Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 maart 2026
Op 17 december 2025 heeft de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat
verzocht om een schriftelijke toelichting op de vertraging in de aanpassing van de
geurregelgeving voor stallen van veehouderijen. Deze vertraging is benoemd in de voortgangsbrief
van 8 december 20251, waarin een herziene planning is opgenomen ten opzichte van de oorspronkelijke tijdlijn
zoals geschetst in november 20242. In die eerdere planning werd voorzien dat uiterlijk begin 2026 een ontwerpbesluit
zou worden voorgelegd en de consultatie zou starten. In de voortgangsbrief van december
2025 is deze termijn bijgesteld naar 2027.
De vertraging is het gevolg van twee onderdelen die meer tijd hebben gevraagd dan
vooraf was voorzien. Allereerst heeft het brede participatietraject een langere doorlooptijd
gekend. Het ophalen, wegen en verwerken van de inbreng van omwonenden, veehouderijen,
decentrale overheden en maatschappelijke organisaties bleek omvangrijker dan verwacht.
Dit traject heeft een helder beeld opgeleverd van de belangen, knelpunten en verwachtingen
van alle betrokkenen. De uitkomsten vormen een belangrijke inhoudelijke basis voor
de beleidsalternatieven die in de plan-MER worden onderzocht.
Daarnaast is het uitvoeren van een plan-MER bij beleidswijzigingen een relatief nieuw
proces. Bij de uitwerking bleek dat de verschillende stappen meer tijd vergen. Dit
proces kent formele stappen, met externe afhankelijkheden en doorlooptijden, waaronder
toetsing door de Commissie-mer. Hierdoor start de uitvoering van de plan-MER in 2026
in plaats van in 2025, zoals oorspronkelijk voorzien.
Voorop staat dat de aanpassing van de geurregelgeving zorgvuldig en toekomstbestendig
moet zijn. Het is van belang dat het nieuwe kader een evenwichtige afweging biedt
tussen de belangen van omwonenden en veehouders, rekening houdt met de uitvoerbaarheid
en bijdraagt aan een gezonde leefomgeving.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram