Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 29338 nr. 72 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 29338 nr. 72 |
Vastgesteld 22 april 2008
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over:
– de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 november 2007 inzake de kabinetsreactie op het KNAW-advies «Wetenschap op bestelling» (Kamerstuk 29 338, nr. 68);
– de KNAW-verkenning «Duurzaamheid duurt het langst, onderzoeksuitdagingen voor een duurzame energievoorziening» (Kamerstuk 27 406, nr. 110);
– het AWT-advies van 15 maart 2007, «Alfa en Gamma stralen. Valorisatie voor de alfa- en gammawetenschappen» (Kamerstuk 29 338, nr. 60);
– het AWT-advies van 24 januari 2007 «Bieden en binden, internationalisering van R&D als beleidsuitdaging» (Kamerstuk 27 406, nr. 102).
Dit schriftelijk overleg is ingelast ter vervanging van het geannuleerde algemeen overleg «maatschappelijke inbedding wetenschappelijk onderzoek».
Bij brief van 22 april 2008 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
| I | Vragen en opmerkingen vanuit de fracties | 3 |
| 1. | Algemeen | 3 |
| 2. | KNAW-advies «Wetenschap op bestelling»; de relatie tussen wetenschappelijk onderzoek en opdrachtgevers | 3 |
| 3. | Valorisatie | 5 |
| 4. | AWT-advies «Bieden en binden, internationalisering van R&D als beleidsuitdaging»; de internationalisering van research and development | 7 |
| 5. | KNAW-verkenning «Duurzaamheid duurt het langst, onderzoeksuitdagingen voor een duurzame energievoorziening» | 8 |
| 6. | Strategische agenda | 8 |
| II | Reactie van de minister | 9 |
I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES
De leden van de CDA-fractie hebben reeds bij de behandeling van de strategische onderzoeksagenda benadrukt dat in de afgelopen regeerperiode wetenschappelijk onderzoek en innovatie in het bedrijfsleven naar elkaar zijn gegroeid. Universiteit en bedrijfsleven zijn op weg om elkaars taal te leren spreken en komen gezamenlijk tot boeiende innovatieve projecten. Deze leden vinden dat op deze resultaten in deze regeerperiode moet worden voortgebouwd.
De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken over de maatschappelijke inbedding van het onderzoeks- en wetenschapsbeleid in Nederland.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over de maatschappelijke inbedding van wetenschappelijk onderzoek.
De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de rapporten en de beleidsreacties. Zij hebben daar enkele vragen en opmerkingen bij.
2. KNAW-advies «Wetenschap op bestelling»; de relatie tussen wetenschappelijk onderzoek en opdrachtgevers
De leden van de CDA-fractie hebben er geen enkel bezwaar tegen wanneer kennisinstellingen, in aanvulling op hun wetenschappelijke taken, opdrachtonderzoek verrichten. Opdrachtonderzoek kan een goede aanvulling vormen op het ongebonden, grensverleggende onderzoek en kan ervoor zorgen dat wetenschappelijke resultaten in de praktijk handen en voeten krijgen. Bij opdrachtonderzoek kan het voor wetenschappers evenwel verleidelijk zijn de wetenschappelijke spelregels naast zich neer te leggen en de opdrachtgever naar de mond te praten. Het lijkt erop of de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) er in haar advies van uitgaat dat wetenschappers snel voor deze verleiding zullen zwichten. De leden van deze fractie zijn daar niet zo bang voor: een wetenschapper stelt daarmee immers ook zijn eigen professionaliteit in de waagschaal. Zij delen daarom de opvatting van het kabinet dat het wat overdreven is om bij elk opdrachtonderzoek een «Verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid» te tekenen. Ook hebben zij geen behoefte aan een inspectierol van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), dat daar nog een bureaucratische deken overheen zou leggen. Een dergelijke benadering gaat uit van wantrouwen jegens onderzoekers. De leden van deze fractie vinden dat de bestaande gedragscode van de Vereniging van Universiteiten VSNU voldoende aanknopingspunten biedt om de professionaliteit en onafhankelijkheid van de wetenschapper te ondersteunen. De praktijk wijst overigens uit dat wetenschappers op de universiteit en in kennisinstellingen al dan niet vrijwillig «meekijkers» hebben bij hun opdrachtonderzoek. Deze leden achten de sociale controle op opdrachtonderzoek vanuit universiteit en kennisinstellingen dan ook voldoende. Zij hechten er wel aan dat de VSNU-gedragscode meer bekendheid krijgt en voor elke wetenschapper gesneden koek en bagage in de achterzak is. Zij vragen het kabinet hoe dit zal worden bevorderd.
De leden van deze fractie maken zich wel zorgen over de onafhankelijkheid van het semiwetenschappelijke onderzoek van de zogenaamde commerciële adviesbureaus; daar ontbreekt met name nogal eens de onderbouwing van de aanbevelingen vanuit de feiten die het onderzoek heeft opgeleverd en lijkt naar de goedklinkende aanbevelingen toe te worden geredeneerd. De KNAW gaat daar in haar advies niet op in. Het lijkt ook moeilijk om de commerciële adviesbureaus daarop aan te spreken. Deze leden vragen of het kabinet mogelijkheden ziet om te bevorderen dat ook commerciële adviesbureaus de VSNU-gedragscode als vertrekpunt voor hun onderzoek omarmen.
Verder stellen de leden van deze fractie dat de overheid er zelf voor kan zorgen dat de onafhankelijkheid voldoende is gewaarborgd bij het opdrachtonderzoek dat zij zelf uitzet. Naar aanleiding van het advies van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) «Kennis voor beleid – beleid voor kennis»1 hebben deze leden ervoor gepleit om kennis voor beleid te enten op eisen van validiteit, betrouwbaarheid, openbaarheid, countervailing power en onafhankelijkheid. Beleid voor kennis moet oog hebben voor verschillende invalshoeken, de uitvoeringspraktijk, de lange termijn, complexiteit en onzekerheid. De leden hebben een en ander neergelegd in een motie die door deze Kamer is aangenomen2. Zij vragen het kabinet op welke manier het zal bevorderen dat het opdrachtonderzoek dat de overheid uitzet voor het ontwikkelen van beleid, aan deze eisen voldoet. De overheid kan dergelijke eisen ook stellen aan de onderzoeksinstituten die door haar rechtstreeks worden gesubsidieerd. De rechtstreekse bekostiging door de overheid maakt dat de pleidooien van deze instituten voor meer wetenschappelijk onderzoek op het eigen terrein wel kritisch moeten worden bekeken; als het Trimbosinstituut pleit voor meer eigen verslavingsonderzoek en dus meer geld van de overheid voor zichzelf, rijst namelijk de vraag welk belang de overhand heeft: de maatschappelijke en wetenschappelijke meerwaarde van het onderzoek of de institutionele behoefte aan meer geld voor onderzoek.
De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat het kabinet het KNAW-advies voor de instelling van een «Verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid» niet overneemt en meer voelt voor de hantering van de VSNU-gedragscode. De leden vragen het kabinet om toe te lichten in hoeverre het de hantering van deze gedragscode en de effectiviteit daarvan voldoende geborgd ziet. Ook vragen zij het kabinet een inschatting te maken van het verschil in administratieve lastendruk tussen beide voorstellen. Verder vragen zij het kabinet waarop het de veronderstelling baseert dat de integriteitsproblematiek niet van substantiële omvang is. Tevens willen zij weten wanneer voor het kabinet de ethisch acceptabele grens is bereikt met het oog op de integriteit en publieke beeldvorming van de wetenschap.
De KNAW bepleit een beperking van de mogelijkheden tot uitstel van de openbaarmaking van onderzoeksresultaten, ook voor de overheid, en een openbaar register voor de nevenwerkzaamheden van alle onderzoekers. De leden van deze fractie vinden dit pleidooi sympathiek en vragen het kabinet om een reactie.
Een groot deel van het in Nederland maatschappelijk gefinancierde onderzoek kent middelen die afkomstig zijn uit zowel de eerste, tweede als derde geldstroom. De leden van deze fractie vragen het kabinet hoe de veelvuldig geadviseerde en beoogde focus en massa binnen het onderzoek kunnen worden gestimuleerd wanneer middelen uit alle drie de geldstromen afkomstig zijn. Zij vragen het kabinet een beeld te schetsen van de wijze waarop de drie geldstromen zich tot elkaar verhouden in de onderzoeksfinanciering in andere landen, zowel in Europa als wereldwijd.
De leden van de SP-fractie betreuren het ten zeerste dat de minister het KNAW-advies inzake de «Verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid» niet overneemt. Uit de evaluatie van de KNAW komt naar voren dat de KNAW het instituut «par excellence» is om zich uit te laten over essentiële onderwerpen die de gehele wetenschap betreffen. De KNAW schrijft in haar brief van 4 maart 2008: «Onderzoekers geven er regelmatig blijk van niet op de hoogte te zijn van het bestaan van de VSNU-gedragscode, laat staan er bewust naar te handelen»3. De leden van deze fractie vragen het kabinet hoe het mogelijk is dat onderzoekers regelmatig niet op de hoogte zijn van deze gedragscode. Tevens willen zij weten hoe het kabinet ervoor gaat zorgen dat alle onderzoekers de VSNU-gedragscode kennen en deze ook daadwerkelijk wordt toegepast.
Het kabinet stelt voor om de KNAW een register van nevenwerkzaamheden van parttime hoogleraren te laten bijhouden. De VSNU-gedragscode noemt expliciet de registratie van nevenfuncties van alle onderzoekers. De leden van deze fractie willen weten waarom het kabinet niet kiest voor de registratie van de nevenfuncties van alle onderzoekers. Verder zien deze leden graag dat een dergelijk register voor iedereen openbaar wordt. Zij vragen het kabinet om uit te leggen hoe een register voor intern gebruik de transparantie zal vergroten.
Het kabinet stelt dat opdrachtonderzoek weinig tot geen problemen meebrengt voor de integriteit van de onderzoekers. De KNAW is het daar niet mee eens: als voorbeeld noemt zij onder meer medisch onderzoek en onderzoek waaruit «blijkt dat druk vanuit de opdrachtgever of financier, bijvoorbeeld bij de statistische verwerking van gegevens, de interpretatie daarvan of bij de weergave van conclusies, wel degelijk met enige regelmaat plaatsvindt.» De leden van deze fractie vragen of dit voor het kabinet aanleiding is om zijn visie op opdrachtonderzoek te wijzigen. Zij vragen het kabinet welke onafhankelijkheidsgarantie kan worden gegeven bij opdrachtonderzoek en hoe de door opdrachtgevers uitgeoefende druk, zoals door de KNAW gesignaleerd, kan worden geminimaliseerd. Verder willen zij van het kabinet weten of opdrachtgevers die druk op onderzoekers uitoefenen om onderzoeksuitkomsten te veranderen, moeten worden gesanctioneerd.
De KNAW stelt voor om eventuele belangenverstrengeling openbaar te maken. De VSNU-gedragscode bevat hierover niets. De leden van deze fractie vragen wat het kabinet vindt van de vermelding van een eventuele belangenverstrengeling van de onderzoeker bij de openbaarmaking van diens onderzoek in woord of geschrift; graag zien zij dit antwoord gedifferentieerd naar universiteiten, publieke onderzoekinstellingen en overheid.
De VSNU vraagt in haar notitie «De maatschappelijke inbedding wetenschappelijk onderzoek» van 27 februari 2008 om meerjarenplannen op instellingsniveau, om meer investeringen en om het stroomlijnen en langduriger maken van de subsidies voor valorisatieactiviteiten. De leden van deze fractie vragen hoe het kabinet deze verzoeken beoordeelt.
De leden van de VVD-fractie maken uit de beleidsreactie op «Wetenschap op bestelling» op dat het kabinet de aanbeveling over de «Verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid» als keurmerk niet overneemt. In plaats daarvan wordt gekozen voor de toepassing van een gedragscode, vergelijkbaar met die van de VSNU. De leden van deze fractie vragen het kabinet of dit een nieuw in te voeren verplichting betreft.
Deze leden vinden het van groot belang dat de instellingen en de individuele onderzoekers zich, meer dan nu het geval is, richten op vragen uit de maatschappij en het bedrijfsleven. Ongebonden en fundamenteel onderzoek moet onbetwistbaar een groot deel van het wetenschappelijke onderzoek blijven innemen. Volgens deze leden betekent meer privaat gefinancierd onderzoek niet dat ongebonden en fundamenteel onderzoek in gevaar zou komen; integendeel, instellingen zijn er juist zeer bij gebaat om midden in de maatschappij te staan en onderzoek te verrichten dat leidt tot toepasbare ontwikkelingen.
Om te voorkomen dat veel bedrijfs-R&D uit Nederland verdwijnt en daarmee de motivatie achter veel van het technisch-wetenschappelijk onderwijs en het publieke onderzoek verdwijnt en Nederlandse kennisinstellingen de aansluiting van de toepassing verliezen, hebben de leden van de CDA-fractie altijd veel waarde gehecht aan de valorisatie van wetenschappelijk onderzoek. Zij willen een brede definitie van valorisatie hanteren: valorisatie van wetenschappelijk onderzoek gaat niet louter om de creatie van economische meerwaarde, maar om de creatie van maatschappelijke meerwaarde.
Het belang van de maatschappelijke meerwaarde van wetenschappelijk onderzoek komt terug bij de prioriteitsstelling van het Innovatieplatform en de regering met betrekking tot sociale innovatie bij zorg en onderwijs. Het belang vindt ook zijn vertaling in de door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) geformuleerde sleutelgebieden en thema’s. De leden van deze fractie vernemen graag hoe het kabinet gaat zorgen voor samenhang in de aansturing van het onderzoeksbestel en de ontwikkeling van sleutelgebieden, zoals voorgesteld door de AWT. Zij vragen of het kabinet voornemens is om verder te werken aan centres of excellence in R&D binnen de sleutelgebieden.
Over valorisatie hebben de leden van deze fractie met de minister van OCW van gedachten gewisseld tijdens de behandeling van de strategische onderzoeksagenda. Zij zijn blij dat de minister toen aangaf niets tegen valorisatie te hebben. Zij merkten wel dat hij leek te veronderstellen dat «valorisatie» bij excellente onderzoekers vanzelf gaat. Dit staat haaks op de agenda van het Innovatieplatform, waaruit duidelijk wordt dat er meer werk van valorisatie moet worden gemaakt. Hoe dat moet gebeuren, zal per wetenschapsgebied verschillen. Het goede van het AWT-rapport is dat het laat zien dat valorisatie in de alfa- en gammawetenschappen een ander karakter heeft dan in de bèta- en technische wetenschappen. Je kunt een alfa-gammawetenschapper daarom niet afrekenen op, bijvoorbeeld, het aantal octrooien dat hij heeft binnengehaald. Valorisatie als maatschappelijke meerwaarde maakt ook duidelijk dat de wetenschapper bewust is van de maatschappelijke relevantie van zijn onderzoek. Juist voor de zwaartepunten van innovatie in de zorg en het onderwijs zijn alfa- en gammawetenschappers van belang: voor de innovatie in de zorg gaat het, bijvoorbeeld, niet alleen om technologische ontwikkelingen, maar ook om het goed organiseren van de zorg. De leden van deze fractie vernemen graag van het kabinet hoe de betrokken ministeries valorisatie op de verschillende wetenschapsgebieden zullen bevorderen en hoe de activiteiten van de ministeries elkaar op dit punt aanvullen en versterken.
De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat het kabinet het in het KNAW-advies «Wetenschap op bestelling» geschetste beeld van achterblijvende investeringen niet deelt: het kabinet betoogt dat er juist is geïnvesteerd in de wetenschap. Het kabinet bevestigt de veronderstelling van gedwongen vermarkting van het onderzoek evenmin. De leden van deze fractie zijn van mening dat het kabinet inderdaad heeft geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek, maar vernemen graag hoe het dit verschil in beoordeling tussen KNAW en kabinet verklaart. Zij vragen of ook het kabinet van mening is dat samenwerking met de markt juist een belangrijke bijdrage kan leveren aan de valorisatie van het onderzoek, mits de vereiste onafhankelijkheid is gewaarborgd. Bovendien vragen zij het kabinet wat een acceptabele balans is in de hoeveelheid door de markt gefinancierd en maatschappelijk gefinancierd onderzoek en of er een zinvolle grens is te trekken.
De leden van deze fractie stellen naar aanleiding van het AWT-advies «Alfa en Gamma stralen. Valorisatie voor de alfa- en gammawetenschappen» dat alfa-, gamma- en bètawetenschappen verschillen in opzet, doelstelling en resultaten en dat daarom maatwerk nodig is om tot goede valorisatie van de kennis te komen. Zij vernemen graag welke mogelijkheden het kabinet biedt om voor ieder veld goede afspraken te maken over valorisatie, die recht doen aan de aard van de onderlinge verschillen. Ook willen zij weten hoe het kabinet aankijkt tegen de adviezen van de AWT om valorisatie deel uit te laten maken van de beoordeling van onderzoek. Ook vragen zij het kabinet, in welke mate het valorisatie een belemmering acht voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.
De leden van deze fractie hechten aan de uitbreiding van interdisciplinair onderzoek. Zij vragen het kabinet hoe het overheidsbeleid deze wenselijke ontwikkeling zal stimuleren en de ontschotting van de wetenschap zal bevorderen. Deze leden zijn benieuwd hoe het Rijk het goede voorbeeld zal geven voor interdisciplinair onderzoek. Zij vragen het kabinet om aan te geven waar de samenwerking tussen ministeries op wetenschappelijk gebied en valorisatie van kennis is verbeterd en waar deze is verslechterd. Ook willen zij weten hoe de departementen van OCW en EZ aan de samenwerking vormgeven, nu de smartmix is opgeheven.
De leden van de SP-fractie vinden het beschikbaar maken van wetenschappelijke kennis voor de samenleving (valorisatie) van belang voor de kenniseconomie. Het rapport «Alfa en Gamma stralen...» van de AWT noemt valorisatie als derde hoofdtaak van de universiteiten. De leden van deze fractie vragen of het kabinet deze opvatting deelt. Zij willen weten welke afspraken het kabinet daarover heeft gemaakt met de universiteiten, of daar financiering tegenover staat en uit welke geldstroom deze valorisatie wordt betaald.
De leden van de VVD-fractie achten het voor de kennisinfrastructuur van groot belang dat op korte termijn maatregelen worden genomen die de valorisatie van kennis doen toenemen. Verschillende rapporten zijn hieraan gewijd, waarbij een aantal zaken steeds terugkeert: één element is het octrooibeleid, dat het voor onderzoekers zelf aantrekkelijker zou moeten maken om hun werk te gelde te maken, een tweede is het stimuleren van R&D in Nederland. De AWT doet hieromtrent een aantal aanbevelingen, waaronder het advies aan de overheid om directer met de bedrijven te communiceren. De leden van deze fractie verbazen zich hierover enigszins, omdat verschillende organisaties met deze taak zijn toegerust, zoals Senter Novem. Deze leden vragen het kabinet, in welke mate de huidige maatregelen aansluiten bij de aanbevelingen van de AWT, hoe succesvol deze zijn en wat daaraan nog ontbreekt.
De AWT doet ook voorstellen om de vestigingscondities te versterken; een belangrijk element daarin is het loopbaanbeleid in de wetenschap. De leden van deze fractie vragen het kabinet wat de hoofdpunten van het beleid zijn met betrekking tot de carrièremogelijkheden voor wetenschappers en welke concrete maatregelen de komende drie jaar zullen worden genomen.
Verder vragen deze leden het kabinet in hoeverre valorisatie van kennis een taak van de instellingen is en wat dit betekent voor het kabinetsbeleid ten aanzien van de instellingen. Ook willen zij weten of het beleid wordt gewijzigd, om de instellingen te stimuleren de alfa- en gammavalorisatie te versterken. Zij vragen of het kabinet de stelling van de AWT deelt dat «kennis uit de alfa- en gammawetenschappen gretig aftrek vindt» en, zo ja, of een extra stimulans in dat geval nog nodig is en waaraan dan concreet wordt gedacht.
4. AWT-advies «Bieden en binden, internationalisering van R&D als beleidsuitdaging»: de internationalisering van research and development
De leden van de CDA-fractie benadrukken dat wetenschappelijk onderzoek en innovatie in het bedrijfsleven in de afgelopen periode naar elkaar zijn gegroeid. Zij vinden dat in deze regeerperiode op de behaalde resultaten moet worden voortgebouwd. Mede daarom achten zij het van belang om de bedrijfs-R&D aan Nederland te binden. Als de bedrijfs-R&D in Nederland verdwijnt, zo stelt de AWT vast, zal immers de motivatie achter veel van het technisch-wetenschappelijk onderwijs en het publieke onderzoek verdwijnen. Dit zal leiden tot een domino-effect waarbij Nederlandse kennisinstellingen de aansluiting van de toepassing verliezen.
De leden van de PvdA-fractie zijn blij te vernemen dat het rapport «Bieden en Binden...» betoogt dat Nederland een solide basis en vestigingsklimaat biedt voor R&D. Het kabinet neemt de diverse aanbevelingen van de AWT ter harte en voert daar beleid op. De leden van deze fractie zijn echter bezorgd of deze solide basis in de toekomst gehandhaafd blijft. Uit cijfers van de OECD blijkt dat de totale investeringen in R&D in Nederland achterblijven bij de Lissabondoelstellingen. Hoewel gegroeid, hebben ook de overheidsinvesteringen nog niet het minimumpercentage van 1% van het BBP bereikt. De leden van deze fractie vragen het kabinet om aan te geven op welke termijn dit wel wordt bereikt. Bovendien is het duidelijk dat zelfs de R&D-uitgaven van het bedrijfsleven achteruitgaan: ook de bedrijven halen het afgesproken percentage van 2% van het BBP aan bestedingen in R&D niet. De leden van deze fractie vragen het kabinet naar zijn inspanningen om deze stand van zaken te kantelen en bedrijven te stimuleren om meer geld vrij te maken voor investeringen in R&D.
De leden van de SP-fractie herinneren aan de kabinetsreactie op de vragen van het lid Jasper van Dijk van 20–12–07, waarin stond dat «het stellen van specifieke eisen aan de nationale onderzoeksinstituten in strijd is met de Europese aanbestedingsregelgeving»1. Deze leden vragen in hoeverre het kabinet erkent dat Europese regelgeving onafhankelijk onderzoek in de weg kan staan.
5. KNAW-verkenning «Duurzaamheid duurt het langst, onderzoeksuitdagingen voor een duurzame energievoorziening»
De leden van de PvdA-fractie hebben de KNAW-verkenning «Duurzaamheid duurt het langst, onderzoeksuitdagingen voor een duurzame energievoorziening» met interesse gelezen. Zij vragen het kabinet om een overzicht van de middelen die voor onderzoek naar duurzame energie en klimaat worden uitgetrokken. Ook vragen zij het kabinet hoe de intensiveringen die daarvoor zijn vrijgemaakt in het coalitieakkoord, worden ingezet.
De leden van de SP-fractie wijzen erop dat het kabinet in de Strategische Agenda hoge prioriteit geeft aan het stimuleren en faciliteren van het wetenschappelijk talent in ons land. NWO zegt in haar Positionpaper2 dat de vraag onbeantwoord blijft of er ook voldoende lijn en inhoudelijke sturing zit in de kennisontwikkeling rond belangrijke onderzoeksthema’s, zoals de sleutelthema’s van het Innovatieplatform. Deze leden vragen het kabinet om die vraag alsnog te beantwoorden. NWO heeft in haar strategienota 13 thema’s van dat kaliber uitgewerkt, zoals duurzame energie, creatieve industrie en het thema conflict en veiligheid, en stelt dat het beschikbare budget nog tekortschiet om al deze thema’s voldoende vlot te kunnen lanceren. Deze leden vragen het kabinet om een reactie.
De leden van de VVD-fractie vinden dat voor het thema «maatschappelijke inbedding van wetenschappelijk onderzoek» het hele stelsel en de financieringstructuur van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in samenhang moeten worden bezien. Deze leden vinden dat het kabinet nog onvoldoende heeft ontvouwd welke maatregelen in deze regeerperiode zullen worden genomen om een solide wetenschapsbeleid te realiseren. Zij zien daarom uit naar het algemeen overleg over stelsel en sturing in het wetenschapsbeleid en gaan ervan uit dat het kabinet de strategische agenda niet definitief zal vaststellen voordat dit overleg heeft plaatsgevonden. Zij vragen het kabinet om een bevestiging hiervan.
De leden van de CDA-fractie merkten op dat in de afgelopen regeerperiode wetenschappelijk onderzoek en innovatie in het bedrijfsleven naar elkaar zijn gegroeid en dat universiteiten en bedrijven op weg zijn om elkaars taal te leren spreken. De leden vinden dat op deze resultaten in deze regeerperiode moet worden voortgebouwd. De minister onderschreef dit en merkte hierbij op dat innovatie niet beperkt moet blijven tot het bedrijfsleven. Ook innovatie in maatschappelijke sectoren en bij de overheid is belangrijk. Daaraan wordt gewerkt in het Innovatieplatform en in de Lange Termijn Strategie Nederland Ondernemend Innovatieland die binnenkort verschijnt.
2. KNAW-advies «Wetenschap op bestelling»; de relatie tussen wetenschappelijk onderzoek en opdrachtgevers.
De leden van de CDA-fractie merkten op eraan te hechten dat de VSNU-gedragscode meer bekendheid krijgt en vroegen hoe dit door het kabinet zal worden bevorderd. De minister was het ermee eens dat de VSNU-gedragscode brede bekendheid dient te genieten bij onderzoekers. Hij gaf aan dat hij hierover in de beleidsrijke dialoog met de universiteiten afspraken wil maken.
De leden van deze fractie vroegen verder of het kabinet mogelijkheden ziet om te bevorderen dat ook commerciële adviesbureaus de VSNU-gedragscode als vertrekpunt voor hun onderzoek omarmen. De minister antwoordde dat hij de gedragscode niet kan voorschrijven aan commerciële bureaus. Wanneer deze echter gebruik maken van data die beschikbaar worden gesteld door onderzoekers die werkzaam zijn bij publieke kennisinstellingen, mag van de betrokken onderzoekers worden verwacht dat zij toezien op een correct wetenschappelijk gebruik van die data.
De leden van de fractie vroegen ook hoe het kabinet zal bevorderen dat opdrachtonderzoek dat door de overheid wordt uitgezet voldoet aan de eisen van validiteit, openbaarheid etcetera die zijn neergelegd in de door de Kamer aangenomen motie, ingediend bij het overleg over de intrekking van de Raamwet Sectorraden (Kamerstuk 31 005, nr. 6). De minister merkte hierbij op dat deze motie betrekking heeft op het op te bouwen stelsel van kenniskamers dat in de plaats komt van de sectorraden voor onderzoek en ontwikkeling en dat het daarbij niet gaat om concreet opdrachtonderzoek maar om een betere programmering van het onderzoek door de vakdepartementen (kennis voorbeleid). Opdrachtonderzoek kan ook «kennis voor beleid» opleveren, maar vindt veel minder systematisch plaats. De minister beaamde dat beide soorten van onderzoek dienen te voldoen aan de eisen genoemd in de betreffende motie.
De leden van de fractie wezen er vervolgens op dat pleidooien van onderzoeksinstituten die rechtstreeks door de overheid worden gefinancierd, kritisch moeten worden bezien en dat daarbij de vraag moet worden gesteld welk belang de overhand heeft: de maatschappelijke en wetenschappelijke meerwaarde van het onderzoek of de institutionele behoefte aan meer geld voor onderzoek. De minister was het ermee eens dat pleidooien voor meer geld van publieke onderzoeksinstituten kritisch dienen te worden bezien, en dat de budgettaire kaders van het Coalitieakkoord daarbij leidend zijn. Hij merkte daarbij op dat, wanneer er meer geld beschikbaar zou komen, de wetenschappelijke meerwaarde van het onderzoek, naast de maatschappelijke, altijd voorop zal staan en niet de institutionele behoefte aan meer geld.
De leden van de PvdA-fractie vroegen het kabinet om toe te lichten in hoeverre het de hantering van de VSNU-gedragscode en de effectiviteit daarvan voldoende gewaarborgd ziet. De minister gaf hierop aan dat hij de hantering van de VSNU-gedragscode wetenschapsbeoefening periodiek aan de orde zal stellen in het bestuurlijk overleg met de instellingen. In dit overleg zal ook de effectiviteit van de gedragscode aan de orde komen.
Ook vroegen zij het kabinet een inschatting te maken van het verschil in administratieve lastendruk tussen beide voorstellen. De minister antwoordde dat de KNAW in het advies «Wetenschap op bestelling» voorgestelde «Verklaring van onafhankelijkheid» uitgaat van een landelijke registratie van alle onderzoek in opdracht van departementen en van inspectie daarop door het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit. Dat betekent een aanzienlijke toegevoegde bureaucratische last. Het hanteren van de gedragscode van de VSNU brengt nauwelijks bureaucratische last met zich mee.
Verder vragen zij het kabinet waarop de veronderstelling is gebaseerd dat de integriteitsproblematiek niet van substantiële omvang is. De minister antwoordde dat de KNAW dit zelf aangeeft in haar advies. Op blz. 45 wordt in paragraaf 6.1. (Conclusies en aanbevelingen) geconcludeerd dat vermoed wordt dat «afhankelijk» te werk gaan binnen de wetenschap tot de grote uitzonderingen behoort.
Tevens willen zij weten wanneer voor het kabinet de ethisch acceptabele grens is bereikt met het oog op de integriteit en publieke beeldvorming van de wetenschap. De minister gaf hierop aan dat er geen ethisch acceptabele grens valt te trekken. Hij gaat uit van de integriteit en professionaliteit van wetenschappers.
De leden van de PvdA-fractie vroegen het kabinet verder om een reactie te geven op het pleidooi van de KNAW voor een beperking van de mogelijkheden tot uitstel van openbaarmaking van onderzoeksresultaten, ook voor de overheid. Ook vroegen zij een reactie op het door de KNAW voorgestelde register voor nevenwerkzaamheden van alle onderzoekers. De minister antwoordde dat in de Wet Openbaarheid van Bestuur is geregeld dat eindrapporten en adviezen van niet-ambtelijke organen en personen passief openbaar zijn. Dat betekent dat de tekst kan worden opgevraagd en dat de overheid binnen een termijn van vier of uiterlijk acht weken het stuk openbaar moet maken tenzij dat, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ongewenst is. De minister gaf aan deze termijn redelijk te vinden. Wat betreft het register van nevenwerkzaamheden gaf de minister aan met de VSNU afspraken te willen maken over het openbaar maken van nevenwerkzaamheden van hoogleraren. De minister gaf er in eerste instantie de voorkeur aan te bezien hoe de instellingen hiermee zouden omgaan, maar nu een aantal instellingen blijft weigeren de registers openbaar te maken, zal hij de VSNU hierop aanspreken en desnoods zelf maatregelen treffen. Het professoraat is immers een publieke functie en dan moet het publiek ook weten wat iemands positie is.
De leden van de fractie vroegen verder hoe het kabinet focus en massa in het onderzoek kan stimuleren wanneer middelen uit zowel de eerste, de tweede als de derde geldstroom afkomstig zijn. Hierop verwees de minister naar de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoek en Wetenschapsbeleid. Daarin is aangegeven dat er keuzes moeten worden gemaakt, wil het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek zich kunnen meten met het beste in de wereld. Die keuzes worden in de eerste plaats gemaakt door de onderzoekers zelf, omdat zij het beste weten waar hun beste vakgenoten werken en waar het onderzoeksklimaat het gunstigst is. Zo zorgen zij ervoor dat «vanzelf» kernen van excellent onderzoek ontstaan. Daarom wil het kabinet de tweede geldstroom versterken en middelen meer in competitie inzetten zodat het geld bij de beste onderzoekers terechtkomt. Universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben de taak de vorming van excellente kernen mogelijk te maken door wetenschappelijk talent aan zich te binden en faciliteiten te bieden voor toponderzoek. Daarvoor biedt de eerste geldstroom de basis, omdat deze de basis biedt voor lange termijn strategische keuzen. De derde geldstroom bestaat uit verschillende componenten waarvan opdrachtonderzoek er een is, naast bijvoorbeeld de inkomsten uit collectebusfondsen en programma’s van de Europese Unie. Ook hiervoor geldt dat de universiteiten zelf een afweging maken hoe de inzet van deze middelen passen binnen de eigen (lange termijn) onderzoeksprioriteiten.
Tenslotte vroegen zij het kabinet een beeld te schetsen van de wijze waarop de drie geldstromen zich in de onderzoeksfinanciering tot elkaar verhouden in andere landen, zowel in Europa als wereldwijd. De minister antwoordde hierop dat een goed beeld van de wijze waarop in verschillende andere landen de drie -universitair- geldstromen zich tot elkaar verhouden niet is te geven, omdat de noodzakelijke gegevens hierover ontbreken. Wel kan een beeld worden gegeven van het aandeel van de eerste geldstroom in een aantal landen. Uit de volgende figuur blijkt dat in Nederland het aandeel van de 1ste geldstroom relatief hoog is vergeleken met andere landen.
Figuur: 1ste geldstroom als aandeel van de R&D-uitgaven in de sector hoger onderwijs, 2005

Bron; OESO.
Opgenomen zijn de landen waarvoor gegevens beschikbaar waren. Peiljaar 2005 of meest recente jaar.
De leden van de SP-fractie vroegen hoe het mogelijk is dat onderzoekers regelmatig niet op de hoogte zijn van de VSNU-gedragscode. Ook wilden zij weten hoe het kabinet ervoor gaat zorgen dat alle onderzoekers de VSNU-gedragscode kennen en deze ook daadwerkelijk wordt toegepast.
De minister antwoordde hierop dat hij die vraag aan de orde wil stellen in het bestuurlijk overleg met de universiteiten en de onderzoeksinstellingen. Hij zal er daarbij op aandringen dat de besturen van de instellingen binnen de eigen instelling meer bekendheid geven aan de gedragscode. De minister merkte daarbij op dat het niet kennen van de gedragscode niet automatisch behoeft in te houden dat onderzoekers niet onafhankelijk te werk zouden gaan, dit laatste behoort bij de professionaliteit van de wetenschapper.
De leden van de SP-fractie wilden voorts weten waarom het kabinet niet kiest voor registratie van alle nevenfuncties van onderzoekers, en zien verder graag dat een dergelijk register openbaar wordt. Zij vroegen de minister in dit verband hoe een register voor intern gebruik de transparantie zal vergroten.
De minister verwees hierbij naar de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie over ditzelfde onderwerp.
De leden van de fractie vroegen verder of het kabinet zijn visie op het opdrachtonderzoek wil wijzigen naar aanleiding van het gegeven dat de KNAW het niet met het kabinet eens is dat opdrachtonderzoek weinig tot geen problemen voortbrengt voor de integriteit van onderzoekers. De minister antwoordde hierop dat het kabinet bij zijn standpunt blijft dat door de KNAW niet aannemelijk is gemaakt, noch in het advies «Wetenschap op bestelling», noch in de brief van de KNAW van 4 maart 2008, dat er op het gebied van onafhankelijkheid en integriteit van wetenschappelijke onderzoekers zodanige problemen zijn dat dit de administratieve lastendruk van het hanteren van één universele verklaring en inspectie daarop van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit rechtvaardigt.
Voorts vroegen zij welke onafhankelijkheidsgarantie het kabinet kan geven bij opdrachtonderzoek en hoe door opdrachtgevers uitgeoefende druk kan worden geminimaliseerd. De minister antwoordde dat er naar het oordeel aan het kabinet voldoende garanties voor onafhankelijkheid zijn ingebouwd in de gedragscode van de VSNU, de Arvodi-voorwaarden en de Model Onderzoeksovereenkomst Arvodi, de Europese aanbestedingsregels en de Wet Openbaarheid van Bestuur. Hij verwees hierbij naar de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Jasper van Dijk over bijverdiensten van hoogleraren en onderzoekers (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1591) waar in het antwoord op vraag 5 is aangegeven dat daarmee het algemene kader voor een zorgvuldige, professionele hantering van de contractrelatie tussen overheid en onderzoekers en hun onderzoekers goed geregeld is.
Verder willen zij weten of opdrachtgevers die druk op onderzoekers uitoefenen om onderzoeksuitkomsten te veranderen, moeten worden gesanctioneerd. De minister antwoordde hierop dat het in het antwoord op de voorgaande vraag genoemde algemene kader hiervoor voldoende garanties biedt en dat hij verder vertrouwt op de professionaliteit van de onderzoekers. Hij gaf verder aan niet te beschikken over mogelijkheden tot het opleggen van sancties. Voorts gaf hij aan daartoe ook niet de noodzaak in te zien.
De leden van de SP-fractie vroegen voorts wat het kabinet vindt van de vermelding van een eventuele belangenverstrengeling van de onderzoeker bij de openbaarmaking van diens onderzoek, gedifferentieerd naar universiteiten, publieke onderzoeksinstellingen en overheid. Op dit punt verwees de minister naar het eerdere antwoord op vragen van de PvdA-fractie over dit onderwerp. Hij voegde hieraan toe banden tussen bedrijven en universiteiten op zich niet als probleem te ervaren en het een goede zaak te vinden wanneer universiteiten samen met externe partijen leerstoelen creëren. Verder merkte hij op dat ook nevenfuncties nuttig kunnen zijn, op voorwaarde dat er duidelijkheid over bestaat.
De leden van de fractie vroegen tenslotte hoe het kabinet het verzoek van de VSNU in de notitie «De maatschappelijke inbedding van wetenschappelijk onderzoek» beoordeelt om meerjarenplannen op instellingsniveau, om meer investeringen en om het stroomlijnen en langduriger maken van de subsidies voor valorisatieactiviteiten. De minister antwoordde hierop veel belang te hechten aan het in economische en maatschappelijke waarde omzetten van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Hij gaf voorts aan hierop nader in te zullen gaan bij de beantwoording van de vragen over valorisatie.
De leden van de VVD-fractie vroegen of de VSNU-gedragscode een nieuw in te voeren verplichting betreft. De minister antwoordde hierop dat de VSNU-gedragscode wetenschapsbeoefening geen nieuwe verplichting betreft maar een gedragscode die de universiteiten zelf hebben ontwikkeld. De minister voegde hieraan toe dat, wanneer het overleg met de VSNU over de door hem gewenste openbaarheid van de registers van nevenfuncties van hoogleraren niet tot het gewenste resultaat zou leiden, hij wel overweegt op dit punt een verplichting in te voeren.
Verder merkten de leden van de fractie op het van groot belang te achten dat instellingen en onderzoekers zich meer dan nu het geval is richten op vragen uit maatschappij en bedrijfsleven. De minister antwoordde hierop veel belang te hechten aan een goede maatschappelijke inbedding van het onderzoek. Hij verwees in dit verband naar de maatregelen die de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoek en Wetenschapsbeleid op dit punt noemt: de invoering van vraagsturing bij TNO en de Grote Technologische Instituten, de federatievorming van de drie technische universiteiten, de meer programmatische inzet van middelen van NWO/STW, het praktijkgerichte onderzoek in het hoger beroepsonderwijs en het (meer) laten meeprofiteren door onderzoekers van de opbrengsten van intellectueel eigendom. Voorts verwees de minister naar het nieuwe Innovatieplatform dat zich behalve op innovatie in bedrijven richt op innovatie in maatschappelijke sectoren en naar de nog te publiceren maatschappelijke innovatieagenda’s die het kabinet opstelt op het gebied van water, zorg, energie, onderwijs en veiligheid en de Lange Termijnstrategie Nederland Ondernemend Innovatieland.
Ook merkten zij op dat meer privaat gefinancierd onderzoek niet betekent dat ongebonden en fundamenteel onderzoek in gevaar zou komen, integendeel, instellingen zijn er juist bij gebaat om midden in de maatschappij te staan en onderzoek te verrichten dat leidt tot toepasbare ontwikkelingen. Door de minister werd dit laatste onderschreven. Hij merkte daarbij op dat, om in dat laatste succesvol te kunnen zijn, er voldoende ruimte moet zijn voor vrij en ongebonden onderzoek.
De leden van de CDA-fractie merkten op veel waarde te hechten aan de valorisatie van wetenschappelijk onderzoek. De leden van de CDA-fractie vroegen hoe het kabinet gaat zorgen voor samenhang in de aansturing van het onderzoeksbestel en de ontwikkeling van sleutelgebieden. Voorts wilden zij weten of het kabinet voornemens is om verder te werken aan centres of excellence in R&D binnen de sleutelgebieden. De minister antwoordde dat de sleutelgebiedenaanpak is ontwikkeld door het Innovatieplatform 1.0 met als doel het versterken van de Nederlandse economie en het aanbrengen van focus in de inspanningen van overheden, kennisinstellingen en bedrijven op kansrijke terreinen. De sleutelgebiedenaanpak heeft mede de basis gevormd voor de programmatische aanpak, door het ministerie van Economische Zaken voor innovatie. Zoals aangegeven staat in de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid sluiten de nationale onderzoeksprioriteiten genomics, ICT en nanotechnologie aan bij de thema’s van de sleutelgebieden en bij maatschappelijke vraagstukken. Verder heeft NWO/STW een programmatisch en meer valorisatiegericht beleid ingezet, waarin mede wordt gestuurd op de sleutelgebieden.
De leden van de CDA-fractie hebben bij de behandeling van de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoek en Wetenschapsbeleid de indruk gekregen dat de minister veronderstelt dat valorisatie bij excellente onderzoekers vanzelf staat. Zij merkten op dat dit haaks staat de agenda van het Innovatieplatform waar duidelijk wordt dat er meer werk moet worden gemaakt van valorisatie.
De minister merkte op dat in opdracht van het Innovatieplatform en de interdepartementale directie Kennis en Innovatie (OCW en EZ) per 1 januari 2008 een breed samengestelde (vertegenwoordigd zijn kennisinstellingen, departementen, bedrijfsleven en het Innovatieplatform) projectgroep Valorisatie aan het werk is gegaan. Deze projectgroep heeft als opdracht op basis van de eerdere rapportage van het Innovatieplatform en de zogenaamde «Kennis Verzilveren» verklaring het valorisatieproces en de resultaten daarvan naar een hoger niveau te tillen. Beoogd resultaat daarbij is, gebruikmakend van de ervaringen van partijen in de afgelopen jaren, te komen tot meerjarige afspraken tussen kennisinstellingen en partners uit het bedrijfsleven. Daarnaast wordt het bestaande instrumentarium bezien, met het oog op de vorming van een consistent pakket van maatregelen en beleid. In overleg met de stakeholders wordt gewerkt aan een plan van aanpak waarin visie, doelstellingen, afsprakenmodel, toolbox en instrumenten zijn uitgewerkt. Streven is dat deze bijdragen aan doelen door de stakeholders medio 2008 worden onderschreven, waarna verdere uitwerking plaats kan gaan vinden.
De leden van de fractie vroegen verder hoe de betrokken ministeries valorisatie op de verschillende wetenschapsgebieden zullen bevorderen en hoe de activiteiten van de ministeries elkaar op dit punt aanvullen en versterken. De minister verwees hier naar de brede interdepartementale samenstelling van de in het antwoord op de vorige vraag genoemde projectgroep (LNV, EZ en OCW). De projectgroep rekent kennis (alfa, bèta en gamma, en op de beroepspraktijk gerichte kennis) afkomstig uit Nederlandse publieke kennisinstellingen tot de scope van de projectopdracht.
De leden van de PvdA-fractie vroegen het verschil in beoordeling tussen het kabinet en de KNAW te verklaren wat betreft de investeringen in het wetenschappelijk onderzoek en de veronderstelde vermarkting van het onderzoek. De minister antwoordde hierop dat zowel door het voorgaande kabinet als door dit kabinet stevig is geïnvesteerd in hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en verwees daarbij naar de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid. Van een grotere mate van afhankelijkheid van externe onderzoeksopdrachten is geen sprake. Als we kijken naar de ontwikkeling van de verschillende universitaire geldstromen in Nederland op een wat langere termijn (1990–2006), dan valt op dat het aandeel van de 3de geldstroom relatief stabiel is op een niveau van 27 à 28 procent. Het aandeel van de 1ste geldstroom neemt weliswaar af van 58 naar 48 procent, maar dit gaat ten gunste van de 2de geldstroom, waardoor er meer concurrentie plaatsvindt in het verwerven van middelen voor fundamenteel onderzoek op basis van kwaliteitsoverwegingen.
Tabel: Ontwikkeling van de geldstromen, in fte en procenten
| 1990 | 1995 | 2000 | 2005 | 2006 | |
|---|---|---|---|---|---|
| WP totaal (fte) | 13 935 | 14 545 | 15 000 | 17 353 | 17 397 |
| WP 1 | 58,0 | 56,4 | 52,5 | 48,4 | 48,2 |
| WP 2 | 15,3 | 16,8 | 20,3 | 24,1 | 23,8 |
| WP 3 | 26,8 | 26,9 | 27,1 | 27,5 | 28,0 |
Bron: OCW (1990) en VSNU/KUOZ (andere jaren)
Verder vroegen de leden of het kabinet van mening is dat samenwerking met de markt juist een belangrijke bijdrage kan leveren aan valorisatie van het onderzoek, mits de vereiste onafhankelijkheid is gewaarborgd. De minister was het met de leden van de fractie eens dat samenwerking met de markt een belangrijke bijdrage kan leveren aan het in economische en maatschappelijke waarde omzetten van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en onderschreef dat onafhankelijkheid van wetenschappers daarbij een belangrijke voorwaarde meerwaarde heeft, ook voor bedrijven.
Ook vroegen zij het kabinet wat een acceptabele balans is in de hoeveelheid door de markt gefinancierd en maatschappelijk gefinancierd onderzoek is en of er een zinvolle grens is te trekken. De minister antwoordde dat de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek hiervoor de belangrijkste indicator is. De balans kan het beste op instellingsniveau worden bepaald, daar moet de afweging worden gemaakt of het onderzoek past binnen de strategische prioriteiten van de instelling. Het trekken van een grens is niet zinvol, onderzoekers moeten oog houden voor de toepassingsmogelijkheden en valorisatie is gediend met een hoge kwaliteit van onderzoek.
Verder vroegen de leden van de fractie welke mogelijkheden het kabinet biedt om voor ieder veld goede afspraken te maken over valorisatie, die recht doen aan de aard van de onderlinge verschillen. In antwoord hierop merkte de minister op dat het door de eerder genoemde breed samengestelde projectgroep te ontwikkelen afsprakenmodel ten behoeve van de verschillende stakeholders, en de te ontwikkelen toolbox een «tailormade» benadering mogelijk zullen maken. Ook willen zij weten hoe het kabinet aankijkt tegen de adviezen van de AWT om valorisatie deel te laten uitmaken van de beoordeling van onderzoek. De minister gaf aan voor de beantwoording van deze vraag de resultaten van de projectgroep Valorisatie af te willen wachten.
De leden van de PvdA-fractie gaven aan te hechten aan de uitbreiding van multidisciplinair onderzoek en vroegen hoe het kabinet deze wenselijke ontwikkeling zal stimuleren en de ontschotting van de wetenschap zal bevorderen. Ook waren zij benieuwd hoe het Rijk het goede voorbeeld zal geven voor interdisciplinair onderzoek. De minister gaf aan zich niet te herkennen in het beeld van «schotten» in de wetenschap. Samenwerking tussen disciplines ontstaat met name daar waar wetenschappers tegen vragen oplopen waarop binnen de eigen discipline geen antwoord kan worden gevonden. Zijn ervaring is dat wetenschappers elkaar in dat geval goed en snel weten te vinden. Daarom vindt de minister het belangrijk dat er goed tussen wetenschappers van verschillende disciplines wordt samengewerkt, maar dan wel vanuit een wetenschappelijke of maatschappelijke vraagstelling.
Verder vroegen de leden het kabinet aan te geven waar de samenwerking tussen ministeries op wetenschappelijk gebied en valorisatie is verbeterd en waar deze is verslechterd. Ook wilden zij weten hoe de departementen van OCW en EZ aan de samenwerking vormgeven, nu de smartmix is opgeheven. De samenwerking tussen ministeries is in de ogen van de minister sterk verbeterd. Kennis en innovatie vormen een belangrijke pijler in het beleidsprogramma van dit kabinet. Daaraan wordt onder meer gewerkt in het Innovatieplatform en in de projectdirectie Kennis en Innovatie waarin EZ en OCW nauw samenwerken. In verlengde van de nog uit te brengen Langetermijnstrategie Nederland Ondernemend Innovatieland zullen maatschappelijke innovatieagenda’s worden gepresenteerd voor een aantal belangrijke maatschappelijke thema’s met als bindend thema duurzaamheid (water, zorg, energie, onderwijs en veiligheid). Aan maatregelen voor het in maatschappelijke en economische waarde omzetten van resultaten van wetenschappelijk onderzoek zal verder worden gewerkt in de hiervoor genoemde breed samengestelde projectgroep Valorisatie.
De leden van de SP-fractie wilden weten of het kabinet de opvatting van de AWT in zijn advies «Alfa- en gammastralen» deelt dat valorisatie de derde hoofdtaak is van universiteiten. De minister verwees hierbij naar de WHW, waarin kennisoverdracht wordt genoemd als een van de drie hoofdtaken van de universiteiten, naast onderwijs en onderzoek.
Ook wilden zij weten welke afspraken het kabinet daarover heeft gemaakt met de universiteiten, of daar financiering tegenover staat, en uit welke geldstroom deze valorisatie wordt betaald. Hierbij verwees de minister naar de brief die door zijn voorganger is verzonden aan de universiteiten, om de verantwoordelijkheden van de universiteiten op het gebied van valorisatie te verhelderen (Kamerstuk 29 338 nr. 30). Hij merkte daarbij op dat valorisatie wordt gezien als het in zowel maatschappelijke als economische waarde omzetten van onderzoeksresultaten. Verder zei de minister de resultaten van de projectgroep Valorisatie te willen afwachten.
De leden van de VVD-fractie vroegen in welke mate de huidige maatregelen aansluiten bij de aanbevelingen van de AWT over het octrooibeleid en het stimuleren van R&D in Nederland, hoe succesvol deze maatregelen zijn en wat daaraan nog ontbreekt. De minister antwoordde eraan te hechten dat alle universiteiten een uitvindersregeling hebben. Deze regelingen leggen vast welk percentage van de opbrengst naar de betrokken partijen dient te gaan: de uitvinders/onderzoekers, de onderzoeksgroep/faculteit en de universiteit. Bijna alle universiteiten hebben een dergelijke regeling als onderdeel van hun beleid geïmplementeerd. Ook zei de minister het belangrijk te vinden dat er naar derden helderheid en transparantie bestaat over de verschillende uitvindersregelingen. In een recente brief aan de VSNU heeft de minister er nog eens op aangedrongen dat alle universiteiten een uitvindersregeling hebben, ook wanneer dit wellicht minder relevant is zoals bijvoorbeeld bij de alfa/gamma-universiteiten. Ook heeft de minister er bij de VSNU op aangedrongen dat deze regelingen op de websites van de universiteiten wordt geplaatst en de VSNU, als overkoepelend orgaan voor alle universiteiten, het totaaloverzicht van alle regelingen openbaarmaakt.
De leden van de VVD-fractie vroegen voorts wat de hoofdpunten van het beleid zijn met betrekking tot de carrièremogelijkheden voor wetenschappers en welke concrete maatregelen de komende drie jaar zullen worden genomen. De minister verwees hierbij naar de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid, waarin investeren in mensen een belangrijk, zo niet het belangrijkste aandachtspunt is. Concrete maatregelen om de carrièremogelijkheden voor wetenschappers te vergroten die hierin worden genoemd betreffen de voortzetting en uitbreiding van de Vernieuwingsimpuls en het laten vervallen van de 1/3 bijdrage van de universiteiten, het bieden van mogelijkheden om de opleiding van onderzoekers meer in te richten naar Amerikaans model (graduate schools) en het beleid om de man/vrouw verhouding en de participatie van allochtonen in de wetenschap te verbeteren. Tevens werkt het kabinet in het kader van de implementatie van de nota «Naar een Modern Migratiebeleid» aan verdere verbetering van toegangsmogelijkheden en procedures voor buitenlandse kenniswerkers en wetenschappers. Het «Huygens Scholarship Programme» wordt verder uitgebreid en het kabinet start een project «Ketenaanpak Kennismigranten» dat zich richt op de gehele keten van het aantrekken van buitenlands talent: branding, vraag-aanbod matching, toegang en leefomgeving.
Verder vroegen de leden in hoeverre valorisatie van kennis een taak van de instellingen is en wat dit betekent voor het kabinetsbeleid ten aanzien van de instellingen. De minister antwoordde dat valorisatie de derde hoofdtaak is van de universiteiten, naast onderwijs en onderzoek. Wat op dit vlak de taken zijn van universiteiten is onder het vorige kabinet verhelderd in een brief aan de universiteiten hierover (Kamerstuk 29 338, nr. 30).
Ook wilden zij weten of het beleid wordt gewijzigd om de instellingen te stimuleren de alfa- en gammavalorisatie te versterken. Tenslotte vroegen de leden of het kabinet het met de AWT eens is dat kennis uit de alfa- en gammawetenschappen gretig aftrek vindt, of een extra stimulans nodig is en waaraan in dat geval wordt gedacht. In zijn antwoord verwees de minister naar de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoek en Wetenschapsbeleid. Daarin wordt, naar aanleiding van het AWT-advies «Alfaen gammastralen» opgemerkt dat valorisatie in de alfa- en gammawetenschapper er het meest mee is gediend als de aandacht wordt gericht op excellentie en stabiliteit in het onderwijs en onderzoek. In de Strategische Agenda wordt een extra impuls in het vooruitzicht gesteld om een aantal problemen en lacunes in de alfa- en gammawetenschappen op disciplineniveau te helpen oplossen. Ook heeft het kabinet de Commissie Geesteswetenschappen ingesteld die een plan moet opstellen met als doel een stabiele situatie in het geesteswetenschappelijk onderzoek en het veilig stellen van sterke punten.
4. AWT-advies «Bieden en binden, internationalisering van R&D als beleidsuitdaging. De internationalisering van research and development
De leden van de CDA-fractie merkten op het van belang te achten om de bedrijfs-R&D aan Nederland te binden omdat anders, zoals de AWT stelt, de motivatie achter veel van het technisch-wetenschappelijk onderwijs en het publieke onderzoek zal verdwijnen waardoor Nederlandse kennisinstellingen de aansluiting van de toepassing verliezen. De minister merkte op er veel belang aan te hechten om bedrijfs-R&D voor Nederland te behouden. De Nederlandse private R&D-inspanningen schommelen al jaren rond de 1 procent van het BBP en daarmee lopen we achter bij vele landen en de Lissabon-doelstelling voor private R&D-investeringen van 2 procent. Deze achterstand wordt mede veroorzaakt doordat ons land weinig buitenlandse R&D-investeringen weet aan te trekken, zeker gezien de openheid van onze economie. De lage private R&D-investeringen – ook in vergelijking met onze ambities – wekken ook ook zorgen omdat het steeds belangrijker wordt om aangehaakt te zijn op internationale kennisstromen en netwerken. Het is dus van groot belang dat de private kennisproductie groter wordt en meer buitenlandse R&D wordt uitgetrokken. Dit is een belangrijk onderwerp in de Langetermijnstrategie Nederland Ondernemend Innovatieland die binnenkort verschijnt.
De leden van de PvdA-fractie waren bezorgd of de solide basis voor R&D in de toekomst gehandhaafd blijft. Zij merkten op dat de overheidsinvesteringen in R&D, hoewel deze groeien, achterblijven bij de Lissabondoelstellingen en vroegen aan te geven op welke termijn het percentage van 1% BNP wordt bereikt. De minister antwoordde dat het niet goed mogelijk is om aan te geven wanneer de overheidsinvesteringen de Lissabondoelstellingen zullen realiseren, waarbij in de OCW-begroting overigens een percentage van 0,9 procent wordt gehanteerd, om daarmee de buitenlandse investeringen in het Nederlandse onderzoek te verdisconteren. Het zal uiterst lastig zijn om in 2010 een niveau van overheidsinvesteringen te hebben bereikt dat ongeveer een miljard euro hoger ligt dan het huidige niveau. Desalniettemin blijft de ambitie te streven naar dit niveau. Om die reden ook geeft het kabinet deze kabinetsperiode een belangrijke impuls aan onderwijs, kennis en innovatie, waarvan een deel ten goede komt aan het wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Het perspectief ligt daarbij ook verder dan 2010 en breder dan onderzoek alleen. De minister verwees hierbij naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Jasper van Dijk over investeringen in onderzoek en innovatie (nr. 2070813440).
Een belangrijke opgave om te investeren in R&D ligt zoals bekend ook bij de private sector. Ook wanneer wordt gecorrigeerd voor de investeringen uit het buitenland, dan nog is de kloof tussen de huidige situatie en de ambities behoorlijk groot, in absolute zin een stuk groter dan bij de overheid. Voor een deel is de achterstand van Nederland ten opzichte van andere landen verklaarbaar (zoals de kennisextensieve sectorstructuur). Er zijn verschillende zaken waarmee de overheid bedrijven kan stimuleren tot vergroting van de R&D-uitgaven, uiteraard binnen de vrijheid van bedrijven zelf om keuzes te maken waar men R&D laat uitvoeren, mede gezien de toenemende internationale arbeidsverdeling. Het betreft vooral het aantrekkelijk houden van het klimaat voor bedrijven om R&D in Nederland te doen. Fiscale facilitering is één van de middelen, waarvan uit recent onderzoek is gebleken dat dit een effectief middel is. De kwaliteit van de publieke kennisinfrastructuur is een andere belangrijke factor, naast de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking, de aanwezigheid van hoogopgeleide kenniswerkers, de sterktes van de verschillende wetenschapsgebieden, focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek, IPR-regimes en infrastructurele faciliteiten. In zijn algemeenheid zijn de omstandigheden hiervoor gunstig, maar blijft het wel zaak te blijven werken aan verbetering. Het huidige kabinetsbeleid, neergelegd in de Strategische Agenda, bevat hiervoor de bouwstenen.
Ook vroegen de leden wat de inspanningen van het kabinet zijn om het achteruitgaan van R&D-investeringen in het bedrijfsleven te kantelen en bedrijven te stimuleren om meer geld vrij te maken voor investeringen in R&D. Hierbij verwees de minister naar het eerdere antwoord op vragen van de CDA-fractie hierover en de binnenkort uit te brengen Langetermijnstrategie Nederland Ondernemend Innovatieland, waarin concrete maatregelen op dit punt zullen worden genoemd.
De leden van de SP-fractie vroegen in hoeverre het kabinet erkent dat Europese regelgeving onafhankelijk onderzoek in de weg kan staan. Hierbij verwees de minister nogmaals naar het eerdere antwoord op schriftelijke vragen hierover van het lid Jasper van Dijk over bijverdiensten van hoogleraren en onderzoekers (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1591). In het antwoord op vraag 8 is aangegeven dat wanneer een aanbestedende dienst de eis stelt dat een gegadigde of inschrijver een nationale gedragscode onderschrijft om mee te mogen dingen naar een opdracht, buitenlandse concurrenten daarmee op afstand kunnen worden gezet. Dit laatste is in strijd met de algemene beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie. De gestelde eisen moeten de gegadigden en inschrijvers gelijke toegang bieden en mogen geen ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdracht voor mededinging scheppen. Dit betekent in de ogen van de minister overigens niet dat de Europese regelgeving op dit punt de onafhankelijkheid van onderzoek in de weg zou staan.
5. KNAW-verkenning «Duurzaamheid duurt het langst, onderzoeksuitdagingen voor een duurzame energievoorziening.
De leden van de PvdA-fractie vroegen om een overzicht van middelen die voor onderzoek naar duurzame energie en klimaat worden uitgetrokken. Ook vroegen zij hoe de investeringen die daarvoor zijn vrijgemaakt in het Coalitieakkoord, worden ingezet. De minister antwoordde hierop dat nog geen besluiten zijn genomen over de inzet van extra middelen uit de enveloppe voor onderzoek naar een duurzame energievoorziening. Dit wordt uiteengezet in de innovatieagenda energie die naar verwachting nog voor de zomer van 2008 aan de Kamer wordt toegezonden. Hierbij zullen de KNAW-verkenning en het onlangs aan de Tweede Kamer aangeboden rapport van de commissie De Wit worden betrokken.
De leden van de SP-fractie vroegen of er voldoende lijn en inhoudelijke sturing zit in de kennisontwikkeling rond belangrijke onderzoeksthema’s, zoals de sleutelgebieden van het Innovatieplatform. De minister antwoordde dat in de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs-, Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid is gekozen voor de sturingsfilosofie van sturen op afstand. Daarvoor is gekozen omdat de universiteiten en onderzoeksinstituten van NWO en KNAW bij uitstek de plaats zijn waar grensverleggend onderzoek moet plaatsvinden en om die reden universiteiten een grote mate van autonomie moeten kennen. Hierin verschilt dit kabinet overigens niet van zijn voorgangers. Voor een deel stuurt de wetenschap zichzelf, maar het sturingsmechanisme van onderzoekers werkt alleen binnen wetenschapsgebieden. Om keuzes te maken over wetenschapsgebieden heen, en om die keuzen binnen een sterk gedecentraliseerd onderzoeksbestel te laten aansluiten op de korte en lange termijn agenda’s van de overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, waaronder de sleutelgebieden van het Innovatieplatform, is een aantal mechanismen ontwikkeld om nationale prioriteiten te stellen, massa te ontwikkelen op belangrijke thema’s en deze aan te laten sluiten op de beleidsagenda’s.
De leden vroegen verder op een reactie op het volgens de NWO tekortschietende budget voor het vlot lanceren van de 13 thema’s uit het strategisch plan van NWO. De minister gaf aan het belangrijk te vinden dat NWO inzet op maatschappelijke thema’s. Binnen de gegeven budgettaire kaders van het Coalitieakkoord moesten echter keuzes worden gemaakt voor het inzetten van extra middelen uit de enveloppes. Omdat de enveloppenmiddelen later in deze regeerperiode beschikbaar komen en het kabinet nu haast wil maken met de hoofdlijn van het beleid, heeft het kabinet besloten naast de enveloppenmiddelen ook bestaand geld in te zetten voor zijn prioriteiten. Dit heeft geleid tot een overheveling van de eerste naar de tweede geldstroom, op basis van afspraken daarover met de universiteiten. Daarmee is de tweede geldstroom aanzienlijk versterkt. De minister merkte in dit verband op dat, wanneer NWO veel belang hecht aan het lanceren van de thema’s, NWO als autonome onderzoeksorganisatie daartoe binnen de eigen begroting middelen zou kunnen herprioriteren, uiteraard in goed overleg met zijn departement.
De leden van de VVD-fractie merkten op dat het kabinet nog onvoldoende heeft ontvouwd welke maatregelen in deze regeerperiode zullen worden genomen om een solide wetenschapsbeleid te realiseren. De minister bestreed dit laatste. In de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs, Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid is op hoofdlijnen de basis gelegd voor een solide wetenschapsbeleid. In het notaoverleg hierover met de Kamer zijn nadere uitwerkingen op een aantal punten toegezegd, bijvoorbeeld op het gebied van de uitwerking van de Vernieuwingsimpuls«nieuwe stijl» en de vormgeving van graduate schools naar Amerikaans model. Voorts zijn de grootste organisaties binnen het wetenschapsbestel recent geëvalueerd en zal de minister daarop een standpunt innemen.
Ook vroegen zij het kabinet de strategische agenda niet definitief vast te stellen, voordat het overleg over stelsel en sturing heeft plaatsgevonden. De minister antwoordde hierop dat hij op een aantal punten, zoals gevraagd door de Kamer, voortgang wil boeken. Hij wees er daarbij op dat de strategische agenda al uitvoerig in de Kamer is besproken, tijdens het notaoverleg hierover, en dat nog een aantal uitwerkingen volgt. In dit verband verwees hij ook naar zijn brief van 19 december 2007 (Kamerstuk 31 288, nr. 16) waarin is aangegeven dat formele vaststelling van de Strategische Agenda zal plaatsvinden nadat met de Kamer is overlegd over de notities en standpuntbepalingen die zijn toegezegd in het notaoverleg over de Strategische Agenda.
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), Ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD), Dibi (GL)n en Vacature (algemeen).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Uitslag (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Peters (GL) en Van Bommel (SP).
Positionpaper NWO in verband met AO Maatschappelijke inbedding en AO Stelsel en sturing van wetenschappelijk onderzoek van 12 maart 2008.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29338-72.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.