Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429421 nr. 8

29 421
Aanpassing van diverse wetten aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb)

nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 11 juni 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1. Hoofdstuk 1, artikel 3 (Kaderwet bestuur in verandering), komt te luiden:

Artikel 3

De Kaderwet bestuur in verandering wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 4, derde lid, vervalt: , met uitzondering van het vierde lid, derde volzin.

B

Artikel 16, derde lid, komt te luiden:

3. Op de voorbereiding van een regionaal verkeers- en vervoerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2. De aanhef van hoofdstuk 1, artikel 4 (Provinciewet), komt te luiden:

Indien artikel 52f van het bij koninklijke boodschap van 29 maart 2001 ingediende voorstel van wet houdende vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet toelating zorginstellingen) (Kamerstukken 27 659), of het daaraan gelijke artikel zoals dat komt te luiden indien toepassing is gegeven aan artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat dat voorstel van wet tot wet is verheven, nog niet in werking is getreden op het tijdstip waarop de artikelen van deze wet in werking treden, komt het onderdeel «Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport» van de bijlage bij de Provinciewet te luiden:.

3. De aanhef van hoofdstuk 1, artikel 5 (Provinciewet), komt te luiden:

Indien artikel 52f van het bij koninklijke boodschap van 29 maart 2001 ingediende voorstel van wet houdende vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet toelating zorginstellingen) (Kamerstukken 27 659), of het daaraan gelijke artikel zoals dat komt te luiden indien toepassing is gegeven aan artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat dat voorstel van wet tot wet is verheven, in werking is getreden of treedt vóór of op het tijdstip waarop de artikelen van deze wet in werking treden, komt het onderdeel«Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport» van de bijlage bij de Provinciewet te luiden:.

4. In hoofdstuk 1 wordt na artikel 5 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

Indien de hieronder aangegeven onderdelen van deze wet eerder in werking treden dan de hieronder aangegeven onderdelen van het bij koninklijke boodschap van 17 juli 2003 ingediende voorstel van wet, houdende aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden) (Kamerstukken 28 995), nadat dat wetsvoorstel tot wet is verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel A, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXIII, onderdelen A tot en met G, van die wet, vervallen in hoofdstuk 6, artikel XXIII (onteigeningswet), van die wet de onderdelen A tot en met G.

B

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel J, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXIII, onderdeel I, van die wet, vervalt hoofdstuk 6, artikel XXIII (onteigeningswet), onderdeel I, van die wet.

C

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel Q, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXIII, onderdeel K, van die wet, vervalt hoofdstuk 6, artikel XXIII (onteigeningswet), onderdeel K, van die wet.

D

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel S, subonderdeel 2, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXIII, onderdeel L, subonderdeel 1, van die wet, vervalt hoofdstuk 6, artikel XXIII (onteigeningswet), onderdeel L, subonderdeel 1, van die wet.

E

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel V, subonderdeel 5, onder b, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXIII, onderdeel M, van die wet, vervalt hoofdstuk 6, artikel XXIII (onteigeningswet), onderdeel M, van die wet.

F

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel CC, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXIII, onderdeel O, van die wet, vervalt hoofdstuk 6, artikel XXIII (onteigeningswet), onderdeel O, van die wet.

G

Indien hoofdstuk 6, artikel 2, onderdeel C, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 9, artikel LXIII, onderdeel C, van die wet, wordt in hoofdstuk 9, artikel LXIII (Landinrichtingswet), onderdeel C, van die wet «artikel 37, eerste lid» vervangen door: artikel 37, tweede lid.

H

Indien hoofdstuk 6, artikel 2, onderdeel N, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 9, artikel LXIII, onderdeel E, van die wet, wordt hoofdstuk 9, artikel LXIII (Landinrichtingswet), onderdeel A, van die wet gewijzigd als volgt:

1. In subonderdeel 1 wordt «eerste lid» vervangen door: tweede lid.

2. In subonderdeel 2 wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

I

Indien hoofdstuk 6, artikel 6, onderdeel 1, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 9, artikel XLIV, onderdeel 2, van die wet, vervalt hoofdstuk 9, artikel XLIV (Wet agrarisch grondverkeer), onderdeel 2, van die wet.

J

Indien hoofdstuk 8, artikel 6, onderdeel B, subonderdeel 3, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 7, artikel XXXIII, onderdeel D, van die wet, wordt hoofdstuk 7, artikel XXXIII (Ontgrondingenwet), onderdeel D, van die wet gewijzigd als volgt:

1. In subonderdeel 1 wordt «derde lid» vervangen door: tweede lid.

2. In subonderdeel 2 wordt «achtste lid» vervangen door: zevende lid.

K

Indien hoofdstuk 8, artikel 9, onderdeel A, subonderdeel 1, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 7, artikel XXXV, onderdeel A, van die wet, komt hoofdstuk 7, artikel XXXV (Tracéwet), onderdeel A, van die wet te luiden:

A

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

2. Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de raden van de gemeenten en de besturen van de provincies, regionale openbare lichamen en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft.

L

Indien hoofdstuk 8, artikel 9, onderdeel D, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 7, artikel XXXV, onderdeel B, van die wet, wordt in hoofdstuk 7, artikel XXXV (Tracéwet), onderdeel B, van die wet «procedure» vervangen door «voorbereiding» en «ontwerp-tracébesluit» door: te nemen tracébesluit.

M

Indien hoofdstuk 8, artikel 12, onderdeel A, subonderdeel 1, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 7, artikel XL, onderdeel A, van die wet, vervalt hoofdstuk 7, artikel XL (Wegenwet), onderdeel A, van die wet.

N

Indien hoofdstuk 8, artikel 16, onderdeel D, subonderdeel 3, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 7, artikel XLI, van die wet, vervalt hoofdstuk 7, artikel XLI (Wet op de waterkering), van die wet.

O

Indien hoofdstuk 10, artikel 14, onderdeel A, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 6, artikel XXXVIII, onderdeel B, van die wet, vervalt hoofdstuk 6, artikel XXXVIII (Wet op de stads- en dorpsvernieuwing), onderdeel B, van die wet.

5. Hoofdstuk 1, artikel 6 (Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden), wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

aA

Indien hoofdstuk 8, artikel 2, onderdeel B, subonderdeel 2, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 5, artikel XIVA, van die wet, vervalt artikel XIVA (Grondwaterwet) van die wet.

b. In de aanhef van onderdeel A wordt «onderdeel A» telkens vervangen door: onderdeel Aa.

c. Na onderdeel A worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Aa

Indien hoofdstuk 8, artikel 9, onderdeel A, subonderdeel 1, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 5, artikel XVIIB, onderdeel A, van die wet, komt hoofdstuk 5, artikel XVIIB (Tracéwet), onderdeel A, van die wet te luiden:

A

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

2. Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de raden van de gemeenten, de provinciale staten van de provincies en de besturen van de regionale openbare lichamen en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft.

Ab

Indien hoofdstuk 8, artikel 9, onderdeel D, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 5, artikel XVIIB, onderdeel B, van die wet, wordt in hoofdstuk 5, artikel XVIIB (Tracéwet), onderdeel B, van die wet «procedure» vervangen door «voorbereiding» en «ontwerp-tracébesluit» door: te nemen tracébesluit.

Ac

Indien hoofdstuk 8, artikel 16, onderdeel D, subonderdeel 3, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 5, artikel XXIIA (Wet op de waterkering), van die wet, vervalt artikel XXIIA van die wet.

d. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

D

Indien hoofdstuk 10, artikel 6, onderdeel C, van deze wet eerder in werking treedt dan hoofdstuk 4, artikel XI, onderdeel A, van die wet, vervalt artikel XI (Wet bodembescherming), onderdeel A, van die wet.

6. Het opschrift van hoofdstuk 1, artikel 7 (Wet gemeenschappelijke regelingen), komt te luiden:

Indien het bij koninklijke boodschap van 12 februari 2000 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in verband met de afschaffing van de verplichte bundeling en integratie van gemeenschappelijke regelingen in samenwerkingsgebieden en daarmee samenhangende wijzigingen (Kamerstukken 27 008) op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet tot wet is verheven en in werking is getreden, komt artikel 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen te luiden:.

7. Aan hoofdstuk 1 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 8

Indien de hieronder aangegeven onderdelen van deze wet eerder in werking treden dan het bij koninlijke boodschap van 21 november 2003 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van de Gemeentewet, de Provinciewet en enkele andere wetten in verband met de dualisering van het gemeente- en het provinciebestuur (Kamerstukken 29 310), nadat dat wetsvoorstel tot wet is verheven, wordt die wet gewijzigd als volgt:

A

Indien hoofdstuk 8, artikel 5, onderdeel C, subonderdeel 4, van deze wet eerder in werking treedt dan die wet, wordt in artikel VI (Luchtvaartwet), onderdeel A, van die wet «artikel 20, zesde lid» vervangen door: artikel 20, derde lid.

B

Indien hoofdstuk 8, artikel 5, onderdeel F, van deze wet eerder in werking treedt dan die wet, vervalt artikel VI (Luchtvaartwet), onderdeel B, van die wet.

C

Indien hoofdstuk 8, artikel 5, onderdeel I, van deze wet eerder in werking treedt dan die wet, vervalt artikel VI (Luchtvaartwet), onderdeel C, van die wet.

D

Indien hoofdstuk 5, artikel 2, onderdeel A, van deze wet eerder in werking treedt dan die wet, vervalt in artikel VII (onteigeningswet), onderdeel A, van die wet: 12, vijfde lid,.

8. Hoofdstuk 3, artikel 1 (Mededingingswet), wordt gewijzigd als volgt:

a. Onderdeel B vervalt.

b. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

J

De artikelen 100 en 101 vervallen.

9. De aanhef van hoofdstuk 3, artikel 3 (Telecommunicatiewet), onderdeel D, komt te luiden:

Artikel 6b.1 wordt gewijzigd als volgt:.

10. Hoofdstuk 5, artikel 2 (onteigeningswet), wordt gewijzigd als volgt:

a. De aanhef komt te luiden:

De onteigeningswet wordt gewijzigd als volgt.

b. Onderdeel B komt te luiden:

B

In artikel 23, onderdeel 3°, vervalt «overeenkomstig art. 12,» en wordt voor «gelegen» ingevoegd: ter inzage.

c. De onderdelen D tot en met G komen te luiden:

D

In artikel 39 wordt «de nederlegging ter inzage, bedoeld in artikel 12» vervangen door: terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

E

In artikel 42, vierde lid, wordt «de nederlegging ter inzage, bedoeld in artikel 12» vervangen door: terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

F

Artikel 42a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het vijfde lid wordt «de nederlegging ter inzage, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, en 91» vervangen door: terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht dan wel de terinzagelegging, bedoeld in artikel 91.

2. In het zesde lid wordt «de nederlegging ter inzage, bedoeld in artikel 12» vervangen door: terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

G

Artikel 54a, tweede lid, komt te luiden:

2. Bij het verzoekschrift moeten worden overgelegd:

a. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten van het werk en met grondtekeningen, waarop de te onteigenen onroerende zaken en de onroerende zaken waarop te onteigenen rechten rusten, met vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;

b. een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid met hun kadastrale aanduiding met vermelding van:

1°. de grootte volgens de kadastrale registratie van elk der desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte;

2°. de namen van de eigenaars van elk dier zaken, volgens de kadastrale registratie;

c. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de kadastrale registratie;

d. de bewijzen, bedoeld in artikel 23, onder 2° en 3°;

e. een opgave van de hypotheekhouders of van hen, die beslag hebben gelegd met betrekking tot hetgeen onteigend moet worden, voor zover zij zijn vermeld in de openbare registers.

d. In onderdeel K wordt in artikel 64b, eerste lid, «onderdeel 2?» vervangen door: onderdeel 2°.

11. In hoofdstuk 5 wordt na artikel 2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

In artikel 13, eerste lid, van de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken wordt «de artikelen 12, 80, 127 en 143 van de onteigeningswet» vervangen door: artikel 80 van de onteigeningswet.

12. Hoofdstuk 6, artikel 2 (Landinrichtingswet), wordt gewijzigd als volgt:

a. De aanhef komt te luiden:

De Landinrichtingswet wordt gewijzigd als volgt:.

b. Na onderdeel U wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ua

Artikel 93 wordt gewijzigd als volgt:

1. De onderdelen b en c vervallen.

2. Onderdeel d wordt geletterd tot b.

13. In hoofdstuk 6, artikel 6 (Wet agrarisch grondverkeer) komt de aanhef te luiden:

De Wet agrarisch grondverkeer wordt gewijzigd als volgt:.

14. In hoofdstuk 6 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 8

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 december 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Kamerstukken 28 171) tot wet is verheven en in werking is getreden voordat hoofdstuk 6, artikel 4, onderdeel B, subonderdeel 1, van deze wet in werking treedt, wordt in hoofdstuk 6, artikel 4, onderdeel B, subonderdeel 1, van deze wet «als bedoeld in artikel 10, eerste lid» vervangen door: als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 10a, eerste lid.

Artikel 9

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 december 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Kamerstukken 28 171) tot wet wordt verheven en in werking treedt nadat hoofdstuk 6, artikel 4, onderdeel B, subonderdeel 3, van deze wet in werking is getreden, vervalt artikel I, onderdeel F, subonderdeel 2, van die wet.

15. Hoofdstuk 8, artikel 5 (Luchtvaartwet), wordt gewijzigd als volgt:

a. In onderdeel J wordt na «vierde lid,» ingevoegd: wordt.

b. In onderdeel K wordt na «3:12, tweede lid,» ingevoegd: van de Algemene wet bestuursrecht.

16. Hoofdstuk 8, artikel 7 (Planwet verkeer en vervoer), komt te luiden:

Artikel 7

De Planwet verkeer en vervoer wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure» vervangen door: afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Het derde lid vervalt.

B

Artikel 10, tweede lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de eerste volzin wordt «de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure» vervangen door: afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De tweede en derde volzin vervallen.

17. In hoofdstuk 8, artikel 9 (Tracéwet), onderdeel H, wordt een subonderdeel ingevoegd, luidende:

2a. In het zevende en achtste lid (nieuw) wordt «zevende lid» telkens vervangen door: zesde lid.

18. Hoofdstuk 8, artikel 12 (Wegenwet), onderdeel B, komt te luiden:

B

Artikel 34, tweede lid, komt te luiden:

2. Op de voorbereiding van het ontwerp is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het opgemaakte ontwerp wordt, vergezeld van de naar voren gebracht zienswijzen en van het oordeel van burgemeester en wethouders daaromtrent, toegezonden aan gedeputeerde staten.

19. In de aanhef van hoofdstuk 9, artikel 3 (Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening), wordt na «(Kamerstukken 27 659),» ingevoegd: of het daaraan gelijke artikel zoals dat komt te luiden indien toepassing is gegeven aan artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,.

20. In hoofdstuk 9, artikel 4 (Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening), aanhef, onderdeel a, wordt na «(Kamerstukken 27 659),» ingevoegd: of het daaraan gelijke artikel zoals dat komt te luiden indien toepassing is gegeven aan artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,.

21. In de aanhef van hoofdstuk 9, artikel 6 (Wet ziekenhuisvoorzieningen), wordt na «(Kamerstukken 27 659),» ingevoegd: of het daaraan gelijke artikel zoals dat komt te luiden indien toepassing is gegeven aan artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,.

22. In hoofdstuk 9, artikel 7 (Wet ziekenhuisvoorzieningen), aanhef, onderdeel a, wordt na «(Kamerstukken 27 659),» ingevoegd: of het daaraan gelijke artikel zoals dat komt te luiden indien toepassing is gegeven aan artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,.

23. Hoofdstuk 10, artikel 2 (Huisvestingswet), komt te luiden:

Artikel 2

Artikel 82 van de Huisvestingswet vervalt.

24. In hoofdstuk 10, artikel 3 (Kernenergiewet), wordt na onderdeel A, subonderdeel 1, een onderdeel ingevoegd, luidende:

1a. In de aanhef van het tweede lid wordt «met betrekking tot de totstandkoming» vervangen door: op de voorbereiding.

25. In hoofdstuk 10, artikel 4 (Waterleidingwet) wordt boven de tekst die aanvangt met «In artikel 48, tweede lid,» de onderdeelaanduiding «B» ingevoegd.

26. Hoofdstuk 10, artikel 9 (Wet milieubeheer), onderdeel E, komt te luiden:

E

Artikel 7.5 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het zesde lid vervalt de derde volzin.

2. Het achtste lid komt te luiden:

8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het verzoek om een ontheffing moet worden gedaan en de gegevens die van de verzoeker kunnen worden verlangd. Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat op de voorbereiding van de beslissing omtrent het verzoek afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van toepassing zijn.

27. Hoofdstuk 10, artikel 12 (Wet milieugevaarlijke stoffen), onderdeel J, subonderdeel 1, onder b, komt te luiden:

b. In de tweede volzin wordt «de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5» vervangen door «afdeling 3.4» en wordt vóór «buiten toepassing blijven» ingevoegd: geheel of gedeeltelijk.

28. In hoofdstuk 10, artikel 16 (Woningwet), onderdeel E, wordt het lidnummer «4» vervangen door: 5.

29. In hoofdstuk 11, artikel 1 (Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb), wordt na onderdeel 2 een onderdeel ingevoegd, luidende:

2a. In het derde lid wordt «zoals dit luidde» vervangen door: zoals die afdeling luidde.

30. In hoofdstuk 11 wordt na artikel 1 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

1. Indien ingevolge enig wettelijk voorschrift:

a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen van een regeling advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd,

b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven,

c. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat sedert haar vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is verstreken,

d. een regeling bij de wet moet worden goedgekeurd,

e. door of namens een van de Kamers van de Staten-Generaal of een aantal leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of de inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, of

f. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door een andere minister dan Onze Minister van Justitie, geldt dat voorschrift niet ten aanzien van het Aanpassingsbesluit uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.

2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

Toelichting

Algemeen

Afgezien van de wijzigingen van de Planwet verkeer en vervoer, die voortvloeien uit de nota naar aanleiding van het verslag, is deze nota van wijziging van louter wetstechnische aard. Het betreft in hoofdzaak het herstel van enkele omissies en een actualisering van en aanvulling met bepalingen die de samenloop regelen tussen het onderhavige wetsvoorstel en enkele andere lopende wetsvoorstellen. Daarnaast wordt in onderdeel 30 voorgesteld om met het oog op de aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de u.o.v. voorhang- en voordrachtprocedures eenmalig buiten werking te stellen.

Deze nota van wijziging wordt uitgebracht mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Onderdeelsgewijze toelichting

1. Kaderwet bestuur in verandering

Onderdeel A is nieuw. De daarin opgenomen wijziging van artikel 4, derde lid, van de Kaderwet bestuur in verandering vloeit rechtstreeks voort uit de in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De aanpassing van de desbetreffende verwijzing was abusievelijk nog niet in het wetsvoorstel opgenomen.

Onderdeel B bevat de wijziging die reeds in het wetsvoorstel was opgenomen.

2 en 3. Provinciewet

De bepalingen die de samenloop regelen tussen het onderhavige wetsvoorstel en wetsvoorstel 27 659 (Wet toelating zorginstellingen) worden via deze wijzigingen geactualiseerd in verband met onderdeel I van de op 29 april 2004 uitgebrachte vierde nota van wijziging bij laatstgenoemd wetsvoorstel (Kamerstukken II 2003/04, 27 659, nr. 18). Tevens is in de tekst een voorziening getroffen die buiten twijfel stelt dat de voorgestelde wijzigingen ook kunnen worden doorgevoerd ingeval het aangehaalde artikel 52f in laatstgenoemd wetsvoorstel door de voorzitter van de Tweede Kamer wordt vernummerd met toepassing van artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

4. Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden

Aangezien thans nog niet is aan te geven of de beoogde Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden (wetsvoorstel 28 995) eerder in werking zal treden dan het onderhavige wetsvoorstel, worden zekerheidshalve de nodige wetstechnische voorzieningen getroffen voor de situatie waarin de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden later in werking treedt. Daarbij is het stramien gevolgd van de reeds in hoofdstuk 1, artikel 6, van het wetsvoorstel opgenomen wijziging van de Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden voor het geval die wet later in werking treedt dan het onderhavige wetsvoorstel. In de desbetreffende samenloopbepalingen is rekening gehouden met de tekst van wetsvoorstel 28 995 zoals deze is gewijzigd ingevolge de op 21 april 2004 uitgebrachte nota van wijziging (Kamerstukken II 2003/04, 28 995, nr. 7).

5. Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden

Actualisering en aanpassing van de wetstechnische voorzieningen in verband met de samenloop tussen het onderhavige wetsvoorstel en wetsvoorstel 29 316 is noodzakelijk in verband met de op 21 april 2004 uitgebrachte nota van wijziging op laatstgenoemd wetsvoorstel (Kamerstukken II 2003/04, 29 316, nr. 7).

6. Wet gemeenschappelijke regelingen

Het onderhavige wetsvoorstel wijzigt artikel 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dat echter ingevolge wetsvoorstel 27 008 komt te vervallen. Door de gewijzigde formulering wordt erin voorzien dat de voorgestelde wijziging alleen doorgang vindt als laatstgenoemd wetsvoorstel nog niet in werking is getreden.

7. Wet tot aanpassing van de Gemeentewet, de Provinciewet en enkele andere wetten in verband met de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur

Aangezien thans nog niet is aan te geven of de beoogde Wet tot aanpassing van de Gemeentewet, de Provinciewet en enkele andere wetten in verband met de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur (wetsvoorstel 29 310) eerder in werking zal treden dan het onderhavige wetsvoorstel, worden zekerheidshalve de nodige wetstechnische voorzieningen getroffen voor de situatie waarin eerstgenoemde wet later in werking treedt. Daarbij is het stramien gevolgd van de reeds in hoofdstuk 1, artikel 6, van het wetsvoorstel opgenomen wijziging van de Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden voor het geval die wet later in werking treedt dan het onderhavige wetsvoorstel. In de desbetreffende samenloopbepalingen is rekening gehouden met de tekst van wetsvoorstel 29 310 zoals deze is gewijzigd ingevolge de op 20 april 2004 uitgebrachte nota van wijziging (Kamerstukken II 2003/04, 29 310, nr. 7).

8. Mededingingswet

a. De wijziging van artikel 12 van de Mededingingswet zoals dat artikel zou komen te luiden ingevolge wetsvoorstel 28 485, kan vervallen, nu laatstgenoemd wetsvoorstel is ingetrokken (zie Kamerstukken II 2003/04, 28 485, nr. 8).

b. De artikelen 100 en 101 van de Mededingingswet bevatten onder andere een verwijzing naar artikel 19 van die wet, dat ingevolge dit wetsvoorstel komt te vervallen. Omdat de artikelen 100 en 101 inmiddels uitgewerkt overgangsrecht bevatten, kunnen deze artikelen vervallen.

9. Telecommunicatiewet

Nu wetsvoorstel 28 851, waarmee artikel 6b.1 is toegevoegd aan de Telecommunicatiewet, tot wet is verheven (wet van 22 april 2004, Stb. 189), is er geen noodzaak meer om in de aanhef van de wijziging van dat artikel aan die wijziging een voorwaardelijk karakter te geven. De aanhef kan derhalve worden vereenvoudigd.

10. Onteigeningswet

a. In de aanhef werden de wijzigingen van de onteigeningswet afhankelijk gemaakt van inwerkingtreding van wetsvoorstel 28 995. De afstemming met dit wetsvoorstel heeft via deze nota van wijziging op andere wijze plaatsgevonden, hetgeen betekent dat het wetsvoorstel niet meer in de aanhef behoeft te worden genoemd.

b en c. De aanvankelijk in verband met de schrapping van artikel 12 van de onteigeningswet opgenomen wijzigingen behoeven bij nader inzien enige technische verbeteringen. Daarmee wordt buiten twijfel gesteld dat waar thans wordt verwezen naar artikel 12, wordt gedoeld op terinzagelegging van stukken overeenkomstig de u.o.v., die op enkele plaatsen in de onteigeningswet van toepassing wordt verklaard.

d. Via deze wijziging wordt een verschrijving gecorrigeerd.

11. Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken

Nu wetsvoorstel 24 212, dat mede strekt tot intrekking van de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken, zal worden ingetrokken (zie Kamerstukkken II 2003/04, 23 095, A, blz. 9) en de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken dus nog van kracht blijft, is er aanleiding in die wet nog enkele verwijzingen naar de onteigeningswet aan te passen. De verwijzing naar de artikelen 12 en 143 moeten vervallen, omdat die artikelen ingevolge het onderhavige wetsvoorstel komt te vervallen. Eveneens wordt de verwijzing naar artikel 127 van de onteigeningswet geschrapt, omdat dat artikel reeds in 1985 is vervallen.

12. Landinrichtingswet

a. In de aanhef werden de wijzigingen van de Landinrichtingswet afhankelijk gemaakt van inwerkingtreding van de wetsvoorstellen 28 967 en 28 995. Eerstgenoemd wetsvoorstel is inmiddels tot wet verheven (wet van 22 april 2004, Stb. 223) en in werking getreden. De afstemming met laatstgenoemd wetsvoorstel heeft via deze nota van wijziging op andere wijze plaatsgevonden. Een en ander betekent dat de wetsvoorstellen niet meer in de aanhef behoeven te worden genoemd.

b. In verband met de voorgestelde schrapping van artikel 40, tweede lid, kunnen de onderdelen a en b van artikel 93, waarin naar deze bepaling wordt verwezen, eveneens vervallen.

13. Wet agrarisch grondverkeer

In de aanhef werd de wijziging van artikel 3 van de Wet agrarisch grondverkeer afhankelijk gemaakt van inwerkingtreding van wetsvoorstel 28 995. De afstemming met dit wetsvoorstel heeft via deze nota van wijziging op andere wijze plaatsgevonden, hetgeen betekent dat het wetsvoorstel niet meer in de aanhef behoeft te worden genoemd.

14.Samenloopbepalingen wetsvoorstel 28 171

Deze twee voorgestelde artikelen regelen de wetstechnische afstemming in verband met de samenloop tussen enkele wijzigingen in het onderhavige wetsvoorstel en wetsvoorstel 28 171 (wijziging Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen). Daarbij is rekening gehouden met de tekst van laatstgenoemd wetsvoorstel zoals dat is komen te luiden na de stemmingen over dat wetsvoorstel in de Tweede Kamer.

15. Luchtvaartwet

a. In de wijzigingsopdracht was het woord «wordt» weggevallen. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

b. In de nieuw voorgestelde tekst in artikel 25b, derde lid, van de Luchtvaartwet was de zinsnede «van de Algemene wet bestuursrecht» weggevallen. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

16. Planwet verkeer en vervoer

Deze wijzigingen strekken ertoe de aanvankelijk voorgestelde schrapping van de artikelen 6, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Planwet verkeer en vervoer ongedaan te maken. Voor een toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag.

17. Tracéwet

In verband met de vernummering van de artikelleden van artikel 20 van de Tracéwet moeten in dat artikel nog een tweetal verwijzingen worden aangepast.

18. Wegenwet

Deze wijziging corrigeert een onvolkomenheid in het wetsvoorstel. Abusievelijk werd in het ingediende wetsvoorstel de tweede volzin in plaats van de eerste volzin van artikel 34, tweede lid, van de Wegenwet gewijzigd. De tweede volzin moet worden gehandhaafd, met inachtneming van een kleine terminologische wijziging.

19 t/m 22. Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening en Wet ziekenhuisvoorzieningen

In de bepalingen die de samenloop regelen tussen het onderhavige wetsvoorstel en wetsvoorstel 27 659 (Wet toelating zorginstellingen) wordt een voorziening getroffen die buiten twijfel stelt dat de voorgestelde wijzigingen ook kunnen worden doorgevoerd ingeval de aangehaalde artikelen in laatstgenoemd wetsvoorstel door de voorzitter van de Tweede Kamer worden vernummerd met toepassing van artikel 106, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

23. Huisvestingswet

Zoals uiteengezet in de nota naar aanleiding van het verslag kan artikel 82 van de Huisvestingswet in zijn geheel vervallen, aangezien het daarin opgenomen overgangsrecht inmiddels is uitgewerkt.

24. Kernenergiewet

Deze aanvullende wijziging is van louter redactionele aard. De formulering wordt in overeenstemming gebracht met de uit standaardaanpassing 1 voortvloeiende terminologie.

25. Waterleidingwet

De wijziging van artikel 48, tweede lid, van de Waterleidingwet was abusievelijk niet van een onderdeelaanduiding voorzien.

26. Wet milieubeheer

De wijziging van artikel 7.5, zesde lid, is nieuw. In de derde volzin van dat artikellid is thans voorgeschreven dat adviezen over een eventuele ontheffing van de m.e.r.-plicht binnen vijf weken nadat daarom is verzocht aan de betrokken ministers worden verzonden. Nu uit artikel 3:16 (nieuw) Awb voortvloeit dat adviezen gedurende de zienswijzetermijn (dus gedurende zes weken) kunnen worden uitgebracht, moet de regeling van artikel 7.5, zesde lid, derde volzin, vervallen ten faveure van de algemene regeling in de Awb. Opgemerkt wordt nog dat artikel 7.5, zevende lid, voor beslissingen op een verzoek om ontheffing van de m.e.r.-plicht voorziet in een beslistermijn van negen weken. Gelet op de zienswijzetermijn van zes weken betekent dit dat de stukken snel ter inzage moeten worden gelegd en er snel advies moet worden gevraagd. Overigens zullen in het kader van de herijkingsoperatie van de VROM-wetgeving ook de procedurevoorschriften voor beslissingen op verzoeken om ontheffingen van de m.e.r.-plicht nader worden bezien.

De wijziging van artikel 7.5, achtste lid, was reeds in het wetsvoorstel opgenomen.

27. Wet milieugevaarlijke stoffen

Via de voorgestelde wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat in de in artikel 26 van de Wet milieugevaarlijke stoffen bedoelde algemene maatregel van bestuur ook van specifieke onderdelen van de u.o.v. kan worden afgeweken. Dit is met name van belang om te kunnen voldoen aan richtlijnverplichtingen waaruit een andere beslistermijn voortvloeit dan in artikel 3:18 Awb is neergelegd.

28. Woningwet

Zowel door het onderhavige wetsvoorstel als door het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel 29 243 (Aanpassingswet Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) wordt aan artikel 59 van de Woningwet een vierde lid toegevoegd. Via de thans voorgestelde wijziging wordt het door het onderhavige wetsvoorstel toe te voegen lid als vijfde lid genummerd.

29. Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb

Deze wijziging van taalkundige aard vloeit rechtstreeks voort uit de in het wetsvoorstel voorgestelde vervanging van «artikel 7:1» door «afdeling 7.1» in artikel IV, derde lid, van de Wet u.o.v. Awb.

30. Eenmalige buitenwerkingstelling voorhang- en voordrachtprocedures

De aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de Wet u.o.v. krijgt zijn beslag in één rijksbreed aanpassingsbesluit, dat de citeertitel «Aanpassingsbesluit uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb» zal dragen. Op diverse aan te passen algemene maatregelen van bestuur zijn bijzondere procedureregels van toepassing (voorhangprocedures, vertraagde inwerkingtreding, voordrachtprocedures). Toepassing van deze procedureregels dient bij aanpassingen als deze geen redelijk doel, aangezien het gaat om technische wijzigingen die een sequeel zijn van keuzes die reeds zijn gemaakt in het kader van de hoofdwet (de Wet u.o.v.) en de Aanpassingswet. Om onnodige procedurelasten en vertraging te voorkomen, wordt derhalve voorgesteld om deze procedureregels eenmalig buiten werking te stellen voorzover het het aanpassingsbesluit betreft. Qua inhoud, systematiek en formulering is daarbij zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Tijdelijke wet regelgevingsprocedures euro (Stb. 2000, 149), waarin een soortgelijke buitenwerkingstelling was opgenomen voor aanpassingen van algemene maatregelen van bestuur die verband hielden met de invoering van de euro.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner