Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429421 nr. 7

29 421
Aanpassing van diverse wetten aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb)

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 juni 2004

Inleiding

Met belangstelling hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Justitie. Terecht constateren de leden van de CDA-fractie dat dit wetsvoorstel naast technische aanpassingen ook enkele materiële wijzigingen bevat. Het verheugt ons dat de betekenis van dit wetsvoorstel voor een verdere uniformering, vereenvoudiging en versobering van de bestuursrechtelijke wetgeving door de leden van de VVD-fractie wordt onderkend en onderschreven. Mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord ik graag de vragen die zijn gesteld door de leden van de fracties van het CDA en de PvdA.

Uitgangspunten

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe de stelling moet worden opgevat dat het laten vervallen van gedetailleerde aanvullingen en specificeringen in de bijzondere wetgeving overigens niet betekent dat bestuursorganen hun handelwijzen moeten aanpassen. Deze stelling betekent niet meer dan dat bestuursorganen die thans handelen volgens gedetailleerde regels, zoals die met name zijn neergelegd in de huidige afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ervan uit kunnen gaan dat dit handelen ook in overeenstemming is met de meer globale regels van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure (u.o.v.). De betekenis van het schrappen van deze gedetailleerde regels is dat de huidige werkwijze niet hoeft te worden veranderd, maar onder omstandigheden wel kan worden veranderd. Een voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken. Thans is in artikel 3:22, eerste lid, Awb voorgeschreven dat stukken buiten de werkuren ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week moeten kunnen worden ingezien. Deze werkwijze kan onder het regime van de u.o.v. worden gehandhaafd. Indien een bestuursorgaan ervoor kiest om met het oog op verbetering van de toegankelijkheid voortaan enkele avonden in de week gedurende twee uren open te zijn voor het inzien van stukken, zal dat onder het regime van de u.o.v. eveneens mogelijk zijn. De uniformerende werking van de u.o.v. houdt in dat er gedurende zes weken stukken ter inzage liggen. Bij het bepalen van de tijdstippen waarop de stukken kunnen worden ingezien heeft het bestuursorgaan echter meer vrijheid dan thans het geval is, zodat flexibeler kan worden ingespeeld op lokale behoeften en wensen. Regels als thans nog opgenomen in artikel 3:22, eerste lid, Awb hebben in de ogen van de regering een te hoge detailleringsgraad om een centrale regeling op wetsniveau te kunnen rechtvaardigen.

Afschaffing van de actio popularis in het omgevingsrecht

Het verheugt ons dat de voorstelde schrapping van de actio popularis de instemming van de leden van de CDA-fractie heeft. Met de aansluiting bij het belanghebbendebegrip van de Awb wordt het meest in het oog springende verschil tussen de rechtsbeschermingsprocedures in het omgevingsrecht en die in de rest van het bestuursrecht weggenomen. Wat de vraag van deze leden naar vervolgstappen betreft, wijzen wij op het volgende. Verdergaande stroomlijning vindt plaats bij de uitwerking van de voornemens inzake de herijking van de VROM-regelgeving. Bij brief van 17 oktober 2003 heeft de Minister van VROM de Tweede Kamer daarover geïnformeerd (zie Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XI, nr. 7, blz. 13). Uit de brief blijkt dat het mede in verband met de ontwikkeling van de zgn. VROM-vergunning van belang is om volledig aan te sluiten bij de Awb-procedures. De tijdsplanning voor deze voorstellen is neergelegd in de brief van de Minister van VROM van 23 december 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 383, nr. 1). Daarin is aangegeven dat het onderdeel «Awb-conformiteit» in 2006 moet worden afgerond. Wat het in de eerstgenoemde brief aangekondigde standpunt over beroep in een of twee instanties betreft, verwijs ik u naar het door ons bij brief van 28 april 2004 toegezonden kabinetsstandpunt over de derde fase herziening rechterlijke organisatie en de toekomstige structuur van de Raad van State (Kamerstukken II 2003/04, 25 425, nr. 7). Daarin is beargumenteerd aangegeven dat het kabinet thans onvoldoende aanleiding ziet om verandering te brengen in de situaties waarin sprake is van rechtspraak in één instantie, waaronder het terrein van het milieurecht.

Noch bij het huidige artikel 6:13 Awb noch bij het nieuwe artikel 6:13 Awb geldt een uitdrukkelijke verplichting om belanghebbenden er op te wijzen dat het indienen van een bezwaarschrift c.q. het naar voren brengen van zienswijzen een voorwaarde is om later eventueel beroep bij de bestuursrechter te kunnen instellen, zo antwoorden wij op de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie. Bij de huidige regelingen over het inbrengen van bedenkingen of zienswijzen in de Wet milieubeheer (o.a. artikel 20.6) en in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (artikel 56) is dit evenmin het geval. In die zin brengt het wetsvoorstel dus geen wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie. De praktijk leert overigens dat belanghebbenden zich als regel bewust zijn van het feit dat eerst bezwaar moet worden gemaakt dan wel – in het kader van de huidige procedure van afdeling 3.5 Awb – bedenkingen moeten worden ingebracht. De mogelijkheid van het maken van bezwaar moet ingevolge artikel 3:45 Awb in of bij het primaire besluit worden vermeld. De mogelijkheid van het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de u.o.v. blijkt uit de openbare kennisgeving ingevolge artikel 3:12 (nieuw) Awb en de persoonlijke kennisgeving aan specifieke belanghebbenden ingevolge artikel 3:13 (nieuw) Awb.

De vraag van de leden van de PvdA-fractie of er een verschil bestaat tussen de regeling voor rechtshulp in de u.o.v.-procedure en die in de bezwaarfase kan ontkennend worden beantwoord. In beide situaties moet een verzoek om rechtsbijstand worden beoordeeld volgens de in de Wet op de rechtsbijstand en de daarop gebaseerde uitvoeringswetgeving – met name het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria – opgenomen criteria. Daarin is geen verschil gemaakt tussen voorbereidingsprocedures en bezwaarschriftprocedures.

Wat de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar een mogelijke juridisering van de «zienswijzefase» betreft, merken wij op dat naar het oordeel van de regering via de voorgestelde aanvulling van artikel 6:13 Awb en de daaraan in de memorie van toelichting gegeven uitleg een evenwicht is gevonden tussen enerzijds het uit het oogpunt van doelmatige besluitvorming bestaande belang dat gegevens, argumenten en bewijs in een zo vroeg mogelijk stadium naar voren worden gebracht en anderzijds het waarborgen dat deelnemers aan de u.o.v. niet worden geconfronteerd met een zeer strikte toepassing van de zgn. «argumentatieve fuik». Daarbij is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de beschouwingen van de commissie-Boukema over dit vraagstuk in haar eindrapport over de tweede evaluatie van de Awb. Deze benadering biedt naar ons oordeel voor de bestuursrechter voldoende mogelijkheden om onnodige juridisering van de u.o.v. te voorkomen, zonder dat de belangen van doelmatige besluitvorming en tijdige geschilbeslechting uit het oog worden verloren. Daarbij zal de rechter mede de aard en inhoud (complexiteit) van het besluit en vereisten van een goede rechtsbedeling kunnen laten meewegen. Dit kan onder omstandigheden met zich brengen dat de rechter ook een (nog) niet in de zienswijzefase ingebracht argument bij wijze van aanvulling van rechtsgronden in zijn beoordeling moet betrekken.1 Gelet op het voorgaande verwachten wij geen toename van het aantal zienswijzen of van het aantal betwiste onderdelen van een ontwerpbesluit binnen een naar voren gebrachte zienswijze.

Voor het antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar een cijfermatige onderbouwing van de stelling dat in gevallen waarin thans nog een actio popularis geldt, de ingestelde beroepen toch reeds vooral afkomstig zijn van belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb, zodat het aantal beroepen niet substantieel zal afnemen, verwijzen wij deze leden naar het in de memorie van toelichting aangehaalde onderzoeksrapport van de Universiteit Utrecht uit 1999.2 Uit de in het kader van dat onderzoek gehouden enquête onder bestuursorganen en afgenomen interviews met andere betrokkenen in rechterlijke procedures bleek dat slechts 1–5% van de beroepen wordt ingesteld door appellanten die niet voldoen aan het belanghebbendebegrip in artikel 1:2 Awb. Dit gegeven bracht de onderzoekers tot de conclusie dat het doen vervallen van de actio popularis getalsmatig bezien slechts een geringe lastenverlichting met zich zal brengen.

Deze leden vroegen voorts hoe het afschaffen van de actio popularis zich verhoudt tot het Verdrag van Aarhus en de voorgestelde EU-richtlijn betreffende toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zoals door de Staatssecretaris van VROM bij de mondelinge behandeling van de wetsvoorstellen tot goedkeuring en uitvoering van het Verdrag van Aarhus reeds expliciet is vermeld, is het afschaffen van de (getrapte) actio popularis niet in strijd met het verdrag (Handelingen TK 11 maart 2004, blz. 57–3771). Zoals door de Staatssecretaris van VROM bij die gelegenheid is aangegeven, staat het verdrag het toe om het belanghebbendebegrip te hanteren als voorwaarde voor toegang tot de rechter, mits dat begrip verdragsconform wordt uitgelegd. Het belanghebbendebegrip is daarvoor voldoende flexibel. Hetzelfde geldt voor de komende EU-richtlijn.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of het Verdrag van Aarhus verplicht tot het actief op zoek gaan naar belanghebbenden bij een besluit, merken wij het volgende op. Op grond van artikel 6, tweede lid, van het verdrag moet het betrokken publiek bij de openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieubesluitvormingsprocedure, en op adequate en doeltreffende wijze, worden geïnformeerd over – onder andere – de voorgestelde activiteit, de aanvraag en de aard van mogelijke besluiten of het ontwerpbesluit. Hieraan wordt onder het regime van de u.o.v. mede uitvoering gegeven door de artikelen 3:12 en 3:13 Awb. Artikel 3:12 voorziet in een openbare kennisgeving. Artikel 3:13 voorziet in toezending van het ontwerpbesluit en additionele informatie aan belanghebbenden tot wie het besluit zal zijn gericht. Het betrekken van belanghebbenden op de in de artikelen 3:12 en 3:13 voorziene wijze is in overeenstemming met de eisen die het verdrag op dit punt stelt.

Deel II Standaardaanpassingen

Uitbreiding van de kring van inspraakgerechtigden

De leden van de CDA-fractie toonden zich bezorgd over de mogelijkheid van uitbreiding van de kring van inspraakgerechtigden (standaardaanpassing nr. 9). In antwoord op de daartoe strekkende vragen van deze leden merken wij op dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de vraag wie zienswijzen naar voren moeten kunnen brengen over een ontwerpbesluit en de vraag wie beroep moeten kunnen instellen bij de bestuursrechter. De kring van beroepsgerechtigden wordt in de Awb – en reeds daarvóór in de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen – gevormd door hen wier belangen rechtstreeks bij een besluit zijn betrokken. Dit moet dan ook het uitgangspunt vormen voor het beroepsrecht tegen besluiten die ingevolge de bijzondere wetgeving worden genomen. In de fase vóór het nemen van het besluit kan voor de mogelijkheid om zienswijzen naar voren te brengen een ruimere kring worden bepaald. Het nieuwe artikel 3:15, tweede lid, Awb biedt hiertoe uitdrukkelijk de mogelijkheid. Achtergrond hiervan is de gedachte dat het zinvol kan zijn om een ruimere kring van burgers in de gelegenheid te stellen om hun opvattingen naar voren te brengen over voornemens die waarden betreffen zoals milieu en natuur. Wij zouden hier niet willen spreken van een gedateerde benadering, alleen al niet omdat deze mogelijkheid onderdeel uitmaakt van de nog maar onlangs tot stand gebrachte Wet u.o.v. Wij roepen deze leden daarbij in herinnering dat de leden van de toenmalige CDA-fractie bij de schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel dat tot de Wet u.o.v. heeft geleid, uitdrukkelijk bevestigd wensten te zien dat in de u.o.v. geen belemmeringen bestaan voor inspraak door een ieder inzake ontwerpbesluiten in de sfeer van ruimtelijke ordening en het milieu conform de thans geldende regelingen en mogelijkheden (Kamerstukken II 1999/2000, 27 023, nr. 4, blz. 4). Uitgangspunt voor de aanpassingswetgeving vormde derhalve dat waar thans zienswijzen of bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder, dit ook in het kader van de u.o.v. het geval zal zijn. De voorgestelde standaardaanpassing nr. 9 vormt de legislatieve uitwerking van dit uitgangspunt. Vanzelfsprekend onderkennen wij dat sindsdien twee kabinetten zijn aangetreden met een regeerakkoord waarin versobering en vereenvoudiging van procedures kernthema's vormden. Van strijd met het hoofdlijnenakkoord is naar ons oordeel echter geen sprake. In het hoofdlijnenakkoord is sprake van invoering van gestroomlijnde en daardoor kortere procedures op ruimtelijk terrein. Daarmee is niet onverenigbaar dat bij de openbare voorbereiding van besluitvorming alle burgers die dat wensen kunnen worden betrokken. Duurzame kwaliteit van de leefomgeving is immers voor alle burgers van direct belang, zo is ook in het hoofdlijnenakkoord neergelegd (zie Kamerstukken II 2002/03, 28 637, nr. 19, blz. 15). De schrapping van de actio popularis heeft als gezegd betrekking op de toegang tot de rechter en heeft als achtergrond dat onnodig beroep op de rechter moet worden teruggedrongen en dat procedures moeten worden gestroomlijnd door onnodige afwijkingen van de Awb ongedaan te maken. Wij hopen hiermee het heldere antwoord te hebben gegeven waaraan de leden van de CDA-fractie op dit punt behoefte zeiden te hebben.

Het voorgaande betekent niet dat wij het oneens zijn met de stelling van deze leden dat van moderne, geëmancipeerde burgers en instellingen die worden geconfronteerd met een ontwerpbesluit, concrete kanttekeningen of zelfs al bezwaren gevraagd mogen worden. Naar verwachting zullen de zienswijzen in de meeste gevallen min of meer concrete bedenkingen inhouden. Dat neemt niet weg dat het in de u.o.v. gebezigde begrip «zienswijze» ons passend voorkomt. Juist omdat er tijdens de u.o.v. nog geen vastgesteld besluit voorligt, maar een ontwerpbesluit, moet niet bij voorbaat de mogelijkheid worden uitgesloten dat sommige zienswijzen zijn gericht op het tot stand brengen van een goed en weloverwogen definitief besluit zonder dat daadwerkelijk sprake behoeft te zijn van concrete bedenkingen. Daarmee wordt recht gedaan aan het inspraakkarakter dat de u.o.v. onmiskenbaar ook heeft. Tevens wordt hiermee een overmatige juridificering van de u.o.v. voorkomen, doordat in het kader van de u.o.v. niet ter discussie behoeft te staan of al dan niet sprake is van bezwaren of bedenkingen. Vanzelfsprekend zal in een eventuele latere procedure bij de bestuursrechter door de rechter wel kunnen worden meegewogen in hoeverre de eerder naar voren gebrachte zienswijzen concrete bedenkingen inhielden ten aanzien van bepaalde onderdelen van het (toen nog) ontwerpbesluit.

Overige opmerkingen

De leden van de CDA-fractie wensten geïnformeerd te worden over de mogelijke gevolgen die een tweetal door de Tweede Kamer aangenomen moties kunnen hebben voor de u.o.v. Dit betreft de twee moties-Koopmans/De Krom over een wettelijke mogelijkheid om administratieve en procedurele fouten snel te kunnen herstellen en over het introduceren van fatale termijnen (Kamerstukken II 2003/04, 29 383, nrs. 2 en 3). Beide moties hebben betrekking op een problematiek die een veel breder terrein bestrijkt dan alleen besluiten die worden voorbereid met toepassing van de u.o.v., hetgeen uiteraard niet wegneemt dat de moties ook van belang kunnen zijn voor besluiten waarop de u.o.v. van toepassing zal zijn.

Uitvoering van de eerstgenoemde motie zal plaatsvinden in het kader van het wetsvoorstel «aanpassing bestuursprocesrecht», dat mede zal voorzien in een verruiming van de mogelijkheden voor definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter. Zoals in de eerdergenoemde brief van 28 april 2004 over de derde fase herziening rechterlijke organisatie en de toekomstige structuur van de Raad van State is aangekondigd, is het streven dit wetsvoorstel in de loop van 2004 in te dienen. Met dit wetsvoorstel zal in de Awb onder meer een voorziening worden opgenomen waarmee het bestuursorgaan hangende (hoger) beroep de gelegenheid krijgt om het bestreden besluit te wijzigen teneinde gebreken daarin te herstellen (de zogenoemde «bestuurlijke lus»). Ook zal een verruiming van artikel 6:22 Awb worden opgenomen. In dit artikel is bepaald dat een besluit, ondanks de schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Werd eerder vooral gelet op de aard van het geschonden voorschrift, thans wordt in de jurisprudentie vooral nagegaan of de belanghebbenden door het passeren van het gebrek niet worden benadeeld. In het wetsvoorstel zal worden aangesloten bij deze ontwikkelingen in de jurisprudentie en bij de bevindingen op dit vlak van de commissie-Boukema, die de tweede evaluatie van de Awb heeft uitgevoerd. Op deze voornemens zal nader worden ingegaan in het kabinetsstandpunt over de tweede evaluatie van de Awb, dat binnenkort aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden.

Op het introduceren van fatale termijnen (het doen ontstaan van besluiten van rechtswege na overschrijding van een beslistermijn), het onderwerp van de tweede motie, zal nader worden ingegaan in het binnenkort aan de Tweede Kamer toe te zenden kabinetsstandpunt over het in september 2003 door de Nationale ombudsman uitgebrachte rapport over de behandeling van brieven en e-mailberichten van burgers door de rijksoverheid.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een reactie op de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 11 maart 2004 aan de vaste Kamercommissie over de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de Planwet verkeer en vervoer en van artikel 82 van de Huisvestingswet.

In het wetsvoorstel is voorgesteld om de artikelen 6, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Planwet verkeer en vervoer te schrappen. Deze bepalingen schrijven uitdrukkelijk voor dat het provinciaal onderscheidenlijk het gemeentelijk bestuur de in die bepalingen genoemde bestuursorganen betrekt bij de voorbereiding van provinciale onderscheidenlijk gemeentelijke verkeers- en vervoerplannen. Op de voorbereiding van deze plannen is de u.o.v. van toepassing. Voorgesteld werd deze overlegverplichtingen te schrappen in verband met standaardaanpassing 26. Tegen de voorgestelde schrapping heeft de VNG principieel bezwaar, aangezien daarmee naar het oordeel van de VNG de gehele bedoeling van de Planwet verkeer en vervoer zou worden ontkracht. Hoewel naar ons oordeel reeds uit algemene beginselen van behoorlijk bestuur voortvloeit dat belanghebbende andere bestuursorganen bij de voorbereiding van de genoemde plannen worden betrokken, heeft het advies van de VNG ons aanleiding gegeven de genoemde overlegverplichtingen te handhaven. Bij deze heroverweging heeft mede een rol gespeeld dat de Planwet verkeer en vervoer juist gericht is op het regelen van de verhouding tussen de verschillende bestuurslagen en dat de betrokkenheid van de genoemde bestuursorganen een essentieel onderdeel vormt van de beleidsprocessen inzake verkeer en vervoer.

Terecht constateert de VNG dat artikel 82 van de Huisvestingswet geen betekenis meer heeft, aangezien dit een overgangsbepaling betreft die sinds 1 januari 2003 is uitgewerkt. In plaats van dit artikel aan te passen aan de u.o.v. kan het artikel dus in zijn geheel worden geschrapt.

In de gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag uitgebrachte nota van wijziging hebben de desbetreffende wijzigingen van het wetsvoorstel hun beslag gekregen.

Ten slotte vroegen de leden van de CDA-fractie een reactie op de brief van de Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen (NEPROM) van 23 maart 2004 aan de vaste Kamercommissie. In die brief wordt bepleit de bezwaarschriftprocedure te handhaven ten aanzien van bepaalde ruimtelijke ordeningsbesluiten. De NEPROM doelt hierbij op vrijstellingsbesluiten ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) die los van een bouwvergunning worden verleend. In hoofdstuk 10, artikel 13, onderdeel J.1 van het wetsvoorstel is geregeld dat op vrijstellingsbesluiten de u.o.v. van toepassing wordt. Thans geldt voor deze besluiten de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de huidige afdeling 3.4 Awb. Toepassing van de u.o.v. brengt met zich dat tegen het definitieve vrijstellingsbesluit geen bezwaarschrift meer kan worden ingediend, maar in voorkomend geval rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter moet worden ingesteld (zie artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, Awb). Achtergrond van deze regeling is dat een bezwaarschriftprocedure als regel weinig tot geen toegevoegde waarde meer heeft indien reeds een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is gevolgd. De NEPROM is echter bevreesd dat door het ontbreken van een bezwaarschriftprocedure eventuele herstelbare gebreken niet meer op eenvoudige wijze kunnen worden gerepareerd, omdat deze gebreken dan pas in de procedure bij de bestuursrechter aan de orde komen, waarna de bestuursrechter niet anders kan dan de besluiten te vernietigen. Dit zal er volgens de NEPROM toe leiden dat talloze ruimtelijke ordeningsprocedures volledig overgedaan zullen moeten worden als gevolg van geconstateerde, op zich reparabele fouten.

Naar ons oordeel miskent de NEPROM hier de mogelijkheden die er zowel in het kader van de u.o.v. als in het kader van de procedure bij de bestuursrechter bestaan om kleine gebreken te herstellen. In het kader van de u.o.v. ligt een ontwerpbesluit voor. Net als thans bij de bezwaarschriftprocedure het geval is, waarbij bezwaren aanleiding kunnen geven om in de beslissing op bezwaar fouten in het primaire besluit te herstellen, biedt de u.o.v. alle mogelijkheden om naar aanleiding van naar voren gebrachte zienswijzen in het definitieve besluit mogelijke juridische onvolkomenheden die aan het ontwerpbesluit kleefden, weg te nemen. Voorts is het een misverstand te menen dat indien in een procedure bij de bestuursrechter kleine gebreken in een besluit worden geconstateerd, dit er steeds toe moet leiden dat de gehele procedure moet worden overgedaan. In het bestuursprocesrecht bestaan reeds de nodige voorzieningen om dit juist te voorkomen. Zo heeft de bestuursrechter de mogelijkheid om het besluit in stand te laten indien sprake is van schending van een vormvoorschrift waardoor belanghebbenden niet zijn benadeeld (artikel 6:22 Awb). Daarnaast kan de rechter de rechtsgevolgen van een (gedeeltelijk) vernietigd besluit in stand laten (artikel 8:72, derde lid, Awb) of zelf in de zaak voorzien (artikel 8:72, vierde lid, slot, Awb). Zoals eerder vermeld zullen via het aangekondigde wetsvoorstel «aanpassing bestuursprocesrecht» bovendien nog enkele additionele mogelijkheden ter beschikking komen.

Voorts merken wij op dat de praktijk ten aanzien van besluiten die thans worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.5 Awb en ten aanzien waarvan derhalve, gelet op artikel 7:1, eerste lid, onder d, Awb ook thans reeds de bezwaarschriftprocedure niet van toepassing is, geen aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat de vrees van de NEPROM op dit punt terecht is.

Gelet op het voorgaande zien wij derhalve geen reden om op dit punt een uitzondering te maken. Daarbij weegt vanzelfsprekend zwaar dat uitzonderingsposities afbreuk doen aan de uitgangspunten en doelstellingen van de u.o.v., zoals ook de leden van de CDA-fractie terecht naar voren brachten. Bovendien echter zou een bezwaarschriftprocedure in combinatie met een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure leiden tot verlenging en stapeling van procedures, hetgeen naar ons oordeel niet in overeenstemming is met het in het hoofdlijnenakkoord neergelegde streven naar gestroomlijnde en kortere procedures op ruimtelijk terrein.

Wat de opmerkingen van de NEPROM betreft over de rechtsbeschermingsprocedures in het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet ruimtelijke ordening (28 916) – in het bijzonder de consequenties van het vervallen van de goedkeuringsbevoegdheid van gedeputeerde staten en de inmiddels bij nota van wijziging op dat wetsvoorstel voorgestelde regeling inzake projectbesluiten – menen wij dat de discussie dienaangaande gevoerd behoort te worden in het kader van dat wetsvoorstel.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Aldus ook het Jaarverslag 2003 van de Raad van State (blz. 98), onder verwijzing naar ABRS 20 augustus 2003; AB 2003, 391.

XNoot
2

Centrum voor Omgevingsrecht en Beleid Universiteit Utrecht, De actio popularis in het ruimtelijk ordeningsrecht en het milieurecht, Utrecht 1999 (toegezonden aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van VROM van 17 maart 1999, nr. M 101).