29 292
Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 24 februari 2004

I. Algemeen

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het verslag.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat dit wetsvoorstel de juridische lacune uit het eerder in werking getreden besluit lijkt weg te nemen. Daarnaast stelt een aantal fracties vragen. De regering verwacht in deze nota naar aanleiding van het verslag op deze vragen een helder antwoord te kunnen geven.

Voorafgaand aan de beantwoording van de vragen, hecht de regering eraan de bij de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie gehanteerde procedure en genomen stappen kort te schetsen. De behoefte hieraan wordt ingegeven door het feit dat een aantal vragen in het verslag niet zozeer betrekking heeft op het onderhavige wetsvoorstel, maar op het daadwerkelijke besluit tot invoering van de branchegewijze premiedifferentiatie.

In het regeerakkoord van 3 juli 2002 van de vorige regering is opgenomen dat Pemba per 1 januari 2003 zal worden afschaft voor kleine werkgevers en dat voor hen branchegewijze premiedifferentiatie zal worden geïntroduceerd. Aan die voornemens is op de volgende manier uitwerking gegeven. Allereerst is met het Besluit van 19 november 2002 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO in verband met het afschaffen van de geïndividualiseerde opslag of korting voor kleine werkgevers (Staatsblad 585) de nihilstelling van de opslag en korting voor bedrijven met een loonsom gelijk aan of minder dan 25 maal de gemiddelde loonsom geregeld per 1 januari 2003. Voorts is met het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO van eveneens 19 november 2002 geregeld dat per 1 januari 2003 de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden voor kleine werkgevers wordt beperkt tot die bedrijven die daarvoor uiterlijk 1 oktober 2002 een verzoek hebben ingediend en dat verzoek vervolgens gehonoreerd hebben gekregen. Tot slot is de invoering van de branchegewijze premiedifferentiatie en een eenmalige mogelijkheid om per 1 juli 2004 eigenrisicodrager te kunnen worden geregeld met het Besluit van 12 november 2003 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO en het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers (Staatsblad 474).

De regering heeft op deze wijze invulling willen geven aan het regeerakkoord op dit punt en de in de richting van het middenen kleinbedrijf gewekte verwachtingen willen inlossen. Het op nihil stellen van de opslag en korting voor kleine bedrijven is mogelijk gebleken per 1 januari 2003, terwijl branchegewijze premiedifferentiatie op zijn vroegst ingevoerd kon worden per 1 januari 2004. Gesteld voor de keuze om beide maatregelen in combinatie te introduceren per 1 januari 2004 en daarmee het risico op een forse premieverhoging voor kleine bedrijven nog één jaar te laten voortduren, dan wel de genoemde maatregelen te onderscheiden wat betreft hun invoeringsdatum, heeft het kabinet gekozen voor het laatste. Door de nu gevolgde handelwijze konden de forse financiële effecten van Pemba voor kleine bedrijven met ingang van 1 januari 2003 worden voorkomen. Deze keuze is toegelicht in de nota van toelichting bij het Besluit van 19 november 2002 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO in verband met het afschaffen van de geïndividualiseerde opslag of korting voor kleine werkgevers (Staatsblad 585). Genoemd besluit is de Tweede Kamer op 4 oktober 2002 in concept toegezonden (SOZA 02-670), met de mededeling dat het voornemen bestond het besluit op 15 oktober 2002 in het Staatsblad te publiceren.

De regering heeft het wenselijk geacht de Kamer te informeren over de toenmalige voornemens met betrekking tot de concrete uitwerking van de branchegewijze premiedifferentiatie. Dat is de achtergrond van de brief van 13 mei 2003 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2002/03, 28 629, nr. 10). In die brief is zowel de inhoud van de voor te stellen systematiek geschetst, alsmede de bij de invoering daarvan te hanteren procedure. In reactie op zojuist genoemde brief heeft de Kamer schriftelijk een aantal vragen gesteld (Kamerstukken II 2002/03, 22 187, nr. 137), welke op 26 juni 2003 zijn beantwoord (Kamerstukken II 2002/03, 22 187, nr. 139).

Hoewel, zoals boven gesteld, een aantal vragen in het verslag betrekking heeft op de gemaakte keuzes inzake de branchegewijze premiedifferentiatie en derhalve niet direct het onderhavige wetsvoorstel betreft, gaat de regering graag in op de behoefte van de leden van een aantal fracties aan beantwoording, nadere toelichting en verduidelijking wat betreft die keuzes.

(Bezwaar-/beroepszaken)

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de rechter 38 000 kleine werkgevers die bezwaar hadden aangetekend tegen de nieuwe WAO-premie, onlangs in het gelijk heeft gesteld.

De regering is een drietal uitspraken bekend waarin rechters hebben geoordeeld over beroepszaken1. In twee daarvan is de in beroep gekomen werkgever in het gelijk gesteld, in een derde zaak niet. Doordat in één rechtelijke uitspraak de in beroep gekomen werkgever niet in het gelijk is gesteld en doordat momenteel nog geen uitspraak in hoger beroep voorligt, is het in de ogen van de regering geenszins een uitgemaakte zaak dat alle werkgevers die bezwaar hebben aangetekend in het gelijk worden gesteld. Het is dus – anders dan de leden van de PvdA-fractie opmerken – niet zo dat alle in bezwaar gekomen werkgevers in het gelijk zijn gesteld. Overigens heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gemeld dat in totaal 36 000 en niet 38 000 bezwaarschriften door werkgevers zijn ingediend. Dat laat echter onverlet dat de regering van mening is dat er gelet op de rechterlijke uitspraken extra behoefte is aan het plegen van verduidelijkende wetgeving.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de rechterlijke uitspraken op bezwaarschriften over de Pemba-premiebeschikkingen 2003 precies luiden en welke consequenties de regering daaraan verbindt. Tevens vragen deze leden naar het verloop en het eventuele resultaat van beroepszaken. Ook de leden van de ChristenUnie vragen of er momenteel nog beroepszaken aanhangig zijn bij de rechter en zo ja, waarin die verschillen van de zaak waarover de rechtbank van Breda in november uitspraak heeft gedaan.

In de drie beroepszaken stond de vraag centraal of artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO zoals dat is komen te luiden per 1 januari 2003, (on)verbindend is. Twee rechtbanken (Breda en Zwolle) achten de betreffende bepaling onverbindend en stelden de in beroep gekomen werkgever in het gelijk. Deze uitspraken betreffen proefprocedures. Eén rechtbank (Rotterdam) acht de gewijzigde regelgeving niet in strijd met de formele wetgeving. Deze uitspraak betreft geen proefprocedure. Het UWV zal tegen de uitspraken, waarin de rechter de werkgever in het gelijk heeft gesteld, hoger beroep bij de Centraal Raad van Beroep (CRvB) instellen. Voor de volledigheid meldt de regering dat in naast de twee genoemde proefprocedures nog een drietal proefprocedures lopen (twee zaken bij de rechtbank Rotterdam en een zaak bij de rechtbank Amsterdam). In deze procedures lopen de beroepszaken nog. Tevens loopt er een aantal beroepszaken, niet zijnde proefprocedures.

De bovengenoemde uitspraken van de rechtbanken geven geen eensluidend antwoord op de vraag of voor artikel 4a van het besluit een voldoende basis in de WAO is terug te vinden. Uiteindelijk zal het oordeel van de CRvB hierover uitsluitsel moeten geven. De regering acht het niet gewenst dat de ontstane onduidelijkheid nog lange tijd bestaat.

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe opportuun de regering het acht een wetsvoorstel te behandelen, waarvan onderdelen thans onder de rechter zijn. Zij doelen in het bijzonder op de vraag of de premieopslag op nihil gesteld mag worden, omdat dit strijdig zou zijn met de wet. Weliswaar lijkt dit bezwaar met de huidige wet te worden weggenomen, maar daarmee intervenieert de regering wel in een rechtsproces. Bovendien is er, aldus deze leden, een juridische discussie over de vraag of de voorliggende wet wel met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 mag worden ingevoerd. De leden van de PvdA willen graag dat de regering serieus ingaat op de samenhang tussen wetgeving en rechtspraak in deze en hoe deze wetswijziging met terugwerkende kracht zich verhoudt tot de Aanwijzingen voor de Regelgeving. Daarin wordt verwezen naar de beleidslijn bij het toekennen van terugwerkende kracht aan belastende fiscale maatregelen, welke ook buiten het terrein van de fiscale regelgeving kan worden toegepast (zie Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nr. 3, blz. 13). Deze leden willen graag weten van welke «uitzonderlijke gevallen» sprake is bij deze wetswijziging, die de terugwerkende kracht van deze wetswijziging rechtvaardigen.

De regering deelt de mening van de leden van de PvdA-fractie dat de door deze leden aangehaalde juridische aspecten nadere beschouwing vergen. Graag wil de regering deze beschouwing geven.

Naar het oordeel van de regering is er geen juridisch bezwaar met betrekking tot de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 van het onderhavige wetsvoorstel. Indien de CRvB, evenals de rechtbank te Rotterdam, van oordeel is dat de wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO per 1 januari 2003 voldoende grondslag heeft in de WAO, zoals deze thans luidt, brengt het onderhavige wetsvoorstel geen wijziging in de aan de orde zijnde rechtsbetrekkingen, doch slechts verduidelijking dienaangaande. Indien de CRvB, evenals de rechtbanken van Breda en Zwolle, van oordeel mocht zijn dat de WAO, zoals die thans luidt, daartoe onvoldoende grondslag zou bieden brengt het onderhavige wetsvoorstel die grondslag alsnog aan en worden de betrokken rechtsbetrekkingen daarmee gewijzigd. Daartoe bestaan geen juridische belemmeringen, zoals ook blijkt uit het recente arrest van de Hoge Raad van 12 september 2003 (Zaaknr. 38 424; Weekblad fiscaal recht 6545, blz. 1495). Daarin heeft de Hoge Raad expliciet premieplicht met terugwerkende kracht ten gevolge van de Wet verduidelijking verzekerings- en premieplicht geaccepteerd over een jaar waarin, op grond van een eerder arrest van de Hoge Raad, geen premieplicht bestond. Gelet hierop ziet de regering juridisch geen belemmering voor behandeling van het onderhavige wetsvoorstel en acht zij behandeling juist opportuun.

Voor wat betreft de verhouding met de Aanwijzingen voor de regelgeving en in het bijzonder de vraag van welke «uitzonderlijke gevallen» sprake is bij deze wetswijziging, die de terugwerkende kracht van deze wetswijziging rechtvaardigen, merkt de regering het volgende op. Zoals ook weergegeven in de brief van de staatssecretaris van Financiën van 8 oktober 1996 (Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nr. 1) gaat het bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een uitzonderlijk geval waarbij aanleiding is voor het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling om een afweging van belangen. In de eerste plaats zijn de uitvoeringsgevolgen van belang. Indien in de reeds lopende procedures de CRvB van oordeel zou zijn dat de juridische grondslag ontbreekt, zou het UWV met betrekking tot de kleine werkgevers die tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de premievaststelling over 2003 over dienen te gaan tot herberekening van de premie via vaststelling van een individuele opslag of korting. Het daarmee gemoeide werk zet druk op de overige werkzaamheden van het UWV en genereert uitvoeringskosten. Ten tweede is er sprake van een budgettair belang voor de overheid. Aangezien het waarschijnlijk is dat slechts die werkgevers bezwaar hebben gemaakt voor wie die herberekening zou leiden tot een korting, zou aldus verlies van inkomsten in de Arbeidsongeschiktheidskas ontstaan van maximaal ongeveer € 25 mln. Tenslotte is van belang dat vanaf het moment van publicatie van het Besluit van 19 november 2002 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO in verband met het afschaffen van de geïndividualiseerde opslag of korting voor kleine werkgevers (Staatsblad 585) ook voor de belanghebbenden duidelijkheid heeft bestaan over de wijze waarop het kabinet per 1 januari 2003 de vaststelling van gedifferentieerde WAO-premie wilde laten plaatsvinden.

Op basis van bovenstaande concludeert de regering dat de terugwerkende kracht van deze wetswijziging te rechtvaardigen is, ook in de context van de Aanwijzingen voor de regelgeving in het algemeen en de «uitzonderlijke gevallen» in het bijzonder.

(Vormgeving branchegewijze premiedifferentiatie)

Een aantal fracties heeft vragen gesteld over de vormgeving van de branchegewijze premiedifferentiatie. Zo vragen de leden van de fracties van PvdA, VVD en ChristenUnie naar motivering van de keuze voor het sectorniveau in plaats van het brancheniveau. Met verwijzing naar de opvatting van MKB-Nederland vragen de leden van de PvdA-fractie een reactie op het idee de differentiatie op brancheniveau in plaats van sectorniveau te leggen. De leden van de VVD-fractie merken, eveneens onder verwijzing naar de opstelling van MKB-Nederland, op dat de indeling op sectorniveau nog vrij grof is. Dat zou veeleer actief gedrag van de branche bemoeilijken dan inspanningen van de branche ter beperking van de WAO-instroom stimuleren. Verdere verfijning zou een goede zaak zijn, zo refereren genoemde leden aan de opstelling van MKB-Nederland. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie wijzen op de mening van MKB-Nederland dat verdere verfijning van de differentiatie tot een betere prikkelwerking zou leiden en vragen de regering de verwachting dat van branchegewijze premiedifferentiatie voldoende prikkelwerking uitgaat, toe te lichten. De zojuist genoemde leden refereren hierbij aan het uitvoeringstechnisch commentaar van het UWV op het wetsvoorstel, waarin wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het toenmalige wetsvoorstel Pemba. Daarin is gesteld dat premiedifferentiatie per sector de individuele werkgever onvoldoende zou prikkelen.

De branchegewijze premiedifferentiatie is vormgegeven door de premies per sector te differentiëren. De regering erkent dat hiermee niet gekozen wordt voor het (lagere) brancheniveau, waarop sociale partners afspraken maken over beheersing van verzuim en WAO-instroom (in de vorm van arboconvenanten). Hiervoor geldt een aantal motieven. Met een keuze voor het sectorniveau wordt aangesloten bij het voor sociale verzekeringen bekende meso-niveau en wordt voorkomen dat voor de uitvoering een nieuw niveau wordt geïntroduceerd als aangrijpingspunt voor de premieheffing. Vanwege het ontbreken van een heldere afbakening in branches, zou hantering van het brancheniveau bovendien hebben geleid tot indelingsdiscussies. Bovendien zijn de premie-effecten groter naarmate het vereveningsniveau lager is. Omdat te forse premie-effecten juist de reden zijn om de oorspronkelijke methodiek aan te passen, verdient een te laag vereveningsniveau niet de voorkeur. Bij verevening tussen kleine werkgevers binnen branches zou van dergelijke effecten sprake kunnen zijn, reden waarom de regering daar niet voor kiest. Ten slotte speelt een rol de mogelijk beperkte duur waarvoor de premiedifferentiatie wordt ingevoerd. In de kabinetsverklaring naar aanleiding van het najaarsakkoord 2003 van de Stichting van de Arbeid is immers opgenomen dat onder voorwaarden Pemba zal worden afgeschaft. Tegen die achtergrond is het verplichten tot veel activiteiten en bijbehorende kosten voor de uitvoering niet goed verdedigbaar.

De afwijking ten opzichte van de passages in de Memorie van Toelichting bij het toenmalige wetsvoorstel Pemba, waarbij premiedifferentiatie op sectorniveau als onvoldoende prikkelend is beoordeeld, is evident. De regering wil dat ook niet verbloemen. De regering is nog steeds van mening dat van premiedifferentiatie op microniveau potentieel een grotere stimulans uitgaat op bedrijven dan van premiedifferentiatie op mesoniveau. Desalniettemin wijkt de regering nu af van de destijds gekozen variant. Deze afwijking is ingegeven door het voortschrijdend inzicht dat de financiële effecten van premiedifferentiatie indien deze wordt vormgegeven op het niveau van individuele bedrijven, voor kleine bedrijven bij nader inzien als te fors worden beschouwd.

(Eigenrisicodragen)

De leden van de fracties van PvdA, VVD en ChristenUnie stellen een aantal vragen over de mogelijkheid van eigenrisicodragen voor kleine werkgevers. De leden van deze fracties vragen, verwijzend naar MKB-Nederland, of nieuwe bedrijven na 1 juli 2004 eigenrisicodrager kunnen worden. De leden van de PvdA-fractie voegen daaraan toe de vraag of die bedrijven daarmee aan zouden kunnen sluiten bij voorzieningen die de betreffende branche hiervoor aanbiedt. De leden van de VVD-fractie stellen aanvullend de vraag of door het achterwege laten van de mogelijkheid tot eigenrisicodragen geen sprake is van rechtsongelijkheid. Teven vragen deze leden en de leden van de ChristenUniefractie naar de mogelijkheid tot het niet slechts eenmalig, maar vaker (bijvoorbeeld eenmaal per twee jaar) openstellen van de mogelijkheid tot eigenrisicodragen.

Ook deze vragen gaan inhoudelijk over het besluit tot invoering van de branchegewijze premiedifferentiatie, waarmee de eenmalige mogelijkheid tot eigenrisicodragen per 1 juli 2004 wordt geboden, en betreffen niet het onderhavige wetsvoorstel. In het zojuist bedoelde besluit is de mogelijkheid opengesteld om eenmalig – per 1 juli 2004 – eigenrisicodrager te worden. Graag wil de regering deze keuze nader toelichten. De regering is sterk voorstander van het nemen van eigen verantwoordelijkheid door bedrijven. Eigenrisicodragen is een invulling van deze verantwoordelijkheid. De regering heeft de mogelijkheid tot eigenrisicodragen dan ook positief benaderd. Omdat structurele openstelling van die mogelijkheid ertoe zou leiden dat op sectorniveau een reëel gevaar zou ontstaan op het vliegwiel-effect, acht de regering dat geen te verkiezen optie. Eenmalige openstelling kent dit gevaar niet, omdat geen zichzelf versterkend proces van telkens weer uittredende bedrijven op gang zal komen. Alles afwegend heeft de regering gekozen voor eenmalige openstelling van de mogelijkheid tot eigenrisicodragen. Kleine bedrijven die niet uiterlijk 13 weken vóór 1 juli 2004 een verzoek tot eigenrisicodragen hebben ingediend, kunnen geen eigenrisicodrager meer worden. Van mogelijke rechtsongelijkheid is naar het oordeel van de regering geen sprake, nu het enerzijds gaat om bedrijven die zijn gestart vóór en anderzijds om bedrijven die zijn gestart ná dat moment, waardoor het niet gaat om gelijke gevallen. Of het bedrijf publiek verzekerd of eigenrisicodrager is (eventueel privaat verzekerd), is niet van invloed op het al dan niet kunnen aansluiten bij voorzieningen die branches bieden op het gebied van preventie en reïntegratie. Wel is het zo dat indien een branche voor eigenrisicodragende bedrijven een mantelovereenkomst heeft gesloten met een particuliere verzekeraar, de bedrijven die geen eigenrisicodrager zijn (geworden) geen gebruik kunnen maken van initiatieven die de verzekeraar zal ontplooien gericht op schadelastbeheersing. Dat is, door het alsdan ontbreken van een belang voor de verzekeraar, echter ook logisch.

Ten aanzien van het voorstel om eenmaal per twee jaar de mogelijkheid te bieden tot eigenrisicodragen, is relevant dat onder voorwaarden Pemba zal worden afgeschaft per 1 januari 2006. In het voorkomende geval is dan vanaf 1 januari 2006 geen sprake meer van premiedifferentiatie of van de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden. De openstelling van het eigenrisicodragerschap eenmaal per twee jaar is in dat geval feitelijk zonder betekenis. Overigens is er ook voor startende kleine bedrijven na 1 juli 2004 geen mogelijkheid meer tot eigenrisicodragen.

(Wenselijkheid branchegewijze premiedifferentiatie)

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in te gaan op de constatering van het UWV dat het wetsvoorstel in feite overbodig is, geen stimulans zal zijn voor verlaging van de WAO-instroom en de relevantie van het wetsvoorstel nog verder afneemt door de voorgenomen aanscherping van het arbeidsongeschiktheidscriterium. De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen laatstgenoemde vraag eveneens.

De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar het argument van het UWV dat van premiedifferentiatie op meso-niveau onvoldoende prikkelt uitgaat op individuele ondernemingen. De regering licht graag de in haar ogen toegevoegde waarde toe van premiedifferentiatie in het algemeen en op sectorniveau in het bijzonder. De omvang en hardnekkigheid van de WAO-problematiek rechtvaardigen het inzetten van meerdere instrumenten ter beheersing daarvan. De recentelijk gedaalde WAO-instroom en de te verwachten effecten van de voorgenomen aanscherping van het arbeidsongeschiktheidscriterium doen daar vooralsnog niets aan af. In de ogen van de regering levert premiedifferentiatie een bijdrage aan beheersing van het WAO-volume, doordat bedrijven daar zelf financieel belang bij hebben. Ondanks het feit dat het statistisch zo is dat WAO-instroom bij kleine bedrijven in hogere mate afhankelijk is van het toeval, is het niet zo dat in kleine bedrijven de mogelijkheden om de instroom te beperken door preventieve maatregelen, volledig ontbreken. Bovendien zet premiedifferentiatie bedrijven aan tot inspanningen gericht op WAO-uitstroom (reïntegratie). Premiedifferentiatie WAO blijft om die redenen vooralsnog wenselijk. In de kabinetsverklaring van 14 oktober 2003 naar aanleiding van het najaarsakkoord is aangegeven, dat onder een aantal voorwaarden, waaronder een forse reductie van de WAO-instroom, Pemba zal komen te vervallen. Hiermee is het vooruitzicht geboden dat premiedifferentiatie zal vervallen als het probleem ter beheersing waarvan premiedifferentiatie is geïntroduceerd, tot aanvaardbare proporties is gereduceerd. Specifiek op de wenselijkheid van het onderhavige wetsvoorstel, is hiervoor al ingegaan.

(Administratieve lastenverlichting en deregulering)

De leden van de PvdA-fractie vragen tevens in te gaan op de kritiek van het UWV dat het wetsvoorstel niet tegemoet komt aan de wet tot administratieve lastenverlichting en deregulering en de belasting voor UWV en Belastingdienst gezien de mogelijke bezwaarprocedures onevenredig zwaar kan zijn. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het ontwerp-besluit op grond van het UWV-commentaar zodanig is aangepast dat aan de door het UWV genoemde bezwaren, zoals afschaffing/vereenvoudiging van de sectorindeling in het kader van het dereguleringsproject en overdracht van gegevens tussen Belastingdienst en UWV in het kader van bezwaar en beroepszaken, voldoende tegemoet wordt gekomen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de gedifferentieerde WAO-premies een beschikking zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en zo ja of de regering de door het UWV genoemde risico's zoals vermeld in het commentaar van 1 juli 2003 onder ogen heeft gezien.

Premiedifferentiatie is in de ogen van de regering een stimulans tot preventie en reïntegratie. Het toepassen van deze prikkel op microniveau leidt echter tot te forse financiële effecten. Op grond van beide constateert de regering dat het mesoniveau het voor de hand liggende niveau is om deze prikkel toe te passen. Het in de sociale verzekeringen bekende mesoniveau is het niveau van de sectoren. Dat niveau is gekozen om invulling te geven aan de branchegewijze premiedifferentiatie zoals in het regeerakkoord genoemd. Gegeven het voornemen tot invoering van branchegewijze premiedifferentiatie, is gekozen voor een variant waarin de uitvoerings- en administratieve lasten zo beperkt mogelijk zijn. Hierop is hiervoor uitgebreider ingegaan.

Het is de regering bekend dat het UWV in het kader van deregulering pleit voor afschaffing dan wel vereenvoudigingen rondom de sectorindeling. Daar waar het UWV als alternatief formuleert één premiepercentage WAO voor alle kleine werkgevers, constateert de regering dat dat alternatief zich niet verhoudt met de in het regeerakkoord opgenomen introductie van branchegewijze premiedifferentiatie. Naast de door het UWV naar voren gebrachte overweging vanuit dereguleringsoptiek, acht de regering echter ook andere overwegingen relevant bij besluitvorming over het eventueel afschaffen van de sectorindeling. Zo speelt de premiedifferentiatie op basis van de sectorindeling een belangrijke rol bij het terugdringen van het beroep op de WW, waarbij sectorspecifieke oorzaken in het geding zijn. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan het terugdringen van cyclische werkloosheid in sectoren als de bouw, de schildersbranche, de horeca, de sector cultuur, de agrarische sector en de uitzendsector. Daarnaast speelt de sectorindeling een rol bij het terugdringen van ziekteverzuim van werknemers die in (het vangnet van) de Ziektewet (ZW) terechtkomen omdat ze geen werkgever meer hebben. Hun (vangnet-)ZW-uitkeringen worden gefinancierd uit de sectoraal gedifferentieerde wachtgeldpremies WW. Dit prikkelt werkgevers tot een adequaat (sectoraal) verzuimbeleid. De zojuist genoemde overwegingen acht de regering van dusdanig groot belang, dat er momenteel geen voornemen bestaat tot afschaffing van de sectorindeling.

Naar aanleiding van het commentaar van het UWV van 1 juli 2003 zijn de tekst van het onderhavige wetsvoorstel alsmede van het toenmalige concept-besluit tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO en het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers zodanig aangepast dat de vaststelling van de sectorale opslag of korting een besluit van algemene strekking vormt. Anders dan tegen de tot 2003 geldende Pemba-premiebeschikkingen, staat tegen een besluit van algemene strekking geen bezwaar en beroep open. Daarmee doen de risico's zoals door het UWV gesignaleerd en door de regering onderkend, zich niet voor. Door het zojuist gestelde is de situatie voor de premiedifferentiatie WAO voor kleine bedrijven inzake bezwaar en beroep vergelijkbaar met de wachtgeldpremies WW. Ook tegen het besluit waarin de sectorale wachtgeldpremies worden vastgesteld kunnen bedrijven niet in bezwaar en beroep. Overigens zijn de gevolgen van de introductie van de branchegewijze premiedifferentiatie (besluit en wetsvoorstel) op de administratieve lasten van bedrijven marginaal, zo heeft het Adviescollege toetsing administratieve lasten laten weten.

(Uitvoerbaarheid)

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het UWV het onderhavige wetsvoorstel uitvoeringstechnisch beoordeelt. Tevens vragen genoemde leden hoe de zinsnede uit de Memorie van Toelichting dat met de nu gekozen variant het UWV invoering per 1 januari 2004 nog wel mogelijk acht, moet worden begrepen. Tevens vragen genoemde leden of de regering kan bevestigen dat het UWV het wetsvoorstel direct adequaat kan effectueren.

Het uitvoeringstechnische commentaar van het UWV op het concept-besluit tot invoering van branchegewijze premiedifferentiatie heeft geleid tot wijziging van dat besluit. Over de uitvoerbaarheid heeft voortdurend overleg plaatsgevonden met de uitvoering. Het UWV is van mening dat uitvoering van het uiteindelijke besluit per 1 januari 2004 haalbaar was. De door het UWV eind 2003 ontplooide activiteiten inzake de branchegewijze premiedifferentiatie illustreren dit. Omdat het onderhavige wetsvoorstel geen wijziging van de feitelijke premiedifferentiatiesystematiek inhoudt zoals die voor 2003 en 2004 is toegepast voor kleine bedrijven, kan het UWV het wetsvoorstel direct adequaat effectueren.

(Alternatieve vormgeving branchegewijze premiedifferentiatie)

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering niet het voorstel van het UWV heeft overgenomen om voor alle kleine werkgevers een WAO-premiepercentage te hanteren, gebaseerd op het totaalbedrag van hetgeen naar verwachting in het premiejaar ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komt. De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de Memorie van Toelichting een gedegen onderbouwing van de keuze om af te zien van het hanteren van één premiepercentage voor alle kleine werkgevers, conform het UWV-voorstel.

In het uitvoeringstechnische commentaar van het UWV van 1 juli 2003 zijn twee voorstellen opgenomen. Het ene voorstel behelst het voor alle kleine werkgevers vaststellen van één premiepercentage. De regering constateert dat dit voorstel op gespannen voet staat met branchegewijze premiedifferentiatie als zodanig. Het subsidiaire voorstel, met premiedifferentiatie, houdt in dat voor de kleine werkgevers per sector een afzonderlijke premie wordt berekend. De hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie voor kleine bedrijven is in dit UWV-voorstel vergelijkbaar met de premie in het voorstel van de regering. Wel is tussen beide verschil wat betreft de mogelijke invoeringsdatum. In het UWV-voorstel is immers geen sprake van één voor het totale bedrijfsleven geldend gemiddelde percentage en rekenpercentage, zoals bedoeld in artikel 78 lid 2 onderdelen a en b van de WAO. Het UWV-voorstel zou dus alleen kunnen worden overgenomen na wijziging van de betreffende wet, in welk geval de introductie van de branchegewijze premiedifferentiatie niet mogelijk zijn geweest met ingang van 1 januari 2004. Dit was de reden voor de regering om te kiezen voor een variant waarvan invoering per 1 januari 2004 wel haalbaar was. Daarmee is de periode tussen de nihilstelling van de opslag of korting voor kleine werkgevers en de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie zo beperkt mogelijk gebleven en is de uiteindelijke situatie zoals in het regeerakkoord voorgesteld, per 1 januari 2004 gerealiseerd.

(Ramingen versus realisaties)

De leden van de PvdA-fractie hebben vragen gesteld over de betrouwbaarheid van de ramingen en de basis en totstandkoming ervan, hoe wordt gehandeld indien de ramingen (fors) afwijken van de feitelijke gegevens en welke administratieve lasten daarmee eventueel weer verbonden zijn. Ook vragen deze leden naar de consequenties voor de ramingen en zo voor de premiebepaling als werkgevers kiezen om tussentijds eigenrisicodrager te worden.

De regering heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ramingen en de basis en totstandkoming daarvan. Voor de volledigheid meldt de regering dat ook aan de vaststelling door het UWV van de wachtgeldpremies voor enig jaar de verwachte lasten van dat jaar ten grondslag liggen. De aan de branchepremies voor kleine bedrijven ten grondslag liggende ramingen zijn gebaseerd op bij het UWV uit administratie en databases beschikbare financiële en statistische informatie. Deze informatie wordt verwerkt in de prognosemodellen waarmee het UWV (en diens rechtsvoorganger) de afgelopen jaren de premies en parameters voor de premiedifferentiatie hebben berekend. De prognosemodellen worden continu aangepast aan nieuwe wet- en regelgeving. Conform deze wijze heeft UWV voor het eerst voor 2004 de sectorale opslagen en kortingen voor kleine werkgevers berekend. De totstandkoming van de ramingen wordt toegelicht in de nota premies en parameters Arbeidsongeschiktheidskas die het UWV jaarlijks publiceert.

De consequenties voor de ramingen en premies door werkgevers die kiezen voor eigenrisicodragen treden slechts eenmalig op. Er is immers alleen per 1 juli 2004 de mogelijkheid daarvoor te kiezen. Te verwachten is dat alleen kleine bedrijven met een laag WAO-risico voor eigenrisicodragerschap zullen kiezen. Dit zal een opwaarts effect geven op zowel de gemiddelde premie voor alle bedrijven (groot en klein), als ook op de sectorale opslag of korting van de specifieke sector die te maken heeft met uittredende kleine bedrijven. De gemiddelde premie zal slechts licht stijgen, omdat de geraamde lasten gelijk blijven (alleen bedrijven met geen of nagenoeg geen arbeidsongeschiktheidslasten zullen uittreden), terwijl de geraamde loonsom slechts licht zal afnemen (slechts een paar kleine bedrijven zullen uittreden, wat amper van invloed is op de totale loonsom van alle bedrijven die bepalend is voor het gemiddelde percentage). De stijging van de gemiddelde premie wordt globaal geschat op 0,05%-punt. Eenzelfde effect wordt verwacht op het rekenpercentage.

Het effect op de sectorale opslag of korting voor de sectoren waarin kleine bedrijven uittreden, is volgens verwachting groter. De geraamde loonsom die bepalend is voor de opslag of korting zal afnemen, terwijl de geraamde arbeidsongeschiktheidslasten ongeveer gelijk blijven. Hierdoor zal voor een sector met uittredende kleine bedrijven de verhouding tussen de geraamde lasten en de geraamde loonsom toenemen, als gevolg waarvan de sectorale premie meer dan marginaal toeneemt. De sectoren met veel uittredende bedrijven zullen een behoorlijke stijging van de gedifferentieerde sectorpremie kunnen verwachten. De omvang van het aantal uittreders per sector is moeilijk in te schatten.

(Verschillende invoeringsdata nihilstelling opslag/korting en branchegewijze premiedifferentiatie)

De leden van de PvdA-fractie vragen wat moet worden verstaan onder de passage in de Memorie van Toelichting «Deze feitelijke afschaffing is wat betreft de invoeringsdatum onderscheiden van de introductie van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers per 1 januari 2004».

De passage zoals aangehaald door de leden van de PvdA-fractie refereert aan de onderscheidenlijke invoeringsdata van de feitelijke afschaffing van Pemba voor kleine werkgevers, 1 januari 2003, en invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor diezelfde categorie bedrijven, 1 januari 2004. Op de motieven daarvoor is reeds ingegaan.

(Reactie werkgevers op nihilstelling opslag/korting)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het kabinet het achteraf gezien logisch vindt dat zoveel werkgevers bezwaar hebben gemaakt of dat de ontstane commotie het kabinet heeft verrast.

Vanuit (organisaties van) het midden- en kleinbedrijf is in het verleden gewezen op de potentieel forse financiële effecten van Pemba voor kleine bedrijven. Dat heeft hen aangezet tot het pleidooi Pemba af te schaffen, ondanks het feit dat zij voor de overgrote meerderheid geen WAO-instroom kennen en daarom op grond van Pemba sinds 1998 een korting krijgen op het rekenpercentage. Uit genoemd pleidooi concludeert de regering dat het wegnemen van het risico op forse premieverhoging voor het midden- en kleinbedrijf zwaarder heeft gewogen dan het feit dat specifieke kleine en middelgrote bedrijven, namelijk de (weliswaar talrijke) bedrijven zonder WAO-instroom, hun financieel voordeel verliezen. De regering erkent met het voor 2003 op nihil stellen van de opslag en korting voor individuele kleine bedrijven, dat de voorheen geldende systematiek erg forse financiële consequenties kon inhouden. Tegelijkertijd is het zo dat in kleine bedrijven de WAO-instroom vaak minder te beïnvloeden is dan in grote bedrijven, doordat gegeven de kleinere massa de invloed van de factor toeval op WAO-instroom van werknemers relatief groot is. Beide zojuist genoemde constateringen vormen de aanleiding tot de overstap van de individuele premiedifferentiatie WAO op branchegewijze premiedifferentiatie. Keerzijde van deze overstap – en in de ogen van de regering onafwendbaar – is, dat de mate van verevening van het arbeidsongeschiktheidsrisico tussen kleine bedrijven toeneemt. Kleine bedrijven zonder en met WAO-instroom verevenen onderling hun lasten. In elke denkbare variant betekent het inruilen van de premiedifferentiatie op het individuele werkgeversniveau tegen verevening van de lasten tussen kleine bedrijven, dat dit financieel voordelig is voor de bedrijven met WAO-instroom (in dit geval de minderheid van de bedrijven) en nadelig voor de bedrijven zonder WAO-instroom. Bedacht zij dat daar voor laatstgenoemde categorie tegenover staat dat hun individuele risico op forse premieverhoging wordt weggenomen en als het ware wordt afgekocht met de sectorpremie.

Doordat de regering in het verleden vanuit zowel kleine werkgevers als brancheorganisaties van het midden- en kleinbedrijf uitsluitend signalen heeft ontvangen waarin is gepleit voor de afschaffing van Pemba, heeft het de regering verbaasd dat zoveel werkgevers pas na ommekomst van het besluit tot feitelijke afschaffing van Pemba, in bezwaar zijn gekomen tegen de nihilstelling van hun opslag/korting. Deze werkgevers hebben zich niet eerder gemeld en hebben blijkbaar evenmin een kritisch geluid laten horen in de richting van hun brancheorganisatie. Op zich kan de regering zich voorstellen waarom de (vele) kleine bedrijven zonder WAO-instroom afwijzend reageren op het teloorgaan van de Pemba-korting. In de ogen van de regering is deze reactie echter ingegeven door het financiële effect op het moment van de wijziging van de premiesystematiek. De regering is ervan overtuigd dat de positieve houding van deze bedrijven over (handhaving van) Pemba ongetwijfeld zou omslaan in een negatieve bij instroom van (één van) hun werknemers in de WAO. Daar waar deze bedrijven – op zich begrijpelijk – de voorkeur geven aan beperking van financiële lasten op korte termijn, hecht de regering aan beperking van financiële risico's ook in de verdere toekomst, mede gezien de opvatting van ondernemersorganisaties in het midden- en kleinbedrijf.

(Planning WAO-stelselherziening)

In relatie tot het regeerakkoord vragen de leden van de ChristenUnie-fractie waarop de planning is gericht met betrekking tot de overige onderdelen van het WAO-pakket.

Per brief van 6 februari 2004 (SV/A&L/04/6609) is de Tweede Kamer op haar verzoek (04–04-SZW) een overzicht verstrekt waarin wordt aangegeven welke voorstellen inzake de WAO naar de Kamer worden gezonden en op welk moment dit zal gebeuren. Het kabinet heeft naar aanleiding van het Najaarsoverleg de SER om advies gevraagd over het arbeidsongeschiktheidscriterium, flexibele arbiedsrelaties en de Extra garantieregeling beroepsrisico's. Naar verwachting zal de SER zijn advies vaststellen op 20 februari. Na ommekomst van het SER-advies zal het kabinet zijn standpunt bepalen. Dit geldt tevens voor de voorhangprocedure met betrekking tot de aanpassing van het schattingsbesluit. Na besluitvorming door het kabinet zal ik de Kamer op de hoogte stellen van de verdere procedure van de WAO-voorstellen. Het wetsvoorstel wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten en het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen liggen thans voor advies bij de Raad van State. Naar verwachting zal de Raad van State over beide wetsvoorstellen dit kwartaal advies uitbrengen, waarna deze aan de Kamer kunnen worden aangeboden.

Overigens staat de branchegewijze premiedifferentiatie als zodanig los van de overige in het regeerakkoord aangekondigde wijzigingsvoorstellen voor het arbeidsongeschiktheidsstelsel. Wel is er sprake van een verband met onderdelen van het najaarsakkoord in de Stichting van de Arbeid van 18 november jl. en de kabinetsverklaring naar aanleiding van dat akkoord van dezelfde datum. In laatstgenoemde verklaring is opgenomen dat onder voorwaarden Pemba zal worden afgeschaft. Dit houdt in dat als aan de in de kabinetsverklaring genoemde voorwaarden is voldaan, het systeem van premiedifferentiatie in de publieke arbeidsongeschiktheidsregelingen vanaf 1 januari 2006 zal worden afgeschaft. In dat geval geldt die afschaffing ook voor de branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine bedrijven.

(Overwegingen wettelijke regeling)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering eerder heeft overwogen een wettelijke wijziging te realiseren en zo nee, waarom niet. Zijn er nog andere redenen voor het indienen van het wetsvoorstel dan het hoge aantal bezwaarschriften, zo voegen deze leden daaraan toe.

Het realiseren van een wettelijke wijziging heeft de regering eerder overwogen, namelijk bij de voorbereidingen van de nihilstelling van de opslag en korting voor het jaar 2003. Destijds heeft de regering geconstateerd dat het voor 2003 voor kleine bedrijven beoogde premiedifferentiatiesysteem mogelijk was op grond van de toenmalige WAO. Hoewel de noodzaak van een wettelijke regeling naar het oordeel van de regering ook nu nog niet vaststaat, acht de regering wetgeving nu wenselijk gezien het eerder genoemde aantal van 36 000 bezwaarzaken, alsmede gezien het tweetal nu bekende rechterlijke uitspraken in bezwaarzaken waarin de in bezwaar gekomen werkgever in het gelijk is gesteld. Dat zijn de twee hoofdredenen voor indiening van het wetsvoorstel. Door het hoge aantal bezwaarschriften, is de reikwijdte van de met dit wetsvoorstel te plegen verduidelijking aanzienlijk. Voor alle in bezwaar gekomen bedrijven, alsmede tevens voor de uitvoering, kan de juridische houdbaarheid van de voor 2003 en 2004 in rekening gebrachte gedifferentieerde premies buiten twijfel worden gesteld. Dit creëert voor een hoog aantal bedrijven duidelijkheid over de verschuldigde premies en voorkomt lasten voor de uitvoering.

(Kleine en grote bedrijven)

De leden van de ChristenUnie-fractie verwijzen naar de vraag van het UWV waarom kleine en grote werkgevers qua regelgeving zoveel mogelijk gelijk zouden moeten worden behandeld, nu in het regeerakkoord immers is afgesproken dat Pemba specifiek voor kleine werkgevers zou verdwijnen.

Genoemde leden verwijzen hier naar een reactie van het UWV op het toenmalige concept-besluit tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO en het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers. In de nota van toelichting bij dat (en ook het uiteindelijk gepubliceerde) besluit is gesteld, dat gekozen is voor een systematiek die qua methodiek zo veel mogelijk overeenkomt met de bestaande Pemba-systematiek voor grote werkgevers. De methodiek voor kleine en grote werkgevers is bijgevolg zo veel mogelijk analoog, uiteraard met als evident verschil dat de WAO-lasten van kleine bedrijven worden verevend per sector, waarvan geen sprake is voor grote bedrijven. In de kern wordt de Pemba-systematiek – zoals die gold vóór 2003 – gehandhaafd, waarbij kleine werkgevers per sector worden «gepooled», zodat voor kleine werkgevers ten opzichte van de oude Pemba-systematiek aanzienlijke lastenverevening binnen de sector optreedt. Voordeel van een voor kleine en grote bedrijven zo veel mogelijk gelijke systematiek is dat de overgang voor groeiende en krimpende bedrijven (die van klein groot worden, of juist de omgekeerde ontwikkeling doormaken), niet leidt tot een volledig andere methodiek van premiedifferentiatie WAO. Het hanteren van gelijke premiemarges (maximumpremie) voor grote bedrijven en (sectoren van) kleine bedrijven is in dat licht relevant.

(Financiële consequenties ramingen versus realisaties)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de keuze voor verwachtingen in plaats van ramingen consequenties heeft voor de premiehoogte. Zijn er later alsnog correcties te voorzien of is dat niet de bedoeling, zo vervolgen deze leden. Genoemde leden vragen ten slotte naar inzicht in de te verwachten budgettaire gevolgen van de invoering van de branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers.

Terecht vragen genoemde leden aandacht voor de premieconsequenties van de overstap van realisaties op ramingen. In de nota van toelichting bij het Besluit van 12 november 2003 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO en het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO in verband met de invoering van branchegewijze premiedifferentiatie voor kleine werkgevers (Staatsblad 474) heeft de regering hier aandacht aan besteed. Sectoren die bij hantering van verwachtingen in 2004 een in vergelijking met 2003 lagere (branche-)premie betalen, zullen ook als realisaties worden gehanteerd een lagere premie verschuldigd zijn. Het omgekeerde is het geval voor sectoren met een hogere premie: in beide varianten zal hun premie stijgen. Daarnaast is het zo dat het bepalen van het werkgeversrisico op basis van ramingen in plaats van realisaties slechts marginale gevolgen heeft voor de uiteindelijke sectorale premiehoogtes. De ramingen zullen immers mede gebaseerd zijn op eerdere realisaties. Hierdoor zullen de geraamde arbeidsongeschiktheidsrisico's niet noemenswaardig afwijken van de gerealiseerde risico's, evenals de daarbij behorende premies. Gevolg hiervan is dat, doordat voor grote bedrijven onverminderd uitgegaan wordt van gerealiseerde WAO-lasten en loonsommen, forse premiewijzigingen bij bedrijven die de grens klein/groot overschrijden, niet verwacht worden. Alles afwegend heeft de regering het verdedigbaar en wenselijk geacht om de voorkeursoptie van de uitvoering op dit punt, namelijk het hanteren van de te verwachten arbeidsongeschiktheidslasten als basis voor de gedifferentieerde premies van kleine bedrijven, over te nemen.

Het is niet de bedoeling dat de premiehoogtes achteraf formeel gecorrigeerd worden als gevolg van een aangepaste raming. Er vinden geen naheffingen of terugstortingen plaats. Wel is sprake van een feitelijke correctie, doordat afwijkingen tussen ramingen en realisaties in enig jaar een rol kunnen spelen bij de te verwachten arbeidsongeschiktheidslasten in het daarop volgende jaar en daarmee van invloed kunnen zijn op de premie van het daarop volgende jaar. De gevolgen voor de gedifferentieerde WAO-premie van de individuele kleine bedrijven zijn afhankelijk van de verwachte arbeidsongeschiktheidslasten van hun sector, waaronder die van hun eigen bedrijf. De gedifferentieerde sectorpremies WAO voor 2004 zijn door het UWV gepubliceerd op hun website en aan de kleine bedrijven kenbaar gemaakt. De sectorpremies variëren van 0,78% tot 4,27% van de loonsom.

De budgettaire gevolgen voor de overheidsfinanciën zijn nul bij de invoering van de sectorale premiedifferentiatie. Dit komt omdat het hier een herverdeling betreft van de lasten tussen de werkgevers onderling.

(Uitvoeringskosten)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen inzicht in de te verwachten uitvoeringskosten en verzoeken daarbij in te gaan op de verwachting van het UWV dat de systeemaanpassingen UWV-breed op € 500 000 komen.

In verband met de invoering van de branchegewijze premiedifferentiatie schat het UWV de uitvoeringskosten wegens systeemaanpassingen inderdaad op € 500 000. Aangezien deze door het UWV voorziene eenmalige implementatiekosten de gestelde ondergrens van € 1 000 000 niet overschrijden, zullen deze worden gefinancierd uit de 2,5% projectopslag van het op 27 november 2003 aan het UWV toegekende budget uitvoeringskosten 2004. De betreffende implementatiekosten leiden zodoende niet tot een hoger budget voor het UWV.

II.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel C

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de regering voorstelt om de zinsnede «op basis van het arbeidsongeschiktheidsrisico» in het tot vijf te vernummeren lid te schrappen. De opslag of korting hoeft namelijk niet per definitie gebaseerd te zijn op het gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico van de individuele werkgever. De regering wijst daarbij op het jaar 2003 waarin voor kleine werkgevers de opslag of korting op nihil was gesteld. Het UWV stelt in zijn commentaar van 1 juli 2003 dat deze voorgestelde wijziging niet kan worden gemotiveerd met een verduidelijking van hetgeen op grond van de huidige WAO ook reeds mogelijk is. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om een reactie op dit punt.

Het UWV neemt in zijn commentaar van 1 juli 2003 een standpunt in over de reikwijdte van artikel 78, (thans) zesde lid, van de WAO dat niet wordt gedeeld door de regering.

Ten aanzien van hetzelfde artikel vragen de leden van de ChristenUnie-fractie om verduidelijking van de budgettaire gevolgen voor een werkgever die is aangesloten bij meer dan één sector en er daardoor verschillende opslagen of kortingen voor deze werkgever worden vastgesteld.

Genoemde leden doelen kennelijk op de situatie waarin een werkgever met toepassing van artikel 97l en 97m WW is aangesloten bij verschillende sectoren en vervolgens de te bepalen korting of opslag afzonderlijk wordt vastgesteld voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector. De budgettaire gevolgen voor de werkgever zijn dus afhankelijk van de arbeidsongeschiktheidsrisico's van de sectoren waarbinnen de bedrijfsonderdelen vallen. De budgettaire gevolgen voor individuele werkgevers zijn afhankelijk van de omvang en de verdeling van hun werkzaamheden over verschillende sectoren en het arbeidsongeschiktheidsrisico van die sectoren. De omvang van hun werkzaamheden die ingedeeld worden in een sector met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico, zullen een opwaartse druk uitoefenen op de totale premielasten. Omgekeerd zal de omvang van de werkzaamheden die ingedeeld worden in een laagrisicosector de premie drukken. Deze budgettaire effecten acht de regering niet bezwaarlijk. De effecten zijn geheel conform (de intenties van) de branchegewijze premiedifferentiatiesystematiek.

Artikel II

Aan het wetsvoorstel wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2003, dit om alle risico's te vermijden. De leden van de fractie van de ChristenUnie informeren of kan worden aangegeven welke gevolgen de recente uitspraak van de rechtbank van Breda heeft. Staat vast dat met de beoogde opzet wordt voorkomen dat werkgevers met succes hun premiekorting voor 2003 kunnen claimen op grond van de oorspronkelijke wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO?

Na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zullen werkgevers geen premiekorting kunnen claimen over het jaar 2003 met een beroep op de uitspraak van de rechtbank te Breda. Dienaangaande verwijs ik naar het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2003 (Zaaknr. 38 424) dat al eerder in deze nota naar aanleiding van het verslag aan de orde is geweest.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

LJN-nummer: AO0996 Zaaknr: 03/1107 WAO (rechtbank Breda, 17 november 2003); LJN-nummer: AO0708 Zaaknr: AWB 03/959 (rechtbank Zwolle, 17 december 2003; WAO 03/522 ZWI (rechtbank Rotterdam, 12 december 2003).

Naar boven