Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29362 nr. AP |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29362 nr. AP |
Vastgesteld 19 mei 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over Stand van de uitvoering gemeenten. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 27 januari 2026.
• Een uitstelbericht van 17 maart 2026.
• De antwoordbrief van 15 mei 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman
Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Den Haag, 27 januari 2026
De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben kennisgenomen van de op 20 november 2025 verschenen Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025, Naar een betrouwbare overheid. De leden van de fracties van het CDA, GroenLinks-PvdA, D66, SP, PvdD, Volt en OPNL gezamenlijk en de leden van de BBB-fractie wensen u hierover enkele vragen te stellen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van het CDA, GroenLinks-PvdA, D66, SP, PvdD, Volt en OPNL
In de Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025 wordt aangegeven dat gemeenten nog altijd tegen veel knelpunten aanlopen. «Gemeenten kunnen niet werken aan structurele oplossingen, zolang de randvoorwaarden vanuit het rijk niet op orde zijn, denk aan consistent beleid en voldoende financiële middelen. Gemeenten worden hierdoor onvoldoende in staat gesteld om richting hun inwoners de betrouwbare overheid te zijn die zo broodnodig is. Deze nieuwe Stand draagt een duidelijke boodschap uit: zorg dat we ons werk kunnen doen. Op dit moment spint de naald van het kompas nog onrustig rond. Gemeenten moeten voorspelbaarheid, duidelijkheid en nabijheid kunnen bieden door met concrete oplossingen te komen. Pas dan zijn we samen een betrouwbare overheid.».
Deze leden vragen u allereerst op deze algemene inleiding te reflecteren.
Daarnaast hebben zij de volgende algemene vragen: deelt u de conclusie van de gemeenten dat de betrouwbaarheid van de overheid als geheel onder druk staat? Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken? Welk aandeel heeft de Rijksoverheid hierin volgens u? Deelt u de conclusie van gemeenten dat de randvoorwaarden vanuit de Rijksoverheid niet op orde zijn en dat gemeenten daardoor niet (altijd) in staat worden gesteld om een betrouwbare overheid richting hun inwoners te zijn? Welke randvoorwaarden zijn volgens u niet (voldoende) op orde? Graag ontvangen de leden een toelichting en onderbouwing op de bovenstaande vragen.
Deze leden vinden deze constateringen vanuit gemeenten zeer zorgelijk. Dit vraagt om een proactieve aanpak. Deelt u deze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is volgens u nodig om tot verbeteringen te komen?
De gemeenten benoemen «[z]es kansen om aan een betrouwbare overheid te werken». Herkent u deze zes kansen om de betrouwbaarheid van de overheid te vergroten? Graag ontvangen de leden een toelichting per benoemde kans. Zijn er volgens u, naast deze zes kansen, nog andere zaken nodig om de betrouwbaarheid van de overheid te vergroten? Zo ja welke?
Enkele noties lichten genoemde leden er uit. Meer en meer taken worden op het bord van de gemeenten geschoven terwijl de uitvoeringscapaciteit, mede veroorzaakt door te beperkte structurele middelen, beperkt is. Gepleit wordt daarom, na een brede maatschappelijke dialoog, te komen tot een gezamenlijk afwegingskader. Bent u bereid deze dialoog daadwerkelijk op te starten teneinde te komen tot een breed gedragen afwegingskader?
In het rapport wordt aangegeven dat, voor een toekomstbestendige aanpak, structurele, ontschotte financiering nodig is via een transparant gemeentefonds, passend bij het takenpakket, met voldoende beleidsvrijheid en duidelijke afspraken over risico’s. Hoe gaat u eraan bijdragen dat hier meer en meer aan wordt tegemoet gekomen?
Voor duurzame uitvoeringskracht is een transparant en evenwichtig gemeentefonds, meer beleidsvrijheid en heldere afspraken over taken en risico’s, cruciaal. Lopende initiatieven zoals de nieuwe bekostigingsvorm (BFU) en de interbestuurlijke studiegroep bieden kansen, mits deze voortvarend worden uitgewerkt. Hoe gaat u de Kamer meenemen in de voortgang ten aanzien van de BFU? En wanneer kunt u inzicht geven in de bevindingen van de interbestuurlijke studiegroep?
Wederom wijst de VNG op de knellende AVG die gegevensuitwisseling buitengewoon complex maakt. Middels convenanten, pilots en collectieve ICT-oplossingen wordt getracht dit het hoofd te bieden maar ambtenaren zien in toenemende mate door de bomen het bos niet meer. Dit levert in het bijzonder problemen op bij kleine gemeenten die veelal in samenwerkingsverbanden opereren die vervolgens weer met derden convenanten sluiten. Het risico bestaat dat de papieren werkelijkheid wezenlijk afwijkt van de praktijk. De VNG vraagt om landelijke ondersteuning, meer in het bijzonder om duidelijke juridische kaders, praktische richtlijnen en ruimte om te bouwen aan betrouwbare ketens. Hoe gaat u de gemeenten ook hierin tegemoetkomen?
De gemeenten geven aan dat de concurrentie met andere overheden en het bedrijfsleven én onvoorspelbare, tijdelijke financiering, het buitengewoon lastig maakt om personeel te werven, vast te houden en duurzaam op te leiden. Hierdoor komt de continuïteit en voorspelbaarheid van de uitvoering van de gemeenten serieus onder druk. Momenteel doet ook de NOS onderzoek naar de personeelstekorten. Gemeenten blijken steeds vaker afhankelijk van tijdelijke inhuur die buitengewoon kostbaar is en geen kennis opbouwt binnen de gemeente zelf. Wederom: stabiel beleid en structurele financiering vanuit het rijk zijn cruciaal. Wat kunt en gaat u doen om, in samenwerking met gemeenten, te voorkomen dat ambtenaren voor vergelijkbare taken bij andere (doorgaans grotere) gemeenten een hoger salaris krijgen waardoor ze aanhoudend gestimuleerd worden de overstap te maken. Vraagt dat inmiddels niet een heroverweging van het functiehuis. Hoe kijkt u hiernaar?
In het rapport staat dat door het structurele tekort aan politiecapaciteit steeds meer handhavingstaken verschuiven naar gemeenten. Boa’s houden zich inmiddels al lang niet meer alleen bezig met parkeren en overlast, maar ook met drank- en tabakswetgeving, kleine criminaliteit en toezicht in de openbare ruimte. Herkent u deze ontwikkeling en hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Landelijke duidelijkheid is nodig over wat tot de taken van de politie behoort en welke taken de boa’s zouden kunnen uitvoeren. Het ontbreken van duidelijke afspraken tussen politie en gemeenten bemoeilijkt momenteel de samenwerking. Bent u bereid dit met uw collega van Justitie en Veiligheid op te pakken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
In het rapport wordt erop gewezen dat beleid vanuit verschillende departementen tegenstrijdig kan zijn. Ook worden vaak verschillende beleidsdoelstellingen gehanteerd. Dit geldt zelfs voor beleid dat vanuit verschillende afdelingen binnen hetzelfde departement afkomstig is. In de gemeentelijke uitvoeringspraktijk ontstaat hierdoor regelmatig kortsluiting, omdat hier de verschillende opgaven en bijbehorende doelen samenkomen. Hoe gaat u, van wat ook wel het «moederdepartement» wordt genoemd, erop toezien dat tegenstrijdig beleid daadwerkelijk wordt voorkomen? Integraliteit is in dezen essentieel.
De Wet open overheid dient de transparantie maar leidt in de praktijk tot serieuze knelpunten. Bent u bereid de gemeenten meer ruimte te geven om, daar waar het publieke belang met het Woo-verzoek niet gediend wordt, maar privébelangen de overhand hebben, het verzoek gemotiveerd af te wijzen en/of ondersteuningsteams beschikbaar te stellen die gemeenten kunnen ondersteunen bij het voldoen aan een omvangrijk verzoek?
Ook de Omgevingswet vraagt in de praktijk veel van de gemeenten. Gepleit wordt daarom voor meer ondersteuning, doorontwikkeling van het DSO en werkbare handvatten om de wet beter uitvoerbaar te maken. Bent u bereid hieraan gehoor te geven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB
Bent u bereid om die wirwar aan tijdelijke SPUK-potjes eindelijk te vervangen door structureel en ontschot geld in het gemeentefonds, zodat gemeenten in de regio gewoon hun eigen broek kunnen ophouden?
Bent u het ermee eens dat de huidige stapeling van wetten en regels zorgt voor een enorme werkdruk voor gemeenten, hoe gaat u ervoor zorgen dat de uitvoering meer ruimte krijgt om weer met de menselijke maat en gezond verstand maatwerk te leveren? Wat doet u om de kleine gemeenten te helpen hun capaciteitsproblemen op te lossen?
Bent u het met de BBB-fractieleden eens dat de verplichte opvang van statushouders en de spreidingswet ervoor zorgen dat plattelandsgemeenten er steeds meer uitdagingen bijkrijgen?
Waarom laat u toe dat er een «sluipende decentralisatie» plaatsvindt waarbij boa’s steeds vaker politietaken moeten opvangen zonder dat zij daarvoor de juiste bevoegdheden of middelen krijgen vanuit Den Haag?
Bent u bereid om het rendementsdenken (deels) los te laten, zodat de dorpsschool, de buslijn en het buurthuis in plattelandsgemeenten niet langer worden beoordeeld op basis van cijfers maar op basis van hun belang voor de leefbaarheid van het platteland? Graag ontvangen de leden een toelichting.
Hoe kan het dat kansrijke lokale energieoplossingen, zoals bijvoorbeeld mestvergisters in Noard-east-Fryslân, vastlopen op stikstofregels tijdens de bouw, terwijl ze juist bijdragen aan een betaalbare energierekening voor onze burgers? Wat doet u om lokaal maatwerk mogelijk te maken? Graag ontvangen de leden een toelichting.
Bent u bereid om de financiële tekorten voor 2028 (het volgende zogenaamde «ravijnjaar») nu echt structureel op te lossen, zodat gemeenten niet hoeven te snijden in de bibliotheek of het groenonderhoud?
De commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 maart 2026
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, SP, PvdD, Volt, OPNL en BBB van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben op 27 januari vragen gesteld naar aanleiding van de in november 2025 verschenen Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025. Deze vragen kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord vanwege de noodzakelijke betrokkenheid van meerdere departementen bij de beantwoording.
U kunt onze reactie op de vragen van uw Kamer voor 15 april verwachten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 mei 2026
De leden van de fracties van het CDA, GroenLinks-PvdA, D66, SP, PvdD, Volt, OPNL en BBB van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben vragen gesteld naar aanleiding van de publicatie van de Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025. Ik dank deze leden voor hun inbreng. In deze brief herhaal ik uw vragen en leest u (schuingedrukt) mijn reactie op deze vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van het CDA, GroenLinks-PvdA, D66, SP, PvdD, Volt en OPNL gezamenlijk.
Allereerst vragen de leden mij om een reflectie op de algemene inleiding van de Stand van de Uitvoering 2025 (hierna de Stand).
In de inleiding van de Stand wordt het Rijk opgeroepen om meer richting en duidelijkheid te geven op grote maatschappelijke opgaven, zoals netcongestie of de stikstofproblematiek, en om op andere opgaven gemeenten juist meer de ruimte te geven om eigen afwegingen te maken. Deze oproep geeft in mijn ogen goed weer dat er in een decentrale eenheidsstaat continu gezocht wordt naar een goede balans tussen wat er centraal en decentraal wordt geregeld. En het geeft weer dat het meestal geen kwestie is van taakverdeling (ik doe dit, jij doet dat), maar dat samenwerking tussen overheden op dezelfde taak of opgave vaak nodig is om tot resultaat te komen. Samenwerking is complexer dan het eenmalig verdelen van taken en bevoegdheden en vraagt om een goede samenwerkingsrelatie. De continue zoektocht naar balans die in mijn ogen inherent is aan een decentrale eenheidsstaat zorgt voor een «gezonde, functionele spanning» in de interbestuurlijke relaties. Dat wil zeggen dat we deze spanning juist moeten opzoeken om tot een optimale balans in de interbestuurlijke verhoudingen te komen. Het is mijn rol om deze spanning waar nodig bespreekbaar te maken en «gezond» te houden. Ik wil de inleiding van de Stand graag in dit perspectief plaatsen, zonder hiermee de geschetste problematiek te bagatelliseren.
In dit kader valt mij op dat de Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025 (hierna «de Stand») een breder beeld geeft van factoren die meespelen bij problemen in de uitvoering dan de inleiding waarop u mij vraagt te reflecteren doet voorkomen. In de inleiding ligt namelijk sterk de focus op de randvoorwaarden die het Rijk gemeenten moet bieden, zoals consistent beleid en voldoende financiële middelen. Dit is uiteraard belangrijk en hierin valt het nodige te verbeteren. De nadruk op randvoorwaarden vanuit het Rijk en hierbinnen de focus op financiële middelen heeft de relatie tussen Rijk en gemeenten in mijn ogen echter te lang in de greep gehouden. In de afgelopen jaren is hard gewerkt om als Rijk en medeoverheden in een ander soort gesprek te komen. Een constructief gesprek vanuit een meer gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke opgaven, gericht op een goede balans tussen ambities, taken, bevoegdheden, middelen en uitvoeringskracht van decentrale overheden. In de komende periode zal ik – samen met collega bewindspersonen – verder vorm en inhoud geven aan dit gesprek via het Overhedenoverleg en een gezamenlijke werkagenda met medeoverheden. Voor deze werkagenda zullen wij en naar ik aanneem ook de VNG, zeker putten uit inzichten van de Stand. De Stand biedt namelijk een genuanceerd beeld van problemen in de uitvoering en de rol van verschillende overheden in het oplossen van deze problemen.
In de laatste alinea van de inleiding van de Stand wordt gesteld dat de oplossing voor uitvoeringsproblemen op verschillende tafels ligt en dat Rijk en gemeenten elkaar nodig hebben om een betrouwbare overheid te zijn voor inwoners. En dat het hiervoor nodig is om het perspectief van de gemeentelijke uitvoering en het inwonersperspectief als startpunt te nemen bij het maken van (Rijks)beleid. Hier schaar ik mij volledig achter. De inleiding eindigt met de wens om «de voetreis naar hernieuwd vertrouwen gezamenlijk af te leggen». Die wens deel ik van harte en ik ben ook van mening dat we de eerste stappen van deze reis al in gezamenlijkheid hebben gezet. Dit gaat misschien niet stap voor stap, maar soms ook drie stappen vooruit en twee terug. De kunst is dat we na twee stappen achteruit te hebben gemaakt blijven inzien dat we samen vooruitkomen.
Daarnaast vragen de leden of ik de conclusie deel dat de betrouwbaarheid van de overheid als geheel onder druk staat, wat hiervan de oorzaken zijn en welk aandeel de Rijksoverheid hierin heeft. Ook vragen de leden of ik de conclusie deel dat de randvoorwaarden vanuit de Rijksoverheid niet op orde zijn, welke dit zijn, of ik de zorgen van de leden hierover deel en wat er nodig is om tot verbeteringen te komen.
De conclusie in de Stand dat de randvoorwaarden vanuit de Rijksoverheid niet altijd op orde zijn en gemeenten hierdoor niet altijd in staat worden gesteld om een betrouwbare overheid te zijn deel ik. De betrouwbaarheid van de overheid als geheel kan hierdoor inderdaad onder druk komen te staan, al is het goed om te benadrukken dat er gelukkig ook veel goed gaat in het openbaar bestuur. Ik constateer dat er op een aantal gedecentraliseerde taken een disbalans is ontstaan in de bestuurlijk-financiële verhoudingen, waardoor de uitvoerbaarheid van deze taken onder druk staat. Soms ervaren gemeenten te weinig beleids- en bestedingsvrijheid om goed te kunnen sturen of vindt er zijsturing plaats vanuit het Rijk op taken die onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen. Dit hebben we bijvoorbeeld geconstateerd in de Jeugdzorg en taken die onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen. Maar we zien ook dat gemeenten soms te weinig middelen hebben om taken uit te voeren of soms over te weinig uitvoeringskracht beschikken om de ambities vanuit het Rijk waar te maken.
Ook zie ik dat het Rijk niet altijd tijdig voldoende meeweegt of beleid goed uitvoerbaar is voor medeoverheden. Dat heeft deels met de kwaliteit van beleidsprocessen te maken, maar ook met het feit dat beleid de uitkomst is van een politiek proces. Het perspectief van uitvoerbaarheid voor decentrale overheden verdwijnt begrijpelijkerwijs soms uit beeld bij zoeken van politieke compromissen op landelijk niveau. Tegelijkertijd zien we dat grote maatschappelijke opgaven steeds vaker om lokale oplossingen vragen en het dus steeds belangrijker wordt dat het lokale perspectief van problematiek en kansen het landelijke beleid (mede) bepaalt.
In 2023 is daarom de Actieagenda Goed Bestuur gelanceerd, die vanaf 2025 onder de naam Actieagenda Sterk Bestuur is voortgezet. Deze agenda is erop gericht om de uitvoerbaarheid van beleid te vergroten, de geconstateerde disbalans op een aantal taken te herstellen, scherper te beoordelen welke overheid een taak het beste uit kan voeren en de samenwerking tussen overheden te versterken met de maatschappelijke opgaven als gezamenlijk uitgangspunt. In 2024 en 2025 zijn er over de voortgang van de actieagenda voortgangsbrieven aan het parlement gestuurd. Ook voor een uitgebreidere probleemanalyse van wat we zien gebeuren in de interbestuurlijke verhoudingen verwijs ik u graag naar deze brieven2.
Genoemde leden vragen of ik de zes kansen om de betrouwbaarheid van de overheid te vergroten die worden genoemd in de Stand herken en of ik een toelichting kan geven per benoemde kans. Daarnaast vragen zij of er, naast deze zes kansen, nog andere zaken nodig zijn om de betrouwbaarheid van de overheid te vergroten.
De zes thema’s die in de Stand centraal staan zijn herkenbaar, evenals de constatering van de VNG dat het onverminderd belangrijk is om te blijven werken aan het oplossen van knelpunten binnen deze thema’s.
Het eerste thema uit de Stand is «Kiezen in Schaarste». Ik deel het belang van een continue dialoog over wat de samenleving van de overheid mag verwachten. De overheid kan niet alles oplossen of compenseren en daar moeten we duidelijk over zijn. Om hierover richting inwoners eenduidig te communiceren als één overheid moet het allereerst tussen overheden helder zijn wie welke taak op zich kan nemen en of er voldoende capaciteit is om beleid uit te voeren. De burger heeft niets aan een overheid die niet doet wat zij belooft. Ik deel dan ook de roep om een helder en gezamenlijk afwegingskader om te bepalen welke taak bij welke bestuurslaag belegd kan worden. Dit beleidskader is inmiddels ontwikkeld en zal ik voor het zomerreces aan de Tweede Kamer aanbieden. Het kader helpt bij het verdelen van taken tussen overheden, maar moet samen met de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) ook een breder interbestuurlijk gesprek op gang brengen, bijvoorbeeld over uitvoerbaarheid en het effect van de stapeling van taken bij medeoverheden.
Ook het belang van structureel en consistent beleid (thema 2) onderstreep ik, evenals het belang van uitvoerbare wet- en regelgeving (thema 3). In de Stand worden verschillende voorbeelden aangehaald die het belang van structureel en consistent beleid illustreren. Gemeenten willen problemen integraal aanpakken, maar verkokerd Rijksbeleid bemoeilijkt dit. Dit onderstreept voortzetting van de aanpak die is gekozen binnen de Actieagenda Sterk Bestuur. Beleid, wet- en regelgeving moeten ontworpen worden vanuit het perspectief van de uitvoeringspraktijk. Dat betekent dat ook het Rijk integraler moet werken en meer oog moet hebben voor de uitvoerbaarheid van beleid en toepasbaarheid van regelgeving voor medeoverheden. Ik zet daarom in op de Rijksbrede inzet van het Beleidskompas en meer specifiek de UDO om bij de start van de ontwikkeling van beleid of regelgeving samen met medeoverheden en uitvoeringsinstanties na te denken over een voor hen uitvoerbare wijze van realiseren van de beoogde maatschappelijke effecten. Het is van groot belang dat de filosofie van de UDO onderdeel wordt van de cultuur en werkwijze van het Rijk.
Daarnaast blijf ik binnen de actieagenda inzetten op een opgavegerichte werkwijze vanuit BZK. Op belangrijke maatschappelijke opgaven wil ik actief meedenken over de bestuurlijke samenwerking die ervoor nodig is om deze opgaven verder te helpen. Hierbij let ik nadrukkelijk ook op de stapeling van beleidsdoelen en wet- en regelgeving die bij medeoverheden terechtkomt. Is deze stapeling nog uitvoerbaar? Zijn de verschillende doelen die het Rijk stelt en de regelgeving die hieraan vastzit in de uitvoeringspraktijk van medeoverheden verenigbaar of levert dit tegenstrijdigheden op? Is nieuw beleid uitvoerbaar voor alle gemeenten, groot en kleiner? Is er voldoende aandacht bij nieuw beleid voor regionale verschillen? Ten slotte zet ik vol in op een gezamenlijke werkagenda met de medeoverheden waarbinnen we belangrijke opgaven gezamenlijk benoemen en verder brengen en waar nodig ook tijdens de rit het gesprek met elkaar aangaan. Het Overhedenoverleg van Kabinet en medeoverheden is hierbij een belangrijk gremium om elkaar vast te houden en aan te spreken.
Ingaand op thema 4 (slim sturen met geld) kan ik beamen dat een slagvaardige overheid is gebaat bij meerjarige en betrouwbare afspraken over de aanpak van opgaven, de benodigde middelen en verdeling van verantwoordelijkheden. Dit biedt duidelijkheid en stabiliteit, zodat iedere bestuurslaag zijn rol goed kan vervullen. In de afgelopen periode heeft het kabinet, in samenspraak met de (koepels van) medeoverheden, stappen gezet om de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te verbeteren. Op diverse terreinen zijn reeds afspraken gemaakt en ik bewaak mede dat deze afspraken nagekomen worden. Bij de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025–2027 cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Daarnaast is er bij de Miljoenennota 2026 een bedrag van 728 miljoen euro aan het Gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden aanvullende maatregelen door het Rijk samen met gemeenten uitgewerkt. Als het gaat om de Wmo is er voor gemeenten, in afwachting van verdere uitwerking van financiële arrangementen, voor de Wmo bij de Voorjaarsnota 2024 een reeks van jaarlijks 75 miljoen euro, oplopend naar 300 miljoen euro in 2029, gereserveerd voor aanvullende indexatie voor demografie/vergrijzing. Het kabinet heeft hier bij Voorjaarsnota 2025 voor 2030 een extra tranche van 75 miljoen euro aan toegevoegd. Voor 2030 is daarmee nu 375 miljoen euro gereserveerd, structureel. Verder loopt er nader onderzoek naar de balans in de uitvoering van taken door medeoverheden op de domeinen OV, natuur en infrastructuur.
Er is nu sprake van een werkbare financiële situatie voor gemeenten, wat een belangrijke stap is in het versterken van de samenwerking tussen rijk en gemeenten. Het kabinet blijft de komende periode in gesprek met de koepels over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarnaast wordt voor het zomerreces de wijziging van de Financiële-verhoudingswet aan de Tweede Kamer aangeboden. Hiermee levert het kabinet een bijdrage aan een beter passende bekostigingssystematiek en vermindering van het aantal specifieke uitkeringen, door inzet van de Bijzondere Fondsuitkering (BFU). Dit leidt mede tot minder administratieve en controlelasten en vergroting van de beleidsvrijheid voor medeoverheden.
Een belangrijk onderdeel van uitvoerbaarheid is ook dat het Rijk meer rekenschap moet geven van de positie van gemeenten in (uitvoerings)ketens (thema 5). Regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van aanbesteding en gegevensuitwisseling, moet gemeenten voldoende in staat stellen om hun rol binnen samenwerkingsketens goed op te pakken. Hier valt zeker nog het nodige in te verbeteren. Daar waar mij bekend en nodig krijgt dit aandacht. Ik nodig gemeenten uit ondervonden problemen in de uitvoeringspraktijk te blijven agenderen.
Tenslotte herken ik de personele uitdaging die wordt geschetst (thema 6) door gemeenten. De krappe arbeidsmarkt zorgt ervoor dat gemeenten moeilijk (goed gekwalificeerd) personeel aan kunnen trekken. Dit is ook een factor als het gaat om uitvoerbaarheid van beleid. Beschikken gemeenten (klein en groot) over voldoende slagkracht en expertise om taken uit te kunnen voeren? En wanneer we als Rijk taken bij gemeenten beleggen: zorgen we dan ook voor voorspelbare financiering, zodat gemeenten voor langer tijd personeel aan zich kunnen binden? Deze aspecten vormen nadrukkelijk onderdeel van de UDO.
De leden vragen of ik bereid ben om te komen tot een breed gedragen afwegingskader voor de verdeling van taken tussen Rijk en medeoverheden.
Hier geef ik invulling aan door de ontwikkeling van het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur. Dit beleidskader is in samenspraak met decentrale overheden ontwikkeld en bied ik naar verwachting voor het zomerreces aan de Tweede Kamer aan.
De leden vragen mij hoe ik meer tegemoet kan komen aan de wens om meer structurele, ontschotte financiering via een transparant gemeentefonds, passend bij het takenpakket van gemeenten, met voldoende beleidsvrijheid en duidelijke afspraken over risico’s.
Bij het antwoord op de vraag om een toelichting te geven op de zes kansen die in de Stand worden geschetst ben ik uitgebreid op deze vraag ingegaan, ik verwijs u graag naar dit antwoord.
De leden vragen hoe ik de Kamer mee ga nemen in de voortgang van de Bijzondere fondsuitkering (BFU).
De introductie van de BFU is onderdeel van het wetsvoorstel van Wijziging van de Financiële-verhoudingswet. De BFU is onderdeel van het Gemeente- of Provinciefonds en is hiermee beleids- en bestedingsvrij. Bij de BFU is het mogelijk om bestuurlijke afspraken te maken en kwantitatieve informatie op te vragen. De BFU is hiermee een goed alternatief voor de specifieke uitkering. Het wetsvoorstel ligt op dit moment ter advisering bij de Raad van State. Het streven is het wetsvoorstel na advies van de Raad van State in te dienen bij de Tweede Kamer. Jaarlijks wordt via het «Integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies» beide Kamers geïnformeerd over de ontwikkeling rondom het beperken van het aantal specifieke uitkeringen en het gebruik van de BFU. Binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet zal er een evaluatie plaatsvinden over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wet en de werking van de BFU in de praktijk.
De leden vragen wanneer ik inzicht kan geven in de bevindingen van de studiegroep interbestuurlijke verhoudingen?
Op 28 november 2025 is het rapport «Samen bouwen aan resultaten – Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen» van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen aan de Tweede Kamer aangeboden3 en gepubliceerd op Rijksoverheid.nl. In het coalitieakkoord is opgenomen dat dit Kabinet uitvoering geeft aan de bouwstenen en adviezen uit dit rapport.
De leden geven aan dat de VNG in de Stand wijst op de «knellende AVG die gegevensuitwisseling buitengewoon complex maakt» en vraagt om landelijke ondersteuning, duidelijke juridische kaders, praktische richtlijnen en ruimte om te bouwen aan betrouwbare ketens. Zij vragen hoe ik gemeenten hierin tegemoet kan komen.
In maart 2025 hebben de Minister van SZW en de Staatssecretaris van BZK de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het oplossen van een aantal knelpunten in gegevensdeling4. Het is van belang te benadrukken dat wet- en regelgeving niet de enige factor is waardoor gegevensuitwisseling niet tot stand kan komen. De Centrale Commissie Gegevensgebruik die tot doel heeft om sectoroverstijgend grondoorzaken weg te nemen, heeft de knelpunten bij gegevensdeling gecategoriseerd in een aantal terugkomende thema’s: juridisch, datakwaliteit, organisatie, kennis & governance en cultureel. Een samenhangende aanpak op al deze thema’s is van belang.
Er kunnen goede redenen zijn om gegevens niet te delen. Tegelijkertijd zijn er (ervaren) belemmeringen voor gemeenten om in positie te komen en die goede dienstverlening aan inwoners in de weg staan. In het kader van mijn procesregierol in de aanpak van verward en onbegrepen gedrag heb ik besloten een verkenning uit te voeren naar mogelijkheden om gegevensdeling, o.a. door zorg- en hulpverleners, met gemeenten te bevorderen. Teneinde hen beter in staat te stellen verantwoordelijkheid te nemen. In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie opgenomen dat er overstijgend één werkwijze komt voor het ophalen en duiden van knelpunten en één aanpak om deze weg te nemen. Vanuit BZK worden gemeenten ondersteund bij de toepassing van de AVG. Een voorbeeld hiervan is de «Handreiking voor gemeenten voor online onderzoek bij het handhaven van de openbare orde».
De leden vragen wat ik kan doen om, in samenwerking met gemeenten, te voorkomen dat gemeenteambtenaren voor vergelijkbare taken bij andere (doorgaans grotere) gemeenten een hoger salaris krijgen waardoor ze aanhoudend gestimuleerd worden van baan te wisselen en of dit vraagt om een heroverweging van het functiehuis van gemeenteambtenaren.
Het functiehuis van gemeenteambtenaren wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente. Gemeenten gaan hier dus zelf over en maken hier gezamenlijk afspraken over binnen de VNG. Die afspraken landen in de Cao-gemeenten. Wel herken ik de problematiek die in de Stand wordt geschetst. Alle gemeenten hebben moeite om goed gekwalificeerd personeel aan te trekken en vast te houden, maar kleine gemeenten in het bijzonder. Het klopt dat ambtenaren in een kleine gemeente over het algemeen minder kunnen verdienen dan ambtenaren in een grote gemeente. Dat komt omdat de inschaling van gemeenteambtenaren vaak samenhangt met het salaris van de burgemeester en dat salaris weer gebaseerd is op het inwoneraantal van een gemeente. Dit is overigens geen koppeling die is vastgelegd in wet- en regelgeving, maar veel gemeenten vinden het niet passend als hogere ambtenaren van de gemeente meer verdienen dan de burgemeester. Het is aan gemeenten zelf om met elkaar afspraken te maken over personele zaken, bijvoorbeeld om concurrentie tegen te gaan. Veel gemeenten werken dan ook op regionaal niveau samen om personeel aan te trekken, vast te houden en uit te wisselen.
De leden refereren aan de ontwikkeling die in de Stand wordt beschreven dat door structurele tekort aan politiecapaciteit steeds meer handhavingstaken verschuiven naar Boa’s die in dienst zijn van gemeenten. Volgens de Stand is er landelijke duidelijkheid nodig over wat tot de taken van de politie behoort en welke taken de boa’s zouden kunnen uitvoeren en bemoeilijkt het ontbreken van duidelijke afspraken tussen politie en gemeenten momenteel de samenwerking. Zij vragen of ik deze ontwikkeling herken en hoe ik deze beoordeel. Daarnaast vragen zij of ik bereid ben om in overleg met mijn collega van Justitie en Veiligheid hier iets aan te doen en de Kamer over de uitkomsten te informeren.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft in oktober 2025 een brief5 verzonden aan de Tweede Kamer over de buitengewoon opsporingsambtenaar. Uit een breed opgehaalde probleemanalyse is voortgekomen dat er behoefte bestaat aan een duidelijke beschrijving van de taak van de boa, nu de boa in voorafgaande jaren een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Deze doorontwikkeling heeft stapsgewijs en niet altijd expliciet plaatsgevonden. Dit komt overeen met de aangehaalde conclusie uit het rapport en ik herken de genoemde ontwikkeling dus als zodanig. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft (na overleg met o.a. gemeenten) de beschrijving van de taak van de boa (uit het nieuw te vormen domein openbare ruimte) als volgt omschreven:
«De boa is een volwaardige partner, met een eigen taak binnen de politiefunctie in de maatschappij. Het werk van de boa richt zich op het leefbaar en veilig houden van de leefomgeving voor de burger. Leefbaar en veilig wordt gedefinieerd als de mate waarin de fysieke en sociale omgeving als schoon, heel, rustig en veilig wordt ervaren. Dat doet de boa door preventief optreden, het handhaven van de zogenoemde kleine norm en specifieke wet- en regelgeving. De boa weet goed wat er op zijn werkterrein en in zijn werkgebied speelt en is een benaderbaar aanspreekpunt voor de burger en ondernemers.»
Daarbij is aangegeven dat de boa- en politietaak zo veel als mogelijk complementair zijn aan elkaar. In de afbakening blijft echter het uitgangspunt gelden dat de boa zich niet mengt of terugtrekt uit situaties met een grote gevaarzetting. Het blijft aan de werkgevers van de boa, in casu de gemeenten, om te beslissen over de daadwerkelijke inzet van boa’s. Hierdoor is voldoende ruimte voor maatwerk en lokale afspraken, onder meer met de politie.
Ik ga er van uit, dat de vraag hiermee voldoende is beantwoord.
De leden vragen mij hoe ik erop toe ga zien dat tegenstrijdig beleid daadwerkelijk wordt voorkomen en er meer integraal wordt gewerkt?
In aanvulling op mijn toelichting hierboven op de zes kansen uit de Stand, wil ik benadrukken dat in principe elke bewindspersoon de kwaliteit bewaakt van beleid en regelgeving dat onder zijn of haar verantwoordelijkheid wordt gemaakt. Daar hoort nadrukkelijk bij dat beleid en regelgeving niet tegenstrijdig moet zijn met ander beleid of regelgeving vanuit het Rijk, de integraliteit geborgd is en beleid ook uitvoerbaar is. Bij het maken van beleid en wetten zijn hiervoor verschillende mechanismen ingebouwd zoals wetgevingstoetsen of het beleidskompas (de centrale werkwijze binnen het Rijk voor het maken van beleid en regelgeving). Naast de verantwoordelijkheid van individuele bewindspersonen is de ministerraad als geheel ook verantwoordelijk voor de kwaliteit van beleid. Ten slotte vervul ik een coördinerende en toetsende rol als het gaat om beleid dat decentrale overheden raakt. Ik doe dit bijvoorbeeld doormiddel van het instrument van de UDO. In het proces van de UDO worden medeoverheden vroegtijdig betrokken bij het maken van regelgeving en beleid dat hen raakt om tegenstrijdig beleid of uitvoerbaarheidsproblemen zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast heb ik zeer regelmatig contact met (de koepels van) medeoverheden en nodig hen nadrukkelijk uit signalen van tegenstrijdig, ineffectief of onuitvoerbaar beleid te signaleren en bij de betreffende bewindspersoon aan de orde te stellen.
De leden vragen of ik bereid ben de gemeenten meer ruimte te geven om, daar waar het publieke belang met het Woo-verzoek niet gediend wordt, maar privébelangen de overhand hebben, het verzoek gemotiveerd af te wijzen en/of ondersteuningsteams beschikbaar te stellen die gemeenten kunnen ondersteunen bij het voldoen aan een omvangrijk verzoek.
Het openbaar maken van overheidsinformatie is een primaire taak van ieder bestuursorgaan. Op grond van de Woo heeft een ieder recht op publieke informatie. Dit betekent dat iedereen Woo-verzoeken mag indienen. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat een verzoeker geen belang hoeft te stellen. De Woo kent verschillende waarborgen. Zo kan het feit dat verzoekers recht hebben op toegang tot informatie en bij hun verzoek geen belang hoeven te stellen, aanleiding geven tot misbruik van het recht op het indienen van een Woo-verzoek. Bijvoorbeeld wanneer een burger een conflict heeft met een bestuursorgaan en vervolgens een grote hoeveelheid verzoeken indient, gericht op het verstoren van het functioneren van het bestuursorgaan. Om die reden is een antimisbruikbepaling opgenomen in de Woo die ingezet kan worden wanneer sprake is van een verzoek dat een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. De handreiking «ZO! ga je om met de antimisbruikbepaling» geeft aanknopingspunten, handvatten en bouwstenen voor het toepassen van die bepaling. Uiteindelijk zijn gemeenten en andere overheidsorganisaties zelf verantwoordelijk om de Woo op een juiste manier binnen de kaders van de wet uit te voeren. Het kabinet ziet dat gemeenten en andere overheidsorganisaties in praktijk te maken kunnen hebben met knelpunten bij de uitvoering van de Woo. Dit jaar wordt de Woo geëvalueerd. Op basis van de uitkomsten van deze wetsevaluatie kunnen nadere maatregelen worden genomen om de uitvoerbaarheid van de Woo te verbeteren en knelpunten in de praktijk op te lossen.
De leden vragen of ik bereid ben om gehoor te geven aan de oproep uit de Stand om gemeenten meer ondersteuning te bieden bij het omgaan met de Omgevingswet, het DSO door te ontwikkelen en werkbare handvatten te bieden om de Omgevingswet beter uitvoerbaar te maken.
Om gemeenten te ondersteunen bij het werken met de Omgevingswet is in 2015 het interbestuurlijk programma Aan de slag met de Omgevingswet in het leven geroepen. Dit programma is in 2025 gestopt, maar de ondersteuning van gemeenten gaat door. Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) ondersteunt gemeenten op verschillende manieren. Bijvoorbeeld via regionale implementatiecoaches, maar ook digitaal via het Informatiepunt Leefomgeving. Daarnaast wordt er, o.a. in samenwerking met gemeenten, continu gewerkt aan de doorontwikkeling van het DSO.
Vragen van de fractie BBB
De leden vragen of ik bereid ben om tijdelijke specifieke uitkeringen (SPUK’s) te vervangen voor structureel en ontschot geld in het gemeentefonds.
Het kabinet deelt de ambitie om het aantal specifieke uitkeringen te verminderen. Zoals hierboven ook aangegeven biedt de introductie van de BFU in het wetvoorstel Wijziging van de Financiële-verhoudingswet mijn inziens een goed alternatief voor de specifieke uitkering en biedt het meer mogelijkheden om middelen beleids- en bestedingsvrij aan het Gemeente- en Provinciefonds toe te voegen. Gemeenten en provincies kunnen via een BFU verstrekte middelen integraal inzetten. In het wetsvoorstel wordt als aanvullende waarborg ook geregeld dat voor de introductie van specifieke uitkeringen een kabinetsbesluit vereist is.
De leden vragen of ik het ermee eens ben dat de huidige stapeling van wetten en regels zorgt voor een enorme werkdruk voor gemeenten en hoe ik ervoor ga zorgen dat de uitvoering meer ruimte krijgt om weer met de menselijke maat en gezond verstand maatwerk te leveren? Daarnaast vragen zij wat ik doe om de kleine gemeenten te helpen hun capaciteitsproblemen op te lossen?
Ik verwijs u naar het antwoord dat ik heb gegeven op de vraag hierover van de leden van de fracties van het CDA, GroenLinks-PvdA, D66, SP, PvdD, Volt en OPNL gezamenlijk.
De leden vragen of ik het met hen eens ben dat de verplichte opvang van statushouders en de spreidingswet ervoor zorgen dat plattelandsgemeenten er steeds meer uitdagingen bijkrijgen.
Het kabinet onderkent dat de opvang van asielzoekers en de huisvesting van statushouders impact heeft op gemeenten, waaronder plattelandsgemeenten. Het gaat hierbij om twee samenhangende, maar verschillende opgaven: de gemeentelijk taak van het mogelijk maken van de opvang van asielzoekers en de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zodat de doorstroom uit opvanglocaties mogelijk blijft. Deze opgaven maken onderdeel uit van een nationale verantwoordelijkheid, die vraagt om een evenwichtige verdeling over het land. De spreidingswet is juist bedoeld om de druk niet bij een beperkt aantal gemeenten te laten neerslaan, maar om te zorgen voor een evenredige bijdrage van alle gemeenten, rekening houdend met (sociaaleconomische) draagkracht en bestaande voorzieningen. Om deze redenen is er in de spreidingswet een overlegmechanisme voorzien waarin gemeenten aan de provinciale regietafel overleggen hoe gezamenlijk de provinciale opgave in te vullen. Dat neemt niet weg dat gemeenten verschillen in schaal, voorzieningen en uitvoeringscapaciteit. Daarom zet het kabinet in op ondersteuning van gemeenten met verschillende (financiële) middelen.
Vervolgens vragen de leden van de fractie van de BBB waarom ik toelaat dat er een «sluipende decentralisatie» plaatsvindt waarbij boa’s steeds vaker politietaken moeten opvangen zonder dat zij daarvoor de juiste bevoegdheden of middelen krijgen vanuit Den Haag.
Boa’s en politieagenten zijn functionarissen met een eigen expertise, rol en taak binnen de bredere politiefunctie. Hoewel deze taken uiteraard in het verlengde van elkaar liggen en elkaar op gebieden praktisch gezien zouden kunnen overlappen, is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat boa’s politietaken overnemen. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft in oktober 2025 een brief6 verzonden aan de Tweede Kamer over de buitengewoon opsporingsambtenaar met daarin een uitgebreide probleemanalyse.
De leden vragen of ik bereid ben om «het rendementsdenken» (deels) los te laten, zodat de dorpsschool, de buslijn en het buurthuis in plattelandsgemeenten niet langer worden beoordeeld op basis van cijfers maar op basis van hun belang voor de leefbaarheid van het platteland».
Ik deel de zorg van de leden over het voorzieningenniveau in kleine (plattelands)gemeenten. Ook onderstreep ik de conclusie uit het rapport «Elke Regio Telt!» dat de overheid te lang de focus heeft gehad op economische kerngebieden. Binnen het Nationaal Programma Vitale Regio’s is het één van de doelen om de beleids- en investeringslogica van het Rijk door te ontwikkelen. Dit vanuit de gedachte dat Rijksbeleid moet werken voor alle regio’s en alle gemeenten in Nederland. Daarnaast is het streven van dit kabinet er op gericht om, op verschillende manieren, kleine gemeenten in Nederland te ondersteunen om het voorzieningenniveau en de leefbaarheid op peil te houden. Zo krijgen kleine gemeenten via de systematiek van het gemeentefonds relatief meer geld per inwoner om het voorzieningenniveau in stand te houden in dunbevolkte gebieden. Een ander voorbeeld is de Kleine Kernen Aanpak van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening «Elke woning telt!» dat gericht is op het versterken van de leefbaarheid en versnelling van woningbouw in dorpen en kleine kernen.
De leden vragen hoe het kan dat kansrijke lokale energieoplossingen, zoals bijvoorbeeld mestvergisters in Noard-east-Fryslân, vastlopen op stikstofregels tijdens de bouw, terwijl ze juist bijdragen aan een betaalbare energierekening voor onze burgers? Daarnaast vragen ze wat ik doe om lokaal maatwerk mogelijk te maken.
De mestvergisters in Friesland worden in de Stand aangehaald als voorbeeld dat uiteenlopende beleidsdoelen van het Rijk soms leiden tot kortsluiting in de uitvoering. Ik wil niet te diep ingaan op dit voorbeeld omdat dit vraagt om meer zicht op wat er in deze specifieke casus speelt. Wel kan ik zeggen dat het inderdaad klopt dat ook als een project, zoals een mestvergistingsinstallatie, leidt tot verminderde uitstoot, blijft gelden dat voor de bouwfase aangetoond moet worden dat binnen een straal van 25 km geen sprake is van een extra (tijdelijke) stikstofdepositie op kwetsbare Natura 2000-gebieden die leidt tot een (verdere) verslechtering van dat gebied. Het is wel mogelijk om via een «passende beoordeling» aan te tonen dat door de tijdelijke extra depositie vanuit een project de natuurlijke kenmerken van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Dit hangt ook af van de kwalitatieve toestand van de natuur waar extra depositie op plaatsvindt. Deze toestand is in veel stikstofgevoelige gebieden slecht, waardoor er vaak maatregelen genomen moeten worden om de tijdelijke depositietoename vanuit een bouwproject te mitigeren.
Ten slotte vragen de leden of ik bereid ben om de financiële tekorten voor 2028 structureel op te lossen.
De financiële positie van gemeenten heeft de afgelopen periode inderdaad aandacht gevraagd en gekregen. Ik ben dan ook blij, zoals de VNG in haar reactie op de opvolging van het rapport Van Ark heeft aangegeven, dat er op dit moment een financieel werkbare situatie voor gemeenten is ontstaan. In bredere zin gaat het om een balans tussen de taken en middelen die gemeenten hebben, als ook de bevoegdheden en uitvoeringskracht om die taken uit te voeren en de risico’s die zij daarbij lopen. Op diverse terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt, ik bewaak als Minister van BZK mede dat deze afspraken nagekomen worden. Zoals bijvoorbeeld op het terrein van de jeugdzorg. Bij de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025–2027 cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Daarnaast is er bij de Miljoenennota 2026 een bedrag van 728 miljoen euro aan het Gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg.
Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden aanvullende maatregelen door het Rijk samen met gemeenten uitgewerkt.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29362-AP.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.