29 452
Tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel

nr. 19
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 maart 2005

De vaste commissie voor Justitie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Justitie naar aanleiding van de antwoorden op schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen II, nr. 487, vergaderjaar 2004–2005) en de brief van 21 december 2004 (just041 162) inzake de moordzaak te Doetinchem waarvan de verdachte eerder tot een tbs met voorwaarden was veroordeeld.

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 17 maart 2005. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de commissie,

Coenen

Vragen en antwoorden

1

Is er overleg geweest met de reclassering over de mogelijkheid om betrokkene op te laten nemen in een rijksinrichting, omdat die – anders dan FPK's – wel kunnen worden verplicht tot opname en omdat al voor de uitspraak duidelijk was dat diverse particuliere inrichtingen «hadden geweigerd om hem op te nemen vanwege de ernst van de problematiek en de ongemotiveerdheid van de verdachte»? Zo neen, waarom niet?

Het gerechtshof heeft bij arrest van 21 oktober 2004 bepaald dat de verdachte mee dient te werken aan een (eventuele) intake en zich zal laten opnemen in de FPK Assen dan wel FPK Eindhoven, of een andere door de reclassering Nederland aan te wijzen instelling. Overleg met de reclassering om betrokkene te laten opnemen in een rijksinrichting was niet aan de orde, omdat het vonnis zulks niet omvatte. Bovendien zijn rijksinrichtingen primair bestemd voor personen aan wie een tbs met dwangverpleging is opgelegd.

2

Waarom hebben FPK's geen opnameplicht en acht u het wenselijk dit zo te houden? Zo neen, hoe kunt en wilt u dat gaan veranderen?

In het onderhavige geval ging het om een vonnis van tbs met voorwaarden. De voorwaarden betreffen primair de veroordeelde en niet de in de voorwaarden genoemde instelling. De veroordeelde wordt in het vonnis verplicht zich op te laten nemen, een dergelijke verplichting kan bij vonnis niet aan een FPK worden opgelegd. De opname geschiedt derhalve volgens de algemeen geldende regels.

In de AWBZ is niet voorzien in een opnameplicht voor GGz-instellingen. De AWBZ hanteert het volgende systeem. Het zorgkantoor sluit namens de uitvoeringsorganen van de AWBZ overeenkomsten met zorginstellingen, in casu de Algemeen Psychiatrische Ziekenhuizen, waar de FPK's deel van uitmaken.

In die overeenkomsten verplicht het zorgkantoor zich tot het betalen van de kosten van de geleverde zorg. De AWBZ kent een zorgplicht voor het zorgkantoor. Het zorgkantoor verlangt als tegenprestatie dat de instelling de zorg levert aan de verzekerden die daarop zijn aangewezen. Feitelijk kan de overeenkomst leiden tot opname door de betrokken instelling.

In de praktijk echter weigeren GGz-instellingen regelmatig personen met een justitiële titel op te nemen. Dit probleem wordt onderkend. Momenteel wordt door VWS, Financiën en Justitie overleg gevoerd over de positionering, aansturing en verantwoordelijkheidsverdeling van de forensische zorg. Een opnameplicht voor FPK's is onderwerp van dit overleg.

3

Kan omzetting wel worden gevraagd op basis van feiten of omstandigheden die plaatsvinden of veranderen voordat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, mede gelet op het gegeven dat de regeling ongeveer analoog is aan de voorwaardelijke veroordeling en buiten twijfel is dat de rechter daar de tenuitvoerlegging wel kan gelasten terzake van strafbare feiten die zijn begaan voordat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan?

In het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1981 (NJ 1981, 240) werd bepaald dat de rechter de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf kan bevelen ten aanzien van strafbare feiten die werden gepleegd voor het in kracht van gewijsde gaan van de voorwaardelijke veroordeling. Inderdaad valt niet in te zien waarom dit bij de TBS met voorwaarden anders zou zijn, nu beide systemen in dit opzicht in hoge mate vergelijkbaar zijn. Voor de TBS met voorwaarden geldt bovendien dat de omzetting naar een TBS met bevel tot verpleging kan worden gevorderd zonder dat de voorwaarden zijn overtreden doch anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist. Overigens geldt in beide systemen dat een dergelijke vordering pas kan worden ingesteld nadat het vonnis onherroepelijk is geworden.

4

Zo ja, waarom wordt dan kennelijk toch niet onmiddellijk na de uitspraak feitelijk invulling gegeven aan het toezicht?

Dat niet onmiddellijk na de uitspraak uitvoering wordt gegeven aan het toezicht is in onderhavige casus het gevolg van het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk was. Omdat betrokkene ter zitting waar de uitspraak werd gedaan niet meteen afstand deed van rechtsmiddelen, had hij nog veertien dagen de tijd om cassatie in te stellen. Gedurende die periode (alsook de tijd van behandeling in cassatie) is er geen juridische titel voor toezicht. Die titel is er immers pas wanneer het vonnis onherroepelijk is. In het onderhavige geval is desondanks door de reclassering wel het nodige contact gehouden met betrokkene.

5, 6 en 7

Was er op basis van de constateringen dat de verdachte «voor veel overlast voor zijn ouders en de buurt zorgt» en de «escalatie» op 26 oktober 2004 geen enkel vermoeden van het plegen van strafbare feiten zoals bedreiging, mishandeling of vernieling?

Zo dat wel het geval was, waarom is hij daarvoor dan – gelet op zijn persoon en zijn verleden – niet aangehouden en in verzekering gesteld, temeer omdat toen al bekend was dat hij zich niet aan de voorwaarden zou gaan houden, en kort daarna de omzettingsprocedure in gang gezet?

Zo dat niet kon, waarom niet en waaruit bestonden die overlast en die escalatie dan wel?

Er was op 26 oktober 2004 geen concreet vermoeden dat de verdachte zich (opnieuw) schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Niet alle overlast levert onmiddellijk een strafbaar feit op. Een en ander speelde zich op die datum met name af in de huiselijke kring. Betrokkene veroorzaakte in het huis van zijn ouders, waar hij verbleef, geluidsoverlast door het draaien van harde muziek. De buren hebben daarover geklaagd. De escalatie bestond eruit dat de verdachte door zijn ouders de deur werd gewezen.

8

Was voor 31 oktober 2004 bij de politie op geen enkele wijze bekend dat betrokkene «onder invloed van amfetaminen» door Doetinchem zwierf?

Betrokkene is in de stad gesignaleerd door de politie maar zijn gedrag gaf op dat moment geen aanleiding om hem aan te houden, bijvoorbeeld in het kader van de openbare orde en veiligheid. Op 1 november 2004 vond een insluiping in een school plaats waarbij het signalement van betrokkene naar voren kwam. Aan de hand van dat signalement is betrokkene door de politie opgespoord en aangehouden terzake van diefstal (van een portemonnee). Vervolgens is betrokkene aangemeld bij het Openbaar Ministerie te Zutphen ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris.

9

Houdt uw juridische analyse in dat er door het OM feitelijk zeer langdurig niet kan worden opgetreden als de veroordeelde – zoals hier – na de veroordeling niet alleen woordbreuk pleegt – tbs met voorwaarden kan immers alleen wanneer een verdachte zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden – maar vervolgens (ook nog eens) in beroep of cassatie gaat?

Dit kan inderdaad het geval zijn. Overigens betekent het instellen van cassatie niet automatisch dat betrokkene zijn bereidverklaring ten aanzien van de voorwaarden intrekt. Voor het instellen van cassatie kunnen immers vele redenen bestaan. In mijn antwoord op vraag 14 ga ik nader in op de achtergronden en mogelijkheden van het strafrechtelijke systeem.

10

Kan daaruit voorts worden opgemaakt dat het OM ieder toezicht achterwege laat tot de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan?

Nee, het enige dat hieruit kan worden opgemaakt is dat het OM op grond van het gewezen arrest geen strafrechtelijke titel heeft om toezicht te houden. Dat betekent bijvoorbeeld dat er (nog) geen vordering ex artikel 38c Sr kan worden ingediend. Zoals uit de eerdere antwoorden in deze zaak blijkt, is het OM wel bij de zaak betrokken gebleven. In mijn antwoord op vraag 14 zal aan de orde komen dat het openbaar ministerie op grond van de Wet Bopz een vordering kan indienen tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Dit kan ook gezien worden als een vorm van toezicht, daar waar de mogelijkheden van het strafrecht beperkt zijn.

11

Zo ja, waarom stelt u dan dat de wettelijke regeling geen aanpassing behoeft? Stelt u zich nog steeds op dat standpunt?

Zie het antwoord op vraag 14.

12 en 13

Hoe interpreteert u het tweede gedeelte van artikel 38c Sr, dat omzetting ook kan plaatsvinden indien (anderszins) het belang van de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist?

Is naar uw oordeel omzetting eveneens niet mogelijk indien het belang van de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of goederen dat wel eist, maar de uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan (zoals in het geval dat een betrokkene na veroordeling in eerste aanleg toch in hoger beroep of in cassatie is gegaan) en bijvoorbeeld de psychische toestand van de veroordeelde wel (sterk) verslechtert?

Het tweede deel van artikel 38c Sr biedt de mogelijkheid om omzetting van een TBS met voorwaarden in een TBS met bevel tot verpleging te bevelen indien het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen zulks eist. Gelet op de wettelijke regeling dat de TBS met voorwaarden eerst ingaat nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen, kan een dergelijke vordering c.q. beslissing pas worden ingediend resp. worden genomen nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Dit geldt ook in het geval de omstandigheden die aanleiding zijn voor omzetting zich voor onherroepelijk worden van het vonnis hebben voorgedaan (zie antwoord op vraag 3).

14

Zo ja, acht de u die situatie wenselijk?

Ontegenzeglijk ontstaat er spanning tussen het belang van de overheid om zo snel mogelijk tot tenuitvoerlegging van een vonnis over te gaan en het belang van de verdachte om zijn zaak aan een hogere rechter voor te leggen die dat vonnis kan vernietigen. Dit klemt het meeste als de verdachte de feiten waarop de veroordeling is gebaseerd, betwist. Dan betwist hij immers ook dat aan hem enige straf of maatregel mag worden opgelegd. Datzelfde geldt als hij de noodzaak van behandeling ontkent.

Algemeen uitgangspunt in het strafprocesrecht is dat een vonnis eerst ten uitvoer kan worden gelegd als het in kracht van gewijsde is gegaan. De ratio daarvan is dat de grondslag voor overheidsoptreden ondubbelzinnig door de rechter moet worden vastgesteld. Als die grondslag later niet aanwezig blijkt te zijn, omdat een hogere rechter tot een ander oordeel is gekomen, kan schadevergoeding het overheidsoptreden slechts ten dele compenseren.

Het strafrechtelijk systeem kent rechtsmiddelen. Het staat de verdachte vrij – binnen zekere grenzen – om hoger beroep en cassatie in te stellen tegen een beslissing van de rechter. Gedurende de termijn van het instellen van een rechtsmiddel en de periode waarin de procedure loopt, kan met de tenuitvoerlegging van een vonnis geen aanvang worden gemaakt. Het is immers nog niet onherroepelijk. Een systeem zoals dat in het burgerlijk recht voorkomt, waarbij beslissingen van de rechter uitvoerbaar bij voorraad zijn kent het strafrecht niet. Wel kent het strafrecht dwangmiddelen welke kunnen worden toegepast in het kader van het strafproces. De detentie die is ondergaan op grond van de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis, kan achteraf gelden als detentie voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. Artikel 27 Sr verplicht tot verrekening achteraf.

Indien een rechtsmiddel wordt ingesteld en betrokkene verbleef tot op dat moment in voorlopige hechtenis, kan deze vrijheidsbeneming voortduren in hoger beroep en cassatie. Dan staan ook de mogelijkheden van schorsing van de voorlopige hechtenis open, in welk kader toezicht op de verdachte kan worden gehouden. Deze regel wordt beperkt door het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv. Indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel zal worden opgelegd, moet hij in vrijheid worden gesteld. Dit geldt ook wanneer de voorlopige hechtenis langer dreigt te duren dan de duur van de op te leggen straf of maatregel. De ratio van deze bepaling is dat het dwangmiddel van voorlopige hechtenis met voorzichtigheid moet worden toegepast. Dat geldt niet alleen voor de voorlopige hechtenis doch ook voor de schorsing daarvan. Beide lopen immers vooruit op een vonnis van de rechter dat nog niet is gegeven; de definitieve titel voor de vrijheidsbeneming is immers nog niet onherroepelijk.

De uitkomst van het bovenomschreven systeem is echter, zoals blijkt uit het voorgaande, niet in alle gevallen bevredigend. In dit kader zal ik nader onderzoeken of invoering van een nieuw instrument (bijvoorbeeld een dwangmiddel of voorlopige maatregel) op te leggen door de strafrechter een oplossing voor dit probleem kan bieden. In dat kader zal tevens worden bezien hoe groot het probleem in de praktijk is. Zoals ik reeds in mijn brief van 21 december 2004 heb aangegeven kan toepassing van de Wet Bopz in dergelijke gevallen ook uitkomst bieden. Een wetswijziging inhoudende dat de onherroepelijkheid van het vonnis geen vereiste meer is voor tenuitvoerlegging acht ik op voorhand te vergaand.

15 en 16

Moet uit het feit dat de burgemeester niet is geïnformeerd worden afgeleid, dat de inschatting is gemaakt dat de openbare orde op geen enkele wijze in het geding kon komen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat met de uitlating van de officier van justitie ter zitting dat betrokkene een «wandelende tijdbom» is?

Blijft u het niet wenselijk en nodig vinden dat burgemeesters in situaties als deze actief worden geïnformeerd of zou u in overweging willen nemen om (ook) in situaties als deze de burgemeester wel te informeren?

Het Openbaar Ministerie kan in het belang van de veiligheid of de openbare orde de burgemeester en politie informeren over de invrijheidstelling van een terbeschikkinggestelde. Overigens is er geen richtlijn of aanwijzing die bepaalt dat het Openbaar Ministerie de burgemeester in een geval van een vrijlating waarbij een terbeschikkingstelling met voorwaarden aan de orde is, dient te informeren. Naar ik van het Openbaar Ministerie heb begrepen, is over betrokkene geen informatie gegeven omdat naar het oordeel van de deskundigen die aan het gerechtshof hebben gerapporteerd en het gerechtshof zelf betrokkene tot dan toe nooit blijk had gegeven van een mate van gewelddadigheid waarop beveiliging van een tbs-kliniek het enige denkbare antwoord zou zijn. Blijkens de justitiële documentatie had betrokkene zich tot dan toe voornamelijk schuldig gemaakt aan vermogensdelicten en een enkele maal aan straatroof (tasjesroof). Daarnaast was de uitspraak van het gerechtshof op het moment van invrijheidsstelling nog niet onherroepelijk en dus nog niet vrijgegeven voor executie. Nu het belang van de veiligheid of de openbare orde niet ernstig in het geding leken te zijn, kan ik mij deze beslissing indenken.

17, 18 en 19

Is het waar dat betrokkene inmiddels opnieuw wordt verdacht van een ernstig geweldsincident, gepleegd in het Huis van Bewaring?

Zo ja, kunt u daar in algemene bewoordingen iets over melden?

Wat is gedaan om te voorkomen dat betrokkene, met dit gewelddadige verleden en in deze psychische toestand, kon beschikken over slag- of steekwapens of als zodanig te gebruiken voorwerpen en buiten toezicht in contact kon komen met medegedetineerden?

Betrokkene wordt inderdaad verdacht van een ernstig geweldsincident dat hij heeft gepleegd in de penitentiaire inrichting Achterhoek, locatie Zutphen. Hij was in dit huis van bewaring op een kleine afdeling geplaatst, waar ook andere tbs-passanten verblijven. Zijn gedrag tijdens detentie werd als rustig gekwalificeerd, waardoor er geen aanleiding was om bijzondere maatregelen te treffen.

Het incident op 6 januari 2005 gebeurde onverwacht en kon niet door het personeel worden voorzien. De verdachte heeft zonder (bekende) aanleiding een medegedetineerde met een tafelmes 10 à 15 messteken toegediend. Ik betreur het zeer dat dit incident heeft plaatsgevonden; het slachtoffer is inmiddels uit het ziekenhuis ontslagen en verblijft in redelijke goede conditie weer in een penitentiaire inrichting.

20

Is er al een omzettingsprocedure in gang gezet? Zo ja, wanneer? Zo neen, waarom niet?

Er is geen omzettingsprocedure in gang gezet. Het Openbaar Ministerie acht het niet opportuun om omzetting te vragen omdat het nieuwe feit / de nieuwe feiten in relatie tot de psychiatrische rapportages uit het verleden zullen leiden tot een eis van gevangenisstraf – de duur daarvan is afhankelijk van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte – en een tbs met dwangverpleging. Er is nieuwe rapportage gevraagd omdat de toerekeningsvatbaarheidsvraag voor de nieuwe feiten niet zonder meer beantwoord kan worden op basis van de oude rapportages.

21

Hoe vaak wordt jaarlijks TBS met voorwaarden opgelegd?

In 2003 werd 56 maal en in 2004 werd 76 maal een tbs met voorwaarden opgelegd.

22

Is de mate van blijvende delictgevaarlijkheid een relevant criterium bij het onderscheid tussen TBS met voorwaarden en TBS met dwangverpleging en/of zijn er nog andere relevante criteria?

De mate van delictgevaarlijkheid is een relevant criterium bij dit onderscheid. De rechter moet immers op basis hiervan inschatten of het gevaar dat betrokkene voor de samenleving veroorzaakt opname in een tbs-inrichting vereist of dat de behandeling ook buiten deze situatie van vrijheidsontneming kan plaatsvinden. Bij een tbs met voorwaarden wordt het delictgevaar zodanig ingeschat dat het verantwoord is om betrokkene in de samenleving onder toezicht te behandelen.

Blijvende delictgevaarlijkheid is een criterium dat gehanteerd wordt bij de bepaling of een tbs-gestelde met dwangverpleging in een longstay afdeling geplaatst kan worden. Bovendien betrekt de rechter de mate van delictgevaarlijkheid bij de bepaling of de tbs moet worden verlengd.

23

Zijn motivatie en behandelbaarheid relevante criteria voor het al dan niet ondergaan van een TBS-behandeling?

De belangrijkste factor bij oplegging van een tbs-maatregel is de beveiliging van de samenleving. Motivatie is een relevant criterium voor het ondergaan van een tbs-behandeling. Bij het opleggen van tbs met voorwaarden speelt motivatie een belangrijke rol, omdat deze vorm van tbs geen vrijheidsontneming met zich mee brengt. Daarom is bepaald dat betrokkene zich bereid moet verklaren tot naleving van de voorwaarden die gericht zijn op behandeling.

Bij het opleggen van een tbs met dwangverpleging speelt motivatie minder. In die gevallen is de beveiliging van de samenleving doorslaggevend. Voor tbs-gestelden met dwangverpleging geldt dat regelmatig sprake is van een beperkte motivatie voor een behandeling. Het verblijf in een tbs-inrichting beoogt die motivatie te bevorderen. Medewerking aan behandeling kan leiden tot vooruitgang in de behandeling en uiteindelijk eventuele resocialisatie van de tbs-gestelde. Indien dit het niet het geval is, kan de tbs worden verlengd.

24

Hoe groot schat u de groep van TBS'ers die momenteel in een TBS-inrichting verblijven en die dwangverpleging hebben opgelegd gekregen en niet gemotiveerd en/of behandelbaar zijn?

Hoe groot de groep niet-gemotiveerden is, is onbekend. Met betrekking tot de behandelbaarheid kan ik gegevens verstrekken daar waar het gaat om blijvende delictgevaarlijkheid.

Bij brief van 25 november 2004 (TK 2004–2005, 29 452, nr 14) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek van het WODC naar blijvend delict gevaarlijkheid. In het onderzoek worden criteria voor het begrip «blijvend delictgevaarlijk» gehanteerd, die ruimer zijn dan de criteria die momenteel worden gehanteerd voor plaatsing op een long-stay afdeling. Deze laatste criteria gaan uit van een beperktere categorie tbs-gestelden, te weten van diegenen die in een voorziening dienen te worden geplaatst die een hoog veiligheidsniveau bezit (het niveau van een tbs-kliniek). Door toepassing van de ruimere criteria van het WODC-onderzoek worden ook tbs-gestelden als blijvend delictgevaarlijk gekwalificeerd die een voorziening nodig hebben, waarin met een lager veiligheids- en zorgniveau kan worden volstaan, om te voorkomen dat ze opnieuw in herhaling vervallen. Dat kunnen voorzieningen buiten de tbs-sector zijn.

Op basis van deze brede benadering wordt een relatief groot aantal tbs-gestelden als blijvend delictgevaarlijk aangemerkt: 42% van de populatie in tbs-klinieken en 35% van de populatie van de onderzochte GGz-instellingen.

Binnen deze populaties is differentiatie mogelijk. Niet iedereen die blijvend delictgevaarlijk is, heeft uiteindelijk hetzelfde zorgniveau of veiligheidsniveau nodig om het delictgevaar onder controle te houden. Dit kan per individu verschillend zijn. Uit het onderzoek blijkt dat er een grote variatie aan mogelijke voorzieningen bestaat, waar voldoende zorg en beveiliging kan worden geboden aan blijvend delictgevaarlijke patiënten.

Het begrip behandelbaarheid bestaat uit verschillende factoren. Behandelmotivatie waaronder probleembesef is niet vanzelfsprekend bij gedwongen opgenomen patiënten en kan bijdragen aan de inschatting of een tbs-gestelde blijvend delictgevaarlijk is.

25

Hoe groot schat u de groep van gedetineerden die wel toerekeningsvatbaar zijn en waarbij geen TBS is opgelegd, maar die vanwege een psychiatrische stoornis en/of verslaving blijvend delictgevaarlijk zijn?

Geschat wordt dat rond 40% van de gedetineerden een verslavingsprobleem heeft en 30% een psychiatrische stoornis. Ik beschik niet over informatie over de groep gedetineerden met een verslaving/psychiatrische stoornis die tevens blijvend delictgevaarlijk is.

Door de voorgenomen verbetering van de indicatiestelling voor psychiatrisch onderzoek en de verbetering van de risico-inschatting in het kader van het programma Terugdringen recidive zal meer duidelijkheid komen over de omvang van deze groep. De bepaling van de blijvendheid van delictgevaarlijkheid is sterk afhankelijk van de situatie na detentie. Er wordt momenteel gewerkt aan een nauwere samenwerking tussen onder meer de (geestelijke) gezondheidszorg en het gevangeniswezen.

26

Welke mogelijkheden ziet u om de aansluiting tussen TBS-BOPZ-GGZ te verbeteren en past daarin een behandel/zorgplicht voor de GGZ en voor de forensische psychiatrie voor mensen die een gevaar voor zichzelf en/of hun omgeving vormen?

In de motie Van de Beeten (juli 2004) wordt de regering verzocht om in het beleid te voorzien in samenhang tussen de curatieve en de penitentiaire voorzieningen. Daartoe is een interdepartementale werkgroep ingesteld die voorstellen zal doen. Die zullen ook de doorstroming naar de vervolgvoorzieningen in de (geestelijke) gezondheidszorg betreffen. U zult hierover uiterlijk 1 juni 2005 worden geïnformeerd.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Van der Laan (D66), Visser (VVD), Azough (GL), Vacature (algemeen), Vacature (algemeen).

Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Karimi (GL), Hermans (LPF), Vergeer (SP).

Naar boven