29 452 Tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel

Nr. 230 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 februari 2019

In het Pieter Baan Centrum (PBC) worden mensen onderzocht die verdacht worden van het plegen van ernstige misdrijven. De gedragsdeskundigen van het PBC adviseren de rechter middels een pro Justitia-rapportage (pJ-rapportage) onder andere over de aanwezigheid van een stoornis, de kans op recidive en een eventuele noodzakelijke behandeling van de verdachte. Soms weigeren verdachten mee te werken: van de personen die tussen 2002 en 2017 in het PBC werden onderzocht, weigerde gemiddeld 39 procent volledig en 12 procent gedeeltelijk mee te werken.1 Dit kan de onderzoeksopbrengst verkleinen, waardoor de rechter minder zicht krijgt op de verdachte en de noodzaak voor het opleggen van een interventie of maatregel. Dit vind ik onwenselijk, gelet op de mogelijk ernstige consequenties voor de veiligheid van de samenleving. Zoals ik in mijn brief van 8 oktober 2018 aan uw Kamer aangaf, neem ik daarom maatregelen om de problematiek van de weigerende observandi aan te pakken.2 Dit doe ik onder andere door de wet te verduidelijken om onduidelijkheid weg te nemen over de mogelijkheden om de tbs-maatregel op te leggen. Onderdeel van de aanpak is daarnaast te onderzoeken of de onderzoeksopbrengst bij weigerende verdachten kan worden vergroot. Sinds april 2017 loopt een pilot in het PBC met een speciaal daartoe ingerichte afdeling waar een intensiever observatieklimaat is gecreëerd. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft de pilot gedurende de periode april 2017 tot april 2018 geëvalueerd. Hierbij bied ik u de eindevaluatie van de pilot aan3.

Conclusies WODC-evaluatie

Het WODC concludeert dat sprake is van een voorzichtig positief effect van de speciale weigerafdeling. Gedurende de pilot zijn 47 weigerende verdachten op de weigerafdeling onderzocht. In dezelfde periode zijn 179 verdachten op de reguliere afdelingen van het PBC onderzocht. De onderzoeksopbrengst (de mate van beantwoording van de vragen in de pJ-rapportage) bij de 47 verdachten op de weigerafdeling is afgezet tegen de onderzoeksopbrengst bij een gematchte controlegroep van 47 weigerende verdachten, die vóór de opening van de weigerafdeling op de reguliere afdelingen verbleven. Uit de WODC evaluatie volgt dat de onderzoeksopbrengst op de weigerafdeling groter is dan de onderzoeksopbrengst bij de controlegroep. Onder andere is een stoornis vastgesteld bij 49 procent van de verdachten op de weigerafdeling, ten opzichte van 34 procent van de controlegroep. Bij 23 procent van de verdachten op de weigerafdeling is een oordeel gegeven over het algemeen recidiverisico, ten opzichte van 11 procent van de controlegroep. Ook is bij 43 procent van de verdachten op de weigerafdeling gelijktijdigheid van stoornis en delict vastgesteld, ten opzichte van 30 procent van de controlegroep.

Het WODC stelt dat vanwege de relatief kleine aantallen onderzochten in de evaluatie, methodologisch gezien alleen grote effecten kunnen worden vastgesteld; kleine of gemiddelde effecten zijn lastig meetbaar. Desalniettemin stelt het WODC vast dat sprake is van een voorzichtig positief effect van de weigerafdeling. Dit omdat de meest hardnekkig weigerende verdachten op de weigerafdeling zijn geplaatst: er zou reeds van een positief effect kunnen worden gesproken als de onderzoeksopbrengst gelijk zou zijn geweest aan die van de controlegroep. Nu de gemeten onderzoeksopbrengst op de weigerafdeling groter is dan de onderzoeksopbrengst bij de controlegroep, concludeert het WODC een voorzichtig positief effect.

Reactie

Het werk dat het PBC heeft verricht met de speciale weigerafdeling is een belangrijke schakel in het totaal aan maatregelen om de problematiek van de weigerende observandi aan te pakken en het effect van een weigering zoveel mogelijk te mitigeren. Ik zie voldoende aanleiding in de evaluatie van de pilot om de speciale weigerafdeling te bestendigen. De lessen van de weigerafdeling worden tevens toegepast op de overige afdelingen van het PBC. Iedere observandus – niet alleen de hardnekkige weigeraar – krijgt in het vervolg te maken met een intensief observatieklimaat. Daardoor vergroten we de onderzoeksopbrengst bij alle observandi en verkleinen we het risico dat een justitiabele niet de behandeling krijgt die nodig is.

Zoals ik heb toegezegd in mijn brief van 8 oktober 2018 (Kamerstuk 29 452, nr. 229) zal ik met de evaluatie van de Wet forensische zorg, voorzien in 2022, onderzoeken wat de effecten zijn van mijn aanpak ten aanzien van de problematiek van de weigerende observandi. Daarin zal ik ook de resultaten van het bestendigde weigerbeleid van het PBC bezien.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 29 452, nr. 229.

X Noot
2

Kamerstuk 29 452, nr. 229.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven