Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 29369 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 29369 nr. 5 |
Vastgesteld 12 januari 2004
De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 23 december 2003 overleg gevoerd met minister Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie over haar brief van 22 december 2003 inzake de gewijzigde motie van de leden Lambrechts en Van Fessem over de opvang door gemeenten van uitgeprocedeerde asielzoekers (29 369, nr 4).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer De Wit (SP) beschouwt het niet uitvoeren van de motie-Lambrechts/Van Fessem over de opvang door gemeenten van uitgeprocedeerde asielzoekers als een schoffering van de Kamer. De Kamer doet immers niet voor niets een uitspraak, na een uitvoerig debat. Bovenal is het niet uitvoeren van deze motie hardvochtig jegens de asielzoekers en onverstandig jegens de gemeenten. Gemeenten weigeren op dit moment medewerking aan de gedwongen uithuiszetting van uitgeprocedeerde asielzoekers, niet alleen met het oog op de grondwettelijke plicht van gemeenten om zorg te bieden aan mensen die zich op hun grondgebied bevinden, maar ook om te voorkomen dat mensen in de huidige weersomstandigheden op straat komen te staan en daar wellicht een gevaar voor de openbare orde gaan vormen doordat zij vervallen in criminaliteit.
In de brief van 22 december jl. kondigt de minister opnieuw aan dat er in de loop van januari a.s. een notitie over het terugkeerbeleid komt. De heer De Wit neemt aan dat daarin eindelijk duidelijkheid zal worden verschaft over de vraag hoe omgegaan moet worden met uitgeprocedeerde asielzoekers die niet terug willen, en met asielzoekers die wel terug willen, maar dat niet kunnen. Hoewel die notitie er nog niet is, wordt toch nu al medewerking van de gemeenten geëist omdat zij zich, aldus de minister, niet kunnen onttrekken aan de uitvoering van wet- en regelgeving. Verder blijkt er uit de brief van 22 december jl. geen greintje compassie met de grote humanitaire belangen die hier spelen, en wordt geen afweging gemaakt tussen enerzijds de zorgplicht van gemeenten en hun plicht tot handhaving van de openbare orde, en anderzijds de verplichting tot uitvoering van de Vreemdelingenwet.
De heer De Wit is er niet tegen dat uitgeprocedeerde asielzoekers die terug kunnen, ook daadwerkelijk terug gaan. Eventuele argumenten van asielzoekers om toch niet terug te willen, zullen wel eerst gewogen moeten worden, maar als die argumenten niet steekhoudend blijken te zijn, kan de overheid inderdaad besluiten om betrokkenen uit te zetten. Wel gelden hierbij voor hem enkele harde randvoorwaarden: gezinnen met kinderen mogen niet op straat komen te staan en er moet op een humane manier opvang geboden worden aan mensen die nog niet terug kunnen.
Al met al meent hij dat de motie alsnog moet worden uitgevoerd en dat van de minister de toezegging dient te komen dat de gemeenten geen strobreed in de weg zal worden gelegd, in afwachting van de bespreking door de Kamer van de aangekondigde notitie over het terugkeerbeleid.
De heer Van Fessem (CDA) herinnert eraan dat de minister in het recente Kamerdebat zelf een volgtijdelijkheid heeft genoemd: eerst procedures afwerken, vervolgens het uitzettingsbeleid in de Kamer bespreken en daarna aan de slag. Ook heeft de minister toen gezegd dat er nu geen duizenden asielzoekers zullen worden uitgezet en met de formulering van de motie wordt daarop ingespeeld. Daarnaast bevat de motie een ondersteuning van gemeenten en een oproep aan de minister om snel te komen met de koppeling van beëindiging van de opvang aan het uitzettingsbeleid en om in afwachting daarvan in klemmende en bijzondere gevallen niet tot uithuiszetting over te gaan. Al met al is de motie in feite een ondersteuning van de eigen woorden van de minister, en het is dan ook jammer dat zij de motie niet zo ziet. Hij dringt er opnieuw op aan dat in schrijnende en bijzondere gevallen mensen niet op straat worden gezet, totdat er een beleid is gepresenteerd.
De heer Van Fessem vraagt of nader kan worden aangegeven waarom de motie in strijd zou zijn met de Vreemdelingenwet. Wat wordt verder precies bedoeld met de zin in de brief over overleg met gemeenten om binnen de wettelijke kaders oplossingen te vinden voor problemen die zij in de praktijk ervaren? Gaat het hier om een benadering met het oog op de motie?
De heer Dijsselbloem (PvdA) vindt het buitengewoon bitter dat er vlak voor Kerstmis een debat moet worden gevoerd over het door de overheid op straat zetten van gezinnen met kinderen. Dat zegt iets over het soort samenleving dat in Nederland kennelijk aan het ontstaan is. De motie bevat maar een minimaal verzoek aan de minister, maar zelfs dat minimale verzoek legt het kabinet op een botte wijze naast zich neer. Dat is een ernstig politiek feit.
De PvdA-fractie heeft zich, gezien het succes van de recente Vreemdelingenwet en de onmenselijke traagheid van de procedures uit de oude wet, uitgesproken voor een ruimere pardonregeling, maar de coalitie wil daar niet aan. Daarmee creëert de coalitie zelf haar eigen probleem: duizenden mensen zullen worden uitgezet zonder een effectief terugkeerbeleid. Verder meent de PvdA-fractie dat het nieuwe beleid dient te zijn: óf direct uitzetten, met een verantwoordelijkheid voor de overheid om dat te effectueren, óf de opvang voorlopig handhaven en dus geen mensen meer op straat zetten. De fractie acht het op straat zetten van mensen ongewenst uit humanitair oogpunt en uit een oogpunt van volksgezondheid en openbare orde. In de derde plaats vindt de fractie dat het in de huidige situatie aan kerken, gemeenten, Leger des Heils en burgers die gezinnen in huis hebben genomen, moet worden toegestaan om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen.
Ook de heer Dijsselbloem vraagt in welk opzicht de motie in strijd zou zijn met de wet. Aan welke wetgeving onttrekken gemeenten zich nu volgens de minister? Is het ondersteunen van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen echt in strijd met de wet? Wat wil de minister in de komende dagen gaan doen? Wil zij opvanginstellingen laten sluiten en mensen uit kerken en huizen laten halen?
Hij vraagt vervolgens wat het doel is van het overleg dat de minister met de gemeenten blijft voeren. Is het niet beter om overleg met ambassades te voeren, omdat daar op dit moment het grootste knelpunt ligt?
Punt is volgens hem vooral dat de minister zelf schromelijk tekort schiet met het tijdig aan de Kamer voorleggen van haar voorstellen over de groep die zij niet in de pardon-regeling wil betrekken. Daarmee creëert de minister grotendeels zelf de problemen die zich nu in de praktijk voordoen. Ook hij dringt erop aan dat de motie alsnog wordt uitgevoerd en dat er tot de bespreking van de terugkeernotitie geen mensen worden uitgezet en de gemeenten in staat worden gesteld hun maatschappelijke plicht te vervullen.
Volgens de heer Visser (VVD) is er sprake van een unieke situatie: de minister schrijft in een brief de wet te zullen uitvoeren en de Kamer komt terug van reces.
De redenen waarom de VVD-fractie de motie niet heeft gesteund, komen terug in de brief van 22 december. Het gaat vooral om de passage dat gemeenten zich niet behoren te onttrekken aan de uitvoering van weten regelgeving die in overleg met het parlement op democratische wijze tot stand is gebracht. De Vreemdelingenwet voorziet ook in optreden door de overheid en controle door de rechter. Tijdens de interpellatie heeft de minister helder gezegd dat het lariekoek was dat er duizenden mensen op straat gezet zouden worden, maar in plaats van die geruststelling ter harte te nemen, stuurde de Kamer aan op een aantal moties.
Bij de bespreking van de Vreemdelingenrapportage in november jl. bleek al dat het aantal uitzettingen sterk was afgenomen. Als oorzaken daarvoor werden genoemd: de uitwerking van het voornemen uit het Hoofdlijnenakkoord om te komen tot een eenmalige regeling, de toezeggingen van de toenmalige minister Nawijn om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, en zijn belofte aan de Kamer om geen onomkeerbare stappen te zetten, een belofte die de huidige minister heeft herhaald. De Kamer wist dus dat er niet uitgezet zou worden totdat het nieuwe beleid met haar besproken was. Ook dat was voor de VVD-fractie een reden om niet voor de motie-Lambrechts/Van Fessem te stemmen.
Tenslotte stelt de heer Visser dat de Vreemdelingenwet consistent en consequent uitgevoerd dient te worden door rijk en gemeenten. Rijk en gemeenten moeten hierover met elkaar overleg plegen, maar dienen wel eendrachtig op te treden.
Mevrouw Lambrechts (D66) wijst eerst nog eens op de kern van de motie van haar hand en die van de heer Van Fessem: geen gezinnen met kinderen op straat zetten – en ook geen ouden van dagen en zieken, maar dat zou toch al niet gebeuren – en gemeenten de ruimte laten om opvang te blijven bieden, totdat de terugkeernotitie met de Kamer is besproken. Betekent nu de mededeling van de minister dat de motie niet wordt uitgevoerd, dat er de komende tijd tóch gezinnen met kinderen op straat worden gezet en ten opzichte van de gemeenten halsoverkop het instrument van bestuursdwang van stal wordt gehaald?
De stelling van de minister dat de motie niet kan worden uitgevoerd omdat die in strijd is met de wet, spreekt mevrouw Lambrechts in dit geval niet aan. Er wordt wel vaker tijdelijk iets in strijd met de wet gedoogd als dat een hoger doel dient, zoals is gebleken bij het recente debat over cocaïnesmokkel op Schiphol. Er wordt een morele grens overgegaan als nu niet wordt uitgesproken dat de motie wordt uitgevoerd en dus gezinnen met kinderen niet op straat gezet zullen worden.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) heeft er begrip voor dat de minister moeite heeft met de motie, want ook zij vindt dat de motie een verantwoordelijkheid legt op een plaats waar die niet hoort. Het is immers de minister die in laatste instantie heeft te beslissen over uithuiszettingen, niet de gemeenten. Toch heeft de ChristenUnie-fractie voor de motie gestemd omdat dit de enig haalbare weg was om het signaal te geven dat een meerderheid in de Kamer het er niet mee eens dat mensen, met name gezinnen met kinderen, zonder aanziens des persoons uit de opvang gezet worden en vervolgens op straat terechtkomen, omdat ze nergens anders heen kunnen. Het voorkomen van zulke wantoestanden is ook de verantwoordelijkheid van de minister.
Nu de minister zegt de motie niet te kunnen uitvoeren omdat die tegen de wet ingaat, is er de vraag wat de minister dan wél gaat doen om tegemoet te komen aan de wens van de Kamer. Een toezegging dat de minister geen uithuiszettingen zal initiëren totdat het terugkeer- en uitzettingsbeleid met de Kamer is besproken, lijkt mevrouw Huizinga een terechte manier om tegemoet te komen aan het signaal dat met de motie is gegeven.
De heer Nawijn (LPF) vindt dat moties die door de Kamer zijn aangenomen, behoren te worden uitgevoerd, ook als zijn fractie daar geen steun aan heeft gegeven. Een zichzelf respecterende Kamer moet daarom vasthouden aan uitvoering van de motie-Lambrechts/Van Fessem.
Ook de heer Nawijn vindt dat er geen gezinnen met kinderen of ouden van dagen op straat gezet moeten worden, maar zijn fractie heeft toch tegen de motie gestemd omdat het beleid volgens haar duidelijk genoeg is. De minister heeft immers de bevoegdheid om tegemoet te komen aan schrijnende gevallen onder de groep van 5000. Anderzijds zijn er ook mensen die het land uitgezet dienen te worden, maar ook dat is een zaak van de rijksoverheid, niet van de gemeenten. Volgens hem is het dan ook het beste om mensen die in de decentrale opvang zitten en het land moeten verlaten, over te brengen naar de centrale opvang. Dan hoeven er geen mensen meer op straat te worden gezet en kan vanuit de centrale opvang gewerkt worden aan uitzetting.
De heer Duyvendak (GroenLinks) stelt vast dat de minister met haar brief de Kamer heeft gebruuskeerd. Hij vindt dat ondemocratisch. Er is dan ook sprake van een ernstig politiek feit, vooral nu de minister in haar brief van 22 december geen andere informatie heeft gegeven dan tijdens het Kamerdebat al naar voren is gekomen. Verder worden gemeenten in een onmogelijke positie gebracht, want zij zouden nu met de Kerstdagen gezinnen met kinderen op straat moeten gaan zetten. Een alternatief is er op dit moment niet en omdat dit mede aan het onvermogen van de minister te wijten is, is het niet terecht om gemeenten in deze positie te brengen. Hij karakteriseert het beleid van de minister als kil, koud en hardvochtig ten opzichte van de asielzoekers, en autoritair ten opzichte van de Kamer en gemeenten.
Vandaag is er voor de Kamer een laatste kans om de onmenselijke consequenties voor de asielzoekers alsnog te keren. De Kamer zal er dan wel voor moeten zorgen dat de minister alsnog toezegt dat zij in klemmende en schrijnende gevallen geen uithuiszettingen zal bevorderen totdat het nieuwe beleid op tafel ligt.
De minister zegt eerst dat het absoluut niet haar bedoeling is om de Kamer te schofferen. Zij wil juist handelen in de geest van de motie. Zij kan niet tegen wet- en regelgeving ingaan en kan dan ook niet aan gemeentebesturen bevoegdheden geven die deze niet hebben, of toch opvang blijven geven aan uitgeprocedeerde asielzoekers. Ook kan het in een rechtsstaat niet zo zijn, zo is in de brief van 22 december aangegeven, dat gemeenten zich kunnen onttrekken aan wet- en regelgeving die in overleg met het parlement op democratische wijze tot stand is gebracht. Het gaat hier met name om artikel 45 van de Vreemdelingenwet dat bepaalt dat de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft als er een afwijzende beschikking is uitgegeven en die afwijzing is bevestigd door de rechter, en dat de vreemdeling dan verplicht is om het land te verlaten, zo nodig door middel van bestuursdwang. Met het oog op deze wetgeving is het kabinet niet in staat om de motie uit te voeren.
Vervolgens wijst zij erop dat zij druk doende is met het formuleren van nieuw beleid, in nauwe samenwerking met de gemeenten. Het tot nu toe gevoerde beleid waarbij een uitgeprocedeerde alleen uit de opvangvoorziening wordt gezet en vervolgens wordt aangemerkt als «teruggekeerd», wil zij vervangen door een beleid waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling intact blijft, maar de rijksoverheid meer faciliterend optreedt. Met dat nieuwe beleid wil zij ook zoveel mogelijk voorkomen dat mensen op straat worden gezet, juist omdat dit zoveel problemen in gemeenten veroorzaakt. Er is op grond van criteria voor de eenmalige regeling gekeken naar de zgn. 14.1-brieven en daarnaast heeft zij een inherente afwijkingsbevoegdheid voor schrijnende gevallen van mensen die in de procedure zitten, en een discretionaire bevoegdheid voor schrijnende gevallen van uitgeprocedeerden. Mensen die niet onder de eenmalige regeling vallen en die geen schrijnend geval zijn, behoren dus terug te keren. Half januari a.s. zal zij een rapportage over de eenmalige regeling aan de Kamer voorleggen, vergezeld van mogelijke oplossingsrichtingen om uitgeprocedeerden die in een gemeentelijke opvang verblijven, op een fatsoenlijke manier terug te laten keren. Op 5 januari a.s. vindt hierover ambtelijk overleg met de VNG plaats en op 9 januari a.s. zal zij zelf overleg voeren met de VNG en de vier grote steden. In dat geheel zal zij de motie van de Kamer uiteraard meenemen, nu daarin een richting wordt aangegeven die de Kamer in wil gaan.
Ten onrechte is in de media de suggestie gewekt dat al degenen die niet in aanmerking komen voor de eenmalige regeling en ook niet voor toepassing van de twee specifieke bevoegdheden, in één keer op straat gezet zouden worden. Naar aanleiding daarvan heeft de bewindsvrouwe in een eerder debat de term «lariekoek» gebruikt, want juist degenen die niet in aanmerking komen voor de eenmalige regeling, komen te vallen onder de nieuwe oplossingsrichtingen, zijnde zowel de richtingen die in de loop van januari bij de rapportage over de eenmalige regeling worden voorgelegd, als de richtingen die in de terugkeernotitie zijn genoemd.
Terugkerend naar de stelling van het kabinet dat het de motie niet kan uitvoeren, wijst zij er aanvullend op dat er inmiddels beleidslijnen en rechterlijke uitspraken zijn, gebaseerd op in het verleden democratisch tot stand gekomen wet- en regelgeving. Daarin zal zij nu geen nieuw beleid gaan voeren en ook niets extra's doen. In de praktijk zal dus helemaal geen grootschalige beëindiging van opvang plaatsvinden. Bovendien heeft het COA laten weten dat er rond de Kerstperiode door personeelsgebrek bij deurwaarders, advocaten, rechtbanken, IND, COA en politie weinig tot geen ontruimingen gepland en geëffectueerd kunnen worden. Zij kan niet voor 100% garanderen dat er helemaal geen ontruimingen zullen plaatsvinden, maar zij kan wel toezeggen dat er in ieder individueel geval éérst een zorgvuldige toetsing zal plaatsvinden van mogelijke medische of bijzondere humanitaire omstandigheden. Die toetsing vindt plaats onder haar verantwoordelijkheid en kan niet aan gemeenten worden overgelaten, want die hebben op dat punt geen bevoegdheden.
Al met al stelt zij zich voor om de vraag op welk moment medewerking van de gemeenten moet worden gevraagd, in wijsheid te beantwoorden, mede gelet op de motie-Lambrechts/Van Fessem. Er is enerzijds de formele kant, inhoudend dat democratisch tot stand gekomen wetten en regels dienen te worden nageleefd, maar anderzijds ook de kant van de praktijk die erop neerkomt dat veel gemeenten al tijdenlang niets doen. Zij heeft ook begrip voor de situatie waarin gemeenten verkeren, maar zij kan niet de wet- en regelgeving aan de kant zetten en een gegroeide praktijk gaan goedkeuren. Mede daarom heeft zij ook zo sterk ingezet op de formulering van een concreet terugkeerbeleid.
De heer De Wit (SP) onderkent dat de vreemdelingenwetgeving moet worden nageleefd, maar gemeenten hebben ook met andere wetten en regels te maken en in die situatie kiezen zij ervoor om niet tot uithuiszetting over te gaan, om te voorkomen dat mensen op straat komen te staan en wellicht tot criminaliteit vervallen. Hij vindt dat die keuze het kabinet zou moeten aanspreken, zeker nu het nieuwe beleid nog niet rond is en dus ook voor gemeenten nog niet duidelijk is wat zij geacht worden te doen.
Ook hij neemt aan dat er de komende tijd weinig zal gebeuren, maar op 5 januari gaat iedereen weer aan de slag. Hij vraagt de minister om vanaf die datum tot het moment dat de nieuwe plannen er zijn, de motie te respecteren en de gemeenten dus de vrijheid te laten om hun verantwoordelijkheid te nemen. Er is voor de minister alle ruimte om dat te doen, juist omdat zij zelf het nieuwe beleid nog moet formuleren.
De heer Van Fessem (CDA) heeft wel begrip voor de spagaat waar de minister in verkeert tussen enerzijds de onmogelijkheid om wet- en regelgeving helemaal opzij te zetten, en anderzijds de wens van de Kamer. De mededeling dat er voorlopig toch niets gebeurt omdat er te weinig personeel beschikbaar is, vindt hij wel wat mager. Dat is immers alleen maar een toevallige omstandigheid. Los daarvan gaat hij ervan uit dat de minister bij haar toetsing van individuele gevallen naar de wens van de Kamer zal handelen en dus de motie materieel zal effectueren.
De heer Dijsselbloem (PvdA) beklemtoont dat het niet gaat om een rechtsstatelijke discussie, maar om ingrijpende problemen waar kwetsbare mensen mee te maken kunnen krijgen. Ter illustratie noemt hij het voorbeeld van een vrouwelijke ama die 18 jaar werd en door de overheid op straat werd gezet, waarna ze is gaan zwerven en tot prostitutie is gedwongen. Ze bevindt zich nu in de maatschappelijke opvang van een stichting die wordt gesubsidieerd door de gemeente Utrecht, en volgens de minister moet nu juist die opvang worden gestaakt.
De reactie van de minister vindt hij onvoldoende. Er zijn weinig uithuiszettingen gepland, gezien de vakantieperiode, maar de minister geeft ook geen garanties. In feite zegt zij daarmee nog steeds dat zij de motie niet kan en wil uitvoeren.
De heer Visser (VVD) gaat ervan uit dat iedereen het eens zal zijn over het principe dat iemand die uitgeprocedeerd is, moet vertrekken uit Nederland. Het rijk kan dat vertrek faciliteren, maar er is ook een verantwoordelijkheid van de asielzoeker zelf. Verder is in de Vreemdelingenwet een duidelijke keuze gemaakt, namelijk dat opvang in Nederland niet oneindig kan zijn. De boodschap van de overheid zal dan ook moeten zijn: asiel in Nederland is in de praktijk voor een beperkte groep mensen beschikbaar, de opvang is eindig en degenen die geen verblijfsvergunning krijgen, moeten terugkeren.
Mevrouw Lambrechts (D66) kan nog niet volledig beoordelen of het antwoord van de minister voldoende is, al is het wel verheugend dat de minister nu heeft gezegd dat zij wil handelen in de geest van de motie. Het had overigens niet misstaan als dit in de brief van 22 december was vermeld. Mevrouw Lambrechts heeft er ook geen bezwaar tegen dat de minister zelf toetst of er klemmende en schrijnende gevallen zijn, maar nu er in feite sprake is van een soort interregnum omdat het terugkeerbeleid nog niet volledig is geformuleerd, zou er gedurende die periode toch de zekerheid moeten zijn dat er geen gezinnen met kinderen op straat worden gezet. Mevrouw Lambrechts vraagt daarom de toezegging dat deze toetsing plaatsvindt in de geest van de motie, totdat de notitie over het terugkeerbeleid is besproken met de Kamer.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) weet van een aantal gevallen waarin gezinnen met kinderen wél op straat zijn gezet en nergens heen kunnen. Eén geval betreft een gezin met zeven kinderen dat al het mogelijke heeft gedaan om terug te keren, maar dat bij de ambassade niet voor elkaar heeft gekregen. Dit gezin staat nu op straat, omdat de noodopvang van de gemeente is geëindigd. Zij heeft dan ook twijfels over de zorgvuldigheid van de ministeriële toetsing, in ieder geval in het verleden, en roept de minister dringend op die toetsing voortaan zodanig uit te voeren dat schrijnende gevallen niet op straat komen te staan. Overigens zijn gemeenten vrij om in dergelijke gevallen noodopvang te bieden, en blijven ze daarin ook vrij.
Verder betoogt zij dat er geen enkele wet is die de minister verbiedt om uithuiszettingen voorlopig op te schorten totdat het terugkeer- en uitzettingsbeleid vorm is gegeven en is besproken met de Kamer. In ieder geval vraagt zij de verzekering dat schrijnende gevallen niet uit huis gezet zullen worden, los van de vraag of daarvoor in de komende weken voldoende personeel bij het COA aanwezig is.
De heer Nawijn (LPF) vindt dat de minister er begin januari met de VNG uit moet komen, want op dit vlak moet een eenduidig beleid worden gevoerd door rijk en gemeenten. Daarna zal de notitie over het terugkeerbeleid worden afgerond en naar de Kamer gestuurd. Wat is er nu tegen om gedurende die korte periode tegemoet te komen aan de wens van de Kamer?
Ook de heer Duyvendak (GroenLinks) meent dat het niet gaat om de vraag of het beleid wordt uitgevoerd, maar wanneer dat gebeurt. Dat laatste punt wordt nu steeds meer de kern van de discussie: wordt het bepaald door de kerstvakanties van personeel van het COA en van deurwaarders, of door het moment dat in de motie is genoemd, namelijk het moment waarop het terugkeer- en uitzettingsbeleid met de Kamer is besproken? De minister heeft wel gezegd dat de individuele gevallen steeds door haar worden getoetst, maar gezien de gang van zaken in het verleden heeft de heer Duyvendak er weinig vertrouwen in dat er dan geen uithuiszettingen meer zullen plaatsvinden onder de groepen die in de motie worden genoemd.
De minister ziet het geven van meer vrijheid aan gemeenten om een afweging te maken, niet als een oplossing. Gemeenten hebben immers helemaal niet de bevoegdheid om een afweging te maken; dat is een zaak van het rijk. Bovendien zouden dan de gemeenten te maken krijgen met vele duizenden brieven.
Zij weerspreekt de stelling dat er sprake zou zijn van een interregnum. Er is nu staand beleid en dat beleid geldt totdat democratisch is besloten om op een ander beleid over te gaan. Gehoord de discussie is zij bereid om bij de toetsing ook gezinnen met kinderen steeds te laten vallen onder bijzondere humanitaire omstandigheden, tot het moment waarop de brief met het nieuwe beleid aan de Kamer wordt toegezonden.
De heer Duyvendak (GroenLinks) hoopt dat de minister nu bedoelt: totdat deze brief met de Kamer is besproken.
Mevrouw Lambrechts (D66) pleit ervoor dat de minister dit laatste stapje nu zet, zeker als de Kamer daar tegenover stelt dat ze de brief snel in bespreking zal nemen.
De minister kan met die afspraak uit de voeten.
Samenstelling:
Leden: Van de Camp (CDA), Klaas de Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GroenLinks), Rouvoet (ChristenUnie), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GroenLinks), Jan de Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Nawijn (LPF), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Van der Laan (D66) en Visser (VVD).
Plv. leden: Van Hijum (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer (SP), Arib (PvdA), Karimi (GroenLinks), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Hermans (LPF), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Lambrechts (D66) en Rijpstra (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29369-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.