Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529440 nr. 16

29 440
Wijziging van de Gemeentewet en de Wet politieregisters in verband met de invoering van regels omtrent het gebruik van camera's ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (cameratoezicht op openbare plaatsen)

nr. 16
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 4 april 2005

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I wordt in artikel 151c, zesde lid, de zinsnede «gedurende ten hoogste zeven dagen» vervangen door: gedurende ten hoogste vier weken.

B

Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIIA

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Toelichting

Het gemeentelijk cameratoezicht zoals geregeld in het onderhavige wetsvoorstel is gericht op de handhaving van de openbare orde. De bewaartermijn van de vastgelegde beelden dient in redelijke verhouding te staan tot dit doel. Het wetsvoorstel gaat uit van een bewaartermijn van ten hoogste zeven dagen. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer bleek echter dat een ruime meerderheid van de Kamer een bewaartermijn van zeven dagen te kort vond. Ik heb toegezegd te bezien of een verlenging van deze termijn mogelijk en wenselijk is.

Voorop staat dat de beelden niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Het gaat daarbij niet uitsluitend om de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde (optreden bij ordeverstoringen), maar ook om het preventieve karakter van het cameratoezicht. Het cameratoezicht heeft mede tot doel ordeverstoringen te voorkomen; ook dit valt onder de noemer «handhaving van de openbare orde». In het bijzonder deze preventieve functie wordt versterkt, indien de beelden kunnen worden opgeslagen en gedurende een bepaalde periode kunnen worden bewaard, met als gunstig neveneffect dat de beelden dan ook gedurende een langere periode onder de in het wetsvoorstel vastgelegde voorwaarden kunnen worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van een gepleegd strafbaar feit. De wetenschap dat dit mogelijk is, kan personen ervan weerhouden door middel van het plegen van strafbare feiten of anderszins de orde te verstoren op de openbare plaatsen waar cameratoezicht wordt toegepast.

In het nieuwe artikel IIIa wordt bepaald dat de wet binnen vijf jaar zal worden geëvalueerd. Mede naar aanleiding van hetgeen gewisseld is in het debat met de Tweede Kamer, ben ik tot het oordeel gekomen dat een bewaartermijn van zeven dagen uit een oogpunt van preventie aan de korte kant is. Een bewaartermijn van vier weken staat naar mijn mening nog in redelijke verhouding tot het doel van het gemeentelijke cameratoezicht, en is voldoende om de preventieve functie van het cameratoezicht te versterken.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes