Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2016
Tijdens het afgelopen mondelinge vragenuurtje in uw Kamer (Handelingen II 2015/16,
nr. 78, Mondelinge vragenuur) is mij verzocht u op korte termijn een brief te doen
toekomen waarin ik mijn zienswijze geef op het verwijderen uit het Wetboek van Strafrecht
van de artikelen die zien op strafbare belediging van hoofden en regeringsleden van
bevriende staten. Met deze brief doe ik mijn toezegging dienaangaande gestand. Achtereenvolgens
zal ik ingaan op de wetgeschiedenis van de betreffende artikelen, de toepassing van
de wet in de huidige rechtspraktijk en de wijze waarop ik dit onderwerp verder zal
oppakken.
Wetsgeschiedenis
Het Wetboek van Strafrecht zoals dat in werking trad in 1886 bevatte een afzonderlijke
strafbaarstelling van opzettelijke belediging van een vorst of hoofd van een bevriende
staat. Het misdrijf opgenomen in artikel 117 (oud) Sr werd bedreigd met maximaal vier
jaar gevangenisstraf. De motivering van de strafbaarstelling zou moet worden gezocht
in (volkenrechtelijke) verplichtingen in het (politieke) belang van goede diplomatieke
relaties met bevriende staten (Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht,
deel II, blz. 47–50). Toen de bepaling in de roerige jaren ’60 van de vorige eeuw
veel toepassing kreeg (tientallen malen per jaar), werd een commissie ingesteld onder
voorzitterschap van de toenmalige procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr. G.E. Langemeijer,
met als opdracht advies uit te brengen over de vraag of een wetswijziging was aangewezen.
Het advies van de Commissie leidde uiteindelijk in 1978 tot een genuanceerde wetswijziging.
De strafbaarstelling werd samengevoegd met artikel 118 (oud) Sr, dat de belediging
van een officiële vertegenwoordiger van een buitenlandse staat (ambassadeur) in Nederland
strafbaar stelde. In het nieuwe artikel 118 Sr werd de werking van de strafbaarstelling
van belediging van een hoofd of lid van een regering beperkt tot uitingen gedaan tijdens
een officieel verblijf in Nederland. Het strafmaximum werd teruggebracht tot twee
jaar gevangenisstraf. Het misdrijf bleef vervolgbaar zonder klacht, omdat een buitenlands
staatshoofd niet zou moeten worden belast met het doen van aangifte. Voor het behoud
van de strafbaarstelling werden verschillende argumenten aangevoerd. Het belangrijkste
argument dat naar voren werd gebracht luidde dat op grond van volkenrechtelijke verplichtingen
een ontvangende staat alle geëigende maatregelen zou dienen te nemen om te verhinderen
dat de veiligheid of de waardigheid van buitenlandse vertegenwoordiger in gevaar wordt
gebracht. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit argument vooral betrekking
had op de in artikel 118, tweede lid, Sr genoemde officiële vertegenwoordiger van
een bevriende staat, maar dat de extra bescherming die artikel 118 Sr biedt ook dienstig
werd geacht in verband met het belang van het goede verloop van een staatsbezoek dat
een buitenlandse regeringsleider aflegt aan ons land (Kamerstuk 11 249, nrs. 6–8, blz. 7–9). Artikel 119 stelt in aanvulling op de strafbaarstelling van artikel 118
Sr, de verspreiding van beledigende geschriften strafbaar tijdens het bezoek van het
hoofd of lid van een buitenlandse regering. Belediging van een buitenlands staatshoofd
op ander moment dan tijdens een officieel bezoek is sinds 1978 enkel strafbaar als
eenvoudige belediging (dan wel smaad of laster), op grond van de algemene bepalingen
dienaangaande in het Wetboek van Strafrecht (artikelen 261, 262 en 266 Sr). Wel leidt
een beledigende uiting indien deze het hoofd of een lid van een buitenlandse regering
betreft, tot verhoging van de toepasselijke wettelijke strafmaxima met een derde (artikel
267, onderdeel 3°, Sr).
Toepassing in de huidige rechtspraktijk
Sinds 1 januari 1995 zijn er drie zaken aangebracht bij het OM. In twee gevallen is
de zaak geseponeerd.1 In een zaak in 2013 is de verdachte gedagvaard voor mishandeling, aanzetten tot haat
en belediging bevriend staatshoofd (artikelen 300, 138d en 118 Sr). De verdachte is
veroordeeld voor de mishandeling maar voor de andere feiten vrijgesproken.2 Geconcludeerd kan worden dat de afgelopen decennia nauwelijks sprake is geweest van
zaken waarbij belediging van een bevriend staatshoofd een rol heeft gespeeld.
Wijziging van de wet
Tegen de achtergrond van het voorgaande lijkt mij de vraag gerechtvaardigd of de denkbeelden
over de wenselijkheid van een verdergaande bijzondere strafrechtelijke bescherming
in de loop van de tijd niet een zekere ontwikkeling hebben doorgemaakt. Die vraag
spitst zich met name toe op de waardering of niet ook ten aanzien van buitenlandse
staatshoofden en regeringsleden kan worden volstaan met de algemene beledigingsartikelen
– als niveau van bescherming. Ik ben daarom bereid te bezien of de betreffende artikelen
zouden kunnen worden afgeschaft, en zo ja wat daarvoor de geëigende weg is. Mocht
in uw Kamer een initiatief wetsvoorstel worden ingediend inzake dit onderwerp en uw
Kamer besluiten dit voor behandeling te agenderen, dan zal ik samen met de indieners
van dit voorstel bezien of dit voorrang kan krijgen op de voorbereiding van een wetsvoorstel
van de zijde van het kabinet.
De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur