Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429355 nr. 7

29 355
Gelijke behandeling voor mensen met een handicap of een chronische ziekte

nr. 7
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 augustus 2004

De Tweede Kamer heeft op 20 december 2001 een motie Rouvoet c.s. aanvaard1, waarin wordt aangedrongen op opneming van de grond «handicap en chronische ziekte» in artikel 1 van de Grondwet.

Naar aanleiding van deze motie heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 5 april 2002 in een brief aan de Tweede Kamer2 aangekondigd dat een volgend kabinet zijn reactie op de motie Rouvoet c.s. zou vervatten in een nota. In die brief zijn de volgende modaliteiten voor een eventuele vervolgstap op de motie genoemd:

a) toevoeging van de grond «handicap of chronische ziekte»;

b) toevoeging van de gronden die uitwerking hebben gekregen in de Algemene wet gelijke behandeling of andere gelijkebehandelingswetgeving;

c) uitbreiding van de opsomming met alle non-discriminatiegronden in de diverse verdragen waarbij het Koninkrijk partij is;

d) vereenvoudiging van de bepaling door de tweede zin van artikel 1 te beperken tot «Discriminatie op welke grond dan ook is niet toegestaan»;

e) ongewijzigde handhaving van de huidige bepaling.

In februari 2004 heeft de Commissie gelijke behandeling (Cgb) op eigen initiatief advies uitgebracht over de eventuele uitbreiding van artikel 1 van de Grondwet. De Cgb adviseert om de grond handicap of chronische ziekte, maar ook de gronden nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid, burgerlijke staat en leeftijd, toe te voegen aan artikel 1 van de Grondwet. Daarmee kiest de Cgb in feite voor modaliteit b. In paragraaf 5 zal op dit advies nader worden ingegaan.

Na bestudering van de diverse opties en na afweging van de voor- en nadelen daarvan is het kabinet tot de conclusie gekomen dat handhaving van het huidige artikel 1 van de Grondwet de voorkeur verdient (modaliteit e). Het belangrijkste argument om tot die conclusie te komen is dat het kabinet het onwenselijk acht om zonder dringende juridische of maatschappelijke noodzaak grondrechtenbepalingen uit hoofdstuk 1 van de Grondwet te wijzigen. Uit het hiernavolgende zal blijken dat van juridische noodzaak geen sprake is. Opname van één of meerdere nieuwe gronden in artikel 1 zal leiden tot ongewenste discussies over de vraag of in dat geval nog meer gronden moeten worden opgenomen in artikel 1 en zo ja, welke. Daarnaast kan opname van een beperkt aantal nieuwe gronden leiden tot ongewenste a contrario redeneringen met betrekking tot gronden die niet worden opgenomen.

In het vervolg van deze nota zal de bovengenoemde conclusie nader worden uitgewerkt. Daartoe zal allereerst in paragraaf 1 de betekenis van het huidige artikel 1 worden behandeld. Daarbij wordt onder andere de vraag beantwoord of het voor de omvang van de rechtsbescherming verschil maakt of een grond expliciet wordt genoemd. Paragraaf 2 gaat in op het wijzigingsbeleid van hoofdstuk 1 van de Grondwet. Paragraaf 3 behandelt de gevolgen van eventuele uitbreiding van artikel 1 met de grond handicap en chronische ziekte of met één of meerdere andere gronden. In paragraaf 4 zal de optie van een verdergaande vereenvoudiging van artikel 1 aan de orde komen. Paragraaf 5 behandelt het advies van de Commissie gelijke behandeling en paragraaf 6 bevat de conclusies.

1. Betekenis van artikel 1 van de Grondwet

In deze paragraaf komen twee vragen aan de orde:

a) Hoe is artikel 1 van de Grondwet tot stand gekomen en welke non-discriminatiegronden vallen onder de bescherming van artikel 1?

b) Maakt het voor de omvang van de rechtsbescherming verschil of een grond expliciet wordt genoemd?

Ad. a) Hoe is artikel 1 van de Grondwet tot stand gekomen en welke non-discriminatiegronden vallen onder de bescherming van artikel 1?

Artikel 1 van de Grondwet, zoals dat in 1983 is opgenomen, luidt als volgt: «Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook is niet toegestaan.»

De betekenis van de opsomming in de tweede volzin van artikel 1 is tijdens de parlementaire behandeling uitvoerig aan de orde gekomen1. In het oorspronkelijke ontwerp van artikel 1 was de toevoeging «of op welke grond dan ook» nog niet opgenomen. Het amendement Bakker, dat later door de regering is overgenomen, heeft deze passage toegevoegd.

De opsomming van de tweede volzin van artikel 1 heeft dus een niet-limitatief karakter. Dat betekent dat ook gronden die niet uitdrukkelijk in artikel 1 zijn opgenomen, wel de bescherming van het discriminatieverbod genieten.

De tweede volzin van artikel 1 moet gezien worden als een explicitering van de eerste volzin ten aanzien van een aantal vormen van discriminatie die destijds bijzonder ernstig werden geacht.2 De keuze voor de in de opsomming voorkomende gronden is mede bepaald door de maatschappelijke omstandigheden ten tijde van het totstandkomen van de bepaling.

Ad. b) Maakt het voor de omvang van de rechtsbescherming verschil of een grond expliciet wordt genoemd?

Welke betekenis heeft nu de explicitering in de tweede volzin van artikel 1? In het rapport «Gelijk in de praktijk» van de interdepartementale juridische werkgroep gelijkheidsbeginsel (IWEG) uit 1990 wordt hierover opgemerkt dat het verschil tussen de expliciet en niet-expliciet vermelde gronden is, dat onderscheid op een van de expliciet genoemde gronden in beginsel een sterk vermoeden van discriminatie oplevert.1

Het uitdrukkelijk opnemen in artikel 1 kan in deze opvatting dus bewijsrechtelijke gevolgen hebben. Er zijn echter meer omstandigheden van belang die een grond tot een bij voorbaat verdachte grond te maken. Maatschappelijke opvattingen, wetgeving en het feit dat een grond verband houdt met persoonsgebonden kenmerken zijn belangrijke factoren. Ook het IWEG rapport stelt dat enkele niet uitdrukkelijk genoemde gronden een dergelijke «zware» bewijsrechtelijke status toegedacht moet worden. Als voorbeelden van gronden die ook bij voorbaat verdacht zijn, worden burgerlijke staat en seksuele gerichtheid genoemd.2 Dat betekent dat het wel of niet uitdrukkelijk genoemd zijn in artikel 1 geen doorslaggevende betekenis heeft voor de bewijslast.3

In het verleden is, onder andere in het onderzoek Gehandicapt(en)recht uit 1996, betoogd dat de rechterlijke bescherming voor een niet-uitdrukkelijk genoemde grond, zoals handicap of chronische ziekte, minder is dan voor de uitdrukkelijk genoemde gronden.4 De jurisprudentie waarnaar verwezen wordt moet echter worden bezien tegen de achtergrond van het tijdsgewricht waarin de uitspraken gedaan zijn. Noch in de internationale verdragen, noch in de nationale wetgeving was destijds expliciet een verbod op discriminatie van de grond handicap of chronische ziekte opgenomen. Sinds het verschijnen van het rapport Gehandicapt(en)recht in 1996 is er op dat gebied veel gebeurd:

– In artikel 13 van het EG-verdrag is de grond handicap opgenomen als discriminatiegrond waartegen de EG maatregelen kan nemen;

– Daaropvolgend is Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep totstandgekomen, die regelgeving voorschrijft die discriminatie op grond van onder andere handicap bestrijdt;

– Mede ter implementatie van die richtlijn is de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) totstandgekomen. Deze wet is voor het grootste gedeelte op 1 december 2003 in werking getreden;

– Er is een wetsvoorstel strafbaarstelling discriminatie wegens handicap ingediend5, dat op dit moment ter behandeling in de Eerste Kamer ligt;

– In VN verband wordt op dit moment onderhandeld over een verdrag ter bescherming van de rechten van gehandicapten.

Op grond van deze ontwikkelingen kan geconcludeerd worden dat, onder de huidige maatschappelijke en juridische omstandigheden, de grond handicap of chronische ziekte behoort tot de categorie van bij voorbaat verdachte gronden.

Bovenstaande betekent dat expliciete opneming van de grond handicap of chronische ziekte in de tekst van artikel 1 geen materiële uitbreiding van het discriminatieverbod betekent.

2. Wijziging van grondrechten uit hoofdstuk 1 van de Grondwet

Hoofdregel van wetgevingsbeleid is dat slechts wordt overgegaan tot nieuwe wetgeving indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.6 Meer in het bijzonder moet met aanpassingen van bepalingen betreffende de grondrechten, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van de Grondwet, zeer terughoudend worden omgegaan. De bepalingen betreffende de grondrechten vormen een verankering van de fundamentele waarden van de Nederlandse samenleving; hun functie bestaat er juist uit dat zij die fundamentele waarden beschermen tegen al te eenvoudige aantasting. Het kabinet is er geen voorstander van wijzigingen aan te brengen in grondrechtelijke bepalingen uit hoofdstuk 1 van de Grondwet, tenzij dat absoluut noodzakelijk is. Daarbij moet worden bedacht dat de betekenis van de Grondwet niet alleen beheerst wordt door de letterlijke tekst, maar ook door andere omstandigheden. De rechter zal bij de interpretatie van de Grondwet, bij de rechtsvinding, ook rekening moeten houden met (internationale) rechtspraak, met stellingnames van de (grond)wetgever en met ontwikkelingen in de samenleving. Wijziging van de tekst van de grondrechtenbepalingen kan eventueel ook aangewezen zijn indien die tekst niet meer in overeenstemming lijkt met de technologische ontwikkeling die de maatschappij heeft doorgemaakt.

Overigens maakt de uitbreiding van artikel 1 van de Grondwet door het amendement Bakker met de zinsnede «of op welke grond dan ook» al expliciet dat er ruimte is voor maatschappelijke ontwikkelingen bij het bepalen van de reikwijdte van artikel 1. Zo hoeft de Grondwet niet telkens aangepast te worden, maar kan de openheid worden ingevuld met ontwikkelingen in internationale regelgeving, de rechtspraak en lagere wetgeving.

3. Opneming van de grond handicap of chronische ziekte en één of meerdere andere gronden in artikel 1 van de Grondwet

De motie Rouvoet noemt opneming van de grond handicap of chronische ziekte in artikel 1 het sluitstuk van de wetgeving op het gebied van participatie en strafrecht. In de afgelopen jaren is de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte tot stand gekomen en ook de strafbaarstelling van discriminatie op grond van handicap is in een vergevorderd stadium.1 De maatschappelijke omstandigheden en opvattingen over discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte zijn veranderd sinds de vaststelling van artikel 1 van de Grondwet in 1983 en daarin lijkt, hoewel juridisch niet noodzakelijk, wel een politiek argument te kunnen worden gevonden voor aanpassing van artikel 1.

Het overwegen van opneming van handicap of chronische ziekte betekent ook dat nagegaan moet worden of er niet nog meer gronden aan artikel 1 toegevoegd zouden moeten worden. Niet alleen met betrekking tot discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte zijn de opvattingen veranderd. Er bestaan nog vele gronden die ook algemeen erkend zijn als anti-discriminatiegronden. Sommige daarvan zijn opgenomen in de Algemene wet gelijke behandeling en de overige nationale gelijkebehandelingswetgeving, anderen in anti-discriminatiebepalingen in internationale verdragen zoals het EVRM, het IVBPR, het EG-verdrag en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie dat in de ontwerpgrondwet van de Unie is opgenomen. De volgende gronden, die niet expliciet in artikel 1 van de Grondwet genoemd worden, komen voor in één of meer van de genoemde wetten of verdragen: nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, arbeidsduur, vast of tijdelijk arbeidscontract, leeftijd, handicap of chronische ziekte, (huids)kleur, taal, mening, maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, eigendom, genetische kenmerken, geboorte. De opsommingen in de genoemde verdragen zijn ook allemaal niet-limitatief. Zelfs opneming van al deze gronden in de Grondwet zou er dus niet toe leiden dat alle mogelijke gronden voor discriminatie worden genoemd. Er zou nog steeds behoefte bestaan aan de toevoeging «of op welke grond dan ook».

Bovendien opent de keuze voor beperkte uitbreiding van artikel 1 met één of enkele gronden, de mogelijkheid van a contrario redeneringen met betrekking tot de gronden die niet worden opgenomen: betoogd zal worden dat de gronden die niet worden opgenomen toch lager in de hiërarchie van antidiscriminatiegronden staan.2 Daarmee zou een impuls gegeven worden voor nieuwe discussies over hiërarchie tussen de gronden.1 Het kabinet heeft in het verleden aangegeven dat een dergelijke hiërarchie niet bestaat en ook voor de toekomst niet wenselijk is.2

4. Vereenvoudiging van artikel 1

In de brief van 5 april 2002 heeft mijn ambtsvoorganger een aantal modaliteiten genoemd voor een mogelijke reactie op de motie Rouvoet c.s. Hierboven is aandacht geschonken aan de verschillende mogelijkheden voor uitbreiding van artikel 1. Daarnaast is destijds ook de mogelijkheid genoemd van verdere vereenvoudiging van de bepaling («Discriminatie op welke grond dan ook is niet toegestaan»). Betoogd kan worden dat een dergelijke bepaling het beschermingsniveau niet zou verlagen. Immers alle gronden worden erdoor afgedekt. Bovendien zou een dergelijke bepaling de discussie over het verschil in rechtsbescherming en de hiërarchie van non-discriminatiegronden kunnen beëindigen. Tegengeworpen kan worden dat ook voor een dergelijke wijziging de noodzaak aangetoond moet worden en dat er zeer zwaarwegende redenen moeten bestaan voor de aanpassing van een bepaling betreffende een grondrecht in de Grondwet. Een dergelijke noodzaak lijkt zowel juridisch als politiek niet aanwezig. Bovendien is de vraag wat een dusdanig vereenvoudigde bepaling nog inhoudt. Op geen enkele wijze wordt meer in de tekst van de Grondwet duidelijk gemaakt dat benadeling of vernedering op grond van bepaalde onlosmakelijk met de persoon verbonden kenmerken nadrukkelijk verboden wordt. Het kabinet is net als de Commissie gelijke behandeling van mening dat de tweede volzin van artikel 1 door een dergelijke vereenvoudiging zijn toegevoegde waarde zou verliezen, wat een verkeerd signaal zou zijn.

5. Advies van de Commissie gelijke behandeling

De Commissie gelijke behandeling (Cgb) heeft op 26 februari 2004 op eigen initiatief een advies uitgebracht over artikel 1 van de Grondwet naar aanleiding van de motie Rouvoet c.s. De Cgb adviseert om niet alleen de grond handicap of chronische ziekte, maar ook de gronden nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid, burgerlijke staat en leeftijd, toe te voegen aan artikel 1 van de Grondwet. Daarmee zouden alle Awgb-gronden en de gronden leeftijd en handicap of chronische ziekte expliciet worden opgenomen in het discriminatieverbod van artikel 1. De Cgb is tot dit advies gekomen op grond van twee argumenten: 1) het oogpunt van consistentie van wetgeving vereist deze aanpassing en 2) in artikel 1 benoemde gronden genieten in de rechtspraktijk meer bescherming dan niet benoemde gronden.

Ad. 1. Met de door de Cgb voorgestelde wijziging wordt artikel 1 van de Grondwet meer in overeenstemming gebracht met de Awgb, de Wgbh/cz en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbl). Het advies stelt dat de rechtszekerheid en de rechtseenheid in het geding zouden zijn als nationale uitvoeringswetten en EG-teksten bescherming bieden tegen non-discriminatiegronden die niet met zoveel woorden worden genoemd in artikel 1 van de Grondwet. Het pleidooi van de Cgb is niet overtuigend. De veronderstelling dat de tekst van de Grondwet in overeenstemming moet worden gebracht met formele wetgeving wordt afgewezen. De consequentie zou zijn dat bij iedere wijziging van de gronden van de gelijkebehandelingswetgeving de gronden van artikel 1 Grondwet ook aangepast zouden moeten worden. Dit stemt niet overeen met de in paragraaf 2 geschetste uitgangspunten van grondwetswijzigingsbeleid. Bovendien wordt daarmee ook overigens het eigen karakter van de grondwetswijziging ontkend. Anders dan een wijziging van een wet vereist een grondwetswijziging immers twee lezingen en een tweederde meerderheid in beide Kamers.

Ad. 2. In paragraaf 1 is uiteengezet waarom uitbreiding van artikel 1 van de Grondwet geen materiële uitbreiding van het discriminatieverbod betekent. De stelling van de Cgb dat de rechter geneigd is minder strikt te toetsen als een beroep wordt gedaan op een niet uitdrukkelijk genoemde grond deelt het kabinet niet. Ter ondersteuning van die stelling verwijst het advies van de Cgb naar jurisprudentie. Niet ontkend kan worden dat het wel of niet genoemd worden in artikel 1 Grondwet een factor kan zijn bij de mate waarin een non-discriminatiegrond als «bij voorbaat verdachte grond» kan worden betiteld. Zoals in paragraaf 1 al is opgemerkt is dit echter niet de enige factor en is deze niet van doorslaggevende betekenis. Ook maatschappelijke opvattingen, wetgeving en het feit dat een grond verband houdt met persoonsgebonden kenmerken zijn belangrijke factoren. Het advies van de Cgb besteedt aan die factoren ten onrechte geen aandacht. Ook dateert de door de Cgb aangehaalde jurisprudentie van voor 2000, dus van voor de totstandkoming van de EG richtlijnen en de specifieke wetgeving tegen discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte en leeftijd.1 In de genoemde uitspraken zijn de ontwikkelingen die zich op dat vlak hebben voorgedaan niet meegewogen. Ook de verwijzing naar de wijze waarop internationale toezichthoudende colleges omgaan met toetsing aan uitdrukkelijk genoemde en niet uitdrukkelijk genoemde gronden overtuigt niet. Het EHRM hanteert immers ook voor de niet uitdrukkelijk genoemde grond seksuele oriëntatie het strengste toetsingscriterium: dat onderscheid op die grond «very weighty reasons» vereist.2 Daarmee wordt duidelijk dat het wel of niet uitdrukkelijk genoemd worden in artikel 14 van het EVRM niet het (enige) criterium is.

Op grond van het bovenstaande zal het kabinet het pleidooi van de Cgb voor uitbreiding van artikel 1 van de Grondwet niet overnemen.

6. Conclusie

Nu het uitgangspunt is dat voor wijziging van de grondrechten uit hoofdstuk 1 van de Grondwet zeer bijzondere redenen moeten bestaan, acht het kabinet geen redenen aanwezig een wijzigingsvoorstel voor artikel 1 aanhangig te maken. Juridisch zijn er, in tegenstelling tot wat de Cgb betoogt, geen materiële gronden voor een dergelijke wijziging. De Grondwet biedt een brede bescherming tegen discriminatie, ook tegen discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte. Terecht, want buiten kijf staat dat discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte verwerpelijk is en dat de overheid daartegen bescherming dient te bieden. De symboliek die uitgaat van opname in artikel 1 zal het kabinet niet ontkennen. Het vormt echter onvoldoende grond om de tekst van een bepaling betreffende een grondrecht in de Grondwet te veranderen, sterker nog, er zijn eveneens sterke juridische en politieke argumenten die juist pleiten tegen opname van nieuwe gronden: er kan een onwenselijke discussie ontstaan waarom sommige gronden wel en andere niet worden opgenomen.

De bovenstaande bezwaren zijn zo zwaarwegend dat de optie van uitbreiding van artikel 1 afgewezen moet worden. Als toch voor een wijziging van artikel 1 gekozen moet worden, dan is vereenvoudiging van de bepaling («Discriminatie op welke grond dan ook is niet toegestaan») nog verkieslijker dan uitbreiding van de bepaling, hoewel het kabinet, zoals hierboven opgemerkt, ook daarvan geen voorstander is. De optie van vereenvoudiging leidt echter niet tot de vraag welke gronden wel en welke niet toegevoegd zouden moeten worden en draagt niet het gevaar in zich van mogelijke onzekerheid over de hiërarchie tussen de verschillende non-discriminatiegronden.

Dat het kabinet toevoeging van de grond handicap of chronische ziekte aan artikel 1 niet wenselijk en noodzakelijk acht, neemt niet weg dat het kabinet eraan hecht nogmaals te benadrukken dat het prioriteit geeft aan bestrijding van de achterstandspositie van mensen met een handicap of chronische ziekte. Zo heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 28 november 2003 namens het kabinet het Actieplan gelijke behandeling in de praktijk aan de Tweede Kamer gezonden.1 Centraal daarin staat dat de participatiemogelijkheden van mensen met beperkingen in de samenleving vergroot moeten worden. Het kabinet heeft zich expliciet uitgesproken voor het nemen van de gelijke behandelingsnorm als uitgangspunt voor het handelen van de rijksoverheid. Hiervoor is het begrip «inclusief beleid» gebruikt. Dit inclusief beleid zal bestaan naast de maatregelen en voorzieningen ter compensatie van de beperkingen van de persoon en van de belemmeringen die deze ervaren in de samenleving. Ook zal hiermee het beroep op specifieke voorzieningen kunnen worden teruggebracht.

Voorbeelden hiervan zijn:

– de aandacht voor de toegankelijkheid van stembureaus, de bruikbaarheid van stemmachines en de toepasbaarheid van nieuwe ontwikkelingen op het terrein van elektronisch stemmen;

– sociale alarmering van auditief gehandicapten bij rampen;

– het belang van toegankelijke en bruikbare informatie en communicatie met de overheid.

Ook de uitbreiding van de Wgbh/cz en de invoering van het hoofdstuk betreffende het openbaar vervoer zullen een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van discriminatie van mensen met een handicap of chronische ziekte. Over de uitbreiding van de Wgbh/cz met het onderwerp wonen is de Tweede Kamer bij brief van 22 december 2003 meer in detail geïnformeerd.2

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Th. C. de Graaf

Bijlage: advies Commissie gelijke behandeling3


XNoot
1

Kamerstukken II 2001/2002, 28 000 XVI, nr. 63.

XNoot
2

Kamerstukken II 2002–2002, 28 000 XVI, nr. 112.

XNoot
1

Kamerstukken II 1975–1976, 13 872, nr. 3, p. 14 en Kamerstukken II, 1976–1977, 13 872, nr. 7, p. 18.

XNoot
2

Zie ook «Gelijk in de praktijk», het rapport van de Interdepartementale juridische werkgroep gelijkheidsbeginsel (IWEG), november 1990, p. 10.

XNoot
1

IWEG-rapport p. 10.

XNoot
2

IWEG-rapport p. 10.

XNoot
3

Vergelijk de uitspraak in de zaak Salgueiro da Silva Mouta t. Portugal (EHRM 21 december 1999, European Human Rights Cases 2000/16 m. nt. J. Gerards) waarin het Hof voor de eerste keer stelt dat onderscheid op grond van seksuele geaardheid in strijd is met artikel 14 EVRM. Hoewel seksuele geaardheid niet expliciet genoemd wordt in artikel 14, wordt aan deze grond toch een ruime bescherming toegekend. Zie ook de uitspraken L en V t. Oostenrijk en Karner t. Oostenrijk (EHRM 9 januari 2003, NJB 2004, nr. 10 en EHRM 24 juli 2003, NJB 2004, nr. 46).

XNoot
4

Zie Gehandicapt(en)recht, A.C. Hendriks, 1996, p. 59.

XNoot
5

Kamerstukken II, 2001–2002, 28 221, nr. 1–2.

XNoot
6

Aanwijzing 6, Aanwijzingen voor de regelgeving.

XNoot
1

Kamerstukken II 2001–200, 28 221, nr. 1–2.

XNoot
2

Vergelijk de nota naar aanleiding van het verslag bij de goedkeuringswet voor Protocol 12 bij het EVRM, Kamerstukken II, 2002–2003, 28 100 (R1705), nr. 7, p. 2.

XNoot
1

Zie voor een pleidooi voor een gedifferentieerde aanpak tussen verschillende non-discriminatiegronden R. Holtmaat, Stop de inflatie van het discriminatie-begrip! NJB 2003, p. 1266 e.v. en reacties van J. Gerards en J. Vrielink, NJB 2003, p. 2250 e.v.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II, 20 002–2003, 28 770, nr. 3, p. 3.

XNoot
1

In de recentere uitspraak van de CRvB van 3 september 2002, AB 2003, 69, stelt de Raad vast het gemaakte onderscheid op grond van leeftijd in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en is geen sprake meer van «een grote mate van terughoudendheid bij de rechterlijke toetsing aan niet uitdrukkelijk genoemde discriminatieverboden», waar de Raad in eerdere uitspraken naar heeft verwezen.

XNoot
2

Karner t. Oostenrijk, EHRM 24 juli 2003, NJB 2004, nr. 46.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2003–2004, 29 355, nr. 1.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2003–2004, 29 355, nr. 3.

XNoot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.