29 407
Vrij verkeer werknemers uit de nieuwe EU lidstaten

nr. 94
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 augustus 2008

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 en de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie2 hebben op 25 juni 2008 overleg gevoerd met minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en minister Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie over:

– de brief d.d. 16 juni 2008 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Wonen, Wijken en Integratie over flankerend beleid MOE-landen en maatschappelijke positie Oost-Europeanen in Nederland (29 407, nr. 81);

– de brief d.d. 19 juni 2008 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over monitoring uitzendbranche 2008 (17 050, nr. 358);

– de brief d.d. 24 juni 2008 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Wonen, Wijken en Integratie over flankerend beleid MOE-landen en over de uitkomsten migrantenstop (29 407, nr. 82).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Ulenbelt (SP) constateert dat het openstellen van de grenzen voor arbeidsmigratie uit de Oost-Europese EU-lidstaten onverantwoord is geweest. Het heeft geleid tot een veel grotere instroom dan voorspeld, duizenden malafide uitzendbureaus, overbewoning, overlast, uitbuiting door hoge woonlasten, ontduiking van cao’s en verdringing van werknemers. Rotterdam heeft hierover alarm geslagen. Waarom dringt die werkelijkheid niet tot de minister van SZW door? Erkent hij dat de situatie niet op orde is en dat de grenzen dus niet geopend moeten worden voor Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten?

In Polen moeten als gevolg van de arbeidsmigratie ziekenhuisafdelingen sluiten en dreigt de bouw van stadions voor de EK Voetbal in 2012 vertraging op te lopen. Betrekt de minister van SZW bij het onderzoek naar de sociaaleconomische gevolgen van de arbeidsmigratie ook de situatie in de landen van herkomst?

De migratie binnen Europa heeft al in enkele EU-lidstaten tot grote problemen geleid. De lidstaten zouden weer de bevoegdheid moeten krijgen om hun nationale arbeidsmarkt te reguleren. Is de minister van SZW bereid om dit punt in EU-verband te agenderen?

De malafide uitzendbureaus moeten worden uitgeroeid. De uitzendbranche geeft inmiddels toe dat zelfregulering niet voldoet en roept de hulp van de overheid in. Waarom wijst de minister van SZW hun voorstel af om bij het ontbreken van een certificaat een uitzendbureau geen rekening- en belastingnummer te geven? Met dit standpunt stelt hij zich op als een bondgenoot van de malafide uitzendbureaus.

Het is maar zeer de vraag hoe betrouwbaar certificering is. Kan er niet beter worden gekozen voor een vergunningstelsel?

De heer Van Hijum (CDA) benadrukt dat de arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa voor het grootste deel een belangrijke bijdrage levert aan de oplossing van arbeidstekorten, ook al is zij geen structurele oplossing. Flankerend beleid is echter essentieel om het politieke en maatschappelijke draagvlak te waarborgen. Oneerlijke concurrentie, uitbuiting en verdringing van Nederlandse werkzoekenden moeten worden voorkomen en er moet adequate huisvesting zijn.

Volgens de minister van SZW gaat het over het algemeen goed met de integratie van Oost-Europeanen die zich hier permanent hebben gevestigd en zijn er «redenen om te veronderstellen» dat de maatschappelijke positie van tijdelijke arbeidsmigranten niet sterk is, maar moet nog heel veel worden uitgezocht. Dat is een te rooskleurige weergave van de werkelijkheid. Blijkens het onderzoek van het Rotterdams Instituut voor Sociaal-wetenschappelijk BeleidsOnderzoek (RISBO) is het aantal migranten veel hoger dan de minister van SZW aangeeft: 120 000 tot 160 000, nog afgezien van de bijna 100 000 mensen die zich hier voor langere tijd hebben gevestigd, de zzp’ers en de illegalen. Hoe beoordeelt de minister die cijfers?

Uit het RISBO-onderzoek blijkt dat de arbeidsmarktpositie van arbeidsmigranten die hier langere tijd verblijven, niet goed is. De werkloosheid en de uitkeringsafhankelijkheid zijn hoog. Ook dat komt niet overeen met antwoorden van de minister van SZW.

Ook jongeren die afkomstig zijn uit de voormalige Sovjet-Unie en het voormalige Joegoslavië, hebben een zeer slechte arbeidsmarktpositie. Kan de minister van SZW de Kamer nader informeren over deze problematiek en over de mogelijke aanpak daarvan?

De inburgeringseisen voor mensen die zich hier voor langere tijd vestigen, zouden voor specifieke sectoren moeten worden aangescherpt, bijvoorbeeld verzorgende beroepen of beroepen met een hoog ongevallenrisico. De Europese wetgeving maakt dat mogelijk.

De malafide uitzendbureaus moeten hard worden bestreden. Dat komt nog onvoldoende consequent tot uiting in de voorgestelde aanpak. Het alleen zaken doen met bonafide uitzendbureaus moet nog aantrekkelijker worden gemaakt. De Arbeidsinspectie en sancties moeten vaker worden ingezet tegen malafide uitzendbureaus.

In november wordt besloten of de grenzen worden opengesteld voor Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten. Op dit moment heeft CDA-fractie grote aarzelingen. Er moet worden gekeken naar de buurlanden, want nog geen enkel West-Europees land heeft hiertoe besloten. De sociale en maatschappelijke gevolgen moeten duidelijk zijn en er moet op het punt van de uitzendbureaus nog veel worden geregeld voordat dit besluit kan worden genomen. Verlenging van de overgangsmaatregelen, zoals die ook ten aanzien van de Polen heeft plaatsgevonden, moet serieus worden overwogen.

De heer Kamp (VVD) vindt de kwalificatie «te rooskleurig» een understatement voor de visie van de ministers. Zij zien de komst van de Polen niet als probleem maar als oplossing en menen dat de grenzen ook open kunnen voor Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten. Deze visie staat haaks op zorgwekkende signalen over huisjesmelkerij, Poolse kinderen die geen woord Nederlands spreken, vervuiling, overlast, illegaal verblijf van Oost-Europeanen, verdringing van Nederlandse werknemers, hoge werkloosheid onder de immigranten uit Oost-Europa en het bestaan van 6000 malafide uitzendbureaus die jaarlijks 265 mln. aan belasting en premies ontduiken.

Er zijn inmiddels 120 000 tijdelijke arbeidsmigranten en 210 000 immigranten uit de Oost-Europese landen. Daarnaast zijn er de zzp’ers en de illegalen. Het totale aantal is vergelijkbaar met het aantal Turkse en Marokkaanse immigranten en is veel hoger dan werd verwacht. De geschiedenis herhaalt zich: van de tijdelijke arbeidsmigranten blijft 40% langer dan vier maanden en steeds meer arbeidsmigranten laten hun gezin overkomen, wat wijst op permanent verblijf. Het aantal Oost-Europeanen dat afhankelijk is van een uitkering, zal snel toenemen. Het duurt immers enige tijd voordat zij in aanmerking komen voor bijstand, WW en arbeidsongeschiktheidsuitkering. De uitkeringsafhankelijkheid van de al langer in Nederland verblijvende immigranten uit het voormalige Joegoslavië, de voormalige Sovjet-Unie en de overige Oost-Europese landen is al groot.

Er mag niet worden berust in de geringe belangstelling van eerder toegelaten immigranten met een verblijfsvergunning voor lagere uitvoerende functies. Die geringe belangstelling leidt tot uitbuiting van nieuwe deels illegale immigranten en tot werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid van eerdere immigranten. Werken moet noodzakelijk zijn voor wie kan werken, want zonder werk is er geen integratie. Met name de eerdere immigranten, die nu een arbeidsdeelname van slechts 50% hebben, zullen daarvan profiteren.

De duizenden malafide uitzendbureaus moeten met alle mogelijke middelen uitgeschakeld worden.

EU-onderdanen die naar Nederland komen, moeten de eerste tien jaar van hun verblijf geen recht op een bijstandsuitkering hebben. Zij moeten hun plek in de Nederlandse samenleving verdienen. Als dat niet lukt, moeten zij terug naar het land van herkomst.

De werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moeten gebaseerd worden op de hoogte van de in de afgelopen tien jaar betaalde premies. Dan is de uitkering vaak te laag om in Nederland te kunnen leven, zodat men terug moet naar het land van herkomst.

Oost-Europeanen die betrapt worden op criminaliteit en die geen verblijfsvergunning hebben, moeten veroordeeld worden en moeten de straf in hun eigen land uitzitten, eventueel gecombineerd met een financiële regeling met dat land.

De gemeenten moeten ondersteund worden bij de handhaving van de huisvestingsregels. Waarom hebben de werkgevers niet de verplichting om te zorgen voor een behoorlijke huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten?

Arbeidsmigranten die hier blijven, moeten worden aangesproken op hun plicht om in te burgeren. Als formele druk niet mogelijk is, moet materiële druk worden uitgeoefend.

Uit de gevolgen van de komst van de Poolse arbeidsimmigranten moet de les worden getrokken dat er in ieder geval tot 2012 geen sprake kan zijn van vrije toegang voor werknemers uit Roemenië en Bulgarije.

De heer Fritsma (PVV) vindt de openstelling van de arbeidsmarkt voor Polen en andere nieuwe EU-onderdanen een grote fout. Ondanks de ervaringen van het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn de instroom van immigranten en de gevolgen daarvan ernstig onderschat.

De regering en de meeste partijen vonden dat het flankerend beleid op orde was. In werkelijkheid zijn de problemen nu zo groot dat men bijvoorbeeld in Rotterdam de situatie niet meer aan kan. Het flankerend beleid kan de problemen niet wegnemen, omdat het hoofdbeleid niet deugt. De enige oplossing is het terugdraaien van de openstelling van de arbeidsmarkt voor nieuwe EU-onderdanen. Is de regering bereid om eindelijk lessen te trekken uit de eerdere fouten en de huidige problemen? Omdat de problemen niet nog groter mogen worden, moet de arbeidsmarkt zo lang mogelijk niet worden opengesteld voor Roemenen en Bulgaren. De beslissing moet ook niet pas in november worden genomen, want de huidige situatie vergt een duidelijke stellingname.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie) merkt op dat de Poolse arbeidsmigranten doorgaans veel werk verzetten en in de huidige krappe arbeidsmarkt zeer welkom zijn. Wel is het kwalijk dat de omstandigheden waaronder zij werken, nog steeds niet optimaal zijn, terwijl de minister van SZW had verwacht dat het aantal misstanden zou afnemen.

Het is schokkend dat in een land als Nederland veel malafide uitzendbureaus bestaan die geen belastingen en sociale premies afdragen en werknemers in soms erbarmelijke omstandigheden laten werken en leven. Waarom reageert de minister terughoudend op de voorstellen van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) om malafide uitzendbureaus uit te bannen? Heeft hij betere alternatieven?

Malafide uitzendbureaus blijven buiten de certificering, ook omdat inleners vaak niet weten of het door hen gebruikte uitzendbureau gecertificeerd is of zelfs dat er een certificaat bestaat. Inleneraansprakelijkheid heeft vooral effect als het bestaan van een certificaat bekend is. Hoe gaat de minister de bekendheid van het certificaat vergroten? Ligt de verantwoordelijkheid altijd bij de inlener als een uitzendbureau een certificaat heeft maar de wetgeving desondanks niet naleeft?

Malafide uitzendbureaus profiteren van het feit dat de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst «zzp’ers» verschillend definiëren. Wat wordt daaraan gedaan?

Gemeenten willen migranten graag spreiden over de regio, maar lopen aan tegen de periode van de tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan. Gaat de regering gemeenten op dit punt tegemoetkomen en zo ja, hoe?

Werknemers die hier korter dan vier maanden verblijven, blijven buiten beeld, ook als zij hier meerdere periodes werken. Die groep moet gerichter worden benaderd voor inburgeringsactiviteiten. Is de minister van SZW bereid om gecertificeerde uitzendbureaus ertoe te verplichten om adresgegevens rechtstreeks te verstrekken aan gemeenten?

De Arbeidsinspectie bekijkt of ten minste het wettelijk minimumloon betaald wordt aan arbeidsmigranten. Waarom gaat zij niet uit van het cao-loon, zodat hetzelfde loon wordt betaald voor hetzelfde werk?

Malafide ondernemers ontspringen de dans omdat de juridische kennis bij de Arbeidsinspectie onvoldoende is. Is de minister van SZW hiervan op de hoogte en is hij bereid om te investeren in juridische kennis bij de Arbeidsinspectie? Wordt bij de opleiding tot arbeidsinspecteur aandacht besteed aan de juridische kennis?

Veel arbeidsmigranten voelen zich afhankelijk van de inlener of het uitzendbureau. Als de arbeidsomstandigheden of de huisvesting niet kloppen, voelen zij zich daardoor klemgezet. Zij moeten klachten kunnen indienen, al of niet anoniem, waarna de Arbeidsinspectie controles kan uitvoeren. Is de minister van SZW bereid om de door de Vakbond van Illegale Arbeiders (VIA) bepleite landelijke infrastructuur van lokale en regionale informatie- en meldpunten te faciliteren?

Klopt het dat de Arbeidsinspectie weinig mogelijkheden heeft om te controleren op schijnzelfstandigheid en de daarmee samenhangende concurrentievervalsing? Zo ja, gaat de minister van SZW de bevoegdheden van de Arbeidsinspectie dan op dit punt uitbreiden?

Niet vergeten mag worden dat veel werkgevers en uitzendbureaus hun verantwoordelijkheid nemen en zorgen voor goede arbeidsomstandigheden en huisvesting.

Mevrouw Koşer Kaya (D66) meent dat de problemen moeten worden aangepakt maar dat de regering terecht ook vooruit kijkt. De negatieve geluiden over Oost-Europese werknemers zijn meer ingegeven door opgeklopte gevoelens dan door feiten. Het zou goed zijn om deze werknemers net zo te behandelen als de werknemers uit de oude EU-lidstaten.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de Oost-Europeanen die hier langere tijd blijven en de Oost-Europeanen die hier tijdelijk werken en dan teruggaan. De eerste groep integreert zeer goed. Voor de tweede groep geldt dit minder, maar het is de vraag of dit bij tijdelijke arbeidsmigranten erg is. De mogelijke massale terugkeer van veel Poolse arbeidsmigranten in verband met de verbeterende Poolse arbeidsmarkt baart meer zorgen dan hun komst. Wil de minister van SZW de economische gevolgen van de arbeidsmigratie voor Nederland laten onderzoeken?

Malafide uitzendbureaus moeten effectief worden bestreden. Er moet worden voorkomen dat de belangrijke rol van bonafide uitzendbureaus bij het aan het werk helpen van werkzoekenden bedreigd wordt. Inleners van malafide uitzendbureaus moeten aansprakelijk worden gesteld voor eventuele fraude en illegaliteit.

Hoe verhoudt het aantal aangevraagde tewerkstellingsvergunningen voor Bulgaren en Roemenen zich ten opzichte van dezelfde cijfers voor de overige MOE-landen toen daarvoor nog tewerkstellingsvergunningen nodig waren? Kan op grond daarvan een prognose worden gegeven van het aantal Bulgaren en Roemenen dat naar Nederland zou komen bij het volledig openen van de arbeidsmarkt?

De cijfers bewijzen dat er geen sprake is van echte verdringing op de arbeidsmarkt. Sterker nog: het onbezet blijven van vacatures kan uiteindelijk zelfs leiden tot het vertrek van bedrijven of tot een afname van de groei van de werkgelegenheid. Verwacht de minister dat er snel bedrijven zullen vertrekken? Wordt het geen tijd om met feiten duidelijk te maken dat er geen verdringing plaatsvindt?

De handhaving van de wetgeving moet worden verbeterd. Het zou helpen als de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie dezelfde definitie en criteria gaan hanteren voor zzp’ers en als de juridische kennis bij de Arbeidsinspectie wordt bevorderd.

De werkgevers, inleners en gemeenten moeten vaker worden aangesproken op hun gezamenlijke verantwoordelijkheid om concrete oplossingen voor de huisvestingproblemen te vinden. Hoe kan het kabinet het vinden van oplossingen stimuleren?

Wat de D66-fractie betreft, mogen na de Polen ook Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten uiteindelijk naar Nederland komen. Op welke punten wordt in november een beslissing genomen? Aan welke voorwaarden moet dan voldaan zijn en welke inspanningen worden verricht om aan die voorwaarden te voldoen?

De heer Spekman (PvdA) constateert dat er sprake is van botsende belangen: de economie schreeuwt om mensen, maar veel wijken kunnen er met het oog op de leefbaarheid geen problemen meer bij hebben. Vanwege dat laatste aspect is de PvdA-fractie op dit moment niet voor het openstellen van de grenzen voor Bulgaarse en Roemeense arbeidsmigranten. De overheid probeert alles goed te regelen, maar er zijn grote belangen gemoeid met het ontduiken van die regels via schijnconstructies. Het is dus een illusie dat de problemen gemakkelijk opgelost kunnen worden, maar de handhaving moet wel worden verbeterd.

Er moeten huisvestingseisen worden toegevoegd aan de certificeringscriteria voor uitzendbureaus en de bekendheid van de certificering moet worden vergroot. Als de «uitzendpolitie» van de uitzendbranche frauduleuze bedrijven aanmeldt bij de Belastingdienst, ontbreekt daar de handhavingcapaciteit om die bedrijven aan te pakken. Wat gaat de regering daaraan doen?

Komt de minister van SZW voor Prinsjesdag met alternatieven voor de voorstellen van de ABU voor loonbelastingnummers? Treedt hij in overleg met de Kamer van Koophandel in verband met de bezwaren die zij hiertegen heeft?

Misstanden op het punt van de betaling en behandeling van werknemers worden onvoldoende gemeld. Bij eerlijke concurrentie hoort dat alle migranten onder de cao vallen. Bij klachten moet worden ingegrepen. Kan het indienen van klachten vergemakkelijkt worden? Wat doet de minister tegen de steeds vaker gebruikte, maar nog nooit aangepakte schijnconstructies: de zzp’ers, de freelancers en het werkgeverschap vanuit MOE-landen?

Kan de regering voor Prinsjesdag een analyse sturen van de aantallen tewerkstellingsvergunningen die de afgelopen jaren zijn afgegeven aan werknemers uit landen die in 2004 toetraden tot de EU en uit Bulgarije en Roemenië? Hoe verhouden die aantallen zich tot elkaar en tot de getallen in de Illegalennota?

Is de regering bereid om haar visie op de arbeidsmigratie van EU-burgers aan de Kamer voor te leggen, waarbij wordt meegenomen in hoeverre die arbeidsmigranten louter worden gebruikt als goedkoop tijdelijk personeel? In de visie moet ook worden ingegaan op de levensvatbaarheid van de sectoren die drijven op de inzet van goedkope arbeidsmigranten, de uitkeringsafhankelijkheid van migranten op middellange en lange termijn en hun huisvestingsbehoefte.

In een aantal steden zijn interventieteams vrij succesvol in de bestrijding van illegale onderverhuur. Is de regering bereid om extra te investeren in die interventieteams, zodat de uitbuiters kaal kunnen worden geplukt?

Deze problematiek is ook een van de oorzaken voor het toenemende aantal dak- en thuislozen.

Antwoord van de bewindslieden

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benadrukt dat de werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten in Midden- en Oost-Europa een waardevolle bijdrage leveren aan de Nederlandse economie en samenleving en dat zij goede burgers zijn. Zonder deze 100 000 tot 150 000 werknemers zou het probleem op de arbeidsmarkt veel groter zijn. Er zijn immers 250 000 vacatures, ondanks herhaaldelijke en voortgaande pogingen om de vacatures door de vele uitkeringsgerechtigden te laten vervullen. Uit het rapport van de commissie-Bakker blijkt dat dit probleem de komende jaren zal toenemen door de vergrijzing. Arbeidsmigratie is hiervoor geen structurele oplossing, maar wel voor acute knelpunten. Het aandeel van arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt binnen de EU ligt rond de 5% en heeft nooit een echt grote omvang bereikt.

Het werk dat de arbeidsmigranten nu doen, zou anders blijven liggen. Dat zou de Nederlandse economie en de Nederlandse export schaden. De arbeidsmigranten verdienen vier tot vijf keer zoveel als thuisblijvers. Ook het land van herkomst profiteert in economisch opzicht van de arbeidsmigratie vanwege de in Nederland verdiende bedragen die daar worden geïnvesteerd. Dit blijkt uit de economische ontwikkeling in Polen sinds de toetreding van Polen tot de EU en dus sinds de arbeidsmigratie uit Polen op gang is gekomen.

De illegaliteit en de andere genoemde problemen bestonden al voor de openstelling van de grenzen en zijn sindsdien afgenomen. Er zijn geen nieuwe problemen bij gekomen. Samen met de gemeenten zijn en worden alle gesignaleerde problemen aangepakt.

Er kan niet worden aangetoond dat autochtonen in de praktijk worden verdrongen op de arbeidsmarkt. Sinds en ook al voor de openstelling van de grenzen is het aantal WW’ers, bijstandsgerechtigden en andere uitkeringsgerechtigden in Nederland afgenomen. Alleen het aantal Wajongers is toegenomen, maar daar zitten nauwelijks Polen of MOE-landers bij.

Omdat pas per 1 januari 2009 sprake kan zijn van een eventuele openstelling van de grenzen voor arbeidsmigranten uit Bulgarije en Roemenië, zal de discussie daarover plaatsvinden in november. Speculeren op het standpunt van de regering is daarom niet verstandig, maar de grenzen zullen niet worden opengesteld als geconstateerd moet worden dat dit de huidige problemen verder zou compliceren.

De minister heeft al voor de openstelling van de grenzen steeds gesproken over een geschat aantal van 100 000 tot 150 000 Poolse arbeidsmigranten. De verschillen in cijfers in onderzoeken hangen samen met het gebruik van verschillende definities. De schatting door Regioplan (minimaal 100 000 arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa) is een momentopname voor mei 2008. Het RISBO telt alleen degenen die geregistreerd zijn in het GBA en komt uit op circa 56 000 arbeidsmigranten uit Polen en 93 000 uit alle EU-lidstaten, maar daarnaast zijn er personen die hier te kort werken om in het GBA geregistreerd te worden. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een substantiële groei sinds de grenzen vorig jaar werden opengesteld. Het RISBO onderzoekt ook het aantal burgers uit de voormalige Sovjet-Unie (44 000) en het voormalige Joegoslavië (76 000), met uitzondering van Slovenië. Als die aantallen worden meegeteld, komt het totaal uit op 213 000.

Uit het aantal migrantenkinderen op scholen blijkt niet dat er sprake is van migratie van hele gezinnen.

Tussen 1 januari 2007 en 1 mei 2007, dus voor de openstelling van de grenzen, werden 50 000 tewerkstellingsvergunningen voor Polen afgegeven. Momenteel zijn er 3500 tewerkstellingsvergunningen voor Bulgaren en Roemenen. Daarbij moeten de zelfstandig gevestigden worden opgeteld, omdat voor hen niet de regels van het vrije verkeer voor werknemers gelden, maar de regels van het vrije verkeer voor vestigingen.

De lidstaten kunnen de toegang tot de eigen arbeidsmarkt voor derdelanders nog steeds op nationaal niveau regelen. Het vrije verkeer van werknemers binnen de EU is na de overgangstermijnen een zaak van gemeenschappelijk belang, waar tot nu toe alle lidstaten van hebben geprofiteerd.

De uitzendbureaus hebben vanaf het begin onderdeel uitgemaakt van het flankerend beleid, onder andere via monitoring en de reactie op de voorstellen van de ABU. Het door Kamerleden genoemde aantal van 6000 malafide uitzendbureaus berust op een schatting uit 2004, dus voordat er sprake was van open grenzen. Ook op dat punt is er dus geen noemenswaardige ontwikkeling geweest. De VIA heeft recent geschat dat er ongeveer 1500 malafide uitzendbureaus zijn en dat 80% van de uitzendkrachten werkzaam is via gecertificeerde uitzendbureaus. Bovendien wil dit niet per definitie zeggen dat de niet-gecertificeerde uitzendbureaus waarbij de resterende 20% werkzaam is, malafide zijn.

Dit neemt niet weg dat het probleem van de malafide uitzendbureaus effectief moet worden aangepakt, ook al kunnen niet alle voorstellen van de ABU worden overgenomen. Er worden wetsvoorstellen voorbereid ten behoeve van een effectieve bestrijding. De minister betwijfelt of deze wetsvoorstellen rond Prinsjesdag klaar zijn, want zij moeten nog naar de ministerraad en de Raad van State en er moet nog overleg worden gevoerd met de ABU. Hij zal geen aparte notitie over deze wetsvoorstellen naar de Kamer sturen.

In verband met de codering kan de registratieplicht bij de Kamer van Koophandel niet concreet worden nagetrokken voor uitzendbureaus. De ABU heeft daarom een verbetering van de registratie voorgesteld.

Omdat is gebleken dat een bestuursrechtelijk en publiekrechtelijk controlesysteem weinig bijdraagt aan het bestrijden van dit probleem, neemt de minister het voorstel van de ABU over om te komen tot een sterkere inleneraansprakelijkheid. Daarin past de door de VIA bepleite landelijke infrastructuur van lokale en regionale informatie- en meldpunten. In september komt de VIA met uitgewerkte voorstellen naar het departement.

Gelet op de forse toename van het aantal aanmeldingen van uitzendbureaus voor certificering, is de bekendheid van de certificaten sterk verbeterd. Wanneer er sprake is van inleneraansprakelijkheid, moeten de bedrijven zich vergewissen van het certificaat van het uitzendbureau, dat moet worden vastgelegd in openbare registers.

Als een particuliere organisatie vermoedt dat een uitzendbureau malafide is, kunnen overheidsdiensten daar niet één op één op reageren. Vanaf 2009 voert de Belastingdienst wel extra controles uit op het punt van de arbeidsbemiddeling. Ook is er sinds november 2007 een convenant tussen de Belastingdienst en de Stichting Normering Arbeid over de buitenlandse uitzendbureaus. Signalen van inleners worden zoveel mogelijk nagetrokken.

Omdat de adresgegevens van de arbeidsmigranten belangrijk zijn voor het aanpakken van de huisvestingsproblematiek, is daar de afgelopen jaren veel aandacht aan besteed. Het register voor niet-ingezetenen is in de tweede helft van 2008 op orde. Alle gemeenten kunnen dan beschikken over de adresgegevens van tijdelijke inwoners. Hierover zijn ook afspraken gemaakt met de Belastingdienst. Met de uitzendbranche is overleg gevoerd over de verstrekking van adressen.

De Arbeidsinspectie ziet toe op de handhaving van de Wet minimumloon, maar niet op de handhaving van cao’s. Dat is een zaak van de betrokken private partijen.

In de wetgeving bestaan verschillende definities van «zzp’ers». De staatssecretarissen van Financiën, EZ en SZW werken aan een eenduidige definitie.

Bezwaren tegen het optreden van de Arbeidsinspectie worden in 90% tot 95% van de gevallen afgewezen. Dat wijst niet op gebrekkige juridische kennis bij de Arbeidsinspectie, die op de hoogte moet zijn van steeds nieuwe constructies en van de wettelijke mogelijkheden. Iemand kan zichzelf tot «zzp’er» verklaren, maar als hij slechts bij één werkgever werkt, is hij werknemer volgens de definities van de Nederlandse wetgeving. Zowel de Arbeidsinspectie als de Belastingdienst let op deze schijnconstructie. De Arbeidsinspectie geeft signalen hierover door aan de SIOD. Het is echter onmogelijk om te garanderen dat op dit punt alles onder controle is.

In het coalitieakkoord is afgesproken dat de interventieteams in 2008–2011 in toenemende mate participeren in de werkgerichte aanpak. In maart 2008 heeft onder andere het ministerie van SZW een conferentie georganiseerd om gemeenten te stimuleren tot een groter gebruik van de interventieteams.

Arbeidsmigranten kunnen niet worden uitgezonderd van het recht op bijstand. Op basis van de Grondwet heeft iedereen die zich in Nederland bevindt, recht op bijstand. Als men niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, kan dat wel reden zijn om het verblijf van arbeidsmigranten, ook van binnen de EU, te beëindigen.

Het beginsel dat werk voor uitkering gaat, is geïntroduceerd in de Wet werk en bijstand. In de WW wordt het begrip «passende arbeid» aangepast. Op het punt van de arbeidsongeschiktheidsverzekering is dat moeilijker, maar ook op dat punt wordt ernaar gestreefd om het beginsel «werk voor uitkering» te hanteren. Poolse arbeidsmigranten maken overigens minder gebruik van WW-uitkeringen dan Nederlanders.

De minister voor Wonen, Wijken en Integratie constateert dat gemeenten, sociale partners, uitzendbureaus en departementen na de eerste Polentop op het punt van huisvesting, integratie en inburgering maatregelen hebben genomen die in ieder geval bijdragen aan het beter beheersbaar maken van de problemen. Het is echter onmogelijk om de problemen volledig onder controle te krijgen. Huisjesmelkers zullen altijd proberen om geld te verdienen dankzij de krappe woningmarkt en er zullen altijd werkgevers zijn die onvoldoende investeren in de kwaliteit en leefomstandigheden van hun werknemers. Het gaat erom of de overheid effectief beleid ontwikkelt om deze uitwassen tegen te gaan.

Er is een meldpunt opgericht waar misstanden op het punt van de huisvesting gesignaleerd kunnen worden. Er wordt dan met de betrokken gemeente contact opgenomen, er wordt bekeken wat er aan de hand is en indien nodig wordt er opgetreden.

In maart en april zijn regionale bijeenkomsten voor de betrokken gemeenten en departementen georganiseerd om informatie en kennis uit te wisselen. Dit heeft geleid tot aanpassing van de informatiebrochure uit 2006 over de huisvesting voor tijdelijke werknemers. De herziene brochure is zeer binnenkort gereed.

De VROM-inspectie heeft met Aedes, de koepel van de woningbouwcorporaties, overleg gevoerd over de rol van de corporaties, onder andere over transformatie van bestaande gebouwen ten behoeve van de huisvesting van Oost-Europese arbeidsmigranten en over de inzetbaarheid van nieuwe voorzieningen. Dergelijke overleggen vinden uiteraard ook op gemeentelijk niveau plaats.

Werkgevers hebben een primaire verantwoordelijkheid voor de huisvesting van hun arbeidsmigranten. Die verantwoordelijkheid is ook opgenomen in de cao voor de uitzendbranche. Veel uitzendorganisaties houden zich daadwerkelijk bezig met het realiseren van huisvesting voor de mensen die zij in Nederland tewerkstellen.

Begin 2009 wordt een bestuurlijke boete geïntroduceerd van maximaal €18 500, waarmee gemeenten nog effectiever kunnen optreden tegen huisjesmelkers. Via de Huisvestingsverordening kunnen gemeenten voorschriften uitvaardigen over wie waar gehuisvest mag worden. Gemeenten hebben ook de mogelijkheid om te bepalen dat in bepaalde wijken niet meer dan twee mensen met een verschillende achternaam gehuisvest mogen zijn. Ten behoeve van de leefbaarheid van wijken kunnen gemeenten gebruikmaken van de «Rotterdamwet», waarmee in bepaalde wijken de huisvesting van mensen die niet in hun eigen inkomen voorzien, onmogelijk kan worden gemaakt. De interventieteams grijpen in als er toch misstanden optreden.

De nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (WRO), die op 1 juli in werking treedt, bevat een versnelde procedure voor het wijzigen van bestemmingsplannen. Hierdoor wordt de termijn voor een tijdelijke wijziging van een bestemmingsplan, net als de termijn voor een permanente wijziging, maximaal een halfjaar. Hierdoor neemt de economische haalbaarheid van een tijdelijke wijziging toe. Daarnaast biedt de nieuwe WRO de mogelijkheid van een buitenplanse ontheffingslijst, waarin kan worden vastgelegd op grond waarvan mag worden afgeweken van het bestemmingsplan. Momenteel overlegt de minister met de minister van VROM over de vraag of de huisvesting van MOE-landers daaronder kan vallen.

Op het punt van de inburgering zijn initiatieven genomen om ervoor te zorgen dat mensen die naar Nederland komen, weten wat hun te wachten staat. De dvd voor mensen die naar Nederland willen migreren, wordt momenteel vertaald in het Pools. Die dvd wordt dan beschikbaar gesteld via de Nederlandse ambassade. Met de uitzendbureaus wordt afgesproken dat ook zij deze dvd gaan verspreiden. De uitzendbranche heeft zelf al een dvd in gebruik genomen over wonen en werken in Nederland.

De Europese wetgeving over het vrije verkeer van werknemers staat geen verplichte vorm van inburgering toe. Wel hebben gemeenten en werkgevers de verantwoordelijkheid en de mogelijkheid om inburgeringscursussen aan te bieden aan arbeidsmigranten. Werkgevers kunnen ook taal- en vakeisen voor hun werknemers formuleren. Hierbij gaat het uiteraard vooral om mensen die zich hier permanent willen vestigen. De gemeenten worden ertoe aangezet om dergelijke cursussen aan te bieden. In het najaar van 2008 zal uit de Monitor Inburgering blijken hoeveel mensen uit Oost-Europa in 2007 hebben deelgenomen aan inburgeringscursussen. Op basis daarvan zal de minister het aanbieden van deze cursussen verder stimuleren.

Bij pendelmigratie ligt de primaire verantwoordelijkheid voor een basale kennis van de Nederlandse taal bij de werkgevers, die daar zelf belang bij hebben. Die basale kennis is ook belangrijk voor de veiligheid van die werknemers. Van de bij de ABU aangesloten uitzendorganisaties biedt 53% de door hen ingezette arbeidsmigranten een taalvoorziening aan. Bij het overleg met de sociale partners over het verder stimuleren van de taalontwikkeling van migranten zal de minister aandacht vragen voor deze specifieke doelgroep. Er is voldoende lesmateriaal beschikbaar, dat ook gericht is op verschillende sectoren van de arbeidsmarkt.

Er moet alles aan worden gedaan om een herhaling van de situatie in de jaren tachtig te voorkomen. De huidige situatie is overigens niet helemaal vergelijkbaar met de toenmalige situatie. Qua cultuur en opleidingsniveau is de afstand tot de Nederlandse samenleving bij Oost-Europese arbeidsmigranten minder groot dan bij de toenmalige Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten. Bovendien zijn er nu inburgerings- en taalvoorzieningen.

De minister zegt toe dat zij de problematiek van de arbeidsmigranten specifiek aan de orde zal stellen in het overleg over de dak- en thuislozenproblematiek met de G4 en de centrumgemeenten, die dit aspect tot nu toe niet hebben geagendeerd. Daarbij zal worden nagegaan of het huidige beleid op dit punt moet worden aangevuld.

Nadere gedachtewisseling

De heer Ulenbelt (SP) vindt het onthutsend dat de minister van SZW zijn ogen voor de werkelijkheid blijft sluiten. De gemeente Rotterdam roept de Tweede Kamer er toch niet voor niets toe op om zich tegen zijn beleid te verzetten? De «prachtwijken» worden zo langzamerhand «prutwijken», mede omdat de Poolse arbeidsmigranten niet inburgeren.

De heer Van Hijum (CDA) benadrukt dat hij de problemen niet overdrijft. Er gaan vast veel dingen goed en de arbeidsmigranten doen nuttig werk, maar een stevig flankerend beleid en het onder ogen zien van reële problemen zijn essentieel voor het draagvlak voor de arbeidsmigratie. Uit de evaluatie van het flankerend beleid door het RISBO blijkt hoe ernstig de problemen zijn en dat stevige maatregelen nodig zijn.

Wat vindt de minister van SZW van het oordeel van de ABU dat zijn reactie op de ABU-voorstellen over de registratieplicht, de certificering en de handhaving tekortschiet?

De CDA-fractie is nog steeds zeer kritisch over de wenselijkheid van vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt voor Roemeense en Bulgaarse werknemers.

De heer Kamp (VVD) vindt de reactie van met name de minister van SZW onthutsend. De bestaande problemen worden gewoon ontkend. De minister negeert de aan zijn eigen stukken ontleende informatie dat het in totaal gaat om 333 000 mensen (213 000 immigranten en 120 000 tijdelijke arbeidsmigranten, dus nog afgezien van illegalen en zzp’ers), dat het aantal malafide uitzendondernemingen volgens de ABU de afgelopen jaren is toegenomen tot 6000 in 2006 en dat twee derde van de inleners en uitleners niet eens weet dat er een certificering van uitzendorganisaties bestaat. Het feit dat weinig Polen een uitkering hebben, komt doordat er pas sinds een of twee jaar veel Polen in Nederland zijn. Zodra zij in aanmerking komen voor een uitkering, zal het percentage Polen met een uitkering net zo hoog zijn als het percentage bij immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie of het voormalige Joegoslavië. De arbeidsmigratie verergert het probleem dus alleen maar en zal leiden tot steeds weer nieuwe stromen van arbeidsmigranten.

Ten behoeve van de integratie zouden immigranten die kunnen werken en voor wie werk beschikbaar is, niet met een uitkering thuis mogen zitten. Als zij daar niet aan meewerken, moet hun uitkering worden beëindigd.

De heer Fritsma (PVV) vindt het stuitend dat de minister van SZW de problemen ontkent of bagatelliseert. Diverse steden en dorpen kunnen de toestroom van Polen niet meer aan. De minister weigert nu stelling te nemen en verschuift de beslissing over Roemenië en Bulgarije naar november. Vindt hij op grond van de huidige situatie openstelling van de grenzen voor Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten verantwoord?

In tegenstelling tot wat de minister suggereert, is het verblijfsrecht van Polen die een beroep doen op de sociale zekerheid, nog nooit ingetrokken.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie) vraagt of het al per 1 juli 2008 mogelijk zal zijn om de huisvesting van arbeidsmigranten te laten vallen onder de buitenplanse ontheffingslijst.

Ook aan pendelmigranten moet een inburgeringcursus worden aangeboden, want zij mogen zich niet buiten de Nederlandse samenleving plaatsen.

Wie is na de introductie van de inleneraansprakelijkheid aansprakelijk als een gecertificeerd uitzendbureau de wet overtreedt?

Voordat in november kan worden besloten tot openstelling van de grenzen voor Bulgaarse en Roemeense arbeidsmigranten moet worden gegarandeerd dat het flankerend beleid sluitend is en moet duidelijk zijn hoeveel Bulgaren en Roemenen er worden verwacht.

Mevrouw Koşer Kaya (D66) wijst erop dat zonder de Poolse arbeidsmigranten enorme economische problemen zouden ontstaan. Het bedrag dat zij aan premies afdragen, is vele malen hoger dan het bedrag dat zij aan uitkeringen ontvangen. Bovendien is in verdragen vastgelegd dat binnen de EU sprake is van vrij verkeer van werknemers.

Het hoge percentage gewonnen bezwaarprocedures staat los van het feit dat de Arbeidsinspectie vaak de juridische kennis mist om malafide praktijken en vreemde constructies te signaleren. Er moet dus meer in die juridische kennis worden geïnvesteerd.

De huisvestingsproblemen in een stad als Rotterdam, waar veel woningen in particuliere handen zijn en dus geen sprake is van doorstroom, zullen blijven bestaan zolang de regering geen brede visie ontwikkelt op de woningmarkt.

Wanneer is de eenduidige definitie van «zzp’er» gereed?

De heer Spekman (PvdA) wijst erop dat de «microwereld» waarin mensen leven en werken, anders én belangrijker is dan de «macrowereld» van de regering. Zij ervaren een afname van de leefbaarheid in de wijken als gevolg van de komst van de arbeidsmigranten. De regering moet, los van de genomen maatregelen, medeverantwoordelijkheid op zich nemen om de problemen met de corporaties en de gemeenten op te lossen, bijvoorbeeld door versterking van de interventieteams of door alle signalen over malafide uitzendbureaus na te trekken.

Kan de regering de Kamer een analyse voorleggen van de aantallen tewerkstellingsvergunningen en een visie op arbeidsmigratie?

Iedereen die kan werken, moet aan het werk geholpen worden.

Op basis van de huidige situatie blijft de PvdA-fractie van mening dat de grenzen nog niet opengesteld moeten worden voor Bulgaarse en Roemeense arbeidsmigranten.

De minister voor Wonen, Wijken en Integratie benadrukt dat er voldoende lesmateriaal voor inburgeringscursussen beschikbaar is. Over het gebruik van dit materiaal gaat de minister afspraken maken met de werkgevers.

Integratie verloopt het best via onderwijs en deelname aan de arbeidsmarkt. Inburgering wordt dus niet alleen verbonden met een taalcursus, maar met participatie. Vandaar dat men tot 27-jarige leeftijd geen uitkering kan krijgen, maar moet leren of werken. Ook met de Wet werk en bijstand en de wijkenaanpak is werk vooropgesteld en is al veel bereikt. Omdat dat nog onvoldoende is, is de ambitie dat de komende tijd nog 200 000 van de huidige werklozen toetreden tot de arbeidsmarkt.

De buitenplanse ontheffing is niet al per 1 juli inzetbaar, maar de minister zal er bij haar collega van VROM op aandringen om de huisvesting van arbeidsmigranten snel aan de ontheffingslijst toe te voegen.

Bij pendelmigranten is een volwaardig taalaanbod niet passend. De dvd’s van de overheid en de uitzendbranche geven basale informatie. De verantwoordelijkheid voor een basale beheersing van de Nederlandse taal ligt primair bij de werkgevers.

Een structurele aanpassing van de woningmarkt biedt geen oplossing voor de huisvestingsproblematiek van arbeidsmigranten. Er zal immers altijd particulier woningbezit blijven bestaan; huisjesmelkers zijn daar onlosmakelijk mee verbonden. De gemeenten kunnen daar met de bestuurlijke boete effectief tegen optreden.

Al met al zijn op het punt van de huisvesting en de inburgering in overleg met gemeenten belangrijke maatregelen genomen die ook in de «microwereld» effect hebben.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wijst erop dat zijn visie wordt bevestigd door de betrokken gemeenten, die hebben vastgesteld dat het afgelopen jaar vruchtbaar is samengewerkt in het kader van de Polentop, dat de problemen zijn aangepakt en dat aan hun verzoeken is voldaan. Ook Rotterdam heeft bij hem geen alarmerend signaal afgegeven. Hij gaat er daarom van uit dat de door Kamerleden genoemde alarmerende berichten waarschijnlijk het gevolg zijn van een onjuiste interpretatie van het standpunt van de betrokken gemeenten. De besluitvorming over de Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigranten in november vindt bovendien plaats in de Kamer, niet in gemeenteraden. Er zal geen besluit worden genomen dat de problemen compliceert. Het besluit moet bijdragen aan het oplossen van bestaande problemen. Die bijdrage moet zwaarder wegen dan de problemen die er ongetwijfeld zullen komen of blijven.

Het aantal van 120 000 tijdelijk in Nederland verblijvende arbeidsmigranten is een extrapolatie op basis van tewerkstellingsvergunningen. Dat aantal overlapt gedeeltelijk het aantal ingeschrevenen in het GBA. De tabel met het aantal personen met een uitkering is gebaseerd op de situatie in september 2004; andere cijfers hebben betrekking op de periode 2000–2006. De minister ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het door hem genoemde aantal van 100 000 tot 150 000 Poolse arbeidsmigranten. Er is ook geen reden om aan te nemen dat het aantal arbeidsmigranten sinds 1 mei 2007 wezenlijk veranderd is. Er zijn zelfs signalen dan het aantal terugkerende arbeidsmigranten groter is dan het aantal komende arbeidsmigranten.

De minister is zich bewust van het onderscheid tussen de «macrowereld» en de «microwereld» en van de problemen in de wijken. De bestaande problemen op het punt van de huisvesting en de malafide uitzendbureaus worden serieus genomen, maar er moet geen verkeerd beeld van de problematiek worden geschetst. De problemen hangen vooral samen met personen die hier al voor de openstelling van de grenzen voor arbeidsmigranten als vluchteling zijn toegelaten. Als arbeidsmigranten langer dan een aantal maanden werkloos zijn, kan onder het Europees recht het verblijf nog steeds beëindigd worden. Tegenover deze problemen staat bovendien de behoefte aan werknemers elders in het land.

De minister verzoekt de Kamer om de wetsvoorstellen naar aanleiding van de ABU-voorstellen af te wachten en om in dat kader te bekijken waarom bepaalde voorstellen wel zijn overgenomen en andere niet. De aanpak van malafide uitzendbureaus is hierbij een belangrijk punt. Deze wetsvoorstellen zullen naar verwachting in het najaar aan de Kamer worden voorgelegd. Inleners blijven verantwoordelijk als het uitzendbureau gecertificeerd is. Particuliere certificatie kan immers geen ontheffing geven van publiekrechtelijke plichten.

De regering streeft naar de formulering van een eenduidige definitie van «zzp’ers», maar vanwege de beleidsmatige gevolgen is niet zeker of en zo ja, wanneer dat zal lukken. Er zal met de Kamer worden besproken of het belang van een eenduidige definitie zwaarder moet wegen dan de beleidsmatige gevolgen. Het fenomeen «zzp’er» is overigens het gevolg van rigiditeiten binnen de Nederlandse arbeidsmarkt.

De regering heeft haar visie op de arbeidsmigratie al uiteengezet in het kader van het overleg over de voorstellen van de Europese Commissie over arbeidsmigratie binnen de EU en van buiten de EU. De discussie over die visie moet in dat kader plaatsvinden. Op het punt van derdelanders komt de visie van de regering uiteraard overeen met het normale kader van het Nederlandse vreemdelingenbeleid: afgezien van kennismigranten hanteert Nederland een restrictief toelatingsbeleid.

Er wordt voortdurend geïnvesteerd in de juridische kennis van de Arbeidsinspectie, ook via een update aan de hand van casuïstiek en SIOD-onderzoeken. Zodra er signalen zijn dat de kennis tekortschiet, wordt bekeken hoe die kennis kan worden aangevuld.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Wit

De voorzitter van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van Gent

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Post


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), De Wit (SP), voorzitter, Van Gent (GroenLinks), Blok (VVD), Tichelaar (PvdA), Nicolaï (VVD), Jan Jacob van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), ondervoorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Karabulut (SP) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gerkens (SP), Vendrik (GroenLinks), De Krom (VVD), Heerts (PvdA), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Willemse-van der Ploeg (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), Lempens (SP), Cramer (ChristenUnie), Biskop (CDA), Kamp (VVD), Joldersma (CDA), Fritsma (PVV), Tang (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gesthuizen (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers (VVD).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Van Gent (GroenLinks), voorzitter, Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), Poppe (SP), Weekers (VVD), ondervoorzitter, Dijsselbloem (PvdA), Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Van der Ham (D66), Vietsch (CDA), Verdonk (Verdonk), Jansen (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Wolbert (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Bouchibti (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Fritsma (PVV), Van Toorenburg (CDA) en Uitslag (CDA).

Plv. leden: Bilder (CDA), Dibi (GroenLinks), Nicolaï (VVD), Timmer (PvdA), Kant (SP), Blok (VVD), Bouwmeester (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Pechtold (D66), Blanksma-van der Heuvel (CDA), Neppérus (VVD), De Wit (SP), Voordewind (ChristenUnie), Heijnen (PvdA), Zijlstra (VVD), Haverkamp (CDA), Leerdam (PvdA), Ulenbelt (SP), Madlener (PVV) en Karabulut (SP).

Naar boven