Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29398 nr. 1221 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29398 nr. 1221 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 mei 2026
Het is van groot belang dat iedereen zich veilig in het verkeer kan verplaatsen. Naast educatie en aanpassing van de infrastructuur is handhaving belangrijk om de verkeersveiligheid te vergroten en slachtoffers in het verkeer te voorkomen. Dat is hard nodig gezien de stijging van het aantal verkeersslachtoffers in Nederland. Met deze brief informeer ik uw Kamer, voorafgaand aan het commissiedebat Verkeersveiligheid van 21 mei, over de uitvoering van een eerder gedane toezegging en deel ik een aantal actuele ontwikkelingen op het gebied van verkeershandhaving als onderdeel van de verkeersveiligheidsaanpak.
In het coalitieakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 848, nr. 31) zijn daarnaast verschillende voornemens opgenomen op het gebied van verkeersveiligheid, met daarin ook maatregelen gericht op verkeershandhaving. Het is op dit moment echter nog te vroeg om in deze brief al in te kunnen gaan op de nadere uitwerking van deze maatregelen. Uw Kamer wordt hier rond de zomer nader over geïnformeerd.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zal u apart informeren over de stand van zaken met betrekking tot infrastructuur en educatie.
Tijdens het vorige commissiedebat Verkeersveiligheid (4 februari 2026, Kamerstuk 29 398, nr. 1202) heeft mijn ambtsvoorganger het lid Stoffer (SGP) toegezegd uw Kamer in de eerstvolgende verzamelbrief te informeren over de verkenning naar de mogelijkheid om het rijbewijs langer dan zes maanden in te houden.1 In artikel 164, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is (onder meer) geregeld dat het rijbewijs niet langer dan zes maanden mag worden ingehouden indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen die termijn is aangevangen. Daarnaast dient de officier van justitie, die over de inhouding beslist, rekening te houden met het zogenaamde anticipatiegebod. Dit houdt in dat het ingehouden rijbewijs moet worden teruggegeven als naar verwachting geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) zal worden opgelegd bij een veroordeling of een strafbeschikking of als de duur van de OBM die naar verwachting zal worden opgelegd niet langer is dan de termijn dat het rijbewijs reeds is ingehouden. Als de te verwachten duur van de OBM dus bijvoorbeeld vier maanden bedraagt, mag het rijbewijs enkel voor vier maanden worden ingehouden.
Het is onwenselijk dat iemand door de inhouding het rijbewijs langer kwijt is dan de duur van de uiteindelijk als straf opgelegde OBM. Inhouding van het rijbewijs is immers een ingrijpende maatregel en heeft voor sommige verdachten verstrekkende gevolgen.
Het anticipatiegebod kan in bepaalde gevallen de reden zijn dat het rijbewijs al voor de aanvang van de zitting is teruggegeven. Voor deze bestuurders geldt veelal dat met de duur van de inhouding van het rijbewijs, ook de duur van de (uiteindelijk) opgelegde OBM al is verstreken. Het rijbewijs hoeft na de zitting in die gevallen dus niet opnieuw te worden ingeleverd. Het komt echter ook voor dat het rijbewijs, met inachtneming van de termijn van zes maanden uit artikel 164, zesde lid, WVW aan de verdachte wordt teruggegeven, terwijl het wel de verwachting is dat er een OBM van langer dan zes maanden wordt opgelegd. Het gaat daarbij om zaken die, bijvoorbeeld vanwege de schaarste aan zittingscapaciteit, niet binnen zes maanden op zitting zijn aangebracht. Het rijbewijs moet dan na oplegging van een OBM die langer is dan zes maanden opnieuw worden ingeleverd om de nog resterende duur ten uitvoer te kunnen leggen.
Met het openbaar ministerie (OM) is gesproken over de mogelijkheid om de maximale termijn van zes maanden te verlengen. Aan het OM is gevraagd hoe vaak het rijbewijs na zes maanden dient te worden teruggegeven, omdat de terechtzitting op dat moment nog niet is aangevangen, terwijl uiteindelijk wel een OBM van langer dan zes maanden wordt opgelegd. Naar schatting gaat het om enkele tientallen gevallen per jaar (op een totaal van ongeveer 8500 zaken per jaar waarin een OBM van langer dan zes maanden wordt opgelegd).2 Het OM heeft afspraken met de Rechtspraak om zaken waarin dit speelt met prioriteit op zitting in te plannen. Ook kan teruggave van het rijbewijs worden voorkomen door de zaak binnen zes maanden met een regiezitting te laten aanvangen. Tevens heeft het OM aandacht voor zaken waarin bijvoorbeeld sprake was van een ongeval als gevolg van het rijden onder invloed en waarin slachtoffers betrokken zijn. Ook in deze zaken wordt ernaar gestreefd om de zitting binnen zes maanden te laten aanvangen zodat het rijbewijs niet hoeft te worden teruggegeven. In het merendeel van de zaken waarin het rijbewijs eerder teruggegeven moet worden gaat het daarom om slachtofferloze delicten.
Het OM geeft aan dat de maximale termijn van zes maanden op deze manier een belangrijke stok achter de deur vormt om de zaken waarin dat nodig is met prioriteit op zitting te krijgen. Deze stok achter de deur is ook de achterliggende gedachte van de wettelijke termijn.3 Bij verlenging van de termijn van zes maanden bestaat het risico dat dergelijke zaken langer op de plank blijven liggen. De komende tijd worden de relevante zaken gemonitord om te bezien of het aantal zaken waarin het rijbewijs voordat een zaak op zitting komt moet worden teruggegeven niet toeneemt (bijvoorbeeld als het gevolg van de druk op de strafrechtketen). Indien daaruit alsnog blijkt dat het aantal zaken waarin het rijbewijs tussentijds moet worden teruggegeven te hoog is, kan alsnog worden bekeken of aanvullende maatregelen moeten worden overwogen waarmee vroegtijdige teruggave van het rijbewijs kan worden voorkomen. Hiermee beschouw ik de toezegging aan het lid Stoffer als afgedaan.
In de vorige verzamelbrief is uw Kamer geïnformeerd over de conclusie dat uit de verkenning is gebleken dat invoering van het alcoholslotprogramma in het bestuursrecht onhaalbaar wordt geacht, en dat daarom nu de herinvoering van het alcoholslotprogramma in het strafrecht nader wordt uitgewerkt.4 De afgelopen periode is met verschillende ketenpartners gesproken over diverse beleidsopties binnen dit scenario. Op basis daarvan wordt nu een doorrekening van het te verwachten aantal opleggingen en de daaraan verbonden kosten gemaakt.
Aan uw Kamer is toegezegd dat deze verkenning voor de zomer zal worden afgerond. Op basis daarvan kan de keuze over herinvoering gemaakt worden. Voor de herinvoering zal nog een wetstraject doorlopen moeten worden.
Zoals aan uw Kamer is toegezegd, wordt u steeds in deze brief geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de vervanging en uitbreiding van de geautomatiseerde handhavingsmiddelen. Op dit moment realiseert het OM een substantiële uitbreiding die nog tot en met 2029 loopt. Na de vervanging van de bestaande vaste flitspalen is het OM vorig jaar gestart met de plaatsing van de eerste vaste flitspalen op nieuwe locaties. Op dit moment zijn er ongeveer 530 vaste flitspalen actief en voor nog eens 50 locaties worden voorbereidingen getroffen. Daarnaast is er op twee nieuwe locaties een trajectcontrole gerealiseerd. Op de A7 van Hoorn naar Purmerend en op de A12 van Zoetermeer naar Nootdorp wordt nu continu gehandhaafd. Het OM start nu met de vervanging van de bestaande trajectcontrolelocaties op de snelwegen. Voor de uitbreiding naar 125 flexflitsers is een aanbesteding gestart. Ook zijn er inmiddels 40 focusflitsers actief op meer dan 150 locaties. Het OM breidt dit aantal dit jaar uit met nog eens 10 focusflitsers. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk op in totaal 300 locaties gehandhaafd wordt met de focusflitser. De noodzaak hiervan is duidelijk: tot nu toe zijn in 2026 al 151.000 overtredingen met de focusflitser geconstateerd. Door de geplande uitbreiding van het aantal focusflitsers zal dit aantal naar verwachting nog aanzienlijk oplopen. Uiteindelijk moet de inzet van de focusflitser natuurlijk juist leiden tot een aanpassing van het gedrag en daardoor tot minder overtredingen en meer verkeersveiligheid.
Het OM en politie hebben afgelopen periode gewerkt aan een gezamenlijke visie op geautomatiseerde verkeershandhaving, met als doel de handhaving van verkeersregels effectiever maken en zo bij te dragen aan een veiliger verkeer voor iedereen.
Nederland loopt internationaal voorop in geautomatiseerde verkeershandhaving. Ongeveer 75% van de snelheids- en roodlichtovertredingen wordt zonder menselijke tussenkomst afgehandeld. Met systemen als trajectcontroles en focusflitsers beschikken we over een van de meest efficiënte en technisch geavanceerde handhavingsnetwerken ter wereld. Die positie willen we behouden én versterken. Dat doen het OM en politie door middelen slimmer te spreiden over de VARAS-feiten,5 met meer nadruk op onder andere verkeersveelplegers, de focus te vergroten op de bebouwde kom en 30 km/u, meer onvoorspelbaarheid in te bouwen en hun inzet nog sterker te koppelen aan de veiligheidsdoelstellingen.
Op 2 oktober jl. is de Kamerbrief met ontwikkelrichtingen voor het boa-bestel naar aanleiding van de diepgaande beschouwing aan uw Kamer verzonden.6 Daarmee is het fundament gelegd om het huidige boa-bestel toekomstgericht te optimaliseren door het formuleren van een duidelijke taak voor de boa met passende bevoegdheden en uitrusting, omgeven met adequate waarborgen.
Er wordt naar gestreefd om de wijzigingen in het boa-bestel volledig ingevoerd en operationeel te hebben in 2028.
Als onderdeel van de uitvoerings- en implementatieagenda wordt ook verkend waar de opsporingsbevoegdheden van boa’s op het gebied van verkeershandhaving verduidelijking of aanvulling behoeven. Hiertoe worden gesprekken gevoerd met betrokken partijen als het OM, politie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Vervolgens kan worden bezien in hoeverre en onder welke voorwaarden een uitbreiding van verkeersbevoegdheden van boa’s wenselijk en uitvoerbaar is, en welke varianten daarbij mogelijk zijn en hoe deze uitbreiding al dan niet binnen de bredere uitwerking van de rol van boa’s in ons bestel past. Ik zal uw Kamer hierover in de volgende verzamelbrief informeren.
Tot slot
Zoals aan het begin van de brief werd aangegeven, bevat het coalitieakkoord een aantal voornemens op het gebied van verkeersveiligheid waarin ook aspecten van verkeershandhaving expliciet zijn opgenomen. Momenteel beziet het kabinet hoe uitvoering kan worden gegeven aan de voorgenomen maatregelen. Uw Kamer zal hierover rond de zomer geïnformeerd worden. In deze brief zal ik ook nader ingaan op de toezegging aan het lid Jumelet (CDA), gedaan door de Minister van IenW tijdens het vragenuur van 17 maart jl., en de opbrengsten van de landelijke werkgroep verkeershandhaving gericht op het vergroten van de objectieve en subjectieve pakkans in het verkeer. De toezegging en de maatregelen uit de werkgroep raken namelijk aan de uitwerking van het coalitieakkoord.
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Hierbij gaat het in zo’n 65% van de gevallen om een deels voorwaardelijke rijontzegging. De reden waarom de rechter daartoe beslist hangt af van de omstandigheden van het geval.
VARAS-feiten: Verkeersveelplegers, Afleiding, Roodlichtnegatie, Alcohol (en drugs), Snelheid
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29398-1221.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.