29 344 Terugkeerbeleid

Nr. 122 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 november 2014

Op 4 november 2014 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak gedaan in de zaak van de familie Tarakhel tegen Zwitserland (No. 29217/12). De zaak gaat over de Dublin-overdracht van een Afghaans echtpaar en hun zes minderjarige kinderen naar Italië door de Zwitserse autoriteiten. Verzoekers hebben bij het EHRM gesteld dat een terugkeer naar Italië in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM (verbod op een onmenselijke behandeling). Verzoekers wezen op de systematische tekortkomingen in het Italiaanse opvangsysteem en het ontbreken van afdoende garanties voor een goede opvang. Nederland heeft, evenals Italië, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, als derde partij geïntervenieerd in de procedure. Per brief van 5 november 2014 heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie mij gevraagd om een reactie op deze uitspraak. Met deze brief kom ik tegemoet aan dit verzoek. Achtereenvolgend ga ik in op de casus, het oordeel van het EHRM, mijn eerste appreciatie, en de consequenties van de uitspraak.

Casus

Verzoekers – een echtpaar en hun vijf oudste kinderen – zijn per boot Italië binnengekomen en hebben daarna in Zwitserland een asielaanvraag ingediend. In Zwitserland is een zesde kind geboren. De Zwitserse autoriteiten hebben een Dublinclaim op Italië gelegd, omdat gelet op de EU-Dublinverordening Italië verantwoordelijk zou zijn voor de asielaanvraag.

Oordeel van het EHRM

Het Hof overweegt dat de opvang van asielzoekers in Italië weliswaar niet te vergelijken valt met Griekenland, maar dat bij terugsturen naar Italië wel de mogelijkheid bestaat dat asielzoekers in overbevolkte en slecht gefaciliteerde opvang terechtkomen, of helemaal geen opvang krijgen. Families met kinderen zijn bovendien een extra kwetsbare groep. Italië heeft de Zwitserse autoriteiten geïnformeerd dat de familie zal worden gehuisvest in Bologna in één van de door het European vluchtelingenfonds (ERF) gefinancierde faciliteiten. Het EHRM acht dit echter een ontoereikende garantie voor een bij de leeftijd van de kinderen passende ontvangst bij terugkeer. Bij gebreke van gedetailleerde en betrouwbare informatie over de specifieke opvangfaciliteit, de materiële opvangvoorzieningen en het behoud van de gezinseenheid, beschikten de Zwitserse autoriteiten over onvoldoende garanties dat het gezin zou worden opgevangen op wijze die voor de leeftijd van de kinderen passend zou zijn. Daarom acht het EHRM in deze zaak noodzakelijk dat garanties worden verkregen voorafgaand aan de overdracht.

Eerste appreciatie

De uitspraak van het EHRM heeft consequenties voor de overdracht van gezinnen met minderjarige kinderen door alle Dublinlanden naar Italië. In die gevallen zijn garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig. Deze garanties dienen voldoende concreet te waarborgen dat het gezin bijeen wordt gehouden en de opvang passend is voor de leeftijd van de kinderen.

Vervolgstappen

Ik hecht veel waarde aan een gemeenschappelijk duiding van deze uitspraak door de EU-(Dublin)lidstaten, en naar aanleiding daarvan gemeenschappelijk stappen. Ik heb dan ook initiatieven ondernomen om dit te bevorderen en de uitspraak te bespreken in de Europese gremia. Vanzelfsprekend zult u door mij over dit proces en de uitkomsten op de hoogte worden gehouden.

Om te voorkomen dat in de tussentijd overdrachtstermijnen verlopen, dienen in de tussenliggende periode in individuele zaken van gezinnen met minderjarige kinderen individuele garanties te worden gevraagd aan de Italiaanse autoriteiten dat passende opvang wordt geboden. Momenteel wordt door de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) bij de Italiaanse autoriteiten gevraagd op welke wijze deze individuele garanties, in individuele zaken kunnen worden verkregen. Het is nog niet bekend hoe de Italiaanse autoriteiten daarop zullen reageren.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Naar boven