Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 29279 nr. I |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 29279 nr. I |
Vastgesteld 21 april 2022
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid1 hebben kennisgenomen van de brief van 24 januari 20222 over het Jaarplan 2022 van de Raad voor de rechtspraak. Tijdens de commissievergadering van 15 februari 2022 is gelegenheid geboden om inbreng te leveren voor een schriftelijk overleg. De leden van de fracties van GroenLinks, D66 en 50PLUS hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt vragen te stellen. De leden van de fractie van de SP hebben zich aangesloten bij deze vragen.
Naar aanleiding hiervan is op 22 februari 2022 een brief gestuurd aan de Minister voor Rechtsbescherming.
De Minister heeft op 20 april 2022 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Dooren
Aan de Minister voor Rechtsbescherming
Den Haag, 22 februari 2022
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben kennisgenomen van uw brief van 24 januari 20223 over het Jaarplan 2022 van de Raad voor de rechtspraak. Tijdens de commissievergadering van 15 februari 2022 is gelegenheid geboden om inbreng te leveren voor een schriftelijk overleg. De leden van de fracties van GroenLinks, D66 en 50PLUS hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De leden van de fractie van de SP sluiten zich aan bij de vragen gesteld door de leden van GroenLinks, D66 en 50PLUS.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks
De leden hebben met interesse kennisgenomen van het Jaarplan Rechtspraak 2022. De leden hebben enkele vragen over de in dit jaarplan genoemde intenties, en hoe het beleid van de regering zich hiertoe zal verhouden.
In het Jaarplan Rechtspraak worden vijf agendapunten voor de rechtspraak genoemd, waaronder tijdigheid, voorspelbaarheid, toegankelijkheid en oog voor de menselijke maat. Hoe beoordeelt u deze intenties, mede in het licht van de toeslagenaffaire en het rapport dat de Venetië-commissie hierover heeft gepubliceerd? Ziet u voor zichzelf een verantwoordelijkheid om deze ontwikkelingen in de Rechtspraak mogelijk te maken? Wat voor maatregelen beoogt u hierin te nemen?
De rechtspraak heeft een periode met ernstige achterstanden doorgemaakt, en kampt nog steeds met een tekort aan rechters en andere medewerkers. De Raad voor de Rechtspraak geeft dan ook aan dat er structurele extra investeringen in de rechtspraak nodig zijn. De beloften in het regeerakkoord lijken hier grotendeels aan tegemoet te komen. Toch zullen er hiernaast in de komende jaren extra financiële uitdagingen spelen voor de rechtspraak. Zo leidt de coronacrisis tot hogere kosten per zaak en extra kosten in de bedrijfsvoering. Wordt er in de zaaksprijzen rekening gehouden met hogere kosten i.v.m. corona? En zijn er verder al afspraken met de rechtspraak gemaakt of in voorbereiding om deze extra kosten in 2022 te compenseren? Zo ja, welke? Verder zal in de komende jaren de modernisering van het Wetboek van Strafvordering grote financiële gevolgen voor de rechtspraak hebben. Hoe beoogt u hiervoor voldoende middelen vrij te maken? En in hoeverre neemt u bovengenoemde uitdagingen mee in het toewijzen van structurele investeringen aan de rechtspraak?
Naar aanleiding van de motie-Rosenmöller4 is er een onderzoek gedaan naar continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak.5 In het eindrapport van dit onderzoek worden vier (hoofd)aanbevelingen gedaan om bij te dragen aan bekostigingssystemen die minder problemen veroorzaken bij politie, OM en rechtspraak. Welke van deze aanbevelingen acht u in het kader van het Jaarplan Rechtspraak het meest relevant, en hoe zullen deze aanbevelingen worden meegenomen in toekomstige bekostiging van de rechtspraak?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
Met belangstelling hebben de leden van de D66-fractie kennis genomen van de korte brief van 24 januari 2022, waarbij het Jaarplan 2022 van de Raad voor de Rechtspraak aan de Eerste Kamer is gestuurd. Over het Jaarplan hebben deze leden enkele vragen waarbij zij graag van u horen wat uw opvattingen zijn.
Op pagina 10 kondigt de Raad voor de Rechtspraak aan dat zij ook na de Coronapandemie in specifieke gevallen online-zittingen wil laten plaatsvinden. «Het is in een concreet geval aan de individuele rechter om te beslissen of de rechtszaak (deels) online dan wel fysiek wordt behandeld.». Bent u het met de D66-fractie eens dat de wetgever hier criteria voor moet opstellen, waarbij met name het belang van de justitiabelen voor ogen wordt gehouden? Zo ja, komt u met voorstellen om -in samenspraak met de rechterlijke macht- een online-rechtspraakplan te ontwikkelen?
Op pagina 12 stelt de Raad voor de Rechtspraak dat de werkvoorraden in misdrijfzaken die door de coronacrisis zijn opgelopen, in 2021 nagenoeg volledig zijn teruggebracht naar het niveau van voor de coronacrisis. Op zich is dit goed nieuws, maar kunt u de leden van de D66-fractie aangeven hoe groot de werkvoorraden zijn? Justitiabelen hebben er recht op dat hun zaak goed, snel en efficiënt wordt behandeld. Lange wachttijden stellen het vertrouwen in de rechtspraak op de proef. Is er volgens u extra actie nodig om de werkvoorraden aanzienlijk te doen slinken? Zo nee, waarom niet?
Terecht merkt de Raad voor de Rechtspraak op pagina 14 op: «Goede rechtspraak doen we samen.». Rechters, juridisch medewerkers die ondersteunen, administraties die de zaakbehandeling in goede banen leiden, de facilitaire diensten en IT’ers worden genoemd. Hoe wordt ervoor gezorgd dat het kennisniveau van al deze geledingen adequaat is voor het werk dat zij geacht worden te doen?
In hoofdstuk 3.6 gaat de Raad in op de concurrentie op de arbeidsmarkt. Hoe groot zijn de personeelstekorten? Is het moeilijk vacatures met gekwalificeerd personeel te vullen? Zo ja, waar ligt dat aan?
In hoofdstuk 2.4 bespreekt de Raad voor de Rechtspraak de veiligheid van de mensen die in de rechtspraak werken. Even daarvoor lichtte de Raad toe dat het thuiswerken goed bevallen is en dat daarmee doorgegaan wordt. De vraag van de leden van de D66-fractie is of de beveiligingsmaatregelen zich ook uitstrekken naar de privéadressen van de rechters. Worden de dossiers die thuis worden bekeken goed beveiligd? Hoe wordt het risico ingeschat dat dossiers worden gehackt voor zover ze digitaal ter beschikking staan van de thuiswerkende rechters en als het papieren dossiers zijn, hoe wordt voorkomen dat die in verkeerde handen vallen?
Terecht besteedt de Raad voor de Rechtspraak in hoofdstuk 2.5 aandacht aan de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, de innovatiewet Strafvordering die het mogelijk maakt om alvast met pilots te gaan werken, vooruitlopend op de inwerkingtreding. Kunt u een overzicht geven van hoe u alles rond het Nieuwe Wetboek van Strafvordering met het parlement wil delen? Is er een tijdsschema, zo vragen de leden van de D66-fractie. Mochten er algemene maatregelen van bestuur of ministeriële regelingen gekoppeld worden aan de inhoud van het Wetboek van Strafvordering, kunt u op hoofdlijnen aangeven wat daar dan in komt te staan? Wat de leden van de D66-fractie betreft is het belangrijk dat de Eerste Kamer het overzicht kan houden op wat er allemaal geregeld en gewijzigd gaat worden.
Op pagina 24 rept de Raad voor de Rechtspraak over de diverse inloopteams die in 2021 zijn opgestart. De leden van de D66-fractie achten het van het grootste belang dat er geen achterstanden en lange doorlooptijden zijn in het familierecht. Heeft u een indicatie over hoe te lange duur van familiezaken een negatieve impact kan hebben op de relatie tussen ouders onderling en in de ouder-kindrelatie?
In hoofdstukken 3.2 en 3.4 besteedt de Raad aandacht aan digitalisering, laagdrempelige toegang en de menselijke maat. Kunt u toezeggen dat in zaken waar geen verplichte procesvertegenwoordiging is voorgeschreven, er ook voldoende mogelijkheden zijn om stukken op papier in te dienen? Zullen er voldoende mogelijkheden zijn voor justitiabelen om, als zij dat willen en het nodig is, iemand te kunnen zien en te spreken? De D66-fractie weet dat veel mensen in Nederland die met de rechtspraak in aanraking komen, laaggeletterd zijn en niet met digitalisering overweg kunnen. Voor gemakkelijke toegang tot de rechtspraak achten deze leden persoonlijk contact van groot belang.
Worden er naast het in 2022 te ontwikkelen traineeprogramma ook mogelijkheden geboden aan mbo- en hbo-studenten om een stage te lopen bij een van de gerechten? Volgens de leden van de D66-fractie kan dit er toe bijdragen dat meer jonge mensen geïnteresseerd raken in een loopbaan binnen de rechtspraakketen. Bovendien vult het het tekort aan stageplaatsen aan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van 50PLUS
De leden van de 50PLUS-fractie hebben met bijzondere interesse kennisgenomen van het Jaarplan Rechtspraak 2022 en hebben daarbij nog een aantal vragen.
In het Jaarplan wordt op pagina 27 opgemerkt dat de ervaringen die tijdens de coronacrisis met online zittingen zijn opgedaan in 2022 zullen worden gebruikt om de technische infrastructuur voor online zittingen verder te verbeteren. Gestreefd wordt naar digitaal procederen voor alle zaakstromen met een focus voor online zittingen waarbij gedetineerden in penitentiaire inrichtingen (PI’s) verblijven.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen zich af of dit in de nabije toekomst betekent dat in zijn algemeenheid wordt ingezet op online zittingen met afbouw van de fysieke zittingen ook bij civiele en familiezaken? Bent u het met deze leden eens dat een meerwaarde bestaat bij fysieke zittingen waarbij er één-op-één contact is tussen rechter en betrokken procespartijen? Lichaamstaal kan soms meer uitdrukken dan een stroom van woorden. Denkt u dat via online zittingen een rechter dezelfde indruk verkrijgt van een procespartij als tijdens een fysieke zitting? In hoeverre meent u dat de gemiddelde Nederlandse burger digitaal vaardig genoeg is om zich tijdens online zittingen zodanig te presenteren dat de rechter van hem/haar dezelfde indruk verkrijgt als bij een fysieke verschijning?
De leden van de 50PLUS-fractie vragen een reflectie van u op de volgende vragen.
Is al bekend in hoeverre online zittingen bijdragen aan het verkorten van de gemiddelde zittingsduur? Schuilt hierin niet het gevaar dat puur vanuit economisch gezichtspunt in de nabije toekomst alle zaakstromen enkel online worden afgedaan? Wat betekent dat voor de minder digitaal vaardigen onder ons? Hoe verhoudt zich dit met de laagdrempelige toegang tot de rechtspraak voor iedereen waarnaar gestreefd wordt?
In het Jaarplan staat dat zo’n 200 extra rechters worden aangetrokken om achterstanden in te lopen waardoor de doorloop tijd van rechtszaken op peil kan worden gehouden. Deze leden zijn verheugd over deze mededeling maar vragen zich wel af of het realistisch is om binnen een jaar deze uitbreiding van rechters te realiseren gelet op het reeds bestaande tekort eraan? Is enkel het aantrekken van extra rechters voldoende om de kwaliteit van de rechtspraak op peil te houden?
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien uw reactie – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.
Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, M.M. de Boer
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2022
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van uw Kamer over het Jaarplan Rechtspraak 2022.
De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind
Antwoorden van de Minister voor Rechtsbescherming op de schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Eerste Kamer over het Jaarplan Rechtspraak 2022 (ingezonden 22 februari 2022 met kenmerk 170646.01U).
Vraag 1
In het Jaarplan Rechtspraak worden vijf agendapunten voor de rechtspraak genoemd, waaronder tijdigheid, voorspelbaarheid, toegankelijkheid en oog voor de menselijke maat. Hoe beoordeelt u deze intenties, mede in het licht van de toeslagenaffaire en het rapport dat de Venetië-commissie hierover heeft gepubliceerd?
Antwoord op vraag 1
De versterking van de positie en rechtsbescherming van de burger is een van de thema’s waarover de Venetiëcommissie in haar rapport, dat naar aanleiding van de toeslagenaffaire en de motie-Omtzigt c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 11.) op verzoek van de Tweede Kamer is geschreven, aanbevelingen doet. De prioriteiten van de rechtspraak, die voor een deel al in eerdere jaren zijn ingezet, sluiten daar goed op aan. Tijdige rechtspraak, voorspelbaarheid van het verloop van een procedure, laagdrempelige en eenvoudige toegang tot de rechter en maatwerk en een individuele benadering in elke zaak, zijn belangrijke elementen van deze breder gevoelde wens om de positie van de burger in de Nederlandse rechtsstaat te versterken en de rechtsbescherming van burgers te verbeteren. De behoefte aan toegankelijke rechtspraak en een individuele benadering – de menselijke maat – zijn bijvoorbeeld het uitgangspunt van de pilots van de rechtspraak met de buurtrechter en wijkrechtspraak. Daarnaast werkt de rechtspraak aan digitale toegankelijkheid. De Raad voor de rechtspraak geeft de komende jaren in de vorm van het programma «Meer en verantwoord publiceren» uitvoering aan het streven om het merendeel van de rechterlijke uitspraken online te publiceren en beziet daarbij onder meer hoe de balans tussen de belangen van bij een uitspraak betrokkenen en toegankelijke rechterlijke uitspraken kan worden gevonden. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en hebben de kabinetsreactie op het rapport van de Venetiëcommissie aan uw Kamer aangeboden.6
Daarnaast zie ik dat de effecten van het reflectierapport «Recht vinden bij de rechtbanken» en de lessen die de bestuursrechters in 2021 uit de kinderopvangtoeslagzaken hebben getrokken de afgelopen periode ook merkbaar zijn in de (bestuurs)rechtspraak. Er wordt door bestuursrechters expliciet overwogen of voor een rechtzoekende nadelige gevolgen van een besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland over het dagloonbegrip in WIA-zaken (ECLI:NL:RBGEL:2021:5972) en een uitspraak van de rechtbank Gelderland over de Wegenverkeerswet (ECLI:NL:RBGEL:2021:5965).
Vraag 2
Ziet u voor zichzelf een verantwoordelijkheid om deze ontwikkelingen in de Rechtspraak mogelijk te maken?
Antwoord op vraag 2
Als Minister voor Rechtsbescherming ben ik verantwoordelijk voor een goed functionerende en toegankelijke rechtspraak. Dat betekent dat ik de rechtspraak in staat moet stellen om zijn doelen te behalen. Dat doe ik in voortdurend overleg met de Raad voor de rechtspraak, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid en rechtsstatelijke positie.
Vraag 3
Wat voor maatregelen beoogt u hierin te nemen?
Antwoord op vraag 3
In deze kabinetsperiode investeert het Ministerie van JenV extra in de versterking van de justitiële keten, waaronder de rechtspraak, met als doel de organisaties toekomstbestendig te maken onder meer in termen van capaciteit, wendbaarheid, kwaliteit van de informatievoorziening, digitalisering en innovatie en verbetering van de ketensamenwerking. Daarnaast worden maatregelen genomen om de toegang tot het recht en de rechter te verbeteren. Voorbeelden daarvan zijn de verlaging van de griffierechten en het stimuleren en borgen van laagdrempelige en oplossingsgerichte geschilbeslechting. Uw Kamer en de Tweede Kamer zijn over de uitwerking van het coalitieakkoord geïnformeerd in de Hoofdlijnenbrief Justitie en Veiligheid (TK 2021–2022, 35 925 VI, nr. 132).
Vraag 4
De rechtspraak heeft een periode met ernstige achterstanden doorgemaakt, en kampt nog steeds met een tekort aan rechters en andere medewerkers. De Raad voor de Rechtspraak geeft dan ook aan dat er structurele extra investeringen in de rechtspraak nodig zijn. De beloften in het regeerakkoord lijken hier grotendeels aan tegemoet te komen. Toch zullen er hiernaast in de komende jaren extra financiële uitdagingen spelen voor de rechtspraak. Zo leidt de coronacrisis tot hogere kosten per zaak en extra kosten in de bedrijfsvoering. Wordt er in de zaaksprijzen rekening gehouden met hogere kosten i.v.m. corona?
Antwoord op vraag 4
In de zaaksprijzen wordt geen rekeningen gehouden met hogere kosten in verband met corona; dit is op een andere wijze gecompenseerd. De prijzen voor de rechtspraak zijn in 2019, voorafgaand aan de coronacrisis, voor de periode 2020–2022 vastgesteld. Naast gevolgen voor de aantallen afgehandelde zaken, heeft de coronacrisis ertoe geleid dat de Rechtspraak met hogere kosten per zaak is geconfronteerd evenals met extra kosten in de bedrijfsvoering. Hiervoor is in 2020 en in 2021 compensatie geboden doordat de zogenoemde hardheidsclausule (artikel 21 van het Besluit financiering rechtspraak 2005) van toepassing werd verklaard. Ook hebben extra vermogensstortingen plaatsgevonden ter dekking van de extra kosten die gemaakt zijn vanwege COVID-19.
Vraag 5
En zijn er verder al afspraken met de rechtspraak gemaakt of in voorbereiding om deze extra kosten in 2022 te compenseren? Zo ja, welke?
Antwoord op vraag 5
Voor 2022 zijn nog geen concrete afspraken gemaakt met de Rechtspraak over eventuele extra kosten te compenseren. In het reguliere begrotingsbesluitvormingsproces dit voorjaar wordt gekeken naar de capaciteitsbehoefte in 2022 bij de Rechtspraak op basis van prognosemodellen (PMJ).
Vraag 6
Verder zal in de komende jaren de modernisering van het Wetboek van Strafvordering grote financiële gevolgen voor de rechtspraak hebben. Hoe beoogt u hiervoor voldoende middelen vrij te maken?
Antwoord op vraag 6
In de bovengenoemde hoofdlijnenbrief is ingegaan op het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn middelen gereserveerd in het Coalitieakkoord. De invoeringskosten en mogelijke structurele kosten zijn bij de totstandkoming van het nieuwe wetboek een belangrijk punt van aandacht. Daaraan zal aandacht worden besteed in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor het nieuwe wetboek en in de voorgangsrapportages met betrekking tot dit grote wetgevingsproject.
Vraag 7
In hoeverre neemt u bovengenoemde uitdagingen mee in het toewijzen van structurele investeringen aan de rechtspraak?
Antwoord op vraag 7
Elke drie jaar is er sprake van zgn. prijsonderhandelingen waarin alle aspecten van de bekostiging worden besproken tussen de Raad voor de rechtspraak en mij. De extra kosten die de Rechtspraak maakt in verband met corona en de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn tijdens dit onderhandelingstraject onderwerp van gesprek. Op dit moment vinden er gesprekken plaats over de prijzen 2023–2025. Over de uitkomsten hiervan zult u te zijner tijd worden geïnformeerd.
Vraag 8
Naar aanleiding van de motie-Rosenmöller is er een onderzoek gedaan naar continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak. In het eindrapport van dit onderzoek worden vier (hoofd)aanbevelingen gedaan om bij te dragen aan bekostigingssystemen die minder problemen veroorzaken bij politie, OM en rechtspraak. Welke van deze aanbevelingen acht u in het kader van het Jaarplan Rechtspraak het meest relevant, en hoe zullen deze aanbevelingen worden meegenomen in toekomstige bekostiging van de rechtspraak?
Antwoord op vraag 8
Aanbeveling 3 – houdt bij alle veranderingen rekening met de aard en eigenschappen van de organisaties – acht ik het meest relevant in het kader van het jaarplan Rechtspraak. In de prijsbesprekingen voor de periode 2023 – 2025 die op dit moment met de Rechtspraak plaatsvinden neem ik specifiek de aanbeveling mee dat het tempo van budgetwijzigingen dient aan te sluiten bij de potentiële verandersnelheid van de organisatie. Dat betekent dat ik bij de verdeling van de toegekende intensiveringen in het bijzonder rekening zal houden met het absorptievermogen van Rechtspraak, met name op het gebied van IT en de opleidingscapaciteit voor nieuwe rechters.
Vraag 9
Op pagina 10 kondigt de Raad voor de Rechtspraak aan dat zij ook na de Coronapandemie in specifieke gevallen online-zittingen wil laten plaatsvinden. «Het is in een concreet geval aan de individuele rechter om te beslissen of de rechtszaak (deels) online dan wel fysiek wordt behandeld». Bent u het met de D66-fractie eens dat de wetgever hier criteria voor moet opstellen, waarbij met name het belang van de justitiabelen voor ogen wordt gehouden? Zo ja, komt u met voorstellen om -in samenspraak met de rechterlijke macht- een online-rechtspraakplan te ontwikkelen?
Antwoord op vraag 9
Voor de vraag of een zitting online plaats zal vinden is de positie en de situatie van de justitiabele uiteraard van groot belang. Hoe de online zittingen na verval van de tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid een vervolg zullen krijgen is nog onderwerp van overleg met onder andere de rechtspraak. Hierover is uw Kamer recent geïnformeerd.
Vraag 10
Op pagina 12 stelt de Raad voor de Rechtspraak dat de werkvoorraden in misdrijfzaken die door de coronacrisis zijn opgelopen, in 2021 nagenoeg volledig zijn teruggebracht naar het niveau van voor de coronacrisis.
Op zich is dit goed nieuws, maar kunt u de leden van de D66-fractie aangeven hoe groot de werkvoorraden zijn?
Antwoord op vraag 10
De in het Jaarplan Rechtspraak op pagina 12 bedoelde werkvoorraad richt zich op de voorraad misdrijfzaken die door het OM zijn gedagvaard, maar nog niet op een zitting gepland staan of die zijn aangehouden en opnieuw gepland moeten worden. Dat deze zaken nog niet op zitting gepland zijn kan meerdere oorzaken hebben, zoals dat het dossier nog niet compleet is, dat niet alle benodigde partijen op eenzelfde moment aanwezig kunnen zijn of dat er geen zittingscapaciteit is bij de Rechtspraak. Op 1 maart 2022 was de omvang van deze voorraad volgens het OM-systeem PSK 33.500 zaken.
Vraag 11
Justitiabelen hebben er recht op dat hun zaak goed, snel en efficiënt wordt behandeld. Lange wachttijden stellen het vertrouwen in de rechtspraak op de proef. Is er volgens u extra actie nodig om de werkvoorraden aanzienlijk te doen slinken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 11
De aanpak die na de uitbraak van Corona in 2020 is ingezet werpt zijn vruchten af en wordt in 2022 voortgezet. Waar nodig hebben de organisaties aanvullende maatregelen getroffen, waarvan de inrichting van de zogenoemde inloopkamer bij de Rechtspraak een voorbeeld is. De inloopkamer die inmiddels op alle drie de rechtsgebieden actief is, behandelt relatief eenvoudige zaken waar de gerechten niet snel genoeg aan toekomen. Tot slot werken OM en rechtspraak aan een meerjarenaanpak van achterstanden in de strafrechtketen. Bovengenoemde maatregelen hebben ertoe geleid dat de werkvoorraden in 2021 zijn afgenomen. Samen met de extra vrijgemaakte middelen in het coalitieakkoord voor onder andere extra rechters en ondersteunend personeel is dit voldoende om de voorraden verder te doen slinken.
Vraag 12
Terecht merkt de Raad voor de Rechtspraak op pagina 14 op: «Goede rechtspraak doen we samen». Rechters, juridisch medewerkers die ondersteunen, administraties die de zaakbehandeling in goede banen leiden, de facilitaire diensten en IT’ers worden genoemd. Hoe wordt ervoor gezorgd dat het kennisniveau van al deze geledingen adequaat is voor het werk dat zij geacht worden te doen?
Antwoord op vraag 12
Het kennisniveau van rechters en juridisch medewerkers wordt op peil gehouden doordat zij moeten voldoen aan de kwaliteitsnorm die geldt voor permanente educatie. Het opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het OM (SSR) zorgt voor een ruim opleidingsaanbod. Ook de administratief medewerkers en medewerkers van de bedrijfsvoering kunnen cursussen bij SSR of een extern opleidingsbureau volgen om hun kennis bij te houden of te verruimen.
Vraag 13
In hoofdstuk 3.6 gaat de Raad in op de concurrentie op de arbeidsmarkt.
Hoe groot zijn de personeelstekorten?
Antwoord op vraag 13
Om de komende jaren achterstanden tot een acceptabel niveau weg te kunnen werken, zodat rechtzoekenden niet te lang hoeven te wachten op behandeling van hun zaken, is uitbreiding benodigd van ongeveer 200 rechters. Om de capaciteit op orde te krijgen zijn de afgelopen jaren veel nieuwe rechters aangetrokken. Daar gaat de rechtspraak de komende jaren mee door. Dit kost tijd, nieuwe rechters moeten worden geworven, opgeleid en begeleid. Om het aanvullen van het rechterstekort een extra impuls te geven heeft de Rechtspraak, zoals vermeld in de brief van 19 november 2021 aan de Tweede Kamer, besloten de opleidingscapaciteit van de Rechtspraak aanzienlijk uit te breiden. Waar eerst 80 nieuwe rechters per jaar werden opgeleid, worden er momenteel 130 nieuwe rechters jaarlijks opgeleid. Hiermee heeft de rechtspraak voor de komende jaren het maximale aantal opleidingsplekken bereikt. De Raad voor de rechtspraak heeft aangegeven dat door het werven van extra rechters het tekort binnen een paar jaar kan worden ingelopen. Dat dit enige jaren duurt, heeft te maken met de jaarlijkse uitstroom. De komende jaren verlaten, gezien hun leeftijd, veel rechters de Rechtspraak. Het aantal rechters dat als gevolg hiervan zal uitstromen loopt vanaf 2025 op tot ruim honderd per jaar (ieder jaar weer).
Vraag 14
Is het moeilijk vacatures met gekwalificeerd personeel te vullen? Zo ja, waar ligt dat aan?
Antwoord op vraag 14
Het is niet eenvoudig om gekwalificeerde kandidaten te werven, hierbij spelen ook regionale verschillen in krapte op de arbeidsmarkt een rol. Tot op heden lukt het om rechtspraakbreed voldoende gekwalificeerde kandidaten te werven als gevolg van o.a. gezamenlijke inspanning en effectief gebruik van sociale media.
Vraag 15
In hoofdstuk 2.4 bespreekt de Raad voor de Rechtspraak de veiligheid van de mensen die in de rechtspraak werken. Even daarvoor lichtte de Raad toe dat het thuiswerken goed bevallen is en dat daarmee doorgegaan wordt. De vraag van de leden van de D66-fractie is of de beveiligingsmaatregelen zich ook uitstrekken naar de privéadressen van de rechters.
Antwoord op vraag 15
Over specifieke beveiligingsmaatregelen kan ik geen mededelingen doen, omdat dan afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van optreden tegen (mogelijke) dreigingen en dus ten koste kan gaan van de veiligheid van personen. In algemene zin kan ik aangeven dat in geval van dreiging en risico, de overheid aanvullende maatregelen kan treffen als een persoon of de organisatie waar hij of zij werkzaam voor is, daar op eigen kracht geen weerstand tegen kan bieden.
Vraag 16
Worden de dossiers die thuis worden bekeken goed beveiligd?
Antwoord op vraag 16
Binnen het beveiligingsbeleid waren voor de coronacrisis al normen vastgesteld voor incidenteel thuis- en telewerken. Het thuiswerkbeleid (opgesteld voor tijdens de coronacrisis en daarna) schrijft voor dat fysieke dossiers en andere documenten op basis van lokaal vast te leggen afspraken en voorwaarden worden thuisbezorgd, indien en voor zover dat situationeel noodzakelijk wordt geacht. Printen van gerechtelijke documenten op de thuiswerkplek is in principe niet toegestaan. Er wordt veel tijd en energie gestoken in het digitaal maken van dossiers, waardoor thuiswerken met papieren dossiers steeds minder voorkomt. Er zijn geen extra beveiligingsmaatregelen thuis, anders dan dat men de dossiers goed opgeborgen moet bewaren. Dossiers met een bijzonder veiligheidsrisico kennen een apart beveiligingsniveau.
Vraag 17
Hoe wordt het risico ingeschat dat dossiers worden gehackt voor zover ze digitaal ter beschikking staan van de thuiswerkende rechters en als het papieren dossiers zijn, hoe wordt voorkomen dat die in verkeerde handen vallen?
Antwoord op vraag 17
Het risico’s dat dossiers worden gehackt, voor zover ze digitaal ter beschikking staan van de thuiswerkende rechters, wordt niet groter geschat dan op de Rechtspraak-locaties. Medewerkers maken ook thuis gebruik van de digitale Rechtspraak-werkplek. Om misbruik te voorkomen zijn er op verschillende lagen in de infrastructuur maatregelen genomen: veilige VPN verbindingen, actieve monitoring van verdacht verkeer en analyse van applicatieve logging. Daarnaast worden de digitale dossiers niet lokaal op de Rechtspraakwerkplek opgeslagen maar blijven ze binnen het beveiligde datacenter.
Papieren dossiers dienen thuis goed opgeborgen te worden. Daarnaast is het de norm dat dossiers worden thuisbezorgd.
Vraag 18
Terecht besteedt de Raad voor de Rechtspraak in hoofdstuk 2.5 aandacht aan de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, de innovatiewet Strafvordering die het mogelijk maakt om alvast met pilots te gaan werken, vooruitlopend op de inwerkingtreding. Kunt u een overzicht geven van hoe u alles rond het Nieuwe Wetboek van Strafvordering met het parlement wil delen? Is er een tijdsschema, zo vragen de leden van de D66-fractie.
Antwoord op vraag 18
Graag voldoe ik aan het verzoek om een overzicht te geven over alle onderdelen van het wetgevingsproject nieuw Wetboek van Strafvordering, inclusief de planning, door middel van de zevende voortgangsrapportage nieuw Wetboek van Strafvordering die ik binnenkort aan de Tweede en de Eerste Kamer zal toezenden.
Vraag 19
Mochten er algemene maatregelen van bestuur of ministeriële regelingen gekoppeld worden aan de inhoud van het Wetboek van Strafvordering, kunt u op hoofdlijnen aangeven wat daar dan in komt te staan?
Antwoord op vraag 19
Zoals onze voorgangers in hun vijfde voortgangsrapportage over het nieuwe wetboek al aankondigden, maakt ook de voorbereiding van de algemene maatregelen van bestuur die onder het nieuwe wetboek gaan ressorteren (verder te noemen: uitvoeringsbesluiten) deel uit van het project. Voor een belangrijk deel betreft het omzetting en vernieuwing van bestaande algemene maatregelen van bestuur onder het huidige wetboek. De voorbereiding van de uitvoeringsbesluiten zal in het najaar van 2022 worden voortgezet. Via de voortgangsrapportages met betrekking tot het nieuwe wetboek zullen beide Kamers op de hoogte worden gehouden van inhoud en planning van de uitvoeringsbesluiten.
Vraag 20
Op pagina 24 rept de Raad voor de Rechtspraak over de diverse inloopteams die in 2021 zijn opgestart. De leden van de D66-fractie achten het van het grootste belang dat er geen achterstanden en lange doorlooptijden zijn in het familierecht. Heeft u een indicatie over hoe te lange duur van familiezaken een negatieve impact kan hebben op de relatie tussen ouders onderling en in de ouder-kindrelatie?
Antwoord op vraag 20
Nee, die indicatie heb ik niet. Het is mogelijk dat de duur van een familiezaak in bepaalde gevallen een negatieve impact heeft op onderlinge relaties. Het omgekeerde is evenwel ook mogelijk, dat de duur van een familiezaak wordt benut om alsnog tot een onderling vergelijk te komen. Hoe vaak het voorkomt dat de duur van een familiezaak een negatieve dan wel positieve invloed heeft, is niet bekend. Ik zie op dit moment geen aanleiding om hier onderzoek naar te doen. Uit het meest recente jaarverslag van de Rechtspraak (Jaarverslag 2020) volgt dat de doorlooptijden van familierechtelijke procedures bij de rechtbanken al geruime tijd vrijwel geheel aan de gestelde normen voldoen.
Vraag 21
In hoofdstukken 3.2 en 3.4 besteedt de Raad aandacht aan digitalisering, laagdrempelige toegang en de menselijke maat. Kunt u toezeggen dat in zaken waar geen verplichte procesvertegenwoordiging is voorgeschreven, er ook voldoende mogelijkheden zijn om stukken op papier in te dienen?
Antwoord op vraag 21
Het digitaal indienen van zaken en het digitaal uitwisselen van stukken is vooralsnog vrijwillig, maar wordt voor juridische professionals op enig moment verplicht. Burgers kunnen altijd op papier blijven procederen.
Vraag 22
Zullen er voldoende mogelijkheden zijn voor justitiabelen om, als zij dat willen en het nodig is, iemand te kunnen zien en te spreken?
Antwoord op vraag 22
Op pagina 10 van het jaarplan benoemt de Rechtspraak dat het uitgangspunt van de Rechtspraak is dat zittingen fysiek plaatsvinden. In aansluiting op maatschappelijke behoeften kan in specifieke gevallen de rechter besluiten een zitting ook online plaats te laten vinden, zo is de gedachte van de Rechtspraak.
Vraag 23
Worden er naast het in 2022 te ontwikkelen traineeprogramma ook mogelijkheden geboden aan mbo- en hbo-studenten om een stage te lopen bij een van de gerechten?
Antwoord op vraag 23
De meeste gerechten hebben een stagebeleid, waarbij ook mbo- en hbo-studenten de mogelijkheid wordt geboden om stage te lopen.
Vraag 24
In het Jaarplan wordt op pagina 27 opgemerkt dat de ervaringen die tijdens de coronacrisis met online zittingen zijn opgedaan in 2022 zullen worden gebruikt om de technische infrastructuur voor online zittingen verder te verbeteren. Gestreefd wordt naar digitaal procederen voor alle zaakstromen met een focus voor online zittingen waarbij gedetineerden in penitentiaire inrichtingen (PI’s) verblijven. De leden van de 50PLUS-fractie vragen zich af of dit in de nabije toekomst betekent dat in zijn algemeenheid wordt ingezet op online zittingen met afbouw van de fysieke zittingen ook bij civiele en familiezaken?
Antwoord op vraag 24
Zoals ik al eerder antwoordde benadrukt de Rechtspraak in haar jaarplan op pagina 10 dat het uitgangspunt van de Rechtspraak blijft dat zittingen fysiek plaatsvinden. In aansluiting op maatschappelijke behoeften kan in specifieke gevallen zittingen ook online plaatsvinden, zo is de gedachte van de Rechtspraak.
Vraag 25
Bent u het met deze leden eens dat een meerwaarde bestaat bij fysieke zittingen waarbij er één-op-één contact is tussen rechter en betrokken procespartijen? Lichaamstaal kan soms meer uitdrukken dan een stroom van woorden.
Antwoord op vraag 25
Ja. Het is niet voor niets dat de Rechtspraak in haar jaarplan benoemt dat het uitgangspunt van de Rechtspraak blijft dat zittingen fysiek plaatsvinden. Er zijn overigens ook gevallen denkbaar waarbij het houden van een digitale zitting voordelen biedt.
Vraag 26
Denkt u dat via online zittingen een rechter dezelfde indruk verkrijgt van een procespartij als tijdens een fysieke zitting?
Antwoord op vraag 26
Of tijdens een online zitting een rechter dezelfde indruk kan verkrijgen van een procespartij als tijdens een fysieke zitting is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Of een zaak zich leent voor een online zitting hangt af van het type zaak, de fase waarin deze zaak zich bevindt, van de (vaardigheden) van de procespartij en ook van de (technische) omstandigheden waaronder de online zitting plaatsvindt.
Vraag 27
In hoeverre meent u dat de gemiddelde Nederlandse burger digitaal vaardig genoeg is om zich tijdens online zittingen zodanig te presenteren dat de rechter van hem/haar dezelfde indruk verkrijgt als bij een fysieke verschijning?
Antwoord op vraag 27
Deze vraag laat zich niet eenvoudig beantwoorden. Ik heb geen signalen ontvangen dat de mate waarin iemand digitaal vaardig is, van invloed is op de presentatie van die persoon tijdens digitale zittingen.
Vraag 28
Is al bekend in hoeverre online zittingen bijdragen aan het verkorten van de gemiddelde zittingsduur?
Antwoord op vraag 28
De Rechtspraak geeft aan dat online zittingen niet worden ingezet om de zittingstijd te verkorten. De behandeling gaat – weliswaar online – maar inhoudelijk hetzelfde als een fysieke zitting. Ook bij de inloopkamer wordt geen kortere zittingsduur gehanteerd.
Vraag 29
Schuilt hierin niet het gevaar dat puur vanuit economisch gezichtspunt in de nabije toekomst alle zaakstromen enkel online worden afgedaan? Wat betekent dat voor de minder digitaal vaardigen onder ons? Hoe verhoudt zich dit met de laagdrempelige toegang tot de rechtspraak voor iedereen waarnaar gestreefd wordt?
Antwoord op vraag 29
Zoals in het antwoord op vraag 28 is uiteengezet zorgen online zittingen er niet voor dat de zittingstijd wordt verkort en leveren die geen economisch voordeel op voor de Rechtspraak. Van een economische afweging is daarom geen sprake. Afwegingen die wel meespelen zijn onder andere de openbaarheid van de zitting, het aanwezigheidsrecht en de toegankelijkheid. Een voordeel van online zitten is dat bijvoorbeeld personen die fysiek niet in staat zijn naar de zitting te komen toch kunnen deelnemen. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Vraag 30
In het Jaarplan staat dat zo’n 200 extra rechters worden aangetrokken om achterstanden in te lopen waardoor de doorloop tijd van rechtszaken op peil kan worden gehouden. Deze leden zijn verheugd over deze mededeling maar vragen zich wel af of het realistisch is om binnen een jaar deze uitbreiding van rechters te realiseren gelet op het reeds bestaande tekort eraan?
Antwoord op vraag 30
De Rechtspraak heeft in het Jaarplan niet bedoeld aan te geven dat de uitbreiding binnen een jaar wordt gerealiseerd. Er is sprake van een meerjarenplanning, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 13.
Vraag 31
Is enkel het aantrekken van extra rechters voldoende om de kwaliteit van de rechtspraak op peil te houden?
Antwoord op vraag 31
Het hebben van voldoende rechters alleen is niet voldoende om de kwaliteit van de rechtspraak te garanderen. Zo investeert de rechtspraak systematisch in de opleiding en het op peil houden van de kennis van rechters. Daarnaast hanteert de rechtspraak professionele standaarden, kwaliteitsnormen die zien op de handhaving van het huidige kwaliteitsniveau en op verbeteringen op het gebied van deskundigheid, snelheid, bejegening van rechtzoekenden en de aandacht en tijd die aan een zaak wordt besteed. Onder de paraplu van Tijdige en voorspelbare rechtspraak werken de gerechten samen om de duur van rechtszaken te verkorten en rechtzoekenden beter te informeren over de verschillende stappen tijdens een rechtszaak. Tot slot laat de Rechtspraak enkele periodiek terugkomende onderzoeken uitvoeren die de kwaliteit van de rechtspraak vanuit verschillende invalshoeken meten, zoals de vierjaarlijkse visitatie gerechten en de driejaarlijkse medewerkers- en klanttevredenheidsonderzoeken. Dit jaar start de visitatie gerechten 2022.
Samenstelling:
Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Van den Berg (VVD), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU) en Hiddema (Fractie-Frentrop).
Kamerstukken I 2020/21, 35 300 VI / 35 300, BK (de letter BK hebben alleen betrekking op 35 300 VI); Eindrapport «Continuïteit in de bekostiging van politie, openbaar ministerie en rechtspraak», WODC, Amsterdam maart 2021.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29279-I.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.