Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629279 nr. 309

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

30 977 AIVD

Nr. 309 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 maart 2016

Tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer van 27 januari 2016 (Handelingen II 2015/16, nr. 47, item 9) kwam de vraag aan de orde of er in de veiligheidsketen voldoende aansluiting is tussen de ambtsberichten die door de AIVD worden uitgebracht en de bruikbaarheid ervan in het strafrecht. In het debat werd de vraag geuit of het ambtsbericht als bewijs in een strafzaak gebruikt kan worden. Daarbij werd, onder verwijzing naar een artikel in de NRC van 13 januari 2016 onder meer gepleit voor de invoering van een toetsingscommissie naar analogie van het systeem zoals dat in Frankrijk geldt.

In het debat werd meegedeeld dat het kabinet geen aanleiding ziet tot herziening van het huidige systeem. Wel werd de toezegging gedaan een brief te sturen met een nadere argumentatie. In de brief van 08 januari 2016 (Kamerstuk 30 977, nr. 136) heeft de Minister van BZK reeds toegelicht dat het staande praktijk is dat informatie die door de AIVD is verzameld met een ambtsbericht kan worden verstrekt aan het Openbaar Ministerie. Wij lichten hier het wettelijke systeem toe.

Wettelijke systematiek in Nederland

Op basis van artikel 38 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) kunnen gegevens die door de AIVD verwerkt worden en van belang kunnen zijn voor de opsporing van strafbare feiten, worden verstrekt aan het Openbaar Ministerie. Om een zorgvuldige en effectieve informatieoverdracht mogelijk te maken, gebeurt dit altijd door een ambtsbericht van de AIVD. De stukken die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen worden door een daartoe aangewezen Officier van Justitie beoordeeld alvorens het ambtsbericht uitgebracht wordt: de Landelijke Officier van Justitie Terrorismebestrijding (LOVJ). De LOVJ beoordeelt de juistheid van het ambtsbericht aan de hand van de onderliggende stukken en besteedt daarbij aandacht aan de correctheid van de betrouwbaarheidsaanduiding die in het ambtsbericht wordt gebruikt. Hij beoordeelt verder of er een gerede kans bestaat dat de informatie uit het ambtsbericht ook daadwerkelijk bruikbaar is in het strafproces. Informatie uit een ambtsbericht kan een verdenking opleveren op grond waarvan (bijzondere) opsporingsbevoegdheden kunnen worden toegepast. Het ambtsbericht kan niet alleen als startinformatie worden gebruikt maar ook dienen als bewijs in de strafzaak. Het ambtsbericht maakt in die gevallen deel uit van het procesdossier en is daarom beschikbaar voor de verdediging. Een bijzondere strafvorderlijke procedure – de afgeschermde getuigenregeling (art. 226m e.v. Sv) – biedt de verdediging gelegenheid om de betrouwbaarheid van het ambtsbericht te (doen) onderzoeken door getuigen te doen horen bij de rechter-commissaris. De Hoge Raad heeft met jurisprudentie de betekenis van een ambtsbericht voor de bewijsvoering bevestigd (zie HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4144, r.o. 4.7.2 en r.o. 4.8).

Het gebruik van een ambtsbericht wordt in het Nederlandse strafproces getoetst.

In eerste instantie toetst de LOvJ het onderliggend materiaal volledig. Vervolgens, indien er strafvervolging wordt ingesteld, toetst de rechter, die het bewijs in een strafzaak op zijn eigen merites beoordeelt.

In voorkomende gevallen kan een vertegenwoordiger van de AIVD of de LOvJ op zitting gevraagd worden of hij zich heeft vergewist van het achterliggende materiaal. De LOvJ mag daarover inhoudelijk niet verklaren. Hij heeft op grond van artikel 38, derde lid, jo. 85 Wiv 2002 een wettelijke geheimhoudingsplicht voor deze gegevens. Voor een vertegenwoordiger van de AIVD geldt dat hij kan verklaren voor zover hij daartoe door de Minister is ontheven van zijn geheimhoudingsplicht.

Naast voornoemde toetsing in de strafrechtelijke procedure vindt er periodiek onderzoek plaats door de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), die de rechtmatigheid van uitgebrachte ambtsberichten beoordeelt. De CTIVD oordeelt positief over de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de bevoegdheid ambtsberichten uit te brengen, zoals blijkt uit de toezichtsrapporten van deze commissie (zie Toezichtsrapport 29 over de door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten in de periode van oktober 2005 tot en met mei 2010).

Van de zijde van het Openbaar Ministerie is door het College van procureursgeneraal benadrukt dat de hiervoor beschreven praktijk afdoende is en dat er geen aanleiding bestaat deze praktijk te veranderen. Tevens is het wettelijk stelsel in overeenstemming met artikel 6 van het EVRM dat het recht op een eerlijk proces garandeert en behartigt aldus de fundamentele rechten van verdachten.

Ook de Commissie Dessens heeft in haar evaluatie van de Wiv2002 geconcludeerd dat er geen lacunes bestaan in de wetgeving wat betreft het gebruik van geheime stukken in strafrechtelijke procedures.

Inlichtingenfunctie in Frankrijk

Met betrekking tot de vergelijking met het systeem dat in Frankrijk wordt gehanteerd is het van belang op te merken dat de inlichtingenfunctie in Frankrijk op een andere wijze is vormgegeven dan in Nederland. Wij verwijzen voor een beschrijving van beide systemen naar de memorie van toelichting bij de Wet afgeschermde getuigen (Kamerstuk 29 743, nr. 3, blz. 4). Die beschrijving is nog steeds accuraat. Wel moet worden aangetekend dat de Direction de la Surveillance du territoire (DST) in 2008 is gefuseerd met een andere inlichtingendienst in een nieuwe dienst die sinds 2014 de naam Direction générale de la Sécurité intérieure (DGSI) draagt. De overdracht van informatie uit het inlichtingendomein naar het strafproces vindt in Frankrijk op een andere wijze plaats dan in Nederland. Zo kunnen agenten van de DGSI zelf deelnemen aan strafrechtelijk onderzoek en proces-verbaal opmaken. Een gestructureerde procedure voor het verstrekken van informatie per ambtsbericht, met de mogelijkheid voor een – speciaal aangewezen – Officier van Justitie om inzage te verkrijgen in achterliggende informatie, zoals in Nederland het geval is, ontbreekt in Frankrijk. Wel bestaat voor gerechten de mogelijkheid te verzoeken om derubricering van stukken van inlichtingendiensten die onder het staatsgeheim vallen; zij kunnen daartoe een verzoek indienen bij een speciale commissie (artikel L2312–1 e.v. Code de la Défense). Deze Commission consultative du secret de la défense nationale beslist over dergelijke verzoeken en bepaalt vervolgens welke stukken of delen van stukken ter beschikking kunnen worden gesteld aan de rechter. In Nederland wordt een dergelijke afweging in voorkomend geval gemaakt door de AIVD, in overleg met de LOvJ. De CTIVD kan het handelen of niethandelen van de AIVD toetsen op rechtmatigheid.

Een blik op de zaken waarin de Commission consultatieve du secret de la défense nationale wordt geadieerd geeft de indruk dat het vooral gaat om het vergaren van aanvullende informatie in strafzaken en dat de modaliteit minder in het teken staat van de toetsing van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van informatie afkomstig van inlichtingendiensten die in een concrete strafzaak een rol speelt.

Omdat vooral dit element van belang is ter bevordering van de bruikbaarheid van informatie afkomstig van inlichtingendiensten als bewijs in een strafzaak, is in het Nederlandse recht de reeds genoemde mogelijkheid gecreëerd om via een speciaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, AIVD-medewerkers te horen over de achtergrond van een ambtsbericht. Deze voorziening kan ook worden gebruikt ten behoeve van de toetsing van bewijs in de fase van berechting. Een dergelijke procedure ontbreekt in Frankrijk.

Uit het voorgaande volgt dat het Nederlands wettelijk stelsel met waarborgen omklede procedures kent die het gebruik van AIVD-informatie in het strafproces mogelijk maken. Wij zien dan ook geen aanleiding in dit stelsel wijzigingen aan te brengen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur