29 279
Rechtsstaat en Rechtsorde

nr. 68
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 maart 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 5 maart 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– het kabinetsstandpunt over het rapport «Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht» (29 279, nr. 61);

– de brief d.d. 12 februari 2007 ter aanbieding van het rapport «Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht» (29 279, nr. 48);

– de brief d.d. 15 november 2007 ter aanbieding van het rapport «Omvang wettelijk niet-hiërarchisch tuchtrecht» (29 279, nr. 59).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA) onderschrijft de wens van het kabinet om te komen tot harmonisering van het tuchtprocesrecht. Er moet echter een betere balans komen tussen eenduidigheid van het tuchtprocesrecht en zelfregulering.

Over de tuchtrechtspraak in eerste instantie adviseert het rapport-Huls om de tuchtrechtspraak onder te brengen bij zelfstandige colleges. Daarvan kunnen rechters deel uitmaken en zelf de faciliteiten verzorgen. Dit kan niet onverkort gelden wanneer het gaat om publieke of wettelijke taken. Van belang is dat de tuchtrechtspraak binnen de reguliere rechtspraak plaatsvindt. Het kabinet is voor een tweesporenbeleid. Aan de ene kant een model waarin tuchtcolleges als kamers bij de rechtspraak zijn georganiseerd. Aan de andere kant een model waarin de tuchtcolleges geheel los van de reguliere rechtspraak zijn georganiseerd. Wanneer komt er duidelijkheid over de toepassing van deze modellen? Is het de bedoeling om de advocaten onder het eerste model te laten vallen? Klopt het dat de raden van discipline volledig onder de rechterlijke verantwoordelijkheid komen? Dat laatste kan toch leiden tot staatsrechtelijke problemen? Waarom moet een advocaat in eerste instantie al beoordeeld worden onder de verantwoordelijkheid van het publieke apparaat?

De onafhankelijke positie van de advocaat ten opzichte van de rechter moet geborgd zijn. Hoe verhoudt het kabinetsstandpunt zich tot de kabinetsreactie op het rapport-Van Wijmen? Daarin staat juist de versterking van de eigen verantwoordelijkheid en de inbreng bij de normhandhaving binnen die beroepsgroep voor de advocatuur centraal. Het kabinet trekt de lijn van harmonisatie niet door voor openbare beroepsgroepen als artsen, zeevarenden en octrooigemachtigden. Wat is daarvoor de reden?

Het kabinet acht concentratie van het hoger beroep noodzakelijk voor de tuchtrechtspraak in tweede instantie. Het zal in overleg met de Raad voor de rechtspraak bezien welk college de meest aangewezen rechterlijke instantie is om deze taak op zich te nemen. Wat wordt daarmee bedoeld? Wordt per beroepsgroep bezien welke instantie het meest aangewezen is? Geldt dat niet één college zal worden belast met de appelrechtspraak? Het zal toch niet de bedoeling zijn het Hof van Discipline, dat goed en onafhankelijk functioneert, te ontmantelen?

In de praktijk is het voor de burger niet altijd duidelijk of sprake is van een klacht die het tuchtrecht aangaat of een klacht die de dienstverlening of de betaling aangaat. Wat vindt de staatssecretaris van één loket voor alle klachten? Belangrijk is dat dit loket via verschillende links bereikbaar is voor de consument. Heeft de staatssecretaris overwogen om aan te sturen op een gezamenlijke aansluiting van de vertrouwensberoepen bij de geschillencommissie? De advocaten zijn daarbij al aangesloten. De notarissen pleiten voor een laagdrempelige en duidelijke ingang voor de klager voor klachten over declaraties. Is de staatssecretaris bereid de notarissen tegemoet te komen? Het is een goede ontwikkeling dat ook het OM zaken kan aanbrengen. Daarmee wordt de toegang tot de tuchtrechter minder beperkt en krijgt de klager meer mogelijkheden om ingewikkelde vormen van verwijtbare betrokkenheid van advocaten bij criminele organisaties uit te diepen.

Bij de maatregelencatalogus vraagt mevrouw Van Vroonhoven waarom geen boete kan worden opgelegd. In het rapport-Huls wordt geconstateerd dat de verzekeraars het tuchtrecht dreigen uit te hollen, omdat de beroepsbeoefenaren minder geneigd zijn hun schuld toe te geven. Hoe staat de staatssecretaris daar tegenover? Welk bedrag is hiermee gemoeid? Hoe wordt het bekostigd?

De heer Heerts (PvdA) kan zich in hoofdlijnen vinden in de kabinetsreactie op het rapport-Huls. Het is van belang dat het tuchtrecht goed functioneert, dat het overzichtelijk is en voor burgers begrijpelijk. Burgers moeten vertrouwen hebben in handelen en dienstverlening van de beroepsgroepen. Ook de overheid moet ervan uit kunnen gaan dat deze beroepsgroepen integer handelen.

Hoe stelt de staatssecretaris zich het afdoen van verzoeken om schadevergoeding binnen het tuchtrecht voor? Er wordt gesproken over een aantal sectoren waarvoor dat zinvol is. Om welke sectoren gaat het? Wat is hierbij de stand van zaken?

Het is een goede zaak dat de betreffende beroepsgroepen zoveel mogelijk de eigen collega’s aanspreken op het functioneren. Men moet zo veel mogelijk zonder directe bemoeienis van de overheid orde op zaken stellen in eigen huis. Voorgesteld is de tuchtrechtuitspraken op het internet te plaatsen. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Wie heeft daarin een activerende rol? Wordt dat centraal aangeboden?

Het is onwenselijk als rechters zich bemoeien met de tuchtrechtspraak van advocaten. Dat is ook de mening van de Nederlandse Orde van Advocaten. Waarom is daarover met hen niet voldoende overlegd? Een goed tuchtrechtelijk proces kan immers alleen maar tot stand komen in goed overleg met het veld.

Het is niet duidelijk hoe de financiering van het proces geregeld is. Kan de staatssecretaris daarover duidelijkheid geven?

Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om spoedhalve tuchtrechtelijk optreden door advocaten en notarissen te verruimen en om sneller ingrijpen mogelijk te maken. Kan de staatssecretaris de Kamer een schema toesturen waarin de verschillende fases van wetsbehandeling worden aangegeven, inclusief de wetswijziging over de accountancy?

De heer Teeven (VVD) vindt het jammer dat het kabinet nog geen visie heeft gegeven op de voorlopige voorziening schorsing voor notarissen en advocaten. Het is ook jammer dat het kabinet niet dieper is ingegaan op de positie van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de controle op de financiële dienstverlening bij notarissen in dat verband. Dit hangt samen met de vraag of het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroepen goed werkt.

Het is een goede zaak dat het kabinet de inzichtelijkheid van de uitspraken van de tuchtrechter wil vergroten door plaatsing op het internet en dat de rol en de positie van de klager belangrijker wordt. Waarom heeft de staatssecretaris ervoor gekozen om dat laatste voor elke belanghebbende te laten gelden? Dan zou dit ook aan de orde zijn wanneer iemand zich druk maakt over de verwevenheid van belangen van beroepsgroepen bij het functioneren in de boven- en onderwereld. Moet er sprake zijn van een persoonlijk belang voor de toegang tot de tuchtrechter? Het niet in rekening brengen van griffierechten in het kader van het klachtrecht valt in goede aarde.

De keuze van de staatssecretaris om de tuchtrechtspraak voor de advocaten bij de overheidsrechter onder te brengen wekt verbazing. Kan zij verduidelijken waarom zij deze keuze heeft gemaakt?

Kan de staatssecretaris zich duidelijk uitspreken over «naming and shaming»? De beroepsgroepen vinden dat zij alles goed zelf kunnen regelen. Dat betekent echter wel dat de tuchtrechtuitspraken openbaar moeten zijn. Tuchtrechtspraak werkt alleen maar als die volledig openbaar is en als cliënten van de beroepsbeoefenaren precies weten wie de zwarte schapen zijn. Is de staatssecretaris het ermee eens dat alle onherroepelijke uitspraken van een tuchtrechter actief moeten worden gepubliceerd?

De heer De Roon (PVV) kan zich vinden in de kabinetsreactie op het rapport-Huls. Hij vraagt waarom gekozen is voor één onafhankelijk loket per beroepsgroep voor het indienen van de klachten. Waarom is niet één loket voor tuchtrechtelijke zaken? Zou die loketfunctie voor het tuchtrecht kunnen worden ondergebracht bij de reeds bestaande juridische loketten?

Wil de staatssecretaris er bij de verdere uitwerking van haar plannen in het kader van de tuchtrechtspraak over advocaten op toezien dat alle ongewenste functie- of belangenvermengingen worden voorkomen? Er zijn al veel klachten over belangenverstrengelingen tussen advocatuur en rechterlijke macht. Wanneer de tuchtrechtspraak in hoger beroep over advocaten wordt ondergebracht bij de rechterlijke macht, is de kans op belangenverstrengeling misschien nog groter.

Het doel van de tuchtrechtspraak is normhandhaving binnen de beroepsgroepen. Er zijn echter ook individuele belangen van burgers in het geding. Onder de burgers is veel belangstelling voor de kwaliteit van de hulpverleners. Het is voor burgers vaak moeilijk in te schatten wat de kwaliteit is van bijvoorbeeld een advocaat. Het is vrijwel onmogelijk om daarover een onafhankelijk advies in te winnen. Openheid over de uitkomsten van tuchtprocedures zou de burger op weg kunnen helpen bij het vinden van de in zijn ogen meest geschikte dienstverlener. Hoe staat de staatssecretaris tegenover de gedachte om de uitspraken van tuchtrechters, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, openbaar te maken met vermelding van de naam van de beroepsbeoefenaar wiens gedrag is beoordeeld? Publicatie op het internet lijkt daarbij de meest toegankelijke optie.

Waarom is gekozen voor twee modellen: een model waarin een tuchtcollege als kamer bij de rechtspraak is georganiseerd en een model waarbij de tuchtcolleges geheel los van de reguliere rechtspraak zijn georganiseerd? Wat is het criterium bij het maken van een keuze?

Waarom kiest de staatssecretaris ervoor het hoger beroep in de tuchtrechtspraak onder te brengen bij de reguliere rechterlijke macht? Waarom kiest hij niet voor een onafhankelijk college voor hoger beroep voor de verschillende beroepsgroepen?

Mevrouw Koşer Kaya (D66) sluit zich aan bij de positieve opmerkingen over de brief van de staatssecretaris van 7 december 2007.

Het kabinet vindt dat er naast het tuchtrecht voor iedere beroepsgroep een onafhankelijke klachtencommissie moet worden ingesteld. Waarom moet hiervoor een nieuwe instantie worden gecreëerd? De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) wil voor geschillen over declaraties een declaratiekamer bij de tuchtrechter inrichten. In dit verband heeft de KNB gewezen op een gelijkluidend advies van de commissie-Hammerstein. Kan de staatssecretaris aangeven of voor een deel van de beroepsgroepen een klachtenvoorziening bij de tuchtrechter kan worden ondergebracht, zeker omdat de beroepsgroep de schijn van partijdigheid op zich zou kunnen laden?

Harmonisering van het tuchtprocesrecht wordt ondersteund. Het is echter een slechte zaak als het harmoniseringsstreven gericht is op blinde uniformiteit. Er zijn immers procesregelingen die voor een specifieke beroepsgroep zinvol zijn. Verder moet niet de harmonisatie maar de verbetering van het tuchtprocesrecht vooropstaan. Hoe verhoudt de harmonisatie zich bijvoorbeeld tot het verbeteren van de toegankelijkheid en de effectiviteit van het tuchtrecht voor de klager?

Op het terrein van de inhoudelijke vormgeving van het tuchtrecht is een vergaande harmonisering en verandering niet altijd wenselijk. Het is geen goed idee om de advocatuur voor de rechtspraak in eerste aanleg en in hoger beroep onder te brengen bij de rechter. Voor de advocatuur wordt de tuchtrechtspraak verzorgd door zelfstandig rechtsprekende colleges, de raden van discipline en in hoger beroep het Hof van Discipline. Anders dan bij de notaris en gerechtsdeurwaarders staat de advocaat, zeker in het strafrecht, regelmatig tegenover de rechter. Voor de advocatuur is het essentieel om onafhankelijk van de staat de belangen van de cliënt te kunnen behartigen. Deze verandering leidt ertoe dat de rechter niet alleen beslist over de rechtspositie van de cliënt, maar ook over het gedrag van de advocaat van de cliënt. De onafhankelijkheid van de advocaat wordt daarmee ernstig aangetast. De advocatuur is bereid tot verandering in harmonisering en werkt hier hard aan. Verder functioneert het tuchtrecht zeer goed en wordt op onderdelen flink verbetering aangebracht.

Mevrouw Koşer Kaya kan zich volledig vinden in het voorstel voor een uniforme maatregelencatalogus voor tuchtrechters. Zij plaatst vraagtekens bij de mogelijkheid dat die voorwaardelijk worden opgelegd. Gaat het daarbij om de algemene voorwaarde dat in de toekomst het veroordeelde gedrag niet wordt herhaald of kunnen bijzondere voorwaarden gelden, zoals het volgen van bepaalde bijscholingscursussen of de reorganisatie van kantoorprocedures? Het is zinvol om aan tuchtrechters de bevoegdheid te geven een schadevergoeding op te leggen. De grens van € 5000 lijkt redelijk. Het kabinet sluit hierbij aan bij de competentiegrens van de kantonrechter. Betekent dit dat de grens in hoogte zal worden bijgesteld wanneer de competentiegrens van de kantonrechter in hoogte wordt bijgesteld?

Hoe staat het met de plannen om binnen de jeugdzorg tuchtrecht mogelijk te maken? Welke plannen heeft het kabinet voor uitbreiding van het tuchtrecht? Is binnen het politieapparaat een vorm van tuchtrecht mogelijk met het oog op het zelfreinigend vermogen? Wellicht is een kwaliteitsprogramma mogelijk binnen de opleiding, met certificering en nascholing. Hierbij kan op onderdelen sprake zijn van supervisie en intervisie. Met name bij zedenzaken hebben de rechercheurs vooraf geen gericht psychologisch en persoonlijkheidsonderzoek ondergaan. Het kan de professionaliteit alleen maar ten goede komen als dat ook onderdeel van de opleiding uitmaakt.

Mevrouw Azough (GroenLinks) vindt dat de brief van de staatssecretaris goede aanzetten bevat. Het is een goede zaak om te streven naar uniformering om het systeem soepeler te laten verlopen. Er kunnen redenen zijn om verschillen te hanteren. Daar wordt in de brief onvoldoende op ingegaan.

Pijnpunt is de keuze die de staatssecretaris maakt om de tuchtrechtspraak in hoger beroep voor advocaten bij de overheid in te bedden. De staatssecretaris onderbouwt haar keuze onvoldoende, terwijl dit een fundamentele wijziging is. Kan de staatssecretaris haar keuze toelichten? Het is vreemd dat er nauwelijks overleg is gevoerd over deze keuze met de betrokken beroepsgroep. Kan de staatssecretaris daarop ingaan? Waarom is het Centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg uitgesloten van de uniformering? Kan de staatssecretaris aanduiden wat de zaaksaantallen zijn waar het Centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg over oordeelt?

Het is niet altijd duidelijk wanneer er sprake is van een consumentengeschil of van een klacht voor de tuchtrechter. Hoe wordt dat aan de cliënten duidelijk gemaakt?

De heer De Wit (SP) vraagt of de staatssecretaris kan aangeven wat de noodzaak is om bij de rechtspraak in eerste instantie een onderscheid te maken tussen tuchtcolleges die bij de reguliere rechter worden ondergebracht en colleges die los van de reguliere rechter worden ingesteld. De commissie-Huls meent dat het de voorkeur verdient dat de voorzitters van die tuchtcolleges rechters zijn. Ook hierbij maakt de staatssecretaris onderscheid tussen de colleges die bij de rechterlijke macht worden aangehaakt en los daarvan worden ingesteld. Waarom maakt zij dat onderscheid? De mogelijkheid bestaat om een tuchtcollege in eerste instantie uit te breiden tot vijf leden als het gaat om ingewikkelde zaken. Hoe wil de staatssecretaris dat regelen? Wanneer is er sprake van ingewikkelde zaken? Kan een klager zelf vragen om die uitbreiding?

De heer De Wit heeft sympathie voor het voorstel van de staatssecretaris om de tuchtrechtspraak in hoger beroep onder te brengen bij de reguliere rechter. Het zou ook moeten gelden voor de tuchtrechtspraak in eerste instantie.

Uniformering van de maatregelencatalogus is een goede zaak. De grens van € 5000 is aanvaardbaar. De beroepsorganisaties plaatsen vraagtekens bij een grens van € 10 000 als de competentiegrens opschuift. Wat is de grondslag van die schadevergoeding? Het is geen op het civiele recht gebaseerde schadevergoeding. In welke gevallen krijgt iemand een schadevergoeding zonder dat er sprake is van een onrechtmatige daad of van het leveren van een wanprestatie? Wie moet die schadevergoeding betalen? Is dat de advocaat of het kantoor waar hij in dienst is of de rechtspersoon waarvan hij onderdeel uitmaakt? Ligt dit niet toch op het civiele vlak?

Het is een goed idee om een website in te richten waarop het tuchtrecht wordt gepubliceerd. Het openbaar maken van tuchtrechtuitspraken moet wel gebeuren met naam en toenaam.

Kan de staatssecretaris uitleggen waarom er een splitsing bestaat tussen een klachteninstantie en het tuchtrecht? Waar wil de staatssecretaris klachten over declaraties onderbrengen, bij een aparte geschillencommissie of binnen het tuchtrecht?

Antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris stelt dat de Nederlandse Orde van Advocaten hecht aan het handhaven van de kwaliteitsnormen voor de beroepsgroep en aan bewaking van de integriteit van advocaten. Bij de verschillende beroepsgroepen bestaat het gevoel dat voor zelfregulerend optreden ook het tuchtrecht van belang is. Het overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten en het Hof van Discipline over het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport-Huls is niet geheel naar tevredenheid verlopen. Dat moet in de toekomst beter.

Bij de uniformering is ervoor gekozen het hoger beroep onder de reguliere rechtspraak te brengen en om in eerste aanleg geen systeemdwang op te leggen. Dat heeft onder andere een oorzaak in de wijze waarop het beheer nu is geregeld. De bestaande hybride beheervarianten belasten justitie en reguliere rechtspraak onevenredig. Een optie is om in de Advocatenwet te regelen dat er bij een nader aan te duiden gerecht een tuchtkamer is, de Raad van Discipline. In deze kamer hebben naast beroepsgenoten vaste rechters zitting. De keuze van die rechters zou afgestemd kunnen worden met de beroepsgroep. Deze kamers krijgen een eigen budget en zullen in meerderheid uit advocaten bestaan. Het beheer wordt geüniformeerd met het beheer van de andere bij de rechtbank gepositioneerde beroepen, zoals de notarissen en de deurwaarders. Het advocatentuchtrecht neemt een bijzondere positie in, omdat de advocaat zijn werkzaamheden voor een deel verricht ten overstaan van de rechter. De onafhankelijke positie van de advocaat mag niet worden aangetast. Daarom moeten er wettelijke garanties komen voor een onafhankelijke beoordeling van de advocaat. Een advocaat mag bijvoorbeeld niet tuchtrechtelijk beoordeeld worden door een rechter die tevens afnemer is van zijn diensten. Dit betekent echter niet dat het betrokken rechtscollege beheersmatig en organisatorisch niet ondergebracht mag worden bij een regulier gerecht. Artikel 6 van het EVRM gaat ervan uit dat anderen dan beroepsgenoten betrokken zijn bij de tuchtrechtspraak. Dit uitgangspunt wordt niet weersproken door de Nederlandse Orde van Advocaten. De waarborgen voor een adequate tuchtrechtspraak, herkenbaar voor beroepsgenoten, is een voorwaarde voor de verdere uitwerking van de plannen in wetgeving. Over deze uitwerkingsvarianten zal de staatssecretaris met de beroepsgroepen overleg voeren. Zij zal de Kamer schriftelijk informeren over haar bevindingen in het overleg met de advocatuur.

Het is de bedoeling om eind 2008 het wetsvoorstel harmonisatie tuchtprocesrecht in te dienen bij de Raad van State. Eind 2008 zal ook het wetvoorstel ingediend worden dat een vertaling is van het rapport-Van Wijmen over de Advocatenwet en dat van de commissie-Hammerstein. Volgende week wordt het wetsvoorstel spoedmaatregelen advocaten en notarissen ingediend, ter uitvoering van de motie op dit punt. De organisatorische vertaling van de plannen van het kabinetsstandpunt in een wetsvoorstel zal pas later in deze kabinetsperiode gereed zijn.

De staatssecretaris kan tegemoetkomen aan de wens van de notarissen om na te denken over een aparte geschillencommissie. Er moet immers draagvlak zijn voor de wijze waarop daaraan vorm wordt gegeven.

Het is een misverstand dat in de maatregelencatalogus naast schadevergoeding ook niet de mogelijkheid van een boete kan worden opgenomen. Op bladzijde 7 van het kabinetsstandpunt staat de mogelijkheid van een boete tot maximaal € 16 750. Dat is het bedrag van de vierde categorie van de boetes in het strafrecht.

Het klopt dat de commissie-Huls vreest voor uitholling van de werking van het tuchtrecht door invloed van verzekeraars, omdat beroepsgenoten minder snel geneigd zullen zijn om fouten te erkennen. Dat is een kwestie die de beroepsorganisaties zelf moeten oppakken.

De staatssecretaris staat open voor de suggestie van één loket voor klachtafhandeling in plaats van verschillende loketten per beroepsgroep. Een rechtstreekse ingang per beroepsgroep zal echter een snelle afhandeling meer in de hand werken, omdat dan maatwerk geleverd kan worden.

Er is momenteel geen uniforme regeling voor de financiering van de tuchtcolleges. Het gaat per beroepsgroep om bedragen in tonnen. Die kosten worden in meerderheid door de Staat gedragen. Uitgangspunt moet zijn dat de beroepsgroep in eerste aanleg meefinanciert. Dat zal een prikkel zijn om de kwaliteit nog meer te waarborgen. Bovendien leidt dit tot een zodanige schifting via toezicht en klachtencommissies dat er zo weinig mogelijk zaken voor de tuchtrechter komen. Het hoger beroep wordt volledig door de Staat gefinancierd.

Over de bezoldiging van leden van tuchtcolleges moeten eenduidige afspraken worden gemaakt. In de huidige situatie komt het voor dat voorzitters en leden-beroepsgenoten niet worden betaald. De invoering van een geharmoniseerde vacatiegeldregeling is een duidelijke verbetering van de huidige praktijk.

Toegang tot de tuchtrechter geldt zowel bij een persoonlijk belang als bij een maatschappelijk belang. Het is echter niet de bedoeling dat elk individu zonder een persoonlijk belang zich kan beroepen op het maatschappelijk belang om naar een tuchtrechter te stappen. Beroepsorganisaties, de inspecties, toezichthouders en de officier van justitie kunnen daar wel een beroep op doen.

Het ligt in het voornemen de competentiegrens van de kantonrechter in handelszaken op te rekken naar € 10 000. Wanneer dat ingaat, zou die grens ook kunnen gaan gelden voor het toekennen van schadevergoedingen door de tuchtrechter. Ter voorkoming van een dubbele procedure moet de tuchtrechter de mogelijkheid hebben om een schadevergoeding vast te stellen. Dit geldt wanneer de geleden schade eenvoudig is vast te stellen. Het gaat dan in financiële zin om beperkte schade. Zaken die ingewikkelder liggen, worden aan de civiele rechter voorgelegd. Dit laatste geldt ook als het gaat om contractuele schendingen.

Er komt deze zomer een website www.tuchtrecht.nl. De bedoeling is dat tuchtcolleges hun uitspraken hierop eenduidig kunnen publiceren. Gestart wordt met de uitspraken van de tuchtcolleges over notarissen, deurwaarders en advocaten. Vervolgens kunnen andere tuchtcolleges zich daarbij aansluiten. De tuchtrechter bepaalt of er niet geanonimiseerd wordt gepubliceerd.

De staatssecretaris zal de Kamer over een week het wetsvoorstel voorlopige voorziening schorsing notarissen en advocaten aanbieden.

Het is mogelijk om bijzondere voorwaarden te verbinden aan de maatregelencatalogus. Dat betekent dat niet alleen de algemene voorwaarde geldt dat veroordeeld gedrag niet wordt herhaald. De mogelijkheid van het toekennen van schadevergoedingen door de tuchtrechter is bijvoorbeeld een bijzondere voorwaarde.

Recent is de evaluatiecommissie BFT ingesteld. Deze commissie zal voor 1 december 2008 aan de staatssecretaris rapporteren. Daarover zal de Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd.

De staatssecretaris weet dat er binnen de jeugdzorg behoefte bestaat aan tuchtrecht. Het is alleen mogelijk om wettelijk geregeld tuchtrecht vorm te geven als er helderheid is over de beroepsnormen. Er wordt in overleg met de beroepsorganisaties in de jeugdzorg gewerkt aan beroepsnormen voor de verschillende beroepen in de jeugdzorg. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. Wanneer die normen zijn uitgewerkt, ligt het voor de hand om voor deze beroepsgroep ook tuchtrecht te ontwikkelen.

Het Centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg is uitgesloten van de uniformering omdat het beheer voor deze beroepsgroep al goed geregeld is. Het beheer is namelijk ondergebracht bij het agentschap centraal informatiepunt beroepen gezondheidszorg (CIBG). In 2006 ging het om 350 tuchtzaken in hoger beroep voor de gezondheidszorg.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Velzen (SP), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Abel (SP), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).

Naar boven