29 326
Zelfregulering audiovisuele media (bescherming van jeugdigen)

nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 oktober 2006

Media spelen een steeds belangrijkere rol in onze samenleving. Oude en nieuwe media hebben maatschappelijke effecten die de individuele productie en consumptie ervan overstijgen. Nieuwe media spelen ook een steeds belangrijker rol in de relatie tussen burger en overheid. Er ontstaan met informatie- en communicatietechnologie (ict) nieuwe mogelijkheden om de burger zelf meer te laten bepalen en kiezen. Actief burgerschap is zonder ict vrijwel onmogelijk. Internet biedt toegang tot veel informatie en is voor burgers een laagdrempelige mogelijkheid om zich tot de overheid te wenden. De vraag is over welke kennis, vaardigheden en mentaliteit burgers moeten beschikken om zich bewust, kritisch en actief te kunnen bewegen in de complexe, veranderlijke en gemedialiseerde wereld.

De Raad voor Cultuur bracht hierover in 2005 ongevraagd advies uit: «Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap». Met deze brief reageert het kabinet op dit advies. Maar de reikwijdte van de brief is breder. In de bijgaande notitie wordt teruggekeken op het beleid op het terrein van mediawijsheid in de afgelopen jaren1 en wordt ingegaan op lopend beleid dat het thema mediawijsheid raakt.

Bovendien erkent het kabinet met deze brief het belang van mediawijsheid. De gemedialiseerde samenleving leidt tot andere verhoudingen tussen media en burgers, tussen burgers onderling, tussen de overheid en burgers en tussen burgers en het bedrijfsleven. Met de toenemende impact van media wordt het voor iedereen steeds belangrijker om mediawijs te zijn. De overheid moet zich hier rekenschap van geven. Wat zijn de ontwikkelingen rond mediagebruik en informatie- en communicatietechnologie? Welke aanbevelingen doet de raad, wat moet en kan de overheid betekenen voor meer mediawijsheid?

Mediawijsheid: burgerschap in de informatiemaatschappij

Zoals de raad aangeeft gaat het erom dat burgers in staat zijn oude (televisie, radio, pers) en nieuwe media (internettoepassingen, sms) te gebruiken en dat zij een gezonde mentaliteit ten opzichte van deze media hebben. Dat wil zeggen dat ze zich bewust zijn van de mogelijkheden en van de context van informatie, maar ook van de beperkingen en risico’s. Daarmee wordt het eerder geïntroduceerde begrip media-educatie verbreed naar de bredere term mediawijsheid. Centraal in die gedachte staat de burger die leeft en werkt in een gemedialiseerde samenleving en dat deze medialisering en sociale veranderingen ook gevolgen hebben voor de democratische instituties en de invulling van modern en actief burgerschap.

De afgelopen jaren heeft dit kabinet op verschillende dossiers activiteiten ontplooid of aangekondigd die mediawijsheid raken. Het kabinet zet zich ervoor in dat jong en oud voldoende vaardigheden hebben om te profiteren van de gemakken van informatiemaatschappij.

Uit een inventaristatie van initiatieven op het gebied van mediawijsheid blijkt dat het thema door verschillende partijen serieus wordt opgepakt. De samenhang tussen verschillende initiatieven zou echter kunnen worden versterkt. Zowel waar het gaat om het samenwerken aan een effectieve aanpak als daar waar het gaat om de toegankelijkheid en transparantie van de gebruiker.

Tevens behoort mediawijsheid een thema te zijn in culturele- en mediainstellingen die zich bezig houden met oude en nieuwe media. Ze zouden zich rekenschap moeten geven van de mogelijkheden, de beperkingen en verantwoordelijkheden. In het kader van de voorbereiding van de beleidsbrief cultuur zullen gesprekken worden gevoerd met nieuwe media-instellingen. Daarbij zal er ook aandacht zijn voor mediawijsheid.

De Vereniging van Openbare Bibliotheken steunt initiatieven voor mediawijsheid, gericht op uiteenlopende doelgroepen, van kinderen en jongeren tot ouderen. De publieke omroep ziet het als taak om als gids zoveel mogelijk orde te scheppen in het media-aanbod, zodat mensen makkelijker keuzes kunnen maken. Ook bij projecten als «beelden voor de toekomst» en «Teleblik», waarbij audiovisueel materiaal op grote schaal wordt gedigitaliseerd en toegankelijk wordt gemaakt voor het onderwijs zal aandacht worden besteed aan mediawijsheid. Bijvoorbeeld door het materiaal in een duidelijke context te plaatsen en te laten zien hoe bijvoorbeeld beeldmateriaal door de jaren heen is gemanipuleerd.

Voor het onderwijs geldt dat de kerndoelen in het primair en voortgezet onderwijs ruim voldoende aanknopingspunten bieden om leerlingen mediawijs te maken. Daarnaast sluiten de doelstellingen van de Wet Actief Burgerschap goed aan op mediawijsheid en hebben scholen voldoende ruimte om dit vorm te geven. De stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) en stichting Kennisnet Ict op School is gevraagd om bij de verdere ontwikkeling van materiaal aandacht te besteden aan mediawijsheid.

Samenhang, samenwerking, netwerken

Om de samenhang te versterken acht het kabinet, net als de Raad voor Cultuur, de oprichting van een expertisecentrum media-educatie niet wenselijk. Het gaat erom dat door samenhang en samenwerking te facilteren de slagkracht van betrokken organisaties toeneemt. Het kabinet ziet daarom meer in samenwerking en uitwisseling van informatie binnen netwerken en tussen de meest betrokken instellingen. Het gaat erom dat er een krachtig netwerk ontstaat dat activiteiten ontplooit voor mediawijsheid. Dit netwerk kan op verschillende wijzen vorm krijgen. In de lichte variant wordt vooral ingezet op kennisuitwisseling. In zwaardere varianten ontstaat er een (inter)departementaal programma.

In eerste instantie kiest het kabinet ervoor te beginnen met een lichte opzet:

• Er wordt een conferentie georganiseerd met een interactieve website www.mediawijsheid.org. De doelstelling is mensen bij elkaar te brengen met verschillende visies, expertise en ervaringen. Zo ontstaat een beter beeld van eventuele witte vlekken. De conferentie zal input opleveren voor de verdere beleidsontwikkeling van de rijksoverheid en ervoor zorgen dat er meer samenhang komt tussen activiteiten van de betrokken instellingen.

• Aan het Virtueel Platform en stichting Kennisnet Ict op School wordt gevraagd om samen met andere partijen de transparantie van initiatieven te verbeteren.

• Er komt een informeel netwerk van betrokkenen vanuit de verschillende departementen.

Innovatie en economische ontwikkelingen

Mediawijsheid en ict-vaardigheden zijn ook van belang voor de economische ontwikkelingen in Nederland, om de concurrentiekracht te versterken en te kunnen blijven innoveren, maar dat valt buiten het bestek van de notitie. Binnenkort verschijnt een onderzoek naar ict-competenties. Dit onderzoek wordt meegenomen in een kabinetsreactie over mediawijsheid en ict-vaardigheden die voorzien is voor komend voorjaar. Daarin zal het ook gaan over de vraag hoe het onderwijs mensen kan voorbereiden op de kenniseconomie. En wat een effectieve strategie van de rijksoverheid zou kunnen zijn om in dit verband ict-competenties en mediawijsheid te bevorderen. Ook de internationale component zal hierbij nadrukkelijk een rol spelen.

Jeugd, geweld en media

Eerder heeft uw Kamer naar aanleiding van het advies van de commissie Jeugd, Geweld en Media en de kabinetsreactie het debat gevoerd over het beschermen van minderjarigen tegen mogelijk schadelijke invloeden van (nieuwe) media. Tijdens het Algemeen Overleg is de toezegging gedaan om in te gaan op de toepassing van artikel 240a (Wetboek van strafrecht) bij het toelatingsbeleid van bioscopen in vergelijking met afweging in het beleid betreffende kansspelen en alcohol gebruik. Dit is opgenomen als aparte bijlage omdat dit buiten de notitie valt.

Daarnaast heeft uw Kamer drie moties aanvaard naar aanleiding van het debat jeugd, geweld en media. De motie Van der Vlies1 verzoekt om naast informatie over schadelijkheid (via Kijkwijzer) ook te komen tot een systeem dat ouders voorziet van informatie over geschiktheid van audiovisuele producten. Zoals aangegeven tijdens de debatten en in de beleidsreactie Jeugd, Geweld en Media is het informeren over geschiktheid van deze producten een zaak van de branche zelf, niet van de overheid. De staatssecretaris voor cultuur en media heeft daarom in juni aan het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) gevraagd hiermee aan de slag te gaan. Het is de bedoeling dat het NICAM met de branche binnen een jaar een systeem ontwikkelt om ouders en opvoeders te voorzien van geschiktheidinformatie. Dit start met een haalbaarheidsonderzoek. Deze motie beschouw ik dan ook als een ondersteuning van het ingezette beleid.

In bovenvermeld VAO zijn nog twee moties ingediend die verzoeken om een plan van aanpak. De motie Atsma2 is gericht op het tegengaan van de schadelijke invloeden van het internetgebruik op jeugdigen. Hierop zal in paragraaf 2 van de bijgevoegde notitie nader worden ingegaan in de passage over veilig internetgebruik. Motie Slob1 heeft een bredere strekking en verzoekt om een versterking van media-educatie op scholen. In de notitie is media-educatie verbreed tot mediawijsheid en wordt aangegeven wat de plannen op korte termijn zijn. Uit de notitie blijkt dat er een groot aantal projecten is. Tijdens de conferentie zal in gesprekken met vertegenwoordigers van scholen de vraag aan de orde komen of deze projecten voldoende opleveren en of aanvullende activiteiten noodzakelijk zijn.

Afsluitend

Het kabinet vindt mediawijsheid van belang voor de maatschappij. Er zijn verschillende initiatieven ontplooid. De initiatieven zijn waardevol, de samenhang ontbreekt soms wat ten koste kan gaan van de effectiviteit. Daarom zal op korte termijn vooral worden ingezet op het het versterken van netwerken en de onderlinge samenhang, kennisdeling en kennisontwikkeling.

De volgende stap in die richting is de conferentie «Mediawijsheid; leven in een gemedialiseerde samenleving», die het ministerie van OCW en de Raad voor Cultuur op 12 oktober organiseren. De uitkomsten van deze conferentie zullen u toegestuurd worden en kunnen worden benut bij de verdere beleidsontwikkeling.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

Notitie Mediawijsheid: burgerschap in de informatiemaatschappij

1.Inleiding6
  «Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap»7
 Terugblik: media-educatie als experimenteel beleid8
  Raad voor Cultuur advies Media-educatie8
  Voorbeeldprojecten8
   
2.Mediawijsheid en het overheidsbeleid9
  Overheid en mediawijsheid9
  Innovatieagenda10
  Kennisdeling en netwerken10
 Cultuur en media11
  Cultuur12
  Bibliotheken12
  Media13
  Overig14
 Onderwijs14
  Veilig internetgebruik16
  Overig17
 Conclusie18
   
Bijlagen19
 Bijlage 1 anderen over mediawijsheid19
 Bijlage 2 mediawijsheid in het onderwijs21
 Kerndoelen basisonderwijs en onderbouw voorgezet onderwijs21
  Middelbaar beroepsonderwijs21
  Hoger onderwijs22
 Bijlage 3 bestaande initiatieven23
  Schadelijke gevolgen van internet23
  Algemene initiatieven25
  Initiatieven van BZK29
  Ict-competenties in de beroepsomgeving (EZ)30

«Mediawijsheid is het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld.» (definitie van de Raad voor Cultuur, 2005).1

Het gaat er om dat burgers in staat zijn om oude (televisie, radio, pers) en nieuwe media (internettoepassingen, sms) te gebruiken en dat zij een gezonde mentaliteit ten opzichte van deze media hebben, waarbij ze zich bewust zijn van de mogelijkheden en van de context van informatie.

1. Inleiding

Media spelen een steeds belangrijkere rol in onze samenleving. Media, oude en nieuwe, zijn overal en hun maatschappelijke impact is groot. Onze democratie wordt beschouwd als een mediacratie, onze cultuur als een beeldcultuur en onze economie ontwikkelt zich tot een creatieve kenniseconomie. Anders gezegd: media hebben maatschappelijke effecten die de individuele productie en consumptie ervan overstijgen2.

In de huidige informatiesamenleving kun je haast niet meer zonder televisie, radio, telefonie en internet. Voor jongeren verdwijnt het onderscheid tussen de fysieke en de online wereld3. Communicatie is door internet en mobiele diensten ingrijpend veranderd. Dat raakt alle lagen van de bevolking, in alle fases van het leven.

Bij de verkiezingen kiest Raymond op basis van de analyse van standpunten en prestaties van de verschillende partijen zoals aangegeven op de Kieswijzer. Kiezen kan normaal gesproken maar één keer per vier jaar. Tussentijds geeft hij zijn mening via de verschillende burgerfora. Van de rijksoverheid, van partijen en van individuele politici. Op deze manier heeft hij invloed op het beleid van de overheid.

– www.kieswijzer.nl

– www.burgerplatform.nl

Nieuwe media spelen ook een steeds belangrijker rol in de relatie tussen burger en overheid. Die wordt directer, interactiever, en eenvoudiger en onafhankelijk van tijd en plaats. Er ontstaan met informatie- en communicatietechnologie (ict) nieuwe mogelijkheden om de burger zelf meer te laten bepalen en kiezen. Actief burgerschap is zonder ict vrijwel onmogelijk. Internet biedt toegang tot veel informatie en is voor burgers een laagdrempelige mogelijkheid om zich tot de overheid te wenden.

Kortom, de gemedialiseerde samenleving leidt tot andere verhoudingen tussen 1) media en burgers, 2) tussen burgers onderling, 3) tussen de overheid en burgers en 4) tussen burgers en het bedrijfsleven.

Bij oude en nieuwe media spelen ook vraagstukken rond veiligheid en misbruik. Hierover is recent een kabinetsreactie verzonden, op basis van een advies van de commissie Jeugd, Geweld en Media4. In deze notitie zal slechts beperkt op deze thematiek worden ingegaan. Wel is bij het overzicht van lopend beleid een passage opgenomen over beleid gericht op het tegengaan van schadelijke invloeden van internetgebruik door jeugdigen, in de bijlage vindt u een aantal concrete initiatieven5. Daarnaast zullen mediawijze burgers bewuster met eventuele risico’s kunnen omgaan. Wat overigens aanbieders van content en diensten niet van hun verantwoordelijkheden ontslaat.

Bij mediawijsheid gaat het vooral over de kansen en mogelijkheden die nieuwe media bieden en het daaruit voorvloeiende belang voor burgers. Daarbij ligt het accent op het sociaal-culturele domein.

Ik beschouw ict-vaardigheden en mediawijsheid daarnaast als een belangrijk thema binnen de kenniseconomie. Ze zijn nodig om de concurrentiekracht van Nederland te versterken en om innovaties mogelijk te maken. Ook op de arbeidsmarkt spelen oude en nieuwe media immers een rol.

Onderwijs moet mensen voorbereiden op de arbeidsmarkt van morgen. In het voorjaar van 2007 verschijnt een notitie over ict-competenties en mediawijsheid. Deze zal onder meer gebaseerd zijn op de uitkomsten van lopend onderzoek van EZ naar ict-competenties in de beroepsomgeving. De notitie zal ook ingaan op de internationale context.

Voordat ik nader inga op de kansen en mogelijkheden van oude en nieuwe media, wil ik eerst ingaan op de analyse en het advies van de raad.

«Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap»

In 1996 introduceerde de Raad voor Cultuur het begrip «media-educatie»1. In het nieuwe advies «Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap» is die term verbreed tot «mediawijsheid». Media-educatie was gericht op onderwijs, kinderen en jongeren, beschermend van aard en gericht op de aanbodzijde. Volgens de raad moeten alle burgers in Nederland echter mediawijs zijn. Zij zijn niet langer passieve «ontvangers» van informatie die beschermd moeten worden maar maken als actieve burgers gebruik van media.

Bij thuiskomst zet Ronald zijn computer aan die is aangesloten op het televisiescherm. Zoals elke dag begint zijn uitzending met het laatste nieuws, vanuit de regio, Nederland en de rest van de wereld. Vooral het nieuws over voetbal krijgt hierbij extra aandacht.

Daarna volgt de uitzending van zijn favoriete soap en een leuke film. Vandaag gevolgd door de vakantievideo van Katja. Verder volgt hij op dit moment een on line cursus Spaans.

– www.uitzendingengemist.nl

– www.directmovie.nl

– www.teleac.nl/spaans

In het advies vraagt de Raad voor Cultuur zich af of burgers voldoende toegerust zijn op de multimediale maatschappij. Juist omdat burgers door de overheid steeds meer aangesproken worden op de eigen verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld waar het gaat om de keuzevrijheid binnen het stelsel van centrale voorzieningen als zorg en het onderwijs.

Mediawijsheid betekent volgens de Raad voor Cultuur «het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld»2.

Onder kennis verstaat de raad de historische en ethische kennis die nodig is om mediaboodschappen te kunnen interpreteren en te waarderen. Bij vaardigheden gaat het om technische en creatieve vaardigheden die nodig zijn om media te kunnen gebruiken. En bij de mentaliteit gaat het om de bereidheid van mensen om die kennis en vaardigheden in te zetten als bewust mediagebruiker en of zij zich voldoende bewust zijn van hun houding ten opzichte van de media.

De discussie over mediawijsheid, richt zich met name op nieuwe media als internet. Maar ook bij traditionele media als pers, radio en televisie is het belangrijk om vragen te stellen als: wie is de afzender, hoe betrouwbaar is de informatie, wat betekent deze boodschap voor mij?

Mediawijsheid en gerelateerde begrippen (zoals media-educatie, digitale geletterdheid, mediageletterdheid, visuele geletterdheid, media literacy, eSkills, e-inclusion, information literacy en mediasmart) staan de laatste jaren sterk in de politieke en maatschappelijke belangstelling, ook internationaal. SCP, Rathenau instituut, CBS en de Europese Commissie hebben gepubliceerd over deze thematiek, zowel gericht op de nieuwe als op de oude media. In bijlage 1 wordt weergegeven wat vanuit deze en een aantal andere organisaties in de afgelopen periode over mediawijsheid – kennis, vaardigheden en mentaliteit – naar voren is gebracht.

Voordat ik aangeef wat de huidige activiteiten zijn op het terrein van mediawijsheid en welke aanbevelingen de raad doet voor de toekomst, blik ik eerst terug op de voorbeeldprojecten media-educatie.

Terugblik: media-educatie als experimenteel beleid

De rol van media en mediatechnologie is vanaf de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw sterk vergroot. De toegenomen invloed van de massamedia, de komst van commerciële televisie, de ontwikkeling van computertechnologie (ict) en in de jaren negentig de expansie van het internet, hebben ingegrepen op alle facetten van het persoonlijk en maatschappelijk leven. Niet alleen kwam er meer informatie beschikbaar, maar het aanbod werd ook veel minder voorgesorteerd dan men gewend was van kranten, boeken, radio en televisieprogramma’s. Dat stelt hogere eisen aan de gebruiker, die zich een weg moeten banen door de dagelijkse informatielawine, wat bepaalde vaardigheden vereist.

Raad voor Cultuur advies Media-educatie

Vanuit dit oogpunt brak de Raad voor Cultuur in zijn advies Media-educatie (1996) een lans voor een integrale aanpak in het onderwijs van media-educatie. De raad vond dat media-educatie aan bod moest komen in alle vrijwel alle vakken. Leerlingen moesten leren om werkelijkheidsniveaus te onderscheiden, keuzes te maken en inzicht te krijgen in de culturele, ethische, en sociaal-historische context.

Voorbeeldprojecten

Als vervolg hierop werden in 2000 het Platform Media-educatie en de Stuurgroep Media-educatie1 ingesteld. Op aanbeveling van de stuurgroep heeft het ministerie van OCW een aantal voorbeeldprojecten van media-educatie gesubsidieerd. De pilots besloegen het hele onderwijsveld, van primair onderwijs tot en met beroepsonderwijs en de lerarenopleidingen. In 2001 en 2002 is hiervoor jaarlijks circa € 315 000 beschikbaar gesteld. Na verloop van tijd zouden de projecten zelfstandig gecontinueerd moeten worden. In 2005 maakte een evaluatie door de KPC groep duidelijk dat deze doelstelling onvoldoende is gerealiseerd. Daarnaast zijn de producten, zoals websites en cd-roms, onvoldoende landelijk verspreid. Als verklaring voor dat teleurstellende resultaat werd meestal een gebrek aan tijd, geld, educatieve uitgevers, begeleiding en vraag uit het veld genoemd.

Het experimentele media-educatiebeleid leverde echter nadrukkelijk meer op dan alleen de «producten» van gesubsidieerde pilots. OCW heeft met organisaties uit onderwijs en media concrete acties uitgevoerd (zie ook bijlage 3).

Enkele pilotprojecten media-educatie uit 2001 en 2002:

– Mediatown: een website over digitale zoekvaardigheden in het basisonderwijs

– «Voor en tegen de afsluitdijk»: Door het Zuiderzeemuseum ontwikkeld lesmateriaal docentenhandleiding en cd-rom voor de tweede fase VO.

– Eenminuten Internet School Televisie: Het maken van mediakunst in de vorm van één minuut durende filmpjes.

– Een videoproductie en lesprogramma voor het vmbo met als titel «Wat doen media met je?»

– Mediawaar: een kinderportfolio (online applicatie) voor het basisonderwijs, waarmee voor werkstukken informatie op verschillende manieren wordt opgeslagen en gepresenteerd.

Sinds het instellen van het platform is er het nodige veranderd, in de samenleving en in het onderwijs. Het beleid is daarop aangepast. In de volgende paragraaf belicht ik het huidige beleid voor mediawijsheid.

2. Mediawijsheid en het overheidsbeleid

Het leren omgaan met bestaande en nieuwe media heeft de afgelopen jaren in diverse beleidstrajecten vorm gekregen. OCW startte projecten als ict in het onderwijs en media-educatie1, Ook andere departementen zijn actief met aansprekende projecten als ict en maatschappelijke sectoren, Digibewust en eParticipatie. In bijlage 3 staat een korte beschrijving van een aantal van deze initiatieven.

Uitgangspunt is dat bij mediawijsheid verschillende departementen en partijen ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben. Zo hebben scholen ruimte om zelf mediawijsheid in hun onderwijs in te passen, stimuleert en faciliteert de overheid en kunnen culturele instellingen aanbod verzorgen.

In deze paragraaf geef ik een overzicht van het overheidsbeleid rond mediawijsheid en worden enkele plannen voor de toekomst weergegeven. Vanuit het rijksbrede beleid zoom ik in op kennisdeling en netwerkvorming. Vervolgens wordt meer specifiek ingegaan op mediawijsheid en het cultuur, media en onderwijsbeleid. De aanbevelingen die de Raad voor Cultuur heeft gedaan, worden hierbij meegenomen.

Overheid en mediawijsheid

Algemene aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– De overheid moet zich rijksbreed verantwoordelijk voelen voor mediawijsheid. Leg de regeringsverantwoordelijkheid bij OCW.

De relatie overheid-burger is mede door de medialisering sterk in verandering. Daarbij zijn er verschillende invalshoeken. Burgers hebben vanuit verschillende perspectieven te maken met de overheid; als werknemer, patiënt, leerling/docent, consument, staatsburger en gebruiker van cultuur en media. De raad adviseert bij beleid rekening te houden met de «mediawijsheid» van burgers. De raad vindt dat burgers niet buiten de boot mogen vallen, doordat zij niet in staat zijn gebruik te maken van nieuwe media. Daarom communiceert de overheid via meerdere kanalen: internet, televisie, kranten en bijeenkomsten. Daarnaast bieden overheid en andere partijen mogelijkheden tot scholing.

Verschillende departementen spelen in op de competenties die nodig zijn voor mediawijsheid. Zo houdt het programma Andere Overheid (BZK)2, waarin nieuwe media een belangrijke rol spelen, rekening met wat burgers weten, kunnen en moeten weten. Hetzelfde geldt voor het programma Ict en Maatschappelijke sectoren1 (EZ, OCW, VWS, Justitie, BZK).

Het departement van BZK zet in op transparantie van initiatieven, de kwaliteit van de dienstverlening door de overheid en eParticipatie. Het ministerie van Economische Zaken richt zich onder andere op ict-competenties, door bijvoorbeeld een onderzoek te laten verrichten naar de vraag welke ict-competenties werknemers op de arbeidsmarkt nodig hebben, en of werknemers deze vaardigheden ook echt hebben. Daarbij gaat het om de huidige situatie, maar ook om de nabije toekomst. In het voorjaar van 2007 komt het kabinet met een brede notitie over ict-competenties. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan het belang van ict-competenties voor innovatie, de rol die het onderwijs hierbij speelt en hoe de overheid dit effectief kan bevorderen.

Naast de rijksoverheid geven ook het bedrijfsleven en semi-overheid hun invulling aan het begrip mediawijsheid. Het Strategisch Ict-overleg2 geeft inhoud en richting aan de ict-ambitie van Nederland als kennisland.

Dat leverde rapporten op als Nederland in Verbinding (2006), waarin prioriteiten worden benoemd om de kracht van Nederland op ict-gebied verder te ontwikkelen. Daarbij gaat het ook over de benodigde e-vaardigheden3, met daaraan gekoppeld een aantal specifieke OCW-onderwerpen, zoals (na)scholing van docenten en de digitale rugzak voor leerlingen. In het Beleidskader Elektronische Communicatie; Nederland in verbinding4 staat dat het kabinet wil dat elke burger in Nederland de mogelijkheden en vaardigheden heeft om actief deel te nemen aan de informatiesamenleving.

De veelheid aan initiatieven laat zien dat het nu niet noodzakelijk is om er een zware interdepartementale structuur op los te laten, met OCW als coördinerend departement. Er is wel behoefte aan uitwisseling van kennis en ervaringen over mediawijsheid. Daarvoor zal ik een informeel netwerk stimuleren tussen medewerkers van de betrokken departementen.

Innovatieagenda

Algemene aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Geef mediawijsheid een prominente plaats op de innovatieagenda

De innovatieagenda van Nederland richt zich steeds meer op het belang van scholing en ontwikkeling. Zoals een werkgroep van het Innovatieplatform aangeeft in de notitie «Kennisinvesteringsagenda 2006–2016»5 moeten alle bewoners van Nederland worden gestimuleerd het beste uit zichzelf te halen:«Dat is in de kern waar het in een hoogwaardige kennissamenleving om draait: het activeren en vitaliseren van de talenten van mensen in alle lagen van de bevolking

Kennisdeling en netwerken

Algemene aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Bevorder kennisdeling en netwerken.

Mediawijsheid is een onderwerp waar veel organisaties mee te maken hebben. Om tot een gerichte aanpak te komen moeten mensen bij elkaar worden gebracht die zich actief bezig houden met mediawijsheid. Zij zijn nodig voor een breder gedragen visie en een gerichte aanpak.

Om de samenhang te versterken acht het kabinet, net als de Raad voor Cultuur, de oprichting van een expertisecentrum media-educatie niet wenselijk. Het gaat erom dat door samenhang en samenwerking te faciliteren de slagkracht van betrokken organisaties toeneemt. Het kabinet ziet daarom meer in samenwerking en uitwisseling van informatie binnen netwerken en tussen de meest betrokken instellingen. Het gaat erom dat er een krachtig netwerk ontstaat dat activiteiten ontplooit voor mediawijsheid. Dit netwerk kan op verschillende wijzen vorm krijgen. In de lichte variant wordt vooral ingezet op kennisuitwisseling. In zwaardere varianten ontstaat er een (inter)departementaal programma.

Op 12 oktober 2006 organiseren OCW en de Raad voor Cultuur een conferentie over mediawijsheid. Door daar verschillende visies en perspectieven bijeen te brengen, zorgen wij voor het debat dat nodig is om scherper te krijgen waar het over gaat en wat er van de overheid en de verschillende partijen wordt verwacht. Voor deze conferentie is een Wiki gemaakt, een soort interactieve website, over mediawijsheid (zie www.mediawijsheid.org). Een Wiki is een goed voorbeeld van de nieuwe samenwerkingsvormen die mogelijk worden gemaakt door nieuwe media. De informatie op het web kan worden bewerkt door iedereen die zich daartoe geroepen voelt, zonder dat de inhoud exclusief door deskundigen wordt geredigeerd of geaccepteerd. Zo kan een beter beeld ontstaan van de omvang en de problemen rond mediawijsheid. De manier waarop – met een website die door kritische gebruikers wordt aangevuld en bewerkt – past uitstekend bij het thema mediawijsheid. Hopelijk ontstaat er een levendige uitwisseling van kennis en ervaring.

Ook het verslag van de conferentie zal worden gepubliceerd op www.mediawijsheid.org en aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Ik zal nu ingaan op mediawijsheid binnen het cultuur en mediaveld en binnen het onderwijs.

Cultuur en media

Het cultuur- en mediabeleid wil: diversiteit en kwaliteit op peil houden, toegankelijkheid bewerkstelligen voor alle burgers, toezien op onafhankelijkheid en ons cultureel erfgoed beschermen. Het adequaat inspelen op ontwikkelingen rond nieuwe media is van belang om deze doelstellingen ook in de toekomst te kunnen waarmaken.

Digitale pioniers

De stimuleringsregeling Digitale Pioniers is eind 2002 opgezet om kleine internetprojecten te ondersteunen die het medium inzetten voor maatschappelijke vernieuwing. De voornaamste doelstellingen zijn versterking van sociale cohesie en maatschappelijke participatie, en daarnaast een impuls te geven aan de publieke functie van het internet. Digitale Pioniers ondersteunt kleine, grassroots initiatieven die vernieuwend van karakter zijn en buiten de gevestigde instellingen opereren. De regeling is ontwikkeld en uitgevoerd door Stichting Nederland Kennisland. Inmiddels is de eerste regeling met succes geëvalueerd en is in november 2005 subsidie verleend voor 24 maanden voortzetting.

– www.digitalepioniers.nl

Binnen de domeinen van Cultuur en Media spelen nieuwe media een belangrijke rol. Als kunstvorm, maar ook als middel om kunst en cultuur te presenteren of doelgroepen te bereiken. Door de opkomst van de nieuwe media worden instellingen uitgedaagd om samen te werken.

Culturele instellingen ontwikkelen in samenwerking met het onderwijs media-educatieve projecten (bijvoorbeeld de publieke omroep) en ontwikkelen materiaal voor het onderwijs (digitalisering audiovisueel materiaal).

De rol van de overheid is hierbij het gericht subsidiëren van innovatieve projecten (bijvoorbeeld met het nieuwe mediabudget binnen publieke omroepen), het stimuleren van netwerken en het ondersteunen van instellingen. Juist daar waar het gaat om cultuur en onderwijs zijn de afgelopen jaren veel activiteiten ontplooid.

Cultuur

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Laat culturele instellingen meer rekening houden met mediawijsheid. Zet bij projectfinanciering scherper in op visie, kennisdeling en samenwerking, met perspectief op continuïteit.

Vrijwel alle culturele instellingen maken gebruik van media. Dat kan uiteen lopen van het gebruik van nieuwe media om cultureel erfgoed te conserveren en toegankelijk te maken (Beelden voor de toekomst, Teleblik, collectiewijzer) tot het toegankelijk maken van concerten via het internet (Fabchannel). Daarnaast gebruiken instellingen als musea ict om hun collecties interactief te ontsluiten en ontstaan in de podiumkunsten mengvormen van theater, dans, beeld en geluid (Pipslab).

In de kunstensector voert het creatieve element meestal de boventoon. Creativiteit is van groot belang voor de ontwikkeling van nieuwe inhoudelijke en technologische toepassingen, waarmee mediawijsheid bevorderd kan worden. Toonaangevende instellingen zijn de Waag Society, V2 en Mediamatic, die succesvolle producten/projecten hebben gerealiseerd op het gebied van mediawijsheid. Samenwerking van culturele instellingen, onderwijsinstellingen, gemeenten en anderen is noodzakelijk voor de bevordering van mediawijsheid en dient daarom gestimuleerd te worden. Het Virtueel Platform zou als expertisebureau voor eCulture innovatie een stimulerende rol kunnen spelen bij kennisuitwisseling. Ik heb het Virtueel Platform gevraagd een overzicht te maken van interessante initiatieven, dit is beschikbaar op www.mediawijsheid.org.

De huidige cultuurnotaperiode loopt tot en met 2008. De komende maanden worden met een aantal nieuwe media-instellingen rondetafelgesprekken gevoerd om te bezien hoe het verder moet met het beleid voor nieuwe media. Mediawijsheid wordt hierin meegenomen.

Een ander thema is het digitaal ontsluiten en beschikbaar stellen van ons erfgoed voor het onderwijs in een duidelijke context. De laatste jaren is veel geïnvesteerd in digitalisering, om zo audiovisueel materiaal, archieven en literatuur te ontsluiten en te conserveren. De gedigitaliseerde producten worden vaak verwerkt in nieuwe audiovisuele leermiddelen ten behoeve van het onderwijs. Aansprekende voorbeelden zijn de leerlijn media-educatie van het Nederlands Instituut voor Filmeducatie (NIF) en het project Beelden voor de Toekomst van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, het Nationaal Archief, de VOB, de Centrale Discotheek Rotterdam, de Stichting Nederland Kennisland en het Filmmuseum. In het laatste voorbeeld wordt op grote schaal audiovisueel materiaal gedigitaliseerd en ontsloten voor het onderwijs. Zodat interessant materiaal beschikbaar komt in een duidelijke context.

Bibliotheken

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– De rol van openbare bibliotheken moet worden aangescherpt en vastgelegd in afspraken voor de vorming van basisbibliotheken.

Bibliotheken worden meer en meer informatiebemiddelaars en fungeren als wegwijzer in het media-aanbod. De openbare bibliotheken worden landelijk vertegenwoordigd door de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB). De VOB bevordert initiatieven voor mediawijsheid, gericht op uiteenlopende doelgroepen, van kinderen en jongeren tot ouderen.

De VOB is zich ervan bewust dat een nieuwe digitale kloof ontstaat tussen achterblijvers en voorlopers. De achterblijvers blijken passief in de omgang met nieuwe media. De voorlopers halen er meer uit. Ze hebben een blog, beheren de website van een vereniging of dragen bij aan de Wikipedia-encyclopedie. Ze produceren dus zelf content, en oefenen actief invloed uit op de media.

De VOB wil bij de ontwikkeling van nieuwe toepassingen voor meer mediawijsheid samenwerken met andere organisaties. Voorbeelden zijn Teleac/NOT, RVU, het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en het Nederlands Instituut voor Filmeducatie. Zij kunnen gezamenlijk kennis bijeen brengen, uitwerken en presenteren aan een breed publiek.

Media

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Maak het bevorderen van mediawijsheid een expliciete taak van publiek gefinancierde mediaorganisaties.

Vrije media zijn onmisbaar voor een democratie. Met kranten, radio, televisie en internet kunnen burgers zich informeren over gebeurtenissen en standpunten. Politieke partijen, stromingen en belangengroepen gebruiken de media om hun ideeën uit te dragen.

Misstanden kunnen er aan het licht komen. Dat is één. Ten tweede geven media (mede) vorm aan culturele identiteit en diversiteit. Het zijn middelen voor betekenisverlening en zingeving op diverse niveaus; internationaal, nationaal, lokaal en binnen subculturen. Waarden en normen worden onder meer overgedragen en betwist via radio, televisie, websites, films, boeken, muziek etc. Radio en televisie bieden bij uitstek ook een podium aan andere kunstuitingen. Ten derde dragen media bij aan individuele ontplooiing van mensen. Burgers leren een leven lang, niet alleen in het onderwijs en op het werk, maar ook via media – meestal overigens spelenderwijs, terwijl zij zich ontspannen. Ten vierde dragen media bij aan economische groei.

Media hebben soms ook negatieve effecten. De meeste zorg betreft de schadelijke effecten voor de jeugd, bijvoorbeeld van seks en geweld op televisie of van reclame voor alcohol en tabak. Terecht is er ook maatschappelijke discussie over onzorgvuldige berichtgeving, hypes en haatzaaien. En de vermenging van redactionele inhoud met belangen van adverteerders en sponsors, kan burgers op het verkeerde been zetten. Het mediabeleid van het kabinet1 is primair gericht op het bevorderen van positieve effecten. Daarnaast gaat het mediabeleid negatieve effecten tegen, door wetgeving – bijvoorbeeld een verbod op tabaksreclame – en door zelfregulering te bevorderen, bijvoorbeeld met de Kijkwijzer voor ouders en kinderen (zie Jeugd, Geweld en Media2 ).

De publieke omroep ziet het als taak om als gids zoveel mogelijk orde te scheppen in het media-aanbod, zodat iedereen in staat is goede keuzes te maken. De publieke omroep besteedt ook aandacht aan media-educatie in de verschillende vormen van onderwijs, met lespakketten en gastcolleges. Dit leidt tot programma’s van de educatieve omroep (EDUCOM), die media-educatie als een vast thema in de programmering heeft opgenomen. Met het project Mediamind van de publieke omroep leren leerlingen bijvoorbeeld de achtergronden van de media en de publieke omroep kennen. Zo wordt de werking van radio, televisie en internet inzichtelijk gemaakt. Andere voorbeelden zijn de activiteiten van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG), Teleblik en de Reklamerakkers. Zie bijlage 3 voor een uitbreide omschrijving.

Overig

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Laat opleidingen journalistiek aandacht besteden aan mediawijsheid.

De raad vraagt om aandacht voor mediawijsheid in de opleidingen journalistiek. De kwaliteit en specifieke invulling van de journalistieke opleidingen is de verantwoordelijkheid van de betreffende instellingen1. Ze vallen immers onder het regime van accreditaties en visitaties binnen het hoger onderwijs. Initiatieven vanuit journalisten zelf, zoals de Nieuwe Reporter (www.denieuwereporter.nl), richten zich overigens wel op nieuwe media.

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Bij het stimuleren van mediawijsheid kunnen auteursrechten een probleem vormen. Onderzoek of auteursrecht in het digitale tijdperk een andere vorm moet krijgen.

Inzake het auteursrecht gaat het om een maatschappelijk acceptabele balans tussen de omvang van dat recht, het bevorderen van innovatie en de verspreiding van auteursrechtelijk beschermd werk. Op basis van eerder onderzoek kan worden verondersteld dat het auteursrecht als zodanig geen belemmering vormt voor het stimuleren van mediawijsheid, maar wel de manier waarop er uitvoering aan wordt gegeven.2

Om die reden stimuleert de Nederlandse overheid de totstandkoming van alternatieve auteursrechtelijke licentiesystemen, zoals Creative Commons, die meer geschikt zijn voor de toenemende digitale distributie. Creative Commons Nederland houdt zich onder andere bezig met de voorlichting over de creative commons licenties (www.creativecommons.nl).

Tevens moet geconstateerd worden dat het algemene besef onder gebruikers van wat wel en niet mag met inhoud die gevonden wordt op internet, verbeterd kan worden. Respecteren van rechten, zodat exploitatie voor de rechthebbenden aantrekkelijk blijft (op de wijze die hij verkiest), is elementair voor het op peil houden van creatieve productie.

Onderwijs

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Pas mediawijsheid in binnen actief burgerschap en sociale integratie.

In het onderwijs spelen media een belangrijke rol. Traditionele media (zoals kranten en televisie), maar zeker ook de nieuwe media. Als leermiddel, als communicatiemiddel (met en tussen ouders, leerlingen, docenten), maar ook als onderdeel van de leefwereld van kinderen en jongeren.

De sturingsfilosofie in het onderwijs kenmerkt zich door ruimte die individuele scholen hebben bij het uitwerken van het onderwijsprogramma. Het ministerie van OCW stelt kaders vast, stimuleert en faciliteert. Zo wordt stichting Kennisnet Ict op School gesubsidieerd om scholen te ondersteunen en te stimuleren bij het gebruik van ict in het onderwijs.

Dit geldt ook voor elementen die mediawijsheid raken. Scholen hebben ruimte om mediawijsheid in het onderwijs toe te passen en worden hierbij gestimuleerd en gefaciliteerd. Er zijn al veel initiatieven die toezien op aspecten van mediawijsheid, in bijlage 3 is een aantal weergegeven. Ze zijn echter niet altijd eenvoudig te vinden voor de gebruikers. Ik zal stichting Kennisnet Ict op School vragen deze en andere initiatieven toegankelijk te maken voor het onderwijs.

Daarnaast is in het bijzonder de relatie tussen mediawijsheid en burgerschap interessant.

Burgerschap

Zoals de Raad voor Cultuur aangeeft zijn mediawijsheid en actief burgerschap nauw verweven. Vanaf 1 september 2006 zijn scholen in het primair en voortgezet onderwijs wettelijk verplicht aandacht te besteden aan actief burgerschap en sociale integratie. Scholen moeten daarmee aandacht besteden aan de ontwikkeling van «de bereidheid en het vermogen van hun leerlingen om deel uit te maken van de gemeenschap en daar een actieve bijdrage aan te leveren».

De wet schrijft niet heel specifiek voor hoe ze dat moeten doen. Scholen kunnen hierbij wel ondersteuning krijgen van de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO). De SLO gaat als nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling met de onderwijspraktijk en ondersteunende instellingen inspirerende kernleerplannen maken en zullen het huidige lesmateriaal screenen op actief burgerschap en sociale integratie. Op www.kennisnet.nl is daarnaast een themasite over burgerschap te vinden.

Het programma Cultuur en School zet in op een integrale benadering van cultuureducatie in het onderwijs, als onderdeel van andere vakken. Cultuureducatie omvat ook media-educatie (net als kunst-, erfgoed en literatuureducatie, leesbevordering en omgevingsonderwijs) en kan jongeren inzicht geven in hoe media werken, zodat leerlingen zowel actief als receptief met media kennis kunnen maken. Met de regeling Cultuurprofielscholen uit 2002 hebben 22 scholen subsidie gekregen om zich te profileren op het gebied van cultuureducatie.

Op dit moment zijn er 6 scholen (Etten-Leur, Newman, Groenewoud, Zandvlietcollege, Heerbeek, Bogerman en Sintermeerten) die daarbij hebben gekozen voor media-educatie. Binnen de regeling cultuurprofielscholen uit 2004 hebben zij diverse good practices op het gebied van media-educatie ontwikkeld.

– www.cultuurenschool.nl

Ruimte voor scholen

De overheid geeft scholen steeds meer ruimte om eigen keuzes met betrekking tot het schoolbeleid en de uitwerking daarvan in schoolspecifieke onderwijscurricula te maken. Zo legt de overheid in steeds globalere omschrijvingen vast wat leerlingen moeten leren.

Sinds augustus 2006 zijn zowel in het basisonderwijs als in de onderbouw van het voortgezet onderwijs 58 nieuwe kerndoelen van kracht gegaan, gegroepeerd rond zeven domeinen1. Deze kerndoelen zijn globaal van aard zodat scholen ruimte hebben om hier deels zelf hun invulling aan te geven. De scholen werken de kerndoelen uit in een onderwijscurriculum dat is toegespitst op de eigen leerlingenpopulatie.

In de kerndoelen primair onderwijs Nederlands, Engels, Rekenen en Wiskunde wordt expliciet genoemd dat «de leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, te ordenen en te beoordelen op waarde voor hemzelf en voor anderen». Ook elders wordt aandacht besteed aan de vaardigheden die van ieder mens in een informatiesamenleving worden gevraagd. Bijvoorbeeld in het domein mens en maatschappij. Er wordt aan het einde van de basisschool een kritische houding van de leerling verwacht.

De onderbouw van het voortgezet onderwijs combineert het funderende karakter van het basisonderwijs met het oriënterende karakter van de eerste fase van het voortgezet onderwijs. Inhoudelijk gaat het om basiskennis en -vaardigheden die de samenleving voor alle leerlingen van belang vindt voor een goed maatschappelijk functioneren, nu en later.

In 2007 zullen de eindtermen van de eindexamenprogramma’s van havo en vwo eveneens globaler zijn geformuleerd (in iets mindere mate door de eisen die het centraal eindexamen zal blijven stellen). Maar ook nu zijn de aanknopingspunten voor mediawijsheid legio (zie bijlage 2).

In 2006 is in navolging op de invoering van de lumpsum in het voortgezet onderwijs, de lumpsumfinanciering in het primair onderwijs van kracht gegaan. De mogelijkheden voor integraal, samenhangend onderwijs of zelfs profilering zijn en worden met al deze maatregelen steeds verder vergroot.

Scholen zijn dus wettelijk verplicht om aandacht te besteden aan actief burgerschap en sociale integratie en om de wettelijke kaders (kerndoelen en eindtermen) in acht te nemen, maar krijgen tegelijkertijd voldoende ruimte om deze zaken en vooral ook de zaken die ze zelf als prioriteit zien, verder vorm te geven.

Mijn conclusie is dat de wet burgerschap en mediawijsheid goed op elkaar aansluiten en dat scholen voldoende ruimte hebben dit verder vorm te geven.

Veilig internetgebruik

Internet biedt veel kansen. Er kan echter ook sprake zijn van schadelijke invloeden van internetgebruik, met name daar waar het gaat om jongeren. Mensen die mediawijs zijn zullen beter met de risico’s kunnen omgaan. Daarnaast zijn er diverse initiatieven gericht op het verbeteren van de weerbaarheid van jongeren en het tegengaan van schadelijke invloeden.

Activiteiten over veilig internetgebruik gerelateerd aan stichting Kennisnet Ict op School:

– Davindi (onderwijszoekmachine) en Davindi door leerlingen

– portal www.kennisnet.nl die toegang biedt tot praktische informatie die direct toepasbaar is in het onderwijs

– diploma veilig internet (voorlichtingsmateriaal voor PO omtrent veilig internet)

– speciale website burgerschap.kennisnet.nl

– workshops voor docenten en ouders (PO en VO) over veilig internet voor jongeren

– website http://veilig.kennisnet.nl met informatie en handreikingen over veilig internetgedrag

– Thinkquest.nl onderwijs webstrijd

Voor een uitgebreide beschrijving zie bijlage 3.

Stichting Kennisnet Ict op School is de publieke ict-ondersteuningsorganisatie van, voor en door het onderwijs. De stichting behartigt de belangen van de Nederlandse onderwijssector op het gebied van ict, biedt hulpmiddelen bij het maken van keuzes voor ict-producten en diensten en levert educatieve diensten en producten om het leren te vernieuwen. Een van de diensten van stichting Kennisnet Ict op School is de portal www.kennisnet.nl. Deze portal biedt toegang tot educatieve content, praktische ict-producten en onderwijsinformatie voor docenten, managers, ict-coördinatoren, leerlingen en ouders uit het primair, voortgezet en beroepsonderwijs. Verder geeft Kennisnet voorlichting over de toepassing van haar eigen ict-diensten én ontwikkelt het zelf nieuwe internettoepassingen. De portal biedt scholen een mogelijkheid om in een veilige context internet in de klas te gebruiken. Onderdeel van de portal is veilig.kennisnet.nl, waar scholen actuele informatie over veilig chatten en MSN, pesten via internet, en internetgedrag kunnen vinden. Inclusief handreikingen en links voor ouders, leraren, kinderen, scholieren, schoolmanagers en ICT-coördinatoren. Deze website is een onderdeel van de programmalijn «Veilig en eenvoudig» van het SURFnet/Kennisnet project. In de afgelopen vijf maanden waren er bijna negentienduizend unieke bezoekers.

In 2005 is het programma Digibewust van start gegaan. Het programma is een publiek-private samenwerking. Het is een schakelpunt, taken en verantwoordelijkheden worden niet overgenomen maar onderling verbonden om zo de samenhang te versterken en de effectiviteit te vergroten. In het programma worden bestaande initiatieven zoals de campagne Surf op Safe (SoS) en het programma KWINT ondergebracht. Voor het onderwijs is onder andere het diploma Veilig Internet ontwikkeld.

In het Actieplan tegen Geweld1 zijn in twintig projecten ruim honderd maatregelen tegen geweld geformuleerd. De projecten zijn niet alleen gericht op de bekende «brandhaarden» van geweld – zoals sport, het uitgaansleven en het openbaar vervoer – maar ook op de risicofactoren die agressief gedrag bevorderen, zoals het op jonge leeftijd kijken naar schadelijke geweldsbeelden. Vooral jonge kinderen zijn namelijk gevoelig voor het imiteren van gedrag uit hun naaste omgeving. In het Actieplan tegen geweld is de maatregel opgenomen om via het Nicam te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om kinderen op internet te beschermen tegen voor hen schadelijke beelden. Nicam is met de branche momenteel in gesprek om te bekijken hoe een en ander verder handen en voeten kan krijgen, bijvoorbeeld door eerst te concentreren op de Nederlandse aanbieders op internet en in het bijzonder de publieke omroepen. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang.

Dit jaar gaat de kinderwebsite over de Kijkwijzer online. Hierop kunnen jongeren lezen over de invloed van de media en krijgen ze tips om zo verstandig mogelijk om te gaan met voor hun schadelijke beelden.

Ook vanuit het bedrijfsleven zijn er interessante initiatieven. Zo heeft Planet Internet (KPN) het initiatief genomen voor de website Mijn Kind Online, dat tot stand is gekomen in samenwerking met Ouders Online, de grootste internet community voor ouders. De website ondersteunt ouders bij het veilig internetgebruik van hun kinderen.

Tijdens de conferentie over mediawijsheid zullen deze, en andere, voorbeelden worden besproken met een brede groep van vertegenwoordigers. Mede op basis hiervan kan worden bezien of er nog witte vlekken zijn en hoe deze kunnen worden ingekleurd.

Overig

Aanbevelingen Raad voor Cultuur:

– Stimuleer het aanstellen van mediacoaches.

De raad is van mening dat scholen gestimuleerd moeten worden om mediacoaches aan te stellen. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor hun personeelsbeleid. Zij hebben daarbij de ruimte om specifieke functionarissen aan te stellen en dit wordt gestimuleerd zodat leerkrachten meer tijd hebben voor hun primaire taken. Daar maken zij ook gebruik van. Op dit moment lijkt er geen aanleiding te zijn om scholen te stimuleren mediacoaches aan te stellen. Het hangt sterk van de school af of dit past. De openbare bibliotheek Capelle a/d IJssel draait een project rond mediacoaches in het basisonderwijs waar nog geen resultaten van bekend zijn.

In 1997 ging het groot project «ict in het onderwijs» van start. Aanvankelijk met een nadruk op de infrastructuur, maar al snel met een verschuiving naar vaardigheden, content en bewustzijn.

Belangrijkste instrumenten zijn de ict-bijdrage in de lumpsum van scholen en de subsidiering van stichting Kennisnet Ict op School. Deze stichting biedt veel instrumenten aan scholen. Ook op het gebied van kennis, vaardigheden en houding rond mediawijsheid.

– www.kennisnet.nl

– www.ictopschool.net

– www.minocw.nl/ict

Conclusie

Uit voorgaand overzicht van plannen en activiteiten op diverse terreinen blijkt dat de overheid en het veld activiteiten hebben gericht op mediawijsheid. Het palet aan activiteiten laat ons zien dat niet alleen de rijksoverheid een rol heeft in het bevorderen van mediawijsheid. Het is een onderwerp dat zich in alle geledingen van de maatschappij manifesteert waar (nieuwe) media een rol spelen. Het gaat erom dat partijen gezamenlijk, maar vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, aandacht besteden aan mediawijsheid. Dat het door aanbieders wordt meegenomen bij ontwikkeling van nieuwe producten, dat ouders hun kinderen in de gaten houden en voorbereiden, net zoals dit gebeurt op andere terreinen.

De Raad voor Cultuur heeft een reeks aanbevelingen gedaan, waarvan een aantal al in gang waren of zijn gezet. Maar dat is niet genoeg. Op een aantal aspecten is nog een verdieping wenselijk.

Wat betreft OCW ligt de nadruk nu op:

– Het bevorderen van kennisdeling en samenwerking, niet door het instellen van een apart instituut maar door het versterken van netwerken.

– Het zichtbaar maken van bestaande initiatieven door stichting Kennisnet Ict op School (gericht op het onderwijs) en het Virtueel Platform (vanuit cultuur).

– Het versterken van de relatie tussen mediawijsheid en burgerschap. De SLO en stichting Kennisnet Ict op School zal worden gevraagd bij de verdere ontwikkeling van materiaal rekening te houden met mediawijsheid.

– In het kader van de voorbereiding van de beleidsbrief cultuur zullen gesprekken worden gevoerd met nieuwe media-instellingen. Daarbij zal er ook aandacht zijn voor mediawijsheid.

– Digitalisering van culturele content zodat er interessant materiaal in een heldere context beschikbaar komt voor het onderwijs en anderen.

– Ten aanzien van de veiligheid op internet zijn er reeds veel verschillende initiatieven. Voordat ik met een plan van aanpak kom wil ik eerst bezien in hoeverre er nog aanvullende activiteiten nodig zijn1. Dit zal aan de orde komen tijdens de conferentie.

De invloed van mediawijsheid op de economie, concurrentiekracht en innovatie zal worden uitgewerkt op basis van het onderzoek ict-competenties van EZ en dit voorjaar in het kabinetsstandpunt worden verwerkt.

Daarnaast worden betrokken actoren uit verschillende invalshoeken op 12 oktober samen gebracht om gebruik te maken van de creativiteit van betrokkenen en kennis te delen. De conclusies hiervan zal ik u toezenden en zullen tevens beschikbaar komen op www.mediawijsheid.org.

BIJLAGE 1

Anderen over mediawijsheid

Het advies van de Raad voor Cultuur staat niet op zichzelf. Ook anderen hebben zich recentelijk uitgesproken over mediawijsheid.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Rathenau Instituut, brachten onder de titel De digitale generatie, onlangs het derde Jaarboek ICT en samenleving (2006) uit. Uitgangspunt daarin is dat voor de digitale generatie het gebruik van nieuwe media een tweede natuur is geworden. Oudere generaties bezien deze ontwikkeling vaak vanuit het oude mediale perspectief. Dat verklaart ten dele de bezorgdheid van menig oudere. Zij zien vooral de gevaren, de risico’s. Die zijn er ook, maar komen volgens de auteurs in een ander licht te staan als gekeken wordt naar de veranderende leefomgeving van jongeren. Het is daarom een taak van de overheid, van het onderwijs en van de cultuur- en mediasector zich van deze veranderingen bewust te zijn. Juist de ontwikkeling van het vermogen om de waarde van informatie te beoordelen en digitaal verworven kennis in te passen in de eigen leefwereld en op school is een belangrijke taak van het onderwijs.

De Europese Commissie heeft een referentiekader ontwikkeld ten aanzien van een «leven lang leren». Het gaat daarbij om de sleutelcompetenties – een combinatie van kennis, vaardigheden en houdingen – die elke burger nodig heeft voor persoonlijke ontplooiing en ontwikkeling, actief burgerschap, sociale insluiting en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt in de snel veranderende en in hoge mate onderling samenhangende wereld. Dit betreft communicatie in moeder- en vreemde talen, wiskundige competentie en basiscompetenties op het gebied van wetenschappen en technologie, digitale- en leervaardigheden, «interpersoonlijke, interculturele en sociale competenties en burgerlijke competentie», ondernemerschap en cultureel bewustzijn. Mediawijsheid zoals door de Raad voor Cultuur gedefinieerd hangt hier nauw mee samen.

De Europese Commissie heeft in haar voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement (in de raad...) over de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid (april 2004) een onderdeel opgenomen gericht op media-educatie. Ook komt de Europese Commissie naar verwachting (mogelijk nog in 2006) met een mededeling over «media literacy». De Europese Commissie heeft aangegeven van plan te zijn om in het voorjaar 2007 met een actieplan eSkills te komen.

Zoals in de inleiding aangegeven wordt de invloed van de (nieuwe) media vaak benaderd vanuit een problematiserend perspectief. Eén daarvan is de potentieel kwalijke invloed van media. Burgers, met name jongeren, zouden hiertegen, al dan niet door interventie van de overheid, actief beschermd dienen te worden. Recentelijk is hierover het advies «Wijzer Kijken» van de commissie Jeugd, Geweld en Media (ingesteld op initiatief van de staatssecretarissen van OCW en VWS) verschenen. De beleidsreactie met hierin een aantal maatregelen is op 2 juni 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden, op 27 juni heeft hierover een Algemeen Overleg plaatsgehad. Van belang is hierbij dat vooral ouders, opvoeders en aanbieders een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben en dat zij in staat moeten worden gesteld deze te nemen.

Een ander risico is dat er in de huidige, sterk gemedialiseerde maatschappij, mensen buitengesloten dreigen te raken omdat zij hun mediagedrag onvoldoende aanpassen aan de nieuwe ontwikkelingen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) spreekt in De digitale economie (2005) van een zogeheten digitale tweedeling, omdat een deel van de bevolking nooit internet gebruikt (28% in 2004). Nu veel informatie, soms zelfs exclusief, via internet beschikbaar komt, dreigt informatieachterstand voor diegenen die van internet geen gebruik maken. Het al dan niet internetten hangt sterk samen met leeftijd, waarbij opleidingsniveau tot op hoge leeftijd een rol speelt. Door het toenemende belang van internet en e-mail als bron van informatie en communicatie, wordt het hoe dan ook steeds belangrijker om in ieder geval op minimale wijze virtueel te kunnen participeren.

Overig onderzoek

Op verzoek van OCW heeft de Algemene Schoolleiders Vereniging (AVS) in het primair onderwijs in haar scholenpanel een enquête gehouden over mediawijsheid1. De uitkomst levert een wisselend beeld op over de rol die mediawijsheid zou moeten spelen op school. Op vrijwel alle scholen wordt «enigszins» tot«voldoende» aandacht besteed aan cognitieve vaardigheden in het gebruik van media en gelden regels ten aanzien van mobiel bellen, sms-en en msn-en. Van mediabeleid in brede zin is beperkt sprake (46% heeft geen mediabeleid). 72% vindt dat er meer aandacht moet komen voor het toenemende informatieaanbod, ook vindt een meerderheid dat er meer aandacht moet komen voor de schadelijke effecten van nieuwe media (70%). Op de vraag of schoolleiders een rol weggelegd zien voor nieuwe media in het bevorderen van burgerschap antwoordt 48% bevestigend; 42% vindt dat enigszins het geval.

Sommige scholen besteden vanuit identiteitsoverwegingen geen nadrukkelijke aandacht aan nieuwe media. Ook zijn er scholen die vinden dat het niet tot hun primaire taak behoort hier structureel aandacht aan te schenken. Dit moet minimaal als gezamenlijke verantwoordelijkheid met de ouders opgepakt worden. Alleen al, omdat toezicht en begeleiding vanuit de school beperkt is en de invloed van thuis en vrienden groot is, aldus een aantal respondenten.

Over de competenties van leerkrachten spreken de respondenten zich zorgelijk uit: slechts 19% vindt dat leerkrachten over de juiste competenties beschikken. Veel scholen ervaren een kloof tussen de competenties van leerkrachten en die van leerlingen.

BIJLAGE 2

Mediawijsheid in het onderwijs

Het advies van de raad geeft aanleiding tot een korte verkenning van de wijze waarop aandacht wordt besteed aan mediawijsheid in het onderwijs.

Kerndoelen basisonderwijs en onderbouw voorgezet onderwijs

Het hele pakket aan kerndoelen in het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs is bedoeld om alle leerlingen te voorzien van een pakket aan basiskennis- en vaardigheden. Scholen hebben alle ruimte om hier schoolspecifieke uitwerkingen en verdiepingen aan toe te voegen, waaronder het onderwijs in en met (nieuwe) media. Van de kerndoelen voor het primair onderwijs en voortgezet onderwijs zijn er ruim voldoende aanknopingspunten waarbij het mediawijs maken van leerlingen een rol kan spelen. Deze kerndoelen zijn aangegeven op www.mediawijsheid.org.

Eindtermen voortgezet onderwijs

Media-educatie en actief burgerschap zijn terug te vinden in de pre-ambule van alle vmbo-examenprogramma’s . Media-educatie komt aan bod in de eindtermen van de vakken Nederlands, moderne vreemde talen, maatschappijleer, geschiedenis, mode & commercie en grafiemedia en in de kunstvakken.

Media-educatie (vaak bijna expliciet met die naam), zowel in de ruime zin van «burgerschap» als in de meest enge zin van gebruik van media, is opgenomen in de verplichte examenprogramma’s van de volgende vakken van de bovenbouw vwo en havo: Nederlands, moderne vreemde talen, klassieke talen, algemene natuurwetenschappen, kunstvakken (beeldend en muziek), maatschappijleer, maatschappijwetenschappen, geschiedenis, filosofie, aardrijkskunde, economie, natuurkunde, informatica. Verder zijn eisen op het gebied van informatica, verzameling van gegevens en andere relevante vaardigheden opgenomen in de examenprogramma’s van in principe alle vakken.

Middelbaar beroepsonderwijs

In het kader van de nieuwe bestuurlijke verhoudingen in het MBO vindt het kabinet het van groot belang dat onderwijsinstellingen en hun regionale partners gezamenlijk regionale ambities formuleren en prestaties op gezamenlijk geformuleerde ambities zichtbaar maken. Verantwoording over regionale ambities en prestaties wordt in eerste instantie afgelegd aan de regionale partners (horizontale verantwoording in het kader van «good governance». In tweede instantie vindt verantwoording plaats richting de overheid. De nieuwe bestuurlijke verhoudingen zijn in de BVE-sector tevens het uitgangspunt voor de vormgeving en stapsgewijze invoering van een nieuwe systematiek voor het innovatiebeleid in de sector. Dit systeem is gebaseerd op de eigen verantwoordelijkheid van de sector voor innovatie. De systematiek houdt in dat binnen de thema’s van de landelijke innovatieagenda (voorbeelden van thema’s zijn: bevorderen doorstroom en ondernemerschap) de onderwijsinstellingen de ruimte hebben om met hun regionale partners afspraken te maken over welke innovaties daadwerkelijk ter hand zullen worden genomen. De onderwijsinstellingen ontvangen hiervoor een geoormerkt budget: de zogenaamde innovatiebox. Verantwoording vindt achteraf plaats en de resultaten worden jaarlijks gemonitord. Belangrijk element in de monitor is de regionale samenwerking.

Voor het middelbaar-beroepsonderwijs geldt dat onderwijsinstellingen gezamenlijk met hun regionale partners (kenniscentra en bedrijfsleven) regionale ambities formuleren. Om een diploma te halen moet een deelnemer voldoen aan eisen die beschreven staan in de eindtermen: een beschrijving van kennis, vaardigheid of inzicht. De eindtermen vormen eigenlijk de bouwstenen voor een kwalificatie (opleiding) en geven weer wat de gediplomeerde moet kunnen als hij/zij op de arbeidsmarkt start. De diploma-eisen worden door de ministers van OCW en LNV vastgesteld en vormen daarmee de wettelijke basis voor de instellingen om het onderwijs vorm te geven en voor de Onderwijsinspectie en Kwaliteitscentrum Examinering (KCE) voor het toezicht hierop. Het is echter aan de onderwijsinstellingen zelf om in de onderwijsprogramma’s invulling te geven aan het thema mediawijsheid.

Hoger onderwijs

Ook in het hoger onderwijs zijn instellingen in grote mate autonoom. Studenten zullen met mediawijsheid te maken krijgen wanneer het een onderdeel vormt van de opleiding. Daarbij zijn de instellingen vrij om hieraan invulling te geven. Iedere zes jaar wordt een opleiding beoordeeld voor bekostiging van de overheid. Dat gebeurt door het Nederlands Vlaamse Accreditatie-orgaan (NVAO) die toeziet op de kwaliteit van de opleiding. De inspectie van het onderwijs ziet erop toe dat men zich aan de wet houdt.

De lerarenopleidingen

De leraar speelt een grote rol in de vorming van een kind tot een zelfredzame burger in de maatschappij. Op basis van de op 1 augustus 2006 in werking getreden Wet op de beroepen in het onderwijs1 (BIO) zijn bekwaamheidseisen vastgesteld2 waaraan leraren die vanaf dat moment hun bevoegdheid halen, moeten voldoen. Mediawijsheid is geen apart onderdeel, maar er zijn voldoende aanknopingspunten om bij de bevoegde leraar «mediawijsheid» te verwachten, in het bijzonder waar het gaat om de in bekwaamheidseisen beschreven vakinhoudelijke en didactische competentie, die mede zijn geënt op de kerndoelen/eindtermen.

De Wet BIO bepaalt verder dat de leraar zijn bekwaamheid moet onderhouden. In het schoolplan wordt omschreven welke maatregelen en instrumenten daartoe worden ingezet. Bovendien wordt van iedere leraar een bekwaamheidsdossier bijgehouden. Scholen dienen de leraren in de gelegenheid te stellen om zich (bij) te scholen en hebben daarvoor ook middelen tot hun beschikking. Onlangs heb ik nog een convenant (Convenant professionalisering en begeleiding onderwijspersoneel in po en vo) met de scholen voor po en vo afgesproken, waarbij voor dit doel € 100 miljoen is toegekend. Het onderhoud van de bekwaamheid kan, indien de leraar en schoolleiding dat wensen, ook betrekking hebben op de kennis, vaardigheden en houding die leraren hebben met ict.

BIJLAGE 3

Bestaande initiatieven

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van een aantal belangwekkende initiatieven op het gebied van mediawijsheid. Dit overzicht heeft niet de pretentie compleet te zijn, of het overzicht te geven van de beste initiatieven. Het geeft wel een beeld van de breedte aan initiatieven.

Op www.mediawijsheid.org zal, mede in het kader van de voorbereiding op de conferentie, dit overzicht in een wiki vorm worden gepubliceerd. Deelnemers aan de conferentie en andere betrokkenen kunnen het overzicht zelf aanvullen en aangeven wat ze van bepaalde initiatieven vinden. Bij het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen initiatieven die vooral zien op het tegengaan van schadelijke gevolgen van internetgebruik door jongeren en initiatieven die ene bredere reikwijdte hebben.

Schadelijke gevolgen van internet

Veilig en eenvoudig

SURFnet en Kennisnet hechten er belang aan dat scholen en instellingen op een veilige manier gebruik maken van internet en ICT-diensten. In de praktijk blijkt dat veel gebruikers onvoldoende op de hoogte zijn over onveilige situaties die kunnen ontstaan. Gedrag is hierbij een aandachtspunt; wat doen leerlingen eigenlijk allemaal op internet en op welke wijze kunnen docenten ze begeleiden? Maar ook op het gebied van de techniek worden de noodzaak tot beveiliging en mogelijke problemen niet altijd onderkend.

Het Diploma Veilig Internet (DVI)

www.iksurfveilig.nl

Het DVI is een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van Economische Zaken, Stichting Kennisnet Ict op School, Stichting de Kinderconsument en Stichting Technika 10 Nederland. Doel van het DVI is om met een lespakket scholen en leerlingen, handreikingen te geven om op een veiliger manier om te gaan met de risico’s op internet. Hierbij is bewustwording van risico’s op internet een belangrijk onderdeel. Dit pakket is in twee schooljaren getest. Er is een pilot gedaan op 21 scholen in 2004/2005, die vervolgens is uitgebreid naar bijna 9000 leerlingen op 240 scholen in 2005/2006. In de uitgebreide pilot betaalden de scholen € 3,95 per leerling. De scholen hebben de afgelopen jaren positief gereageerd op het DVI. Besloten is om het lespakket in het komende schooljaar 2006–2007 gratis aan te bieden in digitale vorm. Stichting Kennisnet Ict op School heeft in het vervolgtraject een grotere rol.

Cursussen en workshops

Speciaal voor ICT-coördinatoren en docenten organiseren SURFnet en Kennisnet cursussen en workshops over nieuwe diensten en toepassingen.

Website veilig.kennisnet.nl

http://veilig.kennisnet.nl

Op de website veilig.kennisnet.nl vinden gebruikers uit het PO, VO en BVE actuele informatie, handreikingen en links over veilig internetten en computerbeveiliging. De website is zowel geschikt voor leerlingen, leraren, docenten, ouders, ICT-coördinatoren en schoolmanagers. Op veilig.kennisnet.nl zijn handreikingen en links te vinden voor ouders, leraren, kinderen, scholieren, schoolmanagers en ICT-coördinatoren. Deze website is een onderdeel van de programmalijn «Veilig en eenvoudig» van het SURFnet/Kennisnet project.

Campagnes

SURFnet en Kennisnet voeren bewustwordingscampagnes om verschillende groepen gebruikers in het onderwijs te informeren over een veilig gebruik van internet.

SURFnet maakt met de campagne «Laat je niet pakken!» studenten van middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs bewust worden van de maatregelen die zij zelf kunnen nemen om computers beter te beveiligen (www.laatjenietpakken.nl).

www.laatjenietpakken.nl

In de campagne «De wereld ligt open. Wijst u ze de grenzen?» van Kennisnet krijgen leraren en ouders tips aangereikt om leerlingen uit het basis- en voortgezet onderwijs te begeleiden bij het surfen, chatten en downloaden.

veilig.kennisnet.nl

Onderwijs WARP

Een WARP (Warning, Advice & Reporting Point) bestaat uit organisaties die op een overeenkomstige wijze hun processen en systemen hebben ingericht en biedt een netwerk voor het delen van informatie. Een WARP filtert de informatie over veiligheidsonderwerpen en zorgt ervoor dat de leden alleen informatie krijgen die voor hun situatie relevant is.

In de loop van 2006 voeren SURFnet en Kennisnet een inventarisatie uit naar voorbeelden van WARP’s in binnen- en buitenland. In samenwerking met GOVCERT.NL, de Waarschuwingsdienst.nl en het NICC wordt vervolgens een pilot gestart met een groep scholen. Scholen hebben namelijk dezelfde kenmerken en lopen immers tegen dezelfde soort problemen aan. Onderwijsinstellingen kennen grote aantallen gebruikers, die veelal minderjarig zijn. Daarnaast bestaat er binnen de instellingen een sterke behoefte aan specialistische kennis over beveiliging op het gebied van ICT en het gebruik van internet.

Digibewust

De afgelopen jaren is via verschillende initiatieven gewerkt aan bewustwording over het veilig gebruik van internet bij burgers en bedrijven. Vanuit de overheid waren de meest in het oog springende initiatieven de campagne Surf op Safe (SoS), het programma KWINT en de Waarschuwingsdienst. Daarmee is al veel bereikt.

De Tweede Kamer heeft in 2005 aangegeven de activiteiten rond dit thema te willen intensiveren. Gekozen is om een nieuw programma in het leven te roepen onder de naam Digibewust. In dat programma worden bestaande activiteiten als SoS en KWINT ondergebracht vanuit de gedachte dat deze activiteiten in samenhang beter tot hun recht komen. Met dit programma ontstaat een eenduidig instrument voor de uitvoering van allerlei activiteiten op het terrein van veilige elektronische communicatie.

Digibewust kent 4 pijlers:

1. Verstevigen publiek-private samenwerking: een goede samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en instellingen is de kern van Digibewust. Bedrijven, overheidsorganisaties en semi-publieke instellingen makkelijk kunnen aanhaken. Door deze samenwerking neemt de slagkracht van een ieder toe. Het programma fungeert als schakelpunt en neemt geen taken en verantwoordelijkheden van anderen over.

2. Bewustwording en voorlichting: de publiekscampagne die onderdeel uitmaakt van de pijler zal zich de komende jaren wisselend gaan richten op jongeren, senioren en MKB. In 2006 richt het programma zich vooral op jongeren, hun docenten en ouders. De site van Digibewust is voor het programma (www.digibewust.nl) een centraal communicatiemiddel.

3. Kwaliteitsbeleid van het MKB: met name in het midden- en kleinbedrijf wordt het belang van informatiebeveiliging vaak onvoldoende erkend. Het doel van deze pijler is dat het MKB veiligheid van elektronische communicatie als vanzelfsprekend onderdeel behandelt van een goede bedrijfsvoering.

4. Betere benutting van kennis: het gaat hier om het beter ontsluiten en uitwisselen van de aanwezige kennis over risico’s en veiligheid van elektronische communicatie in begrijpelijke vorm richting de verschillende gebruikers. Daarvoor bestaan platforms als Nationaal Platform Continuïteit Vitale ICT, Platform afstemming ENISA en Platform kennisuitwisseling R&D gebruikers.

Activiteiten die vanuit Digibewust voor jongeren ondernomen zijn of nog worden:

Digiraad: De Digiraad is 3 juli jl. officieel van start gegaan. In deze raad zitten jongeren tussen de 12 en 18 jaar. De bedoeling is dat de DigiRaad concrete adviezen oplevert voor beleidsmakers en het programma Digibewust. De DigiRaad geeft input voor en advies over voorlichtingsactiviteiten gericht op jongeren die binnen Digibewust worden opgepakt. Dit moet bijdragen aan effectievere voorlichtingsinstrumenten. Toetsing door doelgroep moet leiden tot de juiste activiteiten en betere producten opleveren.

Veilig Internet Dag 7 februari 2006: Het doel van de dag is het op Europees en nationaal niveau creëren van (pers)aandacht voor het thema internetveiligheid. Het Europese netwerk heeft ervoor gekozen om eenmaal per jaar een gezamenlijk evenement te organiseren, dat echter op nationaal niveau naar eigen inzicht kan worden ingericht.

DigiQuest: De DigiQuest is «een heftige speurtocht in de digitale wereld, voor jongeren van 8 tot 14 jaar». Het is een leuke, spannende manier om jongeren binnen hun eigen interessegebieden met de positieve en negatieve aspecten van de digitale wereld kennis te laten maken en ze spelenderwijs te leren hoe ze zich in die wereld het best kunnen gedragen.

Wachtwoordencampagne: De wachtwoordencampagne moet ervoor zorgen dat jongeren voorzichtiger omgaan met hun wachtwoord. Dat betekent niet alleen bewustwording maar ook gedragsverandering. Habbohotel, KPN, MSN, Kennisnet, Kaboem en TMF vormen het creatieve team dat de campagne uitwerkt. ECP.NL treedt op als coördinator van het geheel.

Digibox: Deze doos bevat al het belangrijke voorlichtingsmateriaal over veilige elektrische communicatie dat door verschillende partijen is uitgegeven en wordt in november als pilot bij ongeveer 2000 scholen uitgezet. In Zweden bleek deze aanpak een doorslaand succes.

Algemene initiatieven

Droombeek

www.droombeek.nl

Stichting Droombeek verzamelt verhalen in woord, beeld en geluid van (oud-)bewoners van Roombeek, de wijk in Enschede waar op 13 mei 2000 een vuurwerkfabriek ontplofte. Verhalen omtrent die gebeurtenis worden ontsloten en gedeeld met elkaar, om zo gezamenlijk geschiedenis te schrijven en toekomstplannen te maken. Op de website worden verhalen met filmpjes gekoppeld aan een locatie in de wijk. Aan de hand van deze portretten zijn in Roombeek een aantal wandelroutes uitgezet waarbij ze de verhalen van de inwoners van vroeger en nu kunnen beluisteren.

In dit project komt kennis vanuit verschillende expertises op een bijzondere manier samen. Welzijnswerkers zijn een sociale spin in het web en als geen ander op de hoogte van de verhalen en gebeurtenissen en het effect daarvan op de bewoners. Kunstacademie studenten zijn gespecialiseerd in het maken van een artistieke vertaling van die verhalen. Het Telematica Instituut levert de technische know-how en het Rijksmuseum Twente speelt een rol in het verbinden van verhalen met historisch materiaal.

De club van 100

sites.omroep.nl/clubvan100

Het doel van het tv en radioprogramma van de RVU «De Club van 100» is om via televisie en internet mensen te motiveren om maatschappelijk actief te worden. Er zijn beeldtelefoons geplaatst op openbare plekken in steden verspreid over het hele land, waar mensen hun oproep kunnen plaatsen. Dat gebeurt vaak in bibliotheken. De internetsite is een social networking site rondom maatschappelijke betrokkenheid, waar de mogelijkheid wordt geboden vraag en aanbod, probleem en oplossing op elkaar af te stemmen. Bezoekers die zich aanmelden kunnen een profiel aanmaken, een weblog bijhouden, en als belangrijkste contact maken met anderen. Hiermee wordt de mogelijkheid aan een goed idee geboden doorgang te vinden naar mainstream media als radio en televisie.

Cultuurprofielscholen (pilot): De Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur

www.k-s-e.nl

Met het project «Cultuurprofielscholen in het VO» zijn de afgelopen twee jaar twintig scholen door OCW in hun ontwikkeling tot cultuurprofielschool ondersteund. De katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur biedt diverse vakoverstijgende kunst en cultuurprojecten aan waarbinnen mediaeducatie centraal staat. Leerlingen krijgen in elk leerjaar les over de vraag hoe televisieprogramma’s, films, clips en documentaires tot stand komen. Door het kritisch bekijken en beoordelen van bestaande mediaproducten (reflectief) en door het zelf maken van nieuwe mediaproducten (productief), leren leerlingen welke keuzes er gemaakt kunnen worden in het totstandkomingproces van een mediaproduct. Media-educatie is op deze school een vakoverschrijdende vaardigheid waarmee gestreefd wordt naar samenhang tussen de vakken voor leerlingen en docenten.

Cursus media-educatie voor leerkrachten Primair Onderwijs

Door de bibliotheken in Zuid-Oost Friesland is een trainerstraject ontwikkeld voor leerkrachten uit het Primair Onderwijs. Bibliotheekmedewerkers krijgen een training over media-educatie in het Primair Onderwijs en kunnen de opgedane kennis in een cursusmodule van 1 dag aanbieden aan leerkrachten in hun werkgebied.

In deze cursus maken leerkrachten kennis met MSN, zoekstrategieën van leerlingen, beoordelen van gevonden informatie en een doorlopende lijn media-educatie. Hierbij worden verschillende digitale bibliotheekdiensten ingezet. Doel van de cursus is dat leerkrachten na afloop voldoende kennis en vaardigheden hebben om samen met de plaatselijke bibliotheek een doorlopende lijn media-educatie vorm te geven die past binnen het didactisch-pedagogische concept van de eigen school.

Teleblik

www.teleblik.nl

Teleblik stelt actuele en historische bronnen uit de archieven van de publieke omroepen en het polygoon journaal online ter beschikking aan het onderwijs. De huidige bronnen zijn bedoeld voor leraren en leerlingen van het basisonderwijs (groep 7 en 8) en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Vanaf najaar 2006 verschijnen versies voor de BVE sector en de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Het is een initiatief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid die de audio en video collectie beheren, Teleac/NOT voor de redactie en Kennisnet ICT op school voor de techniek en de integratie van Teleblik zoekfuncties binnen de zoekmachine Davindi.

Davindi

http://davindi.kennisnet.nl

Davindi is een onderwijscollectie voor leerlingen, docenten en ouders met meer dan 40 000 bronnen die verzameld, gecategoriseerd en gewaardeerd zijn door een redactie van docenten en bibliothecarissen. De collectie bestaat uit websites, afbeeldingen, documenten en videoclips die bruikbaar en nuttig zijn voor het onderwijsveld en via het internet bereikbaar zijn. Iedereen kan interessante sites aanmelden bij de redactie voor opname in Davindi. Naast door de redactie verzamelde bronnen worden er binnen Davindi ook een aantal (delen van) collecties ontsloten als SchoolTV, Geheugen van Nederland, 3VO en Kennislink. Davindi kreeg 2 155 209 bezoeken en ruim 7 miljoen zoekopdrachten in het eerste halfjaar van 2006.

In «Davindi door leerlingen» werken leerlingen in eigen gevormde redacties aan de vulling van Davindi voor de 7 leergebieden. Ze zoeken bronnen die ze zelf interessant vinden, discussiëren daarover in hun redactie om ze vervolgens aan te melden voor hun eigen Davindi met een formulier. Ook geven de leerlingen uit de redacties les aan leerlingen in de onderbouw over de informatievaardigheden die zij hebben geleerd.

Jeugdkrakercompetitie

sitegenerator.bibliotheek.nl/jeugdkrakers

De landelijke jeugdkrakercompetitie (JKC) is een initiatief van de Vereniging van Openbare Bibliotheken en beoogt de digitale zoekvaardigheden bij leerlingen en leerkrachten van groep 7en 8 in het Primair Onderwijs te vergroten. Schoolteams spelen in deze digitale zoekwedstrijd op internet tegen elkaar. De wedstrijd bestaat uit verschillende rondes waarin uiteindelijk 2 teams overblijven die de finale spelen. De vragen die tijdens de verschillende rondes worden voorgelegd, sluiten aan bij gegeven vakken op school en stimuleren de leerlingen om internet te gebruiken als informatiebron. Ook verhoogt het de zoekvaardigheid van de leerlingen en leren zij stukken digitale tekst en afbeeldingen binnen te halen en die te verwerken in werkstukken. Jaarlijks wordt de JKC door meer dan 5000 leerlingen gespeeld.

Make-a-Game

http://gaming.kennisnet.nl

Kennisnet ICT op school en SURFnet hebben samen een wedstrijd ontwikkeld voor het maken van een educatieve game, door leerlingen van het voortgezet onderwijs, voor het voortgezet onderwijs, want de game moet bruikbaar zijn voor educatieve doeleinden. Een educatieve game is een game waarbij de speler iets leert: over een bepaald onderwerp, er wordt inzicht verkregen in een bepaald proces of er worden bepaalde vaardigheden geoefend. Door in teamverband een educatieve game te bouwen, moeten leerlingen zowel kennis als vaardigheden ontwikkelen. Het bouwen van een educatieve game stimuleert leerlingen om vakoverstijgend te denken en te werken. De coach kan dit stimuleren door het team te adviseren om anderen (docenten of leerlingen) te betrekken bij het bouwen van de game.

Media Smart in Engeland, Reklame rakkers in Nederland

www.mediasmart.org.uk, www.reklamerakkers.nl

Stichting Reklame Rakkers in Nederland is geïnspireerd op de bewustwordingscampagne Media Smart uit Groot-Brittannië, dat tot doel heeft het commerciële bewustzijn van kinderen tussen 6 en 11 jaar oud op school te vergroten. Kinderen worden op school geleerd een kritische kijk op commerciële boodschappen te ontwikkelen, waarmee ze beter in staat zijn keuzes te maken. In Nederland is Stichting Reklame Rakkers in 2004 opgericht in samenwerking met een groot aantal organisaties binnen (semi)overheid en bedrijfsleven. Er worden activiteiten ontwikkeld zoals lesmaterialen voor scholen over media (Media Makkers) en over reclame (Reklame Rakkers), een informatiepakket voor ouders, periodiek marktonderzoek, een voorlichtingcampagne, ouderavonden, jaarlijkse evenementen en congressen.

Ongekendtalent

www.ongekendtalent.nl

Met deze website biedt de NCRV een podium voor beginnende bands en kleinkunstenaars. Op dit moment staan al meer dan 6000 songs online van bijna 3500 artiesten. De omroep doet nu hetzelfde voor film- en videomakers in www.videotalent.nl. De filmpjes zullen ook op TV verschijnen, bij programma’s als Man Bijt Hond en De Verbouwing van Frans Bromet. Met www.dichttalent.nl krijgen beginnende en gevorderde dichters de kans een groot publiek te bereiken. Met deze initiatieven stimuleert de NCRV de creativiteit en producentschap van jong talent in verschillende media. Het zijn crossmedia producties voor internet, radio en televisie.

In het 3FM-programma BuZz wordt aandacht besteed aan de tien meest populaire songs, de laatste nieuwtjes en OngekendTalent-events. Websurfers en luisteraars kunnen op de hoogte worden gehouden van de nieuwe bands en songs. De uitzendingen worden exclusief aangeboden voor Podcasting en zijn niet via de ether te beluisteren.

ThinkQuest

www.webplek.thinkquest.kennisnet.nl

ThinkQuest is een onderwijs webstrijd. Ieder schooljaar worden hiermee scholieren, studenten en docenten van basis- tot hoger onderwijs uitgedaagd om in teamverband een educatieve, originele en interactieve website te maken. Dit innovatieve concept dat sinds 2002 onder het label van Kennisnet ICT op school valt is bedoeld om het gebruik van internet en ict in het onderwijs te stimuleren. De gemaakte websites kunnen als nieuw bron- of lesmateriaal worden ingezet in de klas. Deelnemers vergroten kennis over hun toekomstige beroep en werken aan competenties zoals: samenwerken, plannen, onderzoeksvaardigheden, creativiteit, onderwerpskennis en technische kennis. De docent kan zich toeleggen op het coachen van zijn leerlingen. De ThinkQuest organisatie ondersteunt de coach met adviezen, en faciliteert het ontwikkelproces met een deskundige ict-helpdesk en door ruimte op de server ter beschikking te stellen aan de teams.

Vereniging van Openbare Bibliotheken

www.schoolbieb.nl, www.seniorenweb.nl

De Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) is de landelijke koepelorganisatie van de openbare bibliotheken. Namens en ten behoeve van de branche stimuleert en faciliteert zij de ontwikkeling van initiatieven op het terrein van de mediawijsheid. In www.schoolbieb.nl is bijvoorbeeld een doorlopende lijn media-educatie voor kinderen en jongeren opgenomen. Hierin is voor iedere leeftijdscategorie een programma opgenomen waarin mediavaardigheden worden uitgebouwd.

Voor ouderen zijn in nauwe samenwerking met www.seniorenweb.nl computercursussen ontwikkeld die door deze organisatie in de bibliotheek aan ouderen worden gegeven. Deze cursussen zijn zeer succesvol en hebben een groot bereik. Via e-learning zijn programma’s ontwikkeld rond informatievaardigheden die specifiek gericht waren op laagopgeleiden.

Initiatieven van het ministerie van BZK

De activiteiten van het ministerie van BZK op het gebied van mediawijsheid betreffen de volgende drie beleidsthema’s: transparantie, dienstverlening en e-participatie.

Transparantieprojecten

Transparantie gaat over het aanbieden van wat democratische basisinformatie genoemd wordt. De burger in zijn rol als staatsburger moet in staat worden gesteld om zijn rechten en plichten tegenover de overheid een adequate invulling te kunnen geven. In de loop van de jaren is een groot aantal transparantieprojecten op de rails gezet.

1. In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft Advies Overheid.nl transparantieprojecten gestart gericht op twee hoofddoelstellingen:

– Het vergroten van de hoeveelheid overheidsinformatie op het internet. Meer specifiek gaat het hier om actieve openbaarmaking van zaken als (decentrale) regelgeving, vergunningen en bekendmakingen;

– Het vergroten van de vindbaarheid van overheidsinformatie en overheidsdiensten. Meer specifiek gaat het hier om het verbeteren van de zoekmachine van Overheid.nl, het toevoegen van metadata aan overheidsdocumenten, verbeteren van de kwaliteit van overheidswebsites (op basis van de Overheid.nl Webrichtlijnen), het op elkaar afstemmen van de verschillende door overheidsorganisaties gebruikte productencatalogi en het op internet ter beschikking stellen van databases van de rijksoverheid.

2. De komende jaren gaat de rijksoverheid samen met gemeenten en uitvoeringsorganisaties werken aan één loket waar burgers met al hun vragen aan de overheid terecht kunnen: het Contactcenter Overheid (CCO). De gemeenten worden de eerste ingang voor vragen aan de hele overheid.

3. De burgerservicecode (BSC) van Burgeroverheid bevat normen voor de digitale relatie tussen de burger en de elektronische overheid. De code is opgesteld vanuit het perspectief van de burger en bevat tien normen/eisen waaraan digitale contacten moeten voldoen. Elke norm is tweezijdig geformuleerd: als een recht van de burger en als een hiermee corresponderende plicht van de overheid. Normen hebben betrekking op zaken als vindbaarheid, begrijpelijkheid, ontvankelijkheid en keuzevrijheid in kanalen.

Dienstverlening

Bij dienstverlening gaat het over de relatie tussen de overheid en de burger als klant van overheidsdiensten. Het elektronische loket wordt meer en meer een volwaardig kanaal naast de fysieke balie. Doelstelling voor 2007 is om tot 65% elektronische dienstverlening te komen. Per ultimo 2005 is een dienstverleningspercentage van 55% gerealiseerd. Het gaat hier om de dienstverlening van gemeenten, provincies, Rijk en waterschappen. De 65% norm geldt zowel voor diensten aan burgers als voor dienstverlening richting bedrijven.

Meer geavanceerde vormen van dienstverlening (informatie en diensten op maat) zoals gepersonaliseerde dienstverlening is mogelijk geworden dankzij DigID (digitale identiteit). Burgers kunnen dankzij een gebruikersnaam en een password gerichte informatie ontvangen op basis van een zelfgekozen profiel (bijvoorbeeld alle bekendmakingen in een bepaald postcodegebied), ze kunnen de status volgen van hun aanvragen, zelf hun eigen gegevens beheren, etc. Het project PIP (persoonlijke Internetpagina) is erop gericht deze mogelijkheden en ontwikkelingen een stap verder te brengen.

E-participatie

E-participatie is een traject in ontwikkeling bij BZK. Ook hier gaat het om de rol van de burger als staatsburger, en daarmee dus ook als mede-beslisser, mede-toezichthouder en mede-initiatiefnemer. Zaak is hier vooral om de dynamiek van allerlei groepen burgers op Internet te benutten en vernieuwing van onderop mogelijk te maken. Het uiteindelijke doel is het overbruggen van de kloof tussen overheid en burgers door meer interactie en betrokkenheid te organiseren. Op dit moment wordt gewerkt aan een actieplan dat allerlei initiatieven (zoals rond zaken als burgerpanels, e-petities, communityvorming, e-democracy, e-toezicht, zelf-organisatie van burgers, wijkinitiatieven etc.) een beleidsmatige duw in de rug moet geven.

Ict-competenties in de beroepsomgeving (EZ)

Momenteel laat EZ een onderzoek uitvoeren naar mogelijke tekorten aan ict-competentes van werknemers in het Nederlandse bedrijfsleven en overheid. De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat is de stand van zaken m.b.t. ict- en gerelateerde competenties van werknemer in hun beroepsuitoefening, nu en in de nabije toekomst? Als zich problemen voordoen m.b.t. aanbod en vraag van deze competenties,in welke sectoren en bij welke typen bedrijven spelen die dan en wat zijn de (mogelijke) oplossingen? De resultaten van het onderzoek zullen worden gepresenteerd en getoetst tijdens een werkconferentie met bedrijfsleven en onderwijs. Deze werkconferentie wordt op 15 november door EZ in samenwerking met VNO-NCW georganiseerd. De conferentie zal een aantal acties moeten opleveren die het veld zelf en – indien nodig – de overheid zouden moeten oppakken om de gesignaleerde problemen en uitdagingen rond ict-competenties aan te gaan.

In het voorjaar van 2007 zal het kabinet haar visie sturen op het onderwerp ict-competenties: wat is stand van zaken, zijn er knelpunten, wie kan deze oplossen? Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan het belang van ict-competenties voor innovatie.

BIJLAGE

Bescherming jeugdigen tegen schadelijke geweldsbeelden, alcohol, tabak en gokverslaving

Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en gezonde ontwikkeling van hun kinderen. Dat laat onverlet dat ook andere volwassenen verantwoordelijkheid dragen voor de bescherming van jeugdigen tegen voor hen schadelijke invloeden. Dit geldt in het bijzonder voor aanbieders van schadelijk te achten producten als alcohol, tabak, kansspelen en films waarin voor jeugdigen mogelijk schadelijke beelden vertoond worden. Op verschillende wijzen heeft de wetgever gemeend jeugdigen tegen dergelijke schadelijke invloeden te moeten beschermen door naast de ouders ook de aanbieders hierin verantwoordelijkheid te geven.

Voor de bescherming tegen schadelijke beelden is artikel 240a Sr van toepassing. Deze bepaling stelt, kort gezegd, strafbaar het aanbieden of vertonen van een afbeelding, voorwerp of een gegevensdrager, die beelden bevat waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor een persoon onder de 16 jaar, aan een minderjarige van wie de aanbieder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze jonger is dan 16 jaar. De wetgever heeft daarbij geen onderscheid gemaakt tussen gevallen waarbij het schadelijke beeldmateriaal wordt aangeboden of vertoond aan een onbegeleid kind dan wel een kind dat onder begeleiding van zijn ouders daarvan kennis wil nemen. Voor bioscopen betekent dit dat de wetgever de uiteindelijke beslissing over de vraag of het kijken naar een film in de bioscoop al dan niet schadelijk is voor een kind, uit handen van zijn ouders heeft genomen.

In het Algemeen Overleg over Jeugd, Geweld en Media van 27 juni 2006 is de Tweede Kamer er in dit verband op gewezen dat ook in andere, vergelijkbare situaties een soortgelijke afweging wordt gemaakt. Conform de toezegging tijdens dit AO gedaan, wordt de Tweede Kamer hierover bij dezen geïnformeerd.

Om alcoholmisbruik onder jongeren te voorkomen kent de regelgeving leeftijdsgrenzen. Dit is vastgelegd in artikel 20 van de Drank- en Horecawet. Het is strafbaar gesteld om jongeren onder de 16 jaar alcoholhoudende drank te verkopen. De leeftijdsgrens voor sterke drank ligt bij 18 jaar. Sinds 2000 moeten alle (commerciële) verstrekkers van alcohol de leeftijd van jongeren vooraf controleren. Het is een verstrekker van alcohol evenmin toegestaan iemand alcohol te verkopen als duidelijk is dat de verkochte drank doorgegeven zal worden aan een jongere.

Ook de Tabakswet stelt in artikel 8 leeftijdsgrenzen, door de verstrekking van tabak aan personen van wie niet is vastgesteld dat zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, strafbaar te stellen. Het is evenmin toegestaan iemand tabak te verkopen als duidelijk is dat het tabaksproduct kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Verkooppunten zijn verplicht duidelijk zichtbaar te melden dat aan personen jonger dan 16 jaar geen tabaksproducten worden verstrekt.

Ten slotte zijn er leeftijdsgrenzen gesteld in de Wet op de kansspelen, dan wel de op die wet gebaseerde regelgeving (Kansspelenbesluit en kansspelvergunningen). In het algemeen mogen personen die nog niet de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, gelet op de potentiële risico’s die gemoeid zijn met kansspelen, niet worden toegelaten als deelnemer aan een kansspel. Tevens is het de exploitant van een speelautomatenhal verboden personen onder de 18 jaar toegang te verlenen en bestaat er voor deze personen een verbod om in een speelautomatenhal aanwezig te zijn.


XNoot
1

Daarbij wordt conform toezegging aan de Tweede kamer ingegaan op de evaluatie van de pilots media-educatie.

XNoot
1

Kamerstuk 2005–2006, 29 326, nr. 11.

XNoot
2

Kamerstuk 2005–2006, 29 326, nr. 9.

XNoot
1

Kamerstuk 2005–2006, 29 326, nr. 10.

XNoot
1

Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap, Raad voor Cultuur, Den Haag, juli 2005.

XNoot
2

Kabinetsreactie op het WRR advies Focus op Functies, Kamerstuk, 2005–2006, 29 692 nr. 14, juni 2006.

XNoot
3

Jaarboek ICT en samenleving 2006, De Digitale Generatie. Den Haag. SCP en Rathenau Instituut, juni 2006.

XNoot
4

Kamerstuk, 29 326 en 30 300 VIII, nr 7.

XNoot
5

In het VAO Jeugd, geweld en media (12 september 2006) is toegezegd een overzicht te geven van activiteiten op het gebied van veilig internetgebruik.

XNoot
1

Media-educatie als integraal facet in het onderwijsprogramma, Raad voor Cultuur, 1996.

XNoot
2

Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap, Raad voor Cultuur, Den Haag, juli 2005, p. 18.

XNoot
1

De oorspronkelijke stuurgroep is in 2001 opgeheven en vervangen door een kleinere stuurgroep.

XNoot
1

Beleidsreactie op het briefadvies «Educatie en media» van de Onderwijsraad (februari 2006).

XNoot
2

Actieprogramma Andere Overheid: www.andereoverheid.nl.

XNoot
1

Zie ook www.m-ict.nl.

XNoot
2

Het Strategisch Ict-overleg bestaat uit sleutelpersonen in ict uit bedrijven, overheden, instellingen en wetenschap.

XNoot
3

Vaardigheden die nodig zijn om gebruik te kunnen maken van ict.

XNoot
4

Nederland in verbinding: Beleidskader voor de elektronische communicatie. Den Haag, 11 augustus 2006.

XNoot
5

Kennisinvesteringsagenda 2006–2013, discussienotitie van de werkgroep investeringsagenda van het Innovatieplatform, Den Haag, mei 2006.

XNoot
1

Kabinetsreactie Focus op functies, kamerstuk, 2005–2006, 29 692 nr. 14.

XNoot
2

Zie kabinetsreactie op het rapport Jeugd, Geweld en Media, kamerstuk, 2005–2006, 29 326, nr. 6.

XNoot
1

Kabinetsreactie Focus op functies, kamerstuk, 2005–2006, 29 692 nr. 14.

XNoot
2

Zie Ons creatief vermogen. Brief cultuur en economie. Gezamenlijke publicatie van de ministeries van EZ en OCW, oktober 2005.

XNoot
1

Dit betekent dat de kerndoelen ook anders gegroepeerd kunnen en mogen worden in het feitelijke onderwijsaanbod.

XNoot
1

Kamerstuk 2005–2006, 28 684, nr. 65.

XNoot
1

Hiermee wordt gereageerd op de motie Atsma (Kamerstuk 2005–2006, 29 326, nr. 9) waarin de regering wordt verzocht om met een plan van aanpak te komen gericht op het tegengaan van de schadelijke invloed van het internetgebruik op jeugdigen.

XNoot
1

Uitkomsten van het scholenpanel zijn te vinden op de website van de AVS: www.avs.nl.

XNoot
1

Staatsblad 2004, 406.

XNoot
2

Staatsblad 2005, 460.

Naar boven