nr. 45
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 augustus 2006
Bij brief van 7 juli 2006 van de vaste kamercommissie voor Verkeer
en Waterstaat (06-VW-B-044) is mij gevraagd de Kamer nader te informeren over
het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM). Zoals gevraagd ga ik hierna
in op de volgende aspecten:
– het verband tussen de oprichting van het kennisinstituut en de
bevindingen en conclusies uit het TCI-debat;
– de relatie tussen het nieuwe instituut en de Adviesdienst Verkeer
en Vervoer en andere diensten van Verkeer en Waterstaat;
– de organisatie en omvang van het KiM, mede uitgedrukt in budget
en fte’s.
Bij de behandeling van deze aspecten bouw ik voort op hetgeen ik de Kamer
op 4 juli 2005 (Kamerstuk 29 283, nr. 33), 28 november 2005
(Kamerstuk 29 283, nr. 37) en 22 juni 2006 (Kamerstuk 29 283,
nr. 44) over dit onderwerp heb geschreven en op wat in het debat van 5 april
2006 over de uitvoering van de aanbevelingen van de TCI aan de orde is geweest.
Het verband tussen de oprichting van het kennisinstituut
en de bevindingen en conclusies uit het TCI-debat
In mijn brief van 4 juli 2005 heb ik aangegeven dat ik de kennisbasis
voor het mobiliteitsbeleid wil versterken. De producten van het KiM gaan daar
een belangrijke bijdrage aan leveren. De interne verankering van (de producten
van) het KiM is daarbij van groot belang: het KiM gaat grotendeels vraaggestuurd
werken en de producten van het KiM moeten gebruikt gaan worden in het beleidsproces.
Zoals ik u op 28 november 2005 reeds heb geschreven, heb ik er juist
daarom voor gekozen het KiM binnen Verkeer en Waterstaat te positioneren en
niet te kiezen voor de oprichting van een nieuw planbureau. Dit was ook de
kern van het advies van enkele externe deskundigen onder leiding van de heer
Peter Nijkamp, voorzitter van het algemeen bestuur van de Nederlandse Organisatie
voor Wetenschappelijk Onderzoek. Omdat het mobiliteitsvraagstuk nauw verweven
is met de economische, sociaal-culturele en ruimtelijke ontwikkelingen
en met ontwikkelingen op het terrein van natuur en milieu, zal het KiM wel
nauw gaan samenwerken met de planbureaus. Deze positionering komt overigens
overeen met de manier waarop het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum
(WODC) is gepositioneerd binnen het ministerie van Justitie.
Het KiM krijgt binnen mijn departement een zelfstandige en onafhankelijke
positie ten opzichte van de directoraten. Het KiM is zelf verantwoordelijk
voor de inhoud van zijn producten. In een protocol dat onderdeel uitmaakt
van het instellingsbesluit worden hier waarborgen voor opgenomen. Deze onafhankelijkheid
is ook de belangrijkste reden dat ik niet heb gekozen voor onderbrenging van
deze functie bij de Adviesdienst Verkeer en Vervoer, die onder het directoraat-generaal
Rijkswaterstaat valt. De directoraten zijn wel betrokken bij de opstelling
van het werkprogramma. Het KiM zal immers grotendeels vraaggestuurd werken.
De producten van het KiM zullen niet alleen gebruikt worden ten behoeve
van de beleidsvoorbereiding binnen mijn ministerie, maar kunnen ook worden
gebruikt in het maatschappelijk debat. In het genoemde protocol wordt de openbaarheid
van de producten van het KiM geregeld. Tevens is voorzien in de mogelijkheid
dat de Kamer de Minister van Verkeer en Waterstaat vraagt om kennisproducten
van het KiM. Verzoeken van de Kamer zal ik inwilligen als ze binnen het werkgebied
van het KiM vallen en redelijkerwijze inpasbaar zijn in de planning.
Met de reeds in mijn brief van 28 november 2005 genoemde positionering
van het KiM binnen Verkeer en Waterstaat volg ik niet letterlijk de aanbeveling
van de TCI om de AVV een planbureaustatus te geven, wellicht door samenvoeging
met het Ruimtelijk Planbureau. Met de hiervoor genoemde onafhankelijke en
zelfstandige positie van het KiM en met het creëren van de mogelijkheid
dat de Kamer mij kan verzoeken om kennisproducten van het KiM, denk ik echter
wel in de geest van de aanbevelingen van de TCI te handelen. Een eerste evaluatie
van het KiM zal over drie jaar plaatsvinden. Daarin zal de positionering worden
meegenomen.
De relatie tussen het nieuwe instituut en de Adviesdienst
Verkeer en Vervoer en de andere diensten van Verkeer en Waterstaat
Het KiM gaat kennisproducten leveren zoals analyses van de werking van
het mobiliteitssysteem, verkenningen, trendanalyses en evaluaties van grote
projecten en beleidsprogramma’s. Het betreft hier deels nieuwe producten
en deels producten die tot nu toe door de Adviesdienst Verkeer en Vervoer
(AVV) van Rijkswaterstaat worden geleverd. Dat is de reden dat 15 fte’s
(taken en mensen) over gaan van de AVV naar het KiM. In voorkomende gevallen
zullen het KiM en de AVV nauw samenwerken.
Onder het vorige punt ben ik reeds ingegaan op de relatie tussen het KiM
en de andere diensten van Verkeer en Waterstaat.
De organisatie en omvang van het KiM, mede uitgedrukt
in budget en fte’s
De uiteindelijke omvang van het KiM zal 40 fte bedragen. Deze omvang wordt
geheel gerealiseerd door verschuivingen binnen Verkeer en Waterstaat. De vorming
van het KiM zal dus niet leiden tot een uitbreiding van de VenW-formatie.
Het KiM gaat op 1 september 2006 van start. Afhankelijk van de situatie
op de arbeidsmarkt zal het nog enige tijd duren voordat het KiM op volledige
personele sterkte is. Ik verwacht dat dit uiterlijk begin 2008 het geval zal
zijn.
De organisatie van het KiM is gericht op het flexibel uitvoeren van uiteenlopende
onderzoeksprojecten. Deze zullen naar hun aard worden ingedeeld in verschillende
onderzoeksprogramma’s. Het KiM verricht zijn onderzoeksactiviteiten
deels in samenwerking met ondermeer planbureaus, universiteiten en de AVV.
Tevens besteedt het KiM een deel van het onderzoek uit. Ook het hiervoor benodigde
budget zal ik binnen de begroting van Verkeer en Waterstaat opvangen.
Het beoogde totale budget van het KiM (fte’s en onderzoeksbudget)
zal in de komende jaren groeien tot circa € 8 – 9 mln.
per jaar. Op de exacte budgettaire verwerking kom ik in de ontwerpbegroting
voor het jaar 2007 terug.
Ik verwacht u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K. M. H. Peijs