nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP
Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging
van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking
tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam en het verkrijgen van
gezamenlijk gezag.
De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden
waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.
's-Gravenhage
3 december 2003
Beatrix
nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen
met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam en het
verkrijgen van gezamenlijk gezag aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
A
Atikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
4. Indien een kind door geboorte in familierechtelijke betrekking tot
beide ouders komt te staan, verklaren de ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid
van de aangifte van de geboorte welke van hun beider geslachtsnamen het kind
zal hebben. Van de verklaring van de ouders die voor de aangifte van de geboorte
wordt afgelegd, wordt een akte van naamskeuze opgemaakt. Van de verklaring
van de ouders die ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd,
wordt melding gemaakt in de akte van geboorte. De eerste drie volzinnen zijn
van overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde
partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld
in artikel 253sa over het kind zullen uitoefenen of uitoefenen. De verklaring
die niet ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt afgelegd, kan
ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand worden afgelegd.
2. Het vijfde lid komt te luiden:
5. Wordt een verklaring houdende naamskeuze, bedoeld in het vierde lid,
voor of ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte afgelegd, dan heeft
het kind de gekozen naam vanaf de geboorte. Geschiedt de naamskeuze niet uiterlijk
ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte, dan neemt de ambtenaar van
de burgerlijke stand als geslachtsnaam van het kind in de geboorteakte op:
a. de geslachtsnaam van de vader in geval het kind door geboorte in familierechtelijke
betrekking tot beide ouders komt te staan;
b. de geslachtsnaam van de moeder in geval een ouder en zijn echtgenoot
of geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk
het gezag als bedoeld in artikel 253sa over het kind uitoefenen.
3. Het achtste lid komt te luiden:
8. Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde, vierde
of zesde lid, kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste
kind worden afgelegd. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van het eerste kind waarover de ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde
partner die niet de ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag als bedoeld
in artikel 253sa zullen uitoefenen of uitoefenen. Onverminderd het zevende
lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders dan wel kinderen waarover
dezelfde ouder en dezelfde echtgenoot of geregistreerde partner die niet de
ouder is, van rechtswege het gezag gezamenlijk zullen uitoefenen, dezelfde
geslachtsnaam als het eerste kind. Indien voor de geboorte of ter gelegenheid
van de aangifte naamskeuze is gedaan ten aanzien van een kind dat levenloos
ter wereld komt of is gekomen, wordt deze keuze opgenomen in de akte, bedoeld
in artikel 19i, eerste lid, en geldt zij alleen ten aanzien van dit kind.
B
In artikel 253aa, eerste lid, wordt «een staande een geregistreerd
partnerschap» vervangen door: het staande hun geregistreerd partnerschap
C
In artikel 253o, eerste lid, komt de laatste volzin te vervallen.
D
In artikel 253q, vijfde lid, wordt de laatste volzin vervangen door: Op
verzoek van de ouders of een van hen kan hij de ouders gezamenlijk met het
gezag belasten.
E
1. In artikel 253sa, eerste lid, wordt «een staande huwelijk of
geregistreerd partnerschap» vervangen door: het staande hun huwelijk
of geregistreerd partnerschap
2. Het derde lid vervalt.
F
Artikel 253v wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. Artikel 253n is van overeenkomstige toepassing. De rechtbank geeft
geen beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, bedoeld in
artikel 253t, dan nadat zij de ouders of de niet met het gezag belaste ouder
in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het kind de
ouders gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten of de niet met
het gezag belaste ouder daarmee te belasten.
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. Indien de rechtbank na beëindiging van het gezamenlijk gezag van
de ouder en de ander, deze ander met de voogdij heeft belast, kan zij te allen
tijde wegens wijziging van omstandigheden op verzoek van de ouders of één
van hen in het belang van het kind één ouder of de ouders met
het gezamenlijk gezag belasten.
G
In artikel 277, eerste lid wordt «daartoe door hen beiden»
vervangen door: daartoe door hen beiden of een van hen.
ARTIKEL II
1. De ouder en zijn echtgenoot die overeenkomstig artikel 253sa van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, het gezamenlijk gezag over het staande hun huwelijk
geboren kind uitoefenen en aan wie het afleggen van een verklaring als bedoeld
in artikel 5, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, door de ambtenaar
van de burgerlijke stand is geweigerd, kunnen tot twee jaren na de inwerkingtreding
van deze wet bepalen welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben.
2. Rechtshandelingen van of jegens de ouder die niet de geregistreerde
partner is, welke zijn verricht voor de inwerkingtreding van deze wet in de
uitoefening van het gezamenlijk gezag over hun kind op grond van artikel 253aa
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn geldig.
ARTIKEL III
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie,