Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201029453 nr. 166

29 453 Woningcorporaties

Nr. 166 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 22 juli 2010

De algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie1 heeft op 1 juli 2010 overleg gevoerd met minister Van Middelkoop voor Wonen, Wijken en Integratie over:

  • de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 18 juni 2010 betreft nadere informatie over het staatssteundossier woningcorporaties (29 453, nr. 163).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De fungerend voorzitter van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van Gent

De griffier van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van der Leeden

Voorzitter: Van Gent

Griffier: Van der Leeden

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: De Boer, Van der Burg, Van Gent, Karabulut, Koopmans, Lucassen, Monasch, Ortega-Martijn en Verhoeven,

en minister Van Middelkoop voor Wonen, Wijken en Integratie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet de minister, mijn collega’s en alle andere aanwezigen van harte welkom bij dit overleg van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie over staatssteun aan woningcorporaties.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Het is toeval dat wij net als de vorige keer op de laatste dag voor het reces over dit belangrijke onderwerp spreken.

Europa gaat niet over onze sociale huisvesting. Europa gaat niet over de vraag hoe wij in Nederland met onze woningcorporaties willen zorgen voor goede en betaalbare woningen voor schoonmakers, verpleegkundigen, onze chauffeurs, onze jongeren, ouderen, chronisch zieken en gehandicapten. Europa gaat niet over de maatregelen die wij treffen om wijken fijn, veilig en gemengd te houden en ook niet over de grenzen en regels die wij afspreken voor mensen die in aanmerking willen komen voor sociale huisvesting. Toch wil de minister per 1 oktober aanstaande een besluit van de Europese Commissie in de vorm van een tijdelijke ministeriële regeling invoeren, waarmee Europa die zeggenschap wél dreigt te krijgen. Als het aan Brussel ligt, zijn huishoudens met een jaarinkomen hoger dan € 33.000 straks niet meer welkom bij de corporatie, maar zijn zij overgeleverd aan de koopmarkt. De hypotheek die zij kunnen krijgen, is echter lang niet voldoende om een behoorlijke woning te kunnen kopen. Dat wil de SP-fractie niet. En daarin sta ik als SP-volksvertegenwoordiger gelukkig beslist niet alleen.

De Tweede Kamer heeft de minister in mei gevraagd om het niet te doen en gezegd: praat eens met gemeenten, woningbouwcorporaties en de Woonbond en bekijk wat de gevolgen zullen zijn. Die gevolgen kunnen heel ernstig zijn, zo blijkt ook uit de stapels brieven en de vele e-mails die wij inmiddels hebben ontvangen. Grote groepen mensen – 667.000 huishoudens volgens een onderzoek van Aedes – zullen tussen wal en schip raken. Zij moeten, als deze regeling wordt ingevoerd, «hun hele ruggengraat neerleggen» om te kunnen wonen. 667.000 huishoudens met een modaal inkomen dreigen straks geen betaalbare woning meer te kunnen vinden. Het is volgens alle betrokkenen een onwerkbare regeling met heel veel losse eindjes. De regeling zal onuitgewerkt, gegeven de omstandigheden van versneld of eerder overhaast invoeren, mogelijk dramatische gevolgen hebben voor de woningmarkt.

Wij onderschrijven alle zorgen van huurders, corporaties en gemeenten. De minister schrijft echter als reactie hierop in zijn brief: het is een gegeven, wij moeten het nu eenmaal invoeren, zowel de inkomensgrens van € 33.000 als de datum van 1 oktober. Volgens de minister kan er niet meer over gesproken worden. Ik vraag de minister: is hij roomser dan de paus of doet hij alsof? Sinds wanneer wil de Europese Commissie niet meer met lidstaten spreken? Voor zover ik weet, is er geen oorlog afgekondigd en kan praten dus altijd. Ook de juristen van Allen & Overy zeggen dat er normaliter ruimere aanpassingstermijnen worden gebruikt en niets ons in de weg staat om deze regeling, met mogelijk zeer nadelige gevolgen, niet per 1 oktober in te voeren. Deelt de minister deze mening en kan hij mij vertellen waar de invoeringsdatum van 1 oktober eigenlijk vandaan komt? Daarbij komt dat de kabinetsformatie nog gaande is. Het lijkt mij dat het nieuwe kabinet over zo'n belangrijk onderwerp moet spreken met de nieuwe Kamer. Bovendien is er sprake van een economische crisis. Daarom moeten wij de woningmarkt niet het moeras intrekken, maar die daar juist uithalen.

Ik heb nog een vraag over de inkomensgrens van € 33.000. Waarom is die gesteld zonder dat de consequenties daarvan goed in beeld zijn gebracht? Uit een onderzoek van Aedes blijkt dat 667.000 huishoudens straks een gigantisch groot probleem dreigen te krijgen. Veel jonge mensen, ouderen, maar ook onze verplegers, leraren, agenten en noem maar op, kunnen straks nergens meer terecht. Ik vraag de minister om over deze grens opnieuw te gaan praten met de EU, nadat hijzelf de consequenties daarvan goed in kaart heeft gebracht. In zijn nota naar aanleiding van de schriftelijke vragenronde van de vorige keer schrijft de minister zelf ook dat de EU helemaal niet over de inkomensgrens gaat. EU-Commissaris Andor heeft dit bevestigd. Wij willen dit niet, het is niet goed voor het volk en daarom verzoek ik de minister met klem deze grens niet in te voeren.

Als «Europa» betekent dat het straks voor Kees, Ton, Lies, Ali en Fatima nog moeilijker wordt om een betaalbare en passende woning te vinden in Nederland, als «Europa» armoede betekent voor heel veel mensen die hard hun best doen, dan is het logisch dat mensen zo'n Europa niet willen. Dat geldt ook voor onze bewindspersoon en volksvertegenwoordigers die dat zouden bepleiten. Minister, wees alstublieft niet roomser dan de paus. Ik verzoek u met klem deze regeling niet per 1 oktober in te voeren, eerst de gevolgen daarvan in kaart te brengen, uitstel te vragen bij de Europese Commissie en geen regeling in te voeren voordat wij alles goed hebben uitgezocht en afgedekt. Dat past u als demissionair minister, maar zeker ook als u missionair was geweest. Ik hoop dat u dit uitvoert, want dit is een brede wens van heel veel volksvertegenwoordigers.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. Dank aan de minister voor het uitvoeren van de motie-Jansen, zodat wij nog voor het reces over dit onderwerp kunnen debatteren.

De minister wil vanwege een beschikking van de Europese Commissie vanaf 1 oktober aanstaande 90% van de sociale huurwoningen alleen nog toewijzen aan huishoudens met een inkomen lager dan € 33.000 per jaar. De afgelopen maand is bekend geworden dat mijn fractie voor grootschalige hervormingen op de woningmarkt staat. Integraal, dus aan de koopkant én de huurkant. Beide zitten nu volledig op slot. Ook de positie en de rol van de woningcorporaties mag worden verbeterd. Hun kerntaak moet weer centraal komen te staan. Mijn fractie vindt het percentage sociale woningen in Nederland uitzonderlijk hoog. Het betreft meer dan een derde van alle woningen en 80% van het huursegment. Dit is twee keer zoveel als het Europese gemiddelde van 17%.

Er moet veel veranderen, maar wij zijn tegen de eenzijdige maatregel van de minister. Deze geïsoleerde maatregel is namelijk gewoon een slechte maatregel, want die loopt vooruit op een grondige discussie over de gehele woningmarkt tussen de Kamer en een missionair kabinet. Door de maatregel komt de grote groep middeninkomens in de problemen. De schatting is dat 650.000 huishoudens tussen wal en schip raken. Deze mensen komen niet meer in aanmerking voor een sociale huurwoning met een huur tot € 650, maar zij kunnen ook niet particulier huren omdat die sector op dit moment veel te klein is. De koopmarkt is voor hen niet haalbaar. Zo liggen de feiten. Om die aan te pakken moet er een samenhangend pakket van maatregelen komen. Mijn partij heeft hiertoe in de afgelopen maanden al zeer concrete voorstellen gedaan.

Eigenlijk moest er al op 1 januari 2010 een ministeriële regeling zijn. Voor zover ik weet, heeft de minister niet met Europa gesproken over de beschikking. Klopt dat? Het feit dat er een datum in de regeling staat is ongebruikelijk. Bovendien was de gehanteerde termijn ook nog eens uitermate en ongehoord kort.

De behandeling van Europese beschikkingen verloopt volgens een vaste procedure. Eerst is er de beschikking voor een lidstaat en komen er mogelijk vragen vanuit Europa. Bij onvoldoende antwoord is vervolgens een onderzoeksprocedure mogelijk en dan pas komt er een conclusie met mogelijke sancties. Sinds de beschikking is geen van deze stappen doorlopen: geen vragen, geen onderzoek en de mogelijkheid om met Europa te praten is ruimschoots onvoldoende benut. Daarnaast is er, zoals mevrouw Karabulut al zei, niet gesproken met de woonsector zelf in Nederland. Dat is ook een omissie.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik heb een vraag voor de woordvoerder van de D66-fractie. Hij verwijt de minister dat hij niet genoeg besproken zou hebben – daarop kan de minister straks zelf antwoord geven – maar waarom heeft zijn fractie in de regeling van werkzaamheden geen spoeddebat, of wat voor debat dan ook, aangevraagd om gebruik te maken te maken van de bestaande bezwaartermijn? Dat heeft de D66-fractie allemaal laten lopen, net als een heleboel andere fracties.

De heer Verhoeven (D66): Misschien kan ik het nog even aanvullen. Behalve een visie op de woningmarkt hebben wij ook een visie op de parlementaire democratie. Een van de onderdelen daarvan is dat wij niet voor alles een spoeddebat willen aanvragen. Dat is in ieder geval een antwoord op de vraag van mevrouw Van der Burg. Dit algemeen overleg is ervoor bedoeld om hierover te spreken. Wij zijn nog op tijd. Inhoudelijk kunnen wij dit nog op een goede manier keren.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Er was alle tijd om dit in de regeling van werkzaamheden of via een spoeddebat aan de orde te stellen. Dat heeft de fractie van de heer Verhoeven niet gedaan. Als hij het normaal vindt om het advies van de landsadvocaat volledig terzijde te leggen, dan is hij inderdaad volledig op tijd.

De heer Verhoeven (D66): Dat is een interessante constatering. Het lijkt mij niet nodig dat de fracties van de VVD en D66 gaan zitten hakketakken over de manier waarop wij dit het beste hadden kunnen aanpakken. Wij doen dit op onze manier en jullie doen dat zo dadelijk op jullie manier. Ik wens jullie daarbij veel succes.

Ik was gebleven bij de mogelijkheid om met Europa te praten. Die mogelijkheid is ruimschoots onvoldoende benut. Daarom vraag ik de minister: zal hij dit alsnog doen om de Nederlandse maatstaven en wetgeving in vergelijking met Europa helder te krijgen? Is de minister bereid de Commissie te vragen of de datum van 1 januari 2010 uit de beschikking kan of verder naar achteren kan worden geschoven in verband met de grote praktijkproblemen en de consequenties voor 650.000 huishoudens?

Ik sluit af met een aantal andere vragen. Hoe staat de Europese beschikking in verhouding tot onze nationale Huisvestingswet? In onze wet is namelijk geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor woningtoewijzing. Ook worden zij geacht om in verband daarmee een huisvestigingsverordening op te stellen. Veel gemeenten verbieden corporaties een huur-inkomentabel te hanteren. Graag een reactie op die verhouding.

Dit kabinet heeft ingezet op herbestemming en modernisering van monumenten. Mijn fractie was en is daarvan een groot voorstander. Corporaties hebben daarin een heel belangrijke rol. Door de voorgestelde regelgeving van de minister mogen corporaties niet meer herbestemmen of durven zij dat niet meer. Wat kan de minister daaraan doen? Kan hij ervoor zorgen dat herbestemmen gekwalificeerd wordt als «een dienst van algemeen belang»? Graag een antwoord, maar vooral duidelijkheid over de inzet van de minister om de datum uit de beschikking te krijgen of anders op te schorten tot het moment dat er een missionair kabinet is, met een integrale missie op de woningmarkt.

De heer Monasch (PvdA): Voorzitter. Laat ik met de kern van de zaak beginnen, namelijk de vraag wie zich waarmee hoort te bemoeien. Voor de fractie van de PvdA is de woningmarkt een zaak van nationaal belang, een nationale aangelegenheid. Wij moeten hier de afweging met elkaar maken – liberaal, groen, conservatief, christendemocratisch, populistisch of rood – en die afweging hoort niet in Brussel te worden gemaakt. Dat kunnen wij zelf. Het is een kwestie van soevereiniteit.

Ik kende dit debat uit een vorig politiek leven. Afgelopen zondagavond moest ik mijn zoontje overhoren voor zijn proefwerk geschiedenis over de Franse Revolutie. Het betrof de eed op de kaatsbaan, omdat de koning te centralistisch iets wilde afdwingen. Dit is altijd een van mijn favoriete onderwerpen geweest. Ik weet dat het in christelijke, historische en antirevolutionaire kringen altijd wat discutabel is geweest, al kom ik daar zelf ook uit voort. Toen ik dit dossier afgelopen zondagavond nog eens doorlas, kwam ik vrij snel terug op de overhoring van mijn zoontje. Het is een tamelijk kafkaiaans dossier waarmee wij elkaar jaren hebben beziggehouden. Niets ten nadele van het uitstekende werk van mijn voorgangers, maar als wij hadden besloten om dit met elkaar hier In Nederland uit te vechten, had dit ons heel veel bloed, zweet en tranen, bureaucratische lasten en ander goed werk kunnen schelen. Elke keer keert dezelfde vraag terug. Wij bespreken hier met elkaar de vraag of de regeling in kwestie direct moet worden ingevoerd, of wij nog tijd hebben of dat wij gegeven de politieke omstandigheden andere afwegingsruimte hebben. Dat is de kern. Er zijn heel veel zaken naar voren gebracht, maar die moeten op een ander moment bediscussieerd worden.

Zeker tegen de achtergrond van mijn partij is het goed om aan te stippen dat wij de minister waarderen omdat hij het werk van voormalig minister Van der Laan voor volkshuisvesting heeft voortgezet. Volgens velen is, gelet op de speelruimte op dat moment, het maximale uit de deal gehaald. Ik heb ook met mensen uit de sector gesproken die zeggen dat er knap werk is uitgehaald. Wat dat betreft ook waardering voor de huidige demissionaire minister omdat hij dat zo overeind houdt.

Er zijn in de tussentijd een aantal zaken veranderd. In het kader van die nieuwe ontwikkelingen moeten wij de vraag beoordelen of wij dit besluit op zo'n korte termijn in werking moeten laten treden. Wat zijn deze nieuwe ontwikkelingen? Ten eerste geeft het feit dat de minister demissionair is aan dat wij te maken hebben met een overgangssituatie in de politiek. Het is iedereen opgevallen in de recente campagne dat de woningmarkt daarin een van de meest hardnekkige, meest uitgevochten of niet-uitgevochten, thema's is geweest. Daarom is te voorzien dat een van de taken van een nieuw kabinet zal zijn om met een integrale visie te komen over de herziening van de woningmarkt. Dat is, me dunkt, nogal een politiek feit.

Ten tweede heeft CDA-collega Van Nistelrooij in het Europees Parlement uitstekende vragen gesteld aan EU-Commissaris Andor in Brussel, zoals de vraag waarom de inkomensgrens van € 33.000 geldt. De Commissaris heeft daarop een- en andermaal geantwoord dat die inkomensgrens een kwestie van nationale bevoegdheid is. Hij zei dat het een soevereiniteitskwestie is: een land bepaalt zelf wat de inkomensgrens is. Daar gaat hij niet over. Ik heb nog eens alle notulen erop nagelezen en dit staat er letterlijk.

Ten derde hebben wij in de afgelopen jaren wat ervaring opgedaan met marktwerking. Dat is niet onbelangrijk. Het is niet voor niets dat zelfs de SER dit jaar heeft geconcludeerd dat wij veel zorgvuldiger moeten omgaan met het toelaten van marktwerking op zaken van publiek belang. Ook dat is gebleken na de afspraak met voormalig minister Van der Laan. Let wel: dat was een conclusie van de SER. Zorgvuldigheid, zorgvuldigheid, zorgvuldigheid. Velen waarschuwen ervoor dat de invoeringsdatum zeer nadelig zal zijn voor de bouwproductie. Er zijn velen die ervoor waarschuwen dat er geen nationaal uitvoeringsplan is. Wat zijn de consequenties voor de toegankelijkheid van woningen voor mensen die een laag of een middeninkomen hebben? Ik heb maar even de quickscan op Funda.nl gedaan en gesuggereerd dat ik € 40.000 ter beschikking had en ik mijn huis uit moet, omdat ik op de koopmarkt een huis moet zien te vinden. In Amsterdam en Den Haag krijgt men dan een aantal parkeerboxen aangeboden en in heel de stad ongeveer zes woningen. Voor dat soort zaken zullen zekere andere argumenten zijn, maar als er zoveel vragen zijn moeten wij ons met het SER-advies in de hand terdege afvragen of wij op deze weg moeten verdergaan. Dat zeg ik in het licht van de zorgvuldigheid.

Kortom: hebben wij geen soevereiniteit, zoals de minister in het vorige algemeen overleg heeft gezegd? Nederland is in Europa altijd het braafste jongetje van de klas geweest. Dat hoor je meer en meer. Daarover kunnen deze week de postbodes meepraten. Daarover kunnen ook mensen meepraten in gemeenten met gemeentelijke Wmo-aanbestedingen. Heel veel landen doen het iets rustiger aan en bekijken eerst wat er nationaal afgewogen moet worden. Wij zien ruimte. Zoals expliciet in het SER-rapport staat: wees zorgvuldig bij de introductie van marktwerking bij taken van publiek belang. Of zijn wij bang voor Europa? Zijn wij bang dat Europa over de rivieren heen trekt en ons in gebreke zal stellen, dat Europa doordrukt en wij naar Europa moeten luisteren? Ik zie de koppen al: «Nederland mag van Brussel niet meer bouwen voor lage inkomensgroepen». Als de EU nog verder aan populariteit wil inboeten, moet Europa deze strategie zeker doorzetten.

Kortom: er is voldoende reden om nu niet het besluit te nemen. Sterker nog, daarvoor zijn politieke redenen en er zijn veranderingen in Europa. Wij vertrouwen erop dat de minister inziet welke ruimte er is om invulling te geven aan onze nationale soevereiniteit voor de inrichting van de woningmarkt. Laat dat zijn eed op de kaatsbaan zijn.

De heer Lucassen (PVV): Voorzitter. Het eerste algemeen overleg van deze commissie waaraan ik mag deelnemen, is er direct een over een heel omvangrijk en complex onderwerp. Ik val dus met mijn neus in de boter.

Voor de PVV-fractie is het uitgangspunt heel kort en helder. De PVV is tegen iedere vorm van Europese inmenging in de Nederlandse woningmarkt, temeer omdat door deze vorm van Europese bemoeienis misschien wel 650.000 huishoudens tussen wal en schip dreigen te belanden. De PVV blijft van mening dat de EU zich uitsluitend met economische samenwerking moet bezighouden. Ook dit onzalige plan is weer een voorbeeld van de manier waarop de Europese superstaat probeert om zich telkens meer bevoegdheden toe te eigenen. Voor de PVV is de grens hiervan al lang en ruimschoots bereikt. Daarom vraag ik de minister: hoe voorkomt de regering dat wij zelfs de zeggenschap over ons eigen huurbeleid moeten afstaan aan de Europese Unie?

Administratieve chaos, verwarring bij woningzoekenden en het ineenstorten van nieuwbouwproductie. Dit zijn slechts enkele van de alarmerende signalen die ons bereiken van verschillende betrokken partijen, terwijl wij juist in deze tijd gebaat zijn bij rust op de woningmarkt. De minister heeft al aangegeven dat de voorgenomen maatregelen een toename zullen veroorzaken op het vlak van administratieve lasten en regeldruk, terwijl wij die regeldruk juist met allerlei beleidsmaatregelen proberen te verminderen. Kan de minister daarom aangeven welk bedrag is gemoeid met deze toename van de administratie lasten en wie de rekening daarvan gepresenteerd krijgt?

De minister lijkt in het geheel niet onder de indruk van de bezwaren van een overgrote meerderheid in de Kamer en houdt vast aan de invoering van de voorgestelde regeling. Een regeling die niet alleen ingrijpende gevolgen heeft voor de positie van de middeninkomens op de huurmarkt, maar ook rampzalige gevolgen kan hebben voor de investeringen in de bouwsector. Die sector is door toedoen van de crisis al volledig ingestort en vertoont nog steeds geen tekenen van een gezond herstel. Dat weten wij allemaal. Daarom vraag ik de minister: hoe groot is de schade voor de bouwsector als deze regeling wordt ingevoerd?

Een zeer kwetsbare grote groep dreigt de dupe te worden van het zoveelste staaltje van Europese regeldrift waaraan onze regering zich schijnbaar slaafs wil conformeren. Jonge gezinnen, vaak met kinderen, dreigen in de toekomst geen passende huisvesting meer te kunnen vinden.

De heer Verhoeven (D66): Aan de ene kant toont mijn collega van de PVV zijn bezorgdheid over bepaalde groepen die niet aan de bak komen op de woningmarkt, zoals die 650.000 mensen en de jonge gezinnen die hij terecht noemt, terwijl hij aan de andere kant zegt dat er rust – oftewel stilstand – en geen verandering nodig is op de woningmarkt. Juist dat is de reden dat die mensen problemen hebben. Kan mijn collega uitleggen wat hij wil doen om die problemen weg te nemen?

De heer Lucassen (PVV): De PVV is van mening dat deze maatregelen in ieder geval niet zullen helpen om ervoor te zorgen dat de kwetsbare groepen beschermd worden op de huurmarkt. Dit is voor ons absoluut geen oplossing.

De heer Verhoeven (D66): Ik probeer het nog een keer. Ik wil graag een maatregel horen waarvan de PVV wél voorstander is. De PVV is over het algemeen heel duidelijk over datgene waarvan zij geen voorstander is.

De heer Lucassen (PVV): Ik kan het nogmaals heel duidelijk herhalen: wij zijn een heel groot voorstander van het weren van Europese inmenging in dit soort regelgeving voor onze huurmarkt. Er is al aangegeven dat in een nieuw kabinet een nieuwe visie wordt opgesteld over de huurmarkt. Ook daarin zal men heel snel een luid en duidelijk PVV-geluid horen.

De heer Koopmans (CDA): Het lijkt er een beetje op dat de PVV tegen slecht weer is. Dat zijn wij ook, wij hebben het ook het liefst altijd heel goed weer. Het gaat om de vraag of je met elkaar wilt nadenken over welk antwoord je geeft op de principiële problematiek die speelt, los van of Europa zich er wel of niet mee bemoeit, namelijk de bestaande problemen en de interactie tussen hetgeen wij collectief en particulier doen in dit land. Daarop zou ook de heer Lucassen een antwoord moeten geven, even los van Europa.

De heer Lucassen (PVV): Uiteraard zullen wij daarover een mening vormen. Wij spreken nu echter over de Europese inmenging in onze huurmarkt. Daaraan willen wij absoluut een einde maken. Dit plan moet sowieso niet doorgezet worden, want hiermee zijn de desbetreffende groepen absoluut niet geholpen.

Een ander aspect van deze plannen is het effect daarvan op de bevolkingsopbouw in de wijken. Door de invoering van deze maatregelen wordt de steeds eenzijdiger samenstelling van wijken en buurten eigenlijk in de hand gewerkt. Dat terwijl deze minister vanochtend in Trouw zichzelf probeerde te profileren met zijn wijkenaanpak. Is de minister het met ons eens dat hij met invoeren van deze maatregelen zichzelf eigenlijk in de voet schiet? Terwijl zelfs voormalig minister Van der Laan, van de PvdA nota bene, zich strijdbaar toonde ten opzichte van Europa door de uitvoering van de Rotterdamwet te verdedigen, speelt minister Van Middelkoop het braafste jongetje van de klas en trekt hij een streep door dit belangrijke middel om een beetje sturing te geven aan de samenstelling van de wijken. Kan de minister uiteenzetten hoe de effecten van deze maatregelen zich verhouden tot de beoogde effecten van de Rotterdamwet?

Terwijl de Europese Commissie zelf nog worstelt met de invulling van het beleid op het vlak van staatssteun, maakt deze minister als lid van een demissionair kabinet alleen maar haast met het invoeren van maatregelen die een rampzalige uitwerking kunnen hebben op de Nederlandse woningmarkt. De minister geeft meermaals aan bezorgd te zijn over eventuele sancties die de EU aan Nederland zal opleggen als wij geen haast maken met de invoering van de maatregelen. De minister lijkt een beetje bang voor Europa, terwijl zijn voorganger als minister, de heer Van der Laan, zelfs al akkoord was gegaan met invoering per 1 januari 2010. Daarom vraag ik: zijn er vanuit de EU al stappen ondernomen om sancties op te leggen aan Nederland? Is dat de minister bekend? Of is de angst van minister Van Middelkoop misschien een beetje overdreven? Klopt het bijvoorbeeld dat de EU geen geld kan terugvorderen omdat het gaat over bestaande steun en dat de EU dus feitelijk helemaal niet zoveel mogelijkheden heeft om Nederland te dwingen tot invoering van deze maatregelen. De PVV verwacht van de regering dat zij zich hard maakt voor de belangen van Nederland. Wij pleiten dus niet alleen voor uitstel van deze maatregelen, maar voor afstel daarvan. Voor de PVV is het duidelijk dat elke vorm van Europees ingrijpen op de Nederlandse markt volstrekt onacceptabel is. Nederland moet zelf controle houden op het huurbeleid en onze eigen woningmarkt.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Vanuit Europa worden wij gedwongen te praten over de grenzen van de sociale huursector. Dat er vanuit de particuliere sector vragen zijn over staatssteun, is te begrijpen. We moeten er echter voor zorgen dat met de aanpassing van regels ons unieke corporatiestelsel overeind blijft. Ons corporatiestelsel wordt geroemd, ook binnen Europa. Voorlopig staat voor de ChristenUnie-fractie voorop dat wij op een fatsoenlijke manier ook mensen met een lager inkomen kunnen blijven voorzien van woonruimte.

De ChristenUnie-fractie heeft een aantal vragen over de inhoud van de beschikking en de procedure. Ik begin met de inhoud. In de regeling wordt gesteld dat de corporaties het inkomen van woningzoekenden op juistheid moeten gaan toetsen. Dit roept bij de corporaties nog veel vragen op. Zij beschikken ook niet over de bevoegdheden hierover. Kan de minister hierover helderheid geven?

De minister geeft in zijn brief aan dat een aantal elementen van de ministeriële regeling nog moet worden uitgewerkt. De ChristenUnie-fractie vindt dat bij een gevoelig dossier als dit zorgvuldigheid in ieder geval voorop moet staan. Welke woningen vallen bijvoorbeeld onder de nieuwe regels? Zijn dit alle woningen met een huurprijs onder € 648, zoals in de brief van de minister staat, of gaat het alleen om woningen uit deze groep waarop staatssteun van toepassing is, zoals in eerdere brieven stond? Het is mooi dat regionale differentiatie wordt onderzocht, maar bieden de grenzen die worden gesteld wel voldoende ruimte om te differentiëren? Graag een reactie daarop.

Voor mensen die iets meer dan € 33.000 verdienen, ziet de minister alternatieven op de koopmarkt, bij particuliere verhuurders en op de geliberaliseerde huurmarkt. De vraag is echter of dit voldoende is. Graag een reactie op het onderzoek van RIGO waarin wordt gesteld dat dit niet het geval is. De minister doet hiernaar zelf ook nog een onderzoek. Wanneer verwacht hij dit onderzoek af te ronden? Is het niet verstandig om de resultaten van dit onderzoek af te wachten? Wordt in dit onderzoek ook onderscheid gemaakt tussen de korte- en langetermijneffecten en de samenhang met andere ontwikkelingen op de woningmarkt? Ook is er nog de 10% vrije ruimte, maar in hoeverre is die vrij? Mogen deze woningen niet alleen worden toegewezen aan behoeftigen, bijvoorbeeld mensen met een urgentieverklaring?

Een aantal elementen voor financiering en garanties is volgens Aedes, de Woonbond en de VNG nog onvoldoende uitgewerkt, waardoor er een groot risico bestaat dat investeringen van corporaties stil komen te liggen. Daarop zitten wij niet te wachten, zeker nu wij opkrabbelen uit de economische crisis. Aedes geeft ook aan dat Nederland bij de inzet van eigen vermogen van diensten die niet van algemeen economisch belang zijn, strenger lijkt te worden dan Europa vereist. Is dat waar?

De discussie over de Nederlandse corporatiesector is niet voorbijgegaan aan het Europees Parlement. Graag een reactie van de minister op de resultaten van het daar gevoerde debat over de beschikking. De Europese regels staan niet toe dat de Commissie de reikwijdte van sociale diensten, zoals volkshuisvesting, bepaalt. EU-Commissaris Andor heeft in een debat gezegd dat hij geen uniforme criteria wil opleggen. Het is aan de lidstaten om eigen criteria te formuleren en hij wil Nederland de ruimte bieden hiermee flexibel om te gaan. Mijn collega's refereerden hier al aan. Wordt hiermee geen ruimte geboden om opnieuw te spreken over de grens van € 33.000?

Voorts vraag ik de minister wat de regeling concreet betekent als deze op 1 oktober ingaat. Klopt het dat mensen die al tien jaar op een wachtlijst staan en iets meer dan € 33.000 verdienen, dan buiten de boot vallen? Welke sancties zijn er straks voor corporaties die niet voldoen aan de nieuwe regels?

Ik rond af met een paar opmerkingen over de procedure. Wij spreken hier al lang over, maar is het realistisch dat alle corporaties en gemeenten voor 1 oktober hun toewijzingsregels hebben aangepast terwijl daarover vaak ook nog gemeenteraden moeten spreken? Wanneer is er überhaupt een ministeriële regeling definitief klaar? De fractie van de ChristenUnie begrijpt dat de minister geen risico wil lopen binnen Europa en noodgedwongen de beschikking wil uitvoeren, maar toch krijg ik graag een reactie van de minister op de juridische onderbouwing van de Woonbond, Aedes en de VNG van het uitgangspunt dat er wel degelijk ruimte is om uitstel te bepleiten bij de Europese Commissie, inclusief een ruime overgangstermijn. Ook graag een reactie op het voorstel om de voorstellen te bezien in relatie tot de herziening van de Woningwet waaraan momenteel wordt gewerkt.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie constateert dat toenmalig PvdA-minister Van der Laan afspraken heeft gemaakt in Brussel en dat nu de hele wereld – de corporatiesector, de Woonbond en een heleboel politieke partijen – in rep en roer is en daartegen te hoop loopt. De boodschap is: niet doen, uitstel, uitstel, uitstel, want wij kunnen het niet uitvoeren. Ik constateer dat je het kennelijk van je PvdA-vrienden moet hebben in deze sector.

Ik kom tot de kern van de zaak. Er wordt de hele tijd over de inkomensgrens gesproken. In het vorige debat heb ik dat ook al aangegeven. De kern van het probleem waarop Europa ons echter aanpakt, is de mededinging en de staatssteun die gegeven wordt. Daar gaat het om. Het valt mij op dat de minister voor WWI na consultatie van de landsadvocaat op ons verzoek zegt dat het omzetten van de gemaakte afspraak in een ministeriële regeling per 1 oktober noodzakelijk is. Als dat niet gebeurt, zou dat kostenconsequenties hebben gelet op de gemaakte afspraak met Nederland. Toch roepen alle partijen, in de politiek en daarbuiten, dat uitstel geen kwaad kan. Als VVD-Kamerlid valt mij dan het volgende op. Ten eerste wordt er heel veel energie gestoken in protesteren, in plaats van aan het werk te gaan met de vraag hoe wij de regeling implementeren terwijl de tijd erg kort is. Uit een brief van WWI en FiscaThema en een eerdere brief van de G4 – de grote vier gemeenten – blijkt dat er ruimte komt op de huurmarkt voor mensen met een inkomen beneden € 33.000, die nu zeven jaar op de wachtlijst staan. Het verbaast mij buitengewoon dat daaraan door een aantal politieke partijen, maar ook door partijen uit het veld, helemaal niet wordt gerefereerd. Er wordt gezegd dat er voor die mensen woningen beschikbaar komen, maar de corporatiesector zelf en sommige partijen zijn bang dat er niet genoeg mensen zijn om die woningen te vullen. Voor mensen die meer dan € 33.000 verdienen, is er inderdaad een probleem, zeker een overgangsprobleem. Daarvoor geldt dat je nog 10% kunt toewijzen boven die grens – want dat is het probleem – in bepaalde steden. Corporaties in de grote steden zijn vaak heel groot, met verspreid begrip, dus dat geeft ook wat ruimte. Er is ook een mogelijkheid tot verkoop en eventueel in de wat duurdere huursector. Verder zeggen de corporaties dat zij de toewijzingsnorm niet kunnen toepassen. Dat verbaast mij helemaal niets. Er is net een onderzoek verschenen waaruit blijkt dat 42% van de corporaties zelfs bij de eerste keer dat een woning wordt toegewezen de afgesproken inkomensgrens niet hanteert. Misschien moeten zij in dat opzicht eerst hun werk gaan doen. Graag een reactie van de minister.

Ik kom op het allergrootste probleem en het punt dat het zeer riskant maakt om tot uitstel en heroverweging van de onderhandelingen in Brussel over te gaan. Brussel ageert namelijk tegen het feit dat de mededinging in Nederland op deze markt volledig verstoord is en er sprake is van staatssteun. Ik noem de volgende cijfers. Uit antwoorden op door mij gestelde vragen blijkt dat heel de particuliere huurmarkt in Nederland bestaat uit 500.000 huurwoningen in particulier eigendom. De corporatiesector heeft 2,4 miljoen huurwoningen. Er is dus een piepkleine particuliere huurmarkt. Van die 500.000 particuliere huurwoningen bevindt maar liefst 70% zich onder de gereguleerde norm van € 648. Wij hebben om precies te zijn 150.000 particuliere huurwoningen in de vrije woningmarktsector op de gehele woningmarkt. Tot onze verbazing bevinden 800.000 woningen van de corporaties zich in de vrije sector, dus boven de grens van € 648. Dat heb ik even opgezocht in het rapport over de heroverwegingen. De particuliere sector bestaat dus uit 150.000 woningen in de vrije sector en de corporatiesector voor mensen met een laag inkomen beschikt over 800.000 woningen. Dat is vijf keer zo veel. Hoe verstoord wil men de mededinging hebben? Kortom: als de minister de regeling niet zal uitvoeren en die heronderhandeld moet worden in Brussel – het gaat dus om mededinging en niet over inkomensgrenzen – denkt mijn fractie dat hij een enorm risico loopt. Ik wil vastgelegd hebben dat, als de eis voor de doelgroep naar beneden wordt bijgesteld, de partijen die hiertegen zo te hoop lopen, boter op hun hoofd hebben. De VVD heeft daarover andere standpunten. Ik hoop dat andere partijen dan hun verantwoordelijkheid nemen.

Tot slot wil ik nog het volgende opmerken. Ik wil graag van de minister weten hoe het uitpakt voor de doelgroep van de ouderen. Heeft hij daar zicht op, ook in verband met de verhuisbeweging etc.? Dat lijkt mij een relevante vraag in dezen. Ik weet niet of er ruimte bestaat in de regeling om daaraan wat te doen. Daarop wil ik graag antwoord.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik ben helemaal niets anders gewend van de VVD, maar het verbaast mij heel erg, ook gegeven alle voorliggende stukken, dat de VVD niets wil doen aan de koopmarkt. Ik doel op de hypotheekrenteaftrek waarvan 50%, 5 mld., naar de allerrijksten in ons land gaat. De VVD wil de hypotheekrenteaftrek echter gewoon intact laten. Nu laat de VVD 650.000 huishoudens – de hardwerkende Nederlanders, voor wie de VVD-fractieleider zegt op te komen – eigenlijk barsten, want zij kunnen geen betaalbare woning krijgen op de woningmarkt. Zij kunnen wel gaan huren in de particuliere huursector, maar dat zijn allemaal piepkleine woningen. Hoe wil mevrouw Van der Burg voor deze mensen een betaalbare woning regelen als zij deze regeling snel wil invoeren?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Als wij over het probleem in kwestie spreken, is het altijd zo opvallend dat wij over de hypotheekrenteaftrek beginnen als het te heet onder de voeten wordt. Mevrouw Karabulut vertelt er nooit bij wat de mensen die volgens haar zo rijk zijn aan belasting betalen en hoe de verhouding is voor de eigenwoningbezitter. Zij vertelt ook niet wat die mensen bijdragen aan de huursector. Mijn antwoord op de vraag van mevrouw Karabulut luidt als volgt. Ik heb erkend dat er een probleem is voor de 650.000 huishoudens in kwestie. Wij hebben een maatregel opgelegd gekregen van Brussel. Ik heb gezegd dat het probleem in de mededinging zit. Als mevrouw Karabulut een risico wil lopen met heronderhandelingen in Brussel, dan is dat voor haar rekening. De VVD-fractie zou dat risico niet nemen, want dan wordt de regeling eerder strikter dan minder strikt, gezien de verstoring van de mededinging op de Nederlandse markt. De mensen die nu in een sociale huurwoning wonen, kunnen daar gewoon blijven wonen. Het gaat dus over de nieuwe gevallen. Het verbaast mij dat mevrouw Karabulut niet opkomt voor alle gevallen die op de wachtlijst staan.

De heer Monasch (PvdA): Mevrouw Van der Burg, veel van uw cijfers kloppen, maar daarover gaat het debat niet. Het debat gaat over de vraag wat wij in de toekomst doen met de woningmarkt in Nederland. Het feit is dat uw politiek leider daarin het voortouw heeft. Laten wij met elkaar bekijken wat er moet gebeuren op de koopmarkt en de huurmarkt, om het in de toekomst goed voor elkaar te krijgen. Dat is de discussie. In het licht daarvan heb ik een heel terechte vraag. Subsidies verstoren de markt, belastinguitgaven zoals de hypotheekrenteaftrek verstoren in verregaande mate de koopmarkt. Er is niets wat de markt zo verstoort als subsidies. Daarvan is de hypotheekrenteaftrek een van de grootste. Wat dat betreft is de VVD een van de grootste subsidieboeren in dit parlement.

De voorzitter: Ik begrijp best dat mevrouw Van der Burg hierop nog even antwoord wil geven, maar wij gaan geen debat over de hypotheekrenteaftrek voeren. Ik geef toe dat het verleidelijk is, ook voor de heer Koopmans volgens mij.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik zal even kort antwoorden. Het verschil tussen subsidies en aftrekposten ligt erg moeilijk in dit parlement. Subsidie krijg je ook als je geen belasting betaalt, aftrekposten krijg je alleen als je veel belasting betaalt. De heer Monasch geeft aan dat wij debatteren over de woningmarkt – daarover hebben wij veel debatten gevoerd – maar vandaag gaat het debat over een regeling die voormalig PvdA-minister Van der Laan heeft getroffen met Brussel. Zegt hij dat zijn minister kennelijk een slechte regeling heeft getroffen? Hij neemt kennelijk afstand van die regeling.

De voorzitter: Wij gaan geen vragen beantwoorden met wedervragen.

De heer Koopmans (CDA): De heer Monasch kan toch snel antwoord geven, ja of nee? Dit is toch heel interessant?

De voorzitter: Mijnheer Koopmans, ik snap dat u graag op de plek wilt zitten waar ik zit, maar dat is nu niet zo. Ik ben voorzitter. Ik geef de heer Verhoeven de gelegenheid om mevrouw Van der Burg een vraag te stellen.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter, dank dat u mij als rustpunt de kans geeft om deze discussie naar een goed einde te manoeuvreren. Mijn vraag aan mevrouw Van der Burg luidt als volgt. Mevrouw Van der Burg, u hebt zojuist een staaltje selectieve stoerheid ten beste gegeven, maar het is eigenlijk een voorbeeld van krampachtig krokodillentranen huilen voor alle groepen die nu in een verkeerde situatie terechtkomen. Waarom neemt u niet de unieke gelegenheid te baat om de eenzijdige geïsoleerde maatregel die voorligt even te parkeren, daarmee even te wachten, en ervoor te zorgen dat wij met een missionair kabinet over heel de woningmarkt een gesprek kunnen voeren inclusief dit onderwerp? U wilt er één ding uithalen dat u toevallig even goed uitkomt, maar de rest wilt u gewoon lekker hetzelfde laten. Waarom niet gewoon eerst een integrale visie op de woningmarkt en dan Europa intrekken?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik reageer niet op de eerste woorden van de heer Verhoeven. Dat laat ik voor rekening van mijn collega. Ik heb heel duidelijk gezegd dat wij niet zo krampachtig met dit dossier omgaan. Nu wij echter een afspraak hebben gemaakt, moet iedereen zich realiseren dat je een risico loopt als je deze afspraak niet effectueert. Als D66 dat risico wil lopen en straks ook zo groot is om de consequenties voor de verschillende doelgroepen naar buiten toe te verdedigen, in plaats van dan krokodillentranen te huilen, spreken wij elkaar nader. Mijnheer Verhoeven, dan bent u een vent. Als u dat niet doet, zal ik u daarop aanspreken dan wel mijn collega die mij opvolgt. Daarom wil ik dat hier vastleggen.

De voorzitter: Dat was echt even een moment van rust. Dank u wel, mijnheer Verhoeven, voor uw welwillende medewerking.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Leuk om een keer bij een algemeen overleg van de algemene commissie voor WWI aanwezig te zijn. Dit is de eerste keer voor mij. Het is een feest.

Is de Nederlandse huurmarkt zonder problemen? Nee, daarover is door velen in verschillende tonen al van alles gezegd, van scheefwonen tot schaarste. Is de Nederlandse koopmarkt zonder problemen? Nee, die ook niet. Van hoge prijzen tot leegstand, wij maken het allemaal tegelijk mee. Wij maken ook mee dat wij in de grootste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog zitten en voor de grootste begrotingscrisis staan sinds de Tweede Wereldoorlog. Tegelijkertijd mogen wij in ieder geval vandaag nadenken over één klein onderdeel van het toekomstige beleid voor de woningbouw en de huurmarkt.

De CDA-fractie heeft daarmee een aantal problemen. Oplossingen op een puntje, al dan niet gedwongen door Brussel, kunnen weer problemen op een ander moment opleveren. Om die reden zeggen wij: gegeven het politieke tijdsgewricht moet deze regeling pas ingaan een paar maanden nadat er een nieuw kabinet zit. Als wij nu namelijk instemmen met deze regeling, pakken wij één elementje eruit en is er van enige samenhang die een nieuw kabinet in de ogen van de CDA-fractie zou moeten aanbrengen, mogelijkerwijs geen sprake.

Om die reden zeggen wij: uitstel! Een andere reden daarvoor is dat wij ook een beetje moeite hebben met de systematiek die gekozen is. Een van de lessen uit de verkiezingsuitslag is in ieder geval voor onze fractie dat veel mensen het zat zijn dat er sprake is van veel te ingewikkelde regelingen. Wat doen wij nu? Wij maken weer een regeling na overleg met Brussel, waarvan iedereen die erbij betrokken is zegt: wat is dat ding gruwelijk ingewikkeld. De minister schrijft zelf dat er een hoop administratieve lasten bijkomen. Wij willen dat gewoon niet. Ik heb debat na de debat meegemaakt – ik zit hier nu acht jaar – waarin het om de een of andere reden nodig is om dat te doen. Nee, ik doe daar niet meer aan mee. Ik zit hier nu te lang. Ik zit in de fase dat ik denk: ze zoeken maar wat beters! Mijn verzoek aan de minister luidt daarom: zoek samen met de Europese Commissie naar iets beters. Dat moet mogelijk zijn. Dat is ook mogelijk gelet op de antwoorden van de Commissaris op de vragen van de heer Van Nistelrooij. Het moet mogelijk zijn om samen met de sector tot iets beters te komen.

In die zin wensen wij op te merken dat hetgeen sommige partijen doen, te gemakkelijk is. Zij zeggen: Europa gaat hier niet over. Wij zitten in de Europese Unie. Om die reden zijn wij ontzettend blij dat de Europese Commissie zich vaak bemoeit met andere landen als die op het gebied van staatssteun de meest verschrikkelijke dingen doen. Alle partijen hier aan tafel zijn boos op het moment dat de Europese Commissie dat niet doet. Wij moeten het dus accepteren als de Europese Commissie bekijkt wat wij op allerlei terreinen doen. De vraag is of je deze oplossing in deze vorm wilt. Ik zit nog niet te lang in dit dossier. De minister zegt dat hij ook nog niet zo lang in dit dossier zit. Misschien kan de minister met zijn mensen nog even wat langer bekijken of er mogelijkheden zijn om een betere regeling te ontwikkelen. Ik ben ervan overtuigd dat er iets gevonden moet worden. Wij maken namelijk deel uit van Europa en Europa zegt niet: laat maar gaan. Wij moeten dus iets beters verzinnen, dat op een moment moet ingaan waarop de Nederlandse politiek – kabinet en Kamer – iets van een samenhangend beleid voor de toekomst heeft neergezet.

Voorzitter: Van der Burg

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Voorzitter. Ik heb een paar opmerkingen namens de fractie van GroenLinks. Wij hebben al veel vaker over dit onderwerp gediscussieerd. De GroenLinks-fractie heeft eerder al aangegeven dat het zeer discutabel is wat hier gebeurt. Wij nemen Europa zeer serieus, de «Brusselcheck» is van groot belang. Voormalig minister Van der Laan zei: ik heb nu echt een van de deals van mijn leven gesloten over de inkomensgrens in kwestie. Toen hebben wij daarbij ook al grote vraagtekens geplaatst. Wij hebben op dit punt meer de neiging om te zeggen: Europa, bemoei je met je eigen zaken. Ik zeg dat nadrukkelijk op dit punt. In onze ogen valt dit namelijk onder de publieke voorziening, het publieke belang, van de volkshuisvesting. Wij willen daarvan een evenwichtig beeld hebben en daarover moeten evenwichtige afspraken worden gemaakt. Europa wil ons – het is nog maar de vraag of dat zo is – een soort bureaucratisch monster opleggen met grote sociale consequenties voor wellicht honderdduizenden huishoudens, maar ook voor specifieke doelgroepen zoals ouderen en internationale studenten. Het is de vraag hoe je hiermee moet omgaan. Daarom vraag ik de minister of hij er 100% van overtuigd is dat dit per se zo moet. De termen zijn al over de tafel gegaan: «roomser dan de paus» en «het braafste jongetje van de klas». Als ik denk aan oud-minister Van der Laan en de huidige minister Van Middelkoop, zal het wel meer «roomser dan de paus» zijn dan «het braafste jongetje van de klas». In dit geval moet je eigenlijk voor de duvel niet bang zijn en moet je ook niet bang zijn voor Europa.

In de brief die de minister ons heeft gestuurd, worden wij een beetje onder druk gezet. Daarin staat dat uitstel niet aan de orde kan zijn, want de huidige economische situatie doet daaraan niets af. Er bestaat een risico op een onderzoek van de Europese Commissie, waarvan het resultaat kan zijn dat er striktere voorwaarden gesteld worden. Daarvan ben ik nog niet helemaal overtuigd, omdat wij daarover uit Europa heel andere berichten krijgen. Als ik het slagveld overzie, dan is dit volgens de fracties van de SP, D66, de PvdA, de PVV, de ChristenUnie, GroenLinks en zelfs het CDA het verkeerde moment. De timing is niet correct, wij willen meer informatie. Dat geldt ook allemaal voor GroenLinks. Wij willen een nieuw kabinet de mogelijkheid geven om een brede herbezinning op de woningmarkt mogelijk te maken. Daarbij komen veel meer aspecten aan de orde, waaronder dit aspect. Heeft Europa namelijk wel een punt en, zo ja, zijn de inkomensgrenzen correct vastgesteld? Moet je dan niet veel beter de consequenties die dat heeft voor ons volkshuisvestingsbeleid, en de oplossingen daarvoor, in kaart brengen? Kortom: wij kunnen op dit moment niet met deze voorstellen instemmen. Wij zijn bereid om het «risico» te lopen dat er een nader onderzoek komt. Als iedereen er namelijk nog eens heel goed over nadenkt, het slagveld nog eens overziet, is er wellicht meer mogelijk dan nu wordt gesuggereerd.

De heer Koopmans (CDA): Ik heb de volgende vraag aan mevrouw Van Gent. Stel dat zij de volgende minister van volkshuisvesting is, want niets is onmogelijk. Kan zij dan eens wat scherper ingaan op de vraag hoe zij hetgeen bekijkt dat Europa op dit punt middels een Commissiebesluit aan ons heeft laten weten? Dat punt laat zij eigenlijk wat makkelijk passeren. Het bevalt ons allemaal wat minder goed, maar ik wil dat mevrouw Van Gent even vertelt hoe wij daarmee moeten omgaan vanuit staatsrechtelijk perspectief. Dat vraag ik mevrouw de minister in spe.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik merk dat de huidige minister ook dolblij is met dit toekomstperspectief. De heer Koopmans heeft mij hiermee diepgelukkig gemaakt, zo vlak voor het zomerreces. Ik loop nergens op vooruit, mijnheer Koopmans, maar het volgende is wel verstandig. Ik verwijs naar protocol nr. 26 – ik ben daar niet helemaal zeker van, maar volgens mij klopt het – over diensten van algemeen belang. Daarmee is het ooit begonnen en daarover gaat het eigenlijk nog steeds voor een groot deel. Gaan wij eigenlijk niet zelf over ons huisvestingsbeleid? Dat debat is nog nooit precies uitgediscussieerd en moet zeker nog gevoerd worden. Er is te snel een deal gesloten, terwijl er nog veel meer mogelijkheden zijn. Als wij echt de baas zouden worden, mijnheer Koopmans, dan moeten wij iets doen aan de totale woningmarkt – koop en huur – en bekijken hoe wij alle inkomensgroepen op een goede manier kunnen bedienen.

De heer Verhoeven (D66): Mevrouw Van Gent, stel dat u moet kiezen tussen de twee redenen waarom de GroenLinks-fractie op dit moment niet voor de invoering van de regeling bent. Kiest u dan voor de reden dat Europa er niet over gaat of bent u ertegen omdat het te snel en op een verkeerde manier gebeurt? Het is interessant om dat nog even uit uw betoog te destilleren.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik heb grote twijfels over de vraag of Europa hierover gaat. Dat hebben wij ook eerder in het debat ingebracht. Mocht ik daarin geen gelijk krijgen – dat kan ik mij nauwelijks voorstellen, zoals de heer Verhoeven begrijpt – dan is ook de voorliggende uitvoering nog een debat waard. Er is namelijk wel eens discussie geweest over de grens van € 33.000, want er is volgens mij ooit gezegd dat dit nog niet eens de oude ziekenfondsgrens is.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik hoor mevrouw Van Gent zeggen dat Europa hierover niet gaat. Volgens mij is dit echter een gepasseerd station, want er ligt nu een beschikking voor. Maar, mevrouw Van Gent, is er wat u betreft sprake van uitstel of afstel, zoals ook de PVV-fractie naar voren heeft gebracht?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Er moet nog een aantal dingen onderzocht worden. Dat heb ik ook aangegeven. Het is discutabel of Europa hierover gaat. Niet alleen in Nederland, maar ook elders in Europa wordt daarover discussie gevoerd. Wat ons betreft gaat Europa over een heleboel dingen, maar hierbij plaats ik vraagtekens. Voorlopig is het dus uitstel, maar ik hoop echt dat het komt tot afstel. Dit is namelijk op deze manier, ook met deze inkomensgrenzen, geen goed voorstel.

Voorzitter: Van Gent

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Waar waren wij gebleven? Misschien is het relevant om die vraag stellen, omdat wij afscheid van elkaar hebben genomen voor de verkiezingen en wij nu de draad proberen op te pakken. Wij hebben te maken met een commissie met een deels nieuwe samenstelling. Dank voor de kennismaking met de desbetreffende woordvoerders die hier misschien geen maidenspeech hebben gehouden – dat gebeurt in de plenaire zaal – maar die ik in elk geval voor het eerst tegenkom. Ik wens hun veel sterkte met hun belangrijke werk.

Aan het vorige algemeen overleg ging het verzoek vooraf om vijftig vragen te beantwoorden, die de Kamer bij mijn voorganger had ingediend. Die antwoorden zouden vergezeld moeten zijn van een regeringsstandpunt op het aangelegen punt. Dat heb ik gedaan en wij hebben volgens mij op de laatste dag voor het verkiezingsreces – ik constateer dat deze commissie een voorkeur heeft voor laatste dagen – een algemeen overleg gevoerd waaraan ik goede herinneringen bewaar en dat in goede sfeer is verlopen.

Wij zijn uit elkaar gegaan met de belofte dat ik twee dingen zou doen. Ten eerste zou ik opnieuw overleg voeren met de betrokkenen en ten tweede zou ik de landsadvocaat om advies vragen of wij het ons kunnen permitteren om een besluit van de Europese Commissie dat op 1 januari van dit jaar in werking had moeten treden, nog langer uit te stellen qua uitvoering. In mijn laatste brief heb ik over het eerste punt gemeld dat ik overleg heb gehad met betrokken organisaties, Aedes, de Woonbond en de VNG, maar ook met de IVBN. Helaas slaagde ik er niet in om iedereen gezamenlijk om één tafel te krijgen. Dat is jammer, want mevrouw Van der Burg zei niet ten onrechte dat er ook een moment komt waarop je je energie niet moet verspillen aan protesteren, maar ook moet nadenken over implementeren. Dan is het goed om zoveel mogelijk dingen samen te doen. Ik maak geen verwijten, maar het zal er een keer van moeten komen. Ik heb overleg gevoerd en ik heb de Kamer daarover geïnformeerd.

Dan kom ik op het tweede punt: het advies van de landsadvocaat. Daar gaat iets aan vooraf. Ik heb enorme behoefte om nog een keer een poging te wagen om uit te leggen waarover wij met elkaar praten. Ik laat er geen misverstand over bestaan: ik ben echt geschrokken van de vrijblijvendheid waarmee veel aanwezige Kamerleden over dit onderwerp denken te kunnen praten. Het voorstel dat op tafel ligt, is geen voorstel van de regering, geen voorstel van oud-minister Van der Laan of minister Van Middelkoop. Het voorstel is de uitleg van een besluit van de Europese Commissie waartoe zij rechtens bevoegd is. De Europese Commissie is van ons. De heer Lucassen en een enkel ander lid praten over Europa alsof het de buitenlandse vijand is. Europa dat zijn wij, mijnheer Lucassen. Dat is een institutionele orde, een rechtsorde, die door ons gezamenlijk wordt gedragen. Dat is een deels overgedragen soevereiniteit die wij met elkaar beheren, zeg ik tegen de heer Monasch. Het is hoogst curieus om elkaar in een dergelijke rolwisseling tegen te komen, omdat ik een reputatie heb opgebouwd als een soort euroscepticus, maar waarachtig: nu kom ik een PvdA-Kamerlid tegen dat deze rol heeft overgenomen.

De heer Monasch (PvdA): Die rol dichten velen in mijn partij mij ook toe.

Minister Van Middelkoop: Ik weet dat die vleugel er altijd al is geweest. Dat is waar. Het is echter niet de hoofdstroom.

Het doet er allemaal niet zo veel toe hoe je nadenkt over Europa of wat je ervan vindt, want ik heb te maken met een gegeven rechtsorde die in ontwikkeling is. Alle Kamerleden die zeggen dat Europa niet over onze volkshuisvesting gaat, hebben gelijk. Dat hebben wij echter eerder met elkaar besproken. Dat is waar, want dat staat nergens in de verdragen. Daarover gaat het besluit in kwestie echter niet. Het besluit gaat over staatssteun. De interne markt, de kérn van de interne markt, is dat er sprake moet zijn van eerlijke mededinging. Die wordt belemmerd door staatssteun. Is staatssteun daarmee verboden? Nee! Dat moet echter worden gereglementeerd en in de hand worden gehouden. Dat doen wij hierbij.

Ik heb op het ministerie voor WWI ambtelijk gevraagd om mij precies de juridische basis te verschaffen van hetgeen ik moet verdedigen. Dat begint bij artikel 93 van het Verdrag, waarin als hoofdregel staat dat staatssteun verboden is tenzij de Europese Commissie goedkeuring geeft. Dat is de verdragsbasis. Als je dan de uitwerking daarvan bekijkt, waarin een heel belangrijke verordening uit 1994 figureert, zie je dat de Europese Commissie die verdragsbepaling verder uitvoert – men begrijpt dat dit een langzaam proces is – maar dit uitsluitend doet via de band van de mededinging. Als men die verordening wil hebben, kan men die van mij krijgen. Daarmee hebben wij te maken. Het besluit dat door de Nederlandse regering moet worden uitgevoerd, is een resultante van een overlegproces van een jaar of vier, vijf. Dat proces is al in 2002 begonnen, maar het werd serieus in 2005. Laat niemand bij mij of mijn voorgangers aankomen met de opmerking dat dit een overval is of dat wij opnieuw zouden kunnen beginnen. Daar is geen sprake van.

Toen ik op het departement kwam, heb ik mij verdiept in het dossier en mij de vraag gesteld: is mijn voorganger erin geslaagd om in overleg met de Kamer met toenmalig Eurocommissaris Kroes een resultaat te bereiken? Er gaat namelijk een onderhandelingsproces vooraf aan het moment waarop de Commissie rechtens het besluit in kwestie mag en moet nemen, en heeft genomen. Ik kan niet anders dan constateren dat dit een uitstekend onderhandelingsresultaat is. Het is niet niks als je 40% van de relevante huishoudens mag helpen, dat de corporaties daaraan een vorm van steun mogen geven en de Commissie dit geen staatssteun noemt. Het doet er echter niet toe wat ik ervan vind, want ik leef in een rechtsorde. Ik moet het besluit uitvoeren. De Kamer moet dat bij haar oordeel betrekken, want het mag niet gratuit zijn.

Ik wil niet vervelend zijn, maar misschien is het goed om nog eens een suggestie te doen. Ik wil aan het einde nog best een voorstel doen om met elkaar verder te komen, want ik zie de onwil van de Kamer hierbij. Het Constitutioneel Verdrag is in 2005 in Nederland en Frankrijk per referendum weggeblazen. Daarvan is men in Europa enorm geschrokken. Dit heeft ertoe geleid dat de toenmalige Eurocommissarissen in alle hoofdsteden, zeker ook in Den Haag en Parijs, elke dag op afroep beschikbaar waren om «Europa» uit te leggen. Dat is ook een aantal keren gebeurd. Ik weet niet of dat nog steeds het geval is, maar ik denk van niet. Mevrouw Van Gent zal zich dat herinneren, want zij was toen Kamerlid. Mijn suggestie is om de huidige Eurocommissaris Andor eens hier te laten komen. Nodig hem gewoon een keer uit, hij zal niets liever doen en hij weet zich daartoe verplicht! Laat hem dan eens een keer uitleggen wat zijn bevoegdheid, taak en opdracht is. Ik zeg dat tegen alle aanwezige Kamerleden. Tot mijn grote verbazing hoor ik dat de heer Verhoeven van D66, woordvoerder van de meest eurofiele fractie die ik sinds jaar en dag in deze Kamer ken, maling heeft aan Europa. Hoe is dat mogelijk? Wat is er in dit land gebeurd dat dit allemaal zo kan? Dat is even een politieke prikkeling.

Ik ben ook bereid om de Kamer een notitie te geven waarin ik vanaf het Verdrag, de vierde verordening, tot het besluit nog eens goed uitleg in welke rechtswerkelijkheid wij leven en welke bandbreedte ik nog heb. Ik hoor straks in tweede termijn wel wat men daarvan vindt. Die bandbreedte is dus nul, behalve in het traject van de implementatie, dat al vertraagd is. Daarop kom ik nog terug.

De voorzitter: Het is aan de Kamerleden hoe zij zich voorbereiden. Goede adviezen daarvoor neemt iedereen graag ter harte, maar dat hoeven wij hier niet te bediscussiëren. Ik geef nu graag even de gelegenheid tot het stellen van een korte vraag aan de minister, want wij moeten ons concentreren op de voorliggende zaak.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik vraag mij echt af wat de minister heeft gedaan met de informatie die hij in alle gesprekken heeft gekregen van Aedes, de Woonbond tot de VNG. Niemand ontkent namelijk dat er een bepaalde rechtsorde is. Wij zijn alleen wel met elkaar op zoek naar een oplossing voor ruim 650.000 huishoudens die straks geen betaalbare woning meer dreigen te kunnen krijgen. Mijn vraag is: erkent de minister dat hij te allen tijde terug kan gaan naar Europa om te praten, omdat praten niet verboden is?

Minister Van Middelkoop: Zo algemeen gesteld is het antwoord alleen maar ja. Het heeft alleen geen zin. Er is gepraat met Europa, er is onderhandeld, maar er is op een gegeven moment een besluit genomen. Dat besluit moet geëffectueerd worden, ik kan niet anders. Dat besluit heeft de Europese Commissie eind december genomen. Het heeft dus voor mij geen zin – en ook niet voor mijn opvolger – om nog opnieuw met Europa te gaan praten. Dan kom ik echter op de wat meer juridische kant van de zaak.

Mevrouw Karabulut (SP): Als de minister kan praten en Europa zelf aangeeft dat er wordt gediscussieerd over sociale huisvesting en, nog belangrijker, de desbetreffende Eurocommissaris bijvoorbeeld zegt niet over inkomensgrenzen te gaan, dan is er toch alle ruimte om dit besluit in ieder geval niet per 1 oktober in te voeren als daartoe een Kamerbrede wens bestaat? Wij doen daartoe een oproep, omdat wij grote problemen voorzien.

Minister Van Middelkoop: In alle ernst, dat was mijn suggestie. Op een gegeven moment praat ik tegen een «blinde muur». Ga zelf eens praten met de heer Andor, laat hem hier komen. Hij heeft inderdaad gezegd dat Europa niet over inkomensgrenzen gaat, maar dat zeg ik ook. Daar gaat het niet om. Het punt is dat je vanuit Europa wilt begrenzen wat wel of geen staatssteun is. Dat wordt op een gegeven moment uitgewerkt in bepaalde criteria, in dit geval ook in inkomensgrenzen. Het bepalen van de inkomensgrens was een punt van onderhandeling. Die lag eerst op iets van € 29.000 en toenmalig minister Van der Laan heeft er € 33.000 van weten te maken. Dat was nodig om te bepalen wat in dit geval legitieme staatssteun is voor Nederlandse woningcorporaties. Dan is een gevolg van de invalshoek van de Europese Commissie dat men niet meer mag mededingen dan wenselijk of noodzakelijk is.

Ik wil nog zelfstandig ingaan op de opmerking dat er een groep zou zijn met een inkomen boven de € 33.000 die tussen de wal en het schip valt. Dat heb ik ook in mijn brief benoemd. Dat betwist ik. Zelfs als dat het geval zou zijn, dan nog doet dit niets af aan het besluit van de Europese Commissie. Gelukkig is dit niet zo, maar dan praten wij over de uitwerking van de afgrenzing door de Europese Commissie van hetgeen nog als staatssteun aan woningcorporaties in Nederland legitiem mag worden geacht. Dat is een zelfstandig element van mijn beantwoording, waarop ik straks terugkom.

De heer Verhoeven (D66): Wij zijn pro-Europees, maar wij zijn niet dogmatisch. Wij blijven altijd zelf nadenken. Het is ook heel belangrijk dat als je iemand serieus neemt, zoals Europa, je diegene ook een keer tegenspreekt. Dit is het moment waarop de minister gewoon eens zou kunnen zeggen: wij maken gebruik van de uiterste mogelijkheid om Europa duidelijk te maken waarom Nederland hier op dit moment, op deze manier, niet aan wil. Waarom doet hij dat niet? Hij moet niet gedwee en dogmatisch zeggen: wij moeten dit wel volgen, wij kunnen niet anders, wij zijn zo'n klein zielig landje. Nee! Wij zijn een zelfbewust onderdeel van ons Europa. Wij laten zien dat wij op dit punt een zelfbewust land zijn met een goed punt. Waarom wil de minister daarin geen energie stoppen?

Minister Van Middelkoop: De heer Verhoeven vraagt eigenlijk iets van mij wat qua analogie een beetje lastig is. Je kunt op een gegeven moment voor de rechter staan en die doet dan een uitspraak. Daarna kun je opnieuw proberen om in gesprek te gaan met de rechter, maar zo werkt het niet. Ik heb te maken met een rechtsgeldig besluit van de Europese Commissie. Dat rechtsgeldig besluit is tot stand gekomen na een heleboel gangen van Den Haag naar Brussel. Hij vraagt dus iets van mij wat al eerder is gevraagd en beantwoord. Mijnheer Verhoeven, ik kan u moeilijk verwijten dat u nu pas in de Kamer zit, maar dit is een onderwerp met een voorgeschiedenis. Wat u vraagt, is al lang gedaan door oud-minister Van der Laan en misschien ook oud-minister Vogelaar. Het doet er echter op dit moment niet meer toe. Hier zit een minister die te maken heeft met dwingend recht, een dwingende Europese beslissing. Mijnheer Verhoeven, dat moet u echt meewegen om mij goed te kunnen controleren. U bent hier namelijk niet bezig met medewetgeving, maar met het controleren van de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie door de minister voor WWI. Het is niet anders, al was ik het twintig keer met u, de heer Lucassen of de heer Monasch eens. Het doet er niet toe. Dat is een beetje de figuur die men ook in het lokaal bestuur wel kent, namelijk dat men in medebewind gewoon zaken moet uitvoeren die elders worden besloten. Het is niet anders.

De heer Verhoeven (D66): Kan de minister de vanzelfsprekende hogere machten waarin hij misschien in sommige gevallen blindelings gelooft, niet aanspreken om alles op alles te zetten om alles nog eens goed te bekijken zodat er wel een goede Europese beschikking komt? Ik vraag het nog één keer. Dat is mijn vraag en daar gaat het om in dit debat.

Minister Van Middelkoop: Daartoe ben ik niet meer bereid, omdat het zinloos is om te praten over een besluit dat al genomen is. Wij hebben de onderhandelingsfase achter de rug, met een goed resultaat en het besluit dat ik nu uitvoer.

De heer Monasch (PvdA): Waarom zitten wij hier dan met elkaar, mijnheer de minister? Waarom zouden wij nog met u discussiëren als u toch tegen ons zegt: dit is het, parlement met nieuwe en oude volksvertegenwoordigers ga maar naar huis, want ik en Europa hebben het uitonderhandeld en zo gaat het verder? Sorry, maar ik interpreteer de wetgeving echt anders. Daarom ben ik heel erg blij dat ik begonnen ben met het lesje over volkssoevereiniteit. Ik vraag de minister nu echt even serieus wat hij nog van dit parlement verwacht in dit soort dossiers, omdat hij eigenlijk zegt: ga naar huis, want Europa regelt het.

Minister Van Middelkoop: Dit is een zeer herkenbare vraag. Wat wij met elkaar bediscussiëren – even los van het feit dat ik een paar moties uitvoer – dat is de uitwerking in onze eigen regelgeving van een verplichting die ons vanuit Europa wordt opgelegd. Zeker. Dan nog is het goed om met de sector, de corporaties, de Woonbond enz. goed in beeld te krijgen wat de effecten zijn. Mogelijkerwijs kom je na dit soort Europese interventies tot de conclusie dat er repareerwerk kan worden gedaan. Dat is even een algemeen statement. Dat is de marge waarbinnen wij opereren. Formeel praten wij over een aanstaande ministeriële beschikking waarvoor ikzelf verantwoordelijk ben – nogmaals, dit is geen wetgeving – en die de Kamer controleert. Die beschikking bestaat in hoge mate uit de doorwerking van een besluit van de Europese Commissie waartoe ik rechtens verplicht ben om dat uit te voeren. Dat is het Europa dat wij samen hebben opgebouwd, mijnheer Monasch.

De heer Monasch (PvdA): Ik constateer dat de minister het dusdanig interpreteert dat n» importe quoi de Europese Commissie besluit, wij dit met elkaar te accepteren hebben. De Commissie sprak zelfs over lagere inkomensgrenzen en het laten gelden van het besluit voor bestaande woningbouw. Het wordt de komende vier jaar heel interessant wat wij in dit parlement met de Europese verdragen gaan doen. Wat mij betreft wordt daarbij heel wat proactieve actie ingezet.

Minister Van Middelkoop: Met alle respect, in deze werkelijkheid leven wij al tientallen jaren.

De heer Monasch (PvdA): Zoals de minister weet, is er op politiek gebied wel wat gebeurd waardoor die werkelijkheid moeilijk te accepteren is.

De heer Koopmans (CDA): Allereerst lijkt het mij een goed idee om de Commissaris uit te nodigen, maar dat even terzijde. Ik zal dat via een procedurevergadering voorstellen. Daarnaast bood de minister enkele minuten geleden aan om een notitie naar de Kamer te sturen waarin heel de juridische redenering staat van Verdrag tot aan het besluit van de Europese Commissie. Ik wil de rechtsmiddelen die de Staat der Nederlanden mogelijkerwijs nog heeft op dat punt daaraan toevoegen. Het is prima als de minister dat doet. Dat zou ik graag hebben.

Mijn vraag luidt als volgt. De minister zegt dat hij «rechtens verplicht» is, maar dat geldt voor het besluit dat de Commissie heeft genomen. Het besluit van de Commissie was invoering van het besluit op 1 januari 2010. Daarna is de minister gaan onderhandelen. En terecht. Wij zitten nu dus in de fase dat je moet nadenken over de vraag of dat onderhandelingsresultaat akkoord is. Laat ik maar een harde datum noemen: als de minister nou de datum van 1 januari 2011 bespreekt met de Europese Commissie. Wij hopen dat er dan een nieuw kabinet is en er samenhangend beleid valt te maken. Die slag willen wij maken.

Minister Van Middelkoop: Ik dank de heer Koopmans. Ik zat erop te wachten dat iemand mijn prikkeling positief oppakte dat deze commissie ook zelf eens met de Eurocommissaris moet gaan spreken. Ik ben blij dat hij dit doet.

Het besluit dateert van december 2009. Dat besluit is voorafgegaan door onder meer een motie van de heer Van Bochove waarin hij de regering opriep om nog eens te gaan onderhandelen. Dat was nog voor dat besluit. Dat heeft onder meer de verhoging van de inkomensgrens opgeleverd, niet als een doel op zichzelf, maar als een resultante van de opvatting over de vraag wat staatssteun is. Daarna heeft de Commissie een besluit genomen: gij zult het op 1 januari 2010 invoeren. Wat dat betreft hebben wij onze soevereiniteit, mijnheer Monasch. Voor de invoering zijn wij zelf verantwoordelijk. Je hebt kennelijk een zekere ruimte om dat wat trager te doen dan anders. Toen ik ergens in februari minister voor WWI werd, waren wij al ruim over tijd en dat zijn wij nu in toenemende mate. Ik onthoud even het aanbod en de suggesties van de heer Koopmans. Daarop kom ik graag terug. Ik wil er echt op een geloofwaardige en schadevrije manier uitkomen, want ik maak mij grote zorgen als wij daarin niet slagen.

Mijn tweede aanbod uit het vorige algemeen overleg was dat ik landsadvocaat nog wel eens wilde vragen wat nog meer vertraging betekent. De Kamer heeft dit geaccepteerd en positief verwelkomd. Op mijn beurt vraag ik hetgeen daarvan het resultaat is, serieus te wegen. Het houdt een keer op qua overtuigingskracht. Ik heb het desbetreffende advies gemeld en neem dat op een gegeven moment voor eigen rekening. In het advies staat: de beschikking laat geen ruimte voor verder uitstel van de overeengekomen invoering van de nieuwe regeling. De beschikking bindt de minister voor WWI. Er is sprake van een rechtsplicht. Gelieve dat te betrekken bij de controlerende functie van de Kamer. Momenteel bestaat daardoor al het risico dat de Commissie Nederland in gebreke stelt en een formele onderzoeksprocedure instelt naar aanleiding van niet-tijdige invoering. Ik wist wel van die procedure, maar het was nieuw voor mij dat het onderhandelingsresultaat waarover wij nu praten in de vorm van het besluit van de Europese Commissie dat is uitonderhandeld door toenmalig minister Van der Laan, wel eens kan worden opengebroken en negatiever kan uitvallen dan het huidige besluit. Dat is een vrij open risico, maar dat risico is er wel. Ik wil dat risico niet lopen. Dat is onverantwoord, mede omdat het onderhandelingsresultaat van oud-minister Van der Laan uitstekend is. Hij heeft het heel ver geschopt. Ik maak mij grote zorgen. Ik zeg ook, over de hoofden van de leden, tegen Aedes en andere betrokkenen: als u blijft lobbyen voor verder uitstel, weet wel dat dit een risico is.

Het meest gemakkelijke is om te zeggen: ik doe wat de meerderheid van de Kamer wil. Het is echter niet de verantwoordelijkheid van de Kamer. De enige die verantwoordelijkheid draagt, ben ik, dat is de regering, de minister. De Europese Commissie richt zich tot mij en de Kamer controleert. Dat is haar taak. Ik heb mijn momenten gehad in de voorbereiding dat ik dacht: bekijk het maar, het is de verantwoordelijkheid van de Kamer en ik hoop dat zij de Kamer over twee jaar nog weten te vinden als duidelijk is dat wij met een beroerder besluit worden geconfronteerd. Dat wil ik dus niet. Ik neem mijn verantwoordelijkheid en ik probeer dat hier naar mijn beste vermogen te beargumenteren. Weet wel dat dit eventueel het risico is. Dat speelt in toenemende mate, het is onvermijdelijk, want de Europese Commissie volgt ook de debatten in dit huis. De Europese Commissie ziet ook dat de Nederlandse minister voor WWI de landsadvocaat om advies heeft gevraagd en dat dit advies luidt zoals het luidt. De Kamer moet zich realiseren dat wij met elkaar feiten en argumenten opbouwen.

De voorzitter: Gezien de tijd wil ik graag dat de minister op de gestelde vragen ingaat. In dit algemeen overleg controleren wij de regering en daarom willen wij antwoord op de vragen die zijn gesteld. Ik wil mijn collega's de gelegenheid bieden voor een tweede termijn. Daarom sta ik even geen interrupties meer toe, zodat er nog tijd is voor een tweede termijn. Dat lijkt mij van belang gezien de manier waarop het overleg verloopt.

Minister Van Middelkoop: Ik heb nog een laatste algemene opmerking. Dit onderwerp heeft betrekkelijk weinig te maken met de politieke situatie in Nederland op dit moment. Ik begrijp de voorstellen om alles in een keer mee te pakken. Ik weet dat bij sommige fracties de behoefte bestaat om heel de huisvestingsproblematiek in Nederland eens grondig op te pakken. Prima, maar daaraan heeft de Europese Commissie geen boodschap. Dit is een zelfstandig besluit, wat wij in de komende maanden ook besluiten over het huurwaardeforfait.

Laat ik proberen om een aantal van de feitelijke vragen te beantwoorden. Aan het einde doe ik een voorstel, een beetje in reactie op de handreiking van de heer Koopmans.

De heer Verhoeven vroeg mij of gemeenten de huisvestingsregels moeten aanpassen. Het besluit van de Commissie is gericht op de aanbodkant, op de woningcorporatie als ondernemer, en laat zich niet uit over aanpassing in de woonruimteverdeling op grond van de Huisvestingswet. Er wordt verwacht dat veel gemeenten en regio's huisvestingsverordeningen zullen afstemmen op de regels die voor corporaties gelden. De heer Verhoeven vroeg ook hoe het zit met de herbestemming van woningen en monumenten. Als monumenten woningen zijn met een huur lager dan de fameuze grens van € 648, is staatssteun mogelijk volgens de Europese Commissie. Dat geldt ook als er sprake is van maatschappelijk vastgoed. Dat zal de heer Verhoeven goed doen. Krijgt een monument een commerciële functie, dan is geen steun mogelijk. Het mag duidelijk zijn dat ik dit soort vragen beantwoord op basis van ambtelijke informatie. Ik ben bereid om dit nog eens schriftelijk over te doen.

De heer Lucassen vroeg naar de bevolkingsopbouw in wijken. Ik dank hem voor zijn waarderende woorden over het interview van morgen. De wijkenaanpak was voor mijn voorgangers juist reden om na 4,5 jaar afspraken te maken over bestaande steun en bijzondere projectsteun voor de wijkenaanpak. Als toewijzingsregels nu niet worden vastgelegd in de regeling, komt ook de wijkenaanpak op de tocht te staan. De heer Lucassen vroeg ook naar de lastendruk. Daarover hebben wij voor de verkiezingen in de schriftelijke beantwoording van vijftig vragen – dat zal ik hem nooit verwijten – het volgende geantwoord: het akkoord, het besluit van de Europese commissie, leidt niet zonder meer tot een stijging van de regeldruk en de administratieve lasten voor woningcorporaties. Die lasten hangen samen met de administratie voor woningtoewijzing en de verplichte aanbesteding van maatschappelijk vastgoed. De daarmee gepaard gaande administratieve lasten worden geraamd op ongeveer 4,4 mln. per jaar. Op het totaal is dat een zeer bescheiden bedrag, maar daarover mag men zelf oordelen.

Mevrouw Ortega vroeg wanneer het onderzoek van WWI klaar is. Dat zal kort na de zomer klaar zijn en ik zal de Kamer daarover zeker informeren. Het onderzoek focust op de vraag hoe corporaties met de nieuwe regels kunnen omgaan en niet of het haalbaar is. Daarmee kom ik terug bij het algemene verhaal van zo-even. Mevrouw Ortega mag noteren dat men daarover in elk geval nog iets van mij hoort. Zij vroeg ook welke woningen onder de regeling vallen. Dat zijn alle woningen onder de € 648. Dat is het deel van de regeling. Nogmaals, voor die woningen is staatssteun mogelijk. Dat is al eerder door oud-minister Van der Laan en mij aangegeven.

Dan kom ik op de vraag welke gevolgen het niet-voldoen aan de regeling heeft, eventuele sancties. Als een woningcorporatie niet voldoet aan de toewijzingsnorm voor het desbetreffende jaar, kan worden bepaald dat de corporatie voor nieuwbouwprojecten geen borging meer kan ontvangen van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Als een corporatie meer staatssteun ontvangt dan noodzakelijk – zogenaamde overcompensatie – moet die staatssteun worden terugbetaald. Er heeft nog niemand over gesproken, maar ter completering van het beeld merk ik op dat de bepaling van de omvang van de staatssteun pas kan plaatsvinden als sprake is van een administratieve scheiding. Dat is een deel van het pakket, maar daarvoor is wetgeving nodig en die zit nu in de pijplijn.

Mevrouw Ortega vroeg voorts wat de regeling concreet betekent als die op 1 oktober ingaat. Dat besluit heb ik inderdaad genomen. Zij vroeg of het klopt dat mensen die al tien jaar op een wachtlijst staan, maar iets meer dan € 33.000 verdienen, dan buiten de boot vallen. Nee! Mevrouw Karabulut sprak daar ook over. Corporaties hebben de mogelijkheid om 10% van de huishoudens met een hoger inkomen dan € 33.000 te huisvesten. Dat is een zekere souplesse in het besluit van de Europese Commissie. Voor het overige, wij regelen niet het recht op huisvesting. Dat is een zaak van de gemeenten op basis van de huisvestingsverordening.

Mevrouw Van der Burg stelde ook nog een feitelijke vraag, namelijk hoe de regeling uitpakt voor ouderen. Ouderen zijn oververtegenwoordigd in de categorie met een inkomen onder de € 33.000, zeker. Ouderen met een hoger inkomen kunnen deels in de 10% ruimte terecht. Zij vroeg ook naar toewijzingen op basis van de AWBZ aan zorgeenheden. Volgens mij sprak mevrouw Ortega daar ook over. Die tellen niet mee voor de 90%. Dit waren mijn antwoorden op de wat meer feitelijke vragen. Ik ben altijd bereid om zaken nog eens over te doen.

Wij kunnen twee dingen doen. Ik kan een voorstel doen, want ik wil gewoon verder, maar ik kan ook nog even de tweede termijn afwachten.

De heer Koopmans (CDA): Ik wil dit voorstel horen. Daarvoor zitten wij hier.

De voorzitter: Wij zijn te nieuwsgierig. Ik geef de minister graag de gelegenheid om het voorstel te doen.

De heer Verhoeven (D66): Ik ben het eens met de heer Koopmans dat wij nieuwsgierig zijn, maar ik laat mijn nieuwsgierigheid niet samenhangen met de tweede termijn. Laten wij dus eerst het voorstel aanhoren, maar daarna gewoon nog een korte tweede termijn doen.

De voorzitter: Zeker, mijnheer Verhoeven, u krijgt een korte tweede termijn.

Minister Van Middelkoop: Ik hoop dat ik, ook analytisch, de nodige overtuigingskracht heb opgebracht om duidelijk te maken wat mijn positie is. Dat staat helemaal los van mijn politieke wil of onwil. Ik heb geprobeerd mijn positie uit te leggen. Ik stel het zeer op prijs dat de heer Koopmans binnen de Kamer het voortouw heeft willen nemen om ook eens met de Eurocommissaris te gaan praten, maar daar ga ik niet over. Dat zal ongetwijfeld na de zomer gebeuren. Dat vergt enige tijd en dat moet ik verdisconteren.

Na de zomer komt er een reactie op het onderzoek over de verdere doorwerking van het besluit, waarmee wij bezig zijn. Ik kijk naar mevrouw Ortega, maar dat is ongetwijfeld van belang voor de gehele commissie. Zo nodig, vullen wij dat aan met wat onvolkomenheden uit dit overleg van meer feitelijke en technische aard. Dat zullen mijn ambtenaren goed voor mij bewaken. Wij blijven beschikbaar voor bestuurlijk overleg en technische reacties van Aedes, de Woonbond of wie dan ook, om uit te leggen wat de doorwerking van dit besluit is. Dat is ook mijn verantwoordelijkheid, ook al kan ik er niets aan veranderen naar mijn volle overtuiging.

Ik wil het volgende voorstel doen. Men moet zich dan goed en wel realiseren dat hier een minister zit die een risico neemt. Wij weten welk risico dat is. Nogmaals, dit onderwerp heeft weinig te maken met de formatie, maar ik begrijp best dat onderscheiden Kamerleden misschien de behoefte hebben om mijn opvolger – die naar mijn volle overtuiging exact dezelfde positie zal innemen als ik – dit dossier ook nog eens te laten bekijken. Ik maak even een nattevingerschatting. Wij mogen aannemen, wij mogen hopen, dat wij voor het einde van het jaar een nieuw kabinet hebben en hier een nieuwe minister zit. Ik trek het even heel breed. Ik heb er zelf ook de grootst mogelijke belangen bij dat dit het geval zal zijn, maar dat terzijde. Ik ben bereid om mijn besluit dat nog formeel in de Staatscourant moeten worden gepubliceerd – ik heb dus nog een zekere marge – en per 1 oktober in werking zou treden, uit te stellen tot 1 januari 2011. Dat is het laatste wat ik kan doen. Daarmee durf ik ook nog wel de Europese Commissie te trotseren en eventueel een ingebrekestelling tegemoet te zien. Dit voorstel biedt de Kamer de gelegenheid om met de Europese Commissie te praten en dit dossier nog eens op te nemen met een nieuw kabinet. Verder durf ik niet te gaan, omdat ik vind dat ik onverantwoord bezig ben. Ik loop namelijk het risico – en niet de Kamer – dat ik op lange termijn schade toebreng aan de corporatiewereld in Nederland. Dan zit ik al lang thuis, daar gaat het even niet om. Dat is mijn voorstel.

De voorzitter: Ik dank de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. Ik geef nu de Kamer de gelegenheid voor het uitspreken van een korte tweede termijn. Ik sta geen interrupties toe.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Het eerste deel van het verhaal van de minister leek op dat van een mak lammetje dat zijn hoofd op de slachtbank legt en zegt: doet u maar, slager. Daarbij is de Europese Commissie, zoals de minister het schetste, de slager. Alsof de Commissie helemaal niet zou willen praten of luisteren naar alle nieuwe feiten en argumenten. In de kern draait het daar nog steeds om. De breed gedeelde zorg in deze Kamer is dat het besluit te snel wordt ingevoerd, op dit moment onwerkbaar is en dat bovendien de consequenties voor grote groepen mensen die op zoek zijn naar een betaalbare woning niet te overzien zijn.

In het tweede deel van zijn verhaal meldde de minister zojuist dat hij het besluit wil uitstellen. Het uitstel van deze regeling gaat de goede kant op. De Kamer wil dat deze regeling in ieder geval niet per 1 oktober wordt ingevoerd. De minister kan ook alvast aan de slag gaan met het in kaart brengen van de gevolgen als deze regeling op deze manier, met de huidige inkomensgrens, ingevoerd wordt. Dan kan de nieuwe situatie met een nieuw kabinet besproken worden met de Kamer. Als het nodig is, moet er wel degelijk uitstel gevraagd worden, maar ik begrijp dat de minister dit sowieso zal doen bij de Europese Commissie. Mijn verzoek is: ga ook aan de slag met een onderzoek om alvast de gevolgen van de inkomensgrens in de voorliggende regeling in kaart te brengen.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. Oprechte dank aan de minister omdat hij zich de moeite heeft getroost om in ieder geval gehoor te geven aan onze argumenten en op basis daarvan zelfs in beweging te komen. Dat is gedurfd en dit geeft aan dat hij ons serieus neemt. Dank daarvoor.

D66 kan als pro-Europese partij nooit tegen het voorstel zijn om te gaan praten met de Eurocommissaris. Graag, maar dan moet er wel iets te bespreken zijn. In het licht van wat de minister aan het einde van zijn inbreng naar voren bracht, zou er wat te bespreken kunnen zijn gelet op de tijd die hij daarvoor geeft. Als dat niet het geval is, lijkt zo'n gesprek mij overbodig. Daarover wil ik ook graag de heer Koopmans nog even horen, want hij kan het misschien beter taxeren.

Laat ik maar niet ingaan op de opvolger van de minister op een gegeven moment na de formatie. Ik wil mijn voorspellingswaarde echter niet aan de minister onthouden. Ik denk dat diegene best wel eens een andere opvatting over dit dossier zou kunnen hebben. Dat is niet hypothetisch. Dat weeg ik in ieder geval niet mee in mijn beoordeling.

Dan kom ik op de datum van 1 januari 2011; drie maanden uitstel. Er is kennelijk toch wat mogelijk. Dat doet mij goed. Die durf moet Nederland hebben, want in een goede relatie ben je zelfbewust en durf je soms dingen op het spel te zetten om het beter te maken. Dat wil Nederland in Europa: Europa beter maken door een zelfbewuste positie in te nemen. Daarover wil ik graag even nadenken. Ik neem het voorstel in ieder geval voor dit moment in beraad. Ik vraag de minister wat zijn inschatting is van hetgeen gebeurt als wij de ruimte nemen om nog langer te wachten dan 1 januari 2011. Nogmaals, in ieder geval dank voor dit aanbod.

De heer Monasch (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de boeiende staatsrechtelijke en filosofische discussie die wij kort met elkaar hebben kunnen voeren. Het is belangrijk om dat te doen en zuiver te krijgen waarover wij met elkaar praten, wat ieders bevoegdheid is en hoe je die mag interpreteren. Ik waardeer het ook zeer dat de minister het aanbod doet om de maximale ruimte die hij ziet, in ieder geval in te zetten. Daarbij leg ik nadruk op de maximale ruimte die hij ziet.

Het is voor mijn fractie van groot politiek belang om met een nieuw kabinet te discussiëren over de vraag hoe de herziening van de woningmarkt eruit moet zien. Ik kan niet beoordelen hoe de nieuwe minister dat zal interpreteren. Zoals deze minister moed toont door drie maanden uitstel proberen te bewerkstelligen, kan ik niet in de ziel of het hart van de nieuwe minister kijken om te weten te komen wat die zal doen. Met die aantekening, ben ik buitengewoon blij met de interpretatie van de minister.

De heer Lucassen (PVV): Voorzitter. Ik bedank de minister voor zijn uitleg. Ik kom nog even terug op het feit dat de minister de PVV beticht van het hebben van een vijandbeeld van Europa. Dat is absoluut niet het geval. De PVV is absoluut niet van de vijandbeelden. Het lijkt er wel een beetje op dat de minister juist het vijandbeeld verandert in een beeld van een soort hogere macht waaraan op een bepaald niet meer getornd kan worden. Het doet mij goed dat dit besef ook bij de andere fracties ingedaald is. Wat dat betreft is dit voor iedereen een eyeopener geweest. Voor de PVV was dat al een hele tijd duidelijk.

Wij zijn dankbaar dat de minister de bescheiden stap neemt tot een klein stukje uitstel. Ik word er lichtelijk kriebelig van dat er dan een toontje inzit dat hoe langer wij wachten, hoe groter de kans wordt dat de deal een nog negatievere uitkomst zal hebben. Dat is een vorm van druk die absoluut niet gewenst is. Wij verwachten juist van onze bewindspersonen dat zij zich 100% inspannen om de allerbeste deal eruit te halen. Wij zijn er niet van overtuigd dat wij die goede deal in dit verband al hebben gesloten, ondanks het feit dat de minister dit wel is. Hij zegt dat wij verplicht zijn om de regeling uit te voeren, maar de vorm ligt volgens ons nog open. Daarover zullen wij met zijn opvolger nog uitgebreid spreken.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de minister ook voor de beantwoording van mijn vragen. Hij heeft op een heleboel van mijn vragen echter geen antwoord gegeven. Dat heeft mede te maken met het feit dat die vragen zullen terugkomen in het aangekondigde onderzoek dat onder andere te maken heeft met de implementatie van de regeling en wat dat in de praktijk zal betekenen. Ik heb echter heel duidelijk gevraagd of in het onderzoek een onderscheid wordt gemaakt tussen de effecten op korte en lange termijn en de samenhang met andere ontwikkelingen op de woningmarkt. Ik vraag de minister of hij dat wil meenemen in het onderzoek.

De minister heeft aangegeven dat hij best een notitie wil maken. Dat zou de fractie van de ChristenUnie in ieder geval zeer waarderen. Ik krijg graag nog een reactie van de minister op de juridische onderbouwing van het uitgangspunt van de Woonbond, Aedes en de VNG dat er wel degelijk ruimte is voor uitstel. Ik zou het zeer waarderen als de minister dit meeneemt in de beloofde notitie.

Tot slot heb ik nog een opmerking over de toezegging van de minister voor een uitstel van drie maanden. Ik hoorde de minister zeggen dat hij dit wil doen en de verantwoordelijkheid op zich wil nemen als er sprake is van een bepaald risico. Ik wil graag van de minister horen hoe groot dit risico is. Kan hij de fractie van de ChristenUnie verzekeren dat wij niet tegen de problemen zullen aanlopen die hijzelf heel duidelijk naar voren heeft gebracht in dit overleg?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. De minister heeft in zijn brief en aan het begin van zijn termijn heel duidelijk gesteld dat de landsadvocaat geen enkele ruimte ziet, omdat wij het risico lopen om in gebreke gesteld te worden dan wel dat het resultaat heronderhandeld moet worden. Ik heb in deze Kamer al gezegd dat dit voor rekening komt van de partijen die om uitstel gevraagd hebben. Daarop zullen wij terugkomen.

Ik wil voor de belastingbetaler graag weten wat het betekent als wij in gebreke gesteld worden. Hoeveel kost dat? Dat wil ik graag van tevoren weten. Mijn fractie vraagt namelijk niet om uitstel. Ik wil daarom heel graag duidelijk hebben wie daarvoor verantwoordelijk zijn, zodat wij dat duidelijk kunnen beleggen.

Dan mijn laatste vraag. Hoe groot is de kans dat Nederland in gebreke wordt gesteld als het risico van het uitstel niet zo serieus wordt genomen? Ik neem aan dat de Kamer op het advies van de landsadvocaat moet kunnen vertrouwen.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de gegeven antwoorden. Ik dank hem ook voor de toezegging om ons een aantal notities te sturen. Ik dank hem vooral voor twee dingen. Ten eerste de bereidheid om de datum te verschuiven naar 1 januari 2011. Daarmee is een belangrijk onderdeel van de kritiek van anderen op de administratieve last weggenomen. Dat is een groot voordeel. Ten tweede dank ik de minister voor zijn aangekondigde open houding in de komende maanden – want zo heb ik hem ook verstaan – om op basis van hetgeen in dit overleg en door betrokkenen is opgemerkt, te bekijken of er hier en daar nog een paar knoppen in de regeling gedraaid kunnen worden. Op die manier moet er uiteindelijk een beter resultaat uitkomen. In die zin is het van belang om nog even van de minister te horen wanneer hij deze regeling publiceert. Dat is een momentje dat voor ons interessant kan zijn en van belang is voor de Europese Commissie. Ik deel namelijk de opvatting van de minister over de wijze waarop het juridisch in elkaar zit. Ik begrijp dat heel erg goed. Je kunt de conclusie trekken dat hoe langer je wacht, hoe groter het risico is. Hoe meer je durft, hoe groter de kans is op schadelijke rechtsvervolging. Dat is aan de orde. Daarom moeten wij even goed met elkaar delen wat de data zijn.

Voorzitter: Van der Burg

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Voorzitter. Ik bedank de minister ook voor zijn beantwoording. Het valt mij heel prominent op dat ook deze minister onder druk vloeibaar wordt, maar dan voor een periode van drie maanden. Wij krijgen namelijk eerst een heel verhaal dat het allemaal niet kan, het is onmogelijk, er liggen brieven, het is juridisch gecheckt en ga zo maar door. Ik neem dat heel serieus. Wij krijgen ook een aanbod om ons bij te laten scholen. Ook dat neem ik serieus. De vraag is voor wie dat allemaal nodig is. Ik ga daar niet over en de minister ook niet. Het punt is dat de minister wel doorheeft dat de Kamer breed anders over de kwestie denkt. Als je de regeling nu een paar maanden kunt uitstellen en die tijd gebruikt om de consequenties beter te overzien, is het de vraag of dat niet voor een langere termijn kan. De GroenLinks-fractie is voor uitstel, maar dat betekent op dit moment volgens de formulering van de minister geen afstel. Van het laatste punt ben ik zeker nog niet overtuigd. Wij zijn niet uit op een ingebrekestelling. Laat ik dat erbij zeggen. Dat geldt ook niet voor andere onderwerpen. Wij moeten het echter ook niet verdramatiseren. Dat uitstel is goed, maar ik moet zeggen dat afstel voor de GroenLinks-fractie nog steeds niet van de baan is.

Voorzitter: Van Gent

De voorzitter: Ik geef het woord aan de minister voor zijn beantwoording in tweede termijn. Ik sta ook hierbij geen interrupties meer toe.

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik kan kort zijn in tweede termijn. Dank voor de goede interactie met elkaar en de wijze waarop de meeste van de aanwezige leden hebben gereageerd op mijn voorstel. De leden hebben goed begrepen dat ik er op de een of andere manier wil uitkomen.

De heer Verhoeven complimenteerde mij vanwege de durf die Nederland moet hebben. Misschien is dat een oproep. De heer Monasch zei dat de minister moed toont. Mevrouw Van der Burg vroeg echter volkomen terecht wat de ingebrekestelling betekent. Die vraag mag zij zeker aan mij stellen, omdat ik de landsadvocaat heb geraadpleegd. Dat is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Houd me ten goede, want ik ben niet ongevoelig voor complimentjes. Het is voor mij echter vrij gratuit om moed te tonen, lef te hebben, waar het ten slotte neerkomt bij anderen, bij de corporaties. Dat moet men zich goed realiseren. Ik ben dus volkomen transparant over de inschatting van het risico dat wij nemen. Wij hebben de vorige keer de landsadvocaat in huis gehaald en ik heb daarover gerapporteerd in mijn brief. Zo bouwen wij het dossier verder op. Ik zeg zeker tegen mevrouw Van Gent dat moet worden meegewogen wat van mij wordt gevraagd. Zij vraagt echt onverantwoord om nog eens aan uitstel te denken.

Ik wil mijn eigen positie op een belangrijk punt nog ietsje amenderen. Het besluit van de Europese Commissie heeft namelijk niets te maken met de formatie in Nederland. De Europese Commissie besluit op basis van de bevoegdheden in de verdragen en onderliggende verordeningen. Daar kan ik niets aan veranderen, want dat is de juridische werkelijkheid waarin wij leven. Een belangrijk deel van de mogelijke voortzetting van het debat tussen mij, of misschien snel mijn opvolger, en de Kamer, gaat over de verdere uitwerking en betekenis van dit besluit van de Europese Commissie. Dat kan interfereren met andere besluiten die wellicht aan de formatietafel worden gemaakt over een mogelijke herstructurering van de volkshuisvesting, al dan niet op de hoge schaal van D66 of misschien wat meer bescheiden. In die zin wil ik best proberen om de informatie die ik sowieso aan de Kamer zou geven, van betekenis te laten zijn voor het totaalplaatje van de formatie. Mogelijkerwijs is dat het geval. Even terzijde: ik heb zo-even alle ambtelijke verloven ingetrokken. Dat is mijn verantwoordelijkheid, want er moet gewerkt worden van de zomer. Dat mag duidelijk zijn. Dat is een grapje.

Ik zal in kaart brengen wat de gevolgen van het besluit zijn. Daarmee was ik overigens al bezig, mevrouw Karabulut. Ik zeg tegen haar en mevrouw Ortega, eigenlijk tegen iedereen, dat ik daarin de inmiddels bekende kritiek uit het RIGO-rapport zal meenemen. Daarop zal ik ook reageren. Sta mij toe om dat op een samenhangende manier te doen. Ik zal dit ook doen met het oog op de sector, zodat iedereen in de sector weet wat het betekent als het besluit wordt geëffectueerd.

De heer Verhoeven vroeg mij of ik een inschatting kan geven van de betekenis van een langer uitstel dan 1 januari 2011. Dat is precies dezelfde vraag over de ingebrekestelling. Dat kan ik niet. Ik kan alleen maar zeggen dat wij een risico lopen. Tenslotte gaat het Hof van Justitie erover. Ik zeg: help mij een beetje. Als de Kamer straks in september met Eurocommissaris Andor praat – want die start zo'n procedure – komt hij een Kamer tegen die geëngageerd is bij dit onderwerp. Ik mag hopen dat dit effect heeft in de verdere werkwijze van de heer Andor. Hij moet dan constateren dat het Nederlandse kabinet inmiddels de vertraging van negen maanden naar één jaar heeft geaccepteerd. Misschien kunnen wij elkaar een beetje helpen.

Ik heb de vragen van de heer Lucassen impliciet al beantwoord. Ik kan hem nogmaals wijzen op het advies van de landsadvocaat. Hij wierp mij voor de voeten dat ik gezegd heb: hoe langer wij wachten, hoe riskanter. Dat is zo, ik kan niet anders. Ik heb niet voor niets de landsadvocaat om advies gevraagd. Op een gegeven moment moet je elkaar vertrouwen en zo'n advocaat op z'n juridisch gehalte vertrouwen. Dit zijn de effecten daarvan.

Mevrouw Ortega vroeg naar effecten op korte en lange termijn. Wij zullen de Kamer daarover naar ons beste vermogen informeren in de aangekondigde juridische notitie. Ik hoop dat die tijdig klaar is, want daaraan kan de Kamer misschien iets hebben als zij met Eurocommissaris Andor voor sociale zaken praat of met Eurocommissaris Almunia voor mededinging, hoewel ook Eurocommissaris Andor over dit dossier uitspraken heeft gedaan. De Europese Commissie is tegenwoordig ook heel groot. Ik ga echter niet over het uitnodigingsbeleid van de Kamer.

De voorzitter: Minister, kunt u ook bij zo'n afspraak aanwezig zijn? Als wij overigens niet eens weten wie het zijn, dan hebben wij echt een probleem.

Minister Van Middelkoop: Toenmalig minister Van der Laan heeft met toenmalig Eurocommissaris Kroes voor mededinging onderhandeld. Inmiddels is de Commissie uitgebreid en veranderd. Daar komen wij wel uit.

Ten slotte kom ik op een belangrijke slotvraag, namelijk wanneer ik de regeling publiceer. Ik constateer heel voorzichtig dat er in de Kamer sprake is van enige instemming met de beweging die ik heb gemaakt. Als de Kamer het wenselijk acht, kunnen wij elkaar sowieso na de zomer nog een keer treffen. De minister voor WWI is daarvoor beschikbaar, wie dat dan ook is. Op grond van algemene regelgeving voor de bekendmaking van nieuwe regels ben ik verplicht om twee of drie maanden voordat deze in werking treden, die officieel bekend te maken. Dat moet ik even uitzoeken, maar dat meld ik wel in de juridische notitie. Burgers en instituties moeten namelijk weten wanneer er nieuwe rechtsplichten op hen afkomen. Daarvoor zijn er keurige regels en hebben wij de Staatscourant. Dat wordt 1 oktober of 1 november, maar dat meld ik dus even in de desbetreffende notitie. Ik beloof dat wij op dit moment afscheid kunnen nemen met mijn bereidheid tot uitstel tot 1 januari 2011. De publicatie van het besluit zal eerder verschijnen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik heb een vraag gesteld over het risico en de kosten.

Minister Van Middelkoop: Ik hoop dat die vraag niet belangrijk blijkt te zijn, maar die is op dit moment zeer belangrijk. Ik kan die vraag niet inhoudelijk beantwoorden, want de Europese Commissie start op enig moment de procedure voor ingebrekestelling en zegt: Nederland, u doet niet wat u moet doen. Het Hof van Justitie doet daarover ten slotte een uitspraak. Dat is een zelfstandige rechtsinstelling. Ik kan en durf er niet op vooruit te lopen wat het Hof van Justitie zal oordelen en sanctioneren op dit punt. De Kamer kan dat ook nog eens bespreken met de Eurocommissaris. Die heeft ongetwijfeld op grond van een Europese achtergrond een soort gevoel voor schaal en proporties. Daarin ben ik overigens ook wel geïnteresseerd en ik zal zorgen dat diegene ook bij mij langskomt. Ik kan echter niet vooruitlopen op een gerechtelijke uitspraak.

De voorzitter: Ik vraag of er behoefte is aan een VAO. Er wordt geknikt, dus dan melden wij dat aan. Dat VAO vindt later vandaag plaats, omdat morgen het zomerreces begint.

Rest mij nog de toezeggingen te formuleren. De eerste is toezegging is dat het onderzoek over de vraag hoe woningcorporaties met de nieuwe regels omgaan en de betekenis van de regeling in de praktijk, kort na de zomer naar de Kamer wordt gestuurd.

Een tweede toezegging is een reactie op het RIGO-onderzoek dat 665.000 huishoudens door deze regeling tussen wal en schip belanden. Daarover moeten wij ook opheldering krijgen.

Een derde toezegging is een juridische notitie over de effecten van de desbetreffende regeling en de belofte van de minister dat de invoering van de voorliggende regeling uitgesteld wordt tot 1 januari 2011.

Minister Van Middelkoop: Ik wil over het laatste punt voor de zorgvuldigheid het volgende opmerken. Ik heb gezegd dat ik mijn besluit om de regeling per 1 oktober in werking te laten treden uitstel tot 1 januari. Formeel moet ik dat besluit nog publiceren. Dat is de relevantie van de vraag van de heer Koopmans. Het is een politiek besluit dat nog een formele vertaling moet krijgen, maar voor die tijd zien wij elkaar nog.

De heer Koopmans (CDA): Omdat iedereen zo enthousiast was over mijn voorstel, ga ik ervan uit dat er geen procedurevergadering nodig is om direct na het reces een gesprek te hebben met de verantwoordelijke Commissarissen. Eén of twee, dat zien wij nog wel.

Ik zeg tegen de heer Verhoeven dat wij dit al een paar keer eerder hebben gedaan. Tot nu toe heb ik nog nooit meegemaakt dat er minder ruimte was dan wij dachten. Er was bijna altijd meer ruimte. Laat het gesprek dus maar komen.

De voorzitter: Er komt een procedurevergadering of wij doen dit af via een e-mailprocedure waarbij de leden niet allemaal fysiek aanwezig hoeven te zijn. Mijnheer Koopmans, dat is even iets correcter.

Ik sluit dit algemeen overleg. Ik dank de minister en zijn medewerkers voor hun aanwezigheid. Ik hoop dat zij nog wel enige vakantie krijgen. Wij zien elkaar straks bij het VAO.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks, fungerend voorzitter), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Koopmans (CDA), Sterk (CDA), De Krom (VVD), Jansen (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van der Burg (VVD), Thieme (PvdD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP), Dibi (GroenLinks), Wolbert (PvdA), Marcouch (PvdA), Lucassen (PVV), Azmani (VVD), Verhoeven (D66), Koolmees (D66) en Van Klaveren (PVV).

Plv. leden: Van Haersma Buma (CDA), El Fassed (GroenLinks), Dijkgraaf (SGP), Van Dekken (PvdA), Blok (VVD), Bouwmeester (PvdA), Van Hijum (CDA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van Nieuwenhuizen (VVD), Van Gerven (SP), Voordewind (ChristenUnie), Zijlstra (VVD), Driessen (PVV), Bashir (SP), Voortman (GroenLinks), Heijnen (PvdA), Monasch (PvdA), Brinkman (PVV), Neppérus (VVD) en Hernandez (PVV).