Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201029282 nr. 101

29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector

Nr. 101 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juni 2010

Hierbij bied ik u het «Advies opleiding medisch specialisten» van de Externe Commissie Regeldruk VWS aan.1 Daarin wordt uitgebreid ingegaan op de werking van het opleidingsfonds. Op dit moment wordt het Opleidingsfonds door een onafhankelijk onderzoeksbureau geëvalueerd. Naast aanbevelingen voor inhoudelijke verbeteringen van het Opleidingsfonds, dient de evaluatie zich ook te richten op een meer soepele uitvoering ervan. Het advies van de Commissie Regeldruk VWS is om die reden belangrijke input voor de evaluatie. Juist vanwege de lopende evaluatie ben ik echter op dit moment terughoudend met mijn inhoudelijke reactie op het advies van de commissie, met name waar het de aanbevelingen betreft. Toch wil ik op een aantal zaken, dat in het advies aan de orde komt nader ingaan.

De commissie heeft de omvang van de administratieve lasten van het opleidingsfonds niet gekwantificeerd. De kwalitatieve beschrijving van het uitvoeringsproces laat naar de mening van de commissie duidelijk zien dat de door veldpartijen ervaren (administratieve) lasten aanzienlijk zijn. Onder andere wordt hierbij door de commissie gewezen op de verdeling van de beschikbare opleidingsplaatsen onder de ziekenhuizen. Zoals de commissie aangeeft is dat in het Opleidingsfonds geen eenvoudig proces, dat zeker vereenvoudiging behoeft. Om tot deze gewenste verbeteringen te komen is het zinvol om daarbij ook de situatie vóór de start van het Opleidingsfonds in ogenschouw te nemen. Ook toentertijd was de verdeling van de opleidingsplaatsen geen eenvoudig proces. Zo was de verdeling voor 2006 door betrokken veldpartijen in augustus van dat jaar bijvoorbeeld nog niet geregeld, ondanks vele rondes van overleg. Ook kwam het regelmatig voor dat ziekenhuizen 2 jaar na afloop nog bezig waren met verzekeraars om het aantal gerealiseerde plaatsen vast te stellen.

In deze brief wil ik – aanvullend op het advies van de commissie – enige opmerkingen maken over het (administratieve) proces van het Opleidingsfonds. Daarbij maak ik een onderscheid tussen het toewijzingsproces en het subsidieproces. Deze beschrijving laat zien dat op onderdelen inmiddels vereenvoudigingen zijn doorgevoerd. Verdere verbeteringen blijven echter gewenst.

Toewijzingsproces Opleidingsfonds

In het toewijzingsproces wordt, zowel voor de eerste als de tweede tranche, bepaald waar welke (medisch) specialisten kunnen worden opgeleid. Ik vraag daartoe elk jaar het CBOG om een voorstel op te stellen. In 2007 en 2008 had dat voorstel betrekking op zowel de instroom van nieuwe AIOS als de doorstroom van AIOS die al in opleiding zijn.

Voor de doorstroom maak ik voor bijna alle opleidingen van het Opleidingsfonds inmiddels gebruik van de gegevens van de registratiecommissies, waaronder de MSRC. Deze gegevens worden – onafhankelijk van het Opleidingsfonds – sinds jaren door de registratiecommissies bijgehouden. De AIOS is verplicht om het met de opleider afgestemde opleidingsschema voor te leggen aan de betreffende commissie. Ook wijzigingen dienen voorgelegd te worden. In het opleidingschema is precies aangegeven in welke instelling de AIOS de verschillende onderdelen van de opleiding volgt. Op verzoek van VWS zijn deze gegevens gedigitaliseerd, zodat ze gebruikt kunnen worden voor het Opleidingsfonds. Concreet betekent dit dat hiermee de toedeling van circa 80% van de opleidingsplaatsen afgeleid wordt van bestaande gegevens. Voorwaarde is wel dat de registratiecommissies tijdig beschikken over de correcte gegevens, conform het opleidingsschema van de AIOS. Wat dat betreft is er sprake van een duidelijke positieve ontwikkeling. Het aantal fouten in de gegevens is zeer beperkt. In 2009 betrof het minder dan 1% van alle opleidingsplaatsen. Mede door deze vereenvoudiging is ook het aantal bezwaar- en beroepsprocedures aanzienlijk gedaald. In haar advies doet de Commissie Regeldruk VWS enkele relevante voorstellen voor verdere verbetering, die in de evaluatie een plaats zullen krijgen.

Voor de instroom van nieuwe AIOS vraag ik jaarlijks aan het CBOG nog steeds een toewijzingsvoorstel. Zoals ook in het advies van de commissie aangegeven wordt, geef ik het CBOG middels het toewijzingskader een aantal randvoorwaarden mee, waaronder het aantal beschikbare opleidingsplaatsen voor instromers. Verder hebben deze randvoorwaarden met name betrekking op de procedure die gevolgd moet worden en zijn ze vooral ingegeven door hetgeen de Algemene Wet Bestuursrecht voorschrijft. Wat betreft de procedure gaat het met name om het toepassen van toetsbare criteria voor de verdeling van de plaatsen en een transparante procedure waarin alle relevante partijen betrokken worden.

Binnen dit toewijzingskader is het CBOG verder vrij, om in overleg met veldpartijen, criteria op te stellen voor het toewijzen van de instroomplaatsen. Het enige inhoudelijke criterium dat door mij opgelegd wordt, is voorrang verlenen aan zorginstellingen met een nieuwe erkenning. Het gaat daarbij om een zeer beperkt deel van het beschikbare aantal plaatsen en is bedoeld om nieuwe toetreders te stimuleren. Daarnaast heb ik het CBOG verzocht om ook kwaliteitscriteria te gebruiken. Ook de commissie acht dit wenselijk. Bij gebrek aan bruikbare kwaliteitscriteria is dit nog niet gerealiseerd.

De criteria die het CBOG gebruikt worden opgenomen in het afwegingskader. Na toetsing daarvan aan mijn eis van toetsbare criteria en transparante procedures kan het gebruikt worden. De keuze voor de criteria ligt dus vrijwel geheel bij het CBOG en ook de wijze waarop veldpartijen ingeschakeld worden is aan het CBOG. Wat het laatste betreft is in 2009 en 2010 een zeer uitgebreide raadpleging van het veld, met vele overlegmomenten op verschillende niveaus, toegepast.

Ook de commissie constateert dit en geeft daarbij aan dat veldpartijen behoefte hebben aan vereenvoudiging van de procedures. Ik steun dit en verwacht dat de evaluatie hiervoor enkele concrete aanbevelingen zal opleveren.

Het door het CBOG aan mij aangeleverde toewijzingsvoorstel dien ik vervolgens te toetsen. Deze toets is allereerst op hoofdlijnen. Dat wil zeggen dat ik bezie of de criteria en de procedures die in het afwegingskader opgenomen zijn, ook daadwerkelijk gevolgd zijn. Daarnaast controleer ik steekproefsgewijs voor een aantal instellingen of het toewijzingsvoorstel op een juiste wijze tot stand is gekomen voor die instellingen. In 2010 heeft mijn toetsing geleid tot aanpassing van het toewijzingsvoorstel, omdat niet voor alle instellingen de criteria en procedures juist toegepast waren.

Subsidieproces Opleidingsfonds

Na acceptatie van het toewijzingsvoorstel van het CBOG stel ik het verdeelplan vast. Daarmee kan het subsidietraject beginnen. Op mijn uitnodiging vragen de instellingen die in het verdeelplan zijn opgenomen, subsidie aan. Daartoe behoeven ze alleen het voor hen relevante deel van het toewijzingsvoorstel over te nemen op het aanvraagformulier. De doorstroomplaatsen worden door mij automatisch meegenomen in de beschikking.

Gedurende het subsidiejaar kunnen de ruim 400 beschikkingen nog gewijzigd worden. De praktijk laat zien dat dat bij 200 beschikkingen plaatsvindt. De helft daarvan is het gevolg van een door veldpartijen gewenste voorziening in de subsidieregeling (met betrekking tot de vooropleidingsplaatsen). De ander helft is het gevolg van correcties op het doorstroombestand en mutaties als gevolg van geoorloofde wijzigingen van de opleidingsschema’s.

Na afloop van het subsidiejaar dienen de instellingen een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Net zoals bij de aanvraag van de subsidie volstaat hier een overzicht van het aantal daadwerkelijk gerealiseerde opleidingsplaatsen per specialisme. Daarnaast dient een accountantsverklaring meegestuurd te worden. De aanvraag tot vaststelling controleer ik vervolgens aan de hand van de verleende subsidie, alsmede de bevindingen van de accountant. Enige controle acht ik gelet op de omvang van de subsidie – die voor sommige ziekenhuizen kan oplopen tot circa € 50 miljoen – ook noodzakelijk.

Voor een beoordeling van het subsidieproces zijn ook de aard en omvang van de bezwaarprocedures relevant. Dat laat een positieve ontwikkeling zien. Het aantal bezwaarschriften met betrekking tot de subsidieverlening dat daadwerkelijk in behandeling is genomen is gedaald van ruim 50 in 2007 en 2008 naar minder dan 10 in 2010. Voor een belangrijk deel heeft dat te maken met de vereenvoudiging die toegepast is bij de verdeling van doorstroomplaatsen, door gebruik te maken van de gegevens van de registratiecommissies.

Tot slot

Het advies van de commissie bevat een aantal relevante aanbevelingen om de regeldruk van het Opleidingsfonds nog verder te verminderen. Zoals ik eerder heb aangegeven wil ik daar vanwege de thans lopende evaluatie van het Opleidingsfonds niet op vooruit lopen.

De aanbevelingen zullen mede richting geven aan de evaluatie. Ik verwacht in de zomer de evaluatie te ontvangen. In het najaar zal ik u dan informeren wat de betekenis is van de evaluatie voor de toekomst van het Opleidingsfonds.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.