nr. 53
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 mei 2007
De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat heeft mij verzocht u bij
brief een toelichting te geven per regio van de zogenaamde black spots (die
verkeersgevaarlijke locaties waar de meeste ongevallen plaatsvinden). Hierbij
voldoe ik aan dit verzoek.
Wegen horen veilig ingericht te zijn. Een blackspotbenadering brengt verkeersgevaarlijke
lokaties, waar relatief veel ongevallen plaatsvinden, in beeld. Wegbeheerders
maken, op basis van ongevalsgegevens analyses waar in hun wegennet onveilige
lokaties zijn en nemen maatregelen. Door de steeds verder toenemende veiligheid
zijn er steeds minder locaties waar concentraties van ongevallen plaatsvinden
maar desondanks zijn er nog wel onveilige lokaties te benoemen; dat geldt
zowel voor het hoofdwegennet als ook voor het onderliggend wegennet. Bijlage
1 geeft voor de wegen die in mijn beheer zijn een overzicht van de kruispunten
en wegvakken, waar de meeste slachtoffers vallen.1
Mede naar aanleiding van het rapport «Langdurige onveilige regionale
hoofdwegen»van de Onderzoekraad voor de Veiligheid is op mijn begroting
voor de periode 2006–2010 een bedrag van totaal € 90 mln.
beschikbaar voor niet MER-plichtige maatregelen op N-wegen.
Infrastructurele aanpassingen maken onderdeel uit van een totaalbenadering
van het verkeersveiligheidbeleid: wegen veilig inrichten, verkeersdeelnemers
goed informeren en opleiden en veilige voertuigen (weg-gedrag-voertuig). Deze
maatregelen zijn als totaalbenadering uitgewerkt en het beleid rust op drie
pijlers.
De eerste pijler is samenwerking. Verkeersveiligheidbeleid wordt door
meerdere partijen vormgegeven en uitgevoerd. In de Nota Mobiliteit is de sturingsfilosofie «decentraal
wat kan en centraal wat moet» uitgewerkt. Voor verkeersveiligheid betekent
dit dat Rijk en decentrale overheden zich gezamenlijk hebben gecommitteerd
aan het bereiken van een nationale doelstelling verkeersveiligheid. Rijk,
provincies, stadsregio’s, gemeenten en waterschappen werken gezamenlijk
aan het bereiken van een forse reductie van het aantal verkeersslachtoffers,
ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid. De nationale doelstelling
verkeersveiligheid is regionaal doorvertaald naar 19 regio’s (12 provincies
en 7 stads-regio’s). Dat betekent dat in die 19 regio’s een eigen
regionale doelstelling voor verkeers-veiligheid wordt uitgewerkt in de RVVP’s
en PVVP’s. Voor deze sturingsfilosofie is bewust gekozen aangezien in
de regio’s maatwerk kan worden geleverd, mede gelet op de verantwoordelijkheden
die de regio’s hebben ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen.
Ook andere partijen (politie, bedrijfsleven, scholen en maatschappelijke
organisaties) worden betrokken bij de vormgeving en uitvoering van beleid.
Zowel op nationaal als op regionaal niveau zijn de desbetreffende overheden
daar regievoerder voor.
Naast samenwerking is integrale aanpak de tweede belangrijke pijler onder
het verkeersveiligheidbeleid. Dit houdt enerzijds in dat er maatregelen worden
genomen op het gebied van zowel infrastructuur, gedrag als voertuig. Anderzijds
betekent het ook dat verkeersveiligheid zoveel mogelijk wordt ingebed in andere
beleidsterreinen, zoals ruimtelijke inrichting.
De derde pijler is een duurzaam veilige aanpak; al sinds begin jaren negentig
zijn de verkeersveiligheidmaatregelen in belangrijke mate gebaseerd op de
principes van Duurzaam Veilig. Er wordt uitgegaan van een systeembenadering:
de wegen moeten veilig ingericht zijn, weggebruikers moeten goed opgeleid
en zich veilig in het verkeer gedragen en voertuigen dienen aan specifieke
(verkeersveiligheids-)eisen te voldoen. Dit is een pro-actieve aanpak en geeft
ook mogelijkheden voor specifiek maatwerk daar waar nodig. Bij het opstellen
van verkeersveiligheidsmaatregelen is daarnaast kosteneffectiviteit een belangrijk
uitgangspunt.
Een verkeersveiligheidbeleid, gebaseerd op deze drie pijlers, gaat ervan
uit dat wegen veilig worden ingericht in combinatie met gedragsmaatregelen
en voertuigmaatregelen.
Eenzijdige aandacht voor alleen de infrastructuur is derhalve onvoldoende.
Het gedrag van verkeersdeelnemers is een zeker zo belangrijke factor; denk
daarbij aan alcoholgebruik door bestuurders (de aanwezigheid van een discotheek,
bijvoorbeeld, kan evenzeer van invloed zijn als de inrichting van een kruispunt),
te hard rijden, gordelgebruik, etc.
Een en ander neemt niet weg dat de wegbeheerders verantwoordelijk zijn
voor een veilige inrichting van hun wegen. Zoals reeds aangegeven, worden
er ongevalanalyses uitgevoerd om te bezien of er wellicht onveilige locaties
op het wegennet zijn. Op basis daarvan is ook het lijstje uit bijlage 1 opgesteld.
Op regionaal niveau (netwerkaanpak) wordt gekeken waar het meest efficiënt
infrastructurele veiligheidsmaatregelen kunnen worden genomen waarbij zowel
wegen in rijksbeheer als ook wegen in beheer van de decentrale overheden in
onderlinge samenhang worden bezien. Dit vindt in goede samenwerking met de
regio plaats. Daarnaast zijn er ook andere manieren om te bezien of een weg
veilig is ingericht. Instrumenten als Eurorap en het schouwen van wegen en
verkeersveiligheids-audits helpen daar ook bij. Bij ongevalanalyses wordt
er ook bezien of wellicht andere (bijvoorbeeld gedrags-)maatregelen kunnen
worden ingezet. Ook de decentrale overheden hanteren deze aanpak. Dat is tot
nu toe de reden waarom ik geen overzicht per regio hanteer over black spots.
Desalniettemin ben ik bereid uw wens tot regionale overzichten van blackspots
in het eerstvolgende Nationale Mobiliteitsberaad te bespreken met de regio’s.
De minister van Verkeer en Waterstaat,
C. M. P. S. Eurlings