29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 462 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 oktober 2018

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van uw Kamer heeft op 5 juli jl. mijn reactie gevraagd op de proeve van wetgeving over «Herstelgerichte afdoening via bemiddeling in strafzaken», die op 27 juni 2018 werd aangeboden door de Universiteit van Maastricht en de Stichting Restorative Justice Nederland (RJN). Graag voldoe ik aan dit verzoek.

In mijn brief van 11 juli 2018 ben ik ingegaan op het herstelrecht in het strafrechtelijk domein.1 Ik heb twee toepassingen van herstelrechtvoorzieningen in het strafrecht onderscheiden: herstelbemiddeling en mediation. Bij herstelbemiddeling is er sprake van begeleide ontmoeting tussen slachtoffer en dader, gericht op bemiddeling en emotioneel herstel. Deze vorm staat los van een strafrechtelijke procedure. Bij mediation worden het slachtoffer en de dader in staat gesteld actief deel te nemen aan het oplossen van zaken die het gevolg zijn van een gepleegd strafbaar feit. Als mediation tot een vaststellingsovereenkomst leidt dan kan deze ter kennis worden gebracht van de officier van justitie of de rechter. Zij kunnen er vervolgens rekening mee houden in het strafproces. In deze brief richt ik mij op mediation.

Mediation in het strafrecht maakt een positieve ontwikkeling door. Uit informatie van de rechtspraak en het openbaar ministerie blijkt dat het aantal strafzaken dat wordt verwezen naar de mediationbureaus stijgt. Voor mediation in het strafrecht zijn in de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid structureel middelen opgenomen. Het merendeel van de gestarte mediations leidt tot een geslaagde uitkomst. In 2017 gold dit voor 76% van de zaken, volgens het jaaroverzicht over 2017 van de Raad van de Rechtspraak.

De positieve ontwikkelingen in de rechtspraktijk vinden plaats binnen het juridische kader van artikel 51h Wetboek van Strafvordering. Op grond van het vierde lid van dit artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld betreffende herstelrechtvoorzieningen waaronder bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte of tussen het slachtoffer en de veroordeelde. Het Besluit slachtoffers van strafbare feiten is (mede) gebaseerd op artikel 51h, vierde lid, Sv en geeft hier invulling aan door een aantal randvoorwaarden te stellen aan herstelbemiddeling. Hoofdstuk 6 van dit besluit betreft herstelrechtvoorzieningen. De groei van de mediation in het strafrecht laat zien dat de wetgeving hiervoor voldoende ruimte biedt.

In mijn brief van 11 juli jongstleden heb ik uiteen gezet dat het van belang is om in overleg met alle relevante partijen de lessen uit de huidige praktijk om te zetten in een beleidskader en randvoorwaarden te benoemen die zijn gericht op kwaliteit en het bewaken van de belangen van slachtoffer, verdachte én samenleving. Dit proces moet in de tweede helft van 2019 zijn afgerond. Vervolgens wil ik kijken naar de mogelijke behoefte aan nieuwe regelgeving. De proeve van wetgeving «Herstelgerichte afdoening via bemiddeling in strafzaken» beschouw ik als een waardevolle inbreng in dit traject. Daarbij kunnen ook de ketenpartners, zoals het OM en de Raad voor de Rechtspraak, Slachtofferhulp Nederland, de reclassering en mediators hun mening geven.

Verder wijs ik op het project voor de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering. In dit verband is het voornemen om de inhoud van artikel 51h Sv. op te nemen in het nieuwe boek 1. Naar aanleiding van de consultatie over de conceptboeken van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is aandacht gevraagd voor mediation. De Minister van Justitie en Veiligheid en ik bezien of deze opmerkingen tot aanpassing van de desbetreffende wettekst of memorie van toelichting moeten leiden. Hiermee wil ik niet wachten totdat het bovengenoemde overleg met maatschappelijke partners is afgerond. Het voornemen is om de wetsvoorstellen voor de modernisering Sv. in het eerste kwartaal van 2019 aan de afdeling Advisering van de Raad van State voor te leggen. Aangezien het een zeer beperkt aantal punten betreft blijft er voldoende ruimte voor het genoemde overleg en het geschetste beleidstraject in 2019. Aanpassingen die in een later stadium naar voren komen en wenselijk of nodig blijken te zijn kunnen in het kader van de Invoeringswet van het nieuwe wetboek worden opgenomen.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 34 775 VI, nr 115

Naar boven