Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29282 nr. I |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 29282 nr. I |
Vastgesteld 4 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de aanwijzing aan de NZa inzake de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
– De uitgaande brief van 4 februari 2026.
– De antwoordbrief van 2 maart 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Wolf
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Den Haag, 4 februari 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft met belangstelling kennisgenomen van de brief van 16 december 2025, waarin u de Kamer een aanwijzing aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) inzake de uitvoering van de beschikbaarheidbijdrage op grond van artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) toestuurt.2 De gebruikelijke voorhangtermijn van dertig dagen is in dit geval niet in acht genomen. De leden van de fractie van de BBB wensen naar aanleiding van deze aanwijzing een aantal vragen te stellen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
Met belangstelling hebben de leden van de fractie van de BBB kennisgenomen van uw brief over de aanwijzing aan de NZa inzake de beschikbaarheidbijdrage voor medische vervolgopleidingen voor het jaar 2026. Deze leden hebben begrip voor de gekozen procedure en zijn van mening dat de opleiding van medisch specialisten niet om wetstechnische redenen in gevaar mag komen. Uw schrijven en de bijlagen bij de aanwijzing roepen bij de leden van de BBB-fractie echter een aantal vragen op.
1. Bijlage A, behorend bij artikel 4 van de aanwijzing, is een tabel waarin wordt weergegeven hoeveel opleidingsplaatsen er per medisch specialisme beschikbaar zijn. In deze tabel is te zien dat bij de overgrote meerderheid van de medische specialismen de instroom in personen gelijk wordt gesteld aan de instroom in fte’s. De leden van de fractie van de BBB ontvangen graag een toelichting waarom dit voor bepaalde medische specialismen niet geldt.
2. In de toelichting staat dat voor bepaalde medische specialismen wordt «uitgegaan» van een afwijkend aantal fte’s per instroomplek. De leden van de BBB-fractie vernemen graag wat hiervoor de concrete uitgangspunten zijn en hoe deze zich verhouden tot de ramingen van het Capaciteitsorgaan. Kunt u ook toelichten wie of welke instantie mede bepalend is voor het aantal fte’s per instroomplek?
3. In de toelichting wordt slechts een beperkt aantal uitzonderingen benoemd, namelijk de klinisch (neuro)psychologen (0,75 fte) en de psychotherapeuten (0,5 fte). Het medisch specialisme dat echter het meest in het oog springt, is de opleiding tot huisarts, waarvoor het grootste aantal opleidingsplaatsen is gereserveerd (namelijk 1.035) en het aantal fte’s is vastgesteld gesteld op 604. Dit betekent 0,58 fte per instroomplek. De leden van de fractie van de BBB vernemen graag waarop dit afwijkende aantal is gebaseerd en waarom hier in de toelichting geen aandacht aan is besteed.
De leden van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 4 maart 2026.
Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport G. Prins
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 maart 2026
Op 4 februari jl. heeft de fractie BBB van de Eerste Kamer (EK) vragen gesteld over de aanwijzing3 aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) inzake de uitvoering van de beschikbaarheidbijdrage op grond van artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Specifiek hebben de leden van de fractie BBB vragen over Bijlage A, behorend bij artikel 4 van de aanwijzing:
I. Waarom voor bepaalde medisch specialismen niet geldt dat de instroom in personen gelijk wordt gesteld aan de instroom in fte’s;
II. Wat de concrete uitgangspunten zijn waarom voor bepaalde medisch specialismen sprake is van een afwijkend aantal fte’s per instroomplek en hoe deze zich verhouden tot de ramingen van het Capaciteitsorgaan. En wie of welke instantie mede bepalend is voor het aantal fte’s per instroomplek;
III. Waarop het afwijkende aantal fte voor de opleidingen tot klinisch(neuro)psychologen, psychotherapeuten en huisarts is gebaseerd en waarom in de toelichting van de aanwijzing geen aandacht aan dit punt is besteed.
Middels deze brief geef ik gehoor aan uw vragen.
Ad I. Alleen de uren waarin een (medisch)specialist in opleiding is, komen in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage. Sommige medisch- specialistische vervolgopleidingen worden in deeltijd aangeboden. Er kan ook sprake zijn van een ander instroommoment in het opleidingsjaar. Deze factoren kunnen ertoe leiden dat de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage naar beneden wordt gecorrigeerd bij de eindafrekening op individueel niveau.
Op macroniveau zorgt de deeltijdfactor er tevens voor dat de beschikbare middelen optimaal kunnen worden benut, aangezien vooraf een betere inschatting kan worden gemaakt welk macrobudget moet worden gereserveerd. Als de instroom in personen gelijk zou worden gesteld aan de instroom in fte, zou dit op macroniveau ertoe leiden dat een aanmerkelijke hoeveelheid aan beschikbare opleidingsplaatsen onbenut blijven. Wanneer deze middelen niet worden ingezet voor opleiden zullen deze middelen die door de verschillende sectoren zijn opgebracht terugvloeien naar de algemene middelen.
Ad II. Voor het bepalen van de deeltijdfactor is onder meer gekeken naar de opleidingseisen van de desbetreffende medisch specialismen in wet- en regelgeving, in hoeverre de opleiding in voltijd of deeltijd wordt aangeboden, hoe lang een opleiding duurt en wat het instroommoment is van de opleiding. Voor het bepalen van de deeltijdfactor zijn opleidingsinstellingen van de desbetreffende medisch specialismen, (toetsings- en) registratiecommissies en de werkgevers betrokken.
Het Capaciteitsorgaan geeft advies over hoeveel instroomplaatsen per jaar beschikbaar moeten worden gesteld om aan de zorgvraag van de toekomst te voldoen. Het aantal instroomplaatsen vermenigvuldigd met deeltijdfactor is bepalend voor hoeveel beschikbare middelen ingezet kunnen worden voor opleiden.
Ad III. Het afwijkend aantal fte voor de klinisch(neuro)psycholoog en de psychoptherapeut is gebaseerd op het feit dat de opleiding in deeltijd wordt aangeboden. Wat betreft de opleiding tot huisarts is dit afwijkende aantal fte te verklaren doordat de reservering van het aantal opleidingsplaatsen wordt omgerekend naar de (maximale) instroom per fte. Voor de huisartsenopleiding zijn er ieder jaar twee startmomenten, namelijk in maart en in september. Het aantal fte opleidingsplaatsen wordt omgerekend vanuit het aantal resterende maanden dat een huisarts in opleiding kan zijn na deze startmomenten.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Aanwijzing 10 december 2025 met kenmerk 4315913–1091949-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2026 en verder.
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Aanwijzing 10 december 2025 met kenmerk 4315913–1091949-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2026 en verder.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29282-I.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.