nr. 72
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 mei 2007
Zoals toegezegd door de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel bevordering
naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) op 5 oktober
2006, doe ik u toekomen de beleidsregels bestuursrechtelijke handhaving van
de WML, zoals deze in de Staatscourant van 2 mei 2007, nr. 84, zijn gepubliceerd1.
Een van de flankerende beleidsmaatregelen voor het vrij verkeer van werknemers
uit de Midden- en Oost-Europese landen (MOE-landen) is de invoering van een
bestuurlijke boete en last onder dwangsom voor het niet naleven van het wettelijk
minimumloon en de minimumvakantiebijslag door werkgevers. Dit is geregeld
in de wet bevordering naleving WML. Het moment van inwerkingtreding van deze
wet was afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop het vrij verkeer van werknemers
uit de MOE-landen werd ingevoerd. De wet bevordering naleving WML is op 4 mei
2007 in werking getreden.
Voor de uitvoering van deze wet zijn beleidsregels opgesteld. Deze beleidsregels
worden door de Arbeidsinspectie toegepast bij de handhaving van de wet. Hierin
wordt onder meer de hoogte van de boetebedragen en de last onder dwangsom
per beboetbaar feit uitgewerkt.
Staffeling boetebedragen
De maximumboete bedraagt € 6 700,–. Voor de hoogte
van de boete is een staffeling opgesteld die zowel naar de duur van de onderbetaling
van het minimumloon als naar het percentage van de onderbetaling van het minimumloon
kijkt. De Arbeidsinspectie kijkt bij controles terug tot de inwerkingstredingdatum
van de wet. Dit betekent dat de Arbeidsinspectie geen boetes kan opleggen
voor overtredingen die zijn begaan voor 4 mei 2007.
De boetebedragen gelden per werknemer. Een voorbeeld: een werkgever die
5 werknemers in dienst heeft en alle 5 gedurende 5 maanden 25% onderbetaald,
krijgt een totale boete van 50 x € 3 000,– = € 15 000,–.
Daarnaast dient deze werkgever alle werknemers het achterstallig minimumloon
te betalen. Doet hij dat niet binnen vier weken, dan legt de Arbeidsinspectie
een last onder dwangsom op totdat de werkgever alsnog aan zijn verplichting
voldoet.
Bij geringe onderbetaling of bij een kennelijke vergissing of een verschrijving
wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. In dat geval wordt ook
geen boeterapport opgemaakt. Een kennelijke vergissing is bijvoorbeeld het
omdraaien van de laatste twee cijfers achter de komma van het maandbedrag
of het eenmalig vergeten van de wettelijke loonsverhoging van een werknemer
jonger dan 23 jaar die halverwege de maand jarig is. De werkgever wordt door
de Arbeidsinspectie in de gelegenheid gesteld alsnog aan zijn verplichtingen
te voldoen. Als de werkgever dat niet binnen vier weken doet wordt alsnog
een boeterapport opgemaakt en een boete opgelegd.
Bij meer dan één overtreding gedurende een kalenderjaar
door de werkgever ten aanzien van dezelfde werknemer worden deze overtredingen
gezien als één beboetbaar feit. Per inspectieperiode wordt bekeken
hoe vaak sprake is van onderbetaling en wat de totale som van onderbetaling
van het minimumloon is. De som van het te weinig betaald minimumloon wordt
afgezet tegen het totale bedrag aan wettelijk minimumloon wat betaald had
moeten worden. Zo wordt de mate van onderbetaling vastgesteld en daarmee ook
de hoogte van de boete.
Stel de werkgever heeft een werknemer gespreid over het kalenderjaar over
zes maanden € 5 804,80,– betaald, in plaats van € 7 804,80,–.
De onderbetaling van het minimumloon over zes maanden bedraagt dan € 2 000,–.
Het percentage van onderbetaling van het minimumloon is in dit geval 25,6%.
De boete wegens onderbetaling van het minimumloon is dan € 3 000,–
per werknemer.
Voor alle boetes geldt dat zij met 50% worden verhoogd indien een
werkgever nadat een boete onherroepelijk is geworden binnen 2 jaar een boete
krijgt voor eenzelfde beboetbaar feit. Zou in het bovenstaande voorbeeld dezelfde
werkgever na een jaar weer gecontroleerd worden en vervolgens weer een onderbetaling
van zes maanden van in totaal 25,6% van het minimumloon bij een andere
werknemer worden geconstateerd door de Arbeidsinspectie, dan wordt de boete € 4 500,–.
Wanneer een werkgever niet of in onvoldoende mate papieren kan overleggen
waaruit de aard van de arbeidsrelatie, het door hem betaalde loon, de door
hem betaalde vakantiebijslag of het aantal gewerkte uren blijkt van een in
zijn onderneming, bedrijf of inrichting aangetroffen werkzame persoon en verificatie
op enigerlei wijze van het nakomen van de verplichting het minimumloon en
de minimumvakantiebijslag te betalen niet mogelijk is, wordt de werkgever
voor iedere persoon die het betreft de maximale boete van € 6 700,–
opgelegd.
Last onder dwangsom
De hoogte van de dwangsom houdt rekening met de zwaarte van het geschonden
belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging, namelijk het alsnog
betalen door de werkgever van het achterstallig minimumloon en/of minimumvakantiebijslag
aan de werknemer. Ook voor de last onder dwangsom is een staffeling opgesteld,
waarbij het percentage en de duur van de onderbetaling een rol spelen. De
dwangsom voor de vakantiebijslag is € 25,– per dag. Het maximale
bedrag dat een werkgever per werknemer voor een beboetbaar feit
aan dwangsom kan verbeuren bedraagt € 25 000,–.
De werkgever dient het achterstallig minimumloon of de minimumvakantiebijslag
aan de werknemer zelf te betalen en niet aan de Arbeidsinspectie. De dwangsom
wordt pas opgeheven wanneer de werkgever schriftelijk bewijs heeft overlegd
aan de Arbeidsinspectie waaruit blijkt dat het achterstallige bedrag betaald
is.
Evaluatie
Bij het voortgezet algemeen overleg op 25 april jl. over het vrij
verkeer van werknemers uit de MOE-landen heb ik u toegezegd dat ik u zal informeren
over de stand van zaken van het flankerend beleid, de huisvesting en de handhaving
bij vrij verkeer. Daarbij wordt ook de handhaving van de WML betrokken en
in het bijzonder het aantal controles, het aantal boeterapporten, de hoogte
van de boetes en dwangsommen en het betaalde achterstallig loon.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner