Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629325 nr. 80

29 325 Maatschappelijke Opvang

Nr. 80 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2016

Zoals toegezegd tijdens het algemeen overleg maatschappelijke opvang op 9 maart 2016 (Kamerstuk 29 325, nr. 79) informeer ik u met deze brief over de stand van zaken rond opvang en beschermd wonen. Het kabinet streeft ernaar dat iedereen zo volwaardig mogelijk mee kan doen in de samenleving – ook mensen die niet zelfstandig of met hulp van hun netwerk kunnen voorzien in onderdak.

Het voorkomen van dakloosheid en het zorgen dat personen die dakloos zijn snel weer naar vermogen en zo zelfstandig mogelijk kunnen participeren in de maatschappij, vergt een inspanning vanuit meerdere beleidsterreinen. Denk hierbij aan inkomensbeleid, huisvestingsbeleid en jeugdbeleid. We zien problemen met opvang, begeleiding in de thuissituatie en beschermd wonen steeds meer in elkaar overlopen. Die meer integrale benadering is een goede ontwikkeling. Opvang heeft immers als doel een tijdelijk vangnet te zijn voor mensen. Tijdens het gebruik hiervan wordt zo goed mogelijk gekeken met welke hulp en ondersteuning iemand naar vermogen aan de samenleving kan deelnemen.

In het eerste deel van deze brief zal ik ingaan op maatschappelijke opvang, waarbij ik in het bijzonder de belangrijkste ontwikkelingen in de sector zal benoemen: integraal werken, cliëntenstromen, toegang en kwaliteit. In het tweede deel schets ik een aantal ontwikkelingen rondom beschermd wonen. Ik zal ingaan op acties die lopen om gesignaleerde knelpunten te ondervangen. Deze brief is daarmee ook mijn reactie op de punten uit het Actieplan Maatschappelijke Opvang van D66 en de brief van de zwerfjongerenorganisaties.

Maatschappelijke opvang

Tijdens het algemeen overleg sprak ik met uw Kamer over het gebrek aan landelijke gegevens over de opvangsector en de noodzaak om goed zicht te hebben op ontwikkelingen rond de kwetsbare doelgroep waar deze brief over gaat.

Ik heb hiertoe een schriftelijke uitvraag gedaan onder centrumgemeenten, ben in vier regionale sessies het gesprek aangegaan met centrumgemeenten naar aanleiding van de uitkomsten van de uitvraag en ik heb met een aantal wethouders doorgesproken over de centrale thema’s.

Uit de reacties op de gedane uitvraag onder centrumgemeenten constateer ik dat lokaal zicht wordt gehouden op de belangrijkste kerngegevens om, indien nodig, tijdig bij te kunnen sturen. Deze constatering is belangrijk omdat gemeenten immers verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van deze doelgroep en de verantwoording hierover aan de gemeenteraad. Vrijwel alle centrumgemeenten houden zelf gegevens bij over het aantal aanmeldingen, de instroom, doorstroom en uitstroom. Zij doen dit echter op uiteenlopende wijzen, bijvoorbeeld door periodieke gesprekken met de zorgaanbieders, via de verantwoordingsrapportages in het kader van de subsidieverstrekking, via een aparte monitor of een centraal cliëntvolgsysteem. Door de diversiteit in de manieren waarop gemeenten zicht houden op de opvang is het niet goed mogelijk deze gegevens te combineren tot een landelijk beeld. Ik ben momenteel in overleg met de VNG over de wijze waarop een landelijk beeld verkregen kan worden. Mijn voorkeur heeft het om maatschappelijke opvang mee te nemen in de doorontwikkeling van de gemeentelijke monitor sociaal domein. Tevens verken ik met de Federatie Opvang welke gegevens zij eventueel kunnen genereren via hun leden.

Op basis van de uitvraag onder centrumgemeenten en de regionale sessies kan ik de volgende conclusies trekken over de ontwikkelingen binnen de sector:

  • Integraal werken moet verder vorm krijgen;

  • Doorstroom dient te worden versterkt;

  • Landelijke toegankelijkheid behoeft nog steeds verbetering;

  • Sturing op kwaliteit wordt een belangrijk aandachtspunt voor gemeenten, aanbieders en professionals.

Hieronder werk ik deze uikomsten nader uit en geef ik aan welke acties worden ondernomen ter verbetering van geconstateerde knelpunten.

Integraal werken

Het voorkomen van dakloosheid en het zorgen dat mensen die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen weer naar vermogen kunnen participeren, vergt inspanning vanuit diverse domeinen. Het gaat om een kwetsbare groep mensen bij wie vaak veel verschillende problemen bij elkaar komen, zoals dakloosheid, schulden, werkloosheid, psychische problemen en middelengebruik. In toenemende mate zijn andere vragen dan zorg en Wmo-ondersteuning het startpunt: vragen over een plek om te wonen, financiën op orde krijgen en schuldhulpverlening, werk en opleiding voeren de boventoon. Dit vraagt van gemeenten en ketenpartners dat integraal wordt samengewerkt.

Integraliteit binnen gemeenten

Gemeenten geven aan dat langzaamaan de vruchten geplukt kunnen gaan worden van de decentralisaties, omdat gemeenten integraal verantwoordelijk zijn en dus integrale hulp kunnen bieden. Hiervoor moeten vaak wel interne schotten beslecht worden tussen zorg, wonen, schuldhulpverlening, participatie en publieke

gezondheid. Tijdens het algemeen overleg maatschappelijke opvang van 9 maart jl. is uitgebreid gesproken over de rol van schulden bij het ontstaan van dakloosheid en de ervaren problemen met de toegang tot schuldhulpverlening voor de doelgroep. Omdat schulden een rol spelen in bijna alle gevallen van dakloosheid is een integrale aanpak van ondersteuning en zorgen voor een stabiele financiële situatie belangrijk.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uw Kamer op 27 juni 2016 de kabinetsreactie op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening toegezonden1. In deze reactie wordt ook ingegaan op de toegang tot schuldhulp en acties om deze toegang te verbeteren. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uw Kamer tevens per brief van 1 juli 2016 geïnformeerd over de voortgang van het beleid rond (zwerf)jongeren, schulden en studiefinanciering2.

Integraliteit en ontschotting is ook een centraal onderwerp in de City Deal Inclusieve stad, die op 10 maart 2016 getekend is door de gemeenten Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht en Zaanstad, samen met de Ministeries SZW, BZK, en VWS. In deze deal hebben Rijk en gemeenten afgesproken te werken aan de ontwikkeling van betere ondersteuning aan kwetsbare personen of gezinnen. Hier valt de doelgroep waar het in deze brief over gaat ook onder.

In de Omgekeerde Uitvoeringstoets Maatschappelijke Opvang hebben experts werkzaam bij gemeenten, lokale en landelijke belangenorganisaties, in een zogenaamde «leerkring» knelpunten en oplossingen in de maatschappelijke opvang geïdentificeerd. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de rapportage met aanbevelingen. Ik zal deze bestuderen en in de volgende voortgangsrapportage aan uw Kamer inhoudelijk ingaan op de aanbevelingen. Ik zal de rapportage delen met mijn collega's van SZW, BZK en de VNG.

Integraliteit in samenwerking met andere ketenpartners

Voor de doelgroep waar deze brief over gaat is niet alleen samenwerking binnen en tussen het rijk en gemeenten van belang, maar ook met andere ketenpartners. Op de rol van woningbouwcorporaties, als belangrijke ketenpartner, ga ik later in deze brief in. Andere belangrijke ketenpartners zijn aanbieders van geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en verzekeraars. Uit de reacties van de centrumgemeenten blijkt dat deze samenwerking niet in alle regio’s soepel loopt. Dit strookt met de constateringen die het aanjaagteam Verwarde Personen heeft gedaan in haar eerste tussenrapportage die op 19 februari jl. aan uw Kamer is aangeboden.3 Voor gemeenten en hun partners zijn de bouwstenen die het aanjaagteam heeft ontwikkeld behulpzaam bij het integraal en concreet ondersteunen van mensen die verward gedrag vertonen, waar een deel van de doelgroep van maatschappelijke opvang onder valt. Het verbinden van verschillende onderdelen van een preventieve aanpak – wonen, arbeid, opvang – past hier bij en moet in de praktijk zichtbaar worden. In verdiepingsregio’s worden de bouwstenen beproefd en uitgediept, tevens zijn middelen vrijgemaakt om te komen tot een sluitende aanpak voor deze groep.

Gemeenten en verzekeraars hebben het initiatief genomen tot het opstellen van een samenwerkingsagenda. Deze samenwerking is van groot belang, bijvoorbeeld bij de financiering van de eerste opvang en beoordeling. Bij de eerste opvang is niet op voorhand duidelijk of iemand thuishoort in het gemeentelijk domein of het domein van zorgverzekeraars. Gevolg hiervan is dat gemeenten en verzekeraars soms naar elkaar verwijzen als het gaat om financiering.

Ook kan de samenwerkingsagenda helpen bij het inzicht in vraag en aanbod.

Zowel gemeenten als zorgverzekeraars hebben een verantwoordelijkheid in het leveren van (ambulante) zorg en ondersteuning. Gemeenten geven aan dat zij behoefte hebben aan inzicht in het beschikbare aanbod en aan afspraken met verzekeraars over het benodigde aanbod. Om dit te ondersteunen wordt door het Trimbos samen met gemeenten en verzekeraars een handvat ontwikkeld dat regionale partijen ondersteunt bij het opstellen van gezamenlijke agenda’s en regionale inzet om tot invulling van goede en goed afgestemde zorg te komen. Een dergelijk handvat kan een bindende factor zijn voor de regionale samenwerking en kan dienen als basis voor het gesprek dat de financiers van de zorg en ondersteuning aan mensen met ernstige psychische aandoeningen, moeten voeren met elkaar.

Cliëntenstromen

Uit de inventarisatie blijkt dat in veel centrumgemeenten de druk op de maatschappelijke opvang groot is. In reactie hierop wordt veelal ingezet op het verbeteren van de doorstroom en op preventie. Een aantal gemeenten, onder andere Amsterdam en Den Haag, heeft ook de opvangcapaciteit (fors) uitgebreid. Wat opvalt, is dat het per centrumgemeente verschilt welke groep een groot of groeiend beroep doet op de opvang. De groep «economisch daklozen» maakt een steeds groter deel uit van de totale groep daklozen. Gezinnen zijn een veel genoemde subgroep hiervan, net als jongeren. Sommige centrumgemeenten signaleren dat meer cliënten in de opvang terecht komen met flinke psychiatrische problematiek. Een klein aantal gemeenten signaleert een stijging van het aantal niet-westerse allochtonen dat op basis van de Wmo een beroep doet op de maatschappelijke opvang. Andere gemeenten herkennen dit signaal niet.

Gemeenten passen het traditionele opvangaanbod aan omdat zij constateren dat de ondersteuningsbehoeften voor een deel van de doelgroep voornamelijk liggen op het vlak van huisvesting en het op orde krijgen van de financiën. Zo is in Leeuwarden vanuit het wijkteam het initiatief ontstaan met ondersteuningsaanbieder Limor tot het ontwikkelen van het «MO-tel». Dit betreft een voorziening waarin cliënten tijdelijk gehuisvest worden en begeleiding krijgen bij het op orde krijgen van financiële zaken.

Doorstroom

Uit de signalen van zowel de aanbieders als gemeenten komt naar voren dat in sommige regio’s het gebrek aan doorstroommogelijkheden een knelpunt is. Dit heeft weerslag op het kunnen benutten van de maatschappelijke opvang als vangnetfunctie. Gebrek aan doorstroommogelijkheden kan verschillende oorzaken hebben. Zo is in gemeenten met een hoge druk op de woningmarkt de uitstroom uit de opvang en beschermd wonen een probleem, wat vervolgens ook consequenties heeft voor de instroommogelijkheden. Naast woonruimte is echter ook vaak begeleiding en schuldhulpverlening een bepalende factor.

Ik zie dat verschillende centrumgemeenten actief bezig zijn en afspraken maken met woningcorporaties. Bij het maken van afspraken over woonruimte wordt breder gekeken dan alleen de centrumgemeente zelf. Zo heeft Ede afgesproken met de regiogemeenten dat zij gebruik kunnen maken van het budget van de centrumgemeente voor begeleiding als zij beschikken over woonruimte, zodat iemand niet hoeft te wachten op een plek in de centrumgemeente zelf. Ook wordt er gekeken naar innovatieve woonvormen zoals spaceboxes, chalets en Skaeve Huse. Skaeve Huse is een prikkelarme woonvorm voor moeilijke huurders, die zich moeilijk kunnen aanpassen aan wonen in de wijk. Verschillende gemeenten zetten tevens in op Housing First. Zoals ik heb aangegeven in mijn eerdere voortgangsrapportage4, wordt bij Housing First zonder eisen vooraf zelfstandige woonruimte geboden in plaats van eerste opvang in een crisis- of woonvoorziening. Bij het verkrijgen van de zelfstandige woonruimte krijgen zij intensieve, integrale ondersteuning bij hun verdere herstel.

In de reactie op de tussenrapportage van het Aanjaagteam Langer zelfstandig wonen5 ben ik samen met de Minister voor Wonen en Rijksdienst al ingegaan op het thema doorstroom en op welke acties worden ondernomen. Tevens ontvangt uw Kamer op korte termijn een reactie op de brief van VGN, de Federatie Opvang, GGZ Nederland en de RIBW-Alliantie over het eindrapport van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen en het rapport «Een (T)huis voor iedereen», de QuickScan Wonen van de Federatie Opvang.

Kostendelersnorm

Sommige gemeenten signaleren dat het toepassen van de kostendelersnorm een beweging naar de opvang op gang brengt omdat het netwerk minder bereid is om mensen uit de doelgroep op te vangen en in te laten schrijven op een adres. Ik heb hier over doorgesproken met een aantal wethouders. Hierbij bleek dat het toepassen van de kostendelersnorm geen belemmering hoeft op te leveren voor tijdelijk verblijf. De gemeente Amsterdam stimuleert de opvang van deze doelgroep bij mensen thuis door het mogelijk maken van tijdelijke opvang bij een mede-Amsterdammer via het pilot project «Onder de Pannen», of tijdelijke opvang binnen het eigen netwerk via het concept «Vriendschappelijke opvang». De kostendelersnorm is daarop niet van toepassing.

Ik zal met de Staatssecretaris van SZW bespreken hoe bij gemeenten nog meer inzichtelijk gemaakt kan worden welke ruimte en instrumenten zij hebben met betrekking tot het toepassen van deze norm. Overigens is hier eerder al over bericht aan gemeenten. In de Verzamelbrief van 13 november 2015 heeft de Staatssecretaris van SZW verduidelijking gegeven over de toepassing van de kostendelersnorm. De kostendelersnorm is namelijk niet van toepassing als sprake is van tijdelijk verblijf. Op deze manier heeft de tijdelijke opvang van bijvoorbeeld een dakloze of een vluchteling geen effect op de bijstandsuitkering van de cliënt. Bij duurzaam verblijf dient de hoogte van de bijstandsnorm aangepast te worden aan de leefsituatie. Het is te allen tijde ter beoordeling van de gemeenten of het tijdelijk dan wel duurzaam verblijf betreft. Dit geeft gemeenten dus beleidsvrijheid voor deze groep en deze wordt ook als zodanig toegepast door meerdere gemeenten.

Toegankelijkheid

Landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang

Zoals ik u in de vorige voortgangsrapportage maatschappelijke opvang6 heb gemeld, ben ik op basis van het onderzoek «Landelijke toegang opnieuw bekeken» van het Trimbos-instituut nog niet tevreden met het niveau van de landelijke toegankelijkheid in de praktijk. Ik ben van mening dat op lokaal niveau waar nodig meer moet worden ingezet op verbetering, zodat wordt voldaan aan wettelijke verplichtingen.

Ik heb de colleges van alle centrumgemeenten een brief gestuurd waarin ik hen vraag mij te informeren over de acties die zij hiertoe ondernemen. Dit zou inzicht moeten bieden in de ontwikkelingen op lokaal niveau en geeft de mogelijkheid om bij te sturen – mochten de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. Ik verwacht deze zomer de informatie vanuit de centrumgemeenten te ontvangen. Na de zomer zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten. Daarnaast ben ik met de VNG en Federatie Opvang in gesprek hoe ik deze verbetering van de lokale praktijk kan ondersteunen.

Cliëntondersteuning

Een ander aspect dat raakt aan de toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang is cliëntondersteuning. Na de zomer zal ik uw Kamer een visie op (wmo brede) cliëntondersteuning sturen, afgestemd met de VNG, cliëntorganisaties en aanbieders van cliëntondersteuning. Ik zal daarbij ook ingaan op het onderwerp cliëntondersteuning voor kwetsbare mensen en de wijze waarop gemeenten het recht op cliëntondersteuning actief aanbieden voor alle burgers.

Tegelijkertijd ben ik in gesprek met de Werkplaats MO & COMO G4 om het onderwerp cliëntondersteuning voor de doelgroep van de maatschappelijke opvang versneld op de agenda te krijgen van de centrumgemeenten, de VNG en de overige gemeenten. Er zijn gemeenten die speciale aandacht besteden aan cliëntondersteuning voor deze doelgroep. Ik ga goede voorbeelden bespreken met de betrokken lokale projectleiders en cliëntorganisaties en vervolgens de opbrengsten daarvan delen met de VNG, andere gemeenten en aanbieders van cliëntondersteuning.

Inschrijving BRP en onverzekerdheid

De kabinetsreactie op de eerste tussenrapportage van het aanjaagteam verwarde personen beschrijft de maatregelen die in het kader van de aanpak van onverzekerdheid en het verstrekken van een briefadres worden genomen.7 Deze maatregelen bieden onder andere uitkomsten voor de problemen die worden ervaren rondom de toegang tot zorg, zoals ook aangegeven in het D66-plan van aanpak, en de knelpunten die jongeren beschrijven rondom het verkrijgen van een briefadres.

Kwaliteit

Sturing op kwaliteit en veiligheid lijkt nog niet overal een speerpunt te zijn. Om gemeenten hierbij te ondersteunen heeft heeft de VNG in het kader van het ondersteuningsprogramma Opvang en Beschermd wonen samen met de relevante veldpartijen een kwaliteitskader ontwikkeld voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Deze heb ik bijgevoegd8. De kwaliteitseisen beschrijven wat minimaal geregeld zou moeten zijn in maatschappelijke opvanginstellingen en beschermde woonvormen. Veiligheid is hierin ook een thema. Binnen dit kwaliteitskader zijn specifieke normen opgenomen voor de nacht- en crisisopvang, kinderen en gezinnen in de opvang en jongeren in de opvang. Gemeenten en aanbieders zijn positief over dit kwaliteitskader en kunnen het gebruiken bij het vormgeven van hun kwaliteits- en veiligheidsbeleid. Er zijn reeds voorbeelden van vernieuwende vormen van maatschappelijke opvang die een effect hebben op de kwaliteit van de opvang. Enschede heeft een 24-uursopvang met eenpersoonskamers. Men merkt hier duidelijk de positieve effecten op de veiligheid en kwaliteit van de opvang door het werken met eenpersoonskamers in plaats van de traditionele nachtopvangvormen.

Beschermd wonen

Door de decentralisatie van beschermd wonen en extramurale begeleiding zien gemeenten de scheidslijn tussen opvang, beschermd wonen en begeleiding in de thuissituatie vervagen. Gemeenten werken regionaal intensiever samen om meer samenhang te creëren tussen vormen van ondersteuning die momenteel primair bij de centrumgemeenten liggen (maatschappelijke opvang en beschermd wonen) en overige vormen van ondersteuning waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn. Innovatie van het aanbod is vaak gericht op het ontwikkelen van passende modules voor huisvesting en ondersteuning.

Deze ontwikkelingen sluiten goed aan bij de visie van de commissie Toekomst beschermd wonen (Commissie Dannenberg). Kern van deze visie is sociale inclusie van de doelgroep van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Dit houdt in dat deze mensen zoveel mogelijk in «gewone» woningen en wijken – in hun eigen sociale omgeving – begeleid en ondersteund moeten worden gericht op herstel en zelfredzaamheid. Op 22 juni jl. heeft bestuurlijk overleg tussen de Ministeries van BZK, VWS en de VNG plaatsgevonden over het advies van de Commissie Dannenberg. Afgesproken is dat zowel het Rijk als gemeenten zich gaan inspannen voor het realiseren van de visie. Concreet zijn de volgende afspraken gemaakt over de implementatie. Ten eerste is herbevestigd dat beschermd wonen een verantwoordelijkheid is van alle gemeenten conform de Wmo 2015. Hieruit voortvloeiend is afgesproken om het budget over alle gemeenten te verdelen. Door de middelen over alle gemeenten te verdelen, kunnen gemeenten beter invulling geven aan hun verantwoordelijkheid en meer inzetten op preventie, vroegsignalering en vernieuwende vormen van opvang en beschermd wonen. Ook kan zo meer synergie bereikt worden met «reguliere» vormen van ondersteuning vanuit de Wmo 2015 en andere vormen van gemeentelijke ondersteuning. De verdeling over alle gemeenten zal gebeuren per 1 januari 2020, volgens een objectief verdeelmodel.

In de tussenliggende periode gaan gemeenten aan de slag met de inhoudelijke doorontwikkeling van beschermd wonen, met de visie van de Commissie Dannenberg als uitgangspunt. Dit proces krijgt zijn weerslag in een plan van aanpak per regio. Nog dit jaar stellen gemeenten vast in welk regionaal verband samengewerkt zal worden en in 2017 moet dat leiden tot inhoudelijke regionale plannen die door alle betrokken gemeenten worden ondersteund. In deze plannen zullen gemeenten onder meer aandacht besteden aan de inhoudelijke visie, de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten, de wijze waarop zij als gemeenten samenwerken en de verdeling van het beschikbare budget beschermd wonen in de regio. Hierbij is door gemeenten inhoudelijk en beleidsmatig gekozen voor een geïntegreerde aanpak van beschermd wonen en maatschappelijke opvang.

Ook de regionale uitwerking van de landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen zal onderdeel van de plannen uit moeten maken. In november 2016 zal in samenspraak tussen het Rijk en gemeenten vastgesteld worden aan welke uitgangspunten de regionale plannen moeten voldoen. Het doel is hierbij te komen tot een sluitende aanpak van preventie tot re-integratie. Overigens heeft ongeveer een derde van de gemeenten al een regionaal beleidsplan waar men op voort kan bouwen, andere regio’s werken reeds aan een dergelijk plan.

Het budget voor beschermd wonen wordt de komende jaren uitgekeerd aan de centrumgemeenten volgens de huidige historische verdeling. Over de besteding van dit budget worden regionaal afspraken gemaakt, op basis van de plannen zoals hier boven beschreven. De volgende mijlpalen zijn verder afgesproken. In de zomer van 2016 wordt gestart met een werkgroep bestaande uit afvaardiging van het Ministerie van BZK, het Ministerie van VWS, de VNG, de Raad voor de financiële verhoudingen en, op voordracht van de VNG een aantal centrum- en regiogemeenten. Deze werkgroep krijgt als opdracht een voorstel te ontwikkelen voor een objectieve verdeling van beschermd wonen. Het voorstel dient tegemoet te komen aan de uiteenlopende behoefte van middelen van gemeenten, voortvloeiend uit de visie op beschermd wonen, zowel onderling als in de tijd bezien, en dient te passen binnen de systematiek van de algemene uitkering van het gemeentefonds. In november 2016 dient een eerste inventarisatie van de werkgroep gereed te zijn, waaruit een oordeel over de geschiktheid van bestaande modellen blijkt en een advies over eventueel benodigd vervolgonderzoek. In november 2016 kan tevens naar verwachting een besluit genomen worden over de vraag of één geïntegreerd verdeelmodel voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen mogelijk is. De werkgroep zal hiertoe ook met een voorstel komen. Het objectieve verdeelmodel met een verdeling van de middelen over alle gemeenten zal vervolgens gereed moeten zijn per 1 januari 2018, zodat het gepubliceerd kan worden in de meicirculaire van 2018. Op deze manier beschikken de gemeenten ruim voor invoering van de nieuwe verdeling over de hoogte van het budget voor hun gemeente.

Een ander punt wat in het verlengde van het voorgaande relevant is om te melden, is dat ik met gemeenten heb gesproken over het verdeelmodel maatschappelijke opvang. Bij de verdeling van de begeleidingsmiddelen die uit de AWBZ zijn toegevoegd is ook rekening gehouden met de decentralisatie-uitkeringen maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. In het bestuurlijk overleg van 25 april jl. tussen de VNG en VWS is ingestemd met het voorstel van de VNG om 50% van die middelen historisch te verdelen en 50% te verdelen volgens de objectieve verdeelmodellen. Voor de maatschappelijke opvang betekent dat een bevriezing op dat niveau, totdat meer duidelijkheid is over de implementatie van de visie van de commissie Dannenberg en de gevolgen voor het beleidsveld maatschappelijke opvang. Uw Kamer en gemeenten zijn hierover ook middels de recente meicirculaire geïnformeerd. Hiermee beschouw ik mijn eerdere toezegging om u hierover te informeren als afgedaan.

Tot slot

Zowel uit de contacten met de centrumgemeenten als de contacten met Federatie Opvang en het proces in het kader van de omgekeerde uitvoeringsimpuls blijkt een behoefte aan het actiever delen van voorbeelden. Tevens lijkt een behoefte te zijn aan het actief delen van informatie over de mogelijkheden die gemeenten en uitvoeringsorganisaties hebben bij het leveren van maatwerk op verschillende domeinen. Dit past goed bij de faciliterende rol van het Rijk in het sociaal domein. Ik zal met de VNG bezien hoe hier op effectieve wijze invulling aan gegeven kan worden, waar mogelijk gebruik makend van lopende trajecten. Om die reden zal ik de gevoerde regionale gesprekken rond maatschappelijke opvang in samenwerking met de VNG continueren voor de gehele breedte van dit werkveld en zal ik ook mijn bijeenkomsten hierover met een aantal betrokken wethouders voortzetten.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Kamerstuk 34 509, nr. 1.

X Noot
2

Kamerstuk 24 515, nr. 360.

X Noot
3

Kamerstuk 25 424, nr. 304.

X Noot
4

Kamerstuk 29 325, nr. 74.

X Noot
5

Kamerstuk 32 847, nr. 228.

X Noot
6

Kamerstuk 29 325, nr. 74.

X Noot
7

Kamerstuk 25 424, nr. 312.

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.