Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929279 nr. 460

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 460 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 oktober 2018

In de procedurevergadering van de vaste Commissie voor Justitie en Veiligheid van 12 september 2018 heeft de Commissie gevraagd om een reactie op het artikel «Juristen laten weinig heel van werkwijze e-Court» (mr-online.nl, 11 september 2018). Met deze brief kom ik tegemoet aan dit verzoek van de Commissie.

In het artikel wordt een aantal bezwaren besproken tegen de manier waarop e-Court de arbitrage in de praktijk toepast, naar aanleiding van het verschijnen van een boek over het arbitrage-instituut e-Court.1 Over e-Court en de kanttekeningen die kunnen worden geplaatst bij de werkwijze is eerder dit jaar aandacht besteed in de media. Daarover zijn schriftelijke vragen gesteld door de leden Van Nispen en Jasper van Dijk (beiden SP) en de leden Dijkstra en Groothuizen (beiden D66). Deze vragen heb ik bij brief van 16 april 2018, mede namens de Minister voor Medische Zorg en Sport beantwoord.2 De in het artikel besproken kanttekeningen komen grotendeels overeen met de zorgen die ik in de antwoorden op deze kamervragen en in de begeleidende brief daarbij heb geuit over de wijze van uitvoering van deze vorm van digitale arbitrage.

In het artikel worden onder meer vraagtekens gezet bij de mate van vrijwilligheid van een procedure bij e-Court nu het uitgangspunt is dat de consument voor e-Court wordt gedaagd, tenzij deze zelf aangeeft de zaak te willen voorleggen aan de overheidsrechter. Ook komt aan de orde de mogelijke spanning met het recht op een eerlijk proces vanwege de korte termijnen met daarin weinig ruimte voor hoor- en wederhoor en het slechts online kunnen procederen, het gegeven dat alleen (grote) bedrijven een procedure bij e-Court aanhangig kunnen maken en de vragen die dit kan oproepen over de onafhankelijkheid van e-Court, het gebrek aan transparantie over de procedure en de vragen over de onafhankelijkheid van de bij e-Court werkzame arbiters.

Tevens wordt de vraag gesteld of de procedure bij e-Court waarborgt dat recht wordt gedaan aan het consumentenrecht en of de controle daarop door de rechter middels de exequaturverlening afdoende is. Deze (summiere) rechterlijke toets vindt immers pas achteraf plaatsen er is binnen de Rechtspraak discussie over de reikwijdte van deze toets.

Zoals ik aangaf in mijn brief van 16 april jl. sta ik in zijn algemeenheid positief tegenover vormen van (digitale) alternatieve geschilbeslechting, gericht op een snelle, betaalbare en voor beide partijen bevredigende oplossing. Voor partijen kunnen de duur en de kosten die verbonden zijn aan een incassoprocedure bij de kantonrechter overwegingen zijn om te kiezen voor digitale arbitrage zoals aangeboden door e-Court. Daarbij dient e-Court uiteraard aan de wettelijke vereisten te voldoen, zodat de rechten van partijen in voldoende mate worden gewaarborgd. De rechter toetst deze rechten wanneer verlof wordt gevraagd een arbitrale uitspraak ten uitvoer te mogen leggen.

Ik concludeer dat de bezwaren in het artikel in mr. Online grotendeels overeenkomen met de zorgen die door mij zijn geuit in de eerder genoemde brief van 16 april jongstleden. Recentelijk heeft e-Court tijdens een procedure om verlof te vragen, de rechter tevens verzocht om over de verlening van verlof prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank heeft op basis van de omstandigheden in deze zaak beslist dat deze zaak zich niet leent voor het stellen van prejudiciële vragen en heeft het verlof afgewezen.3 Voor het overige verwijs ik naar de inhoud van mijn brief van 16 april jl. en de antwoorden op de schriftelijke vragen.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

mr. D.E. Thiescheffer, E-Court naast overheidsrechtspraak, Celsus, 2018.

X Noot
2

Kamerstuk 29 279, nr. 423; Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nrs. 1802 en 1803.

X Noot
3

ECLI:NL:RBOVE:2018:2037: De rechtbank Overijssel wijst een arbitrale uitspraak van e-Court af om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De voorzieningenrechter oordeelt dat de zaak die e-Court indiende bij de rechtbank ongeschikt is, omdat niet is gebleken dat de arbiter onpartijdig en onafhankelijk was. De arbiter deed uitspraak in een incassogeschil tussen de oprichtster van e-Court en haar moeder met hun zorgverzekeraar. De oprichtster is op dit moment de directrice van de administrateur van e-Court. Daarmee is deze uitspraak in strijd met de openbare orde en de eigen gedragscode van e-Court.