Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129453 nr. 195

29 453 Woningcorporaties

Nr. 195 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2011

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft mij gevraagd om een reactie op de berichtgeving over de verkoop van de ss Rotterdam en daarbij te betrekken mijn visie over de taakopvatting van woningcorporaties.

Uit de door woningcorporatie Woonbron verstrekte informatie blijkt dat de ss Rotterdam in het eerste jaar van exploitatie minder opbrengsten genereert dan was geraamd. Dit is voor Woonbron aanleiding voor een afwaardering van de waarde van het schip. De per 1 april 2011 aangetreden bestuurder van Woonbron heeft daarbij tevens zijn inzet kenbaar gemaakt om het schip te verkopen.

In de op 16 december 2008 door de toenmalige minister voor WWI verstrekte aanwijzing aan Woonbron is bepaald dat minimaal 80% van (de aandelen in) het schip verkocht moest worden, aangezien de functies op het schip voor dat deel commercieel zijn. Om verkoop mogelijk te maken is in 2009 al een afwaardering gedaan en is tevens gewerkt aan een bestuurlijke ontvlechting van het schip en de corporatie. Uw Kamer is daarover uitvoerig bericht.

Verkoop is en blijft mijn inzet, hetgeen de afgelopen jaren meerdere malen aan de orde is gesteld bij Woonbron. Natuurlijk zoveel als mogelijk met behoud van volkshuisvestelijk vermogen van de corporatie dat in het schip is geïnvesteerd. Nu het schip een jaar in exploitatie is ontstaat een reëel beeld van de waarde van het schip. Ik constateer dat Woonbron de wens deelt om het schip voor een reële waarde te verkopen en actief zal inzetten op verkoop.

In de u onlangs toegestuurde herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting is het werkdomein van woningcorporaties limitatief omschreven. Ten aanzien van commercieel vastgoed mogen corporaties in de toekomst slechts (zonder staatssteun) investeren in kleinschalig commercieel vastgoed met een functie in de wijk, de buurt of het buurtschap en dit vastgoed tevens exploiteren. Dit geldt voor zover de waarde van dit vastgoed een bij Algemene maatregel van bestuur gesteld drempelbedrag niet te boven gaat. Ook aan de financiering van verbindingen zullen grenzen worden gesteld. Terug naar de basis derhalve, waarbij het ontwikkelen door corporaties van vastgoed als de ss Rotterdam niet meer mogelijk zal zijn.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner