nr. 72
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 oktober 2007
In het voorjaar van 2007 heeft de heer Van Putten van AnMar Research Laboratories
een onderzoek gepubliceerd, waarin wordt gesteld dat gasmeters onnauwkeurig
meten en dat een standaard volumeherleidingsfout wordt gemaakt. Dat leidde
tot de vraag of de Nederlandse consument onredelijk wordt benadeeld. Zoals
toegezegd tijdens het vragenuurtje in uw Kamer van 2 april 2007, heb
ik DTe gevraagd hiernaar onderzoek te doen. Zoals nader toegelicht in mijn
antwoord van 10 augustus jl. op vragen van het lid Zijlstra (Aanhangsel
der Handelingen, vergaderjaar 2006–2007, nr. 2337) zal ik u in
twee fasen informeren over de resultaten van dit onderzoek. Bijgaand treft
u een tussenrapportage aan met voorlopige conclusies1. Daarbij wil ik benadrukken dat deze conclusies nog nader moeten worden
getoetst en dat pas begin 2008 vastgesteld kan worden of deze conclusies onveranderd
kunnen blijven. Ook een eindoordeel kan pas dan worden gegeven.
In het kader van bovengenoemde problematiek is een meettechnisch onderzoek
uitgevoerd door Kiwa Gas Technology en een leveranciersonderzoek door DTe.
Tussentijdse bevindingen meettechnisch onderzoek
Belangrijkste conclusies zijn:
1) dat de gastemperatuur door expansie, zoals verwacht, in sommige gevallen
kan afwijken van de standaard gehanteerde 7 graden correctiemethode;
2) dat de onnauwkeurigheid van balgengasmeters ruim binnen de ijkwettelijke
grenzen valt en kleiner is dan in het onderzoek van de heer Van Putten wordt
gesteld.
Een laboratoriumonderzoek heeft uitgewezen dat de gastemperatuur door
warmte-uitwisseling met de omgeving kan afwijken (van 1 tot 6%) van
de temperatuur zoals gehanteerd in de zevengradenmethode voor volumeherleiding.
Dit heeft vervolgens invloed op de hoeveelheid gemeten gas door de gasmeter
van een kleinverbruiker.
Dit komt overeen met de bevindingen van de heer Van Putten. De verschillen
zijn mede afhankelijk van de woonsituatie (bij hoogbouw is de afwijking groter
dan bij laagbouw). In de komende maanden wordt een veldonderzoek uitgevoerd,
waar deze effecten nader onderzocht en getoetst zullen worden. Op basis hiervan
kan DTe in haar definitieve rapportage uitspraken doen over de omvang van
de afwijking ten gevolge van gasexpansie.
Verder heeft onderzoek aangetoond dat balgengasmeters een bepaalde onnauwkeurigheid
hebben die echter ruim binnen de ijkwettelijke nauwkeurigheidsgrenzen valt.
De door Kiwa GasTec vastgestelde afwijkingsmarge is kleiner dan de heer Van
Putten in zijn onderzoek stelt.
Tussentijdse bevindingen leveranciersonderzoek
Belangrijkste conclusies zijn:
1) dat het huidige leveringstarief per kuub lager
wordt vastgesteld omdat de gevolgen van gasexpansie sinds de liberalisering
van de markt worden verdisconteerd in de prijzen. De brutomarge staat immers
onder druk van concurrentie;
2) de stelling dat de Nederlandse consument 350 miljoen euro per jaar
teveel betaalt, wordt daarmee vooralsnog verworpen.
Op grond van haar onderzoek onder leveranciers heeft DTe geconstateerd
dat vergunninghouders bekend zijn met gasexpansie. De zogenoemde «meetwinst»
die hierdoor ontstaat, ligt volgens vergunninghouders tussen de 1%
en 1,7%. Deze percentages zijn echter schattingen, gebaseerd op cijfers
van voor de liberalisering. DTe heeft vooralsnog geen inzicht in de exacte
omvang van de meetwinst en kan als zodanig deze percentages niet verifiëren.
In de komende maanden wordt nader onderzoek verricht hiernaar.
Bij het inkopen van gas kunnen vergunninghouders geen rekening houden
met gasexpansie. De meetwinst die ontstaat als gevolg van gasexpansie wordt
echter wel verdisconteerd in het leveringstarief (als onderdeel van de brutomarge).
Dit betekent dat het leveringstarief op een lager niveau wordt vastgesteld
dan wanneer geen sprake zou zijn van meetwinst.
DTe merkt hierover op dat dit ook voor de liberalisering gebruikelijk
was en dat er tot nu toe geen signalen zijn dat vergunninghouders hierdoor
een extra brutomarge zullen of hebben ontvangen.
Indien de zevengradenmethode voor volumeherleiding wordt aangepast zodat
herleiding nauwkeuriger geschiedt, zal de hoeveelheid gas waarvoor een kleinverbruiker
uiteindelijk dient te betalen, afnemen. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten
van een vergunninghouder teruglopen. Het is dan mede afhankelijk van concurrentie
of de vergunninghouder dit zal compenseren met hogere tarieven. Mede gezien
het feit dat de brutomarge zeer klein is en álle partijen met hetzelfde
effect worden geconfronteerd, is de kans volgens DTe groot dat er hogere leveringstarieven
zullen worden vastgesteld. DTe stelt in dat verband dat het voor de hand ligt
dat een aanpassing van de meetstandaard ook zal leiden tot een aanpassing
van het Vangnetmodel waarbij ruimte wordt geboden voor een hogere tariefstelling.
Het aanscherpen van de volumeherleiding kan daarmee voor afnemers die
op individueel niveau geconfronteerd worden met een hoge afwijking weliswaar
leiden tot het registreren van een lager verbruik, maar de kuubprijs van het
gas zal voor álle afnemers iets toenemen.
Mijn oordeel
De tussenrapportage bevestigt dat meetafwijkingen voorkomen. De metrologische
zogenoemde «miswijzing» is evenwel zeer beperkt en ruim binnen
de ijkwettelijke nauwkeurigheidsgrenzen. De omvang van de temperatuurgevoeligheid
wordt nader onderzocht in het veldonderzoek, waar door uw Kamer om is verzocht.
De tussenrapportage geeft ook aan, dat de stelling dat de Nederlandse
consument jaarlijks 350 miljoen teveel betaalt, vooralsnog moet worden verworpen
omdat er bij de vaststelling van de leveringstarieven rekening wordt gehouden
met meetwinsten.
Op grond van deze bevindingen heb ik geen aanleiding om al op dit moment
maatregelen te treffen. Ik wacht de resultaten van het veldonderzoek af om
te bezien of er maatregelen nodig zijn en of die generiek van aard moeten
zijn of gebonden aan specifieke, locale omstandigheden. Zoals eerder met u
besproken, kan de slimme meter een belangrijke rol spelen in de oplossing
van onnauwkeurige metingen. Ik wil daarbij echter eerst de omvang van de problematiek
helder hebben en in samenhang met de maatschappelijke kosten van mogelijke
maatregelen concrete voorstellen doen.
In het voorjaar van 2008 zal de NMa haar definitieve conclusies presenteren.
Tegen die tijd zullen wij ook met elkaar spreken over het wetsvoorstel waarmee
de slimme meter wordt geïntroduceerd.
De minister van Economische Zaken,
M. J. A. van der Hoeven