van officier van justitie met wie overleg is geweest niet vastgelegd, in rapportage niet ingegaan op klachtonderdeelg
  langer dan noodzakelijk van zijn vrijheid beroofd, verkeerd voorgelicht over reden van aanhouding, woord «pedofilie» gebezigdgo
2003/038Regiopolitie Brabant Zuid-Oostwijze waarop korps heeft gereageerd op (telefonische) melding van geweldsdelict gepleegd tegen verzoekers zoon; niet direct ter plaatse sturen van politiesurveillanceng
  politie-inzet geheel uitgebleveng
2003/040Regiopolitie Utrechtoptreden i.v.m. mishandeling van verzoekers vrouw en dochter: niet direct actie ondernomen op mededeling wie volgens verzoeker de dader was, verdachte pas 9 dagen na melding gehoord, verzuimd contact op te nemen met verzoeker na zitting in strafzaakng
2003/041Regiopolitie Flevo- landonvoldoende en/of onzorgvuldig onderzoek verricht naar oorzaak verkeersongeval waar- bij verzoekers' dochter resp. zus om het leven kwam: geen nader onderzoek naar snelheid waarmee bestuurder reed, geen technisch onderzoek verricht aan auto, geen onderzoek ingesteld naar alcoholgebruik bestuurderng
2003/042Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondwijze van optreden bij aanhouding verzoe- ker: niet gewacht met overbrengen verzoe- ker naar politiebureau tot verzoekster was teruggekeerdng
  wijze van klachtbehandelingg
  verzoekster onjuist voorgelicht over tijdstip waarop haar man zou worden vrijgelatengo
2003/043Regiopolitie Utrechtwijze van optreden n.a.v. melding van bedreiging en beschadiging van autog
  disproportioneel geweld gebruikt t.a.v. verzoeker; geen onderzoek ingesteld n.a.v. aangifte van beschadiging autong
2003/047Regiopolitie Utrechtoptreden politieambtenaar: verzoeker van bromfiets getrokken; op grond gegooid; aangehouden; geboeid; in cel ingeslotenng
  onheus verbaal bejegendgo
  korpsbeheerder verzoek om schadevergoeding aan bromfiets afgewezen en ingediend herzieningsverzoek van 24 maart pas bij brief van 19 september afgedaang
2003/048Regiopolitie Kennemerlandniet geïnformeerd over overlijden van vader van verzoeksterng
2003/049Regiopolitie Brabant Noordoptreden politieambtenaren: nagelaten nazoeking te doen naar voorwerp met behulp waarvan verzoekers waren bedreigd; bij het voorval betrokken personen op eigen gelegenheid naar het politiebureau laten komen; geweigerd verzoeker medische hulp te verlenen; geweigerd foto's te nemen van verzoekers verwondingen; geweigerd aangifte op te nemen van mishandelingng
  geweigerd verzoeker zijn gezicht te laten reinigengo
  verzoeker ondanks verwondingen handboeien aangelegd; onvoldoende voortvarend onderzoek n.a.v. aangifte; opmerking van betrokken ambtenaar over persoon door wie verzoeker stelt te zijn mishandeldg
2003/054Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondnagelaten om ter plaatse van ongeval (rem)sporenonderzoek te verrichten, getuigen te horen en proces-verbaal op te makeng
2003/055Regiopolitie Brabant Noordwijze van klachtafhandeling over onvoldoende optreden tegen overlast buurtbewoners, met name het beroep dat wordt gedaan op gedoogbeleid dat gemeente hanteertng
2003/057Regiopolitie Gelderland Midden !
optreden politieambtenaren: geweld jegens verzoekster door haar te strak de handboeien om te doengo
  geweigerd ter zake gedane aangifte op te nemen en tekortgeschoten in informatieverstrekking over situatie van verzoekster aan echtgenootg
2003/059Regiopolitie Twentethuis geconfronteerd met vreemde man die zonder verzoekers toestemming aan het telefoneren was: politieambtenaren niet opgetreden nadat verzoeker heeft gebeld; onvoldoende onderzoek verricht n.a.v. zijn aangifte van diefstal met bedreiging op een later momentg
2003/065Regiopolitie Frieslandverzoeker tijdens politieoptreden een stoot gegeven met zaklantaarn; verzoeker niet in gelegenheid gesteld om, zoals verzocht in klachtbrief, het optreden met hem te besprekenng
2003/067Regiopolitie Flevo- landwijze van handelen n.a.v. diefstal van verzoekers lease-auto: verzoeker niet direct in kennis gesteld toen auto was gevondenng
  toen verzoeker 's ochtends aangifte wilde doen, meegedeeld dat wachttijd tweeënhalf uur bedroeg, en toen hij 's middags terug- kwam ruim één uurg
2003/072Vreemdelingendienst van regiopolitie Haaglandenwijze van klachtafhandeling over lange behandelingsduur van verzoek om ambts- halve advies t.b.v. machtiging tot mvv: geen passende maatregel in vooruitzicht gesteld; niet gehoord in kader van klachtbehande- lingg
2003/074Regiopolitie Haaglandenwijze van behandeling door politieambte- naren: verzoekster aangehouden; geboeid en ingesloten; handtas doorzocht; geen proces-verbaal van aanhouding of bevin- dingen opgemaakt; klacht onderzocht door ambtenaar op wie klacht mede betrekking had en – ondanks rappel – niet gereageerd op briefg
  niet betrokken bij bemiddeling voor probleem tussen verzoekster en haar man; slechts vijandig en agressief benaderd; gediscrimineerdng
  reden van aanhouding niet meegedeeld en beledigende opmerkingen gemaaktgo
2003/075Beheerder regiopolitie Noord- en Oost-Gelderlandklacht niet correct afgehandeld: onderzoek niet zorgvuldig verricht; onderzoek voor- ingenomen uitgevoerd; verzoeker niet gehoord door klachtencommissieng
  getuigen niet gehoord door klachtencommissieg
 Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderlandonvoldoende aandacht geschonken aan toestand waarin verzoeker verkeerde nadat hij onwel was geworden in supermarkt; korte tijd later zijn weg laten vervolgen als bestuurder van zijn auto en betrokken geraakt bij aanrijding en aansprakelijkheid van schade afgewezenng
2003/076Regiopolitie Kennemerlandverzoekster door politieambtenaar geïnti- mideerd en onbeschoft behandeld toen ze thuis werd bezocht in verband met haar radio in verderop gelegen atelier die geluidsoverlast veroorzaakte: niet gevraagd of ze radio zachter kon zetten, maar gedreigd deur van atelier in te trappen en geluidsapparatuur in beslag te nemen; gedreigd verzoekster aan te houden toen zij sleutel niet wilde meegeven maar aangaf zelf mee te willen gaan; klachtbrief over voorgaande nog niet afgehandeldg
  bejegening door politieambtenaar Sc. ng 
2003/078Regiopolitie Utrechtoptreden politiekorps tijdens insluiting in hoofdbureau in afwachting van plaatsing in huis van bewaring: verzoekster onder zelfde regime geplaatst als alle overige ingeslotenen in dat politiebureau en niet toegestaan dat deur van wasruimte werd gesloten toen gelegenheid werd geboden zich te wasseng
2003/080Regiopolitie Zaan- streek-Waterlandgeweigerd aangifte van mishandeling van zoon verzoekster op te nemeng
2003/083Klachtencommissie regiopolitie Brabant Zuid-Oostwijze waarop klacht is afgehandeld: geen gebruik gemaakt van bevoegdheid om nader onderzoek naar klacht in te stellen, terwijl verzoeker talloze tegenstrijdigheden, onwaarheden en onwaarschijnlijkheden in politieverklaringen naar voren heeft gebrachtng
  klacht voor zover deze betrekking heeft op het boeien van verzoeker ongegrond geachtg
 Beheerder regiopolitie Brabant Zuid- Oostadvies van klachtencommissie overgenomen, terwijl dit advies onvolledig was en een aantal essentiële vragen openlietng
  oordeel over gebruikmaken van handboeieng
 Regiopolitie Brabant Zuid-Oostten onrechte aangehouden inzake vernielingng
  op ruwe en haastige wijze handboeien omgedaang
2003/086Vreemdelingendienst van regiopolitie Utrechtverzoeker en zijn gezin moeten voortaan verblijfsdocumenten bij regiopolitie afhalen, terwijl het eerst mogelijk was om ze in Woerden af te halenng
  wijze van klachtbehandelingg
2003/090Vreemdelingendienst regiopolitie Rotterdam-Rijnmondonjuiste informatie verstrekt door medewerker omtrent aanvraag om mvv ten behoeve van verzoeksterg
2003/091Regiopolitie Amster- dam-Amstellandgeen, althans onvoldoende onderzoek verricht n.a.v. verzoekers aangifte terzake smaad, laster en bedreigingng
  verzoeker niet op de hoogte gesteld van voortgang en afloop van onderzoek naar aangifteg
2003/095Vreemdelingendienst regiopolitie Haaglandenverklaring met advies inzake het onderzoek met betrekking tot de inschrijving van de huwelijksakte niet zorgvuldig gemotiveerd overeenkomstig de in de Vreemdelingencirculaire gestelde regels en geen opgave van feiten en waarnemingen via voorgeschreven vragenlijst bijgevoegd en klacht hierover ongegrond verklaardg
2003/111Regiopolitie Limburg Zuidonprofessioneel taalgebruik in registratieformulier van aanrijding en geweigerd om op 18 september 2001 verzoekers klacht op te nemeng
  geweigerd om op 17 september 2001 verzoekers klacht op te nemen en gezegd dat betreffende politieambtenaar persoonlijk had nagetrokken dat op plek van aanrij- ding een doorgetrokken streep lagng
2003/125Regiopolitie Kennemerlandmoeder verzoeker staande gehouden op grond van de Vreemdelingenwet ter vaststelling van haar identiteitg
 Beheerder regiopolitie Kennemerlandklacht pas na vijf maanden afgedaan zonder tussentijdse informatie over de reden van vertragingg
2003/126Beheerder regiopolitie Gelderland-Zuidklacht niet afgehandeld binnen de termijn van de klachtenregeling van de regiopolitie; in reactie op verzoek om schadevergoeding n.a.v. klachtafdoeningsbrief antwoord ontvangen van de korpschefg
 Regiopolitie Gelder- land-Zuidafwijzing van verzoek om schadevergoedingng
2003/133Regiopolitie Frieslandverzoekster (die als bestuurster van perso- nenauto betrokken was bij aanrijding) niet in kennis gesteld van voornemen om aan Minister van V&W mee te delen dat zij vermoedelijk niet langer de geschiktheid bezat om personenauto te besturen, geen kopie verstrekt van proces-verbaalng,#
2003/135Regiopolitie IJssellandnadat verzoeker was aangehouden geen arts naar het politiebureau laten komen toen hij daarom verzocht, geweigerd aangifte op te nemen van mishandeling door met naam genoemde politieambte- naar, klacht niet-ontvankelijk verklaard omdat deze onderdeel uitmaakte van strafzaak tegen verzoekerg
2003/138Regiopolitie Limburg Noordwijze van bejegenen bij aanhouding verzoeker: reden van aanhouding niet onverwijld meegedeeld;ng
  verzoeker op hardhandige wijze in politie- auto geduwd waarbij verzoeker letsel opliep; onderweg naar politiebureau onver- antwoord onveilig gereden door maximumsnelheid van 80 km/u te overschrijdeng
2003/143Regiopolitie Groningenonwil om verzoekers klacht in ontvangst te nemenng
  verzoeker hierbij bars te woord gestaango
  klacht hierover bij brief afgedaan zonder beginsel van hoor en wederhoor toe te passeng
2003/150Regiopolitie Groningenverzoeker geboeidg
boeien te strak aangebracht en ruw in politieauto geduwdgo
  ontstaan van letsel bij verzoeker ten gevolge van politieoptredenng
 Beheerder regiopolitie Groningenniet gehoord door klachtenadviescommis- sie in kader van klachtafhandeling en reactie op klacht onvoldoende gemotiveerdg
  schade niet vergoedng
2003/151Regiopolitie Amster- dam-Amstellandpolitieambtenaar onverantwoord rijgedrag vertoondgo
  onvoldoende onderzoek ingesteld om te achterhalen welke politieambtenaar dit rijgedrag heeft vertoondng
2003/154Regiopolitie Frieslandverzoekster geboeid, disproportioneel geweld toegepast, op ruwe wijze uit politie- auto gesleurdng
  verzoekster niet in gelegenheid gesteld om verklaring te lezeng
  verzoekster op ruwe wijze in politieauto geduwd, uitgescholden en bedreigdgo
2003/160Vreemdelingendienstenonderzoek uit eigen beweging naar de wijze waarop een aantal vreemdelingendiensten van de regionale politiekorpsen (Amster- dam-Amstelland, Haaglanden, Hollands Midden en Rotterdam-Rijnmond) uitvoering heeft gegeven aan taken met betrekking tot de toelating van vreemdelingen in Neder- landg,#
2003/167Regiopolitie Groningennagelaten adequate hulp te verlenen aan zoon verzoekers, nadat hij betrokken was geweest bij handgemeen met portiers en na het incident onderweg naar huis is veron- gelukt, onduidelijke informatie verstrekt in periode na ongeval, nagelaten om te informeren bij verzoekers of zij behoefte hadden aan gesprek met betrokken politie- ambtenaren, nagelaten toe te geven dat het niet juist was dat verzoekers aangifte in eerste instantie niet was opgenomen en beheerder heeft advies van onafhankelijke klachtenadviescommissie overgenomen om klacht ongegrond te verklaren, terwijl commissie zaak niet onbevooroordeeld heeft behandeldng
2003/179Beheerder regiopolitie Brabant Zuid- Oostbij oordeel over verzoeksters klacht onvol- doende aandacht besteed aan hetgeen zij naar voren had gebrachtg
 Regiopolitie Brabant Zuid-Oostwijze van afhandeling aanrijding waarbij verzoekster als fietser gewond raakte: geen technisch onderzoek aan betrokken voertui- gen; geen sporenonderzoek op plaats van aanrijding, niet alle getuigen gehoord; proces-verbaal onzorgvuldig en onvolledig opgemaakt; verzoekster pas na ruim 3 maanden op de hoogte gesteld van mogelijkheid slachtofferhulpg
  verzoekster als schuldige/verdachte behan- deldgo
2003/180Regiopolitie Limburg Zuidbij aanhouding verzoeker zijn jas kapot gemaakt, hem geschopt dan wel met gummiknuppel op zijn knie geslagen, hem op dwingende wijze een verhoor afgenomenng
2003/181Regiopolitie Noord- Holland Noordgeen aangiftes willen opnemen van bedrei- ging en mishandeling jegens verzoekers kinderen; te summier onderzoek verricht naar door verzoeker als «drugspand» aangeduide woningng
2003/183Regiopolitie Brabant Zuid-Oostgeconstateerd dat de door verzoekers buur- man gebruikte stookplaats van snoeiafval 15 meter van verzoekers erfscheiding lag i.p.v. 1,5 meter, geen schade aan verzoekers erfscheiding waargenomenng
2003/184Regiopolitie Gelderland Zuidgeen, althans onvoldoende, actie ondernomen n.a.v. tien aangiften van verzoekers tegen buurtgenoten en geweigerd aangifte op te nemen wegens smaadng
2003/185Regiopolitie Gelderland Middenwijze van optreden politieambtenaren: niet gelegitimeerd; onnodig veel geweld gebruikt bij en kort na verzoeksters aanhoudingng
2003/186Regiopolitie Zaanstreek-Waterlandverzoekster telefonisch benaderd i.v.m. geschil over niet-betaling van kinderalimen- tatie en verzoekster maakt bezwaar tegen het gebruikmaken van haar geheime telefoonnummer alsmede tegen de regi- stratie van dit telefoonnummer; brief van politie in antwoord op haar klacht «tendentieus en intimiderend» en in brief wordt gesteld dat politie ook in toekomst haar geheime nummer zal gebruikenng
  geen gevolg gegeven aan haar verzoek om aangifte op te nemengo
  geen aandacht besteed aan het onderdeel van verzoeksters klachtschrijven over het niet opnemen van een aangifte, dan wel melding/mutatieg
2003/187Regiopolitie Noord- Holland Noordverzoeker tijdens insluiting onvoldoende medische zorg gebodeng
  ambtenaar heeft zich partijdig opgesteld in conflict met burenng
  op aandringen van verzoekster (echtgenoot verzoeker) een arts gebeldgo
2003/190Regiopolitie Utrechtverzoeker onheus bejegend: een ambtenaar zich ten onrechte voorgedaan als commissaris en geweigerd zijn naam te noemen; verzoeker uitgelachen; hem hardhandig het politiebureau uitgezet; hem gezegd dat hij niet meer welkom wasng
2003/193Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderlanddisproportioneel geweld tegen verzoeker gebruikt: hem op ruwe wijze geboeid en hem geduwdng
2003/194Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondbij aanrijding betrokken bestuurder van politieauto ter plaatse toegegeven schuldig te zijn, maar later ontkend; betreffende politieambtenaar meegedeeld dat hij een spreekverbod had toen verzoeker na zes weken kwam informeren naar stand van zaken rond afwikkelingng
  pas na ongeveer tweeëneenhalve maand proces-verbaal van aanrijding opgemaaktg
 Beheerder regiopolitie Rotterdam-Rijnmondwijze van afhandelen klacht: niet conform de klachtregeling op de formele wijze afgedaanng
2003/196Regiopolitie Rotterdam-Rijnmondten onrechte ingesloten op politiebureau, na bezoek politiearts ten onrechte ingesloten gehouden, in onvoldoende mate ervoor zorggedragen dat Riagg-arts verzoeker tijdig heeft bezocht, niet tijdig gezorgd voor afdichting raam na inbraakmelding, nagelaten technisch sporenonderzoek te verrichten, klacht niet in behandeling genomenng
  ouders niet op hoogte gesteld van insluiting ondanks verzoek en toezegging van politie- ambtenaren daartoeg
  niet tijdig zorggedragen voor adequate opvang voor verzoekers hondgo
2003/198Regiopolitie Haaglandenwijze van aanhouden verzoekster wegens lokaalvredebreuk: verzoekster geboeid en naar politieauto gesleurdg
  verzoekster in haar buik geslagen; op het politiebureau opmerkingen gemaakt met discriminerende en seksueel grievende ondertoonng
2003/226Regiopolitie Brabant Noordgedurende inverzekeringstelling ter identifi- catie gefotografeerd; niet gereageerd op verzoek raadsman te informerenng
  geen vegetarische maaltijden verstrekt; bijbel niet willen gevengo
  opgesloten in ruimte zonder daglicht, tafel, stoelg
2003/228Regiopolitie Groningenten onrechte staande gehouden, meegenomen naar bureau en verhoordng
  onvoldoende onderzoek verricht n.a.v. vermoedelijk vervalst framenummer, klacht op onzorgvuldige wijze afgedaan door korpsbeheerderg
2003/230Regiopolitie Limburg Zuidonvoldoende actie ondernomen n.a.v. meldingen terzake vernielingng
  toezeggingen niet nagekomen en lange behandelingsduur van zijn klacht (afdoe- ningsbrief niet ontvangen)g
2003/232Regiopolitie Rotterdam-Rijnmondwijze van bejegening door politieambte- naren: tijdens aanhouding ten onrechte geweld gebruikt en verbaal onheus behan- deld; geldbedrag van verzoeker afgenomen zonder dat hiervoor ontvangstbewijs is afgegeven en welk bedrag niet is teruggegeven; ten onrechte stallingskosten bere- kend; t.a.v. klachtbehandeling: geen tussen- berichten verstuurd en niet in gelegenheid gesteld om klachten mondeling toe te lichtenng
  verslaglegging van aangetroffen geldbedrag en klacht niet voldoende voortvarend afgehandeldg
  verzoeker mishandeld bij verlaten politiebureaugo
2003/234Regiopolitie Drentheverzoeker onnodig aangehouden, niet meegedeeld waarvoor hij werd aangehouden, onnodig geboeid, andere verzoeker niet toegestaan te gaan en staan waar hij wilde, woning van verzoekers met acht personen binnengetredenng
  woning van verzoekers direct met vier personen binnengetredeng
2003/240Regiopolitie Flevolandonvoldoende onderzoek gedaan n.a.v. aangifte van mishandelingg
2003/264Regiopolitie Haaglandenwijze van afhandelen aanrijding waarbij verzoeker betrokken was: nagelaten sporen- onderzoek op plaats van aanrijding te doen; geen aangifte willen doen jegens andere bij aanrijding betrokken bestuurder vanwege doorrijden na aanrijdingg
2003/265Beheerder regiopolitie Zeelandverzoeksters klacht niet in behandeling genomen, maar slechts verwezen naar officier van justitieg
 Regiopolitie Zeeland #
  verzoeksters woning binnengetredeng
  na binnentreden slechts een niet tot politie herleidbaar handgeschreven briefje achter- gelatenng
2003/266Regiopolitie Haaglandenverzoekers auto weggesleeptng
niet tijdig en niet inhoudelijk op klachtbrief gereageerd; klachtbrief hierover aangemerkt als beroepschrift tegen opgelegde boete voor een verkeersovertreding en daarom doorverwezen naar officier van justitieg
2003/267Regiopolitie Haaglandenbij aanhouding verzoeker buitensporig geweld gebruikt: hardhandig meegenomen en polsklem aangebrachtng
  zonder reden geboeid en met gespreide benen tegen een muur geplaatstg
2003/273Regiopolitie Utrechtklacht over de manier waarop tegen ver- zoekster is opgetreden n.a.v. melding geluidsoverlast: negatieve opmerkingen gemaakt over verzoeksters naam en achtergrond; manier waarop van haar bezoek verslag was gedaan in het bedrijfsprocessensysteem; klacht over wijze van klachtafhandeling: gesprek nauwelijks voorbereid en klachtbehandeling te lang geduurdng
  wijze van klachtafhandeling: niet alle vragen verzoekster beantwoordg
2003/278Regiopolitie Gelderland Middengeen of onvoldoende onderzoek verricht n.a.v. aangifte van diefstal van verzoekers caravanng
  geen informatie verstrekt over het niet overgaan tot opsporingg
2003/280Regiopolitie Hollands Midden #
registratieset van ongeval niet zorgvuldig opgemaakt: schade aan voorvork fiets verzoeker niet opgenomenng
  verklaring verzoeker niet verwerktg
2003/281Regiopolitie Flevo- landpolitie na telefonische melding over een loslopende hond niet bereid de hond te komen ophalen, trage afhandeling klachtng
  te weinig ingezet om eigenaar hond te achterhalen, verzoek om schadevergoeding afgewezeng
  beledigende opmerkingen over echtgenoot verzoekstergo
2003/283Regiopolitie Haag- landenoptreden bij ontruiming van gekraakt pand: verzoeker aangehouden terwijl geen sprake was van redelijke verdenking van overtreding van artikel 138 cq. 429 sexies van het Wetboek van Strafrecht en hij zich bereid toonde vrijwillig verklaring af te leggenng
2003/286Korps landelijke politiedienstenonjuist handelen van spoorwegpolitie te Rotterdam: niet ingrijpen na melding ver- zoeker dat vrouw in zijn gezelschap werd lastiggevallen door drugsverkopers; discriminerend gedrag richting verzoeker; verzoeker verwijderd uit stationshal; belangrijkste klacht dat spoorwegpolitie zich discriminerend heeft opgesteld, niet behandeldng
  lange behandelingsduur klachtg
2003/287Regiopolitie Drentheaangehouden ondanks dat er geen sprake was van een redelijke verdenking tegen verzoekster, reden aanhouding niet meege- deeldng
2003/289Regiopolitie Limburg Noordzonder aanleiding verzoeker onderworpen aan controle op naleving van bepalingen van de wegenverkeerswetgeving en vervolgens aangehouden, ingesloten ter- zake het niet tijdig betalen van twee onher- roepelijke boetevonnissen, geen uitvoering gegeven aan verzoek om arts zijn medische gesteldheid te laten controleren; meegedeeld dat het aanwenden van een rechtsmiddel niet mogelijk wasng
  verzoek om deurtje van het luik in cel open te laten, afgewezengo
  t.a.v. één boetevonnis niet meegedeeld dat daartegen nog een rechtsmiddel openstond, maar ten onrechte meegedeeld dat vonnis onherroepelijk was, alvorens verzoeker te horen, eerst geverifieerd of hij nog geldboetes open had staang
2003/291Vreemdelingendienst van regiopolitie Haaglandenniet schriftelijk ingelicht over inhoud van advies van vreemdelingendienst aan Visadienst inzake aanvraag om verlening van mvv t.b.v. haar echtgenoot, terwijl dit was toegezegdgo
2003/294Regiopolitie Gelderland Zuidtijdens ontruiming van kraakpand foto's van verzoeker gemaakt nadat hij was aangehouden en wijze van klachtafhandeling: voor de afhandeling van de klacht kenbaar gemaakt van mening te zijn dat betrokken politieambtenaar niet verwijtbaar had gehandeld; op 14 februari 2001 ingediende klachten eerst bij op 11 juni 2001 verzonden brief afgedaan; tijdens informele klachtbehan- deling geen vertragingsbericht ontvangen; niet alle correspondentie betreffende de klachten van verzoeker in het naar korpsbeheerder verzonden dossier gedaang
 Beheerder regiopolitie Gelderland-Zuidtijdens formele klachtbehandeling geen vertragingsberichten ontvangeng
2003/296Regiopolitie Haag- landenambtenaar geweigerd aangifte terzake mishandeling op te nemen van verzoeker (betrokken geweest bij mishandeling) en niet gereageerd op door verzoeker geretourneerde briefg
  onvoldoende aandacht besteed aan schriftelijke aangifte, niet in kennis gesteld van verdenking, gespreksverslag niet uitgereikt en niet ingegaan op vraag of tegen P. en anderen proces-verbaal was opgemaaktng
  geen notie genomen van opgelopen letsel en schade aan kleding en niet ingegaan op vraag waarom verzoeker als verdachte was aangemerktgo
2003/300Regiopolitie Flevo- landniet correct gereageerd n.a.v. meldingen van geluidsoverlastg
  op onbehoorlijke wijze telefonisch te woord gestaango
  besloten strafrechtelijke actie achterwege te latenng
 Beheerder regiopolitie Flevolandklacht niet juist afgehandeld: beslissing op klacht genomen o.b.v. advies van klachtencommissie waarin feiten niet juist zijn en te laat geïnformeerd over uitkomst van onder- zoek naar zijn klachtg
2003/303Regiopolitie Amsterdam-Amstellandgeweigerd aangifte/klacht tegen het Boven- IJ ziekenhuis op te nemen, zich ingelaten met het thuisbrengen van (schoon)moeder uit het het ziekenhuis, onnodig veel overlast veroorzaakt bij woning (schoon)oudersng
2003/305Regiopolitie Zaan- streek-Waterlandgeen actie ondernomen n.a.v. melding over bijtende hondng
2003/306Vreemdelingendienst van regiopolitie Hollands Middenbij wijze van reactie op mondeling inge- diende klacht over aangekondigde behan- delingsduur van negen maanden van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning aan echtgenote, meegedeeld dat slechts een onderzoek van de Nationale ombudsman de behandeling zou kunnen bespoedigeng
2003/311Regiopolitie Utrechtwijze van optreden van twee politieambte- naren jegens verzoekster en partner tijdens verkeerscontrole: onheus bejegend; in onveilige verkeerssituatie gebracht; ten onrechte technisch onderzoek aan auto en caravan uitgevoerd; geïnsinueerd dat cara- van was gestolen; geen gedegen onderzoek gedaan n.a.v. klachtng
2003/312Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondverzoeker belemmerd om zijn functie als HALT-medewerker naar behoren uit te oefenen, nadat officier van justitie een tegen hem ingestelde strafzaak had gese- poneerd: gemeente ertoe bewogen verzoe- ker niet in gelegenheid te stellen zijn werk te hervatten; verzoeker meegedeeld dat het hem verboden was met politie samen te werken en op politiebureaus te komenng
  deze mededelingen telefonisch gedaang
  na verzoekers vertrek opdracht gegeven de banden met HALT aan te halengo
 Beheerder regiopolitie Rotterdam-Rijnmondverzoekers klachten over onderstaande niet ontvankelijk verklaardg
2003/314Spoorwegpolitie Amsterdamreden van verzoekers aanhouding op Centraal Station niet meegedeeld en geen gelegenheid gegeven thuis zijn paspoort op te halenng
  verzoeker tijdens fouillering laten bukken en in de billen gekekengo
  verzoeker zich laten ontkleden en wijze van afhandelen klacht over bovenstaandeg
2003/322Regiopolitie Amster- dam-Amstellandonvoldoende onderzoek verricht n.a.v. meldingen en aangifte van seksueel mis- bruik van verzoeksters kleindochter op pedologisch instituut: onderzoek nog niet afgerond; onvoldoende geïnformeerd over voortgang van onderzoekg
  man die door kleindochter is genoemd i.v.m. seksueel misbruik (nog) niet als verdachte gehoord; onderzoeksmateriaal verloren laten gaanng
2003/323Regiopolitie Utrechtwijze van bejegenen n.a.v. geschil over erfafscheiding van verzoekers en hun buren: gezegd verzoekster niet te kunnen verstaan, terwijl zij slechts licht buitenlands accent heeft; niet naar haar versie van geschil met buren willen luisteren; in tele- foongesprek gezegd dat verzoeksters leugenachtig waren en dat zij zware straf zouden krijgen als ze niet deden wat wijk- agent wildego
  aangifte tegen buren van discriminatie niet (direct) opgenomeng
  ten onrechte doen voorkomen dat vertra- ging in klachtafhandeling te wijten was aan afwezigheid van één van verzoeksters i.v.m. bezoek aan geboortelandng
2003/324Regiopolitie Haag- landentijdens gesprek met directeur van ADO Den Haag (verzoekers werkgever) geëist dat verzoeker zijn functie als managementadvi- seur veiligheid niet meer zou uitoefenen, als gevolg waarvan verzoeker ontslag kreeg aangezegd, in reactie niet voldoende inhou- delijk gereageerd op klachtbrief van verzoe- ker, in reactie staan aantal feitelijke onjuist- hedenng
  geen verklaring gegeven voor lange behandelingsduur klachtg
2003/326Regiopolitie Midden- en West-Brabantgetuige – van aanrijding waarbij verzoekster betrokken was – niet gehoord, geen gegevens van getuige opgenomen in registratieformulier van aanrijdingng
2003/327Regiopolitie Haag- landengeweigerd schade te vergoeden die was ontstaan bij binnentreden van verzoekers woningng
2003/333Regiopolitie Midden- en West-Brabant !
  partijdige opstelling van politieambtenaar in conflict tussen verzoeker en ex-partner (o.m. over omgang van verzoeker met zijn dochter), politieambtenaar heeft: leidinggevende niet op de hoogte gesteld dat hij een relatie onderhield met ex-partner van verzoeker; verzoeker geadviseerd zijn dochter op kinderdagverblijf te bezoeken; bemoeienis gehad met boedelscheiding tussen ex-partner en verzoeker; opzettelijk onjuiste informatie opgenomen in aantal mutaties in dag- en nachtrapport van de politie (21-8-2000, 24-11–2000, 1-3-2001 en 25-4-2001)g
  opzettelijk onjuiste informatie opgenomen in mutatie van 13-6-2001ng
  opzettelijk onjuiste informatie opgenomen in mutatie van 18-5-2001go
 Beheerder regiopolitie Midden- en West- Brabantniet inhoudelijk gereageerd op klachtbriefg
2003/334Dienst spoorwegpolitie van het KLPDwijze van bejegening n.a.v. ongeval met een locomotief als gevolg waarvan verzoekers zoon is overleden: ter plaatse geweest zijnde betrokken ambtenaren wilde geen persoonlijk gesprek met verzoeker aangaan, in brief meegedeeld dat na het ongeval de ter plaatse geweest zijnde betrokken ambte- naren enkele keren telefonisch contact met verzoeker zouden hebben gehad en klacht- brief van 13 mei 2002 pas op 8 oktober 2002 beantwoordg
  in brief meegedeeld dat na het ongeval de ter plaatse geweest zijnde betrokken ambte- naren telefonisch contact zouden hebben gehad met een met naam genoemde medewerker van het Buro Slachtofferhulpng
2003/336Regiopolitie Amster- dam-Amstellandverzoeker is aangevallen en bijna gewurgd door man die vernielingen aanrichtte en klaagt erover dat: politieambtenaren pas na zes telefonische meldingen ter plaatse zijn gegaan; verzoeker niet zelf naar ziekenhuis is gebracht althans onvoldoende zorggedra- gen dat verzoeker naar ziekenhuis werd vervoerd; verzoeker tijdens telefoongesprek onheus verbaal is bejegend; onvoldoende onderzoek is gedaanng
2003/337Beheerder regiopolitie Zeelandverzoek om vergoeding van de (materiële) schade, die is ontstaan bij het binnentreden van verzoeksters woning, afgewezeng,#
2003/342Regiopolitie Noord- Holland Noordbij aanhouding verzoeker disproportioneel geweld gebruikt door politiehond op hem los te laten, terwijl de mate waarin hij verzet bood deze inzet niet rechtvaardigdeng
2003/351Regiopolitie Amster- dam-Amstelland !
arrestatieteam ingezet bij aanhouden verzoeker: geen mededeling gedaan over doel binnentreden; geen legitimatiebewijs getoond, deuren geforceerd, verzoeker geboeid en geduwdng
  verzoeker geblinddoekt, slechts f 2 015,21 aan schade vergoed i.p.v. geclaimde bedrag van f 10 145,35g
2003/352Regiopolitie Zuid- Holland Zuidverslaglegging van binnentreden van verzoekers woning, verslaglegging van boeien van verzoeker en verlenen of aanbieden van hulpg
  richten van vuurwapen op verzoeker tijdens aanhouden van de vriend van zijn dochterng
  op verzoeker blijven richten van vuurwapen nadat vriend was afgevoerdgo
2003/353Regiopolitie Haag- landenwijze van optreden van arrestatieteam i.v.m. inval in verzoeksters woning: met geweld binnengedrongen; met getrokken wapens rondgelopenng
  verzoeksters zoon geboeid en geblinddoektg
2003/354Regiopolitie Haag- landenaanhouding verzoekster, klachtafhandelingg
aanhouding verzoekerng
  wijze van aanhouding verzoeker, duur van zijn insluiting, afhandeling verzoek om schadevergoedingg,ng
  bij aanhouding schade veroorzaakt aan goederengo
2003/355Regiopolitie Utrechtverzoekers auto meegenomen en opgeslagen, sleepkosten in rekening gebracht, nagelaten hem schriftelijk ervan in kennis te stellen dat zijn auto was weggesleept, met vermelding van redenen, zijn auto verkocht ondanks afspraak dat deze opgeslagen zou blijven, klacht over wegslepen slechts gedeeltelijk gegrond verklaardg,#
2003/359Vreemdelingendienst van regiopolitie Drentheonjuist dan wel onvolledig geïnformeerd over rechtspositie echtgenootg
2003/374Regiopolitie Brabant Noordoptreden van ambtenaren n.a.v. tweetal incidenten die hebben plaatsgevonden in café waarin verzoekster een financieel belang heeft: niet adequaat gereageerd op melding voor wat betreft het niet terugbellen en het niet informeren over het onder- zoek van de politie naar de bezoekers van het ziekenhuisg
  het niet verrichten van onderzoek naar de bezoekers van het ziekenhuis en het ver- strekken van onjuiste informatie aan de persng
  niet adequaat reageren op melding in nacht van 6 november 2000 en melding in middag van 6 november 2000 voor wat betreft mededeling dat politie niet ter plaatse zou komen als verzoekster niet ook ter plaatse zou komengo
2003/376Regiopolitie Twentegeweld gebruikt bij aanhouding van ver- zoeker en zijn vriend, waardoor zij zich onder doktersbehandeling hebben moeten stellenng
  verzoeker op hardhandige wijze in de boeien geslagengo
 Beheerder regiopolitie Twentewijze van afdoen klachtbrief: toonzetting van brief; suggestieve manier van feiten weergevenng
  opmerking in brief dat verzoekers kinderen wel vaker alleen thuis zijng
2003/377Regiopolitie Drentheverzoeker geboeid tijdens inval in zijn discotheekng
  overige aanwezigen geboeidg
 Klachtencommissie politie Drenthewijze van behandelen klacht: verzoeker geen inzage gegeven in nieuwe processen-verbaal voordat hij werd gehoord en ver- zoeker niet alsnog in gelegenheid gesteld te worden gehoord in kader van deze nieuwe processen-verbaalng
2003/384Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderlandvergoeding gevraagd voor toesturen van foto's i.v.m. verkeersovertreding die verzoe- ker zou hebben begaanng,#
2003/393Regiopolitie Haag- landenverzuimd aangifte van verzoekster van mishandeling op te nemen, niet gewacht op verzoekers bij de woning van hun zoon, geluidsband waarop het gesprek tussen verzoekster en centralist van centrale meld- kamer is vastgelegd niet veiliggesteldg
2003/397Regiopolitie Gelder- land Zuidwijze waarop ambtenaren hebben gereageerd op meldingen van stank- en stookoverlast van verzoeker en familie: meldingen niet voldoende serieus genomen en onvoldoende onderzoek verricht naar oorzaak overlastng
2003/400Regiopolitie IJssel- landonvoldoende onderzoek verricht n.a.v. aangifte terzake mishandelingg
  kentekengegevens direct na aangifte doorgegeven aan meldkamer en surveillerende eenhedenng
2003/401Regiopolitie Zuid- Holland Zuidoptreden van politieambtenaar m.b.t. tijde- lijke onderbrenging van 15-jarige dochter in gezin van vriendin: zeer onwillig aangifte opgenomen van mishandeling door vrien- din van verzoeksters dochter; medewerkster van Jeugdzorg niet ingelicht over aangifte van mishandeling; op opzichtige wijze bij verzoekster thuis verschenen; op arrogante wijze geweigerd om verzoeksters aangifte van verduistering van dochters geld op te nemenng
2003/402Regiopolitie Utrechtgedraging van politieambtenaar bij gele- genheid van het onderzoek naar verdenking van het vervaardigen en voorhanden hebben van kinderpornografie, dezelfde ambtenaar heeft zich bij genoemd onder- zoek ten opzichte van verzoeker vooringenomen opgesteld en onheus bejegend, wijze waarop chef verzoekers klacht over voorgaande heeft afgedaang,ng,go
2003/404Regiopolitie Utrechtwijze waarop politieambtenaren verzoekers zonen tijdens hun aanhouding hebben behandeld: disproportioneel geweld gebruikt en zoon op vernederende wijze over straat gesleurdng
  geweigerd aangifte van zoon betreffende mishandeling door derden op te nemeng
2003/410Regiopolitie Utrechtvertrouwelijke informatie over verzoeker verstrekt aan buren en/of diens raadsman, naar aanleiding van zijn klacht daarover contact opgenomen met buurmanng
  klacht daarover afgedaan op grond van ontoereikend onderzoekg
2003/411Regiopolitie Brabant Zuid-Oostonjuiste informatie over verzoeker verstrekt aan Belgische politiego
  verwerking gegevens door de politie in het Herkenningsdienst Systeemg
2003/413Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondpolitieambtenaar voertuig op dusdanige manier, op een kruising, geparkeerd dat het tegemoetkomende verkeer werd verblind door verlichting van zijn voertuig waardoor hij in strijd heeft gehandeld met art. 5 van Wegenverkeerswet 1994 en klacht niet over- eenkomstig klachtenregeling afgehandeldng
2003/414Regiopolitie Utrechtverzoeker niet meegedeeld dat aanhangwagen was weggesleept door politie, waardoor verzoeker dacht dat aanhangwagen was gestolen en verzoeker deed hier- van ook aangifteg,!
2003/415Regiopolitie Flevo- landtoen verzoeker werd aangehouden en overgebracht naar politiebureau is auto van verzoeker niet of niet goed afgesloten, tengevolge waarvan is getracht de auto te stelen en schade aan auto is ontstaanng
  wijze van klachtafhandeling: lange behan- delingsduur en klacht onzorgvuldig en onbehoorlijk behandeld door Klachtencommissie Politie Flevoland 
2003/416Regiopolitie Brabant Zuid-Oost #
bij aanhouding buitensporig geweld aange- wend en politieambtenaar aanvankelijk geweigerd klachten in ontvangst te nemenng
  halsketting kwijtgeraakt als gevolg van politieoptredengo
  kledingstukken en portemonnee van verzoe- ker op zodanige wijze bewaard dat onbe- voegden deze goederen hadden kunnen ontvreemden, manier waarop goederen waren neergelegd (bevuild door medegedetineerde), geen toestemming gekregen om naar wc te gaang
2003/418Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondpolitieambtenaren zijn van mening dat verzoeker slachtoffer is geworden van ongeval in plaats van misdrijf, onvoldoende gevolg gegeven aan uitkomst van de behandeling van verzoekers klacht over opsporingsonderzoek, proces-verbaal niet ingestuurd naar arrondissementsparketng
  verzoeker voor afschrift van proces-verbaal herhaaldelijk verwezen naar arrondisse- mentsparketg
2003/419Regiopolitie Frieslandonvoldoende actie ondernomen n.a.v. meldingen van verzoekster i.v.m. problemen die zij heeft met haar buurmang
  partijdige opstelling in conflict van verzoek- ster met buurman en politiekorps biedt geen excuses aan i.v.m. bovengenoemde klachtonderdelenng
2003/431Beheerder regiopolitie Gelderland-Zuidpas op 19 juli 2002 beslist op klacht van 27 februari 2001g
 Regiopolitie Gelder- land Zuidna sepotbeslissing tegen verzoekers werk- gever opgemerkt dat met de aanhouding van verzoeker de juiste man was aangehoudeng
2003/436Regiopolitie Zaan- streek-Waterlandwijze van optreden politie bij bekeuring omdat verzoeker op de vluchtstrook stond: geen gelegenheid gegeven om uit te leggen waarom hij daar stond; zonder reden geboeid; verhoord als verdachte van het beledigen van een ambtenaar in functie; voorafgaande aan verhoor niet de cautie gegeveng
2003/437Regiopolitie Utrechtniet tijdig gereageerd op melding verzoeker van een parkeerovertreding, waardoor verzoekers auto klem stondng
2003/438Regiopolitie Twentewijze waarop de politie zich met het privé- leven van verzoekster heeft bemoeid door vóór haar verhuizing zonder haar toestemming diverse zorginstellingen in te schake- leng
  verzoekster in het openbaar aangesproken en verzocht om thuis te blijven om de zorg voor haar zoontje op zich te nemenng
2003/451Regiopolitie Flevo- landonheus bejegend door politieambtenaar tijdens gesprekg
  onvoldoende geïnformeerd door politieambtenaar over reden gesprekng
  informatieverstrekking aan verzoekers werk- gever en daaruit voortvloeiend ontslagng
2003/456Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondniets ondernomen n.a.v. aangifte wegens mishandeling terwijl dader volgens verzoe- ker bekend is en gewezen op mogelijkheid om schade te verhalen op dader middels een civiele procedure terwijl deze mogelijkheid door nalatig optreden van de politie verloren is gegaang
  verzoek om vergoeding van schade die hij heeft geleden door letsel dat hem is toege- bracht door de daderng
2003/457Regiopolitie Brabant Noord !
politieambtenaar verzoekster opzettelijk stoot in gezicht gegeven met elleboog tijdens politieoptreden op vliegbasis Volkelng
  klacht behandeld door betrokken politieambtenaarg
2003/461Regiopolitie Utrechtgeweigerd verzoeker tegemoet te komen in kosten m.b.t. een vernietigde snorfiets; met name onjuist omdat korpsbeheerder met beslissing afwijkt van het standpunt van de «Herzieningscommissie Klachten Politie Regio Utrecht»g,#
2003/462Regiopolitie Gooi en Vechtstreekambtenaar getuige van de val van verzoeker met motor en is weggereden zonder hulp aan te biedenng
  meldkamer, na melding van verzoeker over plas dieselolie op straat, verzuimd maatre- gelen te nemen om plas olie te verwijdereng
  ambtenaren die zich een uur na de val in buurt van plas olie bevonden geen actie ondernomen om dieselolie te laten verwij- derengo
2003/471Regiopolitie Utrechtniet correct gereageerd op 112-melding na bedreiging, klacht is gesplitst, extra toezicht slechts van korte duur, vastlegging van probleem en adresgegevensng
  mededeling in ontvangstbevestiging dat een gedeelte van de klacht als afgedaan wordt beschouwdg
2003/475Regiopolitie Limburg Noordklachten over binnentreden woning onge- grond en tegelijk gegrond verklaardg
2003/476Regiopolitie Utrechtvoormalige buurman, tevens politieagent, heeft verzoeker bij zijn woning bekeurd voor parkeerovertreding, onvoldoende onderzoek n.a.v. aangifteng
  weigering om eerder ingetrokken aangifte tegen zijn buurman alsnog in behandeling te nemen, na melding zoon buurman door politie verzocht om auto te verplaatsen, mededeling van andere agent dat hij degene was die verzoeker heeft aangesproken, ten onrechte onderzoek ingesteld naar afvalcontainers bedrijfspand, agent in burger heeft zoon verzoeker bekeurd voor rijden op opgevoerde bromfiets, ten onrechte binnengetreden in bedrijfspand en daar een onderzoek ingesteldng
2003/480Regiopolitie Gooi en Vechtstreek #
in verband met aanrijding en letsel pas na aandringen een registratieset opgemaakt, registratieset gebaseerd op onjuiste weer- gave van feiten; verzuimd twee getuigen te vermeldeng
  in registratieset ten onrechte opgenomen dat verzoekster telefonisch op eerdere verklaring zou zijn teruggekomengo
2003/481Vreemdelingendienst van regiopolitie IJssellandten onrechte staande gehouden en overgebracht naar plaats bestemd voor verhoor, geen gevolg gegeven aan verzoek om advocaat in kennis te stelleng
2003/482Regiopolitie Haag- landenzonder aanleiding rechterportier van auto beschadigd, schade niet vergoed, te laat op de hoogte gesteld dat bekeuring niet betaald hoefde te wordenng
2003/483Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderlandgeweigerd om aanvullende schriftelijke verklaring aan strafdossier toe te voegen, bij klachtbehandeling geen hoor en weder- hoor plaatsgevonden, geen inzage gegeven in klachtdossierg
  bodemonderzoek uitgevoerd terwijl politie hiervoor onvoldoende deskundig en niet toegerust is, bij klachtbehandeling geen termijn genoemd waarbinnen verzoeker een klacht kan indienen bij de Nationale ombudsmanng
2003/484Regiopolitie IJssel- landcontroles uitgevoerd op permanente bewoning van recreatiewoningen: daarbij vrijwillige politieambtenaren ingezet; over controles geen overleg gevoerd met officier van justitie; controles uitgevoerd door agenten gekleed in burger; zich laten assisteren door uitzendkrachten; controles niet alleen overdag uitgevoerd; na zons- ondergang met zaklantaarn in woningen geschenen; in brievenbussen en vuilnisbakken gekeken; rapporten laten opstellen door uitzendkrachten; slechts beperkt aantal woningen gecontroleerd; politieambtenaar kon zich desgevraagd niet legitimereng
2003/485Regiopolitie Limburg Zuidin telefoongesprek onder druk gezet om resterend bedrag aan schadevergoeding aan gemeente te betaleng
2003/490Regiopolitie Utrechtoptreden van politieambtenaren n.a.v. melding ex-partner dat verzoeker zoontje tegen haar wil had meegenomen: opdracht gegeven om verzoeker staande te houden en verzoek om schadevergoeding afgewezen; zoontje van 2 jaar naar ex-partner gebracht zonder daarbij veiligheidsmaatregelen te nemen in politieautong
  tegen het advies van collega in, opdracht gegeven om zoontje terug te brengen naar ex-partner; partijdig opgesteld door verzoe- ker negatief af te schilderen in de over het voorval opgemaakte mutaties; chef in klachtafdoeningsbrief gesteld dat zoontje slechts in een pyjama was gekleed, dat verzoeker zich bedreigend had opgesteld en dat er duidelijk sprake was van een funda- mentele afwijking van de uitvoering van de omgangsregelingg
2003/493Regiopolitie Flevo- landauto laten wegslepen en er ten onrechte van uitgegaan dat auto in zeer slechte staat van onderhoud verkeerde, auto laten vernietigen, onvoldoende geïnformeerd over voorgaande, schade die verzoekers hebben geleden wil regiopolitie niet vergoedeng,#
2003/494Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondgedreigd met inzetten van politiehond, verzoeker zonder reden aangehouden en ingesloten op politiebureau, zijn auto na aanhouding niet deugdelijk afgesloten, waardoor spullen werden gestolenng
  niet gereageerd op aansprakelijkstelling voor schade door diefstalg
2003/495Regiopolitie Brabant Zuid-Oostrooien van bomen in tuin van hoekpand niet stilgelegdng
  door verzoeker per brief gestelde vragen niet beantwoordg
  niet snel genoeg ter plaatste gekomen n.a.v. meldinggo
2003/496Beheerder regiopolitie Rotterdam-Rijnmondbij brief ingediende klachten niet in behan- deling genomenng
 Regiopolitie Rotter- dam-Rijnmondtegenover aangevers en leiding van universiteit herhaaldelijk verklaard dat verzoeker schuldig was aan misdrijven waarvan hij werd verdachtng
  op vraag van werkgever geantwoord dat met sepot niet was komen vast te staan dat verzoeker onschuldig wasg
2003/497Regiopolitie Haag- landennagelaten een surveillanceteam naar woning van verzoeker te sturen ondanks mededeling dat mogelijk sprake was van inbraak, procedure voor verwerking van alarmmeldingen door particuliere alarmcentrales onvoldoende uitgewerktng
2003/498Regiopolitie Amster- dam-Amstellandbij herhaling schuldig aan onjuist parkeergedrag: parkeren voor inrit van binnenplaats politiebureau waardoor andere politievoertuigen parkeerplaatsen voor burgers moeten innemen; parkeren op parkeerplaatsen voor burgers terwijl plaatsen voor politievoertuigen nog vrij zijn;ng
  parkeren met twee wielen op de stoepg
2003/500Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politiegeen reactie gegeven op brief met klacht over sinds november 2001 uitblijven van personele informatie zoals salarisspecifi- caties, personeelsmutaties, interne vaca- tures en weigering om verzoeker boeken uit te lenen, geen antwoord gegeven op vraag waar verzoeker met zijn klachten terecht kong,#
2003/502Regiopolitie Gooi en Vechtstreek !
wijze van optreden tegen verzoeker: nage- laten verzoeker een afschrift te verstrekken van oorspronkelijk opgemaakte beschikking rijverbod met als tijdstip van overtreding 21:59; nagelaten verzoeker vervoer terug naar zijn auto aan te biedenng
  gedurende lange tijd de ter plaatse gel- dende maximumsnelheid overschredengo
2003/503Vreemdelingendienst van regiopolitie Drentheverzoekers om 4.00 uur in de ochtend opge- pakt en uitgezet naar Albanië en hen niet toegestaan documenten betreffende asiel- procedure en medische verklaringen mee te nemenng
  geweigerd telefonisch contact op te nemen met hun advocaatgo
2003/504Regiopolitie Amster- dam-Amstellandverzoekster op 24 januari 1999 onheus beje- gend nadat zij politie had gebeld vanwege hartritmestoornissen, haar op 22 februari 1999 telefonisch te woord gestaan maar er niet voor gezorgd dat politie bij haar langs- gingng
  geweigerd stukken uit dossier te verwijderen die wel reeds uit het bedrijfsprocessensysteem verwijderd wareng
2003/505Regiopolitie Drentheoptreden bij verzoekers aanhouding: pepperspray gebruikt, verzoekers arm gebogen waardoor arm is gebroken, tijdens vervoer herhaaldelijk geschopt en geslagenng
  met zaklantaarn op verzoekers handen geslageng

Provincies

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/012Gedeputeerde Staten van Limburgwijze van klachtafhandeling en verder uitstellen van de afhandeling van zijn klachtbriefg,#
2003/089Gedeputeerde Staten van Overijsselverzoek afgewezen om over te gaan tot het instellen van een onafhankelijke commissie die onderzoekt of handhaving van de voor- schriften gebeurt op een manier zoals het zou moetenng
  ingediende klacht over telefonisch inge- diend verzoek om toezending van informatie kennelijk ongegrond verklaard en niet gehoord n.a.v. zijn klachtg
2003/205Provincie Overijsselnog geen inhoudelijke reactie gegeven op brieven van verzoekerng
  geen tussenbericht verstuurd nadat was gebleken dat besluitvormingstraject nog niet duidelijk was en om die reden gewacht met toezenden van een inhoudelijke reactie, uitblijven van inhoudelijke reactie op in de brief aan de orde gestelde ontheffing en verzoek die ontheffing in te trekken, klacht kennelijk ongegrond verklaardg
2003/394Provincie Gelderlandmededelingen gedaan aan journalist van dagblad over verdenkingen van milieuovertredingen door verzoekers bedrijfg

Sociale zaken en werkgelegenheid

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/028Sociale verzekeringsbanktoezeggingen dat binnen enkele weken beslist zou worden op bezwaar inzake vaststelling Anw-uitkering en dat schadeclaim zou worden afgewikkeld nog steeds niet nagekomeng
2003/034Sociale verzekeringsbankverzoekers (schoon)moeder, woonachtig in Argentinië, ontvangt sinds april 2001 geen AOW-pensioen meer, niet gereageerd op brieven terzake en telefonische benadering ook niets opgeleverdg
2003/035Sociale verzekeringsbankwijze waarop klacht over uitblijven van een beschikking op aanvraag voor een AOW- pensioen is behandeldg,!,#
2003/039Sociale verzekeringsbank #
verzoekster ten onrechte geconfronteerd met terugvordering van f 17 482,10g
  verzoekster onjuist geïnformeerd m.b.t. betaling van wezenpensioen na bereiken achttienjarige leeftijd van rechthebbendego
2003/064UWV Haarlemnog geen beslissing genomen op aanvraag van 4 maart 2002 voor WW-uitkeringg
2003/066UWV Amsterdamondanks diverse schriftelijke toezeggingen geen beschikking tot toekenning van WAO- uitkering afgegeveng
2003/100Centrale organisatie werk en inkomenverzoekers werkgever toestemming ver- leend de arbeidsverhouding met hem om bedrijfseconomische redenen te beëindigenng
  ingestemd met feit dat werkgever in één document reageert op verweer tegen ontslagaanvraag van zowel verzoeker als van een collega, voor wie afzonderlijk ontslagvergunning was verzochtg
2003/105Centrale organisatie werk en inkomenontslagaanvraag verder in behandeling genomen nadat tijdens de procedure de ontslaggrond was gewijzigdg
  toestemming verleend aan verzoekers werkgever om de arbeidsverhouding met hem op te zeggen, geen tweede ronde van hoor en wederhoor gehouden nadat ontslaggrond is gewijzigdng
2003/110UWV Amsterdamverzoek om vergoeding van kosten i.v.m. een door UWV gemaakte fout afgewezenng
2003/128UWV Amsterdammanier waarop klacht over verzekeringsarts is afgehandeld: klacht door UWV ongegrond verklaard; lange behandelingsduur zonder tussentijdse informatie; geen reactie op verzoeken om een kopie van de weer- gave van het onderzoek dat de stafverzeke- ringsarts heeft uitgevoerd n.a.v. de klachtg
2003/129UWV Tilburgklacht over feitelijke onjuistheden in rappor- tages van verzekeringsarts i.v.m. beoordeling arbeidsongeschiktheid, bijv. over de lichttherapie van verzoeker, dat hij een zaak in automaterialen heeft, dat zijn vrouw van hem gescheiden is, rapportages gebaseerd op psychologische gegevens die onterecht zijn verkregeng
  opmerking dat verzoeker het met de conclu- sie van de verzekeringsarts eens was, ont- breken van de vermelding dat verzoeker cara heeft, dat verzoeker door conflicten op zijn werk herhaaldelijk was uitgevallenng
2003/130UWV Goudaweigering om onkosten te vergoeden die gemaakt zouden zijn omdat gegevens van cliënten opnieuw aan het UWV verstrekt moesten worden, de eerder verstrekte gegevens waren door het UWV administratief niet correct verwerkt. ng
2003/131Sociale verzekeringsbankonzorgvuldige handelwijze n.a.v. telefonische melding door «familielid» van verzoe- ker dat verzoeker zou zijn verhuisd van Waterland naar verzorgingstehuis in Purme- rend: naam van «familielid» niet genoteerd;g
  geen contact opgenomen met verzoeker of verzorgingstehuis om juistheid van melding te controlerenng
2003/137Centrale organisatie werk en inkomenten onrechte aan verzoekers werkgever een ontslagvergunning verleend, verzoekers belangen onvoldoende meegewogenng
2003/168UWV Goestijdens bezwaarprocedure hebben mede- werkers van UWV Gak, die geen (verzeke- rings)arts zijn, inzage gehad in verzoekers medische gegevens anders dan de door de verzekeringsarts opgestelde rapportageng
2003/171Arbeidsdeskundige van het UWV Vlaar- dingen !
advies arbeidsdeskundige aan verzoeker om na ziekmelding terug in de WAO te gaan ondanks diens verzoek hem bij zijn werkge- ver te laten reïntegrerenng
  telefonisch contact tussen arbeidsdeskun- dige en verzoekers werkgever zonder dat verzoeker daarvan op de hoogte was gesteld, geen doorgang evaluatiegesprek ondanks verzoekg
 UWV Vlaardingenniet in de gelegenheid gesteld klacht mondeling toe te lichteng
2003/172UWV Amsterdamlange behandelingsduur van een tot drie keer toe ingediende aanvraag om toekenning van een WAO-uitkeringg
2003/233Centrale organisatie werk en inkomentoestemming verleend aan werkgever van verzoekster om arbeidsverhouding te beëindigen, terwijl: anciënniteitsbeginsel niet juist is toegepast en in strijd met onder- zoeksplicht gehandeld door geen nadere informatie in te winnen m.b.t. verweer van verzoekster en wijze waarop toepassing is gegeven aan H9 Awb bij het afhandelen van verzoeksters brieveng
2003/236UWV Groningengeen beslissing genomen op aanvraag voor een werkloosheidsuitkering en voorschotten op uitkering onregelmatig betaaldg
2003/237UWV Groningennog geen beslissing genomen op aanvraag voor een uitkering ingevolge de Werkloos- heidswet en na indienen van aanvraag maar één keer in aanmerking gebracht voor voorschot op uitkeringg
2003/241UVW Hengelogedreigd dat een korting op verzoekers WW-uitkering zou worden toegepast als hij niet zou voldoen aan de sollicitatieplicht, deze eis van het UWV was gelet op leeftijd en gezondheid van verzoeker niet reëelng
  bij de afhandeling van klacht onvoldoende ingegaan op de vraag of verzoekers situatie een uitzondering wasg
2003/245UWV Amsterdamklacht over bejegening door een verzeke- ringsarts niet in behandeling genomeng
  wijze waarop het UWV heeft gereageerd op verzoek om aan te geven hoe vaak een beroepschrift tegen een beslissing waarin de betrokken verzekeringsarts een medisch oordeel heeft gegeven, gegrond en niet gegrond is verklaardng
2003/252Centrale organisatie werk en inkomenonvoldoende gemotiveerd ontslagvergun- ning verleend aan verzoekers werkgever: nauwelijks ingegaan op argumenten verzoekerg
  niet in redelijkheid tot verlening van ontslagvergunning gekomenng
2003/254UWV Apeldoornonzorgvuldig gehandeld bij beslaglegging op, dan wel verrekening van verzoekers inkomsten vanwege onverschuldigd betaalde AAW/WAO-uitkering: bevoegdheid om bij leggen van beslag per 1 maart 2001 beslagvrije voet buiten beschouwing te latenng
  per september 2001 in aanmerking nemen van de op 7 maart 2001 overgelegde gege- vens, termijn voor afhandeling van verzoek om kwijtscheldingg
2003/260Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragenovergegaan tot inning kinderalimentatie omdat verzoeker onvoldoende had aange- toond dat hij had betaaldng
  brief gedateerd 27 mei 2002 pas op 6 juni ontvangen, brief met verzoek van verzoeker om vergoeding financiële nadelen niet beantwoordg
2003/263Arbeidsinspectie regio oosthandgeschreven aantekeningen van gesprek met medewerkers van verzoekster vernietigd, terwijl volgens verzoekster was toegezegd een verslag van het gesprek te zullen maken en dit haar toe te zullen sturenng
  wijze van afhandeling klacht: niet of margi- naal ingegaan op door verzoekster aange- geven redenen waarom aantekeningen niet vernietigd hadden mogen worden; bij afhandelingsbrief geen rekening gehouden met schrifteljik commentaar van verzoeksterg
2003/269Verzekeringsarts UWV Amsterdamgedreigd verzoeker voor meer uren belast- baar te achten dan zij van plan was, indien verzoeker niet instemde met het aantal uren dat zij hem belastbaar achtteg
 UWV Amsterdamklachten over bovenstaande niet gegrond geachtg
2003/284UWV Zwollewijze van inspannen voor verzoekers zoon in kader van Wet reïntegratie arbeidsgehan- dicapten in periode maart 1997 tot novem- ber 2000: onvoldoende toezicht gehouden op stagebegeleiding; onvoldoende verdiept in begeleiding van personen met traumatisch hersenletsel; geen of onvoldoende overleg met deskundigen inzake traumatisch hersenletsel en andere bij begeleiding betrokkenen; onvoldoende rekening gehou- den met oordeel van anderen; niet inge- gaan op voorstel van derden om professionele job coach in te schakelen; vanaf februari 1999 nauwelijks met zoon gespro- ken over reïntegratie; n.a.v. ontslagaanvraag door voormalig werkgever meegedeeld dat zoon voor alle betaalde werkzaamheden ongeschikt is, terwijl geen of onvoldoende onderzoek hiernaar was ingesteldng
2003/290Sociale verzekeringsbankniet in gelegenheid gesteld te worden gehoord in kader van klachtenprocedureng
2003/293Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Ziektekostende wijze waarop CAK correspondeert over de door verzoekster verschuldigde eigen bijdrage m.b.t. geleverde thuiszorg: meerdere malen onvoldoende of niet gereageerd op brieven en fax van gemachtigde; overgegaan tot terugstorting van teveel betaalde eigen bijdragen zonder daarbij uitleg te verschaffen; nog geen facturen verstuurdg
2003/340UWV Groningengeen beslissing genomen op aanvraag tot toekenning van een toeslag op grond van de Toeslagenwet, welke verzoeker in juli 2002 heeft ingediendg,!
2003/365UWV Amsterdamwijze van afhandeling klachtbriefg
2003/367Centrale organisatie werk en inkomenin besluit, waarin aan de voormalige werk- gever van verzoeker toestemming wordt verleend om arbeidsverhouding op te zeggen, in onvoldoende mate rekening gehouden met aangevoerde verwerenng
  ontslagbeslissing onvoldoende gemotiveerdg
2003/382UWV Amsterdamklacht over behandeling van verzoeksters echtgenoot door verzekeringsarts niet serieus behandeldg
2003/386Centrum voor werk en inkomenverzoek om vacatures van erotische mas- seuses en escortdames op vacatureborden te plaatsen c.q. wervingsaffiches te mogen ophangen afgewezen, zonder in te gaan op verzoekers argument dat weigering in strijd is met gelijkheidsbeginselng
2003/389UWV Groningenbijstandsuitkering, resp. ontslaguitkering die verzoekster is toegekend, nog steeds niet tot het juiste bedrag vastgesteld en uitgekeerd en onzorgvuldig gehandeld, onder meer door een onvoldoende zorgvul- dige onderlinge afstemming van de verzor- ging van haar uitkeringeng
2003/396UWV Eindhovenwijze waarop verzoeker in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek is gehoord: tekst die is opgenomen in rapportage van arbeidsdeskundige onder «visie cliënt op de hervattingsmogelijkheden bij de eigen werkgever» en «reactie cliënt»; t.a.v. ver- meldingen reïntegratieactiviteiten aan kant van werkgeverg
  beoordeling van reïntegratiemogelijkheden bij eigen werkgever en verrichtte inspanningen door werkgever; bij beoordeling reïn- tegratiemogelijkheden bij eigen werkgever alleen afgegaan op hetgeen door werkgever is meegedeeldng
2003/399UWV Heerlenvragen omtrent uitkeringsrechten die verzoeker afgelopen jaren heeft gesteld zijn onbeantwoord gebleven: informatieverstrekking in en n.a.v. gesprek op 12 oktober 2001; niet of niet volledig beantwoorde brieven die verzoeker noemt in brieven van 1 mei 2001 en 24 juli 2001; wijze van klacht- behandelingg
  mogelijkheid om dossier in te zien voor- afgaand aan gesprek en beantwoording van brief van 13 december 1997ng
2003/444Arbeidsinspectie regio Noordwestnalatig geweest bij onderzoek naar asbest- blootstelling over de periode 22 februari 1999 tot 10 maart 1999 aan een adres in Amsterdam: geen monsters genomen noch enig (feiten)onderzoek verricht; geen procesverbaal opgemaakt tegen betrokken bouwbedrijf; verzoekers pas twee jaar na datum melding gedaan van deze bevindingen; in die tijd niet of nauwelijks gecommuniceerd over stand van zakeng,!
2003/468UWV Enschedeonzorvuldige handelwijze van arbeidsdeskundige en klachtafhandeling onzorgvuldig en onvolledigg
  partijdigheid van arbeidsdeskundige en eerste reactie UWV op brief verzoekerng
2003/487Centrale organisatie werk en inkomenbij afhandeling klacht, inzake het feit dat ontslagprocedure voor een van haar mede- werksters anderhalf jaar heeft geduurd, de verantwoordelijkheid volledig bij het UWV neergelegd en elke vorm van aansprakelijkheid voor geleden schade afgewezenng
2003/489UWV Groningenonjuist dan wel onvolledig geïnformeerd over hoe verzoeker verzekerd diende te zijn voor ziektekosten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden, onzorgvuldig gehan- deld n.a.v. brief waarin verzoeker bezwaar maakt tegen stelling dat hem geen onjuiste informatie is verstrekt, traag en onzorgvuldig gereageerd op zijn klachtbrieveng

Verkeer en waterstaat

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/003Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzeneen deskundige praktische rijgeschiktheid heeft meegedeeld dat verzoeker zou slagen voor rijtest als hij lessen nam bij bevriende rijschoolng
2003/087Directoraat-Generaal Rijkswaterstaatgeweigerd aansprakelijkheid te erkennen inzake een ongeval dat verzoekster is over- komen: verzoekster raakte met haar auto in slip op A4, naar haar zeggen als gevolg van olievlek op wegdek en auto heeft hierdoor schade opgelopenng
2003/093Dienst Wegverkeeraccepteert geen biljetten van € 500 en stelt klanten hiervan op de hoogte d.m.v. stickersng
2003/096Commissie Milieuhygiëne Luchtvaartterrein Eeldeniet of onvoldoende adequaat gereageerd op brieveng
2003/097Commissie Milieuhygiëne Luchtvaartterrein Eeldeniet inhoudelijk gereageerd op brieven van 13 en 16 september 2001 en 15 oktober 2001, voornoemde brieven niet geanonimiseerd toegestuurd aan haar leden ter bespreking in commissievergadering, niet gereageerd op brieven van 2 en 18 decem- ber en klacht over voornoemde zaken niet behandeldg
2003/103Dienst Wegverkeermeegedeeld dat bedrag van f 60, dat ver- zoeker had betaald t.b.v. aanvraag om afgifte van vervangend kentekenbewijs, niet wordt terugbetaaldng
2003/117Luchtverkeersleiding Nederlandop willekeurige wijze gebruikmaken van vliegroutes nabij verzoekers woonwijkng
2003/132Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzenverzoeker driemaal niet het juiste uitslagformulier van theorie-examen voor rijbewijs B meegegeven, meegedeeld niet te kunnen nagaan wat er aan de hand was en verzoe- ker indirect beschuldigd van fraudeng
2003/140Dienst Wegverkeeronvoldoende actie ondernomen n.a.v. verzoekers brief waarin hij kenbaar maakte dat tenaamstelling van kentekenbewijs van zijn personenauto zonder zijn medeweten en instemming was gewijzigdg
  gegevensuitwisseling tussen RDW en CJIB onvoldoendeng
2003/153Dienst Wegverkeerlaten weten geen beschikking te hebben over gegevens uit GBA waaruit blijkt of iemand onder curatele is gesteld: volgens verzoeker is dit wèl het geval; meegedeeld dat het gegeven dat bekend is dat verzoekers zoon onder curatele staat geen weige- ringsgrond vormt voor eventueel toekomstig verzoek om kenteken op naam van zoon te stellenng
2003/235Dienst Wegverkeervoorafgaand aan het opstarten van proce- dure om het grijze kenteken van verzoekers auto om te zetten in een geel kentekenbewijs niet geïnformeerd over het verschuldigd zijn van de BPM-belastingng
2003/272Dienst Wegverkeerverzoekers fax van 8 januari 2002, waarin hij bezwaar maakt tegen merkaanduiding Nekaf op kentekenbewijs, op 19 september 2002 nog niet afgehandeldg
2003/307Minister van Verkeer en Waterstaatniet inhoudelijk gereageerd op brieven van verzoeksters echtgenoot en wijze van klachtafhandelingg
2003/318Minister van Verkeer en Waterstaatwijze waarop minister zich tijdens hoorzitting van de Commissie gelijke behandeling heeft laten vertegenwoordigen door een aantal ambtenaren van het DG Rijkswaterstaat, zij waren niet gemachtigd namens de minister op te treden en klacht afgedaan door het Bureau van de DG en niet door het Bureau van de SGng
  t.a.v. klachtafhandeling: verzoeker niet gehoordg
2003/335Minister van Verkeer en Waterstaatbrief met een klacht over wijze waarop minister was vertegenwoordigd tijdens de zitting van de Centrale Raad van Beroep, niet in behandeling genomenng
2003/366Dienst Wegverkeeronaangekondigd bezoek gebracht aan verzoeker (autobedrijf) in het kader van het uitoefenen van toezicht op naleving van de uit de erkenning APK en erkenning bedrijfs- voorraad voortvloeiende verplichtingen, verzoek om andere RDW-functionaris niet ingewilligd, brieven van verzoeker beant- woord met één brief door een medewerker die niet was aangeschrevenng
2003/447Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzenafgelegd motorrijexamen door examinator als onvoldoende beoordeeldng

Volksgezondheid, welzijn en sport

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/023Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten !
verzoekster opgenomen in administratie voor verleende thuiszorg en ervan uitge- gaan dat verzoekster er geen bezwaar tegen zou hebben dat het CAK inkomensgegevens opvraagt bij de Belastingdienstng
  beschikking Eigen Bijdrage Thuiszorg toegezonden zonder dat verzoekster enige thuiszorg is verleendg
2003/030Zorgverzekeraar VGZverzoeker niet geïnformeerd over kosten die hij zelf zou moeten betalen indien hij instemde met behandeling in bepaalde privé-kliniekg,#
2003/088Minister van Volks- gezondheid, Welzijn en Sportgeweigerd factuur t.b.v. f 11 900 te voldoen betreffende werkzaamheden ten behoeve van het door verzoeker verrichtte onderzoek en het uitgebrachte rapport in opdracht van het Ministerie van VWSng
2003/104Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees/Voedsel en Waren Autoriteitlaten weten niet aansprakelijk te zijn voor de schade die verzoeker heeft geleden t.g.v. het onterecht afgeven van exportpapieren voor vijf slachtpaardeng,#
2003/114Zorgverzekeraar ZAOniet voldaan aan verzoek van 14 november 2001 om premieoverzicht over het jaar 2001 en wijze waarop verzoekster hierover is geïnformeerdg
2003/119IZA Zorgverzekering voor ambtenaren te Velpniet gereageerd op klachtbrieven nadat Nationale ombudsman brieven ter behan- deling aan IZA had doorgezondeng
 Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosteninhoud van aan verzoeker gerichte brief: recentelijk in gebruik genomen auto- matiseringssysteem had aanloopproblemen veroorzaakt waardoor toezending van rekeningen van eigen bijdrage thuiszorg was vertraagd en meegezonden rekening over eigen bijdrage thuiszorg betreft ruim dertig weken terwijl dit ruim drie maanden zou moeten zijn; nog geen facturen voor verleende thuiszorg over periode na 4 februari 2001 verzondeng
2003/127Keuringsdienst van Warenbeslissing van de Keuringsdienst n.a.v. verzoekers klacht over rookoverlast nabij foyer LAK-theater in strijd met eerdere beslissingng
  beslissing Keuringsdienst om verzoekers klacht ongegrond te verklaren in strijd met de Tabakswetg
2003/142Zorgkantoor Utrechtgeen uitsluitsel gegeven over wijze van berekening van waskosten door verpleeghuis, ondanks toezeggingen in twee brieveng
2003/158Zorgkantoor Utrechtwijze van informatieverstrekking i.v.m. door verzoeker verschuldigde eigen bijdrage n.a.v. opname in psychiatrisch ziekenhuis: pas ruim vijf maanden nadat eigen bijdrage verschuldigd was hiervan bericht gestuurd, pas vier maanden later betalingsherinne- ring gezonden; verzoeker op onzorgvuldige wijze benaderdng
  formulier voor inkomensonderzoek pas laat verzonden, verzoeker onvoldoende zorgvul- dig geïnformeerdg
2003/238Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sportonzorgvuldige handelwijze van het ministerie bij zijn sollicitatie naar functie van senior financieel adviseur beleidstoetsing: eisen en voorwaarden die aan vervulling van functie zijn verbonden niet voor bekendmaking van vacature vastgelegd, dan wel onvoldoende vastgelegd, medewerkster heeft gezegd dat recente ervaring met overheidsadministratie geen rol had gespeeld bij brievenselectie terwijl andere medewerker heeft aangegeven dat dit criterium wel rol had gespeeld bij beslis- sing om verzoeker niet uit te nodigen voor gesprekg
  sprake van leeftijdsdiscriminatieng
2003/251Zorgverzekeraar ZAOverzoekers brieven niet beantwoord, niet gereageerd op verzoekers klacht hieroverg
2003/261Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheiduitblijven beslissing op verzoeksters bezwaarschrift, klacht hierover gegrond verklaard maar geen maatregelen getroffeng
2003/262Secretariaat van de huurcommissieslate toezending van uitspraak huurcommissieg
2003/331Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheidnog geen beslissing genomen op bezwaarschrift van 27 september 2002g
2003/343Pensioen- en Uitke- ringsraadwijze van behandelen van verzoeksters aanvragen om vergoeding op grond van Wet Buitengewoon Pensioen 1940–1945 en vervolgens de declaraties gedaan op grond van een toekenning van bovengenoemde vergoedingenng
  niet gereageerd op verzoeksters klachtg
2003/345Geové Zorgverzeke- raar Groningenonvoldoende tijdig in kennis gesteld van het feit dat verzoekster als gevolg van een aanpassing van de Ziekenfondswet met ingang van 1 januari 2000 niet meer bij partner medeverzekerd kon zijn, pas kenbaar gemaakt n.a.v. het schonen van het bestand medeverzekerden in de reguliere controlecyclusg
  verzekering beëindigd per 9 oktober 2002 en hiermee niet gewacht tot na de operatie die verzoekster diende te ondergaanng
2003/350Pensioen- en Uitkeringsraadafwijzend gereageerd op verzoek tot nader onderzoek naar besluit tot toekenning van pensioen ingevolge Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 aan persoon van wie volgens verzoeker vrijwel zeker is dat hij niet heeft deelgenomen aan het verzet; beslissing niet of onvoldoende gemotiveerdg
2003/405Stichting Bureau Jeugdzorg Amsterdamgeen inzage gegeven in volledig dossier van verzoeksters dochterg
verzoek om vergoeding van voor dochter betaalde premie particuliere ziektekostenverzekering niet ingewilligd, in brief gesteld dat zij verhinderd was voor een kennisma- kingsgesprek terwijl zij geen uitnodiging daarvoor had ontvangenng
2003/435Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkostenna beëindiging thuiszorg vanwege over- lijden van verzoeksters echtgenoot geen factuur toegezonden voor de door verzoek- ster verschuldigde eigen bijdrageg
2003/452Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkostengeen facturen ontvangen voor verleende thuiszorg aan echtgenoteg,ng
 Trias Zorgverzekeraar #
  meldt in klachtafdoeningsbrief dat CAK-BZ verzoeker op 12 april 2002 een brief heeft gestuurdng
  toezegging dat verzoeker in week van 23 april 2002 een factuur zou ontvangen niet nagekomeng
  niet ingegaan op verzoek tot schadevergoedingg

Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/045Huurcommissie Utrechtgeen beslissing genomen op verzoeken om uitspraak te doen over redelijkheid van verzoeksters voorstellen tot verlaging van de huurprijs en over redelijkheid van de huurprijs, wijze van klachtbehandelingg
2003/092Huurcommissie Rijswijktot juli 2002 nog geen verklaring verstrekt omtrent redelijkheid huurprijs verzoeksters woning n.a.v. haar verzoek van oktober 2001 t.b.v. aanvraag om huursubsidie, meegedeeld dat haar verzoek niet te trace- ren was, en dat opnieuw toegestuurd verzoek niet binnen zes maanden na tot- standkoming huurovereenkomst was inge- diend, zodat toetsingsprocedure art. 17, lid 1 Huurprijzenwet woonruimte niet meer zou worden toegepast, wijze van klachtbehan- delingg
2003/094Huurcommissie Amsterdamlange behandelingsduur van verzoek van 17 januari 2002 tot vaststelling van beta- lingsverplichting over jaar 2000 van de kosten die verhuurder naast kale huur in rekening heeft gebracht en lange behan- delingsduur van klacht hieroverg
2003/115VROM-Inspectiein brief van 18 juli 2001 gestelde «niet privacygevoelige» vragen niet of onvoldoende beantwoordng
2003/118Huurcommissie Leidenlange behandelingsduur van het verzoek van verhuurder om uitspraak te doen over voorgestelde huurverhoging en wijze van klachtbehandelingg
2003/120Huurcommissie Haarlemgeen beslissing genomen op verzoek om uitspraak te doen over redelijkheid van haar voorstel tot verlaging van de huurprijs van haar woning, terwijl zij reeds leges had betaald en wijze van klachtbehandelingg
2003/141Huurcommissie Bredalange behandelingsduur van verzoeken tot vaststelling van betalingsverplichting over 1997 en 1998 van kosten die verhuurder naast kale huur in rekening heeft gebracht, lange behandelingsduur van klacht over voornoemde gang van zaken en over inhoud van rapport van voorbereidend onderzoekg
2003/155Secretariaat van de Huurcommissiesbrieven van verzoeker niet beantwoordg
  klacht over bovenstaande niet afgehandeldg
2003/164Minister van Volks- huisvesting, Ruimte- lijke Ordening en Milieubeheereind juli 2002 nog niet beslist op bezwaarschrift dat verzoeker op 4 april 2001 had ingediend tegen afwijzing van aanvraag om individuele huursubsidieg
2003/165Huurcommissie Amsterdamniet gereageerd op verzoekers brief, niet gereageerd op klacht m.b.t. voorgaandeg
2003/170Huurcommissie Maastrichtverzoek tot het doen van een uitspraak over tijdelijke huurverlaging vanwege ernstige gebreken aan huurwoning zeer traag behandeld, manier waarop klacht hierover is behandeldg
  door trage behandeling verzoek noodgedwongen huurwoning moeten verlatenng
2003/221Secretariaat van de Huurcommissiesadresgegevens foutief overgenomen van aanvraag verklaring huurgegevens huur- subsidie, niet gereageerd op brief, verzoek- ster verweten de aanvraag verkeerd te hebben ingevuld, op ontvangstbevestiging van tweede aanvraag fout gemaakt m.b.t. adres verhuurder, niet inhoudelijk gereageerd op volgende brief, voor tweede keer kennisgeving van onderzoek gestuurd terwijl onderzoek al had plaatsgevonden, ontvangstbevestiging naar oud adres gestuurd, voor derde keer kennisgeving van onderzoek verstuurd, niet inhoudelijk gereageerd op klachtbriefg
2003/229Huurcommissie Den Haagwijze van bejegening tijdens zitting op 21 april 2000: voorzitter sprak verzoekster telkens op denigrerende toon aan met «mevrouwtje, mevrouwtje», voorzitter op geen enkele wijze mogelijkheid geboden om haar standpunt toe te lichten, een van de leden om verzoekster gelacheng
2003/231Ministerie van Volks- huisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheerlid van huurcommissie, die tijdens radiopro- gramma kritiek heeft geuit op functioneren huurcommissie en voorzitter, niet voorgedragen voor ontslag en daarvoor geen motivering aangedragen: geëist dat het betreffende lid weer zou deelnemen aan zittingen, terwijl overige leden te kennen hadden gegeven niet langer met het betref- fende lid te willen samenwerken; juistheid van uitspraken bij radioprogramma niet getoetst en verschenen publicaties n.a.v. deze uitingen ten onrechte als klachten over het functioneren in overweging heeft geno- men bij beoordeling van diens functioneren; functioneren van voorzitter van de huurcommissie onbevoegd beoordeeld; geen nadere informatie verstrekt aan huur- commissies over klachten die ten grondslag hadden gelegen aan zijn negatieve beoor- deling; ten onrechte gesteld dat verzoeker met de voorzitter van de huurcommissie had gemaakt over diens functioneren; tekst van radio-uitzending pas laat aan huurcommissies verstrektng
2003/262Huurcommissie Amsterdamlate uitspraak over voorstel verzoekster tot huurverhoging van de door haar verhuurde woning, bezwaarschrift huurder niet onmid- dellijk niet ontvankelijk verklaard, trage behandeling klacht over gang van zakeng
  huurder aangeraden om bezwaarschrift in te dienengo
2003/276Secretariaat huur- commissie Haarlembrief verzoeker aangemerkt als een verzoek tot het doen van een uitspraak over de rede- lijkheid van de door de verhuurder van verzoekers woning voorgestelde huurverhoging, uit brief secretariaat lijkt te volgen dat op de zitting slechts het verzet- schrift zou worden behandeld terwijl ook uitspraak is gedaan over het onderliggende geschil over de huurprijsverhoging, in brief gesteld dat verzoeker over alle relevante stukken beschikte terwijl bleek dat hij 9 relevante brieven van de verhuurder niet hadg,#
 Huurcommissie Haarlemniet gereageerd op alle onderdelen van verzoekers klachtbrieveng
2003/321Secretariaat van de Huurcommissiesbij registreren van verzoek van 23 mei 2001 tot huurverlaging niet het juiste correspondentieadres van verzoekers gemachtigde geregistreerd, geen beslissing ontvangen op dit verzoek, toezegging van 20 juni 2002 om afschrift van beslissing aan gemachtigde te sturen niet nagekomeng
 Huurcommissie Rotterdamniet inhoudelijk gereageerd op klacht van 2 juli 2002 op bovenstaandeg
2003/332Dienst voor het kadaster en de openbare registersten onrechte verouderde meetgegevens aan verzoeker verstrekt, door deze onjuiste informatieverstrekking teveel betaald voor aangekocht stuk grond, nu het perceel kleiner bleek dan verzoeker op grond van meetgegevens uit 1928 mocht verwachtenng
2003/358Huurcommissie Rotterdamgeen beslissing genomen op verzoek uitspraak te doen over redelijkheid van voorstel tot verhoging van huurprijs van verzoekers woning, wijze van klachtbehandelingg
2003/368Huurcommissie Groningenlange behandelingsduur van verzoeken ter vaststelling van servicekosten die verhuurder in rekening heeft gebracht en niet gereageerd op klachtg
2003/378Minister van Volks- huisvesting, Ruimte- lijke Ordening en Milieubeheer en Minister van Land- bouw, Natuur en Voedselkwaliteitonvoldoende actie ondernomen om de totstandkoming van een Stimulans Duur- zame Landbouw (SDL)-schema voor de veehouderij te realiseren, waardoor het voor verzoeker niet mogelijk is voor een milieu-investeringsaftrek in aanmerking te komenng
2003/408Secretariaat van de huurcommissieste laat gereageerd op drie verzoeken van verzoeker om toezending van stukken; stukken ontvangen na de rechtszitting waardoor hij deze niet heeft kunnen inbrengen en hij schade heeft geledengo
2003/434Huurcommissie Amsterdamlange duur van de behandeling van verzet- schrift tegen beslissing van de huurcommissie, in de afhandeling van de klacht hierover niet aangegeven wanneer verzoeksters verzetschrift wel zou worden behandeldg
2003/440Huurcommissie Utrechtlange behandelingsduur van verzoek om huurverlagingg
  in reactie op klacht van verzoeker hierover meegedeeld dat huurcommissie niet bevoegd is verzoekschrift te behandelen, toezegging om binnen enkele weken uitspraak te doen niet nagekomenng
2003/441Huurcommissie Haarlemlange behandelingsduur van verzoek om uitspraak te doen over redelijkheid van de door verzoeker voorgestelde huurverho- ging, wijze waarop de klacht van verzoeker hierover is behandeldg
2003/464Huurcommissie Amsterdamlange behandelingsduur van verzoekschrift tot verkrijgen van uitspraak op verzoek om huurverlaging en wijze van klachtbehande- lingg
2003/478Huurcommissie Alkmaarnog geen uitspraak gedaan op verzoek van september 2000 over redelijkheid huurprijs woningg
  niet gereageerd op briefng

Waterschappen

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/013Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vechtstelt zich op standpunt dat verzoeker dient te betalen voor het gebruik dat hij maakt van de oppervlakten water die zijn boot en steiger in beslag nemenng
2003/191Waterschap Noorderzijlvest #
zich niet gehouden aan afspraken betreffende het bestrijden van door verzoeker ondervonden wateroverlast: afspraak t.a.v. duiker op perceel van verzoekers buurvrouw niet nagekomen; afspraak om de gemeente Leek schriftelijk te wijzen op de noodzaak van walbeschoeing niet binnen korte termijn nagekomeng
  niet gehouden aan afspraak om bij planning najaarsschouw november 2000 zoveel mogelijk voorrang te verlenen aan sloot Rng
  verzoeker niet (nader) geïnformeerd over uitkomst van procedurego
2003/250Waterschap Wilck en Wiericke, heemraad Xwijze van reageren op verzoekers raad en advies m.b.t. baggerwerkg
 Waterschap Wilck en Wiericke, dagelijks bestuurwijze van klachtafhandelingg
2003/492Waterschap Reest en Wiedenverzoekster als enige van de vijf mede-eigenaren van de desbetreffende percelen aangeschreven over een voorgenomen wijziging van de leggerg,#

Diverse beleidsgebieden

Nr.Gedraging vanKlachtOordeel
2003/325Alle ministeriesonderzoek ingevolge art. 15 Wet Nationale ombudsman naar behandelingsduur van aanvragen, bezwaarschriften, klaagschriften en andere brieven of elektronisch toegezonden berichten van burgers door de mini- steries en hun diensten, alsmede de wijze waarop de ministeries en hun diensten betrokkenen tussentijds informeren indien de afhandeling niet direct mogelijk isg,ng,go,#

BIJLAGE 2

HOOFDSTUK 9 ALGEMENE WET BESTUURSRECHT IN RAPPORTEN VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN

Cumulatief overzicht van rapporten, waarin artikelen uit hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht aan de orde komen.

Artikel 9:1, eerste lid

2001/292; 2002/214; 2002/388; 2003/084; 2003/131; 2003/210; 2003/253; 2003/442; 2003/469; 2003/491

Artikel 9:1, tweede lid

2001/226; 2002/064

Artikel 9:2

2001/357; 2001/393

Artikel 9:4, tweede lid, onder c

2002/026

Artikel 9:5

2000/374; 2002/202; 2002/275; 2002/321; 2002/334; 2002/344; 2003/206

Artikel 9:6

2003/166; 2003/325

Artikel 9:7, eerste lid

2000/374; 2002/118; 2002/151; 2002/175; 2002/408; 2003/166; 2003/206; 2003/423

Artikel 9:8, eerste lid, onderdeel a

2003/422; 2003/467

Artikel 9:8, eerste lid, onderdeel b

2002/271

Artikel 9:8, eerste lid, onderdeel c en d

2002/348; 2002/379; 2002/385; 2003/035; 2003/062; 2003/122; 2003/379; 2003/425

Artikel 9:8, tweede lid

2001/065, 2002/001; 2003/192; 2003/423

Artikel 9:8, derde lid

2002/301; 2003/320; 2003/459

Artikel 9:9

2003/107

Artikel 9:10, eerste lid

1999/258; 2000/002; 2000/344; 2000/374; 2001/106; 2001/373; 2002/009; 2002/026; 2002/036; 2002/111; 2002/116; 2002/142; 2002/184; 2002/214; 2002/321; 2002/364; 2003/014; 2003/082; 2003/107; 2003/131; 2003/188; 2003/213; 2003/246; 2003/472

Artikel 9:10, tweede lid

2003/134; 2003/290

Artikel 9:11, eerste lid

2002/153; 2002/387

Artikel 9:11, tweede lid

2002/387; 2003/012; 2003/325

Artikel 9:12, eerste lid

1999/474; 2000/374; 2001/153; 2001/393; 2002/226; 2002/301; 2002/319; 2003/107; 2003/210; 2003/246; 2003/261; 2003/299; 2003/395; 2003/428

Artikel 9:12, tweede lid

2003/082; 2003/131; 2003/320

Artikel 9:12a

2003/062

Artikel 9:13

2002/046

Artikel 9:14

2002/046; 2002/153

Artikel 9:15, tweede lid

2001/402

Artikel 9:15, vierde lid

2002/126

Artikel 9:16

2002/301

BIJLAGE 3

VERMELDING VAN RAPPORTEN IN VAKBLADEN IN 2003

Overzicht van rapporten die vermeld worden in vakbladen van 1 januari tot en met 31 december 2003. Voor dit overzicht zijn de volgende vakbladen doorgenomen:

AB Rechtspraak Bestuursrecht (AB)

Agrarisch Recht (AR)

Bouwrecht (BR)

Fiscaal up to Date (FUTD)

Infobulletin Belastingdienst (IB)

Jurisprudentie Bestuursrecht (JB)

Jurisprudentie Sociale Voorzieningen (JSV)

Jurisprudentie voor Gemeenten (JG)

Jurisprudentie Vreemdelingenrecht (JV)

Migrantenrecht (MR)

Milieu & Recht (M&R)

Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht (NTFR)

Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtelingenrecht (NAV)

Rechtspraak Sociale Verzekering (RSV)

Rechtspraak Zorgverzekering (RZA)

Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht (TFB)

Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (TvG)

Uitspraken Klachtrecht Cliënten Zorgsector (UKCZ)

Vakstudienieuws (VN)

Verkeersrecht (VR)

Weekblad Fiscaal Recht (WFR)

Extra:

Algemeen Politieblad (APB), 2003, nr. 1

Belastingblad (BB), 2003, nr. 21

Burgerzaken & Recht (B&R), 2003, nr. 2

Medisch Contact (MC), 2003, nr. 9

Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht (NTB), 2003, nr. 10

Politie en openbaar ministerie

2002/369APB 2003–02–26, afl. 1, blz. 16–17

In Delikt en Delinkwent 2003 wordt in afl. 8 (blz. 894–904) een aantal rapporten besproken.

Ministeries

Buitenlandse Zaken

2003/244AB 2003, nr. 386, afl. 39, blz. 1905–1907, met noot (verder m.n.) P. J. Stolk
2003/248NAV 2003, nr. 297, afl. 9, blz. 715–716, m.n. R. Barzilay

Justitie (met uitzondering van politie en openbaar ministerie)

2002/310MR 2003, nr. 8, afl. 1, blz. 23
2002/386JB 2003, nr. 74, afl. 4, blz. 399–407, m.n. E. C. H. J. van der Linden
2002/386JV 2003, nr. 63, afl. 2, blz. 166–172
2002/386NAV 2003, nr. 93, afl. 3, blz. 244–245, m.n. M. van der Heiden
2003/214MR 2003, nr. 62, afl. 8, blz. 291
2003/214NAV 2003, nr. 329, afl. 10, blz. 800, m.n. E. Weijmans
2003/216NAV 2003, nr. 298, afl. 9, blz. 716
2003/385MR 2003, nr. 72, afl. 9/10, blz. 350–351

Buitenlandse Zaken & Justitie

2002/328NAV 2003, nr. 58, afl. 2, blz. 158

Financiën

2001/264BB 2003, nr. 21, blz. 178–182
2002/306JB 2003, nr. 30, afl. 1, blz. 139–142, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2002/306IB 2003, nr. 69, afl. 3, blz. 140
2002/308JB 2003, nr. 31, afl. 1, blz. 142–146, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2002/354VN 2003, nr. 6.24, afl. 6, blz. 73–74, m.n.
2002/377IB 2003, nr. 177, afl. 4, blz. 249–250
2002/380VN 2003, nr. 7.33, afl. 7, blz. 95–96 m.n.
2002/408FUTD 2003, nr. 0072, afl. 2, blz. 18–19
2002/408VN 2003, nr. 10.33, afl. 10, blz. 90–91 m.n.
2003/014FUTD 2003, nr. 0200, afl. 5, blz. 9–10, m.n.
2003/014NTFR 2003, nr. 381, afl. 8, blz. 32–33
2003/014VN 2003, nr. 12.21, afl. 12, blz. 104–106, m.n.
2003/019FUTD 2003, nr. 0316, afl. 7, blz. 13–14
2003/019NTFR 2003, nr. 380, afl. 8, blz. 32
2003/019VN 2003, nr. 11.21, afl. 11, blz. 74–75 m.n.
2003/033FUTD 2003, nr. 0425, afl. 9, blz. 19
2003/033NTFR 2003, nr. 456, afl. 10, blz. 23–24
2003/036NTFR 2003, nr. 466, afl. 10, blz. 33–34
2003/036VN 2003, nr. 15.34, afl. 15, blz. 116–117, m.n.
2003/058NTFR 2003, nr. 596, afl. 14, blz. 19
2003/058VN 2003, nr. 22.30, afl. 22, blz. 104–105, m.n.
2003/061NTFR 2003, nr. 530, afl. 13, blz. 4
2003/061VN 2003, nr. 22.29, afl. 22, blz. 103, m.n.
2003/071FUTD 2003, nr. 0858, afl. 18, blz. 14
2003/071NTFR 2003, nr.805, afl. 19, blz. 24
2003/071VN 2003, nr. 21.22, afl. 21, blz. 76–77, m.n.
2003/091VN 2003, nr. 23.39, afl. 23, blz. 102, m.n.
2003/102FUTD 2003, nr. 0851, afl. 18, blz. 11
2003/102NTFR 2003, nr. 804, afl. 19, blz. 23–24
2003/102VN 2003, nr. 25.21, afl. 25, blz. 78–80, m.n.
2003/109FUTD 2003, nr. 0961, afl. 20, blz. 14
2003/109NTFR 2003, nr. 861, afl. 20, blz. 31–32
2003/109VN 2003, nr. 25.20, afl. 25, blz. 76–78, m.n.
2003/144FUTD 2003, nr. 1031, afl. 22, blz. 9
2003/144VN 2003, nr. 32.30, afl. 32, blz. 102
2003/147VN 2003, nr. 32.31, afl. 32, blz. 102–103, m.n.
2003/243FUTD 2003, nr. 1515, afl. 33, blz. 12
2003/243VN 2003, nr. 38.30, afl. 38, blz. 74–75, m.n.
2003/258FUTD 2003, nr. 1503, afl. 33, blz. 7–8
2003/258NTFR 2003, nr. 1459, afl. 35, blz. 26–27
2003/258VN 2003, nr. 38.29, afl. 38, blz. 72–74 m.n.
2003/270FUTD 2003, nr. 1615, afl. 36, blz. 27
2003/270VN 2003, nr. 48.26, afl. 48, blz. 85–86, m.n.
2003/279FUTD 2003, nr. 1591, afl. 36, blz. 17–18
2003/279NTFR 2003, nr. 1566, afl. 38, blz. 83
2003/279VN 2003, nr. 46.23, afl. 46, blz. 99–100, m.n.
2003/349FUTD 2003, nr. 1910, afl. 42, blz. 19
2003/349NTFR 2003, nr. 1753, afl. 43, blz. 15–16
2003/349VN 2003, nr. 58.25, afl. 58, blz. 108–109, m.n.
2003/369NTFR 2003, nr. 1910, afl. 46, blz. 67
2003/369VN 2003, nr. 58.26, afl. 58, blz. 109, m.n.
2003/371FUTD 2003, nr. 2074, afl. 45, blz. 23
2003/371NTFR 2003, nr. 1903, afl. 46, blz. 50
2003/371VN 2003, nr. 60.34, afl. 60, blz. 101–102
2003/372FUTD 2003, nr. 2092, afl. 45, blz. 29–30
2003/372VN 2003, nr. 60.35, afl. 60, blz. 102–103, m.n.
2003/373FUTD 2003, nr. 2079, afl. 45, blz. 25
2003/373VN 2003, nr. 59.30, afl. 59, blz. 110, m.n.
2003/387FUTD 2003, nr. 2076, afl. 45, blz. 24
2003/387NTFR 2003, nr. 1890, afl. 46, blz. 21
2003/387VN 2003, nr. 60.36, afl. 60, blz. 103–104, m.n.
2003/391FUTD 2003, nr. 2070, afl. 45, blz. 21–22
2003/391NTFR 2003, nr. 1893, afl. 46, blz. 23–24
2003/391VN 2003, nr. 59.31, afl. 59, blz. 111, m.n.
2003/406FUTD 2003, nr. 2173, afl. 47, blz. 18
2003/406VN 2003, nr. 61.26, afl. 61, blz. 99–101, m.n.
2003/407FUTD 2003, nr. 2157, afl. 47, blz. 12

In VN 2003, afl. 1B wordt op blz. 171–173 een overzicht gegeven van in 2002 door de Nationale ombudsman gegeven oordelen t.a.v. de Belastingdienst.

Defensie

2002/410JB 2003, nr. 76, afl. 4, blz. 427–429, m.n. E. C. H. J. van der Linden
2003/207NAV 2003, 261, afl. 8, blz. 639

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

2002/390AB 2003, nr. 55, afl. 7, blz. 264–266, m.n. P. J. Stolk
2002/390JG 2003, nr. 0080, afl. 4, blz. 19–20, m.n. C. M. van der Heijden

Verkeer en Waterstaat

2003/87JB 2003, nr. 181, afl. 9, blz. 940–944, m.n. N. J. A. P. B. Niessen

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2001/234TvG 2003, nr. 21, afl. 2, blz. 149–152
2002/196MC 2003, afl. 9, blz. 356–358
2002/196UKCZ 2003, afl. 4, blz. 17–23
2002/386JB 2003, nr. 74, afl. 4, blz. 399–407, m.n. E. C. H. J. van der Linden
2002/386JV 2003, nr. 63, afl. 2, blz. 166–172

Alle ministeries

2003/325FUTD 2003, nr. 1919, afl. 42, blz. 21–22
2003/325JB 2003, nr. 361, afl. 16, blz. 1645–1661, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2003/325JSV 2003, nr. 219, afl. 16, blz. 863–880
2003/325NTB 2003, afl. 10, blz. 360–361
2003/325VN 2003, nr. 52.33, afl. 52, blz. 113–114, m.n.

Bestuursorganen

Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten

2003/023RZA 2003, nr. 12, afl. 3, blz. 386–392

Centrale organisatie Werk en Inkomen

2002/349JSV 2003, nr. 2, afl. 1, blz. 10–15
2003/100JB 2003, nr. 205, afl. 10, blz. 1043–1048, m.n. N. J. A. P. B. Niessen

Informatie Beheer Groep

2003/348JB 2003, nr. 362, afl. 16, blz. 1661–1663

Sociale Verzekeringsbank

2002/321JSV 2003, nr. 1, afl. 1, blz. 3–10
2002/321RSV 2003, nr. 13, afl. 1, blz. 36–41
2002/391JSV 2003, nr. 21, afl. 3, blz. 92–106
2002/409JSV 2003, nr. 22, afl. 3, blz. 106–118
2003/035RSV 2003, nr. 126, afl. 5, blz. 445–455
2003/039RSV 2003, nr. 127, afl. 5, blz. 455–460

Stichting Het Gebaar

2003/175JB 2003, nr. 252, afl.12, blz. 1211–1213

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

2002/361RSV 2003, nr. 43, afl. 2, blz. 139–148
2002/379JB 2003, nr. 64, afl. 3, blz. 360–362
2002/381JSV 2003, nr. 20, afl. 3, blz. 76–91
2002/381RSV 2003, nr. 44, afl. 2, blz. 148–151
2002/399RSV 2003, nr. 72, afl. 3, blz. 250–251
2003/130RSV 2003, nr. 222, afl. 8, blz. 852–854
2003/168JSV 2003, nr. 170, afl. 13, blz. 692–705
2003/168RSV 2003, nr. 248, afl. 9, blz. 933–943
2003/241JSV 2003, nr. 189, afl. 14, blz. 760–764
2003/254JSV 2003, nr. 190, afl. 14, blz. 764–775

Zorgverzekeraars

2002/375AB 2003, nr. 64, afl. 8, blz. 296–314, m.n. P. J. Stolk
2002/375JB 2003, nr. 75, afl. 4, blz. 407–426
2002/375JSV 2003, nr. 80, afl. 7, blz. 307–337
2002/391JSV 2003, nr. 21, afl. 3, blz. 92–106
2002/404RZA 2003, nr. 110, afl. 3, blz. 370–381
2002/404UKCZ 2003, afl. 5/6, blz. 34–41, m.n.
2002/405RZA 2003, nr. 111, afl. 3, blz. 381–386
2003/030RZA 2003, nr. 113, afl. 3, blz. 392–396
2003/261RZA 2003, nr. 241, afl. 6, blz. 817–820

Gemeenten

2002/147B&R 2003, afl. 2, blz. 57–59, m.n. J. C. Tomson
2002/245JG 2003, nr. 0037, afl. 2, blz. 20–21, m.n. C. M. van der Heijden
2002/249JG 2003, nr. 0038, afl. 2, blz. 21–22, m.n. C. M. van der Heijden
2002/261JG 2003, nr. 0039, afl. 2, blz. 22–23, m.n. C. M. van der Heijden
2002/317JSV 2003, nr. 137, afl. 11, blz. 540–547
2002/327JB 2003, nr. 43, afl. 2, blz. 225–231, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2002/348JB 2003, nr. 63, afl. 3, blz. 354–360, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2002/404JSV 2003, nr. 124, afl. 10, blz. 484–494
2003/021JG 2003, nr. 0100, afl. 5, blz. 18–19, m.n. C. M. van der Heijden
2003/030JSV 2003, nr. 125, afl. 10, blz. 494–498
2003/030RZA 2003, nr. 113, afl. 3, blz. 392–396
2003/037JG 2003, nr. 0185, afl. 10, blz. 19–20, m.n. C. M. van der Heijden
2003/037JSV 2003, nr. 93, afl. 8, blz. 372–375
2003/060JG 2003, nr. 0119, afl. 6, blz. 23–24, m.n. C. M. van der Heijden
2003/062AB 2003, nr. 271, afl. 29, blz. 1302–1308, m.n. P. J. Stolk
2003/063JG 2003, nr. 0120, afl. 6, blz. 24–25, m.n. C. M. van der Heijden
2003/084JG 2003, nr. 0186, afl. 10, blz. 20–21, m.n. C. M. van der Heijden
2003/106JG 2003, nr. 0187, afl. 10, blz. 21–22, m.n. C. M. van der Heijden
2003/121JG 2003, nr. 0188, afl. 10, blz. 22–23, m.n. C. M. van der Heijden
2003/122JB 2003, nr. 222, afl. 11, blz. 1098–1102, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2003/122JG 2003, nr. 0216, afl. 11/12, blz. 25–26
2003/122JSV 2003, nr. 138, afl. 11, blz. 547–570
2003/123JSV 2003, nr. 139, afl. 11, blz. 570–573
2003/124JG 2003, nr. 0127, afl. 11/12, blz. 26–27, m.n. C. M. van der Heijden
2003/213JB 2003, nr. 281, afl. 13, blz. 1331–1336, m.n. N. J. A. P. B. Niessen
2003/227AB 2003, nr. 471, afl. 48, blz. 2374–2388, m.n. P. J. Stolk
2003/227JB 2003, nr. 306, afl. 14, blz. 1455–1471, m.n. N. J. A. P. B. Niessen

BIJLAGE 4

DE BEOORDELINGSCRITERIA

In § 3.6 wordt verwezen naar het stelsel van beoordelingscriteria dat de Nationale ombudsman heeft ontwikkeld ter nadere uitwerking van de behoorlijkheidsnorm van artikel 26, eerste lid van de Wet Nationale ombudsman. De lijst met beoordelingscriteria en de totstandkoming ervan zijn toegelicht in Jaarverslag 1988 (blz. 68–70). Op de lijst, die begin 1996 enigszins is bijgesteld (zie Jaarverslag 1995, blz. 73–74), staan de volgende criteria.

LIJST VAN BEOORDELINGSCRITERIA

1. Overeenstemming met algemeen verbindende voorschriften (d.w.z. alle algemeen werkende regels niet zijnde beleidsregels of andere interne instructies):

a) mensenrechten/grondrechten:

aa) in de grondwet vastgelegd

ab) in internationale verdragen vastgelegd

b) bevoegdheidsvoorschriften

c) vorm- en procedurevoorschriften (behoudens de hierna te noemen Awb-voorschriften)

id)nhoudelijke voorschriften

2. Geen misbruik van bevoegdheid (het zogenoemde verbod van détournement de pouvoir; zie art. 3:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb))

3. Belangenafweging/redelijkheid

3.1 t.a.v. besluiten (d.w.z. alles wat niet feitelijk handelen is):

a) belangenafweging (zie art. 3:4, eerste lid Awb)

b) evenredigheid (zie art. 3:4, tweede lid Awb)

3.2 t.a.v. feitelijk handelen: evenredigheid/proportionaliteit

4. Rechtszekerheid/vertrouwen

a) honoreren van gedane toezeggingen

b) honoreren van gewekte gerechtvaardigde verwachtingen/vertrouwen

c) rechtszekerheid anderszins

d) actief gevolg geven aan rechterlijke beslissingen (zie bijvoorbeeld daartoe strekkende bepalingen in hoofdstuk 8 Awb)

5. Gelijkheid (voorzover niet vallend onder 1a)

6. Motivering (juistheid, toereikendheid en kenbaarheid; zie onder meer artt. 3:27, 3:46 – 3:50, 4:82, 7:12, 7:26 Awb)

7. Zorgvuldigheid

A. t.a.v. de procesgang:

7.1 voortvarendheid

a) o.g.v. wettelijk of intern termijnvoorschrift (zie onder meer artt. 4:13, 4:14, 7:10, 7:24 Awb)

b) anderszins (bijvoorbeeld redelijke termijn/tijdig herstel gesignaleerde fout)

7.2 administratieve nauwkeurigheid

7.3 actieve/adequate informatieverstrekking

a) behandelingsbericht (zie onder meer artt. 3:17 tweede lid, 6:14 eerste lid Awb)

b) tussenbericht (zie onder meer art. 7:24 zesde lid Awb)

c) tijdige mededeling van besluit tot niet (inhoudelijke) beantwoording

d) informatieverstrekking over rechten/plichten van de burger (zie onder meer artt. 3:41 – 3:45 Awb)

e) informatieverstrekking anderszins (bijvoorbeeld onjuiste informatie/ geen antwoord op gestelde vraag; zie onder meer artt. 7:4, 7:9 Awb)

7.4 actieve opstelling

a) horen (zie onder meer art. 7:2 Awb)

b) actieve informatieverwerving anderszins (bijvoorbeeld toereikend onderzoek; zie onder meer artt. 3:2, 3:9 Awb)

c) vastlegging verkregen informatie (zie onder meer art. 7:7 Awb)

d) hoor en wederhoor

B. t.a.v. aanwezigheid voorzieningen op het vlak van de organisatie:

7.5 voorzieningen ten behoeve van registratie:

a) ontvangst-/verblijfsregistratie

b) voortgangsbewaking

7.6 voorzieningen ten behoeve van coördinatie/afstemming

7.7 voorzieningen ter bescherming van de privacy

7.8 voorzieningen ter bevordering onpartijdigheid

7.9 voorzieningen ter bevordering hulpvaardigheid t.o.v. burgers

7.10 toegankelijkheid

fa) ysieke toegankelijkheid

b) telefonische bereikbaarheid

7.11 adequate verblijfs- en bewaaromstandigheden

C. t.a.v. houding/gedrag actor(es):

7.12 correcte bejegening:

a) betonen van respect voor de menselijke waardigheid/integriteit van de burger (in het algemeen)

b) betrachten van wat in het algemeen vanuit overwegingen van fatsoen mag worden verlangd (voorzover niet vallend onder één van de andere subcriteria van 7)

c) achterwege laten van onbetamelijke opmerkingen (bijvoorbeeld discriminerende opmerkingen/uitschelden)

d)tonen van de vereiste zelfbeheersing/sociale vaardigheden/professionaliteit

7.13 respecteren privacy (voorzover niet vallend onder 1a: grondrechten; zie onder meer ook art. 2:5 Awb)

7.14 onbevooroordeeldheid (zie ook art. 2:4 Awb)

7.15 open oog voor positie/belangen van burgers/inlevingsvermogen/ actieve en hulpvaardige opstelling

7.16 goed vervullen van zorgplicht t.a.v. aan bestuursorganen toevertrouwde belangen

8. Overige eisen van behoorlijkheid

BIJLAGE 5

BESTUURSORGANEN BINNEN DE BEVOEGDHEID VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN

Artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman bepaalt welke bestuursorganen vallen binnen de bevoegdheid van de Nationale ombudsman. Dat laatste kan op drie wijzen gebeuren:

1. Door rechtstreekse en specifieke aanwijzing in de Wet Nationale ombudsman (art. 1a, eerste lid, onderdelen a, c en d).

Het betreft hier:

– de ministers (en daarmee de ministeries en al hun dienstonderdelen, waar ook in het land werkzaam);

– de bestuursorganen met een taak op het terrein van de politie en met betrekking tot buitengewoon opsporingsambtenaren.

2. Door rechtstreekse, maar niet specifieke aanwijzing in de Wet Nationale ombudsman (art. 1a, eerste lid, onderdeel e).

Het betreft hier in hoofdzaak de categorie van andere bestuursorganen (dat wil zeggen bestuursorganen die niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan een minister), alsmede de bestuursorganen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Vóór de wijziging van de Wet Nationale ombudsman van 30 juni 1998 werden de zelfstandige bestuursorganen enumeratief aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. Na deze wijziging is er sprake van een algemene aanwijzing direct in de wet zelf, met dien verstande dat:

A. bij algemene maatregel van bestuur daar een uitzondering op kan worden gemaakt. Dat is gebeurd voor bepaalde taken van de Nederlandse Omroep Stichting, De Nederlandsche Bank N.V., de Pensioen- en Verzekeringskamer en de Stichting toezicht effectenverkeer (sinds 1 maart 2002: Stichting Autoriteit Financiële Markten).

B. tot 30 juni 2003 voor de met een * aangegeven, met onderwijs en onderzoek belaste bestuursorganen op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de specifieke aanwijzing, bij algemene maatregel van bestuur, is gehandhaafd.

3. Door aanwijzing, op verzoek, van bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen (art. 1a, eerste lid, onderdeel b), bij ministerieel besluit (als bedoeld in art. 1b, eerste lid; vóór de wijziging van de Wet Nationale ombudsman van 30 juni 1998 gebeurde deze aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur).

Aldus zijn aangewezen de bestuursorganen van:

per 1 januari 1994: de waterschappen, op verzoek van de Unie van Waterschappen;

per 1 juli 1996: de provincies, op verzoek van het Interprovinciaal Overleg;

per 1 juli 1996: de gemeenten Apeldoorn, Enschede, Katwijk, Oegstgeest, Roermond, Voorschoten en Weert;

per 1 november 1997: Beverwijk, Brummen, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heusden, Leiderdorp, Nijkerk (in verband met herindeling tot 1 januari 2001), Noordwijk, Ruurlo, Steenwijk (in verband met herindeling tot 1 januari 2001) en Venlo (in verband met herindeling tot 1 januari 2001);

per 12 juni 1998: Gorinchem en Losser;

per 1 juli 1998: Breda en Schijndel;

per 1 januari 1999: Beemster, Bernheze, Dantumadeel, Duiven, Ermelo, Ferwerderadiel, Gaasterlân-Sleat, Harenkarspel, Langedijk, Lemsterland, Lisse, Middelharnis, Moerdijk, Reeuwijk, Voorst;

per 1 februari 1999: Nijmegen;

per 1 januari 2000: Baarle-Nassau, Bergh, Blaricum, Boskoop, Brunssum, Bunschoten, Diemen, Dordrecht, Geertruidenberg, Groenlo, Haarlem, Leidschendam (in verband met herindeling tot 1 januari 2002), Leusden, Nederlek, Nieuwegein, Nijkerk (na herindeling), Noordwijkerhout, Ridderkerk, Rijnsburg, Sassenheim, Ten Boer, Tiel, Veendam, Woudenberg en Woudrichem;

per 1 januari 2001: Alkmaar, Amersfoort, Appingedam, Bennebroek, Bergeijk, Bergen (L), Bloemendaal, Castricum (in verband met herindeling tot 1 januari 2002), Didam, Dirksland, Epe, Franekeradeel, Gennep, Hendrik-Ido-Ambacht, Kampen, Kollumerland en Nieuwkruisland, Leeuwarden, Lochem, Menaldumadeel, Nijefurd, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Purmerend, Rijswijk, Scherpenzeel, Schoonhoven, Sint Michielsgestel, Sliedrecht, Sneek, Steenbergen, Steenwijk (na herindeling; vanaf 1 januari 2003: Steenwijkerland), Tytsjerksteradiel, Veldhoven, Venlo (na herindeling), Vught, Wageningen, Wateringen (in verband met herindeling tot 1 januari 2004), Winterswijk, Wûnseradiel, Wymbritseradiel, Zwijndrecht (in verband met herindeling tot 1 januari 2003);

per 1 januari 2002: Aalsmeer, Aalten, Achtkarspelen, Alblasserdam, Alphen-Chaam, Ambt Montfort, Arcen en Velden, Baarn, Beesel, Bellingwedde, Bemmel (vanaf 1 januari 2003: Lingewaard), Bergambacht, Boarnsterhim, Bodegraven, Breukelen, Brielle, Castricum (na herindeling), De Lier (in verband met herindeling tot 1 januari 2004), De Marne, De Ronde Venen, Den Helder, Doetinchem, Dongen, Dongeradeel, Doorn, Drimmelen, Dronten, Echt (in verband met herindeling tot 1 januari 2003), Edam-Volendam, Eemsmond, Eibergen, Etten-Leur, Gendringen, Graafstroom, Graft-De Rijp, Gulpen-Wittem, Hattem, Heerde, Heerenveen, Helden, Hellendoorn, Horst aan de Maas, Hummelo en Keppel, IJsselstein, Laren, Lelystad, Lith, Littenseradiel, Loenen, Lopik, Maarn, Maarssen, Maasbracht, Maasbree, Maasdonk, Maasland (in verband met herindeling tot 1 januari 2004), Meijel, Nederweert, Noordoostpolder, Ooststellingwerf, Opsterland, Overbetuwe, Renkum, Renswoude, Roerdalen, Scheemda, Schiermonnikoog, Schipluiden (in verband met herindeling tot 1 januari 2004), Smallingerland, Swalmen, Terschelling, Uitgeest, Uithoorn, Urk, Valkenburg (Z-H), Veenendaal, Veghel, Velsen, Vianen, Vlagtwedde, Vlieland, Vlist, Wehl, Weststellingwerf, Winschoten, Winsum, Zaltbommel, Zandvoort, Zeevang, Zevenhuizen-Moerkapelle en Zundert;

per 1 januari 2003: Arnhem, Bolsward, Borculo, Bussum, Dinxperlo, Echt-Susteren (na herindeling), Emmen, Gouda, Heiloo, Landerd, Leidschendam-Voorburg (na herindeling), Moordrecht, Muiden, Naarden, Neede, Oostflakkee, Ouderkerk aan den IJssel, Pekela, Tilburg, Tubbergen, Venray en Zwijndrecht (na herindeling);

per 1 januari 2004: Ameland, Amstelveen, Barneveld, Bernisse, Bergen (N-H), Boxmeer, Landgraaf, Meerlo-Wanssum, Papendrecht, Vaals, Waalwijk, Wassenaar, Wormerland en Zijpe;

daarnaast zal in de loop van het eerste kwartaal van 2004 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 worden aangewezen de nieuwe gemeente Midden-Delfland, ontstaan uit de herindeling van de voorheen aangewezen gemeenten Maasland en Schipluiden;

per 1 januari 2001: de gemeenschappelijke regeling Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4;

per 1 januari 2002: het Recreatieschap Voorne-Putten-Rozenburg, het (Natuur- en) Recreatieschap Haringvliet, het Recreatieschap Rottemeren, het Recreatieschap Midden-Delfland, het (Natuur- en) Recreatieschap Krimpenerwaard en het Havenschap Delfzijl/Eemshaven;

per 1 januari 2003: het Instituut Zorgverzekeraar Ambtenaren (IZA), Intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Midden-Holland, Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Goeree-Overflakkee, Interprovinciale ziektekostenregeling (IZR), Natuur- & Recreatieschap Reeuwijkse Plassen en omgeving, Recreatieschap Hiltlandbos, Regio Parkstad Limburg, Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost/Vijfheerenlanden, ReinUnie, Wegschap Tunnel Dordtse Kil en Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg; in de loop van het eerste kwartaal van 2004 zal de gemeenschappelijke regeling Gewest Eemland met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 eveneens worden aangewezen.

4. Andere bestuursorganen

De hiervoor genoemde wijziging van de Wet Nationale ombudsman, per 30 juni 1998, betekent dat de Nationale ombudsman zelf dient te besluiten of hij een bepaalde instantie aanmerkt als een bestuursorgaan, dit tot het moment dat er eventueel op dit terrein een algemene regeling tot stand komt. Vooralsnog kan aanknoping worden gevonden bij de enumeratieve lijst van het hiervoor genoemde aanwijzingsbesluit zoals dat van kracht was tot de wijziging van de Wet Nationale ombudsman van 30 juni 1998.

Voorbeelden van bestuursorganen die niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan een minister:

A. op het terrein van het Ministerie van Justitie

– Raden voor rechtsbijstand

– Commissie tot beheer van het schadefonds geweldsmisdrijven

– Centraal orgaan opvang asielzoekers

– Nederlandse orde van advocaten en Orden van advocaten in de arrondissementen

– Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)

– Klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie

– College bescherming persoonsgegevens

– Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie

– College van toezicht auteurs- en naburige rechten

B. op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

– Kiesraad

– Nederlands Instituut voor brandweer en rampenbestrijding

– Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie (LSOP)

– Kapittel der Militaire Willems-Orde

– Hoge Raad van Adel

C. op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(zie voor de betekenis van * hiervoor onder 2B.)

– de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen*

– de Open Universiteit*

– de openbare universiteiten*

– de Koninklijke Bibliotheek*

– de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO*

– de Centrale commissie vaststelling examenopgaven en beoordelingsnormen*

– het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie*

– de Nederlandse organisatie voor het wetenschappelijk onderzoek*

– Informatie Beheer-Groep

– Commissariaat voor de Media

– Nederlandse Omroep Stichting, voor zover belast met programmacoördinatie en zendtijdindeling

– Rechtspersonen als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (met name de fondsen op de verschillende terreinen van cultuur)

– Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic)

D. op het terrein van het Ministerie van Financiën

– De Nederlandsche Bank N.V., met uitzondering van bepaalde taken

– Pensioen- en Verzekeringskamer, met uitzondering van bepaalde taken

– Stichting Autoriteit Financiële Markten

– Stichting Maror-gelden overheid

– Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

E. op het terrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

– Huurcommissies

– Stichting Bureau Architectenregister (SBA)

– KIWA N.V.

– Dienst voor het kadaster en de openbare registers

– Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen

F. op het terrein van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat

– Dienst wegverkeer (RDW)

– Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

– Houders van een erkenning voor de periodieke keuring van motorrijtuigen, aanhangwagens en opleggers (zgn. APK-keuringsstations)

– Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO)

– Stichting Inschrijving Eigen Vervoer (SIEV)

– Stichting Innovam, opleidingsinstituut voor het motorvoertuig-, tweewieler- en aanverwant bedrijf

– Commissie van beroep als bedoeld in artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993

– Instellingen belast met de afgifte van vaarbewijzen en met het afnemen van examens voor het vaarbewijs (waaronder de ANWB)

– Raad voor de Transportveiligheid

– Luchtverkeersleiding Nederland

– Commissie Milieuhygiëne Luchtvaartterrein Eelde

G. op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken

– Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten

– Examenbureau van de Nederlandse Orde van Accountants-administratieconsulenten

– Kamers van Koophandel en Fabrieken

– Nederlands Meetinstituut B.V. (NMi B.V.)

– Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIvRA)

– Stichting Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf Nederland

– Waarborg Platina, Goud en Zilver N.V.

– Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit (OPTA)

H. op het terrein van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

– Landinrichtingscommissies en Centrale Landinrichtingscommissies

– Grondkamers

– Commissie Beheer Landbouwgronden

– de openbare landbouwhogescholen

– Staatsbosbeheer

– Stichting Fonds MKZ-AI

I. op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

– Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

– Centrale organisatie werk en inkomen (CWI)

– Sociale verzekeringsbank (SVB)

J. op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

– College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG)

– College van Toezicht op de Zorgverzekeringen (CTZ)

– College Tarieven Gezondheidszorg (COTG)

– Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

– Stichting Het Gebaar

– Raad voor de Overgangsregeling Gezondheidszorgpsychologen

– Commissie van Beroep inzake de Overgangsregeling Gezondheidszorgpsychologen

BIJLAGE 6

ARTIKEL 78a VAN DE GRONDWET

Hoofdstuk 4. Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman en vaste colleges van advies

(...)

Artikel 78a

1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.

2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de Nationale ombudsman.

4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale ombudsman ook andere taken worden opgedragen.

(...)

(Het opschrift van hoofdstuk 4 is gewijzigd, en artikel 78a is ingevoegd, bij de wet van 25 februari 1999, Stb. 133, in werking getreden op 25 maart 1999.)

BIJLAGE 7

WET NATIONALE OMBUDSMAN

7.1 Wet Nationale ombudsman

Wet van 4 februari 1981, Stb 35, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 januari 2002, Stb. 53.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er behoefte bestaat aan een bijzondere voorziening tot onderzoek van de wijze waarop de overheid zich in een bepaalde aangelegenheid jegens de burger heeft gedragen en dat het in verband hiermede wenselijk is over te gaan tot de instelling van het ambt van Nationale ombudsman en tot wijziging van een aantal wetten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WET NATIONALE OMBUDSMAN

BEGRIPSBEPALINGEN EN TOEPASSINGSBEREIK

Artikel 1

Deze wet verstaat onder:

a. ombudsman: de Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2;

b. ambtenaar: een ambtenaar, een gewezen ambtenaar, een persoon met wie door een bestuursorgaan een arbeidsovereenkomst is gesloten naar burgerlijk recht, ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een dienstplichtig militair, ook na het einde van de dienstplicht, alsmede andere personen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, ook na het beëindigen van de werkzaamheden.

Artikel 1a

1. Deze wet is van toepassing op de gedragingen van de volgende bestuursorganen:

a. Onze Ministers;

b. bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen, die overeenkomstig artikel 1b zijn aangewezen;

c. bestuursorganen aan welke bij of krachtens wettelijk voorschrift een taak met betrekking tot de politie is opgedragen, voor zover het de uitoefening van die taak betreft;

d. bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen voor zover het de gedragingen van voor hen werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren betreft;

e. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

2. [Vervallen per 30 juni 2003]

3. In afwijking van het eerste lid is deze wet niet van toepassing op gedragingen van de Commissie gelijke behandeling, bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling.

4. Een gedraging van een ambtenaar, verricht in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een gedraging van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is.

Artikel 1b

1. Bij ministerieel besluit worden de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen aangewezen, waarop deze wet van toepassing is.

2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken op verzoek van het bestuur van de desbetreffende provincie, gemeente, gemeenschappelijke regeling of het desbetreffende waterschap. Op verzoek van of namens de provincies onderscheidenlijk de waterschappen geschiedt de aanwijzing van de provincies onderscheidenlijk de waterschappen gezamenlijk.

3. Het verzoek om aanwijzing wordt voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanwijzing in moet gaan bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken ingediend. Onze Minister van Binnenlandse Zaken bevestigt onverwijld de ontvangst van het verzoek.

4. De aanwijzing van de daarvoor in aanmerking komende bestuursorganen geschiedt telkens met ingang van 1 januari van het desbetreffende jaar. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan in afwijking van de eerste volzin de aanwijzing van bestuursorganen op een ander tijdstip doen ingaan, indien omstandigheden van dringende aard daartoe nopen. Het aanwijzingsbesluit wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

5. De aanwijzing geschiedt voor een periode van vier jaar. Deze periode wordt telkens met twee jaar verlengd, tenzij het bestuur van de desbetreffende provincie, gemeente, gemeenschappelijke regeling of het desbetreffende waterschap voor 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de verlenging plaats zal vinden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken heeft verzocht de aanwijzing te beëindigen. Onze Minister van Binnenlandse Zaken bevestigt onverwijld de ontvangst van het verzoek. Van de beëindiging van de aanwijzing wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 1c

1. De rechtspersoon waartoe het ingevolge artikel 1b aangewezen bestuursorgaan behoort, is een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken vast te stellen vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan het beschikbaar stellen van de klachtvoorziening bij de Nationale ombudsman aan het desbetreffende bestuursorgaan.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

a. de berekening van de te betalen vergoeding;

b. de wijze van betaling van de verschuldigde vergoeding;

c. het tijdstip waarop de verschuldigde vergoeding dient te zijn voldaan.

HOOFDSTUK I. DE NATIONALE OMBUDSMAN

Artikel 2

1. Er is een Nationale ombudsman.

2. De ombudsman wordt benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij de benoeming slaat de Tweede Kamer zodanig acht op een aanbeveling, daartoe in gezamenlijk overleg opgemaakt door de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad der Nederlanden en de president van de Algemene Rekenkamer en bevattende de namen van ten minste drie personen, als zij zal dienstig oordelen.

3. De benoeming geschiedt voor de duur van zes jaren.

4. Indien de Tweede Kamer voornemens is de ombudsman opnieuw te benoemen, kan zij bepalen dat het tweede lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft.

5. Indien blijkt dat de Tweede Kamer niet tijdig tot de benoeming van een nieuwe ombudsman zal kunnen komen, voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in de waarneming van het ambt van ombudsman. Artikel 10, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

1. De Tweede Kamer ontslaat de ombudsman met ingang van de eerstvolgende maand na die waarin hij de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt.

2. De Tweede Kamer ontslaat de ombudsman voorts:

a. op zijn verzoek;

b. wanneer hij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;

c. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking bij deze wet onverenigbaar verklaard met het ambt van ombudsman;

d. bij het verlies van het Nederlanderschap;

e. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

f. wanneer hij ingevolge onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;

g. wanneer hij naar het oordeel van de Tweede Kamer door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen.

Artikel 4

1. De Tweede Kamer stelt de ombudsman op non-activiteit ingeval:

a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;

b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

2. De Tweede Kamer kan de ombudsman op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 3, tweede lid onder b, zouden kunnen leiden.

3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, eindigt de non-activiteit na drie maanden. De Tweede Kamer kan de maatregel echter telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.

4. De Tweede Kamer beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen.

5. De Tweede Kamer kan bij de beslissing waarbij de ombudsman op non-activiteit wordt gesteld, bepalen dat tijdens de duur van de non-activiteit geen salaris of slechts een gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden genoten.

6. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd, kan de Tweede Kamer beslissen, dat het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden uitbetaald.

Artikel 5

1. De ombudsman kan niet bekleden:

a. het lidmaatschap van publiekrechtelijke colleges waarvoor de keuze geschiedt bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;

b. een openbare betrekking waaraan een vaste beloning of toelage is verbonden;

c. het lidmaatschap van vaste colleges van advies en bijstand aan de Regering;

d. het beroep of ambt van advocaat, procureur of notaris.

2. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

Artikel 6

De bepalingen van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zijn van overeenkomstige toepassing op de ombudsman, met dien verstande dat deze wordt gelijkgesteld met een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, doch de verrekening van de inkomsten plaatsvindt overeenkomstig artikel 9 van die wet.

Artikel 7

Wij regelen bij algemene maatregel van bestuur de aanspraken in geval van ziekte, alsmede de overige rechten en verplichtingen van de ombudsman die deel uitmaken van zijn rechtspositie, voor zover niet bij de wet geregeld.

Artikel 8

Alvorens zijn ambt te aanvaarden legt de ombudsman in de handen van de Voorzitter der Tweede Kamer af:

a. de eed of verklaring en belofte dat hij tot het verkrijgen van zijn benoeming rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of onder welk voorwendsel ook, aan iemand iets heeft gegeven of beloofd, alsmede dat hij om iets in zijn ambt te doen of te laten rechtstreeks noch middellijk van iemand enig geschenk of enige belofte heeft aangenomen of zal aannemen;

b. de eed of belofte van trouw aan de Grondwet.

Artikel 9

1. De Tweede Kamer benoemt op verzoek van de ombudsman zo nodig een of meer personen tot substituut-ombudsman. De ombudsman maakt daartoe een aanbeveling op, die de namen van ten minste drie personen bevat.

2. De benoeming van een substituut-ombudsman geschiedt voor de duur van de ambtstermijn van de ombudsman op wiens verzoek hij is benoemd. De Tweede Kamer kan op voordracht van de nieuwe ombudsman de ambtstermijn van een substituut-ombudsman verlengen voor de duur van ten hoogste zes maanden.

3. Indien de Tweede Kamer voornemens is een substituut-ombudsman opnieuw te benoemen, kan zij bepalen dat het eerste lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft.

4. De artikelen 3 tot en met 8, 18 tot en met 24 en 27, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een substituut-ombudsman.

5. De ombudsman regelt de werkzaamheden van een substituut-ombudsman.

6. De ombudsman kan bepalen dat de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 25, 26, 27, eerste tot en met vierde lid, en 28, derde lid, tevens worden uitgeoefend door een substituut-ombudsman. De ombudsman kan voor de uitoefening van die bevoegdheden richtlijnen vaststellen.

Artikel 10

1. De ombudsman regelt zijn vervanging door een substituut-ombudsman, voor het geval dat hij tijdelijk niet in staat is zijn ambt te vervullen.

2. Indien geen substituut-ombudsman aanwezig of beschikbaar is, voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in de vervanging van de ombudsman. In dat geval eindigt de vervanging wanneer de ombudsman weer in staat is zijn ambt te vervullen of, indien de ombudsman op non-activiteit is gesteld, op het tijdstip dat de non-activiteit eindigt.

3. Indien de ombudsman overlijdt of ingevolge artikel 3 wordt ontslagen, blijven de substituut-ombudsmannen, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, eerste volzin, in functie tot het tijdstip waarop een nieuwe ombudsman in functie is getreden. De Tweede Kamer voorziet in dat geval zo spoedig mogelijk in de waarneming van het ambt van ombudsman door een substituut-ombudsman.

4. Indien geen substituut-ombudsman aanwezig of beschikbaar is, voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in de waarneming van het ambt van ombudsman.

5. De waarneming eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop een nieuwe ombudsman in functie is getreden.

6. Op degene die krachtens het tweede of het vierde lid de ombudsman vervangt of het ambt van ombudsman waarneemt, zijn de artikelen 2, tweede lid, tweede volzin, derde en vierde lid, 3, eerste lid, 6 en 9 van deze wet niet van toepassing.

7. Indien de in het zesde lid bedoelde vervanger respectievelijk waarnemer een betrekking of lidmaatschap als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen b en c, bekleedt of gaat bekleden, is hij voor de duur van de vervanging respectievelijk de waarneming in die betrekking of dat lidmaatschap van rechtswege op non-activiteit gesteld.

Artikel 11

1. Te zijner ondersteuning beschikt de ombudsman over een bureau.

2. De tot het bureau behorende personen worden door Ons op voordracht van de ombudsman benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.

3. Wij bepalen in welke gevallen tot het bureau behorende personen door de ombudsman worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.

HOOFDSTUK II. HET ONDERZOEK

Artikel 12

1. Een ieder heeft het recht de ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon heeft gedragen, tenzij sedertdien meer dan een jaar is verstreken. Indien binnen een jaar nadat de gedraging plaatsvond die gedraging aan het oordeel van een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening aan het oordeel van een andere instantie is onderworpen, eindigt de termijn een jaar na de datum waarop in die procedure een uitspraak is gedaan waartegen geen beroep meer openstaat, of de procedure op een andere wijze is geëindigd.

2. De verzoeker dient alvorens het verzoek te doen, over de gedraging een klacht in bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Indien de klacht binnen een jaar nadat de gedraging plaatsvond is ingediend, eindigt de in het eerste lid bedoelde termijn een jaar na de kennisgeving door het bestuursorgaan van de bevindingen van het onderzoek.

3. Het verzoekschrift dient te bevatten:

a. de naam en het adres van de verzoeker;

b. zo duidelijk mogelijk, een omschrijving van de gedraging waarop het verzoekschrift betrekking heeft en mededeling wie zich aldus heeft gedragen en jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;

c. de grieven met betrekking tot de gedraging;

d. de wijze waarop een klacht is ingediend en zo mogelijk de bevindingen van het onderzoek naar de klacht door het betrokken bestuursorgaan.

4. Indien het verzoekschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, kan de Nationale ombudsman besluiten het verzoekschrift niet in behandeling te nemen, mits de verzoeker de gelegenheid heeft gehad binnen een door de ombudsman gestelde termijn het verzoekschrift met een vertaling aan te vullen.

5. Tenzij artikel 16 van toepassing is, is de ombudsman bevoegd en, tenzij artikel 14 van toepassing is, ook verplicht aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid gevolg te geven.

Artikel 13

Indien naar het oordeel van de ombudsman ten aanzien van de in het verzoekschrift bedoelde gedraging voor de verzoeker een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat, verwijst hij hem onverwijld naar de bevoegde instantie en draagt hij het verzoekschrift, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, aan die instantie over. Voor de toepassing van de regeling waarop de openstaande voorziening berust, wordt het verzoekschrift beschouwd als te voldoen aan de in die regeling voorkomende bepalingen met betrekking tot de wijze van indiening en adressering en wordt voorts het tijdstip, waarop het verzoekschrift door de ombudsman is ontvangen, beschouwd als het tijdstip waarop de zaak bij de in die regeling bedoelde instantie aanhangig is gemaakt. Deze instantie stelt de verzoeker in de gelegenheid, binnen dertig dagen nadat zij hiervan mededeling heeft gedaan, zijn verzoekschrift overeenkomstig de voor die voorziening geldende regels aan te vullen of te wijzigen en voor zover nodig het voor behandeling verschuldigde recht te voldoen.

Artikel 14

De ombudsman is niet verplicht een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, in te stellen of voort te zetten, indien:

a. het verzoekschrift te laat is ingediend of niet voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 12, derde en vierde lid;

b. het verzoek kennelijk ongegrond is;

c. het belang van de verzoeker of het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;

d. de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;

e. een verzoekschrift, dezelfde gedraging betreffende, bij hem, dan wel bij een tot de behandeling van verzoekschriften bevoegde commissie uit de Eerste of Tweede Kamer of uit de verenigde vergadering der Staten-Generaal, in behandeling is of – behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden – door hem is afgedaan of daarover door de betrokken commissie haar conclusie op een verzoekschrift aan de Eerste of Tweede Kamer dan wel de verenigde vergadering der Staten-Generaal is voorgesteld;

f. een verzoekschrift, dezelfde gedraging betreffende, ingevolge een wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie in behandeling is of daardoor is afgedaan;

g. ten aanzien van de gedraging voor de verzoeker een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt;

h. ten aanzien van de gedraging anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan;

i. niet is voldaan aan het vereiste van artikel 12, tweede lid, tenzij van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de behandeling van de klacht door het bestuursorgaan verder afwacht;

j. en zolang ten aanzien van een gedraging van het bestuursorgaan die nauw samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening bij een andere instantie;

k. en zolang het verzoekschrift betrekking heeft op een gedraging die nauw samenhangt met een onderwerp, waaromtrent anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is.

Artikel 15

Tenzij artikel 16 van toepassing is, is de ombudsman bevoegd uit eigen beweging een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen.

Artikel 16

De ombudsman is niet bevoegd een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 15 in te stellen of voort te zetten:

a. indien de aangelegenheid behoort tot het algemeen regeringsbeleid, daaronder begrepen het algemeen beleid ter handhaving van de rechtsorde, of tot het algemeen beleid van het betrokken bestuursorgaan;

b. betreffende algemeen verbindende voorschriften;

c. zolang ten aanzien van de gedraging een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat, tenzij artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, of ingevolge een zodanige voorziening een procedure aanhangig is;

d. zolang ten aanzien van de gedraging anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is, dan wel beroep openstaat tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan;

e. indien ten aanzien van de gedraging ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan;

f. in aangelegenheden betreffende belastingen en andere heffingen, indien ten aanzien van de gedraging een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening heeft opengestaan;

g. ten aanzien van gedragingen waarop de rechterlijke macht toeziet.

Artikel 17

1. Indien de ombudsman op grond van artikel 14 of artikel 16 geen gevolg geeft aan een verzoek tot het instellen van een onderzoek, dan wel het onderzoek niet voortzet, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan de verzoeker onder vermelding van de redenen. In het geval dat hij een onderzoek niet voortzet doet hij de hiervoor bedoelde mededeling tevens aan het betrokken bestuursorgaan en, in voorkomend geval, aan de betrokken ambtenaar. Met het oog op het bepaalde in het derde lid neemt hij daarbij artikel 19, vierde lid, laatste volzin, van deze wet en het bepaalde in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, in acht.

2. Indien de ombudsman op grond van artikel 14, onderdeel i, geen gevolg geeft aan een verzoek tot onderzoek, dan wel het onderzoek niet voortzet, wijst hij verzoeker tevens op de mogelijkheid het betrokken bestuursorgaan, de betrokken instelling of dienst die, of het betrokken bedrijf dat onder verantwoordelijkheid van dat orgaan werkzaam is, dan wel de betrokken ambtenaar, alsnog van zijn grieven met betrekking tot de gedraging in kennis te stellen en in de gelegenheid te stellen zijn of haar zienswijze daarop te geven.

3. De ombudsman geeft aan een ieder die daarom verzoekt, afschrift of uittreksel van de mededeling, bedoeld in het eerste lid. Met betrekking tot de daarvoor in rekening te brengen vergoedingen en met betrekking tot de kosteloze verstrekking is het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

1. De ombudsman stelt het bestuursorgaan en degene, op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, alsmede in het geval, bedoeld in artikel 12, eerste lid, de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk dan wel mondeling en al dan niet in elkaars tegenwoordigheid – een en ander ter beoordeling van de ombudsman – hun standpunt toe te lichten.

2. De betrokkenen kunnen zich doen vertegenwoordigen of doen bijstaan door een raadsman. De ombudsman kan weigeren bepaalde personen die van het verlenen van rechtsgeleerde hulp hun beroep maken en niet advocaat of procureur zijn, als vertegenwoordiger toe te laten.

Artikel 19

1. Het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, getuigen en de verzoeker verstrekken de ombudsman de inlichtingen die deze ten behoeve van een onderzoek behoeft en zijn op een daartoe strekkend verzoek verplicht daartoe voor hem te verschijnen. Gelijke verplichtingen rusten op ieder college, met dien verstande dat het college bepaalt wie zijner leden aan de verplichtingen zal voldoen, tenzij de ombudsman één of meer bepaalde leden aanwijst. Betrokkenen kunnen zich doen bijstaan door een raadsman.

2. De verplichting om voor de ombudsman te verschijnen geldt niet voor Onze Ministers. Wanneer een minister zelf niet verschijnt, laat hij zich vertegenwoordigen.

3. Inlichtingen die betrekking hebben op het beleid, gevoerd onder de verantwoordelijkheid van een minister of een ander bestuursorgaan kan de ombudsman bij de daarbij betrokken ambtenaren slechts inwinnen door tussenkomst van de minister onderscheidenlijk dat orgaan.

4. De ingevolge het eerste lid opgeroepen personen kunnen zich van het verstrekken van inlichtingen verschonen wegens ambts- of beroepsgeheim, doch alleen voor zover betreft hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Ambtenaren kunnen zich slechts met verwijzing naar de hun ingevolge de Ambtenarenwet onderscheidenlijk de Militaire Ambtenarenwet 1931 en de Politiewet 1993 opgelegde geheimhoudingsplicht verschonen voor zover het verstrekken van de verlangde inlichtingen in strijd is met enige andere wettelijke bepaling tot geheimhouding of met het belang van de Staat. De ombudsman kan ter staving van het beroep op het verschoningsrecht overlegging vragen van een bijzondere schriftelijke last van het orgaan, welks tussenkomst voor het verstrekken van inlichtingen in het derde lid is voorgeschreven. Dit orgaan kan bepalen, dat de geheimhoudingsplicht slechts wordt opgeheven met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen aan de ombudsman onder de voorwaarde dat het geheime karakter daarvan wordt gehandhaafd.

5. Het orgaan door welks tussenkomst de inlichtingen worden ingewonnen, kan zich bij het horen van de ambtenaren doen vertegenwoordigen.

Artikel 20

1. De ombudsman is bevoegd ten dienste van het onderzoek werkzaamheden aan deskundigen op te dragen. Hij is voorts bevoegd in het belang van het onderzoek deskundigen en tolken op te roepen. Zij die als deskundige of als tolk zijn opgeroepen, zijn verplicht voor de ombudsman te verschijnen en hun diensten als zodanig te verlenen.

2. Op deskundigen, tevens ambtenaren, zijn het derde, vierde en vijfde lid van artikel 19 van overeenkomstige toepassing.

3. De tolken en deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun ter zake van hun dienstverlening ter kennis komt.

Artikel 21

1. Oproepingen ingevolge de artikelen 19 en 20 geschieden bij aangetekende brief.

2. De ombudsman kan bevelen, dat personen die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hem worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.

Artikel 22

1. De ombudsman kan bevelen, dat getuigen niet zullen worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van eed of belofte.

2. Zij leggen in dat geval in handen van de ombudsman de eed of belofte af; indien zij worden gehoord als getuige: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid; de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwgezetheid zullen vervullen.

3. De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.

Artikel 23

1. De ingevolge deze wet opgeroepenen ontvangen desverlangd voor reis- en verblijfkosten alsmede wegens tijdverzuim en daarmede verband houdende noodzakelijke kosten, vergoeding uit 's Rijks kas overeenkomstig het bij en krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.

2. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald, ontvangen de in het eerste lid bedoelde personen die in openbare dienst zijn geen vergoeding als bedoeld in het eerste lid, indien zij zijn opgeroepen in verband met hun taak als zodanig.

3. De ombudsman begroot de ingevolge dit artikel verschuldigde vergoeding.

Artikel 24

1. Aan de ombudsman worden op diens schriftelijk verzoek ten behoeve van een onderzoek bescheiden, gebezigd bij de vervulling van de overheidstaak in de aangelegenheid waarop het onderzoek betrekking heeft, al dan niet in afschrift, overgelegd. Artikel 19, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. De ombudsman kan, voor zover dit naar zijn oordeel ten behoeve van het onderzoek is vereist, zonder toestemming, met uitzondering van woningen, alle plaatsen betreden waar het bestuursorgaan, wiens gedraging onderzocht wordt, zijn taak verricht. Voor het betreden van woningen is toestemming van de bewoner vereist.

3. Onze Ministers kunnen aan de ombudsman het betreden van bepaalde plaatsen verbieden, indien dit naar hun oordeel de veiligheid van de staat zou schaden.

Artikel 25

1. De ombudsman deelt, alvorens het onderzoek te beëindigen, zijn bevindingen schriftelijk mede aan het betrokken bestuursorgaan en, in voorkomend geval, aan de ambtenaar wiens gedraging voorwerp van onderzoek is geweest, alsmede, in het in artikel 12, eerste lid, bedoelde geval aan de verzoeker.

2. De ombudsman stelt het bestuursorgaan, de ambtenaar en de verzoeker in de gelegenheid zich binnen een door hem te stellen termijn omtrent de bevindingen te uiten.

Artikel 26

1. De ombudsman beoordeelt of het bestuursorgaan zich in de door hem onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen.

2. Indien ten aanzien van de gedraging waarop het onderzoek van de ombudsman betrekking heeft anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan, neemt de ombudsman de rechtsgronden waarop die uitspraak steunt of mede steunt, in acht.

Artikel 27

1. Wanneer een onderzoek is afgesloten, stelt de ombudsman een rapport op, waarin hij zijn bevindingen en zijn oordeel weergeeft. Met het oog op het bepaalde in het vierde lid neemt hij daarbij artikel 19, vierde lid, laatste volzin van deze wet en het bepaalde in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, in acht.

2. De ombudsman zendt zijn rapport aan het betrokken bestuursorgaan en, in voorkomend geval, aan de ambtenaar wiens gedraging voorwerp van onderzoek is geweest. Indien het onderzoek berustte op een verzoekschrift als bedoeld in artikel 12, zendt hij zijn rapport tevens aan de verzoeker.

3. Zo hij daartoe aanleiding ziet, kan de ombudsman aan het betrokken orgaan zijn zienswijze over eventueel te nemen maatregelen bekendmaken.

4. De ombudsman geeft aan een ieder die daarom verzoekt afschrift of uittreksel van een rapport als bedoeld in het eerste lid. Met betrekking tot de daarvoor in rekening te brengen vergoedingen en met betrekking tot kosteloze verstrekking is het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing. Tevens legt hij een zodanig rapport ter inzage op een door hem daarvoor aan te wijzen plaats.

5. Voor het overige is de ombudsman verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem bij de uitoefening van zijn taak is bekend geworden, voor zover dat uit de aard der zaak volgt.

Artikel 28

1. De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de beide Kamers der Staten-Generaal en aan Onze Ministers. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de ombudsman bij het verslag gegevens kan voegen, slechts ter vertrouwelijke kennisneming door de leden van de Staten-Generaal en Onze Ministers.

2. Hij draagt er zorg voor dat het verslag openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.

3. De ombudsman kan ook dadelijk na het afsluiten van een onderzoek de beide Kamers der Staten-Generaal inlichten omtrent zijn bevindingen en oordeel, zo dikwijls hij de eerdere kennisneming daarvan voor de Kamers van belang acht of één der Kamers dit verzoekt.

HOOFDSTUK III. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 29

De voordrachten voor door Ons te nemen besluiten ter uitvoering van deze wet worden gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 30

Artikel 12 vindt geen toepassing ten aanzien van gedragingen van de bij ministerieel besluit aangewezen bestuursorganen, bedoeld in artikel 1b, die hebben plaatsgevonden voordat dat besluit in werking is getreden.

Artikel 30a

Tot een jaar na inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder e, dan wel na de beëindiging van een aanwijzing als bedoeld in artikel 1b kan met betrekking tot een gedraging van het desbetreffende bestuursorgaan die heeft plaatsgevonden:

a. voordat het desbetreffende bestuursorgaan is uitgezonderd bij een besluit als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder e, dan wel

b. voordat de aanwijzing van het desbetreffende bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1b is beëindigd, een verzoekschrift als bedoeld in artikel 12 bij de Nationale ombudsman worden ingediend.

Artikel 31

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Nationale ombudsman.

(Artt. II t/m XV: wijziging van diverse wetten en een bepaling over de inwerkingtreding; hier niet opgenomen.)

7.2 Besluit bestuursorganen WNo en Wob

Besluit van 11 september 1998, Stb. 580, houdende uitzondering respectievelijk aanwijzing van bestuursorganen als bedoeld in de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur (Besluit bestuursorganen WNo en Wob), zoals gewijzigd bij besluit van 21 december 2000, Stb. 632.

Artikel 1

Als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn uitgezonderd:

a. de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 16 van de Mediawet, voor zover belast met andere werkzaamheden dan welke voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met de coördinatie van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben gekregen voor de landelijke omroep, onderscheidenlijk met het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor de landelijke omroep;

b. De Nederlandsche Bank NV, voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met haar taken op grond van artikel 26 van de Bankwet 1998 vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Bankwet 1998 tot 1 januari 1999 respectievelijk de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998 in de periode vanaf 1 januari 1999, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998;

c. de Verzekeringskamer, voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Pensioen- en Spaarfondsenwet, de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling en de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds;

d. de Stichting toezicht effectenverkeer, voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Artikel 2

[Hier niet opgenomen, omdat dit artikel zijn betekenis heeft verloren als gevolg van het vervallen van artikel 1a, tweede lid, WNo per 30 juni 2003]

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van de uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst [14 oktober 1998] en werkt terug tot en met 30 juni 1998.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bestuursorganen WNo en Wob.

7.3 Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman

Besluit van 4 september 1998, Stb. 547, houdende regels over de vergoedingen die verschuldigd zijn terzake van door de Nationale ombudsman ontvangen klachten (Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman), zoals gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. rechtspersoon: rechtspersoon waartoe het ingevolge artikel 1b van de wet aangewezen bestuursorgaan behoort;

c. verzoekschrift: schriftelijk verzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet;

d. wet: Wet Nationale ombudsman.

Artikel 2

1. De rechtspersoon is per verzoekschrift dat door de Nationale ombudsman wordt ontvangen over gedragingen van een bestuursorgaan dat tot die rechtspersoon behoort, een vergoeding verschuldigd ter grootte van € 874,89 [ten aanzien van verzoekschriften die zijn ontvangen in de periode 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003: € 991 (aanpassing bij besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 oktober 2003, Stcrt. 199)];

2. In afwijking van het eerste lid kan bij ministerieel besluit ten aanzien van de rechtspersoon worden bepaald dat een per verzoekschrift gedifferentieerde vergoeding is verschuldigd, te weten:

a. een vergoeding ter grootte van € 2 717,24 [ten aanzien van verzoekschriften die zijn ontvangen in de periode 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003: € 3 076 (aanpassing bij besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 oktober 2003, Stcrt. 199)] indien het een verzoekschrift betreft dat leidt tot een onderzoek als bedoeld in artikel 12 van de wet, en

b. een vergoeding ter grootte van € 184,23 [ten aanzien van verzoekschriften die zijn ontvangen in de periode 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003: € 209 (aanpassing bij besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 oktober 2003, Stcrt. 199)] in de overige gevallen.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid bepaalt Onze Minister, de Nationale ombudsman gehoord, in het geval dat twee of meer verzoekschriften dezelfde gedraging betreffen, dat eenmaal de voor een dergelijk verzoekschrift geldende vergoeding is verschuldigd.

Artikel 3

1. Het ministerieel besluit, bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt gegeven op verzoek van de desbetreffende rechtspersoon.

2. Het in het eerste lid bedoelde ministeriële besluit heeft een geldigheidsduur van twee jaar. Deze geldigheidsduur wordt telkenmale met een periode van twee jaar verlengd, tenzij de desbetreffende rechtspersoon voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de verlenging plaats zal vinden, aan Onze Minister heeft verzocht de toepassing van artikel 2, tweede lid, ten aanzien van hem te beëindigen.

3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan het bestuursorgaan van de rechtspersoon ingevolge artikel 1b van de wet is aangewezen, bij Onze Minister ingediend.

4. Indien het in het eerste lid bedoelde verzoek niet voor de in het derde lid bedoelde datum wordt gedaan, kan dat verzoek iedere periode van twee jaar na die datum worden ingediend, uiterlijk voor 1 december van het jaar waarin een periode van twee jaar eindigt. De toepassing van artikel 2, tweede lid, vindt dan plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het einde van de periode van twee jaar.

Artikel 4

1. De vergoeding, bedoeld in artikel 2, dient jaarlijks achteraf en uiterlijk op 30 november van het desbetreffende kalenderjaar te zijn voldaan aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Onze Minister stelt jaarlijks vast hoeveel de rechtspersoon in het totaal aan vergoedingen is verschuldigd, gerekend over de periode 1 september van het voorafgaande jaar tot en met 31 augustus van het desbetreffende jaar. Deze vaststelling geschiedt terstond na de laatstgenoemde datum.

Artikel 5

1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in artikel 2, aangepast overeenkomstig het door het Centraal Bureau voor de Statistiek in het kader van de Nationale Rekeningen vastgestelde prijsindexcijfer van de consumptie van de overheid van de activiteit algemeen bestuur, volgens de jaar-op-jaarmethode.

2. De in het eerste lid bedoelde aanpassing vindt voor het eerst plaats in het jaar 2000 ten aanzien van de verzoekschriften die zijn ontvangen in de periode 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000, op basis van het in dat lid bedoelde prijsindexcijfer 1999 ten opzichte van 1998. Vervolgens vindt ieder jaar de aanpassing op overeenkomstige wijze plaats.

Artikel 6

[Overgangsbepaling.]

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst [23 september 1998] en werkt terug tot en met 30 juni 1998.

Artikel 8

Dit besluit kan worden aangehaald als Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman.

BIJLAGE 8

KLACHTREGELING BUREAU NATIONALE OMBUDSMAN

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de Nationale ombudsman zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of haar heeft gedragen, een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.

2. Een gedraging van een persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de Nationale ombudsman, wordt aangemerkt als een gedraging van de Nationale ombudsman.

3. Een klager en een beklaagde kunnen zich ter behartiging van hun belangen in de klachtprocedure laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De Nationale ombudsman kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

4. De Nationale ombudsman kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. Die persoon en degene voor wie hij optreedt worden van de weigering onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.

5. Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten en procureurs.

6. Onder klacht wordt niet verstaan:

– een grief over een beslissing, door of namens de Nationale ombudsman genomen over zijn bevoegdheid om een verzoekschrift in behandeling te nemen, of over de ontvankelijkheid van een verzoeker;

– een grief over een onderzoeksbeslissing van de Nationale ombudsman of over een oordeel van de Nationale ombudsman over de behoorlijkheid van een gedraging.

Artikel 2

De Nationale ombudsman draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen.

HOOFDSTUK 2 DE BEHANDELING VAN KLAAGSCHRIFTEN

Artikel 3

1. Indien een schriftelijke klacht betrekking heeft op een gedraging jegens klager en voldoet aan de vereisten van het tweede lid, zijn de artikelen 4 tot en met 12 van toepassing.

2. Het klaagschrift bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht.

3. Indien het klaagschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het klaagschrift noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

Artikel 4

1. Zodra de Nationale ombudsman naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, vervalt de verplichting tot het verder toepassen van dit hoofdstuk.

2. Het naar tevredenheid van de klager tegemoetkomen aan een schriftelijke klacht wordt schriftelijk bevestigd door de Nationale ombudsman.

Artikel 5

1. De Nationale ombudsman bevestigt de ontvangst van het klaagschrift binnen twee weken na ontvangst.

2. De ontvangstbevestiging bevat in ieder geval de volgende gegevens:

a) de datum waarop de klacht is ontvangen;

b) de termijn waarbinnen de klacht zal worden afgehandeld;

c) de naam en het telefoonnummer van de klachtbehandelaar;

d) de procedure van hoor en wederhoor;

e) de mogelijkheid om de tekst van de klachtregeling op te vragen of via internet te lezen.

Artikel 6

1. De behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van de Nationale ombudsman zelf.

Artikel 7

1. De Nationale ombudsman is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:

a) waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 4 en volgende is behandeld;

b) die langer dan een jaar voor de indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;

c) waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden;

d) waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld;

e) die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,

f) zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.

2. De Nationale ombudsman is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 8

Aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft wordt een afschrift van het klaagschrift alsmede van de daarbij meegezonden stukken toegezonden.

Artikel 9

1. De Nationale ombudsman stelt de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in de gelegenheid te worden gehoord. In overleg met betrokkene kan het horen telefonisch plaatsvinden.

2. Van het horen van de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien betrokkenen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

3. Van het horen wordt een verslag gemaakt.

Artikel 10

1. De Nationale ombudsman handelt de klacht af binnen zes weken of indien Hoofdstuk 3 van toepassing is – binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift.

2. De Nationale ombudsman kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.

Artikel 11

De Nationale ombudsman stelt de klager en de beklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel daarover alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 12

De Nationale ombudsman draagt zorg voor de registratie van de bij hem ingediende schriftelijke klachten. De geregistreerde klachten worden jaarlijks gepubliceerd.

HOOFDSTUK 3 AANVULLENDE BEPALINGEN VOOR EEN KLACHTADVIESPROCEDURE

Artikel 13

De in dit hoofdstuk geregelde procedure voor de behandeling van klachten wordt in aanvulling op hoofdstuk 2 gevolgd indien dat bij besluit door de Nationale ombudsman is bepaald.

Artikel 14

1. Bij besluit van de Nationale ombudsman wordt een persoon of commissie belast met de behandeling van en de advisering over klachten.

2. De Nationale ombudsman kan de persoon of commissie slechts in het algemeen instructies geven.

Artikel 15

1. Bij het bericht van ontvangst, bedoeld in artikel 5, wordt vermeld dat een persoon of commissie over de klacht zal adviseren.

2. Het horen geschiedt door de in artikel 13 bedoelde persoon of commissie. Indien een commissie is ingesteld, kan deze het horen opdragen aan de voorzitter of een lid van de commissie.

3. De persoon of commissie beslist over de toepassing van artikel 9, tweede lid.

4. De persoon of commissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van een advies en eventuele aanbevelingen, aan de Nationale ombudsman. Het rapport bevat een verslag van het horen.

Artikel 16

Indien de conclusies van de Nationale ombudsman afwijken van het advies, wordt in de conclusies de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de kennisgeving bedoeld in artikel 11.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

De regeling wordt op verzoek aan belangstellenden ter beschikking gesteld.

Artikel 18

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag volgend op de dag waarop de Nationale ombudsman de regeling heeft ondertekend.

w.g. Mr. R. Fernhout

Den Haag, 30 december 2003

Naar boven