Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201529452 nr. 184

29 452 Tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel

Nr. 184 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 december 2014

Hierbij treft u de rapportage aan van het onderzoek dat is verricht door onderzoeksbureau Significant naar de aangifteplicht in de TBS1. De aangifteplicht in de TBS is eerder geëvalueerd door bureau Van Montfoort. Over die eerdere evaluatie heb ik u geïnformeerd bij brief van 12 november 2012 (Kamerstuk 29 452, nr. 155). Daaruit kwam naar voren dat er weliswaar vaker aangifte werd gedaan, maar dat de regelgeving niet werd uitgevoerd zoals beoogd. Naar aanleiding van die evaluatie heb ik besloten om de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan te verruimen. Om de bekendheid van de regelgeving te vergroten en een uniforme werkwijze te bevorderen, heb ik voorts in afstemming met de betrokken partijen (tbs-klinieken, OM, politie en DJI) een handleiding opgesteld, waarin de stappen die de betrokken partijen moeten uitvoeren uiteen zijn gezet en waarin de regelgeving nader wordt toegelicht. Deze handleiding is op 1 november 2013 van kracht geworden. Ik heb uw Kamer toegezegd na de inwerkingtreding van de handleiding een nieuwe evaluatie van de aangifteplicht uit te laten voeren, zodat vastgesteld kan worden of de uitvoering van de regelgeving is verbeterd en of de verschillende betrokken partijen hun plichten in deze correct uitvoeren. De bijgaande rapportage door Significant is hiervan het resultaat. Hieronder zal ik ingaan op de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek, en aangeven welke stappen ik zet naar aanleiding van deze bevindingen.

Inhoud aangifteplicht

Indien een tbs-gestelde, of anderszins verpleegde, een strafbaar feit pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten («vh-waardig feit»), dient het hoofd van de inrichting binnen 24 uur aangifte te doen bij de politie. In afwachting van de beoordeling door het openbaar ministerie (OM) of de desbetreffende tbs-gestelde al dan niet als verdachte wordt aangemerkt, dient het hoofd van de inrichting zijn verlof terstond in te trekken. Zodra het OM de tbs-gestelde aanmerkt als verdachte van vh-waardig feit, vervalt de verlofmachtiging van rechtswege. Als later uit beoordeling van het OM blijkt dat de tbs-gestelde ten onrechte als verdachte is aangemerkt of dat er toch geen sprake is geweest van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, herleeft de verlofmachtiging en kan het verlof worden hervat. Voor tbs-gestelden die niet over een verlofmachtiging beschikken, wordt het strafbare feit meegewogen bij eventuele toekomstige verlofaanvragen. Conform de verlofregeling wordt aan een tbs-gestelde of anderszins verpleegde die een vh-waardig feit pleegde, ten minste 1 jaar geen verlof verleend.

Reactie op bevindingen onderzoeksrapport

In het rapport wordt geconstateerd dat de doelstelling van de handleiding gedeeltelijk is bereikt. De handleiding heeft meer duidelijkheid gebracht met betrekking tot het te volgen proces en de verantwoordelijkheden van de verschillende ketenpartners daarin. Verspreiding van de handleiding heeft tevens bijgedragen aan de bekendheid van de regelgeving en het onderlinge gesprek over de regelgeving en naleving daarvan bevorderd. Ten tijde van de evaluatie bleek echter nog geen volledige implementatie van de handleiding gerealiseerd te zijn, bleef discussie bestaan over de reikwijdte van de aangifteplicht, en werd nog niet geheel uniform uitvoering gegeven aan de aangifteplicht.

Het onderzoek laat zien dat er de naleving van de aangifteplicht nog voor verbetering vatbaar is. Het is daarbij van belang op te merken dat het onderzoek van start ging toen de handleiding slechts enkele maanden oud was, waardoor de verschillende partijen tijdens het onderzoek nog bezig waren met de implementatie. Ik zal bij de betrokken ketenpartners aandacht blijven vragen voor het verder verbeteren van de werkprocessen rondom de aangifteplicht. Een belangrijk punt daarbij is dat voor alle betrokken partijen duidelijk dient te zijn wanneer de verlofmachtiging van rechtswege vervalt. Op grond van de regelgeving is dit het moment waarop het OM aan de kliniek meedeelt dat een verpleegde is aangemerkt als verdachte van een vh-waardig feit. Uit het onderzoek blijkt dat de klinieken aangeven dat dit nog niet structureel gebeurt, en dat ook de vervolgingsbeslissing niet altijd door het OM aan de kliniek wordt gecommuniceerd. Ik heb de uitkomsten van het onderzoek met het OM besproken. Het OM heeft mij laten weten erop toe te zullen zien dat deze informatie wel structureel en tijdig aan de klinieken wordt verstrekt. Voorts noemt het rapport het verkorten van de doorlooptijden als een aandachtspunt om de periode tussen vervallen en eventueel herleven van verlof zo kort mogelijk te houden. Ik heb naar aanleiding hiervan met het OM en politie afgesproken dat getracht zal worden de doorlooptijden van de afhandeling van de aangifte te verkorten. Het OM zal voortaan waar mogelijk binnen een maand en uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van het proces-verbaal van de politie een beslissing nemen over het al dan niet vervolgen van een tbs-gestelde tegen wie aangifte is gedaan van een vh-waardig feit. Het OM heeft inmiddels een landelijke procesbeschrijving opgesteld voor de tbs-officieren van justitie, waarmee de werkwijze opnieuw nadrukkelijk onder de aandacht wordt gebracht binnen het OM.

Een ander knelpunt dat uit het rapport naar voren komt betreft de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan. Thans is dat binnen 24 uur. Naar aanleiding van de vorige evaluatie heb ik reeds aangegeven dat ik voornemens ben om die termijn te verruimen. Vooruitlopend op een wijziging van de regelgeving is in de hiervoor genoemde handleiding uitgegaan van een aangiftetermijn van 48 uur. De huidige evaluatie wijst echter uit dat het in de meeste gevallen niet haalbaar is om daadwerkelijk binnen 48 uur aangifte te doen. Dat geldt in het bijzonder wanneer er voorafgaand aan de aangifte nog overleg moet plaatsvinden met het OM en/of de politie (in het onderzoek aangeduid als «driehoeksoverleg»), hetgeen in de handleiding wordt gestimuleerd. Voorts kan het herstellen van rust en orde in de inrichting na een incident en het zorgvuldig reconstrueren van (de toedracht van) het incident de nodige tijd in beslag nemen. Gezien de inhoud van het rapport, heb ik besloten de termijn voor het doen van aangifte te verruimen naar één week in plaats van 48 uur. Ik benadruk dat het verlof vanzelfsprekend wel terstond ingetrokken dient te worden, zodat uitgesloten is dat betrokkene nog op verlof gaat op het moment dat al overwogen wordt aangifte tegen hem te doen. Volgens het onderzoeksrapport verloopt dit in de regel al goed.

Het rapport vermeldt dat het nut en de noodzaak van het doen van aangifte van ernstige incidenten door alle partijen wordt onderschreven, en dat van ernstige feiten ook altijd aangifte wordt gedaan. Bij lichtere feiten is dit niet altijd het geval. Eerdergenoemd «driehoeksoverleg» biedt een goede mogelijkheid om in gevallen waarin er twijfel bestaat over de vh-waardigheid van een strafbaar feit de casus snel voor te leggen aan politie en OM en gezamenlijk tot een conclusie te komen. Zowel de huidige als de vorige evaluatie wezen immers uit dat het voor klinieken soms lastig was om te beoordelen of sprake was van een vh-waardig feit. Het onderzoek laat zien dat met name klinieken en het OM een vooroverleg van meerwaarde vinden bij dergelijke cases. Het onderzoek noemt als aandachtspunt dat de rol van dit vooroverleg verduidelijkt kan worden met betrekking tot de (door betrokkenen gewenste) mogelijkheden om geen aangifte te doen ondanks de vh-waardigheid van het feit. Ik wijs erop dat het overleg hier echter niet voor is bedoeld.

Het rapport vermeldt dat er op een aantal punten kennelijk nog steeds onduidelijkheden bestaan bij de betrokken partijen. Zo is er discussie over de vraag of de aangifteplicht ook van toepassing is op tbs-gestelden die in Forensisch Psychiatrische Klinieken (FPK’s) verblijven en op «anderszins verpleegden» in de FPC’s, overigens zonder dat dit er volgens het onderzoek toe leidt dat FPK’s wezenlijk andere afwegingen maken over het doen van aangifte dan FPC’s. Uit de regelgeving blijkt dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om de aangifteplicht ook van toepassing te laten zijn op tbs-gestelden in de FPK’s, in zoverre de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) op hen van toepassing is (gedurende het verlof) en op de groep anderszins verpleegden als bedoeld in artikel 4 van de Bvt. In de handleiding wordt dit ook duidelijk aangegeven. Ik onderschrijf echter wel dat de formuleringen in de regelgeving op deze punten voor verbetering vatbaar zijn, en zal de regelgeving verduidelijken op deze punten.

Conclusie

Ik concludeer dat de uitvoering van de aangifteplicht weerbarstig blijft, maar dat met de inwerkingtreding van de handleiding een flinke stap in de goede richting is gezet. Het onderzoek laat zien dat er nog sprake is van een aantal knelpunten in de uitvoering die, zoals ik hierboven heb uiteen gezet, zullen worden aangepakt. Ik verwacht daarmee te kunnen komen tot een goede en door alle betrokken partijen gedragen uitvoering van de aangifteplicht in de TBS, en zal daar in de komende periode ook op blijven toezien.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.