29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector

Nr. 257 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 september 2016

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 31 mei 2016 over de conceptregeling houdende de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II in verband met verlenging van de werkingsduur en actualisering (Kamerstuk 29 282, nr. 252).

De vragen en opmerkingen zijn op 1 juli 2016 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 19 september 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Teunissen

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inbreng VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de conceptregeling houdende de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II in verband met verlenging van de werkingsduur en actualisering. Deze leden steunen het voornemen om de subsidieregeling te verlengen, zodat zorginstellingen meer stageplaatsen kunnen aanbieden, de begeleiding van stagiairs kan verbeteren en nieuwe talenten klaar kunnen worden gestoomd voor de toekomst. Zij hebben hierover nog wel enkele vragen en opmerkingen.

Door middel van een differentiatie in de vergoedingsbijdragen per (type) zorgopleiding wordt de relatieve aantrekkelijkheid van stageplaatsen beïnvloed. De leden van de VVD-fractie lezen dat de verhouding tussen de vergoedingsbijdragen tenminste eenmaal per termijn van de subsidieregeling heroverwogen zal worden. Zij vragen de Minister of zij voornemens is de verhouding meermaals te heroverwegen om zo te kunnen inspelen op de vraag naar specifieke arbeidskrachten in het zorgveld. Kan de Minister toelichten waar exact naar wordt gekeken bij de heroverweging van de vergoedingsbijdragen? Wordt hier bijvoorbeeld enkel rekening gehouden met de vraag en het aanbod op korte termijn, of wordt ook gekeken naar de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in de zorg op de langere termijn? Op welke manier kan een toename in het aantal inschrijvingen voor een specifieke zorgopleiding worden meegewogen in de heroverweging, zodat voor deze groep studenten voldoende stageplaatsen zullen worden aangeboden?

Met de verlenging en actualisering van de subsidieregeling vervalt het 40 weken maximum voor de stageperiode. Alleen het aantal uren maximum van 1.280 uur, respectievelijk 1.440 uur, blijft behouden. De leden van de VVD-fractie steunen de mogelijkheid om hier flexibeler mee om te gaan, zodat de mogelijkheden voor instellingen om stages aan te bieden wordt vergroot. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister op welke wijze rekening wordt gehouden met de voorzetting van het curriculum op onderwijsinstelling na of tijdens de stage. Zijn hierover afspraken gemaakt tussen de zorg- en onderwijsinstellingen? Welke mogelijkheden ziet de Minister om een stage tegelijkertijd te combineren met het volgen van vakken aan de onderwijsinstelling? Is met het loslaten van de 40-wekennorm ervaring opgedaan in andere sectoren? Zo ja, wat is hiervan geleerd?

Waarom zijn niet alle aanbevelingen van Ecorys opgevolgd?

Welke bijdrage levert de regeling aan betere kwaliteit stages? Hoe wordt de kwaliteit beter gemonitord? Wat zijn hiervan de indicatoren?

Inbreng PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling de conceptregeling houdende de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II i.v.m. verlenging van de werkingsduur en actualisering gelezen. Zij zijn blij met het feit dat de subsidieregeling verlengd wordt. Zij zijn het eens met de Minister wanneer zij stelt dat het lopen van een stage een wezenlijk onderdeel van de opleiding tot zorgprofessional is. Stageplaatsen bieden zorgprofessionals in opleiding de kans om de praktijk te ervaren, en hetgeen ze in de schoolbanken leren in de praktijk toe te passen. Zo ervaren zij alle kanten van het vak, en kunnen zij zich ontwikkelen tot goede zorgprofessionals. Zij vinden net als de Minister van belang dat concurrentieoverwegingen geen rol mogen spelen bij het aanbieden van stageplaatsen en het aannemen van personeel, en dat er een subsidieregeling is die stages in de zorg mogelijk maakt. Zij zijn tevreden met het feit dat er enkele wijzigingen plaatsvinden die het organiseren van stages minder administratief maken, en dat regeldruk wordt weggenomen. Ook de versterking van de flexibiliteit door de termijn van 40 weken te laten vervallen stelt deze leden tevreden. Wel hebben zij enkele vragen over de conceptregeling.

De leden van de fractie van de PvdA lezen in het evaluatieonderzoek van Ecorys dat er meerdere aanbevelingen gedaan worden. Er moet meer inzicht komen in de huidige en toekomstige vraag naar zorg, zowel in de cure als in de care, en het huidige en toekomstige aanbod aan zorg. Hierbij raden zij tevens een uitsplitsing naar opleidingsniveaus aan. Op deze wijze wordt inzicht verworven in de huidige en toekomstige arbeidsmarkt en groei en krimp in deelsectoren en kan beter ingespeeld worden op de veranderingen in de arbeidsmarkt. Deze leden willen graag een reactie van de Minister op deze aanbeveling, en vragen of zij deze aanbeveling overneemt. Tevens beveelt Ecorys aan voor een periodieke herijking te zorgen van de verdeling van de subsidiemiddelen naar opleidingsniveau en de (toekomstige) vraag naar arbeid in de zorg. Op welke wijze wordt er omgegaan met deze aanbeveling? Gezien de huidige veranderingen in de zorgsector lijkt het hen wijsheid tot deze inzichten en herijkingen te komen. Graag ontvangen zij een nadere reactie van de Minister. Er wordt aanbevolen meer te overleggen tussen onderwijsinstellingen en zorgorganisaties over de afstemming van het aantal stageplaatsen op de leerling- en studentaantallen, en hierover tot bindende of richtinggevende afspraken te komen. Kan de Minister duiden hoe het overleg nu plaatsvindt en op welke wijze dit verbeterd kan worden? Om voldoende en juist geschoolde «handen aan het bed» te hebben zijn afspraken hierover nuttig en nodig. Hoe gaat de Minister om met deze aanbeveling?

Tevens lezen de leden van de fractie van de PvdA dat het niet duidelijk is in welke mate het Stagefonds heeft bijgedragen aan betere kwaliteit van stages. Hier kunnen geen harde uitspraken over gedaan worden. Op welke wijze kan de kwaliteit van de stages geoperationaliseerd en gemonitord worden? Kan er een gedegen informatiebasis komen waarmee de ontwikkeling in het aantal stages en de kwaliteit ervan kan worden gemonitord? Graag ontvangen deze leden een nadere reactie van de Minister.

Inbreng SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van de conceptregeling houdende de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II in verband met de verlening van de werkingsduur en actualisering.

Zij vinden het goed nieuws dat het aantal stageplaatsen met meer dan 70% is gegroeid sinds de invoering van het Stagefonds. Toch maken zij zich zorgen over de mismatch die plaatsvindt over de vraag en het aanbod van stages in de zorg. Hoe wordt omgegaan met zorgorganisaties die behoefte hebben aan hoger opgeleide stagiaires, maar geconfronteerd worden met een grote vraag naar stages op lagere functieniveaus? Uit de evaluatie van het Stagefonds Zorg blijkt dat het aantal stageplekken voor stagiaires van niveau 2 afneemt. Welke gevolgen heeft dit voor studenten?

Deze leden willen voorts weten waarom het zo moeizaam is om stageplekken te regelen voor verzorgenden IG’ers. Geldt dit ook voor andere zorgberoepen/stages? Zo ja, welke zijn dit? Zij vragen welke tekorten er zijn aan stageplekken voor verpleegkundigen op niveau 4, en of dit ook geldt voor verpleegkundigen op niveau 5? Hoe gaat de Minister de tekorten aan stageplekken oplossen?

Uit de evaluatie Stagefonds Zorg blijkt dat het aantal stageplaatsen de afgelopen jaren redelijk stabiel is gebleken, ondanks forse bezuinigingen, decentralisaties, fusies en reorganisaties. Kan de Minister aangeven hoeveel praktijkopleiders zijn wegbezuinigd, en hoeveel stageplekken door deze ontwikkelingen verloren zijn gegaan? Kan de Minister aangeven hoeveel studenten zijn gestopt met hun studie, uitgesplitst per zorgfunctie? Welke redenen geven studenten aan te willen stoppen met hun studie? Wat gaat de Minister doen om de uitval van studenten te verminderen?

De leden van de SP-fractie vinden het opmerkelijk dat er niet wordt gekeken naar de kwaliteit van stages en de begeleiding die stagiaires krijgen. Kan de Minister uitleggen om welke redenen dit niet wordt onderzocht? Kan de Minister voorts uitleggen waarom het niet duidelijk is in welke mate het Stagefonds heeft bijgedragen aan betere stages? Gaat dit nu wel geregeld worden? Tevens willen deze leden weten of er betere afspraken gemaakt gaan worden met onderwijsinstellingen en zorgorganisaties over de afstemming van stageplekken, de begeleiding van stagiaires, het voorkomen dat studenten voltallig worden ingezet, en het voorkomen dat studenten stoppen met hun opleiding vanwege negatieve ervaringen tijdens stages. Kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel studenten stoppen met hun opleiding naar aanleiding van stages?

Vanuit de evaluatie Stagefonds Zorg wordt aangegeven dat de subsidieregeling een bijdrage levert om meer stageplekken te realiseren en de begeleiding van stagiaires te verbeteren. Maar hoe kan de Minister dit garanderen als zij zo hard bezuinigt op de zorg? De leden van de SP-fractie krijgen al jarenlang meldingen binnen van stagiaires die voltallig ingezet worden zonder begeleiding, omdat er te weinig personeel wordt ingezet op de werkvloer. Waarom regelt de Minister in haar subsidiebeleid niet dat dit opgelost wordt? Welke visie heeft zij om voldoende stageplekken te regelen met adequate begeleiding voor stagiaires? Tot slot willen de leden van de SP-fractie weten waarom de 40 weken stageperiode losgelaten wordt. Kan de Minister aangeven welke voor- en nadelen dit heeft voor de stagiaire en de zorgaanbieder?

Inbreng CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de conceptregeling houdende de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II, waarover zij enkele vragen willen stellen.

Zij vragen wat met de aanbevelingen uit het evaluatieonderzoek van Ecorys is gedaan. Welke van deze aanbevelingen hebben geleid tot een aanpassing van de Subsidieregeling? Deze leden vragen daarnaast om, als met een bepaalde aanbeveling niets is gedaan, toe te lichten waarom hier niets mee gedaan is. De leden van de CDA-fractie vragen daarom op welke wijze gezorgd wordt voor inzicht in de huidige en toekomstige vraag naar zorg (cure en care), en hoe daarbij een uitsplitsing gemaakt wordt naar opleidingsniveaus. Zij vragen daarnaast of gekozen wordt voor een periodieke herijking (elke vier jaar) van de verdeling van de subsidiemiddelen naar opleidingsniveau. Daarnaast vragen deze leden op welke wijze meer overleg tussen onderwijsinstellingen en zorgorganisaties over de afstemming van het aantal stageplaatsen georganiseerd wordt, en of hierover bindende afspraken gemaakt worden. Ten slotte vragen voornoemde leden hoe gezorgd wordt voor een gedegen informatiebasis waarmee de ontwikkeling in het aantal stages en de kwaliteit ervan gemonitord kan worden en hoe daarbij meer aandacht aan operationalisering en monitoring van kwaliteit wordt gegeven. Welke indicatoren zijn daarbij volgens de Minister maatgevend?

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe zij aankijkt tegen de kwantitatieve mismatch op de huidige stagemarkt. Deelt de Minister de conclusie van Ecorys dat de bereidheid bij zorgorganisaties tot het aanbieden van stageplaatsen de afgelopen jaren onder invloed van de bezuinigingen onder druk is komen te staan? Op welke wijze draagt de (gewijzigde) Subsidieregeling bij aan een betere match van leerlingen/studenten dat een stageplaats zoekt en de beschikbare stageplaatsen? Voorziet de Minister verbeteringen op dit punt voor de opleidingen op niveau 2, waarvoor momenteel het arbeidsmarktperspectief matig is?

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten wat zij bedoelt met de wens om af te dwingen dat de zorgaanbieder aantoont dat er Wmo-zorg verleend wordt door het middel van het overleggen van een bewijsstuk, en hoe de aanpassing van de definitie van stage-aanbieder daaraan bij zal dragen.

Inbreng D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de conceptregeling voor de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen in de zorg. Zij ondersteunen de verlening van de subsidieduur van harte. Een subsidieregeling draagt bij aan het bestaan van stageplaatsen en het begeleiden van stagiairs gedurende deze periode. Zeker met het oog op het oplossen van toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt van de zorg worden stageplaatsen van groot belang geacht. Stages zijn van grote maatschappelijke waarde om nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt kennis te laten maken met de praktijk. Maar ook kan een stage van toegevoegde waarde zijn als iemand door wil stromen, of kennis wil maken met een ander zorggebied.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderzoek door Ecorys en SEOR in opdracht van het ministerie, waarin doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling onder de loep is genomen. Zij zijn verheugd te zien dat de subsidieregeling tot groei en stabiliteit van het aantal stages heeft geleid.

Ook leven er een aantal vragen bij de leden van D66-fractie. Zo blijkt er een mismatch te bestaan tussen vraag en aanbod van stages op diverse niveaus. Zij vernemen graag op welke wijze de Minister voornemens bij te dragen aan het verkleinen van deze mismatch. Ook blijkt er onduidelijkheid te bestaan over de (ontwikkeling van de) kwaliteit van stages. Hierover bestaat geen duidelijk beeld. Kan de Minister toezeggen dat zij dit wil (laten) onderzoeken, en meeneemt in de eindevaluatie van de beleidsdoorlichting artikel 4.2?

De leden van de D66-fractie vernemen graag specifiek wat de Minister gaat doen met de aanbevelingen zoals deze zijn gedaan in het rapport? Neemt zij deze volledig over?

Omdat zij zich realiseren dat dit slechts een deelevaluatie is van de beleidsdoorlichting van artikel 4.2 van het begrotingshoofdstuk van het Ministerie van VWS kijken zij uit naar de totale beleidsdoorlichting eind 2016.

II Reactie van de Minister

De leden van verschillende fracties hebben mij naar aanleiding van mijn brief van 31 mei 2016, waarmee ik een conceptregeling, houdende de wijziging van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II (de Subsidieregeling) aanbied, een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd.

Ik wil de leden van de verschillende fracties bedanken voor hun inbreng.

Hieronder zal ik ingaan op de gestelde vragen.

Leden van de fracties van de VVD, PvdA, SP, CDA en D66 stellen vragen over de verhouding tussen de vergoedingsbedragen en periodieke aanpassing van deze verhouding.

Zoals in de toelichting op de conceptregeling wordt gemeld zal de verhouding tussen de vergoedingsbedragen tenminste één maal per vijfjarige termijn van de Subsidieregeling worden heroverwogen. Aangezien één van de doelen van de Subsidieregeling is om bij te dragen aan een stabiele ontwikkeling van stageplaatsen zal deze verhouding niet jaarlijks worden aangepast. Dit impliceert tevens dat met name naar de voorziene arbeidsmarktontwikkelingen op middellange termijn zal worden gekeken.

De eerstvolgende heroverweging zal in de aanloop naar studiejaar 2017–2018 plaats vinden. Deze timing maakt het mogelijk om bij deze heroverweging de ervaringen met het uitbreiden van de werkingssfeer van de Subsidieregeling naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) in subsidiejaar 2015–2016 te betrekken.

Bij de heroverweging zal, in samenspraak met de onderwijs- en zorgsector, uiteraard gekeken worden naar de situatie op de arbeidsmarkt en de vraag en het aanbod naar stageplaatsen per zorgopleiding.

Leden van de fracties van de PvdA, CDA en SP stellen vragen over de aanbeveling uit de evaluatie tot meer overleg tussen onderwijsinstellingen en zorginstellingen over onder meer de afstemming van het aantal stageplaatsen op de leerling- en studentaantallen en de daarbij behorende afspraken.

De Subsidieregeling beoogt het beschikbaar stellen van stageplaatsen te bevorderen door aanbieders van stageplaatsen een subsidie op basis van gerealiseerde stageplaatsen te verstrekken. Het overleg over het aansluiten van vraag en aanbod naar stageplaatsen vindt op regionaal niveau plaats tussen de onderwijs- en zorginstellingen.

De afstemming en samenwerking tussen onderwijs- en zorginstellingen op regionaal niveau wordt met het Zorgpact verder gestimuleerd.

Leden van de fracties van de VVD en de SP vragen naar het laten vervallen van het 40 weken maximum voor de stageperiode.

Het laten vervallen van het 40 weken maximum voor de stageperiode in de Subsidieregeling geeft de instellingen een grotere vrijheid en meer mogelijkheden om stages in te kunnen plannen. De zorginstellingen kunnen stages immers over meer weken verdelen. Een stageaanbieder hoeft alleen nog maar het aantal uren per studiejaar te monitoren en niet ook nog het aantal weken waarbinnen die uren gemaakt worden.

De verruimde mogelijkheid beoogt het aldus mogelijk te maken meer en/of beter op behoefte afgestemde stageplaatsen te realiseren tegen minder administratieve lasten. Voor de student betekent dit meer kans op een stage. Wanneer dit zo in de stageovereenkomst wordt overeengekomen kan deze stage nu over meer dan 40 weken verdeeld worden.

De 40-wekennorm was een norm die als specifieke subsidievoorwaarden in de Subsidieregeling stageplaatsen zorg was opgenomen. Met het vervallen van deze norm verandert er dus niets aan de algemene wet- en regelgeving over praktijkuren waaraan de onderwijsinstellingen moeten voldoen. Met het vervallen van de 40-wekennorm resteert de (praktijk)urennorm waar de onderwijsinstellingen toch al aan moesten voldoen. Bij deze norm is naast de praktijkuren ruimte voor het volgen van theoretische vakken.

In andere sectoren, zoals de toerisme sector, bestaat deze 40-wekennorm niet. Studenten hebben dan vrij in het laagseizoen en kunnen meelopen in het hoogseizoen, waardoor zij ook meekrijgen hoe het werkelijk is om in de sector te werken. Tevens geeft het meer flexibiliteit aan stagebedrijven, waardoor zij meer stages beschikbaar kunnen stellen.

Naar aanleiding van de constatering in de evaluatie dat er nog geen duidelijk beeld is over de ontwikkeling van de kwaliteit van de stages vragen leden van de fracties van de VVD, PvdA, SP, CDA en D66 mij naar de kwaliteit van stages en de monitoring daarvan.

Met de Subsidieregeling beoog ik een bijdrage te leveren aan het beschikbaar komen van voldoende goede stageplaatsen en een bijdrage te doen in de kosten van de stagebegeleiding. Afspraken over de kwaliteit van de stages worden gemaakt tussen de onderwijsinstellingen, de zorginstellingen en de stagiaires. Het bewaken van de kwaliteit van de stageplaatsen is aan de onderwijsinstellingen, die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de opleidingen inclusief het praktijkdeel.

Ik heb bij de inrichting van de Subsidieregeling nadrukkelijk gekozen om de administratieve lasten van de regeling voor de betrokken instellingen zo laag mogelijk te houden. Daartoe heb ik ook geen aparte monitor ingebouwd voor de kwaliteit van de stagebegeleiding.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel praktijkopleiders zijn wegbezuinigd en hoeveel stageplekken daardoor verloren zijn gegaan.

De Subsidieregeling is gericht op het bevorderen van een stabiele ontwikkeling van het aanbod aan stageplaatsen. Met de subsidies wordt beoogd het aanbieden van stages te stimuleren, zeker ook in gevallen wanneer dit aanbod door externe oorzaken onder druk kan komen te staan.

Of en hoeveel praktijkopleiders door zorginstellingen zijn wegbezuinigd wordt niet gemonitord. Daarmee is er ook geen uitspraak te doen over het aantal stageplekken dat daarmee eventueel verloren zou zijn gegaan.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel studenten met hun studie gestopt zijn en welke redenen studenten geven om te willen stoppen met hun studie en wat de Minister gaat doen om de uitval van studenten te verminderen.

De Subsidieregeling stageplaatsen zorg beoogt onder meer een stabiele ontwikkeling van het aantal stageplaatsen te bevorderen door het beschikbaar stellen van een bijdrage in de kosten van het aanbieden van stageplaatsen en richt zich niet primair op studierendement. De redenen waarom studenten stoppen met de opleiding zijn daarom niet in de evaluatie onderzocht.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de Minister kan garanderen dat de Subsidieregeling stageplaatsen zorg een bijdrage levert om meer stageplekken te realiseren en de begeleiding van stagiaires te verbeteren als zij zo hard bezuinigt op de zorg?

In het eindrapport van de evaluatie van het Stagefonds wordt geconcludeerd dat het plausibel is dat de inzet van het Stagefonds heeft geleid tot groei van het aantal stageplaatsen en stabilisering erna.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de Minister volledige inzet van stagiaires op de werkvloer zonder begeleiding vanwege te weinig personeel niet oplost in haar subsidiebeleid. Welke visie heeft zij om voldoende stageplekken te regelen met adequate begeleiding voor stagiaires?

Met de Subsidieregeling stageplaatsen zorg stel ik middelen ter beschikking voor de begeleiding van de stagiaires. In de stageovereenkomst worden tussen de betrokken partijen (onderwijsinstelling, zorginstelling, stagiair) afspraken gemaakt over onder meer de begeleiding van de stagiair.

Onderwijsinstellingen dragen de verantwoordelijkheid voor het gehele onderwijs van hun studenten, dus ook voor de beroepspraktijkvorming (bpv). In de praktijkovereenkomst of stageovereenkomst staan de afspraken over de stage tussen student, school en zorginstelling. Deze gaan bijvoorbeeld over de begeleiding vanuit de school en de zorginstelling, beoordeling en duur van de stage.

Studenten in het middelbaar beroepsonderwijs mogen alleen de bpv volgen bij een erkend leerbedrijf dat voldoet aan de kwaliteitscriteria van stichting Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Bedrijven die aan de eisen in het erkenningsreglement van SBB voldoen, worden erkend leerbedrijf. Belangrijke aspecten daarbij zijn dat de werkzaamheden moeten passen bij de opleiding (de kwalificatie of onderdelen daarvan) van de student en dat de student begeleiding krijgt van een bekwame praktijkopleider.

Indien er sprake is van het volledig inzetten van stagiaires op de werkvloer zonder begeleiding of met minder begeleiding dan overeengekomen in de stageovereenkomst dan kan de stagiair daar melding van maken bij de onderwijsinstelling en deze kan de zorginstelling daarop aanspreken.

Bij concrete aanwijzingen zal de adviseur praktijkleren van SBB direct in contact treden met het desbetreffende leerbedrijf en de onderwijsinstelling om na te gaan of dit klopt en hoe dit kan worden bestreden.

Voorts geldt dat de werkgevers in de zorg verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de geleverde zorg. Deze kunnen zij niet garanderen bij de inzet van stagiaires zonder begeleiding. De Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet toe op de kwaliteit van de geleverde zorg.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe zij aankijkt tegen de kwantitatieve mismatch op de huidige stagemarkt. Deelt de Minister de conclusie van Ecorys op basis van een enquête onder onderwijsinstellingen dat de bereidheid bij zorgorganisaties tot het aanbieden van stageplaatsen de afgelopen jaren onder invloed van de bezuinigingen onder druk is komen te staan? Op welke wijze draagt de (gewijzigde) Subsidieregeling bij aan een betere match van leerlingen/studenten dat een stageplaats zoekt en de beschikbare stageplaatsen? Voorziet de Minister verbeteringen op dit punt voor de opleidingen op niveau 2, waarvoor momenteel het arbeidsmarktperspectief matig is?

Het is denkbaar dat zorginstellingen de focus de afgelopen perioden meer hebben gelegd op de transities in de zorg en minder op het organiseren van stageplaatsen. Hierover is in de evaluatie echter geen onderzoek gedaan bij de zorginstellingen zelf.

Het oogmerk van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg is de behoefte op de arbeidsmarkt en niet zozeer het aanbod van stagiaires. Bij de periodieke heroverweging van de verdeling van de subsidiemiddelen over de opleidingen zal de vraag naar zorgpersoneel de belangrijkste factor zijn. Het doel van het stagefonds is immers niet het matchen van het aanbod aan stagiaires voor zorgberoepen waar weinig vraag naar is en waar de kans werkloosheid groot is. Het ligt daarbij in de rede dat extra ingezet zal worden op opleidingen voor zorgberoepen waar de vraag – of zelfs het verwachte tekort – aan zorgverleners het grootst is en het aanbod van stageplaatsen in relatie tot de vraag naar stageplaatsen het kleinst. De plannen voor het verbeteren van het arbeidsmarkt-perspectief voor de opleidingen op niveau 2 heb ik verwoord in mijn brief naar de Tweede Kamer d.d. 4 december 2015 «Toekomstvaste langdurige zorg en ondersteuning» (Kamerstuk 29 282, nr. 238).

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten wat zij bedoelt met de wens om af te dwingen dat de zorgaanbieder aantoont dat er Wmo-zorg verleend wordt door middel van het overleggen van een bewijsstuk, en hoe de aanpassing van de definitie van stageaanbieder daaraan bij zal dragen.

De Subsidieregeling is in 2015 aangepast vanwege de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Op grond van de Subsidieregeling zijn het de stageaanbieders die in aanmerking komen voor subsidie. De stageaanbieder was voorheen gedefinieerd als een zorgaanbieder in de zin van (onder meer) de AWBZ, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet op de Jeugdzorg en de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Wmo 2015, de Wlz, de Zvw en de Jeugdwet zijn hier per 1 januari 2015 voor in de plaats gekomen.

De Subsidieregeling is in 2015 gewijzigd voor de noodzakelijke aanpassingen. Het begrip stageaanbieder is uitgebreid door toevoeging van de zorgaanbieder die krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 zorg biedt. Deze toevoeging was noodzakelijk omdat bepaalde terreinen van zorg vanuit de AWBZ en de Wet op de jeugdzorg zijn overgeheveld naar die wet en niet onder de werking van de Wlz en de Jeugdwet vallen.

De definitie van aanbieder als bedoeld in de Wmo 2015 wordt met de voorgestelde aanvulling niet veranderd. Deze blijft «een natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren». De definitie wordt nu wel nader geoperationaliseerd met het beschikbaar moeten zijn van besluitvorming door het desbetreffende College. Hiervoor wordt een bewijsstuk gevraagd, waarmee kan worden vastgesteld of een aanvrager een stageaanbieder in de zin van de Subsidieregeling is en op die grond voor een subsidie op basis van deze Subsidieregeling in aanmerking komt.

Leden van de fracties van de VVD, SP, CDA en D66 vragen naar mijn reactie op de aanbevelingen uit het evaluatieonderzoek, welke zijn of worden overgenomen en een toelichting hierop.

Eind 2016 kom ik met mijn integrale reactie op de beleidsdoorlichting van artikel 4.2 van de VWS-begroting, waarvan de evaluatie van de Subsidieregeling stageplaatsen zorg een onderdeel uitmaakt. Daarin zal ik ingaan op de conclusies en aanbevelingen uit de verschillende onderdelen van de beleidsdoorlichting. Daarbij zal ik ook aandacht schenken aan de invloed van de omgeving op de uitkomsten van beleid. Zo is voor het aanbod van stageplaatsen de Subsidieregeling stageplaatsen zorg maar een van de vele factoren die een rol spelen.

Voor de Subsidieregeling stageplaatsen zorg zijn de aanbevelingen:

  • Zorg voor een gedegen informatiebasis waarmee de ontwikkeling in het aantal stages en de kwaliteit ervan kan worden gemonitord. Dat moet de basis bieden voor evaluaties van de effectiviteit en doelmatigheid van het Stagefonds in de komende jaren.

  • Zorg voor inzicht in de huidige en toekomstige vraag naar zorg (care en cure) en het huidige en toekomstige aanbod. Maak daarbij een uitsplitsing naar opleidingsniveaus. Dat geeft dan inzicht in de huidige toekomstige arbeidsmarkt en groei en krimp in deelsectoren.

  • Zorg voor een periodieke herijking (elke vier jaar) van de verdeling van de subsidiemiddelen naar opleidingsniveau en -richting op basis van informatie over de (toekomstige) vraag naar arbeid in de zorg.

  • Organiseer meer overleg tussen onderwijsinstellingen en zorgorganisaties over de afstemming van het aantal stageplaatsen op de leerling- en studentaantallen en maak hierover bindende of tenminste richtinggevende afspraken. Wie in dit proces de regie moet nemen, kan in overleg met de zorg- en onderwijspartijen worden bepaald.

  • Geef daarbij meer aandacht aan operationalisering en monitoring van de kwaliteit van de stages. Bepaal welke indicatoren hiervoor maatgevend zijn.

Hieronder ga ik kort in op elk van deze aanbevelingen.

  • Met de verdere ontwikkeling van het onderzoeksprogramma arbeidsmarkt zorg en welzijn en de gegevens van stichting Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven komen steeds meer gegevens over de arbeidsmarkt en stages beschikbaar. Daarmee versterk ik de informatiebasis. Dit maakt het ook mogelijk om het beleid beter op de verwachte ontwikkelingen in de arbeidsmarkt te kunnen laten aansluiten.

  • Met de jaarlijkse update toekomstverkenning uit het onderzoeksprogramma arbeidsmarkt zorg en welzijn worden de verwachte ontwikkelingen op de arbeidsmarkt bijgehouden. Deze gegevens vormen input voor de periodieke herijking van de verdeling van de subsidiemiddelen.

  • In de toelichting op de nieuwe Subsidieregeling geef ik aan dat ik de Subsidieregeling minimaal één keer per periode van maximaal vijf jaar dat de Subsidieregeling geldig is zal herijken. Voor deze herijkingmomenten zal de meest actuele informatie over de arbeidsmarkt worden meegenomen en besproken met de betrokken partijen. De toekomstige zorgvraag en de daaruit volgende behoefte aan zorgprofessionals zullen bij de bepaling van de herijking een prominente rol spelen.

  • Stageplaatsen worden verdeeld na overleg tussen onderwijsinstellingen en zorgorganisaties. Daarbij wordt voor elke stageplaats tussen onderwijsinstelling, zorginstelling en student een stageovereenkomst opgesteld. Om de bestaande overlegstructuren en ontwikkelingen verder te ondersteunen heeft het kabinet het Zorgpact in het leven geroepen. Het Zorgpact heeft tot doel de kwaliteit van de zorg voor iedereen te verhogen door de kwaliteit van de zorgprofessionals voor de toekomst te waarborgen. Dat gebeurt door de samenwerking tussen werkgevers, onderwijsinstellingen en lokale overheden te stimuleren. Het Zorgpact fungeert daarmee als de aanjager van samenwerking tussen deze partijen.

  • Met de BPV Monitor 2016 van de stichting Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven meten beroepsonderwijs en bedrijfsleven de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming (bpv). Dat gebeurt door vragen te stellen aan de praktijkopleider of contactpersoon bpv van het leerbedrijf, de student en de bpv-begeleider van de school. De antwoorden helpen leerbedrijven, scholen en SBB de kwaliteit van stages en leerbanen te verbeteren.

Naar boven