Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 maart 2013
Tijdens het ordedebat van 26 februari 2013 is verzocht om een brief naar aanleiding
van berekeningen van Berenschot over een dreigende sluiting van verpleeg- en verzorgingshuizen
en een onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum. Hierbij voldoe ik aan dat verzoek.
Op zorgvisie.nl werd bericht over berekeningen van Berenschot dat sluiting dreigt
voor 800 van de bijna 2000 verpleeg- en verzorgingshuislocaties, omdat het scheiden
van wonen en zorg in deze locaties financieel niet rendabel is.
Daarnaast zijn recentelijk twee rapporten verschenen van het Erasmus Medisch Centrum
(Erasmus MC) over de zelfstandigheid en gezondheid van 50-plussers met ZZP VG 3 en
VG 4.
Ik wil in deze brief volstaan met een korte reactie, omdat ik op dit moment werk aan
de hoofdlijnenbrief over de nadere uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord.
Bij de nadere uitwerking van het regeerakkoord maak ik ook gebruik van signalen die
ik hoor uit het veld, van onderzoeksrapporten die ik heb mogen ontvangen en houd ik
rekening met de gevolgen die de maatregelen kunnen hebben voor de bedrijfsvoering
van instellingen.
Rapporten Erasmus MC
Met betrekking tot de onderzoeksrapporten van het Erasmus MC kan ik u zeggen dat ik
daarin terugzie dat niet alle cliënten – alhoewel ze dan misschien in hetzelfde ZZP
zijn ingedeeld – hetzelfde zijn qua beperkingen en mogelijkheden. Uit de onderzoeken
komt naar voren dat er binnen de ZZP’s subgroepen te onderscheiden zijn. Ook ik heb
eerder gezegd dat ik bij het extramuraliseren niet wil uitgaan van ZZP-nummers, maar
van mensen en de mogelijkheden en beperkingen die zij hebben. Wat mij opvalt, is dat
de onderzoekers van het Erasmus MC over ZZP VG 4 stellig zijn; zij stellen dat de
communicatieproblemen, de specifieke comorbiditeit en causaliteit en de noodzaak van
specifieke multidisciplinaire medicatiereviews een gespecialiseerde expertise en mankracht
vragen waarover de eerstelijn niet beschikt. Zij adviseren om die reden om deze groep
in zijn geheel binnen de kern-AWBZ te laten vallen. Voor ZZP VG 3 adviseren ze om
op cliëntniveau op inhoudelijke criteria te bepalen of iemand toegang kan hebben tot
de kern-AWBZ. Ik zal in mijn hoofdlijnenbrief nader aangeven hoe ik de criteria voor
toegang tot de kern-AWBZ verder vorm zal geven. Daarbij zal ik niet uitgaan van ZZP-nummers,
maar van de beperkingen van mensen en hun mogelijkheden om (met hulp van de omgeving)
langer zelfstandig te kunnen wonen.
Overigens wijs ik erop dat de maatregelen met betrekking tot het extramuraliseren
betrekking hebben op nieuwe cliënten (dat zijn cliënten die nog niet in het bezit
zijn van een indicatie voor een zorgzwaartepakket). De cliënten die al in het bezit
zijn van indicatie voor een ZZP, behouden dat recht (ook bij een eventuele herindicatie).
Er komt dus niemand «op straat te staan».
Berekeningen Berenschot en de gevolgen voor zorginstellingen
De gevolgen voor instellingen hangen mede af van de keuzes die ik in de uitwerking
nog zal maken, maar vooral met de al langer bestaande wens van cliënten om langer
thuis in hun eigen omgeving te blijven wonen.
Voor instellingen betekenen veranderende wensen van cliënten dat ze keuzes moeten
maken over de inzet van hun vastgoed, maar ook over de inzet van hun personeel. Veel
instellingen hebben zich al voorbereid op deze trend, die al veel langer zichtbaar
en gaande is. Het aantal verzorgingshuisplaatsen is tussen 1980 en 2010 afgenomen
van 150.000 naar 84.000 plaatsen, terwijl het aantal 80-plussers in dezelfde periode
meer dan verdubbeld is. Voor een aantal instellingen kan het langer thuis wonen van
mensen betekenen dat ze te maken kunnen krijgen met leegstand. Zorginstellingen kunnen
eventueel een deel van hun gebouw dat niet meer wordt gebruikt, verhuren. Naast het
leveren van zorg aan cliënten die extramurale zorg krijgen (gecombineerd met het verhuren
van woonruimtes) kunnen de zorginstellingen zich ook richten op het leveren van zorg
aan de zwaardere doelgroepen (de doelgroepen die in de kern-AWBZ terechtkomen).
In een aantal gevallen zal ook het afstoten van vastgoed en het terugdringen van de
intramurale capaciteit aan de orde kunnen zijn. De mogelijkheden die instellingen
hebben om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden verschillen per instelling
en zelfs per locatie.
Medewerkers van mijn departement hebben gesproken met de onderzoekers om de berekeningen
die ten grondslag liggen aan de uitspraken zoals deze zijn gedaan in zorgvisie.nl
door te spreken. De onderzoekers hebben aangegeven dat er geen rapport is met berekeningen
van de onderbouwing van het bericht op zorgvisie.nl. maar hebben op basis van het
aantal cliënten dat nu met een ZZP 1 t/m 4 in een verpleeg- en verzorgingshuis verblijft,
berekend dat op termijn sluiting zou kunnen dreigen voor 800 van de 2000 locaties.
De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn