nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 september 2009
Aanleiding aanvullend voorschrift
In de brief van 8 maart 2007 (Kamerstuk 29 352, nr. 3) over
de actualisatie van de discontovoet is aangegeven dat de voorgestelde systematiek
van 2,5% risicovrije reële discontovoet plus een in beginsel projectspecifieke
risico-opslag van toepassing is bij alle nieuwe kosten-batenanalyses, mogelijk
met uitzondering van investeringen gericht op problemen die fundamenteel onomkeerbaar
zijn zoals klimaatverandering. In de brief is aanvullend onderzoek aangekondigd.
Advies van de werkgroep Lange Termijn Discontovoet
De werkgroep Lange Termijn Discontovoet komt tot de conclusie dat de wetenschappelijke
discussie in de afgelopen jaren zowel nationaal als internationaal nog niet
tot eensluidende conclusies heeft geleid. De indruk is dat eensluidende conclusies –
en een operationalisering daarvan in voorschriften voor de te hanteren discontovoet
voor langetermijneffecten – niet op korte termijn te verwachten zijn.
Wel is gebleken dat er goede argumenten bestaan om voor concrete projecten
waarin langetermijnonomkeerbaarheden voorkomen onder voorwaarden een aanpassing
van de gehanteerde discontovoet te overwegen.
Op de korte termijn is het voor de beoordeling van concrete projecten
waarin langetermijnonomkeerbaarheden voorkomen daarom wenselijk om te komen
tot een benadering die in de praktijk toepasbaar is en die recht doet aan
de resultaten van het onderzoek tot dusver. Het advies van de werkgroep Lange
Termijn Discontovoet bevat een aanvullend voorschrift voor zo’n praktische
benadering.1
De kern van het voorschrift voor de discontovoet voor kosten-batenanalyses
zoals dat in 2007 is vastgesteld, blijft daarbij ongewijzigd. Dat wil zeggen
dat bij de beoordeling van het merendeel van de projecteffecten
wordt uitgegaan van een risicovrije discontovoet van 2,5% in combinatie
met een in beginsel projectspecifieke risico-opslag.
In de praktijk van de projectanalyses is tot nu toe het bepalen van een
projectspecifieke risico-opslag meestal niet haalbaar gebleken. In vrijwel
alle gevallen wordt gekozen voor de standaardwaarde van 3%. Sommige
projecten kunnen echter het risico van ongewenste langetermijneffecten verlagen
of wegnemen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de (daadwerkelijke) verlaging
van de uitstoot van broeikasgassen om klimaatverandering tegen te gaan. Deze
projecteffecten kunnen worden beschouwd als een «verzekering»
tegen een toekomstige onwenselijke situatie. Aalbers (CPB, 2009)1 heeft laten zien dat voor die projecteffecten een lagere risico-opslag
voor de hand ligt dan de standaardwaarde van 3%.
Om dergelijke projecteffecten correct te waarderen is een aangepaste risico-opslag
wenselijk. Voor grote projecten is het mogelijk om een projectspecifieke risico-opslag
te bepalen, zoals dat op dit moment gebeurt voor het domein van de waterveiligheid.
Omdat bij kleinere projecten het bepalen van een projectspecifieke risico-opslag
meestal niet haalbaar zal zijn, is voor kleinere projecten waarin langetermijnonomkeerbaarheden
spelen behoefte aan een aangepaste standaardwaarde die recht doet aan het
idee dat dat bepaalde projecteffecten een verzekering vormen tegen onomkeerbare,
langetermijndoorwerkingen.
Omdat op korte termijn geen wetenschappelijke conclusie te verwachten
is over de precieze wijze waarop met dergelijke projecteffecten in kosten-batenanalyses
moet worden omgegaan, stelt de werkgroep Lange Termijn Discontovoet een pragmatische
benadering voor met als doel om recht te doen aan de beoordeling van projecten
waarbij in belangrijke mate langetermijnonomkeerbaarheden spelen. Deze houdt
in dat voor specifieke projecteffecten de standaard risico-opslag van 3%
kan worden gehalveerd.
Deze gehalveerde risico-opslag geldt uitsluitend voor negatieve externe
effecten die door een project worden ondervangen of door een project worden
veroorzaakt. Het geldt dus niet voor effecten die een prijs kennen die alle
maatschappelijke kosten correct weerspiegelt of waarbij deze op een andere
manier zijn geïnternaliseerd. Het betreft bovendien alleen externe effecten
met een onomkeerbaar karakter. Deze onomkeerbaarheid kent twee verschijningsvormen.
Allereerst kunnen projecteffecten ook optreden nadat de levensduur van het
project ten einde is. Denk aan het beperken van de (totale) uitstoot van CO2, waarvan het effect blijft bestaan ook als de uitstoot van CO2 na de levensduur van het project weer op het oude niveau komt. De
tweede verschijningsvorm betreft projecteffecten die worden veroorzaakt door
het al dan niet blijven bestaan van een schaars goed, zoals het behoud van
open ruimte en het behoud van monumenten. Voor een verdere toelichting en
voor meer voorbeelden verwijs ik graag naar het Advies van de werkgroep.
Het Kabinet neemt de aanbevelingen van de werkgroep over.
Status en evaluatie
Het advies van de werkgroep Lange Termijn Discontovoet geldt voor alle
toepassingsgebieden van kosten-batenanalyses en is nadrukkelijk bedoeld als
een pragmatische aanvulling op de al bestaande systematiek. Het staat opstellers
van maatschappelijke kosten-batenanalyses vrij om conform de leidraad OEI
eigen berekeningen te maken van projectspecifieke risico-opslagen op de risicovrije
discontovoet. Het toepassen van de gehalveerde standaardwaarde van de risico-opslag
kan worden gezien als een mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden
af te wijken van de standaardwaarde van 3%. Opstellers van kosten-batenanalyses
dienen zelf te beoordelen welke effecten wel en welke niet aan de voorwaarden
voldoen en deze keuzes dienen in de kosten-batenanalyse te worden verantwoord.
Bij deze keuzes dient het doel van de aanvulling voor ogen te worden gehouden:
namelijk recht doen aan de beoordeling van projecten waarbij in belangrijke
mate langetermijnonomkeerbaarheden spelen.
Het aanvullende voorschrift geldt voor nieuwe kosten-batenanalyses. Conform
het advies van de werkgroep Lange Termijn Discontovoet zal in 2011, het moment
waarop zal worden bezien of een actualisatie van de risicovrije discontovoet
nodig is (zoals vermeld in de eerder genoemde brief van 8 maart 2007),
tevens worden bezien of aanpassing of verdere invulling van de regeling betreffende
de halvering van de standaardwaarde van de risico-opslag voor specifieke projecteffecten
wenselijk is. Dit kan mede afhankelijk zijn van nieuwe, praktisch toepasbare
inzichten uit de economische theorie en van de wijze waarop het advies in
de praktijk is gebracht bij de verschillende toepassingsgebieden, zoals milieu,
infrastructuur, erfgoed, kennis, innovatie en integrale gebiedsontwikkeling.
De minister van Financiën,
W. J. Bos