29 447 Evaluatie Wet inzake bloedvoorziening

Nr. 21 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 maart 2013

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 10 juli 2012 houdende het standpunt inzake kostentoerekening Sanquin Bloedvoorziening (Kamerstuk 29 447, nr. 18).

De op 26 oktober 2012 toegezonden vragen zijn met de door de minister bij brief van 5 maart 2012 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

Inhoudsopgave

   

Blz.

     

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie

8

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderzoek kostentoerekening Sanquin door onderzoeksbureau ConQuaestor. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De minister geeft aan dat het hybride karakter van Sanquin bewust gekozen is in het verleden, en dat de daarbij behorende argumenten nog steeds gelden. Kan de minister de voordelen van dit hybride karakter in meer detail toelichten? Kan zij daarnaast ook ingaan op de nadelen van een dergelijke structuur? Wat zouden de voor- en nadelen zijn van het volledig splitsen van de publieke en private tak, waardoor niet langer sprake is van een hybride karakter?

Wie zijn de concurrenten van Sanquin? Heeft Sanquin alleen concurrenten op de private activiteiten, of zijn er ook concurrenten ten aanzien van de publieke tak?

Hoe ziet de verdeling van taken die in Nederland door Sanquin worden uitgevoerd er in het buitenland uit? Is in de ons omringende landen ook sprake van dergelijke hybride organisaties? Zo nee, welk systeem wordt daar gehanteerd?

Er is geen juridische scheiding tussen de publieke en de private tak, maar wel een administratieve scheiding tussen deze twee takken. Wat is exact het onderscheid tussen de publieke tak en de private tak van Sanquin? Waarop is dit onderscheid gebaseerd? Hoe wordt deze administratieve scheiding gemaakt, gegeven het feit dat de private tak ook publieke taken uitvoert?

De private tak van Sanquin voert ook publieke taken uit. Waarom worden deze publieke taken uitgevoerd door de private tak, en niet in de publieke tak? Kiest Sanquin er zelf voor om via de private tak publieke taken uit te voeren, of is dit opgelegd door de overheid? Voert de publieke tak van Sanquin ook private taken uit? Zo ja, is hier sprake van concurrentievervalsing?

Wat is het verschil tussen het onderzoek van Plexus en ConQuaestor naar de prijs van plasma ten behoeve van de interne verrekenprijs? Wat zijn de overwegingen van de minister om de prijs te hanteren die door ConQuaestor gekozen is? Heeft dit gevolgen voor de wijze waarop de marktprijzen voor plasma in de toekomst worden vastgesteld? Heeft dit gevolgen voor de partij die periodiek deze marktprijzen vaststelt?

De minister is voornemens een norm op te stellen voor de hoogte van het eigen vermogen van Sanquin. Geldt deze norm alleen voor het vermogen in de publieke tak, of voor de gehele begroting van Sanquin?

Weefselactiviteiten van Sanquin kennen een exploitatietekort. Ten aanzien van de botbank wordt aangegeven dat per 1 januari 2013 geen exploitatietekort meer mag zijn, maar ten aanzien van de navelstrengbloedbank komt op een later moment een standpunt. Waarom wordt verschillend omgegaan met de botbank dan met de navelstrengbloedbank? Wat zijn de overwegingen hierbij?

Ten aanzien van de botbank wordt aangegeven dat deze activiteit of binnen de private tak van Sanquin moet worden geplaatst, of kostendekkend moet worden uitgevoerd in de publieke tak, of moet worden gestaakt. Is het mogelijk de activiteiten van Sanquin ten aanzien van de botbank te staken? Welke gevolgen zou dit hebben? Zijn er alternatieve aanbieders die deze taak al uitvoeren of kunnen uitvoeren? Indien het staken van deze activiteit geen noemenswaardige gevolgen heeft of indien er alternatieve aanbieders zijn: waarom valt deze taak tot op heden dan onder de publieke tak van Sanquin en niet onder de private tak?

De minister legt Sanquin een taakstelling van 6% op, die in tranches van 1,5% per jaar wordt ingeboekt. Kan de minister de keuze voor deze percentages en fasering nader toelichten? Hoe groot acht de minister de kans dat deze taakstelling leidt tot een verhoging van de prijzen van bloedproducten, gezien het feit dat Sanquin een monopolist is.

In het Ministerieel Plan Bloedvoorziening 2012 – 2014 geeft de minister aan dat nieuwe initiatieven van Sanquin afzonderlijk en tijdig dienen te worden aangekondigd bij het ministerie van VWS. Geldt dit voor alle initiatieven, of wordt hier een onderscheid gemaakt naar publieke en private initiatieven?

Er wordt gestreefd naar landelijke zelfvoorziening met vrijwillig en om niet gegeven bloed. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze voor zelfvoorziening? Welke alternatieven zijn mogelijk? Welke voor- en nadelen horen bij deze alternatieven? Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze voor «vrijwillig en om niet gegeven bloed»? Welke alternatieven zijn mogelijk? Welke voor- en nadelen horen bij deze alternatieven?

Er zijn signalen dat bloedproducten in Nederland duurder zijn dan in ons omringende landen, die aan dezelfde Europese normen voor veiligheid en kwaliteit moeten voldoen. Kan een overzicht gegeven worden van de prijzen van bloedproducten in Nederland in vergelijking met omringende landen? Kan daarbij tevens worden aangegeven hoe eventuele verschillen te verklaren zijn?

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de kostentoerekening van Sanquin. Zij hebben een aantal vragen en opmerking over de kostentoerekening en de organisatie van de bloedvoorziening in Nederland. Dit overleg moet volgens deze leden ook in samenhang worden gezien met het schriftelijk overleg over het ministerieel plan bloedvoorziening 2012–2014 (29 447 nr. 17).

Genoemde leden hebben een aantal vragen over de prijzen van kort houdbare bloedproducten. Het publieke deel van Sanquin, de bloedbank, levert plasma aan de private tak van Sanquin, PDR. Deze interne levering en dan met name de interne verrekenprijs is voor deze leden een punt van zorg.

De totale begrote kosten van de bloedbank worden verminderd met de begrote opbrengst van de levering van plasma aan PDR. De aldus resterende kosten worden omgeslagen over alle kort houdbare bloedproducten die aan de ziekenhuizen worden geleverd. Zoals ook uit de benchmark van het Plexusrapport uit 2010 blijkt, is de interne verrekenprijs lager dan de marktprijs van plasma in omringende landen. ConQuaestor stelt dat in de gewijzigde Mededingingswet volgens de Cohen-toets weliswaar de totale integrale kosten aan het plasma zouden moeten worden toegerekend, maar dat een uitzondering hier is toegestaan omdat het berekeningsmethodiek van de kostprijs arbitrair is. Er mag dus volgens ConQuaestor gerekend worden met een marktprijs. ConQuaestor stelt wel dat de interne verrekenprijs op dit moment te laag is, Sanquin hanteert te lage marktprijzen. De minister stelt over dit zelfde onderwerp dat de Mededingingswet niet van toepassing is, omdat Sanquin niet onder de definitie van een overheidsbedrijf valt. De leden van de PvdA-fractie vragen de minister om nogmaals te bezien of de interne verrekenprijs niet beter op basis van de productiekosten per product vastgesteld kan worden.

De minister stelt dat Sanquin geen overheidsbedrijf is en dat daarom interne verrekenprijzen op basis van marktprijzen mogen worden vastgesteld. Maar de publieke tak van Sanquin wordt gefinancierd vanuit publieke middelen (premiegelden) en heeft een publieke taak. De bloedbank maakt meer kosten voor het produceren van plasma voor PDR dan zij hiervoor vergoed krijgt.

Deze meerkosten worden doorberekend in alle producten die ziekenhuizen van de bloedbank afnemen. Op dit moment betalen ziekenhuizen in Nederland een veel hogere prijs voor bloedproducten dan ziekenhuizen in omringende landen. Deze leden vinden dit een onacceptabele situatie.

ConQuaestor constateert dat er geen volledige correctie van de verkoopprijzen naar ziekenhuizen plaatsvindt als de daadwerkelijke kosten lager zijn. Omgekeerd is dit wel het geval als de kosten hoger uitvallen. In de jaren 2006 tot en met 2009 behaalt de bloedbank een positief resultaat dat niet volledig is doorgegeven aan de afnemende ziekenhuizen.

Kan de minister hierop een reactie gegeven? Waarom vindt geen correctie plaats? Waar is geregeld dan wel vastgelegd dat alleen bij hogere kosten deze doorberekend worden aan de ziekenhuizen, maar dat eventuele voordelen niet worden doorgegeven?

Verder ontbeert volgens ConQuaestor het huidige systeem een prikkel tot kostenverlaging voor kort houdbare bloedproducten die aan ziekenhuizen worden geleverd. Genoemde leden vinden dat hier zo snel mogelijk een oplossing voor gevonden moet worden. Overal in de zorg moet worden bezuinigd, overal wordt gekeken naar besparingsmogelijkheden. Welke mogelijkheden zijn er om wel een prikkel tot kostenverlaging in het systeem in te bouwen? Wat moet daarvoor worden geregeld en wanneer en op welke wijze kunnen deze worden geïmplementeerd?

Sanquin stelt dat niet de marktprijs maar de marktwaarde van Nederlands plasma als uitgangspunt genomen moet worden. Kan de minister toelichten waaruit het verschil tussen marktwaarde en marktprijs precies bestaat?

De leden van de PvdA-fractie willen verder graag een toelichting op de financiering van beide takken van Sanquin. Op dit moment is er sprake van een gedeeld risico. Er is geen juridische scheiding tussen de vermogensbestanddelen van Sanquin. De minister zegt dit onwenselijk te vinden en dat zij Sanquin zal verzoeken maatregelen te nemen die ertoe leiden dat het private en het publieke deel niet langer risicodragend zijn voor elkaars activiteiten. Deze leden vinden dat een juiste stap. Zij hebben daar nog wel een aantal vragen over. Op welke wijze vindt de splitsing van het eigen vermogen plaats? Wordt daarbij rekening gehouden met het feit dat Sanquin al jaren een te lage verrekenprijs gebruikt voor het plasma? Heeft het private deel van Sanquin de afgelopen jaren voordeel gehad van het gedeelde risico en zo ja, op welke wijze wordt dit meegenomen in de verrekening?

Voorts hebben zij nog een paar vragen over het aantal producten dat de bloedbank produceert. ConQuaestor stelt dat uit bedrijfseconomisch opzicht het wenselijk is om het aantal producten misschien terug te brengen, na beoordeling van de toegevoegde waarde. Wat is het standpunt van de minister op dit punt? Wie zou de toegevoegde waarde kunnen en moeten beoordelen, en wordt deze beslissing genomen op grond van alleen medische aspecten, alleen bedrijfseconomische, of een combinatie van beide? Wie bepaalt op dit moment welke producten de bloedbank levert?

Uit de benchmark blijkt dat Sanquin meer kosten maakt voor onderzoek dan de andere onderzochte organisaties. Heeft de minister een verklaring voor dit verschil in kosten en zo ja, kan de minister een toelichting geven? Zo nee, is de minister bereid hier onderzoek naar te doen? Ook de kosten die Sanquin maakt voor onder meer huisvesting en ICT zijn hoger dan die bij andere organisaties in de benchmark. Waarom zijn deze kosten hoger?

De minister wil Sanquin een taakstelling opleggen. Genoemde leden willen van de minister graag een toelichting op haar plannen. Hoe kan er voor gezorgd worden dat deze taakstelling wordt ingevuld via daadwerkelijke besparingen op de overhead en niet wordt doorberekend in hogere prijzen voor bloedproducten? Welke mogelijkheid heeft de minister om Sanquin te dwingen tot kostenbesparingen te komen?

De minister heeft Sanquin gevraagd om te bekijken of het aantal veiligheidstesten dat op dit moment wordt uitgevoerd teruggebracht kan worden. Waarom vindt de minister dat Sanquin zelf de juiste partij is om dit te onderzoeken? Sanquin is zelf verantwoordelijk voor het relatief hoge aantal testen dat op dit moment wordt uitgevoerd. Wat is de reden van het hoge aantal testen en wat is het verschil met omliggende landen? Betekenen de extra testen een duidelijke meerwaarde ten aanzien van de veiligheid van bloedproducten in Nederland?

Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het standpunt van de minister op het eindrapport van ConQuaestor inzake de kostentoerekening van Sanquin. Deze leden zijn het eens met de minister om bij de verrekenmethode de marktprijs te hanteren, in plaats van de marktwaarde. Ten aanzien van de overige punten hebben de leden een aantal vragen.

Is het afromen van het eigen vermogen van Sanquin niet een verschuiving van risico’s richting VWS? Op welke wijze heeft de minister rekening gehouden met deze mogelijke risico’s en hoe wordt dit opgevangen?

Genoemde leden willen de minister graag wijzen op het belang van de navelstrengbloedbank voor kankerpatiënten. Zij zijn tevens voorstander van de ambitie van Sanquin om de navelstrengbloedbank te gebruiken voor een nationaal programma voor stamcelvoorziening. Deze leden zouden graag zien dat de minister dit ondersteunt, kunnen zij hier een reactie op krijgen?

De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over het terugbrengen van het aantal verschillende producten. Producten met een geringe afname kunnen immers van levensbelang zijn voor een kleine groep kwetsbare patiënten. Hoe gaat de minister de toegevoegde waarde beoordelen?

Besparing op het serviceniveau voor donors vinden de leden van de PVV-fractie onvoorstelbaar. Besparingen dienen niet aan de onderkant van het bedrijf plaats te vinden maar aan de bovenkant. Gezien de nog steeds riante salarissen en luxe behuizingen zullen genoemde leden nooit instemmen met vermindering van de services aan donors. Het is al erg genoeg dat de leesmap in de wachtruimten is afgeschaft terwijl er nog wel dure schilderijen aan de muren prijken. Wat deze leden betreft komt er in het geheel geen onderzoek naar het serviceniveau aan donoren, tenzij het doel is de service te verhogen. Zij horen graag of de minister het hiermee eens is.

De leden van de PVV-fractie verbazen zich over het voornemen om het aantal veiligheidstests terug te brengen. Zolang het aantal incidenten niet daalt, kan het aantal testen wat deze leden betreft niet naar beneden. Zij vragen de minister dan ook dit voornemen te heroverwegen. Daarnaast dient het onderzoek naar nut en noodzaak van de testen naar de mening van deze leden, niet door Sanquin zelf uitgevoerd te worden maar door een onafhankelijke instantie. Genoemde leden krijgen hierop graag een toelichting van de minister.

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

Met belangstelling hebben de leden van de SP-fractie de brief over de kostentoerekening van Sanquin door onderzoeksbureau ConQuaestor gelezen. Deze brief roept bij genoemde leden echter een aantal vragen op, omdat de publieke taak van bloedvoorziening zorgvuldigheid en veiligheid behoeft. Allereerst spreken genoemde leden haar respect uit voor het grote aantal vrijwilligers in ons land die bereid zijn hun bloed of -plasma af te staan voor donatie.

Zij benadrukken dat het vrijwillige en «om niet» karakter van het doneren van bloed en aanverwante producten gewaarborgd moet blijven in de toekomst. De leden zien dit standpunt graag krachtig bevestigd door het kabinet.

De leden van de SP-fractie missen in het algemeen een gegronde onderbouwing van de besluiten die de minister heeft genomen naar aanleiding van het rapport «Kostentoerekening van Sanquin en de houdbaarheid van plasmageneesmiddelen» door onderzoeksbureau ConQuaestor. Zij zijn blij dat de minister stelt dat de bloedvoorziening bij Sanquin in goede handen is, maar vragen hoe zich dat verhoudt tot de opgelegde arbitraire bezuiniging van 6%.

Hieronder zullen genoemde leden verder ingaan op de verschillende onderdelen van het kabinetsstandpunt uit de brief.

De minister geeft in de brief aan dat de private tak op lange termijn houdbaar is als verdere schaalvergroting in acht wordt genomen. Deze leden vragen hoe de schaalvergroting eruit zal komen te zien, waar de grenzen van deze schaalvergroting liggen en op welke manier schaalvergroting niet een doel op zichzelf wordt. Kan de minister garanderen dat er ook in de toekomst een eigen (plasma)voorziening voor Nederland zal blijven? Daarnaast vragen zij welke risico's er concreet worden bedoeld wanneer de minister schrijft over de hybride structuur van Sanquin, die zij niet wil veranderen.

De leden van de SP-fractie zijn het met de minister eens dat het onwenselijk is dat het hele vermogen risicodragend is voor zowel de bloedbank als de private activiteiten. Een scheiding tussen de publieke en de private tak van Sanquin lijkt deze leden dan ook op zijn plaats. De vraag rijst echter wel hoe deze scheiding eruit zal komen te zien. Welke maatregelen worden door de minister hiertoe voorgesteld en welke maatregelen wil Sanquin nemen?

In 2008 was er volgens deze leden terechte ophef over de financiële banden van met de farmaceutische markt. Sanquin bleek toen kennis, geld en productiefaciliteiten beschikbaar te hebben gesteld aan een Amerikaans farmaceutisch bedrijf, die er vervolgens vele tientallen miljoenen mee heeft verdiend buiten Sanquin om. Genoemde leden vragen wat er gedaan is en gedaan wordt om deze praktijken te voorkomen. Bovendien willen zij weten hoe wordt geborgd dat de kennis en kunde van Sanquin niet wordt misbruikt door commerciële partijen.

Kan de minister een heldere onderbouwing geven waarom er wel gekozen wordt voor het hanteren van een marktprijs, maar er tegelijkertijd wordt gesteld dat de gewijzigde Mededingingswet niet van toepassing is op Sanquin? Kan de minister haar antwoord toelichten? Zij vragen bovendien het beeld weg te nemen dat er selectief wordt «gewinkeld» in argumenten, omdat de minister met de keuze voor een marktprijs tegen het advies van het onderzoeksrapport en tegen Sanquin zelf ingaat, die pleit voor de marktwaarde en niet de marktprijs. Deze leden zien graag een duidelijk overzicht van de verschillende vormen om te komen tot een prijs, van de huidige verrekenprijs tot de marktprijs en de marktwaarde, met daarbij de voor- en tegenargumenten.

Voorts bevreemdt het de leden van de SP-fractie dat er geen indicatie gegeven kan worden van de kosten van de plasmageneesmiddelen. Hoe is het mogelijk dat hierover geen gegevens beschikbaar zij? Zijn er ook andere mogelijkheden om erachter te komen of er een omzetverlies is bij deze afdeling van Sanquin en of bent u bereid deze mogelijkheden in te zetten?

Wat is het bedrag van compensatie en is het bedrag dat de minister wil inzetten voor compensatie voor de publieke tak van de Research&Diagnostiek-activiteiten structureel of eenmalig? Daarnaast vragen deze leden waarom er wordt gesteld dat € 12,7 miljoen het maximum is dat aan R&D-activiteiten kan worden besteed. Waar is dit bedrag op gebaseerd en hoe lang zal dit een «plafond» blijven?

De leden van de SP-fractie vinden het terecht dat er een norm wordt gesteld aan de hoogte van het eigen vermogen. Het oneindig oppotten van belastinggeld is immers niet de bedoeling. Zij vragen waarom niet de norm wordt gehanteerd van het Waarborgfonds voor de Zorgsector, met een norm van 10 á 15%, maar dat er gekozen wordt voor 25% zoals bij private partijen en marktwerking gebruikelijk is. Kunnen deze leden hieruit opmaken dat Sanquin de marktwerking verder zal uitbreiden en wellicht (delen) van de publieke tak privaat wil en zal maken? Graag een toelichting van de minister op dit punt.

Daarnaast stellen zij de vraag waarom Sanquin qua financiering op een ziekenhuis zou moeten lijken. Is het niet zo dat als Sanquin uit eigen vermogen activiteiten of onderzoek financiert dat dit goedkoper is dan het lenen van geld op de kapitaalmarkt? Is dat dan niet te prefereren?

Het is de leden van de SP-fractie niet duidelijk waarom de onderzoeksomvang van Sanquin beperkt zou moeten worden. Welke onderzoeken kunnen in de toekomst niet meer worden uitgevoerd kunnen en welke risico’s zitten hieraan zitten? Welke organisatie is in staat om de onderzoeken over te nemen? Verontrustend vinden deze leden de opvatting dat er teveel testen in ons land zouden zijn naar de veiligheid van bloedproducten. We zouden juist trots moeten zijn dat er veilig bloed en -producten beschikbaar zijn. Kan de minister een betere onderbouwing van haar keuze geven om het aantal veiligheidstesten terug te brengen? Hoe zal de veiligheid dan nog gegarandeerd zijn?

De leden van de SP-fractie zijn verbaasd dat de minister niet het eigen vermogen wil afromen, maar wel een bezuiniging oplegt van 6% op de bloedbank. Waar is deze 6% op gebaseerd en op welke manier zal dit percentage gehaald kunnen worden? Ook rijst de vraag hoe de bezuiniging zich verhoudt tot de reorganisatie die plaatsvindt bij Sanquin. Graag een toelichting van de minister op dit punt. Concreet willen deze leden weten wat de bezuiniging zal betekenen voor de vrijwillige donoren, de bloedvoorraad, de veiligheid, het onderzoek en voor de medewerkers van Sanquin. Welke actie gaat de minister verder ondernemen om te komen tot het verlagen van de bestuurderssalarissen die boven het salaris van een minister uitkomen? Zodat niet de donoren, de patiënten of medewerkers op de werkvloer de dupe hoeven te zijn. Graag een toelichting op het antwoord. Tot slot vragen deze leden waar de periode, namelijk 4 jaar waarin de bezuiniging moet worden opgebracht, op is gebaseerd.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling de brief gelezen over de evaluatie Wet inzake bloedvoorziening. Zij zijn trots op het systeem van bloedvoorziening in Nederland en ondersteunen ook de gedachte dat dit een publieke taak blijft. Wel hebben zij nog enkele vragen over de keuzes die de minister maakt. Deze leden vragen nog een keer duidelijk uit te leggen wat bedoeld wordt met de passage dat «ConQuestor tot de conclusie komt dat er geen sprake is van kruissubsidie van de publieke tak naar de private tak van Sanquin maar van efficiencyverlies dat wordt veroorzaakt door publieke verplichtingen aan de private divisie.»

De minister en het onderzoeksbureau ConQuaestor lijken van mening te verschillen over de berekeningsmethodiek van een kostprijs voor plasma. De minister stelt dat iedere berekeningsmethodiek van een kostprijs voor plasma arbitrair is. Naar de mening van de minister zal de marktprijs bepalend zijn voor de hoogte van de vergoeding die de private divisie betaalt voor het geleverde plasma. ConQuaestor stelt echter dat met de gewijzigde Mededingingswet, Sanquin voor interne plasmaprijs de integrale kostprijs in rekening zou moeten brengen aan de private tak van Sanquin.

De leden van de CDA-fractie zouden graag een uitgebreide juridische onderbouwing willen hebben waarom Sanquin voor zijn publieke taken niet onder de definitie van overheidsbedrijf valt.

De minister geeft aan dat een behoedzame norm van 25% van de omzet voor het eigen vermogen een goed uitgangspunt voor Sanquin is. Deze leden willen graag nadere uitleg waarom gezien de steeds verdergaande marktwerking er stemmen opgaan om de norm op te trekken van 10–15% naar 25%. Welke financieel-economische of andere redenen liggen hieraan te grondslag? Graag een nadere toelichting van de minister op dit punt.

In de brief wordt gesteld dat de wenselijke situatie is, dat Sanquin op de kapitaalmarkt leent voor investeringen in de bloedbank die niet uit het noodzakelijke eigen vermogen kunnen worden gefinancierd. Het is de leden van de CDA-fractie niet geheel duidelijk of de minister daarmee ook doelt op investeringen die zien op de publieke taak.

De minister stelt dat per 1 januari 2013 geen exploitatietekort voor de botbank ten laste mag worden gebracht van de bloedbank. Kan dit feitelijk betekenen dat de botbank ophoudt te bestaan? Welke andere zorgorganisaties voeren op dit moment ook een botbank uit?

In het onderzoek van ConQuaestor wordt toegelicht dat wellicht na beoordeling van de toegevoegde waarde van de verschillende producten het aantal producten (en daarmee de kosten) zou kunnen worden teruggebracht. Dit betekent feitelijk, naar de mening van deze leden, dat de bloedbank minder producten gaan leveren. Welke gevolgen heeft dit voor het uitoefenen van de publieke taak? Deze leden lijkt het van belang om bij die afweging ook mee te nemen dat het gaat om een publieke voorziening. Het enkele feit dat een dergelijk product wellicht relatief duurder is, kan opwegen tegen de omstandigheid dat het een belangrijke bijdrage levert aan het welzijn van patiënten. Hoe kijkt de minister hier tegenaan?

Ten slotte vragen we de minister om een reactie op het programma van de Rekenkamer en of de korting tot een stijging van de prijs van bloed gaat leiden?

II. Reactie

VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen mij om gedetailleerder aan te geven waarom in het verleden is gekozen voor het hybride karakter van Sanquin Bloedvoorziening. Zij vragen mij daarnaast de voor- en nadelen van deze keuze te schetsen. Ook vragen zij mij aan te geven wat de voor- en nadelen zijn van het volledig splitsen van de publieke en private tak. Het Nederlands beleid rondom de bloedvoorziening is gebaseerd op het uitgangspunt van landelijke zelfvoorziening, zowel wat betreft het bloed als bloedproducten (en dus ook plasmageneesmiddelen). Sanquin bestaat uit een publieke en een private tak. De publieke tak draagt op grond van de Wet inzake Bloedvoorziening (Wibv) zorg voor de bloedvoorziening met betrekking tot de kort houdbare bloedproducten. De publieke tak levert plasma aan de private tak. Uit dit plasma produceert de private tak plasmageneesmiddelen. Dit betekent dat de private tak van Sanquin ook een publieke taak vervult. Toentertijd is gekozen voor deze structuur, omdat op deze manier de beschikbaarheid van plasmageneesmiddelen in Nederland kon worden gegarandeerd. Een eventueel marktfalen aan de kant van commerciële producenten zou daarmee geen effect hebben op het aanbod van plasmageneesmiddelen of op de prijs van deze geneesmiddelen.

Ook is voor deze structuur gekozen, omdat bij Sanquin toentertijd reeds de infrastructuur aanwezig was om plasmageneesmiddelen te produceren. Bovendien was het zo dat op deze manier kennis werd behouden bij Sanquin. Sanquin heeft daardoor nog steeds een leidende rol op het gebied van de plasmageneesmiddelen.

Het hybride karakter van Sanquin brengt ook nadelen met zich mee. Doordat de publieke en private tak zo met elkaar vervlochten zijn, was de kostentoerekening van Sanquin niet volledig transparant. Het rapport van ConQuaestor heeft hier echter duidelijkheid over gegeven. Mede op basis van dit rapport ben ik tot de conclusie gekomen dat de private tak van Sanquin gecompenseerd dient te worden voor de publieke taken, die deze tak uitvoert. Ook dienen de private taken van de bloedbank overgeheveld te worden naar de private tak. Voor de volledigheid wil ik wel vermelden dat indien de private tak geheel afgesplitst zou worden, dit niet zou betekenen dat de kosten van de publieke tak dalen, omdat bepaalde de kosten dan niet meer gedeeld kunnen worden met de private tak.

Deze leden vragen vervolgens naar de concurrenten van Sanquin. Wat betreft de publieke tak zijn er geen concurrenten in Nederland. Zo is het immers ook bij wet geregeld. Wat betreft de private tak, die zorg draagt voor de lang houdbare producten, ligt dit anders. Hoewel Sanquin als enige organisatie in Nederland plasma mag inzamelen, zijn er wel andere leveranciers van plasmageneesmiddelen in Nederland.

Deze leden vragen hoe de ons omringende landen hun taken verdelen; is daar ook sprake van een hybride structuur? Een precies met de Nederlandse situatie vergelijkbare hybride structuur is in andere landen niet of nauwelijks te vinden. Wel is het zo dat er in het verleden een aanzienlijk aantal landen was waarin, naast de voorziening in kort houdbare bloedproducten, ook de voorziening in lang houdbare (plasma)producten in publieke of semi-publieke handen was. Dat aantal landen is de afgelopen jaren afgenomen. Dat houdt verband met de ontwikkelingen op de wereldmarkt voor plasmaproducten. De commerciële producenten van plasmaproducten die op deze markt actief zijn hebben in de loop der jaren een zodanige schaal gekregen dat relatief kleinschalige publieke of semi-publieke producenten de concurrentie op de wereldmarkt niet of moeilijk konden volhouden. Ook in de publieke en semi-publieke sfeer heeft in verband daarmee een concentratie plaatsgevonden. De plasmadivisie van Sanquin heeft tot nu toe een zodanige omvang dat de organisatie enerzijds kan voldoen aan het voorzien in de Nederlandse behoefte aan de meest cruciale plasmaproducten en tegelijkertijd voor deze, maar ook de overige producten in de pas kan blijven lopen met de ontwikkelingen op de wereldmarkt. Dat is mogelijk gebleken door schaalvergroting in de productie die mede te danken is aan samenwerkingsafspraken met publieke bloedvoorzieningsorganisaties uit andere landen en door overnames. Bij gelegenheid van het ConQuaestor-onderzoek heb ik de vraag gesteld of het voor de voorzienbare toekomst aannemelijk is dat Sanquin op een zodanige schaal kan opereren dat deze situatie is vol te houden. Het antwoord op die vraag was bevestigend. Dat is een belangrijke reden waarom ik op dit moment geen meerwaarde zie in verandering van de bestaande hybride structuur.

Betreffende leden informeren naar de administratieve scheiding tussen de publieke en private tak van Sanquin en waar deze op is gebaseerd. Hiervoor verwijs ik naar hoofdstuk 3 van het ConQuaestor-rapport. In dit hoofdstuk staat beschreven hoe de begroting van Sanquin gesplitst wordt en de kosten worden toegerekend.

Deze leden vragen vervolgens waarom het publieke deel van Sanquin niet de taken van de private tak uitvoert. Hierboven heb ik reeds geschetst waarom indertijd is gekozen voor de hybride structuur van Sanquin, waarin de private tak ook publieke taken kreeg. De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens of de publieke tak ook private taken uitvoert. De publieke tak van Sanquin voert weefselactiviteiten uit die niet direct voortvloeien uit de Wet inzake bloedvoorziening (Wibv). Het gaat hierbij om de botbank, navelstrengbloedbank en stamcelactiviteiten. In mijn standpunt heb ik aangegeven dat deze activiteiten het exploitatiesaldo van de publieke tak niet mogen beïnvloeden. Daarom dienen deze activiteiten binnen de private tak te worden uitgevoerd, kostendekkend binnen de bloedbank te zijn of te worden gestaakt. De stamcelactiviteiten zijn met ingang van 2012 overgeheveld naar de private tak.

Betreffende leden vragen naar het verschil tussen het onderzoek van Plexus en ConQuaestor naar de prijs van plasma ten behoeve van de interne verrekenprijs. Het onderzoek van Plexus was niet gericht op het berekenen van een mogelijke kostprijs voor plasma, maar op het kiezen van een zo goed mogelijke basis voor de vergelijking van verschillende bloedvoorzieningsorganisaties. Het ConQuaestor-rapport had daarentegen wel tot doel inzicht te bieden in de kostentoerekening van Sanquin Bloedvoorziening. Daarom is het advies van ConQuaestor ook leidend geweest voor mijn uiteindelijke standpunt over de plasmaprijs.

Deze leden vragen verder naar de wijze waarop de marktprijzen in de toekomst worden vastgesteld. In mijn standpunt heb ik aangegeven dat ik voor drie jaar de interne verrekenprijs voor plasma vaststel. Na deze drie jaar laat ik onderzoeken wat op dat moment de marktprijs van plasma is.

De leden vragen verder naar de normering van het eigen vermogen: geldt deze norm alleen voor de publieke tak of voor de gehele begroting? Deze norm is alleen van toepassing op de publieke tak. In mijn standpunt heb ik echter aangegeven dat ik op het moment nog geen aanleiding zie het eigen vermogen af te romen, maar dat in de toekomst – bij de goedkeuring van de begroting – ik daar wel reden toe zie. De leden van de VVD-fractie informeren vervolgens naar de gevolgen als Sanquin haar botbankactiviteiten staakt. Behalve Sanquin zijn er nog andere weefselinstellingen die erkend zijn als botbank. Dit betekent dat als Sanquin haar botbankactiviteiten staakt, deze activiteiten waarschijnlijk door de andere botbanken worden overgenomen. Overigens heeft Sanquin al aangegeven dat zij in dat geval zorgvuldig zal omgaan met het aanwezige materiaal. Betreffende leden vragen daarna waarom de botbankactiviteiten onder de publieke tak van Sanquin vallen en niet onder de private tak? Hierboven schetste ik reeds dat de private tak van Sanquin publieke activiteiten uitvoert: een en ander is met elkaar vervlochten. Door het onderzoek van ConQuaestor ben ik tot het voortschrijdend inzicht gekomen dat Sanquin voor de publieke taken van het marktconforme deel financieel gecompenseerd moet worden en dat de private taken van de bloedbank moeten worden overgeheveld. Er dient kortom een scherpere scheiding te worden gemaakt dan voorheen is gedaan. Daarom ben ik in het algemeen van mening dat de weefselactiviteiten niet tot de taken van de publieke tak behoren. In een latere brief, die u op korte termijn kunt verwachten, zal ik nog specifiek ingaan op de positie van de navelstrengbloedbank.

Betreffende leden informeren vervolgens naar de taakstelling van 6%, die in tranches van 1,5% per jaar wordt ingeboekt. Betreffende leden vragen waar deze taakstelling op gebaseerd is en of deze gevolgen zal hebben voor de prijzen van bloedproducten.

In mijn standpunt heb ik aangegeven dat deze taakstelling is gebaseerd op de taakstelling, zoals deze ook wordt doorgevoerd bij de rijksdienst. Het betreft een generieke taakstelling om de doelmatigheid binnen de publieke tak te vergroten. Het is niet de bedoeling dat de taakstelling een verhoging van de bloedprijzen tot gevolg zal hebben. Het is juist de bedoeling met de in mijn standpunt voorgestelde wijzigingen de bloedprijzen te beteugelen. Bij de goedkeuring van de begroting van Sanquin zal ik daarom altijd nauwgezet kijken naar dit aspect.

In het Ministerieel Plan Bloedvoorziening 2012–2014 heb ik aangegeven dat Sanquin Bloedvoorziening nieuwe activiteiten en initiatieven tijdig dient voor te leggen aan mijn ministerie. Deze leden willen weten of dit opgaat voor alle initiatieven. Het gaat hierbij voornamelijk om initiatieven van de bloedbank, maar ook om initiatieven van de private tak die van invloed zijn op de publieke tak.

De leden van de VVD-fractie willen weten welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de uitgangspunten van het Nederlandse bloedvoorzieningssysteem en welke alternatieven mogelijk zijn.

Door te streven naar landelijke zelfvoorziening voor bloed en bloedproducten is Nederland in principe niet afhankelijk van commerciële aanbieders in het buitenland voor de beschikbaarheid van deze producten. Bovendien is het mogelijk op deze manier hoge eisen te stellen aan de kwaliteit van deze producten. Ik acht het van groot belang dat er altijd voldoende, kwalitatief goede producten in Nederland beschikbaar zijn. De inzameling van bloed en productie van bloedproducten kan natuurlijk ook bij meerdere – al dan niet commerciële – organisaties worden belegd. Nadeel van een dergelijke constructie is dat het moeilijker is om grip te krijgen op de beschikbaarheid van producten. Een voordeel zou kunnen zijn dat door de onderlinge concurrentie de prijs van bloed(producten) daalt. Achtergrond van het «om niet-principe» is dat er geen geld mag worden verdiend aan het doneren van bloed. Overigens is het zo dat het «om niet»-principe niet alleen wordt gehanteerd voor bloed, maar bijvoorbeeld ook voor organen en geslachtscellen.

De leden van VVD-fractie hebben geluiden gehoord dat de bloedproducten in Nederland duurder zijn dan in ons omringende landen. Betreffende leden vragen daarom een overzicht van de prijzen van bloedproducten in Nederland. Een soortgelijke vraag is eerder aan mij gesteld naar aanleiding van het KRO-programma «de Rekenkamer» van 23 februari 2012. Toen heb ik verwezen naar de internationale benchmark van Plexus en aangegeven dat verder onderzoek naar de bloedprijzen in de verschillenden Europese landen mij te ver reikte.

PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat de interne levering van plasma van de publieke tak aan de private tak, alsmede de prijs die hiervoor betaald wordt voor de fractie een punt van zorg is. Ik hoop dat ik deze zorg met onderstaande beantwoording kan wegnemen. Deze leden vragen mij nogmaals te bezien of de interne verrekenprijs voor plasma op basis van de productiekosten per product kan worden vastgesteld (in plaats van op basis van de marktprijs).

In mijn standpunt heb ik aangegeven dat iedere berekeningsmethodiek van een kostprijs voor plasma arbitrair is en dat daarom de marktprijs als uitgangspunt is gekozen. Bovendien wordt met het hanteren van een marktprijs meer recht gedaan aan de positie van de private tak van Sanquin. Daarom ik zie geen reden mijn standpunt op dit punt te herzien.

Vervolgens vragen deze leden een toelichting op het verschil tussen een marktprijs en marktwaarde. Sanquin stelt namelijk dat moet worden uitgegaan van de marktwaarde van plasma. De marktprijs is de prijs die Sanquin zou moeten betalen op de internationale markt om plasma te verkrijgen. De marktwaarde is de waarde die Nederlands plasma heeft. Het gaat kortom om het bedrag dat Sanquin voor Nederlands plasma zou kunnen krijgen. Sanquin argumenteert dat – omdat zij haar plasmageneesmiddelen afzet in Nederland – de waarde van Nederlands plasma lager is.

Betreffende leden geven aan het onacceptabel te vinden dat ziekenhuizen in Nederland een hogere prijs betalen voor bloedproducten dan in andere landen. Genoemde leden vinden dat daarom zo snel mogelijk een oplossing dient te worden gevonden voor een kostenverlaging van de kort houdbare bloedproducten en informeren naar de mogelijkheden om prikkels tot kostenverlaging in te bouwen. Ik vind het ook van groot belang dat de prijzen van kort houdbare bloedproducten niet te ver uit de pas lopen met de prijzen in andere landen. Ik heb besloten dat de interne verrekenprijs voor plasma per 1 juli 2013 verhoogd wordt naar € 85,–. Mijn verwachting is dat met het verhogen de bloedprijzen inderdaad zullen worden beteugeld. Dat betekent echter nog niet dat de prijzen ook zullen dalen, zeker op korte termijn. Naast de prijsdrukkende effecten van de maatregelen die ik neem, zijn er namelijk ook prijsverhogende effecten. Een daarvan is de jaarlijkse kostenstijging. Een ander is een krimp in de omzet van kort houdbare bloedproducten. Een lagere omzet zorgt ervoor dat de vaste lasten een hoger aandeel in de bloedprijs vormen. Ook kwaliteitsmaatregelen kunnen zorgen voor een prijsstijging. Ik ga er vanuit dat mijn maatregelen effect zullen hebben. Ik zal de komende periode de ontwikkelingen rond de prijzen van kort houdbare bloedproducten nauwlettend blijven volgen. Als de prijzen voor kort houdbare bloedproducten zich onbevredigend ontwikkelen, zullen aanvullende maatregelen ter verhoging van de doelmatigheid onvermijdelijk zijn.

Uit het onderzoek van Plexus is inderdaad gebleken dat het prijsniveau voor kort houdbare bloedproducten in Nederland hoger ligt dan in Finland, Frankrijk, Ierland en Franstalig Wallonië. Dit verschil is onder andere te verklaren door de veiligheidstesten die Sanquin op bloed uitvoert en door het wetenschappelijk onderzoek dat Sanquin doet. Ik vind dit onderzoek belangrijk maar stel ook een maximum aan het bedrag dat besteed kan worden aan publieke R&D. In mijn standpunt heb ik verder aangegeven dat ik Sanquin heb verzocht onderzoek te doen naar de noodzaak van de veiligheidstesten. Indien blijkt dat met minder testen de veiligheid van ontvangers van bloed en bloedproducten kan worden geborgd, zal ik Sanquin verzoeken minder testen uit te voeren. Een vermindering van het aantal testen zal een positief effect hebben op de prijzen van de kort houdbare bloedproducten.

De PvdA-fractie informeert vervolgens naar de correctie van de verkoopprijzen naar ziekenhuizen. Betreffende leden willen weten waarom een dergelijke correctie wel plaats heeft als de kosten hoger uitvallen en niet als deze lager uitvallen. De afgelopen jaren is er geen sprake geweest van een daling van de bloedprijs. Met ingang van 2013 worden mutaties in de bloedprijzen voor ziekenhuizen via de DBC’s gecompenseerd. Voor de totale kostenrealisatie van ziekenhuizen zijn afspraken gemaakt met als doel de uitgaven aan zorg te beperken. De ontwikkeling van de bloedprijzen speelt zich binnen dat kader af.

Betreffende leden geven aan het eens te zijn met mijn voornemen het eigen vermogen van de publieke tak zo te scheiden van de private tak, dat deze niet langer risicodragend is voor de private activiteiten. De leden van de PvdA-fractie hebben echter nog wel een aantal vragen over deze scheiding. Zo willen zij weten hoe de scheiding plaats zal vinden en of daarbij rekening wordt gehouden met de verrekenprijs van de afgelopen jaren. Het is op het moment nog onduidelijk hoe de scheiding precies vorm zal krijgen. Sanquin onderzoekt hoe een en ander vorm kan krijgen. Op basis hiervan zal binnenkort overleg worden gevoerd. Daarnaast vragen deze leden of het private deel de afgelopen jaren voordeel heeft gehad van het gedeelde risico en, zo ja, op welke wijze dit wordt verrekend. Er is de afgelopen jaren geen voordeel over en weer geweest.

Vervolgens hebben deze leden nog een aantal vragen over het aantal producten dat de bloedbank produceert. Deze leden vragen naar mijn standpunt over de toegevoegde waarde van de verschillende producten en hoe deze beoordeeld dient te worden. Ook vragen zij wie bepaalt welke producten de bloedbank produceert. In mijn standpunt over ConQuaestor heb ik aangegeven dat ConQuaestor verschillende maatregelen noemt om de doelmatigheid binnen Sanquin te vergroten. Deze maatregelen heb ik als suggesties in mijn standpunt beschreven. Zo noemt ConQuaestor het terugbrengen van het aantal producten dat Sanquin produceert. In mijn standpunt heb ik echter aangegeven alleen een algemene taakstelling ter bevordering van de doelmatigheid op te leggen. De publieke tak van Sanquin zal structureel 6% moeten afslanken ten opzichte van de begroting van 2012. Sanquin heeft echter de vrijheid zelf te bepalen waar deze kostenbesparingen zal neerslaan. Ik vind het daarom te vroeg om nu al in te gaan op de weging van de verschillende producten die de publieke tak produceert en wacht de overwegingen van Sanquin in dezen af.

Betreffende leden informeren voorts naar de R&D-kosten van Sanquin. Deze liggen in Nederland hoger dan in de vier door Plexus-onderzochte landen. De leden van de PvdA-fractie vragen een verklaring voor dit verschil. In Nederland voert Sanquin een belangrijk deel uit van het onderzoek naar de veilige toepassing van bloed. In het buitenland zijn het vaak de universiteiten die dit onderzoek uitvoeren. Ook vragen deze leden naar de kosten voor ICT en huisvesting. In het rapport van Plexus staat beschreven dat de hogere kosten voor huisvesting verklaard kunnen worden door investeringen die toentertijd zijn gedaan in nieuwbouw. Daarnaast heeft Sanquin in de afgelopen jaren een nieuw donorsysteem geïmplementeerd waardoor de kosten van ICT opliepen.

Vervolgens vragen genoemde leden naar een toelichting op de taakstelling. Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van de leden van de VVD-fractie. De efficiency-korting van 6% die ik heb opgelegd, is een voorbeeld van een afgedwongen kostenbesparing.

Tevens vragen deze leden naar de mogelijkheden tot het afdwingen van kostenbesparingen bij Sanquin. Middels de goedkeuring van de begroting heb ik hiertoe de mogelijkheid.

Vervolgens informeren deze leden naar het mogelijk terugbrengen van het aantal veiligheidstesten. ConQuaestor heeft een aantal suggesties meegegeven om de doelmatigheid binnen Sanquin te vergroten. Een van deze suggesties was het mogelijk terugbrengen van het aantal tests. Sanquin doet nu onderzoek naar het nut en de noodzaak van de verschillende veiligheidsmaatregelen en vergelijkt deze maatregelen met andere landen.

Mits de veiligheid van de ontvangers van bloedproducten niet in gevaar wordt gebracht, zie ik geen reden het aantal tests niet terug te brengen. Dit hangt echter af van het onderzoek dat Sanquin nu uitvoert. Als betreffende leden mij dan vragen wat de verschillen met andere landen zijn en wat de meerwaarde van de verschillende maatregelen is, moet ik hen nu dan ook nog het antwoord schuldig blijven. De leden van de PvdA-fractie vragen mij ten slotte of Sanquin de aangewezen partij is dit te onderzoeken. Ik ben inderdaad van mening dat Sanquin dit onderzoek het beste kan uitvoeren, omdat zij hiertoe de kennis en kunde in huis heeft. Bovendien is het zo dat de Medische Adviesraad van Sanquin betrokken is bij deze onderzoeken. In deze raad hebben ook externe leden zitting.

PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie geven aan het eens te zijn om voor de interne verrekenprijs voor plasma de marktprijs te hanteren, in plaats van de marktwaarde. Wel hebben deze leden nog een aantal vragen. Zo informeren zij of het afromen van het eigen vermogen van Sanquin niet een verschuiving betekent van risico’s richting mijn ministerie. Ook vragen zij of rekening is gehouden met deze mogelijke risico’s. In mijn standpunt heb ik aangegeven dat ik een norm stel voor de hoogte van het eigen vermogen, namelijk een norm van 25% van de omzet. Bij het bepalen van deze norm heb ik ook de eventuele risico’s die Sanquin loopt meegewogen. Daarom heb ik deze norm ook behoedzaam gesteld. Het waarborgfonds gaat immers uit van een percentage van 10–15%. Ik voorzie dan ook niet dat de eventuele dekking van risico’s verschuift naar mijn departement.

De betreffende leden wijzen mij op het belang van de navelstrengbloedbank voor kankerpatiënten. Zij vragen mij een reactie te geven op deze navelstrengbloedbank. Eerder heb ik aangegeven binnenkort mijn standpunt in te nemen ten aanzien van de navelstrengbloedbank. De Kamer kan mijn brief hierover op korte termijn verwachten.

De leden van de PVV-fractie geven aan zich zorgen te maken over het terugbrengen van het aantal producten. Zij vragen hoe ik in dezen de toegevoegde waarde van de verschillende producten zal beoordelen. Ik verwijs deze leden hiervoor naar mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van de leden van de PvdA-fractie. ConQuaestor adviseert in het kader van de doelmatigheid ook onderzoek te laten doen naar de verschillen tussen de landen en verschillende systemen als het gaat om het serviceniveau aan donoren. Betreffende leden menen dat een dergelijk onderzoek alleen het verhogen van het serviceniveau tot doel mag hebben. Ik ben met deze leden eens dat een goede service aan donoren buiten kijf staat. Dat betekent echter niet dat er geen onderzoek kan worden uitgevoerd naar mogelijke besparingen op dit terrein.

Daarnaast doet ConQuaestor de suggestie het aantal veiligheidstesten te verminderen, omdat Sanquin – in vergelijking met het buitenland – veel testen uitvoert. In mijn standpunt heb ik aangegeven dat het aantal testen teruggebracht moet worden, mits de veiligheid van ontvangers van bloedproducten gegarandeerd blijft. Daarom voert Sanquin nu onderzoek uit om te bekijken wat het nut en de noodzaak van de verschillende tests zijn en om te bekijken hoe een en ander in is geregeld in het buitenland. Zodra de resultaten van het onderzoek bekend zijn, zal ik in overleg met Sanquin treden over de mogelijkheden op dit terrein. De leden van de PVV-fractie geven tot slot aan dat zij van mening zijn dat het betreffende onderzoek niet uitgevoerd zou moeten worden door Sanquin, maar door een onafhankelijke organisatie.

Ik meen echter dat juist Sanquin de aangewezen organisatie is om hier onderzoek naar te doen, omdat Sanquin de expertise in huis heeft om hier valide uitspraken over te doen.

SP-fractie

De leden van de SP-fractie geven aan dat de publieke taak van bloedvoorziening zorgvuldigheid en veiligheid behoeft. Zij spreken vervolgens hun respect uit voor het grote aantal donoren dat bereid is bloed te donoren. Betreffende leden geven – met nadruk – aan dat deze donaties hun vrijwillige en «om niet»- karakter dienen te behouden, nu en in de toekomst. Ik steun deze leden van harte in deze uitgangspunten.

De leden van de SP-fractie geven aan een gegronde onderbouwing te missen bij de besluiten die ik heb genomen in mijn standpunt over het ConQuaestor-rapport. Ik hoop met onderstaande antwoorden deze onduidelijkheden weg te nemen.

In mijn standpunt heb ik het vertrouwen uitgesproken dat de bloedvoorziening in goede handen is bij Sanquin. Deze leden vragen mij hoe deze uitspraak zich verhoudt tot mijn besluit de publieke tak van Sanquin een taakstelling van 6% op te leggen. Volgens deze leden betreft het een «arbitraire bezuiniging». Ik wil ten zeerste benadrukken dat het geen arbitraire bezuiniging betreft. Hierboven heb ik reeds aangegeven dat dezelfde generieke taakstelling wordt doorgevoerd bij de rijksdienst om de doelmatigheid te vergroten. Hoewel ik van mening ben dat de bloedvoorziening in goede handen is bij Sanquin, kijk ik natuurlijk wel met een scherp oog naar de financiële huishouding. Zeker ook omdat de huidige economische situatie van iedereen offers vraagt en dus ook van Sanquin. Overigens is het wel zo dat ik Sanquin heb meegegeven dat de kwaliteit van de bloedvoorziening niet in het geding mag komen door de taakstelling. Ik zal hier ook op toezien. Ik benadruk wel dat ik het belangrijk vind dat iedere organisatie die in het publieke domein werkt, zeker als kwaliteit, veiligheid en wetenschappelijk onderzoek een grote rol spelen, ook voortdurend wordt geprikkeld om scherp te blijven op doelmatigheid.

In mijn standpunt heb ik aangegeven dat de hybride structuur van Sanquin houdbaar is, als de private tak van Sanquin verdere schaalvergroting in acht neemt. Betreffende leden vragen mij nadere uitleg te geven over deze schaalvergroting. Ook vragen zij mij hoe voorkomen kan worden dat schaalvergroting een doel op zichzelf wordt. Uit het ConQuaestor-onderzoek is gebleken dat de private tak van Sanquin blijvende aandacht heeft voor schaalvergroting. Zo zoekt Sanquin de samenwerking met andere (buitenlandse) organisaties om schaalvoordelen te kunnen benutten. Ik ga echter niet over de activiteiten die plaatsvinden in het kader van deze schaalvergroting. Deze vinden immers plaats in de private tak van Sanquin.

Deze leden vragen mij te garanderen dat Nederland in de toekomst ook een eigen (plasma)voorziening heeft. De Wibv heeft een doeltreffende en doelmatige bloedvoorziening tot doel. Het uitgangspunten daarbij is dat gestreefd wordt naar landelijke zelfvoorziening. Er zijn op het moment geen plannen de Wibv op dit punt te wijzigen.

Betreffende leden vragen mij vervolgens naar de risico’s van de hybride structuur van Sanquin. Hiervoor verwijs ik hen naar eenzelfde vraag van de leden van de VVD-fractie.

De leden van de SP-fractie geven aan mijn voornemen tot het laten scheiden van het eigen vermogen van de publieke tak van het eigen vermogen van de private tak te steunen. Zij informeren hoe deze scheiding eruit zou moeten zien en welke maatregelen daartoe genomen moeten worden. De leden van de PvdA-fractie hebben een vergelijkbare vraag gesteld.

Ik verwijs dan ook naar mijn eerdere antwoord.

Deze leden gaan vervolgens in op Cinryze, een geneesmiddel dat Sanquin sinds 2008 produceert voor de Amerikaanse markt. Deze leden stellen enkele vragen over de samenwerking die Sanquin destijds is aangegaan met Levpharma. Mijn voorganger heeft hierover reeds vragen beantwoord in 2009. De leden van de SP-fractie stellen dat Levpharma buiten Sanquin om tientallen miljoenen heeft verdiend en vragen hoe ik dit in de toekomst zal voorkomen. Ook hier wil ik aangeven dat ik niet over de activiteiten in de private tak van Sanquin ga.

De leden van de SP-fractie vragen een heldere onderbouwing waarom er wel gekozen is voor het hanteren van de marktprijs, maar de gewijzigde Mededingingswet niet van toepassing is. De leden vragen daarbij het beeld weg te nemen dat er «gewinkeld» is in argumenten. De leden van de PvdA-fractie hebben ook gevraagd naar het onderscheid tussen marktprijs en -waarde. Ik verwijs dan ook hiernaar. Wat betreft het niet van toepassing zijn van de gewijzigde Mededingingswet het volgende: de publieke tak van Sanquin is op grond van artikel 25g, eerste lid geen overheidsbedrijf in de zin van de Mededingingswet. Een bedrijf is een overheidsbedrijf als het bestuursorgaan in bepaalde gevallen in staat is het beleid te bepalen. Het gaat onder meer om de samenstelling van het bestuur en de toezichthoudende organen. Dit is niet het geval bij Sanquin.

Deze leden vragen vervolgens een overzicht van de verschillende vormen van prijsberekeningen. De systematiek die tot nog toe werd gevolgd, was dat de verrekenprijs werd gebaseerd op de door Sanquin geschatte marktwaarde. De marktprijs is door ConQuaestor vastgesteld op basis van openbare gegevens over verhandelde partijen plasma.

Genoemde leden geven aan dat het hen bevreemdt dat er geen indicatie kan worden gegeven van de kosten van de plasmageneesmiddelen. In mijn standpunt heb ik aangegeven dat Sanquin niet in de mogelijkheid was verifieerbare gegevens te leveren waaruit bleek of er sprake was van omzetverlies (door de geprioriteerde levering van plasmageneesmiddelen). Het is aan Sanquin om dergelijke gegevens aan mij te leveren. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan ik niet anders concluderen dan dat Sanquin ook niet in aanmerking komt voor compensatie. Als deze leden vragen of ik bereid ben om andere mogelijkheden in te zetten om deze gegevens alsnog te achterhalen, kan ik dan ook alleen maar aangeven dat ik hiertoe niet bereid ben. Deze verantwoordelijkheid ligt immers bij Sanquin.

Ik heb aangegeven een maximum te stellen aan het bedrag dat besteed kan worden aan de publieke R&D. In 2013 gaat het om een maximum van € 12,7 miljoen. Omdat er echter op het moment verschillende onderzoeken lopen, zal ik Sanquin tot 2015 via afbouw van de voorziening R&D compenseren voor de boven het maximum uitstijgende kosten. De aan R&D te besteden kosten zullen overigens jaarlijks worden geïndexeerd voor eventuele loon- en prijsontwikkelingen. Ik kan deze leden verder melden dat het maximum van € 12,7 miljoen is gebaseerd op het in 2009 bepaalde budget voor R&D.

De leden van de SP-fractie vragen waarom een norm van 25% van de omzet wordt gehanteerd en niet de norm van 10–15% van het Waarborgfonds voor de Zorgsector. Betekent dit dat Sanquin de marktwerking verder zal uitbreiden? Omdat Sanquin werkt met kwetsbaar materiaal moet het eigen vermogen voldoende hoog zijn om tegenvallers in de bedrijfsvoering op te vangen en voldoende solvabiliteit te hebben om de kapitaalmarkt te kunnen betreden, zonder een beroep te doen op de overheid en zonder onnodige schommelingen in de bloedprijs. Daarom is gekozen voor een behoedzame norm.

Omdat de norm is gesteld voor de publiek tak van Sanquin, is daar geen sprake van marktwerking.

Betreffende leden vragen waarom Sanquin qua financiering op een ziekenhuis zou moeten lijken. Ik neem aan dat deze leden met deze vraag doelen op de uitspraak in mijn standpunt over het eigen vermogen. Hierin zeg ik namelijk: «Ik wil toe naar een situatie waarin Sanquin leent op de kapitaalmarkt, voor investeringen in de bloedbank die niet uit het noodzakelijke eigen vermogen kunnen worden gefinancierd. Zo ontstaat een situatie die vergelijkbaar is met die van ziekenhuizen.» Ik heb daarmee aangegeven dat Sanquin wat betreft het eigen vermogen vergelijkbaar dient te zijn met de ziekenhuizen. Nu is het namelijk nog zo dat investeringen van Sanquin vooraf door de ziekenhuizen worden betaald. Ik wil toe naar een situatie waarin Sanquin leningen aangaat op de kapitaalmarkt en ziekenhuizen achteraf aan deze investeringen meebetalen.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de onderzoeksomvang dient te worden beperkt. Ik heb een maximum gesteld aan het bedrag dat Sanquin mag besteden aan publieke R&D, omdat ik het noodzakelijk acht Sanquin een prikkel te geven om kritisch te kijken naar welke onderzoeken de publieke tak wel of niet uitvoert. Ik wil ook een grens stellen aan wat er via de prijzen van de kort houdbare bloedproducten wordt besteed aan R&D.

Betreffende leden informeren vervolgens naar de suggestie van ConQuaestor om het aantal veiligheidstesten terug te brengen. Het is niet zo -hoewel deze leden dat wel suggereren – dat ik reeds de beslissing heb genomen het aantal veiligheidstesten terug te brengen. Sanquin doet op het moment slechts onderzoek naar het nut en de noodzaak van de verschillende veiligheidstesten.

De leden van de SP-fractie vragen tot slot naar de taakstelling van 6%. Zo willen zij weten waar deze 6% op is gebaseerd, waarom voor een periode van 4 jaar is gekozen en hoe het percentage van 6% gehaald kan worden. Ik verwijs deze leden hiervoor naar mijn eerdere reactie op onder andere vragen van de VVD-fractie. Verder vragen deze leden hoe de taakstelling zich verhoudt tot de reorganisatie van Sanquin. Sanquin heeft in het kader van haar reorganisatie «Bloedbank 2015» reeds een aantal kostenbesparingen in 2012 doorgevoerd. Deze kostenbesparingen worden in mindering gebracht op de taakstelling in 2013. Deze leden informeren wat de effecten van de taakstelling zullen zijn voor de donoren, de bloedvoorraad, de veiligheid, het onderzoek en voor de medewerkers van Sanquin. Voor deze vraag verwijs ik deze leden naar mijn antwoord op een vraag van de PvdA-fractie. Ik wil hier wel aan toevoegen dat ik Sanquin heb meegegeven dat de veiligheid van ontvangers van bloedproducten niet in gevaar mag worden gebracht en dat een goede service aan de donoren geborgd dient te blijven.

Tot slot vragen deze leden naar de mogelijkheden tot het verlagen van de salarissen van de Raad van Bestuur van Sanquin. Over dit onderwerp zijn ook vragen gesteld naar aanleiding van mijn brief over het Ministerieel Plan Bloedvoorziening 2012–2014. Mijn antwoorden op deze vragen worden gelijktijdig met deze reactie verstuurd. Ik verwijs deze leden hier dan ook naar.

CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie geven aan trots te zijn op de Nederlandse bloedvoorziening. Ik deel deze trots met hen. Betreffende leden vragen mij nadere uitleg te geven bij de volgende passage: «ConQuaestor tot de conclusie komt dat er geen sprake is van kruissubsidie van de publieke tak naar de private tak van Sanquin, maar van efficiencyverlies dat wordt veroorzaakt door publieke verplichtingen aan de private divisie.» Er is sprake van een negatieve marge op de verkoop van plasma aan de private tak van Sanquin. Dat wil zeggen dat de kosten van het plasma niet volledig worden doorgerekend aan de private tak. De leden van de CDA-fractie vragen daarna naar een uitgebreide juridische onderbouwing waarom de publieke taken van Sanquin niet onder de definitie van overheidsbedrijf vallen (in de zin van de Mededingingswet). Hiervoor verwijs ik deze leden naar mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van leden van de SP-fractie.

Betreffende leden informeren naar de gestelde norm van 25% van de omzet voor het eigen vermogen van Sanquin: Waarom gaan er gezien de steeds verdergaande marktwerking stemmen op om de norm op te trekken van 10–15% naar 25%? Deze stemmen gaan op, omdat een groter eigen vermogen bedrijven de mogelijkheid geeft investeringen te financieren vanuit het eigen vermogen (en daarmee niet te hoeven lenen op de kapitaalmarkt). Daarnaast kunnen bedrijven met grotere reserves gemakkelijker tegenslagen opvangen. Omdat Sanquin werkt met kwetsbaar materiaal moet het eigen vermogen voldoende hoog zijn om investeringen in de bedrijfsvoering op te vangen, zonder een beroep op de overheid te doen en zonder onnodige schommelingen in de bloedprijs.

Deze leden vragen verder of investeringen in het kader van de publieke taak van Sanquin ook moeten worden gefinancierd door leningen op de kapitaalmarkt, indien hiervoor geen ruimte kan worden gevonden in het eigen vermogen. Dit is inderdaad het geval.

Vervolgens informeren dezen leden naar (het exploitatietekort van) de botbank. Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van de leden van de VVD-fractie. De leden van de CDA-fractie informeren daarna naar de verschillende producten die Sanquin produceert. Het terugbrengen van het aantal producten wordt door ConQuaestor genoemd als een mogelijke maatregel om de doelmatigheid binnen Sanquin te vergroten. Betreffende leden geven aan dat bij de afweging rondom al dan niet terugbrengen van het aantal producten, voornamelijk het publiek belang zwaar zou moeten wegen. Dit ben ik met deze leden eens. Sanquin beoordeelt nu echter zelf waar zij de taakstelling van 6% wil doen neerslaan. Sanquin zal echter vanzelfsprekend dit belang meewegen.

Tot slot vragen deze leden naar mijn reactie op het programma «de Rekenkamer» en of de korting tot een stijging van de bloedprijs gaat leiden. Ik neem aan dat deze leden doelen op het programma van de Rekenkamer «Wat is mijn bloed waard?» van 23 februari 2012. Ik verwijs deze leden voor mijn reactie naar mijn eerdere antwoorden op vragen over hetzelfde onderwerp. Wat betreft het effect van mijn besluiten op de prijs van bloed, verwijs ik deze leden naar mijn antwoord op een gelijkluidende vraag van de VVD-fractie.

Naar boven